← Nederland

Welstandsnota (Stadskanaal)

Kort samengevat

Deze wet regelt het welstandsbeleid van de gemeente Stadskanaal om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de gebouwde omgeving te behouden en te versterken. Het doel is om een balans te vinden tussen individuele vrijheid en het algemeen belang, waarbij de verschijningsvorm van bouwwerken van belang is voor iedereen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Welstandsnota1. Inleiding 1.1 Doel en uitgangspunten Het welstandsbeleid van de gemeente Stadskanaal is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dient te behartigen. Daarbij maken gebouwen en andere bouwwerken samen een belangrijk deel uit van de dagelijkse leefomgeving van de bewoners van Stadskanaal. Dit betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van een eigenaar van het bouwwerk alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Het welstandstoezicht beweegt zich aldus op het grensvlak van private en collectieve belangen. Bij het opstellen van welstandsbeleid moet er een afweging worden gemaakt tussen individuele vrijheid en algemeen belang. De individuele vrijheid gaat daar tot waar een ander er last van heeft of tot waar het algemene belang er onder lijdt. Een goed verzorgde, op het betreffende gebied afgestemde, omgeving kan de waarde van de onroerende zaken verhogen en versterkt zodoende het vestigingsklimaat. Doel van het welstandsbeleid is het streven naar behoud van en het versterken van de beeldkwaliteit in het algemeen en die van beschermde dorpsgezichten in het bijzonder. Daarnaast dient het karakter van het landelijke gebied en het beeld van het Groningse landschap te worden gerespecteerd. Voor de historische kernen gaat het daarbij om het beschermen van de belangrijke karakteristieken en de zorg dat nieuwe ontwikkelingen daarop verantwoord aansluiten en daarop voortbouwen. Historisch besef en conservering van bestaande kwaliteiten hoeven vernieuwing niet in de weg te staan. Voor een levensvatbare toekomst van de gebouwde omgeving is het noodzakelijk dat creatieve ideeën ten aanzien van stedenbouw en architectuur binnen de conserverende houding worden toegelaten. Hierbij dient steeds de zorgvuldig bedachte relatie met het bestaande voor op te staan. Het beleid moet duidelijkheid voor de burgers voor de toekomst verschaffen, waarbij veel aandacht voor de communicatie over het nieuwe welstandsbeleid van belang is. De welstandsnota moet voor verschillende doelgroepen hanteerbaar zijn, te weten burgers, architecten, bestuurders, ambtenaren en leden van de welstandcommissie. De welstandsnota is vooral een sturend en stimulerend hulpmiddel en niet een instrument om van alles te verbieden. Ontsieringen moeten worden tegengegaan en er mogen geen gebouwen ontstaan die afbreuk doen aan het karakter van de gebouwen of de bestaande omgeving. De welstandscriteria zijn afgeleid van de bestaande omgeving en de toekomstvisie en zijn duidelijk geformuleerd. Doel is dat een ieder de waardevolle karakteristieken van zijn eigen buurt kan herkennen. Bij het ontwerpen van nieuwe gebouwen of aanpassingen van bestaande bouwwerken moet daarmee rekening worden gehouden. Door het opstellen van welstandsbeleid kan de gemeente een stimulerend, duidelijk en goed te handhaven welstandstoezicht inrichten en opdrachtgevers en ontwerpers in een vroegtijdig stadium informeren over de criteria die bij de welstandsbeoordeling van belang zijn. 1.2 Uitgangspunten welstandsbeleid Instrument voor ruimtelijke kwaliteit Goede balans tussen zekerheid en flexibiliteit Openbaarheid en inzichtelijkheid Vermaatschappelijking 1.2.1 Instrument voor ruimtelijke kwaliteitIn het ruimtelijke kwaliteitsbeleid staat de leefbaarheid van Stadskanaal centraal. Dat betekent onder meer dat er bij alle ingrepen in de gebouwde omgeving een balans moet zijn tussen individuele wensen en het algemene belang. Dit betekent behoud van aanwezige kwaliteiten op het gebied van cultuurhistorie en het scheppen van mogelijkheden voor toekomstige nieuwe kwaliteiten. Voor het toekomstige welstandstoezicht betekent dit dat bouwwerken, meer dan voorheen, worden beoordeeld op de betekenis die ze hebben voor de omgeving. Redelijke eisen van welstand zijn niet meer alleen objectgericht maar kunnen, op basis van gebiedsgerichte welstandscriteria, per gebied verschillen. Bij het opstellen van de gebiedsgerichte welstandscriteria is de kennis over het gebied van belang en kan de ontstaansgeschiedenis ervan worden gebruikt. 1.2.2 Goede balans tussen zekerheid en flexibiliteitWelstandscriteria moeten volgens de Woningwet ‘zo concreet mogelijk’ zijn. Dat betekent niet dat in alle gevallen volledige objectiviteit mogelijk is, maar wel dat altijd zekerheid kan worden geboden over de aspecten die een rol spelen bij de welstandsbeoordeling. De welstandscriteria zijn per gebied gebaseerd op de kwaliteiten van de bestaande gebouwde omgeving, zodat gebouwen die daaraan moeten voldoen ‘wel staan’ in hun straat of op hun plek.Sommige gebieden verdragen meer vrijheid dan andere, hetgeen tot uiting komt in de formulering van de welstandscriteria. Daarnaast zullen er altijd gebouwen zijndie niet direct doen wat de plek verlangt, maar desondanks een aanwinst kunnen zijn voor het gebied. Die flexibiliteit moet mogelijk zijn waarbij de stelregel geldt dat hoe groter de afwijking ten opzichte van de bestaande omgeving is, hoe hoger de kwaliteitseisen zijn die aan het bouwwerk zelf worden gesteld. 1.2.3 Openbaarheid en inzichtelijkheidHet welstandstoezicht moet objectiever en transparanter voor de burgers worden door duidelijkere welstandscriteria en door een open werkwijze. Het welstandsbeleid moet de burger, wat de welstandsbeoordeling betreft, duidelijkheid verschaffen van vergunningaanvraag tot welstandsadvies en vergunningverlening. Daarbij moeten zaken als gemandateerd advies, vooroverleg en openbaarheid van de vergaderingen goed worden geregeld. Het bevorderen van de openbaarheid van de welstandsvergaderingen mag echter niet leiden tot kwaliteitsverlies doordat andere aspecten dan alleen de welstandscriteria een rol gaan spelen bij de beoordeling. 1.2.4 VermaatschappelijkingHet welstandsbeleid moet een onderwerp van publieke discussie zijn en blijven. Welstandsbeleid moet wortelen in de samenleving en bijdragen aan het democratiseren van welstand en architectuur. Welstandscriteria moeten stimulerend zijn en de welstandscommissie moet een bijdrage leveren aan de discussie over stedenbouw en architectuur in Stadskanaal. Het kwaliteitsdenken van mensen met bouwplannen moet al in een heel vroeg stadium worden gestimuleerd. 1.3 De welstandscommissie Omdat de welstandsbeoordeling een complex gebeuren is, dienen burgemeester en wethouders volgens de Woningwet bij de meeste bouwplannen, en zeker voor die bouwplannen waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist, een deskundig en onafhankelijk advies te vragen aan de welstandscommissie. De welstandscommissie kijkt of er harmonie in het bouwwerk zelf aanwezig is en of dit past in zijn omgeving. De welstandscommissie werkt in volle openbaarheid. De werkwijze, de samenstelling en taakomschrijving van de welstandscommissie is opgenomen in het ‘Reglement van orde op de welstandscommissie’. Dit reglement zal door de gemeenteraad worden vastgesteld en is als bijlage 5 in deze welstandsnota opgenomen. Tevens is hierbij het schema welstandstoetsing opgenomen, zodat de burger te voren kan weten op welke wijze zijn bouwplan door de welstandscommissie wordt getoetst. Het advies van de welstandscommissie is uiteindelijk een van de aspecten die een rol spelen bij de beslissing van burgemeester en wethouders om de bouwvergunning al dan niet te verlenen. Met het vaststellen van deze welstandsnota is het welstandsadvies voortaan gebonden aan democratisch vastgestelde welstandscriteria. De gemeenteraad stelt met de welstandsnota vast waar de welstandscommissie bij de beoordeling van bouwplannen op moet letten. 1.4 De welstandsnota De welstandsnota van Stadskanaal is als volgt opgebouwd. Na een hoofdstuk over het ruimtelijke kwaliteitsbeleid van Stadskanaal, dat als basis voor het welstandsbeleid geldt, worden de welstandsgebieden en welstands(loket)criteria beschreven. Voor een goede leesbaarheid is daarbij gekozen voor een volgorde van abstract naar concreet: van algemene welstandscriteria, via relatieve welstandscriteria voor objecten, naar absolute welstandscriteria voor de sneltoets van veel voorkomende kleine(

  1. re)bouwwerken. Ook wordt aandacht geschonken aan welstandscriteria bij (her)ontwikkelingsprojecten en criteria die kunnen worden gebruikt bij het repressieve welstandstoezicht op alle bouwwerken en de handhaving daarvan, de zogenaamde excessenregeling. Als bijlagen bij deze welstandsnota zijn opgenomen een begrippenlijst, een overzicht van monumenten en beeldbepalende panden, een overzicht van de bestemmingsplannen, een straatnamenlijst met bijbehorende welstandsgebieden en het reglement van orde op de welstandscommissie (inclusief schema welstandstoetsing). Daarnaast zijn er kaarten opgenomen van de gebruiksfuncties, de welstandsgebieden, de welstandsniveau’s en een overzichtskaart van de monumenten. 1.5 Welstandsnota in de praktijk Iemand die wil weten welke welstandscriteria voor zijn bouwplan gelden, kan in de welstandsnota nagaan of het bouwplan valt onder de veel voorkomende ‘kleine(
  2. re)bouwplannen’. Hieronder worden verstaan: aan- en uitbouwen bijgebouwen en overkappingen dakkapellen kozijn- en gevelwijzigingen erf- / perceelafscheidingen Als een dergelijk klein bouwwerk niet vergunningvrij is moet, in de meeste gevallen, een ‘lichte bouwvergunning’ worden aangevraagd. Dit plan wordt dan door de gemeente getoetst aan alle wettelijke vereisten zoals het Bestemmingsplan, het Bouwbesluit en aan redelijke eisen van welstand. Voor deze welstandstoets zijn “sneltoetscriteria” of “loketcriteria” opgesteld waarmee zowel de indiener van het plan als de medewerkers van de gemeente, kunnen nagaan op welke wijze het bouwplan in ieder geval aan redelijke eisen van welstand voldoet. Wordt het bouwplan op deze manier ingediend, dan kan een beoordeling door de welstandscommissie achterwege blijven. Voor bouwplannen die niet met de sneltoetscriteria kunnen worden beoordeeld is bij het opstellen van welstandscriteria een gebiedsgerichte aanpak gevolgd. De welstandsnota geeft een beschrijving van de samenhang in en het karakter van een bepaald gebied. Daaruit ontstaat een reeks aandachtspunten of beoordelingscriteria, waar men op moet letten als men wil bouwen of verbouwen in een bepaald gebied, de zogenaamde gebiedsgerichte welstandscriteria. Met deze gebiedsgerichte welstandscriteria wordt ook aangegeven in welke gebieden bijzondere kwaliteiten aanwezig zijn en in welke gebieden extra inspanningen worden verwacht. In Stadskanaal zijn ook bouwwerken die door hun functie, verschijningsvorm of regionale cultuurhistorische betekenis, zo specifiek zijn dat daarvoor een eigen, objectgericht beoordelingskader in de welstandsnota is opgenomen. Dit is het geval voor de boerderij, de opslagschuur, het “krimpenhuis”, de villa, luifels, rolluiken en reclames. Het kan soms voorkomen dat de gebiedsgerichte - c.q. objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn. Dit kan het geval zijn als een bouwplan wel voldoet aan de gebiedsgerichte - c.q. objectgerichte criteria maar niet aan redelijke eisen van welstand. Daarom zijn in de welstandsnota ook algemene criteria opgenomen waarmee een bouwplan geheel op zichzelf kan worden beoordeeld. Deze algemene welstandscriteria kunnen niet te pas en te onpas worden gebruikt, maar zijn bedoeld voor onverwachte, experimentele of opvallende gebouwen. Burgemeester en wethouders kunnen, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de welstandscommissie, van deze welstandscriteria afwijken. In de praktijk betekent dit dat het plan dan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld. 1.6 Tenslotte Na vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan in Stadskanaal niet meer worden gezegd dat welstandsadvisering onbegrijpelijk, willekeurig of niet transparant is. De welstandscriteria zijn langs democratische weg vastgesteld en voor iedereen toegankelijk. De agenda van de welstandscommissie is van tevoren te raadplegen en de commissie werkt bovendien in volle openbaarheid. Planindieners en ontwerpers kunnen altijd een afspraak met de welstandscommissie maken om een toelichting op hun bouwplan te geven, kunnen de beoordeling bijwonen en een uitleg krijgen over het advies. Zowel de welstandscommissie als burgemeester en wethouders rapporteren jaarlijks aan de gemeenteraad hoe zij met de uitvoering van het welstandsbeleid zijn omgegaan. Het gemeentebestuur van Stadskanaal gaat er vanuit dat het nieuwe welstandstoezicht breed zal worden gedragen en hoopt dat met deze welstandsnota een waardevolle bijdrage kan worden geleverd aan de kwaliteit van de bebouwde omgeving in de gemeente Stadskanaal. 2 Ruimtelijk kwaliteitsbeleid 2.1 Ruimtelijk beleid StructuurvisieDe hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van stadskanaal zijn vastgelegd in het Structuurplan 1998. In dit plan genaamd “de gemeente van straks: Stadskanaal in 2010”, komen enkele voor het welstandsbeleid relevante uitgangspunten voor, te weten: behoud en versterking van het huidige woonmilieu van Stadskanaal; versterking van het centrum van Stadskanaal en Musselkanaal; behoud van waardevolle architectonische elementen; behoud van de groenstructuur in de woonwijken die een wezenlijke bijdrage aan het straatbeeld moet leveren; ontwikkeling van nieuw beleid en planning van groen; handhaving van de (nog) kenmerkende en unieke mate van openheid in het Veenkoloniale gebied; behoud van en bescherming van de cultuurhistorische, ecologische en landschappelijke waarden, waarbij nieuwe woongebieden dienen te worden ingepast en gehecht aan de gegeven landschappelijke structuur; vergroting van de belevingswaarde van de natuurgebieden 2.2 Bestemmingsplannen Voor het totale grondgebied van de gemeente Stadskanaal vigeert een zeventigtal bestemmingsplannen. Voor het binnen de bebouwde kom gelegen gedeelte zijn dit er ongeveer drieënzestig en voor het buitengebied vier stuks. De meeste plannen kennen geen welstandsbepalingen en zijn vaak summier van toelichting. In de meest recente bestemmingsplannen, zoals Waterland, wordt een gebiedsbeschrijving gegeven en is er expliciete aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente heeft het voornemen om alle bestemmingsplannen te actualiseren en het aantal te verkleinen. Hiervoor is een meerjarenprogramma vastgesteld. Voor de bestemmingsplannen die betrekking hebben op het grondgebied van de gemeente Stadskanaal wordt verwezen naar het overzicht van de bestemmingsplannen in bijlage 3. 