← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Almelo 2019 (Almelo)

Kort samengevat

Deze beleidsregels van de gemeente Almelo beschrijven hoe de gemeente ondersteuning biedt aan inwoners op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, zoals vastgelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Ze leggen uit welke begrippen hierbij horen en hoe de aanvraagprocedure verloopt.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Almelo 2019Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Almelo; gelet op de artikelen 1.3, 3.5.1, 3.6.1 en 3.6.2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almelo 2019; .. van de Algemene wet bestuursrecht, de Wmo 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almelo 2019. gezien het advies van de Wmo-adviesraad van 28 mei 2019 besluit vast te stellen: ‘ Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Almelo 2019’ Hoofdstuk1:Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen Voor de betekenis van de gebruikte begrippen wordt verwezen naar de begripsbepalingen in de Wmo 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almelo 2019. Indien nodig worden de gehanteerde begrippen nader toegelicht en gedefinieerd in de beleidsregels. Artikel1.2Aanbieder Natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een maatwerkvoorziening te leveren. Dit is de professionele zorgverlener die een contract heeft met de gemeente. Door middel van het contract zijn er vele voorwaarden gesteld aan de uitvoering van de ondersteuning en zijn er kwaliteitseisen gesteld. Het college voert regelmatig gesprekken met de aanbieders over het verlenen van ondersteuning en bespreekt eventuele misstanden. Artikel1.3Cliënt Persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. Indien in de aanvraagprocedure over cliënt wordt gesproken, wordt hiermee ook de aanvrager van ondersteuning bedoeld. Artikel1.4Coach Met de coach wordt zowel de wijkcoach, de wmo consulent, intaker als de casemanager CIMOT bedoeld. Dit zijn medewerkers van het college die het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte uitvoeren en tevens de ondersteuning indiceren. Artikel1.5Informele aanbieder De informele aanbieder is een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt die de ondersteuning verleent door middel van financiering vanuit een Pgb. Artikel1.6Leefeenheid Onder een leefeenheid wordt verstaan: alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren. Als er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. De kamerhuurder heeft dan ook geen taken ten aanzien van de persoon met een beperking die in dezelfde woning woont. Hierbij gaat het wel om de feitelijke situatie. De kwalificatie die bewoners zelf aan hun situatie geven is niet doorslaggevend. Artikel1.7Lokaal verplaatsen Met lokaal verplaatsen per vervoermiddel wordt bedoeld, lopen, fietsen, gebruik van het openbaar vervoer of autorijden in de woon- en leefomgeving van de cliënt in en rondom Almelo. De lokale verplaatsingsafstand in Almelo is gesteld op 15 tot 20 kilometer. Daarbij worden in deze beleidsregels de volgende afstanden bedoeld: - Rondom huis (zeer korte afstand) de afstand van 0m tot 100m - Korte afstand: de afstand van 0m tot 400m - Middellange afstand: de afstand van 400 m tot 10 km - Lange afstand: de afstand boven 10 km Artikel1.8Onafhankelijke cliëntondersteuning De cliënt en zijn mantelzorger worden voor het onderzoek gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. De cliëntondersteuning is onafhankelijk en helpt bij het verduidelijken van de hulpvraag, het maken van keuzes en het organiseren van de juiste hulp. Ook draagt de cliëntondersteuning bij aan een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, welzijn, wonen, werk en inkomen. Cliëntondersteuners zijn onafhankelijk en objectief. Een cliëntondersteuner kan meedenken met de cliënt maar zelf geen beslissing nemen over een aanvraag voor ondersteuning of voor een voorziening. De inwoners van Almelo met een ondersteuningsvraag kunnen een beroep doen op een onafhankelijke cliëntondersteuner. Dit kan een vrijwilliger en/of een professional zijn. Deze kan helpen bij het formuleren van de hulpvraag en ondersteunend zijn bij het vinden van de weg in de toegang en zo nodig de verdere zorg en ondersteuning. Een cliëntondersteuner helpt de weg te vinden naar de oplossingen en als dat nodig is daarbij een gerichte aanspraak te doen op de gemeente. Mocht iemand belemmeringen ervaren bij het verkrijgen van toegang tot dit systeem of vastlopen binnen het gemeentelijk systeem van zorg- en dienstverlening, dan kan er een beroep worden gedaan op onafhankelijk cliëntondersteuners. Inwoners van Almelo kunnen bij de gemeente aangeven dat zij cliëntondersteuning wensen te ontvangen, zij zullen dan adequaat worden doorverwezen. Uiteraard kunnen inwoners ook zelf contact opnemen met de organisatie die de onafhankelijke cliëntondersteuning voor de gemeente uitvoert. Artikel1.9Ondersteuning Zorg die verleend wordt op grond van de Wmo 2015. Artikel1.10Participatie Op grond van de Wmo 2015 kan het college een ingezetene van de gemeente Almelo, of in geval van beschermd wonen en maatschappelijke opvang eenieder die zich tot het college wendt, ondersteuning verstrekken bij zijn zelfredzaamheid en participatie. De wetgever verstaat onder participatie: Het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke, verstandelijke beperkingen of psychiatrische of psychosociale problematiek, zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Participatie kan op verschillende manieren worden bevorderd. Onder andere door het treffen van algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen. Ook kan participatie worden verbeterd door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten. Een cliënt kan echter niet gedwongen worden om, in ruil voor ondersteuning, activiteiten te verrichten in die zin dat hij de (aanspraak

  1. op)ondersteuning verliest als hij dit niet wil. Artikel1.11Persoonlijk plan De ondersteuningsvrager kan aan het college een persoonlijk plan overleggen. In het persoonlijk plan beschrijft de ondersteuningsvrager hoe een probleem volgens de ondersteuningsvrager kan worden opgelost. Het college betrekt het persoonlijk plan bij de uitwerking van het ondersteuningsplan. Artikel1.12Pgb-aanbieder Dit is een aanbieder die geen contract heeft met de gemeente. Dit kan een professionele aanbieder of een informele aanbieder zijn. De cliënt wenst door middel van een persoonsgebonden budget (Pgb) zelf ondersteuning in te kopen bij een derde. Voorafgaand aan het verstrekken van een Pgb toetst het college of de Pgb aanbieder aan de eisen voldoet zoals genoemd zijn in artikel 5.1 van de Verordening. Artikel1.13Pgb-beheerder Dit is een persoon die de belangen van de cliënt behartigt en de aan een Pgb verbonden taken uitvoert, indien de cliënt ondersteuning heeft (of wenst te ontvangen) in de vorm van een Pgb. De Pgb-beheerder moet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 5.3 van de verordening. Artikel1.14Professionele aanbieder Van een professionele aanbieder is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad en personen behorende tot het sociaal netwerk van de cliënt: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register), voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van de ondersteuning. Artikel1.15Vertegenwoordiger Een vertegenwoordiger is een persoon die door de cliënt schriftelijk gemachtigd is om hem/haar te ondersteunen bij de aanvraag- of de bezwaar- of beroepsprocedure. Artikel1.16Zelfredzaamheid Op grond van de Wmo 2015 kan het college een ingezetene van de gemeente Almelo, of in geval van beschermd wonen en maatschappelijke opvang eenieder die zich tot het college wendt, ondersteuning verstrekken bij zijn zelfredzaamheid en participatie. De wetgever verstaat onder zelfredzaamheid: In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Uit de definitie volgt dat zelfredzaamheid bestaat uit twee elementen: • het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; • het voeren van een gestructureerd huishouden. Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Het gaat dan om: • in en uit bed komen; • aan‐ en uitkleden; • bewegen; • lopen; • gaan zitten en weer opstaan; • lichamelijke hygiëne (wassen);| • toiletbezoek; • eten/drinken; • medicijnen innemen; • ontspanning; • sociaal contact. In sommige gevallen valt de ondersteuning voor ADL onder de reikwijdte van de Zorgverzekeringswet. Dit komt in hoofdstuk 2 verder aan de orde. Artikel1.17Zorgverlener(
  2. s)Met zorgverlener(
  3. s)wordt zowel de aanbieder, de professionele aanbieder als de informele aanbieder bedoeld. Hoofdstuk2Toeleiding en toegang algemeen Artikel2.1Melding Een inwoner kan zich bij de gemeente melden om zijn behoefte aan ondersteuning kenbaar te maken. Behalve door de cliënt zelf, kan de melding ook worden gedaan door een vertegenwoordiger. Een zorgverlener kan ook een melding doen, indien hij daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft van de cliënt. Er kan op de volgende manieren een melding worden gemaakt: • Telefonisch via informatienummer van de gemeente (0546-541111); • Bij het sociaal wijkgebouw; • Bij de balie in het stadhuis; • Per e-mail via wmo@almelo.nl. Voor beschermd wonen moet een melding worden gemaakt via: • de website https://www.cimot.nl/almelo/beschermd-wonen030816/. Voor maatschappelijke opvang kan een melding worden gemaakt via: • de website http://www.humanitasonderdak.nl/twente/ Tijdens het eerste contact wordt beoordeeld of de vraag om informatie of advies direct afdoende en naar tevredenheid kan worden beantwoord. Bij twijfel of als uit het contact blijkt dat er een onderzoek moet plaatsvinden, wordt de melding geregistreerd. Het onderzoek kan bestaan uit: een telefonisch onderzoek tijdens het (eerste) contact waarna een verwijzing volgt naar bijvoorbeeld een andere voorziening (bijvoorbeeld een algemene voorziening); een uitgebreid onderzoek waarin beoordeeld wordt welke voorziening toereikend en passend is, het zogenaamde (keukentafel- of intake)gesprek. In het eerste geval (telefonisch onderzoek) wordt de melding wel geregistreerd maar wordt geen ondersteuningsplan geschreven. In het tweede geval krijgt de ondersteuningsvrager (als deze zelf het contact heeft gezocht) of degene voor wie ondersteuning wordt gevraagd een regisseur toegewezen. Als regisseur kunnen optreden een wijkcoach, een consulent zorg of een casemanager (de coaches). Dit onderzoek mondt uit in een ondersteuningsplan. Artikel2.2.Termijnen De termijn van melding tot en met het besluit op een aanvraag in de Wmo 2015 is in principe bepaald op maximaal 8 weken (namelijk 6 weken voor de onderzoeksfase gevolgd door 2 weken voor de beslissing op een aanvraag). In de Wmo 2015 is geregeld dat de onderzoeksfase (van melding tot afronding van het onderzoek) maximaal zes weken mag duren. Het onderzoek, bij voorkeur via een keukentafel (-of intake)gesprek, kan leiden tot het indienen van een aanvraag voor een op het individu toegesneden voorziening. De aanvraag kan worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond. Tussen het afronden van het onderzoek en het ontvangen van het aanvraagformulier (datum waarop formeel de aanvraag is ingediend) kan, bijvoorbeeld door het niet onmiddellijk verzenden van het aanvraagformulier door de ondersteuningsvrager, enige tijd zitten. Deze tijd wordt in mindering gebracht op de beslistermijn. De besluitvormingsfase is alleen van toepassing als er een besluit moet komen op een aanvraag voor maatwerkvoorziening. De termijn tussen het indienen van de aanvraag (na ontvangst van het aanvraagformulier) en het besluit is maximaal twee weken. In de praktijk kan tijdens het onderzoek blijken dat er meer tijd nodig is om tot een goede beoordeling van de situatie te komen. Dit kan het geval zijn als moet worden gewacht op informatie van derden, en als, in het geval van een woningaanpassing, niet duidelijk is of de noodzakelijke vergunningen wel kunnen worden afgegeven. In overleg met de ondersteuningsvrager kan dan afgeweken worden van de onderzoekstermijn van maximaal zes weken. Dit dient schriftelijk te worden vastgelegd. Ook kan de beslistermijn, bij wijze van uitzondering op grond van artikel 4:14 Awb, één keer met een redelijke termijn worden verlengd. Dit kan het geval zijn als de gegevens op het aanvraagformulier afwijken van de informatie die is gegeven tijdens het (keukentafel- of intake)gesprek. Indien van de standaardtermijnen wordt afgeweken, moet de ondersteuningsvrager worden geïnformeerd. Artikel2.3Identificatieplicht De Wmo 2015 vereist dat het college de identiteit van een cliënt vaststelt. Dit moet aan de hand van een geldig document in de zin van de Wet op de identificatieplicht. Voorbeelden van geldige legitimatiebewijzen zijn een rijbewijs, Nederlandse identiteitskaart, nationaal paspoort, diplomatiek paspoort en een document in het kader van het Gemeenschapsrecht. Ook reisdocumenten voor vreemdelingen kunnen een geldig identiteitsbewijs zijn. Het gaat dan om documenten in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit blijkt wie de vreemdeling is en wat zijn verblijfsrechtelijke positie is. Dit laatste is belangrijk omdat een vreemdeling slechts in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening als hij rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet. Op (de achterkant van) het verblijfsdocument staat vermeld op welke grondslag de vreemdeling in Nederland verblijft. Op die eis van rechtmatig verblijf geldt één uitzondering. Bij (eventuele) opvang in verband met risico’s voor de veiligheid van de betrokkene als gevolg van huiselijk geweld geldt dit niet. Daarnaast kan gelden dat een vreemdeling met een Nederlander gelijkgesteld is, dit ondanks het feit dat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. De situaties waarin er sprake is van zo’n gelijkstelling staan in artikel 2.1, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Ook vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven maar die al vóór 24 februari 2014 een beroep deden op maatschappelijke opvang, kunnen dit recht nog behouden. Het vaststellen van de identiteit is onderdeel van het onderzoek dat naar aanleiding van een melding plaatsvindt. Daarnaast moet iemand die een aanvraag indient zich, als het college daar om vraagt, kunnen identificeren. Als van een cliënt in redelijkheid niet kan worden gevraagd om een nieuw identiteitsbewijs aan te vragen (bijvoorbeeld in