Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Beekdaelen houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente BeekdaelenDe gemeenteraad van de gemeente Beekdaelen, gelezen het voorstel van de stuurgroep herindeling ONS d.d. 13 november 2018 (INT.23821); gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gehoord hebbende de adviesraden van de gemeenten Onderbanken, Nuth en Schinnen; overwegende dat het noodzakelijk is om burgers te ondersteunen als zij dusdanige beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid dat zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien; overwegende dat het noodzakelijk is om burgers met psychische of psychosociale problemen en burgers die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien; overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning; besluit: vast te stellen de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beekdaelen 2019’. Hoofdstuk1:Begrippen Artikel1.Begripsbepalingen 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Aanvraag: het verzoek van de cliënt om in aanmerking te komen voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen. Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten. Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Besluit: het door het college vastgestelde vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Beekdaelen. Budgethouder: een cliënt aan wie ingevolge deze verordening een pgb is toegekend, dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger. Budgetplan: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening zo nodig aangevuld met voorwaarden die daar naar oordeel van het college aan gesteld mogen worden. College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beekdaelen. Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gemeenschappelijke ruimte(n): gedeelte(
- n)van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woonruimte van de cliënt waar deze zijn hoofdverblijf heeft vanaf de toegang tot het woongebouw te bereiken. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven staat of zal staan. Indien de cliënt met een briefadres in de BRP ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres. Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid, van de wet. Ingezetene: cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Beekdaelen. Maatschappelijke ondersteuning: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, bieden van beschermd wonen en opvang. Melding: kenbaar maken van een hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. Normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning. Daaronder kan onder omstandigheden tevens de berging, de toegang tot tuin of balkon van de woning worden verstaan. Ondersteuningsplan: een weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid onderdelen a. tot en met g. van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Persoonsgebonden budget/ pgb: een maatwerkvoorziening in de vorm van een geldbedrag zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet, waarmee de cliënt een of meer aan hem te verlenen maatwerkvoorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening, het uitvoeringsbesluit en het besluit te stellen regels van toepassing zijn. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (Algemene maatregel van Bestuur). Voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling op grond waarvan de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Onder omstandigheden van het individuele geval kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan. Voorziening in natura: een maatwerkvoorziening in de vorm van goederen in (bruik)leen, eigendom, huur of als persoonlijke dienstverlening en waarop de in deze verordening, het uitvoeringsbesluit en het vigerende besluit te stellen regels van toepassing zijn. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Woning: een woonruimte welke volgens algemeen maatschappelijke aanvaarde maatstaven bestemd en geschikt is voor permanente bewoning en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen, mits bestemd en nog tenminste vijf jaar geschikt voor permanente bewoning. Woonvoorziening: een woningaanpassing, traplift of hulpmiddel gericht op het normale gebruik in de woning. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader of deels worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoofdstuk2:Procedureregels, melding en onderzoek Artikel2.Beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang 1.Voor ingezetenen van Nederland met een behoefte van maatschappelijke ondersteuning in de vorm van beschermd wonen of (maatschappelijke) opvang geldt dat zij zich melden en de daarmee verband houdende aanvraag indienen bij de centrumgemeente Heerlen. Het college draagt zo nodig zorg voor een zorgvuldige overdracht. 2.Het college kan, met inachtneming van de artikelen 2.3.1. tot en met 2.3.5 van de wet, bij besluit nadere regels stellen inzake de uitvoering van het onderzoek alsmede de verstrekking van een maatwerkvoorziening in het kader van beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang. Artikel3.Melding hulpvraag 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. Deze melding vindt plaats middels het invullen van een daartoe vastgesteld meldingsformulier, tenzij het college bij besluit anders heeft bepaald. 2.Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding. Artikel4.Cliëntondersteuning 1.Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning. 2.Het college wijst de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger voor het onderzoek, als bedoeld in artikel 6 van deze verordening, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning. Artikel5.Persoonlijk plan 1.Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. 2.Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. Artikel6.Onderzoek 1.Een gesprek maakt in principe deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn gemachtigde, vertegenwoordiger, mantelzorger en/of personen uit het sociale netwerk in aanwezigheid van de cliënt. Als de cliënt genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. 2.De factoren, genoemd in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid. 3.Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 4.Het college wijst de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger op de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 8 van deze verordening in te dienen. 5.Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek middels een ondersteuningsplan, tenzij de cliënt aangeeft hiervan af te zien. Tevens informeert het college de cliënt over de gang van zaken tijdens en na het gesprek alsmede diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 6.In spoedeisende situaties, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet, kan het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening treffen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel7.Informatieverstrekking en advisering 1.Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2.Het college kan indien het dit noodzakelijk acht een door het college daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 3.Een persoon zoals hierboven bedoeld is verplicht aan het college of de door hem aangegeven adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de melding of aanvraag en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Artikel8.Aanvraag 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek, als bedoeld in artikel 6 in deze verordening, is uitgevoerd of na het verstrijken van de in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet genoemde zeswekentermijn. 2.De cliënt, zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk bij het college indienen. 3.Een ondertekend ondersteuningsplan, als bedoeld in artikel 6 vijfde lid van deze verordening, wordt beschouwd als aanvraagformulier. 4.Indien dit ondersteuningsplan niet binnen 8 weken na verzending door de cliënt is geretourneerd, start de meldingsprocedure opnieuw. Hoofdstuk3:Criteria en weigeringsgronden Artikel9.Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Beekdaelen kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen, in volgorde van belangrijkheid: op eigen kracht en/of met gebruikelijke hulp en/of met mantelzorg en/of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. 2.De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het artikel 6 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3.Een cliënt die ingezetene is van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de client met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen, in volgorde van belangrijkheid: op eigen kracht en/of met gebruikelijke hulp en/of met mantelzorg en/of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. 4.De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het artikel 6 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of (maatschappelijke) opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving en zo mogelijk een bijdrage kan leveren aan de samenleving. 5.Het college kent slechts de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening toe. 6.Het college is bevoegd om bij besluit nadere regels te stellen inzake de aard en omvang van de toe te kennen maatwerkvoorzieningen. 7.Het college is bevoegd om bij besluit nadere regels te stellen over afschrijvingstermijnen als bedoeld in artikel 11 zesde lid, artikel 13 eerste lid onderdeel f., artikel 13 derde lid onderdeel i., artikel 14 derde lid onderdeel b. onder ii, artikel 16 zesde lid en artikel 18 tweede lid onderdeel a. onder iii van deze verordening. Artikel10.Specifieke criteria voor een maatwerkvoorziening gericht op verplaatsen en vervoer 1.Indien een cliënt beschikt over een indicatie op grond van de Wlz, is het mogelijk een vervoersvoorziening te verstrekken indien cliënt aan de daarvoor gestelde criteria in deze verordening en de door het college bij nader besluit te stellen regels voldoet. 2.Een cliënt kan voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel in aanmerking worden gebracht wanneer op grond van aantoonbare beperkingen incidenteel of dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk is. 3.Bij het verstrekken van een vervoersvoorziening, wordt uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Met directe woon- en leefomgeving als bedoeld in deze verordening, wordt 25 kilometer rondom de woning verstaan waarbij deelname aan het maatschappelijk verkeer mogelijk is met een omvang van 2000 kilometer per jaar. 4.Een cliënt kan voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportrolstoel, maximaal 1 keer in de drie jaar, in aanmerking gebracht worden wanneer op grond van aantoonbare beperkingen sporten zonder sportrolstoel onmogelijk is en cliënt lid is van een sportvereniging. 