← Nederland

Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein (IJsselstein)

In het kort

Deze wet actualiseert de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente IJsselstein, die dateert uit 2006 en voor het laatst in 2011 is herzien. Het doel is om de kaart toekomstbestendig en gebruiksvriendelijk te maken, rekening houdend met nieuwe inzichten, uitgevoerde onderzoeken en de Omgevingswet.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein Actualisatie van de archeologische verwachtings- en beleidskaart advieskaart 1Inleiding 1.1Aanleiding en doelstelling In opdracht van de gemeente IJsselstein heeft Archol in 2022 een actualisatie uitgevoerd van de archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het grondgebied van de gemeente IJsselstein. De huidige archeologische beleidskaart dateert uit 2006.1De Boer et al.

  1. In 2011 heeft weliswaar een actualisatie van de beleidsregels plaatsgevonden, de onderliggende beleidskaart is destijds niet aangepast.2Van Rooij & De Boer
  2. Om de kaart ook in de toekomst te kunnen blijven inzetten is het om verschillende redenen noodzakelijk een actualisatie uit te voeren. Allereerst is in de periode sinds het vaststellen van de huidige versie (in 2011) een groot aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd, zijn nieuwe inzichten ontstaan over de landschappelijke opbouw van het gebied en zijn nieuwe archeologische waarnemingen gedaan (zie hoofdstuk 3 en bijlage 4). Daarnaast dient door de komst van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) het gemeentelijke archeologiebeleid te voldoen aan de in deze wet gestelde regels, zoals beschreven in het Concept Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). Verder is recentelijk de interim omgevingsverordening in werking getreden waarin de provincie Utrecht aangeeft dat zij de instandhouding en versterking van enkele archeologische zones, waaronder één deels gelegen op het grondgebied van IJsselstein, als van provinciaal belang beschouwt. De laatste reden is het regelmatige commentaar van gebruikers op de onoverzichtelijkheid van de huidige beleidskaart. Doel van de actualisatie is daarmee het toekomstbestendig en gebruiksvriendelijk maken van de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente IJsselstein. De actualisatie van de gemeentelijk beleidsadvieskaart heeft zich niet alleen gericht op het toevoegen en analyseren van nieuwe archeologische vindplaatsen en onderzoeken. Ten opzichte van de vorige beleidskaarten zijn, enkele aanvullingen/wijzigingen doorgevoerd (zie verder paragraaf 1.4): Informatiekaarten waarop de uitgevoerde archeologische onderzoeken en bekende archeologische vindplaatsen zijn weergegeven; Een landschappelijke ondergrondkaart die de basis vormt voor de archeologische verwachtingen uit de verschillende perioden; Een historisch-landschappelijke kaart waarop de historisch-geografische elementen zijn weergegeven; Detailkaarten van de historische kern met informatie over de bekende en te verwachten archeologische resten en een uitbeelding van de historisch-geografische karakteristiek; Een relictenkaart voor het modern oorlogserfgoed. 1.2Ligging van de gemeente Het grondgebied van de gemeente IJsselstein beslaat ongeveer 22 km² (Figuur 1-1). De gemeente valt binnen de kaartbladen 31G, 31H, 38E en 38F van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000). Het grondgebied van de gemeente IJsselstein valt uiteen in een vrij compacte bebouwde kern (ca. 6 km²), die rondom om de historische kern ligt, en het agrarisch buitengebied met verspreide bebouwing. Figuur 1-1 Ligging van de gemeente IJsselstein (rode lijn); inzet: ligging in Nederland (bron: PDOK). 1.3Onderzoeksopzet Voor de actualisatie van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van IJsselstein is een stapsgewijze aanpak gevolgd. Tijdens dit proces is periodiek overleg geweest met de ODRU als vertegenwoordiger van de gemeente IJsselstein. Stap 1 De eerste stap betrof het inventariseren van bekende archeologische gegevens, historisch-geografische relicten en elementen alsmede resten van modern oorlogserfgoed binnen de gemeente IJsselstein. De hierbij gehanteerde werkwijze en gebruikte bronnen worden in hoofdstuk 3 uitgebreid toegelicht. De verzamelde gegevens zijn in catalogi gerangschikt, geanalyseerd en op kaart gezet. Parallel hieraan zijn aardwetenschappelijke gegevens geïnventariseerd, die gebruikt zijn om de archeo-landschappelijke eenhedenkaart te vervaardigen. Het karteren van de verschillende kaarteenheden is met een 'archeologische bril' gebeurd, wat wil zeggen dat de landschappelijk indeling in functie staat van de bewoningsgeschiedenis van het gebied. De geïnventariseerde archeologische gegevens zijn verwerkt in de catalogi Archeologische vindplaatsen (bijlage 1), Archeologische rijksmonumenten (bijlage 2), Archeologische terreinen ('AMK-terreinen'; bijlage 3) en Archeologische onderzoeken (bijlage 4), en vervolgens op de Inventarisatiekaart archeologische vindplaatsen en onderzoeken (kaartbijlage 1) en de Archeolandschappelijke eenhedenkaart (laat paleolithicum – middeleeuwen; kaartbijlage 2) afgebeeld. De historisch-geografische gegevens zijn direct verwerkt in de Kaart historisch-geografische waarden en relicten (middeleeuwen – Nieuwe tijd; kaartbijlage 3); alleen van de bestaande en verdwenen molenplaatsen is een catalogus opgesteld (bijlage 5: Catalogus van (verdwenen) molens). Omdat het modern oorlogserfgoed als nieuw aspect in de geactualiseerde verwachtings- en beleidskaart van de gemeente IJsselstein is opgenomen, is de inventarisatie van gegevens hierover in de vorm van een uitgebreid bureauonderzoek uitgevoerd. Dit bureauonderzoek is als bijlage 6 bij dit rapport bijgevoegd. De geïdentificeerde vindplaatsen en verwachtingszones van modern oorlogserfgoed – het blijkt uitsluitend om elementen uit de Tweede Wereldoorlog te gaan-, zijn afgebeeld op de Relictenkaart Tweede Wereldoorlog (kaartbijlage 10). Naast de genoemde “gemeentedekkende” kaarten zijn voor de historische kern van IJsselstein vijf detailkaarten opgesteld: Vindplaatsen en onderzoeken (kaartbijlage 5), Vindplaatsen, archeo-landschappelijke eenheden en verwachtingen (kaartbijlage 6), Historisch-geografische elementen en relicten (kaartbijlage 7) en een Overzicht verstoorde, gesaneerde en vrijgegeven gebieden (kaartbijlage 8). Stap 2 De archeo-landschappelijke kaart fungeert als 'onderlegger' voor de archeologische waarden en vormt de basis voor de archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 2). Deze kaart heeft betrekking op de prehistorie tot middeleeuwen, toen de variatie van het landschap een bepalende factor was in de locatiekeuze van de mens. Door gebruik te maken van de spreiding van de bekende vindplaatsen aan de ene kant en algemene kennis over de relatie tussen (pre)historische bewoning en het vroegere landschap anderzijds, is op kaartbijlage 2 aan elke archeo-landschappelijke eenheid een specifieke archeologische verwachting gekoppeld. Tijdens stap 2 is op basis van de kaartbijlage 3 historisch-geografisch waarden en relicten (middeleeuwen – Nieuwe tijd) een verwachtingskaart gemaakt voor de historische perioden late middeleeuwen – Nieuwe tijd (kaartbijlage 4). De verwachtingskaart voor de historische kern bestaat voor de prehistorie tot middeleeuwen uit een detailopname van kaartbijlage 2 (i.e. kaartbijlage 6) en voor de perioden late middeleeuwen en Nieuwe tijd uit een detailopname van kaartbijlage 4 (kaartbijlage 9). Stap 3 De archeo-landschappelijke en historische verwachtingskaarten en de kaarten met historisch-geografische en militaire relicten zijn tijdens stap 3 gecombineerd tot de archeologische beleidsadvieskaart (kaartbijlage 9). Op deze kaart zijn aan de verschillende kaarteenheden concrete beleidsregels en -regimes gekoppeld. Overzicht samenhang onderzoeksopzet, bijlagen en kaartbijlagen. * Bijlage 6 betreft bureauonderzoek. 1.4Wijzigingen ten opzichte van voorgaande kaarten De verwachtings- en beleidskaart van IJsselstein archeologische beleidskaart dateert uit
  3. In 2011 is deze voor het eerst geactualiseerd. Deze actualisatie betrof een herziening van de verwachtingen die aan de in 2006 gekarteerde zones waren toegekend.3resp. De Boer et al. 2006 en Van Rooij & De Boer
  4. Ook zijn de beleidsregels (ondergrenzen) en het beleid met betrekking tot de te hanteren onderzoeksmethoden in 2011 deels aangepast. Voor zover bekend zijn de onderliggende (verwachtings)kaarten destijds niet gewijzigd. De aanpassingen die in het kader van onderhavige actualisatie zijn doorgevoerd hebben deels betrekking op (de uitgangspunten bij) de verwachtingskaart uit 2006 en deels op de beleidsregels uit
  5. Naast de inventarisatie van nieuwe archeologische en verstoringsgegevens (van na 2011) zijn de volgende aanpassingen doorgevoerd: Het meest opvallend is de lay-out technische/cosmetische verbeterslag: de leesbaarheid/toegankelijkheid van de kaarten is verbeterd door een eenduidiger lay-out van de kaarten, grotere kaartformaten met bijpassende (kleinere) kaartschaal te hanteren. Ook is een logischer en rustiger kleurgebruik toegepast; De gemeente IJsselstein maakt deel uit van het holocene rivierenlandschap, dat gekenmerkt wordt door een stapeling van meerdere archeologische landschappen. Het belangrijkste inhoudelijke verschil met de eerdere kaarten, is dat bij het opstellen van de archeologische verwachtingskaart explicieter rekening is gehouden met deze stapeling. Dat betekent dat elke kaarteenheid niet slechts één archeologische verwachting heeft, maar dat voor alle onderscheiden perioden een afzonderlijke verwachting is gegeven. Ook is de archeologische verwachting voor de pleistocene ondergrond – met alle beperkingen – bij onderhavige actualisatie wel meegenomen; Sinds 2006 is de kennis over ligging en datering van meandergordels in het rivierengebied toegenomen, met name de kartering van de vroeg holocene stroomgordels is verbeterd.4Cohen & Stouthamer
  6. Dit heeft zich vertaald in een vernieuwd basisbestand van de paleogeografie van de Rijn-Maasdelta, dat een van de uitgangspunten vormt voor de opgestelde landschappelijke eenhedenkaart.5vgl. Berendsen & Stouthamer 2001; Cohen et al.
  7. Voor de gemeente IJsselstein gaat het bijvoorbeeld om de meandergordels Benschop, Tienhoven, Kortenhoeven en Autena; Verder is, door de combinatie van het AHN met bestaande en vernieuwde paleogeografische kaarten én gedetailleerde bodemkaarten, het landschappelijk beeld verfijnd (o.a. ten aanzien van de oeverzones, crevassen, komgebieden en aftgetichelde percelen);6Berendsen 1982; Pierik
  8. Twee typen archeologische resten die in de eerdere versies van de verwachtings- en beleidskaart (veelal) ontbraken, zijn als aparte kaartlagen toegevoegd: Buiten de historische kern en de bewoningslinten gelegen locaties met historische bewoning (gehuchten), historisch-geografische elementen (dijken, kades, molens etc.) en andersoortige bebouwing (MIP-objecten en gebouwde rijksmonumenten); Resten van militair erfgoed (Tweede wereldoorlog). De verwachting voor de bewoningslinten is gedifferentieerd door aan de hand van 18e en 19e eeuwse kaarten de ligging van historische boerderijerven binnen de bewoningslinten zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. Door de bestudering van historische kaartmateriaal is bepaald waar historische watergangen en -gebieden voorkomen. Aan de hand van hun ligging ten opzichte van historisch-geografische relicten is vervolgens een specifieke verwachting voor watergerelateerde archeologische resten bepaald. Op verzoek van de gemeente is de categorie “attentiegebieden” toegevoegd. Dit zijn gebieden met een zeer hoge verwachtingswaarde die zich kenmerken door een hoge gaafheid van de bodem en een hoge dichtheid aan samenhangende vindplaatsen. Tot slot is een bewerkingsslag uitgevoerd aan de Archis-waarnemingen. Door filtering/opschoning zijn de circa 1600 afzonderlijke waarnemingen records teruggebracht tot 165 vindplaatsen. Ten opzichte van de beleidscategorieën en vrijstellingsgrenzen uit 2011 zijn de volgende wijzigingen aan te geven: De beleidskaart van 2011 kenmerkt zich door een complexe lay-out met twaalf beleidscategorieën en vrijstellingsgrenzen die of heel streng (onderzoeksverplichting bij bodemingrepen boven 0, 20 of 100 m²) of juist ruim (onderzoeksverplichting bij bodemingrepen boven 2500 m² of 10 ha) zijn. In de onderhavige geactualiseerde kaart is voor een gemakkelijker gebruik het aantal beleidscategorieën teruggebracht naar zeven (Waarde-archeologie 1-6 en Geen onderzoek). Daarnaast is er differentiatie aangebracht in de vrijstellingsgrenzen (variërend van 0, 30, 250, 500 m² tot 1000 en 10.000 m²) om meer recht te doen aan de verschillen in verwachtingswaarde tussen de beleidscategorieën. Verder is de optie toegevoegd om in het geval mogelijk sprake is van een aangetast archeologisch niveau door grootschalige bodemingrepen (afgravingen, saneringen, naoorlogse uitbreidingswijken), de archeologisch adviseur van de gemeente de mogelijk te bieden te kiezen voor een aangepaste onderzoeksstrategie of geen onderzoek. 1.5Leeswijzer Dit rapport vormt in essentie een verantwoordingsdocument voor en toelichting op de totstandkoming van de archeologische beleidskaart van de gemeente IJsselstein (kaartbijlagen 11 & 12). In hoofdstuk 2 wordt het kader beschreven waarbinnen het gemeentelijk archeologiebeleid een rol speelt. Dit betreft zowel het beleid op provinciaal en rijksniveau, als de veranderingen op gemeentelijk niveau, voortkomend uit de Omgevingswet. In hoofdstuk 3 worden de geïnventariseerde gegevens behandeld. Het gaat om de archeologische vindplaatsen en onderzoeken (kaartbijlage 1), de landschappelijke ondergrond (kaartbijlage 2), de historisch-geografische elementen (kaartbijlage 3) en de relicten van het moderne oorlogserfgoed (kaartbijlage 4).7Het bureauonderzoek dat aan kaartbijlage 4 Relicten modern oorlogserfgoed ten grondslag ligt, is als bijlage 6 in het rapport opgenomen. In een aparte paragraaf wordt daarbij specifiek aandacht besteed aan nieuwe archeologische, landschappelijke, verstorings- en historisch-geografische gegevens van het historische centrum (kaartbijlagen 5 - 8) . Hoofdstuk 4 beschrijft de achtergrond en het principe van de archeologische verwachtingskaarten (kaartbijlagen 2 en 6). Ook wordt hier de onderbouwing gegeven van de archeologische verwachtingen die aan de gekarteerde landschappelijke eenheden zijn gekoppeld. In hoofdstuk 5 wordt de vertaling van de verwachtingskaarten, de historisch-geografische kaartlaag en de relictenkaart modern oorlogserfgoed naar de archeologische beleidskaart toegelicht en komen de hieruit volgende beleidsregimes aan bod. Hoofdstuk 7 geeft handvatten voor het gebruik van de beleidskaart in de gemeentelijke praktijk. De kern van de rapportage bestaat feitelijk uit de cartografische weergave van de uitgevoerde inventarisaties en het gehanteerde archeologische verwachtingsmodel: Een overzichtskaart met de bekende vindplaatsen en uitgevoerde archeologische onderzoeken (kaartbijlage 1); Een landschappelijke eenhedenkaart met archeologische verwachtingen voor de perioden laat-paleolithicum tot middeleeuwen (kaartbijlage 2); Een overzichtskaart met historisch-landschappelijke eenheden en historisch-geografisch waarden en relicten (kaartbijlage 3); Een archeologische verwachtingskaart voor de historische perioden late middeleeuwen en Nieuwe tijd (kaartbijlage 4) Vier detailkaarten van de historische kern met de bekende vindplaatsen en uitgevoerde archeologische onderzoeken, landschappelijke eenheden en verwachtingen, verstoringsgegevens en de historische relicten (kaartbijlagen 5 tot 9); Een overzichtskaart met het militair erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog (kaartbijlage 10); De archeologische beleidskaart (kaartbijlagen 11 & 12). De bijlagen 1 tot en met 5 betreffen catalogi met: Bekende archeologische vindplaatsen (bijlage 1); Archeologische (rijks)monumenten (bijlage 2); Archeologische terreinen (bijlage 3); Uitgevoerde archeologische onderzoeken (bijlage 4); Bestaande en verdwenen molens (bijlage 5). Bijlage 6 betreft het bureauonderzoek met de inventarisatie van relicten van het moderne oorlogserfgoed. Bijlage