verband met ernstige ziekte) en de identiteit van de cliënt op andere wijze afdoende kan worden vastgesteld, dan kan op deze identificatieplicht een uitzondering worden gemaakt. Dit moet wel toegelicht worden. Als een cliënt zich alleen meldt (al dan niet telefonisch) en meteen, zonder dat een onderzoek plaatsvindt, wordt doorverwezen naar een algemene voorziening, is identificatie op grond van de wet niet noodzakelijk. Artikel2.4Onderzoek Naar aanleiding van een melding wordt een onderzoek uitgevoerd ter verheldering van de hulpvraag. Het onderzoek richt zich op degene die onderwerp is van de melding. Indien degene die het onderzoek namens het college uitvoert, of de cliënt, dit wenselijk of noodzakelijk acht, worden eventuele mantelzorgers, de onafhankelijke cliëntondersteuner, familieleden of reeds aanwezige hulpverleners bij het onderzoek betrokken. Dit neemt niet weg dat degene die het onderzoek uitvoert te allen tijde het recht heeft cliënt zonder aanwezigheid van derden te spreken. Het college kan, in het belang van het onderzoek, een reden hebben om de cliënt (ook) alleen te spreken, bijvoorbeeld als het college de indruk heeft dat er door de aanwezige derden ongeoorloofde druk of invloed wordt uitgeoefend op de cliënt, bijvoorbeeld om bepaalde dienstverlening al dan niet te betrekken. Een aanbieder wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het onderzoek c.q. de vraagverheldering in opdracht van het college door deze aanbieder wordt verricht. Een Pgb-aanbieder is derhalve niet aanwezig in het kader van het onderzoek en komt pas concreet in beeld nadat het ondersteuningsplan is opgesteld, en het de wens is van de cliënt de verstrekking van de ondersteuning te laten plaatsvinden in de vorm van een Pgb. Het college onderzoekt de onderwerpen die in de wet en de verordening staan opgenomen, zoals de hulpvraag, de beperkingen en de mogelijkheden van cliënt en/of zijn netwerk om zelf oplossingen te vinden voor zijn belemmeringen. Ook onderzoekt het college of er passende algemene voorzieningen beschikbaar zijn. Het college verstrekt de benodigde informatie. Bijvoorbeeld over beschikbare voorliggende voorzieningen, algemene voorzieningen, vrijwilligerswerk en de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en Pgb. De cliënt kan ook een persoonlijk plan overhandigen, waarin hij deze punten heeft beschreven en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is. Dit plan dient dan als basis voor het onderzoek. Het onderzoek wordt afgerond met een ondersteuningsplan, dat aan de cliënt wordt verstrekt. (Medisch) advies Om de ondersteuningsbehoefte helder te krijgen is het soms nodig advies in te winnen bij een onafhankelijk deskundige. Eén van de deskundigen die kan worden ingeschakeld is een medisch adviseur (keuringsarts). Bij twijfel over de (mate van) beperkingen of als een voorziening mogelijk invaliderend kan werken, zal een medisch adviseur (keuringsarts) moeten worden ingeschakeld. Dit is ook het geval als niet duidelijk is of het inzetten van een maatwerkvoorziening medisch noodzakelijk is vanwege de ondervonden beperkingen. Een onafhankelijk oordeel van de medisch adviseur is noodzakelijk als een aanvraag om medische redenen waarschijnlijk moet worden afgewezen. Ondersteuningsplan De cliënt ontvangt van het onderzoek een ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan zijn in ieder geval omschreven: • de stappen zoals genoemd in artikel 2.3. lid 2 Verordening; • hetgeen besproken is tijdens het keukentafel- of intakegesprek; • de resultaten die bereikt zouden moeten worden met de ondersteuning. Indien het resultaat alleen kan worden bereikt met een maatwerkvoorziening, zal ook aan de orde moeten komen in welke vorm, in natura of een persoonsgebonden budget, deze verstrekt kan worden. Ook zal moeten worden gemeld dat er een eigen bijdrage wordt opgelegd. De cliënt krijgt beschikking over het ondersteuningsplan via het burgerportaal. De cliënt kan met zijn Digi-D code inloggen op https://www.almelo.nl/burgerportaal-1. Artikel2.5Aanvraag Als cliënt in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening, moet hij daarvoor een aanvraag indienen. De aanvraag kan worden ingediend: • door een apart daarvoor beschikbaar gesteld aanvraagformulier; of • door ondertekening van het ondersteuningsplan. In het kader van de Wmo 2015 kan een aanvraag in principe niet worden ingediend voordat het onderzoek is afgerond (behalve wanneer de onderzoekstermijn is verstreken). In zeer dringende gevallen kan een maatwerkvoorziening ook zonder aanvraag worden verstrekt. Artikel2.6Inlichtingenplicht Iemand die een voorziening aanvraagt moet gegevens en bescheiden aanleveren die nodig zijn om een besluit te kunnen nemen. Het college mag geen gegevens of bescheiden vragen die niet relevant zijn voor het afhandelen van de aanvraag. Ook als een voorziening eenmaal is toegekend geldt een inlichtingenplicht. Die houdt in dat de cliënt op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de verstrekking van een voorziening. Concreet betekent dit dat een cliënt het college bijvoorbeeld actief moet informeren over: een wijziging in zijn beperking(
  4. en)die van invloed is op het gebruik van de maatwerkvoorziening; het toe- of afnemen van verleende mantelzorg; een gewijzigde gezinssituatie in de gevallen waar er sprake is/kan zijn van gebruikelijke hulp; het niet ontvangen van (goede kwaliteit) ondersteuning; indien ondersteuning wordt ingezet voor een ander doel dan waarvoor deze wordt verleend; indien zorg wordt gedeclareerd voor ondersteuning die niet (juist) is verleend; als hij tijdelijk geen gebruik kan maken van de voorziening door detentie, behandeling in een instelling of opname in een ziekenhuis, verpleegtehuis of revalidatiecentrum; het wijzigen van zorgverlener; verhuizing; een vakantie van meer dan 2 weken; verbetering in de gezondheidssituatie waardoor de voorziening niet langer of in mindere mate noodzakelijk is. Het niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot intrekking of herziening van de maatwerkvoorziening. Het is dan ook belangrijk dat de cliënt op de hoogte is van de inlichtingenplicht en dat hij, als hij twijfelt of bepaalde informatie relevant is, hierover actief contact legt met de gemeente. Artikel2.7Medewerkingsplicht In het verlengde van de inlichtingenplicht ligt de medewerkingsplicht. Die houdt in dat de cliënt alle medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de Wmo 2015 die het college noodzakelijk vindt. Zo is iemand verplicht om gehoor te geven aan een oproep van het college of om zich te onderwerpen aan onderzoek dat door (of namens) het college is ingesteld. Bij een onderzoek naar de vraag of er sprake is van gebruikelijke hulp geldt de medewerkingsplicht óók voor de huisgenoten van de cliënt. Als iemand niet voldoet aan de medewerkingsplicht dan kan dit gevolgen hebben voor het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Met name als het college niet kan vaststellen of iemand (nog langer) recht heeft op een maatwerkvoorziening. Of als de omvang van de voorziening niet kan worden vastgesteld. Van de cliënt aan wie een maatwerkvoorziening wordt toegekend, wordt verwacht dat hij naar vermogen meewerkt aan het opstellen van het ondersteuningsplan en het behalen van de daarin beschreven doelen en resultaten. Dit omvat ook de afspraken die worden gemaakt met de zorgaanbieder in het kader van de leveringsopdracht. Onder medewerking wordt dus ook verstaan het naleven van huis- en gedragsregels en/of omgangsvormen. Het al dan niet opzettelijk niet meewerken aan het behalen van de doelen en resultaten en/of het niet nakomen van gemaakte afspraken, kan leiden tot een tijdelijke opschorting van de ondersteuning of, in het uiterste geval, tot beëindiging daarvan. Uiteraard kan dit niet als uit de aard van iemands beperkingen voortvloeit dat die medewerking niet of in beperkte mate verleend kan worden. Hoofdstuk3Voorzieningen Paragraaf3.1Criteria maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1.1 Criteria maatwerkvoorzieningen In artikel 3.1 lid 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Almelo 2019 staat dat een persoon in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van een lichamelijke of verstandelijke beperking, (chronische) psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan hij niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de persoon deze beperkingen naar oordeel van de gemeente niet kan verminderen of wegnemen: 1. op eigen kracht; 2. met gebruikelijke hulp; 3. met mantelzorg; 4. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; 5. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of; 6. met gebruikmaking van algemene voorzieningen. 7. met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen In paragraaf 3.1.2. tot en met 3.1.8. worden deze criteria nader uitgewerkt. Artikel3.1.2Eigen kracht Voordat een cliënt in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening dient hij in eerste instantie te kijken in hoeverre hijzelf, of indien mogelijk met zijn directe omgeving, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie. De eigen kracht van de cliënt heeft betrekking op de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan het verbeteren van zijn situatie. Het wordt gezien als normaal om je in te spannen om je eigen situatie te verbeteren. Of dat je iets doet voor een partner of een familielid. Daarbij heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om te bevorderen dat inwoners en hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken. En dus niet, of zo min mogelijk, aangewezen zijn op maatschappelijke ondersteuning. De eigen kracht is afhankelijk van de individuele situatie van de cliënt, waarbij zijn beperkingen en leerbaarheid van invloed zijn. Deze eigen kracht komt op verschillende momenten tot uitdrukking. Namelijk niet alleen als iemand al beperkingen heeft, maar ook in de situatie die daaraan voorafgaat. Bijvoorbeeld door te anticiperen op een levensfase waarin beperkingen niet ongebruikelijk meer zijn. Een jong stel bereidt zich voor op een levensfase waarin het kinderen krijgt en hiervoor kosten moet maken in verband met de aanschaf van de benodigde babyartikelen of een verhuizing naar een grotere woning. Op diezelfde wijze zal een ieder zich ook moeten voorbereiden op wat veelal hoort bij het ouder worden: de behoefte aan een kleinere woning in verband met het vertrek van kinderen, de nabijheid van winkels en gemaksdiensten, een gelijkvloerse woning in verband met verminderde mobiliteit. Het gebruik maken van de eigen kracht betekent ook dat de cliënt zelf voorziet in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn (zie ook onder 3.1.6). Een cliënt wordt geacht hiervoor op eigen kracht zorg te dragen. Gebruik maken van de eigen kracht veronderstelt daarnaast dat de cliënt zich voldoende verzekert, bijvoorbeeld door een passende aanvullende ziektekostenverzekering af te sluiten die aansluit bij de gezondheidssituatie en financiële mogelijkheden van de cliënt. Uitdrukkelijk behoort tot de eigen kracht ook het beroep doen op voorzieningen op grond van een andere wet. In het spraakgebruik worden dit ook wel voorliggende voorzieningen genoemd. Ook in die situatie hoeft het college, met een beroep op eigen kracht, geen voorziening te verstrekken op grond van de Wmo 2015. De eigen kracht bestaat dan uit het tot gelding brengen van de aanspraak op grond van de andere wet. Daarnaast behoort tot de eigen kracht ook het gebruik maken van de hulp van het netwerk, waar deze hulp beschikbaar is. Bij het onderzoek naar het vaststellen van de eigen kracht zijn de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt van belang. Daarnaast is het van belang te onderkennen dat er ook grenzen kunnen zijn aan wat de eigen kracht is van een cliënt. Artikel3.1.3.Gebruikelijke hulp Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de normale dagelijkse hulp die de partner en andere huisgenoten (waaronder kinderen) geacht worden elkaar te bieden, omdat ze een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden. Wat concreet valt onder “gebruikelijke hulp” wordt bepaald door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder of het inwonend kind of de andere huisgenoot. Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht om bijvoorbeeld (niet limitatief): het huishouden over te nemen; mee te gaan met familiebezoek of naar de huisarts; het doen van de administratie; de opvoeding van en zorg voor kinderen door ouders; activeren tot het ondernemen van activiteiten; het gezamenlijk ondernemen van activiteiten; ondersteunen bij de persoonlijke hygiëne; ondersteunen bij het verkrijgen van dagstructuur. Het college dient aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval onderzoek te doen naar de mogelijkheden van de cliënt om met (onder meer) gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren. Het aantal uren gebruikelijke hulp dat van een huisgenoot verwacht mag worden is gesteld op 10,5 uur per week. Dit aantal wordt aangemerkt als richtlijn, waarbij wordt uitgegaan van ongeveer 1,5 uur gebruikelijke hulp per dag. Het college onderzoekt welke hulp in een specifieke situatie van de huisgenoot in redelijkheid gevraagd kan worden. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoeften en persoonskenmerken van de cliënt. Ook dienen de mogelijkheden van de persoon die de gebruikelijke hulp verleent daarbij betrokken te worden. De resultaten van het onderzoek worden vastgelegd in het ondersteuningsplan. Hierbij dient de regisseur met inachtneming van het voorgaande inzichtelijk te maken welke taken (gedeeltelijk) als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt, welke taken (gedeeltelijk) boven-gebruikelijke hulp betreffen en hoeveel tijd hier (dagelijks) mee gemoeid is. Overbelasting Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht. Hierbij dient wel onderzocht te worden wat de reden van overbelasting is. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Een verstrekking van een Pgb kan de overbelasting niet wegnemen. Gebruikelijke hulp in het huishouden Indien een persoon huisgenoten heeft die in staat zijn om de huishoudelijke taken over te nemen, dan wordt verondersteld dat zij deze taken overnemen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk (het draaiende houden van een huishouden). Van iedere volwassene wordt verwacht dat zij naast andere dagelijkse bezigheden (werk, vrije tijd, enz.) een huishouden kunnen voeren. Indien een huisgenoot vanwege beperkingen uitvalt, wordt verwacht dat een andere huisgenoot deze taken overneemt. Dit geldt voor alle huisgenoten van 18 jaar en ouder. Er is sprake van een verplichtend karakter. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen huisgenoten op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Wanneer gebruikelijke hulp van een kind wordt verwacht, dan moet er onderzoek worden gedaan naar het vermogen van dit kind voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk. Er moet rekening worden gehouden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het kind en het feitelijke vermogen van het kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder de schoolprestaties. De volgende richtlijnen worden gehanteerd ten aanzien van gebruikelijke hulp van kinderen in het huishouden: Kinderen van 0 tot 5 jaar - leveren geen bijdrage aan het huishouden Kinderen van 5 tot 12 jaar (naar eigen mogelijkheden) - helpen met opruimen; - helpen met tafel dekken en tafel afruimen; - helpen met afwassen en afdrogen; - helpen met in- en uitpakken van de vaatwasser; - kunnen een boodschap doen; - kunnen hun eigen kleding in de wasmand gooien. Kinderen van 12 tot 18 jaar - kunnen dezelfde taken als kinderen van 5 tot 12 jaar verrichten; - kunnen hun eigen kamer opruimen; - kunnen hun eigen kamer stofzuigen; - kunnen hun eigen bed verschonen. Artikel3.1.4.Mantelzorg Mantelzorg is de hulp ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Doorgaans zijn mantelzorgers personen met wie de persoon regelmatig contact houdt. De mantelzorger en de persoon hoeven niet per se in één huis te wonen. Mantelzorg gebeurt op basis van vrijwilligheid. Mantelzorg kan niet worden afgedwongen. Indien er tegen betaling zorg wordt verleend door het sociale netwerk is er geen sprake van mantelzorg. Het verlenen van mantelzorg overstijgt qua duur en intensiteit de normale gang van zaken. Bij mantelzorg gaat het om hulp die verder gaat dan gebruikelijk hulp. Een huisgenoot kan naast gebruikelijke hulp ook mantelzorg verlenen, omdat de zorg die hij verleent boven de gebruikelijke hulp uitstijgt. Aangezien mantelzorg vrijwillig is, kan de gemeente de huisgenoot niet verplichten om deze mantelzorg te verlenen. Belastbaarheid van de mantelzorger Door middel van mantelzorg kan de zelfredzaamheid en de participatie van de persoon worden bevorderd. De mantelzorger wordt daarom zoveel als mogelijk betrokken bij het gesprek met de gemeente. De belastbaarheid van de mantelzorger dient echter wel in de gaten te worden gehouden. Overbelasting van de mantelzorger dient te worden voorkomen. Er dient te worden gekeken naar de behoeften, mogelijkheden en de belastbaarheid van de mantelzorger. Er dient te worden uitgegaan van wat redelijkerwijs de mogelijkheden van de mantelzorger zijn. Wat redelijkerwijs verwacht kan worden van een mantelzorger, verschilt van persoon tot persoon en is mede afhankelijk van de aard van de relatie, en de situatie waarin de persoon en de mantelzorger zich op dat moment bevinden. De gemeente gaat hierbij vooral uit van dat wat de mantelzorger zelf aangeeft. Naast de fysieke gesteldheid van de mantelzorger, wordt er rekening gehouden met de tijd die de mantelzorger beschikbaar heeft en de reistijd die de mantelzorger nodig heeft. Met enige regelmaat wordt de situatie van de persoon en die van de mantelzorger beoordeeld. Dit zorgt ervoor dat de belastbaarheid van de mantelzorger goed in het oog wordt gehouden en dat overbelasting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Inzet van respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. De gemeente Almelo hecht waarde aan de inzet van mantelzorgers. Dit komt op verschillende manieren tot uitdrukking, bijvoorbeeld in de vorm van een mantelzorgwaardering. Ook door het aanbieden van verschillende faciliteiten probeert de gemeente mantelzorgers zo veel als mogelijk in staat te stellen om mantelzorg te kunnen (blijven) bieden Mantelzorg door kinderen Naast volwassenen zijn ook kinderen in het gezin vaak mantelzorger. De gemeente Almelo vindt het erg belangrijk dat de mantelzorg van deze kinderen nooit ten koste gaat van het welbevinden en de ontwikkeling van de kinderen, zoals het omgaan met leeftijdsgenoten, vrijetijdsbesteding en schoolprestaties. Artikel3.1.5Hulp uit het sociaal netwerk Van een persoon wordt verwacht dat hij kijkt of hij met hulp uit zijn sociaal netwerk zijn hulpvraag kan oplossen. Net als bij mantelzorg kan hulp uit het sociaal netwerk niet worden afgedwongen. Artikel3.1.6Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, dient altijd te worden onderzocht of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de persoon die de maatwerkvoorziening aanvraagt. Uit de jurisprudentie blijkt dat een voorziening voor de ene persoon wel algemeen gebruikelijk kan zijn en voor de ander niet. Beugels in het toilet kunnen bijvoorbeeld voor een persoon boven de 70 jaar wel algemeen gebruikelijk zijn, maar voor een jonger persoon die na een ongeluk gehandicapt is geraakt, niet. De volgende criteria spelen een rol bij het bepalen of een voorziening algemeen gebruikelijk is voor de persoon: Is de voorziening gewoon verkrijgbaar? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor gehandicapten ontworpen? Zou een gezond persoon, ook gelet op de individuele omstandigheden van het geval, waaronder de leeftijd, over de voorziening beschikken? Bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, mag het inkomen en/of vermogen van de persoon geen rol spelen. De financiële situatie van een persoon mag alleen een rol spelen als de persoon betwist een algemeen gebruikelijke voorziening te kunnen betalen. Artikel3.1.7Algemene voorzieningen Een algemene voorziening is volgens de Wmo 2015 een “aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning”. Iedere ingezetene die tot de doelgroep van de algemene voorziening behoort, kan hiervan gebruik maken. Dus ook ingezetenen die zorg ontvangen in het kader van de Wet langdurige zorg. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle bewoners van de gemeente Almelo. Deze voorzieningen stellen mensen in staat om (ondanks hun beperkingen) zelfredzaam en zelfstandig te zijn en mee te blijven doen (participatie). Aanbod algemene voorzieningen: In de gemeente Almelo worden algemene voorzieningen aangeboden door diverse, door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde partijen. Enkele voorbeelden van algemene voorzieningen zijn:  Kinder-, tiener- en jongerenwerk  Opvoedondersteuning  Gezinsondersteuning  Onafhankelijke cliëntondersteuning  Dagactiviteiten (licht) verstandelijk gehandicapten  Arbeidsmatige dagbesteding voor volwassenen  Activiteiten volwassenen en ouderen georganiseerd in wijkcentra  Steunpunt Mantelzorg Almelo  Thuisadministratie  Vervoers- en boodschappendienst  Vrijwillige ouderenadviseur  Samen actief voor allochtone vrouwen  Maatjesproject Tandem  Schuldhulpmaatje Verschil algemene voorziening en maatwerkvoorziening: De belangrijkste verschillen tussen een algemene en een maatwerkvoorziening zijn: de algemene voorziening is vrij toegankelijk voor de doelgroep waarvoor deze bestemd is, maar een maatwerkvoorziening wordt op aanvraag verstrekt. Deze aanvraag kan worden ingediend na afronding van het onderzoek; ondersteuning die geboden wordt door middel van een maatwerkvoorziening is expliciet gericht op het behalen van individuele doelen, waarbij ondersteuning van een gespecialiseerde professional noodzakelijk is in verband met een gestelde diagnose; Bij de algemene voorziening wordt door getrainde vrijwilligers begeleiding geboden bij welzijnsactiviteiten, welke ook gericht kunnen zijn op het behalen van doelen. Hierbij is vaak ook een professional aanwezig. Er is geen beschikking noodzakelijk om deel te nemen aan de algemene voorzieningen. Eigen bijdrage algemene voorzieningen In het algemeen wordt er geen eigen bijdrage opgelegd voor algemene voorzieningen. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat het gebruik van algemene voorzieningen zoveel mogelijk wordt gestimuleerd. Het is echter mogelijk dat de instelling een kleine vergoeding vraagt voor de kosten van materialen die worden gebruikt voor de activiteiten. Ook de kosten voor eten en drinken komen voor rekening van de deelnemer, tenzij door de instelling anders is bepaald. Artikel3.1.8Voorliggende voorziening Een voorliggende voorzieningen is onderdeel van het beroep op eigen kracht (zie ook onder 3.1.2). Als voorliggende voorziening wordt beschouwd de (al dan niet bij wet geregelde) voorziening waar de cliënt daadwerkelijk een beroep op kan doen en waardoor hij geen of in mindere mate een beroep hoeft te doen op maatschappelijke ondersteuning. Voorbeelden van voorliggende voorzieningen kunnen onder andere zijn: Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet, Participatiewet. Paragraaf3.2.Maatwerkvoorzieningen Artikel 3.2.1 De volgende maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt: a. Ondersteuning zelfstandig leven b. Ondersteuning maatschappelijke deelname c. Ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf d. Huishoudelijke ondersteuning e. Woonvoorzieningen f. Vervoersvoorzieningen g. Beschermd wonen h. Maatschappelijke opvang a. Ondersteuning zelfstandig leven (OZL) De voorziening ondersteuning zelfstandig leven is individuele begeleiding, waarbij er wordt gewerkt aan de zowel in het ondersteuningsplan als in het zorgplan opgenomen te behalen doelen. De doelen opgenomen in het zorgplan zijn een uitwerking van de doelen die omschreven zijn in het ondersteuningsplan. Het deel van de persoonlijke verzorging die samenhangt met het zich niet kunnen verzorgen in verband met zintuiglijke, cognitieve en/of psychiatrische beperkingen kan ook vallen onder ondersteuning zelfstandig leven. Voor het overige deel is de functie persoonlijke verzorging overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. Ondersteuning zelfstandig leven wordt in uren per week geïndiceerd en kan niet gelijktijdig worden ingezet met ondersteuning maatschappelijke deelname. De ondersteuning dient plaats te vinden in de directe nabijheid of leefomgeving van de cliënt. Ondersteuning zelfstandig leven bestaat uit 2 niveaus: Ondersteuning zelfstandig leven niveau 1 De persoon kan communiceren en zelf om ondersteuning vragen. De ondersteuning is voornamelijk gericht op stimuleren, toezicht en helpen bij waardoor de persoon in staat is om zijn of haar (sociale) leven zelfstandig vorm te geven; Er is doorgaans geen primaire noodzaak tot het overnemen van taken, bijvoorbeeld bij de dagelijkse routine. In voorkomende gevallen kan de ondersteuning zich wel richten op het overnemen van de taken door een professional. Het gaat in deze vorm van ondersteuning om planbare zorg. De persoon is zich ervan bewust dat de begeleiding op vaste dagen en tijdstippen langs komt om de ondersteuning te verlenen. De persoon kan zijn hulpvraag uitstellen. Indien er sprake is van een ad hoc situatie dan weet de persoon hier zelf mee om te gaan of bespreekt dit bij de volgende afspraak met de begeleider. Ondersteuning zelfstandig leven niveau 2 De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de persoon soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. De persoon kan (nog) niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen. Voor de dagstructuur en het voeren van regie heeft de persoon ondersteuning van anderen nodig. Ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) die voor de persoon niet vanzelfsprekend zijn. De ondersteuning kan zich ook richten op het, tijdelijk, overnemen tot en met aanleren van taken door een professional. Het kan dan vooral gaan om ondersteuning bij voor de persoon complexere activiteiten. Dit kan ook voor eenvoudige taken gelden. In de ondersteuning wordt er rekening mee gehouden dat er mogelijk meer interventies nodig zijn vanwege gedragsproblemen. Het gaat in deze vorm van ondersteuning om zowel planbare als niet planbare zorg. De persoon heeft naast een of meerdere tijdstippen begeleiding ook ondersteuning nodig wanneer zich een ad hoc situatie voordoet. De persoon heeft dan direct ondersteuning nodig (telefonisch/oproepbaar). b.Ondersteuning maatschappelijke deelname (OMD) Ondersteuning maatschappelijke deelname wordt over het algemeen geboden in groepsverband. Er moet minimaal 1 professional zijn op maximaal 6 cliënten. Een dag kent twee dagdelen. Een dagdeel kent 4 uur en bevat minimaal 3,75 uur directe zorgverlening. Tijdens de dagbesteding kan niet gelijktijdig individuele begeleiding (OZL) worden ingezet. Dagbesteding kan worden geïndiceerd in hele en halve dagdelen. De dagbesteding dient plaats te vinden in de directe nabijheid of leefomgeving van de cliënt. Bij het bieden van twee opeenvolgende dagdelen is de (professionele) aanbieder niet verplicht een maaltijd aan te bieden. De (professionele) aanbieder staat het wel vrij om een maaltijd aan te bieden en eventueel een eigen bijdrage hiervoor te vragen aan de cliënt. Het college kan cliënten die ondersteuning behoeven in sociale zelfredzaamheid verwijzen naar lokale aanbieders van welzijnsactiviteiten. Deze voorzieningen zijn algemeen toegankelijk en hiervoor is dan ook geen beschikking van de gemeente vereist. Deze voorzieningen zijn voorliggend aan de maatwerkvoorzieningen OMD en OZL. Indien de medewerker van de gemeente beoordeelt dat een algemene voorziening niet aansluit bij de complexiteit van de uit te voeren activiteiten en/of aanwezige stoornissen en/of beperkingen van de cliënt, zal maatwerk (OMD of OZL) worden geïndiceerd. Ondersteuning maatschappelijke deelname bestaat uit 2 niveaus Ondersteuning maatschappelijke deelname niveau 1 De ondersteuning is erop gericht door stimulans en/of toezicht te zorgen dat de persoon in staat is zijn/haar leven zelfstandig vorm te geven. De ondersteuning biedt structuur en geeft een adequate invulling aan de dag. Er is doorgaans geen primaire noodzaak tot het overnemen van taken, bijvoorbeeld bij de dagelijkse routine. De persoon kan zelf om ondersteuning vragen, maar stimuleren en toezicht zijn wel nodig. Ondersteuning maatschappelijke deelname niveau 2 Ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen en het zelfstandig nemen van besluiten. De ondersteuning houdt er rekening mee dat de communicatie niet altijd vanzelf gaat doordat de persoon niet altijd begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. De ondersteuning kan zich ook richten op het, tijdelijk, overnemen tot en met het aanleren van taken door een professional. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om ondersteuning bij voor de persoon complexe activiteiten die van de persoon moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De persoon kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen. De ondersteuning houdt er rekening mee dat de persoon mogelijk meer interventies nodig heeft door bijvoorbeeld gedragsproblemen. c. Ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf Ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf is vergelijkbaar met de oude Awbz functie kortdurend verblijf. Het doel van deze voorziening is het bieden van ondersteuning aan de mantelzorger(
