← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2024 (Dinkelland)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Dinkelland omgaat met aanvragen voor maatschappelijke ondersteuning, met als doel inwoners te helpen zelfredzaam te zijn en te participeren in de samenleving. Ze leggen vast hoe de gemeente de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) uitvoert.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2024Het college van burgemeester en wethouders gelet op: titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2021; de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2021; overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit vast te stellende navolgende: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2024 1Algemene bepalingen 1.1Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Financieel besluit: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Dinkelland 2021; Gewaarborgde hulp: hulp van een derde die door de cliënt is ingeschakeld en van wie voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze kan instaan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen; Nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Dinkelland 2021; Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2021; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Verder geldt dat alle begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt, dezelfde betekenis hebben als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). 2De procedure Artikel 2.3.2 van de wet Artikel 2.3.3 van de wet Hoofdstuk 2 van de verordening 2.1Inleiding De wet schrijft voor dat de burger met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn hulpvraag eerst moet melden bij het college. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt en zijn eventuele mantelzorger eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De wet voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de hulpvraag) moeten worden meegenomen. Pas na het verstrekken van het verslag met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek behoort wel tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 van de Awb). Verordening De verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Dinkelland duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij zich hebben gemeld. Daarbij kan de cliënt gebruik maken van cliëntondersteuning. De wet schrijft voor dat het college een verslag aan de cliënt verstrekt met daarin de resultaten van het onderzoek. Daaruit kan de cliënt tevens afleiden of hij in aanmerking komt voor ondersteuning. De verordening maakt één uitzondering op het voeren van een gesprek en het verstrekken van een verslag. Namelijk als de ondersteuningsbehoefte genoegzaam bekend is bij het college én de cliënt daarvoor toestemming geeft. Na de melding wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de cliënt van mening is dat hij ondersteuning van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de cliënt onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wat de eventuele hoogte is van de bijdrage in de kosten voor voorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb. Nadat het onderzoek is afgerond kan de cliënt een aanvraag indienen. Daarvoor kan het verslag op voorgeschreven wijze worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het verslag en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de cliënt het uitgangspunt. Criteria verordening In de verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de verordening. 2.2Onderzoeksverplichting De wet schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen, zijn neergelegd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet. Stappenplan In CRVB:2018:819 heeft de Centrale Raad van Beroep zich voor het eerst uitgesproken over (onder meer) de vraag waar een onderzoek van het college aan moet voldoen wanneer een burger zich meldt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Wanneer een melding wordt gedaan voor maatschappelijke ondersteuning moet het college: Allereerst vaststellen wat de hulpvraag is; en Welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving, in geval van beschermd wonen en opvang. Wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre: de eigen mogelijkheden, een algemeen gebruikelijke voorziening gebruikelijke hulp, mantelzorg of ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, en (voorliggende) algemene voorzieningen, de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Wanneer het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, mag een specifiek deskundig oordeel en advies niet ontbreken. Zijn de mogelijkheden onder stap 4 ontoereikend, dan zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een verslag en verstrekt dit aan de cliënt. 2.3Spoedeisende situatie Aangezien het onderzoek zes weken in beslag kan nemen, moet het college tijdens het onderzoek na een melding in spoedeisende situaties onverwijld een passende tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 van de wet). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Onder een spoedeisende situatie kan ook een tijdelijke indicatie vallen gedurende de periode van de beslissing op de aanvraag om een indicatie voor de Wet langdurige zorg (EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). In die gevallen stelt het college een tijdelijke indicatie. Het ligt voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet. Een indicatie daarvoor wordt door de wijkverpleegkundige gesteld. 2.4Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren, is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleent. In artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 van de Awb. Artikel 2.3.8 van de wet bepaalt de inlichtingen- en medewerkingsplicht voor cliënten aan wie een ondersteuning is verstrekt. 2.5Zelfredzaamheidsmatrix De wet schrijft niet voor op welke manier het college het onderzoek moet doen. De Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) kan daarbij een hulpmiddel zijn, dit met in achtneming van de privacyregels en de uitvraag van gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de wet. De ZRM is een instrument om de mate van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt overzichtelijk in kaart brengen. De ZRM heeft dertien domeinen waarop dat kan worden beoordeeld. De domeinen van de ZRM zijn: Financiën Werk & Opleiding Tijdsbesteding Huisvesting Huiselijke relaties Geestelijke gezondheid Lichamelijke gezondheid Middelengebruik Basale-ADL Instrumentele-ADL Sociaal netwerk Maatschappelijke participatie Justitie Het ligt mogelijk niet voor de hand dat het college voor alle maatwerkvoorzieningen gebruik maakt van de ZRM. Maar de ZRM kan zeker meerwaarde hebben om de mate van zelfredzaamheid van de cliënt zo goed en volledig mogelijk in kaart te kunnen brengen. 2.6Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van (voorliggende) algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag gaat het om maatwerk. Uit de wet volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het bij het onderzoek na de melding van de hulpvraag van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn sociale omgeving. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat er om dat de cliënt in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (vergelijk CRVB:2012:BV5448). 2.7Twents model Het Twents model voor de inkoop van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp sluit aan op het uitgangspunt van maatwerk. Voor zover van toepassing (aard van de ondersteuningsbehoefte) is daar ook de procedure (melding hulpvraag) op ingericht. De gecontracteerde aanbieders kunnen ook bijdragen aan maatwerk. Het college kan gebruik maken van de deskundigheid van de aanbieder om meer duidelijk te krijgen over de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Het college zal periodiek beoordelen of het resultaat door de ondersteuning van de aanbieder ook daadwerkelijk wordt bereikt. Deze Beleidsregels strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van ondersteuning te komen voor inwoners van de gemeente Dinkelland die niet of nog niet zelf dan wel met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid of participatie. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. 2.8Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening Indicatie Wlz De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens de uitzonderingsbepalingen (art. 2.3.5, zesde lid en art. 8.6.a van de wet). Opgemerkt wordt dat de hier bedoelde uitzonderingen niet gelden als de ondersteuningsbehoefte betrekking heeft op: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, groepsondersteuning of kortdurend verblijf. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van een hulpvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Sinds 1 januari 2021 kunnen mensen met alleen een psychiatrische grondslag ook aanspraak maken op Wlz-zorg (art. 3.2.1 Wlz). Maatschappelijke participatie en Wlz Volgens de Centrale Raad van Beroep kunnen de Wmo 2015 en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking hebben op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan de maatwerkvoorziening collectief vervoer voor verzekerden die in een Wlz-instelling verblijven. Beoordeling Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. Is dat het geval, dan wordt beoordeeld of er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 8.6a Wmo 2015. Is dat het geval, dan doet het college onderzoek (zie hierna). Onderzoek De procedure van art. 2.3.2 Wmo 2015 moet in zo’n situatie volledig worden doorlopen. Daaruit zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsbehoefte is en de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Toepassing kan-bepaling Opgemerkt wordt dat de grondslag voor de beslissing op de aanvraag gebaseerd moeten worden op art. 2.3.5, zesde lid, van de wet en dus gebaseerd is op de kan-bepaling van dat lid. Dat wil ook zeggen dat het college niet hoeft te beoordelen of de betreffende maatvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven (art. 2.3.5, derde lid tweede volzin, van de wet). Het gaat er om of het college in redelijkheid tot het besluit (afwijzen of toekennen) heeft kunnen komen. Maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht Artikel 3.2, eerste lid, van de verordening Tussen melding en aanvraag De verordening bepaalt dat de cliënt de hulpvraag eerst moet melden bij het college alvorens een aanvraag in te dienen. Als een indicatie voor een maatwerkvoorziening is vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. De verordening bepaalt dat dit in principe wordt geweigerd, tenzij het gaat om een maatwerkvoorziening die ná de melding van de hulpvraag is gerealiseerd met schriftelijke toestemming van het college vooraf. Beoordeling maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht De wet strekt er niet toe dat het college gehouden is om een maatwerkvoorziening te verstrekken als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding of de aanvraag is ingezet of aangeschaft (CRVB:2017:433). Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Dit betekent dat het aan de cliënt is om aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat de aanvraag niet eerder kon worden ingediend dan wel dat de cliënt zich niet eerder bij het college kon melden. Dat zal zich in de praktijk zelden voordoen, gelet op de laagdrempelige toegang. Wordt hier niet aan voldaan, dan wordt geen maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht verstrekt. Daarbij wordt opgemerkt dat een gerealiseerde maatwerkvoorziening in natura sowieso niet met terugwerkende kracht kan worden verstrekt. Is echter vastgesteld dat de melding of aanvraag niet eerder kon worden gedaan, dan beoordeelt het college of verplichtingen zijn aangegaan met derden die niet meer teruggedraaid kunnen worden. De cliënt moet dat aantonen met bijvoorbeeld een overeenkomst. Het kan in die gevallen feitelijk alleen maar gaan om nog niet gerealiseerde maatwerkvoorzieningen. Daarnaast is het zo dat het college nog in staat moet zijn om de noodzaak van de betreffende maatwerkvoorziening vast te stellen. Is dat niet meer mogelijk, dan zijn de gevolgen daarvan voor risico van de cliënt. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan in principe worden overgegaan tot het met terugwerkende kracht verstrekken van een maatwerkvoorziening. Ingangsdatum diensten Het spreekt voor zich dat in het geval een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, wel een indicatie kan worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht. 3Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 van de wet Hoofdstuk 3 van de verordening 3.1Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Dinkelland. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Dinkelland te verhuizen. 3.2Algemene uitgangspunten Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van (voorliggende) algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. 3.2.1Eigen kracht / mogelijkheden Het college meent dat de eigen kracht een belangrijk onderdeel vormt van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een door het college te beoordelen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarmee dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. 3.2.2Algemeen gebruikelijke voorziening Inleiding Artikel 2.3.5, derde lid, van de wet bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie - naar oordeel van het college – met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken. Beoordelingskader De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 een belangrijke uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen Er wordt alleen beoordeeld of de voorziening algemeen gebruikelijk is en niet of dat in het geval van de cliënt zo is. Beschikt de cliënt bijvoorbeeld niet over een elektrische fiets, dan wil dat niet zeggen dat het geen algemeen gebruikelijke voorziening kan zijn op grond waarvan het college de aanvraag kan afwijzen. Datzelfde geldt voor het (nog) niet gebruiken van de boodschappendienst. Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is. Ad. 3 Een passende bijdrage De beoordeling van het derde criterium is feitelijk onderdeel van het onderzoek na de melding van de hulpvraag; het gaat om een concrete beoordeling. Het college moet tijdens dat onderzoek zorgvuldig in kaart brengen welke beperkingen (problemen) de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid of participatie en vervolgens welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. Het ligt daarom voor de hand dat het college tijdens het onderzoek ingaat op gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen. De beoogde algemeen gebruikelijke voorziening moet, net als een maatwerkvoorziening, een passende bijdrage leveren, zodat een situatie ontstaat waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau Het vierde en laatste criterium is met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in 2019 nieuw. In die zin dat het college niet beoordeelt of de kosten specifiek door de aanvráger financieel gedragen kunnen worden, maar voor iedereen ongeacht de specifieke hoogte van het inkomen. Het uitgangspunt is een inkomen op of rond het sociaal minimum. Dat kan de geldende bijstandsnorm zijn, maar ook een inkomen op basis van het wettelijk minimumloon. Dit betekent dat de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening uiteindelijk bepalend is voor de beoordeling van het vierde en laatste criterium. Waar de grens ligt voor de hoogte van de kosten moet zich in de jurisprudentie nog uitkristalliseren. Hoogte van de kosten Een douchecabine die ongeveer € 190 kost is een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2021:160). Op basis van de vaste rechtspraak over de relatief lage periodieke kosten van de boodschappendienst en de maaltijdservice kan worden afgeleid dat in het algemeen verondersteld mag worden dat deze kosten financieel gedragen kunnen worden uit een inkomen op of rond het sociaal minimum (bijv. CRVB:2019:397). Bijvoorbeeld bij een inkomen van iets meer dan € 1.400 netto per maand en de kosten per maaltijd ter hoogte van € 4,80. Bedenk daarbij ook dat iemand normaal gesproken ook kosten heeft voor de warme maaltijd. Daarnaast blijkt uit de rechtspraak dat de kosten van de boodschappendienst, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen moeten worden gemaakt, niet zodanig zijn dat ze in financiële zin niet passend zijn voor (iemand met) een inkomen op het niveau van het sociaal minimum. Voor elektrische fietsen gaat het niet om (heel) hoge kosten in vergelijking met gewone fietsen. In het algemeen beschikt iedereen in Nederland over een fiets en fietsen hebben in het algemeen een lange levensduur. Dat wil zeggen dat een elektrische fiets als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Meerkosten Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Privaatrechtelijke verbintenis In het kader van de beoordeling of de aanvraag gericht is op een algemeen gebruikelijke voorziening, kan onder omstandigheden betekenis toekomen aan het gegeven dat daar op grond van een privaatrechtelijke verbintenis aanspraak op kan worden gemaakt. Het college kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. Is de aanvrager de eigenaar van de woning zal hij dat zelf moeten realiseren. 