Circulaire Wapens en Munitie 2015/2 Circulaire Wapens en Munitie 2015/2 Algemeen (A) 1 Hoofdlijnen van de wapenwetgeving De nationale regelgeving met betrekking tot wapens en munitie wordt gevormd door: a. de Wet wapens en munitie (Stb. 1997, 292), hierna: WWM, en b. de Regeling wapens en munitie (Stcrt. 1997, nr. 129), hierna: RWM. Voor de thans geldende teksten van deze regelgeving wordt verwezen naar: www.overheid.nl Naast dit formele kader is voor de uitvoering van de wapenwetgeving van belang de Circulaire wapens en munitie. De circulaire heeft een tweetal functies: • algemene informatie over de uitvoering van de WWM en de RWM (Algemeen deel ‘A’) • aanwijzingen van de Minister van Veiligheid en Justitie1Aanwijzingen als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wet wapens en munitie aan de korpschef en de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer over het te voeren beleid bij de uitvoering van de WWM en RWM (Bijzonder deel ‘B’) In onderdeel ‘C’ is een aantal bijlagen opgenomen. 1.1 Inleiding De wapenwet- en regelgeving houdt het volgende in: • Wapens en munitie zijn ingedeeld in verschillende categorieën (1.2); • Per categorie gelden verschillende verboden. Deze verboden gelden in principe voor iedereen, maar voor bepaalde (beroeps-)groepen bestaan daarop uitzonderingen. Daarnaast gelden er vrijstellingen (algemene uitzonderingen) voor bepaalde wapen- en munitiecategorieën (1.3.2); • Voor bepaalde wapen- en munitiecategorieën en handelingen, die in beginsel verboden zijn, kunnen vergunningen worden aangevraagd (1.4). Afhankelijk van het doel waarvoor de vergunning wordt verleend, wordt deze vergunning aangeduid met: ontheffing (1.4.2), erkenning (1.4.3), verlof (1.4.4) en consent (1.4.5.1). Genoemde aspecten van de regelgeving met betrekking tot wapens en munitie worden hieronder bij de aangegeven paragrafen nader uitgewerkt. 1.2 Categorieën wapens en munitie De WWM heeft ten doel de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het illegale bezit van wapens en munitie te bestrijden en legaal bezit zoveel mogelijk te beheersen. In de wapenwetgeving is omschreven welke voorwerpen als wapen worden aangemerkt en wat onder munitie moet worden verstaan. Wapens en munitie zijn ingedeeld in verschillende categorieën. Voor elke categorie is in de WWM aangegeven welke handelingen met betrekking tot de wapens en munitie uit die categorie verboden zijn en op wie en wanneer dit van toepassing is. Ook is vastgelegd wanneer daarop een uitzondering van toepassing is. De bepalingen van de WWM zijn niet alleen van toepassing op wapens en munitie, maar tevens op bepaalde (essentiële) onderdelen van wapens en munitie. 1.2.1 Wapens In artikel 2, eerste lid, van de WWM is de categoriale indeling voor wapens te vinden. In artikel 2 van de RWM is een aantal wapens nader gedefinieerd. In het onderstaande overzicht is in het kort aangegeven welke wapens onder de verschillende categorieën vallen en welke soorten vergunningen daarvoor kunnen worden onderscheiden. Categorieën Wapens Soort vergunning I Ongewenste niet-vuurwapens zoals stiletto’s, valmessen, werpsterren of werppennen, vlindermessen, boksbeugels, katapulten, pijlen en nepwapens. sommige messen die niet door metaaldetectoren kunnen worden herkend vallen onder deze categorie. Ontheffing. Relevante artikelen WWM: Artikel 4 en 13 II Militaire (vuur)wapens, zoals automatische vuurwapens en handgranaten en mijnen. Ook voorwerpen met giftige, verstikkende, weerloos makende en traan verwekkende stoffen zoals traangas en pepperspray, vallen binnen deze categorie. Ontheffing Relevante artikelen WWM: 4, 14, 22, 26, 27, 31 III Pistolen, revolvers, geweren, alarm- en start pistolen/revolvers, werpmessen en toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten. Verlof (Ontheffing ²) Relevante artikelen WWM: 4, 14, 22, 24, 26,27,28, 29, 31, 32 IV Blanke wapens (messen), zwaarden, degens, sabels, bajonetten, wapenstokken, lucht-, gas- en veerdrukwapens, harpoenen en kruisbogen. Ook voorwerpen die op zich niet als wapen bedoeld zijn, maar wel op die manier gebruikt kunnen worden (bijvoorbeeld een honkbalknuppel tijdens voetbalrellen of een keukenmes tijdens een gevecht) vallen onder bepaalde omstandigheden binnen deze categorie. Verlof (Ontheffing) (alleen voor het ‘dragen’) Relevante artikelen WWM: 4, 26, 27, 29, 31 ² Een vergunning voor wapens van categorie III en/of IV dient de aanvrager aan te vragen bij de Korpschef. Hiertoe kan de aanvrager zich in principe wenden tot de regionale eenheid van de politie van zijn woon- of verblijfplaats. Bij wijze van uitzondering verleent de Minister van Veiligheid en Justitie uit praktisch oogpunt ook ontheffingen voor categorie III en/of IV wapens indien de aanvraag bijvoorbeeld betrekking heeft op een evenement waarbij zowel wapens van categorie II als wapens van categorie III voorhanden worden gehouden. 1.2.2 Munitie De indeling van munitie volgt in grote lijnen de categorie-indeling voor vuurwapens. Categorie II heeft betrekking op munitie die specifiek bestemd is voor wapens van categorie II en zogenoemde ‘oorlogsmunitie’. Categorie III omvat alle overige munitie. Omdat de categorieën I en IV geen vuurwapens bevatten bestaat er geen categorie I noch categorie IV munitie. Munitie voor lucht- gas of veerdrukwapens is geen munitie in de zin van artikel 1, onder 4, van de WWM omdat het projectiel niet door middel van een vuurwapen wordt afgeschoten. 1.2.3 Onderdelen en hulpstukken van wapens Artikel 3, eerste lid, van de WWM stelt dat de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing zijn op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. Uitgaande van deze bepaling kunnen met betrekking tot vuurwapens de hierna genoemde onderdelen worden aangemerkt als onderdelen waarop de WWM van toepassing is, omdat deze onontbeerlijk zijn voor het functioneren als vuurwapen, in sterke mate de werking van het vuurwapen mede bepalen, de werking van het vuurwapen kunnen wijzigen, dan wel het vuurwapen identificeren, hetzij door ingeslagen nummers hetzij door bij het afvuren sporen achter te laten op de patroonhuls of de kogel. Onderdelen die onder de werking van de WWM vallen zijn: De loop en de onderdelen die bestemd zijn om een vuurwapen (vol)automatisch te doen schieten en daarnaast de hieronder – niet limitatief – opgesomde onderdelen: Specifiek voor de revolvers: de kast (frame), de loop en de cilinder. Specifiek voor geweren: de kast (het frame), het magazijn, de bascule, het staartstuk, de loop en de grendel of afsluiter. Specifiek voor pistolen de kast (het frame), het magazijn, de loop en de slede. Voor een goed begrip wordt opgemerkt dat géén onderdeel van een wapen zijn: patroonschakels, patroonbanden, patroonhouders en laadstrips. Hieronder volgt een uitleg van deze begrippen. Patroonschakel: Met ‘patroonschakel’ wordt gedoeld op een voorwerp geschikt om één patroon te omvatten en te worden gekoppeld aan een andere schakel, ofwel een patroon voorzien van een schakel zodanig dat een patroonband kan worden gevormd. Patroonband: Met ‘patroonband’ op een (meestal) metalen voorwerp geschikt om meerdere patronen zijdelings te bundelen en bedoeld om de toe- of aanvoer van munitie in automatische wapens mogelijk te maken. Het bevat geen eigen aanbreng- of toevoermechanisme, maar beïnvloedt het functioneren van het wapen wel degelijk. Patroonhouder: Met ‘patroonhouder’ wordt gedoeld op een voorwerp (bijvoorbeeld de Garand clip) bedoeld om meerdere patronen te bundelen teneinde het vervoer en/of het laden te vergemakkelijken en waarbij het invloed uitoefent op het functioneren van het wapen doordat het in het wapen wordt gebracht en daar ook de functie van patroon ‘houder’ vervult. Een patroonhouder bevat slechts patronen en is in tegenstelling tot een patroonmagazijn niet voorzien van enig aanbreng- of toevoermechanisme. Laadstrip: Met ‘laadstrip’ wordt gedoeld op een voorwerp bedoeld om meerdere patronen te bundelen met als enig doel om het vervoer en/of het laden te vergemakkelijken, terwijl het geen invloed heeft op het technisch functioneren van het wapen. Het heeft nadat het wapen is geladen geen enkel nut meer. 1.2.4 Onderdelen van munitie Artikel 3, tweede lid, van de WWM stelt dat de bepalingen betreffende munitie mede van toepassing zijn op onderdelen van munitie, voor zover die geschikt zijn om daarvan munitie te maken. Voor wat betreft munitie voor geweren, pistolen en revolvers worden daarvoor geschikt geacht: kogels, hulzen en slaghoedjes voor gebruik in hulzen. Percussiekapjes maken geen deel uit van een patroon of van een ander voorwerp dat bestemd of geschikt is om een projectiel door middel van een vuurwapen af te schieten en worden dan ook niet aangemerkt als onderdelen van munitie. Percussiekapjes mogen dan ook vrij voorhanden worden gehouden. Los kruit is geen onderdeel van munitie en het voorhanden hebben van los zwart buskruit of rookzwak buskruit valt dan ook niet onder de werking van de WWM. 1.2.5 Beperkingen bevoegdheid munitie De bevoegdheid om munitie voorhanden te mogen hebben, vindt zijn grondslag in artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de WWM, alwaar is bepaald dat het voorhanden hebben uitsluitend is toegestaan voor houders van een verlof of jachtakte, voor zover dat verlof of jachtakte reikt. Voor wat betreft hulzen dient nog opgemerkt te worden dat op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de RWM het doen binnenkomen of uitgaan, vervoeren, voorhanden hebben en overdragen van kennelijk gebruikte lege patroon- en kardoeshulzen bestemd voor dan wel deel uitmakend van een verzameling, is vrijgesteld. 1.2.6 Samenhang tussen Wwm en Wecg Artikel 17, aanhef en onder a, van de Rwm stelt verlofhouders en jachtaktehouders die munitie (met los kruit) herladen voor eigen gebruik, vrij van de verplichting om een erkenning als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wwm aan te vragen. Op het bezit van los zwart buskruit of rookzwak buskruit is de Wet explosieven civiel gebruik (Wecg) van toepassing. In artikel 17 van de Wecg staat dat het verboden is om zonder erkenning explosieven – i.c. los kruit – te vervaardigen, op te slaan, te gebruiken, over te brengen of te verhandelen. Houders van een verlof tot het voorhanden hebben van (wapens
- en)munitie of jachtaktehouders die vallen onder de vrijstelling van artikel 17 van de Rwm dienen er derhalve rekening mee te houden dat krachtens de Wet explosieven civiel gebruik (Wecg) los kruit niet zonder erkenning in de zin van de Wecg voorhanden mag worden gehouden. 1.3 Verboden, vrijstellingen en uitzonderingen 1.3.1 Verboden In de wapenwetgeving zijn de diverse vormen van omgang met wapens en munitie in beginsel verboden. Zie bijvoorbeeld de artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste en vijfde lid, 27, eerste lid, en 31, eerste en vierde lid, WWM. De verboden hebben betrekking op de specifiek in de betreffende artikelen genoemde categorieën van wapens en munitie. De volgende soorten handelingen kunnen worden onderscheiden: • Het dragen, dat wil zeggen: het onverpakt bij zich hebben van een wapen op de openbare weg of ander voor het publiek toegankelijke plaatsen. Onder dragen wordt niet alleen het aan/op het lichaam dragen van een wapen bedoeld (bijvoorbeeld door middel van een holster), maar ook het onmiddellijk binnen bereik hebben van een wapen. Als bijvoorbeeld de bestuurder van een auto een wapen onverpakt in zijn afgesloten achterbak meevoert dan valt dit ook onder de definitie van ‘dragen’3Zie het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 1998, NJ 1998,678; • Het voorhanden hebben, dat wil zeggen: op een bepaalde (privé)plaats over de wapens kunnen beschikken. Als bijvoorbeeld een vergunninghouder thuis een wapen in een kluis bewaart en hij zich vijftig kilometer van zijn huis bevindt, dan heeft hij dat wapen nog steeds voorhanden. Hij kan immers wanneer hij maar wil teruggaan naar zijn huis om het te pakken. Voorhanden hebben betekent dus niet dat men een wapen letterlijk binnen handbereik moet hebben; • Het overdragen, dat wil zeggen: het aan een ander doen overgaan van de feitelijke macht. Hieronder valt zowel het doen toekomen (laten bezorgen) als het feitelijk ter hand stellen daarvan. Ook het tijdelijk afstaan van een wapen is volgens de memorie van toelichting overdragen in de zin van artikel 1 van de WWM. Niet elk tijdelijk afstaan wordt echter aangemerkt als ‘overdragen’. Zo zijn er in de regeling c.q. deze circulaire een aantal uitzonderingen opgenomen voor het schieten met (verenigings)vuurwapens en het schieten binnen het kader van de schietsportcentra. Zolang dit schieten gebeurt onder het directe toezicht van een daartoe bevoegd persoon is er geen sprake van ‘overdragen’ in de zin van de WWM; • Het vervoeren, dat wil zeggen: het deugdelijk verpakt (bijvoorbeeld in een foedraal, tas of koffer) transporteren van wapens en munitie; • Het doen binnenkomen en uitgaan, dat wil zeggen: het binnen het grondgebied van Nederland komen, respectievelijk het verlaten van het grondgebied van Nederland; • Het doorvoeren, dat wil zeggen: binnenkomen gevolgd door uitgaan; • Het vervaardigen, het transformeren, of in de uitoefening van een bedrijf uitwisselen of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens. Opgemerkt wordt dat sprake is van transformeren van vuurwapens indien een handeling wordt uitgevoerd zoals beschreven in bijlage II van de RWM of voor zover de werking of de uitwerking van het wapen of de munitie wordt gewijzigd of de omvang van de onderdelen van wezenlijke aard worden gewijzigd. Daarbij kan het om zowel machinale als niet-machinale bewerking gaan. Het wisselen van onderdelen of het aanbrengen van optische hulpmiddelen valt niet onder het begrip transformeren. 