2.3 Stedenbouw Het stedenbouwkundige beleid is bepalend en voorwaardenscheppend voor het welstandstoezicht. Wanneer in uitbreidings- of herstructureringsgebieden wordt gewerkt met stedenbouwkundige supervisie, betreft dit met name het in goede banen leiden van bouwplannen binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan. Wanneer de plannen niet lijken te passen vindt er overleg plaats met de welstandscommissie. Als voorloper op de herziening van de bestemmingsplannen wordt gewerkt met ruimtelijke visies. 2.4 Openbare ruimte en landschap De kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving in de gemeente Stadskanaal wordt voor een belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid van groen. De gemeente voert ten aanzien van de openbare ruimte een beleid gericht op een kwalitatief hoogwaardige inrichting, zowel voor wat betreft groenstructuur, bebouwing en infrastructuur. Het beleid ten aanzien van de kwaliteit van het buitengebied is geformuleerd in de bestemmingsplannen Buitengebied. Deze plannen streven naar behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden. Deze waarden vormen een kernkwaliteit van bijzondere allure. Stadskanaal moet deze kernkwaliteit in overleg met omliggende gemeenten beschermen en, waar mogelijk, benutten voor verbetering van de bebouwing en de woonomgeving van de kernen. Streven is om de ecologische waarden van het buitengebied zoveel mogelijk veilig te stellen. Het buitengebied moet echter ook op passende wijze voor fietsen en wandelen worden ontsloten. Inbreiding van woningbouw is, in beginsel, wel mogelijk. Dit dient dan wel op een zodanige manier plaats te vinden dat de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de verschillende kernen van Stadskanaal verder worden versterkt dan wel worden gehandhaafd. De gebieden ten oosten van Onstwedde maken deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Samen vormen ze vanuit de gemeente Vlagtwedde een verbinding met natuurgebieden in de gemeente Bellingwedde. Naast natuurontwikkeling is het de bedoeling om in het EHS-gebied beheersovereenkomsten met landbouwers te sluiten en (gesubsidieerde) natuurontwikkeling op de akkerbouwpercelen te realiseren. Uitgangspunt van de EHS is het creëren van verbindingszones met de Hondsrug, de Blauwe Stad en Duitsland. Vanuit deze visie wordt aansluiting gezocht bij de natuurgebieden Veenhuizerstukken, de Tichelberg en bosgebieden. Het gebied Smeerling-Metbroek is en blijft daarbij het visitekaartje van het landelijke gebied. 2.5 Monumentenbeleid Stadskanaal kent Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Daarnaast is Smeerling aangemerkt als beschermd dorpsgezicht. De gemeente Stadskanaal is van plan om het Kerkgebied van Onstwedde ook tot beschermd dorpsgezicht te bestempelen. Daarnaast is de gemeente voornemens een expliciet monumentenbeleid op te stellen. Doel is om een hogere ruimtelijke kwaliteit te bereiken door: zoveel mogelijk cultuurhistorische waarden in beeld brengen, te documenteren en, indien mogelijk, te beschermen en in goede staat te houden; het voeren van een integraal beleid, waarbij aandacht is voor cultuurhistorische waarden bij beheer en inrichting van de openbare ruimte en bij ruimtelijke planvorming (structuurvisie, bestemmingsplan, beeldkwaliteitsplan); het zowel in - als extern uitdragen van het beleid met betrekking tot cultuurhistorische waarden door bewustwording en voorlichting. Hierbij kunnen de volgende instrumenten worden ingezet: het aanwijzen van gemeentelijke monumenten; archeologisch en bouwhistorisch onderzoek voorafgaande aan bouwactiviteiten, hetgeen op termijn wettelijk wordt verplicht. advisering door de Monumentencommissie; voorlichting waaronder de Open Monumentendag. Voor een overzicht van de Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten wordt verwezen naar bijlage 2 met bijbehorende monumentenkaart. 2.6 Huidige welstandszorg Het huidige welstandstoezicht in de gemeente Stadskanaal is geregeld via de bouwverordening conform de VNG- modelbouwverordening1992. In artikel 9.1 van de gemeentelijke bouwverordening zijn de algemene welstandscriteria uit de Modelbouwverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgenomen, te weten: de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de al aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context; de massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling; samenhang in het bouwwerk of de bouwwerken voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen ervan. Ruimtelijke kwaliteit heeft een directe relatie met de mate van welbehagen die iemand op een bepaalde plek of in een gebied ervaart. Dit heeft te maken met de objectivering van de factoren die hiervoor zijn benoemd alsmede subjectieve factoren. Meer inhoudelijke welstandscriteria zijn uitgewerkt ten aanzien van de meest voorkomende kleine ingrepen zoals aan - en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, dakkapellen, kozijn - en gevelwijzigingen en erf - en perceelafscheidingen. De richtlijnen dienen als toetsingskader ten behoeve van nieuwe bouwplannen en verbouw van bestaande woningen. Bij de beoordeling van alle bouwplannen worden de sleutelbegrippen harmonie, herkenbaarheid en maat en schaal genoemd: harmonie: is het gebouw in overeenstemming met het doel waarvoor het wordt gebouwd, past het in de omgeving, zijn de samenstellende bouwonderdelen goed op elkaar afgestemd, is er sprake van een zeker evenwicht in de verhoudingen van de bouwmassa’s en gevelindelingen; herkenbaarheid: is van het gebouw “af te lezen” wat de functie is; maat en schaal: past het gebouw in zijn omgeving voor wat betreft bouwmassa en gevelindelingen. De gemeente Stadskanaal werkt voor de welstandsbeoordeling van haar bouwplannen in provinciaal verband samen met andere Groningse gemeenten en ressorteert onder het werkgebied van de Stichting Libau, welstands- en monumentenzorg Groningen. 3 Welstandsgebieden - objecten en - criteria 3.1 Welstandsgebieden Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van de gemeente Stadskanaal. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van de gemeente, de ruimtelijke mogelijkheden alsmede de architectuur zoals die in de bestaande situaties wordt aangetroffen. Deze criteria geven aan hoe een bouwwerk ´zich moet gedragen´ om in zijn omgeving niet te veel uit de toon te vallen en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. Naast de karakteristieken is de landschappelijke en ruimtelijke structuur van de gemeente Stadskanaal van belang. De gemeente is hiertoe in een aantal welstandsgebieden verdeeld te weten: de kanaalzone met lintbebouwing, Stadskanaal / Musselkanaal / Ceresdorp, bedrijventerreinen Stadskanaal / Musselkanaal, Alteveer / Onstwedde / Mussel en het Buitengebied. Daarnaast is aangegeven welk welstandsniveau in welk welstandsgebied geldt. Tot slot is aangegeven welke functie(s), zoals woon -, werk -, recreatie - en agrarische functie, in welk welstandsgebied voorkomen. Om een en ander inzichtelijk te maken is een drietal overzichtskaarten van de gemeente stadskanaal in de welstandsnota bijgevoegd, te weten een kaart met: welstandsgebieden welstandsniveau’s gebiedsfuncties. 3.1.1 Landschappelijke structuurHet veenkoloniale landschap is destijds ontstaan als een landschap waar alles ten dienste staat van de landbouwproductie. Nu de landbouw onder druk staat is de uitdaging om een nieuw evenwicht te vinden tussen landbouw en andere functies zoals wonen, ontwikkeling, recreatie en bedrijvigheid. De meest in het oog springende kwaliteit van dit landschap is de openheid. Ten behoeve van de schaalvergroting van landbouwbedrijven dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn, mede om te voorkomen dat deze bedrijven tegen de beperkingen van de milieuwetgeving aan lopen. Door deze aanpak zal de grootschaligheid van het landschap als belangrijke ruimtelijke kwaliteit in stand kunnen worden gehouden. Nieuwe ontwikkelingen zullen alleen aan de flanken van de centrale open ruimte plaats kunnen vinden. Dit zal leiden tot een gedeeltelijke ontkoppeling van landbouw met woonfuncties. Bedrijfsonderdelen die milieuhinder (kunnen) veroorzaken, zoals stallen en mestsilo’s, zullen alleen van het lint af uitgebouwd mogen worden. Nader dient te worden onderzocht in hoeverre het monden – en wijkensysteem moet worden uitgebreid om het transport van water uit de multifunctionele landschapszone in de beekdalen goed te laten verlopen. Ten oosten van de kern Onstwedde bevindt zich de ecologische hoofdstructuur (EHS). Dit waardevolle natuurlandschap is een belangrijke buffer tussen enerzijds de woonkernen en anderzijds de veenkoloniale gebieden en is zachter en vriendelijker van aard. Het structuurplan van de gemeente Stadskanaal gaat uit van een versterking van de EHS. In de gebiedsbeschrijving ‘Buitengebied’ onder 3.1.5.5 wordt nader ingegaan op de landschappelijke structuur. 3.1.2 Ruimtelijke structuurHet lineaire patroon van het kanaallint is alles overheersend in het beeld van Stadskanaal. Bebouwing en ruimte worden er door bepaald. De ruimtelijke opbouw in dwarsrichting is in principe continue en bestaat uit de elementen bebouwing – weg – kanaal – weg – bebouwing. Er is sprake van een overheersende verkeersroute die noordoostelijk van het kanaal is gelegen. De weg aan het Noordzeestrand heeft per kanaaldeel alleen de functie van ontsluiting van de bebouwing. Tussen het water en de weg bevindt zich meestal een berm, voorzien meer of minder ruimtebepalende boombeplanting. Varianten binnen dit thema vormen de wisselende afstanden tussen weg en bebouwing, het al of niet voorkomen van fiets - en voetpaden en elementen die de indeling van het wegprofiel markeren, zoals sterk lineaire beplanting, straatverlichting en ornamenten. Zij hebben niet alleen een ruimtelijke werking in dwarsrichting maar vormen ook een accentuering van de lengtewerking van het lint. In plaats van een berm is soms sprake van kadewanden. Vroeger was het algemene gebruik om tussen de weg en de voortuin een heg, een tuinmuurtje of een andere afscheiding te maken. Het verdwijnen daarvan heeft, samen met wegverbredingen het overgangsgebied tussen openbaar en privé aanzienlijk verarmt. De continuïteit in het beeld van het lint wordt vooral onderbroken door grote afwijkingen van structurele aard, zoals sluizen, bruggen en wegaansluitingen. Vanuit het noorden komend, valt de open plek bij de begraafplaats Uniken op. Een stuk verderop is er ook een opvallende plek bij de Gasselterbrug. In het zuiden wordt het kanaalbeeld over een grote lengte bepaald door de watertoren. Samen met huize “Ter Marse” en de dubbele knik in de kanaalloop, is hier sprake van de meest opvallende afwijking van het algemene kanaalbeeld. Voorbij de dubbele knik gaat Stadskanaal over in Musselkanaal. Ieder welstandsgebied heeft zijn eigen bebouwingskarakteristiek. Zo komen in de kanaalzone met lintbebouwing (welstandsgebied 1) monumentale bouwwerken, sluizen, bruggen, een watertoren, kleinschalige historische bebouwing, bedrijven en winkels voor. In Stadskanaal / Musselkanaal / Ceresdorp (welstandsgebied 2) komt hoofdzakelijk stedelijke bebouwing voor en woonwijken met een variatie aan woonmilieus. In zowel Stadskanaal als Musselkanaal komen grootschalige woonwijken voor met overwegend strokenbouw als twee onder een kap - en vrijstaande woningen. Het centrum kenmerkt zich door autonome en geclusterde gebouwen. Parkwijk bestaat hoofdzakelijk uit villa-achtige bebouwing uit de jaren 20 en 30 en sociale woningbouw, terwijl de nieuwe woonwijk Waterland uit geschakelde, twee onder een kapwoningen en vrijstaande bebouwing bestaat. Ook komt in Stadskanaal een aantal saillante flatgebouwen voor. In het centrum van Musselkanaal bevinden zich grote bouwmassa’s die de omgeving domineren. Welstandsgebied 3 betreft de bedrijventerreinen in zowel Stadskanaal als Musselkanaal. Deze gebieden kenmerken zich door grootschalige bedrijfsbebouwing welke vrij in de ruimte is gelegen en de aanwezigheid van bedrijfswoningen. In de kernen Alteveer, Onstwedde en Mussel (welstandsgebied 4) komen lintbebouwing, vrijstaande -/ half vrijstaande - en rijtjeswoningen voor. Het kerkgebied in Onstwedde vertegenwoordigt, met zijn historische kern, een zekere ensemblewaarde. Het Buitengebied (welstandsgebied 5) is opgedeeld in het veenkoloniale gebied, de ecologische hoofdstructuur (EHS) en Smeerling met zijn karakteristieke boerderijen, dat tot beschermd dorpsgezicht is verklaard en een aantal monumenten kent. Voor een nadere omschrijving wordt verwezen naar de betreffende welstandsgebieden. 3.1.3 GebiedsindelingIn de gemeente Stadskanaal kunnen op basis van de ruimtelijke structuur en de daarmee samenhangende overeenkomsten in functionele, stedenbouwkundige en/of architectonische kenmerken vanuit welstandsoptiek 5 deelgebieden worden onderscheiden. Deze deelgebieden vallen niet altijd samen met de grenzen van de bestaande bestemmingsplannen. Per deelgebied is een samenhangend beoordelingskader opgesteld waarin steeds de volgende onderdelen aan de orde komen: Een korte omschrijving van het gebied, waarbij aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving, een typering van de bouwwerken, het materiaal - en kleurgebruik en de detaillering. Een samenvatting van het beleid, de te verwachten en/of gewenste ontwikkeling(
