Beleidsplan Waterkeringen Waterschap LimburgKennisgeving vaststelling beleidsplan waterkeringen Het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg maakt bekend dat op 1 januari 2025 in werking treedt, het besluit van het algemeen bestuur van 27 november 2024 tot vaststelling van het Beleidsplan waterkeringen. Beleidskader voor waterkeringszorg Om onze bewoners en bedrijven langs de Maas te beschermen tegen overstromingen, werkt Waterschap Limburg iedere dag aan veilige waterkeringen. Nu en in de toekomst - want het werk aan de waterkeringen is nooit af. Het Beleidsplan waterkeringen geeft een nadere invulling aan het Waterbeheerprogramma, voor het onderdeel Hoogwaterveiligheid Maas. Het beleidsplan heeft als doel om duidelijkheid te geven over de wijze waarop Waterschap Limburg invulling geeft aan de waterkeringszorg: van beheer en onderhoud tot dijkversterking. Het draagt bij aan transparante en uitlegbare besluitvorming en aan uniformiteit in keuzes, oplossingen en afwegingen. Toekomstbestendigheid speelt hierbij een grote rol: het nieuwe beleidsplan ziet nadrukkelijk toe op het op lange termijn beheersbaar en betaalbaar houden van de waterkeringszorg. Reikwijdte Het beleidsplan heeft betrekking op de primaire en overige waterkeringen langs de Maas; waterkeringen in het regionale watersysteem vallen buiten de reikwijdte van dit plan. Actualisatie vigerend beleid Het Beleidsplan waterkeringen vervangt de volgende plannen, beleidsnota’s en beleidsuitwerkingen: Beheerplan Waterkeringen 2017-2022 (vastgesteld door het Algemeen Bestuur d.d. 12 juli 2017) Afwegingskader type kering (vastgesteld door het Algemeen Bestuur d.d. 11 maart 2020) Nadere uitwerking technische beleidsuitgangspunten dijkversterking (vastgesteld door het Algemeen Bestuur d.d. 10 juli 2019) Beleidskader hoge grond (vastgesteld door het Algemeen Bestuur d.d. 30 november 2022) Daarmee zorgt het beleidsplan voor een actualisatie en vereenvoudiging van het beleidsstelsel voor de waterkeringen. Totstandkoming en participatie De inwoners van Limburg zijn in april 2023 via sociale media en nieuwsbrieven van WL ingelicht over het nieuwe beleidsplan en hebben via die weg de mogelijkheid gekregen om input te geven. Directe stakeholders zijn in dezelfde periode schriftelijk ingelicht over het nieuwe beleidsplan en de mogelijkheden voor het leveren van input. Ter inzage leggingontwerp beleidsplan waterkeringen Met inachtneming van de Omgevingswet en de participatie- en inspraakverordening Waterschap Limburg 2022 heeft het ontwerp beleidsplan waterkeringen van 20 juni tot en met 31 juli 2024 ter inzage gelegen. Ingezetenen en belanghebbenden konden gedurende de periode van terinzagelegging schriftelijk of mondeling een zienswijze over het ontwerp beleidsplan waterkeringen naar voren brengen. Er zijn 7 zienswijzen ingediend tegen het ontwerp beleidsplan waterkeringen. Het dagelijks bestuur heeft iedereen die een zienswijze heeft ingediend op de hoogte gebracht over de wijze waarop de zienswijzen zijn verwerkt. Het is niet mogelijk beroep in te stellen tegen de vaststelling van het beleidsplan waterkeringen. Roermond, 20 december 2024 Het Dagelijks Bestuur, Erik Keulers, secretaris-directeur Saskia Borgers, dijkgraaf Beleidsplan Waterkeringen Waterschap Limburg Veilige waterkeringen – nu en in de toekomst Vastgesteld door het Algemeen Bestuur op 27 november 2024 Dit document is in een beter leesbare lay-out te vinden op: www.waterschaplimburg.nl/beleidsplan. Voorwoord Voor u ligt het Beleidsplan waterkeringen. Een beleidsplan met lef. Een beleidsplan dat het verkleinen en het beheersen van de risico’s van hoogwater in de Maas combineert met aandacht voor de omgeving. En is geschreven vanuit de visie dat onze dijken een waardevol landschapselement vormen. Niet alleen voor waterveiligheid maar ook voor biodiversiteit en andere functies. Hoogwaterbescherming kost ruimte én biedt ruimte. Om te leven, werken en recreëren in onze Limburgse Maasvallei. Hoogwaterbescherming is een opgave van de lange adem: van consistent goed beheer en onderhoud tot de uitvoering van grote projecten, die vragen om flinke inspanningen en investeringen. We werken gezamenlijk en gestructureerd door om al onze waterkeringen in 2050 op het veiligheidsniveau te hebben en te houden conform de Waterwet. De nut en noodzaak van werken aan waterveiligheid is duidelijker dan ooit. In 2021 kreeg Limburg een voorproefje van wat klimaatverandering voor ons in petto heeft. Er ging per seconde meer water door de Maas dan ooit eerder gemeten. En dat hartje zomer… We hebben toen ook ervaren dat ons areaal vol coupures en waterkeringen die met schotbalken worden dichtgezet, rekening houdend met de toekomstige opgave, op de lange termijn niet houdbaar is. We zitten hier in Limburg relatief dicht bij het brongebied van de Maas. Dat betekent dat er, na een waarschuwing voor hoogwater, weinig tijd is om al die openingen in de dijk af te sluiten. We gaan risico's verkleinen door te zorgen voor een veilig beheergebied waarin weinig last-minute acties nodig zijn bij opkomend water. Dat vraagt om anders kijken naar veiligheid, waarbij de crisisoperatie een grotere stem krijgt. Onze medewerkers werken elke dag aan waterveiligheid. Door beheer, onderhoud en inspectie van al die kilometers dijk. Door een goede voorbereiding op hoogwater vanuit de Maas. En door het uitvoeren van dijkversterkingsprojecten. Projecten die, zeker in een stedelijke omgeving, nogal eens voor een complexe ruimtelijke puzzel staan. Dit vraagt dat we, samen met gemeenten, provincie, inwoners en bedrijven, meer gaan kijken naar de mogelijkheden in de ruimtelijke ordening om deze knelpunten op te lossen of beter nog: te voorkomen. Droge voeten voor iedereen achter de dijken. Daar staan wij voor. Dat vraagt dat we doorpakken - samen met inwoners, bedrijven en overheden. We kunnen het ons niet permitteren om achterover te leunen. Het is onze verantwoordelijkheid om Limburg te beschermen tegen hoogwater voor nu en in de toekomst. Jeroen Achten, Lid van het Dagelijks Bestuur van Waterschap Limburg, Portefeuillehouder Hoogwaterbescherming & Waterkeringen Samenvatting Wat is het beleidsplan waterkeringen? Om onze bewoners en bedrijven langs de Maas te beschermen tegen overstromingen, werkt Waterschap Limburg iedere dag aan veilige waterkeringen. Nu en in de toekomst - want het werk aan de waterkeringen is nooit af. Voor u ligt het ontwerp beleidsplan waterkeringen, voor alle primaire en overige waterkeringen langs de Maas. Het beleidsplan waterkeringen geeft een nadere invulling aan de uitgangspunten uit het Waterbeheerprogramma, voor het onderdeel Hoogwaterveiligheid Maas. De uitgangspunten in dit plan vormen het kader bij het uitvoeren van onze waterkeringszorg: van beheer en onderhoud tot dijkversterking. Het beleidsplan is geschreven als kader voor de eigen organisatie (inclusief de dijkversterkingsprojecten) maar is ook relevant voor onze partners, zoals gemeenten en provincie, en voor belanghebbende dan wel geïnteresseerde inwoners in ons beheergebied. Strategie De kaders waarbinnen het werk van het waterschap zich afspeelt, veranderen continu. Klimaatverandering, nieuwe technieken, biodiversiteit, de druk op de beschikbare ruimte maar ook op de betaalbaarheid: ze vragen allemaal dat we daadkrachtig optreden maar tegelijk flexibel blijven om bij- of terug te schakelen als dat nodig is. Wij werken aan veilige waterkeringen langs 6 principes, die de kern vormen van ons waterkeringenbeleid. Deze houden ons op koers en zorgen dat de gevolgen van de keuzes van vandaag niet worden doorgeschoven naar de toekomst. De veilige waterkering staat voorop De omgevingswaarden (voorheen: ‘norm’) voor de primaire waterkering die in de Omgevingswet staan vormen ons kader. Wij ontwerpen onze waterkeringen toekomstbestendig. We zetten ons in voor veilige waterkeringen op drie niveaus: ruimte voor de rivier, aandacht voor waterveiligheid in stedenbouw en planologie, en uiteraard op het niveau van de dijk zelf. Een beheersbaar areaal, nu en in de toekomst De beheerbaarheid, bereikbaarheid en onderhoudbaarheid van een waterkering, evenals het handelingsperspectief bij calamiteiten, moeten altijd gegarandeerd zijn. Deze aspecten beschouwen wij steeds in het licht van ons gehele areaal aan waterkeringen binnen Waterschap Limburg en de gehele crisisoperatie. Een bijzonder aandachtspunt is het grote aantal niet permanent gesloten keringen, dat bij verdere groei de organisatie te zeer onder druk zal zetten. Een verdere groei is dan ook niet toelaatbaar en wij werken actief aan het vervangen (beheerfase) en vermijden (projectfase) van deze constructies. De dijk als groen lint in het landschap Naast de primaire functie als waterkering zien we onze groene dijken ook als groen lint in het landschap en als leefgebied voor gewenste soorten (flora én fauna). We bevorderen de (kansen voor) biodiversiteit zowel in de beheerfase als bij aanleg in dijkversterkingsprojecten. Ook bevers en dassen horen thuis in het Limburgse landschap maar hun graverij kan een risico vormen voor de stabiliteit van de waterkering. Op plekken waar we een concreet risico op graverij in de waterkering signaleren, passen we zo nodig maatregelen toe. De kering in zijn omgeving Zorgen voor veilige dijken doen we samen met onze omgeving. Elk dijkversterkingsproject is maatwerk waarin de locatie-specifieke kenmerken en belangen worden meegewogen. Maar de mogelijkheden zijn niet onbegrensd. Waterveiligheid en het verminderen van de kwetsbaarheid bij hoogwater staat in onze projecten steeds voorop. We kijken daarbij steeds naar de effecten op korte en lange termijn en zowel naar de lokale effecten als de effecten op ons totale areaal. Bij het afwegen van andere belangen stellen we het maatschappelijk belang vóór een individueel belang. Duurzaam en innovatief Zowel in het beheer en onderhoud als bij dijkversterking is het uitgangspunt een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast staan wij stil bij de circulariteit van de toe te passen materialen. Wij zoeken steeds naar nieuwe en betere technieken en werkwijzen die een meerwaarde hebben ten opzichte van bestaande techniek. Risico’s en onzekerheden mogen hierbij nooit consequenties hebben voor het veiligheidsniveau van de waterkering. Bij de afweging om een innovatie toe te passen kijken we ook naar de kosten gedurende de gehele levensduur en de bedrijfszekerheid. Betaalbare waterkeringen Wij voeren zowel het beheer van de waterkeringen als dijkversterkingen doelmatig uit, waarbij we ons ervan bewust zijn dat wij werken met belastinggeld en dit inzetten voor onze kerntaken. We rekenen daarbij steeds met de kosten over de gehele levensduur van de primaire waterkering. Voor de financiering van de versterking van primaire keringen zijn wij afhankelijk van de subsidiekaders van het landelijke HWBP. Bij meekoppelkansen van derden verwachten wij ook cofinanciering. Ontwerpfilosofie Het grootste deel van ons areaal waterkeringen betreft groene dijken. Een groene dijk is betrouwbaar, goed en makkelijk uit te breiden en te versterken, en daardoor toekomstbestendig. Een groene waterkering is ook een duurzame oplossing omdat deze bestaat uit natuurlijke materialen die herbruikbaar zijn. Voor een aantal kilometers van ons areaal waterkeringen is een groene waterkering moeilijker inpasbaar. Wanneer in een dijkversterkingsproject een groene dijk niet ingepast kan worden, zal er een keuze gemaakt worden voor een ander type kering. Elke keuze voor een type waterkering heeft consequenties: voor de kosten, voor het handelingsperspectief tijdens calamiteiten, voor de toekomstbestendigheid, voor de ruimtelijke kwaliteit. Voor de prioritering in de keuze voor een type waterkering en sluitmiddel hanteren we een voorkeursvolgorde. De groene dijk is daarbij het vertrekpunt, waarbij op basis van locatie-specifieke factoren verder kan worden afgepeld naar andere typen waterkeringen. Een duidelijke scheidslijn is er tussen de permanent en de niet permanent gesloten waterkeringen. De laatste zijn over het algemeen zeer onderhoudsintensief en brengen een veel grotere beheerlast en hogere levensduurkosten met zich mee dan een permanent gesloten waterkering. Ook moeten ze intensief geïnspecteerd en regelmatig getest/opgebouwd worden. Bovendien is de faalkans hoger. Voor een niet permanent gesloten kering wordt in uitzonderlijke gevallen gekozen, als het plaatsen van een permanent gesloten waterkering redelijkerwijs niet mogelijk is. In stedelijk gebied is de druk op de ruimte groot en kunnen de mogelijkheden van functiecombinatie in beeld komen. Niet alleen draagt dit bij aan meervoudig ruimtegebruik, het zorgt ook voor een waterkering die stedenbouwkundig goed is ingepast in het ruimtelijk ontwerp en geen ongewenste barrière vormt tussen stad en rivier. Maar een kering die is geïntegreerd in het stedelijk landschap of zelfs in bebouwing kan daarna vrijwel niet meer worden verhoogd of versterkt. Ook zijn inspectie en onderhoud lastig of zelfs onmogelijk. Om die reden passen wij een functiecombinatie met bebouwing enkel toe als er sprake is van een evidente maatschappelijke meerwaarde en/of een ruimtelijk knelpunt. Voor het ontwerp gaan wij bij functiecombinatie uit van het principe ‘ruimtelijk geïntegreerd, functioneel gescheiden’. Dit doen wij om het risico op toekomstige meerkosten en wederzijdse afhankelijkheid zo klein mogelijk te houden. Voor elke waterkering geldt dat het uitgevoerde ontwerp tijdens zijn gehele levensduur redelijkerwijs blijft functioneren en doelmatig kan worden beheerd zonder ingrijpende en kostbare tussentijdse aanpassingen. Het beheer en onderhoud dient op een veilige en efficiënte manier mogelijk te zijn. In een dijkversterkingsproject komen we locaties tegen waar veel belangen samenkomen. Om daar een gedegen keuze te maken wordt, naast de voorkeursvolgorde, ook een afwegingskader gebruikt. Dit waarborgt een herleidbaar en transparant proces en draagt bij aan integrale keuzes waarin alle belangen worden meegewogen. Het afwegingskader heeft zeven invalshoeken. Het betreft waterveiligheid, dijkbeheer, ruimte voor de Maas, kosten en betaalbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, omgeving en duurzaamheid. Uitvoeringsprogramma De uitgangspunten uit het beleidsplan werken door in al onze werkprocessen op en aan de waterkeringen: van beheer en onderhoud tot vergunningverlening, en van dijkversterking tot de weging van het waterbelang in ruimtelijke plannen. Naast deze doorwerking, is een aantal specifieke maatregelen nodig om het beleid tot uitvoering te brengen. Voor het borgen van de beheersbaarheid van ons areaal vormen de vele niet permanent gesloten waterkeringen (met name de schotbalkkeringen) een knelpunt. Waterschap Limburg gaat investeren in een saneringsprogramma voor niet permanent gesloten keringen. Het doel is tweeledig: het verminderen van het benodigd menselijk handelen bij calamiteiten en het creëren van ruimte voor oplossingen bij