3.2.3Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. 3.2.4Mantelzorg en personen uit het sociale netwerk Mantelzorg is niet afdwingbaar. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid of participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring. Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden verminderd of weggenomen. 3.2.5Gebruikmaking (voorliggende) algemene voorzieningen De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorafgaand en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen volgens de wetgever ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. Bij een voorliggende voorziening gaat het om een mogelijke aanspraak die een cliënt kan doen op een voorziening op grond van een andere wet dan de Wmo 2015. In dat geval kan het college de cliënt verwijzen naar die ‘andere’ wet (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 150). Onder omstandigheden van het individuele geval kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan (denk bijvoorbeeld aan een geval van letselschade). Het college is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als een andere wettelijke regeling kan voorzien in de behoefte. In dat kader speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een belangrijke rol. 3.4Eigen verantwoordelijkheid In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. In de onderstaande tekst staan voorbeelden genoemd die ook zijn gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo (oud) tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat deze van overeenkomstige toepassing is. Het gesprek na de melding van de hulpvraag In het gesprek met de cliënt kunnen allerlei oplossingen worden besproken die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Hierna staan een aantal voorbeelden genoemd waarin de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht dat bijvoorbeeld wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden gevergd dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509). Voorliggende voorziening Zoals gezegd speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat brengt mee dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’. Het gaat om een aanspraak met het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning (zie bepaling in de verordening). Dat wil zeggen de aanspraak uit de andere regeling kan de beperkingen als bedoeld in de Wmo 2015 oplossen of verminderen. Denk aan het afsluiten van en/of gebruik maken van een aanvullende zorgverzekering ook al is die niet in alle gevallen dekkend (vergelijk CRVB:2013:CA1427). Denk bijvoorbeeld ook aan gebruikmaking van (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke en psychische klachten (CRVB:2011:BT7241). Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk CRVB:2012:BV9433). Risicosfeer Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In zo’n situatie betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (CRVB:2019:290 en vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen worden ondervonden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. 4Gebruikelijke hulp Artikel 1.1 van de wet (begripsbepaling) Artikel 3.1, eerste lid, van de verordening (beoordeling aanspraak) 4.1Inleiding Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 van de wet). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op het voeren van een huishouden. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat dan om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. 4.2Beleidsuitgangspunten In de wet staat voorop dat allereerst wordt bezien of en zo ja, in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te lossen of te verminderen. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan: het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie; het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die naar oordeel van het college volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook volgens algemene aanvaardbare opvattingen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de individuele situatie. 4.3Beoordelingskader gebruikelijke hulp 4.3.1Huishoudelijke taken Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van de beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot. 4.3.2Overige taken of activiteiten Zoals gezegd bestaat het bieden van gebruikelijke hulp niet alleen uit het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp baseert het college zich op de volgende feiten en omstandigheden: De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Ad 1.De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt Het college inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden. De aard De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op hulp bij: zelfzorg; de thuisadministratie; het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie; of problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. De mate waarin de cliënt ondersteuning nodig heeft zal eerst geïnventariseerd moeten worden (CRVB:2018:373). Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar kunnen worden geboden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze beleidsregels en de voorbeelden. De omvang Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot in verband met bijvoorbeeld werk. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. Maar de cliënt kan ook zijn aangewezen op permanent toezicht. Dit zal zware eisen stellen aan de persoon die dat toezicht biedt. De vraag is of deze persoon nog in staat is om daarnaast gebruikelijke hulp te bieden, zoals het uitvoeren van huishoudelijke taken Permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat voor het uitvoeren van een deel van de taken of activiteiten niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel wordt als boven-gebruikelijk aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar en geschikt, dan kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken. De duur Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Het kan bij een langdurige ondersteuningsbehoefte nog steeds gaan om hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen tot de (persoonlijke) levenssfeer behoren en om die reden geacht worden onderling aan elkaar te worden geboden. Legen en reinigen toiletemmer Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met een losse toiletstoel. Wenst de cliënt daar echter geen gebruik van te maken, dan mag van een partner/echtgenoot en/of inwonende meerderjarige kinderen worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. Ad 2.De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers, huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, van kinderen ten opzichte van hun ouders en van huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp: bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer; bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de thuisadministratie; aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.; van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke zorg van ouder(

  1. s)voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg. Kinderen en ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen aan hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat voor begeleiding anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
  2. s)begeleiding bieden. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Ouders en kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(
  3. s)strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(
  4. s)normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor opvang van kinderen hoofdstuk 6 huishoudelijke ondersteuning van deze beleidsregels. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
  5. s)voor minderjarige kinderen. Thuisadministratie Voor begeleiding bij of het overnemen van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat partners de thuisadministratie van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Ook van ouder(
  6. s)wordt verwacht dat zij de thuisadministratie van een inwonend meerderjarig kind overnemen. Bij inwonende kinderen tot 23 jaar kan een uitzondering gelden voor het overnemen van de thuisadministratie van hun (alleenstaande) ouder. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. Begeleiding gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van echtgenoten/partners mag bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte in ieder geval worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt gebruikelijke hulp van de echtgenoot/partner verwacht voor zover het activiteiten betreft die hen gezamenlijk aangaan, zoals het eten en drinken. Bij andere adl-activiteiten overlegt het college met de cliënt en zijn partner/echtgenoot wat redelijk is. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(