  3. en)en de waardering van het gebied op grond van de belevingswaarde en eventuele bijzondere cultuurhistorische, stedenbouwkundige of architectonische werken. Het voor het gebied geldende welstandsniveau. De welstandscriteria, steeds onderverdeeld in criteria betreffende de relatie met de omgeving van het bouwwerk, de bouwmassa en vormgeving, de detaillering en het materiaalgebruik alsook eventuele aanvullende welstandscriteria. 3.1.4 WelstandsniveausPer gebied is nagegaan welk ambitieniveau voor het welstandstoezicht redelijk is, dat wil zeggen op welk niveau de welstandscriteria moeten worden uitgewerkt. Het spreekt voor zich dat dit een beleidskeuze is die nauw samenhangt met het gehanteerde ruimtelijk beleid en de gewenste ontwikkelingen daarvan. In theorie zijn er vier welstandsniveaus mogelijk, namelijk: Beschermd dorpsgezicht. Deze aangewezen gezichten worden van algemeen belang geacht wegens de schoonheid, de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel de wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. Het welstandstoezicht moet in deze gebieden een bijdrage leveren aan de gewenste bescherming en zal nauw aansluiten op het bestemmingsplan en het monumentenbeleid. Het bijzondere welstandsniveau. Het gaat hier om gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht en waar de gemeente, naast het welstandstoezicht, ook aanvullende beleidsinstrumenten inzet of in de nabije toekomst zal inzetten. In deze gebieden moet het welstandstoezicht een bijdrage leveren aan het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Het reguliere welstandsniveau. Het betreft hier gebieden met een eigen, te onderscheiden en gewaardeerde ruimtelijke kwaliteit. Het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van deze kwaliteit. Het basis welstandsniveau. Deze gebieden kunnen afwijkingen in de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur verdragen, welke op een verantwoorde wijze dienen plaats te vinden. In de gemeente Stadskanaal komt het basis welstandsniveau niet voor omdat het beleid van de gemeente erop is gericht de bestaande ruimtelijke kwaliteit van de onderscheidene gebieden te handhaven en daarom hecht aan een gedegen welstandstoezicht. Op de kaart met welstandsgebieden komen de hierna vermelde gebieden voor, met voor elk gebied daaraan gekoppeld het op de kaart met welstandsniveau’s aangegeven welstandsniveau. Welstandsgebied Welstandsniveau 1. Kanaalzone met lintbebouwing bijzonder 2. Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp bestaande uit: - Woongebieden 50 / 60 / 70-er jaren regulier - Woongebieden 80 - en 90-er jaren regulier - Centrumgebieden regulier - Waterland regulier - Parkwijk regulier 3. Bedrijventerreinen regulier 4. Alteveer - Onstwedde - Mussel bestaande uit: - Woongebied regulier - Kerkgebied bijzonder 5. Buitengebied bestaande uit: - Veenkoloniaal gebied regulier - Ecologische hoofdstructuur regulier - Smeerling beschermd dorpsgezicht Hierbij wordt opgemerkt dat de gemeente Stadskanaal voornemens is om ook het Kerkgebied, aansluitend op de kern van Onstwedde, in de toekomst te bestemmen als beschermd dorpsgezicht. De motivatie om in een bepaald welstandsgebied te kiezen voor het bijzondere welstandsniveau dan wel het reguliere welstandsniveau wordt in de beschrijving van de afzonderlijke welstandsgebieden gemotiveerd. 3.1.5 GebiedsbeschrijvingenIn deze paragraaf worden de volgende vijf welstandsgebieden behandeld: Kanaalzone met lintbebouwing Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp Bedrijventerreinen Alteveer - Onstwedde - Mussel Buitengebied Een aantal welstandsgebieden is weer onderscheiden in een aantal aandachtsgebieden, waarbij de gebiedsgerichte welstandscriteria per aandachtsgebied zijn geformuleerd. Dit geldt voor 3.1.5.2 Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp, 3.1.5.4 Alteveer - Onstwedde - Mussel en 3.1.5.5 Buitengebied. In paragraaf 3.1.3 is een toelichting gegeven op bovenstaande gebiedsindeling. 3.1.5.1 Kanaalzone met lintbebouwing Ligging en begrenzingDit welstandsgebied betreft de gehele kanaalzone met lintbebouwing, zoals die is gelegen binnen de gemeentegrenzen van Stadskanaal. Onder de kanaalzone met lintbebouwing wordt hier verstaan het kanaal met de direct daaraan gelegen kaden, straten en erven met bebouwing. De evenwijdig aan de kanaalzone lopende begrenzing van dit welstandsgebied valt vrijwel geheel samen met de “Heemsloot”. Karakteristiek en historieIn 1765 gaf de stad Groningen opdracht tot het graven van het kanaal, het Stadskanaal, voor het vervoer van de turf in de veenkoloniën. De kanaalzone met lintbebouwing kan worden beschouwd als het karakteristieke beeld bij uitstek van de gemeente Stadskanaal en is tevens het meest in het oog springende historische element. Hier heeft zich het industriële verleden van de gemeente grotendeels afgespeeld. Het oudste woongebied van Stadskanaal is te vinden in de kanaalzone, met monumentale bouwwerken uit de bloeiperiode van de veenkoloniën uit de tweede helft van de negentiende eeuw en objecten zoals sluizen en bruggen. De kernen Stadskanaal en Musselkanaal zijn veenkoloniale nederzettingen, die zijn ontstaan langs het kanaal. Musselkanaal is van recentere datum en behalve als voortzetting van Stadskanaal ook vanuit de oostelijk gelegen zandrug de Horsten ontstaan. De continuïteit van de kanaalzone wordt vooral ter plaatse van de dubbele knik in de kanaalzone onderbroken; deze markeert de overgang van Stadskanaal naar Musselkanaal en is mede door de aanwezigheid van de watertoren een sterk oriëntatiepunt. In het centrum van Musselkanaal is sprake van een andere onderbreking, veroorzaakt door de verschuiving van de hoofdverkeersweg van de oost- naar de westkant van het kanaal. Omdat de kanaalzone met lintbebouwing zich langs meerdere plaatsen uitstrekt, vormt deze het belangrijkste beeldbepalende element in zowel de gemeente Stadskanaal als het omliggende gebied. Voor het grootste deel, ca. 18 km, is de kanaalzone gelegen in de gemeente Stadskanaal. De lintbebouwing kan binnen de gemeente worden beschouwd als onderdeel van het stedelijke gebied, met als voornaamste thema “wonen”. In dit gebied is de woonfunctie dan ook dominant. Karakteristiek voor de Sluisstraat en Marktstraat in Musselkanaal is de menging en grote verscheidenheid van functies. In vergelijking met de kadezijde is er naast de woonfunctie sprake van een relatief groot aantal andere functies. Langs de kadezijde in Stadskanaal en Musselkanaal overheerst de woonfunctie. In het verleden is in de kanaalzone een kleinschalige, historische veenkoloniale bebouwing ontstaan, met een verkaveling loodrecht op het kanaal. Kenmerkend voor de historische structuur van de veenkolonie is de logische gerichtheid van de gebouwen op de rooilijn, evenwijdig aan het kanaal. De tweezijdig opgaande bomenrij accentueert het rechtlijnige karakter van de kanaalzone. Het kanaal heeft een asymmetrisch profiel, met een relatief steil talud met grote bomen aan de straatzijde en een flauwer en tevens lager talud met bomen aan de kadezijde. Vooral de centrumgebieden hebben een meer steenachtig wegprofiel, met kadewanden in plaats van een berm. Deze factoren benadrukken het eigen karakter van de beide zijden van de kanaalzone; formeel en stedelijk aan de straatzijde en informeel en dorpsachtig aan de kadezijde. De bebouwing ter hoogte van Musselkanaal staat in vergelijking met Stadskanaal wat dichter op de straat. Verspreid over de woonbebouwing zijn kleine bedrijven en winkels aanwezig. Kenmerkend voor de historische bebouwing is de repeterende korrelgrootte en de grote diversiteit aan gebouwen. De kavelbreedte van de woningen is over het algemeen 10 meter. Incidenteel is sprake van bredere percelen. De bebouwing wordt gekarakteriseerd door kleine tot middelgrote vrijstaande woningen met een zadeldak, voornamelijk vooroorlogse particuliere woningen. Woningen met een enkelvoudige bouwmassa en een duidelijke kapvorm hebben de overhand. De daken zijn met hun nokrichting overwegend haaks op de aanliggende straat georiënteerd en hebben voor het merendeel een relatief steile dakhelling vanaf 45° of meer. In die gevallen waarin de daken parallel aan de straat liggen of afwijkende kapvormen voorkomen, gaat het vaak om een herhaling op kleine schaal. Gebouwen met platte daken komen voor, maar zijn eerder uitzondering. Bijzondere elementen in de bebouwing worden gevormd door een aantal, vaak monumentale, boerderijen, een groot aantal kerken en andere gebouwen met grote bouwmassa’s zoals scholen. Deze liggen doorgaans verder terug van de straat en vormen daarmee een logische onderbreking in het overheersende straatbeeld. De lintbebouwing heeft een relatief grote dichtheid, maar in de richting van de gemeentegrens aan de noordzijde krijgt deze een meer open karakter, om vervolgens abrupt op te houden bij de overgang naar het open gebied. Ten opzichte van de historische, kleinschalige bebouwing langs het kanaal is de bebouwing ter hoogte van de centrumgebieden van Stadskanaal en Musselkanaal grootschaliger van opzet en veelal aaneengeschakeld. Het op die manier ontstane beeld van min of meer doorlopende gevelwanden wijkt zichtbaar af van de historische korrelgrootte. De hoek Europalaan/Hoofdstraat kan worden beschouwd als de entree van het centrumgebied van Stadskanaal. Hier is een modern ogende woontoren gerealiseerd, “Het Raethuys”, die door zijn grote hoogte als blikvanger en oriëntatiepunt fungeert. De in het Structuurplan 1998 voorgenomen nieuwbouw voor ouderen in Musselkanaal is intussen gerealiseerd; aan de Havenkade en de Badstraat staan nu een aantal grote appartementengebouwen. De bouwkundige detaillering van de gebouwen is overwegend eenvoudig, maar er is ook een aantal oudere panden dat op detail- en decoratieniveau een behoorlijke kwaliteit bezit. Het materiaalgebruik is overwegend traditioneel van aard, met onder meer keramische dakpannen, gemetselde gevels en houten kozijnen. Daarnaast komen ook betonpannen voor als dakbedekking. Het kleurgebruik is terughoudend, met donkergekleurde dakpannen en metselwerk in roodachtige tinten. Accenten komen voor in de zin van wit geschilderde daklijsten en kozijnen. Een belangrijke beeldbepalende factor in het centrumgebied van Stadskanaal is de doorgaande pergolaconstructie met daaraan gekoppelde luifels. Deze vertonen een grote verscheidenheid in vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik. In het centrumgebied van Musselkanaal is de bovenbouw van een aantal panden naderhand bekleed met geprofileerde staalplaat. Het oorspronkelijke gevelbeeld is daarmee totaal veranderd. In het gebied komen verschillende monumenten voor. De markante watertoren aan de Ceresstraat, ter hoogte van de knik in de kanaalzone, is vanwege zijn hoogte en verschijningsvorm een belangrijk herkenningspunt langs het kanaal. Het nabij gelegen streekhistorisch centrum, huize “Ter Marse”, draagt ook bij aan het karakter van de plek. In Stadskanaal zijn de sluizencomplexen aangewezen als rijksmonument. Voor een volledige opsomming van monumenten wordt verwezen naar bijlage 2 van deze nota. Toekomstvisie en beleidVoor behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de kanaalzone geldt de identiteit en het historische besef als uitgangspunt. De identiteit van een gemeenschap hangt in belangrijke mate samen met de cultuurhistorie van een gebied. Deze vormt als het ware het collectieve geheugen. Voor de identiteit van de gemeente Stadskanaal is de historische veenkoloniale structuur van groot belang, met de kanaalzone als essentiële factor. Het kanaal kan worden beschouwd als een sterk monumentaal object, dat voor de verdere ontwikkeling van de gemeente nog beter kan worden benut. De gemeente is van mening dat het kanaal met zijn sluizen- en bruggencomplexen behouden moeten blijven voor de toekomst. De historische korrelgrootte van het lint doet recht aan de menselijke schaal en herbergzaamheid en vormt daardoor een waardevol element. Het beeld van eenheid in verscheidenheid - repetitie van verwante korrels zonder klakkeloze imitatie - moet worden bewaard. Nieuwbouw, vooral grote bouwmassa’s, vertoont steeds minder streekeigen kenmerken, wat een vervlakking van de oorspronkelijke diversiteit in de hand werkt. Het achttien kilometer lange kanaal is in ruimtelijk opzicht een sterke drager. Het profiel moet worden gehandhaafd en waar mogelijk versterkt. Een punt van verbetering van de periferie van de kanaalzone is de overgang van de kanaalbebouwing naar het landelijke gebied. Door aanleg van bos en realisering van grotere korrels - woningbouw op ruimere percelen in combinatie met gestructureerd groen - kan deze overgang worden verbeterd. Het Structuurplan 1998 geeft aan dat met het beeldkwaliteitplan Stadskanaal

(1994)de in dat plan beschreven waardevolle architectonische elementen voor langere termijn in stand moeten worden gehouden. Het beeldkwaliteitplan besteedt aandacht aan de architectonische kwaliteit van de kanaalbebouwing binnen de dorpsgrenzen van Stadskanaal en een aantal zijstraten en biedt een kader voor beleid en advisering ten aanzien van de beeldkwaliteit van deze bebouwing. De beeldkwaliteitnota Stadskanaal - Musselkanaal
(1993)bevat in hoofdzaak een beschrijving en elementenanalyse van de bijzondere plekken en een waardering ervan. Gezien vanuit het perspectief van de onderhavige gebiedsbeschrijving wordt in hoofdlijnen aangesloten op het beeldkwaliteitplan. Eventuele nieuwe bebouwing moet worden ingepast in de voor de kanaalzone karakteristieke, historische veenkoloniale structuur. Dat betekent dat de bebouwing haaks op het kanaal moet worden geplaatst en nadrukkelijk op het kanaal moet zijn gericht. Gezien de historische korrelgrootte zal een overwegend kleinschalige bebouwing, die ook nog vrij op de bijbehorende kavel staat, als uitgangspunt worden gehanteerd. De aanwezige eenheid in verscheidenheid moet als thema worden gehanteerd bij de invulling van het gevelbeeld. Per korrel zal naar een eigen, individuele invulling worden gestreefd. Hiermee kan de vervlakking van de diversiteit worden tegengegaan. Gezien de gerichtheid van de bebouwing op het kanaal moeten blinde gevels absoluut worden geweerd, zowel op voetgangerniveau als op de hoger gelegen verdiepingen. Het beleid is erop gericht om het, in dit opzicht, plaatselijk verstoorde gevelbeeld te herstellen. Afwijkingen ten opzichte van de hoofdkarakteristiek van de kanaalzone zijn toelaatbaar, mits incidenteel voorkomend en op locaties die zich daarvoor lenen. Dergelijke locaties kunnen bijvoorbeeld plaatselijke verruimingen zijn binnen de historische korrelgrootte. Het op termijn verplaatsen van bedrijven uit woongebieden naar bedrijventerreinen kan worden aangewend als middel om de historische karakteristiek van het lint te versterken en de woon- en leefsituatie te verbeteren. Voor de grotere bedrijven in de kanaalbebouwing, die geen verdere uitbreidingsmogelijkheden meer hebben, moet bedrijfsverplaatsing worden onderzocht. Daarmee wordt ruimte geboden aan uitbreiding van de bedrijven en verdwijnen milieubelastende en woon- en leefomgevingbelastende activiteiten uit de karakteristieke lintbebouwing. Het opnieuw ontwikkelen van vrijkomende bedrijfspercelen met woningbouw is noodzakelijk voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Ofschoon gebouwen met een stedelijke allure op hun plaats zijn in de centrumgebieden, is toch enige terughoudendheid geboden in de realisering ervan. Dergelijke gebouwen vormen in principe een inbreuk op de historische karakteristiek van de kanaalzone. Er moet dan in ieder geval gezocht worden naar een kwaliteit in vormgeving, detaillering en kleur- en materiaalgebruik die de bestaande omgeving respecteert. Ten aanzien van nieuwbouw van grotere gebouwen moet met het beleid worden aangesloten op de logische inpassing van de oudere, grote gebouwen in de kanaalzone. Dat wil zeggen dat dergelijke objecten verder van het kanaal af moeten worden geplaatst. Hiermee wordt ook de autonomie van het object benadrukt. De delen van de lintbebouwing die samenvallen met de centrumgebieden kenmerken zich door een hogere bebouwingsdichtheid met relatief grote bouwvolumes en een daardoor eigen visuele karakteristiek. In deze context zijn relatief grote bouwmassa’s die min of meer in dezelfde voorgevelrooilijn liggen als de omliggende bebouwing goed toelaatbaar. Behoudens accenten moet in het materiaal- en kleurgebruik worden aangesloten op het traditionele karakter van de historische bebouwing. Het algemene gevelbeeld van het lint, dat wordt bepaald door overwegend roodachtige baksteen, is plaatselijk onderbroken door gevelvlakken in een lichte of bijna witte tint. In het beleid moet het behoud en de versterking van het oorspronkelijke beeld echter vooropstaan. De in het centrumgebied ontstane wildgroei van luifels