Deze beleidsregels van de gemeente Hoeksche Waard beschrijven hoe het college van burgemeester en wethouders omgaat met aanvragen voor maatschappelijke ondersteuning, met als doel inwoners te helpen zelfredzaam te zijn en te participeren. Ze leggen uit hoe de gemeente maatwerkvoorzieningen beoordeelt en verstrekt.
Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2020)Het College van burgemeester en wethouders gelet op: De Algemene wet bestuursrecht, hoofdstuk 4, titel 4.3; De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2020; Het Besluit maatschappelijke ondersteuning besluit vast te stellen: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2020 HOOFDSTUK1Algemene uitgangspunten Inleiding Juridische status Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Geen algemeen verbindend voorschrift Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Feitelijk gaat het dan om een geschreven geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid. Het gaat over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of de toepassing van de bepalingen in de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2020, hierna te noemen “de Verordening”. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens door het college vastgesteld beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. De beleidsregels volgen zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dan ook hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe het college de aanspraak daarop beoordeelt. Daarvoor kunnen algemene bepalingen gelden die, afhankelijk van de individuele situatie of omstandigheden, nader zijn uitgewerkt in specifiek omschreven bepalingen. Goed samenhangend stelsel De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2020 strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard 2020. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. Alle begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de wet) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoeksche Waard en de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). De bijlagen maken integraal onderdeel uit van de beleidsregels. Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente De Wmo 2015 draagt gemeenten onder meer op zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning en de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Onder maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 eerste lid van de wet) wordt verstaan: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, bieden van beschermd wonen en opvang. Onder voorzieningen worden algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen verstaan (art. 1.1.1 eerste lid van de wet). De regels over kwaliteit en continuïteit zijn neergelegd in hoofdstuk 3 van de wet. Kwaliteit De Wmo 2015 vormt het kader dat waarborgt dat de inhoud en de kwaliteit van ondersteuning is afgestemd op de eisen die daaraan in de individuele situatie mogen worden gesteld. De Wmo 2015 gaat uit van maatwerk; de aanname dat de kwaliteit van de ondersteuning aan een cliënt wordt bevorderd als die zo goed als mogelijk wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt. Daarbij biedt de Wmo 2015 een basisnorm voor kwaliteit als uitgangspunt voor gemeentelijk kwaliteitsbeleid en voor aanbieders van voorzieningen. Deze basisnorm vereist dat een voorziening in ieder geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt; is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere zorg of hulp die hij ontvangt; wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; en wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. Op landelijk niveau zullen gemeenten in overleg met organisaties van cliënten, aanbieders en zorgverzekeraars bezien voor welke cliënttypen en voorzieningen landelijke kwaliteitsstandaarden een bijdrage kunnen leveren aan een goede uitvoering van de wet. Dit betekent dat de gemeente Hoeksche Waard op dit moment nog geen beleidsregels vaststelt over de kwaliteit van maatwerkvoorziening. Dat sluit aan bij het Regionaal Beleidsplan. Het begrip kwetsbaar Ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is bedoeld voor kwetsbare burgers die onvoldoende hulpbronnen hebben om op eigen kracht bepaalde moeilijkheden en tegenslagen te overwinnen en om hun leven op de door hen gewenste manier vorm te geven (uit het advies van de Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling: Kwetsbaar in kwadraat). Burgers kunnen worden ingedeeld in de groep kwetsbaar als er sprake is van samenhang in of risico’s op de volgende aspecten: Een beperkte sociale steunstructuur (weinig betekenisvolle sociale relaties). Weinig veerkracht (de draaglast is groter dan de draagkracht). Gering vermogen tot eigen regie voeren (in beperkte mate eigen wensen en behoeften duidelijk kunnen maken). Deze definitie betekent dat de mate van kwetsbaarheid sterk afhangt van de persoonlijke omstandigheden van een cliënt en zijn huishouden. Het legt daardoor de nadruk op een individuele beoordeling. Om te bepalen of een cliënt in de categorie zeer kwetsbaar valt, wordt onderzoek gedaan bij de beoordeling van een aanvraag en kan het ook aan de orde komen bij de melding van de hulpvraag en het gesprek. Wat wordt van burgers verwacht De gedachte om bij het bieden van ondersteuning eerst te kijken naar wat iemand nog wel kan of zelf kan organiseren binnen zijn sociale netwerk om daarmee zijn zelfredzaamheid en participatie te vergroten, is in de Wmo 2015 expliciet verankerd. Als uitgangspunt geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid is van mensen zelf. Een beroep doen op de sociale omgeving Tot die eigen verantwoordelijkheid van de burgers behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden - zijn eigen sociale netwerk - alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Het is niet vanzelfsprekend dat de gemeente bij iedere hulpvraag bijspringt. Uitgangspunt is dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Niemand wordt uitgezonderd Hiermee wordt niet uit het oog verloren dat iedereen een beroep mag doen op de gemeente. Geen enkele cliënt