  5. s)door tijdelijk verblijf (inclusief dagbesteding) buitenshuis van degene die van zorg afhankelijk is, mogelijk te maken. Het resultaat moet dan ook zijn dat de mantelzorger wordt ontlast waardoor ondersteuningsvrager langer thuis of zelfstandig kan blijven wonen. Bij de zorgverlener waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Het kortdurend verblijf omvat in ieder geval bed, bad, maaltijden (3 per dag) en verblijf. Kortdurend verblijf is geen integrale voorziening. Ondersteuning maatschappelijke deelname en ondersteuning zelfstandig leven moeten apart worden geïndiceerd. Als ook verpleging of persoonlijke verzorging noodzakelijk is, moet een indicatie op grond van de Zorgverzekeringswet worden verkregen. De ondersteuningsvrager is in principe zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Is de ondersteuningsvrager hiertoe niet in staat, dan wordt het vervoer geïndiceerd en door de (Pgb) aanbieder georganiseerd. De omvang van kortdurend verblijf is 1, 2 of 3 etmalen per week; afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de ondersteuningsvrager of diens mantelzorger(s). Er is een maximum van 3 etmalen (72 uur) per week gesteld omdat het logeren betreft. Bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een intramurale indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) moet worden gesteld. Het is denkbaar dat hierop in specifieke situaties een uitzondering kan worden gemaakt om verblijf van maximaal 14 dagen aaneengesloten mogelijk te maken, zodat de mantelzorger(
  6. s)op vakantie kan/kunnen gaan. Een belangrijke voorwaarde bij kortdurend verblijf is dat de ondersteuningsvrager geen beroep kan doen op een vorm van respijtzorg op grond van zijn of haar zorgverzekering. Als richtlijn voor ondersteuning maatschappelijke deelname wordt uitgegaan van 2 dagdelen per etmaal. Indien individuele begeleiding noodzakelijk is kan ondersteuning zelfstandig leven geïndiceerd worden (denk aan 1 op 1 begeleiding bij eten of bepaalde activiteiten). Beoordeeld moet dan worden hoeveel ondersteuning en welke vorm van ondersteuning nodig is tijdens het kortdurend verblijf. Hiervoor kan geen algemene richtlijn worden gegeven. d. Huishoudelijke ondersteuning d. Huishoudelijke ondersteuning Het doel van huishoudelijke ondersteuning is de ondersteuningsvrager zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving ondersteuning te bieden bij huishoudelijke taken waardoor zij (beter) in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden en deelname aan het maatschappelijk verkeer. Huishoudelijke ondersteuning kent één basismodule en 5 aanvullende modules: Module extra hygiëne; Module wasverzorging; Module regie; Module maaltijdverzorging; Module zorg voor minderjarige kinderen. Het schoonhouden of schoonmaken van de buitenkant van de woning zoals het ramen lappen aan de buitenkant, maakt geen deel uit van de huishoudelijke ondersteuning. Van de ondersteuningsvrager wordt medewerking gevraagd om de ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning, het voorkomen van grote verzamelingen en het opruimen van de woning zodat het schoonmaken zo efficiënt mogelijk uitgevoerd kan worden. Bij het definiëren van de normen (activiteiten en frequentie) per module is gebruik gemaakt van het CIZ protocol en verschillende onderzoeken. Zo is gebruik gemaakt van: Onderzoek “Norm huishoudelijke ondersteuning in Twente” van HHM van 10 februari 2017; Verdiepend onderzoek prestatie wassen en strijken van HHM uit 2017; Onderzoek “Maatstaf hulp bij het huishouden Gemeente Amsterdam” van 28 februari 2017 Basismodule Het resultaat van de basismodule huishoudelijke ondersteuning is dat de ondersteuningsvrager beschikt over een schoon en leefbaar huis. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. De basismodule heeft betrekking op de woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk dagelijks in gebruik zijn. In het algemeen zijn dit de volgende woonruimtes: Woonkamer; Slaapkamer(s), in gebruik bij de ondersteuningsvrager en huisgenoten; Badkamer; Toilet; Keuken; Verkeersruimten (hal, overloop, bijkeuken); Trap, mits één van de hierboven genoemde ruimten zich op een andere etage bevinden. Overige, niet in gebruik zijnde, ruimtes worden in principe niet schoongemaakt. Per woonruimte wordt aangegeven welke activiteiten met welke frequentie moeten worden verricht om het resultaat schoon en leefbaar huishouden te behalen. Het type woning, de grootte van de woning of het aantal bewoners hebben geen invloed op de frequentie van de activiteiten. De activiteiten en frequenties die vallen onder de basismodule zijn uitgewerkt in tabel 1 en 2 van bijlage 2. Aanvullende modules Wanneer als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen de ondersteuningsvrager onvoldoende ondersteund worden door de basismodule bij het realiseren van een schoon en leefbaar huis of als er een ander noodzakelijk resultaat behaald moet worden, kunnen er aanvullende modules ingezet worden. Module extra hygiëne Het resultaat van de module extra hygiëne is dat de ondersteuningsvrager beschikt over een schoon en leefbaar huishouden waarbij het huis wordt schoon gehouden met een hogere frequentie omdat: In verband met medische en/of fysieke beperkingen (bijvoorbeeld bij COPD) een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is en een hoger niveau van schoon moet worden bereikt dan het algemeen aanvaard basisniveau van schoon. Deze beperkingen dienen objectief medisch aantoonbaar te zijn. In verband met medische en/of fysieke beperkingen het huis sneller vervuilt (bijvoorbeeld door gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen). Deze beperkingen dienen objectief medisch aantoonbaar te zijn; Door de aanwezigheid van kinderen onder de 12 jaar het huis sneller vervuilt. Deze extra vervuiling dient door de ouders in redelijkheid tot het noodzakelijke beperkt te worden, maar kan aanleiding zijn aanvullende module toe te kennen. De grootte van een huishouden is in het algemeen geen aanleiding om de aanvullende module extra hygiëne toe te kennen. Ook de aanwezigheid van dieren (uitgezonderd hulphonden e.d.) zijn, in het algemeen, geen aanleiding voor het toekennen van deze aanvullende module. De extra werkzaamheden die hieruit voortvloeien behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de ondersteuningsvrager. De module extra hygiëne is qua activiteiten gelijk aan de basismodule. De frequentie wordt per ondersteuningsvrager op basis van maatwerk vastgesteld. Module wasverzorging Het resultaat van de module wasverzorging is dat de ondersteuningsvrager beschikt over voldoende schone en draagbare kleding en linnen- en/of beddengoed voor het volledige huishouden. De module wasverzorging kan worden ingezet als het een ondersteuningsvrager niet lukt om zijn kleding, linnen- of beddengoed zelfstandig op orde en schoon te houden. Het is mogelijk dat de was op een centrale locatie uitgevoerd wordt. Wanneer dit niet het geval is mag verwacht worden dat de ondersteuningsvrager beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het aanschaffen van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de ondersteuningsvrager. Verwacht mag worden dat er alles aan gedaan wordt de ondersteuning zoveel mogelijk te beperken. Bijvoorbeeld door het aanschaffen van een wasdroger of het kopen van kleding die niet gestreken hoeft te worden. Alleen in uitzonderingssituaties wordt ondersteuning geboden bij het strijken. Van de ondersteuningsvrager wordt tevens verwacht dat al het mogelijke wordt gedaan om het ontstaan van extra was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. De activiteiten en de frequenties die vallen onder de module wasverzorging zijn genormeerd in tabel 3 van bijlage 2. Van de norm kan worden afgeweken als vaker moet worden gewassen vanwege: Fysieke beperkingen zoals incontinentie, nachtzweten, speekselvloed; Andere medische aandoeningen zoals bij bedlegerigheid; Omvang en samenstelling van het huishouden (waaronder kinderen jonger dan 16 jaar). Module regie Het doel van de module regie is dat ondersteuning wordt geboden bij dagelijkse organisatie van het huishouden. Het resultaat is dat de ondersteuningsvrager langer zelfstandig kan wonen. Deze module kan worden ingezet als in redelijkheid niet meer van de ondersteuningsvrager verwacht kan worden dat deze zelfstandig beslissingen neemt ten aanzien van zijn huishouden of als disfunctioneren dreigt als gevolg van bijvoorbeeld dementie. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf. Ook kan sprake zijn van een grote mate van afhankelijkheid van huisgenoten. Hierdoor wordt de ondersteuningsvrager zowel binnens- als buitenshuis belemmerd in zijn zelfstandig functioneren. De module kan ook worden ingezet voor het aanleren van huishoudelijke taken. Ondersteuning wordt dan voor de maximale duur van 6 weken ingezet voor het bieden van advies, instructie en voorlichting. Bij deze module worden niet alleen huishoudelijke taken overgenomen, maar heeft de helpende bij deze module ook taken op het gebied van aansturing en regie. Daarbij geldt voor de helpende een extra verantwoordelijkheid ten aanzien van het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid. Bewaken of het nog verantwoord is dat de ondersteuningsvrager zelfstandig woont, is daarom onderdeel van deze module. Ook kan de ondersteuning bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Bij de module regie moet worden overwogen of een andere maatwerkvoorziening, zoals ondersteuning zelfstandig leven, meer passend is. Een afweging die hierbij gemaakt moet worden is of de ondersteuning alleen gericht is op het huishouden of dat er ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is. Wanneer de ondersteuning gericht is op het toezien en stimuleren en er aanwezigheid gewenst is tijdens de uitvoering van de huishoudelijke taken dan kan deze ondersteuning vanuit de module regie worden uitgevoerd. Wanneer ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is en tevens gericht is op het plannen, stimuleren en organiseren van de huishoudelijke taken dan zal ondersteuning zelfstandig leven in het algemeen meer passend zijn. De module regie wordt in principe niet verstrekt in combinatie met de voorziening ondersteuning zelfstandig leven. De activiteiten en de frequenties die vallen onder de module regie zijn genormeerd in tabel 4 van bijlage 2. Module maaltijdverzorging Deze module zal vanwege het in ruime mate voorhanden zijn van algemene voorzieningen (maaltijdenservice, boodschappendiensten en boodschappenbus) alleen in uitzonderingssituaties worden verstrekt. Het resultaat van de module maaltijdverzorging is dat de ondersteuningsvrager kan beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden voor het volledige huishouden. Onder de module maaltijdverzorging valt zowel het doen van de boodschappen als de maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen van de maaltijd. Deze module wordt ingezet wanneer de ondersteuningsvrager zelf of met hulp van zijn sociale netwerk, niet in staat is te zorgen voor de dagelijkse maaltijden. De maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen ervan kan vallen onder huishoudelijke ondersteuning, ondersteuning zelfstandig leven of de functie persoonlijke verzorging in de Zorgverzekeringswet. Dit hangt af van welke vorm van ondersteuning nodig is. Dit geldt voor zowel de broodmaaltijden als de warme maaltijden. Daar waar ondersteuningsvragers nog zelfstandig kunnen eten en dit uit eigen beweging ook doen, valt de maaltijdbereiding onder huishoudelijke ondersteuning. Als ondersteuningsvragers weliswaar zelfstandig kunnen eten, maar gestimuleerd moeten worden om ook daadwerkelijk te gaan eten en toegezien moet worden op inname van de maaltijd, valt de maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen ervan onder ondersteuning zelfstandig leven. Persoonlijke verzorging (Zvw) kan worden geïndiceerd als een ondersteuningsvrager niet langer in staat is zelf te eten of als zelf eten, bij bijvoorbeeld slikproblemen, een gevaar van verstikking kan opleveren. De ondersteuningsvrager moet dan gevoed worden. Het uitgangspunt bij broodmaaltijden is dat deze 1x per dag gemaakt worden. Broodmaaltijden die in de ochtend gemaakt zijn, kunnen tot ’s avonds in de koelkast bewaard en gegeten worden. Voor broodmaaltijden kan niet worden verwezen naar een voorliggende voorziening. Er zijn wel aanbieders van broodmaaltijden (denk aan bakkers) maar dit betreffen de meer luxe en uitgebreide ontbijten en lunches. Dit kan dan ook niet worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening omdat dit het gangbare bestedingspatroon van ondersteuningsvragers ver te boven zal gaan. Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra ondersteuning voor boodschappen doen. De activiteiten en de frequenties die vallen onder de module maaltijdverzorging zijn genormeerd in tabel 5 van bijlage 2. Van de norm kan voor wat betreft de frequenties worden afgeweken in geval van: Huishouden met meer dan 4 personen; Thuiswonende kinderen jonger dan 12 jaar. Module zorg voor minderjarige kinderen Het doel van de module zorg voor minderjarige kinderen is dat door de geboden ondersteuning de dagelijkse zorg voor minderjarige kinderen is gegarandeerd. Het resultaat is dat het gezinsverband kan worden gehandhaafd. Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door een beperking niet of moeilijk in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van één van de ouders, de andere ouder deze zorg daar waar mogelijk overneemt. Een eventuele maatwerkvoorziening is er voor ouders die door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor minderjarige, gezonde kinderen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een structurele oplossing. Aan de hand van de criteria in de Verordening Kinderopvang om voor een sociaal medisch indicatie in aanmerking te komen, wordt beoordeeld of deze module wordt ingezet bij een cliënt. Deze module wordt afgegeven met een maximale duur van drie maanden om ouders/verzorgers de mogelijkheid te bieden een structurele oplossing te vinden. Van hen mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo 2015. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. De activiteiten die vallen onder de module zorg voor minderjarige kinderen zijn: Naar bed brengen en uit bed halen Wassen en kleden Eten en drinken geven Babyvoeding Luier verschonen Naar school/kinderopvang brengen. De frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd, worden op maat vastgesteld. e. Woonvoorzieningen De gemeente verstrekt woonvoorzieningen om de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van personen met een beperking te bevorderen. Hierbij gaat het vooral om mensen die hulpmiddelen nodig hebben bij het normale gebruik van de woning. Met behulp van woonvoorzieningen kunnen personen met beperkingen zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen. Hierbij valt te denken aan aanpassingen aan de woning (aanpassing van keuken of toilet) en voorzieningen in de woning (douchezitje, toiletstoel etc.). Daarnaast kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor de verhuis- en inrichtingskosten. Woonvoorzieningen hebben tot doel beperkingen, die het normale gebruik van de woning door de persoon met beperking in de weg staan, te compenseren. Wat wordt verstaan onder een woonvoorziening? Een woonvoorziening is een voorziening die de cliënt in staat stelt tot het normale gebruik van de woning. Onder het normale gebruik van de woning verstaat de gemeente de normale woonfuncties zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van huishoudelijke werkzaamheden, keukengebruik en het zich verplaatsen binnen de woning. Onder het ‘normale gebruik van de woning’ verstaat de gemeente ook de veiligheid in en rond de woning en de toegang van de woning. De gemeente Almelo verstrekt o.m. de onderstaande woonvoorzieningen: • een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten; • een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; • overige woonvoorzieningen, zoals bijv. woningsanering. Voorwaarden voor het verkrijgen van een woonvoorziening In deze paragraaf komen de voorwaarden voor het verkrijgen van een woonvoorziening aan de orde. Net als bij alle andere voorzieningen geldt dat de gemeente de goedkoopst compenserende woonvoorziening verstrekt. De extra kosten voor een duurdere voorziening, betaalt de cliënt zelf. De gemeente verstrekt alleen een woonvoorziening voor de woonruimte waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft, dus niet voor een vakantiewoning of een tweede woning. Een uitzondering hierop is de situatie dat de persoon met beperkingen in een WLZ instelling woont en regelmatig een adres buiten de instelling bezoekt. Bijvoorbeeld in het ouderlijk huis. De gemeente kan dan een financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten voor het bezoekbaar maken van de woning, onder de voorwaarde dat de woonruimte regelmatig wordt bezocht. Met het bezoekbaar maken van de woonruimte bedoelt de gemeente dat de cliënt de woonruimte, de woonkamer en een toiletvoorziening kan bereiken en gebruiken tot een maximum van € 1500,-. Geen recht op een woonvoorziening Algemeen gebruikelijk De gemeente verstrekt geen woonvoorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het aanpassen van de woning aan de eisen van de tijd en/ of renovatie is algemeen gebruikelijk. Voorbeelden hiervan zijn: ander toilet doorspoelsysteem, extra kraan in de badkamer en weghalen van het lavet. Of een bepaalde woonvoorziening algemeen gebruikelijk is, beoordeelt de gemeente aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij worden de persoonlijke omstandigheden en behoeften van de cliënt in aanmerking genomen. Als bijlage 3 is een lijst gevoegd van alle voorzieningen die in Almelo algemeen gebruikelijk zijn. Aard van de gebruikte materialen Wanneer de problemen die de cliënt ondervindt, het gevolg zijn van de gebruikte materialen in de woning, verstrekt de gemeente geen woonvoorziening. De gemeente wil hiermee voorkomen dat woonvoorzieningen moeten worden getroffen als gevolg van beperkingen die voortvloeien uit de in de woning gebruikte materialen, achterstallig onderhoud etc. Bij de woningeigenaar ligt immers de verantwoordelijkheid om de woning goed te onderhouden. Uitrustingsniveau sociale woningbouw De gemeente verstrekt geen voorziening die van een hoger niveau is dan het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw. De gemeente gaat er vanuit dat het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw voldoende compensatie biedt. Wil de cliënt dus een voorziening van een hoger niveau, dan moet hij dit zelf betalen. Verhuizing vanuit geschikte woning Wanneer de cliënt verhuist vanuit een geschikte woning en in zijn nieuwe woning beperkingen ondervindt, heeft hij geen recht op een woonvoorziening. Dit is alleen anders wanneer de cliënt verhuisd is vanwege een belangrijke reden. Een belangrijke reden kan bijvoorbeeld zijn, een echtscheiding. Verhuizing naar een geschikte woning Wanneer de cliënt niet is verhuisd naar een geschikte woning, in ieder geval in de basis geschikt, gezien zijn of haar beperkingen, verstrekt de gemeente geen woonvoorziening. Door te verhuizen naar een niet geschikte woning zijn er belemmeringen in het normale gebruik van de woning ontstaan. Als een persoon met beperking verhuist, moet hij, in relatie tot die beperkingen, zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Hiermee wordt voorkomen dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor de aanpassingen bij de gemeente indient. Uitgangspunt is dat iemand met beperkingen moet verhuizen naar een geschikte woning en wanneer geen geschikte woning beschikbaar is, naar de woning die het goedkoopst geschikt te maken is. Primaat van verhuizen De gemeente gaat uit van het primaat (voorrang) van verhuizen. Dat betekent dat wanneer verhuizen in de situatie van de cliënt de goedkoopst compenserende oplossing is, verhuizen voor gaat boven het aanpassen van de woning. De cliënt krijgt dan in plaats van een aanpassing van zijn woning, een vergoeding voor de verhuis- en inrichtingskosten. De gemeente weegt hierbij alle belangen zorgvuldig af. Hierbij maakt de gemeente een kostenvergelijking tussen het aanpassen van de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Ook de termijn waarbinnen kan worden verhuisd, speelt een rol. Of die termijn medisch aanvaardbaar is, blijkt uit het medisch advies. De gemeente maakt niet alleen een financiële afweging, maar kijkt naar alle individuele omstandigheden en woonbehoeften van de cliënt. Bij de afweging betrekt de gemeente onder meer de woonomgeving, de financiële gevolgen van de verhuizing, aanwezigheid mantelzorger, de sociale omstandigheden van de cliënt en beschikbaarheid van een andere woning. Dit betekent dat de gemeente zicht moet hebben op de woningvoorraad en de mogelijkheid om te verhuizen naar geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Verhuis- en inrichtingskosten In de onderstaande gevallen verstrekt de gemeente geen voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten: wanneer de cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen; wanneer de verhuizing gelet op leeftijd, gezinssituatie, woonsituatie en gezondheidssituatie algemeen gebruikelijk is; wanneer de cliënt al is verhuisd voordat hij een aanvraag voor verhuis- en inrichtingskosten heeft ingediend; wanneer de cliënt geen belemmeringen in het normale gebruik van de woning ondervindt, tenzij hij verhuist naar een ADL-woning; wanneer de cliënt naar een WLZ instelling verhuist. De gemeente vindt dat een persoon met beperking in bepaalde gevallen geld kan reserveren voor de kosten van een verhuizing. Dit is zo in de situatie dat de persoon met beperkingen voor het eerst zelfstandig gaat wonen en hetzelfde geldt voor ouderen die kunnen anticiperen op hun woonsituatie. Vaak is een verhuizing in die gevallen te voorzien, wat betekent dat mensen daarop kunnen anticiperen door te reserveren. Voor de gemeente is het belangrijk om eerst de belemmeringen in de oude woning vast te stellen. De aanvraag moet daarom worden ingediend voordat de cliënt is verhuisd. Vanwege de medische noodzaak, geeft de gemeente een programma van eisen waaraan de nieuwe woning moet voldoen. Hiermee voorkomt de gemeente dat verhuisd wordt naar een ongeschikte woning. De financiële tegemoetkoming voor de verhuis- en inrichtingskosten betaalt de gemeente uit als er is verhuisd naar een voor de aandoeningen en beperkingen van de cliënt geschikte woning. Bovendien moet de cliënt uiterlijk binnen 6 maanden na datum van de beschikking tot toekenning van de financiële tegemoetkoming, zijn verhuisd. Het kan voorkomen dat iemand zonder beperking woont in een aangepaste woning. In dat geval kan de gemeente verhuis- en inrichtingskosten vergoeden aan deze persoon zonder beperkingen, met het doel om de woning vrij te maken voor een persoon met beperkingen. Aanpassen gemeenschappelijke ruimten Voor het aanpassen van de gemeenschappelijke ruimten in een wooncomplex heeft de gemeente geen of slechts een beperkte compensatieplicht. Het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten in wooncomplexen voor ouderen of personen met een beperking valt niet onder de compensatieplicht, omdat dit tot het uitrustingsniveau van een dergelijk wooncomplex behoort en daarmee algemeen gebruikelijk is. De gemeente moet hierbij wel onderzoeken of er sprake is van een specifiek op ouderen of personen met beperking gericht woongebouw. Voor overige wooncomplexen verstrekt de gemeente slechts aanpassingen als dat nodig is om de woning van de cliënt toegankelijk te maken. Want om normaal gebruik te kunnen maken van een woning, moet deze toegankelijk zijn. Hierbij gaat het om de volgende aanpassingen: het aanbrengen van elektrische deuropeners; de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw; het plaatsen van drempelhulpen of vlonders; het aanbrengen van een extra trapleuning; het realiseren van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het wooncomplex. De aanvraag voor elektrische deuropeners kent de gemeente alleen toe in wooncomplexen niet zijnde een woon-zorgcomplex, serviceflat of specifiek voor ouderen bestemd. Woonwagens, woonschepen en binnenschepen Wat geldt voor het aanbrengen van woonvoorzieningen in woningen, geldt in principe gelijk voor woonwagens en woonschepen. Vanwege de kenmerken en het karakter van dit type woningen gelden nog een aantal extra voorwaarden. De volgende voorwaarden gelden: Aanvragen voor een overdekte gang van de woonwagen naar het douche/toiletgebouw komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat één van de kenmerken van het wonen in een woonwagen is dat het toilet zich buiten de wagen bevindt. Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor de aanpassing van een woonwagen verstrekt de gemeente alleen wanneer: de technische levensduur van de woonwagen minimaal 5 jaar is; de standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt; de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag bij de gemeente op de standplaats stond en; de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning. Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor de aanpassing van een woonschip verstrekt de gemeente alleen wanneer: de technische levensduur van het woonschip nog minimaal 5 jaar is; het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen. Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor de aanpassing van een binnenschip verstrekt de gemeente alleen wanneer: De aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf van het binnenschip; het binnenschip te boek is gesteld en; bedrijfsmatig in gebruik is voor het vervoer van goederen (laadvermogen van minimaal 15 ton) of personen (minimaal 12 personen). Afschrijvingstermijn Voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw, keuken en badkamer geldt een afschrijvingstermijn van 10 jaren en voor alle overige woonvoorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaren. Antislipvloer Omschrijving Ook wel stap-vast vloeren genoemd. Dit zijn vloeren, veelal in de natte cel, die als gevolg van de combinatie vocht en zeep, niet glijden waardoor valgevaar voorkomen kan worden. Deze voorziening kan bestaan uit het aanbrengen van nieuwe antisliptegels of het (chemisch) bewerken van de bestaande vloer. Beide voorzieningen zijn adequaat, echter, de situatie is bepalend welke oplossing de goedkoopste is. De algemene stelregel is dat in bestaande situaties een behandeling (Slidex) de goedkoopste oplossing is. Bijkomend voordeel hierbij is dat het aanbrengen zeer snel gebeurt. In nieuwbouw situaties is het aanbrengen van antisliptegels algemeen gebruikelijk en conform de richtlijnen van aanpasbaar bouwen. In dergelijke situaties wordt daarvoor geen vergoeding gegeven. Toekenningscriteria De cliënt heeft als gevolg van verminderde sensibiliteit in de voeten problemen bij het grip krijgen op de vloer bij het opstaan of gaan zitten Wijze van verstrekken Als financiële tegemoetkoming. Berging (ten behoeve van stalling vervoermiddel) Omschrijving Extra ruimte die geschikt is voor het stallen van een Wmo-vervoermiddel indien de bestaande berging niet bruikbaar is voor dit doel en er geen andere ruimte beschikbaar is om het middel te stallen. Alvorens dit aan de orde is, dient belanghebbende zelf alle maatregelen te hebben getroffen om ruimte te creëren voor de stalling van het vervoermiddel. Vervolgens worden de volgende oplossingsmogelijkheden volgens onderstaande volgorde afgewogen op “goedkoopst adequaat”. 