1.3.2 Vrijstellingen Van sommige van de genoemde verboden handelingen is door de Minister van Veiligheid en Justitie vrijstelling verleend. Een vrijstelling is een algemene uitzondering op een wettelijk verbod. Een vrijstelling hoeft niet te worden aangevraagd (in tegenstelling tot een vergunning; zie onderdeel A 1.4) en geldt voor bepaalde groepen van personen of wapens en munitie. Deze vrijstellingen zijn te vinden in de paragrafen 9 tot en met 15 en 17 van de RWM. Een vrijstelling kan alleen worden verleend indien de WWM daarvoor een wettelijke basis biedt. In de vrijstellingsbepalingen is omschreven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een bepaald verbod niet geldt. Voorbeelden van vrijstellingen zijn: • vrijstelling erkenningsplicht (artikel 14 e.v. RWM); • vrijstelling airsoft apparaten voor gebruik in sportverenigingsverband (artikel 17a tot en met g RWM); • vrijstelling voor wapens die het karakter dragen van oudheden (artikel 18 RWM); • vrijstelling voor stroomstootwapens en noodsignaalmiddelen (artikel 21 e.v. RWM); • vrijstelling voor wapens van categorie IV (artikel 26 e.v. RWM); • vrijstelling voor ceremoniële wapens, optochten en studentenweerbaarheidsverenigingen (artikel 30 e.v. RWM); • Vrijstelling voor schepen en luchtvaartuigen (artikel 33 e.v. RWM); • Vrijstellingen voor sportschutters en jagers voor buitenlandse activiteiten (artikel 39 e.v. RWM); • Vrijstellingen voor vervoer (artikel 44 e.v. RWM). 1.3.3 Uitzonderingen In de wet zijn uitzonderingen opgenomen met betrekking tot een aantal van de genoemde verboden handelingen. Sommige uitzonderingen betreffen (nagenoeg) alle verboden handelingen, andere hebben slechts betrekking op een enkele nader aangegeven handeling. In het artikel van de WWM waarin de uitzondering is opgenomen, is bepaald op welke verboden handeling de uitzondering betrekking heeft. Genoemd worden: • Uitzondering op het verbod wapens of munitie van de categorie III voorhanden te hebben voor personen die houder zijn van een verlof of een jachtakte (artikel 26, tweede lid WWM); • Uitzondering op het verbod een wapen van categorie III te dragen voor personen die houder zijn van een daartoe strekkend verlof of een jachtakte (artikel 27, tweede lid, WWM); • Uitzondering op het verbod een wapen of munitie van categorieën II en III over te dragen voor personen die gerechtigd zijn het wapen of de munitie voorhanden te hebben (artikel 31, tweede lid, WWM). Een belangrijke uitzondering heeft de wetgever daarnaast gemaakt voor de krijgsmacht, de politie, de buitengewone opsporingsambtenaren en de ‘overige openbare dienst’. Deze uitzonderingen zijn neergelegd in artikel 3a van de WWM, en worden hieronder nader toegelicht in onderdeel A 1.3.4. 1.3.4 Overheidsfunctionarissen In artikel 3a van de WWM is bepaald welke verbodsbepalingen uit de WWM niet van toepassing zijn op de krijgsmacht, de politie, de buitengewoon opsporingsambtenaren en ander openbare diensten. In alle gevallen geldt dat de uitzonderingsbepaling alleen van toepassing is voor zover de desbetreffende Minister(
- s)dit bij regeling heeft/hebben bepaald. Op grond van het vierde lid van artikel 3a van de WWM kan in een dergelijke regeling worden bepaald dat de uitzonderingsbepaling ook van toepassing is op niet-Nederlandse krijgsmacht, politie of openbare dienst. In de hieronder volgende onderdelen zal per groep een korte toelichting worden gegeven. 1.3.4.1 Krijgsmacht Krachtens artikel 3a, eerste lid, van de WWM zijn de artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26 eerste lid, en 27 eerste lid, niet van toepassing op de krijgsmacht. Zij zijn evenmin van toepassing op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover Onze Minister van Defensie dit bij regeling heeft bepaald. In de ‘Regeling wapens en munitie krijgsmacht personeel’ (Stcrt. 1996, 250) heeft de Minister van Defensie deze uitzonderingsbepaling nader uitgewerkt. Naast Nederlands en niet-Nederlands krijgsmacht personeel in werkelijke dienst ziet deze regeling ook toe op burgerambtenaren in dienst van de Minister van Defensie die belast zijn met de uitoefening van een beveiligings- of bewakingstaak, werkzaam zijn bij een materieel beproevings- of onderhoudsafdeling dan wel werkzaam zijn bij een schietinrichting of vervoersdienst van wapens en munitie. Ook civiele contractspartijen, voor zover deze door de Minister van Defensie zijn belast met het vervoer van wapens en munitie, vallen onder de werking van deze regeling. Zo mogen transportbedrijven wapens en munitie van de categorie II en III vervoeren, voorhanden hebben, doen binnenkomen of uitgaan voor zover de opdracht daartoe, door de Minister van Defensie, blijkt uit door hen mee te voeren documenten. 1.3.4.2 Politie Krachtens artikel 3a, tweede lid, van de WWM zijn de artikelen 9, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26 eerste lid, en 27 eerste lid, niet van toepassing op de politie. Deze artikelen zijn evenmin van toepassing op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dit bij regeling hebben bepaald. Het Besluit bewapening en uitrusting politie werkt deze uitzonderingsbepaling uit en geeft de politie uitsluitend de bevoegdheid tot het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie die zijn opgenomen in de officiële bewapening van de politie. Het voorhanden hebben van niet in het besluit genoemde wapens – bijvoorbeeld ten behoeve van onderwijs en instructiedoeleinden – is op grond van deze regeling niet toegestaan. Wel bestaat de mogelijkheid om (voor individuele gevallen), op grond van de artikelen 4 en 13 van de WWM, een ontheffing aan te vragen bij de Minister van Veiligheid en Justitie. Tevens kan de Minister van Veiligheid en Justitie besluiten om hiervoor een vrijstelling te verlenen. 1.3.4.3 Buitengewoon opsporingsambtenaren Krachtens artikel 3a, derde lid, WWM, zijn de verboden van de artikelen 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 27, eerste lid, niet van toepassing op de overige openbare dienst en personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, daaronder begrepen buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover de Minister van Veiligheid en Justitie dit bij regeling heeft bepaald. In de artikelen 4 en 5 van de RWM heeft de Minister van Veiligheid en Justitie het bepaalde in artikel 22, eerste lid, 26, eerste lid en 27, eerste lid WWM, niet van toepassing verklaard op buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover hen door de Minister van Veiligheid en Justitie het voorschrift is gegeven om gedurende hun dienstuitoefening een wapen of munitie voorhanden te hebben. Het voorschrift is slechts van kracht gedurende de periode dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) beschikt over een titel van opsporingsbevoegdheid (al dan niet voor het gehele land). De Minister van Veiligheid en Justitie kan aan een voorschrift voorwaarden en beperkingen verbinden met betrekking tot de veiligheid, de opslag, de bekwaamheid in de omgang met wapens en munitie en het vervoer van wapens of munitie (zie artikel 5, tweede lid, RWM). Voor wat betreft de bewapening van de buitengewoon opsporingsambtenaar is er aansluiting gezocht bij de bewapening van de politie. De bewapening kan echter ook bestaan uit andere wapens voor zover de Minister van Veiligheid en Justitie dit noodzakelijk acht voor een goede en verantwoorde uitoefening van de aan de boa opgedragen taak. Vuurwapens en munitie van buitengewoon opsporingsambtenaren worden aangeschaft en afgevoerd via het Politie Dienstencentrum nationale politie(PDC). Meer informatie (waaronder de relevante wet- en regelgeving) over buitengewoon opsporingsambtenaren kunt u vinden op de website van het Ministerie van Veiligheid en Justitie: http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/venj 1.3.4.4 Overige overheidsfunctionarissen Krachtens artikel 3a, derde lid, van de WWM zijn de artikelen 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 27, eerste lid, WWM, niet van toepassing op de overige openbare dienst en op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover de Minister van Veiligheid en Justitie dit bij regeling heeft bepaald. Een dergelijke regeling wordt door de Minister van Veiligheid en Justitie slechts vastgesteld, indien de noodzaak tot bewapening voor het desbetreffende onderdeel van de openbare dienst of voor de desbetreffende groep personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, aannemelijk is gemaakt en hun bekwaamheid in de omgang met wapens is gebleken. Bij de beoordeling van de noodzaak gelden de criteria zoals die hiervoor zijn gegeven voor de buitengewoon opsporingsambtenaren. In artikel 7 RWM wordt vrijstelling verleend van het verbod van artikel 14, eerste lid, 22, eerste lid en artikel 26, eerste lid WWM, aan personen die werkzaam zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut of de afdeling Logistiek van het PDC van de nationale politie, voor zover het doen binnenkomen of uitgaan, het vervoeren of het voorhanden hebben geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening. Overheidsfunctionarissen die op basis van de RWM niet in aanmerking komen voor de uitrusting met een wapen, ten aanzien waarvan de noodzaak daartoe vaststaat, hebben een redelijk belang bij het voorhanden hebben en kunnen zich tot de korpschef wenden met het verzoek om een verlof op grond van artikel 28 WWM. Gedacht kan worden aan leden van het Openbaar Ministerie of de zittende magistratuur die te maken hebben met een serieuze en concrete bedreiging van hun veiligheid, terwijl niet op andere wijze in hun veiligheid kan worden voorzien. Verlening van een verlof op deze grondslag is zo mogelijk van tijdelijke aard. Overleg met het ministerie is voorgeschreven. 