ontwerpuitdagingen in complexe dijkversterkingsprojecten. Eerst brengen we de locaties, kansen en kosten van het saneren in beeld. We maken daarbij onderscheid in opties voor de korte termijn en voor de middellange termijn, bijvoorbeeld waar meekoppelkansen zijn met ruimtelijke ontwikkelingen zoals een wegreconstructie. Deze inventarisatie doen we binnen een jaar na inwerkingtreding van dit beleidsplan. Daarna kan het Algemeen Bestuur van Waterschap Limburg een besluit nemen over de omvang en fasering van het saneringsprogramma. Daarnaast voeren wij een aantal onderzoeken uit. Naar de juridische, financiële en praktische mogelijkheden om het beheer, onderhoud en sluiten van niet permanent gesloten keringen bij derden te beleggen. En naar de mogelijkheden om vroegtijdig ruimte te reserveren voor toekomstige dijkversterkingen; zowel met onze eigen legger en werkingsgebieden als in de ruimtelijke ordening. Externe ontwikkelingen, actualiteiten en nieuwe inzichten kunnen aanleiding zijn om het beleid aan te passen. Het beleidsplan wordt drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd, waarbij ook de gewenste evaluatiefrequentie voor de daaropvolgende jaren wordt bepaald. DeelA: Veilige waterkeringen, nu en in de toekomst 1Inleiding 1.1Veilige waterkeringen – nu en in de toekomst Onze waterkeringen. Onze veiligheid. Om inwoners en bedrijven in Limburg nu en in de toekomst te blijven beschermen tegen overstromingen, werkt Waterschap Limburg iedere dag aan veilige waterkeringen. Om goed voorbereid te zijn op de toekomst en klimaatverandering zijn steeds sterkere en hogere waterkeringen nodig. De watercrisis van juli 2021 ligt nog vers in het geheugen. En we zullen ons moeten blijven aanpassen aan steeds extremere rivierafvoeren. Het beheren, onderhouden en versterken van de keringen is dus nooit af. Het waterschap moet daarbij continu inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Waterschap Limburg heeft een grote waterveiligheidsopgave. Het waterschap beheert 189 km primaire waterkeringen, die vóór 2050 allemaal moeten voldoen aan de wettelijke veiligheidseis. Dat gebeurt binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Klimaatverandering stopt echter niet in 2050: ook daarna heeft Waterschap Limburg dus een opgave. Inwoners willen vaak meedenken bij de inrichting van hun leefomgeving. Het waterschap hecht veel waarde aan inbreng van anderen en wil iedereen tijdig informeren en actief betrekken bij plannen die hem of haar raken. Uiteraard met behoud van ieders taken en verantwoordelijkheden. Ook het belang van het verbinden van dijkversterkingen met andere (ruimtelijke) opgaven neemt toe. Het is aan ons om daarbij de juiste verwachtingen te scheppen, want onze opgave is in eerste instantie het bieden van waterveiligheid. We zien dat we steeds meer werken met innovatieve oplossingen om water tegen te houden. Daarnaast streven we ook naar duurzame oplossingen. Dit zijn uitdagingen die vragen dat we met de tijd meegaan, wendbaar blijven en onze kennis op peil houden. 1.2Het doel van het beleidsplan De beleidsuitgangspunten in dit beleidsplan vormen het kader in het beheer en onderhoud van de waterkeringen en voor de uitvoering van dijkversterkingsprojecten. Ook geeft dit plan een doorkijk naar de manier waarop het waterschap wil omgaan met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de waterkeringen. De grote en complexe verbeteropgave van Waterschap Limburg vraagt om transparante besluitvorming vanwege de diverse belangen die ermee gemoeid zijn. Bij de besluitvorming moet, naast de waterveiligheid, ook aandacht zijn voor de belangen van de omgeving. Daarnaast moeten we rekening houden met de lange termijn en zorgen voor een duurzame waterkering, die landschappelijk goed ingepast is en die tijdens de hele levensduur effectief en efficiënt te beheren is. En bovenal moet ons areaal aan waterkeringen tijdens een calamiteit op een veilige manier te sluiten zijn en doen wat ze moeten doen: het keren van water. Het beleidsplan bevat waardevolle informatie voor alle stakeholders die te maken hebben met waterkeringen langs de Limburgse Maas, waaronder de inwoners en bedrijven in ons beheergebied, medeoverheden, terreinbeherende organisaties, het landelijke HWBP en andere partnerorganisaties. Transparant en uitlegbaar In dit beleidsplan staan generieke uitgangspunten die van toepassing zijn op waterkeringen. We onderbouwen op transparante wijze waarom we voor deze uitgangspunten gekozen hebben. We kunnen op deze manier onze omgeving laten zien dat we een zorgvuldige en betrouwbare partner zijn. Uniformiteit Met het beleidsplan beoordelen we verschillende situaties telkens vanuit een uniform kader, met dezelfde invalshoeken en uitgangspunten. Omdat elke locatie uniek is, hoeft dit overigens niet per se te leiden tot dezelfde uitkomst. Maar het proces en de afwegingen doen we steeds op dezelfde manier. Areaalbreed De beleidsuitgangspunten zijn bepaald vanuit een helikopterblik op het totale werkgebied van Waterschap Limburg. Binnen één dijktraject kan een bepaalde oplossing in eerste instantie een verstandige keuze lijken. Maar als die keuze ook op vergelijkbare plekken wordt gemaakt of over een groter areaal wordt geprojecteerd, kunnen ongewenste effecten in beeld komen. Toekomstbestendig Een keuze kan op de korte termijn goed uitpakken maar voor de lange termijn minder geschikt zijn. We weten dat het klimaat verandert, dat keringen met de tijd verouderen en de dijkversterkingsopgave nooit af is. Een voorbeeld: nieuwe materialen die nu in dijkversterkingsprojecten worden toegepast, blijven lange tijd in de bodem aanwezig. Kunnen we die over 100 jaar nog verwijderen? En kunnen we de kering, als klimaatverandering of nieuwe technische inzichten daarom vragen, nog verder versterken? Dit beleidsplan draagt bij aan het maken van robuuste, toekomstbestendige keuzes. Juridische borging Een vastgesteld beleidskader vormt ook een basis in juridische zin. Het Beleidsplan Waterkeringen is een beleidsdocument van Waterschap Limburg en heeft dezelfde status als het geldende Waterbeheerprogramma en andere beleidsstukken: de status van beleidsregel. Met dit beleidsplan kunnen keuzes die het waterschap maakt worden onderbouwd en waar nodig worden afgedwongen. 1.3Reikwijdte en positie van het beleidsplan Dit beleidsplan geeft een nadere invulling aan de uitgangspunten uit het Waterbeheerprogramma op het gebied van waterkeringen (zie figuur 1). Het plan gaat over zowel de primaire waterkeringen (inclusief hoge gronden) als de zogenaamde ‘overige keringen’ (zie paragraaf 2.2) langs de Maas. De delen van het beleidsplan die rechtstreeks volgen uit het wettelijk kader voor de primaire keringen (zoals de omgevingswaarde en de faalkansbenadering) en het landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma, zijn enkel van toepassing op de primaire keringen. Waterkerende objecten in het watersysteem, zoals dammen langs regenwaterbuffers of dijkjes langs het regionale watersysteem, vallen buiten de reikwijdte van dit plan. Figuur 1: Beleidshuis van Waterschap Limburg vanaf inwerkingtreding van dit beleidsplan (01-01-2025). Dit figuur is bedoeld om inzicht te geven in de samenhang en onderlinge doorwerking van de voor waterveiligheid meest relevante waterschapsnota’s. Het geeft daarmee geen volledig dekkend beeld van al het beleid en andere plannen van het waterschap of andere overheden. Bron: waterschap Limburg. Het Beleidsplan Waterkeringen vervangt de volgende plannen, beleidsnota’s en beleidsuitwerkingen: Beheerplan Waterkeringen 2017-2022 (vastgesteld door het Algemeen Bestuur d.d. 12 juli 2017) Afwegingskader type kering (vastgesteld door het Algemeen Bestuur d.d. 11 maart 2020) Nadere uitwerking technische beleidsuitgangspunten dijkversterking (vastgesteld door het Algemeen Bestuur d.d. 10 juli 2019) Beleidskader hoge grond’ (vastgesteld door het Algemeen Bestuur d.d. 30 november 2022) Daarmee komen de bovengenoemde documenten bij de inwerkingtreding van dit beleidsplan te vervallen. 1.4Totstandkoming Waterschap Limburg is de initiatiefnemer van het Beleidsplan Waterkeringen. Daarom organiseren wij ook de participatie. Dit is bovendien zo geregeld in de Omgevingswet. Wij zijn eind 2022 begonnen met het actualiseren van het beleid voor de waterkeringen. In het voorjaar van 2023 hebben stakeholders aangegeven wat zij belangrijk vinden. Eind 2023 en begin 2024 waren de eerste contouren van het nieuwe plan zichtbaar en zijn deze besproken met het Algemeen Bestuur. In 2024 is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure doorlopen, waarbij eenieder zienswijzen heeft kunnen indienen. Het ontwerp Beleidsplan Waterkeringen heeft ter inzage gelegen van 20 juni tot en met 31 juli 2024. Er zijn 7 zienswijzen en 2 schriftelijke ambtelijke reacties ingediend. Alle zienswijzen waren ontvankelijk. De zienswijzen en ambtelijke reacties gaven aanleiding het plan op een aantal onderdeel tekstueel te verduidelijken. Er zijn geen beleidsinhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Op 27 november 2024 is het beleidsplan vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap. Het plan treedt op 1 januari 2025 in werking. 1.5Looptijd en evaluatie Het beleidsplan wordt in 2028, 3 jaar na inwerkingtreding, geëvalueerd. De evaluatie wordt ter vaststelling aan het Algemeen Bestuur voorgelegd. In de evaluatie wordt bekeken of het beleid het gewenste effect heeft maar ook of er interne of externe ontwikkelingen zijn die een aanpassing van het plan danwel de vaststelling van een nieuw plan rechtvaardigen. Hiervoor wordt een voorstel gedaan aan het Algemeen Bestuur. In 2027 zal het nieuwe Waterbeheerprogramma 2028-2033 worden vastgesteld. De kaders uit het nieuwe waterbeheerprogramma worden in de evaluatie betrokken. Indien wordt besloten tot een (gedeeltelijke) aanpassing danwel de vaststelling van een nieuw beleidsplan, doorloopt de voorgestelde wijziging de uniforme openbare voorbereidingsprocedure om te komen tot vaststelling. Onderdeel daarvan is openbare inspraak van belanghebbenden. 1.6Leeswijzer Dit beleidsplan bestaat uit twee delen: een algemeen deel A met het beleid op hoofdlijnen, en een meer technisch en gedetailleerd deel B waarin de beleidsuitgangspunten uit deel A verder worden uitgewerkt. Deel A – Veilige dijken, nu en in de toekomst Hoofdstuk 2 bevat de taakbeschrijving van het waterschap in hoogwaterveiligheid. In hoofdstuk 3 lichten we actuele ontwikkelingen en inzichten toe die aan de basis liggen voor onze in hoofdstuk 4 beschreven strategie en beleidsuitgangspunten, die werken we in deel B verder uit. Daarna beschrijven we in hoofdstuk 5 hoe wij dit beleid tot uitvoering brengen en hoe het doorwerkt op het werk op en rond de keringen. Deel A is toegankelijk geschreven voor een breed publiek. Deel B – Uitwerking ontwerp- en beheerfilosofie Deel B gaat dieper in op een aantal specifieke onderwerpen waarvoor een hoger detailniveau nodig is. Dit deel van het beleidsplan heeft een opbouw voor gebruik als naslagwerk. Het betreft de ontwerpfilosofie (hoofdstuk 6), de technische ontwerpuitgangspunten voor dijkversterkingsprojecten (hoofdstuk 7), onze uitgangspunten voor biodiversiteit (hoofdstuk 8) en de wijze waarop wij omgaan met maatwerk en inpassing (hoofdstuk 9). In deel B ontkomen we er niet aan wat meer vakjargon te gebruiken, met name bij de technische uitgangspunten. En door de opbouw als naslagwerk, kunnen er dubbelingen voorkomen in toelichtende teksten, zodat de onderdelen van deel B allemaal zelfstandig leesbaar zijn. Bijlage 1 bevat een overzichtskaart van de waterkeringen van Waterschap Limburg waarover dit plan gaat. In bijlage 2 vindt u een uitgebreide begrippenlijst, waarin we de in dit plan gebruikte begrippen uitleggen in eenvoudige taal1Er is bewust gekozen voor uitleg die voor iedereen begrijpelijk is. Daardoor komt de uitleg in de begrippenlijst niet altijd exact overeen met de definitie conform het datamodel voor de waterschappen (DAMO) of met een technische of juridische begripsbepaling.. Overal waar in dit beleidsplan wordt gesproken over ‘we’ wordt daarmee Waterschap Limburg bedoeld. 2Onze waterveiligheidsopgave In dit hoofdstuk beschrijven we de waterveiligheidsopgave van Waterschap Limburg. We beginnen met het schetsen van de historie van onze waterkeringen. Daarna volgt een beschrijving van de wettelijke taken en verantwoordelijkheden in de waterkeringszorg. Vervolgens worden de werkprocessen die nodig zijn om die taak in te vullen beschreven vanuit het perspectief van de levenscyclus van de waterkering. Ten slotte volgen de (juridische) instrumenten die het waterschap daarbij heeft en de wijze waarop samenwerking en participatie bijdragen aan het invullen van de waterveiligheidsopgave. 2.1Waterveiligheid in Limburg Historie In het Limburgse stroomgebied, vanaf de Belgische grens bij Eijsden tot aan Mook, stroomt de Maas door een vallei: het Maasdal. De snel oplopende oevers, steilranden en terrassen bieden op veel plekken een natuurlijke bescherming tegen overstromingen, waardoor het gebied dat door de Maas tijdens hoogwater wordt bedreigd relatief beperkt is. Tot eind vorige eeuw was dit deel van de rivier vrijwel onbedijkt, op enkele lage keringen na. Na de hoogwaters van 1993 en 1995 werd de roep om hoogwaterbescherming in Limburg groter. Daarom zijn verschillende maatregelen uitgevoerd om de waterveiligheid te verbeteren. In de Maasvallei zijn rond een aantal dorpen en steden met grote snelheid nieuwe keringen aangelegd. Het doel was om dijken te bouwen die hoog genoeg waren om een waterstand van gemiddeld eens per 50 jaar aan te kunnen. Er kwam een plan voor rivierverruiming en de verwachting was dat daardoor de (hoog)waterstanden zoveel zouden dalen dat de nieuwe keringen op veel locaties minder hoog of minder lang hoefden te worden. Daarom is destijds bij aanleg vaak gekozen voor eenvoudige, snel te realiseren oplossingen. Ook werden veel ‘niet permanent gesloten waterkeringen’, die bij hoogwater met schotbalken worden gesloten, toegepast. Dit gebeurde vanuit de verwachting dat het demontabele deel na verloop van tijd door rivierverruiming niet meer nodig zou zijn. Later werd, door onderzoek en kennisontwikkeling, echter duidelijk dat zelfs met grootschalige rivierverruiming altijd waterkeringen nodig zouden blijven. In 2005 zijn de meeste van deze keringen door het Rijk aangewezen als primaire waterkering. Dit zijn keringen die het land beschermen tegen een overstroming vanuit de grote wateren (de zee, de grote rivieren en de grote meren). Vanaf 2010 heeft het programma Maaswerken op een aantal locaties dijkversterkingen uitgevoerd om het veiligheidsniveau te verhogen tot waterstanden van gemiddeld eens per 250 jaar. Sinds 2017 zijn de keringen in Limburg op dezelfde manier genormeerd als de andere keringen in Nederland. Voor heel Nederland wordt dezelfde methodiek gebruikt om, op basis van mogelijke schade en slachtoffers, het vereiste veiligheidsniveau te bepalen. Ons areaal Waterschap