← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2024 (Hoeksche Waard)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Hoeksche Waard de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) uitvoert, met name hoe aanvragen voor maatwerkvoorzieningen worden beoordeeld. Het doel is om inwoners te ondersteunen die niet zelfredzaam zijn of niet kunnen participeren, door te kijken naar hun eigen mogelijkheden en sociale netwerk.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2024Het College van burgemeester en wethouders gelet op: De Algemene wet bestuursrecht, hoofdstuk 4, titel 4.3; De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2020; Het Besluit maatschappelijke ondersteuning besluit vast te stellen: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2024 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2023 in te trekken HOOFDSTUK1Algemene uitgangspunten Inleiding Juridische status Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Geen algemeen verbindend voorschrift Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Feitelijk gaat het dan om een geschreven geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid. Het gaat over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of de toepassing van de bepalingen in de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2023, hierna te noemen “de Verordening”. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens door het college vastgesteld beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. De beleidsregels volgen zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dan ook hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe het college de aanspraak daarop beoordeelt. Daarvoor kunnen algemene bepalingen gelden die, afhankelijk van de individuele situatie of omstandigheden, nader zijn uitgewerkt in specifiek omschreven bepalingen. Goed samenhangend stelsel De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2024 strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2020. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. Alle begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de wet) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2020 en de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). De bijlagen maken integraal onderdeel uit van de beleidsregels. Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente De Wmo 2015 draagt gemeenten onder meer op zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning en de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Onder maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 eerste lid van de wet) wordt verstaan: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; bieden van beschermd wonen, geclusterd wonen en opvang. Onder voorzieningen worden algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen verstaan (art. 1.1.1 eerste lid van de wet). De regels over kwaliteit en continuïteit zijn neergelegd in hoofdstuk 3 van de wet. Kwaliteit De Wmo 2015 vormt het kader dat waarborgt dat de inhoud en de kwaliteit van ondersteuning is afgestemd op de eisen die daaraan in de individuele situatie mogen worden gesteld. De Wmo 2015 gaat uit van maatwerk; de aanname dat de kwaliteit van de ondersteuning aan een cliënt wordt bevorderd als die zo goed als mogelijk wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt. Daarbij biedt de Wmo 2015 een basisnorm voor kwaliteit als uitgangspunt voor gemeentelijk kwaliteitsbeleid en voor aanbieders van voorzieningen. Deze basisnorm vereist dat een voorziening in ieder geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt; is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere zorg of hulp die hij ontvangt; wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; en wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. Bovenstaande kwaliteitseisen die gesteld worden aan de voorziening worden nader beschreven in een programma van eisen als onderdeel van de inkoopkaders die worden overeengekomen met gegunde aanbieders. Het begrip kwetsbaar Ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is bedoeld voor kwetsbare burgers die onvoldoende hulpbronnen hebben om op eigen kracht bepaalde moeilijkheden en tegenslagen te overwinnen en om hun leven op de door hen gewenste manier vorm te geven (uit het advies van de Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling: Kwetsbaar in kwadraat). Burgers kunnen worden ingedeeld in de groep kwetsbaar als er sprake is van samenhang in of risico’s op de volgende aspecten: Een beperkte sociale steunstructuur (weinig betekenisvolle sociale relaties). Weinig veerkracht (de draaglast is groter dan de draagkracht). Gering vermogen tot eigen regie voeren (in beperkte mate eigen wensen en behoeften duidelijk kunnen maken). Deze definitie betekent dat de mate van kwetsbaarheid sterk afhangt van de persoonlijke omstandigheden van een cliënt en zijn huishouden. Het legt daardoor de nadruk op een individuele beoordeling. Om te bepalen of een cliënt in de categorie zeer kwetsbaar valt, wordt onderzoek gedaan bij de beoordeling van een aanvraag en kan het ook aan de orde komen bij de melding van de hulpvraag en het gesprek. Wat wordt van burgers verwacht De gedachte om bij het bieden van ondersteuning eerst te kijken naar wat iemand nog wel kan of zelf kan organiseren binnen zijn sociale netwerk om daarmee zijn zelfredzaamheid en participatie te vergroten, is in de Wmo 2015 expliciet verankerd. Als uitgangspunt geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid is van mensen zelf. Een beroep doen op de sociale omgeving Tot die eigen verantwoordelijkheid van de burgers behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden - zijn eigen sociale netwerk - alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Het is niet vanzelfsprekend dat de gemeente bij iedere hulpvraag bijspringt. Uitgangspunt is dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Niemand wordt uitgezonderd Hiermee wordt niet uit het oog verloren dat iedereen een beroep mag doen op de gemeente. Geen enkele burger wordt op voorhand uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning. Iedere inwoner van de gemeente Hoeksche Waard kan zich melden met een hulpvraag. In het onderzoek dat het college na de melding uitvoert, zullen eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de sociale omgeving worden betrokken en meegewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet bieden van ondersteuning vanuit de gemeente. Het college beoordeelt in dit soort gevallen welke maatschappelijke ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin een cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven Met de Wmo 2015 wordt aangesloten bij de wil van mensen om zolang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te houden over hun eigen situatie door zich in te spannen om deel te nemen aan het maatschappelijk leven en elkaar, waar nodig en mogelijk, meer te helpen. Deze regierol van mensen is onder meer verankerd door de eigen kracht van mensen en hun sociale netwerk een centrale plek te geven in het onderzoek. In het gesprek na de melding wordt naar de persoonlijke situatie van de cliënt en zijn (eventuele) mantelzorger gekeken. Daarnaast bestaat het recht om onder voorwaarden te kiezen voor een persoonsgebonden budget (PGB). Verantwoordelijk tot indicatie Wet langdurige zorg Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van hun burgers tot aan het moment dat deze een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Op dat moment is immers langs de weg van zorginhoudelijke criteria vastgesteld dat iemand vanwege beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd of handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft. Weigeren maatwerkvoorziening Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren indien de cliënt een Wlz-indicatie heeft of kan krijgen tot de Wlz maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen (art. 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015). Voor degene met een Wlz-indicatie kan er voor een aantal voorzieningen overgangsrecht van toepassing zijn (art. 8.6a Wmo 2015). Uitrusting van de instelling Het is wel zo indien en voor zover de gevraagde voorziening tot de uitrusting (outillage) van een instelling kan worden gerekend, de cliënt niet is aangewezen op maatschappelijke ondersteuning (vergelijk CRVB:2013:CA0312). Het college wijst de aanvraag in deze gevallen af. Toepassing weigeringsgrond Indien er een beroep wordt gedaan op: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf, kan het college zich op het standpunt stellen dat er mogelijk aanspraak bestaat op een Wlz-indicatie, dan wordt de aanvraag om een maatwerkvoorziening in principe geweigerd (CRVB:2018:1525). Er kunnen zich spoedeisende situaties voordoen waarin een cliënt niet zonder ondersteuning kan tot het moment het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) heeft beslist op de aanvraag. In die gevallen stelt het college een tijdelijke indicatie. Van de cliënt wordt verwacht dat hij in die periode een aanvraag indient. Het ligt voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet. Een indicatie daarvoor wordt door de wijkverpleegkundige gesteld. Hulpmiddelen in de Wlz-instelling Voor bewoners die wonen in een Wlz-instelling: worden mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor alle cliënten in een Wlz-instelling verstrekt vanuit de Wlz en niet vanuit de Wmo 2015; worden hulpmiddelen voor zorgverlening en wonen voor algemeen gebruik altijd uit de Wlz betaald. Dit gaat bijvoorbeeld om tilliften en hoog-laagbedden, ook wel ‘roerende voorzieningen’ genoemd. Mantelzorgwoningen Realisatie van mantelzorgwoningen zijn omgevingsvergunning vrij indien wordt voldaan aan het Besluit omgevingsrecht (Stb. 2014, nr. 333). Daarbij verdienen overige initiatieven tot (pré-) mantelzorgwoningen aandacht en waar mogelijk dienen belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Beoordelingskader Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden hanteert het college bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening vanzelfsprekend het verslag en indien aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt. Daarbij geldt dat de specifieke beoordelingskaders kunnen verschillen per soort maatwerkvoorziening. Zo zullen bij de aanvraag om een vervoersvoorziening andere aspecten een rol spelen dan bij een aanvraag om Huishoudelijke Ondersteuning. In het algemeen worden de hierna volgende onderdelen beoordeeld: Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie? Wat zijn de resultaten die de cliënt wil bereiken om zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken, verbeteren, bevorderen of te behouden? Welke mogelijkheden heeft de cliënt zelf (al dan niet met hulp met anderen, algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen) om zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken, te verbeteren of te behouden? Pas als bovenstaande bedoelde mogelijkheden naar oordeel van het college niet leiden tot een passende oplossing, komt de beoordeling van een maatwerkvoorziening aan de orde. Dat moet blijken uit het verslag en voor zover aanwezig het persoonlijk plan van de cliënt. Welke weigeringsgronden, beperkende voorwaarden of beoordelingscriteria zijn van toepassing volgens de Verordening, de daarop gebaseerde lagere regelgeving of deze beleidsregels? Welke mogelijkheden kan het college bieden om de gewenste resultaten (een passende bijdrage) te bereiken via een collectieve- en/of individuele maatwerkvoorziening? Heeft de cliënt, indien hij dat wenst recht op een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB? Het college kan bij het onderzoek na de melding gebruik maken van de Leefdomeinen zoals deze onderdeel uitmaken van de Zelfredzaamheidsmatrix. Om de mate van zelfredzaamheid van de cliënt te beoordelen. HOOFDSTUK2De procedure Inleiding In hoofdstuk 2 van de Verordening staan de procedureregels beschreven. Het gaat om de manier waarop het college omgaat met de melding van een hulpvraag van cliënten en hoe het onderzoek (het gesprek) wordt gedaan en afgerond. De wettelijke termijn waarbinnen het onderzoek moet zijn afgerond is zes weken. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op het onderzoek. Wel is het College overeenkomstig artikel 3:2 Awb gehouden het onderzoek zorgvuldig te doen. Dat volgt uit de schakelbepaling van artikel 3:1 Awb. Om voldoende rechtsbescherming te bieden kan de cliënt die een melding heeft gedaan in ieder geval na zes weken altijd een aanvraag indienen (art. 2.3.2 negende lid van de wet). De in hoofdstuk 2 beschreven procedure betreft de algemene geldende procedure die van toepassing is tenzij de bepalingen in deze beleidsregels aanleiding geven om daar van af te wijken. Melding van de hulpvraag Een ieder kan zich bij het college melden. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een verzoek om maatschappelijke ondersteuning (hulpvraag). Dit is van belang omdat een melding van een hulpvraag leidt tot een gesprek, zie artikel 2.3 van de Verordening. De melding van hulpvraag kan op verschillende manieren worden gedaan (schriftelijk, telefonisch of per email). Zoals bij wet is voorgeschreven bevestigt het college de ontvangst van de melding van de hulpvraag aan de cliënt. Dat doet het college schriftelijk of per email. Na de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet: er vindt een gesprek plaats (zie verder artikel 2.3 van de Verordening). Informatie Als een burger alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. De melding is in een aantal gevallen dus niet meer dan een informatieverzoek van de burger. Het college zal zich na een melding wel een beeld moeten vormen van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Persoonlijk plan en cliëntondersteuning Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling in de Verordening). De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. Inhoud persoonlijk plan Uit het persoonlijk plan moet in ieder geval blijken op welke manier de cliënt zelf denkt dat zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan worden vormgegeven. De inhoud van de motivatie moet betrekking hebben op de volgende onderwerpen: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie. In het persoonlijk plan kan - indien nodig - eveneens worden betrokken: de mogelijkheden vanuit voorliggende voorzieningen; Voor zover de eerder genoemde mogelijkheden niet passend zijn daarnaast: de mogelijkheden van een of meer maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo. De motivatie is als het ware vergelijkbaar met het onderzoek dat de gemeente zou verrichten. Dit betekent dat in het persoonlijk plan de ondersteuningsbehoefte vertaald wordt naar te bereiken resultaten. Het college beoordeelt de inhoud van het persoonlijk plan. Deze inhoud wordt afgezet tegenover de uitkomst van een eigen onderzoek door het college in de (fictieve) situatie waarin de betrokken cliënt geen persoonlijk plan maakt. Clientondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1, eerste lid Wmo 2015). Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de hulpvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van (gratis) cliëntondersteuning. Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. De cliëntondersteuner kan ook een professional in dienst van een welzijnsinstelling zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker. Signaleringsfunctie Verder kan het college met aanbieders afspraken maken over het indienen van een melding namens cliënten. Het is logisch dat zij snel kunnen constateren dat de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een cliënt toeneemt, of dat er aanleiding is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname van de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het college doet in ieder geval onderzoek en er wordt zonodig een gesprek gepland met de cliënt. De bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening of een PGB is toegekend is overigens ook neergelegd in artikel 2.3.9 van de wet. Maatschappelijke opvang, beschermd wonen en geclusterd wonen Voor de maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang, beschermd wonen en geclusterd wonen treedt de gemeente Nissewaard op als zogeheten centrumgemeente. Aanvragen voor hiervoor worden doorverwezen naar de gemeente Nissewaard. Bij aanvragen voor Beschermd of geclusterd wonen wordt eerst een screening gedaan. Is beschermd of geclusterd wonen aan de orde dan wordt de melding doorgezet naar de centrale toegang van Nissewaard. Voor de toegang tot en beslissing over deze maatwerkvoorzieningen is de Verordening en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning beschermde woonvormen Zuid-Hollandse Eilanden 2022 van toepassing. Het gesprek (onderzoek) Na bevestiging van de melding van de hulpvraag wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Op voorhand bepaalt de Verordening niet precies wanneer deze afspraak wordt gemaakt. Afhankelijk van de aard van de melding kan het namelijk zijn dat het college eerst gegevens wil verzamelen voor een goede voorbereiding op het gesprek. Daarvoor kan overigens ook medewerking van de cliënt nodig zijn. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mantelzorger of personen uit diens sociale netwerk. In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen daarvoor mogelijk zouden kunnen zijn. Daarbij staat het belang van de cliënt voorop. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van een persoon of personen uit het sociale netwerk van een cliënt een meerwaarde heeft. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de zelfredzaamheid van de cliënt wordt versterkt of zal verbeteren. Ook kan het college in samenspraak met de betrokkenen het probleemoplossend vermogen van de cliënt en/of de personen uit diens sociale omgeving bespreken. In geval van mantelzorg kan het college besluiten om de mantelzorger uit te nodigen voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van mantelzorg. Voldoende professionaliteit Uitgangspunt is dat het college zorg draagt voor voldoende professionaliteit bij degene die het gesprek voert en ter afronding daarvan een verslag opstelt. Het behoeft verder geen toelichting dat de mate van beperkingen van cliënten die een melding doen bij het college niet op voorhand vaststaat. Medewerking verlenen Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleent. In artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet is bepaald dat de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 van de Awb. Het verslag Van het gesprek wordt een verslag opgesteld. Daarin staan het in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen. Volgt uit het onderzoek dat een maatwerkvoorziening nodig is, dan wordt overgegaan tot het behandelen van de aanvraag. In een situatie, waarbij uit het onderzoek blijkt dat geen maatwerkvoorziening nodig is, wordt het onderzoeksverslag met de cliënt gedeeld en heeft de cliënt de mogelijkheid om toch een aanvraag in te dienen. De aanvraag Een aanvraag kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd. Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Opschorting beslistermijn Artikel 2.3.5 tweede lid van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voor komen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit bijvoorbeeld een deskundigenadvies nodig heeft zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Verordening. Het behoeft geen toelichting dat het college doorgaans niet binnen een termijn van twee weken over een dergelijk advies zal kunnen beschikken. De bevoegdheid de beslistermijn op te schorten vloeit voort uit artikel 4:14 Awb. Medewerking cliënt Uit de wet vloeit overigens voort dit ook te doen indien de cliënt niet de benodigde gegevens, bescheiden of medewerking heeft verleend aan het gesprek (als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Verordening) voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanspraak. Opschorting van de beslistermijn gebeurt in die gevallen onder toepassing van artikel 4:15 Awb. Verouderde informatie Het kan voor komen dat geruime tijd verstrijkt tussen het verstrekken van een verslag of plan van aanpak voor de cliënt en het feitelijk indienen van een aanvraag. Het bedoelde verslag of plan kan dan ook verouderde informatie bevatten waardoor het college niet (meer) binnen de wettelijke kaders zoals genoemd in hoofdstuk 4 van de Verordening kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het college de cliënt (opnieuw) uitnodigen voor een gesprek voordat op de aanvraag wordt beslist. Dit is analoog aan artikel 2.3.2 negende lid van de wet. Het gesprek wordt afgesloten met een nieuw of aangepast verslag. Deskundigenadvies Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het college advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is. Vereist is dat de beperkingen van de cliënt objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). Zie ook hoofdstuk 11 rapportage en advisering van deze beleidsregels. Medewerking en inlichtingen Uit artikel 2.3.8 derde lid van de wet vloeit voort dat de cliënt medewerking verleent aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het - via een machtiging - toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (CRVB:2012:BY0448 en vergelijk CRVB:2014:2287). De hier bedoelde plicht voor de huisgenoten geldt als voor het college aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend. Naast het oproepen van de cliënt of zijn huisgenoot kan het college ook deskundigen raadplegen op het gebied van bijvoorbeeld een woningaanpassing. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de toekenningsbeschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de inhoud van de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in artikel 14.7 van de Verordening onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Bewijslastverdeling Het college moet besluiten vanzelfsprekend zorgvuldig voorbereiden (art. 3:2 Awb). Daarvoor is de kennis nodig over de relevante feiten en de af te wegen belangen. De wet regelt niets over de bewijslastverdeling. Dat wil zeggen op wie (college of de cliënt) rust nu de plicht om bijvoorbeeld feiten aan te dragen die nodig zijn om op de aanvraag te kunnen beslissen. Uit de Awb vloeit voort dat de bewijslast in beginsel op de aanvrager rust. Het is aan hem om feiten en/of gegevens aan te dragen die het college nodig heeft om de aanvraag te kunnen beoordelen. Beperkingen stellen Tijdens het onderzoek moet het college beoordelen of de cliënt gelet op zijn beperkingen is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en ja welke als goedkoopst passende bijdrage kan gelden. Dat betekent wel dat de cliënt de beperkingen moet stellen. Dat wil zeggen: aangeven wat zijn beperkingen zijn, waar die uit bestaan en waarom er een maatwerkvoorziening nodig is. Pas dan zal het college het onderzoek kunnen uitvoeren. In de praktijk zal dit geen problemen op hoeven leveren. Onderbouwen stelling overig Het college kan zich terecht op het standpunt stellen dat algemeen gebruikelijke diensten, zoals kant-en-klaar maaltijden of de boodschappendienst een passende oplossing bieden (CRVB:2018:2182). Dat is het geval als deze: beschikbaar, financieel draagbaar en voldoende compenserend zijn. Uit de rechtspraak over de boodschappendienst blijkt dat een bedrag van € 4,95 per keer en een minimum bestelbedrag van € 70 mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen moeten worden gemaakt, niet zodanig is dat deze in financiële zin niet passend zijn voor een persoon met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum (bijv. CRVB:2017:1302). Indien