Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein Actualisatie van de archeologische verwachtings- en beleidskaart advieskaart 1Inleiding 1.1Aanleiding en doelstelling In opdracht van de gemeente IJsselstein heeft Archol in 2022 een actualisatie uitgevoerd van de archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het grondgebied van de gemeente IJsselstein. De huidige archeologische beleidskaart dateert uit 2006.1De Boer et al.
(1560); ‘Ultrajectum / Dominium’ (Kaart van de provincie Utrecht met aangrenzend gebied; met weergave van steden, wegen en watergangen en gestyleerde weergave van heuvels, dorpen, kastelen en kloosters) door W.J. Blaeu uit 1630-1635; 'Comitatus Hollandiae et Dominii Ultraiectini Tabula' door Jacob Aertsz. Colom uit 1680; 'Kaart van de Baronie IJsselstein' door David Willem Carel Hattinga uit 1770 (kopie van de kaart van Petrus Adan uit 1738; 'Nieuwe Kaart van den Lande van Utrecht' door Bernard Du Roy uit 1743; 'Kaart van de rivier de Lek met zijn uiterwaarden, noorder- en zuiderdijken, van de Merwede beneden Krimpen tot het schoor van Hagestein boven Vianen' door Melchior Bolstra uit 1751-1764; ‘Topographische kaart van een gedeelte van de provincies Holland en Utrecht begrepen tussen de rivier de Lek bij Schoonhoven en Nieuwpoort en de Zuiderzee’ door Pieter Ketelaar uit 1769; 'Oude Hollandse Waterlinie' door Pieter Ketelaar uit 1770-1781; 'Generaale Land-Kaarte van den Loopicker-Waard' door David Willem Carel Hattinga uit 1771; 'Kaart van het land van IJsselstein' (anoniem) uit omstreeks 1775; Bonnekaarten en topografische kaarten vanaf ca. 1850; Kadastrale kaarten uit de periode 1811-1832: Gemeente IJsselstein, sectie A (blad 2), sectie B (blad 1, 2 en 3), sectie C (blad 1, 2 en 3), sectie D (blad 1), sectie E (blad 1 en 2), sectie F (blad 1 en 2) en sectie G (blad 1 en 2); Gemeente Jutphaas, sectie C, blad 1; Gemeente Vreeswijk, sectie B, blad 1. De geïnventariseerde gegevens zijn verwerkt tot een historisch-geografische waardenkaart (kaartbijlage 3). De digitale gegevens (met name de al dan niet verdwenen dijktracés en de locaties van verdwenen molens) zijn met behulp van de gegeorefereerde kadastrale minuutplannen, recentere topografische kaarten en/of het AHN gecorrigeerd. Naast de historisch-geografische relicten en elementen omvat de kaart ook de onderliggende, historisch-landschappelijke eenheden. De (verdwenen) molens zijn tevens opgenomen in een afzonderlijke catalogus (bijlage 5). Figuur 3-7 Militaire kaart van de Provincie Holland (vestingen, forten en posten)’ door Pieter Ketelaar uit 1769 (bron: Nationale archief met inventarisnummer H50, H50.1 t/m H50). Figuur 3-8 Uitsnede van de 'Kaart van de Baronie van IJsselstein' door David Hattinga uit 1770 (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203). Figuur 3-9 Uitsnede van de 'Kaart van het land van IJsselstein' van omstreeks 1775 met daarop goed zichtbaar het patroon van dijken (bron: Utrechts Archief, catalogusnr. 203). 3.3.2Historisch-geografische elementen Historisch-landschappelijke eenheden Aan de hand van oude kaarten en de CHAT zijn buiten de middeleeuwse stad, drie historische hoofdlandschappen te onderscheiden: Het blokverkavelingslandschap; Het cope-ontginningslandschap; De uiterwaarden van de Lek. Dijken en kades Met behulp van de CHAT van de provincie Utrecht en de dijkenkaart van de RCE zijn historische dijken en kaden geïnventariseerd en op kaart gezet. Omdat de bestaande datasets voor de gewenste kaartschaal vaak een te grof en onnauwkeurig beeld gaven, is de ligging van de dijktracés gecontroleerd en verfijnd door deze te vergelijken met kadastrale minuutplannen en te projecteren op de huidige topografie en het AHN. Historische bewoning en bebouwing Aan de hand van oude kaarten, recent en oud topografisch kaartmateriaal, archeologische waarnemingen en de CHAT van de provincie Utrecht zijn de zones met historische bewoning in kaart gebracht. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen De middeleeuwse stadskern van IJsselstein; De vermeende en globale ligging van de vroegmiddeleeuwse nederzetting Eiteren;46Eiteren komt als ‘Aiturnon’ voor op een lijst met goederen bij de Zuiderzee van het klooster Werden (bij Essen in Duistland) uit ca. 900 AD: ”Te Aiturnon Sancti Liudgeri”. Een andere vroegmiddeleeuws goed betreft de villa Ubburon/Opburen die op een lijst met goederen van de St. Maartenskerk (uit Utrecht), opgesteld tussen 777 en 866, wordt genoemd. Vermoedelijk lag de villa nabij het Hoge Land in het gebied Over-Oudland, aan de oostzijde van de A2 in de gemeente Nieuwegein. Zie oo vindplaatscatlogusnr. 63. De nog bestaande gehuchten Klaphek, Looije Brug en Knollemanshoek; De bebouwing op Militaire kaart door Pieter Ketelaar uit 1769 en de kadastrale minuutplans uit de periode 1811-1832 (als puntlocaties weergegeven op kaartbijlage 3). Bewoningslinten uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd Binnen de gemeente IJsselstein zijn twee laatmiddeleeuwse ontginningsassen onderscheiden, de Achtersloot-Hogebiezendijk van waaruit Meerlo, Broek, Lage Biezen en Hoge Biezen zijn ontgonnen, en Noord-IJsseldijk, de (vermoedelijke) ontginningsbasis van IJsselveld. Langs beide ontginningsassen is in de late middeleeuwen en Nieuwe tijd lintbebouwing ontstaan. De historische bewoningslinten stonden op de kaart van 2011 al afgebeeld. Getracht is de archeologische verwachting van deze linten te verfijnen door aan de hand van redelijk tot goed te georefereren historische kaarten (de oudste kadastrale minuutplans uit de periode 1811-1832, de Militaire kaart van de Provincie Holland door Pieter Ketelaar uit 1769 en de Kaart van de Baronie van IJsselstein door David Hattinga uit 1770) te onderzoeken of in de 18e en 19e eeuwse bebouwing veel veranderingen optreden of dat uit deze kaarten juist continuïteit van bebouwing valt af te leiden. Het blijkt dat bij beide ontginningsassen sprake is van tweezijdige boerderijstroken, waarbij de boerderijstrook aan de oostzijde van Achtersloot-Hogebiezendijk onregelmatiger is en enkele onderbrekingen kent, en de beide stroken lang de Noord-IJsseldijk een wat grilliger verloop hebben en meer uit “plukjes” bebouwing bestaat. Tevens valt uit de geraadpleegde kaarten af te lezen dat er in de bebouwing van de boerderijstroken vrijwel geen verschuivingen optreden. Op kaartbijlage 3 is voor de bewoningslinten een breedte van 100 meter aan weerszijden van het hart van de dijk aangehouden. Met deze breedte wordt het grootste deel van de bebouwing op de 18e en 19e eeuwse kaarten ‘afgedekt’. Gebouwde rijksmonumenten en