← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025 (Almelo)

In het kort

Deze beleidsregels van de gemeente Almelo beschrijven hoe de gemeente maatschappelijke ondersteuning regelt, zoals hulp bij zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving, en welke definities en algemene bepalingen daarbij gelden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025Intitulé Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo; gelet op artikel 1.3 van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025; de Algemene wet bestuursrecht en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, gezien het advies van de Wmo-adviesraad van 3 februari 2025 gelezen het voorstel van 10 juni 2025 registratienummer 749503; besluit vast te stellen: ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025’ Hoofdstuk1:Begripsbepalingen en algemene bepalingen Artikel1.1Begrippen: 1.In deze beleidsregels verstaat het college onder: Aanbieder: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; ADL: algemene dagelijkse levensverrichtingen zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten; Algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning; een algemene voorziening is voorliggend op de Wmo 2015; Beleidsregels: beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025; Beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Onder beschermd wonen wordt ook verstaan: beschermend wonen, verder te noemen: beschermd wonen; Cliënt: persoon die gebruik maakt van een collectieve of algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid Wmo 2015; Coach: dit is een medewerker namens het college of de casemanager van het Cimot die het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte uitvoert en tevens de ondersteuning indiceert; Collectief vervoer: collectief vervoer verwijst naar een vorm van personenvervoer waarbij het vervoermiddel wordt gedeeld met andere passagiers die verschillende opstapplaatsen of bestemmingen kunnen hebben, bijvoorbeeld de regiotaxi en/of vervoer van en naar de dagbesteding; College: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Almelo; Informele hulp: iemand uit het sociale netwerk van de cliënt die ondersteuning verleent door middel van financiering vanuit een Pgb; Inwoner: inwoner als bedoeld in artikel 1.1.1 eerste lid Wmo 2015 die ingezetene is van de gemeente Almelo en ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP); Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015; Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid 1 Wmo 2015; Ondersteuning: hulp bij de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, beschermd wonen of maatschappelijke opvang; Ondersteuningsplan: het plan dat door het college wordt opgesteld naar aanleiding van het onderzoek waarin de adviezen, verwijzingen en de afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn/haar melding op grond van de Wmo 2015 staan beschreven; hierin is de ondersteuningsbehoefte van de cliënt vastgelegd en zijn de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken beschreven, evenals de bijdragen die zowel het college als de cliënt, door middel van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of en zijn/haar sociale netwerk hieraan kunnen leveren; Overbelasting: overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten kunnen ontstaan; Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015; Pgb-aanbieder: een derde die cliënt heeft betrokken om ondersteuning in te kopen. Dit kan een professionele aanbieder of een informele hulp zijn; Pgb-beheerder: een persoon die de belangen van de cliënt behartigt en de aan een Pgb verbonden taken uitvoert, als de cliënt ondersteuning heeft (of wenst te ontvangen) in de vorm van een Pgb; Sociaal netwerk: personen uit huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; Verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025 Voorliggende voorziening: een voorziening die geboden wordt op grond van andere wetgeving, zoals Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg etc. Als een cliënt zijn beperking kan opheffen door daadwerkelijk aanspraak te maken op een andere wet, is er voldoende eigen kracht; Wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Zorgverlener: hiermee wordt zowel de aanbieder, de professionele aanbieder als de informele hulp aangeduid. 2.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel1.2Zelfredzaamheid 1.Op grond van de Wet bevat de omschrijving van het woord ‘zelfredzaamheid’ twee elementen: Het uitvoeren van de noodzakelijke ADL; Het voeren van een gestructureerd huishouden. 2.Reikwijdte ADL: algemene dagelijkse levensverrichtingen zijn handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van het bieden van structuur bij de persoonlijke verzorging. De ADL-uitgangspunten worden gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Het gaat dan om: in en uit bed komen; aan‐ en uitkleden; bewegen; lopen; gaan zitten en weer opstaan; lichamelijke hygiëne (wassen); toiletbezoek; eten/drinken; medicijnen innemen; ontspanning; sociaal contact. De overname van persoonlijke verzorging bij mensen met dementie of medische problematiek valt onder de Zorgverzekeringswet. Het bieden van structuur (aansporen) maakt deel uit van de Wmo 2015. 3.Reikwijdte gestructureerd huishouden: op grond van de Wet en de memorie van toelichting op de Wet is de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning gedefinieerd als het kunnen: Beschikken over een schoon en leefbaar huishouden; Beschikken over schone en draagbare kleding; Beschikken over de benodigde maaltijden; Het kunnen zorgen voor minderjarige kinderen. Artikel1.3Participatie 1.Op grond van de Wet gaat het bij participatie om het actief deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat iemand zich kan verplaatsen. 2.De participatie kan worden verbeterd door het verrichten van maatschappelijk zinvolle activiteiten. Artikel1.4Leefeenheid 1.Onder een leefeenheid wordt verstaan: alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren. 2.Als sprake is van kamerverhuur, dan wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. De huurder heeft dan ook geen taken ten aanzien van de persoon met een beperking die in dezelfde woning woont. Hierbij gaat het wel om de feitelijke situatie. De kwalificatie die bewoners zelf aan hun situatie geven is niet doorslaggevend. Artikel1.5Lokaal verplaatsen 1.Met lokaal verplaatsen per vervoermiddel wordt bedoeld: lopen, fietsen, gebruik van het openbaar vervoer of autorijden in de woon- en leefomgeving van de cliënt in en rondom Almelo. De lokale verplaatsingsafstand in Almelo is gesteld op 15 tot 20 kilometer. Daarbij worden in deze beleidsregels de volgende afstanden bedoeld: Rondom huis (zeer korte afstand) de afstand van 0 m tot 100 meter; Korte afstand: de afstand van 0 m tot 400 meter; Middellange afstand: de afstand van 400 m tot 10 kilometer; Lange afstand: de afstand boven 10 kilometer. Artikel1.6Algemeen gebruikelijke voorzieningen 1.Het college merkt een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel (hierna: voorziening) als algemeen gebruikelijk aan als: Deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; Daadwerkelijk beschikbaar is; Een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en; Deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. 2.Onder een minimuminkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Daarbij is het niet relevant of de aanvrager zelf een minimuminkomen heeft. Volgens het college kan een hulpmiddel financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau als de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag op grond van de Participatiewet ten tijde van de aanvraag. Onder bijstandsnorm wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 5 onder c van de Participatiewet. 3.Bij het criterium of een voorziening financieel draagbaar is met een minimuminkomen wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van de aanschaf van voorzieningen binnen een tweedehands aanbod. 4.Bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, mag het inkomen en/of vermogen van de persoon geen rol spelen. 5.Het college merkt de in bijlage 2 voorzieningen in elk geval als algemeen gebruikelijke voorzieningen aan. Deze lijst is niet limitatief en kan door het college worden aangepast aan de hand van maatschappelijke ontwikkelingen en rechtspraak. 6.De inwoner is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Artikel1.7Gebruikelijke hulp 1.Onder ‘gebruikelijke hulp’ wordt verstaan de normale dagelijkse hulp die de partner en andere huisgenoten (waaronder kinderen) geacht worden elkaar te bieden, omdat ze een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden. 2.Onder huisgenoot wordt verstaan: iedere persoon met wie de belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont, anders dan in een commerciële huurders- of kostgangersrelatie. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of er sprake is van inwonendheid wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. 3.Wat concreet valt onder ‘gebruikelijke hulp’ wordt bepaald door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van een partner en andere huisgenoten. 4.Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht om bijvoorbeeld (niet limitatief): Het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; Mee te gaan met familiebezoek of naar de huisarts; Te ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie of dit over te nemen; Te ondersteunen bij de opvoeding van en zorg voor kinderen; Te activeren tot het ondernemen van en te begeleiden bij het normale maatschappelijke verkeer binnen de levenssfeer; Gezamenlijk activiteiten te ondernemen; Te ondersteunen bij de persoonlijke hygiëne/zelfzorg; Te ondersteunen bij het verkrijgen van een dag/weekstructuur; Te ondersteunen bij verplaatsingen binnen de leefomgeving met een incidenteel karakter die gepland kunnen worden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van vrienden, familie, huisarts en specialisten. 4.Het college onderzoekt aan de hand van de individuele omstandigheden en situatie de mogelijkheden van de inwoner om met (onder meer) gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren. 5.Het college onderzoekt welke hulp in een specifieke situatie van de huisgenoot in redelijkheid gevraagd kan worden. De huisgenoot is verplicht om mee te werken aan het onderzoek. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met de behoeften en persoonskenmerken van de inwoner. Ook dienen de mogelijkheden van de persoon die de gebruikelijke hulp verleent daarbij betrokken te worden. 6.Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht. Hierbij dient wel onderzocht te worden wat de reden van overbelasting is. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Het college kan huisgenoten in dit kader vragen om een plan van aanpak op te stellen waarin zij aangeven hoe zij hun eigen kracht duurzaam kunnen versterken, waardoor zij (weer) in staat zijn zelf de hulpvraag van de cliënt op te kunnen lossen. Het college weegt dit mee in haar advies ten aanzien van de in te zetten individuele voorziening. Het plan wordt meegewogen om het effect van de ondersteuning uit een maatwerkvoorziening in beeld te krijgen. Hierdoor komt er perspectief inzake het wel/niet voortbestaan van overbelasting in relatie tot de efficiëntie van de ingezette ondersteuning. Het college kan zo een juiste afweging maken. 7.Als de cliënt een maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb wenst en er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een Pgb, dan is het niet toegestaan om dat Pgb te besteden aan inzet van de (dreigende) overbelaste huisgenoot. Een verstrekking van een Pgb kan de overbelasting niet wegnemen. 8.Indien een persoon huisgenoten heeft die in staat zijn om de huishoudelijke taken over te nemen, dan wordt verondersteld dat zij deze taken overnemen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk (het draaiende houden van een huishouden). Van iedere volwassene wordt verwacht dat zij naast andere dagelijkse bezigheden (werk, vrije tijd, enz.) een huishouden kunnen voeren. Indien een huisgenoot vanwege beperkingen uitvalt, wordt verwacht dat een andere huisgenoot deze taken overneemt. Dit geldt voor alle huisgenoten van 18 jaar en ouder. Er is sprake van een verplichtend karakter. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen huisgenoten op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. 9.In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit minderjarige kinderen, dan gaat het college ervan uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan het huishouden. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder de schoolprestaties. 10.De volgende richtlijnen worden gehanteerd ten aanzien van gebruikelijke hulp van kinderen in het huishouden: Kinderen van 0 tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden; Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als helpen met: opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, in- en uitpakken van de vaatwasser, een boodschap doen, kleding in de wasmand leggen; Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen; Het college let in het bijzonder op de situatie van de jonge mantelzorgers. De jonge mantelzorger wordt zo nodig uitgenodigd bij het onderzoek. Artikel1.8Algemene voorzieningen 1.Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat het gebruik van algemene voorzieningen zoveel mogelijk wordt gestimuleerd. 2.Voor een algemene voorziening is geen (diepgaand) onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner nodig. 3.Er is geen beschikking nodig om deel te kunnen nemen aan een algemene voorziening. 4.Een algemeen onderzoek of iemand tot de doelgroep van een algemene voorziening behoort, is mogelijk. 