Limburg beheert 189 km primaire waterkeringen langs de Maas. Er bestaan verschillende soorten waterkeringen. Het grootste deel van ons areaal bestaat uit groene dijken. Voor een beperkt aantal kilometers van ons areaal, bijvoorbeeld op plekken waar fysiek geen ruimte is voor een groene dijk, is een andere soort waterkering toegepast. Bijvoorbeeld een keermuur of een (gedeeltelijk) glazen waterkering. Een bijzonder type waterkering is de zogenaamde ‘niet permanent gesloten waterkering’. Dit zijn waterkeringen die in de reguliere beheersituatie ‘open’ zijn en die bij hoogwater worden gesloten. Ook op plekken waar een weg de kering kruist is soms een opening in de kering aanwezig, wanneer er niet voldoende ruimte is om de weg over de kering heen te leiden. Dit noemen we coupures. Voor deze coupures zijn er, net zoals bij de andere niet permanent gesloten waterkeringen, verschillende soorten sluitmiddelen beschikbaar, zoals schotbalken, deuren of zelfsluitende systemen. In onze waterkeringen bevinden zich 126 coupures. Bijna alle coupures worden gesloten met schotbalken. Op 36 locaties worden bij een hoogwater niet permanent gesloten wanden (figuur 19) gesloten of tijdelijke waterkeringen (figuur 17) opgebouwd. Door de bijzondere ontstaansgeschiedenis zijn de grote aantallen coupures en niet permanent gesloten waterkeringen in Limburg uniek in Nederland. Kenmerkend voor de Limburgse Maasvallei is dat de dorpen en steden in veel gevallen beschermd worden door (van nature) aanwezige hoge gronden. Hoge gronden zijn hoger gelegen delen in een gebied die, samen met de aangelegde dijken, de binnendijkse gebieden beschermen tegen overstromingen vanuit de Maas. Hoge gronden die onderdeel zijn van een dijktraject zijn daarom onderdeel van onze waterkeringszorg. Waterkeringen stoppen niet altijd op de grens van het beheergebied van Waterschap Limburg. Een kering kan over de provinciegrens heen doorlopen in het beheergebied van een aangrenzend waterschap. Op een aantal plekken wordt zelfs aangesloten op buitenlandse waterkeringen of is de veiligheid in Limburg afhankelijk van hoge gronden in het buitenland. Waterschap Limburg is niet verantwoordelijk voor keringen buiten de beheergrenzen maar het vraagt wel om een goede afstemming met binnen- en buitenlandse partners. Figuur 2: overzicht van de primaire en overige waterkeringen langs de Maas. 2.2De waterkeringstaak van het waterschap Publieke verantwoordelijkheid De zorg voor het keren van water in Nederland is verdeeld over drie bestuurslagen: Het Rijk, verantwoordelijk voor o.a. het nationale beleid en het aanwijzen van primaire waterkeringen. De provincies, verantwoordelijk voor o.a. het aanwijzen van regionale keringen (Limburg kent echter geen regionale keringen). De waterschappen, verantwoordelijk voor het beheren en onderhouden van de waterkeringen in hun beheer. De gemeenten spelen een rol in de ruimtelijke ordening, als vertegenwoordiger van andere belangen bij waterkeringen zoals wonen en verkeer, en in de communicatie met de burger. Waterschap Limburg draagt de publiekrechtelijke verantwoordelijkheid voor de zorg voor de waterkeringen in zijn beheergebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen. Via beheer en onderhoud zorgt het waterschap ervoor dat de waterkering blijft voldoen aan de eisen uit het ontwerp. De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving, waar de waterkeringen deel van uitmaken. Omgevingswaarden leggen de gewenste kwaliteit die de overheid wil bereiken voor de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan vast. In Bijlage II van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven waar de primaire waterkeringen liggen. Ook is daarin de omgevingswaarde vastgelegd in de vorm van een overstromingskans, oftewel faalkans. Voorheen heette de omgevingswaarde de ‘norm’. Het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen is een resultaatverplichting, waaraan uiterlijk in 2050 aan moet zijn voldaan. Voor de overige waterkeringen is er geen wettelijke omgevingswaarde. Het waterschap heeft een rol en verantwoordelijkheid in de calamiteitenzorg bij hoogwater. De veiligheidsregio’s spelen ook een rol in het beheersen van een ramp of crisis vanuit het bredere perspectief van omgevingsveiligheid. In een veiligheidsregio werken verschillende besturen en diensten op het terrein van crisisbeheersing samen. Bij een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis berusten het gezag en de bestuurlijke verantwoordelijkheid bij de voorzitter van de veiligheidsregio. Het waterschap blijft bij een hoogwater Maas verantwoordelijk voor het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen van de eigen crisisbeheersingsorganisatie. Buitendijks gebied en maatwerkbescherming In buitendijks of onbeschermd gebied is er geen wettelijke omgevingswaarde voor de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas (zie figuur 3). De beoordeling van de veiligheid, het nemen van eventuele maatregelen en communicatie over de risico’s zijn de verantwoordelijkheid van medeoverheden. Figuur 3: Schematische weergave van buitendijks en binnendijks gebied en hoge grond. Waterschap Limburg heeft in buitendijks gebied geen taak of verplichting in het bieden van individuele of lokale beschermingsmiddelen tegen hoogwater (maatwerkbescherming) of het beschikbaar stellen van expertise daarvoor. Of in het beheren, onderhouden of in de toekomst versterken van waterkerende voorzieningen die als maatwerkoplossing zijn aangelegd. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de beheerder, bijvoorbeeld de gemeente of (een vereniging van) particulieren. Dit soort oplossingen heeft geen wettelijke omgevingswaarde voor het veiligheidsniveau. Ook heeft het waterschap geen taak bij het nieuw aanleggen van dijken in gebieden die buitendijks zijn gelegen. Een eventuele wens daartoe is in eerste instantie iets tussen gemeente (of provincie) en het Rijk als rivierbeheerder en als bevoegd gezag voor het aanwijzen van primaire waterkeringen. Meerlaagsveiligheid In Nederland gebruiken we het concept meerlaagsveiligheid. Maatregelen die overstromingen door de grote wateren moeten voorkomen vallen onder laag 1, ‘preventie’ (zie figuur 4). Aanvullend daarop kunnen de gevolgen van een eventuele overstroming worden beperkt door de inrichting van Nederland bestand te maken tegen water (gevolgbeperking, laag 2). Rijk, waterschappen, veiligheidsregio’s en provincies werken samen aan crisisbeheersing bij overstromingen, voor de gevallen wanneer het toch misgaat (laag 3). Daarnaast zijn ook snel en klimaatrobuust herstel van schade (laag 4) en waterbewustzijn (laag 5) belangrijk om (vervolg)schade en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Zie figuur 4. Figuur 4: Meerlaagsveiligheid. Bron: Eindadvies Beleidstafel wateroverlast en hoogwater, december 2022 De wettelijke taak van het waterschap ten aanzien van overstroming vanuit de Maas is om de primaire keringen (laag 1) te laten voldoen aan de wettelijke omgevingswaarde, en maatregelen voor de eigen crisisbeheersing uit te voeren (laag 3). De andere lagen zijn de verantwoordelijkheid van medeoverheden. In veruit de meeste gevallen is het investeren in laag 1, door rivierverruiming en dijkversterking, de meest voordehand liggende optie om veiligheid tegen hoogwater te bieden. Er zijn echter situaties waarbij maatregelen in laag 2 en 3, al dan niet in combinatie met maatregelen in laag 1, mogelijk efficiënter kunnen zijn om de omgevingswaarde voor waterveiligheid te bereiken. Bijvoorbeeld bij een beperkt aantal te beschermen woningen of een gebied met een laag beschermingsniveau. Het waterschap werkt samen met medeoverheden bij concrete initiatieven om hier op kansrijke locaties invulling aan te geven. 2.3Levenscyclus van de waterkering De zorgplicht als basis van de waterkeringszorg Het waterschap voert vanuit een levenscyclusbenadering een aantal activiteiten uit die nodig zijn om de waterkeringen nu en in de toekomst veilig houden, en aan de gestelde eisen te laten voldoen. Deze activiteiten betreffen het beoordelen, ontwerpen, versterken en beheren (o.a. vergunningverlening, onderhoud) van onze waterkeringen. In figuur 5 is dit weergegeven. Figuur 5: Positionering van de beoordelings- en beheercyclus ten opzichte van elkaar. Niet alle processen uit de beheercyclus zijn opgenomen in deze figuur. Bron: waterschap Limburg Voor de primaire waterkeringen zijn (onderdelen van) deze activiteiten vastgelegd in het Kader Zorgplicht. Dit landelijke kader stelt basiseisen aan waterkeringbeheerders om de primaire keringen aan de veiligheidseisen te laten voldoen, voor al het noodzakelijke preventieve beheer en onderhoud te zorgen, en daarbij aantoonbaar en navolgbaar in control te zijn. Het waterschap rapporteert hierover jaarlijks aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Voor een goede invulling van deze zorgplicht zal het waterschap continu inzicht moeten hebben in de feitelijke toestand van de waterkering. Daarvoor zijn onder andere inspectie en beoordeling van de kering nodig. Op basis van de uitkomsten hiervan kunnen risico’s worden verkleind, beheersbaar worden gehouden of worden geaccepteerd. Beheren, beoordelen en versterken Beheren Met doelmatig beheer zorgt het waterschap voor instandhouding van de waterkering zoals deze is vastgelegd in de legger. Dit gebeurt onder andere door gericht inspecteren van de waterkeringen en het uitvoeren van zowel regulier als incidenteel onderhoud aan de waterkeringen. Onderdeel van het beheren is ook de publiekrechtelijke bescherming door middel van regelgeving, vergunningverlening en toezicht en handhaving. Daarnaast is een goed gegevensbeheer van groot belang: het eenduidig opslaan en goed ontsluiten van actuele gegevens over de waterkering. Het gaat daarbij om geografische en technische basisgegevens van de waterkering maar ook over informatie uit de diverse zorgplichtprocessen. Zeker daar waar het ondergrondse delen van waterkeringen (bijvoorbeeld kwelschermen) betreft, zijn deze gegevens cruciaal en kunnen ze niet of nauwelijks achteraf worden ingewonnen. Beoordelen De primaire waterkeringen worden doorlopend periodiek getoetst. Uit deze wettelijke beoordeling blijkt of de waterkering al dan niet voldoet aan de eisen. Zo is er steeds een actueel veiligheidsbeeld van alle primaire waterkeringen. Voldoet de waterkering niet aan de eisen, dan nemen we maatregelen om de veiligheid van de kering te verbeteren. Dat kan door de kering te versterken of door maatregelen te nemen op gebied van beheer, onderhoud en calamiteitenzorg. Het waterschap brengt over de resultaten van de beoordeling verslag uit aan de minister van I&W. Het ILT houdt hierop toezicht. Het waterschap actualiseert minimaal eens in de twaalf jaar het veiligheidsbeeld. Over een waterkering kan ook vaker gerapporteerd worden dan eens per twaalf jaar. Bijvoorbeeld als nieuwe kennis en inzichten beschikbaar komen die van invloed kunnen zijn op het resultaat van de beoordeling. Op basis van afspraken tussen het Rijk en de regio worden de beoordelingsresultaten ook gebruikt om de status van rivierbed achter onze dijktrajecten aan te passen. Zodra een kering voldoet aan de omgevingswaarde, komt deze door het Rijk toegekende status van rivierbed in het achterliggend gebied te vervallen; dit geeft meer planologische ruimte voor verantwoord bouwen in het door de waterkering beschermde gebied. De eerste landelijke beoordelingsronde is in 2023 afgerond, de tweede ronde loopt tot 2035. Het doel van de ronde is om aan te tonen of de waterkering in 2035 wel of niet aan de omgevingswaarde voldoet. Versterken Als uit de beoordeling blijkt dat een kering versterkt dan wel verhoogd moet worden, starten we een dijkversterkingsproject. Alle dijkversterkingsprojecten worden opgepakt in onze projectorganisatie. Uit de eerste landelijke beoordelingsronde blijkt dat er, na afronding van de lopende dijkversterkingsprojecten, nog zo’n 120 kilometer aan primaire keringen versterkt of verhoogd moet worden vóór 2050 (peildatum 1 januari 2025). Op veel trajecten gaat het om een aanzienlijke verhoging. Deze opgave wordt bemoeilijkt of ingewikkelder, omdat van oudsher de nodige waterkeringsvreemde objecten in en op de dijken staan, zoals leidingen, bomen en kunstwerken. Bovendien moet de kering vaak niet alleen verhoogd maar ook verlengd worden, zodat zij aansluit op hoge grond en voldoende bescherming biedt voor achterliggend gebied. Onder de noemer Maas2050 heeft het waterschap een strategie voor de programmering van dit versterkingsprogramma bepaald. Periodiek brengt het waterschap opnieuw in beeld welke projecten het beste in welke volgorde gestart worden. Adaptief versterken (een kering die nog mee moet groeien gedurende de standaard levensduur) staan we in principe niet toe, omdat dat betekent dat het waterschap voor 2050 op die locaties nog eens terug moet komen. Adaptief versterken is daarom de afgelopen jaren enkel in uitzonderlijke gevallen toegepast. Het waterschap doorloopt voor de afgekeurde dijktrajecten eerst een zogenaamde trajectaanpak. De trajectaanpak bepaalt (grof) de scope van het project. Ook wordt onderzocht of er relevante ruimtelijke ontwikkelingen of andere opgaven (bijvoorbeeld van andere overheden) zijn in het gebied, die binnen het tijdspad van de dijkversterkingsopgave gecombineerd kunnen worden. De trajectaanpak vormt de basis voor de ingangstoets, in feite een voordracht bij het landelijke HWBP die over de toekenning van financiering beslist. Na het positief doorlopen van de ingangstoets neemt het landelijke HWBP het versterkingsproject op in de landelijke programmering en komt financiering beschikbaar. We anticiperen bij het ontwerpen van waterkeringen op toekomstige ontwikkelingen en onzekerheden. Hierbij zijn drie doelstellingen van belang: Het ontwerp moet tijdens zijn levensduur aan de wettelijke omgevingswaarde voldoen. Het ontwerp moet redelijkerwijs blijven functioneren en doelmatig beheerd worden, zonder dat tussentijdse ingrijpende en kostbare aanpassingen noodzakelijk zijn. Het ontwerp moet in de toekomst uitbreidbaar zijn (tenzij dit vanuit technisch, ruimtelijk en economisch oogpunt geen logische keuze