MIP-objecten De locaties van MIP-objecten (Monumenten Inventarisatie Project; waardevolle gebouwde objecten uit de periode 1850-1940) en de gebouwde rijksmonumenten zijn afkomstig van de datasets van de RCE. Deze objecten zijn als puntlocaties weergegeven op kaartbijlage 3. Molens Gegevens over verdwenen en nog bestaande molens zijn geïnventariseerd via de landelijke molendatabases.47Respectievelijk www.molendatabase.org (verdwenen molens) en www.molendatabase.nl (bestaande molens). De gegevens zijn opgenomen in bijlage 5. In de gemeente IJsselstein staat nog één historische molen, De Windotter. Deze korenmolen is in 1732 gebouwd ter vervanging van een oudere korenmolen in de stad IJsselstein. In de molendatabase staat ter hoogte van het klooster O.L. Vrouwenberg ook een molen vermeld. De juistheid hiervan is onzeker, zo staat de molen niet afgebeeld op de kaart van Jacob van Deventer (uit dezelfde periode). Om deze reden staat de molen niet weergegeven op kaartbijlage 3. Verder hebben in het verleden vermoedelijk op nog acht andere locaties molens gestaan, deze zijn inmiddels verdwenen. Het betreft drie molens die in de stad hebben gestaan – en gebruikt werden voor het malen van graan of grutten – en een vijftal poldermolens die overwegend in het buitengebied lagen. Voor drie locaties is tevens bekend dat sprake is geweest van meerdere opeenvolgende molens. Per locatie hebben de verschillende molenfases in de catalogus hetzelfde nummer gekregen maar zijn de opeenvolgende fases met een a en b of c van elkaar onderscheiden (catalogusnummers 1a/b, 2a/b en 10a/b/c). 3.4Historisch centrum H. Cornelisse 3.4.1Bronnen Het historische centrum wordt voor wat betreft het aspect archeologie apart behandeld vanwege de hoge dichtheid en het specifieke karakter van de bekende en te verwachten archeologische resten. Detailkaarten van de historische kern (met resp. vondstmeldingen en archeologische onderzoeken, landschappelijke verwachtingszones, historische relicten en verstoorde cq. vrijgegeven zones) zijn als kaartbijlagen 5 tot en met 8 bijgevoegd. De detailkaart 5 is gebaseerd op (nieuwe) archeologische onderzoeken en vondstmeldingen uit Archis. Voor de onderbouwing van de andere vier kaarten wordt verwezen naar paragrafen 3.1 - 3.3 en hoofdstuk 4. 3.4.2Kader Tijdens het opstellen van de eerste archeologische verwachtings- en beleidskaart uit 2004 omvatte de historische binnenstad de historische stadskern (AMK- terrein met monumentnr. 12071), het kasteel IJsselstein ((AMK 1224 en beschermd Rijksmonument 46201) en het klooster Onze-Lieve-Vrouweberg (AMK 1223 en beschermd Rijksmonument 46200), met in de diepere ondergrond kom- en oeverafzettingen. De (mislukte) middeleeuwse stadsuitbreiding Nieuwepoort is toen buiten beschouwing gebleven en tot het buitengebied gerekend. Ook bij de actualisatie van 2011 heeft men deze begrenzing van de historische binnenstad gehanteerd. Bij de inventarisatie van de nieuwe archeologische gegevens nemen we Nieuwpoort wel mee, om te onderzoeken of de kenmerken ervan aanleiding geven om het gebied alsnog aan de historische binnenstad toe te voegen. De vroegste vondsten die tot 2011 in de binnenstad zijn aangetroffen, dateren uit de Romeinse tijd en zijn afkomstig uit de top van de kom- en oeverafzettingen. Bijbehorende bewoningssporen zijn echter niet bekend. Uit naamkundige gegevens is duidelijk dat in ieder geval vanaf de vroege middeleeuwen sprake is van bewoning bij Eiteren (gelegen direct ten noordwesten van de binnenstad). De historische stadskern van IJsselstein stamt uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Aan de basis van het ontstaan ervan liggen de heren Van Amstel die in de 13e eeuw de omgeving van IJsselstein als leen in bezit hebben. In een document uit 1279 wordt het Stein (stenen bouwwerk of kasteel) voor het eerst genoemd. Dat is het jaar waarin Gijsbrecht van Amstel tot Gijsbrecht van IJsselstein benoemd wordt: heer van IJsselstein. Kasteelheer Gijsbrecht van Amstel stimuleerde omstreeks 1300 de groei van de nederzetting die mogelijk snel na de bouw van het kasteel was ontstaan. In die tijd was de nederzetting omgeven door een gracht en mogelijk ook een omwalling met palissade. Omstreeks 1344 werd het stadsgebied in zuidoostelijke richting uitgebreid met de Nieuwpoort. Deze uitbreiding was niet heel succesvol omdat het grotendeels onbebouwd is gebleven. Eind 14e eeuw liet Arnold van Egmond de stad versterken met een ommuring voorzien van torens en poorten. Vermoedelijk is Nieuwpoort vanwege de spaarzame bewoning maar deels ommuurd geweest. In 1394 stichtte hij op de Nieuwpoort een Cisterciënzer monnikenklooster, genaamd Onze-Lieve-Vrouweberg. Omdat was gebleken dat de eerdere uitbreiding van de stad te groot was geweest, werd omstreeks 1470 de stadsgrens naar binnen aangepast waarbij de huidige stadsgracht is verbreed. In 1495 werd vervolgens het klooster, dat door de aanpassingen buiten de stad was komen te liggen, verplaatst naar de westkant van de Kloosterstraat in de binnenstad. Het oude klooster werd afgebroken.48Dijkstra e.a., 2004. Van Rooij & De Boer, 2011. Hoewel IJsselstein door de aanwezigheid van verdedigingswerken, een kerk, een klooster en een gasthuis een stedelijk karakter bezat, blijkt uit de oudste historische kaarten van Jacob van Deventer (uit 1575) en Blau (uit ca. 1650) dat nog veel percelen binnen de stadsmuren in de 15e en 16e eeuw een agrarische functie hadden. Daarmee past IJsselstein in het algemene beeld wat van historische steden in Nederland bestaat. Uit historische bronnen is al langere tijd bekend dat kleinschalige landbouw veel voorkwam in middeleeuwse- en vroeg-moderne steden. Een studie van 1380 archeologische rapporten van opgravingen in Nederland uit de periode 1997 tot en met 2017 toont aan dat de stadslandbouw ook in het archeologisch bodemarchief zijn sporen heeft nagelaten. Zo zijn in verschillende historische steden resten van boerderijen, afgedekte akkers, bodemverbeteringssporen, mestkuilen, paarden- en veestallen en dierenkooien vastgesteld. Uit deze archeologische resten kan worden afgeleid dat verschillende vormen van stedelijke landbouw (veeteelt, akkerbouw en tuinbouw) hebben bijgedragen aan een zekere mate van zelfredzaamheid voor veel stadsbewoners.49Fischer e.a., 2021. IJsselstein werd regelmatig door branden en plunderingen geteisterd waardoor gebouwen werden verwoest of afgebroken en opnieuw opgebouwd. Hierdoor zijn in IJsselstein, net als in de meeste andere oude Nederlandse steden, ophogingspakketten op de natuurlijke afzettingen ontstaan. Enkele waarnemingen geven de indruk dat de basis van het ophogingspakket ter plaatse van de oeverafzettingen op ca. 1,0 m + NAP ligt (ca. 1,8 m -