heeft de beeldkwaliteit ter plaatse danig aangetast. In combinatie met de doorgaande pergolaconstructie is het beeld van een langgerekte horizontale band ontstaan, die haaks op de oorspronkelijke verschijningsvorm van de lintbebouwing staat. Voor luifels zijn in deze nota aparte, objectgerichte welstandscriteria geformuleerd. WelstandsniveauDe beeldkwaliteit van de kanaalzone is direct gekoppeld aan de historie van het gebied en is daarom ook essentieel voor de identiteit van de gemeente. Extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit is hier dan ook gewenst. Het hieruit voortvloeiende ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dat deze een bijdrage levert aan de versterking van deze kwaliteit. Daarom is voor dit welstandsgebied het bijzondere welstandsniveau gekozen. Gebiedsgerichte welstandscriteria Relatie met de omgevingNieuwe gebouwen moeten haaks op het kanaal worden geplaatst. Gebouwen moeten met hun representatieve zijde (in principe de voorgevel) zijn gericht op het kanaal. Nieuwe gebouwen moeten zoveel mogelijk vrijstaand op het bijbehorende perceel worden geplaatst. Belangrijk grotere bouwmassa’s dan de omliggende (woon)bebouwing moeten ten opzichte hiervan duidelijk zichtbaar en in verhouding tot de bouwmassa verder van het kanaal af worden geplaatst. Deze regel geldt echter niet voor de met de centrumgebieden samenvallende delen van de lintbebouwing. Bedrijfsmatige activiteiten en het parkeren van voertuigen dienen aan de van het kanaal afgekeerde zijde (in principe de achtergevel) plaats te vinden. Bouwmassa en vormgevingAfgestemd op de bouwmassa van de belendende bebouwing, met dien verstande dat letterlijke, seriematige herhaling niet is toegestaan. Gebouwen met een duidelijk zadeldak gelden als uitgangspunt, met dien verstande dat de toelaatbaarheid van een afwijkende kapvorm of plat dak per situatie zal worden beoordeeld. Binnen de context van de historische lintbebouwing mag daarbij geen onevenredige afbreuk aan het totaalbeeld worden gedaan. Bij gebouwen met een kap zijn alleen dwarskappen toegestaan, dus met de nokrichting haaks op het kanaal. Blinde gevels in de naar het kanaal gerichte zijde zijn niet toegestaan. Detaillering en materiaalgebruikAfgestemd op de belendende bebouwing, met een eenvoudige maar zorgvuldige detaillering als uitgangspunt. Gebouwen op hoeklocaties moeten zijn voorzien van een rijkere detaillering met architectonische accenten. Gebouwen met een plat dak dienen ter plaatse van de aansluiting van de voorgevel (de naar de kanaalzijde gerichte gevel) met het dak zorgvuldig te zijn gedetailleerd. In de materialisering moet verwantschap worden bereikt met het historische lint, onder meer door het toepassen van baksteen in een roodachtige tint en keramische dakpannen. Een evenwichtige kleurencombinatie dient te worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving en mag niet worden gedomineerd door felle of contrasterende kleuren. Overwegend gedekte tinten gelden als uitgangspunt. 3.1.5.2 Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp Ligging en begrenzingDe grote kernen Stadskanaal en Musselkanaal (inclusief Ceresdorp) vallen binnen dit welstandsgebied, met uitzondering van de kanaalzone met lintbebouwing. In geografisch opzicht zijn binnen dit welstandsgebied vier, vrij van elkaar gelegen, deelgebieden te onderscheiden: Het deel van Stadskanaal, dat in grote lijnen wordt begrensd door de provinciale weg, de Nautilusweg, de kanaalzone met lintbebouwing, de Van Boekerenweg, de Atlantislaan en de Onstwedderweg. Het deel van Stadskanaal, dat is gelegen tussen de kanaalzone en de provinciegrens en verder wordt begrensd door de Buinerweg in het zuiden en de Gasselterstraat in het noorden. Ceresdorp, gelegen aan de oostzijde van de dubbele knik in de kanaalzone, tussen de Gedempte Vleddermond en de Ceressingel. Het deel van Musselkanaal, begrensd door het buitengebied, het Mussel-A-kanaal en de kanaalzone met lintbebouwing. Karakteristiek en historie AlgemeenBinnen de gemeente Stadskanaal komen verschillende woonmilieus voor met een eigen identiteit en kwaliteit. Dit welstandsgebied kenmerkt zich vooral door het thema stedelijk wonen. De ontginningsgeschiedenis van het veengebied rond Stadskanaal en Musselkanaal is nog duidelijk herkenbaar in de huidige ruimtelijke structuur. Dit is af te lezen uit de verkavelingrichtingen, de overeenkomsten in bouwmassa’s en de mate van aaneengesloten bebouwing. De verkaveling is gelijk aan die van het onderliggende landschap. Hierdoor is een heldere structuur ontstaan, die als drager voor de ruimtelijke kwaliteit fungeert en van cultuurhistorische waarde kan worden genoemd. De komst en verdere expansie van Philips in de jaren 50 en 60 diende als katalysator voor de uitbouw van Stadskanaal, min of meer haaks op de kanaalzone en in de richting van het buitengebied. De bouwstijl uit deze periode is nog steeds bepalend voor het aanzien van veel wijken in Stadskanaal. In het gehele welstandsgebied is de woonfunctie dominant aanwezig en dan vooral in de meer planmatige uitbreidingen. In de richting van de kanaalzone is sprake van een toename aan centrumfuncties, zowel in Stadskanaal als in Musselkanaal. Op korte afstand van de centrumgebieden bevinden zich de woonwijken, met een variatie aan woonmilieus. Vanaf de provinciale weg dringt het landschap via het parkachtige recreatiegebied Pagedal door tot de woonwijken en het centrum van Stadskanaal. Het groene karakter van de woonwijken wordt hierdoor nog eens benadrukt. De planmatige uitbreidingen van Musselkanaal zijn ontstaan in de loop van de jaren 30. Na de Tweede Wereldoorlog is de uitbreiding in dit gebied doorgegaan en zijn vanaf de jaren 70 woonbuurten tussen het Mussel-Aa kanaal en de Kruisstraat gerealiseerd. Tussen de Willem Diemerstraat en de IJzeren Klap vormde zich het centrumgebied van Musselkanaal. Aan de oostkant van Musselkanaal bevindt zich een parkgebied, als groene bufferzone tussen de bebouwingsrand en het buitengebied. In het gebied komen een aantal monumenten voor. Opvallende objecten zijn ondermeer ‘Het Hofje’, bestaande uit bejaardenwoningen rondom een plantsoen en het Julianapark, beide gelegen in Parkwijk, Stadskanaal. Voor een volledige opsomming van monumenten wordt verwezen naar bijlage 2 van deze nota. AandachtsgebiedenVanuit welstandsoptiek kunnen binnen het welstandsgebied Stadskanaal - Musselkanaal - Ceresdorp de volgende vijf aandachtsgebieden worden onderscheiden: Woonwijken 50-er, 60-er en 70-er jaren Woonwijken 80-er en 90-er jaren Centrumgebieden Waterland Parkwijk Deze aandachtsgebieden hebben een dusdanig eigen karakteristiek ten aanzien van hun stedenbouwkundige opzet en verschijningsvorm, dat een aparte behandeling van deze aandachtsgebieden gerechtvaardigd is. Woonwijken 50-er, 60-er en 70-er jarenDe grootschalige woonwijken uit deze periode zijn vertegenwoordigd in grote delen van Stadskanaal en Musselkanaal. Dit aandachtsgebied betreft voornamelijk de planmatig uitgevoerde uitbreidingen vanaf de kanaalzone in de richting van het buitengebied. In Stadskanaal zijn vooral de wijken Maarsveld, Maarswold, Maarsstee en De Hagen karakteristiek voor deze periode, in Musselkanaal zijn dit onder meer Ceresdorp en de Florawijk. De wijken uit de 50-er en 60-er jaren hebben een rechthoekig en langgerekt stratenpatroon, met één of meer hoofdontsluitingswegen. Vanuit meerdere gezichtspunten zijn er doorzichten tot aan de randen van de wijken. De jaren 70 wijken, zoals De Hagen in Stadskanaal en het gebied tussen de Kruisstraat en het park in Musselkanaal, hebben een meer slingerend stratenpatroon met typische woonerven. Op een aantal zichtlocaties, zoals langs hoofdontsluitingswegen, zijn flats gerealiseerd. De hoogbouwflats aan de Onstwedderweg en het Pagedal in Stadskanaal vormen daarbij in het oog springend elementen, daar deze aan de rand van een woonwijk zijn gelegen, precies op de grens met het buitengebied respectievelijk het recreatiegebied. Het algemene beeld wordt echter bepaald door laagbouw. Daarbij komen overwegend aaneengesloten woonblokken voor, maar daarnaast zijn er ook vrijstaande en geschakelde woningen aanwezig. Typerend voor deze periode is de overwegend vrij in de ruimte opgezette strokenbouw. De aaneengesloten woonblokken uit deze periode kenmerken zich qua bouwmassa door een zekere eenvormigheid, zonder noemenswaardige geleding. Er is daarbij sprake van enkelvoudige bouwmassa´s met overwegend twee bouwlagen (exclusief schuine kap) en met een grote samenhang per cluster of rij. De blokken staan overwegend in dezelfde rooilijn en doorgaans met de voorgevel georiënteerd op de straat. Overwegend zijn over de blokken doorlopende zadeldaken toegepast, met de nokrichting parallel aan de weg en in enkele gevallen dwars op de weg. De detaillering is eenvoudig tot sober te noemen en vertoont ook weer een grote samenhang per cluster of rij. Het materiaalgebruik is voornamelijk traditioneel getint, met rood of aardkleurig metselwerk en dakbedekking met (donker)grijze of rode pannen. In de wijk De Hagen zijn, zoals in veel wijken uit de eerste helft van de 70-er jaren, prefab betonnen gevelelementen toegepast. Woonwijken 80-er en 90-er jarenTot deze wijken behoren in Stadskanaal vooral de Borgen en de Vogelwijk. Deze zijn van een vergelijkbare grootschaligheid als de hiervoor behandelde woonwijken van oudere datum. In Musselkanaal zijn geen uitgebreide woonwijken uit deze periode aanwezig, behoudens een aantal clusters zoals aan de Van Swinderenstraat. De Borgen en de Vogelwijk in Stadskanaal hebben een enigszins bochtig stratenpatroon, waardoor ten opzichte van de oudere woonwijken een meer besloten karakter is ontstaan. Typerend voor de Vogelwijk zijn de twee onder één kap woningen, in de Borgen komen vooral vrijstaande woningen voor. Als karakteristieke kenmerken van de bebouwing in deze wijken kunnen worden genoemd de kleinere korrelgrootte (twee onder één kap- en vrijstaande woningen), verschillen in oriëntatie (onderlinge hoekverdraaiing) en de meer gevarieerde kapvorm. Zowel woningen met een dwarskap als woningen met een langskap komen voor. Daarbij wordt het beeld bepaald door onder meer zadeldaken, schilddaken en lessenaardaken. Naarmate de korrelgrootte afneemt, dus meer vrijstaande woningen voorkomen, neemt de verscheidenheid in architectonische vormgeving, materiaal- en kleurgebruik toe. Aan dit laatste beeld beantwoordt vooral de wijk De Borgen. Deze verscheidenheid is ook waarneembaar bij de verspreid in het gebied gelegen clusters van vrijstaande (vrije sector)woningen. Deze zijn veelal in één bouwlaag en met een duidelijke schuine kap uitgevoerd. Oriëntatie is afwisselend haaks op of evenwijdig aan de straat. Gevels zijn vaak uitgevoerd in lichtgekleurd metselwerk en wijken daarmee af van het traditionele kleurgebruik. In het bijzonder geldt dit voor De Rail, een straat in het verlengde van Parkwijk, waar zeer lichtgetinte tot witte gevelvlakken prevaleren. De daken zijn veelal in een donkergrijze kleur uitgevoerd, waarbij de toepassing van geglazuurde pannen opvalt. CentrumgebiedenZowel het centrum van Stadskanaal als het centrum van Musselkanaal behoren tot dit gebied, behoudens de kanaalzone met lintbebouwing. Naast de winkelfunctie is hier ook de woonfunctie in belangrijke mate aanwezig. Het centrum van Stadskanaal wordt gekenmerkt door urbane, grootschalige bebouwing en heeft een overwegend stedelijk karakter, dat in sterke mate geaccentueerd wordt door de in de afgelopen jaren gerealiseerde hoogbouw. Opvallend element is de nabij de Wiekedreef, op een markante zichtlocatie, opgerichte woontoren met samengesteld tentdak. Tussen de parallel aan de kanaalzone lopende Navolaan en de woonbebouwing is een groen gebied aanwezig, dat in ruimtelijk opzicht de hoekverdraaiing opvangt tussen de kanaalzone en de woonbebouwing; de verkavelingrichting van de woonbuurten staat onder een hoek op het kanaal, terwijl die van de kanaalzone daar loodrecht op is gelegen. Het centrum van Musselkanaal is langgerekt van vorm en wordt gedomineerd door een aantal appartementengebouwen met een grote bouwmassa. Als algemene tendens geldt dat de hoogste gebouwen zijn gelegen in het centrumgebied tussen de woonwijken en de kanaalzone met lintbebouwing. Er is een grote verscheidenheid aan bebouwing aanwezig in de centrumgebieden, vooral in die van Stadskanaal. Kenmerkend zijn de grote, autonome gebouwen met een duidelijke eigen signatuur. Dit wordt versterkt door de grote open ruimten (pleinen en brede lanen) in het gebied. Daarnaast komen ook clusters van gebouwen voor, zoals aan het Europaplein. Het gevelbeeld vertoont veelal een onderscheid in doorgaans gesloten gevelvlakken met relatief kleine gevelopeningen ter plaatse van de bovenbouw en grote, doorgaande glaspuien op straatniveau. In de winkelgebieden wordt het gevelbeeld op voetgangersniveau gedomineerd door winkelpuien met luifels en reclamevoorzieningen. Er is een grote verscheidenheid in zowel vormgeving, detaillering als materiaalgebruik. WaterlandDit gebied is gelegen in Stadskanaal-Noord, ten noordoosten van de kanaalzone. Eind jaren 70 werd hier de aardappelmeelfabriek “Toekomst Twee Provinciën”, met de bijbehorende voormalige vloeivelden (TTP terrein), buiten gebruik gesteld. Volgens het Structuurplan van 1998 zou de uitbreiding van de kern Stadskanaal in dit gebied moeten plaatsvinden. Vanwege de bevolkingsontwikkeling is pas eind jaren 90 het plan Waterland naast dit terrein gerealiseerd. In het gebied is louter de woonfunctie aanwezig. Het plan Waterland wordt begrensd door de Atlantislaan, de Onstwedderweg, de Bevrijderslaan en het TTP terrein. Ontsluiting van de woningen geschiedt via een langgerekte ringweg, die door de hele wijk loopt. De bebouwing van de wijk kenmerkt zich door een grote diversiteit aan bouwstijlen, van modern tot traditioneel. Opvallend is de relatief grote bebouwingsdichtheid, met een aantal zeer grote woningen, zoals landhuizen en urbane villa’s, op een relatief klein erf. Er is voornamelijk sprake van geschakelde, twee onder een kap en vrijstaande woningen, met een veelal rijke en luxe uitstraling. Het materiaal- en kleurgebruik neigen naar het traditionele, zij het dat in de detaillering moderne elementen zijn waar te nemen. ParkwijkMet Parkwijk wordt in deze nota het gebied bedoeld dat globaal wordt begrensd door de Drouwenerstraat, de kanaalzone met lintbebouwing, de Buinerweg en de gemeentegrens, tevens provinciale grens. De woonfunctie is hier overheersend. Als saillant voor Parkwijk geldt de bijzondere verscheidenheid en kwaliteit van de deelbuurten, gepaard aan de stedenbouwkundige samenhang en eenheid. Deze wijk vindt zijn oorsprong in de realisatie van een villawijk in de jaren 20 en 30, ten zuiden van de Drouwenermond, naar een ontwerp van de gemeentearchitect Meinen. De hoofdstructuur wordt gevormd door vier haaks op de kanaalzone georiënteerde straten en de enigszins slingerende straat langs de gemeentegrens. Door de sterk gefaseerde