  9. Omschrijft de werkwijze vanuit De Erfgoedwet, de KNA en het archeologisch onderzoekstraject. 2Archeologie en ruimtelijke ordening: wettelijk kader en beleid 2.1Wet- en regelgeving Inleiding De zorg voor archeologie is in Nederland een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheden en particulieren. Het Rijksbeleid is gericht op het behoud, duurzaam beheer en verbetering van de toegankelijkheid van archeologisch erfgoed. Het gedecentraliseerde stelsel dat Nederland kent, maakt dat de belangrijkste verantwoordelijkheid voor archeologische erfgoedzorg bij de gemeenten en provincies ligt. Zij zijn op regionaal en lokaal niveau verantwoordelijk voor de uitvoering van het rijksoverheidsbeleid. Een andere belangrijke schakel in de erfgoedzorg is de initiatiefnemer: de persoon of organisatie die ruimtelijke plannen heeft voor een bepaald gebied en daarbij in aanraking komt (of kan komen) met archeologie. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de uitvoering van archeologisch onderzoek en de kosten hiervan. De zorg voor het archeologisch erfgoed is wettelijk vastgelegd. Al sinds 1961 kent Nederland een monumentenwet. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, die in 2007 is herzien als gevolg van de implementatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg, en per 1 juli 2016 is komen te vervallen en deels is opgegaan in de Erfgoedwet. Een ander gedeelte zal naar verwachting per 1 januari 2024 opgaan in de Omgevingswet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed in de fysieke leefomgeving. Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) In 1998 keurde de Tweede en Eerste Kamer het Verdrag van Valletta (‘Malta’) uit 1992 goed. Implementatie van dit Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed leidde in 2007 tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), tot herziening van de Monumentenwet 1988 en tot aanpassing van wetten zoals de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). De Wamz heeft twee centrale uitgangspunten. Allereerst staat behoud in situ centraal, waarbij archeologische waarden op een verantwoorde manier in de bodem bewaard worden, onder andere met behulp van planinpassing en beheersmaatregelen (artikel 4). Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat economische belangen van voorgenomen ingrepen groter geacht worden dan het belang van het behoud van aanwezige archeologische waarden, dan kan overgegaan worden tot behoud ex situ (opgraving, documentatie en deponering). Ten tweede staat het ‘verstoorder-betaalt’-principe centraal (artikel 6). Hierbij moet de initiatiefnemer voor bodemverstorende ingrepen vroegtijdig archeologisch (voor)onderzoek van de betreffende locaties (laten) uitvoeren en betalen voor dat onderzoek en voor maatregelen die genomen moeten worden om eventuele archeologische waarden te behouden. Voor 2007 was de bescherming van stads- en dorpsgezichten en van individuele monumenten, inclusief de archeologische, vastgelegd in de Monumentenwet
  10. Met de inwerkingtreding van de Wamz kwam daar de bescherming van te verwachten archeologische waarden bij. Voor dit doel zijn in de (herziene) Monumentenwet 1988 een vijftal uitgangspunten geformuleerd. Naast de twee hierboven genoemde uitgangspunten (streven naar behoud in situ en het ‘verstoorder-betaalt’-principe, werd als derde uitgangspunt de praktische uitvoering van de bescherming van het archeologisch erfgoed gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo) doordat bij vaststelling van een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met archeologie. Het vierde uitgangspunt is dat de provincies de mogelijkheid hebben om gebieden aan te wijzen die zijn archeologisch gezien van provinciaal belang zien (attentiegebieden). Gemeenten dienen deze attentiegebieden in hun omgevingsplannen uit te werken. Een laatste uitgangspunt betreft de mogelijkheid voor marktwerking voor archeologisch onderzoek binnen de Wamz, waarvoor kwaliteitsnormen zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De uitgangspunten van de (herziene) Monumentenwet hebben gevolgen voor verschillende partijen. Zo is door de koppeling van de bescherming van het archeologisch erfgoed aan de processen van de ruimtelijke ordening bij gemeenten de behoefte aan gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaarten ontstaan. Met dit instrument wordt bepaald waar op een gemeentelijk grondgebied archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht kunnen worden. De kaarten worden verwerkt in omgevingsplannen door beschermende voorwaarden op te nemen voor gebieden waar archeologische resten zijn te verwachten. Voor aanvragers van vergunningen voor bodemingrepen betekent dit dat voldaan moet worden aan deze voorwaarden, zoals bijvoorbeeld een archeologische onderzoeksplicht. De wet hanteert 100 m2 als vrijstellingsondergrens van de onderzoeksverplichting, maar gemeentes mogen hier beargumenteerd van afwijken. Erfgoedwet en Omgevingswet Vanuit de behoefte versnippering binnen de erfgoedwetgeving tegen te gaan en duidelijkheid te bieden, is in 2016 de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland (w.o. de Monumentenwet 1988) gebundeld in één Erfgoedwet. Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 opgeheven. Naast de Erfgoedwet is voor het behoud en beheer van het archeologisch erfgoed de nieuwe Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking is getreden, van belang. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.8www.rce.nl. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het cultureel erfgoed zoals museale objecten, musea, monumenten, archeologie en archieven wordt omgegaan. In de wet wordt ook omschreven wie daarbij welke verantwoordelijkheid heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgevoerd. Daarbij wordt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het culturele erfgoed zo veel mogelijk gelegd bij de beheerders en erfgoedadviseurs zelf, zoals: musea, collectiebeheerders, archeologen, monumentenorganisaties, eigenaren en de overheid. Elk type erfgoed heeft haar eigen beschermingsregime, dat overeenkomt met de oude wet- en regelgeving zoals vastgelegd in de Monumentenwet
  11. Ook in de Erfgoedwet staat centraal dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven en dat zo vroeg mogelijk in de ruimtelijke planvorming rekening moet worden gehouden met het aspect archeologie. In de Erfgoedwet zijn enkele aanvullingen doorgevoerd ten opzichte van de Wamz. Een belangrijke aanvulling betreft een algemeen opgravingsverbod en de certificering van archeologisch onderzoek. Voor dit laatste is de BRL SIKB 4000 als verplichte certificatieregeling voor archeologisch onderzoek aangewezen. Onder bepaalde omstandigheden, die in de Erfgoedwet met bijbehorende strikte voorwaarden en beperkingen zijn opgenomen, is archeologisch onderzoek zonder certificering wel toegestaan, bijvoorbeeld in geval van opgravingen van niet-behoudenswaardige terreinen door verenigingen van amateurarcheologen, en bepaalde activiteiten van metaaldetectoramateurs. Vier andere belangrijke veranderingen hebben betrekking op het erfgoedregister, de rijksmonumenten, het maritiem erfgoed, en de tegemoetkoming van het Rijk aan gemeenten en provincies voor excessieve opgravingskosten. Door het bijhouden van een openbaar ‘erfgoedregister’ dienen overheden inzage te geven in de cultureel erfgoederen die in haar beheer en bezit zijn, waaronder ook archieven. De instandhoudingsplicht voor rijksmonumenten schrijft voor dat dat een eigenaar moet zorgen dat zijn of haar rijksmonument zodanig onderhouden wordt, dat het behoud gewaarborgd is. Indien een eigenaar daar nalatig in is dient de gemeente hier handhavend tegen op te treden. Maritiem archeologisch erfgoed wordt in de Erfgoedwet beter beschermd (bijvoorbeeld door een verbod op metaaldetectie onder water). De excessieve-kostenregeling, waarbij gemeenten of provincies bij onverwacht hoge archeologiekosten een beroep konden doen op de Rijksoverheid, is vervangen door tegemoetkomingen in het Gemeentefonds en door de oprichting van een nationaal fonds voor onderzoek van terreinen met bijzondere (inter)nationale betekenis. Het omgevingsrecht omvat een enorme verscheidenheid aan wetten en regelingen over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water, waar archeologie ook onder valt. Deze hebben allemaal hun eigen criteria en procedures. Dit maakt het omgevingsrecht niet alleen ingewikkeld, maar in sommige gevallen ook traag. Daarom is besloten om bovengenoemde verscheidenheid samen te voegen en onder te brengen in één wet, de Omgevingswet.9Sinds de aankondiging ervan in 2014, is de invoering van de wet herhaaldelijk uitgesteld. De huidige, voorziene ingangsdatum is 1 januari 2024 (www.rijksoverheid.nl; geraadpleegd januari 2023). De Omgevingswet moet besluitvorming sneller doen verlopen, en ruimte bieden voor lokaal maatwerk en bevordering van burgerparticipatie. Uitgangspunt is dat beleid, in plaats van beperkend steeds meer uitnodigend wordt ingericht. Ten aanzien van ruimtelijke initiatieven en ruimtelijk beleid wordt daarom ook wel eens gesproken over een omslag van bestemmings- naar uitnodigingsplanologie. Het vooroverleg wordt belangrijker waardoor overheden meer gesprekspartner worden en minder toetser. Het bij planvorming betrekken van belanghebbenden en de omgeving wordt bovendien een inspanningsverplichting voor zowel de toetsende overheid als de initiatiefnemer zelf.10www.rijksoverheid.nl
  12. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving, waaronder cultureel erfgoed. De Omgevingswet zal onder andere de Wet Ruimtelijke Ordening omvatten, maar ook alle onderdelen over omgevingsrecht uit de herziene Monumentenwet
  13. De omgang met rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologie in de leefomgeving valt hiermee onder de nieuwe wet. Uitgangspunt voor de Omgevingswet is gebiedsgericht beleid, met één, inhoudelijk goed afgestemde, set regelingen. Dit geldt ook voor archeologie. De volgende aspecten van de Omgevingswet zijn voor het gemeentelijk beheer van het archeologisch erfgoed van belang11www.rce.nl.: Er wordt een brede definitie van cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving gehanteerd. Het gaat om (gebouwde en aangelegde) monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed – roerend of immaterieel erfgoed – dat via het omgevingsplan aan een specifieke locatie te verbinden is, zoals een haven voor historische schepen of een corsowagenbouwplaats. De omgevingsvisie, In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. De gemeente stelt één omgevingsvisie voor het hele grondgebied vast. Daarnaast kan de gemeente samen met een andere gemeente of met de provincie een gezamenlijke of regionale omgevingsvisie opstellen. Op 11 november 2011 heeft de gemeente haar omgevingsvisie genaamd “Omgevingsvisie IJsselstein. Behoud én ontwikkeling” vastgesteld. Daarin staat aangegeven dat een van de landschappelijke kwaliteiten van de gemeente de rijke historie is die in de bodem van IJsselstein verborgen ligt. De gemeente wil voorkomen dat het archeologisch erfgoed van de stad verloren gaat door bijvoorbeeld bouwactiviteiten of de aanleg van wegen. Daarom geldt voor de omgevingsvisie als uitgangspunt: “We beschermen archeologisch erfgoed, in eerste instantie in de ondergrond.”12Projectteam gemeente IJsselstein/ KuiperCompagnons,
  14. Het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Het plan geeft meer concreet uitwerking aan de (maatschappelijke) opgaven uit de gemeentelijke omgevingsvisie. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de gemeente aanwezig is. Op basis daarvan neemt de gemeente een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan op. Het omgevingsplan komt in de plaats van het huidige bestemmingsplan en de gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan. Het aanwijzen van gemeentelijke monumenten gebeurt straks ook in het omgevingsplan. Goed onderbouwde archeologische beleidskaarten met beleidsregels kunnen bij de in werking treden van de Omgevingswet worden opgenomen in het (definitieve) omgevingsplan, waarin een gemeente de regels voor de fysieke leefomgeving vastlegt. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de bestemmingsplannen overgegaan naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente IJsselstein. Hierbij zijn de aanduidingen, plankaarten en regels uit de bestemmingsplannen één op één overgenomen.13De overgenomen bestemmingsplannen worden in het zogenoemde tijdelijk deel van het omgevingsplan IJsselstein nog steeds aangeduid als bestemmingsplan. Het zijn echter geen juridisch aparte bestemmingsplannen meer, maar (tot uiterlijk 2032 tijdelijke) onderdelen van het omgevingsplan. Omdat het één op één overgegaan is kan het zijn dat bepaalde regels, aanduidingen enz. nog niet geheel voldoen aan de regelgeving uit de Omgevingswet en bijbehorende regelingen. Bij wijziging van het omgevingsplan (op een locatie, gebied of zelfs voor de gehele gemeente) zullen deze bijgewerkt moeten worden, om vervolgens of naar het “definitieve” deel van het omgevingsplan van de gemeente IJsselstein te gaan, of als een apart omgevingsplan van toepassing worden. Het aspect archeologie zal dan op basis van de actuele gemeentelijke beleidskaart in een apart thematisch omgevingsplan omgezet worden, danwel onderdeel worden van het definitieve deel van het omgevingsplan gemeente IJsselstein. De regels met betrekking tot archeologie zullen ten opzichte van de bestemmingsplannen aangepast worden om binnen de systematiek van de Omgevingswet te vallen. Voor een indruk van de regels in het Omgevingsplan wordt verwezen naar de voorbeeldregels Archeologie die door de VNG zijn opgesteld.14https://vng.nl/nieuws/nieuw-handreiking-erfgoedverordening-en-omgevingsplan Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de Tijdelijke Omgevingsplannen om te zetten naar definitieve Omgevingsplannen. Werelderfgoed wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het eerst expliciet wettelijk verankerd. De gemeente wordt verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten, in het geval er sprake is van een meervoudige aanvraag (formeel: indien een of meer andere omgevingsvergunningen nodig zijn voor samenhangende activiteiten). De gemeente is wel verplicht om bij dergelijke meervoudige aanvragen de RCE om advies te vragen; de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft ook instemmingsrecht op het voorgenomen besluit. Bij een enkelvoudige aanvraag is de RCE het bevoegd gezag.15Zie: https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/omgevingswet/veelgestelde-vragen/veelgestelde-vragen---rijksmonumenten#:~:text=1.10%20Wie%20is%20bevoegd%20gezag,gaat%20om%20een%20meervoudige%20aanvraag. In de Omgevingswet is geregeld dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang niet alleen de minister van OCW maar ook de gemeente bodemverstorende werkzaamheden kan stilleggen. De eigenaar van een rijksmonument heeft een instandhoudingsplicht. Hij of zij moet ervoor zorgdragen dat het monument zodanig wordt onderhouden dat het behoud ervan gewaarborgd is. Het toetsingskader voor een sloopvergunning binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht moet in het omgevingsplan worden opgenomen. 