  7. s)aansporen tot zelfzorg. Begeleiding bij het doen van aankopen Van de echtgenoot/partner ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is overigens nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(
  8. s)incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen. Begeleiding bij structureren van de dag/week Van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken en bespreken van een dag- of weekplanning. Daarin staat de volgorde waarin activiteiten plaatsvinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, e.d., Bezoek aan familie, Deelname aan geïndiceerde groepsondersteuning (brengen en/of opgehaald worden), Etc. Dergelijke activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. Begeleiding bij participatie Onder participatie wordt onder meer verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname aan maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Zoals gezegd geldt in het algemeen dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind wel mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Individuele vervoersbehoefte, geen gebruikelijke hulp De cliënt kan ook een individuele lokale vervoersbehoefte hebben en om die reden dus niet voor alle ondersteuning afhankelijk gemaakt worden van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen. Ad 3.De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Daarnaast kunnen zij mogelijk eventuele jongere gezinsleden verzorgen. Verder gelden de volgende uitgangspunten. Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Bij kinderen tussen 5-12 jaar worden hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, zoals rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Kinderen vanaf 18 jaar kunnen de huishoudelijke taken binnen de leefeenheid overnemen. Ad 4.De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier de gebruikelijke hulp geboden moet worden. Maar hij kan dat wel aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. 4.4Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe vanuit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; de huisgenoot heeft geobjectiveerde beperkingen en/of mist de kennis dan wel vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
  9. n)niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In dergelijke situaties kan het college al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Denk bijvoorbeeld aan kinderopvang. 4.5Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijke hulp substantieel wordt overschreden. Denk aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van noodzakelijke begeleiding. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. Er kan dan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de Jeugdwet. Zie voor huishoudelijke ondersteuning hoofdstuk 6 van de beleidsregels. 4.6De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of er in individuele situaties nog een uitzondering kan zijn, op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht gebruikelijke hulp te bieden, overbelast is (geraakt) en daarom niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Eventueel contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot kan helpen om daarover een oordeel te kunnen geven. Verwezen wordt naar bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels. Omvang planbare en onplanbare hulp Soms is het direct duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden, is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt (ook nog) gebruikelijke hulp te verlenen. Het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met zorg die wordt geboden in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan zijn dat onplanbare zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Dreigende overbelasting Wordt een beroep gedaan op (dreigende) overbelasting van een huisgenoot, dan moet de cliënt dat aannemelijk maken. Op het college rust dan de plicht daar onderzoek naar te doen. De betreffende huisgenoot is overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert hij dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening mogelijk niet worden vastgesteld (CRVB:2019:2616). Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, zullen deze aangewend moeten worden. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf onbetaald leveren van te indiceren zorg (verpleging en/of verzorging). In die gevallen kan het college met de cliënt en zijn huisgenoot overleggen of voor deze zorg aanspraak wordt gemaakt op de Zorgverzekeringswet zodat de (dreigende) overbelasting kan worden opgeheven. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten (buiten de gebruikelijke hulp) al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Het spreekt voor zich dat de schoolprestaties daar niet onder mogen lijden. Zie ook bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels. 5Mantelzorg, respijtzorg en kortdurend verblijf Artikel 1.1 van de wet (begripsbepaling) Artikel 3.1, eerste lid, van de verordening (beoordeling aanspraak) Artikel 4.5 van de verordening 5.1Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Bij mantelzorg is geen sprake van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. Wettelijk begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 van de wet). Niet verzilveren van een aanspraak Uit de wettelijke begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigt. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Afstemmen Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17). Dit laat onverlet dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Ondersteuning aan de mantelzorger De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet onderzoek doen naar de vraag of er behoefte is aan ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Daarnaast zijn er lokale of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1, eerste lid onder g, van de Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen. Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kan hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden in het onderzoek meegewogen (zie bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.2Respijtzorg Een maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passend te ondersteunen. Maatwerkvoorzieningen zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 3.3, eerste lid onder c, van de verordening). Het college houdt in het algemeen rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is de cliënt ondersteuning te bieden, kan hij (tijdelijk) zijn aangewezen op een maatwerkvoorziening. Een mogelijkheid is dan respijtzorg; dit is de tijdelijke en volledige overname van zorg met als doel de mantelzorger een adempauze te geven. Denk bijvoorbeeld aan groepsondersteuning. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid of participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. De maatwerkvoorziening in de vorm van respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is. 5.3Kortdurend verblijf (wonen en verblijf) De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten en die is gericht op de ondersteuningsbehoefte kortdurend verblijf (art. 1.1.1 van de wet). Het college beoordeelt eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. En als is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast, geldt nog een ander criterium. Namelijk, of de cliënt door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg is aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid. Er mag overigens geen sprake zijn van het moeten bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg; in dat geval moet de cliënt een beroep doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. Wonen en verblijf Heeft het college vastgesteld dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid dan kan wonen en verblijf worden verstrekt. Daaronder wordt de (tijdelijke) vervanging van de thuissituatie verstaan. Dat wil zeggen: een accommodatie waar wonen en verblijf wordt geboden inclusief: eten en drinken; verschillende hotelmatige aspecten (zoals schoonmaak, slaapdienst), en een passend leefklimaat (ondersteuning per etmaal ter vervanging van de thuissituatie). Welk leefklimaat passend is, is onder meer afhankelijk van de thuissituatie en de ondersteuningsbehoefte. Het kan zijn dat er geen bijzonderheden zijn en dat enkel de ‘normale’ thuissituatie wordt vervangen. Maar het kan ook zijn dat de cliënt in de eigen thuissituatie al een ondersteuningsbehoefte heeft bij: de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden; of de regie bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Niveau van de ondersteuningsbehoefte Voor zover het wonen en verblijf afhankelijk is van de ondersteuningsbehoefte, dan geldt voor deze cliënten in ieder geval dat er een noodzaak is voor toezicht waaronder ook 24 uurs ondersteuning in de nabijheid kan worden verstaan. 