- mv)en ter plaatse van de komafzettingen rond 0,3 m +NAP (ca. 1,7 m- mv).50Dijkstra e.a., 2004. 3.4.3Archeologische gegevens Sinds 2011 zijn in het onderzoeksgebied 32 onderzoeken aangemeld in Archis.51Zie kaartbijlage 1 en bijlage 4 (catalogus met onderzoeken). Het gaat met name om bureauonderzoeken, verkennende booronderzoeken en opgravingen in de variant archeologische begeleiding. Hieronder worden de resultaten van deze onderzoeken kort besproken. Voor de ligging en omschrijving van de hierbij genoemde vindplaatsen, AMK-terreinen en onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen 1 tot en met 4 en kaartbijlage 5. Binnen de historische stadskern (AMK 12071) zijn verschillende waarnemingen gedaan. Het merendeel van de onderzoeken van na 2011 zijn in het zuidwestelijke kwart van de stadskern gelokaliseerd. Op basis van twee booronderzoeken (onderzoekscatalogusnrs. 83 en 115), zes archeologische begeleidingen (onderzoekscatalogusnrs. 97, 112, 128, 155, 180 en 195) en een proefsleuvenonderzoek (onderzoekscatalogusnr. 193) kan de bodemopbouw hier als volgt worden gereconstrueerd: de top bestaat uit het ophogingspakket uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. De dikte van dit pakket varieert, maar kan wel zo’n 1,5 m dik zijn en tot 1,8 m onder het maaiveld (2,7 m -NAP) reiken.52De Boer 2019. Hieronder bevinden zich doorgaans kleiige en venige komafzettingen die op 3,5 tot 4,5 m – mv over gaan in oeverafzettingen van de Wiersch stroomgordel. Soms bevinden zich tussen het ophogingspakket en de komafzettingen een enkele decimeters dikke laag oeverafzettingen van waarschijnlijk de Hollandse IJssel.53Van Rooi, 2011; Beckers, 2013; Jezeer, 2014. De gravende onderzoeken beperkten zich voornamelijk tot het ophogingspakket. In enkele smalle sleuven en een kleine bouwput zijn muurresten van waarschijnlijk 19e eeuwse gebouwen en de fundering van een brandspuithuisje uit de eind 19e, begin 20e eeuws gevonden. Het brandspuithuisje bleek gefundeerd op – en opgebouwd is uit bakstenen van – de voormalige hoektoren van de stadsmuur.54Pijpelink & Jaspers, 2014; Van Engeldorp Gastelaars, 2023. In proefsleuven langs de Molenstraat zijn (delen van) twee ronde torenfunderingen uit de 14e/15e eeuw en een deel van de stadsmuur teruggevonden (op 0,66 en 0,19 m +NAP).55Van Engeldorp Gastelaars 2020. Op ongeveer dezelfde locatie zijn bij een begeleiding funderingen van verschillende huizen uit de 16e - 20e eeuw en een rosmolen van een grutterij uit de eerste helft van de 19e eeuw aangetroffen.56Van Engeldorp Gastelaars, 2023. Ter plaatse van het Koningshof zijn in de natte en slappe veen- en kleiafzettingen (0,7 tot 1,2 m -
- mv)de oudste sporen gevonden: 13e en 14e eeuwse percelering in de vorm van vlechtwerkwanden en een sloot met bijbehorende aardewerk- en metaalvondsten. Dit duidt erop dat het gebied toen al wel in gebruik was, waarschijnlijk als weiland en erf. Vanaf waarschijnlijk het midden van de 14e eeuw wordt het gebied (net als de rest van historisch IJsselstein) beter geschikt gemaakt voor bewoning door een ophogingspakket aan te brengen. Uit deze periode tot in de 17e eeuw zijn enkele restanten van muurfunderingen gevonden. Daarnaast zijn in totaal veertien beerputten uit de 17e tot 19e eeuw gevonden, waarvan tien vondsten van huisraad bevatten die als afval zijn weggegooid.57Jezeer, 2014; Van Engeldorp Gastelaars, 2023. Tijdens begeleidingen langs de Walkade zijn 23 begravingen en resten van een muur aangetroffen. De begravingen maken deel uit van het kerkhof van de Rooms‐Katholieke (schuil)kerk aan de Havenstraat dat teruggaat tot 1635. Het kerkhof dateert evenwel pas uit de periode 1822‐1829.58Jacobs 2018. Bij de meeste in het zuidwestelijke kwart gelegen onderzoeken is sprake van een beperkte onderzoeksdiepte waardoor het merendeel van de archeologische resten in situ bewaard is gebleven (kaartbijlage 8). In het noordoosten zijn aan de Walkade een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 161) en een archeologische begeleiding (onderzoekscatalogusnr. 164) uitgevoerd. Binnen 3,0 m ‐mv bestaat de bodemopbouw uit antropogene lagen (grachtvullingen, omgewerkte en laatmiddeleeuwse stadsophogingspakketten), natuurlijke afzettingen zullen dieper dan 3,0 m liggen.59Hanemaaijer, 2016. Bij het uitgraven van de bouwput zijn binnen 1,5 m -mv een gedeelte van de stadsmuur, afgebroken muurrestanten en twee bakstenen poeren aangetroffen. De restanten zijn gelegen tussen 0,78 en 0,52 m +NAP. De verwachte stadsgracht ligt waarschijnlijk dieper dan de ontgravingsdiepte en is niet in beeld gekomen.60Pels‐Ouweneel, 2019. Een booronderzoek in het westen (onderzoekscatalogusnr.: 102) laat zien dat hier het bovenste deel van de bodem bestaat uit laatmiddeleeuwse en Nieuwetijdse ophogingslagen (met o.a. houtskool, fragmenten puin, aardewerk, leisteen en glas) die rond 1,5 m ‐mv overgaan in komklei.61Huizer, 2013. De hierop volgende archeologische begeleiding (onderzoekscatalogusnr.: 171) betrof werkzaamheden die niet dieper gingen dan 0,3 m en leverde daardoor geen nieuwe informatie op.62Weerheijm en Van Heeringen, 2018. Centraal in de historische kern is bij de archeologische begeleiding van de herinrichting van Vingerhoekhof (aanleg nieuwe riolering en afvalcontainers) een voormalig achtererf middels enkele zeer smalle sleuven onderzocht (onderzoekscatalogusnr.: 196). De bodem ter plaatse bestaat uit historische ophogingslagen met vanaf 1,3 m -mv kleiige en venige komafzettingen. Aangetroffen is een kuil (uitbraaksleuf?) uit de 16e‐17e eeuw. Eerdere bouw‐ en sloopwerkzaamheden (eind 20e eeuw) hebben er waarschijnlijk voor gezorgd dat ondiepe sporen niet meer aanwezig zijn. Diepere sporen (beer‐ en waterputten, afval‐/mestkuilen en diepe paalkuilen kunnen in de omgeving nog wel verwacht worden.63Van Engeldorp‐Gastelaars, 2022. In de nabijheid staan nog twee onderzoeken in Archis geregistreerd (Onderzoekscatalogusnr.: 204 & 209) die nog niet zijn gerapporteerd of niet zijn uitgevoerd. Ter hoogte van het kasteelterrein en omgeving zijn enkele inventariserende onderzoeken uitgevoerd. Op het kasteelterrein zelf, dat een beschermde status heeft, gaat het om een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 152) en een archeologische begeleiding van de herinrichting van het kasteelpark (onderzoekscatalogusnr. 