5.Inzetten van een algemene voorziening wordt mogelijk geacht indien de algemene voorziening: Daadwerkelijk beschikbaar is; Een adequate compensatie biedt voor de hulpvraag van de inwoner; Door de cliënt financieel gedragen kan worden. Hoofdstuk2Toeleiding en toegang algemeen Artikel2.1Melding 1.Een inwoner kan zich bij het college melden om zijn behoefte aan ondersteuning kenbaar te maken. 2.Behalve door de inwoner zelf kan de melding ook worden gedaan door een wettelijke vertegenwoordiger. Een zorgverlener kan ook een melding doen, indien hij daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft van de cliënt. 3.Er kan op de volgende manieren een melding worden gemaakt: Telefonisch via het informatienummer van de gemeente (0546-541111); Fysiek; Digitaal, waaronder via wmo@almelo.nl; Voor beschermd wonen moet een melding worden gemaakt via de website Cimot – https://cimot.almelo.nl/ Voor maatschappelijke opvang kan een melding worden gemaakt via de website Almelo • Humanitas Onder Dak. 4.Tijdens het eerste contact wordt beoordeeld of (een algemene) vraag om informatie of advies van de cliënt direct afdoende en naar tevredenheid kan worden beantwoord. Bij twijfel of als uit het contact blijkt dat er een onderzoek moet plaatsvinden, omdat de vraag kan worden aangemerkt als een behoefte om maatschappelijke ondersteuning, wordt de melding geregistreerd. Het onderzoek kan bestaan uit: Een telefonisch onderzoek tijdens het (eerste) contact waarna een verwijzing volgt naar bijvoorbeeld een andere voorziening (bijvoorbeeld een algemene voorziening). In dit geval wordt geen ondersteuningsplan geschreven; Een onderzoek als bedoeld in artikel 2.4 van de verordening. Dit onderzoek kan leiden tot het opstellen van een ondersteuningsplan. Artikel2.2Onderzoek 1.Naar aanleiding van een melding wordt een onderzoek uitgevoerd als bepaald in artikel 2.4 van de verordening. 2.Indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht mantelzorgers, familieleden of reeds aanwezige hulpverleners bij het onderzoek betrokken. Dit neemt niet weg dat degene die het onderzoek uitvoert te allen tijde het recht heeft de cliënt zonder aanwezigheid van derden te spreken, met uitzondering van de onafhankelijke cliëntondersteuning. 3.Een aanbieder wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het onderzoek c.q. de vraagverheldering in opdracht van het college door deze aanbieder wordt verricht. Een Pgb-aanbieder is derhalve niet aanwezig in het kader van het onderzoek en komt pas concreet in beeld, nadat het ondersteuningsplan is opgesteld en het de wens is van de cliënt de verstrekking van de ondersteuning te laten plaatsvinden in de vorm van een Pgb. 4.Het college onderzoekt de onderwerpen die in de Wet en de verordening staan opgenomen. 5.Het onderzoek wordt afgerond met een ondersteuningsplan dat aan de cliënt wordt verstrekt. In het ondersteuningsplan zijn in ieder geval omschreven: De uitkomst van de stappen, zoals genoemd in artikel 2.4 van de verordening; De resultaten die bereikt zouden moeten worden met de inzet van ondersteuning; Indien van toepassing: het moment waarop deze resultaten door het college worden geëvalueerd; Indien van toepassing: gemaakte afspraken met de cliënt en/of zorgverlener. Artikel2.2.1Aandachtspunten tijdens het onderzoek 1.Uitgangspunt bij het onderzoek naar de hulpvraag van de cliënt op het gebied van ambulante begeleiding, is dat gebruik wordt gemaakt van het normenkader 2.0 ontwikkelt door bureau HHM en Factum Advies. Dit normenkader is ontwikkeld om het college te helpen bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en het afwegen en onderbouwen van de aard en omvang van indicaties voor Wmo-begeleiding (individuele begeleiding en dagbesteding).Het normenkader 2.0 biedt handvaten bij de afweging wat naar het oordeel van het college nodig is voor de cliënt. Het bevat een richtlijn bij het bepalen van de aard en omvang van de in te zetten ondersteuning als uit het onderzoek blijkt dat inzet van een maatwerkvoorziening noodzakelijk wordt geacht. Het college maakt bij toepassing van het normenkader 2.0 gebruik van bijlage 3 van deze beleidsregels. 2.Het kan zijn dat uit het onderzoek naar de hulpvraag blijkt dat op meerdere leefgebieden te behalen doelstellingen te formuleren zijn, waarvoor geen oplossing gevonden kan worden binnen de eigen kracht (eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Dit wil zeggen of de cliënt zelf of samen met zijn directe omgeving zijn situatie kan verbeteren), voorliggende of algemene voorzieningen. Voor wat betreft de omvang van de maatwerkvoorziening is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar wordt opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van de doelstelling is leidend. Zo kan bijvoorbeeld: In een bepaalde volgtijdelijkheid worden gewerkt aan de te bereiken doelstellingen, omdat naar het oordeel van het college het niet mogelijk wordt geacht om alle leefgebieden tegelijkertijd aan te pakken; Ook kan inzet van hulp op een bepaald leefgebied indirect tot een oplossing van een probleem leiden op een ander leefgebied; Daarnaast kan de te bereiken doelstelling ertoe leiden dat binnen de duur van de indicatie of na een verzoek om verlenging van de maatwerkvoorziening wordt afgeschaald naar een lagere intensiteit; Daar waar de individuele situatie dat noodzaakt, kan gemotiveerd van de richtlijn worden afgeweken. 3.De terminologie die gehanteerd wordt in het normenkader 2.0 staat los van de terminologie die verbonden is aan het gemeentelijke voorzieningenaanbod. Artikel2.3Spoedprocedure 1.In een acute situatie wordt de spoedprocedure gehanteerd, waarbij door het college gedurende twee weken ondersteuning ingezet kan worden zonder indicatie. Het gaat dan om: Een plotselinge wijziging in de (gezondheids-)situatie van een cliënt (aandoeningen, stoornissen, beperkingen) of van de mantelzorger; Die leidt tot een toekenning van of inzet van substantieel andere inhoud en omvang van de benodigde zorg; Waarbij het noodzakelijk is om de zorg binnen 24 tot 48 uur in te zetten om onaanvaardbare gezondheidsrisico's voor de cliënt en/of zijn gezin te voorkomen. 2.Spoedzorg wordt altijd middels een maatwerkvoorziening middels Zorg in natura verstrekt. 3.In de twee weken dat de spoedvoorziening ingezet is, heeft de coach de gelegenheid om het onderzoek naar de hulpvraag uit te voeren. 4.Voor het inzetten van ondersteuning in spoedsituaties is geen aanvraag vereist. Voor het inzetten van de vervolghulp, dus de hulp na de eerste twee weken, dient wel een aanvraag te worden ingediend door de cliënt. De cliënt ontvangt na afronding van het onderzoek zo nodig een beschikking met betrekking tot de inzet van de hulp in verband met een spoedeisende situatie en de vervolghulp die wordt ingezet. 5.Spoedzorg voor hulp bij het huishouden wordt alleen verstrekt voor niet uitstelbare taken, zoals zorgen voor eten en drinken en zorg voor jonge kinderen. Eerst wordt getoetst of gebruikelijke hulp, het sociaal netwerk, mantelzorg en algemene, collectieve en/of voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden. 6.Voor situaties waarin het toezicht in de avonduren en de nacht door familie of het sociale netwerk opgelost kan worden, is via de spoedprocedure dagbesteding voor maximaal 10 dagdelen per week mogelijk, gedurende twee weken. In deze twee weken moet beoordeeld worden of er sprake is van zorg, ondersteuning en toezicht die onder de Wlz vallen of dat er andere oplossingen binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning gevonden moeten worden. 7.De spoedinzet van dagbesteding wordt door de coach getoetst op de criteria: Er is sprake van een acute verandering (dus geen geleidelijke verslechtering van de situatie); Een veiligheidsaspect aanwezig is waardoor toezicht nodig is; Cliënt beschikt niet over een Wlz-indicatie. 8.Als de zorgverlener niet geïndiceerde (spoed)zorg levert aan een cliënt, die niet voldoet aan de gestelde criteria, verleent de zorgverlener deze zorg voor eigen rekening. Artikel2.4Eigen kracht 1.Het college mag verwachten van een inwoner dat hij/zij zich inspant om de eigen situatie te verbeteren of dat iets gedaan wordt door een partner of familielid. Zo mag het college uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner door bijvoorbeeld te verwachten dat de inwoner gebruik maakt van een algemeen gebruikelijke voorziening of een andere regeling/voorziening die de beperking van de inwoner vermindert of opheft. 2.Voordat een inwoner in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening dient hij/zij in eerste instantie te kijken in hoeverre hijzelf/zijzelf, of indien mogelijk met zijn/haar directe omgeving, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn/haar situatie. Iedere inwoner is primair zelf verantwoordelijk voor diens eigen leven en daarmee voor de eigen zelfredzaamheid en participatie. Daarnaast behoort tot de eigen kracht ook het gebruik maken van de hulp van het sociaal netwerk of een mantelzorger en bijvoorbeeld de mogelijkheid om zich te laten behandelen. 3.Bij de beoordeling van de eigen kracht wordt ook rekening gehouden met de situatie die aan de hulpvraag voorafgaat. Bijvoorbeeld door te anticiperen op een levensfase waarin beperkingen niet ongebruikelijk meer zijn. Inwoners zullen zich bijvoorbeeld moeten voorbereiden op wat veelal hoort bij de levensfase van het ouder worden, zoals de behoefte aan een kleinere woning in verband met het vertrek van kinderen, de nabijheid van winkels en gemaksdiensten, een gelijkvloerse woning in verband met verminderde mobiliteit. 4.Onder het aanwenden van eigen kracht wordt ook verstaan deelname aan de programma’s die gericht zijn op het vergroten van de mogelijkheden van de inwoner om zelf huishoudelijke activiteiten te verrichten en/of de zelfredzaamheid te versterken. Door bijvoorbeeld de interventie Powerful Ageing, deze inzet is gericht op het verbeteren van de fysieke zelfredzaamheid van de ouder wordende mensen. 5.Ook het mogelijk maken van de inzet van (zorg-)technologie wordt beschouwd als het bestendigen van de eigen kracht. 6.Het gebruik maken van de eigen kracht betekent ook dat de inwoner zelf voorziet in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn (zie ook artikel 1.6). 7.Gebruik maken van de eigen kracht veronderstelt dat de inwoner aanspraak maakt op een door hem/haar afgesloten (aanvullende) ziektekostenverzekering indien deze mogelijkheid bestaat en daardoor een beroep op een maatwerkvoorziening kan worden voorkomen en/of worden beperkt. 8.Uitdrukkelijk behoort tot de eigen kracht ook het beroep doen op voorzieningen op grond van een andere wet (voorliggende voorzieningen). Artikel2.5Hulp uit het sociaal netwerk 1.Van een inwoner wordt verwacht dat hij/zij kijkt of hij/zij met hulp uit zijn/haar sociaal netwerk zijn/haar hulpvraag kan oplossen. 2.Bij de mogelijkheden van hulp uit het sociaal netwerk wordt meegewogen wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van iemand uit het sociaal netwerk. 3.Als inzet van het sociaal netwerk mogelijk en redelijk wordt geacht, wordt van de inwoner verwacht dat hij/zij aanspraak doet op hulp uit het sociaal netwerk. 4.Als de inwoner een individuele voorziening in de vorm van een Pgb wenst en er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een Pgb, dan is het niet toegestaan om dat Pgb te besteden aan inzet van een (dreigende) overbelaste persoon uit het sociaal netwerk. Een verstrekking van een Pgb kan de overbelasting niet wegnemen. Artikel2.6Voorliggende voorzieningen en oplossingen 1.Een voorliggende voorziening is onderdeel van het beroep op de eigen kracht van de inwoner. Als voorliggende voorziening wordt beschouwd de (al dan niet bij de Wet geregelde) voorziening waar de inwoner daadwerkelijk een beroep op kan doen en waardoor hij/zij geen of in mindere mate een beroep hoeft te doen op maatschappelijke ondersteuning. 2.Andere beschikbare voorliggende voorzieningen in Almelo worden betrokken bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn welke voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is. Hoofdstuk3Voorzieningen Paragraaf1.1Uitgangspunten inzet maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1 Uitgangspunten bij het inzetten van maatwerkvoorziening 1. Bij het inzetten van ondersteuning gelden de volgende algemene uitgangspunten: Voor de inzet van alle maatwerkvoorzieningen geldt dat het college beoordeelt welke inzet of voorziening daadwerkelijk noodzakelijk wordt geacht. Hierbij geldt het principe dat de goedkoopst adequate voorziening wordt ingezet. Indien een cliënt een andere voorziening wenst die meerkosten met zich meebrengt dan zijn deze kosten voor de cliënt; Normaliseren is het uitgangspunt: de cliënt en zijn/haar leefeenheid benutten voldoende hun eigen kracht om met fysieke, mentale en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. Zij voeren daarbij zo veel als mogelijk eigen regie; De zorgverlener maakt gebruik van de eigen kracht van de cliënt, gebruikelijke hulp, het sociale netwerk en/of de mantelzorgers en probeert deze eigen kracht zo veel mogelijk te bevorderen. De inzet vindt plaats aanvullend op wat de cliënt en zijn/haar sociale omgeving zelf kunnen; De (professionele)aanbieder hanteert een systeemgerichte aanpak en zet in op de versterking van het systeem rondom de cliënt; De inzet van ondersteuning is integraal afgestemd op andere voorzieningen; Ondersteuning vindt zo veel mogelijk plaats in de vertrouwde (leef)omgeving van de cliënt, maar is niet plaatsgebonden. Ondersteuning op een wijklocatie is hier een voorbeeld van; De inzet van ondersteuning is in beginsel tijdelijk; Als het college een maatwerkvoorziening inzet en er een keuze gemaakt kan worden tussen een groepsgerichte en een individueel gerichte voorziening, zet het college de groepsgerichte voorziening in; Het uitgangspunt is dat een ambulante voorziening altijd voor gaat op de inzet van een verblijfsvoorziening; Waar mogelijk wordt afschalen van de (zwaarte van