de cliënt meent dat hij deze diensten financieel niet kan dragen, dan zal hij deze stelling moeten onderbouwen (bijv. CRVB:2014:4276). Dat kan met gegevens over zijn inkomsten en uitgaven. Overlegt de cliënt geen gegevens ter onderbouwing van de stelling, dan is dat geen reden voor het college om een maatwerkvoorziening in te zetten. Er zijn ook andere voorbeelden denkbaar. HOOFDSTUK3Beoordeling aanspraak Verordening: artikel 4.1 Inleiding Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Hoeksche Waard komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. De in hoofdstuk 3 beschreven beoordeling van de aanspraak volgt rechtstreeks uit de wet en betreft een algemene bepaling. Nadere invulling hiervan geldt voor zover dat in de beleidsregels is opgenomen. Vereiste hoofdverblijf De cliënt, die geen hoofdverblijf (woonplaats) heeft in de gemeente Hoeksche Waard, heeft geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens beperkingen. Bij hoofdverblijf wordt uitgegaan van de feitelijke verblijfplaats van de cliënt. De inschrijving in het BRP is daarbij een belangrijk punt, maar naar niet altijd doorslaggevend. Dit is ook van toepassing als het een minderjarige betreft. Meestal zal het feitelijke hoofdverblijf ook overeenkomen met wat er in de BRP is geregistreerd, maar als dat niet zo blijkt te zijn moet de gemeente aan de hand van onderzoek naar de feitelijke omstandigheden een oordeel vellen over de vraag of iemand daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente waar de Wmo-aanvraag gedaan is. Soms moet aan de hand van de bevindingen uit het onderzoek ter plaatse besloten worden in welke gemeente iemands feitelijke hoofdverblijf is gelegen. Bij de vraag waar de cliënt feitelijk verblijft, is ook van belang waar iemands centrale leven zich afspeelt. Hierbij zijn factoren van belang zoals bijvoorbeeld de omvang van het sociale leven ter plaatse (waar iemand zijn vrienden ontvangt) en het gebruik van diverse (maatschappelijke) voorzieningen ter plaatse. Hekkensluiter Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet zoals ook bedoeld in dit hoofdstuk nadrukkelijk de hekkensluiter. Dit neemt overigens niet weg dat het de cliënt altijd vrij staat om een aanvraag in te dienen nadat het gesprek (het onderzoek) is afgerond. Het college beoordeelt de aanvraag en kan die onder toepassing van bepalingen in de Verordening weigeren maar ook indien het van oordeel is dat de cliënt niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening gelet op het bepaalde in de wet. Eigen kracht Een belangrijk onderdeel is de eigen kracht. Daaronder wordt dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien; zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is onder de Wmo 2015 niet verplicht. Tijdens het gesprek wordt dit onderwerp wel met de cliënt besproken. Ondersteuning vragen Cliënten vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen iets voor hen te doen en mensen in het netwerk zijn vaak best bereid iets voor een ander te betekenen, maar weten niet hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het gesprek, waarbij het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt kan worden verlangd dat hij het college met deze personen in contact brengt. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het gesprek. Het college beoordeelt de wettelijke bepalingen. Dit neemt niet weg dat het de cliënt altijd vrij staat om een aanvraag in te dienen nadat het gesprek is afgerond en het college de cliënt een verslag heeft verstrekt. Het College kan de aanvraag onder toepassing van de bepalingen in de Verordening weigeren maar ook indien het van oordeel is dat de cliënt niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening gelet op het bepaalde in de wet zoals bedoeld in dit hoofdstuk. Algemene uitgangspunten In de Verordening zijn een aantal uitgangspunten neergelegd die van belang zijn bij de beoordeling van de aanvraag. Drie daarvan gaan over: Combineren eigen kracht en een ondersteuningsplan; Het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening; De inzet van ontwikkelingsgericht ondersteuning (kortdurend). Verordening: artikel 4.4 Algemene uitgangspunten De hoofdregel volgens de Verordening is dat het College de toe te kennen maatschappelijke ondersteuning kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en informele hulp bijvoorbeeld uit de sociale omgeving en verlenen in de vorm van een totaal aan afspraken zoals neergelegd in een ondersteuningsplan. Een dergelijk plan wordt of kan worden opgesteld door de aanbieder in samenspraak met de cliënt en vormt een onderdeel van de toekenningsbeschikking. Het betreft een opgesteld plan over de inzet van activiteiten voor het te bereiken resultaat. Primaat De hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Dit uitgangspunt heeft ook betrekking op de goedkoopst passende bijdrage. Collectieve maatwerkvoorzieningen kunnen immers goedkoper zijn dan individuele maatwerkvoorzieningen. Kortdurend De maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden verleend. De maatschappelijke ondersteuning wordt dan ontwikkelingsgericht ingezet hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken of verbeteren. Verder kan kortdurende maatschappelijke ondersteuning ook aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Daarnaast kan onder kortdurende ondersteuning ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Geheel van maatregelen Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Deze kunnen ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 vijfde lid van de wet. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het College om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Het College zal dit in elk individuele geval moeten afwegen. Mantelzorgondersteuning De maatwerkvoorziening beoogt de cliënt zelf adequaat te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Daar hoort bij wat de cliënt moet krijgen op de momenten dat de mantelzorger even niet wil of kan. Respijtzorg is de ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening die aan de cliënt wordt toegewezen voor de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem te ondersteunen. Denk bijvoorbeeld aan kortdurend verblijf. Dit moet worden onderscheiden van: de maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. Specifieke criteria maatwerkvoorziening Verordening: artikel 4.5 Lid 1 onder a Hierin is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in staat moet stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Gemeentelijke verantwoordelijkheid De gemeente is verantwoordelijk voor het ondersteunen van mensen die er niet op eigen kracht of met hulp van hun sociale netwerk in slagen zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. In de Wmo 2015 staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger en zijn sociale netwerk veel nadrukkelijker voorop dan in de Wmo 2007 en is de gemeente alleen aan zet voor zover de burger niet zelf of met de hulp van dat netwerk tot participatie kan komen. De begrippen ‘zelfredzaamheid’ en ‘participatie’ beschrijven wanneer van iemand gezegd kan worden dat hij of zij zelfredzaam is of participeert op een zodanig niveau dat er voor de gemeente in beginsel geen reden bestaat om daarin bij te springen. De omschrijving van ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden. Dagelijks in het gewone leven Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van zelfzorg. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en, indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kunnen blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact. Opgemerkt wordt dat de cliënt aanspraak kan hebben op verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het gaat dan om cliënten die niet (meer) in staat zijn de ADL zelf, al dan niet onder begeleiding op grond van de Wmo 2015, uit te voeren. Ook degene die een verhoogd risico loopt om aangewezen te raken op verpleging en verzorging vallen hieronder. Het gaat dan vaak om ouderen die al bekend zijn bij de huisarts. Voorbeeld Het aanreiken van de maaltijden kan binnen het bereik van de Wmo 2015 vallen. Voor zover de cliënt vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat is zelf te eten, ligt het voor de hand dat daarvoor een indicatie verkregen kan worden op grond van de Zvw (verzorging en verpleging). Ook indien vanwege bijvoorbeeld verslikkingsgevaar toezicht moet worden gehouden tijdens het eten zal de aanspraak op grond van de Zvw zijn aangewezen. Maatschappelijke verkeer Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Doelstelling Een van de doelstellingen van de Wmo 2015 is om te zorgen dat mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven. Het College zal dit uitgangspunt mee moeten wegen bij het te nemen besluit op de aanvraag. Het kan voor komen dat het niet meer mogelijk is om - al dan niet met hulp van anderen en verpleging en verzorging - in de eigen leefomgeving te wonen. In die gevallen zal aanspraak bestaan op een indicatie op grond van de Wlz en kan het College de maatwerkvoorziening weigeren (art. 2.3.5, zesde lid Wmo 2015). Lid 1 onder b Het College is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals dat in de Wmo 2007 wordt gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in aanmerking. Lid 1 onder c Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend, voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht. Er moet in ieder geval altijd sprake zijn van een individuele cliënt die is aangewezen op een maatwerkvoorziening. De cliënt is dan ook belanghebbende in het kader van het besluit. Uit de zinsnede 'in overwegende mate' volgt dat er wel enige ruimte is om rekening te houden met anderen dan de cliënt, denk bijvoorbeeld aan huisgenoten, de mantelzorger of andere personen uit het sociale netwerk die ondersteuning bieden aan de cliënt. Gericht op het individu Omdat een maatwerkvoorziening gericht moet zijn op het individu is het aanvragen van een gemeenschappelijke voorziening uitgesloten. Zo zal ook een aanvraag van een gehandicaptensportvereniging voor een tegemoetkoming in de kosten van vervoer naar de wekelijkse training worden afgewezen. Bij de toekenning van de goedkoopst passende bijdrage in de vorm van een vervoersvoorziening hoeft in beginsel geen rekening te worden gehouden met de gezinsleden zonder beperkingen. Individueel karakter Uit artikel 2.3.5 Wmo 2015 valt ook af te leiden dat het verlenen van maatwerkvoorzieningen een individueel karakter heeft en in principe gericht is op het ondersteunen in de zelfredzaamheid en participatie van één persoon. Een vervoersvoorziening wordt individueel verleend. Indien de partner eveneens gebruik wil maken van de vervoersvoorziening zal deze zich zelf moeten melden met een verzoek om maatschappelijke ondersteuning (hulpvraag). Het College zal dan een onderzoek instellen (het gesprek). Mocht het College vaststellen dat de partner is aangewezen op een maatwerkvoorziening, dan zal wel rekening worden gehouden met een gezamenlijke vervoersbehoefte (overlap). Deze overlap kan van belang zijn indien de cliënt en diens partner zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto indien daarvoor een tegemoetkoming in de meerkosten voor het gebruik daarvan wordt aangevraagd. Beperkende criteria aanspraak In artikel 4.5 tweede lid van de Verordening zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Algemeen gebruikelijk Lid 2 onder a Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de beperking van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen zaak of dienst kunnen worden opgelost, dan wel verminderd. Dit is in lijn met de jurisprudentie die sinds de Wmo 2015 tot stand is gekomen (ECLI:NL:CRVB:2019:3535). Verwezen wordt naar de begripsbepaling in artikel 1.1 eerste lid van de Verordening. Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een maatwerkvoorziening wordt verstrekt terwijl, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze zou (hebben kunnen) beschikken over een algemeen gebruikelijke zaak of dienst als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een zaak of dienst is voor de cliënt als aanvrager algemeen gebruikelijk als deze: normaal in de handel verkrijgbaar is; en niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt. Het is ter beoordeling aan het college of er op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032 en CRVB:2018:1250). Bij structurele kosten zoals de maaltijdservice of de boodschappendienst kan dat anders zijn. Uit de jurisprudentie blijkt dat deze kosten ook passend worden geacht voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB:2014:4276, CRVB:2017:1302, CRVB:2018:2182 en CRVB:2018:3093). Uitzonderingen zijn mogelijk als de zaak of dienst vanwege omstandigheden van de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijk te achten zaken eerder dan normaal moeten worden vervangen. Zaken (roerend of onroerend) die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers (inclusief sanitair en kranen) of keukens. Beoordelingskader De eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de zaak of dienst algemeen gebruikelijk is. De vraag onder punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de zaak of dienst voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het College beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een zaak of voorziening normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon. Bij de toepassing van deze bepaling moet op het moment van de aanvraag het primaire doel daarvan steeds in ogenschouw worden genomen. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verstrekken van een maatwerkvoorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke zaak door een vergelijkbaar persoon zonder beperkingen. De CRvB-uitspraak van 11 juli 2018 voegt een belangrijk criterium toe. Want staat in de Memorie van Toelichting nog “passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie”, in deze recente uitspraak heeft de CRvB het over: “en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.” Er wordt bij algemeen gebruikelijk dus in de ogen van de Raad niet meer gerefereerd aan het eigen inkomen dat vergeleken wordt met het inkomen van personen zonder beperking, maar aan de financiële mogelijkheden van personen met een inkomen op minimumniveau. Of een voorziening in een concreet geval als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt kan dus afhangen van de financiële situatie. In dat geval is onderzoek daarnaar nodig. Zie ook de vrij specifieke CRvB-uitspraak van 11 juli 2018. In onderdeel 4.5 wordt concreet ingegaan op de kosten van gebruik van een algemeen gebruikelijke voorziening in relatie tot het inkomen. Inkomensonderzoek is dus wel degelijk mogelijk. Wat níet mag is het stellen van inkomensgrenzen voor de toegang tot de Wmo. Hierdoor ontstaat vaak het misverstand dat er nooit naar het inkomen mag worden gekeken. Verder wordt opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde vragen niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke zaak voor hem/haar kan zijn. Fietsen met hulpmotor zijn -in principe- algemeen gebruikelijk. Een fiets met hulpmotor is vergelijkbaar met een brommer, ook qua kosten (CRVB:2010:BN1265). Vervanging Het toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke zaken worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven. Daaruit kan worden afgeleid dat een onverwachtse noodzakelijke aanschaf of vervanging niet als algemeen gebruikelijk voor de cliënt kan worden beschouwd. Op 20 november 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep een belangrijke uitspraak gedaan over het al dan niet algemeen gebruikelijk zijn van het vervangen van een bad door een inloopdouche (gemeente Eindhoven, ECLI:NL:CRVB:2019:3535). Privaatrechtelijke verbintenis Voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis aanspraak op de voorziening of voorliggende voorziening bestaat, wordt geen voorziening toegekend. Het College kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat geldt uiteraard ook voor een aanvraag, die bij de beoordeling gericht is op een algemeen gebruikelijke zaak. Een onverwachts optredende noodzaak Het zogeheten calamiteitenprincipe kan een uitzondering vormen op de hoofdregel. Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een zaak en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke zaak voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Renovatie Renovatie heeft betrekking op roerende of onroerende zaken die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). Voorbeelden zijn keukens, natte cel, et cetera. In het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Hoeksche Waard worden de afschrijftermijnen van een aantal zaken genoemd. Het uitgangspunt is dat geen maatwerkvoorzieningen worden verleend als de cliënt zijn beperkingen kan oplossen of verminderen met een algemeen gebruikelijk zaak of dienst. Woonvoorzieningen gericht op renovatie worden in beginsel geweigerd. Dat is op zich ook logisch immers voor personen met en zonder beperkingen geldt dat zaken na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Dat betekent overigens ook dat een (roerende of onroerende) zaak nog niet is afgeschreven, de cliënt in aanmerking kan komen voor de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Er zijn ook andere zaken die algemeen gebruikelijk geacht kunnen worden. Voorbeelden zijn: Automatische transmissie Cruisecontrol Elektrisch bedienbare autoramen Fiets met hulpmotor Bakfiets Tandem-met Zonwering/ Airco Standaard beugels Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Verder geldt dat de aanvrager een PGB niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke zaak of dienst (art. 5.1 derde lid onder a van de Verordening). Voorliggende voorziening Lid 2 onder b De Wmo 2015 kent, in tegenstelling tot de Wmo 2007, geen specifieke bepaling waarin het College in ieder geval geen maatwerkvoorziening hoeft te verlenen. Het College is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verlenen indien een andere wettelijke aanspraak kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk CRVB:2012:BV9433). Daarom is in de Verordening een weigeringsgrond opgenomen analoog aan artikel 2 Wmo 2007. Het is aan het College te onderzoeken en zich op het standpunt te stellen dat er een wettelijke aanspraak bestaat (vergelijk CRVB:2011:BT7241 en CRVB:2013:CA1427). Geen hogere kosten Lid 2 onder c In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren door hen zelf bekostigde voorzieningen en melden zich voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening na het optreden van een beperking. In voorkomende gevallen kan dat leiden tot de conclusie dat het optreden van die beperking geen hogere kosten met zich meebrengt. Dergelijke meerkosten hangen dan ook nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. De meerkosten zijn de kosten die in een direct verband staan met het compenseren van de ondervonden beperkingen. Een met de persoon als de cliënt vergelijkbaar persoon zonder beperkingen heeft deze meerkosten doorgaans niet omdat daar in diens situatie geen noodzaak voor is. Een voorbeeld Het hanteren van inkomensgrenzen is ook onder de Wmo 2015 niet toegestaan. Dit betekent echter niet dat het bezit van een auto niet als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Een auto is bijvoorbeeld algemeen gebruikelijk als de cliënt: in bezit is van een auto; en die auto gebruikt; en daarbij geen problemen ondervindt; en de auto nog steeds voorziet in vervoersbehoefte in de leefomgeving van de cliënt. In die gevallen is de auto voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk omdat er geen sprake is van zogenaamde meerkosten. Meerkosten Het begrip meerkosten hangt nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een voorziening die voor een persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk zijn, kunnen soms toch voor verlening in aanmerking komen. Het gaat dan om kosten die personen zonder beperkingen per definitie niet hebben. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die eventueel nodig zijn voor het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Normale afschrijvingstermijn nog niet verstreken Lid 2 onder d Eerder verstrekte voorziening Voor zover de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder toegekende voorzieningen (WVG of Wmo 2007 of 2015) en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening is nog niet verstreken, wordt de aanvraag in beginsel afgewezen. Technisch niet afgeschreven Bij het verlenen van een maatwerkvoorziening zal doorgaans de looptijd daarvan bij beschikking of in de bijlage worden opgenomen (zie art. 14.7 van de Verordening). Daarmee wordt een indicatie gegeven van de levensduur van een maatwerkvoorziening (gemiddelde afschrijvingsperiode). Dit betekent echter niet dat het College verplicht is om een 'economisch' afgeschreven voorziening in te nemen en een nieuwe te verstrekken. De maatwerkvoorziening kan immers nog steeds ondersteunend zijn in de zelfredzaamheid en participatie voor zover er niets mankeert aan de technische staat of het in goede technische staat brengen van de maatwerkvoorziening de goedkoopst passende bijdrage is. Een verloren gegane voorziening of schade/niet verwijtbaar Een uitzondering kan worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan of schade heeft opgelopen als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of als de cliënt de gemeente geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder kan ook worden verstaan dat betrokkene een beroep kan doen op een verzekering, zoals bijvoorbeeld een opstalverzekering. Ook kan het redelijk zijn dat de gemeente eist dat de cliënt - indien een ander dan hijzelf de schade heeft veroorzaakt - de schadeveroorzaker aansprakelijk stelt. Een verloren gegane voorziening of schade/ wel verwijtbaar Het kan voor komen dat door onzorgvuldig gebruik of misbruik meer reparaties dan gebruikelijk nodig zijn voor bijvoorbeeld een scootmobiel. Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid een maatwerkvoorziening verloren gaat. In dat geval schendt de cliënt (gebruiker) de verplichtingen verbonden aan de in bruikleen of in eigendom verstrekte maatwerkvoorziening. Het spreekt voor zich dat de schade (lees ook kosten reparatie) die rechtstreeks zijn te wijten aan de cliënt (gebruiker) niet op grond van de Wmo 2015 worden vergoed. In beginsel zal de cliënt (gebruiker) deze kosten zelf moeten betalen. Het is van belang dat eerst met de cliënt (gebruiker) een gesprek wordt gevoerd om hem daarvan op de hoogte te stellen. Opgemerkt wordt dat het van belang kan zijn de leverancier van de voorziening een verklaring te vragen of de schade betrekking heeft op onzorgvuldig gebruik. Eigen verantwoordelijkheid Lid 2 onder e In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd. Indien de aanvraag voor een maatwerkvoorziening naar het oordeel van het college het gevolg is van niet dan wel onvoldoende nemen van de eigen verantwoordelijkheid, dan wordt de aanvraag geweigerd (vergelijk CRVB:2012:BW6810 en CRVB:2013:776). Aangenomen wordt dat de aangehaalde jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen ook van toepassing is onder de Wmo 2015. Te denken valt aan de afwijzing van een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een aanpassing van de woning in verband met verhuizing van een adequate woning naar een niet adequate woning. Ook in letselschadezaken (vóór 1 januari 2015) kan het voorkomen dat in de overeenkomst van het letselschadebedrag niet is opgenomen dat de gevraagde voorziening op grond van de Wmo in dat bedrag is verdisconteerd. Dat komt dan voor eigen rekening en risico van de cliënt. Dergelijke situaties zullen zich in de praktijk niet vaak voordoen. Lid 2 onder f Zelf of met anderen Als het College van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om een maatwerkvoorziening afgewezen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is afhankelijk van de individuele situatie. Het gesprek na de melding van de hulpvraag In het gesprek met de cliënt kunnen allerlei oplossingen worden besproken die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie als bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Verordening. In de onderstaande tekst staan een aantal voorbeelden wanneer dat de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290). Planning en organisatie Van de ouder(