170). Tijdens het booronderzoek zijn -niet geheel onverwachts- resten van funderingen van het kasteel en ondoordringbare puinresten vastgesteld.64Verschoof-Van der Vaart 2016. De archeologische begeleiding heeft een goed beeld van de bodem en de aanwezige archeologische resten opgeleverd. De natuurlijke bodemopbouw ter hoogte van het kasteel bestaat uit oeverafzettingen waarvan de top rond 1,6 m NAP ligt. Hierop is een 1,2 m dik ophogingspakket aanwezig dat vanaf de 12 eeuw is ontstaan. Binnen het pakket zijn onderin een brandlaag uit de 12e‐13e eeuw) en rond 0,7 m -mv een bodem/laklaag (uit 13e/ begin14e eeuw) aangetroffen op 2,1 m NAP. De oudste sporen zijn ongeveer vanuit het midden van het ophogingspakket ingegraven (waterput en uitbraaksporen). Centraal in het onderzoeksgebied gebied zijn bewoningssporen aangetroffen (waterput, afvalkuilen, paalspoor en uitbraaksporen) uit de oudste fase van het kasteel IJsselstein (vlak voor de verwoesting in 1417). Daarnaast zijn funderingsresten en twee waterputten aangetroffen die samenhangen met de herbouw uit ca. 1477 (Gevangenentoren, poortgebouw en woonvertrekken), de kasteelommuring uit ca. 1478 en latere ommuringen (tussen de Gevangenentoren en de Loyertoren:15e eeuw tot 1765 en tussen de Kleine toren en de Gevangenentoren: 19e eeuw?), alsmede van latere dichtzettingen (bij het poortgebouw). Met betrekking tot de archeologische kwaliteit van het kasteelterrein is vastgesteld dat met name centraal sprake is van een min of meer intact spoorniveau uit de kasteelfase van vóór de verwoesting in 1417. Van de herbouwfase zijn ondank een grondige uitbraak van de funderingen toch relatief veel funderingsresten overgebleven. Met name in het zuidoosten lijken de fundering van het poortgebouw met woonvertrekken relatief goed bewaard gebleven. De waterputten zijn vrijwel intact en zeker de dieper vullingen daarvan.65Jordanov 2020. In het gebied ten noorden van het kasteelterrein staan in Archis een verkennend booronderzoek (onderzoekscatalogusnr. 174) en een archeologische begeleiding van de sloop van een schoolgebouw (onderzoekscatalogusnr. 192) geregistreerd. Uit het booronderzoek blijkt dat onder de recent geroerde bovengrond (dikte ca. 0,5
- m)een antropogeen ophogingspakket ligt dat stamt uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. De basis van dit pakket ligt tussen 0,95 en 1,8 m -mv, eronder bevinden zich oeverafzettingen van de stroomgordel van Buitenzorg. In het historische ophogingspakket en de top van de oeverafzettingen kunnen archeologische resten aanwezig zijn die samenhangen met de historische kern van IJsselstein, kasteel IJsselstein, de nabijgelegen Touwslagerij ‘De Drie Vrienden’ en de Hofkamp (moestuinen). In de top van de oeverafzettingen zijn daarnaast resten uit het neolithicum tot de vroege middeleeuwen te verwachten.66Nales, 2018. De archeologische begeleiding van de sloop van de in het plangebied aanwezige gebouwen heeft aangetoond dat ter plaatse van de Fatimaschool de bodem over grote delen tot in de oeverafzettingen was verstoord waardoor geen intacte archeologische resten meer te verwachten zijn. Elders in het plangebied kunnen deze nog wel aanwezig zijn, bijvoorbeeld de oude kasteelgracht in het zuiden van het plangebied.67De Hoop & Scheeringa, 2022. Bij een archeologische begeleiding direct te noordwesten van het kasteelterrein zijn de kasteelgracht en enkele paalsporen en puinconcetraties uit de Nieuwe tijd aangetroffen (onderzoekscatalogusnr. 212). De archeologische niveaus bleken hier nog goed bewaard gebleven. Bij de inventarisatie zijn ook enkele onderzoeken in de Nieuwpoort meegenomen. In dit deel van de stad zijn vanaf 2012 een bureauonderzoek (onderzoekscatalogusnr. 154)68Ten Broeke 2016a., twee verkennende booronderzoeken (onderzoekscatalogusnr. 96 en 163),69Hanemaaijer 2013,Ten Broeke 2016b. Een derde in Archis geregistreerd booronderzoek betreft onderzoekscatalogusnr. 207. Waarschijnlijk is dit onderzoek (nog) niet uitgevoerd omdat eerste bevindingen en eindrapport ontbreken. en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoekscatalogusnr. 121).70Van der Mark 2014. Het verkennende onderzoek in het zuiden van Nieuwpoort geeft aan dat de bodem hier in (sub) recente tijden tot 0,7-1,0 m -mv sterk is geroerd. Daaronder bevinden zich oeverafzettingen van de stroomgordel van Wiersch, vanaf 1,6 m -mv komafzettingen met veenlagen en vanaf ca. 3,3 m -mv oeverafzettingen van de Benschop stroomgordel. Het boor- en proefsleuvenonderzoek in het noordoosten laat zien dat de oeverafzettingen van Wiersch hier vanaf 0,7 m – mv voorkomen en worden afgedekt door een ophogingspakket dat waarschijnlijk samenhangt met de nieuwbouw in de jaren ’50 en ’60. De bovenste 0,5 – 1,0 m van de oeverafzettingen waren zwaar verstoord. Bij geen van de onderzoeken in Nieuwstad zijn resten van historische ophogingslagen aangetroffen. Ook andere archeologische indicatoren ontbreken. Uit onderzoek (onderzoekscatalogusnrs. 106 en 114) op het voormalige kloosterterrein in het noordelijk deel van Nieuwpoort zijn de historische ophogingslagen nog redelijk tot goed intact aangetroffen. De bovenzijde van deze archeologische laag ligt rond 0,5 m ‐mv.71Huizer 2013; Bouma 2013. 3.4.4Historisch centrum Tijdens het bureauonderzoek dat als basis diende voor de eerste archeologische verwachtingenkaart van de historische kern van IJsselstein (uit 2004), is vastgesteld dat hier de kans om archeologische resten aan te treffen in principe groot is. Op basis van de bekende archeologische gegevens en de verwachte archeologische waarden is op de verwachtingskaart wel een nuancering aangebracht tussen zones met een lage en een hoge archeologische verwachting. Het grootste gedeelte van het onderzoeksgebied is aangegeven als gebied met een hoge archeologische verwachting. In dit gebied kunnen sporen uit verschillende perioden worden aangetroffen. Hierin kan een tweedeling worden gemaakt: de pre-stedelijke bewoning en de stedelijke bewoning (inclusief het kasteel en het klooster). De pre-stedelijke bewoning (vermoedelijk agrarische nederzettingen) kan op dieper gelegen oevers worden verwacht (kaartbijlage 6). Omdat deze natuurlijke afzettingen relatief diep liggen (vanaf ca 1,8 m -
