Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Woudenberg houdende regels omtrent sociaal domein Integrale verordening sociaal domein gemeente Woudenberg 2019De Raad van de gemeente Woudenberg; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 januari 2019, gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet, de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de artikelen 6, 8, 8a, 8b, 10b en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ en artikel 156 van de Gemeentewet; Besluit: In te stemmen met de Integrale verordening sociaal domein gemeente Woudenberg 2019 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Algemene bepaling Bij het nemen van besluiten op aanvragen wordt niet alleen acht geslagen op de wet en regelgeving, maar ook op het doel van de wetgeving en het effect van het besluit. Bij elk besluit wordt rekening gehouden met de volgende waarden en normen: Dat aan het gezin, als kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van de kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de samenleving volledig kan dragen. Dat het kind geen schade leidt en kan opgroeien in een liefde- en begripsvolle gezinsomgeving. Dat burgers met een handicap en/of een chronische ziekte op voet van gelijkwaardigheid met anderen de toegang hebben tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten. Dat de eigen verantwoordelijkheid van de burgers centraal staat om voor hun zelfredzaamheid, participatie en inkomen naar vermogen al het mogelijke te doen om tot verbetering te komen, mede door inzet van personen uit hun sociale netwerk. Dat als het burgers niet lukt om zelf, of met hulp van de eigen omgeving , knelpunten op te lossen , de gemeente samen met partners hen helpt de juiste weg te wijzen of ondersteuning te bieden. De ondersteuning is daarbij gericht op het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht van de burgers, het gezin of het sociale netwerk. Dat ondersteuningsvragen integraal worden benaderd. Niet de voorzieningen, maar de resultaten die de burger en/of het gezin wil bereiken staan centraal. De voorzieningen of oplossingen die nodig zijn, zijn ondergeschikt aan het resultaat. Artikel1.Toepassing en begrippen 1.Deze verordening is van toepassing op het (integrale) proces rond de uitvoering van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ). 2.In deze verordening wordt onder de niet-gedefinieerde begrippen verstaan, wat daarmee in de Jeugdwet, de Wmo 2015 of de Participatiewet, IOAW of IOAZ wordt bedoeld. 3.In deze verordening wordt verder verstaan onder: aanvraag: een verzoek om toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning; een aanvraag als bedoeld in artikel 41 van de Participatiewet. algemene voorziening: een vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in de Jeugdwet; een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet. andere voorziening (Jeugdwet): voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft. cliënt: een jeugdige of zijn ouders of pleegouders als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet; een persoon als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; een persoon als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. College: college van burgemeester en wethouders. financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van dezen verordening nadere regels en bedragen zijn gesteld. gebruikelijke hulp: de hulp of de zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen n redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s), partners, huisgenoten rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Plan van aanpak: het hulpverleningsplan, als bedoeld in de Jeugdwet (art. 1.1); al dan niet gecombineerd met het persoonlijk plan, als bedoeld in de Wmo of het familiegroepsplan, als bedoeld in de Jeugdwet; en/of een plan van aanpak voor één of meer personen, gerelateerd aan de Participatiewet. maatwerkvoorziening: een op de cliënt toegesneden voorziening waarvoor een (verlenings) beschikking van het college nodig is; een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; een individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet; een voorziening als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. melding: een verzoek van een cliënt om hulp of toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo; een melding als bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet. nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van dezen verordening nadere regels zijn gesteld. onderzoek: een onderzoek naar aanleiding van een melding in het kader van de Jeugdwet; een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo; een onderzoek als bedoeld in artikel 53a van de Participatiewet. pgb: persoonsgebonden budget: een bedrag waarmee inwoners zelf hun jeugdhulp, ondersteuning of hulpmiddel kunnen inkopen. Als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de Wmo. Spoedeisend geval: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel vraagt; uitvoeringsplan PBG: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt en/of zijn wettelijke vertegenwoordiger(
- s)waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening zo nodig aangevuld met voorwaarden die daar naar het oordeel van het college aan gesteld mogen worden. Hoofdstuk2Integrale benadering Artikel2.Melding hulpvraag 1.Een melding als bedoeld in artikel 1 onder l van deze verordening kan schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal bij het college via Coöperatie De Kleine Schans worden ingediend. Meldingen in verband met aanvragen levensonderhoud op basis van de Participatiewet worden digitaal ingediend via werk.nl. 2.Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk of per e-mail, tenzij cliënt heeft medegedeeld dit niet te wensen. In de ontvangstbevestiging is informatie opgenomen over de mogelijkheid van cliëntondersteuning, het keukentafelgesprek, een familiegroepsplan/persoonlijk plan en eventueel aanvullende informatie die bij de eerste afspraak moet worden meegenomen. 3.In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijke een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. 4.Cliënten kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening. Voorafgaand worden voor de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp en Huishoudelijke Hulp voor mantelzorgers een lichte toegangstoets afgenomen. Artikel3.Vooronderzoek 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek als bedoeld in artikel 1 onder n, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2.Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 3.Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. 4.Hierbij brengt het college de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen of een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo. In het geval de cliënt daarom verzoekt, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan of persoonlijk plan. 5.Voorafgaand aan het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 6.Het college kan in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste lid. Artikel4.Het gesprek 1.Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt, diens wettelijke vertegenwoordiger en waar mogelijk de mantelzorger of gewenst persoon uit het sociaal netwerk, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de behoeften, persoonskenmerken, eerder ingezette ondersteuning, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en situatie van het huishouden van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of andere voorzieningen of algemene voorzieningen zijn hulpvraag te beantwoorden; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk een oplossing te vinden voor zijn hulpvraag; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van participatie, zorg en onderwijs; hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt en zijn huishouden; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan of een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 3, vierde lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. Afhankelijk van de leeftijd wordt er bij een jeugdige om toestemming gevraagd aan de ouders of de jeugdige zelf, conform artikel 7.3.4. van de Jeugdwet. 4.Het college kan alleen in overleg met de cliënt en vertegenwoordigers afzien van een gesprek. 5.Het college kan, na toestemming van de cliënt en/of zijn ouder(
- s)informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of de onderwijsinstelling, en met deze in gesprek gaan over de aangewezen hulp. 6.Dit artikel is niet van toepassing op verwijzingen van de huisarts en de medisch specialist zoals bedoeld in artikel 2.6 onder g van de Jeugdwet. Artikel5.Verslag (Wmo/Jeugdwet) 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 4 of stelt een plan van aanpak op waarbij rekening wordt gehouden met het eventuele persoonlijk plan of familiegroepsplan en het verzoek om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de verordening. 2.Het college verstrekt aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben medegedeeld dit niet te wensen. 3.Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd. Artikel6.Aanvraag 1.Inwoners kunnen een aanvraag om een maatwerkvoorziening mondeling of schriftelijk indienen bij het college. Een aanspraak op grond van de Participatiewet kan ambtshalve (zonder aanvraag) worden vastgesteld. 2.Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dit op het verslag heeft aangegeven en het verslag is voorzien van een dagtekening, de naam, het identiteitsbewijs (mits deze niet eerder is verstrekt) en de geboortedatum van de cliënt. Artikel7.Advisering 1.Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit van belang is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag. 2.De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek als bedoeld in het eerste lid voor zover die redelijkerwijs kan worden gevergd. Artikel8.Inhoud beschikking (Wmo/Jeugdwet) 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. De beschikking is mede gebaseerd op het plan van aanpak. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de maatwerkvoorziening wordt verstrekt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Artikel9.Algemene criteria maatwerkvoorziening 1.Een cliënt en/of hun wettelijk vertegenwoordiger(