- is)Over dijkverleggingen en gebiedsontwikkeling worden doorgaans afspraken gemaakt in het Deltaprogramma Maas en vindt besluitvorming plaats door de minister van I&W in het kader van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Assetmanagement en system engineering Assetmanagement is een bedrijfsvoeringsfilosofie die zich richt op het optimaliseren van de kwaliteit en prestaties van assets (in dit geval waterkeringen) en het minimaliseren van de kosten gedurende de hele levensduur, zonder dat dit ongewenste risico’s oplevert voor het waterschap of de omgeving. Waterschap Limburg past assetmanagement toe op al zijn assets: de basis op orde en up-to-date. Of het nu gaat om beheer en onderhoud, vervanging of versterking; besluiten worden steeds bewust en weloverwogen genomen waarbij kosten, prestaties en risico’s voor de hele levenscyclus in beeld zijn gebracht. Hierbij wordt tegelijkertijd rekening gehouden met wet- en regelgeving, eisen en wensen van belanghebbenden en het bereiken van de bedrijfsdoelstellingen. Assetmanagement richt zich, net als de zorgplicht, op het in control zijn en kijkt naar alle levensfasen van de waterkering en naar alle processen die met de waterkeringszorg zijn gemoeid. Daarmee ondersteunt assetmanagement de invulling van de zorgplicht. De toepassing van assetmanagement helpt ons om grip te houden op risico’s en zo ongewenste situaties, bijvoorbeeld een onverwacht falen van een (onderdeel van) een kering, tot een minimum te beperken. Ook implementeert Waterschap Limburg de systematiek van ‘systems engineering’. Deze integrale werkwijze draagt bij aan het gestructureerd werken door het aantoonbaar maken van doelen en eisen. En door het maken van herleidbare, eenduidige en expliciete keuzes, met name in de dijkversterkingsprojecten. Het goed inzetten van systems engineering geeft meer grip en helpt (omgevings)risico’s beheersen. Daarmee levert het ook een bijdrage aan het assetmanagement. 2.4Instrumenten van het waterschap Dit beleidsplan vormt, samen met o.a. het Waterbeheerprogramma, het beleidskader voor de waterkeringen. Om het beleid uit te kunnen voeren, heeft het waterschap sinds de inwerkintreding van de Omgevingswet verschillende instrumenten ter beschikking. Voor de waterkeringszorg zijn vooral de volgende instrumenten relevant: Legger De legger is een kaart waarop waterstaatswerken (zoals waterkeringen en oppervlaktewateren) zijn opgenomen. In de legger wordt weergegeven waar de waterkeringen liggen en waar de vorm, afmeting en constructie aan moeten voldoen. De legger laat de waterkering zien zoals deze is ontworpen. Waterschapsverordening en beleidsregels vergunningverlening De Waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen en watergangen binnen het beheergebied van het waterschap. In deze verordening staat welke regels er gelden voor de in de Waterschapsverordening opgenomen werkingsgebieden. Het doel van de verordening is het behouden van de functie van het waterstaatswerk en het voorkomen van schade. In het algemeen geldt dat hoe groter de afstand tot de waterkering, des te minder beperkingen er als gevolg van de waterkering zijn. De beleidsregels vergunningverlening vormen de basis voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Profiel van vrije ruimte Het profiel van vrije ruimte is één van de werkingsgebieden in de Waterschapsverordening (zie figuur 6 en 7). Deze richt zich echter niet op het beschermen van de huidige waterkering maar op het mogelijk maken en houden van toekomstige dijkversterking. Zo voorkomen we dat ruimte rond onze waterkeringen wordt gebruikt voor doelen die geen rekening houden met of niet te verenigen zijn met de toekomstige waterveiligheidsopgave van het waterschap. Door bij de ruimtelijke inrichting nu al rekening te houden met de toekomstige versterkingen voorkomen we bij de uitvoering problemen en desinvesteringen. Het profiel van vrije ruimte is een zone aan weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk. Het profiel van vrije ruimte is tweezijdig, zodat zowel buitendijkse (naar de rivier toe) als binnendijkse dijkverbetering mogelijk blijft. Bij initiatieven in het profiel van vrije ruimte wordt getoetst of deze het toekomstig verbeteren van de waterkering niet belemmeren of onmogelijk maken. Weging van het waterbelang Elke gemeente heeft één omgevingsplan waar de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving in staan. Onder de fysieke leefomgeving vallen ook regels over water en ruimte. Het omgevingsplan moet aansluiten op de Waterschapsverordening van het waterschap. Het waterschap toetst of de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Deze procedure is de ‘weging van het waterbelang’. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in de regels die zij in het omgevingsplan voor de fysieke leefomgeving opneemt. Dit sluit aan bij het gedachtegoed dat water en bodem sturend zijn in de ruimtelijke ordening. Het waterschap is de specialist op het gebied van waterveiligheid en kan vanuit die rol adviseren bij het opstellen van het omgevingsplan en beoordelen of het plan geen belemmeringen voor de waterkeringszorg (inclusief eventuele versterking) veroorzaakt. Figuur 6: Werkingsgebieden rondom een waterkering, zoals bedoeld in de Waterschapsverordening van Waterschap Limburg. Figuur 7: Ligging van het werkingsgebied profiel van vrije ruimte (PVVR) t.o.v. de kernzone van een waterkering. 2.5Samenwerking en participatie De opgaven op het gebied van water en klimaatadaptatie zijn groot en vallen deels buiten het bereik en de verantwoordelijkheid van Waterschap Limburg. Samenwerking met andere stakeholders is daarom essentieel. In de ruimtelijke ordening, in het beheer en onderhoud van de waterkeringen en in dijkversterkingsprojecten. Stakeholders waar het waterschap mee samenwerkt zijn bijvoorbeeld inwoners, grondeigenaren, terreinbeherende organisaties en andere overheden. Dat zijn zowel stakeholders uit het eigen beheergebied, als regionale, nationale (het Rijk) en internationale (Duitsland en België) stakeholders met aangrenzende beheergebieden. De diverse partijen hebben veelal uiteenlopende belangen. Hier inzicht in krijgen is een belangrijk onderdeel van het omgevingsmanagement en vormt vaak de eerste stap naar een gezamenlijke oplossing en draagvlak. Participatie start idealiter vanuit een relatie die is gebaseerd op vertrouwen en gelijkwaardigheid. Het doel van het omgevingsmanagement van het waterschap is dan ook om de relatie tussen Waterschap Limburg en de omgeving op de lange termijn te verstevigen door het creëren van verbeterde zichtbaarheid én bereikbaarheid voor de omgeving, en het op de hoogte blijven van de ontwikkelingen die in de omgeving spelen. 3Ontwikkelingen Dit hoofdstuk beschrijft met welke in- en externe ontwikkelingen Waterschap Limburg te maken krijgt voor het thema waterveiligheid. De ontwikkelingen verschillen van elkaar in termen van impact, doorlooptijd en mate van urgentie. De belangrijkste gesignaleerde ontwikkelingen zijn: Klimaatverandering Ruimtelijke vraag Biodiversiteit Omgevingsgericht werken Grenzen van beheersbaarheid Nieuwe technieken Betaalbaarheid onder druk Deze ontwikkelingen maken duidelijk dat de kaders waarbinnen het werk van ons waterschap zich afspeelt, continu veranderen. De grote uitdaging is om zo flexibel mogelijk te zijn, waarbij we enerzijds robuuste, duurzame oplossingen nastreven en tegelijkertijd nog kunnen bij- of terugschakelen als ontwikkelingen anders uitpakken in de praktijk. Dit vraagt om een proactieve en anticiperende houding van het waterschap op regionaal en (inter)nationaal niveau en om daadkracht en wendbaarheid. In dit hoofdstuk gaan we nader in op de hierboven genoemde ontwikkelingen en het effect ervan op het beleid voor onze waterkeringen. 3.1Klimaatverandering Het KNMI heeft in 2023 nieuwe klimaatscenario’s gepresenteerd. Deze laten onomstotelijk zien dat door klimaatverandering het Nederlandse weer zal veranderen. Zeespiegelstijging, langere periodes van extreme droogte en laagwater afgewisseld met periodes van hevige neerslag en hogere rivierafvoeren nemen toe. Dit betekent ook dat het weer zich lastiger laat voorspellen. Voorspellingen zijn namelijk veelal gebaseerd op kennis uit het verleden. Limburg heeft hier met de watercrisis van 2021 al een voorproef op gekregen. In de Maas bij Eijsden en in een aantal zijrivieren zijn tijdens deze crisis de hoogste afvoeren ooit gemeten. Door klimaatverandering komt Maashoogwater in de toekomst alleen nog maar vaker voor en zullen zowel gemiddelde afvoeren als piekafvoeren hoger zijn. En waar hoogwater historisch gezien vooral in de winterperiode voorkwam, zal de kans op zomerhoogwaters zoals in 2021 ook groter worden. Ook extreem droge periodes komen steeds vaker voor. Dit alles heeft gevolgen voor de waterveiligheid. 3.2Ruimtelijke vraag Er is in Nederland een enorme druk op de ruimte. Er is vraag naar nieuwe woningen, de transitie naar duurzame energie vergt ruimte en er is een ruimtevraag voor natuurherstel. Maar ook aanpassing van het hoogwaterbeschermingssysteem aan het veranderende klimaat vraagt om ruimte. Waar decennialang de tendens was om te strijden tegen het water, met steeds complexere technische oplossingen, verschuift de insteek in de ruimtelijke ordening steeds meer naar het sturend laten zijn van het natuurlijke landschap. In 2022 heeft het Rijk met de Kamerbrief ‘Water en bodem sturend’ een kader gegeven, waarbij voortaan water en bodem de randvoorwaarden vormen voor de ruimtelijke inrichting. Negatieve effecten van andere functies mogen niet meer afgewenteld worden op het water- en bodemsysteem. Voor de grote rivieren – en dus voor de Maas – betekent dit niet meer bouwen in de uiterwaarden, reserveren van voldoende ruimte voor de rivier (door rivierverruiming of dijkverlegging) en reserveren van voldoende ruimte voor de (versterking van) dijken. De druk op de ruimte heeft tot gevolg dat overheden nauwer samenwerken om alle opgaven die er zijn een plek te kunnen geven. Omgekeerd kan het waterschap niet meer altijd een opgave sectoraal invullen en moeten provincie en gemeenten ook hun rol pakken waar het waterveiligheid betreft. Kortom, waterveiligheid raakt steeds meer verweven met andere vraagstukken in de ruimtelijke ordening. 3.3Biodiversiteit Wereldwijd is er sprake van een achteruitgang van biodiversiteit. Niet alleen de omvang van leefgebieden, maar ook de verscheidenheid wordt steeds kleiner. Daarom neemt ook de aandacht voor het bevorderen van biodiversiteit op dijken toe, zoals een biodiverse grasmat. Een vegetatie met een grote soortenrijkdom van verschillende kruiden en grassen geeft een goede doorworteling die de erosiebestendigheid van de waterkering ten goede komt en voedsel en schuilgelegenheden biedt voor insecten, vogels en andere dieren. Ook natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en zal in de toekomst meer de standaard worden. Hoe dit kan worden toegepast bij waterkeringen is een uitdaging die nog verder ontwikkeld moet worden. Tegelijkertijd doen bevers en dassen juist weer hun intrede in het Limburgse natuurlandschap. Voor de dijk vormt hun graverij een risico. 3.4Omgevingsgericht werken De samenleving verandert continu en de eisen en verwachtingen van inwoners dus ook. Inwoners willen vaker meedenken bij de inrichting van hun leefomgeving. Het waterschap werkt daarom steeds meer omgevings- en gebiedsgericht. Daardoor kan de samenhang tussen de verschillende maatschappelijke waarden en opgaven in een gebied beter worden gewaarborgd. Waterveiligheid staat bij de keuzes van het waterschap altijd voorop. We streven er vervolgens naar om die waterveiligheid te combineren met omgevingskwaliteit, duurzaamheid en maatschappelijke meerwaarde. Recente resultaten daarvan zijn nieuwe types keringen die passen in het oorspronkelijk onbedijkte landschap: de steilranddijk en de hoge gronddijk. Naast dit soort oplossingen vraagt de omgeving ook om dijkversterkingen te verbinden met andere functies en opgaven. Op veel plekken kan de dijk recreatief worden gebruikt. Er kan ook sprake zijn van meervoudig ruimtegebruik, zodat naast de hoofdfunctie hoogwaterveiligheid de kering ook geschikt wordt gemaakt voor een andere functie (bijvoorbeeld voor agrarisch gebruik). En op weer andere plekken combineren we dijkversterking met beek- en watersysteemherstel. 3.5Grenzen aan beheersbaarheid De watercrisis van 2021 was niet alleen een indicatie voor klimaatverandering; het was ook de ultieme test voor de crisisorganisatie van Waterschap Limburg. Het hoogwater kwam sneller op dan waar tot dan toe rekening mee werd gehouden. Dit betekende dat de acties die het waterschap vóór de hoogwaterpiek moet uitvoeren sneller moesten worden uitgevoerd dan waar de draaiboeken op dat moment rekening mee hielden. Het sluiten van alle waterkeringen, en in het bijzonder het grote aantal schotbalkkeringen en -coupures, neemt hierbij een belangrijke plek in. Elke niet permanent gesloten waterkering moet bij opkomend hoogwater tijdig gesloten worden. Dit is zeer arbeidsintensief en er is altijd een risico op menselijk of technisch falen. De gevolgen van een gefaalde sluiting zijn groot: het Maaswater kan dan vrij het binnendijkse gebied instromen en daar zorgen voor een overstroming. De risico’s zijn het grootst bij diepe/hoge coupures en wanden (die al bij beperkte hoogwaters – en daarom frequenter en met minder opbouwtijd – moeten worden gesloten) en bij de locaties in het zuiden van het beheergebied (waar de waarschuwingstijd het kortst is door de geografische ligging en kortere looptijd van een hoogwater vanaf het brongebied). Overigens zorgen deze niet permanent gesloten keringen voor hogere beheerkosten; niet alleen bij het sluiten en weer openen van de keringen, maar ook in de opslag van de benodigde materialen in de loodsen van het waterschap. Bovenstaande factoren in combinatie met de grote hoeveelheid niet permanent gesloten waterkeringen in het beheergebied, zorgen ervoor dat de beheersbaarheid onder druk staat. De watercrisis van 2021 heeft aangetoond dat het waterschap aan zijn maximum zit van wat de organisatie kan waarmaken tijdens een crisis. 3.6Nieuwe technieken In de wereld van de waterveiligheid staat de tijd niet stil. Er zijn grote opgaven, maar er komen ook steeds meer nieuwe mogelijkheden en oplossingen. We passen nieuwe materialen en dijkconcepten toe. De digitale transformatie, het datagedreven werken en nieuwe technieken zorgen ervoor dat we een steeds actueler beeld en actuelere voorspellingen van de (toestand van
