Landsverordening publieke gezondheidIN NAAM VAN DE KONING! De Gouverneur van Sint Maarten, In overweging genomen hebbende: dat het noodzakelijk is in het belang van de volksgezondheid alsmede ter implementatie van de herziene Internationale Gezondheidsregeling regels te stellen inzake de zorg voor de publieke gezondheid en bestaande regels op dit terrein te vervangen; Heeft, de Raad van Advies gehoord, met gemeen overleg der Staten, vastgesteld de onderstaande landsverordening: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1 In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: afdeling: afdeling Volksgezondheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid als bedoeld in artikel 6, onderdeel e, onder i, van de Landsverordening inrichting en organisatie landsoverheid; besmetting: aanwezigheid van een vector, infectueus of giftig agens of infectueuze of giftige stof op of in een gebouw, goed of vervoermiddel, waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan; Dienst: Dienst Collectieve Preventie als bedoeld in artikel 9, onderdeel e, onder v, van de Landsverordening inrichting en organisatie landsoverheid; epidemie van een infectieziekte: in korte tijd sterke toename van het aantal nieuwe patiënten lijdend aan een infectieziekte behorend tot groep A, B1, B2 of C, die groter is dan op grond van het normale verloop mag worden verwacht; gebouw: elk bouwwerk dat een overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten, ruimte vormt, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van het belijden van godsdienst of levensovertuiging; geneeskundige hulpverlening bij rampen: geneeskundige hulpverlening als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Landsverordening rampenbestrijding; Gerecht: Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten; goed: tastbaar product, met inbegrip van waren als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Warenlandsverordening, van planten en dieren en met uitzondering van vervoermiddelen en lijken; groep A: coronavirus disease 2019 (COVID-19), Middle East respiratory syndrome coronavirus (MERSCoV), pokken, polio, severe acute respiratory syndrome (SARS), virale hemorragische koorts; groep B1: een humane infectie veroorzaakt door een dierlijk influenzavirus, difterie, pest, rabies, tuberculose; groep B2: buiktyfus (typhoid fever), cholera, hepatitis A, B en C, kinkhoest, mazelen, paratyfus, rubella, shigellose, shiga toxine producerende escherichia (STEC)/enterohemorragische escherichia coli-infectie, invasieve groep A streptokokkeninfectie, voedselinfectie, voor zover vastgesteld bij twee of meer patiënten met een onderlinge relatie wijzend op voedsel als een bron; groep C: de krachtens artikel 9 aangewezen infectieziekten; haven: haven, inclusief de ankergebieden, ligplaatsen, kaden, steigers en, voor wat betreft zeehavens, aanvaarroutes vanuit zee, alsmede alle zich in de nabijheid daarvan bevindende bedrijven, opslagplaatsen en overige terreinen en gebouwen, die op grond van hun ligging, bestemming of gebruik moeten worden geacht daartoe te behoren; identificatienummer: nummer van een geldig identiteitsdocument als bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening identificatieplicht; infectie: binnendringen en ontwikkeling of vermenigvuldiging van een infectueus agens in het lichaam van mensen, waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan; Inspectie: Inspectie voor de Volksgezondheid als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening Inspectie voor de Volksgezondheid; Internationale Gezondheidsregeling: Internationale Gezondheidsregeling met bijlagen (Trb. 2007, 34); laboratorium: laboratorium waar van het menselijk lichaam afgescheiden of afgenomen stoffen worden onderzocht ten behoeve van de diagnostiek van infectieziekten; lijk: lichaam van een overledene of doodgeborene; luchtvaartterrein: terrein als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Luchtvaartlandsverordening; medisch toezicht: medisch toezicht op een in quarantaine geplaatste persoon om te bezien of deze met een infectieziekte behorend tot groep A is geïnfecteerd en dientengevolge ziekteverschijnselen ontwikkelt; minister: Minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid; publieke gezondheidszorg: gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit, waaronder begrepen het voorkomen en het vroegtijdig opsporen van ziekten; quarantaine: maatregel als bedoeld in artikel 24, eerste lid; ramp: gebeurtenis als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Landsverordening rampenbestrijding; vector: insect of ander dier dat normaliter een infectueus agens met zich meevoert waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan, dan wel een plant of substantie waarin een infectueus agens normaliter leeft waardoor een volksgezondheidsrisico kan ontstaan; vervoermiddel: luchtvaartuig, schip, of wegvoertuig; vervoersexploitant: natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt waarbij gebruik wordt gemaakt van een haven of luchtvaartterrein, of diens vertegenwoordiger; zorginstelling: zorginstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Landsverordening zorginstellingen. Hoofdstuk2Taken inzake de publieke gezondheidszorg §1.Algemeen Artikel2 De minister draagt zorg voor de bevordering van de kwaliteit en doelmatigheid van de publieke gezondheidszorg en de bevordering van de interdepartementale en internationale samenwerking op dit terrein. Artikel3 1.De minister draagt zorg voor de bevordering van de totstandkoming en continuïteit van, en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg, alsook voor de bevordering van de afstemming met zowel de curatieve als de niet curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. 