wordt op voorhand uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning. Eenieder kan zich melden met een hulpvraag. In het onderzoek dat het college na de melding uitvoert, zullen eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de sociale omgeving worden betrokken en meegewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet bieden van ondersteuning vanuit de gemeente. Het college beoordeelt in dit soort gevallen welke maatschappelijke ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin een cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven Met de Wmo 2015 wordt aangesloten bij de wil van mensen om zolang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te houden over hun eigen situatie door zich in te spannen om deel te nemen aan het maatschappelijk leven en elkaar, waar nodig en mogelijk, meer te helpen. Deze regierol van mensen is onder meer verankerd door de eigen kracht van mensen en hun sociale netwerk een centrale plek te geven in het onderzoek. In het gesprek na de melding wordt naar de persoonlijke situatie van de cliënt en zijn (eventuele) mantelzorger gekeken. Daarnaast bestaat het recht om onder voorwaarden te kiezen voor een persoonsgebonden budget (PGB). Verantwoordelijk tot indicatie Wet langdurige zorg Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van hun burgers tot aan het moment dat deze een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Op dat moment is immers langs de weg van zorginhoudelijke criteria vastgesteld dat iemand vanwege beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd of handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft. Weigeren maatwerkvoorziening Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren indien de cliënt een Wlz-indicatie heeft of kan krijgen tot de Wlz maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen (art. 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015). Voor degene met een Wlz-indicatie kan er voor een aantal voorzieningen overgangsrecht van toepassing zijn (art. 8.6a Wmo 2015). Outillage van de instelling Het is wel zo indien en voor zover de gevraagde voorziening tot de outillage van een instelling kan worden gerekend, de cliënt niet is aangewezen op maatschappelijke ondersteuning (vergelijk CRVB:2013:CA0312). Het college wijst de aanvraag in voorkomende gevallen af. Toepassing weigeringsgrond Het overgangsrecht van art. 8.6a Wmo 2015 heeft geen betrekking op: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf. Dat wil zeggen als het college zich op het standpunt kan stellen dat er mogelijk aanspraak bestaat op een Wlz-indicatie, dan wordt de aanvraag om een maatwerkvoorziening in principe geweigerd (CRVB:2018:1525). Er kunnen zich spoedeisende situaties voordoen waarin een cliënt niet zonder ondersteuning kan tot het moment het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) heeft beslist op de aanvraag. In die gevallen stelt het college een tijdelijke indicatie. Van de cliënt wordt verwacht dat hij in die periode een aanvraag indient. Het ligt voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet. Een indicatie daarvoor wordt door de wijkverpleegkundige gesteld. Opgemerkt wordt dat het hebben van een psychiatrische grondslag alleen geen toegang geeft tot de Wlz (art. 3.2.1 Wlz). Er is wel een wetswijziging aangekondigd die daar verandering in aanbrengt. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2021. Deze wetswijziging zal voornamelijk betrekking hebben op cliënten die zijn aangewezen op beschermd wonen. Het ligt voor de hand dat met het inwerking treden van dit wetsvoorstel ook het overgangsrecht op grond van de AWBZ voor beschermd wonen eindigt. Het college is op dat moment bevoegd om te beoordelen of de cliënt is aangewezen op beschermd wonen of dat een ambulante vorm van begeleid wonen volstaat. Hulpmiddelen in de Wlz-instelling Vanaf 1 januari 2020: worden mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor alle cliënten in een Wlz-instelling verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo 2015; worden hulpmiddelen voor zorgverlening en wonen voor algemeen gebruik altijd uit de Wlz betaald. Dit gaat bijvoorbeeld om tilliften en hoog-laagbedden, ook wel ‘roerende voorzieningen’ genoemd. Nu leveren gemeenten en zorgverzekeraars deze hulpmiddelen soms nog vanuit de Wmo 2015 en Zvw. De vereenvoudiging kan met name gevolgen hebben voor cliënten zonder behandeling die al gebruik maken van deze hulpmiddelen. Uitgangspunt is dat zij zo weinig mogelijk van deze verandering merken. Er wordt uitgegaan van een overgangsperiode, Bestaande hulpmiddelen worden vervangen als ze aan vervanging toe zijn of niet meer passend voor de betrokken inwoner. Bewoners van Wlz-instellingen die na 2020 een nieuw hulpmiddel nodig hebben, krijgen deze meteen vanuit de Wlz. Mantelzorgwoningen Initiatieven als mantelzorgwoningen verdienen aandacht en waar mogelijk dienen belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). Beoordelingskader Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden hanteert het college bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening vanzelfsprekend het verslag en indien aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt. Daarbij geldt dat de specifieke beoordelingskaders kunnen verschillen per soort maatwerkvoorziening. Zo zullen bij de aanvraag om een vervoersvoorziening andere aspecten een rol spelen dan bij een aanvraag om Huishoudelijke Ondersteuning. In het algemeen worden de hierna volgende onderdelen beoordeeld: Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie? Wat zijn de resultaten die de cliënt wil bereiken om zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken, verbeteren, bevorderen of te behouden? Welke mogelijkheden heeft de cliënt zelf (al dan niet met hulp met anderen, algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen) om zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken, te verbeteren of te behouden? Pas als bovenstaande bedoelde mogelijkheden naar oordeel van het college niet leiden tot een passende oplossing, komt de beoordeling