- de)waterkering kunnen krijgen. We volgen de ontwikkelingen en toetsen die op bruikbaarheid. Zo zijn er in het dijkbeheer innovaties op het gebied van monitoring met drones en de toepassing van sensoren in de dijk. Deze worden op landelijk niveau onderzocht op hun toepasbaarheid. In dijkversterkingsprojecten bieden innovaties volop kansen voor een betere inpassing van de dijk, zoals bijvoorbeeld de glazen waterkering in Neer, en de zelfsluitende kering in Steyl. Daarnaast ontwikkelen zich technische innovaties die voor inwoners onzichtbaar zijn, maar die er wel voor zorgen dat we projecten sneller, goedkoper of duurzamer kunnen uitvoeren (zoals GeoClayLiners in plaats van een dik kleipakket en de toepassing van kunststof schermen tegen piping). Nieuwe technieken brengen ook nieuwe uitdagingen met zich mee, zowel technisch als organisatorisch. De mogelijkheden lijken eindeloos, maar juist daarom is het noodzakelijk om bewuste keuzes te maken. Inspelen op innovaties vraagt ook voortdurende investeringen in het op peil houden van kennis zodat het waterschap de rol van waterexpert kan blijven vervullen. 3.7Betaalbaarheid onder druk De veelheid en omvang van de dijkversterkingsopgaves in het hele land legt een grote financiële druk op het landelijke HWBP. Dit betekent dat er kritisch wordt gekeken naar het totale dijkversterkingsprogramma en de prioritering. Waterschap Limburg onderschrijft het belang van een landelijke werkwijze voor prioritering en programmering. Tegelijk maken we ons sterk voor een programmering die recht doet aan de grote opgave van ons waterschap. Naast de afstand tot de omgevingswaarde is daarbij ook het absolute veiligheidsniveau relevant, evenals bijvoorbeeld het benutten van meekoppelkansen vanuit ruimtelijke ontwikkelingen. Via de Unie van Waterschappen en het HWBP denkt Waterschap Limburg proactief mee over oplossingen waarbij het uitgangspunt blijft dat inwoners op veilige keringen mogen rekenen en de wettelijke mijlpaal van 2050 haalbaar blijft. Ook voor het waterschap betekenen de dijkversterkingen een flinke financiële opgave. We betalen, naast de solidariteitsbijdrage die alle waterschappen betalen aan het landelijk HWBP, ook 10 procent van de kosten van een dijkversterkingsproject zelf. Dit vraagt om heldere keuzes in wat wel en wat niet opgepakt wordt en in welk tempo dat gebeurt. Daarbij moet het waterschap flexibel blijven en keuzes bijstellen als ontwikkelingen in de praktijk anders uitpakken dan vooraf voorzien of als de landelijke prioritering verandert. Het subsidiekader van het landelijk HWBP stelt dat keringen sober en doelmatig worden versterkt. De gewenste oplossing voor de omgeving past niet altijd binnen die voorwaarden en moet dan op een andere manier worden gefinancierd (waarbij de waterveiligheid altijd dient te worden geborgd). 4Strategie Werken aan veilige keringen volgens 6 principes Hoofdstuk drie heeft laten zien dat we werken in een dynamische omgeving. Dit benadrukt het belang van wendbaarheid en aanpassingsvermogen. Werken aan waterveiligheid is nooit af en vraagt daarom om een strategie die het waterschap op koers houdt, ondanks de veranderingen die op ons afkomen. En die ervoor zorgt dat de gevolgen van de keuzes van vandaag niet doorgeschoven worden naar de toekomst. Deze strategie bestaat uit 6 principes die de kern van het waterkeringenbeleid van Waterschap Limburg vormen: De veilige kering staat voorop Een beheersbaar areaal, nu en in de toekomst De dijk als groen lint in het landschap De kering in zijn omgeving Duurzaam en innovatief Betaalbare waterkeringen Deze 6 principes samen vormen daarmee het kader van de mogelijkheden en beperkingen waarbinnen we ons werk uitvoeren en de grondgedachte waarmee we in onze omgeving opereren. In dit hoofdstuk werken we deze 6 principes uit tot beleidsuitgangspunten. 4.1De veilige kering staat voorop De omgevingswaarde vormt ons kader Bescherming van inwoners en bedrijven tegen overstromingen is één van de kerntaken van het waterschap. Het Waterschap Limburg heeft volgens de Omgevingswet de taak om de primaire keringen in stand te houden en uiterlijk in 2050 aan de omgevingswaarde (voorheen de ‘norm’) voor waterveiligheid te laten voldoen. We geven hier invulling aan door projectmatig dijkversterkingen, dijkverleggingen en gebiedsontwikkelingen uit te voeren. Elk dijkversterkingsproject van Waterschap Limburg heeft als primair doel de primaire kering te laten voldoen aan de wettelijke omgevingswaarde zoals opgenomen in de Omgevingswet. Omgekeerd geldt ook dat als het Rijk een kering niet aanwijst als primaire kering, Waterschap Limburg ook geen verplichting heeft om een primaire kering aan te leggen, te versterken of te verhogen. Bebouwing (woningen en/of bedrijven) die binnendijks van de primaire kering gelegen is, wordt door die kering beschermd (zie paragraaf 2.2). In het ontwikkelen van verschillende alternatieven binnen een dijkversterkingsproject kan het aantal beschermde objecten (woningen en/of bedrijven) verschillen. Het ontwerp van de primaire waterkering richt zich niet op het beschermen van kelders, kruipruimtes en kleinere of tijdelijke bouwwerken, zoals schuurtjes of tuinhuisjes. Hiervoor is de eigenaar zelf verantwoordelijk. Toekomstbestendige, robuuste en uitbreidbare dijken Door klimaatverandering of nieuwe technische inzichten voldoet de waterkering na verloop van tijd mogelijk niet meer aan de wettelijke eisen. Dit kan leiden tot de noodzaak voor een hogere of stevigere dijk, en daarmee tot een groter ruimtebeslag. Als waterschap anticiperen we op toekomstige ontwikkelingen en de onzekerheden die daarmee samenhangen. Een kering moet tijdens zijn levensduur redelijkerwijs blijven functioneren en doelmatig kunnen worden beheerd zonder dat ingrijpende en kostbare aanpassingen tussentijds nodig zijn. Wij noemen dit een robuust ontwerp. Bij het ontwerp van de waterkering wordt de toekomstbestendigheid van de waterkering in kaart gebracht. Belangrijk hierbij is dat we ons ontwerp zo vormgeven dat er geen afwenteling plaatsvindt in tijd en plaats. Daarnaast houden we bij het dijkontwerp rekening met de uitbreidbaarheid in de toekomst, bijvoorbeeld door ondergrondse delen robuuster uit te voeren. Een groene kering is relatief eenvoudig uitbreidbaar, mits er voldoende ruimte beschikbaar is. Daarom leggen wij deze ruimte, die nodig is om toekomstige dijkversterking mogelijk te maken, vast in het ‘profiel van vrije ruimte’. Bij het al dan niet toestaan van ontwikkelingen in deze zone kijken wij minimaal 100 jaar vooruit. We werken actief aan waterveiligheid op drie niveaus We zetten ons in voor veilige keringen op drie niveaus: ruimte voor de rivier, aandacht voor waterveiligheid in stedenbouw en planologie, en uiteraard de robuustheid en duurzaamheid van (het ontwerp van) de kering zelf. De niveaus verschillen in ruimtelijke schaal en kennen doorgaans ook een andere tijdsschaal. Een belangrijk instrument voor het werken op de drie niveaus is de trajectaanpak. Daarbij onderzoeken we of er relevante ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het gebied die binnen het tijdspad van de dijkversterkingsopgave gecombineerd kunnen worden of die anderszins relevant zijn voor de projectkeuzes. Het idee is dat door vroegtijdig te starten met een integrale afweging zowel de kansen als risico’s eerder boven water komen en er dan meer mogelijkheden zijn om nog bij te sturen. Niveau 1: Ruimte voor de Maas Door meer ruimte te geven aan de Maas, bijvoorbeeld door rivierverruiming of retentie, en door te voorkomen dat die ruimte door andere ontwikkelingen of functies wordt verkleind, kan de Maas meer water afvoeren. Het draagt tevens bij aan een morfologisch en ecologisch gezond riviersysteem van oorsprong tot monding. Ruimte geven aan de rivier zorgt voor een verlaging van de hoogwaterstanden, waardoor de keringen minder verhoogd hoeven te worden en de ruimtelijke impact van de versterkingsopgave beperkt kan blijven. Bovendien draagt rivierverruiming bij aan de waterveiligheid buitendijks en zorgt het ervoor dat bij een eventuele dijkdoorbraak de waterstanden ook binnendijks minder hoog oplopen. Door de fysisch-geografische kenmerken van de Limburgse Maasvallei heeft rivierverruiming hier een sterker dempend effect op de dijkversterkingsopgave dan in andere delen van ons land. Daarnaast kan rivierverruiming nog meer doelen dienen, zoals natuurontwikkeling. In de meeste gevallen is het Rijk als rivierbeheerder aan zet voor het uitvoeren van rivierverruimingsprojecten. Maar via onder andere het Deltaprogramma en het programma Integraal Riviermanagement zetten ook wij ons in om de waterveiligheidsopgave zoveel als realistisch mogelijk via rivierverruiming op te lossen. In onze eigen projecten houden we steeds rekening met rivierkundige effecten. Daarbij realiseren we ons dat keringen altijd nodig zijn en blijven, zelfs met maximale inzet op rivierverruiming. We kijken in onze projecten naar mogelijkheden voor rivierverruiming, bijvoorbeeld door waar mogelijk de kering landinwaarts te verleggen of door dijkversterking samen met andere partijen onder te brengen in een integraal project dat ook ruimte voor de Maas creëert. Vanwege de boven- en benedenstroomse effecten van ingrepen in de rivier zien we de Maas, samen met het Rijk, de provincie, het Deltaprogramma Maas en de betrokken gemeenten, steeds in perspectief. Het is belangrijk om hierbij als regio met alle partners steeds met een helikopterbril naar de rivier en de waterstandsdaling te kijken, in plaats van enkel naar de lokale effecten voor één project. Het vraagt ook dat we over de grenzen van gemeenten, regio’s, de provincie en land heen kijken, met als doel een gezond riviersysteem van oorsprong tot monding. Dit vraagt solidariteit van alle betrokken partners. Door deze benadering kan enerzijds worden toegewerkt naar het oplossen van rivierkundige knelpunten en flessenhalzen. En anderzijds kan worden ingezet op waterstandsverlaging in specifiek stedelijke gebieden met vaak cultuurhistorisch waardevolle rivierfronten en lastig inpasbare dijkverhogingen. Vanuit het gedachtegoed van water en bodem sturend onderschrijven wij het uitgangspunt van het Rijk om buitendijkse ruimte in het rivierbed niet te bebouwen en ook niet in te dijken. Dit geldt in het bijzonder voor buitendijks gelegen watergebonden bedrijvigheid. In onze advisering over plannen van derden zijn we alert op mogelijke waterstandsverhogende effecten. Als waterkeringbeheerder ervaren we immers de gevolgen, waardoor de dijken mogelijk hoger moeten worden of er eerder een dijkversterking nodig is. Dit heeft ook financiële consequenties en maakt bovendien de ruimtelijke inpasbaarheid van de waterkering steeds lastiger. Niet alleen bouwplannen en fysieke ingrepen in het rivierbed kunnen een waterstandsverhogend effect hebben, ook een ander beheer waarbij er minder gemaaid wordt waardoor het rivierbed verruwt In onze advisering hebben we ook aandacht voor het reserveren van voldoende ruimte voor water, bijvoorbeeld retentiegebieden, voor klimaatrobuust bouwen en het vermijden van kapitaalintensieve objecten in risicovolle gebieden. Niveau 2: Ruimtelijke ordening Een dijkversterking heeft vaak een grote impact op zijn omgeving. Vooral in bebouwd gebied vormen ruimtelijke kwaliteit, toegankelijkheid en uitzicht regelmatig een knelpunt. Door in de ruimtelijke ordening meer rekening te houden met de kering – en het feit dat deze door klimaatverandering mogelijk in de toekomst nog verhoogd moet worden – kunnen we de ruimtelijke en maatschappelijke impact alsook de kosten van toekomstige dijkversterking beperken. Dit sluit aan op de landelijke beleidslijn water en bodem sturend. Dit betekent dat bij de keuze voor bouwlocaties rekening wordt gehouden met de waterveiligheid, door vooral te bouwen op hogere gebiedsdelen. Maar ook door huizen bijvoorbeeld bewust hoger aan te leggen of voor een andere bouwvorm te kiezen (split level wonen), om toekomstige uitzichtproblemen (als een kering wordt verhoogd) te voorkomen. En door bij een wegreconstructie deze meteen een stukje op te hogen, kan de drempel van een aangrenzende coupure worden verhoogd of misschien kan de coupure wel volledig worden vermeden. Zo creëren we, samen met gemeenten, met name in stedelijke gebieden meer mogelijkheden voor een robuuste inpassing van onze keringen en een reductie van het aantal coupures en niet permanent gesloten keringen (in het bijzonder schotbalkkeringen). Daarom wil Waterschap Limburg vroegtijdig betrokken zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in de breedste zin van het woord: van kleinschalige ingrepen aan de infrastructuur en bouwplannen tot grote stedelijke herstructureringen en gebiedsontwikkelingen. Dit geeft alle partijen de mogelijkheid om op tijd na te denken over de inpassing van de (toekomstige) kering in de fysieke ruimte en zo knelpunten bij toekomstige dijkverhogingen te voorkomen. Vanuit de basis van een goed omgevingsmanagement stemt het waterschap regelmatig af met gemeenten en provincies om kansen en raakvlakken te signaleren. Door co-creatie en samenwerking met belanghebbenden proberen we synergie in middelen en maatregelen met maatschappelijke meerwaarde te bereiken. Ook van gemeenten verwachten we hierin een proactieve houding; het is immers in ieders belang dat maatregelen voor waterveiligheid goed ingepast kunnen worden in een gebied. Soms kan zelfs een volledige integratie van de dijkversterking in een ruimtelijke ontwikkeling gewenst zijn. Bijvoorbeeld als de kering volledig geïntegreerd wordt tot onderdeel van de omgeving en geen ruimtelijk obstakel vormt. Hierbij is de toekomstbestendigheid een vereiste omdat een geïntegreerde kering daarna niet meer eenvoudig versterkt of verhoogd kan worden. Volledige integratie is steeds een maatwerkafweging, aangezien er kosten van voorfinanciering mee gemoeid kunnen zijn als de dijkversterking eerder wordt uitgevoerd dan landelijk geprogrammeerd. Niveau 3: De kering Op het niveau van de kering zelf is de manoeuvreerruimte vaak beperkter, zowel fysiek als in integraliteit van de opgave. In de beheerfase gaat het bijvoorbeeld om het onderhoud van de waterkering, maar ook om processen als vergunningverlening waarmee we het veiligheidsniveau van de kering blijven garanderen. Na de beoordeling, trajectaanpak en ingangstoets komt het dijkversterkingsproject in beeld. Een helder geformuleerde projectopdracht waarin, naast uitgangspunten over tijd en kosten, ook alle relevante (beleids)kaders zijn meegenomen, is hierbij een belangrijk startpunt. Het levert duidelijkheid op voor alle volgende fases van het project als we in dit stadium die kaders meegeven aan partners en belanghebbenden. 