2.2Rol en verantwoordelijkheden overheden Verantwoordelijkheden nationale overheid Sinds 2007 zijn gemeenten (mede) verantwoordelijk voor archeologie in hun grondgebied. Daarmee hebben zij een sterkere rol als bevoegde overheid gekregen. Wanneer het gaat om monumentale, archeologische of cultuurlandschappelijke waarden van nationaal of internationaal belang, of wanneer de nationale overheid (het Rijk) initiatiefnemer is bij projecten, dan liggen de nodigde verantwoordelijkheden op nationaal niveau. Andere rollen voor de nationale overheid zijn de wettelijke adviesrol bij projecten waarvoor een milieu-effect-rapportage (m.e.r.) nodig is, het vaststellen van de omgang van beschermde (archeologische) rijksmonumenten, het onderhouden van een nationaal archeologisch informatiesysteem (ARCHIS) en het laten stilleggen van werkzaamheden bij rijksmonumenten. Deze taken zijn belegd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Erfgoedinspectie. Verantwoordelijkheden provinciale overheden Ook provinciale overheden hebben een aantal verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologische erfgoed. De provincie is bijvoorbeeld bevoegd gezag bij gebieden die onder de Ontgrondingenwet vallen, bij m.e.r.-procedures of bij gemeente-overstijgende projecten, projecten waarbij provinciale (water)wegen zijn betrokken en projecten waarbij de provincie verstoorder. Ook zijn provincies volgens de Erfgoedwet eigenaar van archeologische vondsten en onderzoeksdocumentatie binnen de provincie. Provincie Utrecht is daarmee eigenaar van en verantwoordelijk voor de Utrechtse archeologische collecties. Deze worden ondergebracht in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten in Utrecht, de gemeente IJsselstein heeft geen eigen depot. De Provincie Utrecht betrekt het publiek ook door het uitgeven van de archeologische kroniek van Utrecht, het verzorgen van informatiebijeenkomsten en andere toegankelijke archeologische publicaties. Verantwoordelijkheden lokale overheden Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid bij bodemingrepen rekening te houden met archeologische waarden die in de ondergrond aanwezig (kunnen) zijn. Sinds 2007, met de komst van de Wamz, ligt de verantwoordelijkheid voor de omgang met archeologische waarden in belangrijke mate op het gemeentelijke niveau.16Voor bodemingrepen tot 100 m² mag de gemeente hier, mits onderbouwd, van afwijken (‘kruimelgevallenregeling‘).Deze regeling wijzigt niet onder de Omgevingswet. De gemeente is het bevoegd gezag bij de meeste ruimtelijke ontwikkelingen op haar grondgebied die gevolgen hebben voor het archeologisch erfgoed. Om deze taak op een verantwoorde wijze uit te kunnen voeren, dienen gemeenten eigen (aanvullend) beleid vast te stellen. Dit gemeentelijke beleid dient daarbij aan te sluiten op het rijksbeleid waarbij het in de bodem (in situ) behoud van het archeologische bodemarchief voorop staat. Als behoud en bescherming van archeologische resten in de bodem niet mogelijk blijken te zijn, dienen de resten te worden onderzocht en gedocumenteerd. Het te voeren gemeentelijk archeologiebeleid is gekoppeld aan het ruimtelijke ordeningsbeleid, doorgaans door in omgevingsplannen beschermende voorwaarden op te nemen voor gebieden waar archeologische resten zijn te verwachten. Omgevingsplannen hebben een archeologische paragraaf, met daarin opgenomen de waarde die aan archeologie wordt toegekend, omgevingsplanregels met daarin specifieke archeologie-regels waaraan voldaan moet worden, en plankaarten met daarop de archeologische verwachting op basis van de beleidskaart en de archeologisch-monument-terreinen en de gebieden van archeologische verwachtingswaarde. Omdat het opnemen van een archeologische paragraaf in omgevingsplannen voor veel gemeenten niet eenvoudig of snel te realiseren is, wordt hiervoor in overgangssituaties ook wel het instrument van de Erfgoedverordening gehanteerd. De gemeente toets vergunningaanvragen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen aan de regels in het omgevingsplan, en informeren initiatiefnemers over onderzoeksplicht en voorwaarden waaronder omgevingsvergunningen verleend kunnen worden. Dit staat ook in het omgevingsplan. 2.3Archeologie in de ruimtelijke ordening Doordat in de Erfgoedwet uitgegaan wordt van behoud van archeologische waarden in situ, zijn voor projecten met bodemverstorende ingrepen vroegtijdige inventarisaties van de betreffende archeologische waarden van belang. Voor eventuele planaanpassing of -inpassing is het noodzakelijk om in een vroeg stadium van de planontwikkeling te weten met welke archeologische waarden rekening gehouden moet worden. Dit is zowel in het belang van de archeologie, die hierdoor beter bewaard kan blijven doordat ontwikkelplannen kunnen worden aangepast, of doordat technische details ervan worden gewijzigd, om te archeologie te ontzien, en het is ook in belang van de initiatiefnemer, voor wie mogelijk opgravingskosten en/of projectvertragingen vermeden kunnen worden. Inpassing van archeologische en cultuurhistorische waarden kan een belangrijke positieve impuls geven aan de inrichting van de openbare ruimte, door de mogelijkheid om de cultuurhistorische identiteit van een locatie te versterken, terwijl de betreffende waarden in situ bewaard kunnen worden. Archeologische waarden kunnen worden bedreigd op locaties die planologisch (her)ontwikkeld worden of die een nieuwe bestemming krijgen. Hiermee samenhangende bodemingrepen kunnen aanwezige archeologische waarden beschadigen of vernietigen. Ook verlaging van grondwaterniveaus vormen een bedreiging voor aanwezige archeologische waarden, omdat dit effect heeft op de lokale conserveringsomstandigheden waardoor archeologische materialen en daarmee samenhangende informatie verloren gaat. In procedures rond de ruimtelijke ordening moet dus in een vroeg stadium rekening gehouden worden met het aspect archeologie. 2.4Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente IJsselstein is het bevoegd gezag bij de meeste ruimtelijke ontwikkelingen op haar grondgebied die gevolgen hebben voor het archeologisch erfgoed. Dit geldt ook voor meervoudige aanvragen op beschermde archeologische rijksmonumenten (zie paragraaf 2.1). De gemeente streeft in haar archeologiebeleid naar bescherming van het archeologisch bodemarchief. De praktische uitvoering van dit beleid is gekoppeld aan het ruimtelijke ordeningsbeleid, door in omgevingsplannen beschermende voorwaarden op te nemen voor gebieden waar archeologische resten zijn te verwachten. Bij het toetsen van vergunningaanvragen in het kader van de Omgevingswet aan de beschermende regels in het omgevingsplan, geeft de gemeente bij de initiatiefnemer aan of een archeologisch vooronderzoek verplicht is. Hiermee dient de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate te zijn vastgesteld. Indien een archeologisch onderzoek verplicht is, dan dient dit volgens een vast stramien te worden uitgevoerd. Dit vaste stramien is vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en wordt ook wel omschreven als het proces van de archeologische monumentenzorg of de AMZ-cyclus.17In hoofdstuk 6 wordt uitgebreid ingegaan op de AMZ-cyclus en de specifieke invulling ervan in de gemeente IJsselstein. De AMZ-cyclus is ingedeeld in een aantal vaste processtappen: Bureauonderzoek; Inventariserend veldonderzoek (verkennende, karterende of waarderende fase); Archeologische begeleiding (alleen waterbodems); Opgraven; Fysiek beschermen/behoud in situ Aan de hand van een bureauonderzoek wordt bepaald of er sprake kan zijn van archeologische waarden in een gebied. Indien archeologische waarden te verwachten zijn, wordt vervolgens met een inventariserend veldonderzoek gekeken of er daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig zijn. Meestal gebeurt dit in de vorm van een verkennend of karterend booronderzoek, maar ook proefsleuvenonderzoek kan een geschikte methode zijn. Als er sprake is van een vindplaats dan wordt deze vervolgens onderworpen aan een waardering. Deze waardering wordt als selectieadvies aan de bevoegde overheid aangeboden – meestal de gemeente. De gemeente neemt vervolgens een besluit (selectie) over wat er met de archeologische resten in het desbetreffende plangebied moet gebeuren. Er zijn drie keuzemogelijkheden: in de bodem bewaren en beschermen (behouden in situ), opgraven (behouden ex situ) of vrijgeven. Nadat de interpretatie en synthese is voltooid worden de vondsten en documentatie, ondergebracht in depots en digitale archieven. Na elke stap moet blijken of een vervolgstap in het vooronderzoek nodig is. Om die reden eindigt elke stap met een eindrapport met een advies over de noodzaak van vervolgonderzoek. De gemeente toetst het rapport en maakt een afweging of er voldoende informatie is verzameld om een afgewogen beslissing te kunnen nemen over eventuele vervolgacties. Vaak is na 1 of 2 stappen (bijvoorbeeld na een Bureauonderzoek en een IVO-verkennende fase) al duidelijk dat geen (waardevolle) archeologische resten zijn te verwachten. Soms blijken archeologische resten wel aanwezig en dient de gehele AMZ-cyclus doorlopen te worden. In de gemeente IJsselstein zijn initiatiefnemers van ruimtelijke plannen met bodemverstorende activiteiten zelf verantwoordelijk voor het laten uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Sinds 1 juli 2016, met de invoering van de Erfgoedwet, moeten uitvoerders van archeologisch onderzoek gecertificeerd zijn voor de betreffende AMZ-processtap (zie boven). Om de kwaliteit van de uitvoering verder te borgen dient voorafgaand aan gravend onderzoek (proefsleuven en opgraven) een Programma van eisen (PvE) te worden opgesteld waarin eisen zijn geformuleerd waaraan onderzoek en uitvoering ten minste moeten voldoen. Voor inventariserend onderzoek middels boringen volstaat een Plan van aanpak (PvA) met daarin de opzet van het onderzoek. De normale gang van zaken in IJsselstein is dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het opstellen van een PvE of PvA. Ook hierbij geldt dat het uitvoerende bedrijf voor deze werkzaamheden gecertificeerd is. PvE’s en PvA’s dienen door de gemeente, als bevoegd gezag, te zijn goedgekeurd voordat een archeologisch onderzoek mag starten. Daarnaast is het formeel ook mogelijk dat het PvE een door de gemeente zelf opgesteld document is dat wordt opgelegd. 3Inventarisatie van gegevens 3.1Archeologische Inventarisatiekaart 3.1.1Bronnen De gegevens voor de archeologische inventarisatiekaart zijn geraadpleegd, zijn afkomstig uit verschillende bronnen: Landelijke databank Archis; Archeologische MonumentenKaart (AMK); CultuurHistorische Atlas (CHAT) van de provincie Utrecht;18Blijdestijn 2005; https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app/Webkaart. Archeologische onderzoeksrapporten; Publicaties van/door de Historische Kring IJsselstein.19https://www.hkij.nl/index.php/nl/schatkamer/publicaties Het ARCHeologisch Informatie Systeem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is geraadpleegd voor de inventarisatie van (nieuwe) archeologische waarnemingen en vondstmeldingen.20Bij archeologische vondsten moet gedacht worden aan materiële resten, zoals aardewerk, vuursteenartefacten of organische artefacten al dan niet in combinatie met antropogene grondsporen. Ook de terreinen van de Archeologische MonumentenKaart ('AMK-terreinen') en uitgevoerde archeologische onderzoeken zijn ontleend aan Archis.21Aanvullende informatie van AMK-terreinen die voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Valletta (circa 2000/2004) zijn vastgesteld, is mogelijk aanwezig in de (thans niet meer toegankelijke) Livelink dossiers. Het kan bij ontwikkelingen op dergelijke AMK-terreinen zinvol zijn deze dossiers bij de RCE op te vragen en te raadplegen. De gegevens zijn aangevuld met waarnemingen van amateurarcheologen en De Historische Kring IJsselstein (HKIJ).22Informatie over waarnemingen van amateurarcheologen zijn aangeleverd door dhr. T. van der Tier (AWN) namens de HKIJ. De informatie is verwerkt in de vindplaatsencatalogus, de catalogus met onderzoeken en de kaartbijlagen 1, 2 en 5 en
  15. De literatuur waarnaar in Alle bekende archeologische waarden zijn weergegeven op de archeologische informatiekaart (kaartbijlage 1). De gegevens uit Archis vormen de basis voor de vindplaatscatalogus. Ook de archeologische onderzoeken zijn op de inventarisatiekaart weergegeven. Hierbij zijn de onderzoeksgebieden onderscheiden op basis van het soort onderzoek dat is uitgevoerd (bijv. bureauonderzoek, booronderzoek, opgraving). De rijksmonumenten, AMK-terreinen, archeologische vindplaatsen en archeologische onderzoeken die op de informatiekaart staan weergegeven zijn tevens opgenomen in de catalogi (bijlagen 1 t/m 4). 3.1.2Archeologische gegevens Archeologische monumenten De Archeologische Monumenten Kaart (AMK) bevat archeologische terreinen waaraan door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) op grond van toetsing (op kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde) een archeologische waarde is toegekend.23De Archeologische Monumentkaart werd bijgehouden en geactualiseerd door de RCE, sinds deze daar echter in 2014 mee is gestopt is de AMK een statisch bestand geworden. De terreinen zijn onderverdeeld in vier categorieën die in grote lijnen het archeologisch belang dat de terreinen vertegenwoordigen, weerspiegelen. In de gemeente IJsselstein gaat het om de volgende terreinen (Tabel 3.1): status AMK-terrein / waardering aantal Zeer hoge archeologische waarde, wettelijk beschermd ('archeologisch rijksmonument') 2 Zeer hoge archeologische waarde, niet-wettelijk beschermd 4 Hoge archeologische waarde 6 Archeologische waarde 2 Totaal 14 Tabel 3.1 Overzicht van AMK-terreinen in de gemeente IJsselstein. De AMK-terreinen omvatten archeologische resten uit de ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd.24Voor informatie over IJsselstein in de prehistorie en Romeinse tijd, zie T. van der Tier 2020 &
