Beleidsnota Grondbeleid 2025Het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel in Boxtel, Overwegende dat diverse (externe) ontwikkelingen het nodig maken het grondbeleid te actualiseren en uit te breiden: de opgaven voor het waterschap zijn veranderd (WBP5 en watertransitie zijn hiervoor richtinggevend), wet- en regelgeving zijn op onderdelen aangepast en vooral de druk op de grondmarkt is enorm toegenomen, Conform het voorstel met nummer 126032/ 282515 d.d. 9 januari 2025, heeft het volgende besloten: De beleidsnota ‘Grondbeleid 2025’ vast te stellen; Het besluit over de beleidsnota bekend te maken; Het AB en de partners via de Waterbrief te informeren; Het in 2002 vastgestelde beleidsplan Grondzaken in te trekken: Het in 2015 vastgestelde beleid ‘Eigendom van watergangen en onderhoudsstroken’ in te trekken; Het in 2016 vastgestelde beleid ‘Voorkeursvolgorde gebruik en eigendom van grond voor waterdoelen’ in te trekken. 1.Inleiding 1.1Algemeen De realisatie van de doelen van het waterschap (eigen taakstelling) en overige doelen die gerealiseerd worden (bijvoorbeeld van manifestpartners) zijn voor een belangrijk deel afhankelijk van de beschikbaarheid van gronden. Deze beschikbaarheid kan op vele manieren vormgegeven worden, van verwerving tot zelfrealisatie en van zakelijke rechten tot (financiële) regelingen met de grondeigenaar. Daarnaast vraagt het beschikbaar krijgen van gronden om duidelijke kaders ten aanzien van onder andere verwerving, schadevergoedingen etc. en is het nodig gronden in eigendom van het waterschap te (kunnen) beheren. Al die onderwerpen worden daarom opgenomen in het grondbeleid. Deze moeten gezien worden als instrumenten die het waterschap ter beschikking heeft. Afhankelijk van opgaven en doelen kunnen deze ingezet worden. Inmiddels worden we geconfronteerd met allerlei (externe) ontwikkelingen die het noodzakelijk maken het grondbeleid van Waterschap De Dommel te actualiseren en uit te breiden. De opgaves voor het waterschap veranderen (de watertransitie en WBP 5 geven hiervoor richting), wet- en regelgeving zijn op onderdelen aangepast en vooral de druk op de grondmarkt is enorm toegenomen waardoor prijzen blijven stijgen en aankoop voor het waterschap steeds moeilijker wordt. Daarnaast zorgt een herijkt en helder grondbeleid in één document ervoor dat medewerkers daadkrachtig en doelgericht kunnen werken waarmee eenduidigheid en kwaliteit toenemen. Waterschap De Dommel kent op dit moment geen actueel grondbeleid. Vanaf de oorspronkelijke vaststelling in 2002, zijn er daarna vanaf 2011, modulegewijs aanpassingen en aanvullingen vastgesteld, zowel in de (werk)processen als beleidsmatig. Deze zijn echter niet verwerkt in het grondbeleid wat op dit moment nog van kracht is, waardoor er sprake is van (deels) verouderd en versnipperd grondbeleid. Om ervoor te zorgen dat het grondbeleid actueel blijft wordt dit afhankelijk van de ontwikkelingen regelmatig bijgewerkt. 1.2Kaderstelling Het waterschap heeft vanuit zijn taakstellingen - bovenop privaatrechtelijke mogelijkheden - op grond van de Omgevingswet 1 Voorheen Waterwet juridische bevoegdheden om zijn doelen te realiseren en belangen te behartigen en te vervullen. Deze bevoegdheden kunnen in het bijzonder bestaan in de vorm van publiekrechtelijke beschikkingenpraktijk, onteigening en het opleggen van gedoogplichten. De kaders voor de uitoefening van die bevoegdheden zijn primair gegeven in de wet. Dit grondbeleid past binnen de beleidsruimte die wordt gelaten in die wettelijke kaders. De wet- en regelgeving vormen geen belemmering tot het opstellen van een eigen grondbeleid, rekening houdend met gebruikelijke bepalingen vanuit o.a. algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het grondbeleid is van toepassing op alle gronden die in eigendom of gebruik zijn bij het waterschap en heeft primair betrekking op de realisatie van doelen via het beschikbaar krijgen van grond en andere opties zoals ecosysteemdiensten en het beheer ten behoeve van doelrealisatie van het waterschap, zowel voor watersysteem als waterketen. Het grondbeleid is van toepassing op alle gronden die in eigendom of gebruik zijn bij het waterschap. Het beleid gaat nadrukkelijk niet over het dagelijks beheer, dat is immers de verantwoordelijkheid van de diverse processen, tenzij het hier het medegebruik door derden betreft. Het beheer van gebouwen (hoofdkantoor, zuiveringskantoren en werkplaatsen etc.), gemalen en zuiveringen valt daarom niet onder deze beleidsvisie, evenals het regulier beheer van bijvoorbeeld watergangen. Het grondbeleid is opgebouwd uit uitgangspunten welke in de tekst nader uitgewerkt en onderbouwd worden. Door het Algemeen Bestuur de kaders vast te laten stellen en het Dagelijks Bestuur de ruimte te bieden om binnen de vastgestelde kaders te bewegen ontstaat er een grondbeleid wat flexibel is en mee kan bewegen met onze dynamische (werk)omgeving. Daar waar sprake is van gewijzigde of nieuwe kaders zullen deze altijd aan het Algemeen Bestuur voorgelegd worden. Het AB stelt de kaders vast, het DB heeft het mandaat om binnen deze vastgestelde kaders beleid vast te stellen. Gewijzigde of nieuwe kaders worden altijd voorgelegd aan het AB. Op 02 oktober 2024 heeft het AB de kaders voor het grondbeleid vastgesteld. Deze kaders zijn: Eigendom gronden Eigendom, aankoop en verkoop van gronden is geen doel op zich. Het voldoen aan opgaven staat voorop. Het al dan niet in eigendom willen verkrijgen van gronden is afhankelijk van de doelstelling en het belang voor de bedrijfsvoering; Daar waar eigendomsrecht in beginsel vereist is kan vanuit doelmatigheid gekozen worden voor een ander recht dat ook voldoet (Indien bijvoorbeeld de beschikbaarheid al gewaarborgd is via een ander recht zal niet onevenredig veel tijd en geld besteed worden aan verwerving van het eigendom). Meervoudig ruimtegebruik wordt zoveel mogelijk gestimuleerd; Beheer gronden Ingebruikgeving van gronden vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst en tegen een marktconforme vergoeding; Agrarische - en natuurgronden waar (mede)gebruik mogelijk is, worden in beginsel uitgegeven; Medegebruik voor extensieve recreatie en vis- en jachtrechten kan worden toegestaan. Instrumenten Verwerving van gronden gebeurt in beginsel op vrijwillige basis, in een zogenaamd minnelijk traject. Het waterschap zet een mix van instrumenten in om zijn doelen te bereiken. Inbegrepen zijn ook meer dwingende instrumenten: Voor doelen waarvoor nut, noodzaak en urgentie aantoonbaar is en het eigendom vereist is, is het waterschap bereid het instrument ‘onteigening’ in te zetten. In het minnelijke traject wordt getracht deze gronden op basis van volledige schadeloosstelling (VSS) aan te kopen*. Voor doelen waarvoor nut, noodzaak en urgentie aantoonbaar is maar het eigendom niet vereist, is het waterschap bereid het instrument ‘gedoogplicht’ in te zetten*. Het projectbesluit wordt indien nodig actief ingezet om ruimte voor water te claimen (ook als dit leidt tot nadeelcompensatie)*. Schadevergoedingen De schadevergoedingsinstrumenten sluiten aan bij de doelstellingen uit de watertransitie. Doelrealisatie staat voorop, ook wanneer dit inhoudt dat schade moet worden gecompenseerd of schadevergoeding wordt geclaimd. Schadevergoedingen worden uniform toegepast. Processen en richtlijnen Bij grondtransacties, beheer en afwaardering van gronden wordt marktconform gewerkt, rekening houdend met de regels rondom staatssteun. Grondtransacties vinden plaats op een heldere en transparante wijze, volgens objectieve, toetsbare en redelijke criteria waarbij het Didam-arrest in acht wordt genomen. Het voorliggende grondbeleid en de daarin vastgelegde uitgangspunten passen binnen deze door het AB vastgestelde kaders. 2.Leeswijzer Dit document Grondbeleid geeft inzicht in de wijze waarop het waterschap grond beschikbaar krijgt enerzijds en anderzijds hoe het omgaat met eigendom. Het beleid wordt gestart met de visievorming (hoofdstuk 3). Deze visievorming is tweeledig Een beschouwing van de (externe) ontwikkelingen en het WBP5 vanuit grond(beleid) Een visie op het huidige (grond)beleid en huidige uitgangspunten en de keuzes die gemaakt moeten worden om beter aan te sluiten bij de ontwikkelingen en het WBP
- De inzichten vanuit de visie komen verder in het grondbeleid terug in de vorm van uitgangspunten. Daarna worden de uitgangspunten (hoofdstuk 4) geformuleerd van het beleid waarover besluitvorming plaatsvindt door het Algemeen Bestuur. Deze uitgangspunten komen in onderstaande vorm terug in de hoofdstukken en worden nader uitgewerkt. Per (deel)hoofdstuk staat het uitgangspunt van het beleid geformuleerd. Een korte toelichting of een voorbeeld is binnen een kader geplaatst In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het begrip eigendom, de mogelijkheden die eigendom biedt, de voordelen en de nadelen. Het hebben van eigendom is niet altijd noodzakelijk voor de uitoefening van de taken van het waterschap. In veel gevallen kan worden volstaan met het benutten van bestaande publiek- en privaatrechtelijke mogelijkheden. In hoofdstuk 6 wordt op hoofdlijnen ingegaan op het beheer van de gronden die bij het waterschap in eigendom zijn en de mogelijkheden tot in gebruik geven en uitgifte van deze gronden. De verschillende publiek- en privaatrechtelijke instrumenten worden in hoofdstuk 7 behandeld. Tevens wordt aangegeven welke van de alternatieven voor het verkrijgen van de beschikking over grond voor het waterschap relevant zijn. In hoofdstuk 8 worden de schadevergoedingen omschreven. Er zijn diverse reeds gereguleerde instrumenten waarvan het waterschap gebruik kan maken. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en voor het waterschap relevante schade-aspecten behandeld. In hoofdstuk 9 worden de processen en richtlijnen toegelicht. Dit betreft onder andere het prijsbeleid bij aan/verkoop en gebruik, maar ook het proces van aan/verkoop, staatssteun en de administratieve vastlegging komen hier terug. 3.Visie 3.1Ruimtelijke opgaves en grondprijsontwikkeling De ruimtelijke opgaves waarvoor Nederland de komende 10 jaar aan de lat staat zijn enorm. Er is veel grond nodig ten behoeve van functies zoals woningbouw, bedrijventerreinen, wegen en infra, landbouwtransitie, Natura 2000 en Natuurnetwerk. Maar ook nieuwe opgaves vanuit de stikstofcrisis, energietransitie, bossenstrategie, biodiversiteitsherstel, klimaatadaptatie en onze watertransitie vragen ruimte. Deze ruimtelijke opgaves zullen bijna allemaal moeten landen op grond die momenteel agrarisch in gebruik is. Het totaal landbouwoppervlak in Nederland bedraagt momenteel circa 1,8 mln. hectare waarvan grasland circa 1 mln. hectare). De afname van landbouwgrond in Nederland ten behoeve van andere functies is al een aantal jaren gaande en zal komend decennium onverminderd groot zijn als gevolg van alle ruimtelijke ontwikkelingen. Met name als gevolg van de grote vraag naar landbouwgrond stijgen de grondprijzen jaarlijks nog altijd fors. De gemiddelde grondprijs voor landbouwgrond in de regio waar het gebied van Waterschap De Dommel in valt (het Zuidelijk Veehouderijgebied) bedraagt inmiddels ca 90.000 euro per ha. Op transactieniveau zijn uitschieters naar meer dan 110.000 euro geen uitzondering (peildatum Q2 2024). 3.2Landbouwtransitie in relatie tot de watertransitie Een groot deel van de agrarische sector heeft het momenteel moeilijk en op veel bedrijven staat het verdienmodel onder druk. Perspectief ontbreekt waardoor de verwachting is dat binnen nu en 10 jaar de helft van de boeren hun bedrijf zal beëindigen. Dat is verklaarbaar, immers heldere kaders/opgaves ontbreken; boeren weten niet waar ze aan toe zijn; wat kan straks nog wel? Dat betekent overigens niet dat de grond van een bedrijf dat stopt, ook beschikbaar komt. Veelal zie je dat deze grond wordt verpacht aan collega’s of wordt verkocht aan beleggers/bedrijven uit de kapitaalkrachtige intensieve tuinbouw-of boomteeltsector. Daarmee komt deze grond dus lang niet altijd op de vrije markt en wordt het grondgebruik bovendien in veel gevallen nog intensiever dan het voorheen was. Boeren hebben grond in eigendom en daarmee een belangrijke sleutel in handen om zowel de gebiedsgerichte aanpak, alsook de veel ruimte vragende ontwikkelingen - zoals de watertransitie - tot een succes te maken. Geredeneerd vanuit de Watertransitie zullen er beperkingen maar zeker ook kansen ontstaan voor agrarisch gebruik van de grond. Indien het waterschap de watertransitie tot een succes kan maken, zal het minder droog worden. Dit draagt direct bij aan een verminderde beregeningsbehoefte. De grondwaterstand stijgt echter niet vanzelf, daar moet het waterschap samen met de landbouwsector maatregelen voor treffen. Vanuit die maatregelen zullen sommige gebieden natter worden, tijdelijk overstromen en/of zal meer ruimte gemaakt moeten worden om water vast te houden, zodat het kan infiltreren. Daarbij is het waterschap weer afhankelijk van de huidige grondeigenaren en zijn de landbouw- en watertransitie nauw met elkaar verbonden: Zonder landbouwtransitie, geen watertransitie! 