1.4 Vergunningen 1.4.1 Algemeen Naast de algemene vrijstellingen, genoemd in onderdeel A 1.3.2, kunnen er op grond van de WWM individuele vergunningen worden verleend voor het verrichten van specifieke verboden handelingen met wapens en/of munitie. Dergelijke vergunningen moeten worden aangevraagd bij de Minister van Veiligheid en Justitie, de korpschef of de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU). Korpschef van de nationale politie. De korpschef van de nationale politie is ingevolge de Wet wapens en munitie bevoegd tot het nemen van beslissingen op aanvragen van verloven, het wijzigen hiervan of het intrekken hiervan. De korpschef is hiermee formeel het bestuursorgaan dat beslissingen ter zake kan nemen. In het mandaatbesluit politie, heeft de korpschef de uitoefening van deze taken gemandateerd aan de politiechefs van de regionale eenheden. Krachtens dat mandaat dienen aanvragers zich te wenden tot de politiechef van de eenheid waarbinnen hun woon- of verblijfplaats is gelegen. In de Circulaire zal voor de uitvoering van bepaalde taken dan ook verwezen worden naar de politiechef van de regionale eenheid. Soorten vergunningen • Een ontheffing is een individuele uitzondering op een wettelijk verbod. De Minister van Veiligheid en Justitie kan voor wapens of munitie, behorend tot een van de in artikel 4 WWM genoemde groepen van wapens en munitie dan wel voor één van de in artikel 13, tweede lid, WWM genoemde situaties, op daartoe strekkend verzoek, ontheffing verlenen van bij of krachtens de WWM vastgestelde voorschriften of verboden. Deze ontheffingsmogelijkheid wordt door de Minister van Veiligheid en Justitie terughoudend toegepast. • Een verlof is een vergunning voor een bepaalde handeling. Een verlof moet worden aangevraagd bij de regionale eenheid van politie van de woon- of verblijfplaats van de aanvrager. Een verlof is geldig voor een periode van maximaal één jaar. Deze termijn kan worden verlengd, indien aan de vereisten voor de verlening daarvan wordt voldaan. • Een erkenning is een vergunning voor het bedrijfsmatig hanteren van wapens (verkoop, verhuur, reparatie, enz.). Een erkenning moet worden aangevraagd bij de regionale eenheid van politie in de plaats waar de aanvrager is gevestigd. Een erkenning is geldig voor maximaal vijf jaar en kan telkens met vijf jaar worden verlengd. • Een consent is een vergunning tot invoer, uitvoer of doorvoer. Een consent moet worden aangevraagd bij de CDIU en wordt ook afgegeven door de CDIU. Een consent is geldig voor eenmalige invoer of uitvoer en als het gaat om doorvoer, dan is het consent geldig voor zowel de in- als de uitvoer. Verlenen, weigeren en intrekken van vergunningen Wanneer de aanvraag van een vergunning in behandeling is genomen zal moeten worden beoordeeld of het gevraagde document kan worden verleend. De WWM kent een aantal algemene weigeringsgronden in artikel 7, eerste lid, WWM. Is voldaan aan één van deze gronden dan moet de vergunning worden geweigerd. Er is dus geen beleidsvrijheid voor het behandelend bestuursorgaan. Daarnaast kent de WWM de bijzondere weigeringsgronden die alleen gelden voor een bepaalde vergunning. Deze zijn niet opgenomen in één artikel maar zijn verspreid in de tekst van de WWM, afhankelijk van het soort vergunning, in verschillende artikelen te vinden. Vergunningen kunnen onder beperkingen en nadere voorschriften worden verleend. Dit is geregeld in artikel 6 van de WWM. Eenmaal verleende vergunningen kunnen worden ingetrokken. Intrekking geschiedt door het bestuursorgaan dat de vergunning heeft verleend of door de Minister van Veiligheid en Justitie. De WWM kent zowel algemene intrekkingsgronden die van toepassing zijn op alle soorten vergunningen, als bijzondere intrekkingsgronden die alleen van toepassing zijn op erkenningen. De algemene intrekkingsgronden, neergelegd in artikel 7, tweede lid, WWM, zijn facultatief. Dat wil zeggen dat er beleidsvrijheid bestaat ter zake van de te nemen beslissing. Dit geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid de reeds verstrekte vergunning niet in te trekken maar te wijzigen. Dit kan op dezelfde gronden – genoemd in artikel 7, tweede lid – die voor intrekking gelden. De bijzondere intrekkingsgronden voor erkenningen, neergelegd in artikel 12 WWM, zijn eveneens facultatief. Indien een verlof is ingetrokken dient het verlofdocument te worden ingeleverd bij de korpschef. Documenten In bijlage III bij de RWM zijn de bij die regeling vastgestelde modellen van erkenningen, verloven en consenten opgenomen. De ontheffing valt daar niet onder. Naast de modellen met voorgedrukte tekst, is er een blanco model WM 26, bruikbaar voor alle soorten verloven en geschikt voor geautomatiseerde verwerking. Het model WM 26 dient alle – voor het toepasselijke verlof geldende beperkingen en voorschriften alsmede de voor dat verlof geldende (overige) standaard teksten – te bevatten. Het model WM 27 dient als bijlage bij model WM 26 te worden gebruikt indien de ruimte op het model WM 26 ontoereikend is voor de vermelding van het aantal vuurwapens of de munitie waarop het verlof betrekking heeft. Aangezien op een groot aantal plaatsen in de WWM staat aangegeven dat een aanvrager van een van de hiervoor genoemde documenten de door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde gegevens moet overleggen, zijn er tevens modellen vastgesteld voor de aanvraagformulieren. In deze formulieren zijn de vragen opgenomen die leiden tot de verstrekking van de vereiste gegevens. Teneinde te bereiken dat er niet alleen ten aanzien van de inhoud maar ook ten aanzien van de uitvoering eenvormigheid ontstaat, wordt hierbij de aanwijzing gegeven dat de documenten op grond waarvan een bevoegdheid ontstaat (erkenningen en verloven) dienen te worden besteld bij de: SDU Klantenservice Postbus 20014 2500 EA Den Haag Telefoon:
(070)378 98 80 Fax:
(070)378 97 83 Internet: www.sdu.nl E-mail: sdu@sdu.nl (de bestelnummers staan op het model vermeld). De aanvraagformulieren kunnen eveneens bij de SDU worden besteld, maar mogen ook, mits zij voldoen aan het voorgeschreven model, worden besteld bij andere uitgeverijen of in eigen beheer worden vervaardigd. Bij de aanvraag van de verschillende documenten is de aanvrager een vergoeding verschuldigd. De bedragen van deze vergoedingen zijn vastgesteld in artikel 50 van de RWM. 1.4.2 Ontheffingen Een ontheffing is een individuele uitzondering op het wettelijke verbod om (onderdelen van) wapens of munitie te bezitten, en wordt toegekend aan personen die voldoen aan de in de WWM gestelde, en in deze circulaire uitgewerkte voorwaarden. In principe gaat het hierbij om categorie I en II wapens of categorie II munitie, maar in bepaalde uitzonderlijke gevallen kan ook voor categorie III en IV wapens of categorie III munitie ontheffing worden verleend. Een ontheffing moet worden aangevraagd bij de Minister van Veiligheid en Justitie. De Minister kan een ontheffing verlenen op grond van artikel 4 van de WWM, bijvoorbeeld ten behoeve van re-enactment (het nabootsen van historische veldslagen), voor wapens die deel uitmaken van zogenaamd historisch rollend materieel (bijvoorbeeld legervoertuigen die deelnemen aan militaire parades, herdenkingen en optochten) en voor wapens ten behoeve van musea. Voor categorie I wapens bevat artikel 13, tweede lid, van de WWM een aantal specifieke ontheffingsgronden. Hierbij gaat het om gebruik van wapens door de krijgsmacht, onderwijs ten behoeve van de politie en de overige openbare dienst en de doorvoer van wapens. 1.4.2.1 Verlening en verlenging Voor het aanvragen van een ontheffing bestaat een speciaal formulier: ‘Verzoek om ontheffing ex artikel 4 van de Wet wapens en munitie’. Dit formulier is te downloaden van de website van het Ministerie van Veiligheid en Justitie of aan te vragen bij het werkproces Wet wapens en munitie van de Dienst Justis, waar de aanvraag overigens ook ingediend moet worden. Daarnaast dient de aanvrager van een ontheffing het inlichtingenformulier dat als bijlage C4 (of bij een verlenging in bijlage C5) is opgenomen, in te vullen. Ook een verlenging, uitbreiding of wijziging van een ontheffing dient schriftelijk aangevraagd te worden en wordt behandeld als een (nieuwe) aanvraag. Nadat het aanvraagformulier met alle bijlagen (in tweevoud) is ontvangen, wordt een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister opgevraagd. Daarna wordt de korpschef van de nationale politie om inlichtingen en advies gevraagd. Voor dit advies bestaat een formulier: ‘Advies van de korpschef inzake een verzoek om een ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie’. Dit formulier is als Word document aan alle regio's gestuurd, maar het is ook te downloaden van de website van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Na ontvangst van het advies van de korpschef vindt de beoordeling van het verzoek plaats. De aanvraag wordt in principe binnen een termijn van dertien weken afgehandeld. Indien nodig kan deze termijn met zes weken worden verlengd. Zoals dat ook geldt bij de aanvraag van een verlof dient de aanvrager van een ontheffing een ‘redelijk belang’ te hebben en mag er ten aanzien van de aanvrager geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan. Enkele voorbeelden van bezigheden waarvoor ontheffingen kunnen worden verleend zijn: Het houden van een verzameling vuurwapens of munitie van categorie II, het werken als gerechtelijk deskundige op een relevant vakgebied, het deelnemen aan re-enactment uitvoeringen, het completeren van historisch materieel, het beoefenen van de schietsportdiscipline 'miniatuur kanon' of het geven van saluutschoten met een kanon bij ceremoniële gelegenheden en herdenkingstochten. Wanneer de aanvrager aan alle eisen voldoet en de onkostenvergoeding voor de behandeling van de aanvraag is betaald, wordt een ontheffing verleend, die vervolgens door tussenkomst van de korpschef wordt uitgereikt. De korpschef registreert deze ontheffingen. Indien in de ontheffing als voorwaarde is opgenomen dat de ontheffing alleen geldig is in combinatie met een verlof, dan dient de korpschef aan de ontheffing houder een verlof te verstrekken waarop de individuele wapens dienen te worden vermeld. Deze voorwaarde wordt vaak gesteld vanwege het feit dat er op die manier beter toezicht mogelijk is op de ontheffing houder Een ontheffing is in principe maximaal vijf jaren geldig. 1.4.2.2 Weigering en intrekking Indien de aanvrager niet aan alle eisen voldoet (bijvoorbeeld géén redelijk belang heeft, of als er vrees voor misbruik bestaat) dan wordt de aanvrager meegedeeld dat de Minister voornemens is zijn aanvraag af te wijzen. De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid om zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. Pas hierna wordt een definitieve beslissing genomen op de aanvraag. Een reeds verleende ontheffing kan ook weer worden ingetrokken door de Minister wanneer daar aanleiding voor is. Dit gebeurt meestal op advies van de korpschef, bijvoorbeeld nadat er onregelmatigheden zijn geconstateerd. Indien het verlof van de betrokkene wordt ingetrokken door de korpschef dan zal de (bijbehorende) ontheffing ook worden ingetrokken door de Minister. Bij zowel een weigering als een intrekking van een ontheffing bestaat er de mogelijkheid om tegen die beslissing een bezwaarschrift in te dienen. Een dergelijk bezwaar wordt ingediend bij de instantie die het besluit heeft genomen, in dit geval de Minister van Veiligheid en Justitie. 1.4.3 Erkenningen Degene die wapens of munitie wil vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf wil uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen mag dat alleen wanneer hij over een erkenning beschikt. De belangrijkste bepalingen omtrent de verlening van erkenningen zijn te vinden in de artikelen 9 tot en met 12 van de WWM en de artikelen 8 tot en met 17 van de RWM. Naast de eisen van zedelijk gedrag, gesteld aan de aanvrager of, indien deze een bedrijf uitoefent, de beheerder in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWM, geldt ingevolge de artikelen 7 en 10, eerste lid, onder c, WWM dat er geen vrees voor misbruik mag bestaan, dan wel er geen aanwijzingen mogen zijn dat aan de aanvrager of de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd. Beide aspecten worden nader toegelicht en uitgewerkt in onderdeel B
- Voor een aantal specifieke gevallen is vrijstelling verleend van het verbod van artikel 9, eerste lid, van de WWM. In die gevallen behoeft derhalve niet over een erkenning te worden beschikt. Deze gevallen zijn omschreven in paragraaf 9 van de RWM. Daarnaast wordt in de artikelen 10, 11, tweede lid en 12, eerste en tiende lid, van de RWM, ook nog een aantal vrijstellingen gegeven van enkele specifieke eisen. Voor de erkenninghouder of beheerder die (slechts) handelt in lucht-, gas-, of veerdrukwapens van categorie IV, patroonmagazijnen als bedoeld in artikel 18, onder g, RWM, stroomstootwapens als bedoeld in artikel 21 van de RWM (de zogenaamde ‘vee prikkers’) of de in artikel 22 RWM vrijgestelde noodsignaalmiddelen met bijbehorende munitie, gelden tenslotte afwijkende registereisen. Wapens van categorie I Artikel 13, eerste lid, van de WWM, verbiedt het vervaardigen, transformeren, voor derden herstellen, overdragen, voorhanden hebben, dragen, vervoeren, doen binnenkomen of doen uitgaan van wapens van categorie I. De wet maakt, in artikel 3a, eerste lid, WWM, een uitzondering op dit verbod, namelijk voor de krijgsmacht en voor personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn. Die uitzonderingsbepaling ziet echter niet op derden – bijvoorbeeld wapenhandelaren – die de in artikel 13, eerste lid, genoemde handelingen verrichten met wapens van categorie I met het oog op gebruik door de krijgsmacht. Om aan deze behoefte tegemoet te kunnen komen wordt de Minister van Veiligheid en Justitie in het tweede lid van artikel 13 de mogelijkheid gegeven om, onverminderd het bepaalde in artikel 9 WWM, bij wijze van uitzondering ontheffing te verlenen van een of meer verboden genoemd in het eerste lid van artikel 13, met het oog op gebruik door de krijgsmacht. Zodoende kan – bijvoorbeeld – ontheffing worden verleend aan een wapenhandelaar om wapens van categorie I te doen binnenkomen teneinde deze over te dragen aan de krijgsmacht. Voorts wordt op basis van artikel 4, eerste lid, onder e, WWM een uitzondering voor airsoft apparaten gecreëerd, op het algemene verbod dat voor Categorie I wapens geldt. Zie in dit kader ook onderdeel B2.