1. Afdakje op een beschutte(binnen)plaats; 2. Eenvoudig houten schuurtje (bouwpakket). Toekenningscriteria Cliënt heeft recht op een Wmo-vervoermiddel op grond van beperkte mobiliteit; De bestaande berging is niet met eenvoudige ingrepen als het verbreden van de toegangsdeur en/of het nivelleren van drempels geschikt te maken om als stalling te dienen; en Er is geen enkele andere acceptabele mogelijkheid om het vervoersmiddel nabij de woning te stallen. Wijze van verstrekken De tegemoetkoming te baseren op de kosten van aanschaf en plaatsing een eenvoudige houten berging, eventueel inclusief bestrating en aanleg stopcontact t.b.v. de oplader. Douchestoel Omschrijving Een woonvoorziening die wordt ingezet om de ergonomische belemmeringen bij het staande douchen te verminderen of op te heffen. Dit kan een vaste voorziening zijn, te bevestigen aan de wand of een verplaatsbare - roerende - voorziening. Deze laatste categorie is weer onder te verdelen in douchestoelen zonder wielen, met geremde zwenkwielen of voorzien van grote wielen (zelfbeweger). Elk type douchestoel kan naar individuele maatvoering besteld worden met diverse aanpassingen en opties. In sommige situaties kan een douche- toiletstoel meer adequaat zijn. Procedure Een passing kan nodig zijn om de meest geschikte voorziening te selecteren. Natura voorzieningen worden in bruikleen verstrekt. Daarbij wordt een bruikleenovereenkomst in tweevoud getekend, waarvan één exemplaar achterblijft bij de cliënt. Toekenningscriteria Cliënt ondervindt belemmeringen bij het staande douchen. Opgemerkt hierbij dient te worden dat een douchestoel veel ruimte kan innemen in een natte cel. Is belanghebbende ernstig beperkt en krijgt hij hulp bij het douchen dan kan indien de ruimte te krap is gekozen worden voor het verstrekken van een vast douchezitje eventueel voorzien van rugleuning en armleggers. Deze is opklapbaar en geeft meer ruimte voor verzorging. Wijze van verstrekken Het primaat ligt bij het verstrekken van een losse douchestoel. Dit is de goedkoopst adequate voorziening. Dergelijke stoel is een roerende (natura) voorziening en wordt in bruikleen verstrekt. Een vaste douchezitting is een onroerende woonvoorziening. Daarvoor geldt een financiële tegemoetkoming. Opmerkingen Bij de keuze voor een vaste of een verplaatsbare voorziening dienen ook de belemmeringen bij het gebruik van het toilet afgewogen te worden. Als roerende woonvoorziening is de douchestoel tegen geringe meerkosten ook als toiletstoel aan te passen, waardoor gecombineerd gebruik mogelijk is (bijvoorbeeld als douchestoel en 's nachts als toiletstoel naast het bed). Eveneens bestaat er de mogelijkheid om zogenaamde steunpoten te leveren bij vaste voorzieningen; deze wordt voor aan de zitting gemonteerd voor extra steun tijdens het gaan zitten bij zwaardere cliënten. Indien belanghebbende zelfstandig zittend kan douchen, dient de douchekop op een lager niveau te hangen. De goedkoopst adequate oplossing hierbij is het verstrekken van een tweede ophangpunt voor de douchekop, zodanig aan te brengen dat de gebruiker zowel de kraan als de douchekop kan bereiken vanaf de stoel. Douche/toiletstoel Omschrijving Woonvoorziening die is bedoeld om de belemmeringen die cliënt ondervindt bij het staand douchen, staan bij de wastafel, of het opstaan of het gaan zitten t.b.v. het toiletgebruik, op te heffen of te verminderen. Meestal is het een verrijdbare voorziening, waardoor het aantal transfermomenten tot een minimum beperkt wordt. Procedure Behandelen als aanvraag natura woonvoorzieningen. Toekenningscriteria Cliënt is zeer beperkt in zijn/ haar mobiliteit; én ondervindt problemen bij het staande douchen, bij het staan aan de wastafel, en bij het opstaan en gaan zitten t.b.v. het toiletgebruik, én het maken van transfers geeft zodanige problemen dat deze momenten tot een minimum beperkt moeten worden. Wijze van verstrekken Als natura-voorziening in bruikleen. Drempelhulpen Omschrijving Een woonvoorziening om de toegankelijkheid /doorgankelijkheid van een woning of leefruimte te bevorderen. De meest ondervonden problemen zijn de afhankelijkheid van een loophulpmiddel of rolstoel in combinatie met te hoge drempels. Bij rollatorgebruikers wordt afgewogen of de belemmering weggenomen kan worden door het (in eigen beheer) plaatsen van een zogenaamde “bob-up”, een accessoire aan de rollator waardoor drempels, maar ook stoepranden gemakkelijker kunnen worden “genomen”. Drempelhulpen zijn een alternatief voor het verwijderen van drempels of het ophogen van de tegels bij de deur. Naast het uitgangspunt goedkoopst adequaat, dient hierbij onderscheid te worden gemaakt tussen huurwoningen en woningen in eigendom. Voor deze laatste kan het verstrekken van drempelhulpen zinvol zijn, indien het een woning betreft die niet specifiek geschikt is voor ouderen. De voorziening kan ingenomen worden, als de woning verkocht wordt. Voor huurwoningen die specifiek geschikt zijn voor ouderen en/of mensen met beperkingen, zal eerder voor een meer permanente oplossing gekozen worden, aangezien de woning daarmee blijvend geschikt wordt voor de doelgroep. Procedure Behandelen als aanvraag voor een natura woonvoorziening. Toekenningscriteria Cliënt ondervindt ergonomische belemmeringen bij het verlaten en binnengaan van de eigen woning of leefruimten. De drempelhulp is de goedkoopst adequate oplossing in relatie tot het verwijderen van (
  7. de)drempel(
  8. s)of het laten ophogen van de bestrating. Bij huurwoningen die bijzonder geschikt zijn voor ouderen, verdient het laten aanbrengen van een permanente voorziening de voorkeur. Wijze van verstrekken Hetzij in bruikleen (huurwoningen) hetzij in eigendom (eigenaren). Opmerkingen Vaak bestaat de aanvraag uit “het verwijderen van de drempels in de woning”; hierbij moet nagegaan worden of het noodzakelijk is om alle drempels in een woning te verwijderen. In principe moet alleen de voordeur of alleen de achterdeur van een oprijdplaat worden voorzien. Een individuele afweging is hierbij aan de orde. Dubbele woonlasten/tijdelijke huisvesting Omschrijving Vergoeding van kosten van tijdelijke huisvesting en/of dubbele woonlasten omdat belanghebbende niet in zijn/haar woning kan blijven wonen of nog niet een nieuwe woning kan betrekken gedurende de tijd dat de woning aangepast wordt en nog niet bewoonbaar is. Toekenningscriteria Belanghebbende ondervindt op medische gronden ergonomische belemmeringen in de woning en de woning moet ingrijpend aangepast worden. Op medische gronden is het niet mogelijk dat de belanghebbende in de aan te passen woning kan gaan/blijven wonen. Indien dit tot gevolg heeft dat de bewoner gedurende een bepaalde periode dubbele woonlasten moet betalen, kan een financiële tegemoetkoming worden verleend indien: de hoofdbewoner redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten heeft; de tijdelijke huisvesting langer dan één maand*) duurt, en indien deze kosten gemaakt worden in verband met het aanpassen van de woning. tijdelijk betrekken of langer moeten aanhouden van zelfstandige woonruimte of tijdelijk betrekken of langer moeten aanhouden van een niet zelfstandige woonruimte. *) Bij verhuizing is één maand dubbele woonlasten algemeen gebruikelijk. Wijze van verstrekken Als tijdelijke tegemoetkoming in de extra woonlasten voor maximaal twee maanden. Deze termijn kan eenmalig met twee maanden worden verlengd. In het financieel besluit zijn hiervoor normbedragen opgenomen. Primaire woonfunctie van een gebouw (verbouwingen en aanpassingen aan) Omschrijving Wij vergoeden geen aanpassing van ruimten die niet als primaire woonruimte gebruikt worden. Slechts bij grote uitzondering kan tot toekenning van een dergelijke aanvraag worden overgegaan. Denk hierbij aan het verbouwen van bijvoorbeeld een garage of berging tot een uitraaskamer, een slaapkamer en/ of een natte cel. Keukenaanpassingen Omschrijving Een aanpassing en/of verbouwing van de keuken, bijvoorbeeld: • verhoging/verlaging van het aanrecht; • het ophangen van keukenkastjes op een andere hoogte; • het gedeeltelijk onderrijdbaar maken van het aanrecht (weghalen van kastje); • het in hoogte verstelbaar maken van het aanrecht; • het aanbrengen van werklicht met een hoge lux-waarde (bij slechtzienden); • en indien van toepassing het creëren van vervangende kastruimte; verrijdbare kasten. Voordat de keukenaanpassing verstrekt wordt, kunnen de volgende alternatieven eerst worden nagegaan: Indeling en situering van kasten en/of de koelkast; Welke praktische oplossing zonder kosten realiseerbaar is, bijvoorbeeld verplaatsen van meubelstukken, een tafeltje bijzetten, etc. De mogelijkheden van de hoofdgebruiker *) De aanwezigheid van meerdere personen in huis en daarmee de noodzaak tot het zelf bereiden van maaltijden. Bij (oudere) alleenstaanden kan tevens het aanbod van de maaltijdvoorziening bij de afweging worden betrokken. Deze vorm van dienstverlening is juist bedoeld is om het zelfstandig wonen van mensen met beperkingen mogelijk te maken. Aangezien de aanpassing van de keuken een kostbare oplossing is, speelt tevens de medische prognose een rol betreffende alle functiebeperkingen van belanghebbende in relatie tot de vaardigheden /mogelijkheden tot het zelfstandig doen van boodschappen en/of het onderhouden van sociale contacten *) Hoofdgebruiker De keuken wordt alleen aangepast als het een aanpassing is die betrekking heeft op de lichamelijke beperkingen van de hoofdgebruiker van de keuken. Voor een keukenaanpassing geldt dat deze noodzakelijk is voor degene die hoofdzakelijk gebruik maakt van de keuken voor het bereiden van de maaltijd en afwassen. Eenvoudige verrichtingen zoals koffie/thee zetten en brood klaarmaken kunnen (in een andere, aangrenzende ruimte) aan een tafel worden uitgevoerd. Afhankelijk van de woningindeling en de beperkingen van de cliënt vinden deze eenvoudige verrichtingen in de keuken of in een andere ruimte plaats. Uitvoering keuken Uitgangspunten bij de aanpassing zijn de eisen van de sociale woningbouw. Uitgegaan wordt van een maximumprijs voor een basiskeuken voor de sociale woningbouw. Alle overige extra’s die de cliënt wenst, en die niet noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo, komen niet voor vergoeding in aanmerking. (Inbouw) apparatuur valt niet onder de Wmo, omdat dit algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn. Bij vervanging in verband met de handicap geldt altijd het uitgangspunt prijsniveau sociale woningbouw. Renovatie / vervanging Indien de keukenaanpassing samenvalt (of kan samenvallen) met een renovatie of vervanging van een economisch afgeschreven keuken, komen de kosten van de nieuwe keuken voor rekening van de woningeigenaar. Slechts de meerkosten t.o.v de standaard keuken (kwaliteit en uitvoering niveau sociale woningbouw) worden dan vergoed. Vervanging van keukenapparatuur valt niet onder de compensatieplicht, omdat deze worden aangemerkt als “algemeen gebruikelijk”. Procedure Voor het vaststellen van eisen van een standaard keuken wordt uitgegaan van de normen voor de sociale woningbouw. Toekenningscriteria Belanghebbende is in staat om de gebruikelijke werkzaamheden in een aangepaste keuken uit te voeren en dit ook meerdere malen per dag te doen; én Belanghebbende is de aangewezen persoon voor het bereiden van de maaltijden en kan dit niet van de andere aanwezige huisgenoten verlangen; én Belanghebbende kan redelijkerwijs geen beroep doen op de maaltijdvoorziening; én De medische situatie is zodanig stabiel dat de aangepaste keuken belanghebbende langdurig in staat stelt de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten; én Belanghebbende kan een aantal van de overige in het huishouden te vervullen taken nog uitvoeren. Toelichting Indien gebruik wordt gemaakt van een trippelstoel (hoog/laag verstelbaar), is een in hoogte verstelbare keuken niet noodzakelijk, maar kan volstaan worden met het gedeeltelijk onderrijdbaar maken van het aanrecht. Vaak kan volstaan worden met het verwijderen van een kastdeurtje. Eventueel kan aan de voorkant van het aanrecht een beugel aangebracht worden, indien cliënt niet met de voeten bij de grond kan komen om zich voort te bewegen. Indien belanghebbende permanent rolstoelafhankelijk is en er is een partner die dezelfde keuken gebruikt, is een hoog/laag verstelbare keuken meestal niet noodzakelijk. Afhankelijk van de taakverdeling tussen de partners/huisgenoten kan de goedkoopst/adequate voorziening ook een op 2 verschillenden hoogten geplaatst werkblad zijn. Indien dit geen oplossing biedt is een handmatig in hoogte te verstellen aanrechtblok het goedkoopst adequate alternatief. Een elektrische hoog/laag keuken wordt alleen dan verstrekt, indien de werkhoogten van beide partners verschillend zijn en beide gebruikers dusdanige belemmeringen ondervinden in de handfunctie, dat voor beiden een handmatige verstelling niet te bedienen is. Wijze van verstrekken Als financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing. De financiële tegemoetkoming kan tevens worden afgestemd, als de aanpassing samenvalt met de noodzakelijke vernieuwing van het keukenblok omdat de oude keuken afgeschreven is. In dergelijke gevallen worden alleen de meerkosten, die ontstaan door de handicap van de gebruiker, vergoed. Sanering (woning-) Omschrijving Woningsanering is een aanpassing van de woning door vervanging van de vloerbedekking en/of de gordijnen i.v.m. een acuut geval van COPD of rolstoelgebruik. Voor het verstrekken van deze voorziening geldt dat dit alleen mogelijk is indien de te vervangen vloerbedekking of gordijnen nog niet afgeschreven zijn en het medisch gezien dringend noodzakelijk is dat deze direct vervangen worden. Indien een artikel is afgeschreven, wordt geen financiële tegemoetkoming verleend. Ook indien de aanvraag samenvalt met een verhuizing wordt geen tegemoetkoming toegekend, omdat het algemeen gebruikelijk is bij verhuizing nieuwe vloerbedekking / raambedekking aan te schaffen. In geval van COPD valt alleen de sanering van vloerbedekking en gordijnen in de slaapkamer onder de Wmo. In deze ruimte verblijft men langdurig en het is wetenschappelijk bewezen dat in die ruimte het beste klimaat bestaat voor de huisstofmijt. Voor kinderen tot vier jaar kan ook de woonkamer gesaneerd worden, omdat die meestal zittend op de vloerbedekking van de woonkamer spelen. Bij sanering in verband met onvoorzien rolstoelgebruik heeft de sanering van de woonkamer de hoogste prioriteit. Alleen indien nodig kan de slaapkamer, en eventueel de keuken gesaneerd worden. Procedure In geval van COPD, een chronisch obstructieve longziekte, zal altijd een extern medisch advies aangevraagd worden. Aanvraagbehandeling als woningaanpassing van niet bouwkundige of woontechnische aard is. Toekenningscriteria bij COPD Er is een aantoonbare allergie voor huis(stof)mijt én directe vervanging van de gebruikte materialen is medisch gezien dringend noodzakelijk. Er is sprake van een calamiteit, dat wil zeggen een acuut én continu probleem door de klachten. Het gaat dus niet om situaties dat gedurende enkele maanden per jaar klachten ondervonden worden. Vastgesteld moet worden of en wanneer de klachten medisch zijn geobjectiveerd, dat wil zeggen door de specialist of de huisarts vastgesteld, en wat de aard van de COPD klachten is. De huidige vloerbedekking en gordijnen zijn nog niet economisch afgeschreven en/of de aanvraag valt niet samen met een verhuizing. Toekenningscriteria rolstoeltapijt Cliënt is rolstoelgebonden geworden en/of is recent afhankelijk geworden van een trippelstoel; De huidige vloerbedekking is niet geschikt voor rolstoelgebruik; De huidige vloerbedekking is nog niet economisch afgeschreven en/of de aanvraag valt niet samen met een verhuizing. De rolstoelgebruiker dient zelfstandig en intensief gebruik te maken van de ruimte(
