Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysiek leefomgeving gemeente Meppel) De raad van de gemeente Meppel, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 september 2021 met nummer 1544127; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 8 van de Woningwet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikelen 10.23, 10.24 lid 2, 10.25, 10.26 van de Wet milieubeheer, artikel 5.2 lid 4 van de Telecommunicatiewet; b e s l u i t : vast te stellen de: Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Meppel) Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: Aanbieder: aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een omroepnetwerk. Anciënniteitslijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste marktplaats. Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Bijzondere markt: de door het college ingestelde jaarmarkt of soortgelijke markten. Binnenstad: gebied dat wordt omgrensd door: Kifhoek, Koekoekstraat, Noteboomstraat (oneven), Vledderstraat (even), Marktstraat (oneven tot 11) en (even tot 6), Prinsengracht, Keizersgracht, Zuideindigerpad, Stoombootkade (bebouwde kant oneven), Kleine Oever (oneven) Grote Oever (oneven) en gedeelte Zuideinde vanaf Zuiderbrug tot Weerdstraat. Dit gedeelte omvat de huisnummers 1 t/m 33 (oneven zijde) en huisnummers 2 t/m 40 (even zijde). Bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk een gedeelte van een bouwwerk; gebouw een gedeelte van een gebouw. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. College: college van burgemeester en wethouders. Dagplaats: de marktplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste marktplaats is toegewezen dan wel ingenomen. Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet. Gebruiksoppervlakte: De gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit. Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Havengeldverordening: Havengeldverordening gemeente Meppel Havenverordening: Havenverordening gemeente Meppel Historisch schip: een schip dat voldoet aan de criteria zoals opgenomen in artikel 6.2.4.1. derde lid Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens het college is vastgesteld. Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft. Houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen. Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. Inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Instemmingsbesluit: besluit van het college als bedoeld in artikel 5.2. derde lid, aanhef en onder b. van de Telecommunicatiewet. Kabels: kabels, genoemd in artikel 1.1, onder r, van de Telecommunicatiewet. Kamerverhuur: verblijfsruimten, voor individuele bewoning verhuurd of in gebruik gegeven aan derden. Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Markt: de door het college ingestelde warenmarkt. Marktplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel. Marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college. Monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving. Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm. NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm. Omroepnetwerk: omroepnetwerk als genoemd in artikel 1.1, onder o van de Telecommunicatiewet. Openbaar telecommunicatienetwerk: telecommunicatienetwerk als genoemd in artikel 1.l, onder g, van de Telecommunicatiewet. Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. Openbare gronden: openbare wegen en wateren, als genoemd in artikel 1.1. onder s, van de Telecommunicatiewet. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht. Restafval: dat gedeelte van de afvalstroom dat overblijft nadat alle bruikbare en recyclebare afvalstromen van de hoofdstroom zijn gescheiden, niet zijnde grof huisvuil, gevaarlijk afval en bouw- en sloopafval. Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:8 APV. Standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel. Straatpeil: voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. Vaste ligplaats voor historisch schip: ligplaats voor een historisch schip, bedoeld om meer dan 6 maanden per jaar door hetzelfde schip te worden ingenomen Vaste marktplaats: de marktplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder. Vellen: rooien; kappen; verplanten; niet periodiek knotten of kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. Wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste marktplaats. Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 Werkzaamheden: werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in en op open bare gronden. Artikel1.2Meest recente versie Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven. Hoofdstuk2Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Bebouwde kom Paragraaf2.1.1Terrassen Reserveren Paragraaf2.1.2Marktplaatsen Artikel2.1.2.1Inrichting van de markt; branche-indeling 1.Het college bepaalt ten aanzien van de markt: het aantal marktplaatsen; de afmetingen van de marktplaatsen; de opstelling en indeling van de markt; welke marktplaatsen worden toegewezen als vaste marktplaats en als standwerkersplaats. 2.Het college kan voor de markt vaststellen: een lijst met artikelengroepen of branches; een maximumaantal marktplaatsen per branche. Afdeling 2.2 Water Paragraaf2.2.1Ligplaatsen Reserveren Paragraaf2.2.2historische vaartuigen Artikel2.2.2.1. Toepassingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op de bij deze regeling aangewezen vaste ligplaatsen voor historische vaartuigen. De vaste ligplaatsen zijn ingetekend in de Basiskaart Grootschalige Topografie (BGT) Er zijn zes vaste ligplaatsen voor historische schepen, die met een huisnummer zijn opgenomen in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) te weten: Vaste ligplaats voor historisch schip 1: Heerengracht 18A Vaste ligplaats voor historisch schip 2: Heerengracht 20A Vaste ligplaats voor historisch schip 3: Heerengracht 23A Vaste ligplaats voor historisch schip 4: Oosteinde 3A Vaste ligplaats voor historisch schip 5: Keizersgracht 42 Vaste ligplaats voor historisch schip 6: Stoombootkade 11 Er zijn twee reserve vaste ligplaatsen voor historische schepen, te weten: Reserve vaste ligplaats voor historisch schip 1: Oosteinde ter hoogte van huisnummer 1 Reserve vaste ligplaats voor historisch schip 2: Galmanspad ter hoogte van huisnummer 3A De reserve vaste ligplaatsen kunnen door het college worden omgezet in een vaste ligplaats voor historisch schip zodra het aantal belangstellenden dat aan de toetsingscriteria voldoet groter is dan het aantal beschikbare vaste ligplaatsen voor een historisch schip. Per vaste ligplaats is een maximum scheepslengte van toepassing: Vaste ligplaats 1: 25 meter Vaste ligplaats 2: 25 meter Vaste ligplaats 3: 25 meter Vaste ligplaats 4: 30 meter Vaste ligplaats 5: 23 meter Vaste ligplaats 6: 23 meter Reserve vaste ligplaats 1: 25 meter Reserve vaste ligplaats 2: 23 meter Afdeling 2.3 Cultureel erfgoed Paragraaf2.3.1Gemeentelijk erfgoedregister Artikel2.3.1.1Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin het op grond van deze verordening aangewezen cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien. 2.In het gemeentelijk erfgoedregister staat: Gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten; Gegevens waaruit blijkt om welk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed het gaat. Paragraaf2.3.2De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument Artikel2.3.2.1De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument 1.Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. Dit kan ze doen als de onroerende zaak of het terrein, vanwege zijn schoonheid, een waarde heeft voor de wetenschap of de cultuurhistorie. 2.Het college stelt nadere regels op voor uitvoering van deze bevoegdheid. 3.Dit artikel is niet van toepassing op: Rijksmonumenten; Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel2.3.2.2Aanvraag tot aanwijzing Een aanvraag tot aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument kan worden gedaan door; inwoners van de gemeente Meppel; belangenorganisaties die zich bezig houden met het behoud van cultuurhistorie; eigenaren van de onroerend zaak of het terrein dat is gelegen in de gemeente Meppel. Artikel2.3.2.3Voornemen tot aanwijzing 1.Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak of terrein aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, maakt zij dit schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. 3.De bescherming van artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.2.3 zijn van toepassing op een voornemen tot aanwijzen van een onroerende zaak of terrein tot een beschermd gemeentelijk monument. 4.De bescherming van lid 3 vervalt als de onroerende zaak of het terrein als beschermd gemeentelijke monument is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De bescherming vervalt ook wanneer de onroerende zaak of het terrein wordt opgeheven als zijnde een beschermd gemeentelijk monument of als de bestuursrechter het aanwijzingsbesluit vernietigd. Artikel2.3.2.4Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op het verzoek om een beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen beslist het college binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.In het aanwijzingsbesluit staat in ieder geval: de locatie van het beschermd gemeentelijk monument; de kadastrale gegevens van de onroerende zaak of het terrein dat als gemeentelijk monument is aangewezen; de datum dat de onroerende zaak of het terrein als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen; een beschrijving van het beschermd gemeentelijk monument. Artikel2.3.2.5Voorlopige aanwijzing bij spoed 1.In spoedeisende gevallen kan het college een onroerende zaak of terrein aanwijzen als voorlopig beschermd gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6.2.1.1 wordt aan de gemeentelijke adviescommissie om advies gevraagd voor aan aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.De voorlopige aanwijzing vervalt na 52 weken of op het moment dat het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing. 3.Zodra een belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument, zijn artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.2.3 van deze verordening van toepassing. Artikel2.3.2.6Bekendmaking en registratie 1.De aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.2.1, eerste lid, en in artikel 2.3.2.5, eerste lid, wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Wanneer een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2.3.2.7Wijzigen gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Het college kan de aanwijzing als gemeentelijk monument en de aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument wijzigen. 2.Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het registeren dan zijn artikelen 2.3.2.1 t/m 2.3.2.3, 6.2.1.1 en 2.3.2.4 t/m 2.3.2.7 van overeenkomstige toepassing, tenzij de onroerende zaak of het terrein niet meer bestaat. 3.De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop de onroerende zaak of het terrein wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. 4.De intrekking of het vervallen van de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk monument wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Paragraaf2.3.3De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht Artikel2.3.3.1Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, onroerende zaken aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na de adviesaanvraag, bedoeld in artikel 6.2.2.1. 3.Een aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 4.De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro vast ter bescherming van een aangewezen gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht wordt hier een termijn voor gesteld. 5.Het college bepaalt bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht of de geldende bestemmingsplannen als beschermende plannen kunnen worden aangemerkt, dan wel een beheersverordening als bedoeld in de Wro kan worden vastgesteld. 6.Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vierde of vijfde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge de Wro, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening vaststellen. 7.Als een beschermd stads- en dorpsgezicht is aanwezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening, kunnen deze niet worden aangewezen als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht. Artikel2.3.3.2Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.3.1 eerste lid, wijzigen of intrekken. Hierop zijn artikel 2.3.3.1, tweede lid, en artikel 6.2.2.1, van overeenkomstige toepassing, tenzij het gaat om een aanpassing van ondergeschikte betekenis, of het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig niet meer bestaat. 2.Een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of beschermd stadsgezicht op grond van een provinciale verordening. 3.Wanneer de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Afdeling 2.4 Groen Paragraaf2.4.1Groene kaart Artikel2.4.1.1Aanwijzing beschermde houtopstand Reserveren Paragraaf2.4.2Bomenlijst Artikel2.4.2.1Aanwijzing beschermde houtopstand Reserveren Afdeling 2.5 Afvalstoffen Paragraaf2.5.1Inzameldienst Artikel2.5.1.1Aanwijzing van de inzameldienst 1.Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 3.Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Paragraaf2.5.2Inzamelplaats Artikel2.5.2.1Aanwijzing van inzamelplaats Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar aan inwoners van de gemeente Meppel in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Paragraaf2.5.3Bedrijfsafvalstoffen Binnenstad Artikel2.5.3.1Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 2.5.1.1, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens Verordening reinigingsheffingen verschuldigde heffing is voldaan. Hoofdstuk3Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 inleidende bepalingen Paragraaf3.1.1Algemene bepalingen Artikel3.1.1.1Toepassingsbereik Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Artikel3.1.1.2Vergunningplicht Activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van de verleende vergunning. Paragraaf3.1.2Bepalingen ten aanzien van vergunningen Artikel3.1.2.1Beslistermijn 1.Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 2.Het college kan de termijn met maximaal acht weken verlengen. 3.Als beslist wordt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1.1 vierde lid, en een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.1.2 tweede lid uit deze verordening, is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing. Artikel3.1.2.2Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel3.1.2.3Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel3.1.2.4Weigering, intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Als de aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan acht weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend, kan deze ook worden geweigerd als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; na het verlenen van de vergunning of ontheffing de omstandigheden of inzichten zijn veranderd waardoor het noodzakelijk is deze te wijzigen of in te trekken vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend; de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden niet worden nageleefd; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn, of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn; de houder dit verzoekt. Artikel3.1.2.5Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald, of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel3.1.2.6Uitzonderingen Lex Silencio Positivo Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (indien niet tijdig op een aanvraag wordt beslist, dan wordt de vergunning verleend conform aanvraag) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: Artikel 3.2.1.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument; Artikel 3.3.4.1. Dumpingsverbod; Artikel 3.4.1.1 Het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan; Artikel 3.4.6.2 Marktplaatsvergunning ; artikel 3.4.6.14 Ontheffing en vervanging; artikel 3.4.6.15 Tijdstip innemen marktplaats/aan- en afvoer goederen; artikel 3.4.6.16 Vergunning bijzondere markten; Artikel 3.5.1.1. Verbodsbepalingen en vergunningen. Afdeling 3.2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Paragraaf3.2.1Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloop activiteiten Artikel3.2.1.1Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen 1.Het college kan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden, als zij van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. 2.Voor het vormen van dit oordeel maakt het college van een onderzoeksrapport en/of andere bij haar bekende onderzoeksresultaten zoals bedoeld in de Regeling omgevingsrecht, dan wel een saneringsplan op grond van artikel 39, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming. 3.Deze voorwaarden kunnen worden gesteld naast de voorwaarden uit artikel 3.2.1.2 en artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht. Artikel3.2.1.2Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Er mag niet worden gebouwd op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers is te verwachten, voor zover dat bouwen betrekking heeft op: een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Het moet dan tevens gaan om een bouwwerk dat de grond raakt, of waarvan het ter plaatse toegestane gebruik wordt gewijzigd. Artikel3.2.1.3Het onderzoek naar bodemverontreiniging 1.Het onderzoek met betrekking tot de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. 2.Als op basis van het vooronderzoek de aanleiding bestaat te veronderstellen dat er asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, wordt het onderzoek ook uitgevoerd volgens NEN 5707, uitgave 2003. 3.De verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, met uitzondering van de in deze artikelen genoemde hoogtebepalingen. 4.Als voor toepassing van artikel 3.2.1.2 bij het college al bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, staat het college het toe geheel of gedeeltelijk af te wijken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 5.Als voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is, dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig onderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen, kan het college toestaan dat gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 6.Als er niet kan worden begonnen met bouwen nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek worden uitgevoerd nadat is gesloopt, maar voordat is begonnen met de bouw. Artikel3.2.1.4Verbodsbepaling en aanvraag vergunning beschermd stads- of dorpsgezicht 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk in een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, zoals bedoeld in artikel 2.2 lid 1 aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als volgens het college niet voldoende duidelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.De artikelen 3.5.1.2 en 3.5.1.3 zijn van overeenkomstige toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. Artikel3.2.1.5Tijdstip van melding van voorgenomen werkzaamheden Een aanbieder die werkzaamheden wil verrichten, meldt in ieder geval acht weken voor de aanvang van de werkzaamheden het voornemen daartoe bij het college. Artikel3.2.1.6Melding werkzaamheden 1.Voor de melding maakt de aanbieder gebruik van een daartoe door het college vastgesteld formulier. 2.Bij de melding verstrekt de aanbieder in ieder geval de volgende gegevens: de door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit afgegeven registratie; een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel; naam, adres en telefoonnummer van degene die de kabel in eigendom heeft, degene die de kabel beheert en degene die de kabel exploiteert; een opgave van de soort kabel en het beoogde gebruik; welke belanghebbenden en instanties vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en de aard van de werkzaamheden; een uitvoeringsplan met daarin opgenomen: een opgave van het gewenste tracé; een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst, alsmede van de situering daarvan; een omschrijving van eventuele opbrekingen; de doorsnede van de kabel of kabelgoot; de lengte en breedte van de kabelsleuf; de maatregelen voor de bereikbaarheid van in de openbare gronden aanwezige kabels en leidingen; het voorgenomen tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; naam, adres en telefoonnummer van de aannemer(
- s)of onderaannemer(
- s)die belast is (zijn) met de werkzaamheden en van een contactpersoon ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden. 3.Indien de werkzaamheden mede betrekking hebben op grond en van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de melding, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het overleg tussen de aanbieder en de andere gedoogplichtige. 4.Het college kan nadere regels stellen inzake de gegevens die bij de melding worden verstrekt. Artikel3.2.1.7Voorschriften en beperkingen bij instemming 1.Het college kan aan het instemmingsbesluit voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van de open bare orde; het voorkomen of beperken van schade of overlast; de bruikbaarheid van de openbare gronden; het veilig en doelmatig gebruik van de openbare gronden; het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare gronden; de belemmering van doelmatig beheer en onderhoud van de open bare gronden; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen. 2.Ter bescherming van de belangen als genoemd in het eerste lid, kan het college in ieder geval aan het instemmingsbesluit voorschriften of beperkingen verbinden over het medegebruik van voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, en een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen die gesteld zijn bij de voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit. 3.De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en medegebruik van voorzieningen dient te geschieden conform de Leidraad voor gemeenten en nutsbedrijven inzake (her)straatwerkzaamheden. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op het instemmingsbesluit. Artikel3.2.1.8Zakelijk karakter instemmingsbesluit Indien de kabel wordt overgedragen aan een nieuwe aanbieder gaan de rechten en plichten die betrekking hebben op de kabel van de oude aanbieder over op de nieuwe aanbieder. Artikel3.2.1.9Melding wijziging De aanbieder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel verandert of het feit dat de kabel niet langer ten dienste staat van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in of op open bare gronden. Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten Paragraaf3.3.1Festiviteiten en geluidhinder Artikel3.3.1.1Melding incidentele festiviteiten 1.Als de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. 2.Als de houder van een inrichting het college minstens 10 werkdagen van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. 3.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het college op het verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die normaal gesproken niet te voorzien was, meteen toestaat. 4.Het college stelt een formulier vast voor het doen van kennisgeving. 5.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld, en tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld. 6.Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht. Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel3.3.1.2Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft. Dit kan hij doen wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel3.3.1.3Overige geluidhinder 1.Buiten een inrichting is het niet toegestaan handelingen te verrichten, of toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben zodat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening. 4.Het college kan terreinen of wateren en categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is, als wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Artikel3.3.1.4Geluidhinder door dieren Degene die hobbymatig de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat het dier voor een omwonende of voor de omgeving geluidshinder veroorzaakt. Artikel3.3.1.5Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden hobbymatig met een motorvoertuig of een bromfiets op een manier te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Paragraaf3.3.2Afvalstoffen Artikel3.3.2.1Regulering van andere inzamelaars 1.Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: daartoe is aangewezen door het college; bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2.Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 2.5.1.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel3.3.2.2Algemene verboden 1.1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid; over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid; of achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.5.2.1. 2.Het is verboden om de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen die de gemeente ter beschikking stelt te gebruiken voor het aanbieden van andere afvalstromen dan die waarvoor de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen bestemd zijn. Artikel3.3.2.3Afvalscheiding 1.Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2.In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: groente-, fruit- en tuinafval (GFT); papier en karton; glas; textiel; plastic verpakkingen, metalen verpakkingen (blik) en drankenkartons (PMD); elektrische apparaten (tot 10 kg); frituurvet; luiers en incontinentiemateriaal. 3.In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten. Artikel3.3.2.4Gescheiden aanbieding 1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.3.2.3, anders dan afzonderlijk: ter inzameling aan te bieden; achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel 2.5.2.1. 2.Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel3.3.2.5Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel3.3.2.6Wijze en plaats van aanbieding 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij of nabij een perceel; inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel; aanbieden bij afvalbrengstation. 2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 3.3.2.5, buiten een perceel te laten staan. 3.Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Paragraaf3.3.3Bedrijfsafvalstoffen Binnenstad Artikel3.3.3.1Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 2.5.3.1 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 2.5.2.1, achter te laten. Artikel3.3.3.2Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 2.5.3.1 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Paragraaf3.3.4Zwerfafval en overige Artikel3.3.4.1Dumpingsverbod 1.Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 ; handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming , de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit . 3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel3.3.4.2Zwerfafval in de openbare ruimte 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, worden terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3.Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel3.3.4.3 reserveren Artikel3.3.4.4Zwerfafval rondom inrichtingen 1.Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3.De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel3.3.4.5Afval en verontreiniging op de weg 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel3.3.4.6Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel3.3.4.7Vrijstelling in verband met bouw woningen Er kan vrijstelling worden verleend voor gebieden waar vanwege de bouw geen ruimte is voor het houden van minicontainers. Artikel3.3.4.8 Reserveren Paragraaf3.3.5Overige milieubelastende activiteiten Artikel3.3.5.1Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1.In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het niet toegestaan op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare, of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; voertuigen als bedoeld in artikel 3.4.5.1. of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, ingekuild gras, loof of pulp, of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het is niet toegestaan op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 4.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale omgevingsverordening. Artikel3.3.5.2Natuurlijke behoefte doen Het is niet toegestaan om binnen de bebouwde kom, buiten de daarvoor bestemde plaatsen, op een openbaar toegankelijke plaats een natuurlijke behoefte te doen. Artikel3.3.5.3Verbod op het gebruik van (wens)ballonnen 1.In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan: een ballon die door middel van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, geluksballon of een andere daarmee vergelijkbare ballon. 2.Het is niet toegestaan een wensballon op te laten of in de lucht te brengen. Afdeling 3.4 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Paragraaf3.4.1Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare ruimten Artikel3.4.1.1Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is niet toegestaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan de publieke functie die het heeft, indien het voorwerp of beoogde gebruik: schade toebrengt door zijn omvang, vormgeving, constructie of plaats van bevestiging; gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of voor het doelmatig en veilig gebruik; een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud; op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. 2.In het belang van de openbare orde of ter bescherming van de woon- en leefomgeving kan het college nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclame(verwijs)objecten. 3.Het college kan een ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 4.Het college kan een vergunning verlenen. De vergunning wordt als omgevingsvergunning verleend als het gebruik als bedoeld in het eerste lid een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.Het verbod is niet van toepassing op: Evenementen als bedoeld in artikel 2:8 van de APV; Standplaatsen als bedoeld in artikel 1.1; Terrassen als bedoeld in artikel 2:10 van de APV. 6.Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet als dit wordt geregeld in de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet of het Provinciaal wegenreglement. Artikel3.4.1.2(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is niet toegestaan om zonder vergunning of in afwijking daarvan een weg aan te leggen, of de aanleg, de aard of de wegverharding op enige manier te veranderen. 2.De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; door het college in overige gevallen. 3.Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht en in uitvoering van een publieke taak van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht. 4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening Meppel. Artikel3.4.1.3Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is niet toegestaan om een uitweg te maken naar de weg, of een verandering aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: als dit voorafgaand niet is gemeld aan het college. Bij deze melding dient een situatieschets van de gewenste uitweg en foto’s van de bestaande situatie worden ingediend, of; als het college het verboden heeft om een uitweg te maken of te veranderen. 2.Het college maakt kenbaar dat er een melding is ingediend op de gebruikelijke wijze. 3.Het maken of veranderen van een uitweg wordt niet toegestaan door het college als: daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; een openbare parkeerplaats door de uitweg verdwijnt, zonder dat dat nodig is; door de uitweg het openbaar groen op een onaanvaardbare manier wordt aangetast; de uitweg is bedoeld om een perceel te ontsluiten dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van de tweede uitweg een openbare parkeerplaats of openbaar groen verdwijnen. 4.De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen acht weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement. Artikel3.4.1.4Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is niet toegestaan een voorwerp, anders dan een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, te hebben of aan te brengen als dit op enige manier gevaar of belemmering oplevert voor het doelmatig en veilig gebruiken, beheren of onderhouden van het openbaar water. 2.Degene die het voornemen heeft een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven het openbaar water te plaatsen, doet daarvan minimaal twee weken van tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval de naam, het adres en de contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en de omvang van het voorwerp. 4.Het college maakt kenbaar dat er een melding is ingediend op de gebruikelijke wijze. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepsvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde bij of volgens de Telecommunicatiewet. Artikel3.4.1.5Gemotoriseerde vaartuigen 1.In het belang van de veiligheid op het water, ter bescherming van het milieu of ter voorkoming of opheffing van overlast is het niet toegestaan gebruik te maken van gemotoriseerde voertuigen. Dit verbod is van toepassing op de door het college aangewezen gebieden. 2.In de aangewezen gebieden is het niet toegestaan om: vaartuigen aan te leggen aan bomen of struiken; op de een of andere manier schade toe te brengen aan oevers en gewassen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het noodzakelijke onderhoud aan watergangen of oevers, welke wordt uitgevoerd door of namens de beheerders. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor elektromotoren met een vermogen tot maximaal 1000 Watt. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Artikel3.4.1.6Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is niet toegestaan om afvalstoffen te verbranden of op een andere manier vuur aan te leggen, te stoken of te hebben in de openlucht, buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. 2.Als er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Naast de weigeringsgronden genoemd in artikel 3.1.2.4 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 en 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening. Paragraaf3.4.2Terrassen Reserveren Paragraaf3.4.3Stadsschoon en handelsreclame Artikel3.4.3.1Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.Het is niet toegestaan om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken met een opschrift, aankondiging of afbeelding als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel3.4.3.2Reclamevoertuigen 1.Het is niet toegestaan een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het ogenschijnlijk doel daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Paragraaf3.4.4Voertuigen Artikel3.4.4.1Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt onder andere begrepen: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die niet langer dan een uur duren, voor zo lang als die werkzaamheden duren; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de persoon als bedoeld in het derde lid. 3.Het is niet toegestaan voor de persoon die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of gewoonte van heeft gemaakt om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen om: drie of meer voertuigen die aan hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg te parkeren binnen een straal van 25 meter van een van deze voertuigen; de weg als werkplaats te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel3.4.4.2Defecte voertuigen Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door gebreken die niet eenvoudig te verhelpen zijn, mag niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geparkeerd. Artikel3.4.4.3Staat voertuigen 1.Het is niet toegestaan om een voertuig dat rijtechnisch onvoldoende is onderhouden en/of dat in een verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod is niet van toepassing situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel3.4.4.4Ontdoen van autowrakken Het is niet toegestaan om een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken, achter te laten. Artikel3.4.4.5Grote voertuigen 1.Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte. 3.Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen, van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigen ten behoeve van recreatieve doeleinden, die niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. Artikel3.4.4.6Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning of ander dagelijks gebruik op een manier dat het uitzicht van de bewoners of gebruikers op een hinderlijke manier wordt verstoord of zij op een andere manier hinder of overlast ervaren. 2.Het verbod is niet van toepassing voor de tijd dat er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Artikel3.4.4.7Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is niet toegestaan om in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan. 2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht; voertuigen waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel3.4.4.8Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1.Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren op een weggedeelte, anders dan de rijbaan, dat door het college is aangewezen. 2.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam worden verricht. Artikel3.4.4.9Overlast van fietsen of bromfietsen 1.Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen onbeheerd te laten staan op de door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaatsen, om overlast of schade aan de openbare gezondheid te voorkomen of op te heffen. 2.Het is niet toegestaan om fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken in door het college aangewezen gebieden te laten staan. Artikel3.4.4.10Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is niet toegestaan om op een openbare plaats een fiets of bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, een gevel van een gebouw of de ingang van een portiek als de gebruiker van het gebouw of de portiek heeft aangegeven dit niet te willen of als daardoor de ingang versperd wordt. Artikel3.4.4.11Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is niet toegestaan zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Paragraaf3.4.5Kampeermiddelen Artikel3.4.5.1Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.Het is niet toegestaan om een voertuig dat voor recreatie wordt gebruikt of een ander voertuig dat niet voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college niet mogelijk is in verband met de beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod genoemd in lid 1, aanhef en onder a. 3.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het provinciaal wegenreglement of de provinciale omgevingsverordening. Artikel3.4.5.2Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is niet toegestaan om kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat daarvoor in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.4 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; of een stadsgezicht. Artikel3.4.5.3Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Artikel 3.4.5.2, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan nadere regels stellen ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 3.4.5.2, vierde lid. Paragraaf3.4.6Stand- en marktplaatsen Artikel3.4.6.1Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is niet toegestaan om een standplaats in te nemen zonder een vergunning van het college. 2.Een standplaatsvergunning wordt verleend voor een periode van vijf jaar. 3.Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.4 kan een vergunning worden geweigerd als: De standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; In strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het provinciaal wegenreglement. 5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Artikel3.4.6.2marktplaatsvergunning Het is verboden een marktplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Artikel3.4.6.3Vereisten Voor de toewijzing van een marktplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie. Artikel3.4.6.4Inhoud vaste marktplaatsvergunning 1.Een vaste marktplaatsvergunning vermeldt in ieder geval: de naam en voornamen, de geboortedatum en –plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder; een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste marktplaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan; de kraam of andere verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het innemen van de marktplaats mag gebruiken; het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe de vergunninghouder behoort; dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor de inzameling en afvoer van zijn afval en dat hij zijn marktplaats schoon oplevert; de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt; welke geluidsapparatuur op de marktplaats is toegestaan; welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan. 2.Aan de vergunning wordt een middel ter identificatie gehecht. Artikel3.4.6.5Inschrijving op de anciënniteitslijst Vergunninghouders van vaste marktplaatsen worden ingeschreven op een doorlopend genummerde lijst met vermelding van en in volgorde van de datum waarop aan hen voor het eerst een vaste marktplaats is toegewezen. Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld de soort artikelen die de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe hij behoort. Artikel3.4.6.6Overschrijving vaste marktplaatsvergunning 1.In geval van overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de vaste marktplaatsvergunning worden overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde; 2.Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder de vergunning voor een vaste marktplaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de wachtlijst. 3.Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld. 4.Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel. Artikel3.4.6.7Intrekking vaste marktplaatsvergunning 1.Het college trekt een vaste marktplaatsvergunning in: op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 3.4.6.6 de vergunning wordt overgeschreven. 2.Het college kan een vaste marktplaatsvergunning intrekken: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.4.6.3 genoemde vereisten. 3.Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 3.4.6.6 is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste marktplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken. Artikel3.4.6.8Toewijzing dagplaats 1.Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een vergunning door het college op het moment dat de marktplaats niet als vaste marktplaats wordt ingenomen. 2.Indien zich bij de opening van de markt meer gegadigden voor een dagplaats melden dan er plaatsen beschikbaar zijn, worden de dagplaatsen overeenkomstig nader door het college te stellen regels door middel van loting toegewezen. Artikel3.4.6.9Toewijzing standwerkersplaats 1.Het college wijst een standwerkersplaats toe door middel van loting. 2.Het is een ingeschrevene op de wachtlijst niet toegestaan deel te nemen aan de loting voor een standwerkersplaats zolang deze inschrijving niet definitief is vervallen. 3.Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf aan de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting. Artikel3.4.6.10Eigen materiaal 1.De vergunninghouder dient gebruik te maken van de kramen van de door het college aangewezen kramenzetter. Het college kan in bij nadere regels vast te stellen gevallen onder daarin te stellen voorwaarden toestemming verlenen tot het gebruik van eigen materiaal. 2.Het college kan nadere regels stellen omtrent de aan het eigen materiaal te stellen eisen. Artikel3.4.6.11Persoonlijk innemen marktplaats; bijstand 1.De vergunninghouder neemt de marktplaats die hem is toegewezen persoonlijk in. Hij mag de marktplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven. 2.De vergunninghouder mag zich op de marktplaats doen bijstaan. 3.De vergunninghouder en degene die hem bijstaat mogen zich niet schuldig maken aan wangedrag of bedrog. Artikel3.4.6.12Aantal keren innemen vaste marktplaats De vergunninghouder van een vaste marktplaats neemt ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken zijn marktplaats op de markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3.4.6.13 en 3.4.6.14. Artikel3.4.6.13Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden 1.De vergunninghouder van een vaste marktplaats die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste marktplaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt. 2.De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de desbetreffende marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling en telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan het college. Artikel3.4.6.14Ontheffing en vervanging 1.In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste marktplaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de marktplaats op de markt in te nemen. 2.Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem vergunning verlenen zich op zijn marktplaats te laten vervangen door een met name genoemde persoon. Artikel3.4.6.15Tijdstip innemen marktplaats/aan- en afvoer goederen 1.Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan 2 uur voor aanvang en meer dan 2 uur na afloop van de markt met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen of goederen aan of af te voeren. 2.De vergunninghouder is verplicht zijn marktplaats tot de sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan hiervan ontheffing verlenen. 3.Indien de vergunninghouder zijn vaste marktplaats niet uiterlijk om 8.30 uur heeft ingenomen, wordt de desbetreffende marktplaats voor die dag als dagplaats aangemerkt, tenzij de marktmeester de marktplaats op tijdig verzoek van de vergunninghouder voor hem beschikbaar houdt. Artikel3.4.6.16Vergunning bijzondere markten 1.Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of een openbaar water – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijk en in de openlucht gelegen plaats, een bijzondere markt te houden. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde. Artikel3.4.6.17Verplichtingen vergunninghouder 1.Degene die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.6.16 is verplicht erop toe te zien dat alle personen die een marktplaats innemen op de door hem georganiseerde bijzondere markt de voorschriften als bedoeld in de artikelen 7.1.1.3 en 3.4.6.15 in acht te nemen. 2.Degene die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.6.16 is tevens verplicht erop toe te zien dat de marktplaatshouders op de door hem georganiseerde bijzondere markt de voorschriften die het college verbonden heeft aan de vergunning, nageleefd worden. Paragraaf 3.4.7 ligplaatsen historische vaartuigen Artikel 3.4.7.1. Vaste ligplaatsvergunning historisch schip en wachtlijst Het college verleent voor maximaal acht historische vaartuigen vergunning voor een vaste ligplaats. Dit betreft zes vaste ligplaatsen voor een historisch schip gedurende het gehele jaar en twee reserve vaste ligplaatsen. Het college maakt op een daarvoor geschikte manier bekend dat er een of meer vergunningen beschikbaar zijn en op welke wijze een belangstellende daarvoor in aanmerking kan komen. Een aanvraag kan worden ingediend middels een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Er is een wachtlijst. Het college schrijft een aanvrager op zijn schriftelijk verzoek in op de wachtlijst, indien hij voldoet aan de toetsingscriteria als bedoeld in artikel 2, derde lid, maar aan hem nog geen vaste ligplaatsvergunning kan worden toegewezen omdat het maximum aantal is bereikt. De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald: a. indien de ingeschrevene zijn inschrijving niet jaarlijks voor 1 januari heeft verlengd; b. bij overlijden van de ingeschrevene; c. op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene; d. wanneer aan de ingeschrevene een vaste ligplaatsvergunning is verleend, tenzij hij deze op grond van bijzondere omstandigheden niet aanvaardt; e. indien niet meer aan de toetsingscriteria als bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt voldaan. De toewijzing van een beschikbaar gekomen vaste ligplaats geschiedt aan degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in volgorde van inschrijving op deze lijst. Een vergunning voor een vaste ligplaats is persoons- en vaartuiggebonden. Bij verkoop en levering van het historisch schip waarvoor een vaste ligplaatsvergunning is afgegeven kan deze vergunning op naam gesteld worden van de nieuwe eigenaar-bewoner. De nieuwe eigenaar kan een daartoe strekkend verzoek indienen bij het college. De toewijzing van een beschikbaar gekomen vaste ligplaats geschiedt aan degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in volgorde van inschrijving op deze lijst. Artikel 3.4.7.2Schepencarrousel Een schip dat is ingeschreven bij de stichting Schepencarroussel en dat voldoet aan de afspraken van het schepencarrousel kan ligplaats innemen aan de Jan van den Boschkade of aan de Prins Hendrikkade. De maximale ligduur voor een schip uit de schepencarroussel is 3 maanden . In de periode van 1 oktober tot en met 31 maart kan op verzoek de maximale ligduur voor een schip als bedoeld in het eerste lid worden verlengd tot zes maanden tot maximaal 31 maart Hiervoor dient de procedure van artikel 2.4. lid 3 van de Havenverordening te worden gevolgd Voor een schip dat voor het eerst ligplaats inneemt na minimaal drie maanden geen gebruik te hebben gemaakt van op een van de volgens het eerste lid aangewezen plaatsen en dat voldoet aan de overige criteria van het eerste lid wordt een ontheffing krachtens artikel 2.4. lid 3 van de Havenverordening geacht te zijn verleend voor de duur overeenkomstig het tweede lid. De havengeldverordening regelt de liggelden voor schepen die op grond van dit artikel ligplaats Artikel 3.4.7.3Gebruik vaste ligplaats Een toegewezen vaste ligplaats is uitsluitend bestemd voor eigen gebruik; onderverhuring, ingebruikgeving aan derden of medegebruik is niet toegestaan. Ruiling van plaats is niet toegestaan. De vergunninghouder c.q. gebruiker van een vaste ligplaats dient deze net, ordelijk en overeenkomstig de bestemming in te richten en te gebruiken. Gebruik van de kade of wal is niet toegestaan. Op verzoek van een bewoner van een historisch schip plaatst de gemeente Meppel een voorziening voor het parkeren van enkele fietsen die verankerd is in de kade. De vergunninghouder is verplicht het vaartuig aan te sluiten op de van gemeentewege aangelegde voorzieningen, zoals elektriciteit en riolering zodra deze aanwezig zijn op de vaste ligplaats. Voertuigen van de vergunninghouder c.q. gebruiker en bezoekers mogen alleen worden geparkeerd of gestald op de als zodanig aangegeven (openbare) parkeerplaatsen. De vergunninghouder van een vaste ligplaats voor een historisch schip dient daarvan minimaal gedurende zes maanden per kalenderjaar gebruik te maken. Indien de vergunninghouder hieraan niet voldoet, heeft het college de bevoegdheid de vergunning in te trekken of niet te verlengen. De termijn van het zesde lid geldt naar evenredigheid in het jaar van eerste aanvraag van de vergunning. De datum op de beschikking van vergunningverlening is hierbij doorslaggevend. Indien vergunninghouder zijn vaste ligplaats gedurende een periode van een week of langer, om welke reden dan ook, niet zal gebruiken, moet dat vooraf gemeld worden aan de havenmeester. De havenmeester is gerechtigd om de betreffende vaste ligplaats gedurende de betreffende periode toe te wijzen aan een ander, zonder dat vergunninghouder rechten kan doen gelden op verrekening van het havengeld. De vergunninghouder behoudt het recht gebruik te maken van de vaste ligplaats gedurende de vergunningsperiode. Het is niet toegestaan: wijzigingen aan steigers, kaden e.d. aan te brengen; toebehoren als masten, rondhout, meertouwen e.d. op de kaden te laten liggen; open vuur te ontsteken; Artikel 3.4.7.4 Tijdelijk andere ligplaats De havenmeester kan de vergunninghouder tijdelijk een andere ligplaats aanwijzen in verband met activiteiten, onderhoudswerkzaamheden of iets dergelijks. Artikel 3.4.7.5 Intrekking van een vaste ligplaatsvergunning In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.1.2.4 kan het college een vergunning voor een vaste ligplaats voor een historisch schip in te trekken als: dat in het belang is van het optimaal nautisch gebruik van de haven, de vaarwegen, de kades en de aangrenzende wegen en percelen. de vergunninghouder zich niet aan de voorschriften daarvan houdt en hij tweemaal schriftelijk met een tussenpoos van twee maanden is aangemaand om zich daaraan te houden. de vergunninghouder het bepaalde in deze paragraaf overtreedt Afdeling 3.5 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf3.5.1Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Artikel3.5.1.1Verbodsbepalingen en vergunning 1.Het is niet toegestaan een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of aan het monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding ervan noodzakelijk is. 2.Het is niet toegestaan zonder vergunning van het college, of in strijd met de voorschriften bij die vergunning een beschermd gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een manier dat het monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht als bedoeld in het tweede lid gelden niet als: de activiteit betrekking heeft op normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur, en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt, of; de activiteit alleen leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. 4.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de manier waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Deze regels kunnen ook gaan over de vergunningplicht, zoals bedoeld in het tweede lid, of een verplichting om werkzaamheden te melden, zoals bedoeld in derde lid. Artikel3.5.1.2Intrekken van de vergunning De vergunning, zoals bedoeld in artikel 3.5.1.1 kan door het college worden ingetrokken als: blijkt dat de vergunning is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige gegevens en dat de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; de omstandigheden van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd, dat het belang van monument zwaarder moet wegen. Artikel3.5.1.3Weigeringsgronden 1.De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2.Voor een omgevingsvergunning voor kerkelijk monument is overeenstemming met de eigenaar vereist. Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren Paragraaf3.6.1.Vellen van houtopstanden Artikel3.6.1.1Kapverbod Monumentale bomen 1.Het is niet toegestaan om monumentale bomen te vellen of te laten vellen die staan vermeld op Bomenlijst (de lijst met bijbehorende kaart in de bijlage). 2.Het college kan een ontheffing verlenen van het verbod als er geen redelijke maatregelen getroffen kunnen worden om het vellen te voorkomen en als er sprake is van: onveilige situaties door instabiliteit en/of onvoldoende vitaliteit; schade of dreigende schade aan de omgeving; een zwaarwegend geval van algemeen belang. 3.Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 4.Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel3.6.1.2Kapverbod Groene Kaart 1.Het is niet toegestaan houtopstanden te vellen of te laten vellen die staan aangegeven op de door het college vastgestelde Groene Kaart van de gemeente Meppel (vermeld in de bijlage). 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 4.Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van het tweede en derde lid. 5.Het verbod geldt niet voor: houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving; het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten. Hoofdstuk4Beheer en onderhoud Reserveren Hoofdstuk5Financiële bepalingen Reserveren Hoofdstuk6procedurele bepalingen Afdeling 6.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf6.1.1Groen Reserveren Paragraaf6.1.2Cultureel erfgoed Reserveren Afdeling 6.2 Advies Paragraaf6.2.1Advies bij aanwijzing beschermd gemeentelijk monument Artikel6.2.1.1Advies gemeentelijke adviescommissie 1.Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.3.2.1 advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2.De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3.De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen 8 weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Paragraaf6.2.2advies bij aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht Artikel6.2.2.1Advies gemeentelijke adviescommissie Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 6.2.1.1, eerste lid. Artikel 6.2.1.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Paragraaf6.2.3Advies bij omgevingsvergunning monument Artikel6.2.3.1Advies omgevingsvergunning rijksmonument Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 6.2.1.1, eerste lid. Artikel 6.2.1.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling 6.3 Marktplaatsen Markt Paragraaf6.3.1Wachtlijst marktplaatsen Artikel6.3.1.1Inschrijving op de wachtlijst 1.Het college schrijft de aanvrager op zijn verzoek in op de wachtlijst, indien hij voldoet aan de in artikel 3.4.6.3 gestelde vereisten, maar aan hem geen vaste marktplaats kan worden toegewezen. 2.Het college vermeldt bij de inschrijving in ieder geval: de naam en voornamen, de geboortedatum en –plaats, het adres en de woonplaats van de aanvrager; de datum waarop de aanvraag door hem is ontvangen; de soort artikelen die de aanvrager wil verhandelen of de branche waartoe hij behoort; de kraam of andere verkoopmaterialen die de aanvrager wil gebruiken. 3.Het college verstrekt de aanvrager een schriftelijk bewijs van inschrijving. 4.De inschrijving op de wachtlijst blijft gehandhaafd, indien deze door de ingeschrevene jaarlijks voor 1 januari schriftelijk wordt verlengd. Artikel6.3.1.2Doorhalen van inschrijving op wachtlijst De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald: indien de ingeschrevene zijn inschrijving niet jaarlijks voor 1 januari heeft verlengd; op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene; bij overlijden van de ingeschrevene; wanneer aan de ingeschrevene een vergunning voor een vaste marktplaats is verleend, tenzij hij deze op grond van bijzondere omstandigheden niet aanvaardt; indien niet meer aan de vereisten van artikel 3.4.6.3 wordt voldaan. Artikel6.3.1.3Volgorde toewijzing vaste marktplaatsen Indien voor de toewijzing van een beschikbare vaste marktplaats meer aanvragers in aanmerking komen, wordt de marktplaats achtereenvolgens toegewezen aan: de vergunninghouder van een vaste marktplaats die aan het college schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van marktplaats te willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de anciënniteitslijst; degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven, in volgorde van inschrijving op deze lijst. Artikel6.3.1.4Procedures bij het standwerken 1.Het college stelt per marktdag het maximum aantal standwerkersplaatsen vast. 2.Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder een standwerker in aanmerking komt voor een standwerkersplaats; de wijze waarop de loting plaatsvindt; de wijze en beoordeling van het standwerken. Paragraaf 6.2.4. Artikel6.2.4.1. Stichting Historische Schepen Meppel Stichting Historische Schepen Meppel adviseert het college over de algemene visie, het beleid en de kwaliteit voor zover het betreft historische vaartuigen in het grachtengebied en de daarin gesitueerde vaste ligplaatsen. Stichting Historische Schepen Meppel adviseert het college over een aanvraag voor een vergunning voor een vaste ligplaats voor een historisch vaartuig, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid onder c, van de Havenverordening. De advisering van Stichting Historische Schepen Meppel vindt plaats aan de hand van de volgende toetsingscriteria waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een vergunning voor een vaste ligplaats: Leeftijd Het vaartuig dient tenminste 50 jaar oud te zijn Scheepstype Het vaartuig dient een voormalig bedrijfsvaartuig te zijn, waarmee op de Nederlandse wateren enig beroep of bedrijf is uitgevoerd c.q. typerend is geweest binnen de ontwikkeling van de Nederlandse scheepsbouw en waarvan het karakter overwegend bewaard is gebleven. Met andere woorden, het vaartuig dient een cultuurhistorische en monumentale waarde te hebben. Silhouet Het silhouet van het vaartuig dient qua uiterlijk gaaf te zijn. Ingrepen zijn aanvaardbaar, indien deze op respectvolle wijze ten aanzien van het historische karakter van het schip hebben plaatsgevonden. Staat van het vaartuig Het vaartuig dient in een varende, goede en verzorgde staat te verkeren. Voortbewegen van het vaartuig Het vaartuig dient zich, behoudens in geval van reparatiewerkzaamheden, op eigen motorkracht te kunnen voortbewegen. Mate waarin met het vaartuig wordt gevaren Er dient regelmatig te worden gevaren met het vaartuig. Onder regelmatig wordt verstaan: tenminste één maal per jaar. Restauratieplan Indien het vaartuig niet geheel voldoet aan de toetsingscriteria onder c, d en e, kan op basis van een door de Stichting Historische Schepen Meppel goedgekeurd restauratieplan, inclusief een tijdsplanning, een vergunning voor een vaste ligplaats voor een historisch vaartuig worden verleend. Omvang en welstand Het vaartuig moet qua uiterlijk en omvang passen in de omgeving, bij de eventueel reeds aanwezige schepen en de beschikbaar gekomen plaats. Het vaartuig mag niet feitelijk een jacht zijn dat, gezien zijn afmetingen in redelijkheid een plaats moet kunnen vinden in een jachthaven. De toetsingscriteria als bedoeld in het derde lid kunnen door Stichting Historische Schepen Meppel worden uitgewerkt. De uitwerking c.q. nadere invulling van de toetsingscriteria dient ter goedkeuring aan het college te worden voorgelegd. Stichting Historische Schepen Meppel brengt binnen zes weken na ontvangst van een adviesaanvraag voor een vergunning advies uit aan het college. Wanneer Stichting Historische Schepen Meppel is opgehouden te bestaan of buiten staat is om te adviseren zal het college advies over een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid vragen aan een deskundig persoon met kennis en ervaring op het gebied van historische schepen. Hoofdstuk7Handhaving, overgangs- en slotbepalingen Afdeling 7.1 Handhaving en strafbepalingen Paragraaf7.1.1Toezichthouders Artikel7.1.1.1Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de toezichthouders belast die bij besluit van het college zijn aangewezen. 2.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de marktmeester, voor zover het gaat om bepalingen over markten/marktplaatsen. 3.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. 4.Onverminderd het eerste en tweede lid zijn ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften. Artikel7.1.1.2Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel7.1.1.3Legitimatie en identiteit vergunninghouder 1.Degene die een marktplaats op de markt inneemt of wenst in te nemen, dient op eerste aanvraag van de marktmeester aan te tonen dat hij de vergunninghouder is. 2.De vergunninghouder dient bij zijn marktplaats duidelijk zichtbaar zijn naam en eventuele bedrijfsnaam aan te geven. Artikel7.1.1.4Intrekking en schorsing vaste marktplaatsvergunning Onverminderd artikel 3.4.6.7 kan het college een vergunning voor een vaste marktplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel7.1.1.5Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel7.1.1.6Onmiddellijke verwijdering Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats. Paragraaf7.1.2Strafbepalingen Artikel7.1.2.1Strafbepaling 1.Overtreding van een bij of krachtens deze verordening vastgestelde verbodsbepaling, niet nakoming van een bij of krachtens deze verordening opgelegde verplichting en niet nakoming van één of meer voorschriften aan een vergunning of ontheffing verbonden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2.In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.4.1.1, vierde lid, 3.4.1.2, tweede lid, 3.6.1.1, eerste lid en 3.6.1.2, eerste lid als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit. 3.Overtreding van artikel 3.3.2.1, artikel 3.3.2.2 of van artikel 3.3.2.4 tot en met artikel 3.3.2.6 en artikel 3.3.3.1, 3.3.3.2, 3.3.4.1, 3.3.4.2 en 3.3.4.4 tot en met artikel 3.3.4.7 en 3.4.4.4, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten. Afdeling 7.2 Overgangsrecht Paragraaf7.2.1Overgangsrecht Artikel7.2.1.1Overgangsrecht 1.Met het besluit tot vaststelling van deze verordening zijn bepalingen uit de navolgende verordeningen, beleidsregels en nadere regels opgenomen in deze verordening: Algemene plaatselijke verordening gemeente Meppel; Afvalstoffenverordening gemeente Meppel 2018; Bouwverordening Meppel 2005; Erfgoedverordening Meppel 2014; Marktverordening gemeente Meppel; Telecommunicatieverordening gemeente Meppel. 2.Deze verordening laat de resterende bepalingen in de in lid 1 genoemde verordeningen, voorzover van toepassing, onverlet. 3.Besluiten, beleidsregels en nadere regels, genomen krachtens de in het eerste lid bedoelde bepalingen worden mede geacht besluiten, beleidsregels en nadere regels krachtens het bepaalde in deze verordening te zijn. 4.Aanvragen voor vergunningen waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening. Artikel7.2.1.2Overgangsrecht Marktverordening 1.De krachtens de Marktverordening gemeente Meppel vastgestelde wacht- en anciënniteitslijsten gelden als lijsten krachtens deze verordening. 2.Degenen die op de dag van inwerkingtreding van deze verordening op de wacht- of anciënniteitslijst stonden, behouden de rechten die daaruit voortvloeien volgens de regels die op die dag gelden gedurende één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel7.2.1.3Overgangsrecht Erfgoedverordening Een krachtens de Erfgoedverordening Meppel 2014 aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. Artikel7.2.1.4Overgangsbepaling Telecommunicatieverordening gemeente Meppel De aanwezigheid van kabels en kabelwerken in of op open bare gronden, voor zover deze zijn aangelegd met toepassing van hoofdstuk VI van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, dient door de aanbieders binnen een jaar na inwerkingtreding van deze verordening te worden gemeld aan het college via het aanmeldingsformulier als genoemd in artikel 3, eerste lid. Afdeling 7.3 Slotbepalingen Paragraaf7.3.1Slotbepalingen Artikel7.3.1.1Nadere regels Het college is bevoegd ter uitvoering van het bepaalde in deze verordening nadere regels vast te stellen. Artikel7.3.1.2Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 01 januari 2022. Artikel7.3.1.3Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening fysieke leefomgeving Meppel 2022. OndertekeningAldus vastgesteld in de raadsvergadering d.d. 28 oktober 2021,de griffier, de voorzitter,Bijlage1Bomen lijst/Groene Kaart Bijlage2Toelichting Verordening fysieke leefomgeving Toelichting Algemeen Naar verwachting treedt op 1 juli 2022 de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet stelt het gemeenten verplicht om alle regels over de fysieke leefomgeving te bundelen in één document, namelijk het omgevingsplan. Het is de bedoeling dat bepalingen uit gemeentelijke verordeningen die de fysieke leefomgeving wijzigen een plaats krijgen in het omgevingsplan. Daarnaast mogen ook bepalingen die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan. Om de overgang van bepalingen uit gemeentelijke verordeningen naar het omgevingsplan zo geleidelijk en efficiënt mogelijk te laten verlopen, heeft de gemeenteraad van Meppel besloten om deze bepalingen eerst op te nemen in de Verordening fysieke leefomgeving. In de deze verordening zijn de regels opgenomen die de fysieke leefomgeving wijzigen, alsook regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. De overgang van de bepalingen ziet niet op inhoudelijke wijzigingen. Enkele bepalingen zijn, ten behoeve van de leesbaarheid, slechts tekstueel gewijzigd. Hierbij zijn geen inhoudelijke/materiele wijzigingen beoogd. Bij het vaststellen van de verordening zijn de doelstellen van de Omgevingswet in acht genomen. Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Tot slot moet worden opgemerkt dat de (aanwijs)besluiten en nadere regels die zijn opgesteld op grond van de bepalingen uit de verordening die verplaatst naar de Verordening fysieke leefomgeving, worden geacht te zijn genomen op grond van deze verordening. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt. Een openbare plaats De definitie van weg is aanzienlijk beperkt. Dat brengt met zich mee dat de werking van artikelen in dit model waar sprake is van de weg een (veel) beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van de gemeente gaat verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om zaken te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen voor de term “een openbare plaats”. Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen: al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. In artikel 1:1 is de “weg” omschreven als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 . Dat verschilt aanzienlijk van de oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het begrip “weg” viel. Daarop is kritiek gekomen, vooral omdat het begrip “weg” op die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd (aanwijzing 66). Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen voor de omschrijving “openbare plaats”. In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen. In eerdere versies van deze toelichting was op deze plaats een nogal uitvoerige verhandeling opgenomen over de betekenis van het begrip “weg” in de Wegenwet en de Wegenverkeerswet. De volledigheid ging hier ten koste van de leesbaarheid en overzichtelijkheid. Ook valt te betwijfelen of er aan deze theoretische achtergrond veel behoefte bestond. Vandaar dat deze paragrafen zijn geschrapt. Uiteraard zijn de teksten op verzoek nog wel beschikbaar. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag betreffende veiligheid, orde en rust op en om stations. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. Voor de duidelijkheid zou de grens van de bebouwde kom op een topografische kaart weergegeven kunnen worden en als bijlage bij de APV gevoegd kunnen worden. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel. In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:4) en het vellen van houtopstanden (artikel 4:6 en 4:7). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Artikel 2.3.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten of cultuurgoederen. Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening. Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. Artikel 2.3.2.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude verordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Artikel 2.3.2.2. aanvraag tot aanwijzing. Dit artikel regelt wie een aanvraag tot aanwijzing van een monument kan indienen. Artikel 2.3.2.3 Voornemen tot aanwijzing Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Het overleg met een eigenaar voorafgaand aan de aanwijzing wordt door ons belangrijk geacht. De reden dat het woord kerk niet wordt genoemd in het artikel komt voort uit onze wens dit overleg niet te beperken tot kerkelijke monumenten. Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten). Artikel 2.3.2.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit In dit artikel is geregeld binnen welke termijn een beslissing wordt genomen op een aanvraag tot aanwijzing. Wat betreft de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid. Artikel 2.3.2.5 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 6.2.1.1 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming. Artikel 2.3.2.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 2.3.2.7 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. Artikel 2.3.3.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht geldt artikel 11 van de Monumentenwet en van gemeentelijke monumenten artikel 3.5.1.1 van deze verordening. Ook het Rijk zal de bescherming van stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Artikel 2.3.3.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- endorpsgezicht Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. Artikel 2.5.1.1 Aanwijzing van de inzameldienst In het eerste lid geeft de gemeenteraad aan burgemeester en wethouders de opdracht om een onderdeel van de gemeentelijke dienst aan te wijzen, die met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. De zorg voor deze inzameling berust ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wm op de gemeenteraad en burgemeesters en wethouders. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. In het derde lid wordt een grondslag gegeven om nadere regels te stellen over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Redenen van algemeen belang van milieu en gezondheid die met de aanwijzing van inzameldiensten zijn gemoeid dwingen ertoe geen regeling op te nemen voor het van rechtswege nemen van aanwijzingsbesluiten in gevallen waarin niet tijdig op een aanvraag zou worden beslist. De regeling van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is daarom niet van toepassing. Zo nodig kunnen bij het aanwijzingsbesluit beperkingen of voorschriften worden verbonden aan de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het ligt in de rede dat dit alleen aan de orde is wanneer er ten aanzien van de aan te wijzen instantie bijzondere voorschriften of beperkingen moeten gelden. Nadere regels over de inzameling kunnen, indien noodzakelijk, door burgemeester en wethouders op grond van het derde lid worden gesteld. Artikel 2.5.2.1 Aanwijzing van inzamelplaats Op deze plaats wordt afzonderlijk geregeld dat op ten minste een plaats ook buiten kantooruren of in het weekend (in voldoende mate dus) gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur verplicht in verband met de in artikel 3.3.2.3 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Ingevolge artikel 10.26, tweede lid, van de Wm is dit verplicht. Het gaat hier om een daartoe ter beschikking gestelde plaats, waar alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden achtergelaten. Het onderscheid zich dus als locatie waar huishoudelijke afvalstoffen in een inzamelmiddel, zoals een vuilniszak, een minicontainer of een afvalemmer naar toe worden gebracht, van een inzamelvoorziening, zoals een boven- of een ondergrondse container, waarin collectief huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden achtergelaten met het oog op de inzameling daarvan. Artikel 2.5.3.1 Inzameling bedrijfsafvalstoffen binnenstaddoor inzameldienst De inzameldienst kan ook bedrijfsafvalstoffen (of bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen) inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen echter geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om afval uit de KWD-sector of bouw- en sloopafval. Artikel 3.2.1.1 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht; de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden. Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. Artikel 3.2.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Algemeen In het tweede lid van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt: Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag zijn. Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht. De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo. Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Het doel van het artikel