- s)kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. 3.Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. 4.De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert, rekening houdend met het integraal plan als bedoeld in artikel 5 van de verordening en voor zover aanwezig het persoonlijk plan of familiegroepsplan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht op verantwoorde wijze te handhaven in de samenleving. 5.Het college beoordeelt de hulpvraag aan de hand van het gesprek en de genoemde onderwerpen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening. 6.Om te zorgen dat een maatwerkvoorziening kan worden afgestemd op andere voorzieningen als bedoeld in artikel 12, van de verordening draagt het college zorg voor afspraken met onder meer: partijen in het kader van gezondheidszorg; partijen in het kader van de sociale basisvoorzieningen gecertificeerde instellingen; instellingen die voorschoolse voorzieningen bieden; onderwijsinstellingen voor primair-, voortgezet- en speciaal onderwijs; de betreffende gemeentelijke afdelingen Artikel10.Regels voor persoonsgebonden budget (Wmo/Jeugdwet) 1.De hoogte van een pgb, niet zijnde beschermd wonen, wordt vastgesteld op basis van het uitvoeringsplan pgb, het te bereiken resultaat (doel) of het aantal geïndiceerde uren dan wel een tijdeenheid naar rato daarvan of het aantal geïndiceerde dagdelen of etmalen in natura. 2.De hoogte van het pgb bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate oplossing, tenzij de cliënt aantoont dat met het toe te kennen pgb de geïndiceerde maatwerkvoorziening niet kan worden ingekocht. 3.De gedifferentieerde tarieven voor hulpverleners zijn opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten (all-in tarief). 4.Het college kan een pgb, welke betrekking heeft op een periode voorafgaande aan de aanvraag weigeren, tenzij: het college vaststelt dat de aanvraag niet eerder ingediend kon worden; en de cliënt aantoont verplichtingen met derden te zijn aangegaan die onherroepelijk zijn; en het college tot het oordeel komt dat de verleende ondersteuning noodzakelijk is. 5.Indien een cliënt in aanmerking komt voor een pgb geldt dat de cliënt verplicht is om een Uitvoeringsplan pgb op te stellen. Het college kan een format voor dit uitvoeringsplan vaststellen. 6.De budgethouder is verplicht om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde model overeenkomst van de Sociale Verzekeringsbank. 7.Voor de goedkoopst passende bijdrage hanteert het college gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde diensten heeft ingekocht: 90% voor een daartoe opgeleide professional in dienst van zorgaanbieder; 75% voor een professional die werkzaam is als zelfstandig werkend ondernemer of via een arbeidsovereenkomst; 50% voor personen uit het sociaal netwerk, indien er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. de tegemoetkoming voor een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 bedraagt maximaal € 141,-- per kalendermaand, voor zover van toepassing aangevuld met een tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeve van de hulp overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen. 8.In het door het college jaarlijks vast te stellen Financieel besluit wordt per ondersteunende dienst een omschrijving en daarbij behorend tarief opgenomen. Uitgangspunt is het tarief waarvoor de desbetreffende dienst in natura is ingekocht. 9.De hoogte van het pgb voor woonvoorzieningen en hulpmiddelen bedraagt in ieder geval niet meer dan het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende bijdrage waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten en is toereikend voor het inkopen daarvan. 10.De hoogte van het pgb voor het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer wordt vastgesteld op bedragen op jaarbasis. Daarbij geldt dat het pgb toereikend is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Het college kan op het jaarbedrag dan ook een korting toepassen indien sprake is van: verblijf in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg; een samenvallende vervoersbehoefte; een beperkte (zelfstandige) vervoersbehoefte; andere aanwezige vervoersvoorzieningen of vervoersmogelijkheden. 11.Het college stelt het pgb voor een woningaanpassing vast op basis van een programma van eisen. Daarbij kan het college bijkomende noodzakelijke kosten in aanmerking nemen. 12.Het college kan de hoogte van het pgb vaststellen op basis van een offerte indien de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten niet valt binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders 13.Het college stelt nadere regels over de omvang van de budgetperiode van hulpmiddelen. 14.De hoogte van het pgb voor beschermd wonen vloeit voort uit het voor de cliënt van toepassing zijnde arrangement en een indicatie in uren. 15.De hoogte van het pgb voor beschermd wonen wordt vastgesteld op basis van de geïndiceerde uren en bedraagt voor professionals in dienst van een instelling 90% van het zorginstellingstarief, waarbij er sprake is van twee zorginstellingstarieven gerelateerd aan het functieniveau. Bij de berekening wordt uitgegaan van een all-in tarief. Indien sprake is van overgangsrecht geldt een tarief van 75%. Indien de cliënt met een indicatie voor beschermd wonen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in een accommodatie die voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 4.9 derde lid van de verordening, kan het college een wooninitiatieventoeslag verstrekken. Het college stelt de tarieven en de hoogte van de wooninitiatieventoeslag vast in het Financieel besluit. Het werkelijk toe te kennen pgb wordt afgestemd op de ondersteuningsbehoefte, dat volgt uit het plan van aanpak en de hiermee samenhangende kosten. Artikel11.Opschorting, beëindiging en wijziging 1.Het college kan een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel (uitbetaling van) pgb geheel of gedeeltelijk beëindigen, dan wel de inzet (levering) daarvan tijdelijk geheel of gedeeltelijk (laten) opschorten indien: niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van de wet of bij of krachtens de verordening; de cliënt wordt opgenomen of gaat wonen in een instelling, tenzij dat gebeurt in het kader van de te bieden jeugdhulp of ondersteuning op grond van de Wmo; de cliënt of zijn vertegenwoordiger(
- s)zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan de maatwerkvoorziening of de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het toegekende pgb; de cliënt is overleden; de gemeente Woudenberg op grond van het woonplaatsbeginsel niet meer verantwoordelijk is voor het bieden van (jeugd)hulp. Artikel11a.Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet maatschappelijke ondersteuning. 2.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 11, derde lid, onder d. 3.Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel11.bHerziening of intrekking 1.Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo doet cliënt of diens vertegenwoordiger onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten. 2.Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing aangaande een voorziening geheel of gedeeltelijke herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt naar het oordeel van het college niet langer op de voorziening, of op het pgb is aangewezen; de voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt langer dan vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb; de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken indien blijkt dat de jeugdige niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit een dienstverleningsovereenkomst. Artikel11c.Terugvordering en verrekening 1.Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening, tegemoetkoming meerkosten dan wel pgb is herzien of ingetrokken: het ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb terugvorderen; geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van een maatwerkvoorziening in natura terugvorderen; de ten onrechte ontvangen tegemoetkoming terugvorderen 2.Het college kan de kosten van de maatwerkvoorziening, het pgb of de tegemoetkoming meerkosten terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling. 3.De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn. De hoogte van het na verrekening resterende (periodieke) bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie. 4.Voor zover sprake is van de wettelijke terugvorderingsbepaling kan het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat geeft een executoriale titel. Bij andere terugvorderingsgronden moet de invordering langs civielrechtelijke weg plaatsvinden. Artikel11d.Fraudepreventie en controle 1.Het college zet in op fraudepreventie. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college cliënten en diens wettelijk vertegenwoordigers informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. 2.Het college beoordeelt, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van de pgb’s conform het programma van eisen. Tevens beoordeelt het college of de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)nog voldoet aan de criteria om voor een PGB in aanmerking te komen. 3.Fraude of vermoedens van fraude worden afgehandeld volgens het vigerende fraudebeleidskader. 4.Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van de wet, waaronder wordt begrepen de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en (onterecht) niet-gebruik van deze wet. Hoofdstuk3Voorzieningen Artikel12.Algemene voorzieningen 1.Een algemene voorziening op het gebied van ondersteuning en dienstverlening die wordt aangeboden door maatschappelijke organisaties en door de markt vrij toegankelijk is voor iedere inwoner van de gemeente Woudenberg. 2.Een algemene voorziening kan zich richten op huishoudelijke hulp (voor mantelzorgers), collectief vervoer, individuele begeleiding, dagbesteding en voorzieningen gericht op preventie van opvoed- en opgroeiproblemen. Hieronder valt ook de ondersteuning van het Sociaal Team. 3.Om vast te stellen of een cliënt behoort tot de doelgroep kan het college een lichte toegangstoets uitvoeren. 4.Een lichte toegangstoets kan ook worden uitgevoerd door de aanbieder van de algemene voorziening. Artikel13.Maatwerkvoorzieningen: vormen van jeugdhulp 1.De volgende vormen van (individuele) niet vrij-toegankelijke jeugdhulp zijn beschikbaar: Hulp voor jeugdigen met (ernstige) opvoed- en opgroeiproblemen die niet preventief of door Coöperatie De Kleine Schans geboden kan worden; Hulp voor jeugdigen met psychische klachten of stoornissen (voorkomen, behandelen, stabiliseren, genezen); Hulp voor jeugdigen met een verstandelijke beperking; Begeleiding en persoonlijke verzorging jeugdigen. Respijtzorg/logeren 2.Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige en maatwerk voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikel14.Maatwerkvoorzieningen: vormen van Wmo 1.De volgende vormen van (individuele) niet vrij-toegankelijke Wmo ondersteuning zijn beschikbaar: Dagactiviteit, vervoer en begeleiding Huishoudelijke hulp Respijtverblijf in een instelling Ondersteuning bij het wonen Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer Beschermd wonen 2.Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige en individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikel15.Maatwerkvoorzieningen: vormen Participatiewet en IOAW/IOAZ 1.Ondersteuning bij arbeidsinschakeling kan bestaan uit praktische hulp, advies, doorverwijzing naar andere organisaties of uit het aanbieden van één of meerdere voorzieningen die gelijktijdig of achtereenvolgend ingezet kunnen worden. 2.Het college van burgemeester en wethouders kan aan de cliënt voorzieningen aanbieden in de vorm van onder andere: werkervaringsplaats; sociale activering; scholing; ondersteuning bij aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt; beschut werk; persoonlijke ondersteuning; proefplaatsing loonkostensubsidie; werkvoorzieningen; ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang, schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen, taal- en beroepsgerichte scholing, nazorg etc; Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de re-integratie. 3.Het college kan nadere regels vaststellen over de vorm van de in het tweede lid genoemde voorzieningen en de wijze waarop deze voorzieningen worden verstrekt. Artikel16.Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen Artikel17.Klachtregeling 1.Voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op gedragingen jegens hen van het college of van personen die namens haar meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening behandelen, hanteert het college de op het moment van indienen van de klacht geldende klachtenregeling van Coöperatie De Kleine Schans. 2.Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten. Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet Artikel18Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)hierom verzoeken, legt het college de te verlenen maatwerk voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. Artikel 19. Vertrouwenspersoon jeugd 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en (pleeg)ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en (pleeg)ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Hoofdstuk5Specifieke bepalingen Wmo Artikel 20a Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning 1.Het college kan maatschappelijke ondersteuning verlenen als collectieve – en/of individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. 2.Het college kan een maatwerkvoorziening kortdurend verlenen indien de cliënt of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd leerbaar zijn. De maatschappelijke ondersteuning is gericht op het versterken, verbeteren of behouden van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Artikel20bSpecifieke criteria maatwerkvoorzieningen 1.Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: deze noodzakelijk is om de cliënt in aanvaardbare mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; deze als goedkoopst passende bijdrage is aan te merken; deze in overwegende mate op de cliënt is gericht. 2.Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien: de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kunnen worden opgelost dan wel verminderd; een maatwerkvoorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verleend en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf of met hulp van anderen voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens zelfredzaamheid en participatie. de cliënt, gelet op de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning, aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Artikel21.Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen 1.Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening dit bestaat door bemoeienis van de gemeente: huishoudelijke hulp I, ter hoogte van €5,00 per uur; huishoudelijke hulp voor mantelzorgers, ter hoogte van €5,00 per uur. Collectief vervoer via de regiotaxi (niet het gebruik op indicatie), ter hoogte van € 2,20 per zone (dit betreft het prijspeil 2018 en is indexeerbaar) 2.De bijdrage is maximaal gelijk aan de kostprijs van de voorziening. 3.Het college draagt zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen. Artikel22.Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. 2.De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 3.De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 4.In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015 worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door CAK vastgesteld en geïnd. 5.De kostprijs van een: Maatwerkvoorziening is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening afneemt van of aanschaft bij een (gecontracteerde) aanbieder, inclusief de bijkomende kosten waaronder instandhoudingskosten. Pgb is gelijk aan het totale bedrag van het pgb. Artikel23.Criteria financiële tegemoetkoming 1.Het college kan een financiële maatwerkvoorziening verlenen die gericht is op een tegemoetkoming in de kosten die verband houden met: De toepassing van het primaat van verhuizen; Het gebruik van een eigen auto voor deelname aan het maatschappelijk verkeer; Het plaatsen van een losse woonunit Andere maatregelen indien geen maatwerkvoorziening in natura verleend wordt of kan worden verleend en geen PGB wordt verstrekt. 2.De financiële maatwerkvoorziening voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten wordt niet eerder uitbetaald nadat de cliënt is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. 3.Het college stelt de hoogte van de bedragen vast in het Financieel Besluit. Artikel24.Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1.Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.Het college stelt bij nadere regeling de hoogte van de tegemoetkoming vast voor: taxikosten rolstoeltaxikosten een autoaanpassing aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening het bezoekbaar maken van een woning Artikel25.Kwaliteitseisen 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel26.Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maat-werkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel27.