- van deze Circulaire. Behoudens deze bijzondere situaties is het door derden verrichten van erkenning plichtige handelingen met betrekking tot wapens van categorie I niet toegestaan. Naast de – door de Minister van Veiligheid en Justitie te verlenen – ontheffing is ook een erkenning van de korpschef nodig. Wapens en munitie van categorie II Als regel zal de erkenning slechts gelden voor wapens en munitie van categorie III. De erkenning zal eerst tevens betrekking kunnen hebben op vuurwapens en munitie van categorie II, indien de aanvrager (erkenninghouder) gedurende een onafgebroken periode van drie jaar – zonder wanklank – heeft gehandeld in vuurwapens van categorie III. In de tweede plaats zal de aanvrager aan de hand van verifieerbaar schriftelijk bewijsmateriaal onomstotelijk aan moeten kunnen tonen dat hij beschikt over concrete en structurele afzetmogelijkheden van dergelijke wapens of munitie aan bevoegden zoals de overheid, verzamelaars, re-enacters, bezitters van historisch militair materieel en rekwisietenbedrijven. Tenslotte dient de bedrijfsruimte van de erkende in dat geval te voldoen aan de gekwalificeerde veiligheidseisen, opgenomen in bijlage IV bij de RWM. De Tweede Kamer heeft in het vergaderjaar 1996-1997 een motie (de motie Houda) aangenomen. Hierin wordt de regering verzocht een uitdrukkelijk verbod uit te vaardigen voor de productie van anti-personeel mijnen. Hoewel de Wet wapens en munitie niet de mogelijkheid biedt voor een uitdrukkelijk formeel verbod, biedt het wel de mogelijkheid tot een feitelijk verbod op de productie van anti-personeel mijnen, namelijk door uitdrukkelijk het vervaardigen van deze mijnen uit te sluiten van erkenningen ter zake van categorie II wapens. Aan de kamer is toegezegd dat alle nieuwe erkenningen voor de categorie II uitdrukkelijk de uitsluiting van het vervaardigen van anti-personeel mijnen zullen bevatten. Hierbij zijn voor de duidelijkheid inbegrepen de erkenningen die (thans) tot bepaalde wapens of explosieven zijn beperkt. Vervoer Ingevolge het bepaalde in het vierde lid van artikel 9 WWM, kan de korpschef, indien een redelijk belang dit vordert, bepalen dat de erkenning tevens inhoudt vergunning tot het vervoer van wapens en munitie. Er behoeft derhalve geen afzonderlijk document met het oog op het vervoer te worden verleend. De toestemming van de korpschef om wapens en munitie te vervoeren, kan op verzoek en indien een redelijk belang daartoe aanleiding geeft, worden opgenomen op het erkenningsdocument (model WM 16 in bijlage III bij de RWM). Bovendien wordt in artikel 46, eerste lid RWM, aan personen in dienst van houders van een erkenning, vrijstelling verleend van het verbod om wapens en munitie te vervoeren. 1.4.3.1 Verlening en verlenging Erkenningen worden verleend door de korpschef. De erkenningen hebben een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar. De geldigheidsduur van een erkenning kan telkens met ten hoogste vijf jaar worden verlengd. Erkenningen kunnen onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden (zie artikel 6 van de WWM). Voor de beperkingen en voorschriften, die aan een erkenning zullen worden verbonden, wordt verwezen naar het model van de erkenning, zoals opgenomen in bijlage III bij de RWM (model WM 16). De aanvraag voor verlening en verlenging van een erkenning dient te worden ingediend bij de korpschef. Ze moeten feitelijk worden aangevraagd bij de regionale eenheid van de nationale politie, waar het bedrijf – waar de activiteiten worden uitgeoefend – is gevestigd. Een verzoek tot verlenging kan mondeling worden gedaan onder gelijktijdige overlegging van de noodzakelijke documenten. Bij een aanvraag voor een nieuwe erkenning dient gebruik te worden gemaakt van het voorgeschreven aanvraagformulier. De korpschef verifieert de gegevens op het aanvraagformulier en onderzoekt (artikel 7, 10 en 12 WWM): • of er reden is om te vrezen dat van de erkenning dan wel van de wapens of de munitie misbruik zal worden gemaakt; • of de aanvrager of de beheerder het onder zich hebben van wapens en munitie kan worden toevertrouwd; • of de aanvrager of de beheerder voldoet aan de door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde eisen met betrekking tot leeftijd, zedelijk gedrag en vakbekwaamheid; • of de handelingen en de soorten en aantallen wapens en munitie, die op het aanvraagformulier zijn vermeld, naar het oordeel van de korpschef verenigbaar zijn met de activiteiten welke gewoonlijk in de vestiging (zullen) worden verricht; • of en op welke wijze wordt voldaan aan de in artikel 11 RWM gestelde veiligheidseisen; • of er (overige) feiten of omstandigheden zijn die op de beslissing omtrent de verlening, dan wel op de aan de erkenning te verbinden voorschriften of beperkingen, van invloed kunnen zijn; • of er sprake is van dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen die verlening in de weg staan. Het verdient daarbij aandacht dat de erkenning slechts betrekking heeft op het daarin genoemde onderdeel van de onderneming. Iedere vestiging dient te beschikken over een afzonderlijke beheerder. Derhalve is het niet mogelijk dat twee of meer erkenningen worden verleend op naam van dezelfde beheerder. Bij verlenging onderzoekt de korpschef tevens: • of de erkenninghouder de juiste gegevens heeft verstrekt; • of er aanwijzingen zijn dat aan de erkenninghouder of de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd; • of er sprake is van misbruik van de erkenning dan wel van wapens of munitie; • of nog altijd wordt voldaan aan de vereisten voor verlening; • of de aan de erkenning verbonden beperkingen of voorschriften in acht zijn genomen; • of de erkenninghouder het register heeft bijgehouden op de wijze als in artikel 12 RWM is voorgeschreven; • of de erkenninghouder, dan wel de beheerder bij verkrijging van wapens van categorie III van verlofhouders respectievelijk jachtaktehouders, consequent aan hen ontvangstbewijzen, zoals bedoeld in artikel 13 RWM (voor model zie bijlage III bij de RWM), heeft verstrekt; • of in de eerder bestaande situatie wijzigingen zijn opgetreden die van invloed kunnen zijn op de verlenging van de erkenning respectievelijk de daaraan verbonden voorschriften en/of beperkingen; • of de houder van een erkenning gedurende een periode van tenminste één jaar de handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet heeft verricht; • of er sprake is van dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen die verlenging in de weg staan. De regionale eenheden van de politie stellen elkaar onverwijld onderling in kennis van de verlening, verlenging, wijziging of intrekking van een erkenning. Deze kennisgeving geschiedt door het toezenden van een kopie van de verleende erkenning, respectievelijk het intrekkingsbesluit. Tegen beslissingen van de korpschef staat administratief beroep open bij de Minister van Veiligheid en Justitie (artikel 34 WWM). Van de verlenging van de geldigheidsduur van een erkenning wordt aantekening gemaakt in het eerder aan de betrokkene uitgereikte document. Zo nodig, bijvoorbeeld indien het document is beschadigd of onleesbaar is geworden, kan bij de verlenging van de geldigheidsduur ook een nieuw document worden uitgereikt. 1.4.3.2 Weigering en intrekking Een erkenning kan door de korpschef (zie artikel 7, tweede lid en artikel 12 WWM) of door de Minister van Veiligheid en Justitie (zie artikel 7, tweede lid, WWM) worden ingetrokken. Naast de algemene weigerings- en intrekkingsgronden van artikel 7 WWM zijn specifiek voor erkenningen in de artikelen 10 en 12 van de WWM respectievelijk de imperatieve (dwingende) weigeringsgronden en de facultatieve intrekkingsgronden opgesomd. Op grond van deze bepalingen kan een erkenning worden ingetrokken indien: • de erkende bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt; • er aanwijzingen zijn dat aan de erkenninghouder of de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd (zie hiervoor onder ‘vrees voor misbruik’); • er sprake is van misbruik van de erkenning dan wel van wapens of munitie; • niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor verlening; • een aan de erkenning verbonden beperking of voorschrift niet in acht is genomen; • er sprake is van dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen die aan verlenging in de weg staan; • de erkende het register niet heeft bijgehouden op de wijze als in artikel 12 RWM is voorgeschreven; • de houder van een erkenning gedurende een periode van tenminste één jaar de handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet heeft verricht. 1.4.3.3 Register De wijze waarop door de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder een register moet worden bijgehouden is beschreven in artikel 12 van de RWM. Het in dit artikel genoemde register kan zowel handmatig als langs geautomatiseerde weg worden bijgehouden. Waar in het achtste lid van dit artikel wordt gesproken over het maandelijks inzenden van een kopie van het register, zal dat bij een handmatig bijgehouden register kunnen bestaan uit een fotokopie en bij een geautomatiseerd register kan dit gebeuren middels het inzenden van (een uitdraai van) de desbetreffende registers. Er behoeft, tenzij de korpschef zulks nodig acht, geen kopie te worden ingezonden van de registratie betreffende in bewaring genomen of ter reparatie ingenomen wapens en munitie. Immers, de in bewaring genomen of ter reparatie ingenomen wapens en munitie komen doorgaans na kortere of langere tijd weer in handen van degene van wie de voorwerpen afkomstig zijn. Zo dit in bijzondere gevallen niet gebeurt, bij voorbeeld omdat de eigenaar na verloop van tijd tot verkoop aan de wapenhandelaar besluit, dan zal het wapen naar de inkomende registratie moeten worden overgeboekt. In het geval waarin de bewaargever evenwel het wapen vanuit de bewaring aan een andere wapenhandelaar of aan een particulier verkoopt, dan zullen in de laatste kolom van deze registratie alle gegevens betreffende de koper, inclusief diens bevoegdheid om voorhanden te hebben en om te verkrijgen, door de wapenhandelaar moeten worden vermeld. 1.4.3.4 Vervoer door of namens de erkenninghouder Indien de korpschef een bewijs van erkenning afgeeft of heeft afgegeven (zie model WM 16 in bijlage III bij de RWM), kan de korpschef, indien een redelijk belang daartoe aanleiding geeft, bepalen dat de erkenning tevens inhoudt een vergunning tot vervoer van wapens en munitie. Indien daartoe in bijzondere gevallen naar het oordeel van de korpschef aanleiding bestaat, kan de vergunning tot vervoer onder beperkingen worden verleend. Deze beperkingen dienen op het bewijs van erkenning te worden vermeld. Indien de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder zijn wapens zelf vervoert, heeft hij uiteraard de op het bewijs van erkenning vermelde vergunning tot vervoer bij zich. Indien hij echter, zoals regelmatig zal voorkomen, deze wapens wil doen vervoeren door anderen, bijvoorbeeld ondergeschikten of beroepsvervoerders, dan dienen ook zij door het overleggen van een (geleide-)document hun bevoegdheid om die wapens op dat moment voorhanden te mogen houden, te kunnen aantonen. Als (geleide-)document dient dan een verlof tot vervoer te worden gebruikt (zie hieromtrent de vrijstellingen in de artikelen 45 en 46 RWM en hetgeen onder B 3.3, c en d is vermeld). Door de erkende af te geven verloven tot vervoer Als (geleide-)document dient een verlof tot vervoer te worden gebruikt. Het zou echter ondoenlijk zijn indien de beheerder voor genoemde gevallen telkens een verlof tot vervoer zou moeten aanvragen bij de korpschef. Om die reden kan de korpschef aan een in het bewijs van erkenning genoemde beheerder, op wiens naleving van de wapen wettelijke voorschriften niets valt aan te merken, een aantal verloven tot vervoer verstrekken, waarop slechts de volgende gegevens zijn ingevuld: • het registratienummer; • de gegevens van de beheerder aan wie het document is afgegeven (deze kan een bedrijfsstempel gebruiken), alsmede diens handtekening; • de datum van afgifte en de handtekening en het stempel van de korpschef. De indiening van een schriftelijk aanvraagformulier is hiervoor niet nodig. De beheerder dient telkens wanneer hij een verlof uitschrijft, een kopie van het door hem ingevulde en afgegeven verlof te zenden aan de korpschef, die hierdoor kan controleren of alle door hem afgegeven (blanco) verloven op juiste wijze zijn gebruikt. Voor een nadere controle op het juiste gebruik kan zo nodig ook het register van de beheerder worden bekeken, waarin de uitschrijving van de wapens moet zijn vermeld. Formulieren Aanvraagformulier: in mondeling overleg met de korpschef (het overleg vindt feitelijk in de betrokken regionale eenheid plaats). Verlofdocument: model WM 12 in bijlage III bij de RWM. Doorlopend verlof tot vervoer ten behoeve van werknemers van erkenninghouders Indien sprake is van een werknemer in vaste dienst bij een erkenninghouder die regelmatig wapens vervoert ten behoeve van zijn werkgever, kan de politiechef, indien ten aanzien van de betrokken persoon geen vrees voor misbruik (zie B 1) bestaat, overgaan tot het afgeven van een doorlopend verlof tot vervoer. Het verlof wordt afgegeven aan de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder, terwijl onder ‘daadwerkelijk vervoer’ de gegevens van de werknemer worden vermeld. In plaats van een exacte omschrijving van de wapens, wordt op het document vermeld dat het geldig is ten aanzien van de wapens en/of munitie die behoren tot de handelsvoorraad van de persoon aan wie het verlof is afgegeven, terwijl tevens het tijdvak waarbinnen het verlof geldig is (maximaal een jaar), wordt vermeld. Tenslotte wordt het document in de rechterbovenhoek voorzien van de pasfoto van de persoon die als vervoerder optreedt, welke pasfoto door de politie wordt afgestempeld. Formulieren Aanvraagformulier: in mondeling overleg met de politiechef van de regionale eenheid (die namens de korpschef optreedt).4(zie 1.4.4.1, onder kopje beoordeling aanvraag, onder 1) Verlofdocument: model WM 12 in bijlage III bij de RWM. 1.4.4 Verloven Een verlof is een individuele uitzondering op het wettelijke verbod om wapens van (meestal) categorie III voorhanden te hebben, te vervoeren en/of te dragen. In artikel 28, tweede lid, van de WWM is bepaald dat een verlof wordt verleend indien: a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert; Ad. a. In de onderdelen B 2 t/m B 6 van deze Circulaire is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden er sprake is van een ‘redelijk belang’ als bedoeld in artikel 28 van de WWM. Daarnaast kan het voorkomen dat een verlof wordt gevraagd terwijl er geen sprake is van één van de genoemde gevallen. De beoordeling van dergelijke aanvragen is zo zeer afhankelijk van de omstandigheden van het geval dat hiervoor geen algemene regels zijn te geven. Deze aanvragen staan ter beoordeling van de korpschef die – met name als de aanvraag betrekking heeft op vuurwapens – ter zake een restrictief beleid zal moeten voeren. Zo nodig kan met het Ministerie van Veiligheid en Justitie overlegd worden. Ad. b. De verlening van een verlof dient te worden geweigerd indien de aanvrager een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. In de WWM wordt een dergelijke situatie meestal aangeduid met de termen ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet (langer) kunnen toevertrouwen van wapens of munitie’. In onderdeel B 1 van deze Circulaire worden deze begrippen nader uitgewerkt. Ad. c. De aanvrager van een verlof dient tenminste 18 jaar te zijn. Van de minimumleeftijdsgrens kan door de korpschef slechts worden afgeweken ten aanzien van serieuze, veelbelovende wedstrijdschutters. Dat sprake is van een serieuze, veelbelovende wedstrijdschutter dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie (KNSA). 1.4.4.1 Verlening en verlenging In artikel 28, eerste lid, van de WWM is bepaald dat een verlof – uitsluitend voor wapens en munitie behorende tot categorie III – wordt verleend door de korpschef. De korpschef kan dus nooit een verlof verlenen voor wapens van categorie I of II. Indien er bij de korpschef een aanvraag wordt ingediend voor het verkrijgen van een verlof voor een wapen van categorie I of II dan dient de korpschef deze aanvraag onverwijld door te sturen naar het Ministerie van Veiligheid en Justitie, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender5Zie artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de Minister van Veiligheid en Justitie overgaat tot de verlening van de gevraagde ontheffing dan wordt in veel gevallen in de ontheffing opgenomen dat de ontheffing slechts geldig is voor zover de wapens en/of munitie staan vermeld op een verlof tot het voorhanden hebben. Deze voorwaarde wordt vaak gesteld vanwege het feit, dat er op die manier beter toezicht mogelijk is op de ontheffing houder en het aantal wapens beter in de hand gehouden kan worden. Omdat de bevoegdheid tot het voorhanden hebben wordt ontleend aan de verleende ontheffing is geen sprake van strijdigheid met het bepaalde in het eerste lid van artikel 28 van de WWM. De bijschrijving van de ontheffing plichtige wapens op een verlof is een combinatie van documenten zoals bedoeld in artikel 40 van de WWM. Omwille van de duidelijkheid dient voor deze wapens op het verlof een verwijzing te worden opgenomen waaruit blijkt dat de bevoegdheid tot het voorhanden hebben wordt ontleend aan de bijbehorende ontheffing. Aanvraagformulieren Voor het aanvragen van een verlof wordt gebruik gemaakt van de daartoe bestemde formulieren zoals die zijn opgenomen in Bijlage III bij de RWM en het in deze circulaire onder C4 en C5 opgenomen inlichtingenformulier. Juridische status gebruikte formulieren Het invullen van het aanvraagformulier is verplicht op basis van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de WWM. Het niet (volledig) invullen van het aanvraagformulier leidt tot een afwijzing van de aanvraag op basis van ditzelfde artikel. Het inlichtingenformulier vindt zijn grondslag in art. 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aanvrager is, naast de documenten bedoeld in artikel 7 van de WWM, ook gehouden om, zover de documenten niet hierop zien, op grond van artikel 4:2 van de Awb de (aanvullende) gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn.6Kamerstukken II, vergaderjaar 1994–1995, 24 107, nr. 3, p. 11 Om de vraag of er sprake is van vrees voor misbruik op basis van de in deel B, onderdeel 1, van deze circulaire vastgelegde risicofactoren, landelijk te kunnen toetsen, dient het inlichtingenformulier te worden ingevuld7De verwachting is dat dit inlichtingenformulier zal worden vervangen door een onderzoek met behulp van de e-screener. De aanvrager is dan verplicht aan dit onderzoek mee te werken. Op grond van de uitkomsten van de e-screener test wordt een indicatie aan de korpschef gegeven over de psychische gesteldheid van de aanvrager.. Wanneer de aanvrager niet de gegevens verschaft die nodig zijn voor de beoordeling, maar waarover hij wel kan beschikken, kan de aanvraag worden afgewezen. Zie in dit kader artikel 7, eerste lid, van de Wwm juncto artikel 4:5, eerste lid, onderdeel c, van de Awb. Wanneer op enig moment blijkt dat een aanvrager het formulier onjuist heeft ingevuld, kan worden besloten tot een intrekking van het verlof of afwijzing van het verzoek op basis van twijfel omtrent de betrouwbaarheid. Beoordeling van de aanvraag Na ontvangst van het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier worden de volgende stappen doorlopen om te bepalen of de aanvrager in aanmerking komt voor de verlening van het gevraagde verlof:
- De aanvrager doet zijn aanvraag in persoon en legitimeert zich daarbij. Controleer de identiteit en leeftijd van de aanvrager;
- Controleer of de aanvrager daadwerkelijk woonachtig is en ingeschreven staat op het opgegeven adres;
- Controleer in het bijzijn van de aanvrager of het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier volledig zijn ingevuld en of de aanvraag compleet is. Indien dit niet het geval is dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag aan te vullen;8Zie in dit kader artikel 4:5, eerste lid, onderdeel c, van de Awb.