2.De zorgplichten, bedoeld in het eerste lid, omvatten in ieder geval: het verwerven van onder meer op epidemiologische analyse gebaseerd inzicht in de gezondheidssituatie van de bevolking, waaronder begrepen de gezondheidstoestand van degenen die door een ramp worden getroffen; het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen; het bijdragen aan opzet, uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip van programma’s voor de gezondheidsbevordering, alsmede het opzetten en in stand houden van een structuur voor de samenwerking tussen instellingen die taken vervullen op het gebied van de gezondheidsbevordering; het bevorderen van preventief medisch milieukundige zorg, waaronder begrepen het signaleren en adviseren van de bevolking over gezondheidsrisico’s, inclusief gezondheidskundig advies over gevaarlijke stoffen, in het bijzonder bij rampen of dreiging van rampen, alsook het verrichten van onderzoek naar deze gezondheidsrisico’s; en, het bevorderen van technische hygiënezorg, waaronder begrepen: het bijhouden van een lijst met instellingen waar, gezien de aard van de doelgroep en de omstandigheden waaronder de activiteiten worden verricht, een verhoogd risico bestaat op de verspreiding van pathogene micro-organismen; en, het adviseren van de onder 1˚ bedoelde instellingen over de mogelijkheden op het gebied van bouw, inrichting en organisatie van de activiteiten om de risico’s op verspreiding van pathogene micro-organismen te verkleinen. 3.Personen en instellingen op het terrein van de gezondheidszorg verstrekken desgevraagd aan de minister niet tot een persoon herleidbare gegevens die inzicht geven in de gezondheidssituatie van de bevolking. 4.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verstrekking, bedoeld in het derde lid, en kunnen regels worden gesteld over de vergoeding van de kosten die de personen en instellingen maken in verband met deze gegevensverstrekking. 5.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld over de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid. §
- Kwetsbare groepen Artikel4 1.De minister draagt zorg voor de bevordering van zorg voor kwetsbare groepen in de samenleving. 2.Als kwetsbare groepen worden in ieder geval aangemerkt: zuigelingen en peuters in de leeftijd van nul tot en met vier jaar; jeugdigen in de leeftijd van vijf tot en met zeventien jaar; adolescenten in de leeftijd van achttien tot en met vierentwintig jaar; personen met de leeftijd van zestig jaar of ouder; personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking; en, personen levend in armoede. 3.De zorgplicht, bedoeld in het eerste lid, omvat in ieder geval: het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van de kwetsbare groepen, genoemd in het tweede lid, en van gezondheidsbevorderende en gezondheidsbedreigende factoren; de realisatie van individuele en collectieve sociaal-medische zorgprogramma’s voor zuigelingen, jeugdigen en adolescenten; het ramen van de behoeften aan zorg; de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen; het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding, waaronder opvoedingsondersteuning; het formuleren van uitvoeringsmaatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen; het bij ministeriële regeling vaststellen van een vrijwillig vaccinatieprogramma en het op grond daarvan vaccineren; het bij vaccinatie als bedoeld in onderdeel g centraal en digitaal vastleggen van patiëntgegevens als bedoeld in artikel 454 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; en, de uitvoering van een neonatale hielprik, inhoudende het onderzoek bij pasgeborenen naar bij ministeriële regeling vast te leggen ernstige zeldzame ziekten. 4.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld over de werkzaamheden, bedoeld in het derde lid. §3.Infectieziektebestrijding Artikel5 1.De minister draagt zorg voor de uitvoering van de infectieziektebestrijding, waaronder in ieder geval behoort: het nemen van algemene preventieve maatregelen op dit gebied, waaronder begrepen: het doorlopend verzamelen, analyseren en toepassen van epidemiologische gegevens over infectieziekten; en, het op grond van de gegevens, bedoeld onder 1˚, inventariseren van relevante trends en risico’s onder de bevolking of specifieke groepen, alsmede het anticiperen daarop; de algemene voorbereiding op maatregelen ter bestrijding van een epidemie van een infectieziekte, waaronder in ieder geval begrepen de voorbereiding op een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A en een epidemie van een nieuw subtype humaan influenzavirus, waarbij ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat; het bestrijden van tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen, inclusief bron- en contactopsporing; bron- en contactopsporing bij meldingen als bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14; het geven van voorlichting over infectieziektes, alsmede het beantwoorden van vragen vanuit de bevolking; en, het bevorderen van de samenwerking van personen en organisaties die een rol spelen bij de bestrijding van infectieziekten. 2.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld over de zorgplicht, bedoeld in het eerste lid. Artikel6 1.De minister besluit overeenkomstig het belang van de volksgezondheid hoe de verdeling van vaccins en therapeutische farmaceutische producten plaatsvindt, indien deze middelen beperkt beschikbaar zijn en het noodzakelijk is prioriteiten te stellen voor de verdeling van deze middelen ten behoeve van de bestrijding van een infectieziekte behorend tot groep A. 2.Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, wint de minister advies in van de Dienst. 