  16. Verschillende terreinen omvatten meerdere complexen en/of archeologische perioden. De twee archeologische rijksmonumenten (rijksmonumentnummers 46200 en 46201) bevatten overblijfselen van het kasteel IJsselstein en het Cisterciënklooster Onze Lieve Vrouwenberg, die beide teruggaan tot de late middeleeuwen. De overige AMK-terreinen vallen grofweg uiteen in twee categorieën: nederzettingsterreinen uit de ijzertijd/Romeinse tijd en sporen die samenhangen met het activiteiten in het laatmiddeleeuwse centrum van IJsselstein. De volledige beschrijving van de AMK-terreinen is opgenomen in bijlagen 2 en 3). Provinciale of gemeentelijke archeologische monumenten komen niet voor in de gemeente IJsselstein. Archeologische vindplaatsen In Archis staan voor de gemeente IJsselstein 1600 'archeologische records' geregistreerd (peildatum 1 mei 2022). Deze records omvatten individuele vondsten/-sporen en/of archeologische complexen, die zijn aangetroffen bij archeologische onderzoeken en/of andersoortige waarnemingen.25Het contacteren van lokale historische/heemkundige verenigingen heeft geen aanvullende archeologische vindplaatsen opgeleverd. De records zijn o.a. voorzien van een locatie (RD-coördinaten), het specifieke vondsttype en een (vermeende) begin- en einddatering. Het aantal archeologische records ligt evenwel aanzienlijk hoger dan het daadwerkelijke aantal (bekende) archeologische vindplaatsen. Dit komt doordat een vindplaats waar bijvoorbeeld fragmenten kogelpot-, Pingsdorf- en Badorfaardewerk en baksteen zijn aangetroffen, vier afzonderlijke archeologische records oplevert. Bovendien kan eenzelfde vindplaats meerdere keren in Archis voorkomen omdat de archeologische onderzoekscyclus gefaseerd is opgezet: een vindplaats die tijdens een booronderzoek is ontdekt, vervolgens is gewaardeerd met een proefsleuvenonderzoek en uiteindelijk is opgegraven, komt - nog zonder rekening te houden met afzonderlijke vondstcategorieën - al drie keer voor. Om tot een eenduidig en overzichtelijk vindplaatsenbestand te komen zijn de archeologische records geanalyseerd en daar waar nodig samengevoegd of juist opgesplitst. Voor zover mogelijk is op basis van omschrijvingen (in Archis) aan elke vindplaats een ouderdom en complextype (het soort vindplaats) gekoppeld. Meerder meldingen op dezelfde locatie, die qua ouderdom en type, op een vergelijkbare archeologische vindplaats duiden, zijn in principe samengevoegd. Ook komt het voor dat op een locatie zowel een nederzetting uit de ijzertijd/Romeinse tijd als een nederzetting uit de late middeleeuwen liggen; deze vindplaatsen zijn dan niet samengevoegd. Voor het buitengebied van IJsselstein (buiten de historische kern) zijn vondstmeldingen met eenzelfde complextype en datering die dichter dan 50 meter bij elkaar liggen, samengevoegd tot één vindplaats. Dit was bijvoorbeeld verschillende keren het geval bij meldingen van nederzettingsterrein uit de ijzertijd/Romeinse tijd in het gebied IJsselveld.26Zie bijvoorbeeld de losse vondstmeldingen in en direct rondom de AMK-terreinen 1972, 113844 en
  17. In de vindplaatscatalogus staan de oorspronkelijke, samengevoegde zaakidentificatienummers vermeld. (vgl. vindplaatscatalogusnr. 92). Onder het desbetreffende vindplaatscatalogusnummer staan de oorspronkelijke zaakidentificatienummers wel vermeld. Voor de middeleeuwse stadskern van IJsselstein is deze werkwijze dus niet toegepast. Na deze filtering/opschoning zijn de circa 1600 records teruggebracht tot 162 vindplaatsen (Tabel 3.2, bijlage 1). Complextype ouderdom (begindatering) neolithicum bronstijd ijzertijd-Romeinse tijd (vroege) middeleeuwen late middeleeuwen Nieuwe tijd totaal Begraving - - 1 - 2 - 3 Bewoning 1 5 27 7 12 4 56 Kasteel - - - - 6 1 7 Religie - - - 1 6 - 7 Industrie - - - - - 1 1 Infrastructuur - - - - 1 3 4 Losse vondsten - - 3 - 1 1 5 Scheepswrak - - - - - 1 1 Onbekend 2 3 17 4 40 12 78 Totaal 3 8 48 12 68 23 162 Tabel 3.2 Overzicht van vindplaatsen naar complextype en begindatering. Archeologische onderzoeken Uit Archis zijn de gegevens van uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd (peildatum 1 mei 2022). In de periode 1993 – 2022 zijn binnen de gemeente IJsselstein 224 archeologische onderzoeken uitgevoerd (Tabel 3.3). De onderzoeken zijn gecategoriseerd naar het type onderzoek (bureauonderzoek, booronderzoek, proefsleuven, opgraving e.d.) en weergegeven op de archeologische inventarisatiekaart (kaartbijlage 1). Type onderzoek Periode 1993-2010 2011-2022 Totaal Bureauonderzoek 14 (6%) 36 (16%) 50 (22%) Booronderzoek 44 (20%) 63 (28%) 107 (48%) Proefsleuven 10 (5%) 14 (6 %) 24 (11%) Begeleiding 11 (5%) 21 (9%) 32 (14%) Opgraving 4 (2%) 1 (0%) 5 (2%) Overig* 3 (1%) 3 (1%) 6 (3%) Totaal 86 (38%) 138 (62%) 224 100% Tabel 3.3 Overzicht van uitgevoerde AMZ-onderzoeken in IJsselstein, de percentages geven het relatieve aandeel over alle 224 onderzoeken weer (*: geofysisch, inspectie of onbekend). Hoewel de eerste, in Archis geregistreerde onderzoeksmelding uit 1993 dateert, komt het archeologisch onderzoek feitelijk pas op gang vanaf 2005 (Figuur 3-1: staafdiagram). In de periode tot 2011 zijn 86 onderzoeken uitgevoerd, waarvan grofweg de helft uit booronderzoeken bestond. Het aantal onderzoeken dat sinds 2011 is uitgevoerd (138 onderzoeken) ligt aanzienlijk hoger dan in de voorafgaande periode. Met name de bureau- en booronderzoeken nemen in absolute zin sterk toe, een patroon dat al vanaf 2008/2009 is waar te nemen. Verder laten de gegevens zien dat bureau- en booronderzoeken vaker dan voorheen als twee afzonderlijke onderzoeken bij Archis worden geregistreerd (ook wanneer beide uiteindelijk in één rapport zijn beschreven). De verdeling van de verschillende onderzoekstypen laten geen wezenlijke verandering zien tussen de beschouwde perioden (1993-2010 en 2011-2022; Figuur 3-1: cirkeldiagrammen). Zo schommelt het gezamenlijk aandeel van de gravende onderzoeken (proefsleuven, begeleidingen en opgravingen) rond 25 à 30%. Figuur 3-1 Aandeel van de verschillende typen onderzoek over de periode 1993-2022 (boven), 1993-2010 (linksonder) en 2011-2022 (rechtsonder). Bevindingen archeologische onderzoeken Een overzicht van de onderzoeken met een rapportverwijzing (voor zover achterhaald kon worden) staat in bijlage
  18. Van alle veldonderzoeken waarvan de rapportage ná 2010 is verschenen, zijn de archeologische en landschappelijke bevindingen beknopt weergegeven in de catalogus. 3.2Landschappelijke eenhedenkaart 3.2.1Bronnen De aardwetenschappelijke gegevens die zijn geraadpleegd om de landschappelijke eenhedenkaart te vervaardigen betreffen in hoofdzaak analoge kaarten. Deze informatie is aangevuld met bevindingen uit bodemkundige en/of geologische studies (regionaal en landelijk), hoogtegegevens en historische kaarten. Het gaat om de volgende bronnen: Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000 (bladen 31 Oost en 38 Oost);27Rijks Geologische Dienst, 1970;
  19. (supra-)regionale geologische studies; Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands;28Berendsen & Stouthamer 2001; Cohen et al.
  20. Genese van het landschap in het zuiden van de provincie Utrecht;29Berendsen
  21. Atlas van Nederland in het Holoceen;30Vos et al.
  22. Gedetailleerde bodemkaarten:31Bles & Zegers, 1970, Bles & Zegers,
  23. Bodemkaart van de ruilverkaveling Lopikerwaard (schaal 1:25.000); Bodemkaart van de ruilverkaveling Lopikerwaard-Oost (schaal 1:10.000); Topkaart Pleistoceen;32beheerd door de RCE Boorgegevens uit het DINOloket;33https://www.dinoloket.nl het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); Landschappelijke resultaten van uitgevoerde archeologische veldonderzoeken; Saneringsgegevens aangeleverd door de ODRU; Historische kaarten. 3.2.2Landschappelijke eenheden Pleistocene landschap De pleistocene ondergrond in de gemeente IJsselstein bestaat uit afzettingen van grove zanden en grind die werden afgezet door voorlopers van de Rijn.34De sedimenten worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye (Busschers & Weerts 2003). In de noordelijke helft van de gemeente zijn deze rivierafzettingen bedekt door een dun pakket eolische dekzanden.35Het dekzand wordt gerekend het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel (Schokker et al. 2003). Voor de opbouw en diepteligging van de pleistocene ondergrond zijn verschillende bronnen/datasets beschikbaar. De 'top pleistoceenkaart' van de RCE/Deltares, geeft een globaal beeld van de diepteligging van de pleistocene ondergrond (Figuur 3-2: linksboven). Omdat niet bekend is op welke data de kaart is gebaseerd, is niet duidelijk wat de betrouwbaarheid ervan is. In het DINOloket is een dataset met de hoogteligging van de bovenzijde van de dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel) en van de Formatie van Kreftenheye beschikbaar ('GeoTOP-model'; Figuur 3-2: rechtsboven). Dit is een driedimensionaal geologisch model van de ondiepe ondergrond (tot maximaal 50 m -NAP) dat de grondsoort en laagopbouw bevat. De resolutie van het model is 100 x 200 m (horizontaal) en 0,5 m (verticaal).36Stafleu et al.
  24. Als alternatief is gekozen voor een interpolatiemodel, waarbij gebruik is gemaakt van de afzonderlijke datasets met boorgegevens die ook aan het GeoTOP-bestand ten grondslag liggen (Figuur 3-2: linksonder).37Voor de interpolatie van het dekzandoppervlak is gebruik gemaakt van de inverse distance-interpolatie van Mapinfo/Vertical Mapper (met de volgende parameters, cellgrootte: 25 meter, zoekstraal: 2000 meter, exponent: 6). Het gaat om boringen waarin de afzettingen van de Formatie van Boxtel of de Formatie van Kreftenheye zijn aangetroffen. Figuur 3-2 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond (ten opzichte van NAP) volgens verschillende modellen. De gehanteerde dataset omvat voor de gemeente IJsselstein slechts 63 boringen.38Verder staan in het DINOloket nog circa 150 boringen in de gemeente IJsselstein geregistreerd, die niet tot in de pleistocene ondergrond reiken. Uit de boringen en het geïnterpoleerde hoogtemodel blijkt dat de bovenzijde van de pleistocene afzettingen tussen 4 en 8 m -NAP ligt. De afzettingen liggen het hoogste in het noordelijk deel van de gemeente en dalen zeer geleidelijk in zuid(westelijk)e richting. Omdat het maaiveld in de komgebieden tussen 0 en 1 m -NAP varieert, kan het laat-pleistocene oppervlak in het delen van de gemeente plaatselijk al binnen 3 m -mv worden aangetroffen. Het aantal beschikbare geologische waarnemingen (boringen) is evenwel te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van de intactheid, opbouw en reliëf van het pleistocene landschap te krijgen. Uit de (beperkte hoeveelheid) geologische boringen die tot in de pleistocene ondergrond zijn doorgezet, blijkt dat delen van het pleistocene oppervlak zijn afgedekt met basisveen (Figuur 3-3).39DINO-loket: boringen B31G0403, B31G0409, B38E1396, B38E1399, B38E1458, B38E1459, B38E1468, B38E1470, B38E1475, B38E1476, B38F1468 ,B38F1529, B38F1530, B38F1531, B38F1532, B38F1533, B38F1534, B38F1535, B38F1542, B38F1580, B38F1583 en B38F
  25. Dit impliceert dat het onderliggende pleistocene dekzandlandschap ter hoogte van deze boringen hoogstwaarschijnlijk nog intact is. Verder suggereren de boringen dat het pleistocene landschap ter hoogte van de holocene stroomgordels waarschijnlijk is geërodeerd en niet meer intact is. (Figuur 3-3).40Vgl. DINO-boringen B38E1468, B38E1775, en B38E
  26. Figuur 3-3 Hoogteligging van de pleistocene ondergrond met geologische boringen. Ter hoogte van de holocene meandergordels is het pleistocene oppervlak waarschijnlijk geërodeerd en niet meer intact. Meandergordels Gedurende het Holoceen is een groot aantal (meer dan 20) verschillende rivierlopen actief geweest op het grondgebied van de gemeente IJsselstein (Figuur 3-4). De afzettingen van deze stroomgordels kunnen op verschillende dieptes worden aangetroffen. De doorgaande opvulling van de riviervlakte zorgde ervoor dat de afzettingen van deze rivieren niet alleen naast, maar ook boven elkaar liggen. Voor de begrenzing van de meandergordels (de zandbanen) is uitgegaan van de publicatie van de Universiteit Utrecht uit 2012, die de meest betrouwbare, vlakdekkende gegevensset vormt. De vroegere rivierlopen betreffen verschillende afwateringstakken van het Rijnsysteem en zijn op grond van onder meer ouderdom, brongebied, afwateringsrichting en debiet onderverdeeld in een viertal stroomstelsels, te weten het Benschopse, Graafse, Linschotense en Krimpense stroomstelsel. Een overzicht van de verschillende stroomgordels en meandergordels/stroomgordels is weergegeven in Figuur 3-4 en Tabel 3.4). Oeverzones en crevassen Direct grenzend aan de meandergordels zijn op de kaart op enkele plaatsen oeverzones te onderscheiden. In deze zones zijn vanuit de meandergordel bij hoge waterstanden relatief zandige en/of siltrijke sedimenten afgezet, terwijl verder van de meandergordels af voornamelijk alleen het fijnste sediment in de vorm van klei is afgezet. Het gaat om ‘zwevende’ of ook wel ‘ongefundeerde’ oeverpakketten, met daaronder weer zwaardere komklei-afzettingen. De oeverzones zijn herkenbaar aan een relatief hoge ligging van het maaiveld, wat deze zones in het verleden aantrekkelijk maakte voor bewoning en andere activiteiten. De op de kaart weergegeven oeverzones zijn in hoofdzaak gebaseerd op de gedetailleerde geomorfogenetische kaart.41Berendsen 1982: de ongefundeerde oeverzones komen op deze kaart overeen met kaarteenheid Fs
  27. Dezelfde kaart vormt het uitgangspunt voor de door Pierik weergegeven ongefundeerde oeverzones.42Pierik 2017: digitale bijlage. Aanvullend zijn op basis van het AHN-beeld en/of boorgegevens uit het DINO-loket kleine oppervlakken met oeverzones toegevoegd. Daarnaast is langs de Noord IJsseldijk een door Berendsen als dijkdoorbraakafzetting gekarteerde zone, geherinterpreteerd als omvangrijke oeverzone. Er zijn namelijk geen aanwijzingen voor een dijkdoorbraak. Opvallend is dat binnen de gemeente IJsselstein de meeste oeverzones maar zeer beperkt in breedte zijn. Op veel plaatsen zijn zelfs helemaal geen oeverzones aan het maaiveld te herkennen en/of in boringen vastgesteld. Dit lijkt erop te duiden dat de top van de meandergordels in eerste instantie niet of maar nauwelijks boven het omliggende komgebied uitkwamen. Als gevolg van differentiële klink is dit hoogteverschil in de loop van de tijd toegenomen. Overigens moet worden opgemerkt dat ook ter hoogte van de meandergordels overal oeverafzettingen voorkomen. Deze dekken de zandige beddingafzettingen af en zijn afgezet vanuit de actieve Rijngeul van betreffende meandergordel. Oeverafzettingen kennen doorgaans een aflopend profiel met van beneden naar boven steeds zwaardere (kleiigere) afzettingen. Deze opbouw weerspiegelt het geleidelijk steeds rustigere sedimentatiemilieu samenhangend met de grotere afstand tot de actieve geul en met afnemende overstromingskans naarmate het oeverpakket in dikte toeneemt. De top van de oeverafzettingen vormt veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau. Behalve oeverzones zijn ook enkele crevassen en crevasse-complexen gekarteerd. Het betreft duidelijke, veelal dwars op de meandergordel georiënteerde relatief zandige en/of siltrijke banen, die zijn ontstaan als gevolg van plaatselijke oeverwaldoorbraken. De meeste crevassen lopen na enige honderden meters dood in het komgebied. Ook crevassen zijn in deze regio ongefundeerd met daaronder komklei-afzettingen. Vanwege de relatief zandige opbouw hebben de crevassen een hogere ligging en waren daarmee aantrekkelijke voor bewoning en andere activiteiten. Binnen de oeverzones kunnen ook crevassen voorkomen. De meeste op de kaart weergegeven crevassen zijn afkomstig van de gedetailleerde geomorfogenetische kaart.43Berendsen
  28. Een enkele is als antropogene vergraving herkend en niet opgenomen in het kaartbeeld. Komgronden Buiten de meandergordels, oeverzones en crevassen, wordt het bodemprofiel gedomineerd door dikke pakketten met zware klei, al dan niet met venige insluitingen. Deze pakketten zijn gevormd op enige afstand van de actieve rivier waar bij hoge waterstanden alleen het lichtste sediment; de kleifractie, kon reiken en sedimenteren. In periode zonder noemenswaardige overstromingen kon hier ook veenvorming optreden. Door fixatie van de rivierstromen binnen bepaalde delen van de riviervlakte kon het pakket met veen en komkleien in de loop van de tijd verder toenemen. Aangezien een komkleipakket een hoge weerstand heeft, werden de riviertaken steeds meer gefixeerd binnen de bestaande zandbanen, naarmate dit kleipakket in dikte toenam. Figuur 3-