5.Een cliënt kan voor een andere vervoersvoorziening dan CVV, zoals bedoeld in artikel 14 zesde lid van deze verordening, in aanmerking worden gebracht indien: aantoonbare beperkingen het gebruik van het CVV onmogelijk maken of er een verplaatsingsbehoefte aanwezig is waardoor, in verband met een zeer beperkte loopafstand van maximaal 200 meter, het gebruik van het CVV ontoereikend is. 6.Een autoaanpassing wordt enkel toegekend indien de technische levensduur van de auto nog minimaal 5 jaar is. Deze technische inschatting zal worden gemaakt door het bedrijf dat ook de autoaanpassing uitvoert. 7.Indien als gevolg van het verstrekken van een autoaanpassing, zoals bedoeld in het zesde lid, extra verzekeringskosten en hogere kosten i.v.m. de motorrijtuigenbelasting ontstaan, komen deze meerkosten voor vergoeding in aanmerking. Artikel11.Specifieke criteria voor een maatwerkvoorziening gericht op wonen 1.Een cliënt kan voor een maatwerkvoorziening gericht op wonen in aanmerking worden gebracht wanneer dit op grond van aantoonbare beperkingen in het normale gebruik van de woning noodzakelijk is en cliënt zijn hoofdverblijf in deze woning heeft. 2.Voor zover de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning binnen een straal van 15 kilometer van de huidige woning, zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden, alvorens een woningaanpassing en/ of traplift wordt verstrekt. Deze beoordeling vindt alleen plaats indien de kosten van een woningaanpassing en/of traplift het door het college bij nadere regels vast te stellen bedrag te boven gaan. In afwijking van het gestelde in het tweede lid kan een cliënt in aanmerking komen voor een woningaanpassing en/of traplift indien: de cliënt in afwachting van een geschikte en beschikbare woning, niet meer in de eigen woning kan blijven wonen. er medische redenen zijn waarom een verhuizing niet mogelijk is. er andere redenen zijn waardoor het redelijkerwijs niet van cliënt kan worden gevergd om te verhuizen. 3. In afwijking van het gestelde in het tweede lid kan een cliënt in aanmerking komen voor een woningaanpassing en/of traplift indien: de cliënt in afwachting van een geschikte en beschikbare woning, niet meer in de eigen woning kan blijven wonen. er medische redenen zijn waarom een verhuizing niet mogelijk is. er andere redenen zijn waardoor het redelijkerwijs niet van cliënt kan worden gevergd om te verhuizen. niet binnen 6 maanden nadat het primaat van verhuizen is opgelegd, een geschikte woning of gemakkelijker geschikt te maken woning binnen een straal van 15 kilometer van de huidige woning beschikbaar is. 4.Het college kan een maatwerkvoorziening treffen in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor ondersteuning gericht op verhuizen van de cliënt op wie het primaat als bedoeld in het tweede lid van toepassing is. 5.Het college kan besluiten geen verdere ondersteuning bij een woningaanpassing en/of traplift te bieden indien blijkt dat de cliënt, bij een opgelegd primaat van verhuizen, om een of meerdere buiten de wet gelegen redenen niet wenst te verhuizen en daartoe ook geen aantoonbare stappen heeft ondernomen, terwijl er naar verwachting een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning binnen een straal van 15 kilometer van de huidige woning binnen 6 maanden beschikbaar zal zijn. 6.Cliënt kan in aanmerking komen voor een woningsanering, als dit noodzakelijk is in verband met ernstige longproblematiek en/of allergische aandoeningen en de betreffende te vervangen stoffering/ vloer nog niet is afgeschreven. 7.Het college kan op individuele basis een maatwerkvoorziening verstrekken betreffende een gemeenschappelijke ruimte, indien zonder hierna genoemde woningaanpassingen de woonruimte voor de cliënt ontoegankelijk blijft: het aanbrengen van elektrische deuropeners. aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel. het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders. het aanbrengen van een extra trapleuning. het aanleggen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het woongebouw. 8.Het college verleend een maatwerkvoorziening gericht op wonen, die betrekking heeft op een woonwagen, indien: de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5 jaar is en de standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt en de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag op een binnen de gemeente Beekdaelen formeel als zodanig aangemerkte standplaats stond. Artikel12.Gebruikelijke hulp 1.De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college geacht kunnen worden gebruikelijke hulp te kunnen verlenen. 2.Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan: het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie. het bieden van ondersteuning bij activiteiten die naar oordeel van het college volgens algemene maatstaven tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. 3.Bij het oordeel van het college of gebruikelijke hulp kan worden gevergd, wordt in ieder geval rekening gehouden met: de aard, de omvang en de te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. de aard van de relatie met de persoon binnen de leefeenheid, tenzij het huishoudelijke hulp betreft. de leeftijd en ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. de leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. 4.Het college is bevoegd om, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, bij besluit nadere regels te stellen inzake de verlening van gebruikelijke hulp. Artikel13.Weigeringsgronden 1.Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. voor zover een cliënt, in volgorde van belangrijkheid, op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen. voor zover een cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen. indien de voorziening voor een persoon als cliënt als algemeen gebruikelijk te beschouwen is.. indien het een voorziening betreft die een cliënt voor de melding dan wel aanvraag van een maatwerkvoorziening als bedoeld in de artikelen 3 en 8 van deze verordening heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of het college de noodzaak achteraf nog kan vaststellen. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan een cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is. Uitzonderingen op bovengenoemde regel zijn: de eerder vergoede of verstrekte voorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan cliënt zijn toe te rekenen. de eerder vergoede of verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven. de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. indien een cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond. de gevraagde maatwerkvoorziening niet als goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt. indien er geen sprake is van beperkingen in het kader van zelfredzaamheid of participatie. indien deze niet langdurig noodzakelijk is. indien deze een anti revaliderend effect heeft op het functioneren van de cliënt. indien een cliënt niet in staat is om op verantwoorde wijze gebruik te maken van een maatwerkvoorziening. 2.Het college verstrekt geen individuele maatwerkvoorziening voor vervoer in natura of in de vorm van een pgb tenzij de beperkingen van de cliënt, chronische psychische problemen of psychosociale problemen, het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is, dan wel dat de omstandigheden van cliënt het anderszins maken dat het collectieve vervoer niet compenserend is. 3.Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening gericht op wonen bestaat: voor zover er geen sprake is van beperkingen in het normale gebruik van de woning waar een cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. voor zover de beperkingen in de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. indien de cliënt woont in of verhuisd naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden. indien het woonruimten betreft die niet als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de Huurtoeslag aangemerkt worden. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, tenzij deze betrekking hebben op het normale gebruik van de woning waarbij het gaat om: automatische deuropeners hellingbanen het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte Een uitzondering op deze bepaling is mogelijk wanneer het een maatwerkvoorziening voor ondersteuning gericht op verhuizen betreft. indien de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is. indien een cliënt niet is verhuisd naar de in relatie tot zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. voor zover de woonvoorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. indien de noodzaak tot het treffen van een woningaanpassing het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan woning mogen worden gesteld. indien zonder (voorafgaande) toestemming van het college wordt afgeweken van het programma van eisen dan wel van de werkzaamheden zoals omschreven in de aan het college overlegde bouwtekening. Hoofdstuk4:Maatwerkvoorzieningen Artikel14.Keuzevrijheid 1.Een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura en in de vorm van een pgb, onder de voorwaarden en criteria zoals genoemd in deze verordening. 2.Als uitzondering op het eerste lid wordt een maatwerkvoorziening voor ondersteuning gericht op verhuizen en een maatwerkvoorziening voor het gebruik van de (eigen) auto of (rolstoel)taxi enkel verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. 3.Als uitzondering op het eerste lid wordt de keuze tussen een maatwerkvoorziening in natura en een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb niet geboden, indien: het een spoedeisende situatie betreft, zoals bedoeld in artikel 6 zesde lid van deze verordening. het een maatwerkvoorziening betreft in de vorm van een hulpmiddel en: op grond van de progressiviteit van het ziektebeeld deze voorziening snel weer door een aangepaste maatwerkvoorziening vervangen moet worden of de indicatie van de te verstrekken maatwerkvoorziening minder bedraagt dan de economische afschrijvingstermijn van deze voorziening, e.e.a. conform de door de gemeente overeengekomen bepalingen in de overeenkomst met de dienstverlenende organisatie die deze voorziening biedt. 4.In situaties zoals bedoeld in het derde lid, wordt alleen een maatwerkvoorziening in natura verstrekt. 5.Indien de cliënt kiest voor een maatwerkvoorziening in natura, kan de cliënt in principe een vrije keuze maken voor een gecontracteerde aanbieder, mits het aanbod passend is. 6.Met inachtneming van het bepaalde in artikel 10 van deze verordening, geldt bij verstrekking van een maatwerkvoorziening gericht op vervoer het primaat van ondersteuning in natura en CVV in het bijzonder. 7.Met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 van deze verordening, prevaleert het primaat van verhuizen boven een woningaanpassing indien de kosten van deze woningaanpassing het door het college bij nadere regels vast te stellen bedrag te boven gaan. Artikel15.Zorg in natura 1.Indien een maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt zijn de vigerende (dienstverlenings)overeenkomsten tussen de gemeente Beekdaelen en de aanbieder(