  1. de)maatwerkvoorziening gerealiseerd. De overgang naar een lichtere vorm van ondersteuning (zoals bijvoorbeeld het toeleiden naar een algemene voorziening) wordt gerealiseerd, zodra dit naar het oordeel van het college verantwoord is; De inzet van ondersteuning leidt niet tot zorg- en/of persoonsafhankelijkheid, maar draagt actief en maximaal bij aan het versterken van de eigen kracht van de cliënt en de sociale omgeving; Als het college meerdere maatwerkvoorzieningen inzet gedurende dezelfde periode dan kunnen deze voorzieningen niet gelijktijdig, op hetzelfde tijdstip, ingezet worden. Een cliënt kan bijvoorbeeld niet op hetzelfde tijdstip zowel dagbesteding als begeleiding individueel ontvangen; Als het college de inzet van zorgtechnologieën mogelijk acht waarvoor geen (aanvullende) maatwerkvoorziening geïndiceerd hoeft te worden, is de inzet van zorgtechnologieën voorliggend op een maatwerkvoorziening. Paragraaf1.2Financieel Besluit Voor de voorzieningen zoals deze in hoofdstuk 3 genoemd zijn, is de financiële tegemoetkoming, voor zover van toepassing, terug te vinden in het Financieel Besluit. Paragraaf2Ambulante voorzieningen en logeerzorg Artikel 3.2 Criteria maatwerkvoorziening begeleiding en dagbesteding 1.Het doel van de maatwerkvoorziening begeleiding is het bevorderen, behouden en/of compenseren van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. 2.Begeleiding kan in de vorm van begeleiding individueel en dagbesteding plaatsvinden. Artikel3.2.1Algemene uitgangspunten maatwerkvoorziening begeleiding en dagbesteding 1.De ondersteuningsbehoefte van de cliënt staat centraal. Deze wordt integraal bekeken, waarbij de verschillende leefgebieden worden meegenomen. 2.Ondersteuning is laagdrempelig en dichtbij en is ontwikkelingsgericht, gericht op stabilisering en waar mogelijk, herstelgericht. 3.Er wordt gestuurd op doelen, casusregie en tussentijdse resultaatevaluatie. Artikel3.2.2Begeleiding individueel 1.Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee niveaus: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus. Voor wat betreft de in te zetten maatwerkvoorziening wordt rekening gehouden met de kenmerken van de cliënt, zoals opgenomen in de tabel in bijlage 4 en het normenkader, zoals benoemd in artikel 2.2.1 van deze beleidsregel. 2.De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de cliënt woont, tenzij door de gemeentelijke toegang (coach) anders wordt besloten. Afhankelijk van de individuele casus kan er ook gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen of op een wijklocatie. Artikel3.2.2.1Begeleiding individueel basis 1.Begeleiding individueel basis is bedoeld voor een cliënt met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-)geriatrische beperking die zich uiten in beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. 2.Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt; De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie; De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag. Artikel3.2.2.2Begeleiding individueel plus 1.Begeleiding individueel plus is bedoeld voor een cliënt met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-) geriatrische beperkingen die zich uiten in beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. 2.Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op meerdere levensgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie; De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag. Artikel3.2.3Dagbesteding 1.Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee producten: dagbesteding basis en dagbesteding plus. Dagbesteding vindt fysiek plaats in groepsverband, op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie/woning van de cliënt. Voor wat betreft de in te zetten maatwerkvoorziening wordt rekening gehouden met de kenmerken van de cliënt, zoals opgenomen in de tabel in bijlage 5 en het normenkader, zoals benoemd in artikel 2.2.1 van deze beleidsregel. 2.Het college is verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de dagbesteding als de cliënt en zijn/haar omgeving zelf niet in een oplossing kunnen voorzien. Uitgangspunt is dat de ondersteuning zo dicht mogelijk bij de cliënt wordt georganiseerd. Vervoer van en naar de dagbesteding kan als onderdeel van de maatwerkvoorziening worden toegekend. Het vervoer is aanbesteed en de cliënt maakt gebruik van de gecontracteerde vervoerder wanneer er zorg in natura is ingezet. De maatwerkvoorziening collectief vervoer (Regiotaxi) wordt niet ingezet voor vervoer van en naar de groepsgerichte ondersteuning. Artikel3.2.3.1Dagbesteding basis 1.Dagbesteding basis is bedoeld voor een cliënt met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-)geriatrische beperking, waardoor zich beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie voordoen. 2.Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op één of meerdere levensgebieden. De cliënt voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken: •De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; •De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; •De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen; •De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek. Artikel3.2.3.2Dagbesteding plus 1.Dagbesteding plus is bedoeld voor een cliënt met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-)geriatrische beperkingen, waardoor zich beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie voordoen. 2.Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op meerdere levensgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning; De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; De cliënt is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen. Artikel3.3Kortdurend verblijf logeerzorg 1.Logeerzorg is vergelijkbaar met de oude Awbz functie kortdurend verblijf. Het doel van deze voorziening is het bieden van ondersteuning aan de mantelzorger(
  2. s)door tijdelijk verblijf (inclusief dagbesteding) buitenshuis van de cliënt die van zorg afhankelijk is, mogelijk te maken. Het resultaat moet zijn dat de mantelzorger wordt ontlast, waardoor de cliënt langer thuis of zelfstandig kan blijven wonen. 2.Bij de zorgverlener waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Logeerzorg omvat in ieder geval bed, bad, maaltijden (3 per dag) en verblijf. 3.Logeerzorg is een integrale voorziening. Dagbesteding en begeleiding hoeven niet apart te worden geïndiceerd. Dit geldt ook voor verpleging en persoonlijke verzorging. 4.De cliënt is in principe zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor logeerzorg. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Is de cliënt hiertoe niet in staat, dan wordt het vervoer geïndiceerd en door de (Pgb-)aanbieder georganiseerd. 5.De omvang van logeerzorg is 1, 2 of 3 etmalen per week; afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt of diens mantelzorger(s). Er is een maximum van 3 etmalen (72 uur) per week gesteld, omdat het logeren betreft. Bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een intramurale indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) moet worden gesteld. Een vergoeding van respijtzorg op grond van het aanvullend pakket van de zorgverzekering wordt aangemerkt als een voorliggende voorziening. Paragraaf3.Huishoudelijke ondersteuning Artikel 3.4 Huishoudelijke ondersteuning 1.Het doel van huishoudelijke ondersteuning is de cliënt in de eigen leefomgeving ondersteuning te bieden bij huishoudelijke taken, waardoor hij/zij (beter) in staat is tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden en deelname aan het maatschappelijk verkeer. 2.Voor het bepalen van de noodzakelijke inzet, de frequentie en de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt gebruik gemaakt van het meest recente normenkader huishoudelijke ondersteuning (normenkader huishoudelijke ondersteuning 2025 bureau HHM). Toepassing van het normenkader vereist individueel maatwerk. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Dit kan alleen als gemotiveerd aangegeven wordt waarom de verhoging of verlaging noodzakelijk is. Voor alles geldt dat als maatwerk vraagt om hiervan af te wijken, dit voorgaat op de richtlijn. 3.Bijlage 1 geeft het normenkader voor de huishoudelijke ondersteuning weer. 4.Voordat de inzet van huishoudelijke ondersteuning bepaald wordt, wordt beoordeeld of de cliënt zelf in staat is om zelf huishoudelijke activiteiten te verrichten. 5.Cliënten van wie verwacht wordt dat zij (deels) hun eigen kracht kunnen aanwenden voor het verrichten van huishoudelijke activiteiten moeten meewerken aan de verwijzing naar de intake van Powerful Ageing omdat het een onderdeel is van de onderzoeksfase en gezien wordt als een voorziening waarmee de eigen kracht wordt gestimuleerd. 6.Het normenkader gaat uit van de basismodule Schoon en Leefbaar Huis. Als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen de cliënt onvoldoende ondersteund wordt door de basismodule kunnen de volgende aanvullende modules ingezet worden: •Module regie; •Module wasverzorging; •Module maaltijdverzorging; •Module zorg voor minderjarige kinderen; •Module praktische hulp. Het schoonhouden of schoonmaken van de buitenkant van de woning, zoals het ramen lappen aan de buitenkant, maakt geen deel uit van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Van de cliënt wordt medewerking gevraagd om de ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning, het voorkomen van grote verzamelingen en het opruimen van de woning, zodat het schoonmaken zo efficiënt mogelijk uitgevoerd kan worden. Artikel3.4.1Powerful Ageing 1.Powerful Ageing wordt ingezet om met behulp van gerichte fysiotherapie het explosieve spiervermogen te vergroten, waardoor de zelfredzaamheid van de ouder wordende mens (wordt) vergroot. Door de inzet van Powerful Ageing kunnen inwoners langer vitaal en actief meedoen in de samenleving. Door inzet van Powerful Ageing kan de aanspraak op huishoudelijke ondersteuning worden voorkomen, afnemen of uitgesteld worden. 2.De coach beoordeelt of er sprake is van de noodzaak tot inzet van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Na de aanmelding voor huishoudelijke ondersteuning vindt een eerste gesprek met de cliënt plaats waarna de onderzoeksfase om de noodzaak van de aanvraag van huishoudelijke ondersteuning vast te stellen. Indien de cliënt niet valt onder de gestelde uitsluitingscriteria, wordt de cliënt verwezen naar de intake voor de interventie van Powerful Ageing. 3.Na de Intake bij Powerful Ageing komt er een terugkoppeling aan de coach of de cliënt al dan niet geschikt is voor deelname aan de interventie Powerful Ageing. Op basis van deze terugkoppeling zal de coach een advies geven over de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. Artikel3.4.2Basis module schoon en leefbaar huis 1.Het resultaat van de basismodule huishoudelijke ondersteuning is dat de cliënt beschikt over een schoon en leefbaar huis. Het omvat het lichte en zware schoonmaakwerk. Schoon staat voor een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van cliënten worden voorkomen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. 2.Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. 3.De basismodule heeft betrekking op de woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk dagelijks in gebruik zijn. In het algemeen zijn dit de volgende woonruimten: a.Woonkamer; b.Slaapkamer(
  3. s)in gebruik bij de cliënt en huisgenoten; c.Badkamer; d.Toilet; e.Keuken; f.Verkeersruimten (hal, overloop, bijkeuken); g.Trap, mits één van de hierboven genoemde ruimten zich op een andere etage bevindt. 4.Per woonruimte wordt aangegeven welke activiteiten met welke frequentie moeten worden verricht om het resultaat schoon en leefbaar huishouden te behalen. Het type woning, de grootte van de woning of het aantal bewoners hebben geen invloed op de frequentie van de activiteiten. 5.Op basis van het normenkader kan overgegaan worden tot extra inzet, omdat: In verband met medische en/of fysieke beperkingen (bijvoorbeeld bij COPD) een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is en een hoger niveau van schoon moet worden bereikt dan het algemeen aanvaard basisniveau van schoon. Deze beperkingen dienen objectief medisch aantoonbaar te zijn; In verband met medische en/of fysieke beperkingen het huis sneller vervuilt (bijvoorbeeld door gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen). Deze beperkingen dienen objectief medisch aantoonbaar te zijn; Door de aanwezigheid van kinderen onder de 12 jaar het huis sneller vervuilt. Deze extra vervuiling dient door de ouders in redelijkheid tot het noodzakelijke beperkt te worden, maar kan aanleiding zijn aanvullende inzet toe te kennen. 6.De aanwezigheid van dieren is in beginsel geen aanleiding voor het toekennen van extra inzet. De extra werkzaamheden die hieruit voortvloeien behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. 7.Bij wijze van uitzondering, bij aanwezigheid van een hulphond, kan huishoudelijke ondersteuning worden toegekend. Artikel3.4.3Aanvullende module regie 1.Het doel van de module regie is dat ondersteuning wordt geboden bij de dagelijkse organisatie van het huishouden. Het resultaat is dat de cliënt langer zelfstandig woont. 2.Deze module wordt ingezet als in redelijkheid niet meer van de cliënt verwacht kan worden dat deze zelfstandig beslissingen neemt ten aanzien van zijn huishouden of als disfunctioneren dreigt als gevolg van bijvoorbeeld dementie. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf. Ook kan sprake zijn van een grote mate van afhankelijkheid van huisgenoten. Hierdoor wordt de cliënt zowel binnens- als buitenshuis belemmerd in zijn zelfstandig functioneren. Bij deze module worden niet alleen huishoudelijke taken overgenomen, maar heeft de huishoudelijke hulp ook taken op het gebied van aansturing en regie. Daarbij geldt voor de helpende een extra verantwoordelijkheid ten aanzien van het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid. Bewaken of het nog verantwoord is dat de cliënt zelfstandig woont, is daarom onderdeel van deze module. Ook kan de ondersteuning bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. 