3.3Oplossingsrichtingen Meervoudig ruimtegebruik nodig, anders past het niet De opgaves waarvoor we staan zijn enorm. Indicatie: Voor Brabant geldt dat de komende 10 jaar circa 20.000 ha landbouwgrond van functie zal moeten veranderen; dat is twee keer zoveel als de afgelopen decennia2 (bron: Ruimtelijke verkenning energie en klimaat Min EZ, IenM en BZK). Veel opgaves worden helaas nog steeds sectoraal (naast elkaar) opgepakt, elk met een eigen proces, tempo en doelen (verstedelijking, Natuurontwikkeling en herstel, Energie- en Landbouw-transitie), zonder samen te kijken hoe de schaarse ruimte voor meerdere functies ingezet kan worden. Denk bijvoorbeeld aan hoe een perceel landbouwgrond wordt omgezet in een zonneweide en daarmee van 100% landbouwproductie naar 100% energieopwekking wordt omgezet, zonder ruimte te bieden aan andere functies die daarmee gecombineerd hadden kunnen worden (denk aan waterberging, bossenstrategie, recreatie of ruimte voor biodiversiteitsherstel). Maar ook dat er als gevolg van de enorme druk op de woningbouwopgave vaak gebouwd wordt op plaatsen waar het vanuit de watersysteembenadering ongewenst is, maar waar dit als gevolg van bestaande grondposities van gemeentes en/of projectontwikkelaars toch gebeurt en de “verloren” ruimte voor water elders weer moet worden gecompenseerd. Het is noodzakelijk meervoudig ruimtegebruik na te streven waarbij de juiste functie op de juiste plek een heel belangrijk uitgangspunt is. Niet alleen onze watertransitie, maar ook de kaders vanuit het Rijk geven daarbij nadrukkelijk aan dat water en bodem sturend moeten zijn. Momenteel werkt de Provincie samen met de Manifestpartners uit Brabant aan de uitwerking van NPLG en gebiedsgerichte aanpak (GGA) om tot meer integrale plannen te komen. Het grondbeleid kan daar op anticiperen en handvatten aanreiken. Strategische grondvoorraad/schuifgrond nodig Om de grote ruimtelijke opgaves via een integrale gebiedsgerichte aanpak invulling te kunnen geven is (ruil)grond nodig. Niet alleen om alle nieuwe functies een plek te geven, maar ook om “beweging” in het gebied te krijgen zodat agrarische bedrijven kunnen verplaatsen naar de voor hen perspectiefrijke locaties/gebieden. Het aankopen van grond valt echter in een overspannen grondmarkt niet mee. Er is relatief weinig aanbod (grond is op dit moment immers een betere belegging dan geld op de bank) en er is veel vraag vanuit veel partijen. Daar waar een projectontwikkelaar, intensieve tuinbouwer of boomteler niet belemmerd wordt om in een onderhandeling een hogere prijs te bieden, is de overheid gebonden aan strikte regels ten aanzien van prijsbeleid, staatssteun etc. Daarmee is het op vrijwillige basis aankopen van (ruil)grond in de huidige markt een tijdrovend en moeizaam proces. Tijd om te wachten totdat we in de huidige marktomstandigheden voldoende grond hebben aangekocht is er niet, dus dat vraagt om de inzet van aanvullende nieuwe manieren/instrumenten. Actieve ruimtelijke sturing Vanuit het verleden zijn veel plekken geschikt gemaakt voor functies die daar van nature (geredeneerd vanuit bodem en watersysteem) niet passend zouden zijn geweest. Door het graven van (soms diepe) watergangen, plaatsen van pompgemalen etc. hebben we op veel plaatsen het systeem naar onze hand gezet ten gunste van agrarisch gebruik en stedelijk gebied. De Watertransitie omschrijft wat daar de gevolgen van zijn en hoe we vanuit drie principes systeemherstel in 2050 nastreven. Geredeneerd vanuit de principes uit de watertransitie wordt een ruimtelijk beeld voor 2050 geschetst waarbij water en bodem sturend zijn. Toepassing van die principes en dat ruimtelijk beeld zal grote gevolgen hebben voor de huidige gebruiksmogelijkheden in bepaalde gebieden aangezien niet meer alles overal kan. Door nu inzicht te geven in wat over 5-10 jaar in bepaalde gebieden als gevolg van de uitwerking van het ruimtelijk beleid niet meer kan en dit juridisch/beleidsmatig te verankeren ben je als overheid duidelijk over de toekomst en weten ondernemers waar ze (binnen een overzienbare periode) aan toe zijn. Gekoppeld aan die periode kan het waterschap ondernemers ondersteunen met een stimuleringsvergoeding. Daarnaast is er een mogelijkheid tot het openstellen van een (opkoop)regeling. Hiermee kunnen grondeigenaren die als gevolg van de nieuwe koers hun bedrijf op de bestaande plek omvormen of juist verplaatsen/stoppen om ruimte te maken voor andere ondernemers, als aanpassing niet mogelijk of wenselijk is. Op die manier kan er beweging op de grondmarkt ontstaan waarmee niet alleen kansen voor grondaankoop door het waterschap ontstaan, maar tevens perspectief ontstaat voor bijvoorbeeld de extensieve melkveehouderij en alternatieve/nieuwe vormen van landbouw die passend zijn bij natte of juist droge omstandigheden. Nieuw perspectief en verdienmodellen De maatschappij heeft de (potentieel stoppende) agrariërs hard nodig om het landelijk gebied voor de toekomst op een goede en duurzame manier te beheren. Vooral op plekken waar straks (geredeneerd vanuit water en bodem sturend) niet meer alles kan, vraagt dat om aangepast agrarisch gebruik met een heel andere bedrijfsopzet en verdienmodel. Voor die gebieden zouden agrariërs/eigenaren naast gewassen en producten ook inkomsten kunnen gaan halen uit het leveren van diensten. Waterschappen moeten daarvoor samen met de sector in de verschillende gebieden op zoek naar nieuw perspectief en (stapelbare) verdienmodellen om ook dat deel van de agrariërs “binnenboord” te houden/krijgen. Denk daarbij aan gebieden waar het vanuit het principe “water en bodem sturend” in de toekomst te nat of te droog is/wordt (bijvoorbeeld groenblauwe zones rond N2000 gebieden of beekdalen). Dit gaat om grote delen van ons waterschap gebied. Het is onmogelijk om al deze grond aan te kopen en we zijn daarbij dus grotendeels afhankelijk van de bereidheid van de huidige eigenaren om met het waterschap mee te bewegen. Denk bijvoorbeeld aan de transitie van een perceel maisland naar een (nat) windmolenbos waarbij inkomsten gehaald worden uit: energieopwekking, houtteelt als gewas, CO₂ vastlegging in hout en bodem, waterberging, natuur en biodiversiteit en recreatieve beleving. Om beloningen voor deze nieuwe verdienmodellen te vergoeden is het niet nodig om de grond aan te kopen, maar kunnen afspraken met de grondeigenaar op perceelsniveau worden vastgelegd. 3.4Grondstrategie Grondstrategie is de keuze van de inzet van instrumenten om grond/ruimte beschikbaar te krijgen voor onze doelen. Het grondbeleid geeft de beschikbare instrumenten weer. In het verleden was de grondstrategie binnen de Dommel hoofdzakelijk gericht op vrijwillige verwerving van (ruil)grond. Vanwege de enorm toegenomen druk op de grondmarkt en ambitieuze doelen vanuit de KRW en watertransitie volstaat die strategie niet meer en dient deze herzien te worden. De grondstrategie zoals hieronder geschetst is van kracht voor het hele werkgebied, waarbij op gebieds-, project- of programmaniveau altijd de keuze kan worden gemaakt om (samen met gebiedspartners) te kiezen voor een afwijkende strategie. Gekoppeld aan het omslagpunt uit het handelingsperspectief watertransitie bestaat de grondstrategie tot 2030 vooral uit instrumenten gericht op verleiden en stimuleren gekoppeld aan duidelijke richtinggevende principes uit het handelingsperspectief. Richting 2030 en daarna zal ook dwingend instrumentarium ingezet gaan worden waaronder onteigening. In onderstaande figuur is de instrumenten mix schematisch weergegeven. 3.5Invloed op grondbeleid Veranderende opgaves, interne en externe ontwikkelingen, zorgen ervoor dat er in het grondbeleid ruimte moet komen en keuzes gemaakt moeten worden die inspelen op deze ontwikkelingen. Op die manier kan het waterschap toekomstige doelen realiseren. Zeker in het licht van de watertransitie is het waterschap een lerende organisatie. Enerzijds moeten kaders ontwikkeld worden, maar anderzijds moet er ook juist ruimte blijven voor maatwerk en om instrumenten nader te ontwikkelen of aan te passen. In dat kader zijn de volgende onderwerpen van belang; ze worden in dit grondbeleid nader uitgewerkt. Verruimen aankoopmogelijkheden Als gevolg van de toegenomen gronddruk en stijgende grondprijzen wordt het steeds lastiger om tegen marktconforme prijzen gronden op vrijwillige basis aan te kopen. Om voldoende ruimte te houden voor tijdige aankoop heeft het waterschap reeds ingezet op de verruiming van de bestaande voorraadrekening (Hoofdstuk 9.8) en blijft het waterschap actief inzetten op de samenwerking met andere overheden zoals Rijk, Provincie, GOB, gemeenten en manifestpartners. In situaties waarin de aankoop van gronden op vrijwillige basis niet succesvol is, biedt de inzet van VSS/Onteigening mogelijkheden - waar dit juridisch noodzakelijk en mogelijk is – voor doelrealisatie. Afgelopen jaren is er in samenwerking met de Provincie veel positieve ervaring opgedaan met de inzet van VSS. Hoofdstuk 7.1 geeft een verdere uitwerking van de instrumenten met betrekking tot aankoop en VSS/Onteigening. Toepassen van het concept van actieve ruimtelijke sturing (niet alles kan overal) leidt als gevolg van opgelegde gebruiksbeperkingen tot een verhoging van de mobiliteit en positieve positionering van het waterschap (en mede overheden) als potentieel koper, maar valt niet direct binnen de kaders van het grondbeleid. In Hoofdstuk 7.2 is verder uitgewerkt hoe dit concept zou kunnen functioneren. Actieve ruimtelijke sturing vraagt wel om intensieve samenwerking met Provincie en Gemeenten met duidelijke juridische kaders, met name omdat het waterschap niet over alle daarvoor vereiste bevoegdheden beschikt. Verkoop meer aansluiten bij watertransitie Het afstoten van gronden in eigendom kan nadelig zijn voor de doelrealisatie van het waterschap. Wanneer gronden in eigendom van het waterschap worden afgestoten, bestaat het risico dat onvoldoende rekening gehouden wordt met de watertransitie waarvoor die gronden hadden kunnen worden ingezet, ook als dat op korte termijn nog niet direct duidelijk is. Zo is bijvoorbeeld het beleid op dit moment om gronden met B-watergangen te verkopen om te besparen op kosten van beheer en onderhoud. Het kan echter in het kader van watertransitie- en/ of biodiversiteitsdoelen wenselijk zijn éérst de desbetreffende maatregelen uit te voeren dan wel aan een eventuele verkoop zodanige afspraken te verbinden dat de koper de doelen van het waterschap realiseert. Hetzelfde geldt voor onderhoudspaden. Daarvoor geldt nu het principe ‘Eigendom, tenzij de onderhoudspaden minder dan twee keer per jaar nodig zijn voor onderhoud aan de watergang’. Een groter oppervlak van onderhoudspaden in eigendom van het waterschap kan bovendien voordelen bieden voor biodiversiteit, recreatie etc. Met name vanuit doelmatigheidsoverwegingen bepalen de huidige richtlijnen, dat grond die niet (meer) nodig is voor waterdoelen of gronden naast watergangen die overbodig zijn, worden afgestoten. Beredeneerd vanuit de watertransitiedoelen kunnen echter veel meer gronden in de toekomst inzetbaar zijn, voor andere doelen en ook om andere partijen in beweging te krijgen, ook door meervoudig ruimtegebruik. Het stelselmatig afstoten van gronden in eigendom (zonder dat de doelen vanuit de watertransitie worden gediend) is daarom onwenselijk. Het vergt wel (financiële) ruimte om gronden langer in eigendom te kunnen houden. In ieder geval totdat helder is of de desbetreffende gronden in welke vorm dan ook inderdaad een bijdrage kunnen leveren aan de watertransitie. Vervolgens kunnen, na het realiseren van de gewenste situatie, de gronden alsnog verkocht worden. In Hoofdstuk 9.7.2 is verkoop verder uitgewerkt. De eigendom van gronden is géén doel op zich, maar slechts een instrument om doelen te bereiken! Vanuit dat gezichtspunt dienen de kaders te worden verruimd voor de situaties waarbij eigendom van grond (tijdelijk) wel te rechtvaardigen is, dan wel eigendom juist niet nodig of wenselijk is. Het gelijkheidsbeginsel blijft hierbij een relevant aandachtspunt. Uitbreiding instrumentenkoffer Het uitbreiden van de instrumentenkoffer is een vaak gehoorde term, maar in de praktijk blijft de focus vooral gericht op grondverwerving via aankoop en/of ruiling. Vanuit de traditionele beekherstel- en NNP-opgaves waarbij projecten aan/nabij de beek worden uitgevoerd in de lagergelegen gebieden, blijft dit mogelijk ook wel de geëigende methode. Met het oog op de verbrede opgaven die vaak ook buiten de beekdalbegrenzing liggen (hoge koppen en flanken) moeten er echter aanvullende instrumenten ontwikkeld worden. De instrumenten moeten dusdanig interessant zijn voor de grondeigenaar en aansluiten bij zijn behoeftes (opgaves vanuit landbouwtransitie) dat deze genegen is om mee te werken aan het realiseren van de doelen en opgaves van het waterschap. Dit vraagt echter ook om keuzes: Inzetten van Groenblauwe diensten waarbij het bedrijfseconomisch interessant wordt voor de grondeigenaar om hieraan mee te werken; Omdat niet eigendom, maar het doel voorop staat, moet het waterschap meer werken met het afwaarderen/herwaarderen van grond en daar waar wenselijk afspraken op perceelniveau vastleggen in de vorm van een Kwalitatieve Verplichting. (Zie 7.2.2) Vestigen van opstalrechten voor het (tijdelijk) ‘stallen’ van water (bijvoorbeeld in combinatie met zonneweide). (Zie 7.2.2) Daarnaast kan wellicht onderzocht worden of er in bepaalde gebieden een voorkeursrecht3 Het vestigen van een voorkeursrecht tot koop geeft aan die partij het eerste recht van koop. Besluit een eigenaar tot verkoop dan moet hij de grond eerst aan de voorkeursgerechtigde aanbieden en kan hij dus niet direct de grondmarkt op. De partij met het voorkeursrecht heeft vervolgens de keuze – niet de verplichting – of hij de grond al dan niet wil kopen. gevestigd kan worden. Eigendommenbeheer meer aansluiten bij watertransitie Bij de huidige gronduitgifte moet het waterschap meer aansluiten bij de watertransitie en de (toekomstige) ontwikkelingen. We kennen reeds het systeem van de duurzame gronduitgifte bij pacht, maar ook op andere vlakken (onderhoudspaden, voortgezet gebruik projectgronden, etc.) zijn voordelen te behalen. Bijkomend voordeel is dat de grondgebruiker op die manier ook meer in aanraking komt met het verduurzamen van het grondgebruik. Daarnaast gaat het waterschap nadrukkelijker afwegen wát er aan grond uitgegeven kan worden, in welke vorm en tegen welke condities. Hiermee kan er beter gestuurd worden op de kwaliteit van de grond, waarbij het behoud van de economische waarde wel een belangrijk uitganspunt blijft. Zo kan natuurpacht van grond in eigendom van het waterschap, meerjarig verpacht worden, evenals reguliere landbouwgrond waarvoor op korte termijn geen bestemming is. Verder worden inrichtingsgronden vaak nog een periode landbouwkundig gebruikt. Deze kunnen beter ingezet worden voor een natuurlijk beheer. In Hoofdstuk 6 staat uitgewerkt hoe het waterschap daarmee omgaat. Exploiteren gronden in eigendom en oneigenlijk gebruik Het grootste deel van de gronden in eigendom van het waterschap wordt via pacht aan derden in gebruik gegeven. Er zijn ook gronden die om niet – dus zonder vergoeding - in gebruik zijn gegeven (vaak op basis van verzoeken vanuit de organisatie of vergunningsaanvragen voor gronden in eigendom van het waterschap), waarvoor het waterschap wel een vergoeding zou kunnen vragen. Voorbeelden zijn perceelgedeelten die gebruikt worden als landbouwgrond, tuingrond, erfverharding etc. De oplossing hiervoor is om meer aan te sluiten bij het systeem dat gemeenten en andere waterschappen hanteren, namelijk het (commercieel) verhuren van die gronden. Naast verhoogde inkomsten zorgt het ook voor een meer verantwoord en duurzamer gebruik door de gebruiker omdat er voorwaarden aan het gebruik gesteld worden. Op dit moment wordt nieuw gebruik van dergelijke gronden door derden privaatrechtelijk goed vastgelegd, maar er zijn vanuit het verleden nog veel locaties waarbij dat niet gebeurd is. Vaak is dit ontstaan als gevolg van een publiekrechtelijke toestemming (vergunning, ontheffing) zonder dat daar privaatrechtelijk iets voor geregeld is. Daarnaast is er ook sprake van illegaal grondgebruik: gebruik zonder toestemming van het waterschap. Het waterschap loopt het risico door verjaring de eigendom van dergelijke gronden te verliezen. Op dit moment krijgt oneigenlijk gebruik nauwelijks tot geen aandacht. Het grondbeleid schept kaders waarbinnen dit oneigenlijk gebruik opgeheven kan/moet worden (zie Hoofdstuk 5.5 oneigenlijk gebruik). Eenduidige toepassing herwaarderen van grond of afwikkelen van schade. Wanneer het waterschap de principes uit de watertransitie toepast zijn functies in de toekomst volgend aan het water en bodemsysteem. Op veel percelen is er momenteel een vorm van grondgebruik dat niet passend is (of nadeel ondervindt) bij een meer natuurlijk water- en bodemsysteem. Geredeneerd vanuit “water en bodem sturend” zal dan ook niet meer alles overal mogelijk zijn en is het wenselijk dat functies zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden. Als gevolg van hoge grondwaterstanden en natuurlijke inundatie ontstaat (geredeneerd vanuit het huidige gebruik) schade. Deze schade kan zoveel mogelijk worden voorkomen door op voorhand afspraken te maken en deze op perceelniveau vast te leggen. In Hoofdstuk 8 is uitgewerkt hoe het waterschap hiermee omgaat. Momenteel kent het waterschap schaderegelingen voor o.a. grondwaterstandsverhogingen (leidraad herstel NNP), inundatie, waterberging etc. Hierin is helder vastgelegd wanneer er aanspraak gemaakt kan worden op welk type schadevergoeding. Bescherming van transportleidingen Het waterschap kent op dit moment een versnipperde situatie voor de bescherming van transportleidingen. Deels is dit via opstalrechten geregeld, deels via vergunningen maar een gedeelte is nog onvoldoende beschermd. Dit vraagt om beleidskeuzes welke in Hoofdstuk 5.3 zijn uitgewerkt. 