van een maatwerkvoorziening aan de orde. Dat moet blijken uit het verslag en voor zover aanwezig het persoonlijk plan van de cliënt. Welke weigeringsgronden, beperkende voorwaarden of beoordelingscriteria zijn van toepassing volgens de Verordening, de daarop gebaseerde lagere regelgeving of deze beleidsregels? Welke mogelijkheden kan het college bieden om de gewenste resultaten (een passende bijdrage) te bereiken via een collectieve- en/of individuele maatwerkvoorziening? Heeft de cliënt, indien hij dat wenst recht op een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB? Het college kan bij het onderzoek na de melding gebruik maken van de Zelfredzaamheidsmatrix om de mate van zelfredzaamheid van de cliënt te beoordelen. HOOFDSTUK2De procedure Inleiding In hoofdstuk 2 van de Verordening staan de procedureregels beschreven. Het gaat om de manier waarop het college omgaat met de melding van een hulpvraag van cliënten en hoe het onderzoek (het gesprek) wordt gedaan en afgerond. De wettelijke termijn waarbinnen het onderzoek moet zijn afgerond is zes weken. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op het onderzoek. Wel is het College overeenkomstig artikel 3:2 Awb gehouden het onderzoek zorgvuldig te doen. Dat volgt uit de schakelbepaling van artikel 3:1 Awb. Om voldoende rechtsbescherming te bieden kan de cliënt die een melding heeft gedaan in ieder geval na zes weken altijd een aanvraag indienen (art. 2.3.2 negende lid van de wet). De in hoofdstuk 2 beschreven procedure betreft de algemene geldende procedure die van toepassing is tenzij de bepalingen in deze beleidsregels aanleiding geven om daar van af te wijken. Melding van de hulpvraag Een ieder kan zich bij het college melden. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een verzoek om maatschappelijke ondersteuning (hulpvraag). Dit is van belang omdat een melding van een hulpvraag leidt tot een gesprek, zie artikel 2.3 van de Verordening. De melding van hulpvraag kan op verschillende manieren worden gedaan (schriftelijk, telefonisch of per email). Zoals bij wet is voorgeschreven bevestigt het college de ontvangst van de melding van de hulpvraag aan de cliënt. Dat doet het college schriftelijk of per email. Na de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet: er vindt een gesprek plaats (zie verder artikel 2.3 van de Verordening). Informatie Als een burger alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. De melding is in een aantal gevallen dus niet meer dan een informatieverzoek van de burger. Het college zal zich na een melding wel een beeld moeten vormen van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Persoonlijk plan en cliëntondersteuning Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling in de Verordening). De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. Inhoud persoonlijk plan Uit het persoonlijk plan moet in ieder geval blijken op welke manier de cliënt zelf denkt dat zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan worden vormgegeven. De inhoud van de motivatie moet betrekking hebben op de volgende onderwerpen: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie. In het persoonlijk plan kan - indien nodig - eveneens worden betrokken: de mogelijkheden vanuit voorliggende voorzieningen; Voor zover de eerder genoemde mogelijkheden niet passend zijn daarnaast: de mogelijkheden van een of meer maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo. De motivatie is als het ware vergelijkbaar met het onderzoek dat de gemeente zou verrichten. Dit betekent dat in het persoonlijk plan de ondersteuningsbehoefte vertaald wordt naar te bereiken resultaten. Het college beoordeelt de inhoud van het persoonlijk plan. Deze inhoud wordt afgezet tegenover de uitkomst van een eigen onderzoek door het college in de (fictieve) situatie waarin de betrokken cliënt geen persoonlijk plan maakt. Clientondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1, eerste lid Wmo 2015). Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de hulpvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van (gratis) cliëntondersteuning. Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. De cliëntondersteuner kan ook een professional in dienst van een welzijnsinstelling zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker. Signaleringsfunctie Verder kan het college met aanbieders afspraken maken over het indienen van een melding namens cliënten. Het is logisch dat zij snel kunnen constateren dat de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een cliënt toeneemt, of dat er aanleiding is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname van de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het college doet in ieder geval onderzoek en er wordt zonodig een gesprek gepland met de cliënt. De bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening of een PGB is toegekend is overigens ook neergelegd in artikel 2.3.9 van de wet. Maatschappelijke opvang en beschermd wonen Voor beide maatwerkvoorzieningen treedt de gemeente Nissewaard op als zogeheten centrumgemeente. Aanvragen voor Maatschappelijke opvang worden doorverwezen naar de gemeente Nissewaard. Bij aanvragen voor Beschermd wonen wordt een vooronderzoek gedaan. Is beschermd wonen aan de orde dan wordt doorverwezen naar Nissewaard. Het gesprek (onderzoek) Na bevestiging van de melding van de hulpvraag wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Op voorhand bepaalt de Verordening niet precies wanneer deze afspraak wordt gemaakt. Afhankelijk van de aard van de melding kan het namelijk zijn dat het college eerst gegevens wil verzamelen voor een goede voorbereiding op het gesprek. Daarvoor kan overigens ook medewerking van de cliënt nodig zijn. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mantelzorger of personen uit diens sociale netwerk. In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen daarvoor mogelijk zouden kunnen zijn. Daarbij staat het belang van de cliënt voorop. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van een persoon of personen uit het sociale netwerk van een cliënt een meerwaarde heeft. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de zelfredzaamheid van de cliënt wordt versterkt of zal verbeteren. Ook kan het college in samenspraak met de betrokkenen het probleemoplossend vermogen van de cliënt en/of de personen uit diens sociale omgeving bespreken. In geval van mantelzorg wordt de mantelzorger altijd uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van mantelzorg. Voldoende professionaliteit Uitgangspunt is dat het college zorg draagt voor voldoende professionaliteit bij degene die het gesprek voert en ter afronding daarvan een verslag opstelt. Het behoeft verder geen toelichting dat de mate van beperkingen van cliënten die een melding doen bij het college niet op voorhand vaststaat. Medewerking verlenen Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleent. In artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet is bepaald dat de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 van de Awb. Het verslag Van het gesprek wordt een verslag opgesteld. Daarin staan het in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen. Volgt uit het onderzoek dat een maatwerkvoorziening nodig is, dan wordt overgegaan tot het behandelen van de aanvraag. In een situatie, waarbij uit het onderzoek blijkt dat geen maatwerkvoorziening nodig is, wordt het onderzoeksverslag met de cliënt gedeeld en heeft de cliënt de mogelijkheid om toch een aanvraag in te dienen. De aanvraag Een aanvraag kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd. Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Opschorting beslistermijn Artikel 2.3.5 tweede lid van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voor komen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit bijvoorbeeld een deskundigenadvies nodig heeft zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Verordening. Het behoeft geen toelichting dat het college doorgaans niet binnen een termijn van twee weken over een dergelijk advies zal kunnen beschikken. De bevoegdheid de beslistermijn op te schorten vloeit voort uit artikel 4:14 Awb. Medewerking cliënt Uit de wet vloeit overigens voort dit ook te doen indien de cliënt niet de benodigde gegevens, bescheiden of medewerking heeft verleend aan het gesprek (als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Verordening) voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanspraak. Opschorting van de beslistermijn gebeurt in die gevallen onder toepassing van artikel 4:15 Awb. Verouderde informatie Het kan voor komen dat geruime tijd verstrijkt tussen het verstrekken van een verslag of plan van aanpak voor de cliënt en het feitelijk indienen van een aanvraag. Het bedoelde verslag of plan kan dan ook verouderde informatie bevatten waardoor het college niet (meer) binnen de wettelijke kaders zoals genoemd in hoofdstuk 4 van de Verordening kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het college de cliënt (opnieuw) uitnodigen voor een gesprek voordat op de aanvraag wordt beslist. Dit is analoog aan artikel 2.3.2 negende lid van de wet. Het gesprek wordt afgesloten met een nieuw of aangepast verslag. Deskundigenadvies Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het college advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is. Vereist is dat de beperkingen van de cliënt objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). Zie ook hoofdstuk 11 rapportage en advisering van deze beleidsregels. Medewerking en inlichtingen Uit artikel 2.3.8 derde lid van de wet vloeit voort dat de cliënt medewerking verleent aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het - via een machtiging - toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (CRVB:2012:BY0448 en vergelijk CRVB:2014:2287). De hier bedoelde plicht voor de huisgenoten geldt als voor het college aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend. Naast het oproepen van de cliënt of zijn huisgenoot kan het college ook deskundigen raadplegen op het gebied van bijvoorbeeld een woningaanpassing. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de toekenningsbeschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de inhoud van de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in artikel 14.7 van de Verordening onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Bewijslastverdeling Het college moet besluiten vanzelfsprekend zorgvuldig voorbereiden (art. 3:2 Awb). Daarvoor is de kennis nodig over de relevante feiten en de af te wegen belangen. De wet regelt niets over de bewijslastverdeling. Dat wil zeggen op wie (college of de cliënt) rust nu de plicht om bijvoorbeeld feiten aan te dragen die nodig zijn om op de aanvraag te kunnen beslissen. Uit de Awb vloeit voort dat de bewijslast in beginsel op de aanvrager rust. Het is aan hem om feiten en/of gegevens aan te dragen die het college nodig heeft om de aanvraag te kunnen beoordelen. Beperkingen stellen Tijdens het onderzoek moet het college beoordelen of de cliënt gelet op zijn beperkingen is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en ja welke als goedkoopst passende bijdrage kan gelden. Dat betekent wel dat de cliënt de beperkingen moet stellen. Dat wil zeggen: aangeven wat zijn beperkingen zijn, waar die uit bestaan en waarom er een maatwerkvoorziening nodig is. Pas dan zal het college het onderzoek kunnen uitvoeren. In de praktijk zal dit geen problemen op hoeven leveren. Onderbouwen stelling overig Het college kan zich terecht op het standpunt stellen dat algemeen gebruikelijke diensten, zoals kant-en-klaar maaltijden of de boodschappendienst een passende oplossing bieden (CRVB:2018:2182). Dat is het geval als deze: beschikbaar, financieel draagbaar en voldoende compenserend zijn. Uit de rechtspraak over de boodschappendienst blijkt dat een bedrag van € 4,95 per keer en een minimum bestelbedrag van € 70 mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen moeten worden gemaakt, niet zodanig is dat deze in financiële zin niet passend zijn voor een persoon met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum (bijv. CRVB:2017:1302). Indien de cliënt meent dat hij deze diensten financieel niet kan dragen, dan zal hij deze stelling moeten onderbouwen (bijv. CRVB:2014:4276). Dat kan met gegevens over zijn inkomsten en uitgaven. Overlegt de cliënt geen gegevens ter onderbouwing van de stelling, dan is dat geen reden voor het college om een maatwerkvoorziening in te zetten. Er zijn ook andere voorbeelden denkbaar. HOOFDSTUK3Beoordeling aanspraak Verordening: artikel 4.1 Inleiding Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Hoeksche Waard komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. De in hoofdstuk 3 beschreven beoordeling van de aanspraak volgt rechtstreeks uit de wet en betreft een algemene bepaling. Nadere invulling hiervan geldt voor zover dat in de beleidsregels is opgenomen. Vereiste hoofdverblijf De cliënt, die geen hoofdverblijf (woonplaats) heeft in de gemeente Hoeksche Waard, heeft geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens beperkingen. Bij hoofdverblijf wordt uitgegaan van de feitelijke verblijfplaats van de cliënt. De inschrijving in het BRP is daarbij een belangrijk punt, maar naar niet altijd doorslaggevend. Dit is ook van toepassing als het een minderjarige betreft. Meestal zal het feitelijke hoofdverblijf ook overeenkomen met wat er in de BRP is geregistreerd, maar als dat niet zo blijkt te zijn moet de gemeente aan de hand van onderzoek naar de feitelijke omstandigheden een oordeel vellen over de vraag of iemand daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente waar de Wmo-aanvraag gedaan is. Soms moet aan de hand van de bevindingen uit het onderzoek ter plaatse besloten worden in welke gemeente iemands feitelijke hoofdverblijf is gelegen. Bij de vraag waar de cliënt feitelijk verblijft, is ook van belang waar iemands centrale leven zich afspeelt. Hierbij zijn factoren van belang zoals bijvoorbeeld de omvang van het sociale leven ter plaatse (waar iemand zijn vrienden ontvangt) en het gebruik van diverse (maatschappelijke) voorzieningen ter plaatse. Hekkensluiter Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet zoals ook bedoeld in dit hoofdstuk nadrukkelijk de hekkensluiter. Dit neemt overigens niet weg dat het de cliënt altijd vrij staat om een aanvraag in te dienen nadat het gesprek (het onderzoek) is afgerond. Het college beoordeelt de aanvraag en kan die onder toepassing van bepalingen in de Verordening weigeren maar ook indien het van oordeel is dat de cliënt niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening gelet op het bepaalde in de wet. Eigen kracht Een belangrijk onderdeel is de eigen kracht. Daaronder wordt dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien; zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is onder de Wmo 2015 niet verplicht. Tijdens het gesprek wordt dit onderwerp wel met de cliënt besproken. Ondersteuning vragen Cliënten vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen iets voor hen te doen en mensen in het netwerk zijn vaak best bereid iets voor een ander te betekenen, maar weten niet hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het gesprek, waarbij het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt kan worden verlangd dat hij het college met deze personen in contact brengt. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het gesprek. Het college beoordeelt de wettelijke bepalingen. Dit neemt niet weg dat het de cliënt altijd vrij staat om een aanvraag in te dienen nadat het gesprek is afgerond en het college de cliënt een verslag heeft verstrekt. Het College kan de aanvraag onder toepassing van de bepalingen in de Verordening weigeren maar ook indien het van oordeel is dat de cliënt niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening gelet op het bepaalde in de wet zoals bedoeld in dit hoofdstuk. Algemene uitgangspunten In de Verordening zijn een aantal uitgangspunten neergelegd die van belang zijn bij de beoordeling van de aanvraag. Drie daarvan gaan over: Combineren eigen kracht en een ondersteuningsplan; Het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening; De inzet van ontwikkelingsgericht ondersteuning (kortdurend). Verordening: artikel 4.4 Algemene uitgangspunten De hoofdregel volgens de Verordening is dat het College de toe te kennen maatschappelijke ondersteuning kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en informele hulp bijvoorbeeld uit de sociale omgeving en verlenen in de vorm van een totaal aan afspraken zoals neergelegd in een ondersteuningsplan. Een dergelijk plan wordt of kan worden opgesteld door de aanbieder in samenspraak met de cliënt en vormt een onderdeel van de toekenningsbeschikking. Het betreft een opgesteld plan over de inzet van activiteiten voor het te bereiken resultaat. Primaat De hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Dit uitgangspunt heeft ook betrekking op de goedkoopst passende bijdrage. Collectieve maatwerkvoorzieningen kunnen immers goedkoper zijn dan individuele maatwerkvoorzieningen. Kortdurend De maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden verleend. De maatschappelijke ondersteuning wordt dan ontwikkelingsgericht ingezet hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken of verbeteren. Verder kan kortdurende maatschappelijke ondersteuning ook aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Daarnaast kan onder kortdurende ondersteuning ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Geheel van maatregelen Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Deze kunnen ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 vijfde lid van de wet. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het College om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Het College zal dit in elk individuele geval moeten afwegen. Mantelzorgondersteuning De maatwerkvoorziening beoogt de cliënt zelf adequaat te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Daar hoort bij wat de cliënt moet krijgen op de momenten dat de mantelzorger even niet wil of kan. Respijtzorg is de ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening die aan de cliënt wordt toegewezen voor de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem te ondersteunen. Denk bijvoorbeeld aan kortdurend verblijf. Dit moet worden onderscheiden van: de maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. Specifieke criteria maatwerkvoorziening Verordening: artikel 4.5 Lid 1 onder a Hierin is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in staat moet stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Gemeentelijke verantwoordelijkheid De gemeente is verantwoordelijk voor het ondersteunen van mensen die er niet op eigen kracht of met hulp van hun sociale netwerk in slagen zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. In de Wmo 2015 staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger en zijn sociale netwerk veel nadrukkelijker voorop dan in de Wmo 2007 en is de gemeente alleen aan zet voor zover de burger niet zelf of met de hulp van dat netwerk tot participatie kan komen. De begrippen ‘zelfredzaamheid’ en ‘participatie’ beschrijven wanneer van iemand gezegd kan worden dat hij of zij zelfredzaam is of participeert op een zodanig niveau dat er voor de gemeente in beginsel geen reden bestaat om daarin bij te springen. De omschrijving van ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden. Dagelijks in het gewone leven Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van zelfzorg. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en, indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kunnen blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact. Opgemerkt wordt dat de cliënt aanspraak kan hebben op verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het gaat dan om cliënten die niet (meer) in staat zijn de ADL zelf, al dan niet onder begeleiding op grond van de Wmo 2015, uit te voeren. Ook degene die een verhoogd risico loopt om aangewezen te raken op verpleging en verzorging vallen hieronder. Het gaat dan vaak om ouderen die al bekend zijn bij de huisarts. Voorbeeld Het aanreiken van de maaltijden kan binnen het bereik van de Wmo 2015 vallen. Voor zover de cliënt vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat is zelf te eten, ligt het voor de hand dat daarvoor een indicatie verkregen kan worden op grond van de Zvw (verzorging en verpleging). Ook indien vanwege bijvoorbeeld verslikkingsgevaar toezicht moet worden gehouden tijdens het eten zal de aanspraak op grond van de Zvw zijn aangewezen. Maatschappelijke verkeer Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Doelstelling Een van de doelstellingen van de Wmo 2015 is om te zorgen dat mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven. Het College zal dit uitgangspunt mee moeten wegen bij het te nemen besluit op de aanvraag. Het kan voor komen dat het niet meer mogelijk is om - al dan niet met hulp van anderen en verpleging en verzorging - in de eigen leefomgeving te wonen. In die gevallen zal aanspraak bestaan op een indicatie op grond van de Wlz en kan het College de maatwerkvoorziening weigeren (art. 2.3.5, zesde lid Wmo 2015). Lid 1 onder b Het College is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals dat in de Wmo 2007 wordt gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in aanmerking. Lid 1 onder c Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend, voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht. Er moet in ieder geval altijd sprake zijn van een individuele cliënt die is aangewezen op een maatwerkvoorziening. De cliënt is dan ook belanghebbende in het kader van het besluit. Uit de zinsnede 'in overwegende mate' volgt dat er wel enige ruimte is om rekening te houden met anderen dan de cliënt, denk bijvoorbeeld aan huisgenoten, de mantelzorger of andere personen uit het sociale netwerk die ondersteuning bieden aan de cliënt. Gericht op het individu Omdat een maatwerkvoorziening gericht moet zijn op het individu is het aanvragen van een gemeenschappelijke voorziening uitgesloten. Zo zal ook een aanvraag van een gehandicaptensportvereniging voor een tegemoetkoming in de kosten van vervoer naar de wekelijkse training worden afgewezen. Bij de toekenning van de goedkoopst passende bijdrage in de vorm van een vervoersvoorziening hoeft in beginsel geen rekening te worden gehouden met de gezinsleden zonder beperkingen. Individueel karakter Uit artikel 2.3.5 Wmo 2015 valt ook af te leiden dat het verlenen van maatwerkvoorzieningen een individueel karakter heeft en in principe gericht is op het ondersteunen in de zelfredzaamheid en participatie van één persoon. Een vervoersvoorziening wordt individueel verleend. Indien de partner eveneens gebruik wil maken van de vervoersvoorziening zal deze zich zelf moeten melden met een verzoek om maatschappelijke ondersteuning (hulpvraag). Het College zal dan een onderzoek instellen (het gesprek). Mocht het College vaststellen dat de partner is aangewezen op een maatwerkvoorziening, dan zal wel rekening worden gehouden met een gezamenlijke vervoersbehoefte (overlap). Deze overlap kan van belang zijn indien de cliënt en diens partner zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto indien daarvoor een tegemoetkoming in de meerkosten voor het gebruik daarvan wordt aangevraagd. Beperkende criteria aanspraak In artikel 4.5 tweede lid van de Verordening zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Algemeen gebruikelijk Lid 2 onder a Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen zaak of dienst kunnen worden opgelost dan wel verminderd. Dat is in de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling in artikel 1.1 eerste lid van de Verordening. Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een maatwerkvoorziening wordt verstrekt terwijl, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze zou (hebben kunnen) beschikken over een algemeen gebruikelijke zaak of dienst als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een zaak of dienst is voor de cliënt als aanvrager algemeen gebruikelijk als deze: normaal in de handel verkrijgbaar is; en niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt. Het is ter beoordeling aan het college of er op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032 en CRVB:2018:1250). Bij structurele kosten zoals de maaltijdservice of de boodschappendienst kan dat anders zijn. Uit de jurisprudentie blijkt dat deze kosten ook passend worden geacht voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB:2014:4276, CRVB:2017:1302, CRVB:2018:2182 en CRVB:2018:3093). Uitzonderingen zijn mogelijk als de zaak of dienst vanwege omstandigheden van de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijk te achten zaken eerder dan normaal moeten worden vervangen. Zaken (roerend of onroerend) die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers (inclusief sanitair en kranen) of keukens. Beoordelingskader De eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de zaak of dienst algemeen gebruikelijk is. De vraag onder punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de zaak of dienst voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het College beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een zaak of voorziening normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon. Bij de toepassing van deze bepaling moet op het moment van de aanvraag het primaire doel daarvan steeds in ogenschouw worden genomen. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verstrekken van een maatwerkvoorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke zaak door een vergelijkbaar persoon zonder beperkingen. De CRvB-uitspraak van 11 juli 2018 voegt een belangrijk criterium toe. Want staat in de Memorie van Toelichting nog “passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie”, in deze recente uitspraak heeft de CRvB het over: “en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.” Er wordt bij algemeen gebruikelijk dus in de ogen van de Raad niet meer gerefereerd aan het eigen inkomen dat vergeleken wordt met het inkomen van personen zonder beperking, maar aan de financiële mogelijkheden van personen met een inkomen op minimumniveau. Of een voorziening in een concreet geval als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt kan dus afhangen van de financiële situatie. In dat geval is onderzoek daarnaar nodig. Zie ook de vrij specifieke CRvB-uitspraak van 11 juli 2018. In onderdeel 4.5 wordt concreet ingegaan op de kosten van gebruik van een algemeen gebruikelijke voorziening in relatie tot het inkomen. Inkomensonderzoek is dus wel degelijk mogelijk. Wat níet mag is het stellen van inkomensgrenzen voor de toegang tot de Wmo. Hierdoor ontstaat vaak het misverstand dat er nooit naar het inkomen mag worden gekeken. Verder wordt opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde vragen niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke zaak voor hem/haar kan zijn. Fietsen met hulpmotor zijn -in principe- algemeen gebruikelijk. Een fiets met hulpmotor is vergelijkbaar met een brommer, ook qua kosten (CRVB:2010:BN1265). Vervanging Het toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke zaken worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven. Daaruit kan worden afgeleid dat een onverwachtse noodzakelijke aanschaf of vervanging niet als algemeen gebruikelijk voor de cliënt kan worden beschouwd. Op 20 november 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep een belangrijke uitspraak gedaan over het al dan niet algemeen gebruikelijk zijn van het vervangen van een bad door een inloopdouche (gemeente Eindhoven, ECLI:NL:CRVB:2019:3535). Privaatrechtelijke verbintenis Voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis aanspraak op de voorziening of voorliggende voorziening bestaat, wordt geen voorziening toegekend. Het College kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat geldt uiteraard ook voor een aanvraag, die bij de beoordeling gericht is op een algemeen gebruikelijke zaak. Een onverwachts optredende noodzaak Het zogeheten calamiteitenprincipe kan een uitzondering vormen op de hoofdregel. Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een zaak en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke zaak voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Renovatie Renovatie heeft betrekking op roerende of onroerende zaken die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). Voorbeelden zijn keukens, natte cel, et cetera. In het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Hoeksche Waard worden de afschrijftermijnen van een aantal zaken genoemd. Het uitgangspunt is dat geen maatwerkvoorzieningen worden verleend alsals de cliënt zijn beperkingen kan oplossen of verminderen met een algemeen gebruikelijk zaak of dienst. Woonvoorzieningen gericht op renovatie worden in beginsel geweigerd. Dat is op zich ook logisch immers voor personen met en zonder beperkingen geldt dat zaken na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Dat betekent overigens ook dat een (roerende of onroerende) zaak nog niet is afgeschreven, de cliënt in aanmerking kan komen voor de noodzakelijke maatwerkvoorziening. Er zijn ook andere zaken die algemeen gebruikelijk geacht kunnen worden. Voorbeelden zijn: Automatische transmissie Cruisecontrol Elektrisch bedienbare autoramen Fiets met hulpmotor Bakfiets Tandem-met Zonwering/ Airco Standaard beugels Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Verder geldt dat de aanvrager een PGB niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke zaak of dienst (art. 5.1 derde lid onder a van de Verordening). Voorliggende voorziening Lid 2 onder b De Wmo 2015 kent, in tegenstelling tot de Wmo 2007, geen specifieke bepaling waarin het College in ieder geval geen maatwerkvoorziening hoeft te verlenen. Het College is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verlenen indien een andere wettelijke aanspraak kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk CRVB:2012:BV9433). Daarom is in de Verordening een weigeringsgrond opgenomen analoog aan artikel 2 Wmo 2007. Het is aan het College te onderzoeken en zich op het standpunt te stellen dat er een wettelijke aanspraak bestaat (vergelijk CRVB:2011:BT7241 en