3.De module kan ook worden ingezet voor het aanleren van huishoudelijke taken. Ondersteuning wordt dan voor de maximale duur van 6 weken ingezet voor het bieden van advies, instructie en voorlichting. 4.Bij de module regie moet worden overwogen of een andere maatwerkvoorziening, zoals ondersteuning zelfstandig leven, meer passend is. Een afweging die hierbij gemaakt moet worden is of de ondersteuning alleen gericht is op het huishouden of dat er ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is. Wanneer de ondersteuning gericht is op het toezien en stimuleren en er aanwezigheid gewenst is tijdens de uitvoering van de huishoudelijke taken dan kan deze ondersteuning vanuit de module regie worden uitgevoerd. Wanneer ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is en tevens gericht is op het plannen, stimuleren en organiseren van de huishoudelijke taken dan zal ondersteuning zelfstandig leven in het algemeen meer passend zijn. 5.De module regie wordt niet verstrekt in combinatie met de voorziening begeleiding. Artikel3.4.4Aanvullende module wasverzorging 1.Deze module wordt bij hoge uitzondering ingezet indien door beperkingen geen gebruik kan worden gemaakt van de algemene voorziening wasverzorging. Indien gebruik moet worden gemaakt van deze module dan geldt dat: Het resultaat van de module wasverzorging is dat de cliënt beschikt over voldoende schone en draagbare kleding en linnen- en/of beddengoed voor het volledige huishouden; De module wasverzorging kan worden ingezet als het een cliënt niet lukt om zijn kleding, linnen- of beddengoed zelfstandig op orde en schoon te houden; Het mogelijk is dat de was op een centrale locatie uitgevoerd wordt. Wanneer dit niet het geval is mag verwacht worden dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het aanschaffen van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de cliënt; Verwacht mag worden dat er alles aan gedaan wordt de ondersteuning zoveel mogelijk te beperken. Bijvoorbeeld door het aanschaffen van een wasdroger of het kopen van kleding die niet gestreken hoeft te worden. Alleen in uitzonderingssituaties wordt ondersteuning geboden bij het strijken, bijvoorbeeld als iemand een papieren huid heeft en kreukels al wonden kunnen geven of als iemand vanwege een verstoord immuunsysteem bijzonder bevattelijk is voor virussen en bacteriën. Het betreft uitzonderingsgevallen, waarbij maatwerk nodig is. Van de cliënt wordt tevens verwacht dat al het mogelijke wordt gedaan om het ontstaan van extra was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. 2.De vaststelling van de inhoud van de module vindt plaats door een individuele afweging met afstemming op de individuele situatie. 3.Er zijn factoren waardoor meer hulp bij de wasverzorging noodzakelijk kan zijn. Hierbij kan gedacht worden aan (meerdere opties mogelijk): •Fysieke beperkingen, zoals incontinentie, nachtzweten, speekselvloed; •Andere medische aandoeningen, zoals bij bedlegerigheid; •Omvang en samenstelling van het huishouden (waaronder kinderen jonger dan 16 jaar). Artikel3.4.5Aanvullende module maaltijdverzorging 1.Deze module zal vanwege het in ruime mate voorhanden zijn van algemene voorzieningen (maaltijdenservice en boodschappendiensten) alleen in uitzonderingssituaties worden verstrekt. 2.Het resultaat van de module maaltijdverzorging is dat de cliënt kan beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden voor het volledige huishouden. 3.Onder de module maaltijdverzorging valt zowel het doen van de boodschappen als de maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen van de maaltijd. 4.Deze module wordt ingezet wanneer de cliënt zelf of met hulp van zijn sociale netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of algemene en/of voorliggende voorzieningen, niet in staat is te zorgen voor de dagelijkse maaltijden. 5.De maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen ervan kan vallen onder huishoudelijke ondersteuning, ondersteuning zelfstandig leven of de functie persoonlijke verzorging in de Zorgverzekeringswet. Dit hangt af van welke vorm van ondersteuning nodig is. Dit geldt voor zowel de broodmaaltijden als de warme maaltijden. Daar waar de cliënt nog zelfstandig kan eten en dit uit eigen beweging ook doet, valt de maaltijdbereiding onder huishoudelijke ondersteuning. Als de cliënt weliswaar zelfstandig kan eten, maar gestimuleerd moeten worden om ook daadwerkelijk te gaan eten en er toegezien moet worden op inname van de maaltijd, valt de maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen ervan onder ondersteuning zelfstandig leven. Persoonlijke verzorging (Zvw) kan worden geïndiceerd als een cliënt niet langer in staat is zelf te eten of als zelf eten, bij bijvoorbeeld slikproblemen, een gevaar van verstikking kan opleveren. De cliënt moet dan gevoed worden. 6.Het uitgangspunt bij broodmaaltijden is dat deze 1x per dag gemaakt worden. Broodmaaltijden die in de ochtend gemaakt zijn, kunnen tot ’s avonds in de koelkast bewaard en gegeten worden. 7.Voor broodmaaltijden kan niet worden verwezen naar een voorliggende voorziening. Er zijn wel aanbieders van broodmaaltijden (denk aan bakkers), maar dit betreffen de meer luxe en uitgebreide ontbijten en lunches. Dit kan dan ook niet worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening gezien de bijkomende hogere kosten. 8.Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat beperkt wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra ondersteuning voor boodschappen doen. 9.Van de norm kan, voor wat betreft de frequenties, worden afgeweken in geval van: Huishouden met meer dan 4 personen; Thuiswonende kinderen jonger dan 12 jaar. Artikel3.4.6Aanvullende module zorg voor minderjarige kinderen 1.Het doel van de module zorg voor minderjarige kinderen is dat door de geboden ondersteuning de dagelijkse zorg voor minderjarige kinderen is gegarandeerd. Het resultaat is dat het gezinsverband kan worden gehandhaafd. 2.Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door een beperking niet of moeilijk in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van één van de ouders, de andere ouder deze zorg daar waar mogelijk overneemt. Een eventuele maatwerkvoorziening is er voor ouders die door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor minderjarige, gezonde kinderen. 3.Aanvullend op het gestelde in de verordening kan aan de hand van de criteria in de beleidsregels tegemoetkoming kinderopvang via een Sociaal Medische Indicatie gemeente Almelo een inwoner in de leeftijd van 0-12 jaar in aanmerking komen voor een Sociaal Medisch Indicatie. (Mede) aan de hand van de criteria in artikel 2.8 van de verordening Jeugdhulp gemeente Almelo 2025 wordt beoordeeld of deze module wordt ingezet bij een cliënt. 4.Deze module wordt in beginsel tijdelijk afgegeven met een maximale duur van 3 maanden om ouders/verzorgers de mogelijkheid te bieden een structurele oplossing te vinden. Van hen mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook onderzocht te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo 2015. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. 5.De activiteiten die vallen onder de module zorg voor minderjarige kinderen zijn: •Naar bed brengen en uit bed halen; •Wassen en kleden; •Eten en drinken geven; •Babyvoeding; •Luier verschonen; •Naar school/kinderopvang brengen. 6.De frequentie waarmee de activiteiten uitgevoerd worden, worden op maat vastgesteld aan de hand van het normenkader huishoudelijke ondersteuning. Artikel3.4.7Aanvullende module praktische hulp 1.De module praktische hulp is gericht op overname van taken om zelfstandig te kunnen (blijven) wonen. Onder praktische hulp verstaan wij ondersteuning die gericht is op het stabiliseren en verbeteren van de situatie van de cliënt. 2.Activiteiten van de praktische hulp zijn onder andere gericht op het sorteren van de post en het bestellen van online boodschappen. Paragraaf4Woonvoorzieningen Artikel 3.5 Woonvoorzieningen 1.Woonvoorzieningen hebben tot doel beperkingen, die het normale gebruik van de woning door de inwoner met beperking in de weg staan, te compenseren. Hierbij valt te denken aan aanpassingen aan de woning (aanpassing van keuken of toilet) en voorzieningen in de woning (douchezitje, toiletstoel etc.). Daarnaast kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor de verhuis- en inrichtingskosten. 2.In uitzonderlijke situaties kan er sprake zijn van overleg tussen de gemeente en de woningbouwcoöperatie over de noodzaak van verhuizing naar een andere (meer) passende woning. 3.Onder het ‘normale gebruik van de woning’ verstaat het college de normale woonfuncties, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van huishoudelijke werkzaamheden, keukengebruik en het zich verplaatsen binnen de woning. Onder het ‘normale gebruik van de woning’ verstaat het college ook de veiligheid in en rond de woning en de toegang van de woning. 4.Het college verstrekt, indien de noodzaak is vastgesteld, de onderstaande woonvoorzieningen: •Een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en (her-)inrichtingskosten; •Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; •Overige woonvoorzieningen, zoals bijv. woningsanering. 5.Het college verstrekt de goedkoopst adequaat compenserende woonvoorziening. De extra kosten voor een duurdere voorziening betaalt de inwoner zelf. 6.Het college verstrekt alleen een woonvoorziening voor de woonruimte waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft, dus niet voor een vakantiewoning of een tweede woning. Een uitzondering wanneer de persoon met beperkingen in een Wlz-instelling woont en regelmatig een adres buiten de instelling bezoekt, bijvoorbeeld in het ouderlijk huis. Het college kan dan een financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten voor het bezoekbaar maken van de woning, onder de voorwaarde dat de woonruimte regelmatig wordt bezocht. Onder regelmatig wordt verstaan het gemiddeld twee keer per maand bezoeken van de betreffende woning. Met het bezoekbaar maken van de woonruimten bedoelt het college dat de inwoner de woonruimte, de woonkamer en een toiletvoorziening kan bereiken en gebruiken tot een maximum tegemoetkoming van € 1.500,-. Artikel3.5.1Geen recht op een woonvoorziening 1.Algemeen gebruikelijke voorziening: Het college verstrekt geen woonvoorziening die voor de inwoner algemeen gebruikelijk is. Het aanpassen van de woning aan de eisen van de tijd en/of renovatie is algemeen gebruikelijk. Voorbeelden hiervan zijn: een ander toilet doorspoelsysteem, een extra kraan in de badkamer en het weghalen van het lavet. Of een bepaalde woonvoorziening algemeen gebruikelijk is, beoordeelt het college aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij worden de persoonlijke omstandigheden en behoeften van de inwoner in aanmerking genomen; Het college merkt de in bijlage 2 genoemde voorzieningen in elk geval als algemeen gebruikelijke voorzieningen aan. Deze lijst is niet limitatief en kan door het college worden aangepast aan de hand van maatschappelijke ontwikkelingen en rechtspraak. 2.Aard van de gebruikte materialen: Wanneer de problemen, die de inwoner ondervindt, het gevolg zijn van de gebruikte materialen in de woning verstrekt het college geen woonvoorziening. Het college wil hiermee voorkomen dat woonvoorzieningen moeten worden getroffen als gevolg van beperkingen die voortvloeien uit de in de woning gebruikte materialen, achterstallig onderhoud etc. Bij de woningeigenaar ligt immers de verantwoordelijkheid om de woning goed te onderhouden. 3.Uitrustingsniveau van sociale woningbouw: Het college verstrekt geen voorziening die van een hoger niveau is dan het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw. Het college gaat ervan uit dat het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw voldoende compensatie biedt. Wil de inwoner dus een voorziening van een hoger niveau, dan moet hij/zij dit zelf betalen. 4.Verhuizing vanuit een geschikte woning: Wanneer de inwoner verhuist vanuit een geschikte woning en in zijn/haar nieuwe woning beperkingen ondervindt, heeft hij/zij geen recht op een woonvoorziening. Dit is alleen anders wanneer de inwoner verhuisd is vanwege een belangrijke reden. Een belangrijke reden kan bijvoorbeeld zijn, een echtscheiding. 5.Verhuizing naar een geschikte woning: Wanneer de inwoner niet is verhuisd naar een geschikte woning, in ieder geval in de basis geschikt en/of gezien zijn of haar beperkingen, verstrekt het college geen woonvoorziening: Door te verhuizen naar een niet geschikte woning zijn er belemmeringen in het normale gebruik van de woning ontstaan. Als een inwoner met beperking verhuist, moet hij/zij, in relatie tot die beperkingen, zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Hiermee wordt voorkomen dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor de aanpassingen bij het college indient; Uitgangspunt is dat iemand met beperkingen moet verhuizen naar een geschikte woning en wanneer geen geschikte woning beschikbaar is, naar de woning die het goedkoopst geschikt te maken is. Artikel3.5.2Primaat van verhuizen 1.Het college gaat uit van het primaat (voorrang) van verhuizen. Dat betekent dat wanneer verhuizen in de situatie van de inwoner de goedkoopst compenserende oplossing is, verhuizen voor gaat boven het aanpassen van de woning. Hierbij maakt het college een kostenvergelijking tussen het aanpassen van de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Ook de termijn waarbinnen kan worden verhuisd, speelt een rol. Als de medische omstandigheden van een client van invloed zijn op de termijn waarbinnen moet worden verhuisd, zal uit een medisch onderzoek duidelijk moeten worden of de termijn waarbinnen kan worden verhuisd aanvaardbaar is. 2.Het college maakt niet alleen een financiële afweging, maar kijkt naar alle individuele omstandigheden en woonbehoeften van de inwoner. Bij de afweging betrekt de gemeente onder meer de woonomgeving, de financiële gevolgen van de verhuizing, aanwezigheid mantelzorger, de sociale omstandigheden van de inwoner en beschikbaarheid van een andere woning. Dit betekent dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad en de mogelijkheid om te verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. De cliënt krijgt dan in plaats van een aanpassing van zijn woning een vergoeding voor de verhuis- en inrichtingskosten. Het college weegt hierbij alle belangen zorgvuldig af. Artikel3.5.3Verhuis- en inrichtingskosten 1.Het college verstrekt geen voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten wanneer: De inwoner voor het eerst zelfstandig gaat wonen; De verhuizing gelet op leeftijd, gezinssituatie, woonsituatie en gezondheidssituatie algemeen gebruikelijk is; De inwoner al is verhuisd, voordat hij een aanvraag voor verhuis- en inrichtingskosten heeft ingediend; De inwoner geen belemmeringen in het normale gebruik van de woning ondervindt; De inwoner naar een Wlz-instelling verhuist. 2.Het college vindt dat een inwoner met beperking(