aanleg is een grote verscheidenheid aan woonsferen ontstaan. Karakteristiek is de nauwe vermenging van diverse architectonische en stedenbouwkundige opvattingen, met een grote verscheidenheid aan woningtypen en verkavelingvormen. Het deels in Engelse landschapsstijl aangelegde Julianapark verleent vooral de villabuurt zijn parkachtige karakter, dat nog eens wordt versterkt door het enigszins slingerende stratenpatroon. Aan weerszijden van het Julianapark is een meer rechthoekig stratenpatroon te herkennen, met een variatie van rijenbouw en vrijstaande woningen. De bebouwing in de nabije omgeving van het park kenmerkt zich door vrijstaande burgerwoningen en villa’s in typische jaren 20 en 30 architectuur, maar wel met een individuele karakteristiek. Ten oosten van het park is in 1938 ‘Het Hofje’ gerealiseerd, een in een U-vorm gebouwde cluster van bejaardenwoningen rondom een plantsoen. In de bouwstijl zijn een traditionele vormgeving en elementen uit de Delftse school te herkennen. In de vrijstaande woningen en villa’s zijn elementen uit de Amsterdamse School en soms de Engelse landhuisstijl te herkennen. Deze elementen leiden in beginsel tot een elitaire en exclusieve bouwstijl. Daarentegen zijn de overige woningen en woonblokken opgericht in een eenvoudige en sobere architectuur, met invloeden van de Delftse School. Deze laatste kenmerkt zich door gebouwen met een rechthoekige plattegrond, tamelijk gesloten gevels en een zadeldak. Of anders gezegd; een bouwwijze die teruggrijpt op de traditionele bouwpraktijk. In dit aandachtsgebied is naast vooroorlogse woningbouw ook sprake van naoorlogse en meer recente woningbouw, met de voor die perioden kenmerkende vormgeving en detaillering. Zo zijn in de jaren 80 nabij het Julianapark een aantal vrijstaande, vrije sectorwoningen gerealiseerd, die qua bouwmassa min of meer gelijkwaardig zijn, maar ten aanzien van vormgeving en detaillering een grote diversiteit vertonen. Langs de Buinerweg en de Lyceumlaan bevinden zich flats die qua gebouwhoogte en massa duidelijk afwijken van het overwegend “fijnkorrelige” karakter van dit gebied. De genoemde visuele kwaliteiten maken dat Parkwijk zich in hoge mate onderscheidt van de rest van het welstandsgebied. Er is in deze wijk sprake van structuur en een verassende variatie. Toekomstvisie en beleid AlgemeenIn het Provinciaal OmgevingsPlan (POP) van december 2000 wordt de stedelijke vernieuwing als een belangrijk thema opgevoerd om de leefbaarheid van de kernen te verbeteren. In de kernen Stads- en Musselkanaal is het stedelijke gebruik richtinggevend voor nieuwe ontwikkelingen, met uitzondering van het Pagedal, waar het recreatieve gebruik voorop dient te staan. Het Structuurplan1998 voor de gemeente Stadskanaal geeft een beeld van de ruimtelijke ontwikkeling van Stadskanaal tot het jaar 2010, met een doorkijk naar latere jaren. Dit plan kent als belangrijkste beleidsthema de verbetering van de ruimtelijke kwaliteiten van het woon- en leefmilieu, met onder meer aandacht voor de fysieke kwaliteiten ervan. Tevens is het Structuurplan gericht op het handhaven of realiseren van kwalitatief en kwantitatief voldoende groenvoorzieningen. Het lopende herstructureringsprogramma in de woonwijken blijft speerpunt van beleid om de integrale woonkwaliteit op een hoger peil te brengen. Nieuwbouw met een hoge kwaliteit en belevingswaarde, herstructurering van bestaande woonwijken en het tot stand brengen van een landelijke dan wel stedelijke sfeer op de daartoe geëigende locaties kunnen als belangrijke doelstellingen worden genoemd. Naast de nieuwbouwlocaties is de aandacht voor de komende jaren sterk gericht op het bouwen binnen de bestaande woonomgeving. Op saneringslocaties binnen de bestaande woonomgeving wordt gezocht naar het stedenbouwkundig verantwoord inpassen van woningbouw. Dit laatste geldt ook voor woningbouw op nieuwe uitbreidingslocaties aan de randen en eventuele hoogbouw; de eerder genoemde flats langs de Onstwedderweg en het Pagedal zijn destijds, vanuit stedenbouwkundig oogpunt, niet op de meest voor de hand liggende plaats gebouwd. Dergelijke hoogbouw wordt nu voornamelijk in en nabij de centrumgebieden geprojecteerd. Voor Musselkanaal geldt dat tevens de nadruk wordt gelegd op nieuwbouw voor ouderen. In dit kader zijn de appartementencomplexen aan de Havenkade en Badstraat tot stand gekomen. Er wordt een terughoudend beleid gevoerd ten aanzien van woningbouwlocaties voor (half)vrijstaande woningen. Naast het ontstaan van inbreidingslocaties binnen de bestaande bebouwing zal ruimte worden geboden om in de toekomst ook nog enige uitbreiding van Musselkanaal te realiseren. Om het inwonertal in Musselkanaal op peil te houden wordt gestreefd naar realisatie van voldoende hoogwaardige nieuwbouw. De komende tijd zullen dan ook ingrijpende maatregelen in de bestaande woningvoorraad nodig zijn. De nieuwe ontwikkelingen zullen voldoende ruimtelijke kwaliteiten in zich moeten hebben. Van belang zijn daarbij de aandacht voor de menselijke schaal en het gevoel van herbergzaamheid, eenheid in verscheidenheid (heldere basisstructuren met daarbinnen een vrije invulling), identiteit en historisch besef en de relatie tussen het stedelijke en landelijke gebied. Het thema “De Groene Stad” is in samenhang met “De excellente woongemeente” tot beleidslijn gekozen als richtsnoer voor het ontwikkelen van de groenstructuur in de woonwijken en het buitengebied. Aan de gehele groenstructuur wordt een belangrijke rol toebedacht, zowel in de woonwijken als aan de randen ervan. Het openbaar groen in de woonwijken moet een wezenlijke bijdrage aan het straatbeeld gaan leveren en zal op diverse locaties worden verbeterd. Voor een betere samenhang en een meer harmonieuze overgang tussen de bebouwing en het buitengebied is het beleid de komende jaren sterk gericht op het verder vergroenen van de randen van in het bijzonder Stadskanaal-Noord, Ceresdorp en Musselkanaal. Dit verbetert de landschappelijke kwaliteit en dus ook de woon- en leefomgeving. Daarnaast wordt voor sommige situaties gedacht aan bosaanleg in combinatie met woningbouw. Het recreatiegebied Pagedal heeft voor de bewoners een hoge belevings- en gebruikswaarde en mag hierin dan ook zo min mogelijk worden aangetast. Woonwijken 50-er, 60-er en 70-er jarenDe woonwijken in Stads- en Musselkanaal zijn nu al onderhevig aan een zekere dynamiek vanwege de in gang gezette ontwikkelingen. Voor deze wijken is het doel om de woon- en leefomgeving te verbeteren en gevarieerde woonmilieus tot stand te brengen. Verdunning van woongebieden in herstructureringswijken, waar door naoorlogse woningbouw een onwenselijke verdichting is ontstaan, speelt hierbij een rol. Met het oog op een goed woon- en leefklimaat wordt gedacht aan de sloop van woningen en herbouw in samenhang met de infrastructuur en groenstructuur. Het behoud en de opwaardering van de (goedkope) woningvoorraad zal gebeuren aan de hand van de herstructurering van een aantal woonwijken zoals Maarsveld in Stadskanaal en Ceresdorp bij Musselkanaal. Binnen deze woonwijken worden nieuwe woningen gebouwd, waarbij moet worden opgemerkt dat de herstructurering van Maarsveld in de loop van 2004 zal zijn afgerond. Na deze ontwikkelingen zal de gemeente haar aandacht gaan richten op de overige woonwijken. Andere ontwikkelingen zijn de bouw van woningen op het voormalige LTS terrein en een mogelijke uitbreiding met woningbouw tussen de Floralaan en De Horsten in Musselkanaal. Op het terrein van de voormalige LTS is een herontwikkeling gaande, waarbij wordt gedacht aan de realisatie van een aaneengesloten buurtpark en bebouwing met een aantal (half)vrijstaande woningen. Het traditionele kleur- en materiaalgebruik in de streek wordt in grote lijnen weerspiegeld in de huidige bebouwing, zoals het rode of aardkleurige metselwerk van veel gevels. Daarentegen vormen de in de wijk De Hagen toegepaste prefab betonnen gevelelementen een wezensvreemd element. Het openbaar groen in deze wijken ontbeert samenhang en is teveel versnipperd. De groenstructuur zal daarom meer moeten worden verweven met het wonen en daarmee ook bijdragen aan het landelijke karakter. De wijk Musselpark heeft weer een groene en ruime opzet. Vanuit de woonwijken lopen zichtlijnen door in het omliggende open landschap, wat de groene sfeer van de wijken nog eens versterkt. Dit aspect moet dan ook worden gerespecteerd. De voorgenomen verdere vergroening van de randzones zal bij moeten dragen aan het landelijke karakter. De in gang gezette herstructurering is aanleiding om gelijktijdig te zorgen voor een gewenste verbetering van de ruimtelijke structuur en verbetering en betere inpassing van het openbaar groen. Deze zal een wezenlijke bijdrage moeten gaan leveren aan het straatbeeld. Woonwijken 80-er en 90-er jarenVoor de komende tijd is in deze wijken weinig dynamiek te verwachten. Uitgangspunt is dan ook het behouden van de bestaande kwaliteiten van bebouwing en directe omgeving. CentrumgebiedenDe in gang gezette centrumontwikkeling in Stadskanaal en Musselkanaal geldt als een speerpunt van beleid. In de komende jaren zal de centrumfunctie van de gemeente Stadskanaal worden versterkt. Het centrum zal dan steeds meer een stedelijk karakter krijgen. Verdichting van dit centrum is een algemeen uitgangspunt, met daarbij het creëren van samenhang als aandachtspunt. Hoogbouw wordt goed mogelijk geacht in de centrumgebieden van Stadskanaal en Musselkanaal. De ontwikkeling van de centra van Stads- en Musselkanaal blijven een punt van aandacht. De voorkomende open ruimtes tussen de bebouwing zijn aanleiding om te zoeken naar meer onderlinge samenhang in het gevelbeeld. Op een aantal zichtlocaties vallen de achterkanten van de diverse bouwblokken op, die qua vormgeving en detaillering ook als zodanig zijn uitgevoerd. Voor toekomstige ontwikkelingen is het wenselijk om met betrekking tot dit aspect te streven naar een optimale beeldkwaliteit die recht doet aan het centrum. Daar waar de bebouwing een grotere dichtheid vertoont of aaneengesloten is, zoals aan het Europaplein, dreigt de diversiteit van gebouwtypen de onderlinge samenhang te verstoren. Naarmate gebouwen dichter op elkaar worden gebouwd zal zorg moeten worden besteed aan een samenhangend straat- en gevelbeeld. Om de recreatieve functie van het centrum te versterken wordt gedacht aan de omvorming van het Raadhuisplein en het Europaplein tot één groot stadsplein. In het Masterplan Centrum Stadskanaal
(1999)is dit verder uitgewerkt. Bij de invulling van winkelpanden prevaleren doorgaans de individuele belangen en wordt weinig of geen rekening gehouden met de bestaande context. In het welstandsbeleid zal de aandacht daarom ook moeten uitgaan naar de wijze waarop winkelpuien worden vormgegeven. Daarbij is het beleid gericht op het verbeteren van de samenhang in het gevelbeeld op met name het voetgangersniveau, dat nogal eens een versnipperd beeld vertoont. De landschappelijke kwaliteit van de met eiken beplante Europalaan is een opvallend aspect. Gedacht wordt aan versterking van de aanwezige groenstructuur door de Europalaan door te trekken tot aan het Julianapark aan de andere zijde van de kanaalzone. Hiermee wordt het karakter van de laan als belangrijk structurerend element nog meer benadrukt. Openbaar groen accentueert de veelal stedelijke en stenige ruimten in deze centra. Bijzondere accenten in het groen moeten het visitekaartje vormen van dit gebied. Het gebied aan de Havenkade in Musselkanaal is aan een herstructurering onderworpen, met als oogpunt het accentueren en het versterken van de kwaliteit van het centrum. Met het realiseren van een aantal omvangrijke appartementencomplexen is beoogd een relatie te leggen met het kanaal en het tegenoverliggende centrumgebied aan de Willem Diemerstraat en -plein. Waterland (fase 1 t/m 5)Er wordt gestreefd naar een hoogwaardige invulling van het gebied met een evenwichtige verhouding van vrijstaande en halfvrijstaande woningen en een hoge beeldkwaliteit. Voor fase 5 wordt gestreefd naar ruime bouwpercelen. Ook gelden kwaliteitsnormen ten aanzien van het wonen in relatie tot water en groen. Het streven is om geen vrijstaande bijgebouwen te realiseren. De ontwikkeling op het TTP terrein dient ter afronding van Waterland en als overgang naar de aangrenzende bosontwikkeling. De zorgvuldig tot stand gekomen beeldkwaliteit dient goed te worden beheerd. ParkwijkVoor Parkwijk is in januari 2001 een beeldkwaliteitplan opgezet, dat gekoppeld is aan de in artikel 9.1 van de gemeentelijke bouwverordening genoemde algemene welstandscriteria. Het beleid is in principe gericht op het respecteren en waar mogelijk versterken van de bestaande kwaliteiten, omdat zowel de ruimtelijke als de architectonische waarden in dit gebied als vrij hoog worden ervaren. Het gebied is in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) dan ook aangewezen als gebied met bijzondere (stedenbouwkundige) waarden. Het ruimtelijke beleid is gericht op de versterking van de groenstructuur en het beleid betreffende de woonbebouwing is gericht op het respecteren van de bestaande situatie, waarbij voor een aantal locaties enige verandering wel toelaatbaar wordt geacht. Verwacht wordt dat de dynamiek laag zal zijn. In het beeldkwaliteitplan zijn algemene richtlijnen geformuleerd voor de ruimtelijke en architectonische kwaliteit. Ten aanzien van de bebouwing is de aanpak gebaseerd op het type verkaveling en bebouwing, op grond waarvan tot algemene richtlijnen kan worden gekomen. Het streven naar ontwikkeling kan zo gecombineerd worden met een zorgvuldig omgaan met waardevolle kenmerken, omdat duidelijk is aan welke eigenschappen veel belang wordt gehecht. Op dit moment is de gemeente bezig met een herstructureringsplan. Ten aanzien van de woonbebouwing geldt deze met name voor de sociale woningbouw. Er zijn plannen om de rijtjeswoningen uit de jaren ’50 en ’60 te slopen. De nieuwe ontwikkelingen zullen moeten aansluiten op het karakter van de wijk. Aan de Beatrixstraat en Emmastraat zijn in de loop van 2004 woningen gebouwd in de stijl van de jaren 30. Aan de Julianastraat zijn in 2003 woningen met een gebogen kap gerealiseerd. Het specifieke karakter van Parkwijk is gebaat met dergelijke, overwegend kleinschalige ontwikkelingen. Met de ontwikkeling van grote bouwmassa’s moet hier de nodige terughoudendheid worden betracht. Om de woonomgeving nog verder op te waarderen wordt gedacht aan de herinrichting van een aantal straten. Drentse Horn, intergemeentelijk structuurplan ISPDit gebied past weliswaar niet helemaal binnen het kader van de welstandsnota van de gemeente Stadskanaal, maar moet door zijn bijzondere ligging en status toch worden genoemd. De gemeenten Stadskanaal en Borger-Odoorn hebben gezamenlijk het intergemeentelijke structuurplan (ISP) Drentse Horn opgesteld, voor een gebied dat voor het grootste deel is gelegen op het grondgebied van de gemeente Borger-Odoorn, maar voor een belangrijk deel grenst aan de kern van de gemeente Stadskanaal. Ten