- mv)is de kans aanwezig dat archeologische resten op dit niveau in grote delen nog goed zijn geconserveerd. Uit de stedelijke bewoningsfase kunnen daar waar in het recente verleden geen bodemverstorende activiteiten hebben plaatsgevonden overal bewoningsresten worden aangetroffen, daterend vanaf het eind van de 13e eeuw (kaartbijlage 9). Bewoningsresten kunnen direct onder het maaiveld tot een diepte van grofweg 1,8 m aanwezig zijn. Het gaat dan om kasteel, kerk- en kloostergebouwen, begravingen rondom de N.H. Nicolaaskerk, woonhuizen, ambachtshuizen, moestuinen en dergelijke. Bij de huizen hebben bijgebouwen, waterputten, beerputten, perceelsgreppels en afvalkuilen gelegen. De gebieden met een lage archeologische verwachting betreffen allereerst gebieden waar recent nieuwbouw is gepleegd. Deze nieuwbouw is gedeeltelijk dieper gefundeerd (na 1950 door middel van heipalen) waardoor het bodemarchief ter plaatse (vrijwel) is verstoord. Ten tweede hebben de delen van de stads- en kasteelgracht die in de 19e eeuw zijn gedempt een lage verwachting omdat hier alleen stadsafval uit de (late) 19e eeuw worden aangetroffen. Als laatste hebben oude opgravingsputten een lage verwachting op de kaart meegekregen omdat op deze plaatsen het bodemarchief tot op de natuurlijke ondergrond al is verdwenen. Tijdens het bureauonderzoek in het kader van de actualisatie 2011 van het archeologiebeleid, is de verwachtingswaarde van de wegen binnen de stadskern waar riolering onder de weg aanwezig is, naar ‘laag’ bijgesteld omdat tussen 2004 en 2011 archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat bij de aanleg van de riolering de meeste archeologische resten verloren zijn gegaan. De onderzoeken van na 2011 bevestigen het beeld dat uit eerdere onderzoeken van de bodemopbouw bestaat. In de hele historische binnenstad (historische kern, kloosterterrein en kasteelterrein) is sprake van een ophogingspakket uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. De dikte ervan varieert, maar kan wel zo’n 1,8 m bedragen. Hieronder bevinden zich in het westen oeverafzettingen van de stroomgordel van Buitenzorg en in het oosten oeverafzettingen van de Wiersch stroomgordel. Tussen en onder beide stroomgordels zijn komafzettingen vastgesteld. In het westen gaan de komafzettingen tussen 3,5 tot 4,5 m – mv over in oeverafzettingen van de stroomgordel van Benschop (zie kaartbijlage 6). Soms bevinden zich tussen het ophogingspakket en de centrale komafzettingen een enkele decimeters dikke laag oeverafzettingen van waarschijnlijk de Hollandse IJssel. De onderzoeken van na 2011 bevestigen ook de hoge archeologische waarde van de historische binnenstad. Bij het merendeel van het hier uitgevoerde gravende onderzoek zijn sporen en vondsten aangetroffen die samenhangen met de bewoning uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Op basis van de resultaten van drie onderzoeken kan de archeologische verwachting van betreffende onderzoeksgebieden van hoog naar laag worden bijgesteld (zie kaartbijlage 8). Het gaat om het gebied van onderzoekscatalogusnr. 121 waar diepe verstoringen tot ver in de natuurlijke afzettingen zijn vastgesteld, de locatie van de voormalige Fatimaschool die door de aanleg ervan eveneens diepe bodemverstoringen kent (onderzoekscatalogusnr. 192), en een deel van het onderzoeksgebied Koningshof dat tot in de natuurlijke afzettingen is onderzocht (onderzoekscatalogusnr. 180). De resultaten van de andere onderzoeken geven geen aanleiding om de verwachtingswaarde ook elders in de historische binnenstad aan te passen. De onderzoeken van na 2011 maken het als laatste niet noodzakelijk om het gebied van Nieuwstad aan het historische centrum toe te voegen. Geen van de onderzoeken heeft voor deze mislukte stadsuitbreiding aanwijzingen voor een historisch ophogingspakket of andere aanwijzingen voor stedelijke bebouwing opgeleverd. 3.5Modern oorlogserfgoed A.V.A.J. Bosman (Military Legacy) 3.5.1Inleiding De laatste decennia is steeds meer aandacht gekomen voor archeologische resten van modern oorlogserfgoed. Hiermee wordt vooral dat erfgoed dat aan oorlog of de voorkoming daarvan of voorbereiding op kan worden gekoppeld. Met name wordt hier met modern de periode tussen 1870 en 1991 bedoeld. Dit is de periode die aanvangt met nieuwe fortenbouw en een verandering in het verdedigend concept van Nederland. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Nieuwe Hollandsche Waterlinie. Tevens is dit de periode van de toenemende industrialisatie, wat zijn effecten heeft op bewapening, munitie en vervolgens wijze van oorlogsvoeren. En tenslotte is het de eerste van een reeks van algemene mobilisaties van het Nederlandse leger. De eerste vanwege de Frans-Duitse oorlog. De periode eindigt in 1991 met het eindigen van de Koude Oorlog na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, de belangrijkste macht binnen het Warschaupact oftewel het Oostblok. Sinds 1949 was er een constante dreiging, vanwege een veronderstelde aanval van dat Oostblok op de vrije Westerse wereld, dat zich had samengebundeld binnen de NAVO. De dreiging heeft geleid tot voorbereidingen op een strijd, die gelukkig niet gekomen is. Anders was dat voor de twee mobilisaties na de eerste. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is de Nederlandse krijgsmacht vier jaar lang gemobiliseerd geweest. Er zijn voorbereidingen geweest tegen een eventuele inval van elk der strijdende partijen. Niet alleen is door de wereldoorlog de internationale handel en voedselvoorziening ernstig in de war gelopen, de langdurige afwezigheid van jonge gemobiliseerde en economisch van vitaal belang zijnde mannen, is ook een ernstige inbreuk geweest op de welvaart. De mobilisatie en voorbereiding in augustus 1939 zou wel leiden tot strijd in mei 1940. Vervolgens is Nederland nadat het bezet werd door de Duitsers oorlogsterrein geweest. Niet dat er constant op het land gevochten werd, dat was wel het geval in de lucht boven ons en in de territoriale wateren. In de periode ná mei 1940 tot aan vijf jaar later zouden met name de Duitsers, al dan niet bijgestaan door Nederlandse ondernemers en werklui zich voorbereiden om de macht in handen te houden. Alle bovengenoemde perioden hebben geleid tot bijvoorbeeld bouwwerken, stellingen, inundatievoorbereidingen, opslagplaatsen, kazernes en oefenterreinen. De strijd heeft daarnaast ook zijn sporen achter gelaten. Al heel lang is er aandacht voor gebouwde monumenten. Maar dat daaraan of soms zelfs geheel los daarvan ook sporen in de bodem al dan niet voorzien van vondsten, gekoppeld kunnen worden, is pas recent erkend. Op basis van enkele wetenschappelijke studies is het belang van behoud en beheer van dergelijke sporen en vondsten, om ze te kunnen veiligstellen voor (toekomstig) onderzoek, expliciet gemaakt.72Bosman e.a. 2014; Bosman & Willemsen 2019. Het bureauonderzoek waarin het modern oologserfgoed in de gemeente IJsselstein is geïnventariseerd, is als bijlage 6 achter in het rapport opgenomen. 