  4. en)in bepaalde gevallen geld kan reserveren voor de kosten van een verhuizing. Dit is zo in de situatie dat de inwoner met beperkingen voor het eerst zelfstandig gaat wonen en hetzelfde geldt voor de inwoners in de levensfase van het ouder worden die kunnen anticiperen op hun woonsituatie. Bijvoorbeeld door te anticiperen op een levensfase waarin beperkingen niet ongebruikelijk meer zijn. 3.Vaak is een verhuizing in die gevallen te voorzien, wat betekent dat inwoners daarop kunnen anticiperen door geld te reserveren. 4.Voor het college is het belangrijk om eerst de belemmeringen in de oude woning vast te stellen. De aanvraag moet daarom worden ingediend, voordat de inwoner is verhuisd. Vanwege de medische noodzaak, geeft het college een programma van eisen waaraan de nieuwe woning moet voldoen. Hiermee voorkomt het college dat verhuisd wordt naar een ongeschikte woning. 5.De financiële tegemoetkoming voor de verhuis- en inrichtingskosten betaalt het college uit als er is/wordt verhuisd naar een, voor de aandoeningen en/of beperkingen van de inwoner, geschikte woning. 6.Bovendien moet de inwoner uiterlijk binnen 6 maanden na datum van de beschikking tot toekenning van de financiële tegemoetkoming zijn verhuisd. 7.Het kan voorkomen dat er een inwoner zonder beperking woont in een aangepaste woning. In die situatie kan het college verhuis- en inrichtingskosten vergoeden aan deze persoon zonder aandoeningen en/of beperkingen, met het doel om de woning vrij te maken voor een persoon met aandoeningen en/of beperkingen. Artikel3.5.4Aanpassen gemeenschappelijke ruimten 1.Voor het aanpassen van de gemeenschappelijke ruimten in een wooncomplex heeft het college geen of slechts een beperkte compensatieplicht. Het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten in wooncomplexen voor ouderen of personen met een beperking valt niet onder de compensatieplicht, omdat dit tot het uitrustingsniveau van een dergelijk wooncomplex behoort en daarmee algemeen gebruikelijk is. Het college moet hierbij wel onderzoeken of er sprake is van een specifiek op ouderen of personen met beperking gericht wooncomplex. 2.Voor overige wooncomplexen verstrekt het college slechts aanpassingen als dat nodig is om de woning van de inwoner toegankelijk te maken. Om normaal gebruik te kunnen maken van een woning, moet deze toegankelijk zijn. Hierbij gaat het om de volgende aanpassingen: •Het aanbrengen van elektrische deuropeners; •De aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw; •Het plaatsen van drempelhulpen of vlonders; •Het aanbrengen van een extra trapleuning; •Het realiseren van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het wooncomplex. 3.De aanvraag voor elektrische deuropeners kent het college alleen toe in wooncomplexen niet zijnde een woon-zorgcomplex, serviceflat of specifiek voor ouderen bestemd wooncomplex. Artikel3.5.5Woonwagens, woonschepen en binnenschepen 1.Wat geldt voor het aanbrengen van woonvoorzieningen in woningen, geldt in principe gelijk voor woonwagens en woonschepen. Vanwege de kenmerken en het karakter van dit type woningen gelden de volgende aanvullende voorwaarden: Aanvragen voor een overdekte gang van de woonwagen naar het douche/toiletgebouw komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat één van de kenmerken van het wonen in een woonwagen is dat het toilet zich buiten de woonwagen bevindt; Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor de aanpassing van een woonwagen verstrekt het college alleen wanneer de: •Technische levensduur van de woonwagen minimaal 5 jaar is; •Standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt; •Woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag bij het college op de standplaats stond; en •Hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning. Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor de aanpassing van een woonschip verstrekt het college alleen wanneer: •De technische levensduur van het woonschip nog minimaal 5 jaar is; •Het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen; Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor de aanpassing van een binnenschip verstrekt het college alleen wanneer: •De aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf van het binnenschip; •Het binnenschip te boek is gesteld; en •Bedrijfsmatig in gebruik is voor het vervoer van goederen (laadvermogen van minimaal 15 ton) of personen (minimaal 12 personen). Artikel3.5.6Afschrijvingstermijn woonvoorzieningen Voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw, keuken en badkamer geldt een economische afschrijvingstermijn van 10 jaren. Deze termijn wordt bijvoorbeeld gehanteerd voor het berekenen van de afschrijvingswaarde bij een verhuizing naar een andere gemeente, of wanneer de woning wordt verkocht als deze is aangepast op kosten van de gemeente. Voor alle overige woonvoorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaren. Artikel3.5.7Berging ten behoeve van stalling vervoermiddel 1.Het gaat bij deze voorziening om een extra ruimte die geschikt is voor het stallen van een Wmo-vervoermiddel indien de bestaande berging niet bruikbaar is voor dit doel en er geen andere ruimte beschikbaar is om het middel te stallen. 2.Alvorens dit aan de orde is, dient belanghebbende zelf alle maatregelen te hebben getroffen om ruimte te creëren voor de stalling van het vervoermiddel. Vervolgens worden de volgende oplossingsmogelijkheden volgens onderstaande volgorde afgewogen op goedkoopst adequaat: 1.Afdakje op een beschutte (binnen)plaats; 2.Eenvoudig houten schuurtje (bouwpakket). 3.Toekenningscriteria: •De cliënt heeft recht op een Wmo-vervoermiddel op grond van beperkte mobiliteit; •De bestaande berging is niet met eenvoudige ingrepen als het verbreden van de toegangsdeur en/of het nivelleren van drempels geschikt te maken om als stalling te dienen; en •Er is geen enkele andere acceptabele mogelijkheid om het vervoersmiddel nabij de woning te stallen. 4.Wijze van verstrekken: De tegemoetkoming wordt gebaseerd op de kosten van aanschaf en plaatsing van een eenvoudige houten berging, eventueel inclusief bestrating en aanleg stopcontact ten behoeve van de oplader. Het college gaat daarbij uit van de goedkoopst adequate voorziening. Artikel3.5.8Dubbele woonlasten/tijdelijke huisvesting 1.Het gaat bij deze voorziening om een vergoeding van kosten van tijdelijke huisvesting en/of dubbele woonlasten en is enkel mogelijk omdat de cliënt niet in de woning kan blijven wonen of nog niet een nieuwe woning kan betrekken gedurende de tijd dat de woning aangepast wordt en nog niet bewoonbaar is. 2.Toekenningscriteria: Cliënt ondervindt op medische gronden ergonomische belemmeringen in de woning en de woning moet ingrijpend aangepast worden. Op medische gronden is het niet mogelijk dat de cliënt in de aan te passen woning kan gaan/blijven wonen. Indien dit tot gevolg heeft dat de cliënt gedurende een bepaalde periode dubbele woonlasten betalen moet, kan een financiële tegemoetkoming worden verleend indien: •De hoofdbewoner redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij/zij deze dubbele woonlasten heeft; •De tijdelijke huisvesting langer dan één maand* duurt, en indien deze kosten gemaakt worden in verband met het aanpassen van de woning (* Bij verhuizing is één maand dubbele woonlasten algemeen gebruikelijk); •Tijdelijk betrekken of langer moeten aanhouden van zelfstandige woonruimte; of •Tijdelijk betrekken of langer moeten aanhouden van een niet zelfstandige woonruimte. 3.Wijze van verstrekken: Als tijdelijke tegemoetkoming in de extra woonlasten voor maximaal twee maanden. Deze termijn kan eenmalig met twee maanden worden verlengd. In het financieel besluit zijn hiervoor normbedragen opgenomen. Artikel3.5.9Primaire woonfunctie van een gebouw (verbouwingen en aanpassingen aan) Er worden geen aanpassingen van ruimten vergoed die niet als primaire woonruimte gebruikt worden. Slechts bij grote uitzondering kan tot toekenning van een dergelijke aanvraag worden overgegaan. Denk hierbij aan het verbouwen van bijvoorbeeld een garage of berging tot een uitraaskamer, een slaapkamer en/ of een natte cel. Artikel3.5.10Keukenaanpassingen 1.Het gaat bij deze voorziening om een aanpassing en/of verbouwing van de keuken (niet zijnde een renovatie), bijvoorbeeld: •Verhoging/verlaging van het aanrecht; •Het ophangen van keukenkastjes op een andere hoogte; •Het gedeeltelijk onderrijdbaar maken van het aanrecht (weghalen van kastje); •Het in hoogte verstelbaar maken van het aanrecht; •Het aanbrengen van werklicht met een hoge lux-waarde (bij slechtzienden); en •Indien van toepassing het creëren van vervangende kastruimte en verrijdbare kasten. 2.Voordat de keukenaanpassing verstrekt wordt, worden de volgende alternatieven nagegaan: •Indeling en situering van kasten en/of de koelkast; •Welke praktische oplossing zonder kosten realiseerbaar is, bijvoorbeeld verplaatsen van meubelstukken, een tafeltje bijzetten, etc.; •De mogelijkheden van de hoofdgebruiker; •De aanwezigheid van meerdere personen in huis en daarmee de noodzaak tot het zelf bereiden van maaltijden; •Bij (oudere) alleenstaanden kan tevens het aanbod van de maaltijdvoorziening bij de afweging worden betrokken. Deze vorm van dienstverlening is juist bedoeld is om het zelfstandig wonen van mensen met beperkingen mogelijk te maken; •Aangezien de aanpassing van de keuken een kostbare oplossing is, speelt tevens de medische prognose een rol betreffende alle functiebeperkingen van belanghebbende in relatie tot de vaardigheden /mogelijkheden tot het zelfstandig doen van boodschappen en/of het onderhouden van sociale contacten. 3.De keuken wordt alleen aangepast als het een aanpassing is die betrekking heeft op de lichamelijke beperkingen van de hoofdgebruiker van de keuken. 4.Voor een keukenaanpassing geldt dat deze noodzakelijk is voor degene die hoofdzakelijk gebruik maakt van de keuken voor het bereiden van de maaltijd en afwassen. Eenvoudige verrichtingen zoals koffie/thee zetten en brood klaarmaken kunnen (in een andere, aangrenzende ruimte) aan een tafel worden uitgevoerd. Afhankelijk van de woningindeling en de beperkingen van de cliënt vinden deze eenvoudige verrichtingen in de keuken of in een andere ruimte plaats. Artikel3.5.10.1Uitvoering keukenaanpassingen 1.Uitgangspunt is dat er een medische reden moet zijn volgens de eisen van de sociale woningbouw om in aanmerking te komen voor een aanpassing vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning. 2.Uitgegaan wordt van een maximumprijs voor een basiskeuken voor de sociale woningbouw. 3.Alle overige extra’s die de cliënt wenst, en die niet noodzakelijk zijn in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning, komen niet voor vergoeding in aanmerking. 4.(Inbouw-) apparatuur valt niet onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, omdat dit algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn. 5.Bij vervanging in verband met de handicap geldt altijd het uitgangspunt prijsniveau sociale woningbouw. Artikel3.5.10.2Renovatie/ vervanging van een economisch afgeschreven keuken 1.Indien de keukenaanpassing samenvalt (of kan samenvallen) met een renovatie of vervanging van een economisch afgeschreven keuken, komen de kosten van de nieuwe keuken voor rekening van de woningeigenaar. Slechts de meerkosten t.o.v. de standaard keuken (kwaliteit en uitvoering niveau sociale woningbouw) worden dan vergoed. 2.Vervanging van keukenapparatuur valt niet onder de compensatieplicht, omdat deze worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. 3.Voor het vaststellen van eisen van een standaard keuken wordt uitgegaan van de normen voor de sociale woningbouw. 4.Toekenningscriteria: De cliënt is in staat om de gebruikelijke werkzaamheden in een aangepaste keuken uit te voeren en dit ook meerdere malen per dag te doen; en De cliënt is de aangewezen persoon voor het bereiden van de maaltijden en kan dit niet van de andere aanwezige huisgenoten verlangen; en De cliënt kan redelijkerwijs geen beroep doen op de maaltijdvoorziening; en De medische situatie is zodanig stabiel dat de aangepaste keuken belanghebbende langdurig in staat stelt de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten; en De cliënt kan een aantal van de overige in het huishouden te vervullen taken nog uitvoeren. 