- s)van toepassing. Bij het ontbreken van een overeenkomst wordt een goedkoopst compenserende offerte opgevraagd. Hierin zijn de volgende onderdelen opgenomen: het programma van eisen voor de betreffende maatwerkvoorziening en aanvullende kosten, indien van toepassing, zoals onderhoud en reparatie. 2.De maatwerkvoorzieningen in natura in de vorm van een hulpmiddel en een traplift kunnen in bruikleen verstrekt worden. In een dergelijke situatie zijn de vigerende bruikleenoverkomsten tussen de gemeente Beekdaelen en de aanbieder(
- s)van toepassing. 3.Het tarief voor het realiseren voor een standaard woningaanpassing wordt, aan de hand van een programma van eisen, gebaseerd op de door het college bij nadere regels vast te stellen standaard prijsafspraken. 4.Het tarief voor een woningaanpassing welke verstrekt wordt met als doel het uitbreiden van bestaande woningen, dan wel het groter bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de voorzieningen nodig zou zijn, wordt gebaseerd op de extra te verwerven grond die ten hoogste overeenkomt met de bijdrage voor het aantal vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de buitenruimte bij de woning. Het college is bevoegd nadere regels te stellen over het maximum aantal m2 per vertrek en een gedeelte van de buitenruimte bij de woning. Artikel16.Voorwaarden verstrekking pgb 1.Verstrekking van een maatwerkvoorziening als een pgb vindt plaats op een gemotiveerd verzoek van de cliënt, zijn gemachtigde of vertegenwoordiger, middels een budgetplan. 2.Een pgb voor een maatwerkvoorziening wordt verstrekt, indien: de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger en in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren en de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening die wordt geleverd door een aanbieder, in de vorm van een pgb wenst geleverd te krijgen en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren en die de cliënt van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en klantgericht) zijn. 3.De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met cliënt getoetst, maar het oordeel van de gemeente is hierin leidend. Uit het budgetplan voor een maatwerkvoorziening moet blijken: welke maatwerkvoorziening cliënt wil aanschaffen met het pgb en om welke redenen hij deze maatwerkvoorziening als passend beschouwd en waar hij de maatwerkvoorziening wil inkopen en hoe hij tot deze keuze is gekomen. 4.Bij ondersteuning in de vorm van hulp bij het huishouden, persoonlijke begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf/ logeeropvang/ respijtzorg, welke niet geleverd door personen uit het sociaal netwerk dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan: de norm van verantwoorde zorg, zoals omschreven in het kwaliteitskader. gebruik van een hulpverleningsplan of plan van aanpak als onderdeel van verantwoorde zorg. systematische kwaliteitsbewaking. verklaring omtrent het gedrag (VOG), zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met de cliënt in contact kunnen komen, welke niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop de zorgverlener voor de cliënt ging werken. de meldplicht calamiteiten en geweld. De organisatie of ondernemer beschikt over een meldcode ten aanzien van huiselijk geweld en kindermishandeling. 5.Bij ondersteuning, in de vorm van hulp bij het huishouden, persoonlijke begeleiding en kortdurend verblijf/ logeeropvang/ respijtzorg, geleverd door personen uit het sociaal netwerk dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan: gebruik van een hulpverleningsplan of plan van aanpak als onderdeel van verantwoorde zorg. een meldplicht ten aanzien van calamiteiten en geweld. 6.Het college is bevoegd nadere regels te stellen indien de maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt verstrekt in de vorm van een pgb en (onderdelen van) deze maatwerkvoorziening uitgevoerd worden door anderen dan personen uit het sociaal netwerk. 7.Het wederom verstrekken van een pgb voor een reeds eerdere verstrekte soortgelijke maat-werkvoorziening gericht op wonen, verplaatsen en vervoer, kan slechts dan geschieden indien de economische afschrijvingstermijn van de betreffende maatwerkvoorziening verstreken is. Artikel17.Uitsluitingscriteria verstrekking pgb 1.Verstrekking van het pgb vindt niet plaats indien niet voldaan wordt aan de voorwaarden als genoemd in artikel 16 van deze verordening. 2.Verstrekking van het pgb vindt niet plaats indien: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstig vermoeden bestaat dat de cliënt geen redelijke waardering van zijn belangen ten aanzien van de zorgvraag kan maken. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstig vermoeden bestaat dat hij niet in staat is de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstig vermoeden bestaat dat de verstrekking van het pgb niet bijdraagt aan het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. het pgb niet of voor een ander doel gebruikt wordt. het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10 eerste lid onderdeel a., d. en e. van de wet. voor zover de kosten van het betrekken van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerk-voorziening. de zorgverlener of aanbieder tevens de budgetbeheerder of vertegenwoordiger van de cliënt is. 3.Het pgb mag niet besteed worden aan de bemiddeling bij het aanvragen van een indicatie of het beheer van het pgb. Artikel18.Vaststelling hoogte pgb 1.De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente Beekdaelen beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 2.De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt: indien de zaak onderdeel uitmaakt van een contract tussen het college en de door haar gecontracteerde aanbieder, wordt de kostprijs gebaseerd op de in het contract gemaakte prijsafspraken en rekening houdend met een reële termijn voor de technische afschrijving, de onderhouds- en verzekeringskosten en een eventueel door de gemeente te ontvangen korting. indien de zaak geen onderdeel uitmaakt van een contract tussen het college en een door haar gecontracteerde aanbieder, wordt de kostprijs gebaseerd op ten hoogste de door het college goedgekeurde goedkoopst adequate offerte en indien van toepassing verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie. indien de zaak een tweedehands maatwerkvoorziening betreft, wordt de kostprijs gebaseerd op de prijs van de tweedehandsvoorziening met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak economisch is afgeschreven en rekening houdend met een bedrag voor onderhoud en reparatie. hulp bij het huishouden en persoonlijke begeleiding: door een daartoe opgeleide professional werkzaam bij een instelling die met de uit te voeren taken/ werkzaamheden is ingeschreven conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007: op basis van het laagste toepasselijke tarief in natura per uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. door een daartoe opgeleide professional die is aangemerkt als zelfstandige zonder personeel, die beschikt over een beschikking geen loonheffingen (BGL) en die met de uit te voeren taken/ werkzaamheden is ingeschreven conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007: op basis van 90% van het laagste toepasselijke tarief in natura per uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. door een daartoe opgeleide professional die is aangemerkt als werknemer; een persoon, niet zijnde de persoon als bedoeld onder i. en ii., waarmee een arbeidsovereenkomst is aangegaan: op basis van 90% van het laagste toepasselijke tarief in natura per uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. door een persoon uit het sociaal netwerk; een persoon als bedoeld in de wet niet zijnde een persoon als bedoeld onder i. tot en met iii: op basis van het wettelijk minimum loon, inclusief vakantiegeld en –uren en een vaste toeslag van € 1,90 per uur vanwege kosten verband houdend met het werkgeverschap. groepsbegeleiding/ dagbesteding: door een daartoe opgeleide professional werkzaam bij een instelling die met de uit te voeren taken/ werkzaamheden is ingeschreven conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007: op basis van het laagste toepasselijke tarief in natura per dagdeel dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. door een daartoe opgeleide professional die is aangemerkt als zelfstandige zonder personeel, die beschikt over een beschikking geen loonheffingen (BGL) en die met de uit te voeren taken/ werkzaamheden is ingeschreven conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007: op basis van 90% van het laagste toepasselijke tarief in natura per dagdeel dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. door een daartoe opgeleide professional die is aangemerkt als werknemer; een persoon, niet zijnde de persoon als bedoeld onder i. en ii., waarmee een arbeidsovereenkomst is aangegaan: op basis van 90% van het laagste toepasselijke tarief in natura per dagdeel dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het laagste toepasselijke tarief in natura per dag dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd in soort vervoer, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie en rekening houdend met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren. kortdurend verblijf/ logeeropvang/ respijtzorg: door een daartoe opgeleide professional werkzaam bij een instelling die met de uit te voeren taken/ werkzaamheden is ingeschreven conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007: op basis van het laagste toepasselijke tarief in natura per etmaal dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. door een daartoe opgeleide professional die is aangemerkt als zelfstandige zonder personeel, die beschikt over een beschikking geen loonheffingen (BGL) en die met de uit te voeren taken/ werkzaamheden is ingeschreven conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007: op basis van 90% van het laagste toepasselijke tarief in natura per etmaal dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. door een daartoe opgeleide professional die is aangemerkt als werknemer; een persoon, niet zijnde de persoon als bedoeld onder i. en ii., waarmee een arbeidsovereenkomst is aangegaan: op basis van 90% van het laagste toepasselijke tarief in natura per etmaal dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder, indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. door een persoon uit het sociale netwerk: op basis de van toepassing zijnde NIBUD-richtlijnen en CBS-cijfers met betrekking tot de noodzakelijke wasverzorging, het wassen van het lichaam, voeding en een dagactiviteit. beschermd wonen: aan de hand van de onderdelen waaruit de zorg bestaat, door wie de zorg verleend wordt en de bedragen, die daarvoor gelden op grond van de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2018’ of haar opvolgers. Artikel19.Uitbetaling pgb 1.Het pgb voor een maatwerkvoorziening wordt na toekenning, op basis van declaratie, op grond van artikel 2.6.2 van de wet, uitgekeerd door de SVB. 2.De bevoorschotting van de SVB wordt in principe per maand beschikbaar gesteld en is, bij controle van de voorafgaande periode, afhankelijk van de compleetheid van de (eventuele) inhoudelijke verantwoording over die voorafgaande periode. 