  29. Ligging van de verschillende fossiele meandergordels in de gemeente IJsselstein (naar Cohen et al.
  30. naam meandergordel begin- en eindsedimentatie hoogste voorkomen (14C jaren BP) (cal 14C jaren BP) beddingzand (in m NAP) Benschopse systeem Benschop (7600-5800) (8368-6125) -4,0 tot -7,0 Tienhoven (7350-6260) (7788-7175) -0,9 tot -1,4 Kortenhoeven (7100-6260) (8368-7175) -2,3 tot -5,5 Willeskop (6950-6300) (7274-6635) -4,0 tot -6,4 Wiersch (6500-5800) (7582-6636) -2,5 tot -4,0 Autena (6110-5350) (6974-6125) 0,4 tot 0,1 Graafse sysyeem Kapel (5350-4920) (6125-5650) -1,0 tot -2,1 Vuylkop (5350-3795) (6125-4148) 1,1 tot 0,2 Buitenzorg (4900-4455) (5619-5020) -1,1 tot -1,4 Linschotense systeem Lage Dijk (4900-3795) (5619-4148) -0,5 tot 0 Neder-Oudland (4455-3950) (5020-4424) -0,3 tot 0 Lampsin (4365-3100) (4872-3309) -0,4 tot 0 Over-Oudland (4365-3000) (4872-3187) -0,1 tot -0,2 Vechgel (4000-3450) (4437-3831) -0,1 tot -0,2 Stuivenberg (3960-3180) (4414-3379) -0,2 tot -0,8 Blok (3795-3000) (4148-3187) -0,1 tot -0,6 Jutphaas (3795-2715) (4148-2784) 1,7 tot -0,6 Meijerberg (2800-760) (2871-669) Hagestein (2514-1050) (2634-943) 2,8, tot 2,2 Hollandse IJssel (boven 2) (2514-665) (2634-650) Krimpen systeem Lek (onbedijkt) (1950-850) (1879--50) 10,2 tot 3,0 Hollandse IJssel (1900-665) (1617-650) 2,1 tot 1,6 Tabel 3.4 Overzicht van stroomgordels in de gemeente IJsselstein. $: de vermelde zandhoogtes gelden voor de gehele stroomgordel, niet specifiek het deel dat binnen de gemeente ligt (gegevens ontleend aan Cohen et al. 2012). Figuur 3-5 Doorsnede van een rivierenlandschap (naar Heunks & Van Hemmen 2016). 3.2.3Verstoringen Met behulp van het AHN3 zijn op perceelsniveau verstoringen geïnventariseerd. Hierbij moet vooral gedacht worden aan afgegraven (afgetichelde) terreinen die op zeer grote schaal in de uiterwaarden van de Hollandse IJssel hebben plaatsgevonden. Ook is hiervoor gebruik gemaakt van de gedetailleerde bodemkaarten waarop afgegraven percelen zijn gekarteerd.44Bles & Zegers 1970;
  31. De saneringsgegevens die door de ODRU zijn aangeleverd zijn hier aan toegevoegd. Figuur 3-6 Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) voor de gemeente IJsselstein. 3.3Historisch-geografische waardenkaart 3.3.1Bronnen Voor het inventariseren van de historisch-geografische waarden en elementen zijn zowel digitale databronnen als oude kaarten geraadpleegd. Het gaat om de volgende gegevens: Databanken van bestaande en verdwenen molens; CultuurHistorische Atlas (CHAT) van de provincie Utrecht; Gebouwde monumenten; Dijkenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (https://services.rce.geovoorziening.nl/dijken/wfs?); Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); Regionale historisch-geografische studies; Historische kaarten:45Geraadpleegd via: https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app/Webkaart of het Utrechts Archief (https://hetutrechtsarchief.nl/). 'Stadsplattegrond IJsselstein' door Jacob van Deventer

(1560); ‘Ultrajectum / Dominium’ (Kaart van de provincie Utrecht met aangrenzend gebied; met weergave van steden, wegen en watergangen en gestyleerde weergave van heuvels, dorpen, kastelen en kloosters) door W.J. Blaeu uit 1630-1635; 'Comitatus Hollandiae et Dominii Ultraiectini Tabula' door Jacob Aertsz. Colom uit 1680; 'Kaart van de Baronie IJsselstein' door David Willem Carel Hattinga uit 1770 (kopie van de kaart van Petrus Adan uit 1738; 'Nieuwe Kaart van den Lande van Utrecht' door Bernard Du Roy uit 1743; 'Kaart van de rivier de Lek met zijn uiterwaarden, noorder- en zuiderdijken, van de Merwede beneden Krimpen tot het schoor van Hagestein boven Vianen' door Melchior Bolstra uit 1751-1764; ‘Topographische kaart van een gedeelte van de provincies Holland en Utrecht begrepen tussen de rivier de Lek bij Schoonhoven en Nieuwpoort en de Zuiderzee’ door Pieter Ketelaar uit 1769; 'Oude Hollandse Waterlinie' door Pieter Ketelaar uit 1770-1781; 'Generaale Land-Kaarte van den Loopicker-Waard' door David Willem Carel Hattinga uit 1771; 'Kaart van het land van IJsselstein' (anoniem) uit omstreeks 1775; Bonnekaarten en topografische kaarten vanaf ca. 1850; Kadastrale kaarten uit de periode 1811-1832: Gemeente IJsselstein, sectie A (blad 2), sectie B (blad 1, 2 en 3), sectie C (blad 1, 2 en 3), sectie D (blad 1), sectie E (blad 1 en 2), sectie F (blad 1 en 2) en sectie G (blad 1 en 2); Gemeente Jutphaas, sectie C, blad 1; Gemeente Vreeswijk, sectie B, blad 1. De geïnventariseerde gegevens zijn verwerkt tot een historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlage 3). De digitale gegevens (met name de al dan niet verdwenen dijktracés en de locaties van verdwenen molens) zijn met behulp van de gegeorefereerde kadastrale minuutplannen, recentere topografische kaarten en/of het AHN gecorrigeerd. Naast de historisch-geografische relicten en elementen omvat de kaart ook de onderliggende, historisch-landschappelijke eenheden. De (verdwenen) molens zijn tevens opgenomen in een afzonderlijke catalogus (bijlage 5). Figuur 3-7 Militaire kaart van de Provincie Holland (vestingen, forten en posten)’ door Pieter Ketelaar uit 1769 (bron: Nationale archief met inventarisnummer H50, H50.1 t/m H50). Figuur 3-8 Uitsnede van de 'Kaart van de Baronie van IJsselstein' door David Hattinga uit 1770 (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203). Figuur 3-9 Uitsnede van de 'Kaart van het land van IJsselstein' van omstreeks 1775 met daarop goed zichtbaar het patroon van dijken (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203). 3.3.2Historisch-geografische elementen Historisch-landschappelijke eenheden Aan de hand van oude kaarten en de CHAT zijn buiten de middeleeuwse stad, drie historische hoofdlandschappen te onderscheiden: Het blokverkavelingslandschap; Het cope-ontginningslandschap; De uiterwaarden van de Lek. Dijken en kades Met behulp van de CHAT van de provincie Utrecht en de dijkenkaart van de RCE zijn historische dijken en kaden geïnventariseerd en op kaart gezet. Omdat de bestaande datasets voor de gewenste kaartschaal vaak een te grof en onnauwkeurig beeld gaven, is de ligging van de dijktracés gecontroleerd en verfijnd door deze te vergelijken met kadastrale minuutplannen en te projecteren op de huidige topografie en het AHN. Historische bewoning en bebouwing Aan de hand van oude kaarten, recent en oud topografisch kaartmateriaal, archeologische waarnemingen en de CHAT van de provincie Utrecht zijn de zones met historische bewoning in kaart gebracht. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen De middeleeuwse stadskern van IJsselstein; De vermeende en globale ligging van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren;46Eiteren komt als ‘Aiturnon’ voor op een lijst met goederen bij de Zuiderzee van het klooster Werden (bij Essen in Duistland) uit ca. 900 AD: ”Te Aiturnon Sancti Liudgeri”. Een andere vroegmiddeleeuws goed betreft de villa Ubburon/Opburen die op een lijst met goederen van de St. Maartenskerk (uit Utrecht), opgesteld tussen 777 en 866, wordt genoemd. Vermoedelijk lag de villa nabij het Hoge Land in het gebied Over-Oudland, aan de oostzijde van de A2 in de gemeente Nieuwegein. Zie oo vindplaatscatlogusnr. 63. De nog bestaande gehuchten Klaphek, Looije Brug en Knollemanshoek; De bebouwing op Militaire kaart door Pieter Ketelaar uit 1769 en de kadastrale minuutplans uit de periode 1811-1832 (als puntlocaties weergegeven op kaartbijlage 3). Bewoningslinten uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd Binnen de gemeente IJsselstein zijn twee laatmiddeleeuwse ontginningsassen onderscheiden, de Achtersloot-Hogebiezendijk van waaruit Meerlo, Broek, Lage Biezen en Hoge Biezen zijn ontgonnen, en Noord-IJsseldijk, de (vermoedelijke) ontginningsbasis van IJsselveld. Langs beide ontginningsassen is in de late middeleeuwen en Nieuwe tijd lintbebouwing ontstaan. De historische bewoningslinten stonden op de kaart van 2011 al afgebeeld. Getracht is de archeologische verwachting van deze linten te verfijnen door aan de hand van redelijk tot goed te georefereren historische kaarten (de oudste kadastrale minuutplans uit de periode 1811-1832, de Militaire kaart van de Provincie Holland door Pieter Ketelaar uit 1769 en de Kaart van de Baronie van IJsselstein door David Hattinga uit 1770) te onderzoeken of in de 18e en 19e eeuwse bebouwing veel veranderingen optreden of dat uit deze kaarten juist continuïteit van bebouwing valt af te leiden. Het blijkt dat bij beide ontginningsassen sprake is van tweezijdige boerderijstroken, waarbij de boerderijstrook aan de oostzijde van Achtersloot-Hogebiezendijk onregelmatiger is en enkele onderbrekingen kent, en de beide stroken lang de Noord-IJsseldijk een wat grilliger verloop hebben en meer uit “plukjes” bebouwing bestaat. Tevens valt uit de geraadpleegde kaarten af te lezen dat er in de bebouwing van de boerderijstroken vrijwel geen verschuivingen optreden. Op kaartbijlage 3 is voor de bewoningslinten een breedte van 100 meter aan weerszijden van het hart van de dijk aangehouden. Met deze breedte wordt het grootste deel van de bebouwing op de 18e en 19e eeuwse kaarten ‘afgedekt’. Gebouwde rijksmonumenten en MIP-objecten De locaties van MIP-objecten (Monumenten Inventarisatie Project; waardevolle gebouwde objecten uit de periode 1850-1940) en de gebouwde rijksmonumenten zijn afkomstig van de datasets van de RCE. Deze objecten zijn als puntlocaties weergegeven op kaartbijlage 3. Molens Gegevens over verdwenen en nog bestaande molens zijn geïnventariseerd via de landelijke molendatabases.47Respectievelijk www.molendatabase.org (verdwenen molens) en www.molendatabase.nl (bestaande molens). De gegevens zijn opgenomen in bijlage 5. In de gemeente IJsselstein staat nog één historische molen, De Windotter. Deze korenmolen is in 1732 gebouwd ter vervanging van een oudere korenmolen in de stad IJsselstein. In de molendatabase staat ter hoogte van het klooster O.L. Vrouwenberg ook een molen vermeld. De juistheid hiervan is onzeker, zo staat de molen niet afgebeeld op de kaart van Jacob van Deventer (uit dezelfde periode). Om deze reden staat de molen niet weergegeven op kaartbijlage 3. Verder hebben in het verleden vermoedelijk op nog acht andere locaties molens gestaan, deze zijn inmiddels verdwenen. Het betreft drie molens die in de stad hebben gestaan – en gebruikt werden voor het malen van graan of grutten – en een vijftal poldermolens die overwegend in het buitengebied lagen. Voor drie locaties is tevens bekend dat sprake is geweest van meerdere opeenvolgende molens. Per locatie hebben de verschillende molenfases in de catalogus hetzelfde nummer gekregen maar zijn de opeenvolgende fases met een a en b of c van elkaar onderscheiden (catalogusnummers 1a/b, 2a/b en 10a/b/c). 3.4Historisch centrum H. Cornelisse 3.4.1Bronnen Het historische centrum wordt voor wat betreft het aspect archeologie apart behandeld vanwege de hoge dichtheid en het specifieke karakter van de bekende en te verwachten archeologische resten. Detailkaarten van de historische kern (met resp. vondstmeldingen en archeologische onderzoeken, landschappelijke verwachtingszones, historische relicten en verstoorde cq. vrijgegeven zones) zijn als kaartbijlagen 5 tot en met 8 bijgevoegd. De detailkaart 5 is gebaseerd op (nieuwe) archeologische onderzoeken en vondstmeldingen uit Archis. Voor de onderbouwing van de andere vier kaarten wordt verwezen naar paragrafen 3.1 - 3.3 en hoofdstuk 4. 3.4.2Kader Tijdens het opstellen van de eerste archeologische verwachtings- en beleidskaart uit 2004 omvatte de historische binnenstad de historische stadskern (AMK- terrein met monumentnr. 12071), het kasteel IJsselstein ((AMK 1224 en beschermd Rijksmonument 46201) en het klooster Onze-Lieve-Vrouweberg (AMK 1223 en beschermd Rijksmonument 46200), met in de diepere ondergrond kom- en oeverafzettingen. De (mislukte) middeleeuwse stadsuitbreiding Nieuwepoort is toen buiten beschouwing gebleven en tot het buitengebied gerekend. Ook bij de actualisatie van 2011 heeft men deze begrenzing van de historische binnenstad gehanteerd. Bij de inventarisatie van de nieuwe archeologische gegevens nemen we Nieuwpoort wel mee, om te onderzoeken of de kenmerken ervan aanleiding geven om het gebied alsnog aan de historische binnenstad toe te voegen. De vroegste vondsten die tot 2011 in de binnenstad zijn aangetroffen, dateren uit de Romeinse tijd en zijn afkomstig uit de top van de kom- en oeverafzettingen. Bijbehorende bewoningssporen zijn echter niet bekend. Uit naamkundige gegevens is duidelijk dat in ieder geval vanaf de vroege middeleeuwen sprake is van bewoning bij Eiteren (gelegen direct ten noordwesten van de binnenstad). De historische stadskern van IJsselstein stamt uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Aan de basis van het ontstaan ervan liggen de heren Van Amstel die in de 13e eeuw de omgeving van IJsselstein als leen in bezit hebben. In een document uit 1279 wordt het Stein (stenen bouwwerk of kasteel) voor het eerst genoemd. Dat is het jaar waarin Gijsbrecht van Amstel tot Gijsbrecht van IJsselstein benoemd wordt: heer van IJsselstein. Kasteelheer Gijsbrecht van Amstel stimuleerde omstreeks 1300 de groei van de nederzetting die mogelijk snel na de bouw van het kasteel was ontstaan. In die tijd was de nederzetting omgeven door een gracht en mogelijk ook een omwalling met palissade. Omstreeks 1344 werd het stadsgebied in zuidoostelijke richting uitgebreid met de Nieuwpoort. Deze uitbreiding was niet heel succesvol omdat het grotendeels onbebouwd is gebleven. Eind 14e eeuw liet Arnold van Egmond de stad versterken met een ommuring voorzien van torens en poorten. Vermoedelijk is Nieuwpoort vanwege de spaarzame bewoning maar deels ommuurd geweest. In 1394 stichtte hij op de Nieuwpoort een Cisterciënzer monnikenklooster, genaamd Onze-Lieve-Vrouweberg. Omdat was gebleken dat de eerdere uitbreiding van de stad te groot was geweest, werd omstreeks 1470 de stadsgrens naar binnen aangepast waarbij de huidige stadsgracht is verbreed. In 1495 werd vervolgens het klooster, dat door de aanpassingen buiten de stad was komen te liggen, verplaatst naar de westkant van de Kloosterstraat in de binnenstad. Het oude klooster werd afgebroken.48Dijkstra e.a., 2004. Van Rooij & De Boer, 2011. Hoewel IJsselstein door de aanwezigheid van verdedigingswerken, een kerk, een klooster en een gasthuis een stedelijk karakter bezat, blijkt uit de oudste historische kaarten van Jacob van Deventer (uit 1575) en Blau (uit ca. 1650) dat nog veel percelen binnen de stadsmuren in de 15e en 16e eeuw een agrarische functie hadden. Daarmee past IJsselstein in het algemene beeld wat van historische steden in Nederland bestaat. Uit historische bronnen is al langere tijd bekend dat kleinschalige landbouw veel voorkwam in middeleeuwse- en vroeg-moderne steden. Een studie van 1380 archeologische rapporten van opgravingen in Nederland uit de periode 1997 tot en met 2017 toont aan dat de stadslandbouw ook in het archeologisch bodemarchief zijn sporen heeft nagelaten. Zo zijn in verschillende historische steden resten van boerderijen, afgedekte akkers, bodemverbeteringssporen, mestkuilen, paarden- en veestallen en dierenkooien vastgesteld. Uit deze archeologische resten kan worden afgeleid dat verschillende vormen van stedelijke landbouw (veeteelt, akkerbouw en tuinbouw) hebben bijgedragen aan een zekere mate van zelfredzaamheid voor veel stadsbewoners.49Fischer e.a., 2021. IJsselstein werd regelmatig door branden en plunderingen geteisterd waardoor gebouwen werden verwoest of afgebroken en opnieuw opgebouwd. Hierdoor zijn in IJsselstein, net als in de meeste andere oude Nederlandse steden, ophogingspakketten op de natuurlijke afzettingen ontstaan. Enkele waarnemingen geven de indruk dat de basis van het ophogingspakket ter plaatse van de oeverafzettingen op ca. 1,0 m + NAP ligt (ca. 1,8 m -