3.De minister stelt de Staten onverwijld op de hoogte van een besluit als bedoeld in het eerste lid. Artikel7 De minister draagt zorg voor de regionale en internationale afstemming en communicatie op het gebied van infectieziekten ten behoeve van de uitvoering van de Internationale Gezondheidsregeling. §4.Bestrijding van niet overdraagbare ziekten Artikel8 1.De minister draagt zorg voor de bestrijding en preventie van niet overdraagbare ziekten. 2.Tot de in het eerste lid bedoelde zorgplicht behoort in ieder geval: het nemen van algemene preventieve maatregelen op dit gebied, waaronder begrepen: het doorlopend verzamelen, analyseren en toepassen van epidemiologische gegevens over deze ziekten; het op grond van de gegevens, bedoeld onder 1˚, inventariseren van relevante trends en risico’s onder de bevolking of specifieke groepen, alsmede het anticiperen daarop; het geven van voorlichting over niet overdraagbare ziekten, alsmede het beantwoorden van vragen vanuit de bevolking; en, het bevorderen van de samenwerking van personen en organisaties, die een rol spelen bij de bestrijding van niet overdraagbare ziekten. 3.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ter bestrijding en preventie van niet overdraagbare ziekten. Hoofdstuk3Bijzondere bepalingen inzake infectieziektebestrijding §1.Algemeen Artikel9 Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden de infectieziekten behorende tot groep C aangewezen. Artikel10 1.Indien het belang van de volksgezondheid dat vordert, kan bij ministeriële regeling een infectieziekte, niet behorend tot groep A, B1, B2 of C, dan wel een ziektebeeld met een volgens de stand van de wetenschap onbekende oorzaak, waarbij een gegrond vermoeden bestaat van besmettelijkheid en ernstig gevaar voor de volksgezondheid, worden aangemerkt als behorend tot groep A, B1 of B
- 2.Indien het belang van de volksgezondheid dat vordert, kan bij ministeriële regeling een infectieziekte behorend tot groep B1 worden aangemerkt als behorend tot groep A, een infectieziekte behorend tot groep B2 worden aangemerkt als behorend tot groep A of B1, of een infectieziekte behorend tot groep C worden aangemerkt als behorend tot groep A, B1 of B
- 3.In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt bepaald welke artikelen van deze landsverordening, die gelden voor de infectieziekten behorende tot de desbetreffende groep, in dat geval van toepassing zijn. 4.Na het tot stand komen van een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde ministeriële regeling wordt binnen een jaar een ontwerp-landsverordening tot incorporatie van die ministeriële regeling aan de Staten gezonden. Indien het ontwerp niet binnen de in de eerste volzin genoemde termijn wordt ingediend, wordt ingetrokken of door de Staten niet wordt goedgekeurd, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. 5.Indien naar het oordeel van de minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan de minister bepalen dat een op grond van het eerste of tweede lid vastgestelde regeling onmiddellijk na bekendmaking in werking treedt. In dat geval kan de minister deze regeling, in aanvulling op en voorafgaand aan de voorgeschreven wijze van bekendmaking, op andere dan de in artikel 3, aanhef, onderdeel g en slot, van de Landsverordening bekendmaking en inwerkingtreding voorgeschreven wijze bekend maken. §2.Meldingen Artikel11 1.Een geneeskundige die bij een door hem onderzocht persoon een ziektebeeld vaststelt met een volgens de stand van de wetenschap onbekende oorzaak, waarbij een gegrond vermoeden bestaat van besmettelijkheid en ernstig gevaar voor de volksgezondheid, meldt dit onverwijld aan de Dienst. 2.Een geneeskundige die vaststelt dat een lijk is besmet met een infectueus of giftig agens of een infectueuze of giftige stof waardoor een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan ontstaan, meldt dit onverwijld aan de Dienst. 3.Een geneeskundige die een voor zijn praktijk ongewoon aantal gevallen vaststelt van een infectieziekte, niet behorend tot groep A, B1, B2 of C, die een gevaar vormt voor de volksgezondheid, meldt dit binnen 24 uur aan de Dienst. Artikel12 1.Een geneeskundige die bij een door hem onderzocht persoon een infectieziekte behorend tot groep A vermoedt of vaststelt, meldt dit onverwijld aan de Dienst. 2.Een geneeskundige die bij een door hem onderzocht persoon een infectieziekte behorend tot groep B1, B2 of C vaststelt, dan wel een vermoeden heeft dat deze persoon lijdt aan difterie, rabies, virale hemorragische koorts of humane infectie veroorzaakt door een dierlijk influenzavirus, meldt dit binnen 24 uur aan de Dienst. 3.Een geneeskundige die gegronde redenen heeft om bij een persoon een infectieziekte behorend tot groep B1 of B2 te vermoeden, meldt dit binnen 24 uur aan de Dienst indien die persoon weigert het onderzoek te ondergaan dat noodzakelijk is ter vaststelling van die ziekte en daardoor ernstig gevaar voor de volksgezondheid door de verspreiding van die infectieziekte kan ontstaan. 4.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan vrijstelling worden verleend van de meldingsplicht, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, met ingang van een daarbij te bepalen tijdstip en met inachtneming van daarbij te stellen voorwaarden. Artikel13 1.De melding, bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, en 12, bevat de volgende gegevens: de naam, het adres, het geslacht, de geboortedatum, het identificatienummer en de verblijfplaats van de betrokken persoon; de infectieziekte, dan wel een beschrijving van het ziektebeeld, de eerste ziektedag, de vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, de vermoedelijke infectiebron, de datum van vermoeden of vaststelling van infectie, de wijze van vaststelling van die infectieziekte; en, indien nodig, of de betrokken persoon, dan wel een persoon in zijn directe omgeving beroeps- of bedrijfsmatig betrokken is bij de behandeling van eet- of drinkwaren of bij de behandeling, verpleging of verzorging van andere personen. 