4.Uitgangspunten Inleiding Het grondbeleid is van toepassing op alle gronden die in eigendom of gebruik zijn bij het waterschap. Het AB stelt de kaders vast, het DB heeft het mandaat om binnen deze vastgestelde kaders beleid vast te stellen. Gewijzigde of nieuwe kaders worden altijd voorgelegd aan het AB. Eigendom gronden (H5) Daar waar gesproken wordt over eigendom of zaken wordt in dit grondbeleid nadrukkelijk bedoeld de eigendom van onroerende zaken, zoals gronden, gebouwen en andere werken zoals kunstwerken die al dan niet rechtstreeks duurzaam met de grond zijn verenigd. Uitgangspunt vanuit doelmatigheid is dat daar waar een minder sterk recht zou volstaan, eigendom (in beginsel) altijd voldoet. Waar een ander recht voldoet, maar het beleid eigendom voorschrijft, is het niet doelmatig om die eigendom tegen elke prijs te verwerven. Het waterschap stimuleert zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik. Het stelselmatig afstoten van gronden in eigendom is onwenselijk, voorafgaand aan verkoop dient altijd een integrale afweging plaats te vinden. De eigendom van gronden is géén doel op zich, maar slechts een instrument om doelen te bereiken. A-watergangen zijn in eigendom van het waterschap, tenzij er gegronde redenen zijn om deze niet in eigendom te hebben. Dit geldt ook voor heringerichte wateren. B- en C-watergangen behoeven in beginsel geen eigendom van het waterschap te zijn; A-AA-watergangen worden actief afgestoten. Voordat B- en C-watergangen worden verkocht toetsen we of een herinrichting gewenst is. Zo ja, dan wordt de watergang vóór overdracht heringericht of met afspraken daarover verkocht. Na de realisatie van een inrichtingsproject wordt afhankelijk van de situatie, en gebaseerd op een aantal scenario’s, een afweging gemaakt hoe om te gaan met het heringerichte gronden. Het waterschap houdt of neemt onder voorwaarden de voor het reguliere onderhoud minimaal benodigde breedte in eigendom, tenzij er vanuit doelmatigheid gegronde redenen zijn dit niet te doen. Regionale keringen zijn in eigendom, tenzij. Overige keringen zijn niet in eigendom, tenzij. Waterbergingsgebieden, zowel natuurlijk als gestuurd, zijn niet in eigendom bij het waterschap. De eigendom van de ondergrond van kunstwerken, volgt in beginsel de eigendomssituatie van de watergang waarin, -op en -langs het kunstwerk zich bevindt. Wanneer eigendom niet mogelijk is, is een zakelijk recht gewenst. Bruggen, overkluizingen en dammen zijn geen eigendom van het waterschap tenzij ze essentieel zijn voor (onderhoud van) of onderdeel uitmaken van het watersysteem. Voor transportleidingen van het waterschap en de bijbehorende onderdelen wordt op de desbetreffende grondstrook een zakelijk recht van opstal gevestigd. Voor transportleidingen van vóór 2007 waarvoor geen opstalrecht is gevestigd kan worden volstaan met een registratie in het openbare register. Het waterschap hanteert (uniforme) algemene voorwaarden bij de vestiging van opstalrechten ten behoeve van rioolwatertransportleidingen. Deze voorwaarden zijn bij de notaris gedeponeerd. Het waterschap treedt handhavend op tegen oneigenlijk gebruik. Eigendommen van het waterschap zijn in beginsel niet inzetbaar voor de GLB-opgave als landschapselement, tenzij aan enkele strikte voorwaarden wordt voldaan. Beheer gronden (H6) Ingebruikgeving aan derden voldoet altijd aan de volgende eisen: Via een schriftelijke overeenkomst; Tegen marktconforme vergoedingen; In overeenstemming met wet- en regelgeving. Bij de keuze voor een contractvorm –en duur wordt aansluiting gezocht bij de investerings- en/of afschrijvingstermijn. Het waterschap hanteert eigen pachtvoorwaarden, gebaseerd op de voorwaarden van het GOB, maar desgewenst aangepast naar de situatie van het waterschap. Landbouwgronden welke niet direct ingezet worden voor doelrealisatie, blijven onder voorwaarden in gebruik bij agrarische bedrijven. Indien agrarische grond in gebruik gegeven wordt aan een agrariër, dan wordt gebruik gemaakt van geliberaliseerde pachtovereenkomsten. Indien sprake is van reeds bestaande reguliere pachtovereenkomsten worden deze uitgediend en daarna, indien mogelijk omgezet naar geliberaliseerde pachtovereenkomsten of beëindigd. Huur, bruikleen en pacht van geringe oppervlakte, vinden in beginsel plaats voor de duur van één jaar met stilzwijgende verlenging, met tussentijdse opzegmogelijkheden. Gronden in eigendom van het waterschap die niet voor verkoop in aanmerking komen, kunnen worden bezwaard met een zakelijk recht mits dit een toekomstige inrichting niet belemmert. Indien mogelijk staat het waterschap medegebruik door derden van gronden in eigendom toe. Hieronder valt ook extensieve recreatie en vis- en jachtrechten. Instrumenten (H7) De verwerving van gronden in eigendom vindt in beginsel plaats op vrijwillige basis. Er wordt proactief op de grondmarkt geacteerd, onder meer om de beschikking te krijgen over voldoende ruilgrond waarmee vervolgens water- en/of gebiedsdoelen gerealiseerd kunnen worden. Wanneer eigendomsverkrijging van bepaalde gronden noodzakelijk wordt geacht en de beschikking daarover niet via de gedoogplichtprocedure of vrijwillige verkoop kan worden verkregen, kan het waterschap het instrument ‘onteigening’ als uiterst middel inzetten, waardoor in het projectgebied volledige schadeloosstelling (VSS) kan worden toegepast. Het Algemeen Bestuur heeft besloten tot mogelijke inzet van het onteigeningsinstrument. Het Dagelijks Bestuur stelt binnen dit kader een (ontwerp)projectbesluit vast. Pas dáárna kan sprake zijn van volledige schadeloosstelling (VSS). Het Algemeen Bestuur besluit tot het geven van de onteigeningsbeschikking op individuele percelen waarbij minnelijke verwerving niet is geslaagd. Het waterschap zet het projectbesluit actief in om ruimte voor water te claimen c.q. invulling te geven aan water en bodem sturend. Het waterschap zet Waterschapsverordening actief in om de ruimte voor water te claimen/ invulling te geven aan water en bodem sturend. In situaties waarin eigendomsverwerving van grond niet is vereist, geldt als uitgangspunt dat het gebruik van die gronden van derden in beginsel op minnelijke basis plaatsvindt. In geval het waterschap hier niet in slaagt, wordt zo mogelijk het instrument gedoogplicht tegen de desbetreffende grondeigenaar ingezet. In aanvulling op publiekrechtelijke instrumenten zet het waterschap daar waar wenselijk en mogelijk ook privaatrechtelijke instrumenten in bij het realiseren van de doelen. Voor landbouwgrond die niet door het waterschap wordt ingericht maar waterhuishoudkundige substantiële schade ondervindt als gevolg van een door het waterschap uitgevoerde maatregel, heeft in het kader van de water- en landbouwtransitie een aangepast landbouwkundig gebruik de voorkeur. Het waterschap stimuleert ecosysteemdiensten/ groenblauwe diensten indien deze een bijdrage leveren aan de doelrealisatie van het waterschap. Het waterschap zet actief alternatieve instrumenten in om tot doelrealisatie te komen. Schadevergoedingen (H8) Schadevergoedingen worden op transparante en uniforme wijze vastgesteld en in een (vaststellings)overeenkomst vastgelegd. Voorzienbare schade als gevolg van een voorgenomen project of plan wordt zoveel mogelijk vooraf vastgesteld en in een overeenkomst met betrokkenen vastgelegd. Zo nodig wordt als onderdeel van de overeenkomst, via de notaris een kwalitatieve verplichting (KV) gevestigd die geregistreerd wordt in de openbare registers. Voor schade als gevolg van inundatie in een gestuurd waterbergingsgebied geldt de Brabantbrede verordening ‘Schadevergoeding bij waterberging (inundatie). Voor het financieel compenseren van schade door verhoging van het grondwaterpeil gebruikt het waterschap de Leidraad herstel natte natuurparels. De schadevergoeding leggen we vast in een overeenkomst en geregistreerd in P
- Voor het financieel compenseren van schade door inundatie maakt het waterschap gebruik van de methodiek zoals is omschreven in het beleidsdocument ‘Afkoop inundatieschade als gevolg van effecten, door ingrepen in het watersysteem’. De vergoeding van vermogensschade als gevolg van inundatie wordt via een kwalitatieve verplichting vastgelegd zodat de gewijzigde waarde voor het gebruik ook voor opvolgende eigenaren inzichtelijk is. Afspraken over eigendom en/ of beheer van ingerichte gronden na uitvoering van een project, worden in een zo vroeg mogelijk stadium vastgelegd. Doelrealisatie staat voorop. Wanneer geen afspraken gemaakt kunnen worden over (eind)eigendom/ of beheer van ingerichte gronden na uitvoering van een project, staat dat doelrealisatie niet in de weg. Het bepalen van gewasschades als gevolg van de aanleg van (transport)leidingen en andere werken, is gebaseerd op jaarlijks geactualiseerde vergoedingsnormen van de ‘Gezamenlijke leidingbeheerders Zuid-Nederland voor aanleg leidingen in land- en tuinbouwgrond’. Processen en richtlijnen (H9) Prijsbeleid Maatwerkvergoedingen worden slechts incidenteel toegepast en enkel in overleg met de opdrachtgever. Grondaankoop op vrijwilligere basis vindt in beginsel plaats tegen taxatiewaarde met max 5% marge. Enkel in geval bijzondere marktomstandigheden kan het bestuur hier gemotiveerd van afwijken. Bij onderhandse verpachting worden marktconforme prijzen en referentieprijzen van collega overheden als basis genomen voor de pachtprijs. Bij openbare verpachting geldt de (fictieve) inschrijfprijs. Bij huur wordt een marktconforme vergoeding gevraagd waarvoor een prijslijst wordt ontwikkeld, bij bruikleen wordt géén vergoeding gehanteerd. Het waterschap hanteert voor zakelijke rechten voor leidingen het tarief van de zogenaamde ‘zuidelijke leidingleggers’. Het heeft de voorkeur om als waterschappen gezamenlijk, tot één tariefstelsel te komen. Provincies, waterschappen en gemeenten kunnen maatregelen gericht op natuur, landschap, cultuurhistorie, recreatie of waterbeheer subsidiëren, met een regeling die is gebaseerd op de Catalogus Groenblauwe Diensten (CGBD). Het waterschap hanteert géén behandelvergoeding voor verzoeken voor grondtransacties –of gebruik. Bij grondtransacties houdt het waterschap rekening met de regels ten aanzien van staatssteun. Proces aan-/verkoop Grondaankopen vinden plaats op een heldere en transparante wijze waarbij volgens objectieve, toetsbare en redelijke criteria wordt gehandeld. Op project- of gebiedsniveau wordt de strategie bepaald hoe gronden beschikbaar te krijgen voor de (gebieds)doelen. Het waterschap houdt rekening met het Didam-arrest voor wat betreft onderhandse en openbare verkopen. Voorraadrekening (VRR) De VRR is met name bestemd voor gronden voor waterdoelen/projecten van het proces Realisatie Watersysteem en incidenteel voor andere processen. Tevens kan de VRR ingezet worden voor de aankoop van strategische gronden en van NNB-gronden waarvan het waterschap geen eindbeheerder wordt maar wel nodig zijn voor doelrealisatie. Waar mogelijk wordt bij grondverwerving samengewerkt met partners, zowel qua strategie als voor het inzetten van elkaars eigendommen. 5.Eigendom gronden Het eigendomsrecht is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben, volgens het Burgerlijk Wetboek4 Art. 5.1 BW. Eigendom is een absoluut recht, dat wil zeggen dat een eigenaar in beginsel zijn recht tegenover iedereen kan handhaven en daarmee ongewenste ontwikkelingen kan tegengaan of gewenste ontwikkelingen kan realiseren. Een eigenaar mag – binnen de grenzen van de wet – zijn eigendom gebruiken zoals hij dat wil. 5.1Eigendom 5.1.1Algemeen Zoals in de inleiding al is vermeld, geeft het Burgerlijk Wetboek in boek 5 een omschrijving van eigendom. Eigendom is het meest omvattende recht dat een (rechts)persoon op een zaak kan hebben. De eigenaar van een zaak kan deze, met uitsluiting van anderen, vrij gebruiken zolang dat gebruik niet in strijd is met de rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften gegronde beperkingen in acht worden genomen. Eigendom geeft de eigenaar het recht over de zaak te beschikken zoals hij dat wil en zorgt er ook voor dat de eigenaar de zaak optimaal kan benutten. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan het eigendomsrecht worden aangetast. Daarvoor zijn in de wet strikte voorwaarden opgenomen, zoals in artikel 14 Grondwet en in de Onteigeningswet. Voor een uitgebreide omschrijving van de onteigeningsprocedure wordt verwezen naar hoofdstuk 7.1.