behoeve van de ontwikkeling van dit gebied is gekozen voor een model dat in ruimtelijk opzicht aansluit bij het veenkoloniale landschap met zijn lintenstructuur. De historische verkaveling met wijken, diepen en sloten moet in het nieuwe woongebied herkenbaar zijn. Water- en groenstructuren zullen daarbij een belangrijke bijdrage leveren aan de visuele beleving van het gebied. De woonbebouwing zal zoveel mogelijk op het omringende open landschap zijn georiënteerd. De bebouwing nabij betekenisvolle openbare ruimten zal aan stringentere beeldkwaliteitregels wordt onderworpen dan de verderaf gelegen bebouwing. WelstandsniveauDit welstandsgebied kenmerkt zich door diverse aandachtgebieden met elk een eigen, te onderscheiden ruimtelijke kwaliteit. Het ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dan ook gericht op het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Daarom is voor dit welstandsgebied het reguliere welstandsniveau gekozen. Gebiedsgerichte welstandscriteria Woonwijken 50-er, 60-er en 70-er jaren Relatie met de omgevingGebouwen moeten met de voorgevel zijn georiënteerd op de qua situatie belangrijkste straat. Naarmate vrijstaande woningen dichter tegen elkaar aan worden gebouwd, moeten deze onderling een toenemende samenhang vertonen. Het gebruik van groen als volwaardige component bij de inrichting van de openbare ruimte moet worden bevorderd. Bouwmassa en vormgevingAfgestemd op de bouwhoogte en –massa van de belendende bebouwing. Enkelvoudige bouwmassa´s met een zadeldak moeten worden toegepast, met uitzondering van bungalows, die ook mogen zijn voorzien van een plat dak. Per cluster of rij moet de massaopbouw een onderlinge, visueel waarneembare samenhang vertonen. Dakopbouwen, bijgebouwen en aan- of uitbouwen moeten qua massa ondergeschikt zijn aan en qua vormgeving afgeleid zijn van het hoofdgebouw, dan wel vormgegeven volgens het principe van de trendsetter. Dakopbouwen c.q. nokverhogingen moeten worden uitgevoerd met een aan het hoofdgebouw identieke dakhelling. Detaillering en materiaalgebruikPer cluster of rij moeten de gevels en daken een zekere samenhang vertonen. Voor seriematige bouw geldt daarbij een sterke onderlinge verwantschap als uitgangspunt. Gevels moeten worden uitgevoerd in metselwerk, hout of plaatmateriaal. Dakbedekking van hellende daken moet worden uitgevoerd met dakpannen. Een evenwichtige kleurencombinatie moet worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving. Woonwijken 80-er en 90-er jaren Relatie met de omgevingBij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. Er moet worden aangesloten bij de ritmiek van de belendende bebouwing. Het beeld van zowel de aaneengesloten bouwblokken als de open bebouwing moet worden gehandhaafd. De gebouwen moeten met de voorgevels zijn georiënteerd op de straat, waarbij de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing in acht wordt genomen. Bouwmassa en vormgevingAfgestemd op de bouwmassa van de belendende bebouwing. Bijgebouwen en aan- of uitbouwen moeten qua massa ondergeschikt zijn aan en qua vormgeving afgeleid te zijn van het hoofdgebouw. Detaillering en materiaalgebruik• Afgestemd op de belendende bebouwing. Centrumgebieden Relatie met de omgevingDe gebouwen zijn met de representatieve zijde georiënteerd op de straat. Achterkanten van gebouwen op een zichtlocatie moeten een met de voorgevel vergelijkbare representativiteit uitstralen. Naarmate gebouwen dichter tegen elkaar aan worden gebouwd, moeten deze onderling een toenemende samenhang vertonen. Het gebruik van groen als volwaardige component bij de inrichting van de openbare ruimte moet worden bevorderd. Bouwmassa en vormgevingEen eenduidige hoofdvorm moet ten behoeve van een rustige en herkenbare omgeving worden toegepast. Een eenvoudige vormgeving geldt daarbij als uitgangspunt. Vrij in de ruimte staande bouwmassa’s dienen als object alzijdig te zijn ontworpen, met een eenheid qua hoofdvorm en (gevel)aanzichten. Winkelpuien moeten eenvoudig worden vormgegeven en daarbij de bestaande omgeving respecteren. Detaillering en materiaalgebruikBlinde gevels op voetgangersniveau zijn niet toegestaan. Een eenvoudige maar zorgvuldige detaillering is gewenst. Toepassing van een kwalitatief hoogwaardige afwerking is vereist. Evenwichtige en terughoudende kleurencombinaties moeten worden toegepast. WaterlandTen aanzien van de oriëntatie van woningen en bijgebouwen zijn in de uitwerkingsplannen van Waterland, fase 1 t/m 4, richtlijnen geformuleerd. In het bestemmingsplan fase 5 is een toetsingskader opgenomen voor de architectuur, kleur- en materiaalkeuze. Hiermee kan de kwaliteit van de hele wijk worden vergroot en het beeld evenwichtiger worden gemaakt. Het hierna vermelde toetsingskader is gebaseerd op die van de genoemde uitwerkingsplannen en bestemmingsplan, voor zover het welstand betreft. Omwille van de eenheid is gekozen voor een overkoepelend welstandsbeleid voor alle fasen in dit aandachtsgebied. Uitgegaan wordt van woningen met een eenvoudige plattegrond en hoofdvorm en een daarvan afgeleide eenvoudige vorm van de kap. Relatie met de omgevingAlle woningen dienen zowel als bouwvorm als met de nokrichting haaks of evenwijdig ten opzichte van de Onstwedderweg worden gesitueerd. Bijgebouwen mogen uitsluitend aangebouwd aan het hoofdgebouw worden gerealiseerd. De overgang tussen openbaar gebied en privé-erf wordt vormgegeven middels ligusterhagen. In de voorlichtende sfeer zal het gebruik van levende materialen worden bevorderd bij erfafscheidingen tussen de bouwpercelen. Ook wordt de toepassing bevorderd van inheemse plantensoorten en natuurlijk ogende bestratingmaterialen. Bouwmassa en vormgevingSprongen in de plattegrond moeten zo beperkt mogelijk worden toegepast en uitsluitend op een wijze die geen afbreuk doet aan de samenhang van het ontwerp. Gebouwen moeten zijn voorzien van een plat dak of een duidelijke kap. Serres en uitbouwen moeten zo beperkt mogelijk worden toegepast en uitsluitend indien deze qua massa en vormgeving aansluiten op het hoofdgebouw. Ingewikkelde dakvormen en verschillende dakvormen in één woning moeten worden vermeden en lessenaardaken en wolfseinden zijn niet toegestaan. Het aantal en het volume van dakkapellen of andere dakdoorbrekingen moet zoveel mogelijk worden beperkt, waarbij geldt dat uitsluitend verticale zijwangen mogen worden toegepast, met dien verstande dat afhankelijk van de soort dakbedekking licht hellende zijwangen zijn toegestaan. Detaillering en materiaalgebruikEventuele dakoverstekken mogen uitsluitend worden toegepast indien geen afbreuk wordt gedaan aan de samenhang van het ontwerp. Een eventuele schoorsteen moet in de nok worden geplaatst, waarbij deze zoveel mogelijk wordt gebundeld met andere afvoeren. In de afmetingen en de verhoudingen van raam- en deuropeningen moet zoveel mogelijk eenheid worden gehanteerd. In het ontwerp, de materialisering en het kleurgebruik van hoofd- en bijgebouwen moet verwantschap worden bereikt, onder meer door het toepassen van dezelfde dakhelling. Uitgangspunt is een goed afgewogen kleur- en materiaalgebruik. Kleuren moeten aansluiten bij de kleur van het landschap: steenrood, mangaan, okerbruin, lever en donkerder aardkleuren. Dat betekent dat lichte kleuren niet zijn toegestaan, behalve voor kozijnen, boeidelen en goten. Voor de toe te passen materialen geldt dat de verschijningsvorm zo natuurlijk mogelijk moet zijn; dakpannen zijn daarom uitsluitend in een matte uitvoering toegestaan. Parkwijk Relatie met de omgevingBij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de omliggende bebouwing richtinggevend. Er moet aangesloten worden bij de ritmiek van de belendende bebouwing. Het gebruik van groen als volwaardige component bij de inrichting van de openbare ruimte moet worden bevorderd. Bouwmassa en vormgevingAfgestemd op de bouwmassa van de belendende bebouwing. Hoofdgebouwen met een duidelijke (schuine) kap gelden als norm. De vorm van de kap moet worden afgestemd op die van de belendende bebouwing. De toegepaste architectuur moet die van de belendende bebouwing respecteren, in geval van vooroorlogse woningbouw geldt daarbij specifieke aandacht voor stijlgebonden kenmerken, echter met behoud van een eigen identiteit. Bijgebouwen en aan- of uitbouwen moeten verwantschap vertonen met het hoofdgebouw ten aanzien van de toegepaste architectuur. Detaillering en materiaalgebruikAfgestemd op de belendende bebouwing. Toepassing van overwegend natuurlijke materialen als metselwerk, hout en gebakken pannen is vereist. Een evenwichtige kleurencombinatie dient te worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving en mag niet worden gedomineerd door felle of contrasterende kleuren. Overwegend gedekte tinten gelden als uitgangspunt. 3.1.5.3 Bedrijventerreinen Ligging en begrenzingZowel in Stadskanaal als Musselkanaal bevindt zich aan weerszijden van het kanaal een bedrijventerrein. Zodoende worden binnen dit welstandsgebied in geografisch opzicht de volgende vier deelgebieden onderscheiden: Stadskanaal:Bedrijvenpark Stadskanaal, dat bestaat uit het bedrijventerrein Veenstraat/Vleddermond aan de Veenstraat en de Industriestraat en de uitbreiding daarvan, en dat globaal wordt begrensd door de Dwarsweg, de Gedempte Vleddermond, de kanaalzone met lintbebouwing en de Nautilusweg. Bedrijventerrein Dideldom, dat globaal wordt begrensd door de Oosterkade, de Cereskade, de gemeente- en provinciegrens en de Buinerweg. Musselkanaal:Bedrijventerrein Open Einde, aan de gelijknamige (dubbele) straat. Bedrijventerrein Nijverheidslaan, aan de gelijknamige laan. Karakteristiek en historieDe bedrijventerreinen zijn over het algemeen geïsoleerd gelegen ten opzichte van de omliggende woonbebouwing, waarbij de begrenzing wordt gevormd door (hoofd) ontsluitingswegen, waterlopen, groengebieden en het buitengebied. Door de ruime situering van de gebouwen hebben de bedrijventerreinen in Stadskanaal een meer open karakter dan die in Musselkanaal, waar de gebouwen wat dichter op elkaar zijn geplaatst. Het bedrijvenpark Stadskanaal is veruit het grootste in oppervlakte. Dit terrein heeft zich ontwikkeld in het verlengde van de hoofdstructuur van Stadskanaal en aan weerszijden van de haaks hierop georiënteerde Gedempte Vleddermond. Vanaf de Veenstraat in de richting van de kanaalzone heeft een relatief kleinschalige bedrijfsontwikkeling plaatsgevonden, die aansluit op de schaal van de woningen en bedrijven aan de Oosterstraat. Op alle bedrijfsterreinen is sprake van een min of meer rechthoekig stratenpatroon met één of meer hoofdontsluitingswegen. Karakteristiek voor alle bedrijventerreinen in dit welstandsgebied is de grootschalige, doorgaans vrij in de ruimte gelegen bedrijfsbebouwing. Het gevelbeeld wordt gedomineerd door grote blinde gevelvlakken. Voor het merendeel zijn de gebouwen opgericht in één of twee bouwlagen en hebben ze veelal een uitgestrekte en bij benadering rechthoekige plattegrond. Een strakke en zakelijke vormgeving overheerst, met een eenvoudige en functionele detaillering. Bij een aantal gebouwen is sprake van een duidelijke horizontale geleding in de gevels, waardoor de grootschaligheid in visueel opzicht enigszins wordt teruggebracht. De bebouwing is doorgaans met platte of licht hellende daken uitgevoerd. De materiaaltoepassing is divers, van metselwerk en beton voor de oudere gebouwen, tot moderne gevelmaterialen zoals glas en geprofileerde staalplaten voor de gebouwen van recentere datum. Bij of aan diverse bedrijfsgebouwen zijn bij het bedrijf behorende woningen gebouwd. Een aantal daarvan vertoont qua hoofdvorm en detaillering een duidelijke verwantschap met het bedrijfsgebouw, maar er zijn ook woningen die door hun traditionele architectuur volledig afwijken van de omliggende omgeving. Langs enkele zichtlocaties zijn bedrijven gelegen die vanwege de aard van hun bedrijfsvoering een, qua vormgeving en detaillering, duidelijk representatief gedeelte bezitten. De oudere delen van dit welstandsgebied hebben in de loop van de jaren een teruggang in uitstraling beleefd. De inrichting van de openbare ruimte is vooral gericht op het parkeren. Het aanwezige groen vormt een weinig structureel element in het gebied doordat het verspreid ligt over diverse restruimten. Vanwege de voorkomende gebouwtypologie en stedenbouwkundige opzet hebben de bedrijventerreinen een geheel eigen, zakelijk, karakter. Monumenten komen in dit welstandsgebied niet voor. Toekomstvisie en beleidMomenteel is het bedrijvenpark Stadskanaal in ontwikkeling. Op het voormalige agrarische gebied tot aan de Dwarsweg vindt een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Veenstraat/Vleddermond plaats. De stedenbouwkundige opzet heeft tot doel om het bestaande bedrijventerrein en de uitbreiding tot één samenhangend gebied om te vormen. Door revitalisering van het oude deel zal ook tot samenhang in de uitstraling worden gekomen. Het verbeteren van de terreininrichting, met daarbij aandacht voor de berm- en groenstructuur, maakt daar een belangrijk deel van uit. De gebouwen zullen in schaal en representativiteit moeten aansluiten op de omliggende omgeving. In dit bedrijvenpark zijn twee zones onderscheiden waarvoor specifieke eisen gelden ten aanzien van de beeldkwaliteit, namelijk de Parkrand (langs de Nautilusweg) en de centrale as (centrale ontsluitingsweg). De Parkrand vormt een belangrijke zichtlocatie. Bedrijfsgebouwen moeten vrij in het groen moeten zijn gelegen om de transparantie van deze zone te waarborgen. Groen- en waterpartijen moeten in het ontwerp worden geïntegreerd. Een heldere hoofdvorm is gewenst met een evenwichtige materiaal- en kleurkeuze, die representatief is voor de aard van het bedrijf. Het totaalbeeld moet tevens in overeenstemming zijn met de tegenoverliggende woonwijken De Borgen en de Vogelwijk. Natuurlijke materialen zoals hout en baksteen zijn toepasbaar, evenals materialen met een moderne uitstraling zoals beton, glas en metaal. Met de toepassing van lichtreclame zal terughoudend moeten worden omgegaan vanwege de tegenoverliggende woonwijken. De eventuele buitenopslag van goederen moet achter de voorgevelrooilijn plaatsvinden. Het parkeren van voertuigen is alleen op eigen terrein toegestaan en bij voorkeur achter groenblijvende hagen. Bij de centrale as is de situering van de hoofdmassa van belang om zodoende een structurerende lijn te vormen in het gebied. In vergelijking met de Parkrand worden hier minder hoge eisen gesteld aan de beeldkwaliteit. Voor alle bedrijventerreinen geldt dat hun functie en de daarmee samenhangende visuele kenmerken eenduidig herkenbaar moeten blijven. Daarom is voor dit gehele welstandsgebied een gebouwtypologie gewenst die hierop aansluit. Aan de overgang van de randen van de bedrijventerreinen naar de omliggende (woon)omgeving moet de nodige zorg worden besteed, naar het voorbeeld van de Parkrand van het bedrijvenpark Stadskanaal. In dergelijke zones moet worden gestreefd naar een kwaliteitsniveau van bebouwing en groen dat past bij de aangrenzende