- Ga na of de aanvrager een redelijk belang heeft bij de verlening van een verlof (zie hiervoor de in onderdeel B 2 tot en met B 6 opgenomen criteria);
- Controleer of het voorhanden hebben van (vuur)wapens en/of munitie aan de aanvrager kan worden toevertrouwd (zie onderdeel B 1). Hiertoe dienen minimaal de volgende bronnen geraadpleegd te worden: • Justitieel Documentatieregister; • De interne politieregisters; • CIE – registers (voor zover mogelijk); • Open bronnen. De volgende bronnen kunnen worden geraadpleegd indien daartoe aanleiding bestaat (deze opsomming is niet limitatief): de wijkagent, de referenten, de aanvrager zelf in een nader gesprek.
- Bespreek met de aanvrager of de vragen op het inlichtingenformulier goed door de aanvrager konden worden ingevuld. Kondig aan dat, als daar aanleiding toe is, een vervolggesprek onderdeel kan uitmaken van de procedure en dat, los daarvan, referenten kunnen worden geraadpleegd;
- Controleer – middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden – of de aanvrager beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en/of munitie (zie B 8). Het verdient aanbeveling om deze controle – in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats – pas uit te voeren als vast staat dat het verlof kan worden verleend. Formulieren ten behoeve van de schietvereniging Krachtens artikel 43a van de Rwm zijn schietsportverengingen, die een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie hebben, verplicht om een wapenuitgifte-, een munitie-uitgifte en een introducé register bij te houden, overeenkomstig een door de Minister van Justitie vastgesteld model. De modellen heb ik in bijlage C6 tot en met C9 bij deze circulaire vastgesteld. De bij de KNSA aangesloten schietverenigingen of bij de KNTS aangesloten verenigingen mogen in plaats daarvan ook gebruik maken van de door de KNSA respectievelijk KNTS vastgestelde modellen. Verlenging van een verlof Voor de verlenging van een verlof hoeft geen aanvraagformulier te worden ingevuld tenzij ten aanzien van de persoon van de aanvrager of ten aanzien van zijn omstandigheden zodanige wijzigingen hebben plaatsgevonden dat het indienen van een nieuw aanvraagformulier onontbeerlijk is. De aanvraag van de verlenging van een verlof kan derhalve eventueel ook mondeling worden gedaan onder gelijktijdige overlegging van alle gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verlengingsaanvraag. Bij die beoordeling wordt bezien of de aanvrager nog steeds een redelijk belang heeft bij de verlening van een verlof en of er ten aanzien van de aanvrager geen sprake is van een situatie van ‘vrees voor misbruik’. Daartoe is het invullen van het inlichtingenformulier verlenging, in deze circulaire opgenomen onder C5, wel noodzakelijk. Overeenkomstige toepassing beoordeling jachtaktes Op basis van het bepaalde in paragraaf 1.2 van het Bijzonder deel (B) van de circulaire, onder ‘relatie met Flora- en fauna wet’, vindt de beoordeling van het vrees voor misbruik-criterium ten behoeve van de verstrekking en verlenging van jachtaktes ook plaats conform het hierboven omschreven beoordelingsproces. Verstrekking jachtaktes aan in het buitenland woonachtige aanvragers Ten aanzien van jachtaktehouders met een woonplaats buiten Nederland, gelden de volgende afwijkende voorwaarden. Punt
- van het hierboven uiteengezette aanvraagproces geldt niet. Voor zover het betreft de aanvraag van een akte op basis van art. 45 van de Flora en Faunawet, geldt eveneens het bepaalde onder 1, 2 en 3 niet. Bij punt 6 geldt als ‘aanvrager’ de Nederlandse aktehouder die de buitenlander uitnodigt. Voor zover het de aanvraag van een akte op basis van art. 38 van de Flora- en Faunawet betreft, geschied het aanvragen van de akte bij de politiechef van de regionale eenheid Den Haag. Deze behandelt de aanvraag namens de korpschef. De korpschef kan tevens het bepaalde onder 1, 2, 3 en 6 achterwegen laten, indien hij ook zonder het doorlopen van deze stappen het vrees voor misbruikcriterium op andere wijze afdoende kan toetsen. Zo kan het verifiëren dat de aanvrager in het land waarin hij woonachtig is op betrouwbaarheid is getoetst aanleiding zijn genoemde stappen in de procedure achterwege te laten. Ook kan de korpschef bepalen dat de uitvoering van deze stappen in de procedure door politiechefs van andere regionale eenheden kan geschieden. 1.4.4.2 Verlof tot voorhanden hebben van wapens en munitie Voor alle van de in het bijzondere deel genoemde gevallen waarin mogelijk een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie kan worden verleend, is bepaald welk aanvraagformulier dient te worden gebruikt en welk verlofdocument dient te worden uitgereikt. Dit is aangegeven bij de desbetreffende paragraaf. In bepaalde gevallen is voor de feitelijke verkrijging van een wapen, waarvoor een verlof tot het voorhanden hebben is verleend, een verlof tot verkrijging noodzakelijk (zie onderdeel A 1.4.4.5). Een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie kan onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden. Indien gebruik wordt gemaakt van de modellen WM 26 en WM 27 van de bijlage III van de RWM bevat het verlof de standaardtekst, beperkingen en voorschriften daaronder begrepen, zoals vermeld op het toepasselijke model van bedoelde bijlage en wordt die tekst aangevuld met de conform de inhoud van deze circulaire te vermelden beperkingen en voorschriften. Indien de bijzondere omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven kan de korpschef gemotiveerd extra beperkingen of voorschriften aan het verlof verbinden. Op bepaalde modellen van het verlof tot het voorhanden hebben zijn ruimtes opengelaten waaruit, indien deze zijn afgestempeld en geparafeerd door de korpschef, blijkt dat tevens een verlof tot voorhanden hebben van de bijbehorende munitie is verleend of dat een (doorlopend) verlof tot vervoer is verleend. Voor zover nodig is steeds vermeld in welke gevallen deze verloven in de regel kunnen worden verleend. 1.4.4.3 Verlof tot dragen van wapens en munitie Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WWM is het verboden om een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat dit verbod niet van toepassing is op personen die: a. houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 29, voor zover dit verlof reikt; of 1.4.4.4 Verlof tot vervoer van wapens en munitie De belangrijkste bepalingen omtrent vergunningen tot vervoer en de verlening van verloven tot vervoer van wapens en munitie van de categorieën II en III zijn te vinden in de artikelen 22 en 24 WWM. Verloven tot vervoer worden verstrekt door de korpschef. Op grond van artikel 9, vierde lid, WWM, kan de korpschef bepalen dat de erkenning tevens een vergunning tot vervoer van wapens en munitie van de categorieën II en III inhoudt. Vergunningen en verloven tot vervoer kunnen onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden. Indien gebruik wordt gemaakt van de modellen WM 26 en WM 27 bevat het verlof tot vervoer de voorschriften en de overige tekst van het in bijlage III bij de RWM opgenomen model WM 12 (Verlof tot vervoer). De vergunning en het verlof tot vervoer moeten onder bepaalde omstandigheden worden gewijzigd of ingetrokken door de Minister van Veiligheid en Justitie of het orgaan dat de vergunning of verlof heeft verleend (zie artikel 7, tweede lid, WWM). De Minister van Veiligheid en Justitie heeft voor een aantal gevallen vrijstellingen van het verbod om een wapen of munitie te vervoeren verleend. Deze gevallen zijn omschreven in de paragrafen 5, 10, en 17 en de artikelen 4, 21, 22, 24, 39, 40 en 41, tweede lid, van de RWM. De personen die in opdracht van de houder van de vergunning of het verlof tot vervoer zijn belast met het feitelijk transport van de wapens of munitie, worden altijd in de vergunning of het verlof vermeld. Zie ook de vrijstellingen op dit punt in de artikelen 45 en 46 van de RWM. Personen die bevoegd zijn vuurwapens en munitie te dragen, is het ook toegestaan die wapens en munitie te vervoeren. Bevoegd tot het dragen van vuurwapens en munitie zijn onder meer personen die een jachtakte als bedoeld in de Flora- en fauna wet bezitten, wat betreft de voor de jacht bestemde wapens en munitie van categorie III, die in de jachtakte zijn omschreven (artikel 27, tweede lid, aanhef en onder b, WWM). De wet beperkt deze bevoegdheid tot dragen tot het jachtveld, het terrein waar de jachtaktehouders tot de jacht dan wel beheer en schadebestrijding gerechtigd zijn. Voor het overige dienen de wapens te worden vervoerd in de zin van de WWM (derhalve zodanig verpakt dat ze niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend). Zie hieromtrent de vrijstelling in artikel 44 RWM. Incidenteel verlof tot vervoer ten behoeve van particulieren De aanvrager dient zelf bevoegd te zijn om het wapen waarop de aanvraag betrekking heeft, voorhanden te hebben. Ook de ontvanger moet uiteraard bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van dit wapen. Het kan echter voorkomen dat degene die daadwerkelijk het vervoer verricht, in beginsel die bevoegdheid niet bezit. Deze persoon of dit bedrijf (b.v. een vervoersbedrijf) verkrijgt de bevoegdheid om het wapen of de munitie te vervoeren via de vrijstellingen in artikel 45 en 46 RWM, respectievelijk door het aan de aanvrager verleende verlof tot vervoer bij zich te dragen. Dit verlof vermeldt de naam van de vervoerder (indien het een particulier betreft) of de naam van het bedrijf waarvoor hij werkzaam is (indien het beroepsvervoer betreft). Na afloop van het vervoer dient de vervoerder het verlof toe te zenden aan de politiechef van de regionale eenheid waar het verlof is afgegeven. Indien het verlof niet wordt gebruikt, dient de aanvrager het verlof terug te zenden aan de politiechef van de regionale eenheid (waar het verlof is afgegeven. Formulieren Aanvraagformulier: model WM 11 in bijlage III bij de RWM. Verlofdocument: model WM 12 in bijlage III bij de RWM. Doorlopend verlof tot vervoer gekoppeld aan het verlof tot voorhanden hebben Indien de korpschef een verlof tot het voorhanden hebben afgeeft, zal de betrokkene soms ook over een doorlopend verlof tot vervoer moeten beschikken. Dit doorlopend verlof tot vervoer kan worden verleend door op het verlof tot het voorhanden hebben de daartoe opengelaten ruimte af te stempelen en te paraferen. Zo nodig kunnen de op het vervoer betrekking hebbende beperkingen en voorschriften, die standaard op het document staan vermeld, worden aangepast aan de omstandigheden van het geval. 1.4.4.5 Verlof tot verkrijging van wapens en munitie De bepalingen betreffende de verlening van verloven tot verkrijging van wapens en munitie van categorie III zijn te vinden in de artikelen 31 en 32 WWM. Verloven tot verkrijging van wapens en munitie worden verstrekt door de korpschef en feitelijk aangevraagd, in overeenstemming met het mandaatbesluit politie, in de regionale eenheid waar de aanvrager zijn woon of verblijfplaats heeft. Een verlof tot verkrijging van een verenigingsvuurwapen wordt feitelijk aangevraagd in de regionale eenheid waar de aanvrager, te weten de schietvereniging, haar vaste accommodatie dan wel haar statutaire zetel heeft, ook al woont de feitelijke beheerder van de verenigingswapens elders. Heeft de aanvrager evenwel geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland dan wordt het verlof feitelijk aangevraagd in de regionale eenheid waar de aanvrager (tijdelijk) verblijft. Aan de aanvrager die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, maar die wel ingezetene is van één van de andere lidstaten van de Europese Unie, kan slechts een verlof tot verkrijging van wapens, ten aanzien waarvan het voorhanden hebben in de betrokken lidstaat aan een vergunning is onderworpen, worden verleend, wanneer aan de aanvrager een consent is verleend tot het doen uitgaan van de wapens (zie onderdeel A 1.4.5.1). Bij een overdracht van wapens en munitie met het oogmerk om deze onmiddellijk Nederland te doen uitgaan, zijn de artikelen 31 en 32 WWM niet van toepassing. Voor deze gevallen geldt de in artikel 20, tweede lid, WWM vermelde consentregeling. Verloven tot verkrijging kunnen onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden. Indien gebruik wordt gemaakt van het model WM25 bevat het verlof tot verkrijging de gegevens zoals vermeld op het in bijlage III bij de RWM opgenomen model WM 2 (Verlof tot verkrijging van een (vuur)wapen/onderdeel/hulpstuk). De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in artikel 27 RWM vrijstelling verleend van het verbod van artikel 31, vierde lid WWM, voor het overdragen aan personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van degens, lucht-, gas- en veerdrukwapens en kruisbogen, één en ander met het oog op in verenigingsverband beoefende sporten. Ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de RWM dient de beheerder, als bedoeld in artikel 10 WWM, bij de verkrijging van wapens van categorie III van personen die een verlof tot het voorhanden hebben als bedoeld in artikel 28 van de wet bezitten, dan wel op grond van artikel 26, tweede lid, van de wet voor de jacht bestemde wapens voorhanden mogen hebben, een ontvangstbewijs, overeenkomstig het in bijlagewet III bij deze wet opgenomen model, te verstrekken. Een verlof tot verkrijging is, zo volgt uit artikel 32, eerste lid, van de WWM, alleen nodig voor houders van een verlof tot het voorhanden hebben alsmede voor houders van een jachtakte (zie de laatste alinea van dit onderdeel voor de verkrijging van wapens door personen die op andere gronden bevoegd zijn om een wapen van categorie III voorhanden te hebben). Personen die een aanvraag indienen voor een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, zullen op het aanvraagformulier dienen aan te geven welk specifiek wapen (met vermelding van het nummer) zij wensen aan te schaffen, alsmede uit handen van wie zij het wapen zullen ontvangen. Dit brengt met zich mee dat, indien positief op de aanvraag wordt beslist, de korpschef voor het desbetreffende wapen een verlof tot het voorhanden hebben afgeeft of dit wapen bijschrijft op een reeds eerder aan betrokkene verleend verlof, terwijl hij tevens aan betrokkene een verlof tot verkrijging verstrekt. Een kopie van dit verlof tot verkrijging (waarop vermeld: KOPIE) zenden aan de regionale eenheid van de politie waar het wapen tot het moment van de overdracht staat geregistreerd. De persoon die het wapen overdraagt, dient het verlof tot verkrijging in ontvangst te nemen. Teneinde zeker te zijn dat het wapen aan de rechthebbende wordt overgedragen zal hij ook de identiteit van de verkrijger moeten vaststellen en het soort en nummer van diens identiteitsbewijs alsmede de datum van afgifte daarvan en de afgevende instantie, op het verlof tot verkrijging moeten noteren. Daarnaast zal hij zich ervan moeten vergewissen dat het desbetreffende wapen op een aan betrokkene verleend verlof of verleende jachtakte staat bijgeschreven. Eerst na deze handelingen en controles te hebben uitgevoerd, mag hij het wapen overdragen. Vervolgens moet hij het ingenomen verlof tot verkrijging toezenden aan de regionale eenheid van de politie, waar het wapen tot het moment van de overdracht stond geregistreerd. De verkrijger dient binnen twee weken na de verkrijging het wapen ter controle aan te bieden aan de korpschef die hem het verlof of de jachtakte heeft verleend, zodat deze kan verifiëren of de op het verlof of de jachtakte vermelde gegevens overeenstemmen met de gegevens van het wapen. Aan personen die geen houder zijn van een verlof tot het voorhanden hebben of een jachtakte, maar die uit anderen hoofde gerechtigd zijn wapens of munitie voorhanden te hebben, behoeft, alvorens zij tot de aanschaf van dat wapen over mogen gaan, geen verlof tot verkrijging als bedoeld in artikel 31, derde lid, van de WWM, te worden verleend. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om personen die over een erkenning beschikken, als ook om – bij ministeriële regeling aangewezen – personen in overheidsdienst zoals genoemd in artikel 3a van de WWM. Alvorens aan één van de hier bedoelde personen een wapen over te dragen, zal diens bevoegdheid tot voorhanden hebben van dat wapen wel deugdelijk moeten worden vastgesteld. Die bevoegdheid kan bijvoorbeeld blijken uit een bewijs van erkenning of uit het bezit van een ‘voorschrift’ dat is afgegeven door het boven de persoon in overheidsdienst gestelde gezag. Formulier Verlofdocument: model WM 2 in bijlage III bij de RWM. 1.4.4.6 Weigering en intrekking Een verlof wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 28, tweede lid, van de WWM (zie onderdeel A 1.4.4.1) of indien er sprake is van één van de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 7, eerste lid, van de WWM. De meest frequent toegepaste weigeringsgronden zijn de onder sub b en c genoemde situaties van ‘het niet kunnen toevertrouwen ‘ en ‘vrees voor misbruik’ (zie onderdeel B 1 voor de nadere invulling van deze begrippen). Een verlof kan worden ingetrokken indien er sprake is van één van de in artikel 7, tweede lid, van de WWM genoemde situaties. Hetgeen hierboven is opgemerkt met betrekking tot het verschil tussen sub b en sub c is eveneens van toepassing op de intrekkingsgronden in het voornoemde artikel. Een besluit tot intrekking of weigering dient zorgvuldig tot stand te komen en dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht aan een besluit stelt. Tegen beslissingen tot weigering of intrekking van een verlof staat, op grond van artikel 34 van de WWM, (administratief) beroep open bij de Minister van Veiligheid en Justitie. Tegen beslissingen van de minister die in (administratief) beroep zijn genomen staat beroep open bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en tegen de beslissingen van de rechtbank staat vervolgens (hoger) beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In dit kader heeft de Raad van State geoordeeld dat de korpschef geen beroep kan instellen tegen een besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie10Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 november 2002, LJN-nr: AE9910, Zaaknr: 200103516/
- De door de korpschef op grond van de WWM uitgeoefende bevoegdheden worden immers uitgeoefend onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. 1.4.4.7 Melding aan verenigingsbestuur bij intrekking of weigering Voor zover het redelijk belang voor de verlening van een verlof wordt ontleend aan het beoefenen van de schietsport, dient de korpschef de besturen van de KNSA en de KNTS, en indien de betrokkene lid is van een vereniging die niet is aangesloten bij de KNSA of de KNTS, het bestuur van die schietvereniging, terstond in kennis te stellen van het feit dat een verlof is geweigerd, niet is verlengd of is ingetrokken. Deze melding dient te bestaan uit: a. De naam, het adres en de geboortedatum van de betrokkene; 1.4.5 In- en uitvoer van wapens en munitie De in- en uitvoer van wapens en munitie is in Nederland onder meer geregeld in de WWM en in de Algemene Douanewet (ADW) en het daarbij behorende Besluit strategische goederen. Het kan dan ook voorkomen dat voor de uitvoer van wapens en/of munitie zowel een vergunning op grond van de WWM (consent) als een vergunning op grond van de ADW benodigd is. Omgekeerd kan het in bepaalde gevallen ook voorkomen dat voor de uitvoer van een bepaald wapen geen consent en geen uitvoervergunning nodig is. In de onderdelen A 1.4.5.1 en 1.4.5.2 is kort weergegeven hoe bepaald kan worden of er op grond van de WWM en/of de ADW een vergunning nodig is voor de in-, uit- of doorvoer van wapens en/of munitie. In onderdeel A 1.4.5.3 wordt tot slot nader ingegaan op het systeem van de Europese vuurwapenpas. 1.4.5.1 In- en uitvoer op grond van de Wet wapens en munitie Met betrekking tot in- en uitvoer onderscheidt de WWM drie soorten handelingen, namelijk: ‘doen binnenkomen’, ‘doen uitgaan’ en ‘doorvoer’. In artikel 1, onder 7 en 8, van de WWM zijn deze begrippen als volgt gedefinieerd: Binnenkomen en uitgaan: ‘het binnen het grondgebied van Nederland komen, respectievelijk het verlaten van het grondgebied van Nederland ’ Doorvoer: ‘binnenkomen gevolgd door uitgaan’ Wapens van categorie I Op grond van de WWM is het onder meer verboden om een wapen van categorie I voorhanden te hebben, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan. De verlening van een consent voor categorie I wapens is niet mogelijk12Een consent kan alleen worden verleend voor wapens van categorie II en III, zie artikel 14 van de WWM.. Voor de in- uit- of doorvoer van categorie I wapens kan de Ministerie van Veiligheid en Justitie ontheffing verlenen op grond van artikel 4 respectievelijk artikel 13, tweede lid van de WWM. Een ontheffing voor de in-, uit- of doorvoer van wapens van categorie I dient te worden aangevraagd bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Meer informatie over de aanvraag van een ontheffing kunt u vinden op de website van het Ministerie van Veiligheid en Justitie: http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/venj of u kunt telefonisch contact opnemen met het werkproces wet wapens en munitie, telefoonnummer:
(070)370 90 70. Wapens en munitie van categorie II en III Op grond van artikel 14 van de Wet wapens en munitie (WWM) is het verboden om zonder consent een wapen of munitie van de categorieën II en III te doen binnenkomen (invoer) of te doen uitgaan (uitvoer), alsmede om de bij binnenkomst aangegeven bestemming van zulke wapens of munitie zonder consent te wijzigen. Voor het doen binnenkomen en doen uitgaan van wapens en munitie van categorie II en III is dus in principe altijd een consent vereist. Geen consent is vereist indien één van de vrijstellingen zoals opgenomen in de RWM op de wapens en/of munitie van toepassing is. De verlening van consenten vindt plaats door de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer te Groningen (CDIU). Voor het aanvragen van een consent wordt gebruik gemaakt van een speciaal aanvraagformulier. Deze aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij de CDIU of de politiechef bij de regionale eenheid. Voor vragen en informatie over de consentverlening kunt u contact opnemen met de CDIU: Belastingdienst/Douane Groningen/CDIU Postbus 30003 9700 RD Groningen Tel:
(088)151 21 22 Fax:
(088)151 31 82 E-mail: drn-cdiu.groningen@belastingdienst.nl Wapens van categorie IV Voor de in- uit- of doorvoer van wapens van categorie IV is geen vergunning benodigd op grond van de WWM. Invoer van vrijgestelde wapens Voor het invoeren van wapens die in het land van verzending vergunningsplichtig zijn maar in Nederland niet kan bij de CDIU een verklaring worden verkregen dat het desbetreffende wapen in Nederland niet vergunningsplichtig is. Met deze verklaring kan dan meestal in het land van verzending een uitvoervergunning worden verkregen. 1.4.5.2 In- en uitvoer op grond van de Algemene Douanewet In het kader van het Nederlandse wapenexportbeleid mogen strategische goederen slechts worden uit- of doorgevoerd indien voor deze goederen een uitvoervergunning is verleend. Onder strategische goederen worden verstaan militaire goederen en goederen voor tweeërlei gebruik (goederen die zowel een civiele als militaire toepassing hebben, ook wel 'dual use' goederen genoemd). In het Uitvoerbesluit strategische goederen staat in een bijlage nauwkeurig omschreven welke goederen als strategisch moeten worden aangemerkt. Een groot deel van de (vuur)wapens waarop de Wet wapens en munitie van toepassing is, is tevens aangemerkt als militaire goederen. De uitvoer van strategische goederen – zonder vergunning van de Minister van Buitenlandse Zaken – is verboden. Een persoon of een bedrijf dat voornemens is goederen uit of door te voeren die worden genoemd in het Besluit strategische goederen, dient bij de CDIU een uitvoervergunning aan te vragen (voor het adres zie onderdeel B 1.4.5.1). Om inzicht te verschaffen op welke wijze het Nederlandse export- en doorvoersysteem van strategische goederen is geregeld en welke goederen onder controle staan, heeft de CDIU in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken het Handboek Strategische Goederen opgesteld. Dit handboek is aan te vragen bij de CDIU. Het handboek is ook te raadplegen via de internetsite: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2006/10/23/handboek-strategische-goederen.html 1.4.5.3 Europese vuurwapenpas Ingevolge het bepaalde in artikel 28a van de WWM wordt aan personen die gerechtigd zijn tot het voorhanden hebben van een vuurwapen op hun verzoek een Europese vuurwapenpas uitgereikt, waarop de door de aanvrager voorhanden gehouden wapens kunnen worden aangetekend. De invoering van de Europese vuurwapenpas is een gevolg van de toepassing van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (91/477EEG). Met de invoering van de pas werd beoogd van legale wapenbezitters, waaronder jagers en sportschutters door de EU-landen met hun wapens te vergemakkelijken en anderzijds de binnenlandse controle op die legale wapenbezitters zoals jagers en sportschutters, die afkomstig zijn uit één van de andere bij de EU aangesloten landen, te vergroten. In verband met dit laatste wordt aan de tamelijk ruime vrijstelling13Zie de vrijstellingen voor sportschutters en jager voor buitenlandse activiteiten in paragraaf 15 van de Regeling wapens en munitie van de consent- en verlofplicht voor (EU)jagers en sportschutters thans de voorwaarde van het bezit van de Europese vuurwapenpas verbonden. Het opnemen in de pas van een visum door de Nederlandse autoriteiten – in het geval van niet in Nederland ingezetenen – wordt uitdrukkelijk niet verlangd; het enkele bezit van een door een land van de EU afgegeven vuurwapenpas is voldoende. Voor jagers en sportschutters die niet in het bezit van een dergelijke pas zijn, geldt de vrijstelling dan ook niet; zij zullen in voorkomende gevallen een consent dienen aan te vragen. Als bijlage C3 is bij deze circulaire de invulinstructie voor de Europese vuurwapenpas opgenomen. Zowel artikel 28a van de WWMWet wapens en munitie (WWM) als voornoemde de Europese richtlijn van 18 juni 1991 waar dit wetsartikel op gebaseerd is spreken alléén van vuurwapens. Het is dus op grond van artikel 28a, eerste lid, van de WWM niet mogelijk een Europese vuurwapenpas af te geven voor een luchtdrukwapen. Het gaat immers om een vuurwapenpas. 1.4.5.4 Gevolgen inwerkingtreding EU verordening 258/2012 Sinds 30 september 2013 geldt EU verordening 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (VN-protocol inzake vuurwapens), en tot vaststelling van uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en maatregelen betreffende de invoer en doorvoer ervan (PbEU 2012, L 94) (hierna: de verordening). De verordening is door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk op 14 maart 2012 vastgesteld. Ter uitvoering van de verordening wordt de WWM gewijzigd, teneinde een wettelijke grondslag te creëren voor de op grond van de verordening voor de lidstaten verplicht in te voeren sanctiemogelijkheden bij inbreuk op de verordening. Hierom wordt een specifieke verplichting tot het hebben van een uitvoervergunning voor de uitvoer van de in bijlage 1 van de verordening opgesomde vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie, in de Wwm opgenomen en wordt overtreding van dit voorschrift strafbaar gesteld. Het wetgevingstraject is op het moment van vaststellen van deze CWM nog niet afgerond. Maar omdat de verordening wel sinds 30 september 2013 geldt dient – voor zover mogelijk – conform de verordening gehandeld te worden. Bij constatering van een overtreding van een bepaling van de verordening handelen Douane en CDIU, en in voorkomende gevallen andere handhavingsdiensten op eenzelfde wijze als ware de verordening volledig geïmplementeerd. 2 Uitvoering en Toezicht 2.1 Uitvoering van de WWM 2.1.1 Algemeen Met de uitvoering van de wapenwetgeving zijn belast de Minister van Veiligheid en Justitie, de korpschef van de Nationale Politie en de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU). Minister van Veiligheid en Justitie De minister is belast met de uitvoering van de wapenwetgeving. Bepalingen over de uitvoering zijn neergelegd in paragraaf 10 van de wet. Een belangrijk voorschrift is artikel 38 dat stelt dat de minister bevoegd is aanwijzingen te geven aan de korpschef, die verplicht is deze op te volgen. Naast de bedoelde algemene aanwijzingen, die zijn opgenomen in de onderhavige circulaire, is de minister bevoegd om in individuele zaken aanwijzingen te geven. Korpschef/Regio Eenheidschefs en andere gemandateerden Bij de uitvoering van de wet dient de korpschef de aanwijzingen van de Minister van Veiligheid en Justitie te volgen (artikel 38, tweede lid, WWM). Hieronder dienen zowel algemene als bijzondere aanwijzingen te worden begrepen Voor wat betreft de positie van de korpschef (voorheen ‘de hoofden van plaatselijke politie’ en de korpschefs) wordt in de memorie van antwoord14Eerste Kamer, vergaderjaar 1985–1986, 14 413, nr. 54, blz. 9 het volgende opgemerkt: ‘...de hoofden van plaatselijke politie [korpschef] geen eigen beleid voeren doch ingevolge artikel 38, tweede lid, de aanwijzingen van de Minister van Veiligheid en Justitie dienen te volgen (...). Over de uitvoering van de wet is slechts de Minister van Veiligheid en Justitie tegenover de nationale volksvertegenwoordiging verantwoording schuldig’. In dit kader heeft de Raad van State geoordeeld dat de korpschef geen beroep in kan stellen tegen een besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie15Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 november 2002, LJN-nr: AE9910, Zaaknr: 200103516/
- De door de korpschef op grond van de WWM uitgeoefende bevoegdheden worden immers uitgeoefend onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. De korpschef heeft de mogelijkheid de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden ingevolge de WWM te mandateren aan één of meer ondergeschikten binnen de politie. Daarvoor is een mandaatbesluit van de korpschef noodzakelijk. De korpschef blijft ook na mandatering verantwoordelijk voor de (immers namens hem) genomen beslissingen. Indien het gaat om een formeel besluit, dient in het besluit tot uitdrukking te komen dat de desbetreffende beschikking (zoals de intrekking van een verlof) namens de korpschef is genomen. In het mandaatbesluit politie, zijn de uitvoerende taken door de korpschef gemandateerd aan de politiechefs van de regionale eenheden van politie. Het ligt voor de hand dat naarmate het besluit ingrijpender is voor de burger, de verantwoordelijkheid daarvoor hoger in de organisatie wordt gelegd. Zo verdient het aanbeveling om de intrekking van een erkenning tenminste op het niveau van de Sectorhoofd van de nationale politie of op vergelijkbaar niveau te doen plaatsvinden. De wetgever heeft de uitvoering van de WWM uitdrukkelijk binnen de politieorganisatie gepositioneerd. Zo is het voor de korpschef niet mogelijk zijn taken en bevoegdheden te mandateren aan een niet-ondergeschikte, bijvoorbeeld aan de burgemeester van een binnen de politieeenheid gelegen gemeente. Dat de WWM zich tegen een dergelijk mandaat verzet kan worden afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Invoeringswet Politiewet 1993, waarbij de taken en bevoegdheden van het hoofd van plaatselijke politie zijn overgeheveld naar de korpschef. Voorts is ook delegatie van taken en bevoegdheden (overdracht van de formele verantwoordelijkheid) niet mogelijk; de vereiste wettelijke basis in de WWM ontbreekt daarvoor dan ook. Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer Op grond van artikel 16, tweede lid, van de WWM is de Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer (CDIU) belast met de verlening van consenten zoals bedoeld in artikel 14 van de WWM16Zie onderdeel A 1.4.5.1 voor wat betreft de verlening van consenten op grond van de Wet wapens en munitie.. Uitzondering hierop vormen de consenten tot binnenkomen ten behoeve van de krijgsmacht en de overige openbare diensten (bijvoorbeeld de politie). Deze consenten worden – op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWM – verleend door de Minister van Defensie respectievelijk de Minister van Veiligheid en Justitie. Consenten tot uitgaan worden gewoon verleend door de CDIU. In de praktijk komt de verlening van consenten door beide ministers echter niet of nauwelijks voor. Dit is het gevolg van het feit dat de krijgsmacht en de politie (als instituut) op grond van artikel 3a, eerste en tweede lid, van de WWM zijn uitgezonderd van de consentverplichting. De uitzondering is eveneens van toepassing op personen die van de krijgsmacht of de politie deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover dit door de desbetreffende ministers bij regeling is bepaald17Zie onderdeel A 1.3.4 voor een nadere toelichting op de uitzonderingen die van toepassing zijn op bepaalde categorieën overheidsfunctionarissen.. 2.1.2 Administratieve voorschriften De voor de politie geldende administratieve voorschriften met betrekking tot de registratie van wapenbezitters vinden hun basis in artikel 38 van de WWM en zijn neergelegd in artikel 47 van de RWM. Uit artikel 47, eerste lid, RWM blijkt dat de korpschef twee registraties moet bijhouden van in zijn ambtsgebied woonachtige personen die in het bezit zijn van wapens of munitie. De eerste registratie bevat de personen die bevoegd zijn een wapen of munitie voorhanden te hebben op grond van een door hem verleend verlof, jachtakte of erkenning. De tweede registratie bevat de personen in zijn ambtsgebied die een wapen of munitie voorhanden mogen hebben op grond van een door een andere autoriteit verleende bevoegdheid. Voorbeelden hiervan zijn: • personen in het bezit van een door de Minister van Veiligheid en Justitie verleende ontheffing; • beheerders van verenigingsvuurwapens, indien de beheerder in een andere gemeente woonachtig is dan die waar de schietvereniging zijn zetel heeft en waar derhalve het verlof is afgegeven (zie onderdeel B 2.2.1); • Ingevolge artikel 4 van de Europese richtlijn 2008/51, dient Iedere lidstaat er zorg voor te dragen dat er een, hetzij gecentraliseerd hetzij gedecentraliseerd, geautomatiseerd systeem van gegevensbestanden wordt ingevoerd en bijgehouden, dat waarborgt dat de bevoegde instanties toegang hebben tot de gegevensbestanden waarin elk vuurwapen dat onder de bepalingen van deze richtlijn valt, is geregistreerd. In dit systeem van gegevensbestanden wordt gedurende een periode van ten minste twintig jaar van elk vuurwapen type, merk, model, kaliber en serienummer geregistreerd en bijgehouden, alsmede de namen en adressen van de leverancier en de persoon die het wapen verwerft of voorhanden heeft. Het Verona-systeem van de politie voorziet hierin; • Wapenhandelaren zijn gedurende de gehele periode van hun activiteit verplicht een register bij te houden waarin alle bij hen inkomende of uitgaande onder de bepalingen van deze richtlijn vallende vuurwapens worden geregistreerd, zulks onder vermelding van bijzonderheden aan de hand waarvan een vuurwapen kan worden geïdentificeerd en getraceerd, met name type, merk, model, kaliber en serienummer en de namen en adressen van de personen die het vuurwapen hebben geleverd of verworven. Bij beëindiging van zijn activiteiten levert de wapenhandelaar het register in bij de nationale instantie die bevoegd is voor het bestandensysteem waarin de eerste alinea voorziet. 2.1.3 Administratieve voorschriften inzake registervoering Het uitoefenen van bevoegdheden die krachtens een in deze wet genoemde vergunning aan (rechts)wetpersonen zijn verleend, kunnen per vergunning soort bepaalde registratieverplichtingen gelden. Voorbeelden hiervan zijn de registers van erkenninghouders of de presentieregisters van schietverenigingen, wapenuitgifteregisters, munitie-uitgifteregisters en introduceeregisters. 2.2 Toezicht op de WWM Onder toezicht moet worden verstaan de werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd. Toezicht op de naleving heeft onder meer als kenmerk dat er controles worden uitgevoerd op de naleving van de regelgeving zonder dat er sprake hoeft te zijn van een (vermoedelijke) overtreding van een wettelijk voorschrift. Het toezicht en de handhaving is geregeld in paragraaf 11 van de WWM en in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met het toezicht op de naleving van de wapenwetgeving zijn ingevolge artikel 45 WWM belast: • de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren; • de bij of krachtens artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren; • de bij besluit van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, aangewezen ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Aan de toezichthoudende ambtenaren komt een aantal bevoegdheden toe. Deze bevoegdheden zijn te vinden in afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is een overkoepelende wet die geldt voor zover er in de bijzondere wet geen afwijkende bepalingen zijn opgenomen. De WWM kent in artikel 45, derde en vierde lid, een tweetal beperkingen op de artikelen 5:18, tweede lid, en 5:19 Awb. Hieronder wordt een kort overzicht gegeven van de aan de toezichthoudende ambtenaren toekomende bevoegdheden: • het betreden van plaatsen met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner (artikel 5:15) • het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16) • het vorderen van inzage van zakelijke gegevens en bescheiden (artikel 5:17) • het onderzoeken, opnemen en monsters nemen van zaken (5:18), evenwel alleen voor zover het betreft het openen van verpakkingen in het kader van het onderzoek van ladingen (zie artikel 45, derde lid, WWM) Let op: De bevoegdheid tot het onderzoeken van vervoermiddelen (artikel 5:19) komt niet toe aan de toezichthouders in het kader van de WWM (zie artikel 45, vierde lid, WWM). In het kader van de opsporing mag deze bevoegdheid wel worden toegepast. Het controleren (fouilleren) van personen en het doorzoeken van tassen behoort niet tot de bevoegdheden bij deze bestuursrechtelijke controle. Voor al de genoemde bevoegdheden geldt dat de toezichthouder hiervan slechts gebruik mag maken voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is (artikel 5:13 Awb). Dit artikel waarborgt onder meer dat de toezichthouder slechts die plaatsen kan betreden waar, naar redelijk vermoeden, in verband met de uitoefening van een bedrijf, wapens of munitie aanwezig zijn. In onderdeel B 9 worden aanwijzingen aan de korpschef gegeven voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de WWM. Bijzonder deel (B) 1 Geen vrees voor misbruik 1.1 Algemeen Artikel 7, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM), stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen (erkenningen, consenten, verloven en ontheffingen), onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, worden geweigerd indien (onder meer) er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt. Het tweede lid van artikel 7 stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan of de Minister van Veiligheid en Justitie kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien (onder meer) er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie. Voor verloven tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie III bepaalt artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM, dat een verlof slechts wordt verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. Omdat het begrip ‘vrees voor misbruik’ reeds een ruime uitleg kent worden die gevallen waarin iemand anderszins een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen, niet in dit hoofdstuk nader uitgewerkt. ‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd. 1.2 Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft. Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna). Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’. Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen. Bij dergelijk onderzoek kan blijken van: a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
- het plegen van een misdrijf waarbij geweld of bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden;
- het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Wet wapens en munitie;
- het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Opiumwet. 2 Schietsport 2.1 Algemeen Dit hoofdstuk bevat bijzondere regels voor sportschutters en traditionele schutters, zoals leden van Gilden en de Schutterijen, schietverenigingen, schietcentra en in B 2.9 de airsoftsport. Deze regels hebben onder meer betrekking op het gebruik van verenigingswapens (zie B 2.2), het exploiteren van een schietcentrum (zie B 2.3) en het bezit en gebruik van privé-wapens (zie B 2.4). In onderdeel B 2.5 is een toelichting opgenomen over onderdelen, hulpstukken en munitie. Voor de verschillende takken van schietsport alsmede voor verboden/ongewenste wapens bevatten de onderdelen B 2.6 respectievelijk B 2.7 nadere regels. In onderdeel 2.8 is tenslotte een drietal overgangsregelingen opgenomen met betrekking tot voor de schietsport ongewenste wapens, met betrekking tot de certificering van verenigingen en met betrekking tot herintredende verlofhouders. Onderdeel B 2.9 heeft louter betrekking op airsoft apparaten, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder h, van de RWM. Wettelijk kader schietsport In dit hoofdstuk wordt onder meer uiteengezet binnen welke kaders een schietvereniging of een individu een verlof kan krijgen ten einde de schietsport te kunnen beoefenen. In artikel 28, tweede lid, van de WWM is bepaald dat een verlof wordt verleend indien: a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert; In artikel 26, vierde lid van de WWM is opgenomen dat Onze Minister ten aanzien van de personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in 28, tweede lid, van de WWM regels kan vaststellen met betrekking tot: a. de medische geschiktheid en vaardigheid in het omgaan met wapens; b. de motieven voor het lidmaatschap van het lid zijn getoetst; c. er zijn, voor zover de toetsing hiervan binnen de mogelijkheden van de vereniging ligt, van het lid geen psychische omstandigheden bekend die het adequaat beoefenen van de schietsport in de weg kunnen staan en het lid verkeert niet in criminele kringen.