- Bij het waterschap is onteigening een uiterste oplossing, die pas in beeld komt wanneer vrijwillige verkoop onmogelijk blijkt en er een groot en urgent belang is bij eigendomsverkrijging van de desbetreffende gronden. De eigendom van een zaak kenmerkt zich dus door het hebben van de bevoegdheid om vrij over de zaak te kunnen beschikken, deze te kunnen gebruiken, verkopen, te belasten met (zekerheids)rechten of in gebruik te geven aan derden. De vraag is of het waterschap met het oog op doelrealisatie in alle gevallen ook eigenaar van de gronden moet zijn, of dat er andere minder vergaande rechten en bevoegdheden zijn die het waterschap evengoed voldoende waarborgen bieden om zijn wettelijke en maatschappelijke taken te kunnen uitoefenen. In veel gevallen biedt de Waterschapsverordening in samenhang met de formele water-wetgeving een toereikend publiekrechtelijk instrumentarium om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen dan wel gewenste ontwikkelingen te realiseren. Toch leert de praktijk dat uitsluitend publiekrechtelijke middelen niet altijd toereikend zijn voor de behartiging van de belangen van het waterschap. Volgens het Burgerlijk Wetboek heeft eigendom betrekking op zaken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen roerende en onroerende zaken. De hier genoemde zaken betreffende onroerende zaken. Daar waar gesproken wordt over eigendom of zaken, wordt in dit grondbeleid nadrukkelijk bedoeld de eigendom van onroerende zaken, zoals gronden, gebouwen en andere werken zoals kunstwerken die al dan niet rechtstreeks duurzaam met de grond zijn verenigd. 5.1.2Voordelen eigendom Het waterschap heeft veel gronden in eigendom. Deze vervullen vrijwel alle een rol bij de primaire taken van het waterschap of hebben daarmee een rechtstreekse functionele relatie. Te denken valt daarbij aan gronden met daarop waterkeringen, kades, watergangen, gestuurde waterbergingsgebieden, zuiveringsinstallaties, etc.. respectievelijk kantoor, werkplaatsen etc.. Een onbezwaard eigendomsrecht geeft een eigenaar de meeste vrijheid in het gebruik van de onroerende zaak. Onbezwaard wil zeggen dat er geen rechten van derden op de zaak rusten, zoals huur of pacht of een zakelijk (opstal)recht. In feite is eigendom de bouwsteen voor het economisch functioneren van onze maatschappij. Zo kan eigendom dienen als ‘zekerheid’ voor het verkrijgen van financiering. Ook kan eigendom zorgen voor opbrengsten, zoals in geval van verhuur en verpachting van onroerende zaken. Meer specifiek is grond tevens een primair productiemiddel. Eventueel in combinatie met andere productiefactoren, levert het een product (voedingsmiddelen, brandstof) of een waarde (natuur, veiligheid en/of bescherming). Het eigendomsrecht vormt tevens bescherming tegen ongewenste ontwikkelingen van buitenaf. Het staat een eigenaar namelijk vrij om over zijn eigendom te beschikken, deze te verkopen of deze – binnen de grenzen van de wet – te gebruiken zoals hij dat wil, of door anderen te laten gebruiken. Bijkomend voordeel voor het waterschap is, dat gronden kunnen worden ingezet als ruilmiddel voor gronden van derden, waardoor gewenste voorzieningen sneller worden gerealiseerd. Deze voordelen én het gebruik van het civiele recht worden in de Omgevingswet onderschreven door de nationale wetgever. 5.1.3Nadelen eigendom Hoewel de eigendom van onroerende zaken de eigenaar een grote mate van vrijheid biedt, zijn er aan eigendom ook nadelen verbonden. Zo gaan verkrijging en bezit van eigendom gepaard met de heffing van belastingen en met overdrachts- en financieringskosten. Ook dienen gronden te worden beheerd en onderhouden om deze in de gewenste staat te krijgen of te houden. Beheer en onderhoud kunnen forse kostenposten opleveren. In geval van niet eigen gebruik, maar verhuur of verpachting aan derden, kan sprake zijn van contractueel beheer, met alle verplichtingen van dien voor de grondeigenaar. 5.1.4Risico’s van eigendom Het hebben van eigendom kan ook risico’s met zich meebrengen. Hierna wordt ingegaan op de risico’s die specifiek voor grondeigendom gelden. Verjaring Gronden hebben in ieder geval de zekerheid dat deze naar hun ‘aard’ niet verloren kunnen gaan. Dit houdt niet automatisch in dat eigendom ook altijd eigendom blijft. In sommige situaties gedragen derden zich als eigenaar en wanneer dit geruime tijd voortduurt (>10 resp. > 20 jaar, met het vereiste dat de feiten en omstandigheden ondubbelzinnig wijzen op de pretentie van eigendom), kan de desbetreffende ‘bezitter’ zich met succes op verjaring beroepen en is de eigendom van de gronden daarmee op die persoon overgegaan. Zeker bij instellingen met veel grondeigendom (overheden, terreinbeherende organisaties) waar de controle op eigendomsgrenzen moeilijk uitvoerbaar is en er geen sprake is van duidelijke uitoefening van de ‘bezitsdaden’ door de rechtmatige eigenaar, bestaat het risico dat eigenaren van de naburige gronden, deze gronden in gebruik nemen en de eigendom daarvan op enig moment kunnen verwerven (een nadere uitwerking staat in hoofdstuk 5.4) Verantwoordelijkheid eigenaar en risicoaansprakelijkheid Een grondeigenaar heeft de verantwoordelijkheid voor zijn gronden en opstallen. Deze verantwoordelijkheid strekt zich uit van beheer en onderhoud tot en met de kwaliteit van de gronden (bodemverontreiniging). Op basis van artikel 6:174 BW is een eigenaar aansprakelijk bij schade door een gebrek aan die opstallen, zónder dat er sprake hoeft te zijn van schuld of een verwijt. Het gaat hier om een risicoaansprakelijkheid die verbonden is aan de hoedanigheid van ‘eigenaar’. In een dergelijke situatie kan de eigenaar zich niet verweren met het argument dat hij ‘er niets aan kon doen’. In datzelfde kader is bodemverontreiniging in een perceel in beginsel voor rekening en risico voor de grondeigenaar, tenzij kan worden aangetoond dat de bodemverontreiniging is ontstaan door toedoen van een ander. Waarde fluctuatie/marktontwikkelingen Grond vertegenwoordigt een marktwaarde en de geschiedenis leert dat deze waarde kan fluctueren. Enerzijds ondergaan de meeste gronden in de loop der tijd een waardestijging (zie figuur 1.1). Nog afgezien van de inflatie, kunnen gebruiksmogelijkheden en ontwikkelingen in markt, en of landelijk en Europees beleid, de grondprijs, al of niet tijdelijk, omhoogstuwen (courante gronden). Bij dalende marktprijzen bestaat het risico dat bij de verkoop/doelrealisatie van bijvoorbeeld ruilgrond een lagere prijs per hectare geldt dan bij aankoop is betaald. Gezien het bovenstaande moet in geval van grondruil of compensatie van gronden rekening gehouden worden met eventuele grillige marktomstandigheden. Het verloop van de grondmarkt is moeilijk te voorspellen en hangt af van vele andere factoren en omstandigheden. Dit maakt dat de grondmarkt in dat opzicht tevens een risico kan vormen voor gronden in eigendom, met name wanneer er sprake is van een grote strategische grondvoorraad. 5.1.5Doelmatigheid Vanwege doelmatig eigendomsbeheer voert het meestal te ver om waar het beleid eigendom ‘voorschrijft’ en de beschikbaarheid al gewaarborgd is via een ander recht, onevenredig veel tijd en geld te steken in verwerving. In die situaties kan ervoor gekozen worden om de doelrealisatie via een ander recht te borgen. Aandachtspunt hierbij is dat er een integrale afweging moet worden gemaakt omdat het eigendomsrechten andere rechten/plichten kent dan bijvoorbeeld een zakelijk recht. Als voorbeeld kan aan de verhuur van het visrecht worden gedacht. Dat geldt ook andersom. In gevallen waar het waterschap beschikt over de eigendom van gronden, maar waar een zakelijk recht kan volstaan, is het meestal niet doelmatig die gronden af te stoten en daarvoor in de plaats een ander recht te vestigen. Uitgangspunt vanuit doelmatigheid is dat daar waar een minder sterk recht zou volstaan, eigendom (in beginsel) altijd voldoet. Waar een ander recht voldoet, maar het beleid eigendom voorschrijft, is het niet doelmatig om die eigendom tegen elke prijs te verwerven. 5.2Hoofdlijn beleid watersysteem Om de waterdoelen te realiseren treft het waterschap diverse maatregelen, zoals opgenomen in het Waterbeheerprogramma
- Het betreft maatregelen zoals beekherstel, EVZ’s, vispassages en natuurvriendelijke oevers (NVO). Voor de uitvoering van de meeste maatregelen is de beschikbaarheid van gronden noodzakelijk, al dan niet op basis van eigendom. Naast deze concrete doelen wil het waterschap vanuit de watertransitie ook meer invloed uitoefenen op de benodigde verandering van een systeem gericht op afvoeren naar een systeem van vasthouden. Ook dat heeft invloed op (de waarde van) eigendom. 5.2.1Algemeen De doelen voor beekherstel, een vispassage, EVZ’s en of NVO zijn vaak heel duidelijk en liggen op perceelsniveau vast. De doelen gerelateerd aan de Watertransitie zijn echter veel minder concreet. Bij de realisatie van de watertransitiedoelen is het Waterschap bovendien sterk afhankelijk van de medewerking en inspanningen van derden. Met name wanneer het waterschap gronden verkoopt, bestaat het risico dat onvoldoende rekening gehouden wordt met watertransitiedoelen waarvoor die gronden juist kunnen worden ingezet, ook als dat op korte termijn nog niet direct duidelijk is. Wanneer gekeken wordt naar grondverwerving als middel voor doelrealisatie en niet als doel op zich, dienen zich ook ándere mogelijkheden aan om de gronden te benutten. Het voormalige beleid bepaalde - vanuit doelmatigheidsoverwegingen - dat grond die niet (meer) nodig is voor waterdoelen of gronden naast watergangen die overbodig zijn, werden verkocht. Beredeneerd vanuit de watertransitiedoelen kunnen die gronden in de toekomst mogelijk inzetbaar zijn voor andere doelen, of juist om andere partijen in beweging te krijgen. Zo kan natuurgrond ineens gaan fungeren als ruilgrond. Ook zijn deze gronden mogelijk te benutten voor het stimuleren van meervoudig ruimtegebruik. Een andere reden om grond langer in bezit te houden treedt op wanneer na de uitvoering van een project nog niet met volledige zekerheid gezegd kan worden wat de werkelijke effecten zijn. Dan wordt eerst nog enkele jaren gemonitord voordat de betreffende grond verkocht wordt. Tenslotte kan het ook vanuit een beheeroogpunt wenselijk zijn om grond in eigendom te houden, die overweging dient dan wel apart te worden vastgelegd (zie H.5.2.3). Het stelselmatig afstoten van gronden in eigendom, is daarom onwenselijk en zal per individueel geval moeten worden beoordeeld, waarbij het tussentijds beheer ook onderdeel uitmaakt van de te maken afwegingen. Vanuit voornoemd gezichtspunt worden de kaders verruimd voor situaties waarin het te rechtvaardigen is om gronden - al dan niet tijdelijk - in eigendom te houden. Het waterschap stimuleert zoveel mogelijk het meervoudig ruimtegebruik. Het stelselmatig afstoten van gronden in eigendom is onwenselijk, voorafgaand aan verkoop dient altijd een integrale afweging plaats te vinden. Het in eigendom houden van gronden, alsmede om te onderzoeken of deze kunnen worden ingezet voor de watertransitie vergt wel financiële ruimte. In ieder geval totdat helder is of deze gronden - in welke vorm dan ook - inderdaad een bijdrage kunnen leveren aan de watertransitie. Na het realiseren van de gewenste situatie, kunnen bedoelde gronden eventueel alsnog verkocht worden. In Hoofdstuk 9.7.3 is verkoop verder uitgewerkt. De eigendom van gronden is géén doel op zich, maar slechts een instrument om doelen te bereiken! De eigendom van gronden is géén doel op zich, maar slechts een instrument om doelen te bereiken. 5.2.2Watergangen A- watergangen Het grootste deel van de A-wateren zijn de waterlopen met een maatgevende afvoer van minimaal 30 liter per seconde. Andere oppervlaktewaterlichamen met een A-status zijn wateren met een belangrijke nevenfunctie zoals KRW, wateren waarin zich een riooloverstort of regenwateroverstort bevindt, en wateren met een belangrijke aanvoerfunctie. Voor A-watergangen geldt dat het behouden of verkrijgen van de eigendom (in beginsel van insteek tot insteek), leidend is, tenzij Een eigenaar niet (tegen marktconforme waarde) vrijwillig afstand wil doen van zijn grond. Het waterschap kan immers ook gebruik maken van zijn publiekrechtelijke instrumenten voor beheerdoeleinden, dan wel van privaatrechtelijke mogelijkheden, waaronder zakelijke rechten, zoals een recht van opstal. Deze gedragslijn geldt zowel in geval van particuliere als publieke eigenaren, dus bijvoorbeeld ook voor gemeenten. Verwacht wordt dat de watergang op korte of lange termijn gedempt of verlegd wordt. Verwerven is dan immers niet doelmatig. Verwerving niet doelmatig is (zie 5.1.5). Bijvoorbeeld als er bij ‘opwaardering’ van een watergang sprake is van achterstallig onderhoud dat de ‘oude’ eigenaar niet wil of kan wegwerken voorafgaand aan overdracht. Dit geldt ook voor watergangen die wel ‘op orde’ zijn. Beekherstel Bij beekherstel worden de nieuwe watergangen of meanders eigendom van het waterschap. Gekoppeld aan de aankoop van de ondergrond voor de nieuwe meanders is het waterschap bereid om een zone aan te kopen waarbinnen deze meander wordt gegraven. Van gedempte watergangen waarvan de ondergrond geen functie meer heeft voor het (onderhoud van) het watersysteem kan de eigendom worden afgestoten. Bij meanderende beken die zich in de loop der tijd enigszins verleggen, geldt dat eigendom en ligging niet per definitie 1 op 1 hoeven aan te sluiten. Het motief daarvoor is dat het administratief bijhouden/ -verwerken van eigendom onevenredig veel werk kost ten opzichte wat het waterschap daarmee voorkomt of bereikt. A-watergangen zijn in eigendom van het waterschap, tenzij er gegronde redenen zijn ze niet in eigendom te hebben. Dit geldt ook voor heringerichte wateren. Overige watergangen C-wateren: oppervlaktewaterlichamen waarbij gebruik is gemaakt van de vrijstelling van opname in de legger uit artikel 5.2 lid 5 Verordening water van de provincie. Over het algemeen betreft dit wateren met een afvoer van minder dan 10l/s. B-wateren: alle oppervlaktewaterlichamen die géén A-water of C-water zijn. Voor C-wateren waarvan door de beheerder is vastgesteld dat deze een knelpunt (kunnen) vormen voor de waterbeheersing (wateroverlastsituaties) wordt in principe geen gebruik gemaakt van de vrijstelling als bedoeld in artikel 5.2 lid 6 Verordening. Door deze als B-water op de legger te plaatsen kunnen ze worden meegenomen in de schouw. Daarnaast zijn in de legger A-wateren opgenomen met een afwijkende afvoercapaciteit (A-AA-wateren). Dit zijn watergangen met een maatgevende afvoer kleiner dan 30 liter/sec waar het waterschap aanliggend eigenaar is van een strook naast de watergang van 90 cm of meer. Om zelf (machinaal) onderhoud uit te kunnen voeren wil het waterschap de obstakelvrije zone uit de Waterschapsverordening kunnen handhaven. Door de AA-status komt de watergang op de kaart. Tot dusver was het beleid de gronden waarop deze watergangen liggen bij voorkeur niet in eigendom te houden van het waterschap. Gelet echter op de watertransitie is het uitgangspunt momenteel deze watergangen in aangepaste vorm (verondiept, gedempt) in beheer over te dragen aan bijvoorbeeld eigenaren van aangrenzende percelen. Uiteraard is het ook mogelijk deze gronden onder voorwaarden in eigendom aan die eigenaren over te dragen, waarbij vergelijkbare beheerafspraken worden gemaakt, maar dan vastgelegd in een kwalitatieve verplichting. B- en C-watergangen behoeven in beginsel geen eigendom van het waterschap te zijn; A-AA-watergangen worden actief afgestoten. Voordat AA-, B- en C-watergangen worden verkocht toetsen we of een herinrichting gewenst is. Zo ja, dan wordt de watergang vóór overdracht heringericht of met afspraken daarover verkocht. Ook hier gelden voorwaarden vanuit doelmatigheid (zie 5.1.5). 