5.4Mantelzorgwoning Woningen, dus ook mantelzorgwoningen, worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is wel aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en dat, waar mogelijk, belemmeringen tot plaatsing moeten worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen bijvoorbeeld vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). 6Huishoudelijke ondersteuning Artikel 4.2 en 6.2 van de verordening 6.1Inleiding Onder huishoudelijke ondersteuning wordt verstaan: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit: schoonmaakondersteuning en regie/zorg over het huishouden. Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen dan verstrekt als geen sprake is van: eigen kracht, gebruik kunnen maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, hulp van anderen of het sociaal netwerk of een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder ook geen andere hulp is die deze taken kan overnemen. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit het bereiken van resultaten zoals opgenomen in de verordening. 6.2Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij de beoordeling hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten. Wet langdurige zorg Eigen kracht. Algemeen gebruikelijke voorzieningen. Gebruikelijke hulp. Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg. Gebruik van algemene voorzieningen. Resultaten (Verordening). Normenkader HHM 2019. 6.3Wet langdurige zorg Cliënt Heeft de cliënt een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of kan zo’n indicatie worden verkregen, dan valt ook de huishoudelijke ondersteuning onder de Wlz. Naast het schoonhouden van de woonruimte vallen ook andere huishoudelijke activiteiten binnen de Wlz (Stb. 2022, 510). Huisgenoot Heeft de huisgenoot van de cliënt een Wlz-indicatie, dan onderzoekt het college of er voor de cliënt op grond van de Wmo 2015 nog aanvullend huishoudelijke ondersteuning nodig is (CRVB:2023:2165). 6.4Eigen kracht Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna). Met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen kracht. Iemand heeft in zo’n geval geen tekort in de zelfredzaamheid die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels de huishoudelijke taken verspreid over de week in een rustig tempo zelf kan uitvoeren (CRVB:2022:308). Zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning zoals (
  10. te)volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van een specifiek kenmerk om ‘meer inzet’ te indiceren boven de basisnorm schoonmaakondersteuning (zie Bijlage III Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 van deze beleidsregels). Gesaneerde woning Verder is het zo dat er wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie of COPD. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. Wasverzorging Is de algemene voorziening was- en strijkservice geen passende oplossing en is er geen sprake van gebruikelijke hulp, dan beoordeelt het college of de cliënt zelf een deel van de wasverzorging doen. In dat geval hoeft niet de gehele wasverzorging overgenomen te worden; dit onder aftrek van ‘minder inzet’ op de basisnorm. Denk bijvoorbeeld aan de was sorteren (zie Bijlage III Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 van deze beleidsregels). Boodschappen voor het dagelijks leven Kan de cliënt zelf een deel van de boodschappen doen, dan hoeft niet het gehele resultaat boodschappen voor het dagelijks leven overgenomen te worden. Denk aan een deeltaak zoals het opstellen van de boodschappenlijst. 6.5Algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, een wasdroger, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Voorkomen van een aanspraak Het kan ook zijn dat met algemeen gebruikelijke voorzieningen een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan: strijkvrije kleding, de boodschappendienst, kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice, de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt; er wordt dan geen schoonmaakondersteuning verstrekt. Zie verder 3.2.2 van deze beleidsregels over hoe het college dat beoordeelt. 6.6Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2018:2721, CRVB:2019:1334, CRVB:2019:2616, CRVB:2021:1114). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van deze beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. 6.6.1Uitstelbare taken Of gebruikelijke hulp kan worden geboden is ook afhankelijk van de vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Beschikbaarheid huisgenoot Het kan voorkomen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden. Schoonmaakwerkzaamheden In geval van schoonmaakwerkzaamheden zal het meestal gaan om uitstelbare taken. Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten ook in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar (afwezig), dan kan daarvoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Wasverzorging Ook in geval van wasverzorging zal het meestal gaan om een uitstelbare taak. Dit betekent dat deze huishoudelijke activiteit wasverzorging in de avond of het weekend uitgevoerd kan worden. Dat betekent ook dat de algemene voorziening was- en strijkservice een passende oplossing zal zijn (zie 6.8.1 van deze beleidsregels). En zo niet, dan kan de maatwerkvoorziening wasverzorging worden verstrekt. 6.7Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociaal netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar. Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17, CRVB:2017:3209). 6.8Algemene voorziening Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen die door de cliënt worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie. Dat wil zeggen dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan een was- en strijkservice. 6.8.1Was- en strijkservice Als onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning is in de gemeente Dinkelland een algemene voorziening was- en strijkservice opgezet. Alle inwoners van de gemeente Dinkelland kunnen gebruik maken van deze voorziening. De algemene voorziening voor de was en strijk kan voorzien in de ondersteuningsbehoefte van het grootste deel van de inwoners voor het wassen en strijken en is daarom een goed alternatief voor de inzet van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor de wasverzorging. De algemene voorziening kan gebruikt worden voor alle soorten was (kleding en linnen en/of beddengoed). Het voordeel van deze algemene voorziening is dat het gecombineerd kan werken met verschillende andere maatschappelijke doelen. Het inzetten van mensen met een arbeidsbeperking voor het uitvoeren van de algemene voorziening. De aard van het werk (opleidingsniveau) maakt het geschikt voor het werken met mensen met een arbeidsbeperking (bijvoorbeeld voor mensen die staan geregistreerd in het doelgroepenregister vanuit de Participatiewet). Omvang Inwoners van de gemeente Dinkelland kunnen voor twee waszakken per week gebruik maken van de algemene voorziening was- en strijk service. Van de cliënt wordt verwacht dat hij voldoende kleding of andere linnengoed heeft om een week te overbruggen. De was kan op twee vaste momenten bij cliënten thuis opgehaald en gebracht worden. Cliënten zijn zelf verantwoordelijk voor het aanwezig zijn op deze momenten of om hiervoor een eventueel alternatief te regelen. Passende oplossing De algemene voorziening was- en strijkservice wordt in de volgende situaties in ieder geval als passende oplossing aangemerkt: Als het doen van de was als uitstelbare taak kan worden aangemerkt. Er een mogelijkheid is voor het: aanbieden van de was in de daarvoor bestemde waszak. Hiermee wordt ook de situatie bedoeld dat de aangeboden was met hulp in de waszak bij de voordeur wordt neergezet en even kan blijven staan tot het moment dat de aanbieder de was ophaalt; aannemen of opruimen van de was. Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de opgevouwen was even in huis kan blijven staan tot er hulp beschikbaar is om de was op te ruimen. Geen passende oplossing De algemene voorziening was- en strijkservice is niet geschikt als: sprake is van frequent optredende incontinentie en aannemelijk is dat het gebruik van incontinentiemateriaal geen afdoende oplossing is, de cliënt gebruik maakt van zalven op grond waarvan een hoge hygiëne noodzakelijk is vanwege infectiegevaar (CRVB:2019:982). het aantal noodzakelijke wasbeurten een omstandigheid is dat het geen passende oplossing is. In de praktijk kan dat te maken hebben met jonge kinderen. In zulke gevallen kan de was mogelijk niet (een week) blijven liggen. Het gaat dan in zo’n situatie om een niet-uitstelbare taak. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bijdrage in de kosten Cliënten die op grond van de Wmo 2015 gebruik (kunnen) maken van deze algemene voorziening, betalen een bedrag per waszak. In de verordening staat de hoogte van de eigen bijdrage. De eigen bijdrage voor de was- en strijkservice betalen cliënten direct aan de aanbieder zelf. 6.9Resultaat leefbaar huis Het te bereiken resultaat bestaat uit het kunnen wonen in een woning die leefbaar is. Dat wil zeggen: op orde zijn en schoon volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Ook staat leefbaar voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het kunnen beschikken over een leefbaar huishouden heeft betrekking op de ruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk in gebruik zijn. Ramen wassen buitenkant Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is voor een leefbaar huis (CRVB:2017:1302). Voor het aan de buitenkant wassen van de ramen is een adequaat alternatief beschikbaar in de vorm van een glazenwasser. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, wordt dit als algemeen gebruikelijke voorziening aangemerkt. Uitzonderingen huishoudelijke ondersteuning Uitgezonderd zijn activiteiten zoals de zorg voor dieren en planten en werkzaamheden die buiten de woning plaatsvinden zoals tuinonderhoud of ramen lappen aan de buitenkant. Huishoudelijke ondersteuning beperkt zich, op grond van de verordening, tot de binnenzijde van de woning (CRVB:2017:885). 6.10Resultaat wasverzorging Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en draagbare kleding en overig textiel. Bij de wasverzorging gaat het uitsluitend over: het sorteren, wassen en drogen en opruimen van de normale kleding voor alledag en overig textiel. Als uitgangspunt geldt dat de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan in het algemeen worden volstaan met het opvouwen van de was. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding (bijv. RBOBR:2019:4844). Het resultaat wasverzorging wordt bereikt of zal doorgaans bereikt worden door gebruik te maken van de algemene voorziening was- en strijkservice. Er wordt dan geen indicatie maatwerkvoorziening voor wasverzorging afgegeven. 6.11Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Dit resultaat zal doorgaans bereikt worden door gebruik te maken van de boodschappendienst (algemeen gebruikelijke voorziening) of met hulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp). Andere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen niet onder dit resultaat. 6.12Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Het klaarzetten van broodmaaltijden of (opwarmen van) warme maaltijden zijn nodig voor dagelijkse levensbehoeften. Het bereiden en/of aanreiken van de (warme) maaltijd kan ook onder dit resultaat vallen. Het gaat om overname van taken. Voorliggende oplossingen kunnen zijn: gebruikelijke hulp, mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis en algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals kant-en-klaar maaltijden. Maaltijden Maaltijden vallen niet onder een uitstelbare taak. Een broodmaaltijd kan wel één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk klaargemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960, CRVB:2011:BU5492). Aansporen nuttigen of bereiden maaltijd Kan een cliënt zelf een maaltijd nuttigen, maar niet weet of vergeet om tijdig een maaltijd te bereiden, dan kan de aansporing daartoe onder ambulante begeleiding vallen. Het gaat meestal om cliënten die ook voor het bereiken van andere resultaten al een indicatie voor begeleiding hebben. Wijkverpleging en maaltijdvoorziening Maaltijdvoorziening valt onder wijkverpleging (Zvw) als een cliënt ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft en er geen aanspraak is op Wlz-zorg. Dat is het geval als de client: hulp nodig heeft om het eten of drinken in de mond te brengen; er is overname nodig van de activiteit, medisch noodzakelijk is aangewezen op bijv. bijvoeding, is aangewezen op toezicht bij de maaltijden in verband met bijvoorbeeld verslikkingsgevaar. 6.13Resultaat bij regie/ zorg over het huishouden De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden kan bestaan uit de volgende resultaten. 6.13.1Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders deze tijdelijk niet in staat zijn te leveren. Het gaat bij dit resultaat niet om enkel de opvang van kinderen. Het gaat om activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het brengen en halen van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn voor de kinderen te zorgen dat zelf te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(
  11. s)ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt. 6.13.2Resultaat organisatie van het huishouden Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden). Resultaat aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn Cliënten die leerbaar zijn kunnen tijdelijk Advies, instructie, voorlichting over het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/ of het plannen van huishoudelijke werkzaamheden ontvangen. Het resultaat is over de vaardigheid beschikken om zelfstandig een gestructureerde huishouding te voeren. 6.14Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning (incl. wasverzorging) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden. Zie bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) bij deze beleidsregels. Normenkader als richtlijn Het doel van het gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, die is gebaseerd op volledige overname van huishoudelijke activiteiten. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening leefbaar huis, kan minder of meer ondersteuning ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld: een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren of het klaarzetten van maaltijden. Verder wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van: eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp van het netwerk. 6.14.1Gemiddelde cliëntsituatie Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan: Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak; De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. 6.14.2Individuele situaties op basis van kenmerken Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is: Kenmerken cliënt Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee. Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken: Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus). Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Daarbij geldt het uitgangspunt van een gesaneerde woning. Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt. Kenmerken huishouden Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding. Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Kenmerken woning Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden. Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd. 6.14.3Minder inzet dan volledige overname/afschalen In september 2022 zijn nadere instructies toegevoegd voor het toepassen van het Normenkader HHM 2019 over onder meer het afschalen of minderen ten opzichte van de norm aangegeven in minuten per week bij volledige overname. Het gaat ook over de mogelijkheid om verder af te schalen dan de 10, 15 of 17 minuten die in het normenkader staan benoemd. Eigen mogelijkheden (eigen kracht) Uit onderzoek is gebleken dat cliënten zelf gemiddeld zo’n 15 minuten per week kunnen doen om het resultaat leefbaar huis te bereiken. Het gaat dan meestal om schoonmaken op middenniveau (afstoffen en nat afnemen) en algemeen opruimen. Het afstoffen op middenniveau is dus zonder bukken of klimmen/reiken. Kan de cliënt meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden. Gebruikelijke hulp Bovenop of in plaats van de mindering vanwege eigen mogelijkheden kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege hulp vanuit het netwerk of door inwonende personen (gebruikelijke hulp). Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meer dan 15 minuten zijn. Wasverzorging Zeker bij de was is vaak ruimte voor eigen mogelijkheden door de cliënt (aftrekoptie voor de helft van de omvang -/- 17 minuten). Vaak zie je dat de cliënt de zware/grote stukken was niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding, ondergoed e.d. 6.14.4Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten) Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt. Oorzaak 1: allergieën/COPD en dergelijke waardoor het huis beter stofvrij moet blijven. Oorzaak 2: incontinentie, overmatig zweten, specifieke medicijnen met lichamelijke reacties, rolstoelgebruik binnen-buiten (en geen robotstofzuiger mogelijk voor het zand opzuigen) en dergelijke, waardoor het huis sneller vervuilt. 30 of 60 minuten Tot 30 minuten extra inzet is vooral aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken. Tot 60 minuten extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken. Tweede keer In geval van een tweede keer moeten komen vanwege stof of zand/haren op de vloer vanwege huisdieren, vanwege allergie, vanwege rolstoelgebruik et cetera. Het college kan overwegen of het mogelijk is dat de cliënt zelf een eenvoudige robotstofzuiger aanschaft als algemeen gebruikelijke voorziening. Vooropgesteld dat de cliënt met een (eenvoudig) apparaat uit de voeten kan. 6.14.5Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer) Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is, dan is het dus voor ‘iets anders’, het maakt in principe niet uit waarvoor dat is. Extra (slaap)kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt (die in de standaardtijd is opgenomen), moeten worden schoongemaakt om de woning uiteindelijk niet te laten vervuilen. Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader. Bijvoorbeeld voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera. Voor de niet-slaapkamers indiceren we 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc. Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon. Een zolder en dus ook een eventuele helemaal leegstaande zolderkamer: die neem je in principe niet mee, behalve als er duidelijke redenen zijn om dit wel te doen. Het eventueel eens per jaar een stofzuiger door de zolder halen, lost zich in de praktijk eigenlijk altijd wel op. De 18 minuten voor een kamer in gebruik als slaapkamer komen voort uit het moeten verschonen van het bed en de extra benodigde tijd voor stoffen en schoonmaken vanwege de aard van het gebruik van de kamer. Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan het college om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden. Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdhulp in zit: dan is huishoudelijke ondersteuning inzetten een betere optie dan meer jeugdhulp inzetten. 6.14.6Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer. Grote bijkeuken Een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is. Tweede badkamer Wordt deze niet (noodzakelijkerwijs) gebruikt als badkamer, dan wordt de ruimte aangemerkt als ‘extra kamer niet zijnde een slaapkamer’: plus 5 minuten/week. Separaat toilet boven Als er geen toilet in de badkamer zit is dit een onderdeel van ‘het sanitair boven’ en vergt geen extra tijdsinzet. Kantoor Als het echt een kantoor is en niet een slaap/logeerkamer die als werkplek wordt gebruikt: deze moet zakelijk schoongemaakt en dat valt niet binnen de Wmo. Als het een thuiswerkplek betreft, dan is het een kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer. Grote kelder Dit wordt afgewogen op basis van het werkelijke gebruik hiervan. Er wordt geen extra tijd toegekend, maar net zoals de zolder of eventueel meenemen als ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’. 6.14.7Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp) In het normenkader is de mogelijkheid benoemt om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we de uitgangspunten van eigen kracht en gebruikelijke hulp. Meer personen in leefeenheid Als sprake is van meer personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er MINDER dan volledige overname of MEER dan volledige overname moet worden ingezet. De 30 minuten zoals (oorspronkelijk) vermeld in het normenkader: het college komt tot een specifieke afweging die kan leiden tot het toekennen van minder tijd of tot het toekennen van meer tijd. Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen. In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen. 6.14.8Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken) Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585). Hulphond Heeft de cliënt een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, dan zal het college daar wel rekening mee moeten houden (RBGEL:2018:1741). De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88). 6.14.9Strijken en boodschappen Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar. Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing. 6.14.10Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra tijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’. Wat zijn deze overige kenmerken? Omvang van het huis: alleen in uitzonderlijke situaties neem je 15 minuten extra op vanwege een heel groot huis. Dit aspect wordt namelijk mede gedekt door de mogelijkheid van toekennen van extra tijd voor ‘extra kamers wel of niet in gebruik als slaapkamer’. Bewerkelijkheid: idem. Alleen in uitzonderlijke situaties hiervoor extra tijd opnemen. Inrichting: idem. Eerste verantwoordelijkheid ligt bij de cliënt om niet meer inzet nodig te maken dan redelijkerwijs nodig is. In uitzonderlijke situaties kan dit worden meegenomen. Voor deze drie items apart dan wel gezamenlijk kan in principe 1 x 15 minuten extra worden toegekend. 6.14.11Afronding van de indicatie Nadat alle te bereiken resultaten zijn beoordeeld wordt het totaal aantal minuten per week afgerond op 5 minuten. 7Begeleiding en groepsondersteuning Artikelen 4.3 en 4.4 van de verordening 7.1Inleiding Met de maatwerkvoorzieningen begeleiding en groepsondersteuning (dagbesteding) wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 van de wet). Groepsondersteuning is een vorm van begeleiding, waarbij sprake is van structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving biedt, anders dan arbeid of onderwijs. Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Zelfredzaamheid en participatie worden samengevat in dagelijkse handelingen en praktische zaken. Daaronder wordt verstaan: eten medicatie gebruik drinken in en uit bed komen, in stoelen gaan zitten en weer opstaan bewegen, lopen, verplaatsen ontspanning zinvolle activiteit, invulling van de dag, tijdsbesteding etc. aan- en uitkleden gesprek voeren toiletgang lichaamswarmte regelen (bv. kachel hoger/lager kunnen zetten, bijbehorende kleding uitkiezen) lichamelijke hygiëne deelname aan het maatschappelijk verkeer sociale vaardigheden sociale redzaamheid deelname aan de samenleving huishouden Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren, moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Een vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. Cliënten die zijn aangewezen op begeleiding en/of groepsondersteuning ondervinden problemen in hun functioneren op het gebied van: sociale redzaamheid (dagelijkse bezigheden, problemen oplossen en besluiten nemen, dagelijkse routine regelen, et cetera). probleemgedrag (gedragsproblemen). psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken en perceptie van omgeving). geheugen en oriëntatie. 