3.5.2Kaartlaag Relicten modern oorlogserfgoed Op basis van de in bijlage 6 beschreven historische feiten en locaties is de kaartlaag “Relicten modern oorlogserfgoed” voor het gemeentelijk archeologisch beleid van IJsselstein opgesteld (kaartbijlage 10). Er is geen laag voor de periode 1870-1914, noch voor die van 1914-1918 of de Koude Oorlog. Alle aangegeven locaties hebben betrekking op de periode 1939-1945. Voor de verschillende elementen geldt de volgende verwachting op de aanwezigheid van archeologische sporen en vondsten. Element Te verwachten resten Opmerkingen 1 Aarden wal Niet of nauwelijks Op AHN niet te zien 2 Inundatiegebied 1944-1945 Niet of nauwelijks 3 Anti- tankgracht Gracht met vondsten 4 Luchtafweerstelling 8,8 cm Ingegraven stellingen met vondsten 5 Crashlocatie Vliegtuigresten 7-8 Zones met bominslagen mogelijke versterkingen bij bruggen Bomkraters met resten en ingegraven stellingen met vondsten Buiten gemeentegrens 3.6Uitbreidingswijken Tot het midden van de 20ste eeuw is het laatmiddeleeuwse aanzicht van IJsselstein vrijwel onveranderd gebleven met de rechthoekige vorm van de omgrachte stad en het hoofdzakelijk agrarische buitengebied. Na de Tweede wereloorlog is de directe omgeving van de historische stad drastisch getransformeert naar een grootschalig stedeijk gebied. IJsselstein werd een van de belangrijkste groeikernen van de provincie Utrecht met een bebouwd oppervlak dat tientallen malen groter is dan het vooroorloogse IJsselstein. De eerste nieuwe woonwijken werden in de periode van de wederopbouw in de jaren ’50 en ‘60 (bijvoorbeeld de wijken De Nieuwpoort en het Kasteelkwartier), in de deccenia erna gevolgd door nog een flink aantal nieuwe wijken (o.m. Oranje- en Europakwartier, IJsselveld, Groenvliet, Achterveld, Zenderpark) en industrieterreinen (De Corridor, Over-Oudland en Lagedijk).73https://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/ijsselstein/ijsselstein/naoorlogse-woningbouw/ De aanleg van de woonwijken ging gepaard met grootschalige bodemingrepen en ophogingen. De mate waarin deze geleid hebben tot diepe bodemverstoringen is afhankelijk van de toegepaste bouwwijze. Gebieden met zware verstoringen zijn te verwachten ter plaatse van rioleringen en diep gefundeerde en onderheide bebouwing. Daar staat tegenover dat ongestoord bodemarchief kan voorkomen ter plaatse van groenstroken, ondiep gefundeerde bebouwing, wegen en parkeerplaatsen. Kenmerkend aan het bodemarchief in deze wijken is dat zwaar verstoorde en vrijwel onverstoorde bodem op korte afstand van elkaar kunnen liggen. Figuur 3-10. Overzicht van de naoorlogse uitbreidingswijken rondom de historische kern van IJsselstein. 4De Archeologische verwachtingskaart 4.1Algemeen Archeologische waarden en archeologische verwachting Archeologische vindplaatsen (of algemener gesteld: 'archeologische waarden') bestaan uit resten en grondsporen die zich in de bodem bevinden. Vaak zijn de archeologische waarden onzichtbaar.74Een beperkte groep vindplaatsen zoals grafheuvels, hunebedden, terpen e.d. uitgezonderd. Door deze onzichtbaarheid zijn archeologische waarden ook kwetsbaar en kunnen bodemingrepen onmerkbaar leiden tot vernietiging van archeologische waarden. Wat archeologische waarden extra kwetsbaar maakt, is dat het archeologisch bodemarchief na aantasting niet meer hersteld kan worden: wat weg is, is voorgoed weg. Behalve dat het bodemarchief een bron van informatie en kennisvergaring voor de wetenschap vormt, dragen het archeologisch bodemarchief en cultuurhistorische waarden ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Om deze redenen is een goede bescherming van het archeologisch bodemarchief via gemeentelijk archeologiebeleid noodzakelijk. Met het begrip archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische resten bedoeld. Een archeologische verwachtingskaart geeft per kaarteenheid een indicatie van de verwachte kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen (met name nederzettingsterreinen). De verwachtingskaart vormt de grafische weergave van een verwachtingsmodel. Aan de kaarteenheden is voor elke periode een archeologische verwachting toegekend, dit betreft een ordinaal onderscheid variërend van hoog, middelhoog of laag. Het betreft bovendien een kwalitatieve indeling die niet onderbouwd is met de spreiding en dichtheid van bekende vindplaatsen (deductief model). De onderscheiden verwachtingen kunnen als volgt worden vertaald: Een hoge verwachting betekent de hoogste kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen ; Een middelhoge verwachting impliceert dat in deze zones archeologische vindplaatsen worden verwacht, maar met een lagere kans dan in de zones met een hoge verwachting; Een lage archeologische verwachting impliceert dat de kans op aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (zeer) klein wordt geacht. De kans hierop wordt evenwel niet uitgesloten; Het verwachtingsmodel Het verwachtingsmodel is gebaseerd op het principe dat archeologische vindplaatsen niet willekeurig verspreid liggen in het vroegere landschap, maar dat deze gerelateerd zijn aan bepaalde landschappelijke kenmerken of eigenschappen.75Van Leusen & Kamermans 2005. Het vaststellen van de archeologische verwachting voor een gebied kan gebaseerd zijn op een statistische analyse van de ligging van de bekende vindplaatsen (een zogenaamde inductieve benadering), maar er zijn ook verwachtingsmodellen die sterk leunen op een hypothetische benadering (een zogenaamde deductieve benadering). Om een goed onderbouwd, statistisch verwachtingsmodel te krijgen is een grote en representatieve dataset nodig; dit is bij gemeentelijke verwachtingskaarten vrijwel nooit het geval. De deductieve benadering leunt op meer algemene kennis over vroegere samenlevingen. Hoe werd het landschap gebruikt? In welke delen van het landschap lagen de nederzettingen, welke delen werden gebruikt voor andere activiteiten? Door algemene kennis over de ligging en verspreiding van archeologische vindplaatsen te combineren met landschappelijke gegevens (welk type vindplaats ligt in welk type landschap) kunnen aan de gekarteerde landschappelijke eenheden (bijv. een oeverzones, komgebieden, veengebieden e.d.) archeologische verwachtingen worden toegekend. Voor een archeologische verwachtingskaart worden voornamelijk locatiekeuzefactoren gebruikt die betrekking hebben op de bestaanseconomie. Om deze reden heeft de verwachtingskaart alleen betrekking op vindplaats typen als nederzettingen en - in mindere mate - akkerarealen. Hoewel andere aspecten (politieke, strategische, religieuze en/of sociale overwegingen) ook een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben bij de locatiekeuze, is het (m.n. voor de prehistorie) lastig om deze aspecten te incorporeren in een verwachtingsmodel. Door de veranderingen die het landschap in de loop van de voorbije millennia heeft ondergaan, kan de archeologische verwachting van een landschappelijke eenheid door de tijd heen veranderen: wat een prima nederzettingslocatie was in de ijzertijd, vormde gedurende de vroege middeleeuwen niet noodzakelijkerwijs nog steeds een goede woonplek. Beperkingen De basis voor de archeologische verwachtingskaart wordt gevormd door de landschappelijke eenhedenkaart (kaartbijlagen 2 en 6). Aan de verschillende landschappelijke eenheden is voor de perioden laat paleolithicum/mesolithicum, neolithicum/bronstijd, ijzertijd/Romeinse tijd en vroege middeleeuwen een archeologische verwachting toegekend. De vindplaatsen uit de (late middeleeuwen