  1. mv)en ter plaatse van de komafzettingen rond 0,3 m +NAP (ca. 1,7 m- mv).50Dijkstra e.a., 2004. 3.4.3Archeologische gegevens Sinds 2011 zijn in het onderzoeksgebied 32 onderzoeken aangemeld in Archis.51Zie kaartbijlage 1 en bijlage 4 (catalogus met onderzoeken). Het gaat met name om bureauonderzoeken, verkennende booronderzoeken en opgravingen in de variant archeologische begeleiding. Hieronder worden de resultaten van deze onderzoeken kort besproken. Voor de ligging en omschrijving van de hierbij genoemde vindplaatsen, AMK-terreinen en onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen 1 tot en met 4 en kaartbijlage 5. Binnen de historische stadskern (AMK 12071) zijn verschillende waarnemingen gedaan. Het merendeel van de onderzoeken van na 2011 zijn in het zuidwestelijke kwart van de stadskern gelokaliseerd. Op basis van twee booronderzoeken (onderzoekscatalogusnrs. 83 en 115), zes archeologische begeleidingen (onderzoekscatalogusnrs. 97, 112, 128, 155, 180 en 195) en een proefsleuvenonderzoek (onderzoekscatalogusnr. 193) kan de bodemopbouw hier als volgt worden gereconstrueerd: de top bestaat uit het ophogingspakket uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. De dikte van dit pakket varieert, maar kan wel zo’n 1,5 m dik zijn en tot 1,8 m onder het maaiveld (2,7 m -NAP) reiken.52De Boer 2019. Hieronder bevinden zich doorgaans kleiige en venige komafzettingen die op 3,5 tot 4,5 m – mv over gaan in oeverafzettingen van de Wiersch stroomgordel. Soms bevinden zich tussen het ophogingspakket en de komafzettingen een enkele decimeters dikke laag oeverafzettingen van waarschijnlijk de Hollandse IJssel.53Van Rooi, 2011; Beckers, 2013; Jezeer, 2014. De gravende onderzoeken beperkten zich voornamelijk tot het ophogingspakket. In enkele smalle sleuven en een kleine bouwput zijn muurresten van waarschijnlijk 19e eeuwse gebouwen en de fundering van een brandspuithuisje uit de eind 19e, begin 20e eeuws gevonden. Het brandspuithuisje bleek gefundeerd op – en opgebouwd is uit bakstenen van – de voormalige hoektoren van de stadsmuur.54Pijpelink & Jaspers, 2014; Van Engeldorp Gastelaars, 2023. In proefsleuven langs de Molenstraat zijn (delen van) twee ronde torenfunderingen uit de 14e/15e eeuw en een deel van de stadsmuur teruggevonden (op 0,66 en 0,19 m +NAP).55Van Engeldorp Gastelaars 2020. Op ongeveer dezelfde locatie zijn bij een begeleiding funderingen van verschillende huizen uit de 16e - 20e eeuw en een rosmolen van een grutterij uit de eerste helft van de 19e eeuw aangetroffen.56Van Engeldorp Gastelaars, 2023. Ter plaatse van het Koningshof zijn in de natte en slappe veen- en kleiafzettingen (0,7 tot 1,2 m -
  2. mv)de oudste sporen gevonden: 13e en 14e eeuwse percelering in de vorm van vlechtwerkwanden en een sloot met bijbehorende aardewerk- en metaalvondsten. Dit duidt erop dat het gebied toen al wel in gebruik was, waarschijnlijk als weiland en erf. Vanaf waarschijnlijk het midden van de 14e eeuw wordt het gebied (net als de rest van historisch IJsselstein) beter geschikt gemaakt voor bewoning door een ophogingspakket aan te brengen. Uit deze periode tot in de 17e eeuw zijn enkele restanten van muurfunderingen gevonden. Daarnaast zijn in totaal veertien beerputten uit de 17e tot 19e eeuw gevonden, waarvan tien vondsten van huisraad bevatten die als afval zijn weggegooid.57Jezeer, 2014; Van Engeldorp Gastelaars, 2023. Tijdens begeleidingen langs de Walkade zijn 23 begravingen en resten van een muur aangetroffen. De begravingen maken deel uit van het kerkhof van de Rooms‐Katholieke (schuil)kerk aan de Havenstraat dat teruggaat tot 1635. Het kerkhof dateert evenwel pas uit de periode 1822‐1829.58Jacobs 2018. Bij de meeste in het zuidwestelijke kwart gelegen onderzoeken is sprake van een beperkte onderzoeksdiepte waardoor het merendeel van de archeologische resten in situ bewaard is gebleven (kaartbijlage 8). In het noordoosten zijn aan de Walkade een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 161) en een archeologische begeleiding (onderzoekscatalogusnr. 164) uitgevoerd. Binnen 3,0 m ‐mv bestaat de bodemopbouw uit antropogene lagen (grachtvullingen, omgewerkte en laatmiddeleeuwse stadsophogingspakketten), natuurlijke afzettingen zullen dieper dan 3,0 m liggen.59Hanemaaijer, 2016. Bij het uitgraven van de bouwput zijn binnen 1,5 m -mv een gedeelte van de stadsmuur, afgebroken muurrestanten en twee bakstenen poeren aangetroffen. De restanten zijn gelegen tussen 0,78 en 0,52 m +NAP. De verwachte stadsgracht ligt waarschijnlijk dieper dan de ontgravingsdiepte en is niet in beeld gekomen.60Pels‐Ouweneel, 2019. Een booronderzoek in het westen (onderzoekscatalogusnr.: 102) laat zien dat hier het bovenste deel van de bodem bestaat uit laatmiddeleeuwse en Nieuwetijdse ophogingslagen (met o.a. houtskool, fragmenten puin, aardewerk, leisteen en glas) die rond 1,5 m ‐mv overgaan in komklei.61Huizer, 2013. De hierop volgende archeologische begeleiding (onderzoekscatalogusnr.: 171) betrof werkzaamheden die niet dieper gingen dan 0,3 m en leverde daardoor geen nieuwe informatie op.62Weerheijm en Van Heeringen, 2018. Centraal in de historische kern is bij de archeologische begeleiding van de herinrichting van Vingerhoekhof (aanleg nieuwe riolering en afvalcontainers) een voormalig achtererf middels enkele zeer smalle sleuven onderzocht (onderzoekscatalogusnr.: 196). De bodem ter plaatse bestaat uit historische ophogingslagen met vanaf 1,3 m -mv kleiige en venige komafzettingen. Aangetroffen is een kuil (uitbraaksleuf?) uit de 16e‐17e eeuw. Eerdere bouw‐ en sloopwerkzaamheden (eind 20e eeuw) hebben er waarschijnlijk voor gezorgd dat ondiepe sporen niet meer aanwezig zijn. Diepere sporen (beer‐ en waterputten, afval‐/mestkuilen en diepe paalkuilen kunnen in de omgeving nog wel verwacht worden.63Van Engeldorp‐Gastelaars, 2022. In de nabijheid staan nog twee onderzoeken in Archis geregistreerd (Onderzoekscatalogusnr.: 204 & 209) die nog niet zijn gerapporteerd of niet zijn uitgevoerd. Ter hoogte van het kasteelterrein en omgeving zijn enkele inventariserende onderzoeken uitgevoerd. Op het kasteelterrein zelf, dat een beschermde status heeft, gaat het om een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 152) en een archeologische begeleiding van de herinrichting van het kasteelpark (onderzoekscatalogusnr. 170). Tijdens het booronderzoek zijn -niet geheel onverwachts- resten van funderingen van het kasteel en ondoordringbare puinresten vastgesteld.64Verschoof-Van der Vaart 2016. De archeologische begeleiding heeft een goed beeld van de bodem en de aanwezige archeologische resten opgeleverd. De natuurlijke bodemopbouw ter hoogte van het kasteel bestaat uit oeverafzettingen waarvan de top rond 1,6 m NAP ligt. Hierop is een 1,2 m dik ophogingspakket aanwezig dat vanaf de 12 eeuw is ontstaan. Binnen het pakket zijn onderin een brandlaag uit de 12e‐13e eeuw) en rond 0,7 m -mv een bodem/laklaag (uit 13e/ begin14e eeuw) aangetroffen op 2,1 m NAP. De oudste sporen zijn ongeveer vanuit het midden van het ophogingspakket ingegraven (waterput en uitbraaksporen). Centraal in het onderzoeksgebied gebied zijn bewoningssporen aangetroffen (waterput, afvalkuilen, paalspoor en uitbraaksporen) uit de oudste fase van het kasteel IJsselstein (vlak voor de verwoesting in 1417). Daarnaast zijn funderingsresten en twee waterputten aangetroffen die samenhangen met de herbouw uit ca. 1477 (Gevangenentoren, poortgebouw en woonvertrekken), de kasteelommuring uit ca. 1478 en latere ommuringen (tussen de Gevangenentoren en de Loyertoren:15e eeuw tot 1765 en tussen de Kleine toren en de Gevangenentoren: 19e eeuw?), alsmede van latere dichtzettingen (bij het poortgebouw). Met betrekking tot de archeologische kwaliteit van het kasteelterrein is vastgesteld dat met name centraal sprake is van een min of meer intact spoorniveau uit de kasteelfase van vóór de verwoesting in 1417. Van de herbouwfase zijn ondank een grondige uitbraak van de funderingen toch relatief veel funderingsresten overgebleven. Met name in het zuidoosten lijken de fundering van het poortgebouw met woonvertrekken relatief goed bewaard gebleven. De waterputten zijn vrijwel intact en zeker de dieper vullingen daarvan.65Jordanov 2020. In het gebied ten noorden van het kasteelterrein staan in Archis een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 174) en een archeologische begeleiding van de sloop van een schoolgebouw (onderzoekscatalogusnr. 192) geregistreerd. Uit het booronderzoek blijkt dat onder de recent geroerde bovengrond (dikte ca. 0,5
  3. m)een antropogeen ophogingspakket ligt dat stamt uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. De basis van dit pakket ligt tussen 0,95 en 1,8 m -mv, eronder bevinden zich oeverafzettingen van de stroomgordel van Buitenzorg. In het historische ophogingspakket en de top van de oeverafzettingen kunnen archeologische resten aanwezig zijn die samenhangen met de historische kern van IJsselstein, kasteel IJsselstein, de nabijgelegen Touwslagerij ‘De Drie Vrienden’ en de Hofkamp (moestuinen). In de top van de oeverafzettingen zijn daarnaast resten uit het neolithicum tot de vroege middeleeuwen te verwachten.66Nales, 2018. De archeologische begeleiding van de sloop van de in het plangebied aanwezige gebouwen heeft aangetoond dat ter plaatse van de Fatimaschool de bodem over grote delen tot in de oeverafzettingen was verstoord waardoor geen intacte archeologische resten meer te verwachten zijn. Elders in het plangebied kunnen deze nog wel aanwezig zijn, bijvoorbeeld de oude kasteelgracht in het zuiden van het plangebied.67De Hoop & Scheeringa, 2022. Bij een archeologische begeleiding direct te noordwesten van het kasteelterrein zijn de kasteelgracht en enkele paalsporen en puinconcetraties uit de Nieuwe tijd aangetroffen (onderzoekscatalogusnr. 212). De archeologische niveaus bleken hier nog goed bewaard gebleven. Bij de inventarisatie zijn ook enkele onderzoeken in de Nieuwpoort meegenomen. In dit deel van de stad zijn vanaf 2012 een bureauonderzoek (onderzoekscatalogusnr. 154)68Ten Broeke 2016a., twee verkennende booronderzoeken (onderzoekscatalogusnr. 96 en 163),69Hanemaaijer 2013,Ten Broeke 2016b. Een derde in Archis geregistreerd booronderzoek betreft onderzoekscatalogusnr. 207. Waarschijnlijk is dit onderzoek (nog) niet uitgevoerd omdat eerste bevindingen en eindrapport ontbreken. en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoekscatalogusnr. 121).70Van der Mark 2014. Het verkennende onderzoek in het zuiden van Nieuwpoort geeft aan dat de bodem hier in (sub) recente tijden tot 0,7-1,0 m -mv sterk is geroerd. Daaronder bevinden zich oeverafzettingen van de stroomgordel van Wiersch, vanaf 1,6 m -mv komafzettingen met veenlagen en vanaf ca. 3,3 m -mv oeverafzettingen van de Benschop stroomgordel. Het boor- en proefsleuvenonderzoek in het noordoosten laat zien dat de oeverafzettingen van Wiersch hier vanaf 0,7 m – mv voorkomen en worden afgedekt door een ophogingspakket dat waarschijnlijk samenhangt met de nieuwbouw in de jaren ’50 en ’60. De bovenste 0,5 – 1,0 m van de oeverafzettingen waren zwaar verstoord. Bij geen van de onderzoeken in Nieuwstad zijn resten van historische ophogingslagen aangetroffen. Ook andere archeologische indicatoren ontbreken. Uit onderzoek (onderzoekscatalogusnrs. 106 en 114) op het voormalige kloosterterrein in het noordelijk deel van Nieuwpoort zijn de historische ophogingslagen nog redelijk tot goed intact aangetroffen. De bovenzijde van deze archeologische laag ligt rond 0,5 m ‐mv.71Huizer 2013; Bouma 2013. 3.4.4Historisch centrum Tijdens het bureauonderzoek dat als basis diende voor de eerste archeologische verwachtingenkaart van de historische kern van IJsselstein (uit 2004), is vastgesteld dat hier de kans om archeologische resten aan te treffen in principe groot is. Op basis van de bekende archeologische gegevens en de verwachte archeologische waarden is op de verwachtingskaart wel een nuancering aangebracht tussen zones met een lage en een hoge archeologische verwachting. Het grootste gedeelte van het onderzoeksgebied is aangegeven als gebied met een hoge archeologische verwachting. In dit gebied kunnen sporen uit verschillende perioden worden aangetroffen. Hierin kan een tweedeling worden gemaakt: de pre-stedelijke bewoning en de stedelijke bewoning (inclusief het kasteel en het klooster). De pre-stedelijke bewoning (vermoedelijk agrarische nederzettingen) kan op dieper gelegen oevers worden verwacht (kaartbijlage 6). Omdat deze natuurlijke afzettingen relatief diep liggen (vanaf ca 1,8 m -
  4. mv)is de kans aanwezig dat archeologische resten op dit niveau in grote delen nog goed zijn geconserveerd. Uit de stedelijke bewoningsfase kunnen daar waar in het recente verleden geen bodemverstorende activiteiten hebben plaatsgevonden overal bewoningsresten worden aangetroffen, daterend vanaf het eind van de 13e eeuw (kaartbijlage 9). Bewoningsresten kunnen direct onder het maaiveld tot een diepte van grofweg 1,8 m aanwezig zijn. Het gaat dan om kasteel, kerk- en kloostergebouwen, begravingen rondom de N.H. Nicolaaskerk, woonhuizen, ambachtshuizen, moestuinen en dergelijke. Bij de huizen hebben bijgebouwen, waterputten, beerputten, perceelsgreppels en afvalkuilen gelegen. De gebieden met een lage archeologische verwachting betreffen allereerst gebieden waar recent nieuwbouw is gepleegd. Deze nieuwbouw is gedeeltelijk dieper gefundeerd (na 1950 door middel van heipalen) waardoor het bodemarchief ter plaatse (vrijwel) is verstoord. Ten tweede hebben de delen van de stads- en kasteelgracht die in de 19e eeuw zijn gedempt een lage verwachting omdat hier alleen stadsafval uit de (late) 19e eeuw worden aangetroffen. Als laatste hebben oude opgravingsputten een lage verwachting op de kaart meegekregen omdat op deze plaatsen het bodemarchief tot op de natuurlijke ondergrond al is verdwenen. Tijdens het bureauonderzoek in het kader van de actualisatie 2011 van het archeologiebeleid, is de verwachtingswaarde van de wegen binnen de stadskern waar riolering onder de weg aanwezig is, naar ‘laag’ bijgesteld omdat tussen 2004 en 2011 archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat bij de aanleg van de riolering de meeste archeologische resten verloren zijn gegaan. De onderzoeken van na 2011 bevestigen het beeld dat uit eerdere onderzoeken van de bodemopbouw bestaat. In de hele historische binnenstad (historische kern, kloosterterrein en kasteelterrein) is sprake van een ophogingspakket uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. De dikte ervan varieert, maar kan wel zo’n 1,8 m bedragen. Hieronder bevinden zich in het westen oeverafzettingen van de stroomgordel van Buitenzorg en in het oosten oeverafzettingen van de Wiersch stroomgordel. Tussen en onder beide stroomgordels zijn komafzettingen vastgesteld. In het westen gaan de komafzettingen tussen 3,5 tot 4,5 m – mv over in oeverafzettingen van de stroomgordel van Benschop (zie kaartbijlage 6). Soms bevinden zich tussen het ophogingspakket en de centrale komafzettingen een enkele decimeters dikke laag oeverafzettingen van waarschijnlijk de Hollandse IJssel. De onderzoeken van na 2011 bevestigen ook de hoge archeologische waarde van de historische binnenstad. Bij het merendeel van het hier uitgevoerde gravende onderzoek zijn sporen en vondsten aangetroffen die samenhangen met de bewoning uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Op basis van de resultaten van drie onderzoeken kan de archeologische verwachting van betreffende onderzoeksgebieden van hoog naar laag worden bijgesteld (zie kaartbijlage 8). Het gaat om het gebied van onderzoekscatalogusnr. 121 waar diepe verstoringen tot ver in de natuurlijke afzettingen zijn vastgesteld, de locatie van de voormalige Fatimaschool die door de aanleg ervan eveneens diepe bodemverstoringen kent (onderzoekscatalogusnr. 192), en een deel van het onderzoeksgebied Koningshof dat tot in de natuurlijke afzettingen is onderzocht (onderzoekscatalogusnr. 180). De resultaten van de andere onderzoeken geven geen aanleiding om de verwachtingswaarde ook elders in de historische binnenstad aan te passen. De onderzoeken van na 2011 maken het als laatste niet noodzakelijk om het gebied van Nieuwstad aan het historische centrum toe te voegen. Geen van de onderzoeken heeft voor deze mislukte stadsuitbreiding aanwijzingen voor een historisch ophogingspakket of andere aanwijzingen voor stedelijke bebouwing opgeleverd. 3.5Modern oorlogserfgoed A.V.A.J. Bosman (Military Legacy) 3.5.1Inleiding De laatste decennia is steeds meer aandacht gekomen voor archeologische resten van modern oorlogserfgoed. Hiermee wordt vooral dat erfgoed dat aan oorlog of de voorkoming daarvan of voorbereiding op kan worden gekoppeld. Met name wordt hier met modern de periode tussen 1870 en 1991 bedoeld. Dit is de periode die aanvangt met nieuwe fortenbouw en een verandering in het verdedigend concept van Nederland. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. Tevens is dit de periode van de toenemende industrialisatie, wat zijn effecten heeft op bewapening, munitie en vervolgens wijze van oorlogsvoeren. En tenslotte is het de eerste van een reeks van algemene mobilisaties van het Nederlandse leger. De eerste vanwege de Frans-Duitse oorlog. De periode eindigt in 1991 met het eindigen van de Koude Oorlog na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, de belangrijkste macht binnen het Warschaupact oftewel het Oostblok. Sinds 1949 was er een constante dreiging, vanwege een veronderstelde aanval van dat Oostblok op de vrije Westerse wereld, dat zich had samengebundeld binnen de NAVO. De dreiging heeft geleid tot voorbereidingen op een strijd, die gelukkig niet gekomen is. Anders was dat voor de twee mobilisaties na de eerste. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is de Nederlandse krijgsmacht vier jaar lang gemobiliseerd geweest. Er zijn voorbereidingen geweest tegen een eventuele inval van elk der strijdende partijen. Niet alleen is door de wereldoorlog de internationale handel en voedselvoorziening ernstig in de war gelopen, de langdurige afwezigheid van jonge gemobiliseerde en economisch van vitaal belang zijnde mannen, is ook een ernstige inbreuk geweest op de welvaart. De mobilisatie en voorbereiding in augustus 1939 zou wel leiden tot strijd in mei 1940. Vervolgens is Nederland nadat het bezet werd door de Duitsers oorlogsterrein geweest. Niet dat er constant op het land gevochten werd, dat was wel het geval in de lucht boven ons en in de territoriale wateren. In de periode ná mei 1940 tot aan vijf jaar later zouden met name de Duitsers, al dan niet bijgestaan door Nederlandse ondernemers en werklui zich voorbereiden om de macht in handen te houden. Alle bovengenoemde perioden hebben geleid tot bijvoorbeeld bouwwerken, stellingen, inundatievoorbereidingen, opslagplaatsen, kazernes en oefenterreinen. De strijd heeft daarnaast ook zijn sporen achter gelaten. Al heel lang is er aandacht voor gebouwde monumenten. Maar dat daaraan of soms zelfs geheel los daarvan ook sporen in de bodem al dan niet voorzien van vondsten, gekoppeld kunnen worden, is pas recent erkend. Op basis van enkele wetenschappelijke studies is het belang van behoud en beheer van dergelijke sporen en vondsten, om ze te kunnen veiligstellen voor (toekomstig) onderzoek, expliciet gemaakt.72Bosman e.a. 2014; Bosman & Willemsen 2019. Het bureauonderzoek waarin het modern oologserfgoed in de gemeente IJsselstein is geïnventariseerd, is als bijlage 6 achter in het rapport opgenomen. 3.5.2Kaartlaag Relicten modern oorlogserfgoed Op basis van de in bijlage 6 beschreven historische feiten en locaties is de kaartlaag “Relicten modern oorlogserfgoed” voor het gemeentelijk archeologisch beleid van IJsselstein opgesteld (kaartbijlage 10). Er is geen laag voor de periode 1870-1914, noch voor die van 1914-1918 of de Koude Oorlog. Alle aangegeven locaties hebben betrekking op de periode 1939-1945. Voor de verschillende elementen geldt de volgende verwachting op de aanwezigheid van archeologische sporen en vondsten. Element Te verwachten resten Opmerkingen 1 Aarden wal Niet of nauwelijks Op AHN niet te zien 2 Inundatiegebied 1944-1945 Niet of nauwelijks 3 Anti- tankgracht Gracht met vondsten 4 Luchtafweerstelling 8,8 cm Ingegraven stellingen met vondsten 5 Crashlocatie Vliegtuigresten 7-8 Zones met bominslagen mogelijke versterkingen bij bruggen Bomkraters met resten en ingegraven stellingen met vondsten Buiten gemeentegrens 3.6Uitbreidingswijken Tot het midden van de 20ste eeuw is het laatmiddeleeuwse aanzicht van IJsselstein vrijwel onveranderd gebleven met de rechthoekige vorm van de omgrachte stad en het hoofdzakelijk agrarische buitengebied. Na de Tweede wereloorlog is de directe omgeving van de historische stad drastisch getransformeert naar een grootschalig stedeijk gebied. IJsselstein werd een van de belangrijkste groeikernen van de provincie Utrecht met een bebouwd oppervlak dat tientallen malen groter is dan het vooroorloogse IJsselstein. De eerste nieuwe woonwijken werden in de periode van de wederopbouw in de jaren ’50 en ‘60 (bijvoorbeeld de wijken De Nieuwpoort en het Kasteelkwartier), in de deccenia erna gevolgd door nog een flink aantal nieuwe wijken (o.m. Oranje- en Europakwartier, IJsselveld, Groenvliet, Achterveld, Zenderpark) en industrieterreinen (De Corridor, Over-Oudland en Lagedijk).73https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/ijsselstein/ijsselstein/naoorlogse-woningbouw/ De aanleg van de woonwijken ging gepaard met grootschalige bodemingrepen en ophogingen. De mate waarin deze geleid hebben tot diepe bodemverstoringen is afhankelijk van de toegepaste bouwwijze. Gebieden met zware verstoringen zijn te verwachten ter plaatse van rioleringen en diep gefundeerde en onderheide bebouwing. Daar staat tegenover dat ongestoord bodemarchief kan voorkomen ter plaatse van groenstroken, ondiep gefundeerde bebouwing, wegen en parkeerplaatsen. Kenmerkend aan het bodemarchief in deze wijken is dat zwaar verstoorde en vrijwel onverstoorde bodem op korte afstand van elkaar kunnen liggen. Figuur 3-10. Overzicht van de naoorlogse uitbreidingswijken rondom de historische kern van IJsselstein. 4De Archeologische verwachtingskaart 4.1Algemeen Archeologische waarden en archeologische verwachting Archeologische vindplaatsen (of algemener gesteld: 'archeologische waarden') bestaan uit resten en grondsporen die zich in de bodem bevinden. Vaak zijn de archeologische waarden onzichtbaar.74Een beperkte groep vindplaatsen zoals grafheuvels, hunebedden, terpen e.d. uitgezonderd. Door deze onzichtbaarheid zijn archeologische waarden ook kwetsbaar en kunnen bodemingrepen onmerkbaar leiden tot vernietiging van archeologische waarden. Wat archeologische waarden extra kwetsbaar maakt, is dat het archeologisch bodemarchief na aantasting niet meer hersteld kan worden: wat weg is, is voorgoed weg. Behalve dat het bodemarchief een bron van informatie en kennisvergaring voor de wetenschap vormt, dragen het archeologisch bodemarchief en cultuurhistorische waarden ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Om deze redenen is een goede bescherming van het archeologisch bodemarchief via gemeentelijk archeologiebeleid noodzakelijk. Met het begrip archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische resten bedoeld. Een archeologische verwachtingskaart geeft per kaarteenheid een indicatie van de verwachte kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen (met name nederzettingsterreinen). De verwachtingskaart vormt de grafische weergave van een verwachtingsmodel. Aan de kaarteenheden is voor elke periode een archeologische verwachting toegekend, dit betreft een ordinaal onderscheid variërend van hoog, middelhoog of laag. Het betreft bovendien een kwalitatieve indeling die niet onderbouwd is met de spreiding en dichtheid van bekende vindplaatsen (deductief model). De onderscheiden verwachtingen kunnen als volgt worden vertaald: Een hoge verwachting betekent de hoogste kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen ; Een middelhoge verwachting impliceert dat in deze zones archeologische vindplaatsen worden verwacht, maar met een lagere kans dan in de zones met een hoge verwachting; Een lage archeologische verwachting impliceert dat de kans op aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (zeer) klein wordt geacht. De kans hierop wordt evenwel niet uitgesloten; Het verwachtingsmodel Het verwachtingsmodel is gebaseerd op het principe dat archeologische vindplaatsen niet willekeurig verspreid liggen in het vroegere landschap, maar dat deze gerelateerd zijn aan bepaalde landschappelijke kenmerken of eigenschappen.75Van Leusen & Kamermans 2005. Het vaststellen van de archeologische verwachting voor een gebied kan gebaseerd zijn op een statistische analyse van de ligging van de bekende vindplaatsen (een zogenaamde inductieve benadering), maar er zijn ook verwachtingsmodellen die sterk leunen op een hypothetische benadering (een zogenaamde deductieve benadering). Om een goed onderbouwd, statistisch verwachtingsmodel te krijgen is een grote en representatieve dataset nodig; dit is bij gemeentelijke verwachtingskaarten vrijwel nooit het geval. De deductieve benadering leunt op meer algemene kennis over vroegere samenlevingen. Hoe werd het landschap gebruikt? In welke delen van het landschap lagen de nederzettingen, welke delen werden gebruikt voor andere activiteiten? Door algemene kennis over de ligging en verspreiding van archeologische vindplaatsen te combineren met landschappelijke gegevens (welk type vindplaats ligt in welk type landschap) kunnen aan de gekarteerde landschappelijke eenheden (bijv. een oeverzones, komgebieden, veengebieden e.d.) archeologische verwachtingen worden toegekend. Voor een archeologische verwachtingskaart worden voornamelijk locatiekeuzefactoren gebruikt die betrekking hebben op de bestaanseconomie. Om deze reden heeft de verwachtingskaart alleen betrekking op vindplaats typen als nederzettingen en - in mindere mate - akkerarealen. Hoewel andere aspecten (politieke, strategische, religieuze en/of sociale overwegingen) ook een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben bij de locatiekeuze, is het (m.n. voor de prehistorie) lastig om deze aspecten te incorporeren in een verwachtingsmodel. Door de veranderingen die het landschap in de loop van de voorbije millennia heeft ondergaan, kan de archeologische verwachting van een landschappelijke eenheid door de tijd heen veranderen: wat een prima nederzettingslocatie was in de ijzertijd, vormde gedurende de vroege middeleeuwen niet noodzakelijkerwijs nog steeds een goede woonplek. Beperkingen De basis voor de archeologische verwachtingskaart wordt gevormd door de landschappelijke eenhedenkaart (kaartbijlagen 2 en 6). Aan de verschillende landschappelijke eenheden is voor de perioden laat paleolithicum/mesolithicum, neolithicum/bronstijd, ijzertijd/Romeinse tijd en vroege middeleeuwen een archeologische verwachting toegekend. De vindplaatsen uit de (late middeleeuwen