7.2Aard en niveau van de ondersteuningsbehoefte Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden, wordt niet geïndiceerd op basis van termen van begeleiding en groepsondersteuning maar in de ondersteuningsbehoeften van de cliënt met een bijbehorend niveau. Hiermee wordt duidelijk welk resultaat met de ondersteuning moet worden bereikt. Naast de ondersteuningsbehoeften kan het college wonen en verblijf verstrekken als vervanging van thuis. Denk aan kortdurend verblijf. Ondersteuningsbehoeften en niveaus Er zijn twee ondersteuningsbehoeften met elk drie niveaus. Het niveau is gebaseerd op kenmerken van de cliënt en het cliëntsysteem. Dat betekent dat ook personen uit het sociaal netwerk een rol kunnen spelen; zowel in positieve als in negatieve zin. Het college maakt een inschatting van de omvang en de duur van de ondersteuning. De omvang van de ondersteuning wordt vermenigvuldigd met de prijs. Op deze manier wordt het budget bepaald dat de aanbieder maximaal kan declareren voor het bereiken van het resultaat. De aanbieder declareert op basis van de ondersteuningsbehoefte en het niveau dat door het college is vastgesteld. De declaratie voor individuele ondersteuning is gebaseerd op minuutprijzen en de groepsondersteuning is gebaseerd op een prijs per dagdeel (4 uur). Ondersteuningsbehoefte 1: uitvoering dagelijkse handelingen en vaardigheden De cliënt heeft ondersteuning nodig bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij hij in staat is om de eigen regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren. Het resultaat van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau A Kenmerken van de cliënt die onder niveau A vallen zijn: er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context; de cliënt kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is gering; de cliënt heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de cliënt is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau B Kenmerken van de cliënt die onder niveau B vallen zijn: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is aanwezig maar niet groot; de cliënt kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de cliënt voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau C Kenmerken van de cliënt die onder niveau C vallen zijn: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel) context; er is hoog risico op escalatie/gevaar; met de cliënt is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de cliënt kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de cliënt is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2: regie over en uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden De cliënt heeft ondersteuning nodig bij het voeren van de regie over, én uitvoering van zijn dagelijkse handelingen en vaardigheden. Het resultaat van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau A Kenmerken van de cliënt die onder niveau A vallen zijn: er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context; de cliënt kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en/of escalatie is gering; de cliënt heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de cliënt is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau B Kenmerken van de cliënt die onder niveau B vallen zijn: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot; de cliënt of het cliëntsysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de cliënt/ cliëntsysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau C Kenmerken van de cliënt die onder niveau C vallen zijn: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel) context; er is een hoog risico op escalatie/gevaar; met de cliënt is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de cliënt kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de cliënt is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. 7.3Individuele ondersteuning of groepsgerichte ondersteuning Het college stelt de ondersteuningsbehoefte en het bijbehorende niveau vast. Daarmee wordt het resultaat bepaald dat door de aanbieder moet worden bereikt. Er kunnen meerdere resultaten binnen ondersteuningsbehoefte 1 of 2 worden vastgesteld. Ook kan het zijn dat ondersteuningsbehoefte 1 en 2 bijdragen aan één resultaat. Afhankelijk van het te bereiken resultaat kan de ondersteuning individueel of groepsgewijs worden verstrekt. Voor de groepsgerichte ondersteuning geldt dat deze methodisch moet zijn, gericht op: het structureren van de dag, praktische ondersteuning en het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid van de cliënt bevorderen. 7.4Vervoer Onder groepsondersteuning valt tevens het noodzakelijke vervoer zodat de cliënt daar ook feitelijk gebruik van kan maken. De cliënt die niet in staat is om op eigen kracht, al dan niet met hulp van anderen, van en naar de locatie te reizen waar de groepsondersteuning wordt geboden, kan in aanmerking komen voor vervoer. Onder hulp van anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt de noodzaak van vervoer op basis van artikel 4.4, vierde lid, van de verordening. 8Wonen en in en om de woning verplaatsen Artikelen 3.4, 4.6, 4.7, 4.8 en 4.9 van de verordening 8.1Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Ook instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg zijn geen woning. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Bij de beoordeling van de aanvraag kunnen beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde zijn. In dat kader wordt opgemerkt dat in de verordening verschillende begrippen aan de orde kunnen zijn. Zo bepaalt de verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de wet) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Deze begripsbepaling is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden gekwalificeerd. De verordening bepaalt dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen in het geval de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een traplift. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 8.2Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 van de Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 van de wet dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216, eerste lid, BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken. Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen. Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit. Gemeenteschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken, kan het college een limitatief aantal maatwerkvoorzieningen verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte (art. 4.6, vierde lid, van de verordening). 8.3Hoofdverblijf Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft. Uitzonderingen hoofdverblijf Er zijn twee uitzonderingen. De eerste geldt in het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen van de (co)ouders. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situatie kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is, omdat die kan worden meegenomen naar de woning waar het kind verblijft. Alleen in de situatie van co-ouderschap kunnen dus in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, Dit kan niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen (waarbij het kind bij de ene ouder slechts op bezoek gaat). Een tweede uitzondering gaat over het bezoekbaar maken van de woning. De verordening bepaalt voor wie het bezoekbaar maken van de woning is bestemd en wat daaronder valt (art. 4.9 van de verordening). 8.4Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. In dat kader wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1, eerste lid, van de verordening. 8.5Primaat van verhuizen Omdat het college het uitgangspunt van de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat is het geval bij de noodzaak van een woningaanpassing en/of een traplift. Om te voorkomen dat bij relatief lage kosten het verhuisprimaat al zou worden toegepast, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en het verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de meest geschikte beschikbare nieuwe woning) anderzijds. Voor de kosten die met het verhuizen gemoeid zijn, geldt als uitgangspunt de maximale hoogte van de verhuiskosten en/of inrichtingskosten. Het college neemt de volgende kosten in elk geval mee in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning. Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die dan toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt (art. 3.4, derde lid, van de verordening). Ad a. Het kan voorkomen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op korte of middellange termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Onder een middellange termijn wordt een periode van 12 maanden verstaan. Hier kunnen hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zal misschien zelfs niet meer geschikt zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de aangevraagde woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit uitgangspunt sluit aan bij het principe van de wet dat mensen zolang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Ad b. Het kan voorkomen dat in de nieuwe beschikbare, op dat moment meest geschikte, woning ook weer bijvoorbeeld een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Deze eventuele aanpassingskosten weegt het college mee. Ook kan de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen. Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn: Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. De verhuizing leidt tot een slechtere bereikbaarheid van voorzieningen voor de cliënt dan geldt voor de huidige woning. Denk aan: apotheek, huisarts, supermarkt, bibliotheek etc. Het college weegt dit aspect mee bij de beoordeling of het verhuisprimaat kan word

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.