3.Een uitzondering op het eerste lid is de maatwerkvoorziening die als een eenmalig pgb verstrekt wordt, zoals bepaald in het Besluit mandaat- en volmachtverlening eenmalige pgb’s SVB 2016. 4.Het eenmalige pgb voor een maatwerkvoorziening, zoals bedoeld in het derde lid, wordt na definitieve toekenning aan de cliënt uitbetaald. 5.Een pgb wordt bruto uitbetaald. Dat wil zeggen dat de eigen bijdrage niet direct met het pgb is verrekend. 6.Het pgb van een maatwerkvoorziening kent een vrij besteedbaar bedrag, waarover geen verantwoording noodzakelijk is. Dit bedrag bedraagt € 150,00 per jaar per maatwerkvoorziening. 7.Met uitzondering van het bepaalde in het zesde lid, bedraagt het vrij besteedbaar voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen € 100,00 per jaar. Artikel20.Financiële tegemoetkoming 1.De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, zoals bedoeld in artikel 14 tweede lid van deze verordening, bedraagt € 660,00. Dit bedrag is gebaseerd op de som van het fiscaal belaste en onbelaste deel van reiskostenvergoeding werkverkeer (€ 0,33 per
- km)vermenigvuldigd met het maximaal aantal kilometer per jaar, zoals beschreven in artikel 10 derde lid van deze verordening (2000 kilometer per jaar). 2.De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de (rolstoel)taxi, zoals bedoeld in artikel 14 tweede lid van deze verordening, bedraagt € 1.699,38 voor het gebruik van de taxi en € 1.903,73 voor het gebruik van de rolstoeltaxi. Dit bedrag is gebaseerd op het in de regio gangbare toepasselijke tarief voor het gebruik van het CVV, uitgaande van maximaal 2000 kilometer per jaar. 3.Indien aan de cliënt reeds een maatwerkvoorziening in het kader van vervoer en verplaatsen in de vorm van een hulpmiddel toegekend is en hiermee al voor een deel voorzien is in de verplaatsingsbehoefte van de cliënt, bedraagt de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de (eigen) auto of (rolstoel)taxi maximaal 75% van de hoogte zoals genoemd in het eerste en tweede lid. 4.Indien de vervoersbehoeften van huisgenoten samenvallen, wordt hier bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, rekening mee gehouden. In dergelijke gevallen bedraagt de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de (eigen) auto of (rolstoel)taxi, per cliënt maximaal 75% van de hoogte zoals genoemd in het eerste en tweede lid, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat er in het geheel geen sprake is van gezamenlijke verplaatsingsbehoeften. 5.De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor ondersteuning gericht op verhuizen, zoals bedoeld in artikel 14 tweede lid van deze verordening, bedraagt € 1.750,00. Dit bedrag is gebaseerd op de gemiddelde kostprijs van een verhuizing. 6.Het besluit tot toekenning van de financiële tegemoetkoming, zoals bedoeld in het vijfde lid, heeft een geldigheidsduur van 1 jaar ingaande de dag na inwerkingtreding van dat besluit. In beginsel is verlenging van de geldigheidsduur niet mogelijk. 7.De financiële tegemoetkoming, zoals bedoeld in het vijfde lid, kan ook worden verstrekt bij het op verzoek van het college vrijmaken van een bestaande aangepaste woning indien de cliënt niet meer is aangewezen op een aangepaste woning. Artikel21.Verantwoording 1.Er hoeft geen verantwoording te worden afgelegd over de besteding van een financiële tegemoetkoming. 2.Terstond na de realisatie en/of aanschaf van een maatwerkvoorziening zijnde een woningaanpassing, autoaanpassing, sportrolstoel plus hulpmiddelen en trapliften indien deze verstrekt worden in de vorm van een pgb, bevestigt de cliënt dit aan het college. Deze gereedmelding vindt plaats: voor wat betreft een woningaanpassing: uiterlijk binnen 12 maanden na het afgeven van de beschikking. in alle overige gevallen: uiterlijk binnen 3 maanden na het afgeven van de beschikking. 3.Bij de gereedmelding als bedoeld in het tweede lid dient een verklaring te worden ingediend dat bij het realiseren en/of aanschaf van de maatwerkvoorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder deze is toegekend. Deze gereedmelding geldt tevens als een verzoek om definitieve vaststelling en uitbetaling van de maatwerkvoorziening. 4.Degene aan wie de maatwerkvoorziening in natura of als een pgb wordt verleend dient gedurende een periode van vijf jaar, ingaande de dag van bekendmaking van de toekenningsbeschikking, alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. 5.Indien uit de verantwoording blijkt dat het voorlopig toegekende bedrag in natura of het toegekende pgb te hoog of te laag blijkt te zijn, is het college bevoegd om het bedrag c.q. budget tussentijds aan te passen. Artikel22.Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura, in de vorm van een pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het eventueel beoogde resultaat daarvan is. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is. hoe de voorziening wordt verstrekt. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb. wat de hoogte van het persoonsgebonden is en hoe hiertoe is gekomen. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat de financiële tegemoetkoming kan worden aangewend. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van de financiële tegemoetkoming. wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming is en hoe hiertoe is gekomen. wat de duur is van de verstrekking waarvoor de financiële tegemoetkoming is bedoeld. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 5.Als er sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt hierover in de beschikking geïnformeerd. Artikel23.Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen in natura of in de vorm van een pgb en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1.Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 3.Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten. de cliënt langer dan 2 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wlz of de Zvw. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. 4.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5.Onverminderd artikel 2.4.1 van de wet kan het college nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening al dan niet in natura of in de vorm van een pgb is herzien of ingetrokken: het ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb terugvorderen. de geldswaarde van een maatwerkvoorziening in natura terugvorderen. 6.De wijze waarop de terugvordering, zoals bedoeld in het vijfde lid, geïnd wordt, kan verrekening zijn. De hoogte van het na verrekening (periodieke) bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de te compenseren beperkingen. 7.Indien de terugvordering, zoals bedoeld in het vijfde lid, (mede) te wijten is aan het handelen van de aanbieder, kan het college deze aanbieder uitsluiten van verdere dienstverlening. 8.Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 9.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen in natura of in de vorm van een pgb met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. 10.Tijdens het onderzoek bedoeld in het negende lid worden de voorwaarden en criteria zoals genoemd in deze verordening getoetst. Artikel24.Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10 eerste lid onderdeel a., b., d. of e. van de wet. 2.Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 23 derde lid onderdeel d. van deze verordening. 3.Het college stelt de budgethouder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Hoofdstuk5:Bijdrage in de kosten Artikel25.Bijdrage in de kosten algemene voorziening 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van een algemene voorziening die geheel of gedeeltelijk wordt bekostigd door de gemeente, niet zijnde cliëntondersteuning. 2.De cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd aan de aanbieder van de algemene voorziening. 3.De hoogte van de bijdrage die een cliënt betaald voor een algemene voorziening wordt bepaald door de aanbieder die deze voorziening levert. Deze prijzen gelden voor alle cliënten en zijn tot stand gekomen in overleg met en met bijdrage van de gemeente. Het gaat daarbij om de volgende algemene voorzieningen: in de voormalige gemeente Onderbanken: wensbus: ritprijs afhankelijk van de lengte van de rit, variërend van € 1,00 tot € 4,00. wijkbelbus: abonnement € 5,25 per kwartaal én een ritprijs van € 1,80. boodschappenplusbus: abonnement €3,50 per maand én per activiteit wordt een vergoeding gevraagd. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit. scootmobiel- en rolstoelpoule: gratis. algemeen maatschappelijk werk: gratis. open inloop CMWW: gebruik is gratis, er wordt wel een vergoeding gevraagd voor consumpties. open inloop GGZ (CMWW en Mondriaan): gratis. samen voor elkaar Onderbanken: gebruik is gratis, er wordt wel een vergoeding gevraagd voor consumpties en voor deelname aan bepaalde activiteiten. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit. in de voormalige gemeente Nuth: wensbus: ritprijs afhankelijk van de lengte van de rit, variërend van € 1,00 tot € 4,00. algemeen maatschappelijk werk: gratis. vrije inloop Cicero (Pastorijstraat en gemeenschapshuis Schimmert): € 3,50 per dagdeel. Daarnaast wordt er een vergoeding gevraagd voor consumpties. hoeskamer: gebruik is gratis, er wordt een vergoeding gevraagd voor consumpties en voor deelname aan bepaalde activiteiten. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit. In de voormalige gemeente Schinnen: wensbus: ritprijs afhankelijk van de lengte van de rit, variërend van € 1,00 tot € 4,00. algemeen maatschappelijk werk: gratis. hoeskamers: gebruik is gratis, er wordt wel een vergoeding gevraagd voor consumpties en voor deelname aan bepaalde activiteiten. De hoogte hiervan is afhankelijk van de activiteit. helpcenter Schinnen (voedselondersteuning, kledingcentrum, maatjesproject, schuldhulpverlening): gratis. 4.Conform het gestelde in artikel 37 van deze verordening kan het college de hoogte van de bijdrage in de kosten die een cliënt betaald voor een algemene voorziening jaarlijks indexeren. 5.Als toepassing is gegeven aan het vierde lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen. Artikel26.Bijdrage in de kosten maatwerkvoorziening zelfredzaamheid en participatie 1.Een cliënt vanaf 18 jaar is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, zolang hij van deze voorziening in natura gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. 2.De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1 tweede lid van het uitvoeringsbesluit dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4 derde lid van de wet of het volgende lid geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 3.In afwijking van het eerste lid en in aanvulling op hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit, is de bijdrage in de kosten niet verschuldigd voor een: maatwerkvoorziening in de vorm van een CVV. maatwerkvoorziening die in één van de drie voormalige gemeenten verstrekt is zonder dat er een bijdrage in de kosten verschuldigd is, totdat de einddatum van de indicatie is bereikt of dat de voorziening aan vervanging toe is. financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de (eigen) auto en/of (rolstoel)taxi. financiële tegemoetkoming voor ondersteuning gericht op verhuizen. 4.Voor een cliënt tot 18 jaar wordt geen bijdrage in de kosten gehanteerd voor een maatwerk-voorziening, met uitzondering van een woningaanpassing. 5.Als een maatwerkvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een cliënt die minderjarig is, zoals bedoeld in het derde lid, is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over de client. 6.Vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening zelfredzaamheid en participatie vindt plaats door het CAK, conform de door de gemeente afgegeven parameters (die zijn opgenomen in het tweede tot en met vijfde lid) en de kostprijs van de betreffende maatwerkvoorzieningen, zoals bepaald in artikel 27 van deze verordening. 7.Bij toepassing van het zesde lid wordt per kalenderjaar uitgegaan van twaalf perioden van vier weken en een periode die, afhankelijk van de resterende dagen, vier of vijf weken bedraagt. Artikel27.Kostprijs maatwerkvoorziening zelfredzaamheid en participatie 1.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten zoals door de gemeente overeengekomen met de dienstverlenende organisatie die deze maatwerkvoorziening biedt (inclusief BTW, de eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten en eventuele kortingen die de gemeente ontvangt) dan wel is vastgesteld op basis van de goedkoopst compenserende offerte. 2.De kostprijs van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. Artikel28.Bijdrage in de kosten beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang 1. Het college stelt bij nadere regels de hoogte van de bijdrage in de kosten voor beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang vast. 2. De bijdrage in de kosten voor beschermd wonen wordt geïnd door het CAK. 3. De bijdrage in de kosten voor de (maatschappelijke) opvang wordt geïnd door de aanbieder die de opvang biedt. Hoofdstuk6:Kwaliteit en veiligheid Artikel29.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel30.Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derden of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met een derde en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 tweede lid onderdeel c. van de wet en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 tweede lid van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht. redelijke overheadkosten. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg. reis- en opleidingskosten. Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, waaronder rapportage- en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid onder b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde, de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen is gesteld in het tweede er derde lid. Hierover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bepaalt met welke derde, als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel31.Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 3.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 4.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 5.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Hoofdstuk7:Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel32.Klachtregeling 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door hen verstrekte maatwerkvoorzieningen. Deze regeling voldoet aan de normstellingen in de WKKGZ. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel33.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle door hen verstrekte maatwerkvoorzieningen. Deze regeling voldoet aan de normstellingen in de WMCZ. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel34.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomst de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ten uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk8:Waardering mantelzorgers Artikel35.Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het college bepaald bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. Dit gebeurt op grond van de het door de gemeenteraad vastgestelde mantelzorgbeleid. 2.De mantelzorgwaardering kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming, een presentje en/of een activiteit. Hoofdstuk9:Overgangsregels en slotbepalingen Artikel36.Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde financiële en uitvoeringsbeleid wordt jaarlijks geëvalueerd en verantwoord in de gemeentelijke jaarrekening. Artikel37.Indexering Het college kan jaarlijks, met ingang van 01 januari 2020, de voor de uitvoering van deze verordening van toepassing zijnde bedragen, indexeren. Artikel38.Hardheidsclausule 1.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 2.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel39.Nadere regels Het college stelt nadere regels over de uitvoering van deze verordening. Artikel40.Intrekking oude verordeningen 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Onderbanken 2017 wordt met terugwerkende kracht per 01 januari 2019 ingetrokken, met de inwerkingtreding van deze verordening. 2.De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Nuth 2017 wordt met terugwerkende kracht per 01 januari 2019 ingetrokken, met de inwerkingtreding van deze verordening. 3.De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schinnen 2015 wordt met terugwerkende kracht per 01 januari 2019 ingetrokken, met de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel41.Overgangsregels 1.Een cliënt houdt recht op een lopende maatwerkvoorziening verstrekt op grond van één van de in artikel 40 van deze verordening genoemde verordeningen, dan wel haar voorgangers, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 2.Aanvragen die zijn ingediend onder één van de in artikel 40 van deze verordening genoemde verordeningen en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van één van de in artikel 40 van deze verordening genoemde verordeningen, wordt beslist met inachtneming van de verordening op grond waarvan het besluit is genomen. Artikel42.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt, met terugwerkende kracht, in werking op 01 januari 2019. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beekdaelen 2019. Aldus besloten door de gemeenteraad van de gemeente Beekdaelen in de openbare vergadering van 2 januari 2019. De griffier, De heer H. Waterborg De voorzitter, XXXToelichting op de verordening Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wmo 2015. De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de oude Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (inmiddels vervangen door de Wlz). Deze taken zijn toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij is deels voortgeborduurd op de weg die met die ‘oude’ wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, is een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan de cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige ambtenaren. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3 eerste lid voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3 tweede tot en met vierde lid, 2.1.4 derde en zevende lid en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: Op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maat-werkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is. Ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is. Op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg. Op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend. Op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3 derde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: Voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4 eerste en tweede lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6 vierde lid van de Wmo 2015: Bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maat-werkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn. De hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. Bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd. Bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent. Bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht. Bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Artikel 2.1.3 tweede lid van de Wmo 2015 biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente. Hoofdstuk 1: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen In het eerste lid is uitgelegd wat onder de diverse begrippen in deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan. Aanvraag: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. Algemeen gebruikelijke voorziening: het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO en CRvB 24-02-2016, nr. 13/2603 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Algemene voorziening: het betreft een voorziening of maatregel die normaal in de maatschappij aanwezig en beschikbaar is en door iedereen die daar behoefte aan heeft op eenvoudige wijze te verkrijgen of te gebruiken is, zonder een ingewikkelde (aanvraag)procedure. Besluit: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Budgethouder: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Budgetplan: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. College: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Onder huisgenoten worden personen bedoeld waarmee cliënt duurzaam een gezamenlijk huishouden voert en een woning bewoont. Een kamerhuurder wordt niet als huisgenoot aangemerkt als de cliënt een huurcontract kan overleggen. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: Echtgenoot: geregistreerde partner. Gehuwd: als partner geregistreerd. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluit wordt: Als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Als ongehuwd mede aangemerkt wordt diegene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: Zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld. Uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. Zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract. Zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding. Gemeenschappelijke ruimte(n): de begripsbepaling geeft het verschil aan tussen de woonruimte van een cliënt en de delen van het (woon)gebouw waar de cliënt woont, die ook door anderen worden of kunnen worden gebruikt. Er is sprake van een gemeenschappelijke ruimte als de client alleen middels deze ruimte zijn woning kan bereiken of betreden. Het college treft in principe geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten (zie artikel 11 zevende lid en artikel 13 derde lid onderdeel e. van deze verordening). Daarnaast is het begrip van belang bij de beoordeling van gebruikelijke hulp. Hoofdverblijf: het gaat om de woning (bestemd én geschikt voor permanente bewoning) waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Beekdaelen te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de diens (te verwachten) beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid, zie artikel 13 derde lid van deze verordening. Hulpvraag: de hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet is noodzakelijk. Ingezetene: de cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 van de wet). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet perse van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening, uitgezonderd een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang zoals hiervoor aangegeven, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Met het begrip ‘hoofdverblijf’ wordt meestal bedoeld: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de BRP ingeschreven staat of zal staan. Indien de client met een briefadres in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat of zal staan, gaat het om het feitelijk woonadres. Uit de jurisprudentie bij de ‘oude’ Wmo (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt echter dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in de BRP belangrijk is, maar niet doorslaggevend. Maatschappelijke ondersteuning: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Melding: eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek instellen. Indien een ingezetene alleen verzoekt om informatie en advies, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Normale gebruik van de woning: de begripsbepaling is met name van belang bij het verlenen van woningaanpassingen, trapliften, hulpmiddelen of hulp bij het huishouden. Deze maatwerk-voorzieningen zijn slechts gericht op het normale gebruik van de woning. Ondersteuningsplan: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Persoonlijk plan: in het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn sociale netwerk - de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid onderdelen a. tot en met g. van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid onderdelen a. tot en met g. van de wet, worden onderzocht door het college. Doordat de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo 2015 versterkt. Persoonsgebonden budget/ pgb: een geldbedrag, waarmee de cliënt een of meer aan hem te verlenen maatwerkvoorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening, het uitvoeringsbesluit en het vigerende besluit te stellen regels van toepassing zijn. Sociaal netwerk: de wet gaat nadrukkelijk uit van het beginsel dat slechts ondersteuning wordt geboden door de gemeente indien iemand daarin niet zelf of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk kan voorzien. In verband daarmee is de definitie van dit begrip opgenomen. Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt: dit omvat ook de mantelzorger. In artikel 1.1.1 van de wet staat omschreven dat met het begrip ‘huiselijke kring’ een familielid, een huisgenoot of mantelzorger wordt bedoeld. Uit de definitie ‘sociaal netwerk’ als zodanig vloeit geen verplichting voor deze personen om iemand bij te staan. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn aan wie iemand hulp zou kunnen en mogen vragen, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht wanneer iemand zich tot de gemeente wendt. Uitvoeringsbesluit: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Voorliggende voorziening: het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van degene die een melding doet of een aanvraag indient een beroep te doen op andere wettelijke regelingen voor zover daar aanspraak op bestaat en die aanspraak bijdraagt aan het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen. Zie ook artikel 13 eerste lid onderdeel a. van deze verordening. Voorziening in natura: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Wet: deze definitie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Woning: onder een woning wordt een zelfstandige woonruimte verstaan bestemd én geschikt voor permanente bewoning. Kamerhuur valt, gelet op de begripsomschrijving niet onder het begrip woning. Een woonschip en een woonwagen kunnen ook als woning worden aangemerkt. Verder geldt voor een woning vanzelfsprekend wat daar naar algemeen maatschappelijke aanvaarde maatstaven onder wordt verstaan. Een woning voldoet aan het niveau van sociale woningbouw, hetgeen betekent dat de woning moet zijn voorzien van een woonkamer, een keuken, inpandige sanitaire ruimten (badkamer en toilet) en voldoende slaapkamers voor alle gezinsleden. Woningen waarin de cliënt woonachtig is en de cliënt beschikt over een persoonlijke gedoogd verklaring, worden gelijkgesteld met permanente bewoning. Woonvoorziening: de wet geeft geen definitie van een woonvoorziening. Het kan een woningaanpassing, traplift of hulpmiddel zijn met betrekking tot de ondersteuning gericht op het wonen. Soms wordt in de verordening de wettelijke definitie woningaanpassing gebruikt als dat begrip ook daadwerkelijk is bedoeld. De toelichting op sommige begrippen zijn samengevat, daar de volledige, uitgebreide toelichtingen terug te vinden zijn in de landelijke wet- en regelgeving. De bepaling in het tweede lid is opgenomen in de verordening om te borgen dat alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader of deels worden omschreven dezelfde betekenis hebben als in de wet, het uitvoeringsbesluit en de Awb. Hoofdstuk 2: Procedureregels, melding en onderzoek Artikel 2. Beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan gezien worden als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3 eerste lid en tweede lid onderdeel a. van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en opvang. Deze bepaling maakt het voor het college mogelijk om de uitvoering van het onderzoek alsmede de verstrekking van een maatwerkvoorziening in het kader van beschermd wonen en opvang te mandateren aan een (centrum)gemeente in de regio. Hiervoor kunnen door het college nadere regels opgesteld worden. Artikel 3. Melding hulpvraag Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3 eerste lid en tweede lid onderdeel a. van de wet. De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. In het eerste lid is nog eens benadrukt dat de melding het middel is van een cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te leggen. Met het gebruik van de in artikel 1 van deze verordening gedefinieerde term ‘hulpvraag’ is een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de Zvw, de Leerplichtwet 1969 e.d. Tevens is in het eerste lid opgenomen dat een melding kan worden gedaan middels het invullen van het daartoe vastgestelde meldingsformulier. Hiervan kan worden afgeweken indien het college bij besluit nadere regels heeft gesteld waarin uitzonderingen op deze bepaling zijn opgenomen. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden: bijvoorbeeld een mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkenen. Hierbij dient echter wel vooropgesteld te worden dat de cliënt ten aller tijde op de hoogte dient te zijn van een melding die op hem betrekking heeft. Het is de verantwoordelijkheid van de persoon die de melding doet, om de cliënt hiervan op de hoogte te stellen. Indien vooraf blijkt dat de cliënt niet op de hoogte is, kan en mag de gemeente Beekdaelen de melding niet oppakken. In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan, is registratie en bevestiging van de ontvangst van de melding van belang. In verband met de registratie en zorgvuldigheid wordt de schriftelijke bevestiging van de melding opgenomen in dit artikel. Artikel 4. Cliëntondersteuning Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.2.4 eerste lid onderdeel a. en 2.3.2 derde lid. Vanwege de compleetheid en het belang van de verplichting is deze bepaling ook nog een keer opgenomen in deze verordening. Cliëntondersteuning is in de vorm van een algemene voorziening aanwezig, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Met name het wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning neemt in de procedure een specifieke plek in. De cliëntondersteuning is onafhankelijk en kosteloos. Artikel 5. Persoonlijk plan Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet artikel 2.3.2 tweede lid. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de volgorde van de procedure, is deze bepaling ook nog een keer opgenomen in deze verordening. De cliënt wordt in staat gesteld om, eventueel samen met zijn sociaal netwerk en/of vertegenwoordiger, zijn omstandigheden en de door hem gewenste ondersteuning te beschrijven. Doordat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de ondersteuning die in de ogen van de cliënt nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door het opstellen van een persoonlijk plan, wordt daarnaast de eigen regie van de cliënt en de betrokkenheid van zijn sociaal netwerk versterkt. Het indienen van een persoonlijk plan is een mogelijkheid, maar geen verplichting voor de cliënt. Artikel 6. Onderzoek Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In het eerste lid wordt benadrukt dat een gesprek in principe deel uitmaakt van het onderzoek. Het gesprek past immers in het stelsel van de Wmo 2015 dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Op het moment dat de cliënt reeds bekend is en de hulpvraag zonder gesprek afgedaan kan worden, kan in overleg met cliënt van het gesprek afgezien worden. Het onderzoek vormt de kern van de procedure, welke maximaal zes weken mag beslaan. De wet beschrijft in het vierde lid van artikel 2.3.2 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen: De behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt. De mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen en opvang. De mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang. De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt. De mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang. De mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en aanbieders als bedoeld in de Zvw en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang. Welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn. Voor de bepaling in het derde lid geldt dat deze verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet het bepaalde in artikel 2.3.2 zesde lid. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb, in het geval dat cliënt in aanmerking komt voor een maat-werkvoorziening. Ook wordt de cliënt ingelicht over de gevolgen van deze keuze. In het vijfde lid is bepaald dat de uitkomsten van het onderzoek ook schriftelijk worden weergegeven; dit wordt het ondersteuningsplan genoemd. Dit is een beknopte weergave van hetgeen besproken is en de uitkomst daarvan. Als de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het ontvangen van het ondersteuningsplan kan verzending daarvan achterwege blijven. In het kader van de zorgvuldigheid dient het college hier niet te snel vanuit te gaan. De cliënt zal ondubbelzinnig en schriftelijk moeten verklaren geen prijs te stellen op het ontvangen van de genoemde bescheiden. Het zesde lid is een herhaling van het bepaalde in artikel 2.3.3 van de wet. Ter volledigheid is dit artikel ook in deze verordening opgenomen. Aangezien het onderzoek naar aanleiding van een melding zes weken in beslag kan nemen, is in dit artikel opgenomen dat het college tijdens het onderzoek in spoedeisende situaties onverwijld een passende tijdelijke maatregel kan nemen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de cliënt. De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Indien de cliënt in een situatie verkeert waarin uitstel van een maatregel niet mogelijk is, dient het college daarnaar te handelen en de cliënt in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag te tegemoet te komen. De maatregel dient te passen bij de gegeven omstandigheden, dat wil zeggen dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de behoefte van de cliënt, zonder dat van het college kan worden verwacht dat het op stel en sprong een precies passende maatregel treft. Het zal situaties betreffen waarbij anders, door het niet inzetten van de tijdelijke ondersteuning, voor de cliënt of zijn directe gezinsverband onaanvaardbare (gezondheids)risico’s ontstaan. Bij het beoordelen van het wel of niet toepassen van de spoedprocedure wordt ook gekeken of voorliggende wetgeving aan de orde is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het inzetten van een spoedopname/ -behandeling bij een GGZ-cliënt. Artikel 7. Informatieverstrekking en advisering In het eerste lid is opgenomen dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Afdeling 3:3 van de Awb, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5, eerste lid Awb geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende, situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. In de Awb is de optie van de advisering geborgd ten aanzien van een aanvraag. Een melding is niet opgenomen in de Awb, maar wel in de Wmo 2015. Schulinck stelt dat het opnemen van de optie advisering in de meldingsfase in de Verordening door Rechters zal worden gezien als uiterste zorgvuldigheid. De periode van 6 weken voor het onderzoek naar aanleiding van een melding is in sommige situaties echter te kort om een gedegen advies te ontvangen. Indien deze advisering nodig is, zal dit zoveel mogelijk in de meldingsfase ingezet worden. Hierdoor is het namelijk ook mogelijk om een brug te slaan tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de meldingsfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering. Het kan echter ook voorkomen dat een advies in de aanvraagfase noodzakelijk is). Het tweede lid creëert de mogelijkheid dat het college, in alle gevallen waarin het dit noodzakelijk acht, advies kan vragen aan een door het college daartoe aangewezen adviesinstantie. Hierbij kan gedacht worden aan: Een melding of aanvraag van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening is gevoerd. Een melding of aanvraag van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening heeft gevoerd, maar waarvan de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat deze gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. In alle overige gevallen waarin het college dit gewenst vindt. Voor de bepaling in het derde lid geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.3.2 zevende lid en 2.3.4 eerste lid. Analoog aan artikel 4:2 van de Awb, dat voor de aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige gegevens moet verstrekken, is in het derde lid geregeld dat de cliënt daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. Artikel 8. Aanvraag Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet artikel 2.1.3 eerste lid en tweede lid onderdeel a. Hierin is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. De wet bepaalt in artikel 2.3.5 tweede lid dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag een beschikking moet geven. In de Awb zijn regels opgenomen omtrent de aanvraag, welke ook van toepassing zijn op deze verordening. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier: het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, hetgeen voor de Wmo 2015 niet van toepassing is. In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt het eerste lid de wet: de aanvraag kan pas worden ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd of na het verstrijken van de zeswekentermijn. Artikel 2.3.5 eerste lid van de wet maakt duidelijk dat de aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening. Andere oplossingen die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. In het tweede lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen en/of bij het gesprek in de onderzoeksfase aanwezig zijn (zie hiervoor de artikelen 3 en 6 van deze verordening). Aangezien het in artikel 8 van deze verordening gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Een aanvraag moet schriftelijk worden ingediend. In het derde lid is bepaald dat een getekend ondersteuningsplan als aanvraagformulier dient. Hierdoor wordt een brug geslagen tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering. Het ondersteuningsplan wordt opgesteld aan de hand van de noodzaak tot ondersteuning op een bepaald moment, welke gebaseerd is op een actuele situatie. Dit is gebaseerd op de wettelijke onderzoeksplicht die het college heeft en het zorgvuldigheidsbeginsel waaraan het college gebonden is. Om deze reden wordt aangenomen dat hierdoor niet mogelijk is om op grond van een dergelijk ondersteuningsplan later dan 8 weken een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in te dienen. Indien dit wel gebeurd, zal het onderzoek, als bedoeld in artikel 6 van deze verordening, opnieuw moeten plaatsvinden. Hoofdstuk 3: Criteria en weigeringsgronden Artikel 9. Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo 2015 centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de ‘oude’ Wmo, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel a. van de wet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerk-voorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Artikel 2.3.5 van de wet bepaalt dat cliënt met een maatwerkvoorziening niet in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie gebracht hoeft te worden, dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De ondersteuning dient in redelijke verhouding te staan. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel en in het bijzonder het eerste tot en met vierde lid is deze verplichting uitgewerkt. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de cliënt bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat het college als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing verstrekt, maar een verhuiskostenvergoeding. De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college dan het primaat van verhuizing hanteert. Deze verordening stelt met name regels over procedure, criteria en weigeringsgronden. In het zesde lid is daarom opgenomen dat het college bevoegd is om bij besluit nadere regels te stellen inzake de aard en de omvang van de toe te kennen maatwerkvoorzieningen. Om voornoemde redenen is eveneens het zevende lid opgenomen. Artikel 10. Specifieke criteria voor een maatwerkvoorziening gericht op verplaatsen en vervoer In dit artikel zijn specifieke criteria opgenomen om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening gericht op verplaatsen en vervoer. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat indien een cliënt beschikt over een indicatie op grond van de Wlz, het mogelijk is een vervoersvoorziening te verstrekken indien cliënt aan de daarvoor gestelde criteria genoemd in deze verordening en de door het college bij nader besluit te stellen regels voldoet. Deze bepaling is een gevolg van een lacune in de landelijke wetgeving omtrent de afbakening tussen de Wlz en de Wmo 2015. Deze afbakening is voor alle onderdelen, waaronder bijvoorbeeld Hulp bij het huishouden en de verstrekking van hulpmiddelen, correct geregeld. Echter, biedt de wet geen afbakening inzake de verstrekking van een vervoersvoorziening aan mensen die beschikken over een Wlz-indicatie. Kijkend naar de overige aspecten waarvoor wettelijk wél een concrete afbakening is opgenomen en handelend vanuit de geest van de wet, kan worden gesteld dat de wetgever heeft beoogd vervoersvoorzieningen ook voor mensen die beschikken over een Wlz-indicatie, onder de Wmo 2015 onder te brengen. Handelend vanuit de hiervoor genoemde geest van de wet en tevens vanuit de optiek dat deze mensen voor wat betreft het kunnen voorzien in hun vervoersbehoefte niet tussen wal en schip mogen vallen, is in deze verordening bepaald dat ook mensen die over een Wlz-indicatie beschikken in aanmerking kunnen komen voor een vervoersvoorziening. Uiteraard dient dan wel te worden voldaan aan criteria genoemd in deze verordening en de door het college bij nader besluit te stellen regels. In het tweede lid is het algemene afwegingskader met betrekking tot een maatwerkvoorziening in het kader verplaatsen, in de vorm van een rolstoel uiteengezet. Het verplaatsen in en om de woning (woonkamer, slaapvertrek, toilet, douche en keuken) kan op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel, of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel, net als in de Wvg en de ‘oude’ Wmo, onder de wet. De overige loop- en verplaatsingen-hulpmiddelen vallen onder een andere wettelijke regeling: de Zvw. Er is van af gezien om een begripsomschrijving van een rolstoel te geven. Het is, ook na jaren proberen, nog steeds niet gelukt een kwalitatief goede begripsomschrijving van rolstoel te formuleren. Daarom blijft staan als eerder onder de Wvg en de ‘oude’ Wmo: onder rolstoel dient te worden verstaan wat daar over het algemeen in het dagelijkse taalgebruik onder wordt verstaan: een rolstoel is een voorziening ter verplaatsing in en om de woning, soms ook in de directe woon- en leefomgeving, waarbij het gaat om 4 wielen, soms alle vier even groot (een transportrolstoel), soms 2 grote wielen achter en 2 kleine wielen voor, waarbij de rolstoel met de handen aan de achterste wielen kan worden aangedreven. Een rolstoel kan, zoals hierboven beschreven, met de hand worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er motoren die op een rolstoel aangebracht kunnen worden om het rijden met de rolstoel te ondersteunen; zowel voor diegene die in de rolstoel zit als de persoon die de rolstoel voortduwt. Wie op grond van beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich te verplaatsen met een rolstoel, kan in aanmerking komen voor een rolstoel. Het doel van het gebruik van een dergelijke rolstoel is: het zich kunnen verplaatsen in de directe woonomgeving, soms ook in de directe woon- en leefomgeving, al dan niet met hulp van anderen. Bewoners van Wlz-instellingen komen slechts voor een rolstoel in aanmerking indien zij vanuit de Wlz geen rolstoel krijgen. Als een cliënt de combinatie verblijf en behandeling ontvangt in dezelfde instelling, verblijft in een ziekenhuis of verblijft in een revalidatiecentrum, ontvangt hij een rolstoel uit de Wlz. In het derde lid is het algemene afwegingskader met betrekking tot een maatwerkvoorziening in het kader van vervoer uiteengezet. Bij participatie gaat het om deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat iemand zich kan verplaatsen. Om deze reden kunnen maatwerkvoorzieningen in het kader van vervoer ingezet worden. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving mogelijk moeten maken. In de jurisprudentie wordt hiervoor een afstand tussen 1500 en 2000 kilometer toereikend geacht (zie o.a. CRvB 07-06-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2100 en CRvB 14-11-2012, nr. 10/6265 WMO, nr. 11/4410 WMO). Met de verplaatsingen in de directe woonomgeving wordt in beginsel bedoeld: de verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. Met de vervoersbehoefte buiten de directe woon- en leefomgeving wordt rekening gehouden als een bovenregionaal contact alleen door de cliënt zelf bezocht kan worden, dit bezoek voor de cliënt noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen en het gebruik van Valys niet als voorliggende voorziening beschouw kan worden. Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht. Naast rolstoelen voor verplaatsing zijn er ook rolstoelen, speciaal voor verplaatsing bij sportbeoefening, de zogenaamde sportrolstoelen. In het vierde lid is bepaald dat men voor een sportrolstoel in aanmerking komt als sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk is door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Het gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten is helder. Daarnaast zijn er ook individuele sporten (marathon bijvoorbeeld) waar men een sportrolstoel voor aan zal kunnen vragen. Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend. De aanvraag voor een sportrolstoel om in de natuur te zijn zal dan ook afgewezen worden. Om deze reden wordt wel de eis gesteld dat men actief lid is van een sportvereniging, hoewel dat lid zijn ook niet alles zegt. Het overleggen van een geldig lidmaatschapsbewijs is derhalve noodzakelijk. Een dergelijke maatwerkvoorziening kan maximaal 1 keer per 3 jaar verstrekt worden. Er moet op gewezen worden dat het bij een sportvereniging ook vaak tot de mogelijkheid behoort om een sportrolstoel te lenen, om uit te proberen of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt. Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak hoge uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar niet voor bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk maken. De enige sportvoorziening die wordt verstrekt is de sportrol-stoel. Net als in de Wvg en de ‘oude’ Wmo is gekozen tot deze beperking. Bij de Wvg is de sportrolstoel als uitzondering vanuit de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) meegenomen. Dit is vervolgens weer gebeurd vanuit de Wvg naar de ‘oude’ Wmo. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB onder de Wvg is dat terecht. Nu bij invoering van de Wmo 2015 geen extra geld beschikbaar is gekomen om ruimer sportvoorzieningen te verstrekken is deze regel vanuit de Wvg en de ‘oude’ Wmo in de huidige wet aangehouden. In het vijfde lid zijn redenen vastgelegd wanneer een cliënt in aanmerking kan worden gebracht voor een andere maatwerkvoorziening gericht op vervoer dan het CVV. Als een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt of als naast een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het CVV, zoals genoemd in artikel 14 zesde lid van deze verordening. Als gevolg van dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is en er sprake is van een vervoersbehoefte in de directe woon-en leefomgeving – in aanmerking voor CVV. De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de CRvB geoperationaliseerd middels het loopafstand criterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo (ongeveer 20 minuten), afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan komt men ook voor een maatwerk-voorziening in het kader van vervoer in aanmerking. Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een reguliere buslijn, waardoor een halte op grote(
- re)afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. De provincie heeft voor deze burgers een aparte regeling getroffen, waardoor zij voor een gereduceerd tarief gebruik kunnen maken van het CVV. In de meeste situaties zal deze maatwerkvoorziening afdoende zijn. Uit de jurisprudentie van de CRvB blijkt dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij ernstige gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties het CVV niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is het CVV de eerste voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking. Bij het CVV zal een tarief, gelijk aan het blauwe strippenkaarttarief in het reguliere openbaar vervoer betaald moeten worden. Dat bedrag is geen eigen bijdrage in de zin van de wet, maar een algemeen gebruikelijk tarief, zoals ook gebruikers van elk openbaar vervoer een tarief betalen. Voor een sluitend systeem van vervoer kan, behoudens het gebruik van de Regiotaxi, aangesloten worden bij de uitvoering van het zogenaamde bovenregionale vervoer, waarvoor de rijksoverheid verantwoordelijk is. Het bovenregionaal vervoer – uitgevoerd door Valys - opereren vanaf de zesde OV-zone. Als het CVV niet adequaat is of niet aanwezig is, zal een andere voorziening gekozen moeten worden. Het kan dan gaan om een maatwerkvoorziening in de vorm van een autoaanpassing (in natura of in de vorm van een pgb) of een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de (eigen) auto of (rolstoel)taxi gaan. In het vijfde lid onderdeel b. is bepaald dat alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 200 meter) als gevolg van de jurisprudentie van de CRvB op beide terreinen een oplossing moet worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 200 meter is het dwingend voorgeschreven. Verstrekking van een aanvullende maatwerkvoorziening in het kader van vervoer, is aan de orde indien er een substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving van de woning is en een loopafstand van 200 meter niet te overbruggen is. Voor deze verplaatsingen kan gedacht worden aan een scootmobiel of een driewielfiets, maar ook een elektrische rolstoel. Een dergelijke maatwerkvoorziening zal worden ingezet als alle algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen niet meer tot een oplossing kunnen leiden, zoals bijvoorbeeld een fiets. Ook de elektrische fietsen zijn inmiddels algemeen gebruikelijk. Behalve een substantiële vervoersbehoefte dient ook de (verkeers)veiligheid en zelfstandigheid van de cliënt in de afweging betrokken te worden: VerkeersveiligheidDe cliënt waaraan een maatwerkvoorziening in de vorm van een elektrische rolstoel, scootmobiel of driewielfiets wordt toegekend, moet deze voorziening op een adequate manier kunnen gebruiken en moet veilig aan het verkeer kunnen deelnemen. Medicatiegebruik kan een reden zijn voor een negatieve beoordeling van deze (verkeers)veiligheid, evenals alcohol- of drugsgebruik. Enkel de aanwezigheid van dergelijke medicatie, drugs of alcohol is geen contra-indicatie voor de inzet van een dergelijke voorziening. De specifieke situatie en persoonskenmerken van de cliënt spelen hierbij een doorslaggevende rol. Zelfstandigheid De cliënt waaraan een maatwerkvoorziening in de vorm van een elektrische rolstoel, scootmobiel of driewielfiets wordt toegekend, moet zelfstandig om kunnen gaan met zijn maatwerkvoorziening. Is dat niet het geval, dan worden deze maatwerkvoorzieningen niet verstrekt. Dit criterium kan beoordeeld worden door de medisch adviseur en een ergotherapeut (via de verwijzing ‘enkelvoudige extramurale ergotherapie’. Scootmobielen kunnen eventueel voor een tijdelijke periode verstrekt, bijvoorbeeld voor een jaar. Een verlenging is mogelijk, maar van belang is om voor het einde van de periode vast te stellen of de scootmobiel nog noodzakelijk is. Daarbij spelen de bovengenoemde criteria een rol. Het zesde en zevende lid spreken voor zich en behoeven geen nadere toelichting. Artikel 11. Specifieke criteria voor een maatwerk