- en)Nieuwe tijd worden niet 'gedekt 'door de landschappelijke eenhedenkaart. Achterliggende reden hiervoor is dat men vanaf de late middeleeuwen in steeds sterkere mate ingreep in het natuurlijk landschap. De bewoonbaarheid of gebruiksmogelijkheden liet men steeds minder bepalen door de natuurlijke (terrein)gesteldheid. Zo werden in de loop van de late middeleeuwen de voorheen onbewoonbare veengebieden in cultuur gebracht. Waar de vroegste veenontginningen gedicteerd werden door het natuurlijke landschap – veenkoepels en veenriviertjes bepaalden de ligging van de ontginningslinten - zetten de latere ontginners het landschap in de loop van de eeuwen juist naar hun hand. De bewoningsmogelijkheden werden vanaf toen niet meer bepaald door mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood, maar werden gecreëerd door een rationele verkaveling en ontwatering van het gebied. Kades en dijken zorgden ervoor dat lager gelegen gebiedsdelen, die gedurende natte perioden voorheen onder water kwamen, grotendeels gevrijwaard bleven van overstromingen. Met de opkomst van bemaling door windmolens konden vanaf de 17e eeuw niet alleen kleine plassen, maar ook grote binnenmeren worden drooggemaakt, ingepolderd en ingericht. De archeologische verwachting voor de late middeleeuwen en Nieuwe tijd is daarom niet zozeer gebaseerd op landschappelijke ondergrond, maar vooral op een combinatie van archeologische en historisch-geografische gegevens (kaartbijlagen 4 en 9). Attentiegebieden Naast de drie verwachtingsklassen, staat er op de archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 2) nog een vierde categorie: attentiegebieden. Een attentiegebied is een relatief gaaf deel van een zone met een zeer hoge verwachting en een hoge dichtheid aan samenhangende vindplaatsen. Feitelijk gaat het om archeolandschappen die door hun rijk en gaaf bodemarchief zich kenmerken door een hoog archeologisch onderzoekspotentieel. Het doel van een attentiegebied is om bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek te garanderen. Er worden immers archeologische resten van een zeer hoge fysieke en inhoudelijke kwaliteit verwacht. 4.2Archeologische verwachtingen 4.2.1Laat-pleistocene landschap Het pleistocene oppervlak in de ondergrond bestaat in het noordelijk deel van de gemeente IJsselstein uit dekzanden die als een dunne laag uitwiggen op de onderliggende pleistocene rivierafzettingen. De bovenzijde van de pleistocene afzettingen bevindt zich tussen 4 en 8 m -NAP, de afzettingen liggen het hoogst in het noordelijk deel van de gemeente en hellen geleidelijk af in zuid(westelijk)e richting. Op basis van de hoogteligging van het pleistocene oppervlak en de grondwatercurves voor West-/Midden-Nederland kan een globale indruk worden verkregen van het 'tijdstip' (periode) waarop het laat-pleistocene landschap als gevolg van de zeespiegelstijging vernatte en overgroeide raakte met veen.76Berendsen et al. 20007, Van de Plassche et al. 2005, Van de Plassche et al. 2010. Logischerwijs begon de verdrinking in de laagste delen en schoof deze in de loop van de tijd op naar de hoger gelegen delen van het (dek)zandlandschap. Aangenomen kan worden dat de verdronken gebiedsdelen ongeschikt (want te nat) waren voor bewoning. Uitgaande van de hoogteligging van de pleistocene ondergrond (4 tot 8 m -NAP), is het pleistocene landschap globaal tussen 7000 en 5000 jaar geleden verdronken en overgroeid geraakt met veen. Dit betekent dat de laagste delen van het (dekzand)landschap aan het einde van het mesolithicum ongeschikt raakten voor bewoning. De hoogste delen waren mogelijk nog bewoonbaar tot in de loop van het neolithicum. De archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars wordt bepaald door de morfologie (en intactheid) van het laat pleistocene (dek)zandlandschap. Met name ecologische gradiëntzones (overgangen van nat naar droog, zoals bijvoorbeeld dekzandruggen grenzend aan depressies of langs de randen van beekdalen) hebben een hoge correlatie met de ligging van vindplaatsen van jager-verzamelaars. In dergelijke zones kunnen in principe zowel nederzettingsterreinen met een dichte strooiing van vuursteenmateriaal, als kleine jachtkampementjes met een ijle vondststrooiing aanwezig zijn. Bij dergelijke vindplaatsen wordt voornamelijk strooiing van houtskool, (bewerkt) vuursteen en (ander) natuursteen verwacht. De resten bevinden zich in de top van het (ongestoorde) natuurlijke dekzand. De beschikbare geologische gegevens (boringen) zijn te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van (de intactheid, opbouw en het reliëf van) de pleistocene ondergrond te krijgen (vgl. paragraaf 3.2.2). Desondanks is het zeker dat (delen van) het afgedekte dekzandlandschap bewoond zijn geweest door jager-verzamelaars. Verschillende geologische boringen laten zien dat het dekzand ter hoogte van de komgebieden (en de “zwevende” oevers en crevassen; zie paragraaf 3.2.2) is afgedekt door een dunne laag basisveen, wat impliceert dat het onderliggende pleistocene landschap hier vermoedelijk nog grotendeels intact is (paragraaf 3.2.2; Figuur 3-3). Voor deze gebieden geldt (afhankelijk van de specifieke ligging binnen het paleoreliëf van het dekzandlandschap) een lage tot hoge archeologische verwachting. Omdat het verloop van het reliëf slechts globaal bekend is, gaan we voor deze zones in kaartbijlage 2 uit van een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars. Ter hoogte van de holocene stroomgordels (Figuur 4-1) is het laat-pleistocene landschap, ten gevolge van erosie, zeer waarschijnlijk niet meer intact (Figuur 3-3). Voor deze zones wort uitgegaan van een lage archeologische verwachting. Figuur 4-1 Globale verwachtingskaart jager-verzamelaars: gemodelleerde hoogteligging en intactheid van het Laat-pleistocene landschap. Los van (het probleem ten aanzien van) de specifieke archeologische verwachting, geldt in algemene zin dat de (met een meters dik pakket veen en klei) afgedekte vindplaatsen van jager-verzamelaars relatief lastig zijn op te sporen. Behalve de relatief grote diepteligging zijn ook de vindplaatskenmerken – het ontbreken van een cultuur-/vondstlaag, de geringe omvang en de veelal lage vondstdichtheid – hier debet aan. Tegenover deze beperkingen staat dat het dieper gelegen niveau zelden door (omvangrijke) bodemingrepen wordt bedreigd (funderingspalen uitgezonderd). De kans dat eventueel aanwezige archeologische resten van jager-verzamelaars worden aangetast is dan ook beperkter dan bij vindplaatsen uit recentere perioden die zich ondiep onder het maaiveld bevinden. Om deze reden is onderscheid gemaakt tussen relatief ondiep (binnen circa 5 m -