  9. n)waarvoor rolstoeltapijt aangevraagd wordt. Wijze van verstrekken In de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van de aan te schaffen vloerbedekking en/of gordijnen conform de goedkoopst adequate oplossing. Betaling aan belanghebbende geschiedt na overleg van de facturen. Tillift (patiëntenlift) Omschrijving Een transfer/verplaatsingshulpmiddelen, bestaande uit verschillende typen: Patiëntenliften vast opgesteld; Verrijdbare patiëntenliften zoals sta-liften en tilliften voorzien van een tilmat; Patiëntenliften met een plafondrail zowel met de hand als elektrisch verplaatsbaar; daarbij zijn te onderscheiden: rail alleen voor een bepaalde transfer; rail voor verplaatsing over een bepaald traject; rail voor verplaatsing over een willekeurig traject. Afhankelijk van de te verwachten transfers, de bestemming, de mogelijkheden van de cliënt, de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen kan een keus voor een van de typen patiëntenliften gemaakt worden. Uitgangspunt hierbij is de goedkoopst adequate oplossing. Toekenningscriteria De cliënt ondervindt belemmeringen om zelfstandig of met hulp transfers te maken vanuit en naar verschillende inrichtingselementen in de woning (bv. van bed in rolstoel, bed naar douche etc.). Een hoog-laagbed biedt geen of onvoldoende oplossing. Indien het alleen een verplaatsingsprobleem betreft van bed in rolstoel dient eerst bekeken te worden of een hoog-laag bed een oplossing is. (Deze voorziening is aan te vragen bij de ziektekostenverzekeraar). Cliënt woont zelfstandig en heeft geen indicatie voor verblijf en behandeling in een verpleeginrichting of zorginstelling. Er moet sprake zijn van een individuele tilsituatie, waarbij de te verstrekken patiëntenlift wordt gebruikt door de (naaste) mantelzorgers of door de thuiszorg. Wijze van verstrekken Als een natura-voorziening in bruikleen Onderhoud Met de leverancier is een collectief onderhoudscontract afgesloten, dat ingaat na het verstrijken van de garantietermijn. Eenmaal per jaar wordt verplicht preventief onderhoud uitgevoerd op initiatief van de leverancier. Indien via andere leveranciers wordt verstrekt dan dient tevens een standaard onderhoudscontract te worden afgesloten. Opmerkingen Bij de keuze voor de tilmat dienen ook de mogelijkheden van de cliënt en het gebruik vastgesteld te worden. Indien de tillift tevens wordt gebruikt voor transfers naar toilet, onder de douche of in bad, zullen er eventueel extra tilmatten of aanvullende voorzieningen verstrekt moeten worden. In dit geval is er namelijk sprake van meerdere tilsituaties, waarbij de cliënt de ene keer nat, de andere keer droog wordt getild. Toiletdouche / föhninstallatie Omschrijving Roerende voorziening voor mensen die niet in staat zijn om tijdens het toiletbezoek het onderlichaam te reinigen. Na reiniging zorgt de föhn voor het drogen van het onderlichaam. De voorziening kan op een bestaand toilet geplaatst worden. Er is een stopcontact en een aansluitmogelijkheid op de waterleiding nodig om de voorziening te laten functioneren. Procedure Behandelen als aanvraag om een woonvoorziening in natura. Toekenningscriteria Er moet een aantoonbare medische beperking zijn in de mogelijkheid om deze verzorgende handelingen zelf te verrichten. Men moet in staat zijn om zelfstandig naar het toilet toe te gaan en de transfer naar het toilet te maken. Daarnaast moet het niet mogelijk zijn om dergelijke hulp van anderen te verkrijgen zoals thuiszorg, ADL-assistentie, of hulp van partner. Wijze van verstrekkenAls natura voorziening in bruikleen, inclusief noodzakelijke onderhouds/reparatiekosten. Toiletstoel Omschrijving Een woonvoorziening die bedoeld is om ergonomische belemmeringen bij gebruik en/of toilet te verminderen of op te heffen. Onder te verdelen in toiletstoelen zonder wielen, met geremde zwenkwielen of voorzien van grote wielen (zelfbeweger) en eventueel geschikt voor gecombineerd gebruik douche en toilet. De eenvoudige toiletstoelen verkrijgbaar in de reguliere handel (Praxis en Gamma) tot een bedrag van €100,- worden als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Procedure Bij het verstrekken van toiletstoelen kan een passing nodig zijn. Toekenningscriteria De cliënt ondervindt langdurig belemmeringen bij het bereiken en/of gebruik van het toilet. Vaak is er sprake van belemmeringen bij het bereiken van het toilet gedurende de nacht. Bijvoorbeeld, belemmeringen bij het traplopen en/of de afstand van slaapkamer naar het toilet is tijdens de nacht moeilijk overbrugbaar. Indien belanghebbende afhankelijk is van hulp bij het gebruik van het toilet of als de toiletstoel ook als douchevoorziening gebruikt gaat worden, is het te overwegen om een toiletstoel met zwenkwielen te verstrekken of indien van toepassing een verrijdbare toilet/douchestoel. Indien het aantal transfers beperkt dient te worden, bijvoorbeeld bij volledige rolstoelafhankelijkheid, en betrokkene toch zelfstandig met een toilet-douchestoel moet kunnen functioneren, kan een toilet/douchestoel-zelfbeweger verstrekt worden. Wijze van verstrekken Worden in bruikleen verstrekt. Traplift Omschrijving Een woonvoorziening die bedoeld is om ergonomische belemmeringen bij het trap lopen op te heffen (verticaal verplaatsen). Afhankelijk van de situatie in de betreffende woning en/of van de handicap zijn de volgende trapliften mogelijk: - stoeltjeslift aan rail; - plateaulift - rail, waaraan de rolstoel gehangen wordt. Procedure Tijdens de aanvraagprocedure dient in overleg met de cliënt bekeken te worden of verhuizen naar een gelijkvloerse woning niet een goedkopere en meer adequate en gewenste oplossing zou kunnen zijn. Toekenningscriteria Cliënt kan geen trap meer lopen. En De slaapkamer en de natte cel bevinden zich op de bovenverdieping, én Een extra trapleuning biedt geen adequate oplossing, én Verhuizing naar een geschikte gelijkvloerse woning is niet wenselijk en gezien de verdere geschiktheid van de woning niet aan de orde. Wijze van verstrekken Als natura-voorziening in bruikleen. Afhankelijk van de depotvoorraad wordt een gebruikte of een nieuwe voorziening ingezet. Unit (tijdelijke) Omschrijving Een semi-permanente aanbouw voorzien van een slaapkamer en/of een natte cel. Procedure De unit wordt als naturavoorziening in bruikleen verstrekt. Het aanvragen van een bouwvergunning is een vereiste. Verstrekking kan uitsluitend op grond van een medisch en ergonomisch advies, waaruit onder meer de urgentie blijkt. Toekenningscriteria 1. Cliënt is als gevolg van zijn handicap aangewezen op een gelijkvloerse woning, én 2. Cliënt lijdt aan een zeer progressieve ziekte, én 3. Een geschikte woning is niet op korte termijn beschikbaar, én 4. Het op de gebruikelijke manier aanpassen van de huidige woning neemt teveel tijd in beslag. Wijze van verstrekken Als natura-voorziening in bruikleen én voor de overige kosten als financiële tegemoetkoming aan de eigenaar van de woning. Uitraaskamer Omschrijving Een verblijfsruimte waarin een cliënt die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Er kan een ruimte worden gecreëerd waar de cliënt tot zichzelf kan komen, of kan verblijven zonder dat hij/zij zichzelf verwondt en/of waar toezicht mogelijk is. Hoe zo’n ruimte er precies uit moet zien hangt van de persoonlijke omstandigheden. Uitgangspunt daarbij is dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte moeten kunnen verblijven. Procedure Voor de afhandeling van dergelijke aanvragen is een medisch advies vereist. Toekenningscriteria Belanghebbende vertoont vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag, én Het gaat om een verstandelijke en/of lichamelijke handicap met een psychische component in de handicap en; Het ontremde gedrag is ernstig, dat wil zeggen het gedrag is te rangschikken binnen de reikwijdte van indicatie voor een opname in een inrichting, en; De uitraaskamer is uitsluitend bedoeld voor de cliënt en dus niet om de hinder voor andere (inwonende) personen weg te nemen, en Het risico van fysiek letsel kan niet beheerst worden door oppas en/of andere maatregelen. Wijze van verstrekking: Als financiële tegemoetkoming. Opmerkingen Een uitraaskamer bestaat meestal uit een aanbouw aan de woning of een verbouwde garage. Een programma van eisen dient afgestemd te worden op de persoonlijke situatie. Verlichting Omschrijving Visueel gehandicapten kunnen door te weinig licht ergonomische belemmeringen ondervinden bij het uitvoeren van bepaalde handelingen die nodig zijn voor de uitoefening van de elementaire woonfuncties. Een aanvraag in het kader van de Wmo zal betrekking hebben op speciale, niet algemeen gebruikelijke verlichting bij het aanrecht of een werklicht in de badkamer. “Meer verlichting” betekent in de praktijk meer lichtsterkte, welke aan wordt geduid in lux. Lux betekent naast (Latijn) “licht” eveneens eenheid van verlichtingsterkte; een oppervlakte heeft een verlichtingsterkte van 1 lux, als er per m2 een lichtstroom van 1 lumen op valt. “Lumen” betekent “eenheid van lichtstroom”; de totale per seconde uitgestraalde lichtenergie. Kortom; lichtsterkte wordt aangegeven in luxeenheden. Procedure Aanvraag betere verlichting is een woningaanpassing in het kader van de Wmo. Het aanvragen van een medisch- en ergonomisch advies is hierbij altijd aan de orde. Door een deskundige dient aangetoond te worden dat het probleem niet met algemeen gebruikelijke verlichting en/of met andere hulpmiddelen kan worden opgelost. Zonder de gevraagde oplossing kan niet op een adequate wijze gebruik worden gemaakt van bepaalde functionele ruimte(n). Criteria: Er is sprake van een ernstige visuele beperkingen, én De belemmeringen zijn niet oplosbaar met algemeen gebruikelijke verlichting, of met andere speciale ADL hulpmiddelen voor een visueel cliënt. De belemmeringen hebben betrekking op het verrichten van ADL-activiteiten Wijze van verstrekken Als financiële tegemoetkoming f.Vervoersvoorzieningen Inleiding De gemeente verstrekt vervoersvoorzieningen aan mensen met beperkingen die problemen hebben met het zich het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Door het verstrekken van vervoersvoorzieningen wordt de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie zoveel mogelijk behouden en verbeterd. Eerst zal onderzocht worden of ondanks de beperkingen geen gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer of van (algemene) voorzieningen dichter bij huis die ondanks de beperkingen en zonder een maatwerkvoorziening wel bereikbaar zijn. In het algemeen geldt binnen Almelo dat de afstand tussen woonadres en de bushalte maximaal 400 meter bedraagt. Indien vastgesteld wordt dat de cliënt met of zonder hulpmiddelen zelfstandig 400 meter kan lopen ook redelijkerwijs zelfstandig in staat is het openbaar vervoer te gebruiken, verstrekt de gemeente geen vervoersvoorziening. Als de cliënt redelijkerwijs niet in staat is het openbaar vervoer te gebruiken, gaat de gemeente uit van het primaat (voorrang) van collectief vervoer. Dit betekent dat de gemeente eerst nagaat of collectief vervoer volstaat. Als dat niet het geval blijkt te zijn, bekijkt de gemeente welke individuele vervoersvoorziening het goedkoopst compenserend is. Hierbij kan het ook zo zijn dat wanneer de cliënt slechts een zeer beperkte loopafstand kan afleggen, hij of zij in aanmerking kan komen voor een aanvullende vervoersvoorziening naast een collectieve vervoersvoorziening. De compensatieplicht voor een vervoersvoorziening beperkt zich tot de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Dit is alleen anders in de uitzonderingssituatie waarbij het gaat om bovenregionaal contact dat uitsluitend door de cliënt zelf bezocht kan worden en het bezoek voor hem of haar noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. Omdat de compensatieplicht van de gemeente veelal niet verder gaat dan lokale en nabije regionale bestemmingen subsidieert het rijk een bovenregionale vervoersketen (Valys), die mensen met een beperking naar bestemmingen buiten de lokale omgeving brengt. De kosten voor het bovenregionaal vervoer zijn gebaseerd op de kosten die verbonden zijn aan het reizen met het openbaar vervoer. Ook bij vervoersvoorzieningen geldt dat wanneer de cliënt op grond van een andere wettelijke regeling aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening, hij of zij in het algemeen niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo. Algemene criteria vervoersvoorzieningen Om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening moet er altijd gekeken worden of de cliënt voldoet aan de volgende criteria: De cliënt is in staat op een verantwoorde wijze aan het verkeer deel te nemen; én De cliënt heeft een frequente verplaatsingsbehoefte van minimaal 2 a 3 keer per week voor het doen van boodschappen voor dagelijks levensonderhoud, bezoeken van bibliotheek, kapper etc. en het onderhouden van sociale contacten in de directe woonomgeving, én er is geen andere aanvullende vervoersvoorziening verstrekt met hetzelfde gebruiksdoel; en de stalling moet mogelijk zijn; én de woonomgeving moet geschikt zijn voor gebruik van de vervoersvoorziening; én de cliënt moet uit eigen kracht op de vervoersvoorziening kunnen gaan zitten, en afstappen, en de cliënt moet in staat zijn zelfstandig het vervoermiddel te stallen. Afschrijvingstermijn Voor de vervoersvoorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaren. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen Hieronder zal per vervoersvoorziening worden uitgewerkt aan welke criteria getoetst zal worden om te beoordelen of de cliënt voor de vervoersvoorziening in aanmerking komt. De voorzieningen zijn op alfabetische volgorde omschreven. Aankoppeldeel fiets Dit is een vervoersvoorziening voor kinderen die niet zelfstandig kunnen fietsen. Middels een koppelstuk is deze voorziening achter een volwassenenfiets te plaatsen. Het kind kan meefietsen en bewegen, terwijl er niet gestuurd kan worden. Deze fiets is niet speciaal voor cliënt kinderen ontwikkeld, en is bovendien bij elke rijwielhandel te koop tegen een prijs die niet hoger ligt dan die van de gebruikelijke kinderfiets. Daarom wordt een dergelijke voorziening aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening. Aanpassing auto (rolstoelbus) Dit is een vervoersvoorziening voor kinderen, waarbij het gaat om de aanpassing van de auto van de ouders. Ook hier geldt het primaat van het collectief vervoer, en/of goedkoopst adequate oplossing. Doordat er soms schrijnende beslissingen moeten worden genomen, is het van belang om hier eveneens de sociale aspecten mee te nemen. Stel moeder heeft de zorg over twee kinderen, waarvan 1 kind gehandicapt. Het collectief vervoer kan zich in dergelijke gevallen niet lenen voor het oplossen van het ondervonden mobiliteitsprobleem. Het kind moet op medische indicatie geen gebruik kunnen maken van het collectief vervoer, al dan niet met begeleiding door ouders. Verschoningsproblemen spelen hierbij geen rol. Aangezien de vervoerplicht beperkt is tot vervoer binnen de regio. Met behulp van het moderne incontinentiemateriaal is een regionale rit (maximaal 40 minuten) bijna altijd haalbaar. Verschoning onderweg is dus vrijwel nooit nodig. Toekenningscriteria voor autoaanpassing Er is een medische indicatie voor individueel vervoer per eigen auto (elke vorm van taxivervoer is medisch niet verantwoord); of Er is een indicatie voor individueel (rolstoel)taxivervoer; én belanghebbende beschikt over een eigen auto die niet ouder is dan 5 jaar; en het gebruik van de eigen auto is verantwoord; en de kosten van aanpassing zijn niet hoger dan de kosten die uitgegeven zoude worden aan een andere geschikte vorm van individueel vervoer gedurende één jaar. De kosten worden in dergelijke gevallen voor 100% vergoed. Indien er een indicatie is voor individueel (rolstoel) taxivervoer, kan als alternatief worden gekozen voor een autoaanpassing mits de aanpassingskosten lager zijn dan de uitgaven voor het individueel vervoer over een periode van één jaar. Wijze van verstrekken Autoaanpassingen worden als financiële tegemoetkoming verstrekt. De kosten van onderhoud, reparatie en (extra) verzekering worden niet vergoed. Er wordt uitgegaan van een afschrijvingsduur van zeven jaar. Daardoor wordt bij gelijkblijvende medische situatie van belanghebbende, slechts eenmaal per zeven jaar een tegemoetkoming verstrekt. Uitsluiting van aanpassing Faciliteiten die in ieder geval niet voor vergoeding in aanmerking komen (hoewel ze functioneel noodzakelijk kunnen zijn voor het gebruik van de auto door mensen met een handicap): - automatische transmissie - elektrische ruitenwisser en sproeier achter - driepuntsgordels - hoofdsteunen - lendenstellen voorstoel verstelbaar - kunststoffen bekleding - buitenspiegel van binnenuit verstelbaar - elektrisch bediende portierruiten - neerklapbare achterbank (i.v.m. het meenemen van een rolstoel) - uitneembare hoedenplank (in verband met het meenemen van een rolstoel) - derde of vijfde deur (grote achterdeur i.v.m. het meenemen van een rolstoel) - warmtewerend glas - achteruitverwarming - verstelbare stuurwielen - verstelbare voorstoelen - handgrepen bij passagiersplaats voorin - standaard rembekrachtiging - gelaagde voorruit - interval op voor- en achteruitwisser - verlengde slede Collectief vervoer per Regiotaxi De Regiotaxi is een open collectief vraagafhankelijk vervoerssysteem (CVV) voor vervoer per taxi (personenauto of bus) van deur tot deur tot maximaal 30 kilometer vanaf het huisadres. Vanaf 25 tot 30 kilometer geldt een hoger tarief per kilometer. De cliënt kan vanaf 25 kilometer met Valys reizen. Ook voor reizen met Valys heeft de cliënt een pas nodig. Let op: het aanvragen van de pas kan twee weken duren. Ritten langer dan 25 kilometer zijn het voordeligst als de cliënt reist met Valys. Meer informatie hierover is te vinden op www.valys.nl of bel Valys via het telefoonnummer 0900-9630. Voor dit vervoer bestaat in principe geen zorgplicht. Dit valt onder bovenregionaal vervoer. Het vervoer is voor iedereen met een indicatie toegankelijk. Voor mensen die volledig rolstoel- gebonden zijn wordt, op indicatie, rolstoelvervoer ingezet. Een scootmobiel, rolstoel, rollator en/of een assistentiehond kunnen worden meegenomen. Het meenemen van huisdieren is verder niet toegestaan. De taxi’s zijn rookvrij. De chauffeur biedt hulp bij het in- en uitstappen; biedt begeleiding naar de taxi en, op de plaats van bestemming, naar de voordeur. Bij wooncomplexen geldt als voordeur de centrale toegangsdeur. Criteria indicatie collectief vervoer In het algemeen geldt als afstandscriterium voor het recht op een vervoersvoorziening, dat een belanghebbende niet in staat is om – met of zonder hulmiddelen - zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te leggen. Verder bestaat er recht op een vervoersvoorziening collectief vervoer als: Belanghebbende wel 400 meter kan lopen, maar aansluitend niet in staat is om 10 minuten staande te kunnen wachten; en/of Belanghebbende niet kan verblijven in het openbaar vervoer; of Belanghebbende door visuele problemen of verstandelijke handicap belemmerd is om zelfstandig gebruik te maken van het openbaar vervoer, en waarbij het collectief vervoer de zelfstandigheid van de cliënt vergroot, omdat hiervan gebruik kan worden gemaakt zonder (medisch noodzakelijke) begeleider. Co-Pilot / Duofiets Ook wel ouder-kind-tandem genoemd. Een Co-Pilot is een vervoersvoorziening welke in het kader van de Wmo vergoed kan worden. Het is bedoeld voor kinderen die niet zelfstandig kunnen fietsen en die tijdens het fietsen toezicht nodig hebben. Kinderen kunnen alleen meefietsen en in principe niet meesturen. Procedure De Co-Pilot is een vervoersvoorziening voor kinderen en kan in plaats van een collectieve vervoersvoorziening verstrekt worden. Dergelijke fiets wordt als natura-voorziening in bruikleen verstrekt dan wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. Toekenningscriteria In principe geldt het afstandscriterium van 400 meter, tenzij het een kind betreft met een verstandelijke handicap. In dat geval kan het afstandscriterium voor kinderen tot 15 jaar buiten beschouwing worden gelaten. Dan geldt als uitgangspunt dat dit kind moet kunnen meedoen met de activiteiten van het gezin. Aantoonbaar moet zijn dat een gehandicapt kind niet zelfstandig kan fietsen, zowel op een twee- als een driewielfiets. Ook een aankoppelfietsdeel moet geen oplossing kunnen bieden. Het kind dient tijdens het fietsen toezicht van de andere berijder nodig te hebben. Voorts dient de aanvraag afgehandeld te worden conform een vervoervoorziening. In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk deze voorziening te verstrekken naast een driewielfiets. Daarbij moet er tenminste sprake zijn van een uiterst beperkte mobiliteit, d.w.z. een verplaatsingsmogelijkheid van minder dan 100 meter met of zonder hulpmiddelen. Driewielfiets Een fiets met drie wielen en meestal tevens een verlaagde en verbrede instap. Een driewielfiets is in verschillende maten en uitvoeringen verkrijgbaar. Toekenningscriteria Er is een indicatie voor een vervoersvoorziening in het kader van de Wmo omdat andere algemeen gebruikelijke verplaatsingsvoorzieningen geen oplossing bieden. De verplaatsingsmogelijkheden zijn, ook met gebruik van een loophulpmiddel beperkt tot maximaal 100 meter, én belanghebbende heeft een zelfstandige verplaatsingsbehoefte over de middellange afstanden. Voor cliënten/ kinderen tot 15 jaar kan van het “100 meter criterium” worden afgeweken, indien de vervoersbehoefte bestaat uit het bezoeken van het basis- of vervolgonderwijs. In sommige gevallen bestaat dan tevens recht op een vergoeding op grond van de verordening leerlingenvervoer, mits aan de daarvoor geldende criteria voldaan wordt. Wijze van verstrekken Als een natura-voorziening in bruikleen of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Handbike Een speciaal soort fiets waarvan de ‘pedalen’ (meestal) gelijkmatig worden voorbewogen door de armen of in ieder geval de bovenste extremiteiten. Dit in tegenstelling tot een ligfiets, die wordt voortbewogen door de benen. Toekenningscriteria Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden: De cliënt is aangewezen op een rolstoel; De cliënt is niet in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (meer dan 400 meter) binnen redelijke tijd te verplaatsen; De cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 400 meter, die niet anderszins kan worden opgelost; De cliënt is redelijkerwijs in staat om met de handbike een middellange afstand af te leggen. Wijze van verstrekken Als een natura-voorziening in bruikleen of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Scootmobiel Een elektrisch aangedreven driewieler speciaal voor gebruik buitenshuis. De gemeente Almelo verstrekt in principe scootmobielen van 10 tot 15 kilometer per uur en met een actieradius van maximaal 30 tot 35 kilometer. Toekenningscriteria: Er dient sprake te zijn van een balansprobleem, waardoor de cliënt ernstig beperkt is in zijn mobiliteit; Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat cliënt zijn bestemmingsdoel niet kan bereiken met een taxi of autorit; De cliënt heeft een verplaatsingsbehoefte over de middellange afstanden. De cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 400 meter verplaatsen; De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks; Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 230 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden; en De cliënt is in staat om –na instructie- op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel. Het systeem van een scootmobielpool heeft het primaat boven andere individuele vervoersvoorzieningen. Procedure Indien noodzakelijk wordt een extern medisch advies aangevraagd, tenzij het om een herverstrekking gaat bij onveranderde omstandigheden. Het advies om tot verstrekking over te gaan dient te zijn gebaseerd op de volgende onderzoekspunten; Medische situatie in relatie tot regelmatig gebruik scootmobiel; Lokale vervoersbehoefte; Gebruiksdoel; Beoordeling aanwezige (aangepaste) stalling en het zelfstandig kunnen stallen van de scootmobiel; Bekendheid met scootmobiel gebruik en de zorg voor de accu; Aanwezige recente ervaringen in het verkeer; Geschiktheid directe woonomgeving voor het gebruik. Wijze van verstrekken Als een natura-voorziening in bruikleen of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Rijlessen Iedereen die voor het eerst voor een scootmobiel in aanmerking komt dient eerst de scootmobiel lessen bij een ergotherapeut of bij de leverancier van de scootmobiel met goed gevolg te hebben afgelegd. Tandem Een tandem is een rijwiel voor twee personen achter elkaar. Een fietsmogelijkheid voor personen die zonder hulp van een bestuurder niet zelfstandig tot fietsen in staat zijn. Hierbij kan gedacht worden aan visueel gehandicapten (slechtziende of blind) of aan sommige groepen motorisch gehandicapten of aan verstandelijk gehandicapten, waarvoor het noodzakelijk is dat een ander een vast tempo aangeeft en het stuur ter hand neemt. Deze voorziening kan ook aan kinderen vanaf 15 jaar worden verstrekt in combinatie met het recht op collectief vervoer. Indien de begeleider niet over genoeg kracht beschikt, worden de meerkosten van de elektrische ondersteuning als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Procedure Verstrekking als aanvullende vervoersvoorziening. Waarbij het primaat ligt bij collectief vervoer. Bij de behandeling van de aanvraag moet tevens de stalling/berging worden beoordeeld. De stallingmogelijkheid moet bij de afweging worden betrokken. Toekenningscriteria De cliënt ondervindt op medische gronden een mobiliteitsbeperking over een afstand van minder dan 100 meter; Er is sprake van een aantoonbare gevarieerde vervoersbehoefte in de directe woonomgeving; Er is een begeleider beschikbaar waardoor frequent gebruik mogelijk is. Wijze van verstrekken Als een natura-voorziening in bruikleen of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Opmerkingen Indien de tandem alleen wordt aangevraagd voor ontwikkeling en ontspanning valt deze niet onder de Wmo zorgplicht. Rolstoelvoorzieningen Handbewogen rolstoel Een handbewogen rolstoel is een voorziening die tot doel heeft beperkingen in de mobiliteit op te heffen. Beperkingen die op grond van ziekte of gebrek het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken én waarvoor geen beroep kan worden gedaan op hulpmiddelen krachtens de Wet langdurige zorg dan wel Zorgverzekeringswet. Voorbeelden hiervan zijn loophulpmiddelen zoals wandelstokken, krukken, rollators en werkstoelen. Deze laatste zijn vaak voorzien van 4 zwenkwieltjes en uitsluitend geschikt voor gebruik binnenshuis. Toekenningscriteria De cliënt ondervindt op medische gronden ergonomische belemmeringen in het zich verplaatsen in en om de woning en is niet in staat om zich gedurende vijf minuten met een loophulpmiddel zoals wandelstok of rollator te verplaatsen. De maximale loopafstand, eventueel met hulpmiddel, bedraagt minder dan 100 meter. Daarnaast moet de situatie langdurig van aard zijn. Er zal op medische gronden een onderscheid gemaakt worden in het gebruiksdoel van de rolstoel. Rolstoel voor kortdurend gebruik: de cliënt voldoet aan bovengenoemde criteria en is in staat om een transfer te maken. Bij meldingen voor het aanvragen van een rolstoel voor kortdurend gebruik, wordt de cliënt doorverwezen naar een thuiszorgwinkel om een incidentele transportrolstoel te lenen gedurende zes maanden. Deze zes maanden zijn voorliggend. Rolstoel voor semi-permanent gebruik: de cliënt is niet of nauwelijks in staat om zonder hulp een transfer te maken naar een standaard stoel. Gelet op de aard van de beperking moet de rolstoel vaker en langduriger gebruikt worden. Een dergelijke rolstoel vereist meer zitcomfort. Rolstoel voor permanent gebruik: cliënt is niet of nauwelijks in staat om een transfer te maken en is voor elke verplaatsing afhankelijk van een rolstoel. Dergelijke rolstoel vereist een optimaal zitcomfort. Incidenteel gebruik van de rolstoel Het kan zijn dat er niet voorwaarden wordt voldaan als bedoeld in artikel 3.7 lid 8 onder a en b wordt voldaan. Selectiecriteria Met de leverancier is een voorkeurpakket (kernpakket) overeengekome

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.