CRVB:2013:CA1427). Geen hogere kosten Lid 2 onder c In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren door hen zelf bekostigde voorzieningen en melden zich voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening na het optreden van een beperking. In voorkomende gevallen kan dat leiden tot de conclusie dat het optreden van die beperking geen hogere kosten met zich meebrengt. Dergelijke meerkosten hangen dan ook nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. De meerkosten zijn de kosten die in een direct verband staan met het compenseren van de ondervonden beperkingen. Een met de persoon als de cliënt vergelijkbaar persoon zonder beperkingen heeft deze meerkosten doorgaans niet omdat daar in diens situatie geen noodzaak voor is. Een voorbeeld Het hanteren van inkomensgrenzen is ook onder de Wmo 2015 niet toegestaan. Dit betekent echter niet dat het bezit van een auto niet als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Een auto is bijvoorbeeld algemeen gebruikelijk als de cliënt: in bezit is van een auto; en die auto gebruikt; en daarbij geen problemen ondervindt; en de auto nog steeds voorziet in vervoersbehoefte in de leefomgeving van de cliënt. In die gevallen is de auto voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk omdat er geen sprake is van zogenaamde meerkosten. Meerkosten Het begrip meerkosten hangt nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een voorziening die voor een persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk zijn, kunnen soms toch voor verlening in aanmerking komen. Het gaat dan om kosten die personen zonder beperkingen per definitie niet hebben. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die eventueel nodig zijn voor het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Normale afschrijvingstermijn nog niet verstreken Lid 2 onder d Eerder verstrekte voorziening Voor zover de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder toegekende voorzieningen (WVG of Wmo 2007 of 2015) en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening is nog niet verstreken, wordt de aanvraag in beginsel afgewezen. Technisch niet afgeschreven Bij het verlenen van een maatwerkvoorziening zal doorgaans de looptijd daarvan bij beschikking of in de bijlage worden opgenomen (zie art. 14.7 van de Verordening). Daarmee wordt een indicatie gegeven van de levensduur van een maatwerkvoorziening (gemiddelde afschrijvingsperiode). Dit betekent echter niet dat het College verplicht is om een 'economisch' afgeschreven voorziening in te nemen en een nieuwe te verstrekken. De maatwerkvoorziening kan immers nog steeds ondersteunend zijn in de zelfredzaamheid en participatie voor zover er niets mankeert aan de technische staat of het in goede technische staat brengen van de maatwerkvoorziening de goedkoopst passende bijdrage is. Een verloren gegane voorziening of schade/niet verwijtbaar Een uitzondering kan worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan of schade heeft opgelopen als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of als de cliënt de gemeente geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder kan ook worden verstaan dat betrokkene een beroep kan doen op een verzekering, zoals bijvoorbeeld een opstalverzekering. Ook kan het redelijk zijn dat de gemeente eist dat de cliënt - indien een ander dan hijzelf de schade heeft veroorzaakt - de schadeveroorzaker aansprakelijk stelt. Een verloren gegane voorziening of schade/ wel verwijtbaar Het kan voor komen dat door onzorgvuldig gebruik of misbruik meer reparaties dan gebruikelijk nodig zijn voor bijvoorbeeld een scootmobiel. Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid een maatwerkvoorziening verloren gaat. In dat geval schendt de cliënt (gebruiker) de verplichtingen verbonden aan de in bruikleen of in eigendom verstrekte maatwerkvoorziening. Het spreekt voor zich dat de schade (lees ook kosten reparatie) die rechtstreeks zijn te wijten aan de cliënt (gebruiker) niet op grond van de Wmo 2015 worden vergoed. In beginsel zal de cliënt (gebruiker) deze kosten zelf moeten betalen. Het is van belang dat eerst met de cliënt (gebruiker) een gesprek wordt gevoerd om hem daarvan op de hoogte te stellen. Opgemerkt wordt dat het van belang kan zijn de leverancier van de voorziening een verklaring te vragen of de schade betrekking heeft op onzorgvuldig gebruik. Eigen verantwoordelijkheid Lid 2 onder e In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd. Indien de aanvraag voor een maatwerkvoorziening naar het oordeel van het college het gevolg is van niet dan wel onvoldoende nemen van de eigen verantwoordelijkheid, dan wordt de aanvraag geweigerd (vergelijk CRVB:2012:BW6810 en CRVB:2013:776). Aangenomen wordt dat de aangehaalde jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen ook van toepassing is onder de Wmo 2015. Te denken valt aan de afwijzing van een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een aanpassing van de woning in verband met verhuizing van een adequate woning naar een niet adequate woning. Ook in letselschadezaken (vóór 1 januari 2015) kan het voorkomen dat in de overeenkomst van het letselschadebedrag niet is opgenomen dat de gevraagde voorziening op grond van de Wmo in dat bedrag is verdisconteerd. Dat komt dan voor eigen rekening en risico van de cliënt. Dergelijke situaties zullen zich in de praktijk niet vaak voordoen. Lid 2 onder f Zelf of met anderen Als het College van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om een maatwerkvoorziening afgewezen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is afhankelijk van de individuele situatie. Het gesprek na de melding van de hulpvraag In het gesprek met de cliënt kunnen allerlei oplossingen worden besproken die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie als bedoeld in artikel 3.1 eerste lid van de Verordening. In de onderstaande tekst staan een aantal voorbeelden wanneer dat de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290). Planning en organisatie Van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.