- Binnen de vereniging is geen sprake van vermenging van commerciële belangen direct gelieerd aan de schietsport en de vereniging.
- De vereniging houdt zich stipt aan alle op haar van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en draagt er zorg voor dat de schietlocatie waar zij schiet aan alle wettelijke vereisten voldoet. Redelijk belang Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wwm te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De schietsport of het traditioneel schieten kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien er geen gevaar is voor de openbare orde en veiligheid, de schietsport of het traditioneel schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend, en het gaat om het (in wedstrijdverband) beoefenen van een erkende of gereglementeerde tak van schietsport of het traditioneel schieten (hierna ook wel schietsportdisciplines genaamd) in het verband van een gecertificeerde schietvereniging. Een schietsportvereniging of een vereniging aangesloten bij de KNTS dient om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie te verkrijgen, haar leden in staat te stellen een erkende of gereglementeerde schietsportdiscipline binnen haar vereniging te beoefenen. Erkende en gereglementeerde takken van schietsport Schietsportdisciplines vormen een indeling van vormen van schietsport (binnen een wapengroep), die kunnen worden onderscheiden op grond van houding en positie, aantal schoten, soort wapen, soort kaliber en schietafstand. Er kan alleen een verlof worden verleend, wanneer sprake is van beoefening van een door de KNSA erkende of gereglementeerde tak van schietsport. Voor de verenigingen die lid zijn van de KNTS gelden de door de KNTS gereglementeerde traditionele schietsportdisciplines. Het erkennen van de takken van de schietsport laat ik aan deze verenigingen over, omdat het bepalen in hoeverre een activiteit tot een tak van sport of traditioneel schieten wordt gerekend bij uitstek, ook volgens de Vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie, een taak van de landelijke schietsportbond of de landelijke bond van traditionele schutters is. In 2.6 zijn de regels omtrent schietsportdisciplines nader uitgelegd. 2.2 Schietverenigingen Schietvereniging Onder een schietvereniging, wordt verstaan de vereniging die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen de schietsport te beoefenen (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWM). Een schietsportvereniging of een vereniging aangesloten bij de KNTS kan een verenigingsverlof krijgen indien zij hierbij een redelijk belang heeft en zij met dit verlof geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid vormt. Voor verenigingen die in aanmerking wensen te komen voor een zogenaamd verenigingsverlof, geldt dat zij door de KNSA of KNTS gecertificeerd dienen te worden en dat binnen die vereniging de schietsport wordt beoefend overeenkomstig een door de KNSA erkende of gereglementeerde tak van schietsport. Voor de verenigingen die lid zijn van de KNTS gelden de door de KNTS gereglementeerde traditionele schietsportdisciplines. 2.2.1 Verenigingsverlof Aan een door de KNSA of KNTS gecertificeerde schietsportvereniging c.q. vereniging waar de traditionele schietsport wordt beoefend, kan een verlof worden verleend tot het voorhanden hebben van vuurwapens, die aan die vereniging toebehoren en die bestemd zijn voor gebruik door de leden van die vereniging. Een verenigingsverlof wordt alleen verleend indien de schietvereniging en haar leden met de verlening van dit verlof geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kunnen vormen en er een redelijk belang is voor het verlenen van het verlof. Het verlof tot het voorhanden hebben van verenigingswapens en munitie wordt feitelijk gesteld op naam van de beheerder(s) van de vereniging. De vereniging dient zich bezig te houden met het beoefenen van de (traditionele) schietsport en alle geldende wetten en regelgeving na te leven. Geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde en veiligheid Gelet op de grote gevaarzetting van vuurwapens is er een noodzaak het voorhanden daarvan streng te reguleren. Daarom kan er alleen sprake zijn van het legaal beoefenen van de schietsport, wanneer iemand dit in Nederland op een veilige en gecontroleerde wijze doet. Er kan alleen sprake zijn van een veilige en gecontroleerde wijze, wanneer de persoon die wapens en munitie voorhanden heeft, dit op legale gronden heeft. Jegens de vereniging en ook jegens de bestuurders van die vereniging en jegens de beheerders van die vereniging mag geen vrees voor misbruik bestaan. Van de schietvereniging en haar bestuurders en beheerders wordt verwacht dat zij op de hoogte zijn van de geldende (wapen)wettelijke bepalingen en deze stipt volgen. Wanneer een vereniging een verenigingsverlof voor de schietsport aanvraagt, moet in ieder geval blijken dat de beheerders, al langere tijd conform de geldende regels de schietsport beoefenen en gedurende die periode voldoende oefening hebben gehad. Ook het systeem van de opbouw in wapentypes (zie onder 2.2.2, 2.2.3, 2.2.5 en 2.4.6) is met dit doel in het leven geroepen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens. Redelijk belang Om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wwm te verkrijgen moet er sprake zijn van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. De schietsport kan een redelijk belang opleveren tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dit is alleen het geval, indien de schietvereniging door de KNSA of vereniging waar de traditionele schietsport wordt beoefend door de KNTS is gecertificeerd en met de wapens die zij aanvraagt door haar leden binnen de vereniging op een veilige en gecontroleerde wijze, in wedstrijdverband, een door de KNSA erkende of gereglementeerde tak van de schietsport wordt beoefend. Voor de verenigingen die lid zijn van de KNTS gelden de door de KNTS gereglementeerde traditionele schietsportdisciplines. Het aantal vuurwapens, waarvoor het verenigingsverlof geldt, dient voorts in een redelijke verhouding te staan tot het aantal leden dat regelmatig van die wapens gebruik maakt. Een eenmaal bevoegd voorhanden gehouden vuurwapen mag alleen gebruikt worden binnen de doelen waarvoor de bevoegdheid is verkregen. Misbruik maken van deze bevoegdheid door het vuurwapen voor andere doeleinden dan de schietsport te gebruiken, geldt als intrekkingsgrond, zoals bepaald in artikel 7, tweede lid, onder c van de Wet wapens en munitie. Aanvraagformulieren De vereniging dient bij de aanvraag tot een verlof gebruik te maken van de door de Minister van Veiligheid en Justitie in de Rwm vastgestelde aanvraagformulieren. In het verenigingsverlof wordt vermeld wie als beheerder van de verenigingswapens optreedt, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens. Het verlof wordt aan de beheerder verstrekt. Indien meer (bestuurs-)leden als beheerder optreden, dan verkrijgt ieder van die (bestuurs-)leden een verlof tot het voorhanden hebben van verenigingswapens, met daarop zijn naam. Het verlof bevat tevens zijn pasfoto. Indien er ten aanzien van de vereniging, het bestuur van de vereniging en de beheerder geen vrees voor misbruik bestaat, kan het gevraagde verlof, met een geldigheidsduur van één jaar, worden verleend. Op het verlofdocument kan, indien hiervoor een redelijk belang bestaat, worden aangegeven dat tevens verlof tot vervoer en verlof tot het voorhanden hebben van de bijbehorende munitie wordt verleend. Bij verlening en verlenging van het verlof behoeft de beheerder niet te voldoen aan het minimum aantal schietbeurten dat met betrekking tot het voorhanden hebben van privé-wapens geldt. Bij een eerste verlofaanvraag dient (de vertegenwoordiger van) de korpschef – middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden – te controleren of de aanvragende vereniging beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en munitie (zie B/8). Deze controle wordt, in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats, pas gedaan als vaststaat dat het verlof kan worden verleend. Er zijn tenminste 3 persoonlijke contactmomenten tussen het bestuur, de beheerder van de vereniging en politie. Het is van groot belang dat de politie iedere beheerder van het verenigingsverlof bij een eerste verlofaanvraag in persoon ontmoet. De beheerder(s) word(t)(en) daarom uitgenodigd zelf het aanvraagformulier in persoon op het politiebureau af te geven. Een ander moment van persoonlijk contact tussen de vertegenwoordiging van de vereniging en politie in het aanvraagproces betreft de controle van de wapenkluis of wapenkamer. De eis dat de beheerder(s) de documenten dien(t)(en) af te halen op het politiebureau staat garant voor een derde moment van persoonlijk contact. 2.2.2 Gebruik van verenigingswapens binnen de schietvereniging Verenigingswapens zijn ervoor bestemd om de leden van de vereniging, die niet over een (geschikt) eigen vuurwapen beschikken, in staat te stellen de desbetreffende tak van schietsport te beoefenen. De op het verenigingsverlof vermelde beheerders mogen daartoe de verenigingswapens ter hand stellen aan andere leden, die onder toezicht van die beheerders en binnen de eigen verenigingsaccommodatie, de schietsport beoefenen. Voor het gebruik van verenigings- en privéwapens mag de vereniging munitie aan haar leden ter beschikking stellen. De vereniging mag alleen die munitie aan haar leden ter beschikking stellen die de vereniging zelf krachtens het verenigingsverlof voorhanden mag hebben. Bij de uitgifte en het gebruik van verenigingswapens en munitie dienen, met het oog op het voorkomen van gevaar voor de openbare orde of veiligheid, de volgende voorschriften in acht genomen. Deze voorschriften worden ook in het verenigingsverlof opgenomen: a. Het gebruik van de op het verenigingsverlof vermelde verenigingsvuurwapens is uitsluitend toegestaan aan: • (aspirant) leden van een schietvereniging met een KNSA-licentie, (aspirant) leden van een schietvereniging met KNTS-licentie of leden van een door de KNSA gecertificeerde schietvereniging of introducés, conform de regeling voor promotieactiviteiten en introducés (zie B 2.2.5.). • leden van de traditionele schietverenigingen zonder wapen die geen KNTS-licentie hebben. Deze leden mogen ten hoogste drie keer per jaar gebruik maken van de verenigingswapens of de wapens van leden van de vereniging, voor het schieten tijdens het koning/keizerschieten, het gemeentelijk koningschieten en het koning/keizerschieten tijdens gildendagen en landjuwelen. In alle andere gevallen, bijvoorbeeld bij het schieten tijdens oefenavonden, in wedstrijdverband en bij schietwedstrijden tijdens gildedagen, dient men in het bezit te zijn van een licentie van de KNTS of KNSA om gebruik te mogen maken van de verenigingswapens. f. Aan leden die korter dan één jaar volwaardig lid zijn van een schietvereniging, mogen alleen de op het verenigingsverlof vermelde verenigingsvuurwapens19En niet zijnde semi-automatische geweren. worden uitgeleend die geschikt zijn voor de Olympische disciplines. Aan leden van de bij de KNTS aangesloten vereniging die korter dan één jaar volwaardig lid zijn mogen de bij die vereniging voor het traditioneel schieten in gebruik zijnde verenigingswapens of bij die vereniging in gebruik zijnde privé vuurwapens worden uitgeleend. 2.2.3 Gebruik van verenigingswapens buiten de schietvereniging Het beoefenen van de (traditionele) schietsport met verenigingswapens, door leden van die vereniging, buiten de accommodatie van de eigen schietvereniging (bijvoorbeeld het deelnemen aan een schietwedstrijd elders) kan op de volgende wijzen plaatsvinden: a. De beheerder van de verenigingswapens begeleidt het desbetreffende lid naar die andere schietvereniging of schietplaats, alwaar hij hem het wapen ter beschikking stelt. Het lid schiet dan onder toezicht van de beheerder. Na afloop van de wedstrijd of de schietoefening neemt de beheerder het wapen weer in ontvangst. 2.2.4 Door de krijgsmacht ter beschikking gestelde wapens aan studentenweerbaarheidsverenigingen Er zijn studentenweerbaarheidsverenigingen waaraan door de krijgsmacht vuurwapens ter beschikking worden gesteld om te worden gedragen bij het uitoefenen van eerbetoon en soortgelijke manifestaties. De aanvraag voor een verlof tot het voorhanden hebben en vervoeren van deze wapens en de bijbehorende munitie, wordt door het bestuur van de betrokken vereniging ingediend bij de korpschef. De aanvraag wordt eerst in behandeling genomen nadat de bereidheid om de wapens ter beschikking te stellen schriftelijk is bevestigd van de zijde van de verantwoordelijke militaire autoriteit, die daarbij dient aan te geven om welke wapens het gaat, met vermelding van typen en nummer. In het verenigingsverlof wordt vermeld wie als vertegenwoordiger van de vereniging optreedt, voor zover het betreft het beheren van de vuurwapens. Het verlof bevat tevens zijn pasfoto. Indien meer (bestuurs-)leden als beheerder optreden, dan verkrijgt ieder van die (bestuurs-)leden een verenigingsverlof. Op het verlof tot het voorhanden hebben dient hetgeen onder ‘BEPERKINGEN’ is gesteld met betrekking tot het vervoer, te worden aangepast aan de feitelijke situatie. 2.2.5 Promotieactiviteiten en introducés Verenigingsverloven en verloven tot het voorhanden hebben van privé-vuurwapens strekken er niet toe om personen die geen lid zijn van een schietvereniging in staat te stellen de schietsport te beoefenen. Niettemin bestaat er zoals ook gesteld in artikel 43a van de Rwm geen bezwaar tegen indien een schietvereniging incidenteel – in het kader van promotie van de vereniging en de schietsport – geïnteresseerden (introducés) in de gelegenheid stelt met de schietsport kennis te maken. Deze promotieactiviteiten mogen zowel georganiseerd (door het bestuur van de vereniging) als ad hoc (bijvoorbeeld een door een lid van de vereniging meegebrachte introducé) plaatsvinden. Het organiseren van bedrijfsfeesten of andere evenementen – waarbij met vuurwapens kan worden geschoten – is echter niet toegestaan. Uitsluitend erkende schietcentra mogen op commerciële basis vuurwapens ter beschikking stellen aan derden (zie onderdeel B/2.3 voor de voorwaarden). Bij het ter beschikking stellen van verenigings- of privé-wapens aan introducés dienen de volgende voorschriften in acht te worden genomen. Hierbij geldt dat de voorschriften voor zover het gaat om het ter beschikking stellen van luchtdrukwapens, slechts gelden voor het ter beschikking stellen aan minderjarigen. a. De schietvereniging dient een introducéregister22De introducéregisters dienen door de vereniging gedurende minimaal drie jaar te worden bewa