4.2Beheer van het areaal, nu en in de toekomst Beheer van het areaal waterkeringen Beheer, bereikbaarheid en onderhoudbaarheid van een waterkering, evenals het handelingsperspectief bij calamiteiten, moeten altijd gegarandeerd zijn. Deze aspecten beschouwen wij steeds in het licht van de gehele levensduur van de dijk, ons gehele areaal aan waterkeringen en de gehele crisisoperatie (die breder is dan enkel de waterkeringen langs de Maas). Zo borgen we dat ons volledige areaal aan waterkeringen steeds redelijkerwijs blijft functioneren en doelmatig kan worden beheerd. Ook bij werkzaamheden op of aan de waterkering dient het bestaande veiligheidsniveau altijd aantoonbaar geborgd te zijn. Daarvoor is een door het waterschap goedgekeurd noodplan noodzakelijk. Daarnaast geven de Arbo-richtlijnen aanvullende kaders mee voor het veilig uitvoeren van werkzaamheden. Beheersbaarheid en calamiteitenzorg Ons uitgangspunt is dat het totale areaal aan waterkeringen te allen tijde beheersbaar is in calamiteitensituaties. We staan hierbij steeds gesteld voor een hoogwater met een snelheid en omvang vergelijkbaar met de watercrisis in 2021 en een duur van 2 weken. Een bijzonder aandachtspunt hierbij is het grote aantal niet permanent gesloten keringen (in het bijzonder de schotbalkkeringen), dat bij verdere groei de organisatie te zeer onder druk zal zetten. Door klimaatverandering zal de frequentie waarmee we dit moeten op- en afbouwen ook nog verder toenemen. Een toename van de beheerlast ten tijde van calamiteiten achten wij niet verantwoord. Dit betekent dat we ons géén netto toename van het aantal menselijke handelingen kunnen permitteren. We gaan daarom een saneringsprogramma uitvoeren om enige ruimte te creëren. En we gaan kritischer zijn op waar we niet permanent gesloten waterkeringen toelaten en welk sluitmiddel we daar toepassen. Hierbij gaat het maatschappelijk belang vóór het individueel belang. We blijven ons inzetten voor financiering van slimme en innovatieve oplossingen en alternatieven voor schotbalken in dijkversterkingsprojecten door het landelijke HWBP. Gezien onze grote dijkversterkingsopgave zullen we er op sommige plekken misschien niet aan ontkomen toch niet permanent gesloten keringen toe te passen. In de kernen van de grotere steden bijvoorbeeld is de beschikbare ruimte soms zeer beperkt en kan er sprake zijn van een complex ruimtelijk inpassingsknelpunt. Bij zulke knelpunten kunnen als laatste mogelijkheid nieuwe schotbalken worden toegepast. Een belangrijke voorwaarde is dat toepassing van niet permanent gesloten keringen alléén mogelijk is op basis van saldering met de opbrengst van het saneringsprogramma. Zodat het aantal schotbalkkeringen en daarmee het aantal menselijke handelingen ten tijden van calamiteitensituaties niet toeneemt. Zo houden we ons areaal beheersbaar. Doelmatig en efficiënt onderhoud Via beheer en onderhoud zorgen wij ervoor dat de waterkering blijft voldoen aan de uitgangspunten die de grondslag vormen voor het ontwerp. Dat wil zeggen dat de waterkering (en alle onderdelen ervan) het kwaliteitsniveau behoudt dat bij de aanleg of verbetering is gerealiseerd. Bij het ontwerp van de waterkering houden wij er rekening mee dat het toekomstig onderhoud doelmatig en efficiënt kan plaatsvinden. Bijvoorbeeld door de aanleg van onderhoudspaden die bijdragen aan efficiënt maaionderhoud van de dijken. We houden ook rekening met de kwetsbaarheid van een waterkering voor slijtage, menselijke invloeden als vandalisme, aanrijgevaar en diefstal. Voor onderdelen die tussentijds vervangen moeten worden kiezen wij zo mogelijk voor gangbare onderdelen met een standaard maatvoering; geen maatwerk en geen afhankelijkheid van één leverancier. Bereikbare waterkeringen Waterkeringen en de daarin aanwezige kunstwerken moeten goed bereikbaar zijn. Dit is nodig voor het dagelijks beheer en onderhoud, groot onderhoud, inspecties en calamiteitenzorg. Dit vraagt zeker bij niet permanent gesloten keringen extra aandacht. Deze constructies worden vaak toegepast in stedelijk (bewoond) gebied waar de ruimte beperkt is. Maar juist hier is de bereikbaarheid extra belangrijk voor de sluitoperatie bij hoogwater of voor alternatief sluiten (bijvoorbeeld met bigbags) in geval van een gefaalde sluiting. Sommige constructies, zoals een zelfsluitende kering, hebben een heel brede (ondergrondse) onderbouw, waardoor het totale ruimtebeslag dat bereikbaar moet zijn voor bijvoorbeeld onderhoud of vervanging van onderdelen aanmerkelijk groter is dan het bovengronds zichtbare deel van de waterkering. Een ander aandachtspunt vormen waterkeringen op particulier terrein. Alhoewel wij de privacy van inwoners van belang vinden (en daarom bijvoorbeeld reguliere inspecties ruim van tevoren aankondigen), moet het waterschap te allen tijde toegang tot het terrein hebben bij calamiteiten. Hierbij is het uitgangspunt een doorgaande bereikbaarheid langs de gehele kering: geen toegang ‘via de voordeur’. Overigens kan het zijn dat Arbo-richtlijnen van invloed zijn op de bereikbaarheid. Ook de waterstand waarbij de kering nog bruikbaar is als waterkering (bruikbaarheidsgrenstoestand, BGT) kan een aanvullend kader zijn voor de veilige bereikbaarheid van onze waterkeringen of constructies daarin. Bij coupures speelt niet alleen de bereikbaarheid van de coupure maar ook de bereikbaarheid door de coupure een rol. Samen met gemeenten en veiligheidsregio's kijken we naar evacuatieroutes, bereikbaarheid voor hulpdiensten en de mogelijkheden voor effectief optreden in het kader van crisisbeheersing. Uniformiteit en kennis Bij de keuze van een specifiek systeem kijken we naar de complexiteit, uniformiteit, bedieningsgemak en handelingsperspectief. Het waterschap past zo min mogelijk complexe oplossingen toe en beperkt het aantal verschillende systemen en leveranciers waarmee we werken. Daardoor vergroten we niet alleen onze bekendheid met de gebruikte systemen; het is ook gemakkelijker om materialen (o.a. reserveonderdelen en passend gereedschap) op voorraad te hebben en op te slaan in onze loodsen. En dat vergemakkelijkt weer het beheer, onderhoud, reparatie, vervanging, afwaardering en eventueel hergebruik. Tijdens een crisis geldt dezelfde redenering: handelingen die dan moeten gebeuren, dienen zo snel, eenvoudig en eenduidig mogelijk te zijn. Dit verkleint de kans op fouten en falen. Daarom kiezen we voor oplossingen met groot bedieningsgemak en gegarandeerd handelingsperspectief bij calamiteiten. Het waterschap is de waterexpert in Limburg. Het op peil houden van onze capaciteit, kennis en vaardigheden zorgt ervoor dat we deze rol goed kunnen blijven invullen. Dit vergt doorlopend aandacht voor kennismanagement (o.a. kennisontwikkeling, -borging en -overdracht). Als de diversiteit en complexiteit van ons areaal toeneemt, dan moet de interne kennis en capaciteit evenredig meegroeien. Afhankelijkheid van derden Wij zorgen in principe zelf voor onze keringen en laten dit niet over aan derden. Alleen voor het dagdagelijks onderhoud maken wij in sommige gevallen een uitzondering. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het maaionderhoud van een groene kering dat door een aangrenzend wegbeheerder gedaan wordt. In de calamiteitenzorg geldt ook een uitzondering. Bij een hoogwater maken wij gebruik van aannemers voor transport en op- en afbouw van de niet permanent gesloten waterkeringen. Die zetten op hun beurt weer diverse onderaannemers in. Tijdens hoogwater van de Maas moeten op veel locaties tegelijkertijd veel handelingen uitgevoerd worden binnen een kort tijdsbestek. Dit is een complexe situatie, waarbij ondanks de inzet van aannemers het waterschap eindverantwoordelijk is. Voor een goede calamiteitenbestrijding en de kwaliteitsborging daarbij moet het waterschap daarom voldoende capaciteit, kennis en vaardigheden in huis hebben. Bijvoorbeeld om eindcontroles uit te voeren, om dijkspecialisten beschikbaar te hebben voor beoordelen van en handelen bij onvoorziene situaties en voor het opleiden van de aannemer. In een zeer beperkt aantal dijktrajecten sluit onze kering aan op een kering in het buitenland, zoals bij het dijktraject Thorn-Wessem. Hierbij is het een aandachtspunt dat het normenstelsel en de ontwerp- en beoordelingskaders van België en Duitsland niet één op één aansluiten op die van Nederland. Buitenlandse keringen die aansluiten op Nederlandse dijktrajecten worden beoordeeld door het Rijk, in samenwerking met de buitenlandse overheden. Dit vraagt extra afstemming en brengt voor de gezamenlijk overheden een extra beheerlast met zich mee. In een dijkversterkingsproject wegen we daarom mee dat een alternatief waarbij we niet afhankelijk zijn van een buitenlandse kering een pluspunt is. 4.3De dijk als groen lint in het landschap Naast de primaire functie van de dijk als waterkering vormen onze groene dijken ook een ecologische verbindingszone in het landschap en (een verbinding van) leefgebieden voor gewenste soorten (flora én fauna). En dragen dijken zo bij aan de groen-blauwe dooradering van een gebied. We combineren de veiligheid met de ecologische structuur en biodiversiteit. Dijken kunnen zo een essentiële functie in een rivierlandschap vervullen en bijdragen aan de zogenaamde ‘Basis Kwaliteit Natuur’. Voor de niet in dit beleidsplan benoemde flora en fauna verwijzen we naar het soortenbeleid van Waterschap Limburg. Waterveiligheid blijft steeds de bovenliggende waarde. Biodiversiteit in dijkversterkingsprojecten Bij de te versterken waterkeringen kan de ecologische structuur en biodiversiteit worden bevorderd door een goede uitgangssituatie (voor de ontwikkeling van biodiversiteit) te creëren. Als waterschap verkennen we de mogelijkheden voor het bevorderen van biodiversiteit in dijkversterkingsprojecten. We volgen bijvoorbeeld het HWBP-innovatieproject Future Dikes, waar nieuwe zaadmengsels worden getest. Waar mogelijk realiseren we groene dijken. In sommige gevallen, afhankelijk van de beschikbare ruimte en grond en het omringende landschap, kan zelfs een steilranddijk of een begroeide hogegronddijk een mogelijkheid zijn actief bij te dragen aan het vergroten van leefgebied en als verbindingszone. Voor het bevorderen van biodiversiteit op waterkeringen zijn naast het dijktype ook de samenstelling van de toplaag, het gebruikte zaadmengsel en de inrichting van belang. Op deze factoren heeft het waterschap bij het ontwerp invloed. We zetten deze middelen actief in om de biodiversiteit op keringen te bevorderen. Bij de inrichting van het voor- en achterland van de waterkeringen benutten we meekoppelkansen voor andere (Rijks)opgaven in ons gebied zoals de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) en het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Hierbij moet er wel sprake zijn van een kostendragende bijdrage vanuit deze programma’s. We dragen het beheer van deze percelen na realisatie in principe over aan een andere overheid of (natuur-)beheerorganisatie. Hierbij werken we conform geldende wet- en regelgeving (o.a. Didam-arrest). Biodiversiteit in beheer en onderhoud Bij onderhoud en beheer van de waterkering zijn voor de ontwikkeling van biodiversiteit voornamelijk van belang: frequentie, tijdstip, type maaibeheer, bodemsamenstelling, nutriëntentoevoer en de oriëntatie van het onderhoudsvlak ten opzichte van de zon. Het waterschap gebruikt deze sturingsfactoren bij onderhoud om de biodiversiteit op keringen te bevorderen. Verder heeft Waterschap Limburg een pilotlocatie ingericht voor de productie van zaden van kruidenrijke vegetatie. Bij positieve bevindingen kan dit op termijn grootschaliger worden toegepast. Bomen of andere houtige beplanting is onwenselijk op of dichtbij de kering. Dit belemmert namelijk de bereikbaarheid van de waterkering, waardoor beheer, onderhoud, inspecties en de calamiteitenzorg niet meer efficiënt kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vormen bomen en andere houtige beplanting een risico voor de stabiliteit van de kering. Denk bijvoorbeeld aan de ontgrondingskuil die ontstaat als een boom omwaait of aan afgebroken takken die een kering kunnen beschadigen. Ook kan de schaduw van beplanting de groei van de grasmat beperken. Nieuwe beplanting staan we daarom niet toe op een waterkering, tenzij dit in uitzonderlijke gevallen expliciet is meegenomen in het dijkontwerp. Biodiversiteit en begrazing De ervaring leert dat schapenbegrazing niet kosteneffectief kan worden uitgevoerd met eenzelfde kwalitatief resultaat als een regime van maaien en afvoeren. Maaien en afvoeren is een beproefde methode om de kwaliteit van de grasmat te verbeteren en leidt aantoonbaar ook tot een grotere biodiversiteit omdat het aandeel kruiden toe gaat nemen, meer dan bij schapenbegrazing. In theorie zouden we door schapen te laten grazen hetzelfde eindbeeld kunnen bereiken. Maar dit vraagt om een precieze aanpak die in de praktijk lastig uitvoerbaar en niet efficiënt is gebleken. Dit zorgt ofwel voor een slechte kwaliteit grasmat die onvoldoende erosiebestendig is, ofwel voor hoge kosten door bijvoorbeeld bijmaaien. Daarom bouwt het waterschap het aantal dijklocaties met schapenbegrazing af. Begrazing van de waterkering door grootvee is niet toegestaan vanwege het risico op aantasting van de grasmat en daarmee stabiliteit van de dijk. Zowel voor grootvee als schapenbegrazing zijn er wel mogelijkheden in uitzonderlijke gevallen, mits er in het ontwerp van de waterkering expliciet rekening mee gehouden is. Bevers en dassen Bevers en dassen horen thuis in het Limburgse natuurlandschap en hebben een positief effect op de biodiversiteit en het landschap. Tegelijkertijd neemt de overlast, zoals het aantal dierlijke graverijen in infrastructuur, de laatste jaren steeds meer toe. Een bevergang in of onder de dijk heeft invloed op de sterkte en de hydraulische weerstand van de waterkering en kan de hoogwaterveiligheid in gevaar brengen. Waterschap Limburg neemt (na een risicoanalyse) haalbare en betaalbare preventieve maatregelen tegen graafschade mee bij te versterken waterkeringen. We doen dit om te voorkomen dat de waterkering wordt ondermijnd door graafschade waarbij de hoogwaterveiligheid in gevaar komt. Daarnaast voorkomen we zo dat we achteraf moeten herstellen of bestrijden. We hanteren hierbij de (te ontwikkelen) landelijke kaders voor risicobeoordeling en ontwerp van beheersmaatregelen tegen graafschade. Als er sprake is van dreigende schade en minder ingrijpende maatregelen niet tot het gewenste effect leiden, zal de bever onder voorwaarden van het Provinciale Faunabeheerplan worden bestreden. 