5.2.3Ingerichte projectgronden Na realisatie van een inrichtingsproject beschikt het waterschap (en partners) over ingerichte gronden. Voorheen werden deze gronden verkocht waarbij het waterschap enkel de waterloop (met een onderhoudspad indien nodig) in bezit hield. Door nieuwe inzichten kan het zijn dat het niet wenselijk is deze gronden zondermeer te verkopen. Afhankelijk van de situatie worden na afloop een keuze gemaakt hoe om te gaan met het eigendom op basis van onderstaande scenario’s. Zo snel mogelijk verkopen. Verkopen met een terugkoopoptie of een kwalitatieve verplichting waardoor aanpassing van het uitgevoerde project mogelijk is. Gronden aantal jaar in bezit houden alvorens tot verkoop over te gaan, en zelf beheren als natuur. Gronden in bezit houden en inzetten als experimenteerruimte voor de watertransitie. Na de realisatie van een inrichtingsproject wordt afhankelijk van de situatie, en gebaseerd op een aantal scenario’s, een afweging gemaakt hoe om te gaan met het heringerichte gronden. Ad 1 Zo snel mogelijk verkopen De ‘oude’ strategie is dat we na inrichting van een project de (delen van) percelen die nodig zijn voor het waterbeheer zelf in eigendom houden en de overige (delen van) percelen verkopen en/of ruilen. Meestal gaat het om gronden in het NNB, die verkocht worden aan een eindbeheerder die ze als natuur beheert. Voordeel: de voorraadrekening wordt niet onnodig belast met gronden die niet langer nodig zijn om de doelen te halen, het beheer en onderhoud wordt overgenomen door een eindbeheerder die daartoe is geselecteerd (al dan niet via gelijkberechtiging), er zijn geen (financiële) verplichtingen meer voor het waterschap. Nadeel: Na overdracht van het eigendom is er geen mogelijkheid meer om aanpassingen te doen in de uitgevoerde maatregelen op de verkochte grond, tenzij in goed overleg met de nieuwe eigenaar, Er zijn geen mogelijkheden om het waterbeheer bij te sturen als dat afwijkt van de effecten/voorwaarden zoals bekend/overeengekomen bij de verkoop, tenzij in goed overleg met de nieuwe eigenaar. De (agrarische) eindbeheerder heeft onvoldoende duidelijkheid aan de voorkant hoe het er definitief uit komt te zien en wat de gebruiksmogelijkheden zijn. Ad 2 Verkopen met een terugkoopoptie/verkooplicht/kwalitatieve verplichting Dit scenario is het scenario dat het DB voorstaat, waarbij het voordeel is dat we de gronden die zijn ingericht wel verkopen, maar waarbij de mogelijkheid bestaat om evt. aanvullende watermaatregelen uit te voeren als later blijkt dat het gerealiseerde project hydrologisch niet functioneert zoals eerder voorzien. Via een terugkoopoptie/verkoopplicht of met een kwalitatieve verplichting is een evt. aanpassing achteraf te realiseren. Voordeel: de voorraadrekening wordt niet onnodig belast met gronden die niet langer nodig zijn om de doelen te halen, het beheer en onderhoud wordt overgenomen door een eindbeheerder die daartoe is geselecteerd (al dan niet via gelijkberechtiging), er zijn geen (financiële) verplichtingen meer voor het waterschap voor het beheer en onderhoud, via de kwalitatieve verplichting is het mogelijk achteraf nog aanpassingen te doen Nadeel: door de kwalitatieve verplichting om later evt. nog aanvullende maatregelen uit te kunnen voeren, wordt het voor potentiële eigenaren minder interessant om de grond te kopen. Wellicht moet de grond daardoor iets goedkoper verkocht worden. Ook als een eigenaar akkoord gaat met deze verplichting, moet er opnieuw onderhandeld worden over een schadevergoeding op het moment dat het waterschap aanvullende maatregelen wil treffen en/of het waterbeheer wil aanpassen. Kwalitatieve verplichtingen zijn niet handhaafbaar als ze niet scherp en afdwingbaar geformuleerd zijn. Als er via een kwalitatieve verplichting later aanvullende maatregelen worden getroffen, bijv. een nevengeul, die tot de A-watergangen behoort, hebben we deze niet in eigendom. Ad 3 Gronden eerste jaren zelf in beheer houden en pas later overgaan tot verkoop In dit scenario worden de gronden van het waterschap afgewaardeerd tot natuur en voeren we zelf de eerste jaren het beheer en onderhoud uit, alvorens tot verkoop over te gaan. Voordeel: Grond blijft eigendom, daarmee is het waterschap flexibel om aanpassingen in het plan of beheer uit te voeren, zonder dat dat vraagt om afstemming met de eigenaar. Na de periode van ervaren hoe het systeem werkt, kan de grond worden ingezet als ruilgrond. Nadeel: Grond blijft op de voorraadrekening Waterschap moet zelf het beheer en onderhoud uitvoeren; hoewel we hier en daar al natte delen van beekdalen beheren, zijn wij geen natuurbeheerder; dit scenario vraagt om het aanpassen van bestekken en mogelijk uitbreiden/herschikken van capaciteit.. Het beheer en onderhoud kost geld dat niet is voorzien in onze begroting; voor het onderhoud is SNL subsidie van de provincie beschikbaar; deze subsidie moet aangevraagd en verantwoord worden. In het omgevingsproces zijn verwachtingen gewekt bij mogelijke eindbeheerders (TBO’s en particulieren); wellicht kan dit opgevangen worden door een combinatie van de verkoop van delen van het project. Ad 4 Gronden in bezit houden en inzetten als experimenteerruimte voor de watertransitie De verkoopstrategie zou beter moeten gaan aansluiten bij de watertransitie; omdat we daar nog niet alles weten, zou de beschikbare grond flexibel als experimenteerruimte ingezet kunnen worden. Vanuit de watertransitie willen we meervoudig ruimtegebruik stimuleren en samen op zoek naar nieuw perspectief en nieuwe verdienmodellen. Daarvoor hebben we strategische ruilgrond nodig en een aangepaste verkoopstrategie. In dit scenario wordt de grond niet afgewaardeerd naar natuur, maar (langdurig) in gebruik gegeven aan ondernemers die samen willen leren en stappen willen zetten in de transitie. Denk aan natte teelten, vezelgewassen, broekbossen, wilgenhakhout en natte graslanden. De gronden zouden kunnen worden verpacht waarbij de pachtperiode en pachtprijs wordt afgestemd op de teelt en het experiment; langjarige/erfpacht niet onbespreekbaar. Voordeel: Grond blijft eigendom, daarmee is het waterschap flexibel om aanpassingen in het plan of beheer uit te voeren; daarbij is wel afstemming nodig met de tijdelijke gebruiker van de grond. Door de grond actief in te zetten als experimenteerruimte, bevorderen we de watertransitie en kunnen we samen met de gebruiker ervaring opdoen. De ondernemer die het experiment uitvoert, is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de gronden. Nadeel: Om te voorkomen dat deze gronden lang op de voorraadrekening blijven staan, moet er een nieuw financieel en organisatorisch kader ontworpen worden, wie intern verantwoordelijk is voor deze gronden. Binnen de begroting moet financiële ruimte worden vrij gemaakt voor de kosten. Binnen de organisatie zullen samen met geïnteresseerde ondernemers experimenteer-projecten opgestart moeten worden, om te voorkomen dat de gronden ongebruikt en onbeheerd blijven liggen en zich negatief ontwikkelen. Ook hiervoor moet een interne organisatie worden uitgewerkt. 5.2.4Onderhoudspaden Onderhoudspaden hebben als functie beheer en onderhoud van de watergang te kunnen uitvoeren. Voor toegang en gebruik van die onderhoudspaden maakt het waterschap gebruik van zowel privaatrechtelijke instrumenten (zoals eigendom) als publiekrechtelijke instrumenten. Het waterschap houdt of verwerft gronden in eigendom voor het reguliere onderhoud. Dit betreft minimaal de benodigde breedte grond langs de watergang (gerekend vanaf de insteek volgens de legger, bij meanderende beken op basis van werkelijke insteek), tenzij: Er minder dan twee keer per jaar onderhoud vanaf de oever plaatsvindt. Onderhoud vanaf een openbare weg plaatsvindt. Verwerving niet doelmatig is (zie 5.1.5). Voor deze situaties worden in principe géén gronden in eigendom verworven. Ook bij nieuwe projecten waarbij een watergang van ligging verandert, volgt het waterschap deze beleidslijn: de nieuwe watergang en een eventuele onderhoudsstrook zijn in eigendom, tenzij er sprake is van één van bovenstaande situaties. In het geval dat de oeverzone van een watergang conform bovenstaande beleidslijn niet in eigendom behoeft te zijn, maar dit wél is, en de oeverzone conform de doelrealisatiekaart (doorvertaling van het WBP) nog opnieuw wordt ingericht, wordt de eigendom van de onderhoudsstrook niet afgestoten tot herinrichting heeft plaatsgevonden. Dit om desinvesteringen te voorkomen. Eigendom van gronden kan ook de voorkeur hebben in het geval van een watergang waarbij het niet snel kunnen ingrijpen in beheer kan leiden tot voorzienbare grote gevolgschade en/ of de aanliggende grond een specifieke dubbelfunctie heeft voor waterdoelen (denk aan veegvuil-uitdraaiplaatsen en toegangsroutes hiertoe). In zulke gevallen kan eigendom van gronden meer mogelijkheden bieden, zoals onder andere een betere borging van toegang en snellere toepassing van maatregelen en ligt het voor de hand (mits doelmatig, zie 5.1.5) de voor het reguliere beheer minimaal benodigde grondbreedte langs de watergang in eigendom te verwerven. Let op: voor incidenteel beheer en bijvoorbeeld groot onderhoud (baggeren) of ingrijpen bij calamiteiten, kan meer ruimte op de oever nodig zijn dan het waterschap volgens bovenomschreven beleidslijn in eigendom heeft. Vanwege de incidentele aard volstaat in deze gevallen de beschermingszone uit de Waterschapsverordening. Zonodig kan het waterschap een werkterrein huren. Het waterschap houdt of neemt onder voorwaarden de voor het reguliere onderhoud minimaal benodigde breedte in eigendom, tenzij er vanuit doelmatigheid gegronde redenen zijn dit niet te doen. 5.2.5Waterkeringen Over het algemeen is de eigendomssituatie van waterkeringen vrij divers, vaak historisch gegroeid en soms in meer of mindere mate gerelateerd aan diverse functies. Van met name de overige waterkeringen is de ondergrond voor een groot deel in eigendom van derden. Ook komt het wel voor dat de ondergrond in eigendom is van het waterschap, terwijl de op de waterkering gelegen weg in beheer is bij de wegbeheerder (gemeente of provincie). Naar analogie van de eigendom van gronden bij waterlopen wordt er een onderscheid gemaakt tussen regionale en overige keringen. Regionale keringen Regionale keringen zijn bij voorkeur in eigendom van het waterschap (ja, tenzij). In deze situatie zal het waterschap proberen de gronden waarop zich keringen (gaan) bevinden in eigendom te verwerven, zodat het waterschap niet afhankelijk is van derden bij de uitvoering van zijn waterschapstaken/-verantwoordelijkheden. Mocht eigendomsverkrijging niet mogelijk blijken, dan dient de kering te worden aangelegd nadat daarvoor een zakelijk recht (van opstal) is gevestigd. Deze keringen zijn cruciaal in het kader van waterveiligheid. Daardoor is het van belang om direct de beschikking over het eigendom te hebben, zeker in geval van calamiteiten. Daarnaast geeft de eigendom of een vergelijkbaar recht het waterschap volledige zeggenschap over de kering (ook privaatrechtelijk) wat meer mogelijkheden biedt indien werkzaamheden of aanpassingen gewenst zijn. Mocht het niet mogelijk zijn om met betrokken partijen tot overeenstemming te komen over eigendomsoverdracht van die gronden of de vestiging van een zakelijk recht, dan zal een gedoogplicht worden opgelegd of de wettelijke procedure tot onteigening worden gevolgd. Overige keringen Overige keringen zijn bij voorkeur niet in eigendom van het waterschap (nee, tenzij). In deze situatie is het waterschap terughoudend in het verwerven van de eigendom van grond waarop zich keringen (gaan) bevinden. In dergelijke situaties zal geprobeerd worden om met de desbetreffende grondeigenaar overeenstemming te bereiken over het gebruik van de gronden. Uitsluitend wanneer er de noodzaak bestaat voor een efficiënte5 Wanneer een kering bijvoorbeeld voor het grootste deel eigendom is van het waterschap en het resterende deel van relatief veel eigenaren met ieder een beperkt eigendom, is het vanuit efficiency-oogpunt zeer wenselijk het eigendom over te nemen. uitvoering van primaire taken, zal het waterschap overgaan tot verwerving van de eigendom van dergelijke gronden (Nee, tenzij). In de gevallen waarin het waterschap al beschikt over de eigendom van overige keringen zal deze niet actief afgestoten worden, mede gelet op doelmatigheid (zie 5.1.5). Regionale keringen zijn in eigendom, tenzij. Overige keringen zijn niet in eigendom, tenzij. 5.2.6Waterbergingsgebieden In de omgevingsverordening (voorheen provinciale Verordening) is sprake van twee soorten bergingsgebieden, namelijk het reserveringsgebied waterberging en de regionale waterberging. Het reserveringsgebied is begrenst op een overstroming die gemiddeld eens in de 100 jaar voorkomt6 In het HOWABO-gebied rondom ’s-Hertogenbosch zijn deze gebieden begrensd op een T=150.. Er is sprake van natuurlijke, of meestromende waterberging. Regionale waterbergingsgebieden bestaan uit twee soorten gebieden: gebieden die van oudsher al regelmatig inunderen (natuurlijke overstroming), gemiddeld tot eens per 10 jaar, en gebieden die door het waterschap zijn ingericht als gestuurde waterberging. Beide zijn vastgelegd in de legger. Voor de laatste categorie die tevens is opgenomen in het omgevingsplan, geldt een speciale regeling voor de afhandeling van schade. Waterberging bevindt zich op zowel landbouw- als natuurgronden (NNB). Het is gezien vanuit de doelstellingen van het waterschap niet nodig deze gronden in eigendom te hebben. Waterbergingsgebieden, zowel natuurlijk als gestuurd, zijn niet in eigendom bij het waterschap. 5.2.7Kunstwerken en bijbehorende percelen Kunstwerken hebben een belangrijke functie voor de primaire taakuitoefening van het waterschap. In de gevallen dat de watergang eigendom is van het waterschap (wat meestal het geval is bij A-watergangen) ligt het voor de hand ook de ondergrond in eigendom te hebben of te verkrijgen, dan wel - indien eigendomsverkrijging niet mogelijk is - een zakelijk recht van opstal op die gronden te vestigen. Daar waar de watergang geen eigendom is van het waterschap en dit ook niet mogelijk of nodig is wordt aan de hand van het belang van het kunstwerk bepaald hoe deze geplaatst wordt. Zo kan een gemaal (die het waterschap beheert) mét een opstalrecht geplaatst worden, maar een kleine landbouwstuw (die de agrariër beheert) zonder dat daar een zakelijk recht voor gevestigd wordt. De eigendom van de ondergrond van kunstwerken, volgt in beginsel de eigendomssituatie van de watergang waarin, -op en -langs het kunstwerk zich bevindt. Wanneer eigendom niet mogelijk is, is een zakelijk recht gewenst. 5.2.8Bruggen, overkluizingen, duikers en voorden Het waterschap wil geen eigenaar zijn van bruggen, overkluizingen of dammen met duikers als deze ten dienste staan van derden. In dat geval blijven deze kunstwerken eigendom van de desbetreffende wegbeheerder en/ of –eigenaar. Alleen als bruggen, overkluizingen of dammen essentieel zijn voor (onderhoud van) het watersysteem is het voor het waterschap wenselijk deze kunstwerken in eigendom te hebben. Voorden vormen een intrinsiek onderdeel van de watergang en zijn daarom in beheer en eigendom van het waterschap. Bruggen, overkluizingen en dammen zijn geen eigendom van het waterschap tenzij ze essentieel zijn voor (onderhoud van) of onderdeel uitmaken van het watersysteem. 