2.De melding, bedoeld in artikel 11, tweede lid, bevat de volgende gegevens: de aard van het infectueus of giftig agens, of de infectueuze of giftige stof en de plaats waar het lijk zich bevindt. 3.De melding, bedoeld in artikel 11, derde lid, bevat de volgende gegevens: de infectieziekte, het geslacht, de geboortedatum en de nationaliteit van de betrokken personen. 4.Een geneeskundige verstrekt aan de Dienst uitsluitend andere medische gegevens over de betrokken persoon indien: de minister hierom verzoekt krachtens artikel 19; of, de betrokken persoon daarvoor schriftelijk toestemming geeft. 5.De gegevensverwerking bij de meldingen, bedoeld in de artikelen 11 en 12, wordt beveiligd opdat alleen degenen die bij of krachtens landsverordening gerechtigd zijn tot inzage, hiervan kennis kunnen nemen. 6.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de meldingen, bedoeld in de artikelen 11 en 12, plaatsvinden. Artikel14 1.Een geneeskundige die een onderzoek bij een laboratorium aanvraagt, stuurt de volgende gegevens mee: de naam, de geboortedatum en het identificatienummer van de betrokken persoon. 2.Onverminderd artikel 12 meldt het hoofd van het laboratorium de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep A, B1, B2 of C aan de Dienst. 3.De melding, bedoeld in het tweede lid, bevat de volgende gegevens: de naam van de geneeskundige die het onderzoek heeft aangevraagd, de naam, de geboortedatum en het identificatienummer van de betrokken persoon. 4.Het hoofd van het laboratorium zorgt op verzoek van de Dienst ervoor dat nader onderzoek wordt gedaan naar de ziekteverwekker en dat de Dienst van het resultaat op de hoogte wordt gesteld. 5.Voor de meldingsplicht, bedoeld in het tweede lid, gelden de volgende termijnen: de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep A wordt onverwijld gemeld aan de Dienst; de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep B1 wordt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 24 uur, gemeld aan de Dienst; of, de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep B2 of C wordt binnen normale werktijden zo spoedig mogelijk gemeld aan de Dienst. 6.De gegevensverwerking bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en de melding, bedoeld in het tweede lid, wordt beveiligd opdat alleen degenen die bij of krachtens landsverordening gerechtigd zijn tot inzage, hiervan kennis kunnen nemen. Artikel15 1.Het hoofd van een instelling waar voor infectieziekten kwetsbare populaties verblijven of samenkomen voor een of meer dagdelen per etmaal, stelt de Dienst op de hoogte van het optreden van een ongewoon aantal zieken met maag- en darmaandoeningen, geelzucht, huidaandoeningen of andere ernstige aandoeningen van vermoedelijk infectueuze aard in de desbetreffende populatie of bij het begeleidend of verzorgend personeel. 2.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop en de termijn waarbinnen de berichtgeving plaatsvindt. Artikel16 1.De Dienst geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in de artikelen 11, eerste en tweede lid, en 12, eerste lid, onverwijld door aan de minister. 2.De Dienst deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikelen 11, derde lid, en 12, tweede en derde lid, zo spoedig mogelijk mee aan de minister. 3.De Dienst deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 15, binnen een redelijke termijn mee aan de minister. 4.De Dienst verstrekt de minister de gegevens, bedoeld in artikel 13, eerste, tweede en derde lid, die nodig zijn voor de uitoefening van de bij deze landsverordening toegekende bevoegdheden. Artikel17 1.De Dienst geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in de artikelen 11, eerste en tweede lid, en 12, eerste lid, onverwijld door aan de Inspectie. 2.De Dienst geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in de artikelen 11, derde lid, en 12, tweede en derde lid, binnen 24 uur door aan de Inspectie. 3.De Dienst verstrekt ten aanzien van een melding als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, en 12 aan de Inspectie de volgende gegevens: de infectieziekte, dan wel een beschrijving van het ziektebeeld, de eerste ziektedag, de vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, eventuele ziekenhuisopname, de vermoedelijke infectiebron, zonodig met inbegrip van de daaruit voortkomende gevallen, de datum van vermoeden of vaststelling van infectie, het geslacht, de geboortemaand, het geboortejaar en de woonplaats van de betrokken persoon; en, de uitslag van het nader onderzoek, bedoeld in artikel 14, vierde lid. 4.De Dienst verstrekt ten aanzien van een melding als bedoeld in artikel 11, tweede lid, aan de Inspectie de volgende gegevens: de aard van het infectueus of giftig agens, of de infectueuze of giftige stof en de plaats waar het lijk zich bevindt. 5.De Dienst verstrekt ten aanzien van een melding als bedoeld in artikel 11, derde lid, aan de Inspectie de volgende gegevens: de infectieziekte, het geslacht, de geboortemaand, het geboortejaar en de nationaliteit van de betrokken personen, alsmede de woonplaats van de geneeskundige die de melding heeft gedaan. Artikel18 1.De Dienst neemt de persoonsgegevens, die ingevolge de artikelen 11, 12, 14 en 19 zijn verkregen, op in een door de Dienst gehouden registratie. 