4.4De kering in zijn omgeving Omgevingsgericht werken aan veilige dijken Werken aan veilige keringen doen we samen met onze omgeving. We maaien, inspecteren en voeren klein onderhoud uit. Hierbij houden we rekening met de belangen van de omgeving en beperken overlast tot een minimum. Als een kering niet meer voldoet aan de gestelde omgevingswaarde, wordt het proces voor een dijkversterking opgestart. Een dijkversterking is meestal een complex project dat flinke impact kan hebben op de omgeving. Deze impact is niet alleen het gevolg van directe werkzaamheden, de benodigde ruimte of het veranderende uitzicht (nieuwe ruimtelijke inpassing). Ook de voorbereiding, vaak een meerjarig proces met de bijbehorende onzekerheid, heeft zijn weerslag op de omgeving. Daarom stemmen we onze plannen, volgens ons participatiebeleid, vroegtijdig en goed af met de omgeving. Het vroegtijdig betrekken van de omgeving zorgt niet alleen voor meer draagvlak voor projecten maar ook voor betere besluiten. We leggen onze plannen uit, brengen alle gevolgen in beeld en gaan het gesprek aan met inwoners en bedrijven. We zijn duidelijk over wat de omgeving van ons kan verwachten en tot hoever onze taak en verantwoordelijkheid reikt. Waar mogelijk passen we de plannen aan op wensen uit de omgeving. Zoals in al onze regelgeving kiezen we er ook bij de waterkeringen uitdrukkelijk voor om onnodige regeldruk te voorkomen. Wij leggen alleen beperkingen op aan derden waar dit daadwerkelijk nodig is voor de bescherming tegen hoogwater, nu en in de toekomst. Het uitgangspunt is dus steeds ‘ja, mits’. Beperkingen opleggen betekent niet dat bouwplannen en andere activiteiten nooit mogen worden uitgevoerd bij een dijk. Het betekent dat we bij het behandelen van de vergunningaanvraag of melding bekijken op welke manier invulling kan worden gegeven aan het initiatief zonder dat er een risico voor de waterveiligheid ontstaat. Het waterschap streeft ernaar om risico’s voor het functioneren van de keringen zo veel mogelijk te minimaliseren. Elke kering is maatwerk Elk dorp en elke stad is anders. Dat vraagt in dijkversterkingsprojecten om maatwerk waarin steeds de locatie-specifieke kenmerken en belangen worden meegewogen. Denk hierbij aan factoren als: de fysieke situatie cultureel erfgoed, zoals een monument of een beschermd dorpsgezicht landschappelijke of natuurwaarden recreatief gebruik van de kering, bijvoorbeeld om te wandelen of fietsen. In een project worden al deze belangen eerst geïnventariseerd, zodat we daarna tot een goede maatwerkoplossing kunnen komen die hopelijk op draagvlak in de omgeving kan rekenen. Maar de mogelijkheden zijn niet onbegrensd. De kaders en randvoorwaarden in dit beleidsplan zijn de basis waarmee met maatwerk per locatie tot een passende oplossing kan worden gekomen. Waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast bij een hoogwater Maas, staan altijd centraal. Bij het afwegen van andere belangen stellen we het maatschappelijk belang vóór een individueel belang, en kijken we steeds naar de effecten op korte én lange termijn. En naar de lokale effecten én de effecten op ons totale areaal. Bij het maken van afwegingen hanteren we steeds een uniform afwegingskader. Dit waarborgt een transparante besluitvorming waarin alle belangen steeds op eenzelfde manier worden beoordeeld. Andere locatie, andere uitkomst, maar wel hetzelfde eenduidig proces. Of het nu gaat om de keuze voor een tracé of voor het detailontwerp op een specifieke locatie, we nemen steeds de volgende aspecten in ogenschouw (zie figuur 8): Waterveiligheid Ruimte voor de Maas Dijkbeheer & calamiteiten Kosten en betaalbaarheid Ruimtelijke kwaliteit Omgeving Duurzaamheid De toepassing van dit afwegingskader wordt toegelicht in hoofdstuk 9. Figuur 8: De zeven invalshoeken die bij het maken van keuzes in dijkversterkingsprojecten worden meegenomen. Ruimtelijke kwaliteit, inpassing en meekoppelkansen Een dijkversterking heeft vaak een impact op de directe leefomgeving van inwoners. Wij voeren onze dijkversterkingen uit conform het subsidiekader van het HWBP, wat betekent dat we sober en doelmatig versterken. We passen de keringen in de leefomgeving aan, met de maatregelen of voorzieningen die nodig zijn om de nadelige gevolgen van een plan te voorkomen, te beperken of te compenseren. We streven ernaar om, als het niet mogelijk is dezelfde situatie terug te brengen, in ieder geval minimaal eenzelfde ruimtelijk kwaliteitsniveau terug te brengen. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een goede balans tussen de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het nieuwe landschap. Daarbij staan de kenmerken en identiteit van een gebied centraal, en wordt afwentelen (naar andere gebieden of naar de toekomst) voorkomen. De provincie en gemeente zijn de bevoegde gezagen als het gaat om ruimtelijke kwaliteit; samen met deze partners zoeken wij naar de juiste balans tussen ruimtelijke kwaliteit en waterveiligheid. Bij een dijkversterking ontstaan regelmatig ook kansen om een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van een gebied. Een voorwaarde voor het meekoppelen van initiatieven van derden is dat de gemeente en/of de provincie het plan ondersteunt, waar nodig, bereid is het planologisch in te passen en dat de cofinanciering van de meerkosten is geregeld. Het vroegtijdig in beeld brengen van meekoppelkansen is onderdeel van de trajectaanpak. Integrale gebiedsontwikkeling Klimaatadaptatie, de energietransitie, de woningbouwopgave, behoud en versterking van ecosystemen en biodiversiteit, de overgang naar een circulaire economie en de transformatie van de landbouwsector vragen in onze provincie allemaal om ruimte. En ook binnen het waterbeheer staan waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid niet los van elkaar. Slim samen projecten uitvoeren houdt de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk. Ook door geldstromen te bundelen kunnen we met hetzelfde geld meer doelen realiseren. Samen is het gemakkelijker om financiering te krijgen uit landelijke programma’s of via subsidies. Waar kansen liggen door projecten samen met andere overheden op te pakken in een integrale gebiedsontwikkeling, doen wij daar graag aan mee en we brengen ons deel in. Het waterschap bekijkt deze mogelijkheden vanuit het oogpunt van het gemeenschappelijk belang. Soms zit het voordeel in een ruimtelijke meerwaarde, soms in financiële voordelen door opgaven gezamenlijk uit te voeren. Bij een combinatie met rivierverruiming is het voordeel vaak een kleinere hoogteopgave voor onze dijkversterking. Randvoorwaarde voor onze deelname aan gebiedsontwikkelingen is dat het toegevoegde waarde heeft voor het waterschap en past binnen onze eigen opgaves en programmering. Functiecombinatie In de basis hanteren wij het uitgangspunt dat waterveiligheid het primaire doel en de primaire planologische bestemming van een kering is. Daar waar ruimte schaars is, kan het combineren van functies tot integrale oplossingen leiden. Bijvoorbeeld het integreren van een waterkering in bebouwing. Toch zijn wij hiermee terughoudend, omdat deze oplossingen in veel gevallen het beheer en/of een toekomstige dijkversterking of -verhoging bemoeilijken. Alleen als er sprake is van een ruimtelijk knelpunt en een evidente maatschappelijke meerwaarde, wordt bouwen op/met de kering overwogen. Dan betrekken wij nadrukkelijk de bereikbaarheid van de constructieve kering voor beheer en onderhoud en de toekomstbestendigheid (in het bijzonder de uitbreidbaarheid) in de afweging. We hanteren wel het principe ‘ruimtelijk geïntegreerd, functioneel gescheiden’; voor het oog en in de ruimtelijke functionaliteit is de oplossing geïntegreerd maar vanuit technisch oogpunt blijft er sprake van gescheiden constructies. De ervaring leert dat door nieuwe technische inzichten, wijziging van (wettelijke) ontwerp- en beoordelingskaders en hogere waterstanden door klimaatverandering, toekomstbestendig vaak toch niet robuust genoeg blijkt. Bij een waterkering die geïntegreerd is in een gebouw of andere constructie is de uitbreidbaarheid of aanpasbaarheid moeilijk – zo niet onmogelijk – terwijl voor het gebouw een lange levensduur was voorzien. De waterkering kan dan niet goed versterkt worden, of alleen tegen extreem hoge kosten, of zelfs niet zonder (gedeeltelijke) sloop van de bebouwing. Een positieve uitzondering vormen concepten als de deltadijk, waarbij de dijk zó hoog en breed wordt ontworpen dat deze een zeer robuust onderdeel van het landschap wordt en de toekomstbestendigheid is gegarandeerd. Zo’n deltadijk vraagt wel een zeer groot ruimtebeslag. Minder ingrijpende vormen van functiecombinatie, zoals recreatief medegebruik, kunnen wij in veel gevallen wel toestaan. 4.5Duurzaam en innovatief Duurzaamheid Waterschap Limburg heeft zichzelf o.b.v. landelijke en Europese wetgeving en beleid een aantal duurzaamheidsdoelen gesteld voor 2030 en 2050. Voor dit beleidsplan zijn met name de doelen op het gebied van broeikasgasemissies, circulariteit en biodiversiteit relevant. De doelen zijn vastgelegd in de Nota ‘Samen Duurzaam’ o.b.v. onder andere de Klimaatwet
(2019), het Klimaatakkoord
(2019), het Energieakkoord
(2013), de Regionale Energie Strategieën, het Grondstoffenakkoord
(2017)en de Europese Green Deal
(2020). Dit beleidsplan waterkeringen ondersteunt bij het behalen van deze doelen. Om deze doelen te halen moeten we inspanningen leveren in het beheer van onze keringen en in dijkversterkingsprojecten. Instrumenten die het waterschap inzet zijn o.a. de 10R-methodiek (reduce, reuse, etc.), materialenpaspoorten en -databases en aanschaf en verkoop van Carbon Credits (CC) of handelseenheden CO
- Reductie van emissies Zowel in het beheer en onderhoud van dijken als bij dijkversterking is het uitgangspunt een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, stikstof en fijnstof. Hieraan geven we invulling door bijvoorbeeld het gebruik van elektrisch bouwmaterieel en verkleinen van de uitstoot bij productie en distributie van bouwmaterialen. Hoe minder (nieuwe) grondstoffen worden gebruikt, des te lager is de CO2-footprint. Dat geldt ook voor het zo lokaal mogelijk houden van grondstromen. Voor 2030 is de wettelijke doelstelling 50% CO2-emissiereductie (t.o.v. 1990) en is 70% van de energie duurzaam opgewekt. Voor 2050 is de CO2-emissiereductie 95% (t.o.v. 1990) en is alle energie duurzaam opgewekt. Circulariteit van materialen Bij ontwerp en aanleg van keringen staan wij stil bij de circulariteit van de toe te passen materialen. Bij de keuze voor een bepaald materiaal weegt mee dat het gemakkelijk te repareren, hergebruiken en (indien nodig) vervangen is. Vanaf 2030 is 50% van het primair grondstofverbruik circulair en vanaf 2050 zelfs 100%. Waar mogelijk zetten we onderdelen (reststromen) van derden in bij onze opgaven. We houden zicht op de materialen die we gebruiken door in te zetten op het gebruik van materialenpaspoorten en het opzetten van een materialendatabase. Daarnaast houden we rekening met effecten van toegepaste materialen op de water- of bodemkwaliteit. Nieuwe en innovatieve technieken Innovatie is het concretiseren en toepassen van een idee in nieuwe producten, processen of technologieën. Vaak gaat het om technieken die wel al op pilotschaal zijn ontwikkeld maar nog niet zijn toegepast op grote schaal. Innovaties maken het in sommige gevallen mogelijk om in complexe situaties of bij ruimtelijke knelpunten toch waterveiligheid te bieden waar het met traditionele technieken onvoldoende mogelijk is de ruimtelijke kwaliteit te borgen. Ook kunnen innovaties een bijdrage leveren aan de duurzaamheidsambities van het waterschap. Daarnaast biedt innovatie de mogelijkheid om projecten sneller, doelmatiger en goedkoper te realiseren en assets goedkoper te onderhouden dan mogelijk is met bestaande technieken. We passen alleen innovaties toe als deze een substantiële en aantoonbare meerwaarde hebben ten opzichte van bestaande technieken en/of vergelijkbare innovaties. Ook om duurzaamheidsdoelen te behalen is het toepassen van innovatieve technieken van groot belang. Andersom is ons uitgangspunt ook: elke innovatie moet duurzaam zijn. Wij zoeken in samenwerking met onderwijs, kennisinstellingen en bedrijfsleven naar nieuwe en betere technieken en werkwijzen. Een belangrijke partner is het (landelijke) HWBP. Innovatie en bedrijfszekerheid Innovaties brengen naast kansen ook risico’s en onzekerheden met zich mee, omdat er met nieuwe technieken of kennis gewerkt wordt. Bij falen van de innovatie is de (water)veiligheid mogelijk in het geding en is de mogelijke economische schade groot. Ook zijn er vaak geen herstelmogelijkheden (technisch of in tijd) als een innovatie faalt in tijden van crisis. Innovaties kunnen enerzijds projecten versnellen of goedkoper maken. Anderzijds is er ook een risico dat er juist vertraging optreedt als de doorontwikkeling van de techniek meer tijd kost dan verwacht, of de techniek blijkt minder efficiënt of zelfs duurder dan verwacht. Bij de afweging om een innovatie toe te passen kijken we niet alleen naar de bouwkosten en realisatietijd, maar ook naar de kosten gedurende de gehele levensduur (LCC, zie paragraaf 4.6), kwaliteit en het onderhouden van de nieuwe techniek op de langere termijn (de bedrijfszekerheid). Risico’s en onzekerheden mogen nooit consequenties hebben voor het veiligheidsniveau (omgevingswaarde) van de waterkeringen. Met het oog op de potentiële risico’s passen we bij waterkeringen enkel technieken of innovaties toe die minimaal als prototype(n) bewezen zijn in een operationele omgeving. Bij een innovatie hoort ook altijd een Ontwerp, Beoordelings- en Onderhouds- Richtlijn (OBOR). Innovatie en uniformiteit Zoals in paragraaf 4.2 vermeld, streven we naar zoveel mogelijk uniformiteit in functionaliteit. Dit helpt het waterschap om zijn taken rondom waterveiligheid efficiënter uit te voeren. De techniek staat echter niet stil en blijft zich ontwikkelen (innoveren). Hierdoor veranderen werkwijzen en ontstaan ook kansen voor het toepassen van betere technieken in ons areaal. We vinden het daarom belangrijk om expliciete keuzes te maken wat wel en wat niet. Soms worden er meerdere varianten van een functionele oplossing ontwikkeld. Een voorbeeld is de zelfsluitende waterkering; hiervan zijn inmiddels verschillende varianten beschikbaar die elk pas één of enkele keren zijn toegepast als waterkering. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor punt- en schuifdeuren of spindels. Als de keuze zich voordoet tussen meerdere varianten met dezelfde functionaliteit passen we vanuit het streven naar uniformiteit bij voorkeur een variant toe die ons waterschap al in beheer heeft. Innovatie en kennis Het waterschap moet vanuit zijn verantwoordelijkheid en wettelijke taak altijd minimaal de kennis in huis hebben om een innovatie naar behoren te laten functioneren, te kunnen onderhouden, beoordelen en inspecteren. Dit zorgt ervoor dat Waterschap Limburg nooit (volledig) afhankelijk is van derden bij ingebruikname en beheer van innovaties. Dit betekent ook dat we minimaal de kennis moeten hebben om een (nieuwe) aannemer uit te kunnen leggen hoe de innovatie werkt, wat veelvoorkomende problemen kunnen zijn (bijvoorbeeld bij onderhoud of vervanging) en hoe het waterschap daarmee omgaat. Dit stelt het waterschap in staat om een goede opdrachtgever te zijn. 4.6Betaalbare waterkeringen Doelmatige besteding overheidsgelden op basis van life cyclecosting Waterschap Limburg voert zowel het beheer van de waterkeringen als dijkversterkingen doelmatig uit, waarbij we ons ervan bewust zijn dat wij werken met belastinggeld en dit inzetten voor onze kerntaken. Het waterschap past assetmanagement toe: het afwegen van kosten (beschikbaar budget, aanlegkosten en beheer en onderhoudskosten), risico's (voor het waterschap en omgeving) en prestaties en waarde van de te verbeteren waterkeringen en bijbehorende kunstwerken. Wij zoeken steeds naar oplossingen met de laagste kosten, gerekend over de gehele levensduur van de waterkering: ‘Life cycle costing’ (LCC) en ‘Total cost of ownership’ (TCO). Dit betreft zowel de investering bij aanleg als de instandhoudingskosten gedurende de hele levensduur: onderhoud, vervanging, specifiek beheer, etc. Bij niet permanent gesloten keringen worden ook de kosten van de eventuele centrale opslagfaciliteit, de opbouw en afbouw bij hoogwater en de zesjaarlijkse test meegerekend. De beheerkosten dienen inzichtelijk gemaakt te worden en ook de noodzakelijke financiële reservering daarvoor. Waterschap Limburg gaat standaard uit van een ontwerplevensduur van 50 jaar voor een groene dijk en 100 jaar voor een harde waterkering. Betaalbare projecten: subsidiekaders, cofinanciering en voorfinanciering Voor de financiering van de versterking van primaire keringen zijn wij afhankelijk van de subsidiekaders van het landelijke HWBP. Binnen projecten kan worden gekozen om middels cofinanciering door andere overheden, instanties of derden te komen tot een oplossing die binnen genoemd subsidiekader niet (geheel) mogelijk is (zie ook paragraaf 4.4). Indien een derde partij eigen doelen wil realiseren door mee te koppelen met het project, dan komen de meerkosten voor rekening van de derde partij. Of het nu gaat om een gebiedsontwikkeling waarbij gezamenlijk een bredere opgave wordt ingevuld, of om een meekoppelkans in een project. Als andere overheden, instanties of de gemeenschap aanvullende eisen stellen aan een oplossing waardoor de beheerkosten voor het waterschap toenemen, verwachten wij cofinanciering van desbetreffende organisatie. Is er sprake van urgentie en noodzaak, dan is voorfinanciering van een project in beginsel mogelijk. Dit is steeds een maatwerkafweging op basis van de prioriteit, de continuïteit van ons programma HWBP, de kansen in de omgeving en de beschikbare middelen. Wij verwachten dat de betrokken partners ook een (financiële) bijdrage leveren in de voorfinanciering en de indexering. Bijvoorbeeld wanneer een dijkversterking onderdeel is van een integrale gebiedsontwikkeling of stedelijke herstructurering (al voordat het dijktraject is opgenomen in de landelijke programmering) en waarbij ook de andere projectpartners er direct belang bij hebben dat de dijkversterking wordt meegenomen. Vermeden kosten dijkversterking Rivierverruiming heeft een gunstig effect op de (hoog)waterstanden. Hierdoor kan in sommige gevallen op dijkversterking worden bespaard. Deze besparingen kunnen conform de kaders van het landelijke HWBP ter beschikking van het rivierverruimingsproject worden gesteld. 