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel28.Meldingsregeling calamiteiten en geweld maatschappelijke ondersteuning 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel29.Jaarlijkse waardering mantelzorgers Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste €5.000,- en wordt door het college jaarlijks na overleg met betrokkenen vastgesteld. Hoofdstuk6Specifieke bepalingen Participatiewet Artikel30.Begrippen 1.Alle begrippen die in dit hoofdstuk gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.Dit hoofdstuk verstaat onder: Wet: de Participatiewet; Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, lid 1 onder a, van de wet; cAnw’er: belanghebbende die een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet ontvangt en die als werkloze werkzoekende staat ingeschreven bij het UWV WERKbedrijf; Niet-uitkeringsgerechtigde (Nugger): een belanghebbende als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder a van de Participatiewet, maar 18 jaar of ouder. Tegenprestatie: het verrichten van naar vermogen en door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt; Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Indien het een gehuwde betreft, wordt onder belanghebbende elk van de gehuwden verstaan; WTOS: de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; WSF 2000: de Wet studiefinanciering 2000; Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum; Peildatum: de dag waarop het recht op individuele inkomenstoeslag ontstaat, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen; Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; Bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ; Benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; Uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ. Paragraaf6.1Re-integratie Artikel31.Budget- en subsidieplafonds 1.Het college kan bij uitvoeringsbesluit één of meerdere subsidie- en budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2.Het college kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. Artikel32.Algemene bepalingen over re-integratievoorzieningen 1.Het college kan een voorziening beëindigen als: De persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; De persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; De persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet; Naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; De voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; De persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; De persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2.Het college houdt bij het aanbieden van de in dit hoofdstuk opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. Artikel33.Beperkingen Anw-ers en Nuggers 1.Anw-ers en Nuggers hebben recht op ondersteuning indien: het netto-inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5 aanhef en sub c van de Participatiewet en zij minimaal 24 uur per week beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. 2.De ondersteuning bij arbeidsinschakeling voor Anw-ers en Nuggers wordt verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening, met uitzondering van vergoedingen voor reiskosten in verband met het re-integratietraject en voor kosten voor kinderopvang. 3.Terugbetaling van de lening start na beëindiging van het re-integratietraject conform de beleidsregels terugvordering en verhaal. 4.Het college kan na afloop van het re-integratietraject afwijken van de terugbetalingsverplichting op grond van individuele bijzondere omstandigheden van belanghebbende. 5.Deze beperkingen gelden niet voor Anw-ers en Nuggers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6 lid 1 aanhef en onder e Participatiewet voor zover het betreft de inzet van loonkostensubsidie en persoonlijke ondersteuning. 6.Het college kan nadere regels stellen. Artikel34.Werkervaringsplaats 1.Het college kan een persoon een werkervaringsplaats (of werkstage) gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: behoort tot de doelgroep, en nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2.Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4.In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de werkervaringsplaats, en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 5.De werkervaringsplaats duurt maximaal drie maanden met de mogelijkheid van verlenging tot zes maanden. Artikel35.Sociale activering 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering: Voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening; of Gericht op het voorkomen van sociaal isolement. 2.Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3.Sociale activering wordt ingezet met zo min mogelijk middelen. Artikel36.Scholing 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2.Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: het scholingstraject is noodzakelijk voor de toeleiding naar de arbeidsmarkt, en duurt maximaal één jaar. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet. Artikel37.Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt Het college kan ondersteuning aanbieden aan personen, zoals bedoeld in artikel 1 0f, onder a, van de wet ten aanzien van wie het college van oordeel is dat dit nodig is in het kader van de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt. Artikel38.Participatievoorziening beschut werk 1.Het college biedt de voorziening beschut werk aan aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon: behoort tot de doelgroep; of een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt. 2.Het college realiseert maximaal het aantal bij ministeriële regeling verplicht gestelde beschut werkplekken in dat kalenderjaar, tenzij het college een hoger aantal plekken vaststelt voor dat kalenderjaar. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid krijgt een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschut werkplek omdat het aantal bij ministeriële regeling verplicht gestelde beschut werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 4.Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 5.Voordat een indicatie Beschut Werk wordt aangevraagd bij het UWV, wordt eerst beoordeeld of de inzet van andere voorzieningen en/of het doen van vrijwilligerswerk een passende wijze van participatie is. Artikel39.Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Artikel40.Proefplaatsing 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep, gedurende maximaal zes maanden bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden laten verrichten met het oog op een reële vaststelling van de loonwaarde. 2.De proefplaatsing is gericht op het verkrijgen van een dienstbetrekking bij de werkgever. De werkgever spreekt bij aanvang van de proefplaatsing de intentie uit om bij gebleken geschiktheid en voldoende werkzaamheden belanghebbende een dienstbetrekking aan te bieden. 3.Met de werkgever en belanghebbende wordt een schriftelijke proefplaatsingsovereenkomst gesloten waarin het doel, de duur en omvang, de taken en verplichtingen, de bijdrage van de werkgever in de kosten en de overige gemaakte afspraken worden vastgelegd. 4.Een proefplaatsing kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde persoon bij dezelfde werkgever een werkervaringsplaats is ingezet. Artikel41.Loonkostensubsidie en loonwaarde 1.Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; of een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet. 2. Het college stelt de loonwaarde van een belanghebbende vast, indien een werkgever voornemens is met deze persoon een dienstbetrekking aan te gaan. 3. Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen. 4. Indien de loonwaarde van een persoon nog niet is vastgesteld, kan het college gedurende maximaal zes maanden een forfaitaire loonkostensubsidie toekennen, indien reeds is vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en de werkgever bereid is de persoon reeds een dienstverband aan te bieden. 5. De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50% van het WML tot het moment dat de loonwaarde is vastgesteld. Vanaf de maand volgend op de vaststelling van de loonwaarde wordt de forfaitaire loonkostensubsidie omgezet naar de definitieve loonkostensubsidie. 6. Een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie kan volgen op een proefplaatsing, indien tijdens de proefplaatsing de vaststelling van de loonwaarde nog niet heeft kunnen plaatsvinden. Artikel42.Werkvoorzieningen Het college kan aan de belanghebbende die arbeid verricht of gaat verrichten, werkvoorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. Artikel43.Aanspraak op ondersteuning Personen die behoren tot de doelgroep van de wet hebben recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling of participatie anderszins en op een naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling of participatie anderszins, indien zij er niet in slagen op eigen kracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, en geen beroep kunnen doen op een andere wettelijke voorziening gericht op arbeidsinschakeling of sociale activering. Artikel44.Verplichtingen van de cliënt 1.Een persoon die behoort tot de doelgroep, als bedoeld in de wet, die deelneemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college van burgemeester en wethouders aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 2.Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid, die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verplichtingen, dan kan het college diens uitkering of inkomensvoorziening verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Woudenberg 2015. 3.Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een Anw-er, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verplichtingen, dan kan het college van burgemeester en wethouders de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk verhalen op deze cliënt. Artikel45.Inkomstenvrijlating In alle gevallen waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 31 tweede lid onder n van de wet, is sprake van een vrijlating die bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Paragraaf6.2Individuele Studietoeslag Artikel46.Doelgroep Individuele Studietoeslag 1.Een belanghebbende die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan een verzoek, zoals bedoeld in artikel 2, indienen om een Individuele Studietoeslag. Om hiervoor in aanmerking te komen is het vereist dat belanghebbende op de datum van de aanvraag aan de volgende voorwaarden voldoet; de belanghebbende: is 18 jaar of ouder; heeft recht op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; heeft geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet, en is een persoon van wie is vastgesteld dat hij wegens een arbeidshandicap of langdurige medische beperkingen of belemmeringen niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; woont zelfstandig, waaronder ook verstaan wordt zelfstandig wonen onder begeleiding. 2.Geen recht op studietoelage bestaat als er sprake is van andere inkomsten naast de studiefinanciering. Artikel47.Hoogte, duur en uitbetaling van de toeslag 1.De hoogte van de toeslag bedraagt € 100 per maand. 2.De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, zolang de belanghebbende recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, gedurende maximaal vier jaar. 3.De toeslag wordt maandelijks uitbetaald. Artikel48.Nadere uitvoeringsregels Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen in het belang van een zorgvuldige uitvoering van de Individuele Studietoeslag. Paragraaf6.3Tegenprestatie Artikel49.Inhoud van een tegenprestatie 1.Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. 2.Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan vaststellen, waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel50.Het opdragen van een tegenprestatie Bij het opdragen van een tegenprestatie betrekt het college de volgende factoren: het vermogen van de belanghebbende om een tegenprestatie te verrichten; de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende; de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende; als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden. Artikel51.Duur en omvang van een tegenprestatie De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van drie maanden per jaar gedurende acht tot 24 uur per week. Artikel52.Mantelzorg Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. Paragraaf6.4Individuele Inkomenstoeslag Artikel53.Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Artikel54.Langdurig laag inkomen 1.Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 101% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2.Niet voor de individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000. Artikel55.Hoogte individuele inkomenstoeslag 1.De individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar: Voor een alleenstaande € 410,00 Voor een alleenstaande ouder € 528,00 Voor gehuwden € 586,00 2.Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3.Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4.De in het eerste lid genoemde bedragen worden jaarlijks in december aangepast aan de bijstandsnorm, naar boven afgerond op hele euro’s en bekendgemaakt via het gemeente nieuws. Paragraaf6.5Afstemming 6.5.1 Algemene bepalingen Artikel56.Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel57.Horen van belanghebbende 1.Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel58.Afzien van verlaging 1.Het college ziet af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of de gedraging meer dan een jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 4.Bij een eerste verwijtbare gedraging kan het college besluiten een waarschuwing te geven. Deze waarschuwing telt mee bij de vaststelling van recidive. Artikel59.Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2.Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de bijstand of uitkering is beëindigd, dan wordt de maatregel alsnog gerealiseerd door middel van herziening van de eerder verstrekte bijstand. De herziening kan niet worden toegepast over een ander tijdvak dan waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft. Artikel60.Berekeningsgrondslag 1.Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de paragrafen 6.5.2, 6.5.3 en 6.5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de paragrafen 6.5.2, 6.5.3 en 6.5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 6.5.2 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen metbetrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel61.Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; het niet meewerken aan een taaltoets als bedoeld in artikel 18b lid 2 van de Participatiewet. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet al geregeld is in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Artikel62.Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen, behouden of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of; de dienstbetrekking van belanghebbende is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, of; belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of; belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. Artikel63.Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen61 en 62 van de verordening, wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie. 6.5.3 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel64.Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Artikel65.Verrekenen verlaging Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 63, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 6.5.4 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel66.Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2.De verlaging wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000; 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000; 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag van € 4000 of hoger. 3.Onder ‘tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan’ wordt in ieder geval begrepen het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, het niet tijdig aanvragen van een voorliggende voorziening, het onvoldoende solliciteren voorafgaand aan de bijstandsverlening, het doen van een schenking, voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening, voor zover bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien en het niet of onvoldoende verzekerd zijn tegen gebruikelijke risico’s, zoals brand, ziekte of wettelijke aansprakelijkheid. Artikel67.Zeer ernstige misdragingen 1.Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen. 2.Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college, zijn ambtenaren of de personen die werken in opdracht van het college, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het tweede lid genoemde personen; 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het tweede lid genoemde personen. 3.Er is sprake van een zeer ernstige gedraging indien belanghebbende agressief gedrag vertoont, waarbij er sprake is van verwijtbaarheid en dit gedrag in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Artikel68.Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op 10% gedurende een maand. 6.5.5 Samenloop, recidive en controle Artikel69.Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Artikel70.Recidive 1.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 61, onder b of c, 62, onder b of c, 66, eerste lid, of 68 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 61, onder a, 62, onder a of 67 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. Artikel71.Controle tijdens en na beëindiging van de bijstand Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren, evenals onderzoeken naar de reden van beëindiging van de uitkering, binnen door het college nader te bepalen termijnen en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan. Artikel72.Controlemiddelen 1.In het beleidsplan Hoogwaardige Handhaving kan het college de wijze van controle beschrijven en de handelwijze bij inconsistenties; 2.Het college maakt ter controle voorts gebruik van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van samenloopsignalen die daaruit voortkomen; 3.Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand. Hoofdstuk7Betrekken van ingezetenen bij het beleid Artikel73.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college kan nadere regels vast stellen ter uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk8Slotbepalingen Artikel74.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van cliënt afwijken van hetgeen bij deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel75.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2019 en vervangt de Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 2018. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Integrale verordening sociaal domein gemeente Woudenberg 2019. Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van: …K. WiesenekkerRaadsgriffierT. Cnossenvoorzitter Toelichting op de Verordening sociaal domein Woudenberg Algemeen Met ingang van 2015 is er veel veranderd in het sociaal domein. De meest belangrijke aandachtsgebieden in het sociaal domein zijn zorg, welzijn, werk, inkomen, onderwijs, gezondheidszorg en vrije tijdsbesteding. Met de invoering van de Jeugdwet, de Participatiewet en de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning is de gemeente Woudenberg verantwoordelijk geworden voor de ondersteuning en dienstverlening aan een grotere groep inwoners. Deze extra verantwoordelijkheid biedt kansen voor de gemeente en voor onze inwoners: Kansen om verbindingen te leggen tussen de verschillende terreinen in het sociaal domein. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid voor een integrale benadering/bredere kijk op vraagstukken. Kansen om maatwerk te bieden bij het zoeken naar oplossingen. Hierbij gaan we uit van de inwoner of het gezin en betrekken we deze in de oplossingen. Kansen voor minder bureaucratie, korte lijnen, kleinschalige dienstverlening, dichtbij de inwoners, duurzame oplossingen, snellere signalering en tijdig ingrijpen bij knelpunten of problemen. Kansen voor kwaliteit- en doelmatigheidsvergroting. In deze toelichting wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht. In de algemene bepaling wordende visie achter deze verordening en de ontwikkelingen voor de toekomst geschetst. De toepasselijke wetten in het sociaal domein vormen geen samenhangende eenheid. Wij staan voor de opdracht, waar sprake is van een inwoner of een gezin, tot een integrale benadering te komen. Bij het nemen van besluiten zal acht moeten worde geslagen op het doel van de wetgeving en het effect van het besluit op de andere leefdomeinen, en de zorgplicht die de gemeente heeft. Waar de regelgeving lijkt te conflicteren zijn er de grondwaarden die dominant zijn voor het te nemen besluit. Deze grondwaarden zijn verwoord in de onderdelen a t/m c in deze algemene bepaling. De grondwaarden a en b zijn ontleend aan het Verdrag inzake de Rechten van het kind. Onder kind wordt verstaan ieder mens jonger dan 18 jaar. Keuzen die gemaakt worden op het terrein van het sociaal domein mogen er niet toe leiden dat een kind niet actief kan deelnemen aan de samenleving of niet in staat is een bevrediging, volwaardig en behoorlijk leven te leiden of noodzakelijke (aangepaste) (gezondheids)zorg, onderwijs, training en sport en s[el ontbeert. Vergelijkend hiermee is de toegankelijkheid van wat wordt aangeboden in onze leefdomeinen voor gehandicapten en chronisch zieken. Grondwaarde c is ontleend aan de het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De onderdelen d t/m f komen voort uit de door de gemeenteraad Van Woudenberg vastgestelde visie op het sociaal domein. Van inwoners wordt verwacht dat zij maatschappelijk participeren en ook anderen in staat stellen deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Eigen kracht en verantwoordelijkheid zijn daarbij het uitgangspunt voor zowel de inwoner die een probleem ondervindt als wel zijn/haar netwerk. Als gemeente faciliteren we algemene voorzieningen die eigen kracht, participatie en het helpen van elkaar mogelijk maken. Als het inwoners niet lukt om zelf of met hulp van de eigen omgeving, knelpunten op te lossen, helpt de gemeente samen met partners de juiste weg te wijzen of ondersteuning te bieden. We sturen er op dat deze ondersteuning zo veel als mogelijk is gericht op het versterken van de eigen kracht van de inwoner, het gezin en het sociaal netwerk. Waar mogelijk houden inwoners daarbij de regie, zij kunnen immers zelf het beste aangeven wat ze willen en nodig hebben. Het kiezen voor een integrale benadering van ondersteuningsvragen wordt nu ondersteund door een integrale verordening voor het sociaal domein. Deze draagt bij aan het vinden van integrale antwoorden op ondersteuningsvragen. Echter voor het gehele sociale domein is niet één wet, maar worden diverse wetten gehanteerd. Ondanks dat heeft de gemeente in deze verordening voor de drie aparte wetten (Jeugdwet, Wmo en Participatiewet) integraal beschreven wat de manier van benadering van ondersteuningsvragen is. In aparte hoofdstukken zijn de onderdelen uitgewerkt die specifiek voor één wet gelden. Het totaal van deze hoofdstukken geeft kaders voor de besluitvorming op een aanvraag. De verordening geeft invulling aan één integraal proces in het sociaal domein met als vertrekpunt: ‘één individu of gezin, één plan’. De vraag staat centraal in één proces, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het gehele sociale domein (ongeacht de vraag van de inwoner en het terrein waarbinnen de vraag valt). Inwoners die zich met ondersteuningsvragen bij de gemeente melden, kunnen van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd wordt. Samen met betrokkenen komt de gemeente tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Toepassing en begrippen In dit artikel zijn bepalingen gedefinieerd, die niet in de landelijke Jeugwet, Wmo of Participatiewet voorkomen en/of die kenmerkend zijn voor de situatie in onze gemeente. Artikel 41 van de Participatiewet ziet zowel op aanvragen levensonderhoud als bijzondere bijstand. Artikel 44 van de Participatiewet ziet op inkomen. Artikel 53a van de Participatiewet ziet op de eenmalige gegevensuitvraag via SUWI en wordt uitgevoerd tijdens het rechtmatigheidsonderzoek. Hoofdstuk 2. Integrale benadering De integrale benadering is van essentieel belang om met inwoner(
- s)en het/de betrokken team(
- s)te komen tot het verhelderen van de vraag, die de inwoner heeft op één of meerdere gebieden binnen het sociaal domein. Artikel 2. Melding hulpvraag In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan stellen aan de gemeente. Een hulpvraag kan binnen komen bij de Cpöperatie De Kleine Schans. De vragen kunnen mondeling, telefonisch of digitaal worden gesteld. Ook kan iemand anders namens de inwoner (op verzoek van de inwoner) om hulp vragen. Voor aanvragen levensonderhoud in het kader van de Participatiewet worden meldingen digitaal gedaan via werk.nl. Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk als mensen digitaal niet vaardig zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan vergunninghouders of laaggeletterden. Artikel 3. Vooronderzoek In het vijfde lid wordt gesproken over het overleggen van de noodzakelijke gegevens. De gemeente werkt volgens de richtlijnen van de Wet Bescherming Persoonsgegevens om de privacy van de inwoner te waarborgen. Het derde en vierde lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag (artikel 2.2.4 lid 1 sub a van de Wmo). De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de inwoner gratis is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het eigen netwerk. Artikel 4. Gesprek Het gesprek over de hulpvraag kan overal in de gemeente plaatsvinden, zoals bij de inwoner thuis. In dit artikel staat een aantal punten genoemd die in het gesprek aan de orde kunnen komen. Er zijn nog meer punten die behandeld kunnen worden, afhankelijk van de hulpvraag. Bijvoorbeeld de financiële situatie van de inwoner. Ten aanzien van lid 1, d wordt in de onderzoeksfase ook rekening gehouden met het huidige informele netwerk en de rol die sociale contacten spelen bij het huishouden. Artikel 5. Verslag In het kader van de beantwoording van de ondersteuningsvraag is het van belang dat de cliënt en de medewerker die het onderzoek uitvoert zoveel mogelijk van dezelfde informatie kunnen uitgaan. Het verslag waarmee het onderzoek wordt afgesloten wordt aan de cliënt verstrekt, tenzij er een plan van aanpak wordt opgesteld. In dat geval maakt het resultaat van het onderzoek deel uit van het plan van aanpk en hoeft er niet een apart verslag te worden opgesteld. Het verslag als zodanig is geen beschikking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Mocht de uitkomst van het onderzoek, ook na een eventuele second opinion, niet tot overeenstemming leiden omdat de inwoner niet de voorzieningen ontvangt die hij denkt nodig te hebben, dan kan daar een aanvraag voor worden ingediend waarna aan de hand van een voor bezwaar vatbare beschikking het besluit van de gemeente juridisch getoetst kan worden. Bij werk en inkomen is dit proces anders ingericht. De gegevens uit het onderzoek en het gesprek over de aanvraag bijstand voor levensonderhoud met de cliënt worden in een rapportage beschreven op grond waarvan geconcludeerd wordt of er al dan niet recht op bijstand bestaat. Dit besluit wordt in een beschikking meegedeeld aan de cliënt. De cliënt heeft zelf de benodigde gegevens schriftelijk overlegd. De rapportage over deze gegevens en de omstandigheden van de cliënt worden om die reden niet aan de cliënt voorgelegd. Artikel 6. Aanvraag De aanvraag op basis van de Jeugdwet/Wmo kan mondeling of schriftelijk worden gedaan. Als de cliënt het verslag (plan van aanpak) ondertekent en het plan is voorzien van zijn naam, burgerservicenummer (BSN), geboortedatum en een dagtekening, kan het fungeren als aanvraagformulier voor een maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening in het kader van de Participatiewet betreft ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Doorgaans wordt een re-integratietraject door de medewerker in overleg met de cliënt uitgezet zonder dat er sprake is van een expliciete aanvraag door de cliënt. Artikel 7. Advisering Als dat voor het onderzoek nodig is, kan een externe adviseur worden gevraagd op bepaalde aspecten van het onderzoek te adviseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de beoordeling van iemands medische of psychische situatie in relatie tot de ondersteuningsvraag. Dat kan het geval zijn tijdens de melding of nadat de aanvraag is ingediend. Aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de cliënt beperkingen ondervindt die objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (zie centrale raad van beroep, 26-11-2009, zk.nmr 09-5702 Wmo-VV, CRVB:2009:BK4567 en 10-10-2012, zk.nmr 11-5873 Wmo, CRVB:2012:BY0324). In het geval van een woningaanpassing kan het college ook om advies vragen om bijvoorbeeld vast te laten stellen wat de goedkoopst passende bijdrage is. De cliënt wordt geacht medewerking te verlenen aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (zie centrale raad van beroep, 17-10-2012, zk. Nmr 10-5275 Wmo, CRVB:2012:BY0448). De hier bedoelde plicht geldt ook voor de huisgenoten als aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend. Artikel 8. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel is de essentie opgenomen die in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Artikel 9. Algemene criteria maatwerkvoorziening In de inleiding van de Jeugdwet wordt in overweging genomen dat het wenselijk is dat hulp op maat wordt geboden, er meer ruimte voor professionals is en tot het demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen en het participeren in de samenleving allereerst bij de cliënten en hun omgeving zelf ligt. De inleiding van de Wmo 2015 beschrijft dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en dat van burgers mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen daarin bijstaan. Burgers die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning en dat de ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen, erop gericht moet zijn dat burgers zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Het ligt in de rede dat overheidsverantwoordelijkheid voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie zo dicht mogelijk bij de burger worden belegd. De genoemde afwegingsfactoren zijn daar mede op gericht. Passende ondersteuning wordt geboden zo licht als het kan, zo zwaar als het moet. Waarbij de beoordeling van wat passende ondersteuning is aan de professional wordt overgelaten. De professionals in het sociaal team nemen besluiten. Daarnaast waarborgt het college conform artikel 2.3 van de Jeugdwet een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van het inzetten van de aangewezen voorziening. Het college heeft daartoe onder meer professionals in een sociaal team aangesteld. Deze professionals hanteren op basis van het vooronderzoek (artikel 5), het gesprek (artikel 6), het verslag (artikel 7) en de aanvraag (artikel 8) de genoemde afwegingsfactoren in dit artikel en nemen een besluit om een overige voorziening of een maatwerkvoorziening te treffen. Artikel 10. Regels voor persoonsgebonden budget (Wmo/Jeugdwet) Deze bepaling regelt op welke wijze de hoogte van een pgb wordt bepaald. De hoogte van het pgb moet toereikend zijn om daarmee de ondersteuning in te kunnen kopen welke voldoet aan de kwaliteit met betrekking tot het doel waarvoor het is verstrekt. Daarbij geldt het principe van de goedkoopst passende bijdrage als bedoeld in artikel 20.a en 20.b van deze verordening. Vanaf 1 januari 2018 moet worden voldaan aan de minimale uurlooneisen van de Wet minimumloon (behoudens een kleine overgangsgroep in 2018). In dit artikel wordt een onderscheid gemaakt in diensten waarbij hulp en/of zorg wordt geboden en voorzieningen die noodzakelijk zijn om te kunnen functioneren. Regel is dat daarvoor altijd een indicatie is afgegeven. Indien het college een indicatie voor ondersteuning heeft vastgesteld kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt om een pgb met terugwerkende kracht te verlenen. Vooropgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb moet worden voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van het derde lid onderdeel a. tot en met c. Het ligt niet voor de hand dat hier snel met succes een beroep op kan worden gedaan. Voor het beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb zal de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)een uitvoeringsplan pgb moeten opstellen (artikel 10 lid 4). Ook is opgenomen dat de budgethouder verplicht is om gebruik te maken van de model overeenkomst van de SVB (artikel 10 lid 5). De model overeenkomsten van de SVB zijn ter bescherming van de budgethouders opgesteld. Door op te nemen dat de budgethouder hier gebruik van dient te maken wordt geborgd dat alle noodzakelijke gegevens in de overeenkomst worden opgenomen en dat de belangen van de budgethouder mede worden gediend. De CRvB heeft op 17 mei 2017 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1803) een uitspraak gedaan over verboden delegatie. De raad stelt dat de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de hoogte van het pgb en het vaststellen van het pgb niet kan worden gedelegeerd aan het college. De essentialia van het voorzieningenpakket dienen in de verordening te worden vastgelegd. Volgens de CRvB behoort de berekeningswijze van de hoogte van de pgb tarieven tot de essentialia. Op grond van deze uitspraak is artikel 10 aangepast. In dit artikel is nu de berekeningswijze pgb vastgelegd met betrekking tot differentiatie van de tarieven. Deze berekeningswijze is leidend voor het college bij de berekening van tarieven, welke zijn gebaseerd op de tarieven zoals zijn voortgekomen uit de inkoop bij de diverse zorgaanbieders. Jaarlijks stelt het college een Financieel Besluit vast waarin per voorziening de maximale pgb tarieven worden vastgelegd. Wat betreft het met een pgb inkopen van diensten is het uitgangspunt is dat bij een professional in dienst van een zorgaanbieder een percentage van 90% wordt gehanteerd. Bij de professional die werkzaam is als zelfstandige en/of die een arbeidsovereenkomst heeft met de pgb-houder wordt een percentage van 75% aangehouden. Het is ook mogelijk dat vanuit het pgb diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen worden betrokken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Deze persoon hanteert hiervoor een tarief van 50% van het [laagste] toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Bovendien mogen er geen tussenpersonen of belangenbehartigers uit het pgb betaald worden. Vanaf 1 mei 2019 zullen alle personen die vanuit een overeenkomst van opdracht werken en betaald worden uit een persoonsgebonden budget (pgb), of minimaal het minimumuurloon moeten krijgen, of gebruik moeten gaan maken van een nieuwe regeling, met de zogenaamde ‘verklaring’. Nog niet alle budgethouders betalen nu het wettelijk minimumloon. Het gaat om de budgethouders die nog tot 1 mei 2019 in de uitzonderingscategorie vallen. De nieuwe ministeriële regeling ‘Hulp uit sociaal Netwerk’ maakt het per 1 mei 2019 mogelijk om betalingen uit een pgb te doen in die situaties waar geen sprake is van een arbeidsrelatie (en er dus geen sprake is van een overeenkomst). Het gaat om hulp in familieverband, burenhulp of vriendendienst. Deze betalingen hoeven dan niet aan het wettelijk minimumloon te voldoen. In artikel 10 lid 7 onder d. is nu de mogelijkheid van zo’n soort betaling opgenomen. Het maximum standaardbedrag is € 141,-- per maand. In de verordening is aangegeven wat onder geïndiceerde diensten wordt verstaan waar het gaat om de Wmo en de Jeugdwet (art. 10 lid 7). Jaarlijks stelt het college een Financieel Besluit vast waarbij in ieder geval voor deze diensten een tarief wordt vastgesteld dat is gebaseerd op de inkoop tarieven zoals die zijn overeengekomen. Naast het Financieel Besluit zijn er ook nog de nadere regels Sociaal Domein, welke ook door het college worden vastgesteld. Deze regels bevatten een volledige opsomming van alle diensten die zijn ingekocht in het kader van de Wmo en Jeugdwet. Voor de voorzieningen, zijnde hulpmiddelen en woningaanpassingen, geldt dat het pgb in ieder geval niet meer bedraagt dan het bedrag dat het college zelf verschuldigd zou zijn, waaronder inbegrepen de genoemde kosten. Zoals aangegeven in artikel 10 lid 9 en 11. Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6, vijfde lid onder a, van de wet maatschappelijke ondersteuning (vergelijk ook uitspraak centrale raad van beroep, 19-9-2012, zk. Nmr 10-3482 Wmo, CRVB:2012:BX8897). Voor individueel (rolstoel)taxivervoer stelt het college normbedragen vast (artikel 10 lid 10). Daarvan kan overigens worden afgeweken als de omstandigheden daarvoor aanleiding geven, het gaat om maatwerk. Verder kan het college een pgb vaststellen op basis van een offerte. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt, maar ook een offerte die de cliënt zelf aan het college overhandigt. In het dertiende lid gaat het over beschermd wonen waarvan de uitvoering ligt bij de centrumgemeente Amersfoort. De indicatie voor beschermd wonen wordt echter wel door de gemeente zelf afgegeven en bestaat, naast de beschermende woonomgeving (het noodzakelijke verblijf) uit niveaus van bijbehorende noodzakelijke ondersteuning. Bij het stellen van de indicatie wordt bepaald waar de cliënt op is aangewezen. Het kan voor komen dat de cliënt in aanmerking komt voor een pgb, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Wordt het pgb besteed aan een accommodatie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, dan kan het zijn dat de hoogte van het pgb niet toereikend is. Voor die gevallen kan een (aanvullend) pgb worden verstrekt in de vorm van een wooninitiatieventoeslag. Deze cliënten zijn doorgaans zelf kosten verschuldigd die te maken hebben met de beschermende woonomgeving, zoals woonkosten. Deze wooninitiatieventoeslag is bestemd voor kosten die gemaakt moeten worden voor het organiseren van de ondersteuning van pgb-houders, de gemeenschappelijke ruimte en infrastructuur in het kader van doelmatige ondersteuning. Daarbij geldt vanzelfsprekend dat deze kosten niet gefinancierd kunnen worden uit het pgb of andere voorliggende oplossingen of voorzieningen. Deze regeling wordt door de centrumgemeente uitgevoerd en is nu in het veertiende lid benoemd. Artikel 11. Opschorting, beëindiging Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. Er worden voorbeelden genoemd wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening dan wel pgb. Afhankelijk van de individuele situatie is het college bevoegd om de inzet van een maatwerkvoorziening tijdelijk op te schorten. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarvan (nog) niet duidelijk is of het beëindigen van de maatwerkvoorziening wel op z’n plaats is. Opgemerkt wordt dat de SVB bevoegd is tot onder meer opschorting van de betalingen uit het pgb. Artikel 11a. Opschorting betaling uit het pgb In bepaalde gevallen is opschorting van een betaling uit een pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Door opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Het is aan de SVB om te beslissen over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met de toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt. Echter het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb, Daarvoor is nu lid twee opgenomen. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek conform artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien. Artikel 11.b Herziening of intrekking Voor de cliënt geldt een wettelijke plicht op grond van artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en 2.3.8 van de wet maatschappelijke ondersteuning tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maat-werkvoorziening dan wel pgb. Sinds 1 augustus 2016 geldt deze verplichting (in geval van een pgb) ook jegens de SVB. Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd.Evenwel informeert het college cliënten of hun vertegenwoordiger hierover in begrijpelijke bewoordingen en geeft daarbij ook aan wat de consequenties zijn van het niet nakomen van deze plicht. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken van het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een andere besluit zou hebben geleid indien de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt. Verder kan het niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het pgb (hoofdstuk 5 van de verordening) leiden tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit. In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten (of in dat artikel bedoelde derden). Namelijk indien de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Daarmee heeft de wetgever verzuimd om in gevallen waarin anderszins ten onrechte een maatwerkvoorziening wordt verleend of tot een hoog bedrag in de vorm van een pgb is betaald niet kan worden teruggevorderd. Voor die gevallen is een bevoegdheid neergelegd in dit artikel. Uit de uitspraak van de centrale raad van beroep van 17-5-2006, 04-2122 ZW, CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Of sprake is van onverschuldigde betaling (artikel. 6:203 e.v. van het burgerlijk wetboek) zal in de praktijk geen problemen opleveren, mits het college een herzienings- of intrekkingsbesluit neemt. Dit artikel biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening. Naast met het oog op de beoordeling van de kwaliteit, dient het college, al dan niet steekproefsgewijs, ook te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder. Hieraan staat behoefte omdat bij twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 van de wet maatschappelijke ondersteuning onvoldoende houvast biedt. Op grond hiervan kan het college periodiek (ook) onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. In lid 3, sub d. is de mogelijkheid opgenomen dat het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet kan herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan een vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken. Gekozen is om een termijn van vier weken aan te houden daar dit een redelijke termijn is waarbinnen de zorg kan worden afgebouwd. Dit artikel is niet van toepassing op de Participatiewet, omdat dit al in de Participatiewet zelf is opgenomen. Opschorting, herziening, intrekking en terugvordering is niet mogelijk als iemand niet meewerkt in het kader van een re-integratieverplichting. In dat geval is het wel mogelijk de uitkering af te stemmen (te verlagen) op het gedrag van de cliënt. Artikel 11c. Terugvordering en verrekening van het pgb Intrekking of herziening van een voorziening op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet kan leiden tot ten onrechte of teveel verleende ondersteuning. Deze bepaling regelt dat het college in dat geval ook bevoegd is de geldswaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura, dan wel van het teveel of ten onrechte verstrekte pgb.. Terugvordering van de geldswaarde is natura is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de jeugdige en/of ouder(
- s)kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. De bevoegdheid tot terugvordering betreft een kan-bepaling. Hoewel daarvoor rechtvaardiging kan worden gevonden zal het college bij de toepassing hiervan een afweging moeten maken tussen de bij het te nemen besluit betrokken belangen. Artikel 11d. Fraudepreventie en controle De gemeenteraad is verplicht om bij verordening regels vast te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Diverse bepalingen in dat kader zijn overigens ook ondergebracht in andere artikelen van deze verordening. De Jeugdwet bevat geen wettelijke verplichting om een toezichthouder aan te wijzen, maar sluit deze mogelijkheid ook niet uit. Met deze bepaling in de verordening wordt hiervoor een grondslag geboden. De aan te wijzen toezichthouder handelt op basis van de bestuursrechtelijke bevoegdheden. Deze zijn vastgelegd in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. Het toezicht betreft de uitvoering van de wet (de rechtmatigheid). Het toezicht op de kwaliteit van de wet is door de Minister belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ). Hoofdstuk 3 Voorzieningen Artikel 12 Algemene voorzieningen In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene- (vrij-toegankelijke) en maatwerk(niet vrij-toegankelijke) voorzieningen. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene (vrij-toegankelijke) voorziening. Hier kunnen de cliënten gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. Artikel 12 t/m 15 Deze artikelen geven een beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente op grond van de verschillende wetten, respectievelijk Jeugdwet, Wmo 2015, Participatiewet en IOAW/IOAZ. Artikel 13. Vormen van jeugdhulp In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Het begrip 'voorziening' binnen de Jeugdwet is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een maatwerk voorziening. Een maatwerkvoorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij-toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij-toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige en/of zijn ouder(
- s)deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie vorige pagina). Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. In deze verordening worden de algemene categorieën genoemd. Vanwege de transformatie zullen vormen van jeugdhulp aan verandering onderhevig zijn. In nadere regels wordt dit uitgewerkt en ter besluitvorming aan college voorgelegd. Artikel 14. Vormen van Wmo Dit artikel spreekt voor zich Artikel 15. Maatwerkvoorzieningen: vormen Participatiewet en IOAW/IOAZ Met het eerste lid wordt benadrukt dat ondersteuning ook eenvoudigweg kan bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties. Er hoeft niet per definitie sprake te zijn van de inzet van een instrument of voorziening. Re-integratie-instrumenten worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Re-integratie moet bovendien de kortste weg naar arbeid zijn. De voorzieningen onder a tot en met g worden afzonderlijk uitgewerkt in het hoofdstuk Participatiewet. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling een limitatieve lijst van inzetbare voorzieningen/instrumenten op te nemen. Immers, re-integratie is maatwerk, en het op voorhand beperken van instrumenten kan er in het individuele geval toe leiden dat geen werk aanvaard kan worden. Dat wordt voorkomen met onderdeel i. Bij onderdeel j kan worden gedacht aan reiskosten die het normale maatschappelijk verkeer te boven gaan, bedrijfskleding, kinderopvang etc. Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet en Wmo, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt), door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet –artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo 2015). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, ondersteuning op grond van de Wmo 2015, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet- artikel 2.6.6 van de Wmo 2015). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 17. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (art. 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet Toeleiding naar de jeugdhulp niet via de gemeente De toeleiding naar maatwerkvoorzieningen jeugdhulp kan naast de toegang via de gemeente ook op andere manieren plaatsvinden. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige en/of zijn ouder(
- s)precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie hoofdstuk 3). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 17). Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeug