Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2023-2026Deel 1: Strategisch beleidskader Woord vooraf Voor u ligt de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2023-2026 (verder U&H-strategie) die het op 18 december 2018 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde ‘VTH-beleidsplan 2019-2022’ vervangt. Deze strategie beschrijft hoe wij de uitvoerings- (Vergunningen) en handha-vingstaken (Toezicht en Handhaving), op basis van nu nog de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) uitvoeren met als doel de risico's die de leefomgeving in Wijk bij Duurstede kunnen bedreigen zo veel als mogelijk uit te sluiten. Voorheen werd dit ook wel het VTH-beleid genoemd. Echter met de aankomende inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow) en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb) is er voor gekozen om alvast aan te sluiten bij de nieuwe terminologie en begrippen uit deze wetten. Met het noemen van deze wetten is een belangrijk verschil met het VTH-beleidsplan 2019-2022 genoemd. In deze U&H-strategie wordt nader ingegaan op de keuzes die zijn gemaakt door de komst van deze wetten. Ook wordt rekening gehouden met de op 22 februari 2022 vastgestelde nota ‘Integrale handhaving van de woon- en leefomgeving 2021 – 2025’ die voor de uitvoering van toezicht en handhaving leidend is. De strategie beschrijft hoe wij in de periode 2023-2026 uitvoering geven aan deze taken en welke afwegingen wij maken bij de inzet van de beschikbare middelen. Over de U&H-strategie is de raad op 14 maart 2023 geïnformeerd. De in deze bijeenkomsten gemaakte opmerkingen zijn verwerkt in de U&H-strategie. Het maken van afwegingen is noodzakelijk omdat de formatie en middelen niet toereikend genoeg zijn om alles te toetsen, te controleren en te handhaven. De strategie is de belangrijkste basis voor het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. De U&H-strategie bestaat uit de volgende drie delen: Deel 1: U&H strategie 2023-2026, Beleidsplan Deel 2: U&H strategie 2023-2026, Bijlagenbundel Deel 3: Uniforme uitvoering- en handhavingsstrategie ODRU 2022-2023 De delen 1 en 2 zijn van toepassing op de taken die de gemeente zelf uitvoert. Deel 3 betreft de U&H-strategie voor de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) die op 22 februari 2022 door ons college is vastgesteld. De ODRU voert als partner in mandaat de milieutaken uit. De U&H-strategie voor de ODRU geldt voor twee jaar (2022 en 2023). Eventuele wijzigingen in U&H-strategie van de ODRU na 2023 zullen worden verwerkt in de U&H strategie van de gemeente Wijk bij Duurstede. Ons college is op grond van artikel 7,2, lid 1 het Besluit omgevingsrecht danwel de artikelen 13.5 en 13.6 van het omgevingsbesluit bevoegd voor het vaststellen van het beleid. Deze ‘U&H-strategie Wijk bij Duurstede 2023-2026’ is op 16 mei 2023 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en treedt in werking, met terugwerkende kracht, op 1 januari 2023. Op basis van de strategie stellen wij jaarlijks een uitvoeringsprogramma op. Hierin wordt onder andere aangegeven welke capaciteit wordt ingezet in dat betreffende jaar en welke onderwerpen nadrukkelijk de aandacht krijgen. De gemeenteraad wordt achteraf via een jaarverslag geïnformeerd. 1.Inleiding 1.1.Waarom een U&H-strategie 2023-2026? Er zijn diverse aanleidingen voor het opstellen van deze U&H-strategie. Wettelijk is het verplicht op grond van zowel de Wabo (artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht) als de Ow (artikel 18.19 van de Omgevingswet in samenhang met artikelen 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit). Daarnaast is de looptijd van het ‘VTH-beleidsplan 2019 – 2022’ verstreken en dient er dus nieuw beleid te worden vastgesteld voor de uitvoering van de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Bovendien verplicht eerdergenoemde wetgeving de gemeente om het beleid regelmatig te evalueren en zo nodig aan te passen. Op grond hiervan is nagegaan wat het bestaande beleid heeft opgeleverd, welke doelstellingen zijn gerealiseerd en of de strategie bijstelling behoeft. De uitkomsten van deze evaluatie zijn opgenomen in deze U&H-strategie. Op het gebied van VTH zijn veranderingen gaande die voortvloeien uit ontwikkelingen die zich zowel landelijk, regionaal als lokaal voordoen. De komst van de Ow en de Wkb is hier een voorbeeld van. De invloed die deze ontwikkelingen hebben op de uitvoering van de VTH-taken zijn in deze strategie beschreven. Indien de veranderende wet- en regelgeving hierom vraagt, passen wij deze strategie tussentijds aan. Een nieuwe strategie sluit daarnaast aan bij de eisen die de provincie Utrecht in het kader van het interbestuurlijk toezicht stelt aan strategisch beleid. 1.2.Over welke taken gaat deze U&H-strategie? De U&H-strategie beschrijft de kaders waarbinnen de VTH-taken, op grond van nu nog de Wabo en na invoering de Ow en de Wkb, in Wijk bij Duurstede worden uitgevoerd. Concreet gaat het om de VTH-taken die de gemeente uitvoert op het vlak van: bouwen, brandpreventie, ruimtelijke ordening, milieu en de APV (kappen van bomen, slopen etc.) en de taken van de buitengewone opsporingsambtenaren (Boa’s). Voor de volledige uiteenzetting van de reikwijdte, het wettelijk- en bestuurlijk kader verwijzen wij naar de bijlagen A ‘Reikwijdte’ en B ‘Wettelijk kader’ in deel 2. 1.3.Doel en resultaten Wat is het doel van de U&H-strategie? De gemeente Wijk bij Duurstede wil samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties de verantwoordelijkheid nemen voor een veilige, duurzame, aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. In deze U&H-strategie beschrijven wij hoe wij vergunningverlening, toezicht en handhaving inzetten om risico's die de leefomgeving in Wijk bij Duurstede kunnen bedreigen zo veel als mogelijk uit te sluiten. Welke resultaten willen we bereiken? Om invulling te geven aan het bovengenoemde doel wil de gemeente in de planperiode de volgende resultaten bereiken: de inzet van toezicht en handhaving vindt plaats op basis van bestuurlijke keuzes en prioriteiten die sturend zijn voor de tijdsbesteding aan een zaak. de eigen verantwoordelijkheid en betrokkenheid (participatie) van inwoners en ondernemers bij ruimtelijke initiatieven is gestimuleerd en eenvoudige conflicten worden zo veel als mogelijk onderling opgelost; de uitvoering van de VTH-taken vindt plaats op het kwaliteitsniveau dat is opgenomen in het Besluit omgevingsrecht (Bor) (na inwerkingtreding van de Omgevingswet in het kader van deze wet) en de ‘Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Omgevingsrecht 2017 gemeente Wijk bij Duurstede’; de organisatie is ingericht op de Omgevingswet hetgeen tot uiting komt in aangepaste werkprocessen, het structureel gebruik van de intake- en omgevingstafel en het optimaal gebruik maken van Toepasbare Regels; er zijn nader uitgewerkte beleidskeuzes gemaakt over de handhavende rol van de gemeente onder de Wkb waardoor wij soepel, snel en op basis van heldere keuzes bouwmeldingen onder de Wkb kunnen afhandelen. De gemeente is een sterke samenwerkingspartner in de keten van vergunningverlening, toezicht en handhaving. In regionaal verband vindt uitwisseling van kennis en expertise plaats en wordt gezamenlijk gewerkt aan het optimaliseren van de beleidscyclus. 1.4.De U&H-strategie als onderdeel van beleidscycli Deze strategie maakt onderdeel uit van de beleidscyclus zoals wettelijk vastgelegd in het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Omgevingsbesluit. De beleidscyclus heeft tot doel om een logische aaneenschakeling tot stand te brengen van diverse bestuurlijke en uitvoerende werkprocessen. De beleidscyclus wordt de ‘dubbele regelkring’ of ‘big 8’ genoemd en is in nevenstaande figuur weergegeven. De U&H-strategie beschrijft binnen deze cyclus de prioriteiten, doelen en strategie. Het eerdergenoemde uitvoeringsprogramma richt zich op de werkwijze en geeft jaarlijks aan waarop de capaciteit wordt ingezet en welke producten worden afgeleverd. De uitvoering van dit programma wordt gemonitord en hiervan wordt verslag gedaan in het jaarverslag (evaluatie). De eventuele verbetermaatregelen die voortkomen uit de evaluatie worden gebruikt als aanscherping en verbetering van de probleemanalyse en prioriteiten. Naast de Big-8 bestaat onder de Omgevingswet ook een beleidscyclus. Deze kent een vergelijkbare opzet (Plan, do, check, act). Het verschil zit hem in het feit dat die cyclus betrekking heeft op de doelen voor het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Deze doelen wordt in de gemeente beschreven in onder meer de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De VTH-taken zijn in die cyclus te definiëren als één van de mogelijk in te zetten instrumenten. 2.Bronnen van het VTH-beleid 2.1.Inleiding De U&H-strategie en de hierin gemaakte keuzes vloeien voort uit gemeentelijke wensen en eisen, ervaringen uit de afgelopen jaren, regionale en landelijke ontwikkelingen en de samenwerking met externe partners. In dit hoofdstuk wordt kort bij deze bronnen stilgestaan en wordt in hoofdzaak vermeld wat de invloed is op de U&H-strategie. Daarnaast wordt een korte beschrijving gegeven van de gemeente aangezien hieruit kan worden opgemaakt welke aspecten bij de uitvoering van de VTH-taken van belang zijn. Een toelichting wordt gegeven in de bijlagen. 2.2.Gemeentelijke wensen en eisen Wat vindt de gemeente Wijk bij Duurstede belangrijk bij het uitvoeren van de U&H-taken? Wat zijn de doelen, resultaten en uitgangspunten? Dit komt terug in gemeentelijke beleidsnota’s en andere kaderstellende documenten zoals de Raadsagenda 2022 – 2026 ‘Waar verbinden begint en beginnen verbindt’ en de nota ‘Integrale handhaving van de woon- en leefomgeving 2021 – 2025’. Een belangrijk gemeentelijk uitgangspunt op het vlak van toezicht en handhaving is het in balans houden van preventie (oorzaken bestrijden) en repressie (sanctionerend optreden). Daarnaast wordt in de Raadsagenda aangegeven dat de bestuursstijl in Wijk bij Duurstede te kenmerken is als openstellend voor voortschrijdend inzicht en in gesprek gaand met inwoners, ambtelijke organisatie, college en (creatieve) expertise van buitenaf. In bijlage E ‘Gemeentelijke Kaders’ wordt ingegaan op andere van belang zijnde gemeentelijke documenten en de daaruit voortvloeiende uitgangspunten. 2.3.Ervaringen uit afgelopen jaren Het verlenen van vergunningen is de afgelopen jaren adequaat verlopen. De vergunningsaanvragen die zijn binnengekomen zijn, met een enkele uitzondering, binnen de wettelijk gestelde termijnen afgehandeld. De uitvoering van de toezicht en handhaving is de afgelopen jaren echter een aandachtspunt geweest doordat 2020, 2021 en een deel van 2022 in het teken hebben gestaan van de bestrijding van de COVID-19 pandemie. Daarnaast is door personele wisselingen, persoonlijke omstandigheden en de krappe arbeidsmarkt de formatie nooit op volle sterkte geweest. De beschikbare formatie is daarom vooral ingezet op het houden van het reguliere toezicht op afgegeven (bouw)vergunningen, het houden van toezicht op bouw- en milieuactiviteiten en het afhandelen van handhavingsverzoeken. Door de hierboven genoemde omstandigheden is het toezicht op een aantal activiteiten niet projectmatig uitgevoerd maar opgenomen in de reguliere controles. Bij geconstateerde misstanden is hiertegen opgetreden. De gemeente is zich ervan bewust dat ze in haar toezichthoudende en handhavende taak kwetsbaar is. Op 22 februari 2022 is daarom de nota ‘Integrale handhaving van de woon- en leefomgeving 2021 – 2025’ vastgesteld. Ook zijn ambtelijk wijzigingen doorgevoerd teneinde meer sturing te kunnen geven aan toezicht en handhaving. In de komende beleidsperiode komt voorts de nadruk te liggen op activiteiten die ervoor moeten zorgen dat de interne organisatie adequater haar taken kan uitvoeren. Hierbij gaat het om het verbeteren van de interne communicatie, het scherper prioriteren en het optimaliseren van de werkprocessen. In de bijlage F ‘Evaluatie VTH-beleid 2019-2022’, wordt hier nader op ingegaan. Kenmerken Wijk bij Duurstede De gemeente Wijk bij Duurstede omvat de kernen Cothen, Langbroek en Wijk bij Duurstede. De gemeente telt 23.917 inwoners (31 januari 2022, bron: CBS) op een oppervlakte van 50,3 km² waarvan 2,68 km² water. De gemeente Wijk bij Duurstede heeft een landelijke ligging boven de grote rivieren in het midden van Nederland. Ze ligt aan de kruising van het Amsterdam-Rijnkanaal met de Lek en de splitsing van de Nederrijn in de Lek en de Kromme Rijn. Het karakter van de gemeente bepaalt mede waaraan met name aandacht wordt besteed bij het verlenen van vergunningen, het houden van toezicht en het uitoefenen van handhaving. Wijk bij Duurstede is met name een woongemeente. Om aantrekkelijk te blijven vindt de gemeente het belangrijk om de woningvoor-raad te vergroten om aan de vraag van zowel jong (groei van aantal jonge gezinnen) als oud (door toenemende vergrijzing) te voldoen. In Wijk bij Duurstede moeten ongeveer 1.000 woningen worden gebouwd tot het jaar 2030. Voor het werk gaan de meeste inwoners de gemeente uit. Het zijn vooral MKB-bedrijven (t/m 9 werknemers) en ZZP’ers die voor de werkgelegenheid zorgen. De bedrijvigheid is divers van karakter waardoor er geen opvallend profiel te herkennen is. Er zijn in de gemeente 663 inrichtingen die meldings- danwel vergunningplichtig zijn op grond van de Wet milieubeheer1Peildatum 8 maart 2023. Hiervan komen de branches ‘Woon- en kantoorgebouwen’, ‘Detailhandel en ambachtsbedrijven’, ‘Veehouderijen’ en ‘Horeca, sport en recreatie’ het meeste voor. Er zijn in de gemeente vier bedrijventerreinen waarop diverse soorten bedrijven (van high tech tot constructiebedrijven) zijn gevestigd. Op drie van de vier bedrijventerreinen zijn bedrijven tot en met milieucategorie drie toegestaan en op één bedrijventerrein tot en met milieucategorie vier. In de gemeente zijn geen BRZO-inrichtingen. De gemeente ziet duurzaamheid als een kwaliteit, een uitgangspunt bij alles wat er wordt gedaan en bij elke keuze die wordt gemaakt. Dit uit zich onder meer in het streven om in 2030 een klimaatneutrale gemeente te zijn. Lokale ondernemers krijgen de ruimte om op de huidige locatie (of elders binnen de gemeentegrenzen) uit te breiden en hun bedrijf te verduurzamen. En voor nieuwe bedrijven wordt dat onderzocht op het bedrijventerrein Broekweg/Langshaven. 2.4.Lokale, regionale en landelijke ontwikkelingen De uitvoering van de VTH-taken is aan veranderingen onderhevig. Deze veranderingen vloeien voort uit wetgeving of uit beleidskeuzes die lokaal, regionaal of landelijk worden gemaakt. Hieronder worden de belangrijkste ontwikkelingen nader toegelicht. Lokale ontwikkelingen De belangrijkste lokale ontwikkelingen zijn hierboven beschreven namelijk de uitvoering van de raadsagenda 2022 – 2026 en de aanpassingen die doorgevoerd zijn op het gebied van toezicht en handhaving (zie bijlage F ’Evaluatie VTH-beleid 2019-2022’). Kortheidshalve wordt daar naar verwezen. Daarnaast is van belang het interbestuurlijk toezicht dat de provincie Utrecht houdt op de uitvoering van de VTH-taken bij gemeenten. De gemeente voldoet aan de gestelde eisen. Er wordt door de provincie wel aandacht gevraagd voor: het tijdig vaststellen van het gecombineerde jaarverslag/uitvoeringsprogramma voor milieu, bouw en ruimtelijke ordening; Het actualiseren en vaststellen van VTH-beleid; Het inzichtelijk maken van de personele en financiële middelen voor de uitvoering van de VTH-taken en het borgen in de begroting; Het (jaarlijks) evalueren van het naleven van de kwaliteitscriteria door de organisatie; Het voeren van regie op het uitvoeringsprogramma van de ODRU door zelf eerst de gevraagde capaciteit te bepalen op basis van een risicoanalyse en een prioritering. Punt 2 is afgerond. Punt 5 is doorgevoerd. De ODRU heeft na overleg met de gemeente in aparte documenten2Toelichtingsdocument bij ‘Uitvoeringsprogramma 2023’ Gemeente Wijk bij Duurstede definitief en ‘UVP 2023’ aangegeven welke taken voor Wijk bij Duurstede worden uitgevoerd. Punt 1 is in de praktijk lastig uit te voeren aangezien benodigde informatie van ketenpartners niet tijdig (te weten voor 1 januari van het betreffende uitvoeringsjaar) beschikbaar is. Tijdig wordt door de gemeente daarom uitgelegd als het eerste kwartaal van het betreffende uitvoeringsjaar. Hieraan wordt voldaan. Punt 3 gebeurt in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s en heeft de aandacht bij het opstellen van de gemeentelijke begroting. Punt 4 is tot nu toe nog niet volledig gebeurd. Door middel van de jaarverslagen wordt de raad wel geïnformeerd over de uitvoering van de VTH-taken maar daarmee worden niet alle kwaliteitscriteria aangestipt. Het ligt in de bedoeling om deze evaluatie in 2023 te laten plaatsvinden. Regionale ontwikkelingen Sinds 2010 bestaat er een ambtelijk overleg over de uitvoering van de VTH-taken tussen de provincie Utrecht, de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU), de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD), de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) en de Utrechtse gemeenten. Dit heeft geresulteerd in formats die in de beleidscyclus van opstellen beleid, uitvoeren beleid en monitoren van beleid worden gebruikt. Ook Wijk bij Duurstede gebruikt deze documenten Landelijke ontwikkelingen De landelijke ontwikkelingen manifesteren zich vooral in diverse grote wetgevingsoperaties. De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging zijn hier de belangrijkste van. Met beide wetten wordt bij het opstellen van dit beleid rekening gehouden. In de hoofdstukken 3 en 4 en bijlage C ‘Omgevingswet’ en D ‘Wet kwaliteitsborging voor het bouwen’ wordt nader op beide wetten ingegaan. Daarnaast heeft in maart 2021 de Commissie Van Aartsen een rapport uitgebracht3‘Om de leefomgeving, Omgevingsdiensten als gangmaker voor het bestuur’, 4 maart 2021. waarin aanbevelingen zijn gedaan om milieuhandhaving, -toezicht en vergunningverlening te versterken door het effectiever en slagvaardiger te maken. Deze aanbevelingen richten zich vooral op de omgevingsdiensten en gaan over zaken als het verhogen van de ondergrens van de omvang van omgevingsdiensten en het hebben van een zelfde basistakenpakket voor elke omgevingsdienst. Over deze aanbevelingen vinden nu landelijke discussies plaats. Aangezien niet duidelijk is in hoeverre de aanbevelingen worden overgenomen, wordt er in dit VTH-beleid niet op vooruitgelopen. Een laatste ontwikkeling die van belang is, is het aanpassen van de kwaliteitscriteria. Deze criteria hebben als doel de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken te borgen. Deze criteria zijn in 2022 aangepast aan de komst van de Omgevingswet aangezien deze wet andere competenties vereist. Met deze aangepaste kwaliteitscriteria wordt rekening gehouden bij het toetsen van de organisatie aan deze criteria. 2.5.Samenwerken met externe partners De gemeente Wijk bij Duurstede werkt samen met andere partijen aan een veilige, duurzame, leefbare, aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Een deel van de werkzaamheden wordt namens de gemeente, op basis van onder meer de uitgangspunten, prioriteiten en strategieën zoals bepaald in deze strategie, in mandaat uitgevoerd door de ODRU en de VRU. Afspraken over deze werkzaamheden (die zich vooral richten op de milieugerelateerde taken (ODRU) en de brandveiligheidstaken (VRU)) zoals over verantwoordelijkheden, diensten, producten en procedures zijn vastgelegd in dienstverleningsovereenkomsten. Deze partners stellen jaarlijks een begroting, jaarverslag, uitvoeringsprogramma en (kwartaal)rapportages op waarmee de gemeente kan sturen op haar prioriteiten. Daarnaast wordt in de regio Utrecht al lange tijd door gemeenten, ODRU, RUD, VRU en de Provincie Utrecht samengewerkt om ervaringen te delen, kennis uit te wisselen en projecten af te stemmen. De gemeente Wijk bij Duurstede participeert hier ook actief in. Eén van de doelen is om in gezamenlijkheid de kwaliteit en uniformering van de U&H-strategie, het uitvoeringsprogramma VTH en de VTH evaluaties te vergroten. Ook is de voorbereiding van de Omgevingswet in deze samenwerking opgepakt. Door het bestuurlijk ondertekenen van een Samenwerkingsovereenkomst Omgevingswet (SOK-OW) is dit proces geformaliseerd. In bijlage G ‘Samenwerkingspartners’ wordt nader ingegaan op de externe partners. 3.Doelstellingen, uitgangspunten en resultaten 3.1.Doelstellingen Met de uitvoering van onze U&H-taken wordt bijgedragen aan een veilige leefomgeving door erop toe te zien dat bestaande regels en voorschriften worden nageleefd. De taken richten zich vooral op de fysieke leefomgeving waarbij de nadruk ligt op: veiligheid (constructie en brandveiligheid), gezondheid, duurzaamheid en onze culturele, historische elementen. In de figuur hieronder worden de (sub)doelen voor de komende beleidsperiode weergegeven. Aan de hand van bovenstaande doelen zijn drie pijlers van belang voor de uitvoering en handhaving: Daar waar mogelijk treden we als overheid terug en laten we meer over aan inwoners en ondernemers. We doen een groter beroep op de eigen kracht en verantwoordelijkheid bij het in gesprek gaan met de omgeving over het ontwikkelen en uitvoeren van initiatieven en het naleven van regels. We treden op wanneer de risico's van dien aard zijn dat de verantwoordelijkheid voor de naleving redelijkerwijs niet aan inwoners en ondernemers overgelaten kan worden. Als basis geldt vertrouwen in de lokale samenleving. We gaan in gesprek met onze inwoners en ondernemers over vergunningsaanvragen en wanneer regels overtreden worden. Wanneer sprake is van overtredingen met een laag risicoprofiel, proberen we partijen te begeleiden in het samen vinden van oplossingen. Op basis van de eerste twee pijlers gaat preventie boven repressie. We geven informatie en voorlichting over de regels en de reden dat de regels gesteld worden. De bestuursrechtelijke middelen blijven echter exclusief voorbehouden aan de gemeente. 3.2.Uitgangspunten Uitgangspunten geven sturing aan de wijze hoe de VTH-taken worden uitgevoerd. Ze vormen de basis voor de activiteiten die wij uitvoeren om onze doelen en resultaten te behalen. Er zijn algemene uitgangspunten en uitgangspunten die zich richten op Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving. Een toelichting op de uitgangspunten wordt gegeven in bijlage H ‘Toelichting op uitgangspunten’. Algemene uitgangspunten Het toetsen van vergunningen, het houden van toezicht en het handhaven van regels gebeurt risicogestuurd hetgeen betekent dat prioriteit wordt gegeven aan onderwerpen met de grootste impact op de veiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving en dat de aanpak wordt afgestemd op het aanwezige risico en het gedrag van de overtreder. Belangrijke aandachtspunten zijn (constructieve) veiligheid, brandveiligheid, duurzaamheid, gezondheid en cultuurhistorie. We passen regels consequent toe en leveren maatwerk waar nodig. We behandelen iedereen in een zelfde situatie op een gelijke manier. Bij het beoordelen van situaties wordt het algemeen belang boven het individuele belang gesteld. We communiceren open, duidelijk en transparant over de wijze waarop wij het beleid uitvoeren. In de contacten met de inwoners en ondernemers staat de klantvriendelijkheid voorop. We beslissen niet meer alleen wat de beste oplossing is voor een vraagstuk, maar stellen onze kennis beschikbaar zodat we samen met anderen tot die beste oplossing komen. Uitgangspunten vergunningverlening We beoordelen initiatieven vanuit mogelijkheden en oplossingen (‘ja, mits’ i.p.v. ‘nee, tenzij’). We informeren en begeleiden inwoners en ondernemers bij vergunningaanvragen. We behandelen aanvragen zo snel mogelijk af en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen. Om dit te realiseren zijn of worden de volgende maatregelen doorgevoerd: de gemeente werkt met een goed ingericht workflowsysteem (zaaksysteem) waardoor volledig digitaal gewerkt kan worden; de gemeente werkt met een intake- en omgevingstafel om zodoende de wenselijkheid en haalbaarheid van een initiatief al in een vroegtijdig stadium te beoordelen; de gemeente zorgt op de website van de gemeente en in het voorlichtings-materiaal voor heldere, makkelijk te vinden beschrijvingen van wat we verwachten van vergunningaanvragers; er wordt altijd op afspraak gewerkt om zelf goed voorbereid te zijn alsmede om de potentiële vergunningaanvrager de gelegenheid te geven zich goed voor te bereiden; er wordt gebruik gemaakt van een flexibele schil (detacheringsbureau) waardoor pieken in werkvoorraad kunnen worden opgevangen; Vergunningverlening vindt plaats volgens de Vergunningenstrategie (zie bijlage I ‘Vergunningenstrategie’) Uitgangspunten Toezicht en Handhaving Toezicht en handhaving vindt plaats volgens de naleefstrategie (zie bijlage M ‘Naleefstrategie’). We zetten in op adequate communicatie om in een vroeg stadium overtredingen te signaleren en te voorkomen. We vertrouwen op de eigen verantwoordelijkheid van onze inwoners en ondernemers en gaan bij toezicht en handhaving eerst het gesprek aan om te zoeken naar een oplossing en indien nodig en mogelijk de-escalerend op te treden. Hier geldt het uitdrukkelijke voorbehoud van de mogelijkheid die wet- en regelgeving bieden. Toezicht en handhaving doen we samen met onze ketenpartners. De gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (evenredigheidsbeginsel). Bij bewuste overtredingen met een hoog risicoprofiel zetten we formele handhavingsinstrumenten in om naleving van de regels af te dwingen. 3.3.Resultaten Met het behalen van bovenstaande doelstellingen worden de volgende resultaten beoogd: de beschikbare capaciteit wordt ingezet daar waar onze kennis en kunde (het meest) nodig is. eigen verantwoordelijkheid en naleefgedrag van inwoners en bedrijven wordt gestimuleerd. de inzet van handhaving is gebaseerd op vastgestelde prioriteiten en bestuurlijk vastgestelde thema’s. de gemeentelijke organisatie voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen. de gemeentelijke organisatie heeft de interne communicatie verbeterd, is in staat scherper te prioriteren in de uit te voeren acties en heeft haar werkprocessen geoptimaliseerd. er zijn uitgewerkte beleidskeuzes over de inzet onder de Omgevingswet. Hierbij gaat het om de inzet in het voortraject (omgevingstafels), gedurende de behandeling van de aanvraag (afhandelingstermijnen) en over de te stellen kaders (bv gebruik vergunningstelsels, verboden of open en/of gesloten normen). er zijn uitgewerkte beleidskeuzes over de handhavende rol van de gemeente onder de Wkb. 4.Omgevingswet 4.1.Inleiding Op 1 januari 2024 wordt de Omgevingswet van kracht. De Omgevingswet bundelt (delen van) 26 bestaande wetten voor onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Gemeenten krijgen meer beleidsvrijheid en verantwoordelijkheid en meer mogelijkheden om lokale afwegingen te maken. De gemeenten krijgen nieuwe instrumenten, die zij gaan inzetten om hun doelen en ambities t.a.v. de fysieke leefomgeving te verwezenlijken, namelijk de omgevingsvisie, het programma en het omgevingsplan. In bijlage C ‘Omgevingswet’ wordt uitgebreider op de Omgevingswet ingegaan. 4.2.Wat wijzigt er op het vlak van uitvoering en handhaving? Voor de meest voorkomende activiteiten, zoals milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten, geldt nog steeds een plicht om een omgevingsvergunning aan te vragen. De wetgever heeft op rijksniveau voor zoveel mogelijk activiteiten algemene regels gemaakt. Daardoor heeft de initiatiefnemer van een activiteit niet meer altijd toestemming nodig. Ten aanzien van de omgevingsvergunning onder de Wabo zijn dit de belangrijkste wijzigingen waarmee door de komst van de Ow rekening moet worden gehouden: Het realiseren van (passende) wensen. Het gedachtegoed van de Ow is om te kijken naar wat wél kan. Een van ‘nee, tenzij’, naar ‘ja, mits’ omslag. De reguliere procedure (afhandelingstermijn van 8 weken) wordt standaard De vergunning van rechtswege vervalt Één loket, bij meervoudige aanvragen zijn gemeenten het bevoegd gezag Meldingen en aanvragen komen binnen via DSO, per mail of analoog Nieuwe definities, begrippen en terminologie Informatie over toegepaste participatie is een indieningsvereiste De ‘knip’ in een vergunning voor het bouwtechnische deel (op basis van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen) en het ruimtelijke deel (op basis van de Omgevingswet). Door de komst van de Ow zal de grondslag waarop getoetst wordt veranderen. Nu gebeurt dit veelal op basis van het Bouwbesluit en of gemeentelijke bestemmingsplannen of verordeningen. Het toetsen op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (opvolger van het bouwbesluit onder het regime van de Omgevingswet) zal straks veelal door een kwaliteitsborger gebeuren (zie hoofdstuk 5). De regels uit gemeentelijke bestemmingsplannen en - verordeningen gaan grotendeels over in het omgevingsplan. Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden verandert. Onder de Ow is de mogelijkheid gecreëerd om in het omgevingsplan minder vergunning-plichten te hebben en meer zorgplichten of meer algemene regels. Dit kan ertoe leiden dat waar voorheen vooraf werd getoetst, toetsingen in het nieuwe stelsel meer achteraf kunnen plaatsvinden. De mate waarin de gemeente in het omgevingsplan met gesloten- of open normen gaat werken wordt de komende jaren meer (en verder) vormgegeven. 4.3.Keuzes gemeente bij uitvoering Niet alle hierboven genoemde wijzigingen leiden tot beleidskeuzes. Een aantal wijzigingen (zoals het vervallen van de vergunning van rechtswege of het binnenkomen van aanvragen en meldingen via het DSO) zijn een gegeven en leiden tot aanpassingen in het werkproces. Deze worden doorgevoerd. Het organiseren van de versnelde afhandelingstermijn en de wijze van participatie heeft tot de volgende keuzes geleid. Intaketafel Bij de afhandeling van aanvragen zijn de door de wetgever vastgestelde afhandelingstermijnen bepalend. Zo valt het merendeel van de ingediende aanvragen op grond van de Ow onder de zogenoemde reguliere procedure waarvoor in beginsel een beslistermijn van acht weken geldt. Deze termijn kan eenmalig met zes weken worden verdaagd. Als de beslistermijn verstreken is, kan dit tot gevolg hebben dat de gemeente op grond van Algemene wet bestuursrecht een dwangsom moet betalen aan de aanvrager. Wel bepaalt de Ow dat de uitgebreide procedure van toepassing is, op verzoek of met instemming van de aanvrager. Daarnaast kan het college bij activiteiten die aanzienlijke gevolgen voor de omgeving hebben en waarvan de verwachting is dat verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben, besluiten dat de uitgebreide procedure van toepassing is. Maar in het algemeen moet dus veel sneller duidelijk worden of een vergunning al dan niet wordt verleend. Dit betekent dat de voorbereiding van de omgevingsvergunning zoveel mogelijk in de informele voorfase (dus voor het indienen van de officiële aanvraag) plaatsvindt. Op die manier kan met een kortere beslistermijn worden volstaan. Om dit realiseren is gekozen voor het inrichten van een zogenaamde intake- en omgevingstafel. Aan deze tafel wordt op basis van het uitgangspunt: ‘Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?’ met betrokken vertegenwoordigers van de gemeentelijke organisatie, ketenpartners en belanghebbenden een plan beoordeeld op haalbaarheid en wenselijkheid.. Een proces dat (ruimschoots) start voordat een aanvraag om omgevingsvergunning formeel ingediend wordt bij de gemeente. Participatie Onder de Ow dient een aanvrager op het aanvraagformulier aan te geven of aan participatie is gedaan. Dit nieuwe vereiste stimuleert initiatiefnemers om informatie te verschaffen over de wijze waarop de belangen van belanghebbenden zijn gehoord en hoe het resultaat daarvan is verwerkt in het plan. Een initiatiefnemer is niet verplicht om participatie toe te passen, tenzij de raad heeft besloten om activiteiten aan te wijzen waarbij de verplichting wel geldt. Deze aanwijzing dient door de gemeenteraad nog te worden genomen. Als de aanvrager dit niet doet, kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Gesloten- of open normen omgevingsplan Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden verandert. Onder de Ow is de mogelijkheid gecreëerd om in het omgevingsplan minder vergunningplichten te hebben en meer zorgplichten of meer algemene regels. Dit kan ertoe leiden dat waar voorheen vooraf werd getoetst, toetsingen in het nieuwe stelsel meer achteraf kunnen gaan plaatsvinden. De mate waarin de gemeente in het omgevingsplan met gesloten- of open normen gaat werken wordt de komende jaren meer (en verder) vormgegeven. 5.Wet kwaliteitsborging voor het bouwen 5.1.Inleiding De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb) beoogt een stelsel te ontwikkelen waarmee marktpartijen (kwaliteitsborgers) garanderen dat het te realiseren bouwplan bij oplevering een bepaald kwaliteitsniveau heeft. De invoering van de Wkb is gekoppeld aan de invoering van de Omgevingswet in casu 1 januari 2024. De Wkb wordt gefaseerd ingevoerd. Het voorstel is om te beginnen met nieuwbouw welke valt onder de zogenaamde gevolgklasse 1 zoals grondgebonden eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. De bedoeling is om vanaf de datum van inwerkingtreding van de Wkb 5 jaar uit te trekken om de werkwijze van het nieuwe stelsel voor gevolgklasse 1 goed te kunnen borgen. De Wkb zal voor de gevolgklassen 2 (zoals gemeentehuizen en woontorens tot 70 meter) en 3 (zoals stadions, ziekenhuizen en woontorens hoger dan 70 meter) niet eerder dan 2028 worden ingevoerd. 5.2.Wat wijzigt er op het vlak van uitvoering en handhaving? De wet heeft tot gevolg dat de gemeente een beperkte taak overhoudt bij het toetsen van een aanvraag omgevingsvergunning bouwen. Het toetsen van het bouwplan aan de bouwregelgeving door de gemeente wordt vervangen door toetsing en toezicht door kwaliteitsborgers op het bouwwerk zoals dat wordt gebouwd. De kwaliteitsborger dient hiertoe minstens 4 weken voor het begin van de bouwwerkzaamheden een melding aan de gemeente te doen. De gemeente kijkt alleen nog of de melding compleet is. Hierbij kan worden gedacht aan de naam- en adresgegevens, een beschrijving van het bouwwerk, een beschrijving van de kwaliteitsborger, het gebruikte toetsinstrument, de risicobeoordeling (welke risico’s zijn er die ertoe zouden kunnen leiden dat er niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan) en het borgingsplan (welke maatregelen worden genomen om die risico’s te voorkomen of te beperken). In de risicobeoordeling moet rekening worden gehouden met (bijzondere) locatie specifieke omstandigheden (bijvoorbeeld als de grond een afwijkende draagkracht heeft en de fundering op grond hiervan moet worden aangepast). De kwaliteitsborger treedt hierover in overleg met de gemeente. Dit geldt bij invoering van de wet dus voor gevolgklasse 1 en niet eerder dan vanaf 2028 voor de gevolgklassen 2 en 3. De gemeente blijft verantwoordelijk voor het toezicht op de bestaande bouw. De gemeente toetst daarnaast ook nog steeds aan welstand, ruimtelijke ordening en omgevingsveiligheid (zowel bij de toetsing van de aanvraag als tijdens de bouw). 5.3.Keuzes gemeente bij uitvoering Bij het vervullen van deze nieuwe rol, biedt de Wkb ruimte aan gemeenten om in beleid specifieke keuzes te maken over: Bij welk type bouwwerk of onderwerp de gemeente (wanneer) wel/niet betrokken wil worden. Artikel 2.20 van het Besluit bouwwerken leefomgeving biedt de gemeente de mogelijkheid om voor specifieke bouwwerkzaamheden en de momenten waarop deze worden uitgevoerd gegevens en bescheiden op te vragen. De risicobeoordeling en het borgingsplan zijn bedoeld om de gemeente inzicht te geven in de risico’s in een bouwwerk en de borging daarvan door de kwaliteitsborger en de bouw zelf. Wordt dit onvoldoende geborgd, dan kan de gemeente tijdens de uitvoering van een bepaald onderdeel van de bouw zelf toezien als zij dat nodig acht. Hoe de gemeente omgaat met de informatie van de kwaliteitsborger over geconstateerde strijdigheid met de bouwregelgeving. Is sprake van een strijdigheid die aan de verklaring in de weg staat (3.86 lid 1, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)), dan is de kwaliteitsborger verplicht de gemeente hierover te informeren. De gemeente moet zelf bepalen hoe zij vanuit haar handhavende rol met de verstrekte informatie omgaat. Dat kan bijvoorbeeld administratief (schrijven aan indiener melding ‘verbod op gebruik totdat er info wordt overlegd waaruit blijkt dat het probleem is opgelost’) of inhoudelijk (de bouwplaats op). De wijze waarop de gemeente omgaat met de gereedmelding bouwen. Bij de gereedmelding wordt een ‘As build’ dossier aan de gemeente verstrekt. Doel van het dossier is dat de gemeente – bijvoorbeeld in geval van een calamiteit of toekomstige verbouwingen – over informatie beschikt die nodig is voor het toezicht op het gerealiseerde bouwwerk. De gemeente heeft als taak om te toetsen of dat dossier volledig is en dus of alle stukken aanwezig zijn. De gemeente kan vervolgens kiezen om het dossier inhoudelijk te beoordelen met als doel eventueel nog zelf een controle uit te voeren of deze stukken zonder verdere inhoudelijke beoordeling te archiveren voor toekomstig gebruik. Bij het maken van deze keuzes vertrouwen wij op de deskundigheid van de kwaliteitsborgers. Onder de Wkb ziet een onafhankelijke (gecertificeerde) kwaliteitsborger erop toe dat het bouwwerk daadwerkelijk aan de eisen uit het Bbl (Bouwbesluit 2012) voldoet. Het is ook de kwaliteitsborger die aan de vergunninghouder een verklaring afgeeft op het moment dat er een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat het bouwwerk voldoet aan het Bbl (Bouwbesluit 2012). Het bevoegd gezag, de gemeente, vertrouwt (en mag in beginsel vertrouwen) op de deskundigheid van de kwaliteitsborger, en laat de verantwoordelijkheid voor het voldoen van het bouwwerk aan wet- en regelgeving, daar waar deze hoort. Wij toetsen slechts op uitgangspunten (administratief) en laat een inhoudelijke beoordeling van de strijdigheid en het ‘As build’ dossier in beginsel achterwege. Om de algehele kwaliteit van de verstrekte gegevens/dossiers te bepalen (controleren) worden ieder jaar steekproefsgewijs tien dossiers beoordeeld. Risicogestuurd toezicht door de gemeente is aan de orde bij de locatie specifieke aspecten die van invloed kunnen zijn op het voldoen aan de voorschriften. In Wijk bij Duurstede zijn bescherming van natuur en landschap en archeologische waarden zulke specifieke aspecten (zie ook paragraaf 6.3). Eventuele andere specifieke aspecten worden bij het vooroverleg benoemd. De Wkb verplicht in artikel 2.19, lid 2, initiatiefnemers deze specifieke lokale omstandigheden mee te nemen in een risicobeoordeling. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet de gemeente de toezichts- en handhavingsprocessen bij bouwactiviteiten ook hebben aangepast aan de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). Het gaat dan om de inrichting van processen, de informatievoorziening, de afspraken met uitvoeringsdiensten en private partijen en de juridische en inhoudelijke aspecten. 6.Prioriteiten 6.1.Inleiding Er is onvoldoende capaciteit om alle VTH-taken uitputtend uit te voeren; dit betekent dan ook keuzes maken en prioriteiten stellen. Net zoals in voorgaande We doen dit aan de hand van een prioriteitstelling waar een risicoanalyse aan ten grondslag ligt. Hiermee worden keuzes gemaakt ten aanzien van de inzet van capaciteit en middelen. De inzet op activiteiten met een lage prioriteit is minder dan op activiteiten met een hoge prioriteit. Er valt te denken aan de diepgang van toetsing van een vergunningaanvraag, de bezoekfrequentie van toezicht en de wijze waarop handhavingszaken in behandeling worden genomen (nu doen of later inplannen). 6.2.Prioriteiten Om de prioriteiten te bepalen, is nagegaan welke overtredingen de meeste risico’s (kunnen) veroorzaken. Daarnaast is bepaald welke problemen zich kunnen voordoen, hoe ernstig deze problemen zijn en hoe groot het risico is dat deze problemen zich zullen voordoen indien er onvoldoende gecontroleerd wordt. Hierbij is gebruik gemaakt van een risicoanalyse. In deze analyse zijn de uit te voeren taken en de mogelijke risico’s in beeld gebracht. In de bijlage K ‘Risicoanalyses’ wordt nader ingegaan op de analyse die is toegepast om de prioriteiten te kunnen stellen. Uit de risicoanalyse kwam naar voren dat de uitvoering van de VTH-taken zich de komende beleidsperiode vooral gaat richten op: Bouw vergunningverlening Beschrijving Bijeenkomstfunctie (onderwijs/kinderopvang) Bijeenkomstfunctie (overig o.a. horeca, dorpshuizen) Gezondheidsfunctie met bedgebied Opslag van zaken Bedrijfsmatige activiteiten bij particulieren Bouw toezicht en handhaving Beschrijving Brand fysiek Afval Opiumwet Milieu De risicoanalyse voor milieubelastende activiteiten is regionaal op basis van de Omgevingswet gemaakt en gaat uit van het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving). De risicoanalyse is als bijlage 3 opgenomen in de ‘Uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie 2022-2023’ van de ODRU die op 22 februari 2022 door ons is vastgesteld. Kortheidshalve wordt dan ook naar deze strategie verwezen. Een link naar deze strategie is opgenomen in deel 3 van deze strategie. Brandveiligheid De controles van de VRU op bestaande bouw worden geprioriteerd aan de hand van de Risicomodule preventietaken (zie bijlage K Risicomodules), waarin per gebouwcategorie de risico’s van het optreden van een incident in een gebouw gekoppeld worden aan de kans dat een dergelijk incident zal optreden; de kans maal effect benadering. De beschikbare capaciteit voor toezicht bij de VRU wordt naar rato van de risicoscore verdeeld: gebouwen en bouwwerken met de hoogste risicoscore worden jaarlijks gecontroleerd, terwijl objecten met een lagere scoren twee- of vierjaarlijks gecontroleerd worden. Jaarlijks stelt de VRU een jaarplan voor de activiteiten op, waarbij de toezichttaken kunnen worden opgenomen in het handhavingsuitvoeringsprogramma van de gemeente. Op het vlak van brandveiligheid richt de uitvoering van de VTH-taken zich met name op: Beschrijving Gezondheidszorgfunctie met bedgebied Zonnevelden Woonfunctie voor zorg: 24-uurs groepszorg woningen en Zorgclusterwoningen in een woongebouw Bijeenkomstfunctie (onderwijs/kinderopvang) Bijeenkomstfunctie (dagbesteding) Kamergewijze verhuur Logiesfunctie (hotels, Bed&Breakfast) Landelijke prioriteiten Landelijk zijn de volgende zeven risicothema’s als prioriteit aangemerkt: Constructieve veiligheid; Brandveiligheid van gebouwen; Handhaven bestemmingsplannen; Asbest; Risicovolle inrichtingen; Bodem (toepassing van verontreinigde grond); en Brandveiligheid bij opslag gevaarlijke stoffen. Deze risicothema’s krijgen bijzondere aandacht. De thema’s ‘constructieve veiligheid’, ‘brandveiligheid gebouwen’ en ‘handhaven bestemmingsplannen’ worden in bijlagen I en J als kaders genoemd waar de gemeente altijd op toetst en toezicht op houdt. De risicothema’s Asbest (milieu), Bodem (milieu), Brandveiligheid opslag gevaarlijke stoffen (milieu) en Risicovolle inrichtingen (milieu) komen terug in de risicoanalyse bij de U&H-strategie regio Utrecht (zie deel III). 6.3.Aandachtsgebieden Het diepgaander toetsen van aspecten van de vergunningaanvraag waar de meeste risico’s kunnen ontstaan en het risicogestuurd houden van toezicht en handhaving heeft als voordeel dat de beperkte capaciteit doelmatig wordt ingezet, maar heeft het risico in zich van het krijgen van een tunnelvisie. Het is van belang dat gereflecteerd blijft worden op de hele fysieke leefomgeving en dat met regelmaat wordt afgevraagd wat er binnen de gemeentegrenzen gebeurt en wat dit betekent. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de ‘straatervaringen’ van toezichthouders, vergunningverleners en beleidsadviseurs alsmede van ervaringen van derden. Daarnaast wordt er bestuurlijk aandacht gevraagd voor bepaalde situaties die zich voordoen.4De prioriteiten die op het gebied van handhaving van de openbare orde en veiligheid leidend zijn, staan in het IVP en UVP, in dit document wordt alleen ingegaan op ondermijning. Dit heeft geleid tot de volgende aandachtsgebieden waar zo nodig extra projectmatige toezicht- en handhavingsactiviteiten en juridische capaciteit voor nodig zijn: Vergunningverlening Beschrijving aandachtsgebied Beoogde acties Bescherming natuur en landschap De gemeente Wijk bij Duurstede kent een grote diversiteit qua flora en fauna. De natuurlijke omgeving karakteriseert onze gemeente en vraagt om voortdurende bescherming. Tijdens het vergunningentraject wordt een zogenaamde natuurtoets ingevoegd. Archeologische waarden De gemeente Wijk bij Duurstede kent een bijzonder en lange bewoningsgeschiedenis. Overal zijn nog sporen uit een ver verleden te ontdekken en beleven. De aanwezigheid van deze archeologische vindplaatsen draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. De verantwoordelijkheid voor bescherming van archeologisch erfgoed ligt conform de Monumentenwet, en in de toekomst de Omgevingswet, bij gemeenten. De gemeente Wijk bij Duurstede ziet toe op behoud van archeologisch erfgoed door middel van regels in bestemmingsplannen en voorschriften aan omgevingsvergunningen. Als blijkt dat er behoudens-waardig archeologisch erfgoed in het geding is, moet dit of onaangetast in de grond blijven zitten, dit wordt behoud in situ genoemd, of worden opgegraven door deskundigen, dit wordt behoud ex situ genoemd. De archeologische waarden worden o.a. beschermd met het bestemmingsplan (omgevings-plan). Tijdens het vergunningen-traject wordt hieraan actief getoetst. Toezicht en handhaving Beschrijving aandachtsgebied Beoogde actie(
- s)Het terugdringen van georganiseerde criminaliteit door signalen van ondermijning op te pakken en integraal informatie uit te wisselen. Het voorkomen dat de ondermijnende en georganiseerde criminaliteit misbruik maakt van gemeentelijke dienstverlening of bestuurlijke structuren. Het verstoren van criminele samenwerkings-verbanden binnen de autobranche, het buitengebied en/of industriegebieden en bedrijventerreinen als gelegenheidsstructuur voor georganiseerde en ondermijnende (drugs)criminaliteit. Als illegale activiteiten worden geconstateerd wordt, afhankelijk van aard en ernst van de overtreding, opgetreden. 7.Strategieën 7.1.Vergunningenstrategie Gezien de werkvoorraad en menskracht die aanwezig is, moeten op het gebied van vergunningverlening keuzes worden gemaakt over de inzet van de medewerkers. Keuzes over waar aandacht aan besteed wordt bij het verlenen van vergunningen en de intensiteit van het toetsen. Deze ‘Vergunningen-analyse’ richt zich daarmee op de soort en hoeveelheid aanvragen en de aspecten die bij het beoordelen van deze aanvragen het meest relevant zijn. Het gaat hier enerzijds om taken, aantallen en categorieën en anderzijds om de niveaus van toetsing van een aanvraag. Het toetsniveau hangt af van de risico’s die zich bij een activiteit kunnen voordoen waarvoor vergunning wordt gevraagd. Daarnaast wordt bij het toetsen van vergunningsaanvragen rekening gehouden met de doelstellingen en uitgangspunten die de gemeente heeft bij het verlenen van vergunningen en het afhandelen van meldingen (zie hoofdstuk 3). In het taakveld bouw doen de grootste nadelige effecten zich voor bij gebouwen waar veel personen aanwezig (kunnen) zijn. Dat deze gebouwen de grootste risico’s met zich meebrengen komt doordat het risico op onomkeerbare schade bij deze bouwwerken het grootst is. Andere aspecten die in Wijk bij Duurstede extra van belang zijn om op te toetsen zijn de bescherming van de natuur en het landschap en de archeologische waarden. De taken op het gebied van milieu worden door de ODRU in mandaat uitgevoerd. De ODRU heeft in haar uitvoerings- en handhavingsstrategie aangegeven dat zij aanvragen beoordeeld op de technisch inhoudelijke complexiteit en de sociaal maatschappelijke complexiteit. Dit leidt tot vier categorieën vergunningen, te weten: vergunning eenvoudig, vergunning specifiek, vergunning eenvoudig plus en vergunning specifiek plus. De Veiligheidsregio Utrecht doet namens de gemeente de inhoudelijke toets op brandveiligheid bij bouwen, ruimtelijke ordening, vuurwerkopslagplaatsen en evenementen. Het voornaamste doel is het streven naar minder branden, minder slachtoffers en minder schade. Hierbij zijn vooral het voorkomen van calamiteiten (preventie) en het creëren van vluchtmogelijkheden van essentieel belang. In bijlage I ‘Vergunningenstrategie’ wordt nader ingegaan op hetgeen hierboven beschreven is. 7.2.Naleefstrategie Inwoners en ondernemers zijn zelf verantwoordelijk voor het naleven van voorschriften. De gemeente heeft de rol naleving van voorschriften te bevorderen. Gemeentelijke handhaving is het sluitstuk van een traject waarin eerst is gesproken met de overtreder en mee wordt gedacht over een oplossing (bijv. vergunning verlenen). Pas als dit traject niet tot een oplossing leidt, is handhaving aan de orde. Bij de uitvoering van handhaving houden wij rekening met de persoonlijke omstandigheden van de overtreder maar wij hebben ook oog voor de belangen van eventueel andere betrokkenen. Ten aanzien van toezicht en handhaving zijn wij voorstander om te kijken naar andere manieren/mechanismen die naleven van regels bevorderen en borgen. Het geven van eigen verantwoordelijkheid en vertrouwen heeft echter zijn grenzen. We willen namelijk primair een schoon, veilig, gezond en mooi Wijk bij Duurstede. Als wij vinden dat de grenzen te veel of te lang worden overschreden dan leggen wij herstel- of strafmaatregelen op. In deze strategie is beschreven wanneer wij vinden dat er moet worden opgetreden. Tevens is opgenomen welke stappen wij daartoe ondernemen en welke maatregelen wij passend achten. De wijze waarop de gemeente toezicht houdt en handhaaft, is beschreven in de naleefstrategie. De naleefstrategie richt zich enerzijds op het stimuleren van de naleving en anderzijds op het reduceren van de risico’s die ontstaan bij het niet naleven van de regels. De naleefstrategie is een onderling afgestemd geheel van deelstrategieën voor preventie, toezicht, sancties en gedogen. De preventiestrategie richt zich op het vergroten van de bewustwording bij inwoners en ondernemers. Het doel is dat er minder toezicht en repressieve handhaving hoeft plaats te vinden omdat er minder overtredingen worden begaan. Bij het vergroten van de bewustwording speelt communicatie een belangrijke rol. Zo moeten inwoners, ondernemers etc. weten welke regels er zijn. De gemeente heeft de taak om hen daarover te informeren. In deze strategie zien wij een link met onder andere het uitgangspunt dat handhaving eenduidig, helder en transparant is. In de toezichtstrategie is beschreven op welke wijze de gemeente toezicht houdt. Stelregel is dat indien niet hoeft te worden opgetreden, dat ook niet gedaan wordt. Waar het kan, wordt naleving van de regels bevordert via communicatie, voorlichting en advies. In de sanctiestrategie wordt beschreven welke instrumenten het college kan inzetten bij geconstateerde overtredingen. Welk instrument wordt gebruikt hangt af van de potentiële schade, gevaar of hinder die de overtreding veroorzaakt of kan veroorzaken, de aard van de overtreding en de houding van de overtreder (Hoe stelt de houder zich op? Komt de houder zijn afspraken na?). Als het college toch moet optreden dan is het ingrijpen er primair op gericht om de oude situatie te herstellen. Dit zal doorgaans geschieden via een last onder dwangsom waarbij de overtreder de overtreding zelf binnen een bepaalde termijn moet herstellen. Als hij/zij dat niet doet dan kan het college een dwangsom (een te betalen geldbedrag) opleggen. Er is soms sprake van zeer bijzondere omstandigheden waardoor het noodzakelijk en rechtvaardig is om van handhavend optreden af te zien. Dit kan alleen als er een expliciet besluit van het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente aan ten grondslag ligt. Wanneer we gedogen en op welke wijze we dat doen staat beschreven in de gedoogstrategie. In bijlage M ‘Naleefstrategie’ wordt nader ingegaan op de hierboven beschreven strategieën en de wijze waarop wij in Wijk bij Duurstede invulling aan geven. 8.Organisatie en kwaliteitsborging 8.1.Inleiding Vergunningverlening, toezicht en handhaving draait om het beheersen van risico's voor de samenleving. De inwoners van Wijk bij Duurstede moeten erop kunnen vertrouwen dat de gemeente de belangrijkste risico's goed onder controle heeft. Om dit vertrouwen waar te maken is het belangrijk dat de gemeentelijke organisatie op een adequaat niveau de kwaliteit van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving kan garanderen. Dit hoofdstuk beschrijft wij ervoor zorgen dat het voorgenomen beleid kan worden uitgevoerd en hoe daar verantwoording over wordt afgelegd. 8.2.Organisatie De uitvoering van de VTH-taken op het gebied van de Wabo, (na 1 januari 2024 deels de Ow en deels de Wkb), APV en brandveiligheid, is grotendeels ondergebracht bij het team Dienstverlening. In de onderstaande tabel is de formatie die zich met de uitvoering van deze taken bezighoudt beschreven: Functie Team Formatie Uren Vergunningverlener (incl. applicatiebeheer) Dienstverlening 3,72 fte 5.208 Toezichthouder Dienstverlening 2 fte 2.800 Buitengewoon opsporingsambtenaar Dienstverlening 3 fte 4.200 Coördinator VTH Dienstverlening 1 fte 1.400 Beleidsadviseurs* en omgevingsjurist Fysieke leefomgeving 7,47 fte 10.458 Handhavingsjurist Dienstverlening 2 fte 2.800 Teamleider Dienstverlening 1 fte 1.400 Totaal 20,19 fte 28.266 * De beschikbare formatie voor beleidsadviseurs wordt gedeeltelijk ingezet op VTH-taken. Van zowel de 2 fte aan handhavingsjuristen als de 2 fte toezichthouders bestond bij het opstellen van dit VTH-beleidsplan 1 fte vacature. De capaciteit voor de uitvoering van de VTH-taken hangt af van de opgaven waar de gemeente voor staat. Indien extra inzet nodig is, kan hier op structurele of flexibele wijze invulling aan gegeven worden. De gemeenteraad zal zo mogelijk in het kader van het budgetrecht hiertoe besluiten. De formatie is namelijk geborgd door vastlegging in de gemeentebegroting welke is gekoppeld aan de meerjarenbegroting. De geraamde uren en middelen van ODRU en VRU zijn vastgelegd in dienstverleningsovereenkomsten en zijn eveneens geborgd in de meerjarenbegroting. 8.3.Kwaliteitsborging Deze strategie maakt onderdeel uit van de beleidscyclus zoals wettelijk vastgelegd in het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het omgevingsbesluit. Door het volgen van deze beleidscyclus wordt een adequaat niveau van uitvoering van de VTH-taken in de organisatie geborgd. De kwaliteit van de uitvoering van deze taken wordt bovendien geborgd door de op 22 november 2016 door de raad vastgestelde ‘Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2017 gemeente Wijk bij Duurstede. In deze verordening is aangegeven dat de gemeente bij de uitvoering van de VTH-taken als uitgangspunt de kwaliteitscriteria 2.1 hanteert. Door de komst van de Omgevingswet zijn de kwaliteitscriteria aangepast (versie 2.3). In deze beleidsperiode zal worden onderzocht in hoeverre de organisatie hieraan voldoet. De kwaliteitscriteria stellen eisen aan de medewerkers die de taken uitvoeren. Deze eisen richten zich op ervaring, deskundigheid en taakfrequentie en leggen een ondergrens voor het aantal medewerkers dat een bepaalde taak dient uit te voeren. Ook bepalen de kwaliteitscriteria op welke wijze de gemeentelijke organisatie borgt dat de uitvoering van de VTH-taken structureel op een adequaat niveau plaatsvindt. Instrumenten om deze kwaliteit te borgen zijn bijvoorbeeld deze strategie, jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s, werkprocessen, protocollen en monitoring en verslaglegging. Scheiding vergunningverlening, toezicht en handhaving Binnen het team Dienstverlening zijn de vergunningstaken belegd bij de vergunningverleners. Na het verlenen van de vergunning wordt het dossier overgedragen aan de toezichthouders. Bezwaarschriften tegen verleende vergunningen worden afgehandeld door de omgevingsjurist van het team Fysieke Leefomgeving. Bezwaar en beroepszaken die betrekking hebben op bouwstops, bouwen zonder vergunning en strijdig gebruik worden afgewerkt door de coördinator VTH van het team Dienstverlening. Hiermee is een functiescheiding op personeelsniveau aangebracht tussen de vergunningverlening enerzijds en toezicht & handhaving anderzijds. Deze scheiding is ook doorgevoerd binnen de organisaties die VTH-taken voor de gemeente uitvoeren (ODRU en de VRU). Het voorkomen van het ontstaan van (vaste/frequente) handhavingsrelaties Wij zijn ons bewust van bedreigingen van de integriteit bij de uitvoering van de VTH-taken. Wij hanteren daarom een gedragscode voor integer handelen zodat het bewustzijn op dit punt wordt vergroot. Daarnaast is er aandacht voor het rouleren van personeel. Hiermee wordt voorkomen dat dezelfde toezichthouder voortdurend wordt belast met het toezicht op dezelfde inrichtingen. Bovendien worden toezichthouders ook regelmatig ingehuurd waardoor automatisch sprake is van roulatie. De controles van milieu-inrichtingen worden uitgevoerd door medewerkers van ODRU. In de Uniforme uitvoering- en handhavingsstrategie 2022 – 2023 van de ODRU is opgenomen roulatie van toezichthouders plaatsvindt om een vaste handhavingsrelatie te voorkomen en kennisniveau te verdiepen. Anderzijds is voor sommige doelgroepen meer bestendigheid gewenst; frequentie van roulatie is afhankelijk van de branche. Het op schrift vastleggen van bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden De taken en verantwoordelijk¬heden van de medewerkers zijn vastgelegd in een functiebeschrijving. Ten aanzien van een toezichthouder/BOA bestaat er een wettelijke verplichting om zijn/haar bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden op schrift vast te leggen. De toezichthouders binnen het team Dienstverlening, alsmede die van ODRU en de VRU zijn als zodanig door ons aangewezen al dan niet onder mandaat. Bij de aanwijzingsbesluiten is vastgelegd ten aanzien van welke regelgeving zij de toezichthoudende bevoegdheden hebben. Bereikbaarheid buiten kantooruren Voor het melden van milieuklachten buiten kantooruren is een piketdienst ingesteld binnen ODRU. Het telefoonnummer kan worden geraadpleegd via de website www.Odru.nl/milieuklachten/. Op de website van de gemeente is eveneens aangegeven waar klachten over de buitenruimte kunnen worden ingediend: https://www.wijkbijduurstede.nl/meldingen-en-verzoeken Klachtbehandeling In het kader van omgang met klachten over het handelen van een bestuursorgaan (medewerkers, bestuurders, gemeenteraad), past de gemeente het klachtrecht toe, zoals beschreven in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de beoordeling van een klacht hanteert de gemeente de geformuleerde behoorlijkheidsnormen van de Nationale ombudsman. Voor klachtbehandeling is eerst de gemeente aan zet, via de klachtencoördinator. De Nationale ombudsman kan worden geconsulteerd als het klachtafhandelingsproces niet naar tevredenheid is uitgevoerd. Overlegstructuur (intern en extern) De interne organisatie is te kenschetsen als een organisatie met korte lijnen, waarin men elkaar makkelijk op zoekt. Intern is er op het vlak van vergunningverlening iedere week het afstemmingsoverleg waarin specifiek over aanvragen en principeverzoeken wordt gesproken. Daarnaast is er eens per week overleg met de portefeuillehouder over lopende zaken. Extern is er het provinciaal milieu overleg. In dit overleg wordt op provinciaal niveau gesproken over de uitvoering van de Wabo VTH-taken. Tevens is er een regionaal overleg van de provincie Utrecht, de Utrechtse gemeenten, de Utrechtse omgevingsdiensten en de VRU die als doel heeft om in gezamenlijkheid te komen tot een verbetering van de uitvoering van de VTH-taken. Structureel is er ook overleg met de ODRU in het kader van het opdrachtgeverschap-opdrachtnemerschap. Op dossierniveau is er op ad hoc basis overleg met de ODRU en de VRU. Er is overleg met de VRU over het uitvoeren van de advies- en toezichttaken ten aanzien van brandveiligheid en er is op ad hoc basis overleg op dossierniveau en bij het opzetten van specifieke projecten waarin de inbreng van de VRU gewenst is. Met de politie en het openbaar ministerie vindt structureel overleg plaats in de zogenaamde ‘driehoek’. In dit overleg komen zo nodig de toezicht- en handhavingsdossiers aan de orde die behalve bestuursrechtelijk ook strafrechtelijke aspecten kennen. Opleiding De bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving betrokken medewerkers zijn professionals. Onder professionaliteit verstaan wij dat men adequate kennis en ervaring bezit en voldoende taakfrequent bezig is. We initiëren de volgende activiteiten om onze medewerkers zo professioneel mogelijk te maken en te houden: selectie van nieuwe medewerkers die expliciet aan deze professionele basishouding voldoen; opleiding en training van iedere individuele medewerker, gebaseerd op de uitkomsten van het jaarlijkse personeelsgesprek; samenwerking in de regio waarin professionals bewust regelmatig interactie hebben en kunnen klankborden met collega's uit andere gemeenten; stimuleren en belonen van het vermogen van de medewerkers om verbeteringen te vinden en door te voeren in hun werk die ten goede komen aan de efficiency en effectiviteit van de VTH-inspanningen van de gemeente. Financiële verantwoording De personeelsformatie en de financiële middelen die nodig zijn voor een adequate uitvoering van het VTH-beleid zijn vastgelegd in de begroting van de gemeente Wijk bij Duurstede. In het uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks aangegeven hoe de personele capaciteit wordt ingezet. In de programmabegroting 2023 - 2026 zijn in de paragraaf ‘Verbonden partijen’ middelen opgenomen voor de VRU en de ODRU teneinde de taken die deze diensten namens de gemeente uitvoert te kunnen financieren. 8.4.Monitoring, rapportage en evaluatie Sluitstuk van de uitvoering van het beleid is de verantwoording over de inspanningen en resultaten. Hebben de geleverde inspanningen bijgedragen aan het realiseren van de gestelde doelen en of zijn de ingezette maatregelen succesvol geweest? Daarom moet beleid periodiek geëvalueerd en gemonitord worden. Zo wordt de beleidscirkel gesloten. De evaluatie bestaat uit het beoordelen van jaarresultaten en het effect hiervan op de uitgangspunten en doelstellingen uit het beleid. Er wordt gemonitord aan de hand van het beleid om de resultaten te beoordelen, jaarlijks verslag gelegd over het uitvoeringsprogramma VTH en het beleid wordt tussentijds geëvalueerd. Monitoring Om de invloed en effecten van de inspanningen op gebied van vergunning, toezicht en handhaving te kunnen meten, worden in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s indicatoren vastgelegd. Bijvoorbeeld het aantal vergunningen per activiteit, uitgevoerde controles, en aantal en soort overtredingen. Dit geldt ook voor de uitbestede taken aan ODRU en de VRU. In deze beleidsperiode zal de aandacht mede worden gericht naar de zogenaamde outcome-indicatoren; de effecten van de toetsing en toezicht. De controles van activiteiten worden vastgelegd in het zaaksysteem van zowel de gemeente Wijk bij Duurstede als de regionale uitvoeringsdiensten (ODRU en VRU) hebben ieder een separaat registratiesysteem. Evaluatie Evalueren is nodig om te beoordelen of het gevoerde beleid effectief is en of dit beleid uitvoering geeft aan de gestelde prioriteiten en doelen. Daarnaast kan een evaluatie ook gebruikt worden om het proces te beoordelen. Tevens is het van belang ontwikkelingen op het gebied van beleid, wet- en regelgeving, privatisering etc. mee te nemen in de evaluatie omdat dit het beleid alsmede het programma kan beïnvloeden. Gelet hierop wordt in de evaluatie op de volgende onderdelen gerapporteerd: De monitoringsresultaten van de indicatoren zoals genoemd in dit VTH-beleidsplan en in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s en op basis daarvan een analyse op het voldoen aan de geformuleerde doelstellingen; Analyse van het huidige en toekomstige bedrijvenbestand met daarbij de te verwachten vergunningen; Inzicht in veranderingen in het naleefgedrag van inwoners en ondernemers met, indien mogelijk, het effect op de kwaliteit van de leefomgeving; Voorstellen voor eventuele bijstellingen van het beleid, prioriteringen of het takenpakket. Rapportage De uitvoerings- en handhavingsstrategie, het uitvoeringsprogramma en het jaarverslag worden bekend gemaakt aan de raad. In de verslaglegging staat op welke wijze de voorgenomen activiteiten zijn gerealiseerd. Daarnaast is aangegeven in hoeverre zij hebben bijgedragen aan de vastgelegde doelstellingen. 8.5.Hardheidsclausule In deze strategie is een aantal beleidsregels geformuleerd die tot doel hebben te komen tot een efficiënte en effectieve uitvoering van de VTH-taken. Dit zijn algemene uitgangspunten voor het handelen. Dit impliceert dat er altijd bijzondere omstandigheden kunnen zijn die in een concreet geval tot een andere dan de hier beschreven aanpak leiden. Of, om het in de termen van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht te formuleren: 'Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.' Een aantal elementen in deze formulering behoeft explicitering in dit beleidsplan: Het bestuur handelt overeenkomstig dit beleidsplan Het vastleggen van beleidsregels in dit plan heeft tot gevolg dat het college en de burgemeester elk voor hun eigen bevoegdheid, handelt overeenkomstig de uitgangspunten die in dit plan zijn geformuleerd en dat ook derden daarop moeten kunnen vertrouwen. Behoudens bijzondere omstandigheden Er kunnen altijd bijzondere omstandigheden zijn die bij toepassing van de beleidsregels in een concreet geval tot onevenredige hardheid kunnen leiden. Het is aan de overtreder of andere belanghebbenden om - bij de aanschrijving - deze bijzondere belangen aan de orde te stellen. Het bestuur gaat zelf niet actief naar dergelijke belangen op zoek. Een beroep op dergelijke bijzondere omstandigheden kan (vrijwel) nooit worden gedaan als de overtreder op voorhand al was meegedeeld welke consequenties zijn handelen zou hebben en hij/zij toch de overtreding heeft gepleegd. Als uitkomst van een belangenafweging De bijzondere belangenafweging moet tot de slotsom leiden dat de doelen die met de handhaving zijn gediend in geen verhouding staan tot de belangen die de overtreder heeft bij het voortduren van de illegale situatie. Het moet dus vrijwel per definitie om relatief ondergeschikte overtredingen gaan. Immers, als er sprake is van gevaarzetting, schade, hinder, overlast en dergelijke zal de belangenafweging al snel naar handhaving (moeten) leiden. Beroep op de hardheidsclausule In het algemeen kan alleen een beroep op de hardheidsclausule worden gedaan als er een combinatie is van: niet expliciet verwijtbaar handelen; met bijzondere omstandigheden die afweging vragen; en relatief ondergeschikte overtredingen. Kan aan een van deze vereisten niet worden voldaan dan ligt een positief besluit naar aanleiding van een beroep op de hardheidsclausule niet in de rede. Deel 2: Bijlagenbundel REIKWIJDTE WETTELIJK KADER OMGEVINGSWET WET KWALITEITSBORGING VOOR HET BOUWEN GEMEENTELIJKE KADERS EVALUATIE VTH-BELEID 2019 – 2022 SAMENWERKINGSPARTNERS TOELICHTING OP DE UITGANGSPUNTEN VERGUNNINGENSTRATEGIE TOEZICHT EN HANDHAVING RISICOANALYSES OVERZICHT TOETS- EN TOEZICHTSPROTOCOLLEN NALEEFSTRATEGIE TOELICHTING INTERVENTIEMATRIX INTERVENTIEMOGELIJKHEDEN RICHTLIJN DWANGSOMMEN EN TERMIJNEN GEMEENTE WIJK BIJ DUURSTEDE 2018 WERKWIJZE BIJ EEN STANDAARD CONTROLE VORMEN VAN INTEGRAAL TOEZICHT BijlageA:Reikwijdte De U&H-strategie van de gemeente heeft betrekking op de volgende taakvelden en in ieder geval op de daarbij aangegeven onderdelen. Dit betreft echter geen limitatieve opsomming. Taakveld Verantwoordelijk voor uitvoering VTH-taken op: Na invoering Wkb Bouwen en wonen Gemeente Aanleg, bouw- en oprichtingsfase (vergunning, toezicht) Monumenten en archeologie Aanlegvergunning Vellen houtopstand In-/uitritten Reclame Aanbrengen van voorwerpen of, aan of boven de weg Technische toets en toe-zicht bouw-gerelateerde aanvragen bij kwaliteitsbor-ger Ruimtelijke ordening Gemeente Illegaal en/of strijdig gebruik van bouwwerken en gronden Illegale sloop, bouw of aanleg Woonkwaliteit/Onveilige bewoning Overige activiteiten Gemeente Toezicht openbare ruimte Bijzondere wetten (vb. Alcoholwet) Klachten Verzoeken tot handhaving Milieu ODRU Milieu-inrichtingen (Wabo)/ Milieubelastende activiteiten (Ow) Aanbieden, storten of verbranden afvalstoffen Bodem Indirecte lozingen Verwijdering asbest Slopen (meldingen en controle hierop) Verzoeken tot handhaving m.b.t. asbest en slopen Adviestaak Wabo/Ow Ontheffing route gevaarlijke stoffen Klachten Brandveilig-heid Gemeente en VRU Advies brandveiligheid (waaronder evenementen) Toezicht tijdens de bouw Toezicht gebruik bouwwerken (zorginstellingen, bijeenkomst, onderwijs, sport, industrie, logies, kamerverhuur, winkel) Toezicht evenementen Toezicht milieu (integraal met ODRU) klachten Omgevings-veiligheid Gemeente en VRU Activiteiten met gevaarlijke stoffen met aandachtsgebieden brand, explosie en gifwolk VTH-onder-steunende dienstver-lening Gemeente en ketenpartners Ondermijning Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, is de vergunningverlening en het toezicht Milieu gemandateerd aan de Omgevingsdienst Regio Utrecht (hierna: ODRU). Toezicht op brandveilig gebruik wordt in mandaat uitgevoerd door de Veiligheidsregio Utrecht (hierna: VRU). De gemeente blijft als bevoegd gezag echter wel verantwoordelijk voor de uitvoering van deze taken en geeft hier sturing op. BijlageB:Wettelijk kader Inleiding In deze bijlage staat een opsomming van de belangrijkste landelijke wet- en regelgeving die mede als basis geldt voor de U&H-strategie. Deze opsomming is niet uitputtend. Gelet op het belang van de Omgevingswet en de Wkb wordt op deze wetten apart ingegaan in de bijlagen C ‘Omgevingswet’ en D ‘Wet kwaliteitsborging voor het bouwen’. Gemeentewet In artikel 125 lid 2 en 3 van de Gemeentewet staat dat ons college of de burgemeester een bevoegdheid heeft om handhavend op te treden. Aan het bestuursorgaan die deze handhavende bevoegdheden heeft, worden in de Awb ook toezichtsbevoegdheden gegeven. Wij hebben de bevoegdheid om toezichthouders aan te stellen. Daarnaast stellen wij op grond van artikel 142 Wetboek van Strafvordering Buitengewoon opsporingsambtenaren (Boa’
- s)aan. Deze Boa’s hebben opsporingsbevoegdheden binnen het strafrecht en kunnen een bestuurlijke strafbeschikking aankondigen. Uiteindelijk legt de officier van justitie de strafbeschikking op. De raad heeft op basis van artikel 154b Gemeentewet de bevoegdheid om in een verordening op te nemen dat bij overtreding van wettelijke voorschriften een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Algemene Plaatselijke Verordening In de Algemene Plaatselijke Verordening heeft de gemeente de mogelijkheid om activiteiten die in de leefomgeving plaatsvinden aan extra regels te binden. De omgevingsvergunningen die vallen onder de APV worden in beginsel 100% getoetst aan de vigerende regels. Algemene wet bestuursrecht (Awb) In hoofdstuk 5 van de Awb worden aan daartoe aangewezen ambtenaren instru-menten gegeven om mee te werken. De voornaamste handhavingsinstrumenten zijn de last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1) en de last onder dwangsom (afdeling 5.3.2). Deze instrumenten bieden een bestuursorgaan de bevoegd-heden om zelf de overtreding geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of te beëindigen dan wel de overtreder een dwangsom op te leggen om dit zelf te doen. Daarnaast staat in titel 5.4 Awb de bestuurlijke boete opgenomen. Deze sanctie beoogt leed toe te voegen aan de overtreder en mag naast een herstelsanctie worden opgelegd. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) De Wabo biedt het bevoegd gezag (bij de gemeente meestal ons college) de mogelijkheid om één integrale vergunning te verlenen. Hierin kunnen diverse aspecten aan de orde komen zoals bouwen, milieu, ruimte, natuur en brandveiligheid. In artikel 5.2 Wabo is opgenomen dat het bevoegde gezag zorg moet dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van bepalingen bepaald bij of krachtens de Wabo en een aantal in de Wabo genoemde wetten. De Wabo wordt opgenomen in de Omgevingswet. Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) Vanaf 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) regelt hoe ruimtelijke plannen tot stand komen en welke bestuurslaag voor deze plannen verantwoordelijk is. Daarnaast regelt de Wro de verhoudingen in het ruimtelijk domein tussen de verschillende overheden en bestuursorganen in Nederland. De Wro wordt opgenomen in de Omgevingswet. Wet milieubeheer (Wm) De Wm legt in grote lijnen vast welke wettelijke instrumenten er zijn om het milieu te beschermen en welke uitgangspunten daarvoor gelden. De nadere uitwerking op detailniveau wordt geregeld via AmvB’s en ministeriële regelingen. De Wm wordt grotendeels opgenomen in de Omgevingswet. Wet Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (Wet VTH) Het doel van deze wet is het bevorderen van de kwaliteit en samenwerking bij de uitvoering van het omgevingsrecht. Deze wet verplicht in artikel 5.4, lid 1 onder b dat gemeenten een verordening kwaliteit VTH hebben waarin de gemeenteraad aangeeft waaraan de uitvoering van de VTH-taken minimaal dient te voldoen. De raad heeft deze verordening op 22 november 2016 vastgesteld. De verordening heeft als uitgangspunt dat de gemeente zich conformeert aan landelijk bepaalde kwaliteitscriteria en eventuele afwijkingen hiervan motiveert. Door de komst van de Omgevingswet zijn de landelijke kwaliteitscriteria aangepast. In de komende periode wordt de verordening hierop aangepast. Ook de Wet VTH wordt opgenomen in de Omgevingswet. Bouwbesluit 2012 c.q. Besluit bouwwerken leefomgeving Het Bouwbesluit bevat de bouwtechnische voorschriften waaraan zowel de bestaande bouwwerken alsmede de nieuw te realiseren bouwwerken dienen te voldoen. Het bevat voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Tevens wordt in het Bouwbesluit de verplichting tot het indienen van een sloopmelding dan wel een melding brandveilig gebruik geregeld en welke procedure beide meldingen dienen te doorlopen. Het bouwbesluit wordt met de komst van de Omgevingswet grotendeels vervangen door het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In het Bbl staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van sloopwerkzaamheden. Besluit omgevingsrecht c.q. Invoeringsbesluit Omgevingswet In artikel 7.2, derde lid van het Besluit omgevingsrecht danwel in artikel 13.6 van het invoeringsbesluit Omgevingswet wordt aangegeven waar de U&H-strategie inzicht in moet geven. Het gaat om de volgende aspecten de prioriteitenstelling met betrekking tot de uitvoering van de VTH-taken; de methodiek die gebruikt is om te bepalen of de gestelde doelen worden bereikt; de daarin opgenomen objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen voor en beslissen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen, en; de werkwijze bij vergunningverlening en het afhandelen van meldingen. de afspraken die door de bestuursorganen onderling en met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt, over de samenwerking bij en de afstemming van de werkzaamheden; de wijze waarop het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde wordt uitgeoefend om de krachtens het eerste en tweede lid gestelde doelen te bereiken; de rapportage van de bevindingen van degenen die toezicht hebben uitgeoefend en het vervolg dat aan die bevindingen wordt gegeven, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; de wijze waarop bestuurlijke sancties alsmede de termijnen die bij het geven en uitvoeren daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; de wijze waarop de bestuursorganen handelen na overtredingen die zijn begaan door of in naam van die bestuursorganen of van andere organen behorende tot de overheid. Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Door de komst van deze wet dient bij het toetsen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, indien aan de orde, rekening te worden gehouden met wettelijk beschermde natuurwaarden. Hierop dient tevens gecontroleerd en gehandhaafd te worden. Om te bezien hoeveel tijd het toetsen van de aspecten uit de wet Natuurbescherming voor de gemeente kost is een pilot gestart. Deze pilot zal inzichtelijk maken wat de exacte tijdsbesteding is en of de gemeente voldoende expertise in huis heeft om de toets zelf te kunnen doen. Tevens zal hierbij aandacht worden besteed aan de vraag hoe het toezicht en de handhaving binnen de gemeente dient te worden georganiseerd. De handhaving op deze wet geschiedt overigens grotendeels door de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) en de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUDU). Slechts in die gevallen waar de natuurtoets aanhaakt bij de omgevingsvergunning, ligt de handhaving bij de gemeente. De Wet natuurbescherming wordt eveneens opgenomen in de Omgevingswet. Wet economische delicten (Wed) In de Wed staan in de artikelen 1 en 1a verwijzingen naar wetsartikelen. Overtreding van die artikelen is een delict in de zin van de Wed. Ook in een lokale verordening kan een verwijzing staan naar de Wed. De ODRU heeft eigen BOA’s m.b.t. de milieutaken. De BOA’s zijn bevoegd om strafrechtelijke bevoegdheden toe te passen bij het uitvoeren van hun taak. De BOA’s mogen ook een proces-verbaal opmaken en een sanctie aankondigen. Het OM beslist uiteindelijk of er daadwerkelijke tot vervolging wordt overgegaan en legt mogelijk een sanctie op. Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb) Sinds 2007 is in de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb) geregeld dat overheden inzicht geven in welke beperkingen zij op eigendom hebben gelegd. Bijvoorbeeld het aanwijzen van een pand als gemeentelijk monument of het opleggen van een last onder bestuurdwang of dwangsom. Vanaf 1 januari 2021 kunnen inwoners, ondernemers en overige partijen alle informatie over beperkingen en bijbehorende brondocumenten bij één partij vinden: het Kadaster. BijlageC:Omgevingswet Inleiding De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. De Omgevingswet is een fundamentele herziening van het omgevingsrecht en huidige wetgeving. In de Omgevingswet zullen alle wettelijke bepalingen, besluiten en regelingen opgaan die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De wet heeft als maatschappelijke doelen (artikel 1.3 Omgevingswet): het in onderlinge samenhang bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving. Gemeenten krijgen binnen de Omgevingswet meer ruimte om hun eigen beleid te bepalen. De gemeenteraad stelt hiervoor een omgevingsvisie vast met daarin het gewenste resultaat voor de fysieke leefomgeving voor de middellange termijn. Vervolgens is er voor de gemeente de opdracht om een gebiedsdekkend omgevingsplan vast te stellen waarin een functiedeling per gebied is opgenomen met regels voor activiteiten. Mede in aansluiting op de omgevingsplannen worden toezichts- en handhavingsinstrumenten ingezet. Dit nieuwe stelsel voor de fysieke leefomgeving heeft meerdere gevolgen voor de taakuitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. De gemeen-te bereidt zich daar via een implementatieprogramma op voor. Voor het vergunningverleningsproces en de dienstverlening heeft de inwerkingtreding van de Omgevingswet aanzienlijke gevolgen. Behandeltermijnen aanvragen Bij de afhandeling van aanvragen zijn de door de wetgever vastgestelde afhandelingstermijnen bepalend. Een belangrijk aspect is dat de duur van de vergunningenprocedure sterk wordt ingekort; alle aanvragen moeten in principe via de reguliere procedure binnen 8 weken worden afgehandeld. Deze termijn kan eenmalig met zes weken worden verdaagd. Indien niet binnen de door de wetgever gestelde termijn wordt beslist ontstaat onder de Omgevingswet geen vergunning van rechtswege meer. Als de beslistermijn verstreken is, maar er is nog geen besluit genomen kan een gevolg zijn dat de gemeente op grond van Algemene wet bestuursrecht een dwangsom moet betalen aan de aanvrager. Voor een initiatiefnemer betekent deze vereenvoudiging dat veel sneller duide-lijk wordt of een vergunning al dan niet wordt verleend (van zes maanden naar acht weken). Wel bepaalt de Omgevingswet dat ook een uitgebreide procedure van 6 maanden kan worden gevolgd. Dit gebeurt op verzoek of met instemming van de aanvrager. Daarnaast kunnen wij bij activiteiten die aanzienlijke gevolgen voor de omgeving kunnen hebben en waarvan de verwachting is dat verschillen-de belanghebbenden bedenkingen zullen hebben, na het horen van de aanvrager, eenzijdig besluiten dat de uitgebreide procedure van toepassing is. Integraal advies in het voortraject Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden verandert. De Omgevingswet vraagt om een integrale afweging, met als uitgangspunt: ‘Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?’ Dit alles vraagt om een zorgvuldig proces. Een proces van overleg over het initiatief met bestuurlijke partners, ketenpartners en belanghebbenden. In het geval van een complexe aanvraag zal dat naar verwachting niet binnen 8 weken kunnen worden doorlopen. De inzet is dat het vooroverleg zich afspeelt via de Omgevingstafel en voordat de formele vergunningaanvraag wordt ingediend en de afhandeltijd van 8 weken gaat lopen. Aan de Omgevingstafel komen (in een of meerdere sessies) de initiatiefnemer en alle betrokkenen bij elkaar. Het initiatief wordt dan besproken vanuit de gedachte om het mogelijk te maken. Vanuit de gemeente en de ketenpartners kunnen bestuurlijke prioriteiten en randvoorwaarden zoals de energietransitie (energiebesparing en -opwekking) aan de orde worden gesteld. De Omgevingstafel levert de initiatiefnemer een integraal advies op, waarmee hij de vergunningaanvraag kan opstellen en indienen. Daarna kan de vergunning in acht weken worden afgehandeld. Bindend adviesrecht gemeenteraad Het is niet mogelijk om alle activiteiten en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving van tevoren te voorzien. Enerzijds komt het nu regelmatig voor dat initiatiefnemers plannen hebben die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Anderzijds dragen deze ontwikkelingen wel bij aan de gemeentelijke lange termijn visie. In die gevallen kan onder voorwaarden de procedure gevolgd worden om van het bestemmingsplan af te wijken. Dit zal ook het geval zijn onder de Omgevingswet. Ook dan zullen afwijkingen van het omgevingsplan naar verwachting soms nodig en wenselijk blijken te zijn. In de huidige situatie kunnen wij een vergunning afgeven voor afwijkingen van een bestemmingsplan, waarvoor de bevoegdheid niet in het bestemmingsplan zelf staat maar in het wettelijk kader. Nu is de raad hierbij betrokken via de verklaring van geen bedenkingen (vvgb). De vvgb vervalt onder de Omgevingswet. In de Omgevingswet kan de raad concrete gevallen aanwijzen van ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’, waarvoor de raad een bindend adviesrecht krijgt. De raad kan via dit bindende advies dus invloed uitoefenen op ontwikkelingen die afwijken van het gemeentelijke omgevingsplan. Er is echter een belangrijk verschil met het huidig recht: nu gaat de gemeenteraad erover, tenzij de gemeenteraad zelf beslist dat dat niet nodig is. In de Omgevingswet gaat de gemeenteraad er niet over, tenzij de gemeenteraad zelf van te voren die gevallen aanwijst waarin ze het bindend adviesrecht wil hebben. Participatie Ook is onder de Omgevingswet een nieuw aanvraagvereiste geïntroduceerd. Het betreft participatie bij een vergunningaanvraag. Deze eis verplicht initiatiefnemers om informatie te verschaffen over de wijze waarop de belangen van belanghebbenden zijn gehoord en hoe het resultaat daarvan is verwerkt in het plan. Dit nieuwe vereiste stimuleert initiatiefnemers om informatie te verschaffen over de wijze waarop de belangen van belanghebbenden zijn gehoord en hoe het resultaat daarvan is verwerkt in het plan. Een initiatiefnemer is namelijk niet (altijd) verplicht om daadwerkelijk aan participatie te doen. Het niet betrekken van de omgeving en/of daarover geen gegevens overleggen, is geen grond voor het buiten behandeling laten of het weigeren van een vergunningsaanvraag. Deze vrijblijvendheid werd bezwaarlijk gevonden in de gevallen waarin wordt afgeweken van het omgevingsplan, de zogeheten ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’. Dit heeft geresulteerd in een aanvullende bepaling in de Omgevingswet waarmee aan de gemeenteraad de bevoegdheid is gegeven om gevallen van buitenplanse activiteiten aan te wijzen, waarbij het wel verplicht is te participeren met de omgeving vóórdat een aanvraag om een omgevingsvergunning kan worden ingediend. Voor die gevallen moet de aanvrager aantonen dat hij aan participatie heeft gedaan. Als hij dit niet doet, kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Voor de beoordeling van de aangeleverde participatiegegevens in de niet aangewezen gevallen worden de gegevens op uitgangspunten getoetst. Dat wil zeggen: zijn er gegevens aangeleverd? En geven de overlegde gegevens een voldoende beeld van de meningen van de omgeving? Op basis van de overlegde gegevens kunnen wij ervoor kiezen om nader onderzoek te doen. Het is in die niet aangewezen gevallen echter niet mogelijk om de aanvraag buiten behandeling te laten als de participatiegegevens niet aanwezig of volledig zijn. Digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt de uitvoering van de Omgevingswet. Het DSO bestaat uit lokale systemen van overheden en de onderdelen van de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals het Omgevingsloket. Het omgevingsloket is een digitaal loket waar initiatiefnemers en betrokkenen snel kunnen zien wat er mag in de fysieke leefomgeving. Dit is de centrale plek waar alle digitale informatie daarover samenkomt. Via het Omgevingsloket kunnen initiatiefnemers het volgende doen: checken of voor een initiatief een toestemming nodig is vergunningen aanvragen, meldingen doen en informatie geven zien welke regels gelden op een locatie. De omgevingsdocumenten die in het DSO zitten zijn daar de basis voor. Dat zijn bijvoorbeeld omgevingsvisies, -verordeningen en -plannen, projectbesluiten en programma's. Om het omgevingsloket goed te kunnen gebruiken worden zogenaamde toepasbare regels opgesteld. Toepasbare regels zijn begrijpelijke vertalingen van juridische regels waardoor vragenbomen kunnen worden gemaakt. Deze worden gebruikt door inwoners en ondernemers die onderzoeken of ze een vergunning moeten aanvragen voor hun plan. Dat doen ze door vragen te beantwoorden. Toepasbare regels dragen zo bij aan uw digitale dienstverlening voor burgers en bedrijven. BijlageD:Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Inleiding Op 1 januari 2024 treedt de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking. De wet heeft als doel de bouwkwaliteit en het bouwtoezicht te verbeteren door inschakeling van private kwaliteitsborgers. Daarnaast wordt de aansprakelijkheid van aannemers ten opzichte van particuliere en professionele opdrachtgevers uitgebreid (zgn. private prikkel). Deze wettelijke regeling is een drukmiddel om de aannemer (het bouwbedrijf) een nieuwbouwwoning punctueel op te laten leveren. Het betekent dat 5% (de helft van de laatste bouwtermijn) van de te betalen aanneemsom geblokkeerd wordt zolang de oplevering niet geheel akkoord is. De focus komt te liggen op het eindresultaat, niet op het bouwplan. De wet verandert de inzet en taken van de vergunningverleners, toezichthouders en handhavers. Met de komst van de Omgevingswet wordt bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Deze scheiding noemen we 'de knip', zie ook onderstaand figuur. Gefaseerde invoering van de wet De Wkb wordt niet meteen voor alle bouwwerken ingevoerd maar gaat als eerste gelden voor bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1. Dit zijn bijvoorbeeld eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. Uiterlijk 3 jaar na de inwerkingtreding van de Wkb zal een evaluatie plaatsvinden. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie volgen de bouwwerken in hogere risicoklassen. Dit zijn bijvoorbeeld bibliotheken en onderwijsgebouwen (gevolgklasse 2) en voetbalstadions en ziekenhuizen (gevolgklasse 3). Hierdoor kunnen bouwbedrijven en gemeenten stap voor stap ervaring opdoen met het nieuwe toezicht in de bouw. Voor vergunningplichtige bouwwerken die onder gevolgklasse 2 en 3 vallen, geldt de komende jaren nog dat net als nu een vergunning bij de gemeente moet worden aangevraagd. Bij deze aanvragen ligt toezicht op de uitvoering nog bij de gemeente zelf. Rol van de gemeente vs. kwaliteitsborger bij gevolgklasse 1 bouwwerken Voor het bouwtechnische deel van bouwactiviteiten krijgt de initiatiefnemer een meldplicht5Anders dan bij een vergunning, kan de gemeente geen leges innen bij een melding.. Wij maken specifieke lokale omstandigheden vooraf bekend aan de kwaliteitsborger, door deze te publiceren op de website en/of deze in een vooroverleg aan te geven. Zo kan de initiatiefnemer bij het doen van de melding een passende risicobeoordeling en een borgingsplan bij ons aanleveren uiterlijk 4 weken voor start van de bouw. Wij controleren op volledigheid van de aangeleverde stukken, maar niet op inhoud. De inhoudelijke beoordeling van het bouwplan, het in kaart brengen van de risico’s én de controle tijdens de bouw is nu juist de taak van de kwaliteitsborger. Wij blijven het bevoegd gezag en beoordelen bij de melding bouwactiviteit: of de kwaliteitsborger gerechtigd is; of een juist/passend instrument is gebruikt; of er een omgevingsplanactiviteit nodig is en/of is aangevraagd; of de risico’s zijn beoordeeld en geborgd, inclusief de bespreekpunten uit het vooroverleg; het bouwplan in gevolgklasse 1 valt. Als het bouwwerk technisch klaar (werk is dan nog niet volledig opgeleverd) is, moet de initiatiefnemer een gereedmelding doen bij de gemeente (uiterlijk 2 weken voor ingebruikname). In deze melding moet een verklaring van de kwaliteitsborger zijn opgenomen met de mededeling dat hij/zij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft dat het bouwwerk voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving. Ook hier controleren wij slechts op volledigheid van de melding en de kwaliteit van de stukken. Afronding melding Alles in orde Alles is in orde als we zien dat de bouw- en gereedmelding op tijd en volledig zijn gedaan en alle stukken compleet en volledig zijn aangeleverd (archiefwaardig). We controleren of de kwaliteitsborger geregistreerd is en werkt met een toegestaan en passend instrument. We zien dat er rekening is gehouden met eventuele bijzondere lokale omstandigheden die vooraf zijn benoemd en dat de gekozen gevolgklasse juist is. In het dossier zijn alle stukken aanwezig, inclusief de verklaring van de kwaliteitsborger dat alles voldoet aan de wettelijke eisen. Aan de hand van de stukken is geen verdere aanleiding om te denken dat er iets mis is. We kunnen het oneens zijn met de inhoudelijke keuzes van de kwaliteitsborger, maar daar gaan we niet (meer) over. De volledigheid van de meldingen bevestigen we altijd in een brief aan de initiatiefnemer. Niet alles in orde Als afgeweken wordt van het bovenstaande, dan kan één of meer van de onderstaande omstandigheden plaatsvinden. Per situatie lichten we direct toe hoe we daar vervolgens mee omgaan. Het niet voldoen aan de wettelijke termijnen De omgevingsplanactiviteit, bouwmelding of gereedmelding worden te laat (niet binnen het daarvoor geldende termijnen) ingediend. De omgevingsplanactiviteit en/of bouwmelding dienen opnieuw te worden ingediend en de bouwwerkzaamheden mogen niet starten. Wanneer de gereedmelding te laat wordt ingediend, mag het bouwwerk niet in gebruik worden genomen. Bouwmelding is onvolledig Als de bouwmelding onvolledig is, dan is de melding officieel niet gedaan. Dit is ook het geval als de bijzondere lokale omstandigheden niet zijn meegenomen. Wij sturen dan een brief waarin we aangeven wat er precies mist, met het verzoek om een complete nieuwe melding te doen (enkel de missende stukken nasturen volstaat niet). Consequentie is dat er niet gestart kan worden met bouwen. Niet voldoen aan informatieplicht begin bouwwerkzaamheden (2 dagen voor starten bouwwerkzaamheden) Onder de huidige wet- en regelgeving wordt na het verlenen van de omgevingsvergunning ook gevraagd om de start van de bouwwerkzaamheden te melden. Dit wordt in de praktijk zeer weinig gedaan en ook niet op toegezien door onze toezichthouders. We zien hier geen rol weg gelegd voor het bevoegd gezag. Bouwen zonder bouwmelding/kwaliteitsborger Wanneer we constateren dat er (toch) bouwactiviteiten plaatsvinden zonder bouwmelding of er geen kwaliteitsborger is aangesteld leggen we de bouwwerkzaamheden per direct stil (bouwstop). Gereedmelding is onvolledig Als de gereedmelding onvolledig is, dan is de melding officieel niet gedaan. In deze situatie kunnen we besluiten het handhavingstraject te starten. Twijfels over de kwaliteit Bij concrete twijfels over de prestatie van de kwaliteitsborger doen we een melding bij de instrumentaanbieder (de eerstelijns toezichthouder op de kwaliteitsborger). Als daar onvoldoende respons uit volgt doen we een melding bij de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw. Als er concrete twijfels bestaan over de kwaliteit van de bouw, dan vragen we in eerste instantie per brief extra informatie op bij de initiatiefnemer. Dit mogen wij doen op basis van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.20 van het Bbl. Pas als we niet tevreden zijn met de reactie hierop (of er komt geen reactie), dan gaan we over tot fysiek toezicht met als uiterste actie handhavend optreden door het stilleggen van de bouw (bij moeilijk onomkeerbare werk zoals een constructie) of het nemen van een besluit met verbod op ingebruikname van het bouwwerk. Gelijkwaardige voorziening/geen gevolgklasse 1 Als een kwaliteitsborger constateert dat een bouwwerk niet voldoet aan de definitie van gevolgklasse 1 dan kan de kwaliteitsborger het project niet uit-voeren en wordt dit meegedeeld aan de initiatiefnemer. In dat geval moet de initiatiefnemer bij de gemeente een omgevingsvergunning voor een bouwac-tiviteit aanvragen. Komen partijen pas na de start er achter dat een bouwwerk geen gevolgklasse 1 is - bijvoorbeeld door de noodzaak een gelijkwaardige maat-regel toe te moeten passen voor brand of constructies - dan moet de kwaliteits-borger zich terugtrekken uit het project en vervalt de bouwmelding. De kwali-teitsborger moet dit ook melden aan de gemeente. Vervolgens moet er alsnog een vergunning worden aangevraagd bij de gemeente en ligt de bouw 8 (+6 i.v.m. bezwaartermijn) weken stil. Er volgt een formele bouwstop in combinatie met het opleggen van een last onder dwangsom om te voorkomen dat er toch wordt doorgebouwd zonder de benodigde omgevingsvergunning. Dit maakt het mogelijk om direct handhavend op te treden bij overtreding van de last. Strijdigheid Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) De kwaliteitsborger is verplicht ons te informeren als een strijdigheid met het Bbl is ontdekt die niet meer voor gereedmelding wordt opgelost en dus een verklaring van de kwaliteitsborger tegenhoudt. We vragen in een brief op hoe de initiatienemer van plan is het probleem op te lossen. Maar, als (al direct) blijkt dat er sprake is van een onherstelbaar feit, dan moeten we in een brief laten weten of we hier wel of niet op gaan handhaven. Als we besluiten wél te handhaven, zeggen we in feite “zoek maar een oplossing”, want wij gaan de gereedmelding zonder verklaring van de kwaliteitsborger niet accepteren. Uitgangspunt is dat er wordt gehandhaafd. Alleen wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden kan van die lijn afgeweken worden. Er zijn verschillende mogelijkheden om handhavend op te treden. Zo kunnen we de ingebruikname tegenhouden als niet aan de regels wordt voldaan. Bij sommige overtredingen is dit echter een te zwaar middel, bijvoorbeeld bij het ontbreken van bepaalde documenten in het as built dossier. Dan is bijvoorbeeld het opleggen van een dwangsom een geschikter handhavingsinstrument. Voorwaardelijke voltooiingsverklaring Een reden om te besluiten níet te handhaven kan zijn, omdat de gemeente handhaven disproportioneel vindt gezien de grootte van het onherstelbare feit. We laten de eigenaar weten dat het pand niet voldoet aan alle eisen vanuit de wet, maar dat we het zijn/haar verantwoordelijkheid laten hoe hier mee om te gaan. We kunnen de melding niet accepteren en formeel is het pand niet gereed (verklaring kwaliteitsborger ontbreekt). Een dergelijk besluit nemen we als gemeente dan ook heel bewust en niet zomaar. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij kleine afwijkingen van het Bbl waarbij geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid is en we het vertrouwen hebben dat dit alsnog wordt hersteld. We moeten in de praktijk ervaring gaan opdoen wanneer afwijkingen ontoelaatbaar zijn en ingebruikname niet wordt toegestaan. Elke situatie daartussen is grijs gebied en wordt van geval tot geval beoordeeld. Hierbij moeten we goed vastleggen hoe we de situatie hebben afgehandeld. Met als doel vergelijkbaar en navolgbaar handelen in vergelijkbare situaties (gelijke monniken, gelijke kappen principe). BijlageE:Gemeentelijke kaders Raadsagenda 2022 - 2026 In de Raadsagenda 2022 – 2026 ‘Waar verbinden begint en beginnen verbindt’ worden over de uitvoering van de VTH-taken geen expliciete uitspraken gedaan. Dit is niet zo vreemd aangezien VTH een instrumentarium is dat wordt ingezet om bepaalde doelen te bereiken Een aantal van deze doelen wordt in de Raadsagenda 2022 – 2026 benoemd. Zo wil de gemeente: een gezond en aantrekkelijk vestigingsklimaat creëren voor inwoners en ondernemers; een bruisende vitale binnenstad ontwikkelen die aantrekkelijk is voor inwoners en toeristen; het uitvoeringsbeleid ten aanzien van wonen in het teken laten staan van wettelijke kaders en regelgeving op het gebied van duurzaamheid, klimaatadaptatie en energiezuinigheid; waarden zoals een schoon milieu, biodiversiteit in de natuur, een mentaal en fysiek gezonde leefomgeving voor nu en later behouden. Op het vlak van toezicht en handhaving is in de Raadsagenda 2022 – 2026 opgenomen, dat het een voortdurende uitdaging is om preventie (oorzaken bestrijden) en repressie (handhaving) in de meest effectieve balans te houden. Voorts wordt in het coalitieakkoord aangegeven dat de bestuursstijl in Wijk bij Duurstede is te kenmerken als openstellend voor voortschrijdend inzicht en in gesprek gaand met inwoners, ambtelijke organisatie, college en (creatieve)expertise van buitenaf. Begroting 2023 - 2026 In de begroting 2023 - 2026 is een aantal activiteiten opgenomen waaraan in de periode 2023 – 2026 uitvoering wordt gegeven. Het gaat om de volgende aspecten: Implementeren Utrechtse Handhavingsstrategie, gericht op verdere uniformering op strategisch niveau van de milieutaken die zijn ondergebracht bij de Omgevingsdienst Stimuleren van sanering van asbestdaken in combinatie met duurzame daken. Acties gericht op het terugdringen van milieudelicten. Het opsporen en beëindigen van onwettige (milieu)activiteiten. Uitvoering van overgedragen milieutaken van provincie naar gemeente (specialistische bodemtaak). Dit betreft een beoordeling bodemsanerin-gen en toezicht op de uitvoering van bodemsanering. Implementeren beleidsnota “Integrale handhaving van de woon- en leefomgeving gemeente Wijk bij Duurstede 2021-2025”. Mede vanwege de beperkte beschikbare ambtelijke capaciteit wordt de focus gelegd op overtredingen met grote gevolgen op de betrokken thema’s, waarbij ook het gedrag van de overtreder wordt meegewogen. De invoering van de Wet Kwaliteitsborging Bouwen hetgeen gevolgen heeft voor de manier waarop toezicht wordt ingericht. Integrale handhaving van de woon- en leefomgeving 2021 – 2025 Wij hebben op meerdere deelterreinen handhavingsbeleid vastgesteld. Het handhavingsbeleid is vastgelegd in naast elkaar bestaande documenten. Bovendien is niet voor alle beleidsvelden handhavingsbeleid vastgesteld. Om de gemeentelijke handhaving breed eenduidig te kunnen uitvoeren, bestond behoefte aan een overkoepelend integraal handhavingsbeleid. Dit is gebeurd in de op 22 februari 2022 vastgestelde nota ‘Integrale handhaving van de woon- en leefomgeving 2021 – 2025’. Dit beleid vormt de paraplu voor de verschillende deelbeleidsnota's waarover de gemeente reeds beschikt. De in deze nota genoemde pijlers voor het integrale handhavingsbeleid komen als doelstellingen terug in deze uitvoerings- en handhavingsstrategie (zie paragraaf 3.1.). Ondermijning Het thema ondermijning is voor de gemeente Wijk bij Duurstede één van de belangrijkste veiligheidsthema’s. In het Integraal Veiligheidsplan 2023-2026 is de verharding van de ondermijnende criminaliteit als belangrijke ontwikkeling genoemd. Ondermijning is dan ook één van de speerpunten waartegen samen met andere partners zoals politie en OM wordt opgetreden. Dit uit zich onder meer in: het terugdringen van georganiseerde criminaliteit door signalen van ondermijning op te pakken en integraal informatie uit te wisselen. het voorkomen dat de ondermijnende en georganiseerde criminaliteit misbruik maakt van gemeentelijke dienstverlening of bestuurlijke structuren. het verstoren van criminele samenwerkingsverbanden binnen de autobranche, het buitengebied en/of industriegebieden en bedrijventerreinen als gelegenheidsstructuur voor georganiseerde en ondermijnende (drugs)criminaliteit. Als illegale activiteiten worden geconstateerd wordt, afhankelijk van aard en ernst van de overtreding, opgetreden. Woningbouwopgave De gemeenteraad heeft in februari 2022 de Woonvisie 2021-2030 vastgesteld. Er ligt de bestuurlijke afspraak dat in de regio Utrecht uiterlijk in 2023 1.500 tijdelijke woningen beschikbaar komen. Wijk bij Duurstede heeft een toezegging gedaan dat er in 2023, 70 flexwoningen beschikbaar zijn. Voor de ontwikkeling van De Geer is er toestemming om 530 woningen toe te voegen en met de provincie is overleg om dit aantal verder op te hogen. Voor de kernen Cothen en Langbroek onderzoeken we mogelijke locaties die binnen het provinciaal beleid voor kleine kernen (tot 50 woningen) passen BijlageF:Evaluatie VTH-beleid 2019-2022 Terugblik Het verlenen van vergunningen is de afgelopen jaren adequaat verlopen. De vergunningsaanvragen die zijn binnengekomen zijn binnen de wettelijk gestelde termijnen afgehandeld. De uitvoering van de toezicht en handhaving is de afgelopen jaren echter een aandachtspunt geweest. Hier is een aantal oorzaken voor aan te wijzen. De jaren 2020, 2021 en een deel van 2022 hebben in het teken gestaan van de bestrijding van de COVID-19 pandemie. Dit heeft zware wissel getrokken op de formatie. Daarnaast is door personele wisselingen en persoonlijke omstandigheden de formatie nooit op volle sterkte geweest. Door de krappe arbeidsmarkt is het ook niet mogelijk geweest om de formatie op peil te houden. Dit probleem kon niet worden opgelost met externen omdat ook hierbij de gespannen markt zich deed gelden. Bovendien had het inhuren van externen als gevolg dat het ‘geheugen’ verloren raakt en dat tijd besteed moest worden aan inwerken van deze medewerkers. De beschikbare formatie is daarom vooral ingezet op het houden van het reguliere toezicht op afgegeven (bouw)vergunningen, het houden van toezicht op bouw- en milieuactiviteiten en het afhandelen van handhavingsverzoeken Door de hierboven genoemde omstandigheden is een aantal geplande activiteiten niet uitgevoerd. Het gaat hierbij om het evalueren van de VTH-kwaliteitsverordening, het onderzoek naar bed & breakfast locaties, illegale bewoning van bijgebouwen, illegale bebouwing van veldschuren en het inventariseren en toetsen van mantelzorgwoningen. In het VTH-beleidsplan 2019-2022 is over deze projecten opgemerkt, dat hieraan pas aandacht wordt besteed als de formatie hiervoor beschikbaar is of als hier door ons college een hogere prioriteit aan wordt gegeven. In de afgelopen beleidsperiode is het niet nodig geweest om aan