5.3Hoofdlijn beleid waterketen Tot de taak van de Waterketen behoort het transport en het zuiveren van afvalwater. Naast het verlenen van vergunningen voor lozingen, zuivert het waterschap rioolwater. Hiertoe beschikt het waterschap over waterzuiveringsinstallaties, rioolgemalen en riool(pers)leidingen. Zowel de technische installaties als de persleidingen met toebehoren zijn essentieel om de waterketentaak uit te kunnen voeren. Voor de technische installaties van het waterschap is eigendom van de ondergrond gewenst. Doorlopend wordt gemonitord of anticiperende aankoop van gronden nabij een RWZI mogelijk en/of wenselijk is voor eventuele toekomstige uitbreiding. Daar waar het kleinere technische installaties betreft (bijvoorbeeld gemalen bij transportleidingen) kan ook volstaan worden met een recht van opstal. Transportleidingen zijn niet beschermd vanuit Waterschapsverordening of legger. Voor de aanleg van persleidingen wordt in principe dan ook steeds een recht van opstal gevestigd op de grondstrook waarop de persleiding wordt aangelegd. In dat opstalrecht wordt het recht van onderhoud, reparatie en vervanging vastgelegd. Een opstalrecht geeft voldoende borging om de waterschapstaken met betrekking tot de persleiding naar behoren te kunnen uitoefenen en legt gebruiksbeperkingen van de eigenaar/gebruiker van de bovengrond vast. Het in eigendom hebben van de gronden waarin de persleidingen van het waterschap liggen, is daarom niet noodzakelijk. Voor transportleidingen van het waterschap en de bijbehorende onderdelen wordt op de desbetreffende grondstrook een zakelijk recht van opstal gevestigd. NB: Gebleken is dat er een aantal rioolwatertransportleidingen zijn, waarvoor géén opstalrecht (meer)7 Voor opstalrechten die ‘per ongeluk’ vervallen zijn, bijvoorbeeld door ruilverkaveling, bestaat mogelijk dat de notaris dit alsnog kan repareren. geldt en evenmin op andere wijze de rechten van het waterschap zijn gewaarborgd met betrekking tot toegang, onderhoud en vervanging. Dat is een onwenselijke situatie. Inmiddels zijn hiervoor, afhankelijk van de leeftijd van die transportleidingen, meerdere oplossingen in kaart gebracht. Voor alle rioolwatertransportleidingen die vóór 1 februari 2007 zijn aangelegd, waarbij het waterschap zich steeds als eigenaar van de transportleiding heeft gedragen, kan een éénmalige registratie plaatsvinden in de openbare registers van het kadaster (ex. art. 155a Overgangswet Burgerlijk Wetboek) waarmee de eigendom van het waterschap van die transportleidingen wordt vastgelegd, met alle daarbij behorende rechten en bevoegdheden8 Als eigenaar van een transportleiding is het Waterschap gerechtigd het perceel van de grondeigenaar te betreden ten behoeve van onderhouds- en herstelwerkzaamheden e.d. . Die bevoegdheid is gebaseerd op diverse publiek- en privaatrechtelijke wet- en regelgeving, zoals o.a. afdeling 10.2 e.v. Omgevingswet art. 3.13 BW etc. . Daarmee kan de uitoefening van de waterschapstaken voldoende worden geborgd, ook al is dan geen sprake van een opstalrecht op de desbetreffende grondstrook. Voor rioolwatertransportleidingen zonder geldend opstalrecht die ná 1 februari 2007 zijn aangelegd, is bovenstaand overgangsrecht niet van toepassing. In die gevallen zal het waterschap in minnelijk overleg moeten gaan met de desbetreffende eigenaren om alsnog een opstalrecht te vestigen. Voor transportleidingen van vóór 2007 waarvoor geen opstalrecht is gevestigd kan worden volstaan met een registratie in het openbare register. Bij het buiten gebruik stellen van de leiding vervalt het maatschappelijk belang ervan en wordt deze in goed overleg met de grondeigenaar verwijderd. Indien de leiding blijft liggen, wordt het eigendom overgedragen aan de grondeigenaar door middel van doorhaling van het zakelijk recht van opstal. Ook voor transportleidingen gelden voorwaarden vanuit doelmatigheid (zie 5.1.5). Het waterschap hanteert (uniforme) algemene voorwaarden bij de vestiging van opstalrechten ten behoeve van rioolwatertransportleidingen. Deze voorwaarden zijn bij de notaris gedeponeerd. 5.4Oneigenlijk gebruik van gronden van het waterschap 5.4.1Aanleiding Onder oneigenlijk gebruik van gronden van het waterschap door derden, verstaan we ieder gebruik van die gronden waarvoor het waterschap geen toestemming heeft gegeven. Dergelijk oneigenlijk gebruik is vaak ook in strijd met de doelen van het waterschap. Hoewel het risico in de praktijk niet bijzonder groot is, kan het onvoldoende alert zijn op inbreuken op eigendomsrechten, leiden tot verlies van de desbetreffende gronden door verjaring, dan wel tot ongewenste beperkingen bij realisatie van onderhoud of projecten. Het oneigenlijk gebruik van gronden is onder te brengen in verschillende categorieën: Gebruik voor agrarische doeleinden. Bijvoorbeeld beweiding en het telen van gewassen, maar ook het registreren van deze gronden bij RVO alsof hieraan een gebruiks-overeenkomst ten grondslag zou liggen. Gebruik voor particuliere doeleinden. Bijvoorbeeld reststroken groen die bij een tuinperceel getrokken worden. Plaatsen van bouwwerken en gebouwen op gronden van het waterschap. 5.4.2Verjaring eigendom Met verjaring wordt veelal gedoeld op bevrijdende verjaring van boek 3 Burgerlijk Wetboek die na 20 jaar ingeroepen kan worden. Verkrijgende verjaring (te goeder trouw) met een termijn van 10 jaar is minder vaak aan de orde. In juridisch opzicht is bezit iets anders dan gebruik. Voor een succesvol beroep op bevrijdende verjaring is onafgebroken bezit van 20 jaar vereist, waarbij de bezitter zich voor het oog van de buitenwereld als eigenaar heeft gedragen. 5.4.3Positie overheid bij verjaring Bij verjaring neemt de overheid ten opzichte van een private partij, een bijzondere positie in. Zo wordt ten aanzien van overheidsgronden het vereiste bezit aanzienlijk minder snel aangenomen dan bij private gronden. Aangenomen wordt dat een overheid minder reden heeft om op te treden tegen oneigenlijk gebruik van haar eigendommen. Dit gebruik wordt daarom eerder als een gedoogd gebruik beschouwd. Dat laatste leidt tot houderschap en niet tot het voor verjaring vereiste bezit. 5.4.4Opeisen van in bezit genomen gronden Het stuiten van de verjaring vergt een specifieke aanpak. Nadat het waterschap de oneigenlijke gebruiker van de grond heeft aangeschreven, moeten binnen uiterlijk 6 maanden ook daadwerkelijk rechtsmaatregelen getroffen worden . Een verjaring kan ook gestuit worden doordat de oneigenlijke gebruiker erkent niet de bezitter te zijn. In 2017 heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechtmatige grondeigenaar een tegenvordering kan instellen tijdens of nadat de oneigenlijke gebruiker een beroep op verkrijgende verjaring heeft gedaan. Zo’n vordering wordt ingesteld op basis van onrechtmatig handelen. Het waterschap kan in dat geval een vergoeding in geld of in natura vorderen van de oneigenlijke gebruiker. In het laatste geval zou dit teruggave van de grond inhouden. De verjaringstermijn van deze vordering start vanaf het moment van eigendomsverlies (20 jaar) of nadat de grondeigenaar bekend is geworden met het eigendomsverlies (5 jaar). 5.4.5Reguleren oneigenlijk gebruik In plaats van een juridische procedure om de gronden weer op te eisen, kan het reguleren van oneigenlijk gebruik een passend alternatief zijn. In dat geval kan bijvoorbeeld met de oneigenlijke gebruiker een gebruiksovereenkomst worden aangegaan, of een huur- of pachtovereenkomst. Ook kan de verkoop van de grond onder reguleren vallen. Reguleren is echter niet altijd wenselijk. Bijvoorbeeld als het oneigenlijk gebruik haaks op de waterdoelen staat, of als het waterschap de gronden zelf nodig heeft voor realisatie van een project. Bij regulering van oneigenlijk gebruik, moet rekening gehouden worden met de Wet Markt en Overheid (WM&O) vanwege eventuele economische activiteiten. Een belangrijk aspect daarbij is het doorberekenen van de integrale kosten. De ACM heeft aangegeven dat bijvoorbeeld snippergroenprojecten in beginsel als economische activiteit in de zin van de WM&O worden aangemerkt. Van een economische activiteit is géén sprake (en is de WM&O niet van toepassing) indien het gaat om activiteiten ter uitoefening van specifieke bevoegdheden van overheidsgezag. Bijvoorbeeld het in bruikleen geven van gronden waarbij burgers overheidstaken uitvoeren, zoals het beheer en onderhoud van een EVZ. Wanneer sprake is van een economisch activiteit in de zin van de WMO, dan kan het Algemeen Bestuur in bepaalde gevallen een algemeen-belang-besluit nemen ten aanzien van die activiteit, waardoor de WM&O alsnog buiten toepassing blijft. Bij verkoop van gronden gelden uiteraard de extra kaders van het Didam-arrest, zie daarvoor hoofdstuk
- 5.4.6Publiek- of privaatrechtelijk handhaven? Het terugvorderen van gronden door het waterschap, geldt als privaatrechtelijk handhaven, waarbij het waterschap optreedt in de privaatrechtelijke hoedanigheid van eigenaar van die gronden. Bijvoorbeeld in geval van illegale bebouwing op gronden in eigendom van het waterschap. In geval het waterschap handhavend optreedt op basis van bestuursrechtelijke bevoegdheden, dan is sprake van publiekrechtelijk handhaven. De overheid mag géén gebruik maken van het privaatrecht als dat het publiekrecht op onaanvaardbare wijze zou doorkruisen. Daarvan kan sprake zijn als met het publiekrecht hetzelfde doel zou kunnen worden bereikt. Bij de keuze voor publiek- of privaatrechtelijke handhaving spelen de rechten van de burger een belangrijke rol. Ook is een gecombineerde handhaving mogelijk. 5.4.7Aandachtspunten oneigenlijk grondgebruik Het oneigenlijk gebruik, maar ook eventuele legalisatie daarvan via regulering, kan het waterschap belemmeren in het behalen van zijn water(schaps)doelen. Ook moet in het oog worden gehouden dat de gronden van het waterschap met publieke middelen bekostigd zijn én dat de doelen die met deze gronden gerealiseerd moeten worden, een publiek belang dienen. Een ander aspect is dat het oneigenlijk gebruik verschillende processen binnen de organisatie raakt, die dikwijls onbedoeld onafhankelijk van elkaar reageren én op verschillende manieren. Dat kost in voorkomende gevallen (te) veel capaciteit, ook omdat vanwege het ontbreken van beleid het wiel in de praktijk nogal eens opnieuw en afzonderlijk van elkaar wordt uitgevonden. Doordat er geen structurele controle plaatsvindt op grondgebruik, is de drempel om gronden van het waterschap oneigenlijk te gebruiken of toe te eigenen, tamelijk laag. Het ontbreken van beleid en handelingsperspectief zorgt ervoor dat het waterschap weinig optreedt tegen oneigenlijk grondgebruik, met name wanneer dit niet op korte termijn de uitvoering van de werkzaamheden van het waterschap belemmert. 5.4.8Beleid oneigenlijk grondgebruik Oneigenlijk grondgebruik rechtvaardigt zonder meer om handhavend op te treden tegen een oneigenlijke gebruiker. Het beleid daarvoor moet een duidelijk handelingsperspectief bevatten, waarbij oneigenlijk grondgebruik zoveel mogelijk wordt voorkomen en beperkt. Binnen het waterschap wordt onderscheid gemaakt tussen oneigenlijk gebruik voor ‘watersysteem’ en ‘waterketen’. Watersysteem Vormen oneigenlijk gebruik Er zijn verschillende vormen van oneigenlijk gebruik van gronden van het waterschap, te weten: gronden die via een vergunning of ontheffing door derden in gebruik zijn genomen, zonder privaatrechtelijke titel (zoals overeenkomst of toestemming waterschap); in-bezit-name door derden van gronden, door deze bij de tuin trekken, door het plaatsen van een hek, haag etc. gebruik van gronden zonder overeenkomst, door telen gewassen, maaien etc; onterecht intekenen van gronden door derden ten behoeve van de Gecombineerde Opgave vanwege te verkrijgen subsidies (hieronder verder buiten beschouwing gelaten, wel belangrijk om aandacht aan te besteden). Ingrijpen wel/niet vereist In het geval dat sprake is van een vergunning of ontheffing is er vooralsnog geen noodzaak om op korte termijn in te grijpen. Het gebruik is destijds ambtshalve toegestaan. In andere situaties kan ingrijpen bij oneigenlijk gebruik wél gewenst zijn. Bijvoorbeeld wanneer door het oneigenlijk gebruik sprake is van: belemmering van beheer en onderhoud; niet behalen doelstellingen (vanwege gebruik van EVZ, onderbreken wandelroute etc); risico op verlies van eigendom door verjaring. Ambitieniveau Op dit moment ontbreekt het binnen het waterschap aan een ambitie om bij oneigenlijk gebruik van gronden in te grijpen en handhavend op te treden, dan wel overeenkomsten op te stellen. Wel leeft het besef dat het waterschap - als overheidsorganisatie - de zorgplicht heeft om zijn (maatschappelijke) gronden zo goed mogelijk te beheren en in dat kader oneigenlijk gebruik niet zomaar toe te staan. Het ambitieniveau wordt middels dit grondbeleid vastgesteld. Van belang is dat in de navolgende situaties per definitie wél actie wordt ondernomen, namelijk wanneer sprake is van: een belemmering voor beheer en onderhoud; een belemmering voor het behalen van doelstellingen; risico op verlies van eigendom door verjaring; excessen (ook in geval geen directe last wordt ondervonden). Voor alle overige situaties kan een zogenaamd ‘piepsysteem’ worden toegepast. Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, wordt dan beoordeeld of ingrijpen wel of niet vereist is. Werkproces Het proces handhaving van het waterschap kan uitsluitend optreden wanneer er (ook) sprake van een overtreding op basis van de Waterschapsverordening/ Omgevingswet9 De Waterwet is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet.. Voor overtredingen op het gebied van natuurdoelstellingen is de provincie de handhavende instantie. De overheid is verplicht om bij handhaving de weg te kiezen van de meeste rechtsbescherming voor burgers. In veel gevallen is dat via de bestuursrechtelijke weg. Wanneer dat publiekrechtelijk spoor geen mogelijkheden biedt, moet gekozen worden voor het privaatrechtelijke spoor. In dat geval kan bij oneigenlijk grondgebruik een vordering worden ingesteld tot staking van de onrechtmatige inbreuk op de eigendomsrechten van het waterschap. Het werkproces kan in hoofdlijnen binnen twee processen worden verdeeld. Sluitstuk van deze procedure is altijd een schriftelijke bevestiging van afspraken (overeenkomst, brief, mail etc). Deze bevestiging dient in P8 op perceelniveau te worden vastgelegd voor dossiervorming. Waterketen Op dit moment vinden geen structurele controles plaats op onrechtmatige bouwwerken en andere obstakels op locaties van (riool)leidingen, of in de zakelijk recht-zone daarvan. Doordat (riool)leidingen lang niet overal correct geregistreerd zijn, is de controle ook uitermate lastig uit te voeren. Het is daarom belangrijk dat eerst de leidingen correct in beeld worden gebracht. Tot die tijd is het waterschap noodgedwongen afhankelijk van een ‘piepsysteem’. De huidige praktijk is dat bij onderhoud of realisatie een inbreuk geconstateerd wordt, in plaats dat dit gebeurt vanwege toezicht. Werkproces Het werkproces kan in twee situaties worden onderverdeeld, namelijk situaties waarbij wél of juist géén sprake is van een zakelijk recht (ZR). * Opzichter kan vergezeld worden door collega(‘s) van JZ e/o grondzaken, wordt bepaald binnen ‘casusoverleg’. ** Het eigendom van het netwerk is hierbij wel beschermd, maar de beschermingszone van de leiding is dan lastiger af te dwingen. Het waterschap treedt handhavend op tegen oneigenlijk gebruik. 