5Uitvoering en doorwerking Dit hoofdstuk beschrijft hoe het waterschap het in dit beleidsplan opgenomen beleid gaat uitvoeren. Het gaat dan om het doorwerken van de beleidsuitgangspunten in de diverse werkprocessen en onderliggende documenten. Maar ook om het uitvoeren van onderzoeken en concrete maatregelen. Ten slotte kan het voorkomen dat incidenteel moet worden afgeweken van het beleid; dit hoofdstuk beschrijft hiervoor de procedure. 5.1Van beleid naar ontwerpfilosofie en ontwerpuitgangspunten Onze beleidsuitgangspunten hebben we beschreven in hoofdstuk 4 ‘Ambitie en strategie’. Voor een aantal meer specifieke situaties en technische keuzes is een concretisering of uitwerking hiervan nodig. Bijvoorbeeld om de vertaalslag te maken naar de ontwerpfilosofie en de technische ontwerpuitgangspunten. Deze detailuitwerking is opgenomen in deel B van dit beleidsplan en vormt integraal onderdeel van het beleid. 5.2Doorwerking Na vaststelling vormt dit beleidsplan het kader voor uitvoering en toepassing in al onze activiteiten en werkprocessen op en aan de waterkeringen. In het bijzonder gaat het om: Beheer en onderhoud (o.a. via onderhoudsplannen) Vergunningverlening, toezicht en handhaving (via de Waterschapsverordening en beleidsregels vergunningverlening) Dijkversterkingsprojecten (via de trajectaanpak, projectopdracht, klanteisen) Weging van het waterbelang in ruimtelijke plannen Assetmanagement Grondverwerving Kennismanagement (o.a. -borging en -ontwikkeling) Omgevingsmanagement (o.a. samenwerking in programma’s en projecten, relatiebeheer en participatie) Waar nodig worden de waterschapsverordening, beleidsregels en klanteisen na (of tegelijk met) het vaststellen van dit beleidsplan aangepast. De uitvoering van (dijkversterkings-)projecten is afhankelijk van de mogelijkheden in ruimte, ontwerp en financiële haalbaarheid per project. De daarbij horende voorstellen worden conform mandaatregeling aan het Dagelijks dan wel Algemeen Bestuur van het waterschap voorgelegd ter besluitvorming. 5.3Uitvoeringsprogramma Naast de hierboven beschreven generieke doorwerking, is een aantal maatregelen noodzakelijk om dit beleid tot uitvoering te brengen. Saneringsprogramma niet permanent gesloten keringen Voor het borgen van de beheersbaarheid van ons areaal vormen de vele niet permanent gesloten waterkeringen (met name de schotbalkkeringen en -coupures) een knelpunt. Waterschap Limburg wil investeren in een saneringsprogramma voor trajecten die niet op korte termijn worden versterkt. Het doel is tweeledig: het verminderen van het benodigd menselijk handelen bij calamiteiten en het creëren van ruimte voor ontwerpuitdagingen in complexe dijkversterkingsprojecten. Eerst brengen we de kansrijke locaties voor sanering in beeld. Daarbij kijken we naar kosten, effectiviteit en de verwachte haalbaarheid op basis van omgevingsfactoren. Deze inventarisatie doen we binnen een jaar na inwerkingtreding van dit beleidsplan en gebeurt op basis van life-cycle costing. We kijken daarbij naar relevante effectieve oplossingen; onder andere het vervangen door een vaste (permanent gesloten) constructie, het vervangen door een permanent aanwezig keermiddel (bijvoorbeeld schuifdeur, puntdeur, zelfsluitend systeem) en/of het verhogen van de drempel. We maken daarbij onderscheid in opties voor de korte termijn en voor de middellange termijn, bijvoorbeeld waar meekoppelkansen zijn met ruimtelijke ontwikkelingen zoals een wegreconstructie. Ook brengen we in beeld waar sanering zonder meer noodzakelijk is vanuit het perspectief van de faalkansbegroting. We betrekken de markt bij het verkennen van de mogelijkheden. Na deze inventarisatiefase kan het Algemeen Bestuur van Waterschap Limburg een besluit nemen over de omvang en fasering van het saneringsprogramma. Voor een voorgenomen sanering wordt altijd een kosten-batenafweging gemaakt of de te maken kosten opwegen tegen de operationele winst die gegenereerd kan worden. Ook wordt afgestemd met belanghebbenden. Onderzoek beheer door derden Niet permanent gesloten keringen hebben een negatieve invloed op de beheersbaarheid van ons areaal. Dit type kering heeft daarom niet de voorkeur voor het waterschap. Derden hebben, vanuit het perspectief van ruimtelijke inpassing, soms wel de voorkeur voor niet permanent gesloten keringen. Daarom brengen we de (on)mogelijkheden in kaart om het beheer, onderhoud en sluiten van niet permanent gesloten keringen (o.a. opslag, opbouw, eindcontrole) bij derden te beleggen. Welke voor- en nadelen heeft dit? En welke voorwaarden zijn daarbij van toepassing? We bekijken daarbij ten minste: De juridische (on)mogelijkheden in relatie tot de wettelijke taken en verantwoordelijkheden De juridische beperkingen ten aanzien van aansprakelijkheid en verzekerbaarheid De voor- en nadelen voor de crisisorganisatie van Waterschap Limburg De financiële consequenties De consequenties voor de technisch-inhoudelijke beoordeling van de kering De consequenties voor het proces van beoordeling van de kering De eventuele consequenties voor overige zorgplichtprocessen Kennisopbouw- en borging bij de derde partij als randvoorwaarde Dit onderzoek moet leiden tot een principe-uitspraak van het Dagelijks Bestuur van Waterschap Limburg over het al dan niet laten beheren van niet permanent gesloten waterkeringen door derden. Onderzoek inzet profiel van vrije ruimte voor toekomstige ligging waterkering Het profiel van vrije ruimte dient om toekomstige dijkversterking mogelijk te maken en te houden. Het profiel van vrije ruimte kan op dit moment alleen worden aangewezen voor bestaande waterkeringen. We onderzoeken de juridische mogelijkheden van het inzetten van het profiel van vrije ruimte voor toekomstige dijktracés, zowel voor dijkverleggingen als voor aansluitingen op de hoge grond. Er zitten doorgaans enkele jaren tussen de vaststelling van het voorkeursalternatief (VKA) waarmee de toekomstige ligging wordt bepaald en de vaststelling van het projectbesluit. Het projectbesluit leidt tot een besluit om de legger te wijzigen en tot een besluit om de werkingsgebieden van de Waterschapsverordening te wijzigen. In de praktijk blijkt dat het waterschap in de tussenliggende jaren onvoldoende publiekrechtelijke instrumenten heeft om ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor het ontwerp, de realisatie en de instandhouding van de nieuwe kering te sturen. Vergelijkbare problematiek speelt ook voor in de toekomst te bouwen waterkeringen op de (middel)lange termijn en voor toekomstige aansluitingen op hoge grond. Wij onderzoeken de mogelijkheden van het aanpassen van de legger en werkingsgebieden (specifiek het profiel van vrije ruimte) voor toekomstige dijktracés. Wij volgen hierbij de landelijke ontwikkelingen voor het vastleggen van ruimtelijke reserveringen rond waterkeringen. Plan van aanpak kennismanagement in onze organisatie Wij zetten ons in de koude fase (de reguliere werksituatie, zonder hoogwater) in om de benodigde waterveiligheidskennis op peil te houden om ten tijde van een hoogwater Maas het situationeel beeld te kunnen duiden en daarover te kunnen adviseren. Hiervoor stellen wij een plan van aanpak op voor kennisontwikkeling en -borging in de organisatie. 5.4Werkwijze bij afwijken van beleid Dit beleidsplan geeft richting aan de werkzaamheden aan de waterkeringen. Het geeft speelruimte binnen kaders in bijvoorbeeld de afweging tussen de waterveiligheid en andere (omgevings)belangen. Toch kan er een situatie voorkomen waar dit plan niet in voorziet of waarin toepassing van de beleidskaders onwenselijk of onmogelijk is. In dat geval is het de bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur van het waterschap om te besluiten over het al dan niet afwijken van dit beleidsplan. Daarbij worden keuzes of alternatieven vroegtijdig en zo expliciet mogelijk onderbouwd waarbij ten minste de gevolgen voor het waterschap op de korte en lange termijn in beeld worden gebracht (beheer, crisisoperatie, financiën, project). Dit beleidsplan ziet immers toe op de waterveiligheid voor de korte én de lange termijn, voor de beheersbaarheid bij calamiteiten en de realiseerbaarheid van dijkversterkingsprojecten. Daarvan afwijken heeft consequenties. Het is belangrijk dat deze consequenties expliciet in beeld worden gebracht, zodat we het doelbereik van het beleidsplan kunnen monitoren en evalueren. Deel B: Uitwerking ontwerp- en beheerfilosofie 6Ontwerpfilosofie Dit hoofdstuk gaat in op de ontwerpfilosofie van de waterkeringen, oftewel: de overwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze voor een bepaalde type kering en ontwerp. Paragraaf 6.1 beschrijft het ontwerpkader voor het type kering, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen permanent gesloten keringen en niet permanent gesloten keringen. Vervolgens lichten we de criteria toe voor permanent gesloten keringen (6.1.1) en niet permanent gesloten keringen (6.1.2). Mocht er voor een niet permanent gesloten kering gekozen worden, dan zit er ook een voorkeursvolgorde in het type sluitmiddel (6.1.3). Navolgende paragrafen lichten de overige aspecten toe die een rol spelen in de keuze voor een type kering, zoals bereikbaarheid (6.2), medegebruik en functiecombinatie (6.3), grondeigendom (6.4), hoge grond (6.5) en ruimtelijke reserveringen (6.6). 6.1Ontwerpkader type waterkering en sluitmiddel Het grootste deel van ons areaal waterkeringen betreft groene dijken. Een groene dijk is betrouwbaar, goed en relatief makkelijk uit te breiden en te versterken, en daardoor toekomstbestendig. Een groene waterkering is ook een duurzame oplossing omdat deze bestaat uit natuurlijke materialen die herbruikbaar zijn. Voor een aantal kilometers van ons areaal waterkeringen is een groene waterkering moeilijker inpasbaar. Wanneer een groene dijk niet ingepast kan worden zal er een keuze gemaakt moeten worden voor een ander type kering. Elke keuze voor een type waterkering heeft consequenties: voor de kosten, voor het handelingsperspectief tijdens calamiteiten, voor de toekomstbestendigheid, voor de ruimtelijke kwaliteit, enzovoorts. De prioritering in de keuze voor een type waterkering en sluitmiddel wordt weergegeven in een voorkeursvolgorde. Zie figuur
- De groene dijk is daarbij het vertrekpunt, waarbij op basis van locatie-specifieke factoren verder kan worden afgepeld naar andere typen waterkeringen. Een duidelijke scheidslijn is er tussen de permanent en de niet permanent gesloten waterkeringen. Bij toepassing van een niet permanent gesloten waterkering wordt een drempelhoogte gekozen die zo hoog mogelijk is. Daarbij moet wel recht worden gedaan aan de maatschappelijke belangen die ten grondslag liggen aan de keuze voor de niet permanent gesloten waterkering. Figuur 9: Voorkeursvolgorde type waterkering en sluitmiddel. Alle oplossingen kunnen worden gecombineerd met het lokaal ophogen van het maaiveld. In combinatie met een waterkering kan dit verschillende pluspunten opleveren, zoals een goede bereikbaarheid van de waterkering in een hoogwatersituatie, (uit)zicht op de Maas, of een verbeterde bruikbaarheid van een perceel. Bovendien kan met ophogen in sommige gevallen een niet permanent gesloten waterkering worden vermeden of kan de drempelhoogte substantieel worden verhoogd. Bij de keuze voor het type kering spelen ook zaken een rol die moeilijk te meten en/of in geld uit te drukken zijn, zoals bijvoorbeeld de effecten voor het landschap, cultuurhistorie en leefomgeving. Op locaties waar veel belangen samenkomen is de uiteindelijke keuze een afweging aan de hand van verschillende invalshoeken (zoals beschreven in hoofdstuk 9) en de voorkeursvolgorde. Voor elke waterkering geldt dat het uitgevoerde ontwerp tijdens zijn levensduur redelijkerwijs blijft functioneren en doelmatig kan worden beheerd zonder ingrijpende en kostbare tussentijdse aanpassingen. Het beheer en onderhoud dient op een veilige en efficiënte manier mogelijk te zijn. Andere aspecten die spelen ten aanzien van de beheersbaarheid zijn uniformiteit/complexiteit in typen waterkeringen. Daarnaast speelt de kwetsbaarheid van een type waterkering voor vandalisme, aanrijgevaar en diefstal een rol. 6.1.1Permanent gesloten waterkeringen Groene dijk Het beleid van het waterschap is om waar mogelijk waterkeringen van grond toe te passen: een groene dijk (zie figuur 10). Er wordt in principe voor een groene dijk gekozen, omdat deze betrouwbaar is in het bieden van hoogwaterveiligheid. Ook zijn groene dijken betaalbaarder dan een kering met harde elementen vanwege lagere aanlegkosten. Ze zijn robuuster en beter uit te breiden dan een harde waterkering en ze kunnen als dat nodig is eenvoudiger aangepast worden. Ook passen groene dijken vanwege hun natuurlijke uitstraling vaak beter in het landschap. Daarnaast zijn groene dijken duurzamer; vrijwel alle materialen zijn gelijkwaardig herbruikbaar bij een volgende dijkverbetering. Dit principe ‘groene kering, tenzij’ geldt ook voor locaties waar nu geen groene dijk ligt. Een heel robuuste en toekomstbestendige variant op de groene dijk is een grondlichaam dat zó breed is, dat het amper nog herkenbaar is als dijk. Dit type dijk komt voor onder verschillende namen, zoals hoge-gronddijk, verholen waterkering, klimaatdijk, levee-town, deltadijk of steilranddijk. In alle gevallen is er een overmaat aan grond aanwezig, waardoor – afhankelijk van de maatvoering en de toekomstbesten