  1. s)kan onder omstandigheden worden verwacht dat zij de organisatie- en planningsactiviteiten verrichten die nodig zijn om hun kind van het aanvullend openbaar vervoer gebruik te laten maken (vergelijk CRVB:2010:7989). Preventieve maatregelen Van de cliënt kan worden gevergd dat incontinentiemateriaal wordt gebruikt of dat hij/zij het drinkgedrag en toiletbezoek zo reguleert dat op die manier gebruik kan worden gemaakt van het openbaar of collectief vervoer (vergelijk CRVB:2011:BU9176). Ook kan worden gevergd dat gebruik wordt gemaakt van geschikte kleding die er voor zorgt dat de lichaamstemperatuur op peil blijft (vergelijk CRVB:2011:BR5767). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Risicosfeer Lid 2 onder g Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het College kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). In hoofdstuk 8 van de Verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woonvoorzieningen. Maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk gerealiseerd (lid 3) De Wmo 2015 strekt er niet toe dat het college gehouden is om een maatwerkvoorziening te verlenen als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding van de hulpvraag of de aanvraag gerealiseerd is. Met het zelf realiseren van de maatwerkvoorziening, rust er geen compensatieplicht meer op het college (CRVB:2017433). Onbekendheid van een cliënt met de geldende regels komt voor diens eigen rekening en risico en wordt niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Gemeenten gebruiken vaak in hun verordening de regel dat kosten die door de aanvrager voorafgaand aan de beslissing van de gemeente zijn gemaakt, niet worden vergoed. Doel van deze regel is dat de gemeente niet voor het blok wordt gezet, maar nog in staat wordt gesteld om onderzoek te doen naar onder meer de noodzaak van het gevraagde en naar de goedkoopst-passende oplossing. Het gebruik van deze verordeningsregel is op zich geaccepteerd, zie CRvB 04/05/2000 (gemeente Breda, LJN AE8535). Maar toepassing van de regel mag geen automatisme zijn. Gemeenten moeten altijd nagaan of er sprake is van bijzondere omstandigheden die de toepassing van de regel in de weg kunnen staan. Zie hiervoor onderdeel 4.4.1. tot en met 4.4.3. van de uitspraak CRvB 24-12-2009 (gemeente Utrecht, LJN BK8429). De verordeningsregel kan ook niet zonder meer worden toegepast in gevallen waarin al kosten zijn gemaakt. Soms kan het namelijk nog wel mogelijk zijn om onderzoek te doen, ook al is de voorziening al aangeschaft. Een voorbeeld Iemand heeft de badkamer volledig geschikt gemaakt met het oog op de beperkingen in het normale gebruik daarvan en meldt zich daarna met het oog op het indienen van een aanvraag voor de aanpassing. In voorkomende gevallen is er geen sprake meer van het aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening gelet op het ontbreken van beperkingen in het normale gebruik van de badkamer. Er kan ook sprake zijn van een nog niet volledig gerealiseerde maatwerkvoorziening vóór de melding of de aanvraag. Dat betekent dat er nog beperkingen (kunnen) worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie. Wel is er in deze gevallen sprake van omstandigheden die in principe in de risicosfeer liggen van de cliënt. Door zich namelijk niet eerder te melden met het oog op een aanvraag in te dienen ontneemt de cliënt het College de mogelijkheid te beoordelen of, en zo ja welke aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening die als goedkoopste passende bijdrage kan gelden. Kan het College de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Een voorbeeld Iemand heeft de badkamer alvast volledig gestript en dient na procedure van de melding (toch) een aanvraag in voor het toekennen van de aanpassing. Aan de hand van bijvoorbeeld originele bouwtekeningen of foto’s moet voor het College nog te achterhalen zijn hoe de originele staat van de badkamer is geweest. Dit om de noodzaak van de aanpassing vast te kunnen stellen. De bewijslast hiervoor ligt bij de cliënt. Hoofdverblijf Lid Om aanspraak te kunnen maken op maatwerkvoorzieningen jegens het College moet vast staan dat de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Hoeksche Waard. Hij dient ook zijn vaste woon- en verblijfplaats te hebben in een woning die bestemd en geschikt is voor permanente bewoning. Daarnaast dient hij in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven te (zullen) staan. Een inschrijving in de BRP met alleen een briefadres is op zich zelf ook voldoende, als dan wel is komen vast te staan dat het feitelijk woonadres zich ook in de gemeente Hoeksche Waard bevindt. De Wmo 2015 geeft de gemeente een ondersteuningsplicht voor inwoners van de gemeente. In eerste instantie geeft de BRP hierover uitsluitsel. Is dat niet het geval dan heeft het College van de gemeente waar betrokkene daadwerkelijk verblijft de ondersteuningsplicht. Zie ook hoofdstuk 3 “vereiste hoofdverblijf” HOOFDSTUK4Gebruikelijke hulp Verordening: artikel 4.3 Inleiding Gebruikelijke hulp is in de Wmo 2015 gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 eerste lid Wmo 2015). Onder een leefeenheid wordt verstaan alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt behoort. Alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid. Dit is beperkt tot personen die een (pension)kamer huren via een huurovereenkomst. Zie de begripsbepalingen van de Verordening. Algemeen uitgangspunt In Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. Mantelzorg Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg, verleend door personen uit de directe omgeving van de cliënt en rechtstreeks voortvloeiend uit de sociale relatie, wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. De ondersteuning door de mantelzorger vertegenwoordigt daarmee een aanspraak. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en verzorging zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet of ondersteuning aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. In geval het College tot het oordeel komt dat een maatwerkvoorziening is aangewezen kan verlangd worden dat aanspraak wordt gemaakt op verpleging en/of verzorging. Dit gebeurt alleen als daarmee verlenen van een maatwerkvoorziening kan worden voorkomen. Verder kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie tot de Wlz. In die gevallen heeft het College in ieder geval geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan aanspraak bestaan op logeeropvang op grond van de Wlz. Beleidsuitgangspunt mantelzorg Er is sprake van mantelzorg als deze intensief en langdurig wordt verleend. Daaronder wordt in principe meer dan 8 uur per week en langer dan 3 maanden verstaan. Mantelzorgers gaan pas echt problemen ondervinden als het verlenen van ondersteuning intensief gedurende een langere periode gebeurt (vergelijk EK 2005/06, 30 131, C, p. 59). Beleidsregels Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijk hulp om te voorkomen dat sprake is van toeval of van willekeur. In de beleidsregels wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen de gebruikelijk hulp bij begeleiding en/of dagbesteding en het overnemen van gebruikelijke huishoudelijke werkzaamheden. Begeleiding, dagbesteding en overnemen huishoudelijke werkzaamheden In de artikelen 4.3 tweede lid van de Verordening is bepaald met welke omstandigheden het College in ieder geval rekening moet houden bij de boordeling of van de huisgenoot gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Het gaat om de volgende omstandigheden: De aard, de omvang en de te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Daarbij kan onderscheid bestaan tussen gebruikelijke hulp ingeval van begeleiding, dagbesteding en/of het overnemen van huishoudelijke taken door huisgenoten. 1.De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt Het College inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden. De aard De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan aangewezen zijn op hulp bij zelfzorg, de thuisadministratie, het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie of bij problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen (zie hoofdstuk 4 van de Verordening; beoordeling aanspraak). Het College houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze beleidsregels. De omvang Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Zo kan de cliënt zijn aangewezen op permanent toezicht hetgeen zware eisen kan stellen aan de persoon van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd. Daarnaast kan de totale omvang van de ondersteuningsbehoefte met zich meebrengen dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel kan daarom als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Is dat niet aan de orde, dan kan het College een maatwerkvoorziening verlenen. Het kan echter ook gaan om een meer incidentele vorm van hulp die wel een structureel karakter heeft. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij zelfzorg of participatie. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Indien er sprake is van hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden, is het in principe niet van belang of sprake is van een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Huishoudelijke werkzaamheden Bij de beoordeling van de duur in het kader van het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt ook in principe geen rekening gehouden met een onderscheid tussen een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Dat is in lijn met de regels zoals die golden onder de Wmo 2007. 2.De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het College moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Huishoudelijke werkzaamheden Bij de beoordeling van de duur in het kader van het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt in principe geen rekening gehouden met de aard van de relatie. Het gaat er om of sprake is van een huisgenoot binnen de leefeenheid. Algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer Het College houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn: hulp bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. hulp bij of het overnemen van taken die tot een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie. Hulp aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, et cetera. Hulp van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar de bijlage ‘uitgangspunten zorg ouder voor kinderen’ bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg of hulp biedt bij de sociale redzaamheid. Bij elk van de terreinen die in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels staan genoemd, zal het College zich een oordeel moeten vormen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar mag worden verwacht. Kinderen en ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen naar hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat voor begeleiding anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
  2. s)begeleiding bieden. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Bij elk van de terreinen die in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels staan genoemd, zal het College zich een oordeel moeten vormen wat van kinderen ten opzichte van hun ouders mag worden verwacht. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Bij elk van de terreinen die in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels staan genoemd, zal het College zich een oordeel moeten vormen wat van huisgenoten ten opzichte van elkaar mag worden verwacht. Ouders en kinderen De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het overnemen van de gebruikelijke hulp van de kinderen kan een Wmo-aanspraak zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet. Verwezen wordt naar de bijlage ‘uitgangspunten zorg ouder voor kinderen’ bij deze beleidsregels. 3.De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het College er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Ondersteuning bieden, zoals begeleiding, ligt minder voor de hand en dat beoordeelt het College in het individuele geval. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het College er van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Als uitgangspunt hanteert het College 2 uur voor uitstelbare taken en 3 uur per week voor niet-uitstelbare taken. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Onder omstandigheden van het individuele geval kan ook andere hulp of ondersteuning van het meerderjarige kind aan de ouder(
  3. s)onder de gebruikelijke hulp vallen. Verder gelden de volgende uitgangspunten. Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. 4.De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het College kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt. Het spreekt voor zich dat de leerbaarheid van de cliënt hierbij ook een belangrijke rol speelt. Die kan betrekking hebben op het (leren) accepteren van de gebruikelijke hulp. De aard van en de mate van beperkingen spelen hierbij een belangrijke rol. Geen gebruikelijke hulp verlangen Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de (al dan niet naar algemene maatstaven geldende) gebruikelijk hulp substantieel wordt overschreden. Denk aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van noodzakelijke begeleiding. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. Zie ook bijlage uitgangspunten zorg ouders voor kinderen bij de beleidsregels. Het is echter niet zo dat het College in beleidsregels kan vaststellen hoeveel hulp nu precies algemeen gebruikelijk is. Onder de AWBZ heeft de Centrale Raad van Beroep daar uitspraken over gedaan (CRVB:2013:BZ9358 AWBZ-T en CRVB:2014:134 AWBZ). Aangenomen wordt dat deze van overeenkomstige toepassing zijn voor de Wmo 2015. Het College moet de omstandigheden van het individuele geval wegen. In voorkomende gevallen kan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de Jeugdwet. De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Verwezen wordt naar de bijlage ‘onderzoek dreigende overbelasting’ van deze beleidsregels. Omvang planbare en onplanbare hulp Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het College zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Zie verder onder het kopje ‘voorkomen of oplossen overbelasting’ van deze beleidsregels. Dreigende overbelasting Bij een beroep op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot moet dat door de cliënt aannemelijk worden gemaakt en dan rust op het College de plicht daar onderzoek naar in te stellen. De betreffende huisgenoot is dan overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert hij dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld. Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen dienen deze te worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde zorg (verpleging en/of verzorging), kan het College verlangen dat men die overbelasting opheft door deze zorg door (andere) zorgverleners uit te laten voeren. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Zie ook bijlage ‘Onderzoek naar overbelasting van degene die de gebruikelijke hulp dient te verrichten’ bij deze beleidsregels. HOOFDSTUK5Huishoudelijke Ondersteuning Verordening: artikel 6.1 Inleiding Indien een cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening kan het College een maatwerkvoorziening in de vorm van Huishoudelijke Ondersteuning toekennen. De inzet van Huishoudelijke Ondersteuning heeft als doel een bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven. Zelfredzaamheid is in de Wmo 2015 gedefinieerd als: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden. 5.1Afwegingskader Huishoudelijke hulp Het stellen van de indicatie (activiteiten en omvang) is gebaseerd op het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van bureau HHM en de aanvullende instructie voor toepassing van dit normenkader d.d. september 2022. Dit normenkader is gebaseerd op onderzoeken in verschillende gemeenten, waarbij gekeken is naar o.a. de tijdsbesteding, professionele ervaringen, onafhankelijk experts en cliëntinterviews. Volgens de Centrale Raad van Beroep voldoet dit normenkader aan de gestelde eisen betreffende de onderbouwing van de normtijden. De bijlage ’Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning’ van deze beleidsregels is dan ook van toepassing op het stellen van de indicatie. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en het doen van de was. Als zij minder ondersteuning nodig hebben, dan wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp, het sociaal netwerk en algemene voorzieningen. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo-maatwerkvoorziening ingezet. 5.1.1Ruimten in de woning Voor wat betreft de huishoudelijke activiteiten in de woning geldt het uitgangspunt dat de activiteiten alleen betrekking hebben op ruimten, die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. In het kader van Huishoudelijke Ondersteuning bepaalt de verordening dat het om ruimten gaat, die te maken hebben met de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken) en verplaatsingen in de woning (bijvoorbeeld een gang). 5.1.2Eigen mogelijkheden Inwoners krijgen huishoudelijke ondersteuning in aanvulling op wat zij zelf kunnen doen of zelf kunnen regelen in de eigen sociale omgeving. De gemeente onderzoekt met de inwoner de mogelijkheden van de eigen inzet, ondersteuning door familie, vrienden of buren en het gebruik van algemene voorzieningen in de wijk. De aanbieder die de hulp bij het huishouden namens de gemeente levert maakt met de inwoner nadere afspraken over de uitvoering van de toegekende huishoudelijke ondersteuning. Denk bij eigen mogelijkheden van de inwoner, naast eigen kracht en het sociale netwerk, ook aan een particuliere hulp. Wanneer een inwoner voor het ontstaan van de beperkingen al een particuliere hulp had en er geen sprake is van een inkomenswijziging, bestaat er in de regel geen noodzaak om een voorziening op grond van de Wmo te treffen. De gemeente doet dan een moreel appèl op de financiële zelfredzaamheid van de inwoner. 5.2Resultaat Huishoudelijke Ondersteuning 5.2.1Basismodule: een schoon en leefbaar huis Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon betekent dat een basishygiëne geborgd is. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De woning dient zodanig schoon te zijn dat deze niet vervuilt en gezondheidsrisico’s worden voorkomen. Het gaat om een basisniveau van schoon houden. Wat minimaal nodig is wordt gedaan. Dit kan betekenen dat de uitvoering niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van inwoners. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen per definitie niet onder de maatwerkvoorziening HO. 5.2.2Aanvullende maatwerkmodules Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen de volgende aanvullende maatwerkmodules ingezet worden: Wasverzorging De cliënt en zijn huisgenoten moeten kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding, evenals schoon en gedroogd textiel (handdoeken en beddengoed). Van de cliënt mag in dit kader worden verwacht dat er voldoende beddengoed, handdoeken, ander linnengoed en/of kleding aanwezig is. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning zo efficiënt mogelijk worden gerealiseerd. Het strijken van onderkleding of beddengoed valt niet onder wasverzorging, omdat dit niet gebeurt in een standaard huishouden. Strijkvrije kleding is een voorliggende oplossing en de activiteit ‘strijken’ wordt daarom in principe niet geïndiceerd. Boodschappen Hierbij kan het gaan om het opstellen van een boodschappenlijst, het doen van de boodschappen en/of het opruimen van de boodschappen. Een (online) boodschappendienst is tegenwoordig algemeen gebruikelijk, en dus voorliggend op de activiteit ‘boodschappen halen’. Supermarkten hebben vaak een bezorgservice. De cliënt kan zijn boodschappen dan telefonisch of via internet bestellen. Het feit dat de cliënt in dat geval afhankelijk is van bezorgtijden, is geen reden om de boodschappendienst niet als passende oplossing aan te merken. De omstandigheid dat de supermarkt, waar de cliënt normaal gesproken zijn boodschappen doet of zou willen doen, geen boodschappendienst heeft, maakt niet dat een boodschappendienst van een andere supermarkt niet als passende oplossing kan gelden. Maaltijden Hierbij kan het gaan om het klaarzetten van de maaltijd, afruimen, afwassen of vaatwasser in- of uitruimen. Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden bereid, waarbij een tweede broodmaaltijd kan worden klaargezet. Het opwarmen van een maaltijd kan één keer per dag worden geboden. Dit geldt vanzelfsprekend alleen als er geen andere (voorliggende) oplossingen zijn zoals bijvoorbeeld een maaltijdservice, mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis of de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt. Kindzorg Het gaat hier om de activiteiten die betrekking hebben op de verzorging van kinderen waarbij de ouder(tijdelijk) niet in staat is om de ouderrol op zich te nemen én het om eenvoudige activiteiten gaat van huishoudelijke aard. Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Bij uitval van een van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg (hulp) voor de kinderen over (zie hoofdstuk 4 van deze beleidsregels). Structurele opvang valt in principe niet onder Huishoudelijke Ondersteuning. Het is in het algemeen een eigen verantwoordelijkheid van de ouder(
  4. s)om daarvoor te zorgen. Gebruikmaking van kinderopvang gaat dan ook in principe voor op het verlenen van een indicatie. Denk bijvoorbeeld aan gebruikmaking van kinderopvang en/of crèche wat in principe gangbaar is tot en met 5 dagen per week. Er is slechts voor maximaal 3 maanden inzet van hulp op grond van de Wmo 2015 voor opvang van kinderen mogelijk. Dit om de ouder(
  5. s)in de gelegenheid te stellen een eigen oplossing te vinden. Het kan in voorkomende gevallen ook gaan om het bieden van ondersteuning bij de opvoeding van kinderen. Vallen de geïndiceerde activiteiten onder het begrip jeugdhulp, dan kan er in principe geen sprake zijn van Huishoudelijke Ondersteuning. Regie en Advies/Instructie/Voorlichting (AIV) Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden, bijvoorbeeld door een psychische aandoening of dementie. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kan hiervoor structureel extra tijd geïndiceerd worden. Advies/instructie/voorlichting heeft betrekking op het, op tijdelijke basis, aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en een cliënt zelf wil kunnen bijdragen aan het huishouden, het schoonmaken, het leren koken van enkele basis-maaltijden, et cetera. Soms is het dan praktisch hiervoor aan de, in het algemeen al langere tijd vertrouwde, huishoudelijke hulp voor een aantal weken extra tijd toe te kennen. Dit is dus altijd tijdelijk en is te onderscheiden van de inzet van Wmo-begeleiding. 5.3Rol van de aanbieder De door het College gecontracteerde aanbieder is gehouden om uitvoering te geven aan de indicatie die in de beschikking is gesteld. De cliënt en aanbieder maken samen afspraken hoe de geïndiceerde uren worden ingezet. 5.4Uitgangspunten Huishoudelijke Ondersteuning Bij het verlenen van Huishoudelijke Ondersteuning hanteert het College de volgende uitgangspunten: Eigen kracht Gebruikelijke hulp Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg Algemeen gebruikelijke voorzieningen Eigen kracht Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Zo kan het College de normtijd voor huishoudelijke activiteiten verlagen als blijkt dat de client zelfstandig deze activiteiten kan uitvoeren. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna). Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking, zodat de Huishoudelijke Ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen of (