5.5Diversen/overige 5.5.1Innovatie en duurzaamheid Externe ontwikkelingen zorgen voor een toenemend aantal verzoeken van derden voor alternatief gebruik van gronden die in eigendom zijn van het waterschap. Denk hierbij aan verzoeken voor het mogen aanleggen van zonneparken en windmolens, maar bijvoorbeeld ook voor de aanleg van voedselbossen. Afhankelijk van de bestemming en het gebruik van de desbetreffende grond door het waterschap en de overige omstandigheden van het geval, bepaalt het waterschap of al dan niet op dergelijke verzoeken kan worden ingegaan. Afhankelijk van het ‘soort’ grond, wordt de navolgende beleidslijn gehanteerd bij voornoemde verzoeken: Projectgronden Verzoeken tot (mede)gebruik van projectgronden worden alleen ingewilligd indien meervoudig ruimtegebruik mogelijk is en de eigen doelen van het waterschap - en die van eventuele samenwerkingspartners - op deze gronden niet in het geding komen. Ruilgronden Het instemmen met verzoeken voor (mede)gebruik van ruilgronden, is sterk afhankelijk van het belang van deze ruilgronden voor de waterschapsopgave. Voorop staat dat er vervangende ruilgrond voor het waterschap beschikbaar moet zijn. In dergelijke situaties dient er derhalve een zorgvuldige belangenafweging plaats te vinden, rekening houdend met de omstandigheden van het geval. Overige gronden Verzoeken van derden voor (mede)gebruik van overige gronden, zoals zuiveringsterreinen, waterlopen en terreinen van gemalen, kunnen alleen ingewilligd worden indien dit geen belemmering oplevert voor de bedrijfsvoering én toekomstige ontwikkelingen. Het in gebruik geven van deze gronden vindt uitsluitend plaats in overleg met de procesverantwoordelijke. Let op: In geval een verzoek tot het (mede)gebruik van grond door het waterschap wordt ingewilligd, worden de voorwaarden waaronder dit gebruik gaat plaatsvinden áltijd schriftelijk vastgelegd in een (huur- of gebruiks)overeenkomst. 5.5.2Inzet eigendom ten behoeve van GLB-opgave door agrariërs Agrariërs kunnen eigendommen van derden mee laten tellen voor de gecombineerde opgave die zij moeten doen aan RvO. Doel van dit nieuwe GLB is het stimuleren van vergroening door het verstrekken van subsidie voor het beheer van landschapselementen, waaronder ook watergangen en onderhoudspaden in eigendom van het waterschap. Ook kunnen agrariërs met één of meer landschapselementen voldoen aan de verplichting om 4% van hun bouwland niet-productief te laten. Onder landschapselementen wordt verstaan water, hout en overige elementen waar geen landbouwactiviteit op wordt uitgeoefend. Onze eigendommen kunnen in beginsel niet door de agrariër opgegeven worden bij de GLB-opgave door agrarische ondernemers als landschapselement tenzij aan de hieronder genoemde voorwaarden voldaan wordt. Er ontstaat netto een plus voor landschap en/ of biodiversiteit én Er is sprake van een feitelijke beheersituatie door de verzoekende partij én Er geen belemmering is voor reguliere onderhoudswerkzaamheden én Het beheer voldoet aan de voorwaarden, gesteld vanuit de GLB én Het betreffende waterschapseigendom grenst aan het eigendom van de gebruiker én Het beheer is vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst / toestemming. Eigendommen van het waterschap zijn in beginsel niet inzetbaar voor de GLB-opgave als landschapselement, tenzij aan enkele strikte voorwaarden wordt voldaan. 6.Beheer gronden 6.1Algemeen In dit hoofdstuk wordt nader toegelicht op welke wijze het waterschap zijn gronden beheert en hoe deze eventueel in gebruik worden gegeven aan derden. Het waterschap heeft ca 2000 ha in eigendom. Dit betreffen in de eerste plaats gronden die een directe functie hebben voor de taakuitoefening van het waterschap, zoals watergangen, waterbergingsgebieden, waterkeringen en de ondergrond voor zuiveringsinstallaties en gemalen. Het waterschap heeft echter ook gronden in eigendom, die (nog) geen directe functie hebben voor het waterschap. Voorbeelden zijn (ruil)gronden op de voorraadrekening ten behoeve van uit te voeren projecten of gronden die hun directe functie voor het waterschap hebben verloren (bv. voormalige watergangen) of gronden die voor toekomstige projecten van nut kunnen zijn. Voor een deel van de gronden in eigendom van het waterschap bestaat er een mogelijkheid voor (mede)gebruik door derden. Het voordeel van een dergelijk (mede)gebruik is, dat die gronden in goede staat worden gehouden, de benodigde inzet van middelen door het waterschap minimaal kan zijn en er eventueel een (financiële) opbrengst gegenereerd kan worden. Dit gebruik kan zowel gronden betreffen die geen directe functie voor het waterschap hebben, als gronden waarop alleen medegebruik mogelijk is. In de meeste gevallen gaat het om landbouwgrond, al dan niet met bijzondere voorwaarden, bijvoorbeeld natuurtechnisch beheer of ecologische redenen. Het waterschap streeft ernaar om deze gronden op een duurzame manier in gebruik te geven aan derden. In mindere mate is er ook sprake van hobbymatig gebruik of gebruik door particulieren in algemene zin. De keuze voor wel of geen (mede) gebruik van onze gronden is telkens een belangenafweging op basis van alle feiten en omstandigheden (en wederzijdse belangen). Het gebruik van gronden van het waterschap door derden, vindt voornamelijk plaats via verpachting (zie H.6.2). Daarnaast is er in beperkte mate sprake van bruikleen, verhuur of een zakelijk recht (erfpacht of opstal). Tenslotte faciliteert het waterschap ook recreatief gebruik. In dat verband stelt het waterschap zo veel als mogelijk zijn gronden open voor extensieve recreatie. Dit echter wel onder de voorwaarde dat recreatie verantwoord en veilig voor deze groep gebruikers kan plaatsvinden. Intensieve recreatie vraagt om een nadere afweging en goede vastlegging. 6.1.1Contracten Voordat er gronden in gebruik worden uitgegeven, moet eerst vaststaan of het waterschap deze gronden niet zelf exclusief nodig heeft, dus zonder (mede)gebruik van derden. Als dit niet het geval is kan deze grond aan derden in (mede)gebruik worden gegeven. Uitgangspunten voor het in gebruik geven van gronden aan derden zijn dat: dit altijd via een schriftelijke overeenkomst met een daarin vastgelegde termijn gebeurt; het gebruik plaatsvindt tegen marktconforme vergoedingen; het gebruik wel in overeenstemming is met wet- en regelgeving. Ingebruikgeving aan derden voldoet altijd aan de volgende eisen: Via een schriftelijke overeenkomst; Tegen marktconforme vergoedingen; In overeenstemming met wet- en regelgeving. Bij het in gebruik geven van gronden vindt eerst een afweging plaats van alle feiten, omstandigheden en mogelijkheden, waarbij een duurzaam gebruik van de grond niet uit het oog mag worden verloren. Tevens is belangrijk dat het de taakuitoefening van het waterschap niet mag belemmeren. Indien er geen bezwaren zijn tegen het (mede)gebruik door derden, of indien het waterschap juist een zeker belang bij dergelijk (mede)gebruik heeft, kunnen de desbetreffende gronden van het waterschap in gebruik worden gegeven. Voor het in gebruik geven van gronden aan derden, zijn er diverse juridische mogelijkheden. Deze mogelijkheden zijn afhankelijk van de aard van het gebruik, maar ook van wát voor grond het betreft, de hoedanigheid van de gebruiker en overige omstandigheden van het geval. De keuze voor een bepaalde vorm van gebruik, is afhankelijk van bovengenoemde factoren. Bij de keuze voor een contractvorm –en duur wordt aansluiting gezocht bij de investerings- en/of afschrijvingstermijn. Een voedselbos kent een ontwikkelperiode van vele jaren waarbij een pachtovereenkomst tot max 6 jaar niet aansluit. In zo’n geval is een erfpacht voor 26 jaar passend. Een ander voorbeeld waar dit toegepast kan worden is om de teelt van (meerjarige) transitiegewassen te stimuleren (zoals riet, lisdodde, zonnekroon, olifantsgras etc.) op natte of juist hele droge gronden. 6.1.2Beheer van gronden in eigendom Het beheer van gronden in eigendom betreft zowel het dagelijks beheer, het administratieve en juridisch beheer, als het financiële beheer. Het dagelijks beheer betreft het beheer ‘buiten’, dus de duurzame instandhouding van gronden voor watergangen, transportleidingen etc. Hiertoe worden ook onderhoud, aanleg en renovatie en vervanging gerekend. Bij administratief en juridisch beheer gaat het onder meer om verwerving van grond (ten behoeve van KRW-opgaven, waterbergingen, etc.) verkoop van grond en opstallen die geen functionele relatie (meer) hebben met de primaire taken, alsmede verpachting en verhuur, het verstrekken van jacht- en visrechten, het opstellen en verzorgen van contracten etc. Het financiële beheer omvat het vaststellen van koopprijzen, huur- en pachttarieven en andere vergoedingen, evenals de facturering en zo nodig, invordering daarvan. Afhankelijk van de bestemming van de grond is deze in beheer bij een van de navolgende processen: Grondzaken (gronden op de VRR en projectgronden die uit gebruik gegeven worden) Beheer watersysteem (waterlopen, onderhoudspaden, keringen, EVZ’s etc) Beheer waterketen óf Realisatie watersysteem (tijdelijk tijdens projectuitvoering tot overdracht aan beheer). Grondzaken kan de andere processen ondersteunen in het beheer waar het gaat om het opstellen van privaatrechtelijke overeenkomsten voor gebruik. Andersom kan Beheer watersysteem ook grondzaken ondersteunen door VRR-gronden tijdelijk te beheren. 6.1.3Samenloop met het publiekrecht Het waterschap toetst vanuit zijn publiekrechtelijke functie vergunningsaanvragen krachtens de Waterschapsverordening of een andere verordening van het waterschap. Een criterium om deze aanvraag in behandeling te nemen is of de aanvrager belanghebbende is. Daarbij is het onder andere van belang of de aanvrager toestemming heeft van de grondeigenaar, mits ook ander eigendom dan zijn eigen eigendom is betrokken. Deze aanvraag kan ook betrekking hebben op eigendom van het waterschap. In zo’n geval zal de aanvrager eerst privaatrechtelijke overeenstemming met het waterschap moeten hebben over het gebruik van de grond. Grondzaken wordt gevraagd dit in behandeling te nemen en met de aanvrager in overleg te treden. Indien er medewerking verleend kan worden gebeurt dit op basis van de (contracts)vormen uit hoofdstuk 6, echter uitsluitend onder de voorwaarde dat vervolgens de aangevraagde vergunning ook daadwerkelijk wordt verleend. Dat betekent dat er zonder vergunning géén overeenkomst of toestemming is. Daarnaast kan het in dit proces ook een optie zijn om de eigendom over te dragen. 6.2Pacht Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk al is genoemd, vindt het gebruik van gronden van het waterschap door derden voornamelijk plaats via verpachting. In 2015 is daarvoor het ‘Pachtbeleid los land’ vastgesteld met als oogmerk om een duurzaam pachtbeleid te gaan hanteren. Vervolgens is dit beleid in 2018 aangevuld. Daarnaast kan pacht ook worden ingezet als instrument voor doelrealisatie (zie 7.2.3). Het waterschap volgt het ‘Brabantse model’ van duurzame pachtuitgifte, geïnitieerd door het Groenontwikkelfonds Brabant (GOB). Dit betekent in hoofdlijnen dat de pacht onder de volgende voorwaarden wordt aangegaan: bepaalde teelten zijn uitgesloten; het gebruik van glyfosaat (merknaam Round Up) is verboden; er geldt verschil tussen reguliere en natuurpacht; de openbare gunning vindt plaats op basis van een duurzaamheidsscore; de onderhandse gunning is alleen mogelijk vooruitlopend op een grondtransactie, als onderdeel van een grondtransactie of binnen een gebiedsproces met deugdelijke onderbouwing (bijvoorbeeld binnen een project of GGA-gebied). Het waterschap hanteert eigen pachtvoorwaarden, gebaseerd op de voorwaarden van het GOB, maar desgewenst aangepast naar de situatie van het waterschap. Het waterschap hanteert eigen pachtvoorwaarden, gebaseerd op de voorwaarden van het GOB, maar desgewenst aangepast naar de situatie van het waterschap. Landbouwpercelen van het waterschap die niet direct ter vrije beschikking van het waterschap behoeven te zijn én waarvoor geen waterstaatkundige of overige belemmeringen zijn, kunnen aan derden worden verpacht. Landbouwgronden welke niet direct ingezet worden voor doelrealisatie, blijven onder voorwaarden in gebruik bij agrarische bedrijven. Als sprake is van het door de gebruiker, bedrijfsmatig uitoefenen van de ‘landbouw’, dan wordt een geliberaliseerde pachtovereenkomst aangegaan. Is géén sprake van bedrijfsmatig uitoefenen van de landbouw, dan vindt het in gebruik geven van de gronden plaats op basis van een huur- of gebruiksovereenkomst (zie 6.3). Het Burgerlijk Wetboek bepaalt wanneer sprake is van pacht en verbindt daaraan een aantal (dwingendrechtelijke) regels. Voor enkele – afgezwakte - pachtvormen is een deel van de regels niet van toepassing. De meest ‘strenge’ vorm van Pacht is de zogenaamde reguliere pacht. Het huidige pachtrecht maakt het echter ook mogelijk om gronden voor kortere termijnen te verpachten, zonder het nadeel van langdurige vastlegging. Dit betreft de pachtvormen geliberaliseerde 10 Artikel 7:397 lid 1 en 2 BW pacht en pacht van geringe-oppervlakte 11 Artikel 7:395 BW. Omdat bij reguliere pacht de gronden lange tijd niet beschikbaar zijn, maakt het waterschap uitsluitend gebruik van geliberaliseerde pacht en pacht geringe oppervlakte zodat men steeds binnen afzienbare tijd wel over de gronden kan beschikken. De verschillende pachtvormen worden hieronder nader toegelicht. Momenteel wordt kortlopende pacht (vaak éénjarig) veel toegepast door overheden. Medio 2025 wordt een wijziging in de pachtwetging verwacht die ervoor moet zorgen dat juist meerjarige pacht de standaard wordt. 6.2.1Reguliere pacht De reguliere pacht is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Artikel 7:311 BW omschrijft deze ‘Pacht’ als volgt: “Pacht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verpachter, zich verbindt aan de andere partij, de pachter, een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw en de pachter zich verbindt tot een tegenprestatie”. Bij reguliere pacht is sprake van een langdurige gebruik en gelden vergaande dwingend-rechtelijke regels ter bescherming van de positie van de pachter. Laatstgenoemde heeft immers zijn bedrijfsvoering afgestemd op de beschikbaarheid van deze gronden en heeft voor de continuïteit van zijn onderneming voldoende rechtszekerheid nodig. Voor reguliere pacht gelden daarom de volgende wettelijke regels: toetsing en goedkeuring van de overeenkomst vindt plaats door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 12 Voorheen de Grondkamer; de pachtprijs is volgens het jaarlijks te hanteren pachtnormenbesluit van RVO aan een maximum (hoogst toelaatbare pachtprijs) gebonden; het continuatierecht (automatische verlenging van de pachtovereenkomst); het melioratierecht (redelijke vergoeding die de verpachter bij het einde van de pacht aan de pachter betaalt voor diens verbeteringen aan het gepachte); de indeplaatsstelling en het recht op medepacht zijn (de mogelijkheid om bijvoorbeeld de bedrijfsopvolger de pacht te kunnen laten overnemen); bij verkoop van de grond door de verpachter, heeft de pachter een voorkeursrecht van koop. Maakt de pachter daar géén verbruik van, dan wordt de grond verkocht in verpachte staat. Vanwege de grote beperkingen die voornoemde pachtbeschermingsregels voor een grondeigenaar meebrengen, is het voor het waterschap niet interessant om zijn gronden in reguliere pacht uit te geven. 