5.Toelichting op de toekenningscriteria: Indien gebruik wordt gemaakt van een trippelstoel (hoog/laag verstelbaar) is een in hoogte verstelbare keuken niet noodzakelijk, maar kan volstaan worden met het gedeeltelijk onderrijdbaar maken van het aanrecht. Vaak kan volstaan worden met het verwijderen van een kastdeurtje. Eventueel kan aan de voorkant van het aanrecht een beugel aangebracht worden, indien cliënt niet met de voeten bij de grond kan komen om zich voort te bewegen; Indien de cliënt permanent rolstoelafhankelijk is en er is een partner die dezelfde keuken gebruikt, is een hoog/laag verstelbare keuken meestal niet noodzakelijk. Afhankelijk van de taakverdeling tussen de partners/huisgenoten kan de goedkoopst adequate voorziening tevens een op 2 verschillenden hoogten geplaatst werkblad zijn. Indien dit geen oplossing biedt, is een handmatig in hoogte te verstellen aanrechtblok het goedkoopst adequate alternatief; Een elektrische hoog/laag keuken wordt alleen dan verstrekt, indien de werkhoogten van beide partners verschillend zijn en beide gebruikers dusdanige belemmeringen ondervinden in de handfunctie, dat voor beiden een handmatige verstelling niet te bedienen is. 6.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt wordt deze voorziening in beginsel als financiële tegemoetkoming verstrekt. De financiële tegemoetkoming kan tevens worden afgestemd, als de aanpassing samenvalt met de noodzakelijke vernieuwing van het keukenblok, omdat de oude keuken afgeschreven is. In dergelijke gevallen worden alleen de meerkosten, die ontstaan zijn door de beperking van de gebruiker, vergoed. Artikel3.5.11Sanering (woning) 1.Woningsanering is een aanpassing van de woning door vervanging van de vloerbedekking en/of de gordijnen in verband met een acuut geval van een longaandoening. Indien de te vervangen vloerbedekking of gordijnen nog niet afgeschreven zijn en het medisch gezien dringend noodzakelijk is dat deze direct vervangen worden. Als een artikel afgeschreven is, wordt geen financiële tegemoetkoming verleend. 2.Als de aanvraag samenvalt met een verhuizing wordt geen tegemoetkoming toegekend, omdat het algemeen gebruikelijk is bij verhuizing nieuwe vloerbedekking/raambedekking aan te schaffen. 3.Bij sanering in verband met onvoorzien rolstoelgebruik heeft de sanering van de woonkamer de hoogste prioriteit. Alleen indien nodig kan de slaapkamer en eventueel de keuken gesaneerd worden. 4.In geval van een longaandoening valt alleen de sanering van vloerbedekking en gordijnen in de slaapkamer onder de Wet maatschappelijke ondersteuning. In deze ruimte verblijft men langdurig en het is wetenschappelijk bewezen dat in die ruimte het beste klimaat bestaat voor de huisstofmijt. Voor kinderen tot 4 jaar kan ook de woonkamer gesaneerd worden, omdat diemeestal zittend op de vloerbedekking van de woonkamer spelen. 5.In geval van een longaandoening zal altijd een extern medisch advies aangevraagd worden. 6.Toekenningscriteria bij een longaandoening: Er is een aantoonbare allergie voor huis(stof)mijt én directe vervanging van de materialen is medisch gezien dringend noodzakelijk. Er is sprake van een calamiteit, dat wil zeggen een acuut én continu probleem door de klachten. Het gaat dus niet om situaties waarbij gedurende enkele maanden per jaar klachten ondervonden worden. Vastgesteld moet worden of en wanneer de klachten medisch zijn geobjectiveerd, dat wil zeggen door de specialist of de huisarts vastgesteld, en wat de aard van de klachten is. De huidige vloerbedekking en gordijnen zijn nog niet economisch afgeschreven en/of de aanvraag valt niet samen met een verhuizing. 7.Toekenningscriteria rolstoeltapijt: De cliënt is rolstoelgebonden geworden en/of is recent afhankelijk geworden van een trippelstoel; De huidige vloerbedekking is niet geschikt voor rolstoelgebruik; De huidige vloerbedekking is nog niet-economisch afgeschreven en/of de aanvraag valt niet samen met een verhuizing; De rolstoelgebruiker dient zelfstandig en intensief gebruik te maken van de ruimte(
  5. n)waarvoor rolstoeltapijt aangevraagd wordt. 8.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt wordt deze voorziening in beginsel in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt bestaande uit de kosten van de aan te schaffen vloerbedekking en/of gordijnen conform de goedkoopst adequate oplossing. Betaling aan cliënt geschiedt na overleg van de facturen. Artikel3.5.12Tillift (patiëntenlift) 1.Het gaat bij deze voorziening om een transfer/verplaatsingshulpmiddel, bestaande uit verschillende typen: •Patiëntenliften vast opgesteld; •Verrijdbare patiëntenliften zoals sta-liften en tilliften voorzien van een tilmat; •Patiëntenliften met een plafondrail zowel met de hand als elektrisch verplaatsbaar. 2.Afhankelijk van de te verwachten transfers, de bestemming, de mogelijkheden van de cliënt, de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen kan een keus gemaakt worden. Uitgangspunt hierbij is de goedkoopst adequate oplossing. 3.Bij de keuze voor de tilmat dienen ook de mogelijkheden van de cliënt en het gebruik vastgesteld te worden. Indien de tillift tevens wordt gebruikt voor transfers naar toilet, onder de douche of in bad, zullen er eventueel extra tilmatten of aanvullende voorzieningen verstrekt moeten worden. In dit geval is er namelijk sprake van meerdere tilsituaties, waarbij de cliënt de ene keer nat, de andere keer droog wordt getild. 4.Toekenningscriteria: De cliënt ondervindt belemmeringen om zelfstandig of met hulp transfers te maken vanuit en naar verschillende inrichtingselementen in de woning (bv. van bed in rolstoel, bed naar douche etc.); Een hoog-laagbed biedt geen of onvoldoende oplossing. Indien het alleen een verplaatsingsprobleem betreft van bed in rolstoel dient eerst bekeken te worden of een hoog-laag bed een oplossing is. (Deze voorziening is aan te vragen bij de ziektekostenverzekeraar); Cliënt woont zelfstandig en heeft geen indicatie voor verblijf en behandeling in een verpleeginrichting of zorginstelling; Er moet sprake zijn van een individuele tilsituatie, waarbij de te verstrekken patiëntenlift wordt gebruikt door de (naaste) mantelzorgers of door de thuiszorg. 5.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. 6.Onderhoud: Met de leverancier is een collectief onderhoudscontract afgesloten, dat ingaat na het verstrijken van de garantietermijn. Eenmaal per jaar wordt verplicht preventief onderhoud uitgevoerd op initiatief van de leverancier. Als een tillift via andere een leverancier wordt verstrekt dan dient tevens een standaard onderhoudscontract te worden afgesloten. Artikel3.5.13Traplift 1.Het gaat bij deze voorziening om een woonvoorziening die bedoeld is om ergonomische belemmeringen bij het trap lopen op te heffen (verticaal verplaatsen). 2.Tijdens de aanvraagprocedure dient in overleg met de cliënt bekeken te worden of verhuizen naar een gelijkvloerse woning niet een goedkopere en meer adequate en gewenste oplossing zou kunnen zijn. 3.Toekenningscriteria: Cliënt kan geen trap meer lopen; en De slaapkamer en/of de natte cel bevinden zich op de bovenverdieping; en Een extra trapleuning biedt geen adequate oplossing; en Verhuizing naar een geschikte gelijkvloerse woning is niet wenselijk en gezien de verdere geschiktheid van de woning niet aan de orde. 4.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Afhankelijk van de depotvoorraad wordt een gebruikte of een nieuwe voorziening ingezet. Artikel3.5.14Unit (tijdelijke) 1.Het gaat bij deze voorziening om een semi-permanente aanbouw voorzien van een slaapkamer en/of een natte cel. 2.De unit wordt als naturavoorziening in bruikleen verstrekt. Het aanvragen van een omgevingsvergunning door de cliënt is een vereiste. Verstrekking kan uitsluitend op grond van een medisch- en ergonomisch advies, waaruit onder meer de urgentie blijkt. 3.Toekenningscriteria: De cliënt is als gevolg van zijn beperking aangewezen op een gelijkvloerse woning; en De cliënt lijdt aan een (zeer) progressieve ziekte; en Een geschikte woning is niet op korte termijn beschikbaar; en Het op de gebruikelijke manier aanpassen van de huidige woning neemt te veel tijd in beslag. 4.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt en voor de overige kosten als financiële tegemoetkoming aan de eigenaar van de woning. Artikel3.5.15Uitraaskamer 1.Het gaat bij deze voorziening om een verblijfsruimte waarin een cliënt, die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Er kan een ruimte worden gecreëerd waar de cliënt tot zichzelf kan komen of kan verblijven zonder zichzelf te verwonden en/of waar toezicht mogelijk is. Hoe zo’n ruimte er precies uit moet zien hangt af van de persoonlijke omstandigheden. Uitgangspunt daarbij is dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte moeten kunnen verblijven. 2.Een uitraaskamer bestaat meestal uit een aanbouw aan de woning of een verbouwde garage. Een programma van eisen dient afgestemd te worden op de persoonlijke situatie. 3.Voor de afhandeling van dergelijke aanvragen is een medisch advies vereist. 4.Toekenningscriteria: De cliënt vertoont vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag; en Het gaat om een verstandelijke en/of lichamelijke beperking met een psychische component in de beperking; en Het ontremde gedrag is ernstig, dat wil zeggen het gedrag is te rangschikken binnen de reikwijdte van indicatie voor een opname in een inrichting; en De uitraaskamer is uitsluitend bedoeld voor de cliënt en dus niet om de hinder voor andere (inwonende) personen weg te nemen; en Het risico van fysiek letsel kan niet beheerst worden door een oppas en/of andere maatregelen. 5.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als financiële tegemoetkoming verstrekt. Artikel3.5.16Verlichting 1.Visueel beperkten kunnen door te weinig licht ergonomische belemmeringen ondervinden bij het uitvoeren van bepaalde handelingen die nodig zijn voor de uitoefening van de elementaire woonfuncties. Een aanvraag in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning zal betrekking hebben op speciale, niet algemeen gebruikelijke verlichting bij het aanrecht of een werklicht in de badkamer. 2.“Meer verlichting” betekent in de praktijk meer lichtsterkte, welke wordt aangeduid in lux. Lux betekent naast (Latijn) “licht” eveneens eenheid van verlichtingsterkte: een oppervlakte heeft een verlichtingsterkte van 1 lux, als er per m2 een lichtstroom van 1 lumen op valt. “Lumen” betekent “eenheid van lichtstroom”: de totale per seconde uitgestraalde lichtenergie. Kortom, lichtsterkte wordt aangegeven in luxeenheden. 3.Een aanvraag voor betere verlichting is een woningaanpassing in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het aanvragen van een medisch- en ergonomisch advies is hierbij altijd aan de orde. Door een deskundige dient aangetoond te worden dat het probleem niet met algemeen gebruikelijke verlichting en/of met andere hulpmiddelen kan worden opgelost. Zonder de gevraagde oplossing kan niet op een adequate wijze gebruik worden gemaakt van een bepaalde functionele ruimte of ruimten. 4.Toekenningscriteria: Er is sprake van een ernstige visuele beperking; en De beperking is niet oplosbaar met algemeen gebruikelijke verlichting, of met andere speciale ADL-hulpmiddelen voor een visueel beperkte cliënt; De beperkingen hebben betrekking op het verrichten van ADL-activiteiten. 5.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als financiële tegemoetkoming verstrekt. Artikel3.5.17Drempelhulpen buitenshuis 1.Drempelhulpen buitenshuis zijn een alternatief voor het verwijderen van drempels of het ophogen van de tegels. Naast het uitgangspunt goedkoopst adequaat, dient hierbij onderscheid te worden gemaakt tussen huurwoningen en woningen in eigendom. Voor deze laatste kan het verstrekken van drempelhulpen zinvol zijn, indien het een woning betreft die niet specifiek geschikt is voor ouderen. Drempelhulpen binnenshuis zijn een algemeen gebruikelijke voorziening. 2.De voorziening kan door het college ingenomen worden, als de woning verkocht wordt. 3.Toekenningscriteria: Cliënt ondervindt ergonomische belemmeringen bij het verlaten en toetreding naar de eigen woning of leefruimten 4.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Paragraaf5Uitgangspunten inzet vervoersvoorzieningen Artikel 3.6 Vervoersvoorzieningen 1.Het college verstrekt vervoersvoorzieningen aan mensen met beperkingen die problemen hebben met het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Door het verstrekken van een vervoersvoorziening wordt de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie zoveel mogelijk behouden en verbeterd. 2.Eerst zal onderzocht worden of ondanks de beperkingen geen gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer of van (algemene) voorzieningen dichter bij huis die ondanks de beperkingen en zonder een maatwerkvoorziening wel bereikbaar zijn. In het algemeen geldt binnen de gemeente Almelo dat de afstand tussen het woonadres en de bushalte maximaal 400 meter bedraagt. Indien vastgesteld wordt dat de cliënt met of zonder hulpmiddelen zelfstandig 400 meter kan lopen hij/zij ook redelijkerwijs zelfstandig in staat is het openbaar vervoer te gebruiken, verstrekt het college geen vervoersvoorziening. 3.Als de inwoner redelijkerwijs niet in staat is het openbaar vervoer te gebruiken, gaat het college uit van het primaat (voorrang) van collectief vervoer. Dit betekent dat het college eerst nagaat of collectief vervoer volstaat. Als dat niet het geval blijkt te zijn, bekijkt het college welke individuele vervoersvoorziening het goedkoopst compenserend is. Hierbij kan het ook zo zijn dat wanneer de inwoner slechts een zeer beperkte loopafstand kan afleggen, hij of zij in aanmerking kan komen voor een aanvullend vervoersvoorziening naast een collectieve vervoersvoorziening. 4.De compensatieplicht voor een vervoersvoorziening beperkt zich tot de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Dit is alleen anders in de uitzonderingssituatie waarbij het gaat om bovenregionaal contact dat, middels bovenregionaal vervoer (onder bovenregionaal vervoer wordt verstaan het vervoer buiten een 25 kilometerstraal van de gemeente Almelo), uitsluitend door de inwoner zelf bezocht kan worden en het bezoek voor hem of haar noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen. Omdat de compensatieplicht van de gemeente veelal niet verder gaat dan lokale en nabije regionale bestemmingen subsidieert het rijk een bovenregionale vervoersketen (Valys), die mensen met een beperking naar bestemmingen buiten de lokale omgeving brengt. De kosten voor het bovenregionaal vervoer zijn gebaseerd op de kosten die verbonden zijn aan het reizen met het openbaar vervoer. 