  6. te)volle vensterbanken die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (
  7. te)volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera. Ook mag van de cliënt worden verwacht dat hij, als hij daartoe instaat blijkt, voorbereidingen treft, bijvoorbeeld voor het doen van de was. Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (zie ook hoofdstuk 4). Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten', leiden niet tot een indicatie voor huishoudelijke ondersteuning. Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De wet bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociale netwerk, waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het College bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar (CRVB:2017:17). Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg. De Caregiver Strain Index wordt gebruikt om te bepalen of een mantelzorger overbelast is. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Het college beoordeelt of er algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken. Voorbeelden hiervan zijn: Een glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant; Het bestellen en laten leveren van boodschappen via internet; Boodschappendienst door vrijwilligers; Een vrijwilliger die meegaat om boodschappen te doen; Maaltijdvoorziening of kant-en-klaar maaltijden; Een was- en strijkservice; Aanschaf van een droogtrommel; Tuinman; Hondenuitlaat-service. Huishoudelijke ondersteuning omvat activiteiten die naar algemeen aanvaarde opvattingen tot de dagelijkse dan wel periodieke huishoudelijke activiteiten behoren. Kan een schoonmaakactiviteit door de inwoner uitgevoerd worden met aan algemeen gebruikelijk technisch hulpmiddel, dan valt deze ook niet onder de maatwerkvoorziening HO. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke technische hulpmiddelen zijn een wasmachine/droger en een vaatwasser. Als algemeen gebruikelijke hulpmiddelen niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing kunnen zijn voor een probleem, is het de verantwoordelijkheid van de inwoner om dergelijke apparatuur aan te schaffen. Dit geldt ook voor aanpassingen zoals bijvoorbeeld een verhoging voor een wasmachine of droger. Voorwaarde hierbij is dat het technische hulpmiddel voor de inwoner ook daadwerkelijk beschikbaar is, adequate compensatie biedt en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Zie ook CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535. HOOFDSTUK6Individuele Begeleiding, begeleiding in groepsverband, arbeidsmatige begeleiding, kortdurend verblijf en beschut wonen in een gemeenschap Verordening: hoofdstuk 7 Inleiding Artikel 7.1 van de Verordening bepaalt dat het College een maatwerkvoorziening kan verlenen in de vorm van: ondersteuning bij het in staat stellen tot algemeen dagelijkse levensverrichtingen, een gestructureerd huishouden voeren of het bieden van begeleiding in groepsverband waaronder zo nodig het noodzakelijke vervoer kortdurend verblijf in een instelling. Voor het verlenen van een vervoersvoorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt verwezen naar hoofdstuk 8 van deze beleidsregels. Verordening: artikel 7.2 Gebruikelijke hulp Voor begeleiding en/of begeleiding in groepsverband geldt dat de cliënt daarvoor niet in aanmerking komt voor zover tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het College gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Zie daarvoor hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. Algemeen uitgangspunt Artikel 4.4 van de Verordening bepaalt dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening. De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectiefaanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het College is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.5 eerste lid onder b van de Verordening). Verder kan het natuurlijk ook zo zijn dat een collectieve maatwerkvoorziening eenvoudigweg een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Doelgroep cliënten De doelgroep die in aanmerking komt voor begeleiding en begeleiding in groepsverband kan zeer divers zijn. Daarnaast kan de maatschappelijke ondersteuning ook gericht zijn op het ontlasten van de mantelzorger, zoals kortdurend verblijf. Er kan dan ook geen limitatieve opsomming worden gegeven van de doelgroep. In het algemeen gaat het om cliënten die beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en participatie. Zie hoofdstuk 3 van de beleidsregels onder het kopje ‘specifieke criteria’ voor een korte uitleg wat daar onder wordt verstaan. Voorbeelden doelgroep Ouderen met somatische of psychogeriatrische problematiek. Ouderen die door dementie of cognitieve achteruitgang beperkt zijn in hun zelfredzaamheid. Volwassenen met psychiatrische problematiek. Volwassenen met een verstandelijke beperking. Volwassenen met een auditieve en/of visuele beperking. Volwassenen met een lichamelijke beperking of chronische ziekte. Beoordelingskader specifiek Voor de beoordeling van maatwerkvoorzieningen als bedoeld in dit hoofdstuk van de beleidsregel hanteert het College een specifieke op-maat-invulling. Nadat het College heeft vastgesteld dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening (Individuele Begeleiding, begeleiding in groepsverband, arbeidsmatige begeleiding, kortdurend verblijf of beschut wonen in een gemeenschap), worden de doelen bepaald die bereikt moeten worden waarmee de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie. Daarvoor neemt het College ook, indien aanwezig, het door de cliënt opgestelde persoonlijk plan in aanmerking. Doelen Het College kan tijdens het onderzoek (na de melding) in samenspraak met de cliënt de doelen vaststellen. Het gaat om maatwerk. Met het vaststellen van de doelen wordt specifiek invulling gegeven aan de kaders die zijn omschreven bij het beoordelingskader algemeen. Voorbeelden van doelen kunnen zijn: het kunnen uitvoeren van de Algehele Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL); het in staat zijn structuur aan te brengen in het huishouden; het kunnen verzorgen van de administratie en het omgaan met geld; het leren zelfstandig te reizen met openbaar vervoer; het leren om zelfstandig te wonen; het leren contact te leggen in de (persoonsgebonden) sociale omgeving; contacten kunnen onderhouden met officiële instanties; integratie in de samenleving en de sociale participatie (bijvoorbeeld de opbouw van een sociaalnetwerk). Noodzakelijke omvang van de beschikking Nadat de doelen voor begeleiding, begeleiding in groepsverband of kortdurend verblijf (inclusief noodzakelijk vervoer), beschut wonen zijn bepaald gaat het College over tot het vaststellen van de bijbehorende omvang van de schikking, die nodig is om de doelen te bereiken. De omvang van de beschikking wordt bepaald door: Complexiteit. De mate van complexiteit bepaalt de hoogte van de eenheidsprijs. Hoe complexer de situatie, des te hoger de eenheidsprijs. Intensiteit van de ondersteuning. Looptijd van de ondersteuning Deze drie componenten tezamen bepalen de omvang van het maximale budget. Het daadwerkelijke budget wordt bepaald door de feitelijke uitgaven, die niet hoger (mogen) zijn dan het door het College maximaal te verwachten budget. Ad. 1 Complexiteit In het algemeen geldt dat het College door de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, het verslag en eventueel het persoonlijk plan, zal moeten beoordelen op welk perceel en product als maatwerkvoorziening de cliënt is aangewezen. In bijlage V van deze beleidsregels is een nadere uitwerking van de percelen en producten opgenomen. Bij de beoordeling wordt uitgegaan van de mate van complexiteit. Het gaat om de mate van complexiteit van de beperkingen van de cliënt en de omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen. De complexiteit van de hulpvraag wordt beoordeeld op basis van de volgende aspecten: Er is sprake van enkelvoudige of meervoudige problematiek of aandoeningen; De mate van zelfregie van de inwoner; Het aantal levensgebieden waarop de inwoner ondersteuning nodig heeft; De mate van inzicht in de eigen beperkingen; en De planbaarheid van hulpvragen of de mate van uitstelbaarheid en de onverwachtheid ervan. Ad. 2. Intensiteit van de ondersteuning Nadat het College de mate van complexiteit heeft bepaald, stelt het College op basis van de individuele situatie de omvang van de noodzakelijke ondersteuning vast. De intensiteit van de individuele begeleiding wordt vastgesteld in uren per week. De intensiteit van begeleiding in groepsverband en arbeidsmatige begeleiding wordt vastgesteld in dagdelen per week. De intensiteit van kortdurend verblijf en beschut wonen in een gemeenschap wordt vastgesteld in etmalen per jaar. Het kan daarbij ook gaan om een inschatting van een aantal noodzakelijke uren en/of dagdelen en/of etmalen op het moment dat het College de beschikking afgeeft. Het is namelijk niet altijd op voorhand duidelijk wat er precies nodig is. Deze inschatting kan de aanbieder in samenspraak met de cliënt bijstellen. Ad. 3. Looptijd van de ondersteuning Het College bepaalt de tijdsduur van de vastgestelde noodzakelijke ondersteuning. De beschikking Met de vastgestelde doelen en de bijbehorend omvang van de beschikking rest nog het feitelijk indienen van de aanvraag door de cliënt. Op basis daarvan kan het College de beschikking afgeven waarin ook de looptijd van de indicatie wordt opgenomen. Inhoud beschikking In artikel 14.7. van Verordening is geregeld wat er in ieder geval in de beschikking moet staan. In de beschikking om een maatwerkvoorziening Individuele Begeleiding, begeleiding in groepsverband, arbeidsmatige begeleiding, kortdurend verblijf en beschut wonen in een gemeenschap wordt ook nog het volgende opgenomen: te bereiken doelen; en de omvang van de beschikking. Einde beschikking In artikel 12.1 van de Verordening is geregeld wanneer het College bevoegd is om een toegekende maatwerkvoorziening te beëindigen. De volgende situaties kunnen eveneens gevolgen hebben voor de toekenningsbeschikking. Dat is het geval indien: de cliëntkenmerken wijzigen (complexiteit); of de feitelijke situatie van de cliënt verandert. In het algemeen geldt dat de cliënt een wijziging in zijn situatie of omstandigheden moet doorgegeven aan het College op basis van de inlichtingenplicht. Ook kan op basis van een evaluatiemomenten met de aanbieder blijken dat bijvoorbeeld de cliëntkenmerken zijn gewijzigd ten opzichte van de toekenningsbeschikking. Het College kan op grond daarvan de toegekende ondersteuning beëindigen. Bij een beëindiging vervalt het (nog beschikbare) budget vanaf het moment van het eindigen van het recht. In het algemeen geldt dat indien de cliënt wederom in aanmerking wenst te komen voor een maatwerk-voorziening hij zich moet melden bij het College. Er zal dan een onderzoek worden opgestart waarbij de beoordeling wordt gedaan zoals omschreven in dit hoofdstuk. Zie hoofdstuk 12 van de beleidsregels