deze onderwerpen een hoge prioriteit te geven. Er hebben zich geen situaties voorgedaan die optreden van ons rechtvaardigden. Binnen de beschikbare formatie is er daarom voor gekozen om deze projecten niet uit te voeren. Gelet op het feit dat aan deze zaken de afgelopen vier jaar geen inzet is gepleegd en de onderwerpen niet als groot risico worden beschouwd, zijn deze niet meer als specifieke projecten opgenomen in deze strategie. Ondanks het feit dat deze onderwerpen niet meer als project worden opgepakt, wordt er wel aandacht aan besteed. Als uit reguliere controles blijkt dat er misstanden zijn, dan wordt hier volgens het geldende handhavingsbeleid tegen opgetreden. Het Recreatiepark Kooten aan de Groenewoudseweg 1 te Cothen heeft de afgelopen jaren de nodige aandacht gehad. De zorg lag in de permanente bewoning in combinatie met de brandveiligheid van de recreatiewoningen. In 2020 is gestart met toezicht en handhaving op de naleving van de geldende regels waarbij is besloten om niet te handhaven op de bewoning van recreatiewoningen waarvoor tijdelijke gedoogbeschikkingen zijn verleend. In 2022 hebben wij besloten om de recreatiewoningen in te zetten als opvang voor personen die uit Oekraïne zijn gevlucht. Het handhavingstraject is daarmee stopgezet. Momenteel vinden er gesprekken plaats met de eigenaar over de toekomst van het recreatiepark. Aangezien het recreatiepark uit handhavings-oogpunt geen speciale aandacht meer verdient, is ervoor gekozen om dit project niet meer op te nemen in deze strategie. In deze beleidsperiode is het toezichtprotocol vastgesteld. Het protocol geeft aan inwoners en ondernemers zicht op de wijze waarop de gemeente haar toezichtstaken uitvoert. Tot slot zijn er voorbereidingen getroffen op de komst van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Door het uitstel van deze wetten naar 1 januari 2024 heeft hierin wel een fasering plaatsgevonden. Gevolg Wij concluderen dat de ambities die wij de afgelopen jaren hadden op het vlak van de uitvoering van de VTH-taken niet allemaal hebben kunnen waarmaken. Dit kwam deels door onvoorziene omstandigheden zoals de COVID-pandemie en deels door hardnekkige formatieve problemen. Wij zijn ons ervan bewust dat wij in onze toezichthoudende en handhavende taak kwetsbaar zijn en dat dit extra aandacht verdient. In 2022 hebben wij daarom bij de doorontwikkeling van de gehele ambtelijke organisatie de functie van coördinator VTH gecreëerd. Deze coördinator zal onder meer, vanuit het integrale handhavingsbeleid gaan zorgen voor een versteviging van de interne organisatie waardoor de uitvoering van de VTH-taken zich kan verbeteren. Voor de komende beleidsperiode betekent dat, dat de nadruk komt te liggen op activiteiten die ervoor moeten zorgen dat de interne organisatie adequater haar taken kan uitvoeren. Hierbij gaat het om zaken als verbeteren van de interne communicatie, het scherper prioriteren en het optimaliseren van de werkprocessen. Ook het onderzoek naar het voldoen aan de landelijke kwaliteitscriteria voor de uitvoering van de VTH-taken dat voor 2023 op het programma staat is hierbij van belang. Daarnaast wordt de ingeslagen weg ten aanzien van het optimaliseren van de beleidscyclus voortgezet. Het bestaande beleid op grond van handhaving was versnipperd. Op 22 februari 2022 hebben wij daarom de visie en doelstellingen op het brede terrein van toezicht en handhaving vastgesteld . Hierbij gaan wij uit van de volgende drie uitgangpunten: Uitgaan van eigen verantwoordelijkheid inwoners en ondernemers. Vertrouwen in oplossend vermogen samenleving (wel ondersteunen). Preventie boven repressie (maar er zijn grenzen). Deze uitgangspunten zijn opgenomen in deze strategie en zijn daarbij leidend in de uitvoering van de VTH-taken in de komende jaren. Tot slot kan worden opgemerkt dat onverwachte personele ontwikkelingen in een kleine organisatie als Wijk bij Duurstede moeilijk intern zijn op te vangen. Wij zijn ons hier terdege van bewust en zullen daarom ook in de komende beleidsperiode, indien dat noodzakelijk is, door externe inhuur zorgen voor een adequate uitvoering van de VTH-taken. BijlageG:Samenwerkingspartners Voor de realisatie van onze doelstellingen is de gemeente mede afhankelijk van andere partijen. Hieronder wordt kort stilgestaan bij de partijen waar het meest intensief mee wordt opgetrokken en wordt aangegeven hoe de samenwerking wordt gestructureerd. Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) De samenwerkingsafspraken tussen de ODRU en de gemeente liggen vast in een dienstverleningsovereenkomst (hierna: DVO). De ODRU rapporteert ieder kwartaal en jaarlijks over de voortgang van de uitvoering van haar taken. Ook stelt de ODRU jaarlijks een uitvoeringsprogramma op dat door burgemeester en wethouders wordt vastgesteld en ter informatie aan de gemeenteraad aangeboden. De ODRU geeft invulling aan de uitvoering van haar taken volgens de gestelde gemeentelijke prioriteiten en beleidsdoelen en wettelijke taken. Bij het toedelen van de capaciteit wordt ook rekening gehouden met de resultaten uit het voorgaande jaar, actuele ontwikkelingen en trends. Evaluatie van het voorgaande jaar zorgt voor bijsturing van prioriteiten, doelen of verschuiving van capaciteit in het daaropvolgende jaar. Veiligheidsregio Utrecht (VRU) In de VRU is onder meer de regionale brandweer ondergebracht. De brandweer heeft een adviserende functie bij vergunningverlening op het vlak van brandpreventie en externe veiligheid en houdt daarnaast toezicht bij bedrijven en instellingen op het naleven van brandpreventieve voorschriften. Er is overleg met de VRU over het uitvoeren van de advies- en toezichttaken ten aanzien van brandveiligheid en er is op ad hoc basis overleg op dossierniveau en bij het opzetten van specifieke projecten waarin de inbreng van de VRU gewenst is. De samenwerkingsafspraken tussen de VRU en de gemeente liggen vast in een DVO. De VRU rapporteert jaarlijks over de uitgevoerde werkzaamheden en stelt jaarlijks in overleg met de gemeente een jaarplan/jaarprogramma op. Provincie Utrecht De provincie is initiator van de samenwerking tussen gemeenten, ODRU en VRU op het vlak van de uitvoering van de VTH-taken. Deze samenwerking richt zich op kennis delen, informatie uitwisselen en projecten afstemmen. De provincie Utrecht heeft daarnaast de wettelijke taak om de samenwerking tussen bestuursorganen op het gebied van de VTH-taken te coördineren door middel van het Interbestuurlijk Toezicht (IBT). De Provincie Utrecht monitort of en in hoeverre gemeenten voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen, onder andere op het gebied van het omgevingsrecht. Op basis van de aangeleverde informatie vindt de beoordeling plaats. Hierbij kan het oordeel uitkomen op ‘voldoet’, ‘voldoet deels’ of ‘voldoet niet’. Samenwerking met andere gemeenten Er wordt in de regio Utrecht al vanaf 2010 door 18 gemeenten, ODRU, RUD, VRU en de Provincie Utrecht actief samengewerkt om ervaringen te delen, kennis uit te wisselen en projecten af te stemmen. Wij participeren hier ook in. Eén van de doelen is om in gezamenlijkheid de kwaliteit en uniformering van het VTH-beleid, Uitvoeringsprogramma VTH en VTH evaluaties te vergroten. Ook is de voorbereiding van de Omgevingswet in deze samenwerking opgepakt. Door het bestuurlijk ondertekenen van een Samenwerkingsovereenkomst Omgevingswet (SOK-OW) is dit proces geformaliseerd. Politie en Openbaar ministerie Indien nodig wordt bij geconstateerde overtredingen, in overleg met het Openbaar Ministerie (OM), gekozen voor de inzet van het strafrecht. Op het gebied van strafrechtelijke milieuzaken zijn de milieu-agenten het eerste aanspreekpunt voor de gemeente. Er is op zowel op ad-hoc basis als in het zogenaamde driehoeksoverleg contact met de politie en het OM. Het driehoeksoverleg staat in het teken van de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Hier kunnen echter indien nodig handhavingszaken die voortkomen uit de Wabo/Omgevingswet aan de orde worden gesteld. Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden De samenwerking tussen het Hoogheemraadschap en de gemeente heeft betrekking op het toezicht en handhaving van zaken die grondwater of oppervlaktewater gerelateerd zijn, zoals waterkwaliteit en -kwantiteit, medegebruik van openbaar water en nautisch toezicht op vaarbewegingen. Ook adviseert het Hoogheemraadschap de gemeente over waterhuishoudkundige gevolgen en bij vergunningverlening en handhaving van lozingen op de riolering. Daarnaast stelt het Hoogheemraadschap een waterschapsverordening vast. De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater. BijlageH:Toelichting op uitgangspunten Inleiding Uitgangspunten geven sturing aan de wijze hoe de VTH-taken worden uitgevoerd. Ze vormen de basis voor de activiteiten die wij uitvoeren om onze doelen en resultaten te behalen. Hieronder worden een aantal uitgangspunten zoals benoemd in hoofdstuk 3 nader toegelicht. Vertrouwen in de samenleving Daar waar mogelijk treden we als overheid terug en laten we meer over aan inwoners en ondernemers. We vertrouwen onze inwoners en ondernemers en doen een groter beroep op de eigen kracht en verantwoordelijkheid bij het in gesprek gaan met de omgeving (participatie) over het ontwikkelen en uitvoeren van initiatieven en het naleven van regels. Bij toezicht en handhaving gaan we eerst het gesprek aan om te zoeken naar een oplossing en indien nodig en mogelijk de-escalerend op te treden. Hier geldt het uitdrukkelijke voorbehoud van de mogelijkheid die wet- en regelgeving bieden. We treden op wanneer de risico's van dien aard zijn dat de verantwoordelijkheid voor de naleving redelijkerwijs niet aan inwoners en ondernemers overgelaten kan worden. Risico- en informatiegestuurd werken De uitvoering van de VTH-taken vinden plaats op basis van eigen waarnemingen en informatie van inwoners, ondernemers en externe partners. Op basis van deze informatie, in combinatie met kennis over specifieke onderwerpen, locaties en doelgroepen, vindt een risicoanalyse plaats. Deze risicoanalyse is de basis voor het toetsen van vergunningsaanvragen en het houden van toezicht en bepaalt welke acties er ondernomen moeten worden. Prioriteit wordt gegeven aan onderwerpen met de grootste impact op de veiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving. De aanpak wordt afgestemd op het aanwezige risico en het gedrag van de overtreder. Vroegtijdig meedenken bij initiatieven Mede door de komst van de omgevingswet verandert de rol van onze vergunningverleners. De vergunningverleners beperken zich niet meer tot het toetsen van aanvragen op de regels. Vergunningverleners informeren en begeleiden inwoners en ondernemers bij initiatieven en vergunningaanvragen. Om dit te realiseren werkt de gemeente met een intake- en omgevingstafel om zodoende de wenselijkheid en haalbaarheid van een initiatief al in een vroegtijdig stadium te beoordelen en in gezamenlijkheid tot de beste oplossing te komen. Initiatieven worden beoordeeld vanuit mogelijkheden en oplossingen (‘ja, mits’ i.p.v. ‘nee, tenzij’). Vergunningverlening vindt voorts plaats volgens de Vergunningenstrategie (zie paragraaf 7.1 en bijlage I Vergunningenstrategie). Stimuleren naleefgedrag inwoners en ondernemers Wij willen bij inwoners en ondernemers het belang van naleving van wet- en regelgeving stimuleren. Daarvoor is het nodig, dat inwoners en ondernemers de regels kennen en er bij hen draagvlak is om de regels na te leven. Wij stimuleren dit onder andere door helder te communiceren over het door ons gevoerde beleid en gemaakte keuzes. Tevens worden, indien passend, handhavingsacties van tevoren aangekondigd. Hiermee wordt geprobeerd om overtredingen zoveel mogelijk te voorkomen, waardoor handhaving achteraf minder nodig is. Aan de andere kant worden ondernemers of gebruikers die de regels slecht naleven vaker gecontroleerd. Naast de regels dienen inwoners en ondernemers ook bekend te zijn met de risico’s en in staat zijn deze te verlagen. De VRU gebruikt hiervoor het programma (Brand)Veilig Leven dat als doelstelling heeft minder branden, minder schade, minder slachtoffers. Dit gebeurt door het organiseren van voorlichtingscampagnes, het ontwikkelen van voorlichtingsmiddelen en het geven van gerichte voorlichting waarbij het verhogen van het algemene kennisniveau voor brandveiliger gedrag, centraal staan. Correct gedrag is de norm, zowel voor de gemeente als voor inwoners en ondernemers Vergunningverleners, toezichthouders en handhavers hebben veel contact met inwoners en ondernemers. Vooral bij het bespreken en beoordelen van initiatieven en vergunningsaanvragen, in situaties dat zij aangesproken worden op hun gedrag, of dat een uitweg gezocht moet worden in een onveilige situatie of een conflict. Dit zijn situaties waarbij de spanning tussen inwoners/onder-nemers en gemeente hoog kan oplopen. Correct gedrag en taalgebruik zorgen ervoor dat gesprekken minder snel escaleren. Bovendien mag de inwoner/ ondernemer dat verwachten van iemand die hem/haar namens de gemeente aanspreekt. Correct gedrag en correct taalgebruik verwachten we ook van inwoners/ondernemers. Er wordt niet geaccepteerd dat medewerkers geconfronteerd worden met (verbale) agressie of geweld. Bij dergelijke incidenten wordt conform het ‘protocol agressie en geweld’ altijd aangifte gedaan. Uitvoering toezicht en handhaving is helder en transparant Wij willen duidelijk zijn over wat wel en niet is toegestaan. We zetten daarom in op adequate communicatie om in een vroeg stadium overtredingen te signaleren en te voorkomen. Bij geconstateerde overtredingen handelen we consequent en voorspelbaar. Hiertoe is het bouwtoezicht protocol uitgewerkt in het zaaksysteem. Vergelijkbare situaties handelt de gemeente (in beginsel) op vergelijkbare wijze af. Hiermee worden willekeur, rechtsongelijkheid en precedentwerking voorkomen. Hiervoor gebruikt de gemeente de in paragraaf 7.2. en bijlage M ‘Naleefstraregie’ genoemde naleefstrategie. De gemeente kiest voor de instrumenten die tegen zo laag mogelijk kosten het meeste rendement opleveren. Om die reden kiest de gemeente - waar dat mogelijk en verantwoord is - voor oplegging van een last onder dwangsom. Deze maatregel is gericht op het zo spoedig mogelijk ongedaan maken van de strijdige situatie waarbij de verantwoordelijkheid voor het ongedaan maken van de overtreding bij de overtreder ligt. Handhavingstrajecten worden pas afgesloten, nadat de overtreding is opgeheven. Dat betekent dat als het college een last onder dwangsom oplegt, de dwangsom in de regel ook daadwerkelijk wordt geïnd. Om de dienstverlening verder te optimaliseren wordt in deze beleidsperiode het start- en gereed melden van een bouwactiviteit gekoppeld aan de gemeentelijke website. Voorts wordt het indienen van een handhavingsverzoek gedigitaliseerd doordat deze via de gemeentelijke website kan worden ingediend. Handhaving vindt plaats naar redelijkheid en billijkheid Handhavingssi