5.Ook bij vervoersvoorzieningen geldt dat wanneer de inwoner op grond van een andere wettelijke regeling aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening, hij of zij in het algemeen niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Artikel3.6.1Afschrijvingstermijn vervoersvoorzieningen Voor de vervoersvoorzieningen geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaren. Artikel3.6.2Algemene criteria vervoersvoorzieningen 1.Om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening moet er altijd gekeken worden of de inwoner voldoet aan de volgende algemene criteria: Het primaat (voorrang) collectief vervoer is voorliggend op individueel vervoer: De inwoner is in staat op een verantwoorde wijze aan het verkeer deel te nemen; en De inwoner heeft een frequente verplaatsingsbehoefte van minimaal 2 tot 3 keer per week voor het doen van boodschappen voor dagelijks levensonderhoud, bezoeken van bibliotheek, kapper etc. en het onderhouden van sociale contacten in de directe woonomgeving; en Er is geen andere aanvullende vervoersvoorziening verstrekt met hetzelfde gebruiksdoel; én De stalling moet mogelijk zijn; en De woonomgeving moet geschikt zijn voor gebruik van de vervoersvoorziening; en De inwoner moet uit eigen kracht op de vervoersvoorziening kunnen gaan zitten, en afstappen, en de inwoner moet in staat zijn zelfstandig het vervoermiddel te stallen. 2.Onverminderd het bepaalde in lid 1, kunnen aanvullende criteria worden gesteld per vervoersvoorziening. Artikel3.6.3Aanpassing auto (rolstoelbus) 1.Dit is een vervoersvoorziening voor kinderen, waarbij het gaat om de aanpassing van de auto van de ouders. Ook hier geldt het primaat van het collectief vervoer en/of goedkoopst adequate oplossing. Doordat er soms schrijnende beslissingen moeten worden genomen, is het van belang om hier eveneens de sociale aspecten in mee te nemen. Stel moeder heeft de zorg over twee kinderen, waarvan 1 kind fysiek beperkt. Het collectief vervoer kan zich in dergelijke gevallen niet lenen voor het oplossen van het ondervonden mobiliteitsprobleem. Het kind moet op medische indicatie geen gebruik kunnen maken van het collectief vervoer, al dan niet met begeleiding door ouders. Verschoningsproblemen spelen hierbij geen rol. Aangezien de vervoerplicht beperkt is tot vervoer binnen de regio. Met behulp van het moderne incontinentiemateriaal is een regionale rit (maximaal 40 minuten) bijna altijd haalbaar. Verschoning onderweg is dus vrijwel nooit nodig. 2.Toekenningscriteria voor autoaanpassing: Er is een medische indicatie voor individueel vervoer per eigen auto (elke vorm van taxivervoer is medisch niet verantwoord); of Er is een indicatie voor individueel (rolstoel)taxivervoer; en Inwoner beschikt over een eigen auto die niet ouder is dan 5 jaar; en Het gebruik van de eigen auto is verantwoord; en De kosten van aanpassing zijn niet hoger dan de kosten die uitgegeven zouden worden aan een andere geschikte vorm van individueel vervoer gedurende één jaar. De kosten worden in dergelijke gevallen voor 100% vergoed. Indien er een indicatie is voor individueel (rolstoel)taxivervoer, kan als alternatief worden gekozen voor een autoaanpassing mits de aanpassingskosten lager zijn dan de uitgaven voor het individueel vervoer over een periode van één jaar. 3.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als financiële tegemoetkoming verstrekt. De kosten van onderhoud, reparatie en (extra) verzekering worden niet vergoed. Er wordt uitgegaan van een afschrijvingsduur van 7 jaar. Daardoor wordt bij gelijkblijvende medische situatie van inwoner, slechts eenmaal per 7 jaar een tegemoetkoming verstrekt. Artikel3.6.4Collectief vervoer per Regiotaxi 1.De Regiotaxi is een open collectief vraagafhankelijk vervoerssysteem (CVV) voor vervoer per taxi (personenauto of bus) van deur tot deur tot maximaal 30 kilometer vanaf het huisadres. Er geldt een eigen ritbijdrage welke jaarlijks vastgesteld/geïndexeerd wordt en beschouwd wordt als een besparingsmiddel ten aanzien van de onkosten die anders gemaakt zouden worden vanuit een eigen vervoersmiddel. Vanaf 25 tot 30 kilometer geldt een hoger tarief per kilometer. De inwoner kan vanaf 25 kilometer met Valys reizen. Ook voor reizen met Valys heeft de inwoner een pas nodig. Let op: het aanvragen van de pas kan twee weken duren. 2.Ritten langer dan 25 kilometer zijn het voordeligst als de cliënt reist met Valys. Meer informatie hierover is te vinden op www.valys.nl of bel Valys via het telefoonnummer 0900-9630. Voor dit vervoer bestaat in principe geen zorgplicht. Dit valt onder bovenregionaal vervoer. 3.Het vervoer is voor iedereen met een indicatie toegankelijk. Voor mensen die volledig rolstoel- gebonden zijn wordt, op indicatie, rolstoelvervoer ingezet. Een scootmobiel(fiets), rolstoel, rollator en/of een assistentiehond kunnen worden meegenomen. Het meenemen van huisdieren is verder niet toegestaan. De taxi’s zijn rookvrij. De chauffeur biedt hulp bij het in- en uitstappen biedt begeleiding naar de taxi en, op de plaats van bestemming, naar de voordeur. Bij wooncomplexen geldt als voordeur de centrale toegangsdeur. 4.Criteria indicatie collectief vervoer: In het algemeen geldt als afstandscriterium voor het recht op een vervoersvoorziening, dat een belanghebbende niet in staat is om – met of zonder hulpmiddelen - zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te leggen. Verder bestaat er recht op een vervoersvoorziening collectief vervoer als: Inwoner wel 400 meter kan lopen, maar aansluitend niet in staat is om 10 minuten staande te kunnen wachten; en/of Inwoner niet kan verblijven in het openbaar vervoer; of Inwoner door visuele problemen of verstandelijke handicap belemmerd is om zelfstandig gebruik te maken van het openbaar vervoer, en waarbij het collectief vervoer de zelfstandigheid van de cliënt vergroot, omdat hiervan gebruik kan worden gemaakt zonder (medisch noodzakelijke) begeleider. Artikel3.6.5Driewielfiets 1.Dit is een fiets met 3 wielen en meestal ook een verlaagde en verbrede instap. Een driewielfiets is in verschillende maten en uitvoeringen verkrijgbaar. 2.Toekenningscriteria: Er is een indicatie voor een vervoersvoorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning, omdat andere algemeen gebruikelijke verplaatsingsvoorzieningen geen oplossing bieden; De verplaatsingsmogelijkheden zijn, ook met gebruik van een loophulpmiddel beperkt tot maximaal 400 meter, en De cliënt heeft een zelfstandige verplaatsingsbehoefte over de middellange afstanden. Voor cliënten/ kinderen tot 15 jaar kan van het “400 meter criterium” worden afgeweken, indien de vervoersbehoefte bestaat uit het bezoeken van het basis- of vervolgonderwijs. In sommige gevallen bestaat dan tevens recht op een vergoeding op grond van de verordening leerlingenvervoer, mits aan de daarvoor geldende criteria voldaan wordt. 3.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Artikel3.6.6Handbike 1.Dit is een speciaal soort fiets waarvan de ‘pedalen’ (meestal) gelijkmatig worden voorbewogen door de armen of in ieder geval de bovenste ledematen. Dit in tegenstelling tot een ligfiets, die wordt voortbewogen door de benen. 2.Toekenningscriteria: 1.Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden: De cliënt is aangewezen op een rolstoel; De cliënt is niet in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (meer dan 400 meter) binnen redelijke tijd te verplaatsen; De cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 400 meter, die niet anderszins kan worden opgelost; De cliënt is redelijkerwijs in staat om met de handbike een middellange afstand af te leggen; De cliënt moet de handbike zelfstandig kunnen afkoppelen. 2.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Artikel3.6.7Scootmobiel(fiets) 1.Dit is een elektrisch aangedreven driewieler speciaal voor gebruik buitenshuis. 2.Het college verstrekt in principe scootmobiel(fiets)en van 10 tot 15 kilometer per uur en met een actieradius van maximaal 30 tot 35 kilometer. 3.Toekenningscriteria: Er dient sprake te zijn van een balansprobleem, waardoor de cliënt ernstig beperkt is in zijn/haar mobiliteit; Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat cliënt zijn/haar bestemmingsdoel niet kan bereiken met een taxi of autorit; De cliënt heeft een verplaatsingsbehoefte over de middellange afstanden; De cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 400 meter verplaatsen; De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks; Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 230 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden; en De cliënt is in staat om, na instructie, op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel(fiets). Het systeem van een scootmobiel(fiets)pool heeft het primaat boven andere individuele vervoersvoorzieningen. Indien noodzakelijk wordt een extern medisch advies aangevraagd, tenzij het om een herverstrekking gaat bij onveranderde omstandigheden. Het advies om tot verstrekking van een scootmobiel(fiets) over te gaan dient te zijn gebaseerd op de volgende onderzoekspunten: •Medische situatie in relatie tot regelmatig gebruik scootmobiel(fiets); •Lokale vervoersbehoefte; •Gebruiksdoel; •Beoordeling aanwezige (aangepaste) stalling en het zelfstandig kunnen stallen van de scootmobiel(fiets); •Bekendheid met scootmobiel(fiets) gebruik en de zorg voor de accu; •Aanwezige recente ervaringen in het verkeer; Geschiktheid directe woonomgeving voor het gebruik. 4.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. 5.Rijlessen: Iedereen die voor het eerst voor een scootmobiel(fiets) in aanmerking komt, dient eerst de scootmobiel(fiets) lessen bij een ergotherapeut of bij de leverancier van de scootmobiel(fiets) met goed gevolg te hebben afgelegd. Artikel3.6.8Tandem 1.Een tandem is een rijwiel voor twee personen achter elkaar. Een fietsmogelijkheid voor personen die zonder hulp van een bestuurder niet zelfstandig tot fietsen in staat zijn. Hierbij kan gedacht worden aan visueel beperkten (slechtziend of blind) of aan sommige groepen motorisch beperkten of aan verstandelijk beperkten, waarvoor het noodzakelijk is dat een ander een vast tempo aangeeft en het stuur ter hand neemt. 2.Deze voorziening kan ook aan kinderen vanaf 15 jaar worden verstrekt in combinatie met het recht op collectief vervoer. 3.Een tandem kan worden verstrekt als aanvullende vervoersvoorziening, waarbij het primaat ligt bij collectief vervoer. Bij de behandeling van de aanvraag moet tevens de stalling/berging worden beoordeeld. 4.Indien de tandem alleen wordt aangevraagd voor ontwikkeling en ontspanning valt deze niet onder de verstrekking vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning. 5.Toekenningscriteria: De cliënt ondervindt op medische gronden een mobiliteitsbeperking over een afstand van minder dan 100 meter; Er is sprake van een aantoonbare gevarieerde vervoersbehoefte in de directe woonomgeving; Er is een begeleider beschikbaar waardoor frequent gebruik mogelijk is. 6.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Artikel3.6.9Rolstoelvoorzieningen Artikel 3.6.9.1 Handbewogen rolstoel 1.Een handbewogen rolstoel is een voorziening die tot doel heeft beperkingen in de mobiliteit op te heffen. Beperkingen die op grond van ziekte of gebrek het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken én waarvoor geen beroep kan worden gedaan op hulpmiddelen krachtens de Wet langdurige zorg dan wel de Zorgverzekeringswet. Voorbeelden hiervan zijn loophulpmiddelen, zoals wandelstokken, krukken, rollators en werkstoelen. Deze laatste zijn vaak voorzien van 4 zwenkwieltjes en uitsluitend geschikt voor gebruik binnenshuis. 2.Toekenningscriteria: De cliënt ondervindt op medische gronden ergonomische belemmeringen in het zich verplaatsen in en om de woning en is niet in staat om zich gedurende 5 minuten met een loophulpmiddel zoals wandelstok of rollator te verplaatsen; De maximale loopafstand, eventueel met hulpmiddel, bedraagt minder dan 100 meter; Daarnaast moet de situatie langdurig van aard zijn. Er zal op medische gronden een onderscheid gemaakt worden in het gebruiksdoel van de rolstoel. 3.Rolstoel voor kortdurend/incidenteel gebruik: De cliënt voldoet aan bovengenoemde criteria en is in staat om een transfer te maken. Bij meldingen voor het aanvragen van een rolstoel voor kortdurend/incidenteel gebruik, wordt de cliënt doorverwezen naar een thuiszorgwinkel om een incidentele transportrolstoel te lenen gedurende 6 maanden. Deze 6 maanden zijn voorliggend. 4.Rolstoel voor semi-permanent gebruik: De cliënt voldoet aan bovenstaande criteria en is niet of nauwelijks in staat om zonder hulp een transfer te maken naar een standaard stoel. Gelet op de aard van de beperking moet de rolstoel vaker en langduriger gebruikt worden. Een dergelijke rolstoel vereist meer zitcomfort. 5.Rolstoel voor permanent gebruik: Cliënt voldoet aan bovenstaande criteria en is niet of nauwelijks in staat om een transfer te maken en is voor elke verplaatsing afhankelijk van een rolstoel. Een dergelijke rolstoel vereist een optimaal zitcomfort. 6.Selectiecriteria: Met de leverancier is een voorkeurpakket (kernpakket) overeengekomen en is een volgorde aangegeven van goedkoopst adequaat per type rolstoel. 7.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. Artikel3.6.9.2Elektrische rolstoel 1.Een elektrische rolstoel is een voorziening die tot doel heeft beperking in de mobiliteit op te heffen. Beperkingen die op grond van ziekte of gebrek het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en een handbewogen rolstoel/duwwandelwagen geen adequate oplossing biedt. Bovendien kan geen beroep worden gedaan op een rolstoelvoorziening krachtens de Wet langdurige zorg. Het besturingsmechanisme wordt afgestemd op de beperkingen van de cliënt. 2.Toekenningscriteria: De cliënt ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning en is permanent afhankelijk van een rolstoel; en De cliënt is niet in staat om zich over een afstand van meer dan 10 meter achtereen lopend te verplaatsen; Er kan op medische gronden een onderscheid gemaakt worden in het gebruiksdoel van de rolstoel in semipermanent- of permanent gebruik. De keuze hangt af van de mogelijkheden van de cliënt tot het maken van een transfer. Daardoor wordt de tijd dat iemand in de stoel doorbrengt bepaald. De eisen aan het zitcomfort worden hierop afgestemd. 3.Voor een elektrische rolstoel is daarnaast het gebruiksgebied van belang: •Uitsluitend voor binnen; •Uitsluitend voor buiten; •Binnen én buiten. 4.Selectieproces: Het college verstrekt een goedkoopst adequate type elektrische rolstoel dat binnen het ingekochte voorkeursassortiment is opgenomen. 5.Wijze van verstrekken: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. 6.Verzekering: Voor elektrische rolstoelen voor gebruik buitenshuis wordt door de leverancier op het moment van aflevering een WA-verzekering afgesloten. Paragraaf6Sportvoorziening Artikel 3.7 Sportvoorziening 1.De financiële tegemoetkoming voor een noodzakelijke sportvoorziening is een tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening of aanpassing aan de bestaande sportvoorziening. 2.De verstrekking van een financiële tegemoetkoming is bedoeld voor niet-professionele structurele sportbeoefening in verenigingsverband. 3.De goedkoopst passende voorziening blijkt uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting of uit een door het college met (een) gecontracteerde leverancier(