2.De Dienst bewaart deze gegevens ten hoogste vijf jaar, tenzij de patiënt schriftelijk toestemming geeft om deze gegevens voor een bepaalde langere termijn te bewaren. Artikel19 Op verzoek van de minister verstrekt de behandelend geneeskundige van een persoon die naar het oordeel van de minister een gevaar oplevert voor de verspreiding van een infectieziekte behorend tot groep A, B1 of B2 aan de Dienst zo spoedig mogelijk de hem bekende nadere medische en epidemiologische gegevens die noodzakelijk zijn om de aard en de omvang van het gevaar van verspreiding van de infectieziekte vast te stellen. §3.Maatregelen gericht op het individu Artikel20 1.De minister kan een persoon onverwijld ter isolatie in een zorginstelling doen opnemen, indien: de betrokkene lijdt aan een infectieziekte behorend tot groep A of B1, dan wel de minister gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de betrokkene lijdt aan een infectieziekte behorend tot groep A, dan wel ten aanzien van de betrokkene de melding ingevolge artikel 12, derde lid, heeft plaatsgevonden; ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte; dit gevaar niet op andere wijze effectief kan worden afgewend; en, de betrokkene niet tot opneming ter isolatie bereid is. 2.De minister kan een ter isolatie opgenomen persoon door een geneeskundige doen onderzoeken, indien: ten gevolge van de infectieziekte onmiddellijk gevaar dreigt voor de gezondheid van derden; de aard en de omvang van dit gevaar niet op andere wijze dan door onderzoek kunnen worden vastgesteld; de uitkomst van het onderzoek noodzakelijk is om dit gevaar effectief te kunnen afwenden; en, de betrokkene niet bereid is het onderzoek te ondergaan. 3.De minister kan een ter isolatie opgenomen persoon door een geneeskundige in het lichaam doen onderzoeken indien aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, is voldaan en het Gerecht daartoe een machtiging heeft verleend. 4.Het onderzoek, bedoeld in het tweede en derde lid, omvat niet meer dan nodig is ter afwending van het gevaar voor derden. 5.In de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, geeft de minister een beschikking af. 6.Zodra redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gevaar, bedoeld in het eerste lid, onder b, is geweken of op minder ingrijpende wijze kan worden afgewend, heft de minister de opneming ter isolatie onverwijld op. 7.Alvorens een maatregel als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid te nemen dan wel de opneming ter isolatie op te heffen, wint de minister advies in van de Dienst. 8.Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld voor de beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid. Artikel21 1.De minister doet de beschikking tot opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 20, vijfde lid, aan de betrokkene uitreiken. 2.In de beschikking geeft de minister aan in welke zorginstelling, aangewezen op grond van artikel 23, eerste lid, de opneming ter isolatie ten uitvoer wordt gelegd en worden de redenen vermeld voor de opneming ter isolatie dan wel het onderzoek in het lichaam. 3.Na uitreiking van de beschikking aan de betrokkene voorziet de minister in bijstand van de betrokkene door een raadsman, tenzij de betrokkene daartegen bedenkingen heeft. Artikel22 1.De minister doet de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 20, vijfde lid, aan de betrokkene uitreiken. 2.In de beschikking geeft de minister aan waaruit het onderzoek bestaat, welke geneeskundige het onderzoek verricht en binnen welke termijn het onderzoek plaatsvindt. Artikel23 1.De opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 20, eerste lid, wordt ten uitvoer gelegd in een gesloten ruimte van een door de minister aangewezen zorginstelling. 2.De zorginstelling neemt de betrokkene onverwijld op. 3.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen eisen worden gesteld waaraan de opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 20, eerste lid, en het onderzoek, bedoeld in artikel 20, derde lid, moeten voldoen. 4.De minister is bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het eerste, tweede en derde lid, indien de omstandigheden onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maken. Artikel24 1.De minister kan een persoon onverwijld doen onderwerpen aan quarantaine in een door de minister aangewezen gebouw, schip of in een aantal aangewezen ruimten daarbinnen om de verspreiding van infectieziekten behorend tot groep A tegen te gaan, indien: er redenen zijn om aan te nemen dat die persoon recentelijk een dusdanig contact met een lijder of een vermoedelijke lijder aan een infectieziekte behorend tot groep A heeft gehad, dat deze persoon mogelijk met dezelfde ziekte is geïnfecteerd; ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte; en, die persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan die maatregel bereid is. 2.De minister kan toestaan dat de quarantaine, onder zo nodig te stellen voorwaarden, plaatsvindt in de woning van de af te zonderen persoon. 3.Tijdens de quarantaine wordt medisch toezicht verricht. Het toezicht wordt verricht onder medische verantwoordelijkheid van de Dienst. 4.In het geval, bedoeld in het eerste lid, geeft de minister een beschikking af. 5.De quarantaine en het medisch toezicht vinden plaats onder zodanige voorwaarden en omstandigheden en gedurende een zodanige periode als noodzakelijk is om het gevaar, bedoeld in het eerste lid, onder b, af te wenden. Zodra redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit gevaar is geweken of op minder ingrijpende wijze kan worden afgewend, heft de minister de maatregel onverwijld op. 6.Artikel 20, tweede, vierde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 7.Bij ministeriële regeling kan een model worden vastgesteld voor de beschikking, bedoeld in het vierde lid. Artikel25 1.De minister doet de beschikking tot onderwerping aan quarantaine, als bedoeld in artikel 24, vierde lid, aan de betrokkene uitreiken. 