6.2.2Geliberaliseerde pacht Sinds 1 september 2007 bestaat er voor los land de mogelijkheid van geliberaliseerde pacht. De geliberaliseerde pacht is in feite een uitzondering op de strikte regels voor reguliere pacht, waarbij een enkele belangrijke wettelijke rechten van de pachter niet van toepassing zijn. Dit betreffen met name: het continuatierecht; het indeplaatsstellingsrecht en; het voorkeursrecht tot koop. De geliberaliseerde pacht biedt een grondeigenaar de mogelijkheid om een perceel grond slechts voor bepaalde (kortere) duur te verpachten. Bij geliberaliseerde pacht van los land wordt onderscheid gemaakt tussen een looptijd van maximaal zes jaren en korter én een looptijd van langer dan zes jaren. Bij geliberaliseerde pacht met een looptijd langer dan zes jaren, mag de pachtprijs niet hoger mag zijn dan de maximale wettelijke pachtprijs volgens het Pachtnormenbesluit RVO. De pachtovereenkomst moet in dat geval wel door de Grondkamer worden getoetst én goedgekeurd. Voor geliberaliseerde pacht voor een looptijd van maximaal zes jaren of korter, is toetsing van de prijs en goedkeuring door de Grondkamer niet vereist en zijn verpachter en pachter geheel vrij om zelf een pachtprijs overeen te komen. Bij de uitgifte in geliberaliseerde pacht van gronden voor waterbergingen en waterkeringen wordt gestreefd naar duurzaam (langdurig) gebruik. Bij gronden, die zijn verworven ten behoeve van de realisatie van projecten, gelden andere belangen ten aanzien van de duur van het gebruik. Van belang is dat de vrije beschikbaarheid van deze gronden na afloop van een bepaalde (korte) periode is gegarandeerd. Het aangaan van langlopende contracten is in die situatie vaak weinig zinvol, afhankelijk van de situatie wordt gekozen voor éénjarige of meerjarige pacht. In hoofdlijnen maakt het waterschap in twee situaties gebruik van geliberaliseerde pacht, namelijk bij landbouwgrond en natuurgronden. Hiervoor kennen we sinds het DB-besluit van 12 november 2024 drie verschillende vormen van pachtvoorwaarden: Natuurpacht; deze wordt toegepast bij ingerichte natuurgrond, of landbouwgrond welke bestemd is voor inrichting; Duurzame pacht; deze wordt toegepast op landbouwgrond welke is gelegen in de beekdalen (conform de beekdal-flank-hoge koppen indeling in het Handelingsperspectief van de Watertransitie); Normale landbouwpacht; deze wordt toegepast op landbouwpercelen die niet gelegen zijn in beekdalen of niet bestemd zijn om in te richten als natuur. Uitzondering op de varianten 1 en 2 zijn situaties waarin sprake is van reeds lopende afspraken/toezeggingen of waar als onderdeel van de aankooponderhandeling afwijkende afspraken zijn gemaakt. 6.2.3Pacht van geringe oppervlakte Pacht van geringe oppervlakte heeft betrekking op los land met een oppervlakte van één hectare of minder. Deze pachtvorm is niet wettelijk beschermd; deze contracten kunnen op eenvoudige wijze en op korte termijn worden beëindigd. Naast het ontbreken van recht van continuatie, indeplaatsstelling en voorkeur bij koop, behoeft de pachtovereenkomst ook niet ter goedkeuring en registratie aan de Grondkamer te worden voorgelegd en geldt géén toetsing van de pachtprijs. Pachter en verpachter zijn geheel vrij om gezamenlijk de prijs te bepalen. Indien agrarische grond in gebruik gegeven wordt aan een agrariër, dan wordt gebruik gemaakt van geliberaliseerde pachtovereenkomsten. Indien sprake is van reeds bestaande reguliere pachtovereenkomsten worden deze uitgediend en daarna, indien mogelijk omgezet naar geliberaliseerde pachtovereenkomsten of beëindigd. 6.3Huur/bruikleen 6.3.1Huur Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. (Artikel 7:201, lid 1 BW) Voor de verhuur van grond gelden minder beperkende regels voor de grondeigenaar, dan voor het verpachten van grond. Er kan echter niet in alle situaties voor huur gekozen worden. Verhuur kan alleen worden toegepast wanneer er géén sprake is van bedrijfsmatig landbouwkundig gebruik. Dit ter voorkoming van een ‘huur’ die in werkelijkheid aan alle voorwaarden voor pacht voldoet. In dat geval zou de ‘huurder’ met succes kunnen claimen dat sprake is van (reguliere) pacht, met alle beperkingen voor het waterschap van dien. 6.3.2Bruikleen Bruikleen is de overeenkomst, waarbij de ene partij aan de andere een zaak om niet in gebruik geeft, onder voorwaarde dat degene die deze zaak ontvangt, dezelve, na daarvan gebruik te hebben gemaakt, of na een bepaalde tijd, zal teruggeven. (Artikel 7A:1777 BW) Essentieel voor bruikleen is dat er geen sprake mag zijn van een tegenprestatie. Verder zijn er weinig wettelijke regels voor bruikleen van toepassing. Dit geeft de grondeigenaar veel vrijheid om voorwaarden aan bruikleen van gronden te stellen of om de bruikleen eenvoudig te beëindigen. Wanneer een perceel in bruikleen wordt gegeven, is het uitermate belangrijk dat het gebruik plaatsvindt ‘om niet’, dus gratis en zonder een op geld waardeerbare tegenprestatie. Mocht onverhoopt toch sprake zijn van een tegenprestatie, dan bestaat het risico dat de overeenkomst alsnog als huur of pacht moet worden beschouwd. Bruikleen wordt met name toegepast bij onderhoudspaden, inrichtingsstroken (vaak een zogenaamd ‘voortgezet gebruik om niet’) maar bijvoorbeeld ook wanneer het waterschap een woning tijdelijk in gebruik geeft (anti-kraak). In de praktijk worden deze overeenkomsten bij Waterschap de Dommel vaak nog als ‘gebruiksovereenkomst’ betiteld, maar hebben een gelijke strekking. Huur, bruikleen en pacht van geringe oppervlakte, vinden in beginsel plaats voor de duur van één jaar met stilzwijgende verlenging en tussentijdse opzegmogelijkheden. 6.4Zakelijke rechten Algemeen Gronden in eigendom van het waterschap die niet voor verkoop in aanmerking komen, kunnen worden bezwaard met een zakelijk recht mits dit een toekomstige inrichting niet belemmert. Gerelateerd aan de watertransitie gaat het Waterschap op zoek naar nieuwe vormen van grondgebruik. Juist daar waar we vanuit de watertransitie willen experimenteren om onze doelen te bereiken, kan het vestigen van zakelijke rechten op onze eigendommen een mooie oplossing zijn om zaken goed te regelen. Deze zakelijke rechten kunnen zijn: het recht van erfpacht; het recht van opstal; erfdienstbaarheden. Met een zakelijk recht, wordt een recht bedoeld dat rust op een zaak en niet gerelateerd is aan een persoon, zoals het geval is bij persoonlijke rechten als huur en pacht. Dit betekent dat wanneer een zakelijk (gebruiks)recht op grond van het waterschap wordt gevestigd, dit recht met die grond verbonden blijft, ook als deze wordt verkocht. Een zakelijk recht vertegenwoordigt dan ook een bepaalde waarde voor de zakelijk gerechtigde. Een zakelijk recht wordt vastgelegd in een notariële akte en ingeschreven in de openbare registers van het kadaster. Gronden in eigendom van het waterschap die niet voor verkoop in aanmerking komen, kunnen worden bezwaard met een zakelijk recht mits dit een toekomstige inrichting niet belemmert. Recht van erfpacht en van opstal Het recht van erfpacht wordt in de wet als volgt omschreven: Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft een anders onroerende zaak te houden en te gebruiken. (Artikel 5:85, lid 1 BW) Bij een erfpachtrecht wordt de grond en alles wat daarop staat aan de zakelijk gerechtigde in gebruik gegeven. Als voorbeeld zou je met een erfpachtrecht afspraken kunnen vastleggen met derden bij het experimenteren met langjarige teelten zoals voedselbossen, agroforestry en meerjarige biobased vezelgewassen. Erfpacht kent een grote mate contractvrijheid, ook wat betreft de duur van het contract. In de erfpachtovereenkomst worden de tussen erfpachter en ‘bloot eigenaar’ geldende erfpachtvoorwaarden vastgesteld. Deze zien met name toe op de duur van het erfpachtrecht, de canon en canonherziening, de situatie bij het einde van de erfpacht (is er sprake van een terugkooprecht of recht op verlenging) en gebruikersbepalingen. Zo zou je omtrent een voedselbos/agroforestry via een erfpachtovereenkomst afspraken kunnen vastleggen over bijvoorbeeld een uitgestelde vergoeding, overdraagbaarheid contract, planten van bomen, de waardeontwikkeling daarvan etc. Voor landbouwgrond geldt een minimale duur van 26 jaar (omdat bij een kortere erfpachtperiode ook de bepalingen uit het pachtrecht van toepassing zijn). Het recht van opstal onderscheidt zich van het recht van erfpacht, doordat bij een opstalrecht, het recht wordt gevestigd om gebouwen of werken in eigendom te hebben op de grond van een ander. Dit kan gaan om kunstwerken, maar ook om riooltransportleidingen die het waterschap op of in de grond van een ander heeft. Vaak wordt dit recht gecombineerd met een werkstrook die nodig is wanneer er in de toekomst werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Het waterschap verleent zelf ook opstalrechten, waarbij aan derden het recht wordt verleend om bijvoorbeeld een windturbine of elektriciteitsmasten te plaatsen op gronden van het waterschap. De wet omschrijft het recht van opstal als volgt: Het recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen. (Artikel 5:101, lid 1 BW) Bij een recht van opstal is de zakelijk gerechtigde eigenaar van de opstal. Daarmee wordt voorkomen dat de opstal door ‘natrekking’ eigendom van de grondeigenaar wordt. Het opstalrecht verleent de rechthebbende het recht om de opstal te gebruiken, te onderhouden of te vervangen, terwijl tegelijk de grondeigenaar beperkt wordt in het gebruik van zijn grond. Zo zal de grondeigenaar in geval van een opstalrecht voor riooltransportleidingen geen bomen op de desbetreffende grondstrook mogen planten of daar bouwwerken mogen oprichten. Kenmerkend voor zowel het opstalrecht als het erfpachtrecht is, dat de wet relatief weinig bepalingen bevat omtrent de wijze waarop er voorwaarden verbonden kunnen worden aan deze zakelijke rechten. Dit betekent enerzijds dat er veel contractvrijheid is, maar anderzijds dat bij het opstellen van een dergelijke overeenkomst steeds voldoende aandacht aan de specifieke voorwaarden dient te worden besteed. Aandachtspunt is dat een recht van erfpacht niet van rechtswege eindigt. Bepalend is ook wat daarover in de vestigingsakte van de erfpacht is vastgelegd. Het betekent dat de grondeigenaar steeds het initiatief moet nemen om de erfpacht te beëindigen en de erfpachter expliciet het verzoek moet doen om de grond per die datum te ontruimen. Erfdienstbaarheden Volgens de wet is een erfdienstbaarheid een last waarmee een onroerende zaak (het dienende erf) is bezwaard ten behoeve van een andere onroerende zaak (het heersende erf). In de praktijk betekent dit dat de eigenaar van het ene erf iets moet dulden van de eigenaar van het andere erf óf dat de eigenaar van het ene erf juist iets niét moet doen. Bij een erfdienstbaarheid is dus sprake van iets dulden of iets niet doen. Een erfdienstbaarheid kan gevestigd worden bij notariële akte, maar kan ook ontstaan door verjaring of doordat dit door de wet wordt opgelegd. Bij vestiging van een erfdienstbaarheid kan een retributie – financiële vergoeding – worden vastgesteld die door de eigenaar van het heersende erf verschuldigd is aan de eigenaar van het dienende erf. Dit kan een vergoeding inééns zijn of een bedrag dat periodiek moet worden voldaan. Een bekend voorbeeld van een erfdienstbaarheid is het recht van overpad. Het vestigen van een erfdienstbaarheid is met name geschikt in situaties waarin het waterschap ongewenst gebruik of ontwikkeling wil tegengaan (zoals beplantingen). Ook is een erfdienstbaarheid een geschikt instrument om de bereikbaarheid van gronden te regelen (recht van overpad) bijvoorbeeld in het kader van onderhoud en beheer. Voor realisatie van werken is erfdienstbaarheid niet geschikt en is het recht van opstal een beter instrument. Verzoeken derden Op verzoek van derden kan het waterschap medewerking verlenen aan het vestigen van een zakelijk recht op grond in eigendom van het waterschap. In veel gevallen gaat het dan om een recht van opstal ten behoeve van derden voor bijvoorbeeld transportleidingen, zendmasten voor telecomaanbieders of andere commerciële activiteiten . De vestiging van bedoelde zakelijke rechten gebeurt in overleg met de (gebieds)beheerder van deze gronden. Wanneer het verzoek een vergunningsplichtige aanvraag betreft, zal alleen een zakelijk recht gevestigd worden als de aanvraag ook daadwerkelijk vergund kan worden. Als onderdeel van het vergunningsproces wordt tevens getoetst of gevolg geven aan het verzoek toekomstige ontwikkelingen vanuit het waterschap niet belemmert. Daar waar het een aanvraag betreft welke valt onder de telecommunicatiewet kan het waterschap een vergunning niet weigeren. In zo’n geval volgt de privaatrechtelijke toestemming de vergunning. Tenslotte kan ook een zakelijk recht gevestigd worden in geval van een vergunningaanvraag, als voorwaarde om een obstakel op grond van de Waterschapsverordening in de obstakel vrije zone te kunnen vergunnen. In die situatie gaat het om een zakelijk recht ten behoeve van het waterschap, om toekomstig onderhoud aan dat object te waarborgen. 6.5Faunabeheer Het gebruik door derden van gronden van het waterschap in het kader van faunabeheer, wordt geregeld via een faunabeheerovereenkomst. In deze overeenkomst worden de rechten en plichten met betrekking tot het jachtrecht, het beheer en de schadebestrijding vastgelegd. Het beleid rondom faunabeheer is vastgelegd in het ‘Brabantbreed Faunabeheer beleid’ uit
- Dit beleid is in 2018 geactualiseerd toen de Flora- en Faunawet opging in de Wet Natuurbescherming. (NB: De Wet Natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet.) Dit beleidsdocument bevat het beleid op het gebied van uitgifte van jachtrecht, beheer en schadebestrijding en omschrijft de kaders die nodig zijn om aan de wet- en regelgeving voor faunabeheer te kunnen voldoen. Met inachtneming van de uitzonderingen die in het beleidsdocument zijn vastgelegd, kan het jachtrecht op gronden van het waterschap verhuurd worden aan derden. In de desbetreffende huurovereenkomst wordt dan tevens toestemming gegeven voor beheer en schadebestrijding. De v