indien sprake is van het schenden van de inlichtingenplicht. Het ondersteuningsplan De aanbieder maakt na de toekenning van de maatwerkvoorziening in samenspraak met de cliënt concrete afspraken over de wijze waarop de doelen gerealiseerd gaan worden. Deze afspraken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan als bedoeld in art. 4.4 eerste lid van de Verordening. Het ondersteuningsplan bevat: de te bereiken doelen, de activiteiten (hoe doelen worden bereikt) en evaluatiemomenten. Overige onderwerpen In de onderstaande tekst worden nog een aantal onderwerpen inhoudelijk toegelicht die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de maatwerkvoorzieningen van dit hoofdstuk. Mantelzorgondersteuning Opgemerkt wordt dat de maatschappelijke ondersteuning ook kan bestaan uit mantelzorgondersteuning of het ontlasten van de mantelzorger door respijtzorg middels kortdurend verblijf. Het College kan bijvoorbeeld ook maatschappelijke ondersteuning (op naam van de cliënt) bieden aan de mantelzorger die er op is gericht te leren omgaan met de beperkingen van de cliënt. Zie verder ook bijlage ‘Checklist voor het betrekken van de mantelzorger bij het gesprek en de beoordeling van de aanspraak’ van deze beleidsregels. Personen met een zintuiglijke beperking Bij de ondersteuning aan mensen met een zintuiglijke beperking, waaronder de doventolk in de leefsituatie, gaat het om specifieke ondersteuning. Het gaat om ondersteuning waarvoor geldt dat er een gering aantal cliënten gebruik van maakt, er een beperkt aantal aanbieders voor is en de inhoud van het aanbod zeer specialistisch is. Daarom heeft de VNG in afstemming met het ministerie van VWS landelijke inkoopafspraken voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking tot stand gebracht. Het resultaat van de landelijk inkoopafspraken kent de vorm van een ‘raamovereenkomst’ tussen gemeenten en aanbieders van specialistische begeleiding, voor mensen met een zintuiglijke beperking. De raamovereenkomst gaat over de inhoud van de ondersteuning en de afgesproken werkwijze tussen de gemeenten en aanbieders. Binnen de kaders van deze raamovereenkomst kunnen individuele regionale samenwerkingsverbanden of individuele gemeenten de ondersteuning ‘afroepen’ overeenkomstig de in de overeenkomst gestelde voorwaarden. De VNG zal voor dit doel een landelijk ‘coördinatiebureau’ opzetten. Landelijke inkoopafspraken specialistische begeleiding In augustus 2014 is de landelijke overeenkomst vastgesteld over het bieden van specialistische begeleiding aan cliënten met een zintuigelijke handicap. Dit betekent dat het College moet beoordelen of de beperkingen van de betreffende cliënt onder deze landelijke afspraken valt. En zo ja, dan heeft het College geen ‘aparte’ ondersteuningsplicht. Wel geeft het College een beschikking af. Voor de doelgroep is een (landelijk) programma van eisen vastgesteld. Het gaat om: Specialistische begeleiding doofblinde volwassen Specialistische begeleiding visueel volwassenen Specialistische begeleiding vroegdove volwassen Doventolk De Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein, luisterlijnen en vertrouwenswerk jeugd, in werking getreden op 1 juli 2019, regelt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen de uitvoering van de tolkvoorzieningen voor auditief beperkten in het kader van de arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie (respectievelijk werkdomein en leefdomein) overneemt. Een gedeelte van de tolkvoorzieningen was eerder ondergebracht in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Participatiewet. Eerstelijns verblijf of toegang tot Wet langdurige zorg Het College houdt bij de beoordeling van de aanspraak op kortdurend verblijf rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).Het gaat in die gevallen om medisch noodzakelijk verblijf (= aangewezen op geneeskundige zorg). Hiervoor moet in de eerste lijn (huisarts of medisch specialist) een indicatie worden afgegeven. Eerstelijnsverblijf is één van de varianten van het Zvw-verblijf. Daarnaast kan het zijn dat het College zich op het standpunt stelt dat de cliënt, die een aanvraag om individuele Begeleiding, begeleiding in groepsverband, arbeidsmatige begeleiding, kortdurend verblijf of beschut wonen in een gemeenschap indient, in aanmerking kan komen voor een indicatie op grond van de Wlz. Zie ook hoofdstuk 1 van deze beleidsregels. HOOFDSTUK7Ondersteuning gericht op het wonen Verordening: hoofdstuk 8 Inleiding In de artikelen 8.1, 8.2 en 8.4 eerste lid van de Verordening staan de vormen van maatschappelijke ondersteuning genoemd die het College kan verlenen, wat de reikwijdte daarvan is en wat de te bereiken resultaten zijn die daarbij gelden. Het College kan ondersteuning bieden in de vorm van woonvoorzieningen (zie begripsbepaling in de Verordening). Voor wat betreft de reikwijdte kunnen beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde zijn. Het te bereiken resultaat bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (zie hierna). Bij woonvoorzieningen zoals bedoeld in dit hoofdstuk moet het gaan om het normale gebruik van de woning. Dat betekent de elementaire woonfuncties, te weten activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet gaan om elementaire woonfuncties. Het gaat nadrukkelijk om het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Dit betekent dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel maatwerkvoorzieningen die puur als noodvoorziening gelden. Zoals bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren. Ook ten behoeve van het gebruik van hobby ruimtes en studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen getroffen, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1 eerste lid van de Verordening. Voor het te bestraten/te egaliseren oppervlak van het toegangspad kan als regel genomen worden een maximum van 20 m2 (uitrustingsniveau voor sociale woningbouw). Dit om te voorkomen dat complete oprijlanen moeten worden bestraat. In gebieden waar, bijvoorbeeld door een drassige (veen)bodem, veel verzakkingen optreden en tegelpaden regelmatig her bestraat moeten worden, kan dit her bestraten als regulier onderhoud en dus als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Woningaanpassingen Met het in werking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 Woningwet geschrapt. De eigenaar moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het College of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 Wmo 2015 dat het College of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoerings-kwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216 eerste lid BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het College dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die thans gelden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken. Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het College of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengt die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit. Besluiten van bestuursorganen kunnen voor burgers nadelige gevolgen hebben. Maar alleen de burger die belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan tegen het besluit bezwaar maken. En dat is vaak niet alleen de geadresseerde van het besluit. Ook derden kunnen soms als belanghebbenden bezwaar maken. Zij moeten dan een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang hebben. Bezoekbaar maken woning Met bezoekbaar maken wordt bedoeld dat het voor iemand die woonachtig is in een Wlz-instelling mogelijk wordt gemaakt bijvoorbeeld zijn ouderlijk huis te bezoeken. Bezoekbaar houdt in dat iemand toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte en het toilet. Er worden geen aanpassingen vergoed om het logeren mogelijk te maken. In de Wmo 2015 is niets opgenomen over bezoekbaar maken. Ook in de Verordening maatschappelijke ondersteuning van de Gemeente Hoeksche Waard is deze mogelijkheid niet opgenomen. Er is dus geen buitenwettelijke mogelijkheid vastgelegd. Het bezoekbaar maken is in beginsel niet mogelijk. In de Wmo 2015 is de hoofdregel dat maatwerkvoorzieningen voor Wlz-geïndiceerden kunnen worden geweigerd, zie artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015. In 2015 geldt hiervoor op basis van artikel 8.6a Wmo 2015 een uitzondering voor thuiswonende Wlz-geïndiceerden. Als het gaat om een intramurale Wlz-bewoner, geldt de uitzondering dus niet. Specifieke criteria De Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verlenen van maatwerkvoorzieningen gericht op het wonen. Primaat van verhuizen Verordening: artikel 8.3 Omdat het college in principe de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast (zie art. 4.5 eerste lid aanhef en onder b van de Verordening). Vooropgesteld dat er binnen een medisch aanvaarbare termijn een geschikte woning beschikbaar is. Toepassen primaat Wanneer er hoge kosten verbonden zijn aan het aanpassen van de huidige woning of deze woning niet kan worden aangepast, zal de mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning met de cliënt besproken worden. Het college kan het primaat van verhuizen toepassen na een zorgvuldige belangenafweging tussen wel of niet verhuizen. Factoren waarmee het college rekening moet houden zijn onder andere: de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; de snelheid waarmee het probleem opgelost kan worden; de mogelijke gebruiksduur van de aanpassing; een contra-indicatie voor verhuizen (uit medisch onderzoek). Bijvoorbeeld als niet verwacht wordt dat een (dementerend) cliënt binnen een redelijke termijn zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de woning of woonomgeving én er geen aanspraak bestaat op toegang tot de Wetlangdurige zorg (langdurig verblijf); de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning (uit medisch onderzoek); Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woningmoet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie; de verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend; er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waarnaar moet worden verhuisd (zie verder hierna); de sociale omstandigheden. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt. Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorgprofessionele hulp overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvangen intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. Ook hier geldt de beoordeling of er aanspraak bestaat op toegang tot de Wet langdurige zorg verblijf). Sociale omstandigheden hoeven echter niet per se een reden te zijn om het verhuisprimaat niet te kunnen toepassen. In een uitspraak van de rechtbank ('s-Gravenhage 17-11-2009, nr. AWB 09/6808WMO) oordeelt de voorzieningenrechter dat het op zichzelf onvoldoende reden geeft om af te wijken van het verhuisprimaat als een belanghebbende mede afhankelijk is van door zijn huidige buren versterkte zorg. Ook een andere rechtbank (Rechtbank 's-Hertogenbosch 06-01-2011, nr. AWB 09/5150) oordeelt dat het college in de door vrienden en buren geboden mantelzorg geen reden hoeft zien om af te wijken van het verhuisprimaat, nu deze mantelzorg niet bestaat uit medische zorg maar uit planbare activiteiten, waarbij het niet noodzakelijk is dat de mantelzorgers in dezelfde wijk als belanghebbende woonachtig zijn. Het college zal al met al goed moeten onderzoeken welke gevolgen een verhuizing voor belanghebbende heeft. Als na een zorgvuldige afweging van alle belangen blijkt dat het verhuisprimaat wel kan worden opgelegd, mag het college volstaan met het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding en eventuele aanpassingen in de nieuwe woning. Goedkoopst passende bijdrage Als verhuizen met bijbehorende verhuis-en inrichtingskosten (inclusief eventuele aanpass

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.