  6. s)afgesloten overeenkomst. 4.Voor een niet-elektrische aangedreven sportvoorziening wordt de financiële tegemoetkoming in beginsel verstrekt voor een periode van 3 jaar. Voor een elektrische aangedreven sportvoorziening wordt het Pgb in beginsel verstrekt voor een periode van 6 jaar. 5.Een sportvoorziening kan een sportrolstoel zijn. Een sportrolstoel is een specifiek voor sportbeoefening ontwikkelde rolstoel. Zoals b.v. de marathon-/sprintrolstoel, een basketbal- of een tennisrolstoel. De sportrolstoelen zijn meestal niet bruikbaar in de gewone leefsituatie. 6.De verstrekking wordt afgestemd op het niveau van recreatiesport. De meerkosten van specifieke, duurdere sportvoorzieningen voor sportbeoefening op wedstrijdniveau komen voor rekening van de cliënt. 7.Toekenningscriteria: De cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; De cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening; Beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk; De cliënt is lid van een sportvereniging. 8.Wijze van verstrekken: Als forfaitaire vergoeding (Pgb, uitgaande van de goedkoopst compenserende adequate voorziening). De hoogte is vermeld in het financiële besluit. Deze vergoeding geldt voor een periode van 3 jaar. Indien de staat van de sportvoorziening na 3 jaar nog zodanig is dat door reparatie de levensduur wordt verlengd en reparatie economisch verantwoord is, kan een tegemoetkoming in de reparatiekosten worden verstrekt tot het maximumbedrag. De tegemoetkoming in de reparatiekosten dient vooraf met overleg onder het verstrekken van een offerte te worden aangevraagd. Uitbetaling vindt plaats na toekenning en na overleg van de originele factuur. Indien het een volledige tegemoetkoming betreft, dient de factuur binnen 6 maanden na de beschikkingsdatum ingediend te worden. Paragraaf7Kindervoorzieningen Artikel 3.8 Kindervoorzieningen 1.Tijdens de groei en ontwikkeling van een kind met beperkingen zijn vaak snel verschillende voorzieningen noodzakelijk. Het college wil hier graag tijdig op inspelen. 2.Het doel van het verstrekken van een kindervoorziening is dat het kind in staat wordt gesteld om deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Dat kan door: De zelfverzorging van het kind mogelijk te maken; Het zich zelfstandig verplaatsen mogelijk te maken; De woonsituatie zo in te richten, dat het kind mee kan doen met de dagelijkse activiteiten in huis. 3.Bij kindervoorzieningen gaat het om voorzieningen die ten behoeve van het kind worden verstrekt. Het kan gaan om woonvoorzieningen, vervoer en rolstoelvoorzieningen. De cliënt zal in de meeste gevallen de ouder van het kind zijn, die de voorziening ten behoeve van het kind aanvraagt. Artikel3.8.1Soorten kindervoorzieningen 1.Douche- en toiletstoelen op wielen: Voor de dagelijkse verzorging van kinderen met beperkingen in de leeftijd van 2 tot 15 jaar zijn douchestoelen en gecombineerde douche- en toiletstoelen op wieltjes ontwikkeld. Het zijn al dan niet kantelbare stoelen van kunststof dat goed schoon te houden is/zijn. 2.Zitondersteuningselementen: Voor kinderen met beperkingen, die niet in een gewone kinderstoel kunnen zitten, zijn er zitondersteuningselementen. De specifieke kuipvorm van deze zitondersteuningselementen hebben als doel vergroeiingen te voorkomen en een juiste zithouding te bevorderen. De kuipen kunnen op een onderstel geplaatst worden. Er zijn twee soorten onderstellen beschikbaar: één met kleine wielen voor gebruik binnenshuis en één met grote wielen voor gebruik buitenshuis. 3.Buggy’s en wandelwagens: Wanneer een gewone buggy of wandelwagen niet voldoet, kan een aangepaste buggy of wandelwagen een geschikte voorziening zijn. Aangepaste buggy’s zijn breder en groter dan buggy’s voor kinderen zonder beperkingen. Buggy’s en wandelwagens zijn voor jonge kinderen tot 4 jaar algemeen gebruikelijk. Dit is anders wanneer de buggy of wandelwagen nodig is voor een ouder kind met beperkingen. 4.Kinderrolstoelen: Het gebruik van een rolstoel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van kinderen met een beperking. De rolstoel draagt bij aan de zelfstandigheid van het kind en zorgt ervoor dat het kind zoveel mogelijk gewoon mee kan doen en kan spelen met andere kinderen. De selectie moet zorgvuldig gebeuren en de rolstoel moet op maat zijn voor het kind. Hierbij houdt het college zoveel mogelijk rekening met het feit dat kinderen groeien, zodat niet elk jaar een nieuwe rolstoel nodig is. Dit kan bijvoorbeeld door een rolstoel te selecteren waarbij verschillende instellings- en aanpassingsmogelijkheden aanwezig zijn. 5.Kinderfietsen: Een normale (kinder-)driewielfiets wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd en wordt daarom niet door het college verstrekt. Alle driewielfietsen in bijzondere uitvoering voor kinderen kunnen wel verstrekt worden. 6.Autozitjes en fietszitjes: Voor kinderen met beperkingen zijn er speciale zitjes voor in de auto of op de fiets. Voor deze zitjes worden kuipvormige zitondersteuningselementen gebruikt. Deze voorzieningen maken het vervoer van kinderen op een verantwoorde manier mogelijk. 7.Co-Pilot/duofiets: Ook wel ouder-kind-tandem genoemd. Een Co-Pilot is een vervoersvoorziening welke in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning vergoed kan worden. Het is bedoeld voor kinderen die niet zelfstandig kunnen fietsen en die tijdens het fietsen toezicht nodig hebben. Kinderen kunnen alleen meefietsen en in principe niet meesturen. De Co-Pilot is een vervoersvoorziening voor kinderen en kan in plaats van een collectieve vervoersvoorziening verstrekt worden. Een dergelijke fiets wordt als natura-voorziening in bruikleen verstrekt dan wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. 8.Toekenningscriteria: In principe geldt het afstandscriterium van 400 meter, tenzij het een kind betreft met een verstandelijke beperking. In dat geval kan het afstandscriterium voor kinderen tot 15 jaar buiten beschouwing worden gelaten. Dan geldt als uitgangspunt dat dit kind moet kunnen meedoen met de activiteiten van het gezin; Aantoonbaar moet zijn dat een beperkt kind niet zelfstandig kan fietsen, zowel op een twee- als een driewielfiets. Ook een aankoppelfietsdeel moet geen oplossing kunnen bieden; Het kind dient tijdens het fietsen toezicht van de andere berijder nodig te hebben. Voorts dient de aanvraag afgehandeld te worden conform een vervoervoorziening. In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk deze voorziening te verstrekken naast een driewielfiets. Daarbij moet er tenminste sprake zijn van een uiterst beperkte mobiliteit, dat wil zeggen een verplaatsingsmogelijkheid van minder dan 100 meter met of zonder hulpmiddelen. 9.Rolstoelfiets: Een fiets waar een rolstoel aan gekoppeld kan worden, voor het vervoer van (bijna) rolstoelafhankelijke mensen: Zie algemeen deel/criteria vervoersvoorzieningen. Er dient een indicatie te zijn voor een vervoersvoorziening in de vorm van collectief vervoer; Een rolstoelfiets kan verstrekt worden als een aanvullende vervoersvoorziening, bijvoorbeeld voor kinderen tot 17 jaar, die een rolstoelindicatie hebben, maar door een lichamelijke of geestelijke beperking geen elektrische rolstoel kunnen besturen en zich dus buitenshuis niet kunnen verplaatsen. 10.Toekenningscriteria: Er is een indicatie voor een vervoersvoorziening in de vorm van collectief vervoer; Daarnaast is er sprake van een uiterst beperkte mobiliteit, dat wil zeggen zelfstandige verplaatsing over afstand tot 100 meter is niet mogelijk, zelfs niet met een elektrische rolstoel. c. Cliënt beschikt niet over een elektrische rolstoel voor binnen/buiten. 11.Wijze van verstrekken kindervoorzieningen: Onverminderd de keuzevrijheid van de cliënt, waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening, wordt deze voorziening in beginsel als een natura-voorziening in bruikleen verstrekt. 12.Duur van de verstrekking van kindervoorzieningen: Het college verstrekt een kindervoorziening voor een bepaalde periode, of voor een onbepaalde periode zo lang als de cliënt de voorziening nodig heeft. Bij het bepalen van de duur van de voorziening betrekt het college alle individuele omstandigheden van de cliënt. 13.Het college kan op eigen initiatief een onderzoek starten om te bekijken of de voorziening nog noodzakelijk is voor een cliënt. Paragraaf8Verplichtingen aan maatwerkvoorzieningen in Pgb Artikel 3.9 Verplichtingen aan maatwerkvoorzieningen in Pgb 1.De cliënt is verplicht voor de maatwerkvoorziening die hij/zij in bruikleen ontvangt een bruikleenovereenkomst te ondertekenen. 2.Ingeval van een verstrekking van een tweedehands maatwerkvoorziening, dan wordt de hoogte van het Pgb gebaseerd op de nog te verwachten levensduur van de betreffende voorziening. 3.Voor een maatwerkvoorziening die een cliënt middels een Pgb in bruikleen ontvangt of heeft aangeschaft, gelden de volgende verplichtingen en verboden: Het verbod om wijzigingen aan te brengen aan de voorziening; De verplichting om de maatwerkvoorziening die in bruikleen is verstrekt in de oorspronkelijke staat, los van normale slijtage als gevolg van het gebruik, in te leveren als deze niet meer wordt gebruikt; De verplichting om de voorziening zorgvuldig te gebruiken; De verplichting om de voorziening in eigendom zorgvuldig te onderhouden en te verzekeren tegen verlies, diefstal en beschadiging; Het verbod om de voorziening aan derden in gebruik te geven. 4.Indien de client niet voldoet aan de in lid 3 gestelde voorwaarde kan het college besluiten de maatwerkvoorziening en het daaraan gekoppelde Pgb te herzien en/of in te trekken. Paragraaf9Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Artikel 3.10 Toegang beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1.Beschermd wonen is een centrumgemeentetaak. Deze wordt door de gemeente Almelo uitgevoerd voor de gemeenten Hellendoorn, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden en Almelo. Het Cimot is door de gemeente Almelo in het leven geroepen om de beschermd wonen taken uit te voeren. Het Cimot staat voor Centrale Toegang opvang en beschermd wonen Twente. 2.De toegang tot zowel maatschappelijke opvang als beschermd wonen wordt geregeld door een van de aanbieders onafhankelijke organisatie: de centrale toegang opvang en beschermd wonen Twente (Cimot). Deze organisatie wordt gefinancierd en gemandateerd vanuit de twee centrumgemeenten Almelo en Enschede. Deze organisatie heeft tevens de taken met betrekking tot: •het beoordelen van de kwaliteit van geleverde prestatie van aanbieders; •het monitoren van het verloop van de zorgplannen; •het signaleren en waar mogelijk wegnemen van belemmeringen inzake doorstroom. 3.Voor de Opvang toetst het Cimot achteraf of opname in de Opvang door een aanbieder terecht was. 4.Voor beschermd wonen toetst het Cimot voorafgaand aan opname of de cliënt is aangewezen op beschermd wonen (in een accommodatie van een instelling) en waar een plaats beschikbaar is c.q. kan komen, waarbij rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de cliënt. Artikel3.11Beschermd wonen (BW) 1.Beschermd wonen (BW) wordt als volgt omschreven: •Beschermd wonen is toezicht en begeleiding; •Gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen; •Bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; •Indien nodig aangevuld met het wonen in een accommodatie van de zorginstelling. Artikel3.11.1Toetsingscriteria beschermd wonen 1.De volgende criteria worden door het Cimot gehanteerd om te beoordelen of iemand in aanmerking komt voor beschermd wonen binnen de centrumgemeente Almelo: Cliënt is 18 jaar of ouder (om de zorgcontinuïteit te borgen kunnen jeugdigen een half jaar, voordat ze 18 jaar worden een aanvraag indienen); Er zijn psychiatrische en/of psychosociale problemen. Verslaving valt hier ook onder; De cliënt is niet in staat om een hulpvraag te stellen als hij/zij ondersteuning nodig heeft en heeft ook niemand die dat voor hem/haar kan doen; De cliënt kan de hulpvra

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.