- mv)en diep gelegen dekzandlandschap (Figuur 4-1 en kaartbijlage 2). Dit onderscheid impliceert geen principieel verschil in archeologische verwachting. Wel is het een (grove) indicatie voor de kans dat het onderliggende pleistocene landschap wordt aangetast bij bodemingrepen (uiteraard hangt dit vooral af van de specifieke ingreep) en is deze (diepte)maat ingegeven door praktische onderzoeksmogelijkheden/-beperkingen. 4.2.2Rivierenlandschap Het rivierenlandschap in de gemeente IJsselstein omvat de meandergordels, crevassen en komgebieden van de rivieren die gedurende het Holoceen op het grondgebied van de gemeente IJsselstein stroomden. Feitelijk gaat het om een stapeling van verschillende landschappen die door de tijd heen (kleine) veranderingen hebben ondergaan. In het onbedijkte rivierenlandschap vormden de hoger gelegen meandergordels preferente bewoningslocaties. De top van het boven de beddingafzettingen gelegen oeverpakket vormde, samen met aangrenzende oeverzones en crevassen, veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau. Bij de op dit niveau te verwachten vindplaatsen kan het gaan om resten van relatief grote nederzettingsterreinen. De (omvangrijkere) vindplaatsen kenmerken zich doorgaans door een archeologische (cultuur)laag met een lage tot hoge vondstdichtheid (houtskool, bot, aardewerk, natuursteen en – afhankelijk van de bewoningsperiode – ook baksteen, metaal of glas).77Nederzettingen uit de Romeinse tijd en middeleeuwen kenmerken zich doorgaans vaker door een duidelijk herkenbare archeologische (cultuur)laag, dan terreinen uit de bronstijd of ijzertijd. De archeologische niveaus kunnen al dicht onder het maaiveld aanwezig zijn, maar kunnen zich ook op een diepte van enkele meters bevinden. Verder kunnen vindplaatsen/ bewoningsniveaus aanwezig zijn die zich niet manifesteren door een herkenbare archeologische laag. Tot slot kunnen ook sporen van landgebruik, begravingen en losse sporen aanwezig zijn. Zowel dergelijke losse sporen, als vindplaatsen zonder archeologische laag, zijn met een (prospectief) booronderzoek vrijwel niet of nauwelijks op te sporen. Het grondgebied van de gemeente IJsselstein wordt doorsneden door een complex van stroomgordels die opeenvolgend gedurende een periode van 7500 jaar actief waren. In die zin is ook met recht sprake van gestapelde landschappen (zie paragraaf 3.1.2). Op basis van de (vermeende) diepteligging van de bovenzijde van de (oever-
- en)beddingafzettingen en de ouderdom (einddatering) van de stroomgordels zijn de stroomgordels onderverdeeld in vier archeo-landschappen. De indeling is bovendien zo gekozen dat deze grotendeels samenvalt met het onderscheid in archeologische 'samenlevingen' (jager-verzamelaars, vroege landbouwers, late landbouwers en staatssamenlevingen): Het oudste rivierenlandschap; Het oude rivierenlandschap; Het jonge rivierenlandschap; De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden)het . Binnen elk archeo-landschap is onderscheid gemaakt tussen de (op dat moment) actieve stroomgordels, de verlande stroomgordels en de kommen. Voor de ondiepere stroomgordels (het oude, het jonge en het “actieve” rivierenlandschap) zijn tevens (delen van) restgeulen onderscheiden. Oudste rivierenlandschap (laat mesolithicum - vroeg neolithicum) Gedurende het laat mesolithicum en/of een deel van het vroeg neolithicum kwamen op het grondgebied van IJsselstein de eerste stroomgordels op gang. Deze maakten deel uit van het Benschopse stroomstelsel, met de volgende deelstroomgordels: Tienhoven, Kortenhoeven, Wiersch, Willeskop, Benschop, Autena en Kapel. Deze 'vroeg-neolithische' stroomgordels bepaalden de bewoningsmogelijkheden voor de bewoners die rond de overgang van de jager-verzamelaars naar de vroegste landbouwers leefden in dit deel van het rivierengebied. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijk dat (met name) de jongere stroomgordels uit deze groep ook gedurende de bronstijd nog aantrekkelijk waren voor bewoning. Na verlanding werden de stroomgordels overslibd met komklei van jongere rivierlopen en werden ze onderdeel van het komkleilandschap uit een volgende periode. Vermoedelijk vanaf de ijzertijd – maar mogelijk ook al gedurende een deel van de bronstijd – waren de vroeg-neolithische stroomgordels niet meer aantrekkelijk voor bewoning. De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden vanaf circa 2,0 m -NAP en dieper (ca. 2,5 m -mv en dieper). Ten aanzien van die delen van het oudste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt: Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum; Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de bronstijd; Een lage archeologische voor vindplaatsen uit latere perioden (ijzertijd-vroege middeleeuwen). Figuur 4-2 Ouderdom en actieve fasen van de verschillende meandergordels in de gemeente IJsselstein. Oude rivierenlandschap (midden/laat neolithicum en bronstijd) Gedurende het midden/laat neolithicum en de bronstijd waren op het grondgebied van IJsselstein de Graafse en aansluitende Linschotense stroomstelsels actief. Deze stroomgordelcomplexen kennen de volgende deelstroomgordels: Buitenzorg, Lopik, Vuylkop, Neder-Oudland, Lage Dijk, Vechgel, Stuivenberg, Lampsin Over-Oudland, IJsselveld-Schuurenburg, Blok en Jutphaas. De zandige meandergordels van de rivieren vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijke vormden de zandbanen na verlanding ook nog aantrekkelijke locaties voor bewoning in de ijzertijd en de Romeinse tijd. Ook aangrenzende hoger gelegen oeverzones waren geschikt als woonlocatie en andere activiteiten. Het Linschotense systeem wordt behalve door een wirwar van stroomgordels gekenmerkt door veel smaller crevassen. De meest zijn op de gedetailleerde kaarten van Berendsen