woonwijken. In een aantal gevallen bestaat de behoefte aan de koppeling van wonen en werken. Om hieraan tegemoet te komen bestaat er op het nieuwe bedrijvenpark Stadskanaal onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid voor woonruimte naast een bedrijfspand. Dit stimuleert startende ondernemingen, die de bedrijfsvoering veelal vanuit huis verrichten, zich op het bedrijventerrein te vestigen. Overlast van bedrijvigheid in de woonomgeving wordt hierdoor voorkomen. Dit past ook in het beleid om bedrijven vanuit de woongebieden te verplaatsen naar de bedrijventerreinen, zoals in het bijzonder geldt voor bedrijven in de kanaalzone. Voor bedrijfswoningen is een hoofdvorm met een evenwichtige materiaal- en kleurkeuze gewenst, die verwant is aan die van het bedrijfsgebouw. Op de bedrijventerreinen Open Einde en Nijverheidslaan in Musselkanaal bestaat momenteel geen mogelijkheid tot uitbreiding. In een gezamenlijke ontwikkeling van de gemeenten Stadskanaal en Vlagtwedde is het nabijgelegen bovenregionale Bedrijvenpark Zuid-Groningen (BZG) tot stand gekomen. De ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein in Musselkanaal is daarom niet aan de orde. Wel zijn de oudste bedrijventerreinen, Veenstraat/Vleddermond en Dideldom, toe aan een kwaliteitsimpuls. WelstandsniveauDit welstandsgebied kenmerkt zich door een beeldkwaliteit die voornamelijk gerelateerd is aan de functie van het gebied en, behoudens de voor sommige delen gewenste kwaliteitsimpuls, geen bijzondere versterking behoeft. Het ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dan ook gericht op het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Daarom is voor dit welstandsgebied het reguliere welstandsniveau gekozen. Gebiedsgerichte welstandscriteria Relatie met de omgevingBedrijfsgebouwen moeten in schaal en representativiteit aansluiten op de omliggende omgeving. Voor randzones langs belangrijke zichtlocaties geldt een transparant en groen karakter als uitgangspunt. Langs belangrijke zichtlocaties moeten landschappelijke elementen als groen- en waterpartijen worden geïntegreerd in het ontwerp. Bedrijfsgebouwen moeten met hun representatieve zijde zijn georiënteerd op de straat c.q. het breedste wegprofiel. Lichtreclame is alleen op eigen terrein toegestaan en zal terughoudend moeten worden toegepast. In de randzones langs de woonwijken dient hier extra aandacht aan te worden besteed om de beeldkwaliteit van de woonwijken in stand te houden. Bouwmassa en vormgevingEen eenduidige hoofdvorm is gewenst, die past bij het zakelijke karakter van het gebied. Bedrijfswoningen en/of kantoren en dergelijke die deel uitmaken van de bouwmassa van het hoofdgebouw moeten, qua vormgeving, worden gerelateerd aan het hoofdgebouw. Vrijstaande bedrijfswoningen en/of kantoren en dergelijke moeten duidelijk zichtbaar afgeleid zijn van de vormgeving van het hoofdgebouw. Detaillering en materiaalgebruikDetaillering moet op een eenvoudige en zorgvuldige wijze worden uitgevoerd. Een evenwichtige materiaal- en kleurkeuze, die representatief is voor de aard van het bedrijf, is gewenst. Natuurlijke materialen zoals hout en baksteen zijn toepasbaar, evenals materialen met een moderne uitstraling zoals beton, glas en metaal Bedrijfswoningen moeten qua detaillering en materiaalgebruik afgeleid zijn van het hoofdgebouw. 3.1.5.4 Alteveer - Onstwedde - Mussel Ligging en begrenzingDe kleine kernen Alteveer, Onstwedde en Mussel vallen binnen dit welstandsgebied. De begrenzing van dit welstandsgebied valt samen met de begrenzing van de vigerende bestemmingsplannen voor de genoemde kernen. Karakteristiek en historie AlgemeenBinnen de gemeente Stadskanaal komen verschillende woonmilieus voor met een eigen identiteit en kwaliteit. Dit welstandsgebied kenmerkt zich vooral door het thema “dorps wonen”. De drie kleine kernen in dit welstandsgebied hebben elk hun eigen historie en verschijningsvorm. Alteveer is evenals Onstwedde gelegen op de overgang van de veenkoloniën naar het hoger gelegen Westerwoldse landschap. De plaats heeft een duidelijk agrarisch karakter. Qua ruimtelijke opzet zijn twee haaks op elkaar gelegen hoofdwegen te onderscheiden, waarlangs zich de bebouwing heeft ontwikkeld. Hierdoor is vooral langs de Beumeesweg lintbebouwing ontstaan, die uit voornamelijk vooroorlogse, particuliere woningen bestaat. In het gebied tussen de hoofdwegen is een meer geconcentreerde bebouwing ontstaan; de centrumkern van Alteveer. De lintbebouwing kenmerkt zich door lage, individuele woningen, terwijl de centrumkern wordt gekenmerkt door relatief hoge, aaneengesloten bebouwing. Langs het lint zijn overwegend woningen met dwarskappen gebouwd. Onstwedde is de grootste van de drie kleine kernen en is van oorsprong een esdorp, gelegen tussen de Onstwedderholte en de dekzandruggen of essen aan de zuidkant van het dorp. Het dorp markeert de overgang van het veenkoloniale landschap naar het Westerwoldse landschap. Aan de oostelijke dorpsrand is de ecologische hoofdstructuur gelegen. Vanwege de ten opzichte van de omgeving gunstige ligging van het gebied rondom de Boslaan en Dorpsstraat is daar van oudsher bebouwing ontstaan. De historische kern is gelegen nabij het kruispunt Dorpsstraat, Havenstraat en Boslaan, ter plaatse van de Brink. Op de oorspronkelijk aanwezige tweede Brink in het noorden is later enige bebouwing gerealiseerd. In de agrarische bebouwing aan de zuidrand van Onstwedde is de oude stedenbouwkundige structuur nog herkenbaar. In de loop van de jaren heeft vanuit de historische kern een verdichting van gebouwen plaatsgevonden, waarbij veel boerderijen zijn vervangen door woningbouw. Voortvloeiend uit het gebruik van het terrein is een onregelmatig en webachtig stratenpatroon gegroeid, waartussen de bebouwing werd geplaatst. In de bebouwing van Onstwedde, met het bijbehorende dorps- of straatbeeld, is een aantal typen te onderscheiden. Naast bebouwing met een open en individueel karakter komen ook rijtjeswoningen voor. Aan de noordelijke hoofdontsluitingsweg is sprake van lintbebouwing. Het straatbeeld kent verspringende voorgevels maar ook bebouwing met nagenoeg geen wisseling in de voorgevelrooilijn. De kleinere woonhuizen zijn opgetrokken in een sobere, streekeigen ambachtelijke stijl, terwijl de grotere woonhuizen een relatief rijkere architectuur kennen. Ondanks deze verschillen wordt het algemene beeld toch bepaald door de uiterlijke overeenkomsten in situering, detaillering en materiaalgebruik. De overwegend kleinschalige en sober uitgevoerde woningen hebben veelal een duidelijke kapvorm met, naast enige differentiatie, overwegend dwarskappen. Opvallend is een aantal zeer moderne panden, die contrasteren met de omliggende bebouwing. Enkele zeer grote bomen en groene ruimten fungeren als waardevolle elementen in het straatbeeld. De nederzetting Mussel is ontstaan op de rand van het hoogveen en het beekdal van de Mussel-A. Langs de hoofdwegen, de Zandtangerweg en de Musselweg, is eerst lintbebouwing ontstaan, waarna verdichting tot een kern heeft plaatsgevonden. Van oorsprong had het dorp een overwegend agrarische functie, maar deze is in de loop van de tijd grotendeels verdwenen. Het overgrote deel van de bebouwing bestaat uit vrijstaande of halfvrijstaande woningen, die haaks op de straat zijn gelegen en zijn uitgevoerd met een dwarskap en een lage gootlijn. Afwijkingen van dit thema komen slechts plaatselijk voor. Er is dan ook sprake van een grote eenvormigheid in de bebouwing. AandachtsgebiedVanuit welstandsoptiek moet binnen dit welstandsgebied het kerkgebied van Onstwedde als aandachtsgebied worden benoemd. Dit aandachtsgebied heeft een dusdanig eigen karakteristiek dat een aparte behandeling ervan is gerechtvaardigd. Onstwedde, kerkgebiedHet kerkgebied omvat het historische centrum van Onstwedde en wordt aangeduid als archeologisch waardevol. Globaal gezien vormt de lijn Wiltingelaan/Havenstraat de afscheiding met de rest van het dorp. In de richting van het buitengebied aan de zuidzijde wordt dit deel begrensd door de grens van het bestemmingsplan Onstwedde. Oude boerderijen en woonhuizen geven dit gebied haar specifieke karakter; hier kan voorzichtig worden gesproken over bebouwing met een zekere ensemblewaarde. De Juffertoren is als centraal herkenningspunt karakteristiek voor de uitstraling van dit gebied. Het nabij gelegen zalencentrum “d’Ekkelkaamp”, met fietsenstalling en parkeerterrein, contrasteert qua verschijningsvorm volledig met de omliggende historische structuur. Aan de noordzijde van het kerkgebied is een monumentale boerderij gelegen, die van wezenlijke betekenis is voor de beleving van het gebied. Specifiek voor de zuidzijde is het open karakter met ruime doorzichten naar het buitengebied. De aanwezige waardevolle bomen vervullen een structuur ondersteunende functie. In het historische centrum komt een aantal monumenten voor. Voor een volledige opsomming van monumenten wordt verwezen naar bijlage 2 van deze nota. Toekomstvisie en beleid AlgemeenDe identiteit van de dorpen moet in een onderlinge samenhang worden beschouwd en niet als een louter op zichzelf staand gegeven. In de dorpen Alteveer, Onstwedde en Mussel worden woningen gebouwd en wordt ook de woonomgeving geherstructureerd. De ruimtelijke kenmerken van de kernen worden versterkt om elke kern zijn eigen specifieke karakter mee te geven. De opbouw van de kernen moet een logische samenhang hebben met een herkenbare hoofdstructuur, een gerichtheid op het centrum en gevarieerde milieus. Het verbeteren van de overgang naar het landelijke gebied is ook hier noodzakelijk. Dit beleid is neergelegd in het Structuurplan 1998 en wordt uitgewerkt in het dorpsontwikkelingsplan Onstwedde, Alteveer en Mussel, waaraan op dit moment wordt gewerkt. Ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van de kwaliteit van de kernen, zoals de kenmerkende schaal, maat en verschijningsvorm (de karakterbepalende grootheden), moeten worden vermeden. Hierbij geldt aandacht voor bedrijven en voorzieningen die geen bestaansrecht meer hebben of juist onderhevig zijn aan expansie. In 1987 is voor Alteveer het Leefbaarheidsplan vastgesteld. Daaruit blijkt dat de kwaliteit van het dorpsbeeld en de gebruiks- en belevingswaarde van de dorpskern nog verbeterd kunnen worden. Dit heeft ondermeer te maken met de barrièrewerking van de Beumeesweg. Het Structuurplan 1998 maakt ten aanzien van de bebouwing een keuze voor kleinschalige woonlocaties met een hoge kwaliteit, in de overgangszone van de bebouwde dorpskern naar het buitengebied. In dit kader kan de uitbreidingslocatie De Blauwe Kamer worden genoemd. Het door de gemeente Stadskanaal gevoerde beleid met betrekking tot de lintbebouwing langs de Beumeesweg heeft geleid tot een dusdanige verdichting van het lint dat er nauwelijks meer open ruimtes zijn. Voor een deel van Onstwedde is in 2001 een beeldkwaliteitplan opgesteld dat is gekoppeld aan de in artikel 9.1 van de gemeentelijke bouwverordening genoemde algemene welstandscriteria. Het betreft vooral de oude lineaire wegenstructuur met aanliggende bebouwing inclusief het historische centrum. Onstwedde heeft in historisch opzicht voldoende eigen identiteit. Het ruimtelijke beleid is gericht op het handhaven en zonodig versterken van de gewaardeerde oude elementen. Hieronder vallen vooral de oude wegenstructuur met aanliggende bebouwing, de open gebieden zoals de Brink en het transparante groene karakter van het gebied met doorzichten tussen de bebouwing. Als beleidsuitgangspunten voor nieuwbouw gelden dat gebouwen vrijstaand of beperkt geschakeld dienen te zijn, bebouwing aan de lintweg is uitgevoerd met een dwarskap en de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing aan de landwegen richtinggevend is. Als doelstelling voor de bebouwing geldt de versterking van de architectonische kwaliteit. Gebouwen moeten qua schaal en ontwerp aansluiten op de omliggende historische structuur en verwantschap vertonen met het ritme en de materialisering van de aansluitende bebouwing. Algemeen geldt dat het oorspronkelijke, landelijke en dorpse karakter met de daarbij behorende kleinschaligheid moet worden behouden, met extra aandacht voor historisch bijzondere locaties zoals het historische centrum of kerkgebied. Ten aanzien van de aanwezige groenstructuur wordt gestreefd naar versterking door middel van een aantal ingrepen, waaronder het herstel van de historische brinken, het verbinden van open groene ruimtes en de aanleg van groen in nieuwbouwgebieden. Voor Mussel is recentelijk een Leefbaarheidsplan opgesteld. Daarin wordt geconstateerd dat voor de komende jaren slechts een geringe groei van het aantal woningen valt te verwachten. Opgemerkt wordt dat, als tegenwicht voor de lintbebouwing, centrumvorming is gewenst en dat de woonomgeving op een aantal punten kan worden verbeterd. Nieuwbouw zal qua vormgeving moeten passen bij de bestaande bebouwing. Voorts is het beleid gericht op het verder vergroenen van de dorpsranden. Onstwedde, kerkgebiedIn haar beleid streeft de gemeente ernaar om het kerkgebied in Onstwedde als beschermd dorpsgezicht aan te laten wijzen. Het beleid is mede gericht op een opwaardering van de directe omgeving van de Juffertoren. Voor het overige geldt het specifiek voor dit gebied geldende beleid, zoals hiervoor bij het beleid voor de kern Onstwedde is geformuleerd. WelstandsniveauDe drie kleine kernen in dit welstandsgebied hebben elk een eigen ruimtelijke kwaliteit die in stand gehouden dient te worden. Het ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dan ook gericht op het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Daarom is voor dit welstandsgebied, behoudens het kerkgebied, het reguliere welstandsniveau gekozen. Het gebied rond de kerk heeft een volkomen eigen, gewaardeerde beeldkwaliteit, die gerelateerd is aan de ontstaansgeschiedenis van Onstwedde. Het hieruit voortvloeiende ambitieniveau voor het welstandstoezicht is dat deze een bijdrage levert aan de versterking van de beeldkwaliteit van het kerkgebied. Daarom, en ook vanwege het hiervoor vermelde beleid van de gemeente, is voor dit aandachtsgebied het bijzondere welstandsniveau gekozen. Gebiedsgerichte welstandscriteria Algemeen Relatie met de omgevingVrijstaande of beperkt geschakelde gebouwen gelden als uitgangspunt. Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. Gebouwen met een dwarskap gelden als norm, met dien verstande dat voor lintbebouwing een dwarskap verplicht is en voor gebouwen buiten de linten enige differentiatie is toegestaan, mits dit in harmonie is met de omliggende omgeving. Het gebruik van groen als volwaardige component bij de inrichting van de openbare ruimte moet worden bevorderd. Bouwmassa en vormgevingAfgestemd op de bouwmassa van de belendende bebouwing. Nieuwbouw zal, qua vormgeving, moeten passen bij de bestaande bebouwing, waarbij enkelvoudige bouwmassa´s met een zadeldak gelden als norm. Bijgebouwen en aan- of uitbouwen moeten ten aanzien van de toegepaste architectuur verwantschap vertonen met het hoofdgebouw. Detaillering en materiaalgebruikEen sobere en ambachtelijke bouwstijl geldt als uitgangspunt, waarbij een eenvoudige maar zorgvuldige detaillering is vereist. Het gebruik van streekgebonden materialen zoals roodachtige baksteen voor gevels geldt als norm. Een evenwichtige kleurencombinatie dient te worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving en mag niet worden gedomineerd door felle of contrasterende kleuren. Overwegend gedekte tinten gelden als uitgangspunt. Onstwedde, kerkgebied Relatie met de omgevingBij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. Gebouwen moeten een duidelijk representatieve zijde bezitten, met een nadrukkelijke gerichtheid op zichtlocaties. De aanwezige doorzichten tussen de individuele gebouwen moeten worden gehandhaafd. De openheid en het transparante groene karakter van het gebied moet worden behouden. Bouwmassa en vormgevingGebouwen moeten qua schaal en ontwerp aansluiten op de omliggende historische structuur en bebouwing. Gebouwen moeten verwantschap vertonen met de architectonische verschijningsvorm van de omliggende bebouwing, met daarbij specifieke aandacht voor het gevelbeeld en de kapvorm. Detaillering en materiaalgebruikAfgestemd op de historische bebouwing, waarbij een zorgvuldige en rijke detaillering conform de omliggende bebouwing is vereist. De materiaaltoepassing moet verwantschap vertonen met de materialisering van de omliggende bebouwing, waarbij het gebruik van overwegend natuurlijke materialen als metselwerk, hout en gebakken pannen is vereist. Een evenwichtige kleurencombinatie dient te worden gehanteerd. Het totaalbeeld moet in harmonie zijn met de omgeving en mag niet worden gedomineerd door felle of contrasterende kleuren. Overwegend gedekte tinten gelden als uitgangspunt. 3.1.5.5 Buitengebied Ligging en begrenzingDit welstandsgebied omvat het gehele buitengebied van de gemeente Stadskanaal. De begrenzing van dit gebied valt dan ook samen met de gemeentegrenzen en de grenzen van alle overige welstandsgebieden binnen de gemeente Stadskanaal. Karakteristiek en historie AlgemeenRuimtelijk gezien kenmerkt de gemeente Stadskanaal zich door een groot buitengebied, met daarin een aantal kernen. De grote en kleine kernen zijn eerder benoemd als aparte welstandsgebieden. Het buitengebied omvat als welstandsgebied de daarin verspreid gelegen buurtschappen zoals Oomsberg, Vledderveen, Holte, Kopstukken en Smeerling. In dit gebied zijn hoofdzakelijk twee landschapstypen te onderscheiden: het veenkoloniale deel, dat veruit het grootste oppervlak beslaat, en het hoger gelegen esdorpenlandschap (Westerwolde) aan de noordkant van de gemeente, waarbinnen zich ook de ecologische hoofdstructuur (EHS) bevindt. De streek Westerwolde omvat een langgerekt plateau van zandgronden. De begrenzing tussen beide gebieden wordt in grote lijnen gevormd door het stijgpunt ter hoogte van de kern Onstwedde. Karakteristiek zijn de verschillen in beslotenheid en hoogteverschillen; de veenkoloniën kenmerken zich door hun grootschalige openheid, terwijl het hoger gelegen Westerwoldse deel een meer besloten karakter heeft vanwege het aanwezige reliëf en de begroeiing. De voorkomende beken zoals de Mussel-A en de Ruiten Aa vormen door hun natuurlijke, slingerende beloop een contrast met het strak geordende veenontginningslandschap. Het veenkoloniale deel bestaat uit een voormalig hoogveencomplex, dat vanaf de 17e eeuw op systematische wijze is ontgonnen. Tijdens de ontginningsperiode is hier een uitgebreid watersysteem met lange, rechte vaarten aangelegd, bedoeld voor de afvoer van het veen. Aansluitend op het Stadskanaal zijn de zogenoemde monden gegraven en weer aansluitend daarop de zogenoemde wijken. Ter plaatse van de onderlinge aansluiting van deze brede afvoersloten zijn de boerderijen gebouwd. De verkavelingsrichting met bebouwing staat veelal onder een hoek met de ontsluitingswegen en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan het landschapsbeeld. De aldus ontstane structuur en beeldkwaliteit zijn zeer kenmerkend voor de veenkoloniën. Het gebied is na de vervening in gebruik geraakt als landbouwgebied. De landstreek Westerwolde met de EHS heeft een licht glooiend karakter en maakt daardoor een wat natuurlijker en zachtere indruk dan het veenontginningslandschap. Er is sprake van een kleinschalig hoevenlandschap met clusters van boerderijen en landarbeiderswoningen. Het gebied Smeerling-Metbroek kan, landschappelijk gezien, worden beschouwd als één van de meest markante gebieden van deze streek. Het beekdal Ruiten Aa, waarvan Smeerling deel uitmaakt, wordt geflankeerd door smalle zandruggen waarop later een kleinschalig esdorpenlandschap is ontstaan, dat overgaat in het omliggende heide- en veenontginningslandschap. Met de herinrichting van de, in het kader van de ruilverkaveling deels gekanaliseerde Ruiten Aa, is in de jaren 90 een begin gemaakt. Op sommige plekken is de natuurlijke bedding alweer uitgegraven. De bebouwing heeft vooral in het veenkoloniale deel het karakter van een transparante lintbebouwing langs ontsluitingswegen. Hierdoor zijn ruime doorkijken met lange zichtlijnen in het landschap mogelijk. De gebouwen zijn met hun lengterichting overwegend in de richting van de verkavelingstructuur georiënteerd, daarmee de karakteristiek van het gebied respecterend. Een belangrijk kenmerk van dit landschap is de betrekkelijk neutrale kleurtoon van de (agrarische) bebouwing, waarbij de boerderijen traditioneel zijn uitgevoerd in rode baksteen en oranjerode dakpannen. De boerderijen met woonhuizen zijn doorgaans gebouwd met één bouwlaag en een dwarskap. Veelal is sprake van een wolfseind in het dakvlak achter, een inspringend deel ter plaatse van de voorgevel en daardoor ongelijke goothoogten. Vanwege het inspringende deel is de benaming “krimpenhuis” ontstaan. Over het algemeen is sprake van sobere, maar zorgvuldig gedetailleerde gebouwen. Het gevelbeeld wordt gekenmerkt door verticaal gerichte kozijnen in een enkelvoudige of samengestelde uitvoering. Een uitgebreide beschrijving van gebouwtypologieën, “Dorpsbebouwing in Groningen”
(1993)is ontwikkeld door de Stichting Provinciale Groningse Welstandszorg en is bedoeld als bijlage voor de beeldkwaliteitplannen van verschillende dorpen in de provincie. AandachtsgebiedVanuit welstandsoptiek moet binnen dit welstandsgebied het beschermde dorpsgezicht Smeerling als aandachtsgebied worden benoemd. Vanwege de status van beschermd dorpsgezicht is een aparte behandeling noodzakelijk. SmeerlingDe buurtschap Smeerling is een cultuurhistorisch belangrijke nederzetting, gelegen aan de westzijde van de landstreek Westerwolde en bestaat uit een achttal boerderijen in de vorm van een hoevenzwerm. De bijzondere ligging van Smeerling wordt geaccentueerd door de aanwezigheid van zowel de EHS als het Ruiten Aa dal, met een reeks van hoevenzwermen. De voor dit type nederzetting kenmerkende situering van de verschillende boerderijen is in Smeerling vrijwel ongewijzigd gebleven. Daarbij gaat het om een willekeurig aandoende, op basis van de aard van het boerenbedrijf ontstane situering. Vanwege de in het verleden noodzakelijke onderlinge ondersteuning van de bewoners zijn de boerderijen relatief dicht op elkaar gelegen. De verkaveling van de omliggende esgronden is grotendeels nog gelijk aan die uit het begin van de 19de eeuw. Om deze hoevenzwerm en het omliggende landschap te beschermen is Smeerling, bij besluit van 11 september 1972, door de toenmalige minister van CRM aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Vijf van de boerderijen zijn rijksmonumenten, de overige drie hebben een zodanig traditionele vorm dat zij volkomen bij de beschermde objecten aansluiten. Een aantal boerderijen is inmiddels gerestaureerd. De paden die de boerenerven begrenzen zijn veelal onverhard of halfverhard en dragen door hun slingerend verloop bij aan het karakter van dit type nederzetting. De boerenerven worden omzoomd door massale beplanting in de vorm van hoge eikenbomen, die de locatie van de gebouwen sterk accentueren. Naast de gebouwen met erfbeplanting en gegroepeerde beplantingen zijn ook de open ruimten en doorzichten structuurbepalend. De boerderijen hebben een forse breedtemaat, zijn uitgevoerd in rode baksteen en voorzien van lage daken, afgedekt met oud-Hollandse pannen in een rode kleur. Ofschoon de gebouwen uit verschillende perioden stammen, hebben zij toch een aantal gemeenschappelijke kenmerken: De nokrichting is meestal loodrecht op de weg. De entree van het woonhuis bevindt zich aan de voor- of achterzijde. De dakhelling van het schuurgedeelte is tussen de 30° en 35°, met een lage gootlijn. De dakhelling van het woonhuisgedeelte is wat steiler, terwijl de goot hoger, tot anderhalve verdiepingshoogte, is opgetrokken. De topgevels van het woonhuisgedeelte zijn aan de bovenzijde afgesloten door een windveer, de achterzijde van de boerderij meestal door een dakschild. Er is sprake van forse hoofdmassa’s zonder veel detaillering. Het materiaalgebruik is rode baksteen, van Groninger klei, gedeeltelijk stucwerk en rode oud-Hollandse pannen. Er is sprake van verticale raamverhoudingen. Toekomstvisie en beleid AlgemeenVoor het buitengebied zijn natuurontwikkelingen, het stimuleren van recreatie en nieuwe ontwikkelingen in de landbouw belangrijke doelen. Het thema “De Groene Stad” (tot 2050) is, in samenhang met “De excellente woongemeente”, ook voor het buitengebied tot beleidslijn gekozen, als richtsnoer voor het ontwikkelen van de groenstructuur. De aan te leggen bossen met recreatieve voorzieningen zullen een landschappelijke schakel vormen tussen de Hondsrug en Westerwolde. In de uitvoering van regionale plannen kunnen worden genoemd “Waterkompas”, “Actieplan veenkoloniën” en “Plattelandsbeleid Westerwolde”. De esgebieden in de omgeving van Onstwedde en de veenkoloniale wijken zijn in het bestemmingsplan Herziening Buitengebied 1998 aangeduid als “waardevol open” en hebben daarmee een planologische bescherming gekregen. De in het gebied gelegen beekdalen moeten worden gehandhaafd en zonodig geaccentueerd, zoals voor het beekdal van de Ruiten Aa al (deels) is gebeurd. De grootschaligheid van het veenkoloniale landschap als belangrijke ruimtelijke kwaliteit moet in stand worden gehouden. Het beleid blijft gericht op handhaving van de (nog) kenmerkende en unieke mate van openheid in dit gebied, zoals onder andere het gebied tussen Vledderveen en Mussel. In het Provinciaal Omgevingsplan (POP) wordt ingegaan op de veranderende functie van de landbouw. De landbouw zal een rol krijgen in het kader van natuur- en landschapsbeheer en moet hiervoor de ruimte krijgen. De landschappelijke kenmerken gelden in ieder geval als vertrekpunt voor verdere ontwikkelingen. Als te beschermen waarde geldt ook het reliëf en de vegetatie met erfbeplanting van de streek Westerwolde. De genoemde elementen dragen in belangrijke mate bij aan de beeldkwaliteit van deze streek. Het Structuurplan 1998 noemt als uitgangspunt voor de door dit gebied lopende EHS het creëren van verbindingszones met de Hondsrug, de Blauwe stad en Duitsland. De gemeente wil daarbij de belevingswaarde van de natuurgebieden vergroten. In het Structuurplan 1998 wordt geconstateerd dat het wonen in het buitengebied aan populariteit wint. Eventuele woningbouw zal in stedenbouwkundig opzicht moeten aansluiten bij het karakter en de cultuurhistorische structuur van het buitengebied. Het volume en de vormgeving van nieuwe woningen moet een uitstraling bezitten die past bij het gebied. Door omzetting van agrarische functies in woonfuncties kan het wonen in het buitengebied worden gefaciliteerd. Leegstaande boerderijen kunnen dan, met een gewijzigde functie, worden behouden. In het buitengebied betekent immers het vervangen van een boerderij door nieuwe woningen een zodanig ingrijpende maatregel, dat daarmee het oorspronkelijke karakter van het gebied dreigt te worden aangetast. Het gebruik van bestaande gebouwen voor bewoning mag in geen geval nadelige effecten opleveren voor de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Het sterke contrast tussen de bebouwing en het open landschap met daarbij behorende zichtruimten dreigen te verdwijnen wanneer open gaten in de lintbebouwing worden volgebouwd. Toevoeging van nieuwbouw die voor wat betreft ordening en detaillering geen respect toont voor de bestaande omgeving, is funest op plekken waar oude hoofdstructuurbepalende wegen met authentieke bebouwing de sfeer bepalen. Een zorgvuldig op de locatie toegesneden ordening en invulling is vereist. Bijvoorbeeld gebouwen die met hun lengterichting dwars op de verkavelingstructuur zijn georiënteerd doorbreken hiermee de karakteristieke structuur van het gebied en zijn dan ook niet toegestaan. Bij nieuw- of verbouw moet de streekgebonden architectuur worden gerespecteerd. Nieuwe bebouwing hoort een in het landschap onopvallende kleur te hebben, i.c. dienen lichte en heldere kleuren te worden vermeden. Gebouwen moeten als het ware opgaan in het landschap. Het streven is daarom gericht op het gebruik van aardkleuren die gedekt van toon zijn. Naarmate nieuwe schuren dichter tegen een bestaande, traditionele schuur worden geplaatst, is een geleding in de gevel wenselijk om aan te sluiten op de maat en schaal van de bestaande schuur. Romney loodsen vormen vanwege hun totaal afwijkende verschijningsvorm een dissonant in het gebied en dienen daarom te worden geweerd. SmeerlingSpecifiek voor Smeerling geldt een aantal gewaardeerde kwaliteiten. De combinatie van een landschappelijk aantrekkelijk natuurgebied met een aantal historische boerderijen, de rust, de verkeersluwte en de gedoseerde bedrijvigheid maken Smeerling tot een aantrekkelijk geheel. Er moet echter ook worden geconstateerd dat de oorspronkelijke landschappelijke samenhang tussen het stroomgebied van de Ruiten Aa en het ontstaan en de ontwikkeling van de hoevenzwermen voor een groot deel is verdwenen. Daarnaast maakt de nabijgelegen provinciale weg door haar ligging inbreuk op de oorspronkelijke, karakteristieke kransstructuur van de hoevenzwerm. In opdracht van de gemeente Stadskanaal en de Vereniging Natuurmonumenten is in 2002 een visie ontwikkeld op de landschappelijke inbedding van Smeerling, de openbare ruimte en de privé terreinen van de hoevenzwerm. Om het oorspronkelijke karakter van de nederzetting te versterken is in deze visie een aantal ruimtelijke ingrepen geformuleerd. Daarbij wordt gedacht aan de versterking van de landschapsstructuur en maatregelen aan de provinciale weg, zoals versmalling of verlegging en de toepassing van straatklinkers. De onverharde en halfverharde paden moeten zoveel mogelijk worden gehandhaafd Door de functieverandering van de boerderijen en bijbehorende landerijen is het beeld van de privé-terreinen in de loop van de jaren sterk gewijzigd. De oorspronkelijke landbouwbestemming heeft plaats gemaakt voor woon- culturele en recr

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.