  5. en)Nieuwe tijd worden niet 'gedekt 'door de landschappelijke eenhedenkaart. Achterliggende reden hiervoor is dat men vanaf de late middeleeuwen in steeds sterkere mate ingreep in het natuurlijk landschap. De bewoonbaarheid of gebruiksmogelijkheden liet men steeds minder bepalen door de natuurlijke (terrein)gesteldheid. Zo werden in de loop van de late middeleeuwen de voorheen onbewoonbare veengebieden in cultuur gebracht. Waar de vroegste veenontginningen gedicteerd werden door het natuurlijke landschap – veenkoepels en veenriviertjes bepaalden de ligging van de ontginningslinten - zetten de latere ontginners het landschap in de loop van de eeuwen juist naar hun hand. De bewoningsmogelijkheden werden vanaf toen niet meer bepaald door mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood, maar werden gecreëerd door een rationele verkaveling en ontwatering van het gebied. Kades en dijken zorgden ervoor dat lager gelegen gebiedsdelen, die gedurende natte perioden voorheen onder water kwamen, grotendeels gevrijwaard bleven van overstromingen. Met de opkomst van bemaling door windmolens konden vanaf de 17e eeuw niet alleen kleine plassen, maar ook grote binnenmeren worden drooggemaakt, ingepolderd en ingericht. De archeologische verwachting voor de late middeleeuwen en Nieuwe tijd is daarom niet zozeer gebaseerd op landschappelijke ondergrond, maar vooral op een combinatie van archeologische en historisch-geografische gegevens (kaartbijlagen 4 en 9). Attentiegebieden Naast de drie verwachtingsklassen, staat er op de archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 2) nog een vierde categorie: attentiegebieden. Een attentiegebied is een relatief gaaf deel van een zone met een zeer hoge verwachting en een hoge dichtheid aan samenhangende vindplaatsen. Feitelijk gaat het om archeolandschappen die door hun rijk en gaaf bodemarchief zich kenmerken door een hoog archeologisch onderzoekspotentieel. Het doel van een attentiegebied is om bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek te garanderen. Er worden immers archeologische resten van een zeer hoge fysieke en inhoudelijke kwaliteit verwacht. 4.2Archeologische verwachtingen 4.2.1Laat-pleistocene landschap Het pleistocene oppervlak in de ondergrond bestaat in het noordelijk deel van de gemeente IJsselstein uit dekzanden die als een dunne laag uitwiggen op de onderliggende pleistocene rivierafzettingen. De bovenzijde van de pleistocene afzettingen bevindt zich tussen 4 en 8 m -NAP, de afzettingen liggen het hoogst in het noordelijk deel van de gemeente en hellen geleidelijk af in zuid(westelijk)e richting. Op basis van de hoogteligging van het pleistocene oppervlak en de grondwatercurves voor West-/Midden-Nederland kan een globale indruk worden verkregen van het 'tijdstip' (periode) waarop het laat-pleistocene landschap als gevolg van de zeespiegelstijging vernatte en overgroeide raakte met veen.76Berendsen et al. 20007, Van de Plassche et al. 2005, Van de Plassche et al. 2010. Logischerwijs begon de verdrinking in de laagste delen en schoof deze in de loop van de tijd op naar de hoger gelegen delen van het (dek)zandlandschap. Aangenomen kan worden dat de verdronken gebiedsdelen ongeschikt (want te nat) waren voor bewoning. Uitgaande van de hoogteligging van de pleistocene ondergrond (4 tot 8 m -NAP), is het pleistocene landschap globaal tussen 7000 en 5000 jaar geleden verdronken en overgroeid geraakt met veen. Dit betekent dat de laagste delen van het (dekzand)landschap aan het einde van het mesolithicum ongeschikt raakten voor bewoning. De hoogste delen waren mogelijk nog bewoonbaar tot in de loop van het neolithicum. De archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars wordt bepaald door de morfologie (en intactheid) van het laat pleistocene (dek)zandlandschap. Met name ecologische gradiëntzones (overgangen van nat naar droog, zoals bijvoorbeeld dekzandruggen grenzend aan depressies of langs de randen van beekdalen) hebben een hoge correlatie met de ligging van vindplaatsen van jager-verzamelaars. In dergelijke zones kunnen in principe zowel nederzettingsterreinen met een dichte strooiing van vuursteenmateriaal, als kleine jachtkampementjes met een ijle vondststrooiing aanwezig zijn. Bij dergelijke vindplaatsen wordt voornamelijk strooiing van houtskool, (bewerkt) vuursteen en (ander) natuursteen verwacht. De resten bevinden zich in de top van het (ongestoorde) natuurlijke dekzand. De beschikbare geologische gegevens (boringen) zijn te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van (de intactheid, opbouw en het reliëf van) de pleistocene ondergrond te krijgen (vgl. paragraaf 3.2.2). Desondanks is het zeker dat (delen van) het afgedekte dekzandlandschap bewoond zijn geweest door jager-verzamelaars. Verschillende geologische boringen laten zien dat het dekzand ter hoogte van de komgebieden (en de “zwevende” oevers en crevassen; zie paragraaf 3.2.2) is afgedekt door een dunne laag basisveen, wat impliceert dat het onderliggende pleistocene landschap hier vermoedelijk nog grotendeels intact is (paragraaf 3.2.2; Figuur 3-3). Voor deze gebieden geldt (afhankelijk van de specifieke ligging binnen het paleoreliëf van het dekzandlandschap) een lage tot hoge archeologische verwachting. Omdat het verloop van het reliëf slechts globaal bekend is, gaan we voor deze zones in kaartbijlage 2 uit van een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars. Ter hoogte van de holocene stroomgordels (Figuur 4-1) is het laat-pleistocene landschap, ten gevolge van erosie, zeer waarschijnlijk niet meer intact (Figuur 3-3). Voor deze zones wort uitgegaan van een lage archeologische verwachting. Figuur 4-1 Globale verwachtingskaart jager-verzamelaars: gemodelleerde hoogteligging en intactheid van het Laat-pleistocene landschap. Los van (het probleem ten aanzien van) de specifieke archeologische verwachting, geldt in algemene zin dat de (met een meters dik pakket veen en klei) afgedekte vindplaatsen van jager-verzamelaars relatief lastig zijn op te sporen. Behalve de relatief grote diepteligging zijn ook de vindplaatskenmerken – het ontbreken van een cultuur-/vondstlaag, de geringe omvang en de veelal lage vondstdichtheid – hier debet aan. Tegenover deze beperkingen staat dat het dieper gelegen niveau zelden door (omvangrijke) bodemingrepen wordt bedreigd (funderingspalen uitgezonderd). De kans dat eventueel aanwezige archeologische resten van jager-verzamelaars worden aangetast is dan ook beperkter dan bij vindplaatsen uit recentere perioden die zich ondiep onder het maaiveld bevinden. Om deze reden is onderscheid gemaakt tussen relatief ondiep (binnen circa 5 m -
  6. mv)en diep gelegen dekzandlandschap (Figuur 4-1 en kaartbijlage 2). Dit onderscheid impliceert geen principieel verschil in archeologische verwachting. Wel is het een (grove) indicatie voor de kans dat het onderliggende pleistocene landschap wordt aangetast bij bodemingrepen (uiteraard hangt dit vooral af van de specifieke ingreep) en is deze (diepte)maat ingegeven door praktische onderzoeksmogelijkheden/-beperkingen. 4.2.2Rivierenlandschap Het rivierenlandschap in de gemeente IJsselstein omvat de meandergordels, crevassen en komgebieden van de rivieren die gedurende het Holoceen op het grondgebied van de gemeente IJsselstein stroomden. Feitelijk gaat het om een stapeling van verschillende landschappen die door de tijd heen (kleine) veranderingen hebben ondergaan. In het onbedijkte rivierenlandschap vormden de hoger gelegen meandergordels preferente bewoningslocaties. De top van het boven de beddingafzettingen gelegen oeverpakket vormde, samen met aangrenzende oeverzones en crevassen, veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau. Bij de op dit niveau te verwachten vindplaatsen kan het gaan om resten van relatief grote nederzettingsterreinen. De (omvangrijkere) vindplaatsen kenmerken zich doorgaans door een archeologische (cultuur)laag met een lage tot hoge vondstdichtheid (houtskool, bot, aardewerk, natuursteen en – afhankelijk van de bewoningsperiode – ook baksteen, metaal of glas).77Nederzettingen uit de Romeinse tijd en middeleeuwen kenmerken zich doorgaans vaker door een duidelijk herkenbare archeologische (cultuur)laag, dan terreinen uit de bronstijd of ijzertijd. De archeologische niveaus kunnen al dicht onder het maaiveld aanwezig zijn, maar kunnen zich ook op een diepte van enkele meters bevinden. Verder kunnen vindplaatsen/ bewoningsniveaus aanwezig zijn die zich niet manifesteren door een herkenbare archeologische laag. Tot slot kunnen ook sporen van landgebruik, begravingen en losse sporen aanwezig zijn. Zowel dergelijke losse sporen, als vindplaatsen zonder archeologische laag, zijn met een (prospectief) booronderzoek vrijwel niet of nauwelijks op te sporen. Het grondgebied van de gemeente IJsselstein wordt doorsneden door een complex van stroomgordels die opeenvolgend gedurende een periode van 7500 jaar actief waren. In die zin is ook met recht sprake van gestapelde landschappen (zie paragraaf 3.1.2). Op basis van de (vermeende) diepteligging van de bovenzijde van de (oever-
  7. en)beddingafzettingen en de ouderdom (einddatering) van de stroomgordels zijn de stroomgordels onderverdeeld in vier archeo-landschappen. De indeling is bovendien zo gekozen dat deze grotendeels samenvalt met het onderscheid in archeologische 'samenlevingen' (jager-verzamelaars, vroege landbouwers, late landbouwers en staatssamenlevingen): Het oudste rivierenlandschap; Het oude rivierenlandschap; Het jonge rivierenlandschap; De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden)het . Binnen elk archeo-landschap is onderscheid gemaakt tussen de (op dat moment) actieve stroomgordels, de verlande stroomgordels en de kommen. Voor de ondiepere stroomgordels (het oude, het jonge en het “actieve” rivierenlandschap) zijn tevens (delen van) restgeulen onderscheiden. Oudste rivierenlandschap (laat mesolithicum - vroeg neolithicum) Gedurende het laat mesolithicum en/of een deel van het vroeg neolithicum kwamen op het grondgebied van IJsselstein de eerste stroomgordels op gang. Deze maakten deel uit van het Benschopse stroomstelsel, met de volgende deelstroomgordels: Tienhoven, Kortenhoeven, Wiersch, Willeskop, Benschop, Autena en Kapel. Deze 'vroeg-neolithische' stroomgordels bepaalden de bewoningsmogelijkheden voor de bewoners die rond de overgang van de jager-verzamelaars naar de vroegste landbouwers leefden in dit deel van het rivierengebied. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijk dat (met name) de jongere stroomgordels uit deze groep ook gedurende de bronstijd nog aantrekkelijk waren voor bewoning. Na verlanding werden de stroomgordels overslibd met komklei van jongere rivierlopen en werden ze onderdeel van het komkleilandschap uit een volgende periode. Vermoedelijk vanaf de ijzertijd – maar mogelijk ook al gedurende een deel van de bronstijd – waren de vroeg-neolithische stroomgordels niet meer aantrekkelijk voor bewoning. De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden vanaf circa 2,0 m -NAP en dieper (ca. 2,5 m -mv en dieper). Ten aanzien van die delen van het oudste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt: Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum; Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de bronstijd; Een lage archeologische voor vindplaatsen uit latere perioden (ijzertijd-vroege middeleeuwen). Figuur 4-2 Ouderdom en actieve fasen van de verschillende meandergordels in de gemeente IJsselstein. Oude rivierenlandschap (midden/laat neolithicum en bronstijd) Gedurende het midden/laat neolithicum en de bronstijd waren op het grondgebied van IJsselstein de Graafse en aansluitende Linschotense stroomstelsels actief. Deze stroomgordelcomplexen kennen de volgende deelstroomgordels: Buitenzorg, Lopik, Vuylkop, Neder-Oudland, Lage Dijk, Vechgel, Stuivenberg, Lampsin Over-Oudland, IJsselveld-Schuurenburg, Blok en Jutphaas. De zandige meandergordels van de rivieren vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijke vormden de zandbanen na verlanding ook nog aantrekkelijke locaties voor bewoning in de ijzertijd en de Romeinse tijd. Ook aangrenzende hoger gelegen oeverzones waren geschikt als woonlocatie en andere activiteiten. Het Linschotense systeem wordt behalve door een wirwar van stroomgordels gekenmerkt door veel smaller crevassen. De meest zijn op de gedetailleerde kaarten van Berendsen
(1982)terug te vinden. Ze blijken ook in het AHN-beeld te herkennen aan een iets hogere ligging. Het kaartbeeld is op basis van AHN aangevuld met een enkele smalle crevasse. De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden tussen circa 1,0 tot 0,0 m -NAP (ca. 1,5 – 0,5 m -mv). Ter hoogte van de meandergordels van het oude rivierenlandschap is het oudste rivierenlandschap weg geërodeerd. Ten aanzien van die delen van het oude rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels en corresponderende oeverzones en crevassen geldt: Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd); Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd; Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen. Figuur 4-3 Landschappelijke ontwikkeling met archeologische vindplaatsen voor vier archeologische perioden. Jonge rivierenlandschap (ijzertijd - vroege middeleeuwen) Bepalend voor het landschapsbeeld gedurende de ijzertijd, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen (tot aan de bedijking) waren de activiteiten van de Hollandse IJssel en van de Lek. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. De bovenzijde van de beddingafzettingen kunnen al worden aangetroffen binnen 1,0 m -mv. Opvallend is dat de Hollandse IJssel vrijwel geen oeverafzettingen buiten de meandergordel heeft afgezet. Op het AHN-beeld, maar ook uit de gedetailleerde paleogeografische kaarten van Berendsen
(1982)is op te maken dat de zandbaan op de meeste plaatsen direct grenst aan zware komkleiafzettingen. Het lijkt er dan ook op dat de Hollandse IJssel zich in de actieve fase zich maar weinig verticaal heeft opgebouwd en dan enkele binnen de meandergordel. De grote hoogteverschillen met direct aangrenzende komgebieden zijn vermoedelijk het resultaat van latere differentiële klink. Slecht op één locatie (polder IJsselveld) is op basis van AHN-beeld en boringen uit het DINO-loket een oeverzone gekarteerd buiten de meandergordel van de Hollandse IJssel. Op de kaart van Berendsen is hier een dijkdoorbraakafzetting weergegeven, maar daarvoor zijn op historische kaarten, noch uit beschikbare boorprofielen aanwijzingen te vinde

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.