2.In de beschikking geeft de minister aan: wat de redenen zijn tot onderwerping aan quarantaine; hoe en waar de maatregel ten uitvoer wordt gelegd; waarop bij het medisch toezicht in ieder geval wordt gelet; en, aan welke regels betrokkene zich heeft te houden. 3.Na uitreiking van de beschikking voorziet de minister in bijstand van de betrokkene door een raadsman, tenzij de betrokkene daartegen bedenkingen heeft. Artikel26 1.De minister kan een persoon die gevaar oplevert voor de verspreiding van een infectieziekte behorend tot groep A, B1 of B2 het verbod opleggen om beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden te verrichten, die een ernstig risico inhouden voor de verspreiding van die infectieziekte. 2.Alvorens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, te nemen, hoort de minister de werkgever van de betrokkene, tenzij betrokkene hiertegen bezwaar maakt, en wint de minister advies in van de Dienst. 3.Zodra redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gevaar, bedoeld in het eerste lid, is geweken of op minder ingrijpende wijze kan worden afgewend, heft de minister de maatregel onverwijld op. §4.Rechterlijke toetsing maatregelen tot isolatie, medisch onderzoek en quarantaine Artikel27 De Landsverordening administratieve rechtspraak is niet van toepassing op beschikkingen als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, en 24, vierde lid. Artikel28 1.De minister stelt de officier van justitie terstond op de hoogte van de beschikking tot opneming ter isolatie of de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 20, vijfde lid, of van de beschikking tot onderwerping aan quarantaine, bedoeld in artikel 24, vierde lid. 2.Zo spoedig mogelijk nadat de beschikking is gegeven, maar in elk geval niet later dan de volgende dag, zendt de minister de officier van justitie een afschrift van de beschikking, genoemd in het eerste lid. Artikel29 1.De officier van justitie dient uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van de beschikking bij het Gerecht een verzoek in tot een machtiging tot voortzetting van de isolatie, van de quarantaine of tot het onderzoek. 2.De officier van justitie dient het verzoek, bedoeld in het eerste lid, slechts in na van oordeel te zijn dat is voldaan aan de voorwaarden voor de opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 20, eerste lid, het onderzoek, bedoeld in artikel 20, derde lid, of quarantaine, bedoeld in artikel 24, eerste lid. 3.De officier van justitie deelt aan de betrokkene, de minister en in voorkomend geval de zorginstelling, schriftelijk mede dat het verzoek is ingediend of dat besloten is geen verzoek in te dienen. 4.Het besluit geen verzoek in te dienen, neemt de officier van justitie niet dan nadat zwaarwegend advies van de Inspectie is ingewonnen. 5.Met het besluit geen verzoek in te dienen, vervalt de beschikking tot opneming ter isolatie of de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 20, vijfde lid, of de beschikking tot onderwerping aan quarantaine, bedoeld in artikel 24, vierde lid van rechtswege. De betrokkene en in voorkomend geval de zorginstelling waarin deze verblijft worden hiervan onverwijld in kennis gesteld. Artikel30 1.Alvorens op het verzoek van de officier van justitie te besluiten, hoort het Gerecht degene ten aanzien van wie de maatregel, bedoeld in artikel 29, eerste lid, is gevorderd. 2.Het Gerecht hoort de betrokkene op zijn verblijfplaats. 3.Het Gerecht kan zich laten voorlichten, getuigen en deskundigen oproepen en onderzoek door deskundigen bevelen. 4.Het Gerecht stelt de raadsman in de gelegenheid diens zienswijze kenbaar te maken. 5.Het Gerecht beslist binnen drie dagen, te rekenen vanaf de dag na die waarop de officier van justitie het verzoek heeft ingediend. 6.Tegen de beslissing staat geen voorziening open. Artikel31 1.De ter isolatie opgenomen persoon of de in quarantaine geplaatste persoon kan het Gerecht verzoeken de maatregel op te heffen. 2.Artikel 30, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3.Het Gerecht kan het verzoek zonder toepassing van artikel 30, tweede tot en met vijfde lid, afwijzen, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd. Artikel32 1.Degene ten aanzien van wie een beschikking is genomen tot opneming ter isolatie of tot onderzoek als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, of tot onderwerping aan quarantaine als bedoeld in artikel 24, kan het Gerecht verzoeken een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe te kennen op de grond dat de beschikking van de minister onrechtmatig was. 2.Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend: met een zelfstandig verzoek bij verweerschrift als bedoeld in artikel 429h, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene; of, bij een afzonderlijk verzoekschrift, indien de officier van justitie geen verzoek als bedoeld in artikel 29, eerste lid, heeft gedaan. 3.Indien het verzoek wordt ingediend bij verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene, bedoeld in het tweede lid, onder b, is artikel 429h, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. Artikel33 1.Het Gerecht kent op diens verzoek een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe ten laste van het Land aan degene ten aanzien van wie een beschikking is genomen tot opneming ter isolatie of tot onderzoek als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, of tot onderwerping aan quarantaine als bedoeld in artikel 24, indien deze nadeel heeft geleden doordat het Gerecht of de officier van justitie een van de bepalingen uit deze paragraaf niet in acht heeft genomen. 2.Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend: met een zelfstandig verzoek bij verweerschrift als bedoeld in artikel 429h, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van betrokkene, dan wel bij een afzonderlijk verzoekschrift, binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop betrokkene redelijkerwijs bekend kon zijn met de schending van het voorschrift waarop zijn verzoek betrekking heeft. 3.Indien het verzoek wordt ingediend bij verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van betrokkene, bedoeld in het tweede lid, onder b, is artikel 429h, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. Artikel34 De Algemene termijnenlandsverordening is van toepassing op de termijnen gesteld in de artikelen 28, tweede lid, 29, eerste lid, en 30, vijfde lid. Artikel35 Ingeval een verzoekschrift als bedoeld in artikel 32, eerste lid, of artikel 33, eerste lid, wordt ingediend, dan wel een van de daartoe bevoegde personen beroep instelt, behoeft de indiening van het verzoekschrift niet bij procureur te geschieden. §5.Maatregelen gericht op gebouwen, goederen, vervoermiddelen en stoffelijke overschotten Artikel36 1.Ten aanzien van gebouwen, percelen, goederen en vervoermiddelen zijn de eigenaren, huurders, bewoners en gebruikers verplicht om iedere mogelijke voedselbron of broed- of nestplaats voor vectoren te verwijderen, ontoegankelijk te maken voor vectoren, dan wel te behandelen met een vectorwerend of vectordodend middel op een wijze die geen risico inhoudt voor de volksgezondheid. 2.Eigenaren, huurders, bewoners en gebruikers van gebouwen, percelen, goederen en vervoermiddelen zijn verplicht om alle noodzakelijke medewerking te verlenen, waaronder begrepen het verlenen van toegang, aan de door de minister aangewezen medewerkers van de Dienst ten behoeve van hun taken aangaande de bestrijding van vectoren. 3.Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het voorkomen, bestrijden of beperken van de verspreiding van voor besmetting verantwoordelijke vectoren voor zover deze voorkomen in, aan of op een gebouw en op het perceel waartoe het gebouw behoort alsmede de daar aanwezige goederen en vervoermiddelen. Artikel37 1.Indien er een gegrond vermoeden bestaat van een besmetting kan de minister gebouwen, vervoermiddelen en goederen doen controleren door een door de minister aangewezen deskundige op de aanwezigheid van een besmetting, zonodig door het nemen van monsters. 2.In het geval van een besmetting kan de minister: voorschriften van technisch-hygiënische aard geven; of, gebouwen, vervoermiddelen of goederen ontsmetten, met inbegrip van de vernietiging van vectoren. 3.In het geval van een besmetting waarbij ernstig gevaar dreigt voor de volksgezondheid, kan de minister: gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan sluiten; een verbod uitvaardigen tot het gebruik maken of betreden van vervoermiddelen; of, goederen vernietigen. 4.De minister kan het op het grondgebied brengen van goederen verbieden, indien er een gegrond vermoeden bestaat van besmetting van deze goederen, dan wel indien niet wordt voldaan aan bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen regels. 5.De krachtens het vierde lid gestelde regels hebben ten minste betrekking op: de eisen waaraan goederen moeten voldoen; het aanmelden van een voornemen om goederen op het grondgebied te brengen; het aanwijzen van plaatsen waar goederen ter onderzoek moeten worden aangeboden; de verklaringen welke bij het brengen op het grondgebied moeten worden overgelegd en de eisen waaraan deze verklaringen moeten voldoen; en, het onderzoek van de goederen na het brengen op het grondgebied. 6.Zodra redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het besmettingsgevaar is geweken of op minder ingrijpende wijze kan worden afgewend, heft de minister de maatregel, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, op. 7.Alvorens een maatregel als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid te nemen, wint de minister advies in van de Dienst. Artikel38 1.Indien een lijk is besmet met een infectueus of giftig agens of een infectueuze of giftige stof, of een gegrond vermoeden daarvoor bestaat, waardoor een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan ontstaan, kan de minister maatregelen treffen om dit gevaar op te sporen of af te wenden. 2.De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit het afnemen van bloed of andere vloeistoffen, het isoleren of het verbranden van het lijk. 3.Alvorens een maatregel als bedoeld in het eerste lid te nemen, wint de minister advies in van de Dienst. §6.Havens en luchtvaartterreinen Artikel39 De eisen van deze paragraaf zijn van toepassing op de havens en luchtvaartterreinen die daartoe bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, zijn aangewezen. Artikel40 1.Een haven of luchtvaartterrein beschikt over een plan voor noodsituaties op het gebied van de infectieziektebestrijding, met inbegrip van de benoeming van een coördinator. 2.In het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste aangegeven: de wijze waarop toegang wordt verleend aan medisch-diagnostische faciliteiten op een zodanige wijze dat zieke reizigers onverwijld en adequaat kunnen worden onderzocht, alsmede hoe personeel hiertoe wordt ingezet; de wijze waarop in de bescherming tegen infectie van verzorgend en begeleidend personeel wordt voorzien; de wijze waarop in de quarantaine van mogelijk geïnfecteerde reizigers wordt voorzien; de wijze waarop apparatuur en personeel worden ingezet voor het vervoer van zieke reizigers naar een passende medische faciliteit; de wijze waarop de voorlichting aan personeel, reizigers en overig publiek plaatsvindt; de wijze waarop wordt voorzien in de bestrijding van een besmetting, waaronder vectorbestrijding, in de haven of op het luchtvaartterrein en van schepen en luchtvaartuigen; en, de wijze waarop over het onder a tot en met f gestelde wordt samengewerkt met bij de infectieziektebestrijding, alsmede bij de rampenbestrijding, betrokken personen en organisaties. 3.De exploitant van de haven of het luchtvaartterrein draagt zorg voor de naleving van het bij of krachtens het eerste en vierde lid bepaalde. 4.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan nader worden voorgeschreven over welke voorzieningen de havens of luchtvaartterreinen beschikken, alsmede aan welke eisen deze voorzieningen voldoen. Deze voorzieningen en eisen kunnen per haven of luchtvaartterrein verschillen. Artikel41 1.De gezagvoerder van een schip dat een internationale reis maakt die een haven wil aandoen en wetenschap heeft of een ernstig vermoeden heeft dat er aan boord van zijn schip een of meer ziektegevallen zijn die wijzen op een ziekte van infectueuze aard die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren, zorgt ervoor dat de verkeersleiding van de haven en de aan boord komende loods hiervan zo spoedig mogelijk, doch voor aankomst, op de hoogte worden gesteld. 2.In gevallen als bedoeld in het eerste lid voert de gezagvoerder van het schip een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te omschrijven sein, zodra het schip in het zicht van de wal is, totdat het schip Sint Maarten heeft verlaten of een certificaat van sanitaire controle als bedoeld in artikel 47, eerste lid, is afgegeven. 3.De gezagvoerder van een luchtvaartuig die een luchtvaartterrein wil aandoen en wetenschap heeft of een ernstig vermoeden heeft dat er aan boord van zijn luchtvaartuig een of meer ziektegevallen zijn die wijzen op een ziekte van infectueuze aard die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren, zorgt ervoor dat de luchtverkeersleiding van het luchtvaartterrein hiervan zo spoedig mogelijk, doch voor aankomst, op de hoogte wordt gesteld. 4.De verkeersleiding van de haven geeft een melding als bedoeld in het eerste lid onverwijld door aan de exploitant van de haven. De luchtverkeersleiding van het luchtvaartterrein geeft een melding als bedoeld in het derde lid onverwijld door aan de exploitant van het luchtvaartterrein. 5.De exploitant van de haven of het luchtvaartterrein geeft een melding als bedoeld in het eerste of derde lid onverwijld door aan de Dienst. De Dienst geeft een melding onverwijld door aan de minister. Artikel42 1.Onverminderd artikel 41 verstrekt de gezagvoerder van een schip dat een internationale reis maakt op verzoek van de minister bij aankomst in de haven de maritieme gezondheidsverklaring, bedoeld in artikel 37 van de Internationale Gezondheidsregeling. 2.Onverminderd artikel 41 verstrekt de gezagvoerder van een luchtvaartuig dat een internationale reis maakt op verzoek van de minister bij aankomst op het luchtvaartterrein het gezondheidsgedeelte van de algemene verklaring voor luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 38 van de Internationale Gezondheidsregeling. 3.Indien de gezondheidsverklaring, bedoeld in het eerste of tweede lid, daartoe naar het oordeel van de minister aanleiding geeft, verstrekt de gezagvoerder op verzoek van de minister aanvullende gegevens over de gezondheidstoestand aan boord. Artikel43 1.Ingeval van een melding als bedoeld in artikel 41, eerste of derde lid, of indien anderszins blijkt van omstandigheden aan boord van een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen meebrengen, bepaalt de minister welke maatregelen met betrekking tot de toelating tot of de onttrekking aan het vrije verkeer moeten worden genomen als het schip of luchtvaartuig in de haven of op het luchtvaartterrein is aangekomen. 2.Ingeval van een directe dreiging van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A, kan de minister ten aanzien van een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt, bepalen welke maatregelen met betrekking tot de toelating tot of de onttrekking aan het vrije verkeer moeten worden genomen als het schip of luchtvaartuig in de haven of op het luchtvaartterrein is aangekomen. 3.In de situatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, draagt de gezagvoerder van het schip of luchtvaartuig ervoor zorg dat: na aankomst niemand het schip of luchtvaartuig betreedt of verlaat en er geen vervoermiddelen of goederen worden geladen of gelost, tenzij de minister daartoe opdracht of toestemming geeft; en, op verzoek van de minister een overzicht wordt gegeven van de volgende gegevens van de passagiers, voor zover deze gegevens bekend zijn bij de gezagvoerder: naam, adres, geslacht, leeftijd en bestemming. 4.De minister past de maatregelen niet langer toe dan nodig is om het onderzoek uit te voeren om de ernst van het gevaar vast te stellen. 5.Alvorens een maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid te nemen, wint de minister advies in van de Dienst. Artikel44 1.De minister kan de exploitant van een haven of luchtvaartterrein opdragen om: voorlichting aan reizigers te geven over het nemen van maatregelen ter voorkoming van een infectie of van een besmetting van de bagage; medewerking te verlenen aan door de minister te nemen maatregelen om vertrekkende of aankomende reizigers te onderzoeken op de aanwezigheid van een ziekte van infectueuze aard die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren; ter voorkoming van een besmetting maatregelen van technisch-hygiënische aard uit te voeren, indien er een gegrond risico is op een besmetting; en, ter bestrijding van besmetting gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan te sluiten. 2.Alvorens een opdracht als bedoeld in het eerste lid te geven, wint de minister advies in van de Dienst. Artikel45 1.De minister kan de vervoersexploitant opdragen om: voorlichting aan passagiers te geven over het nemen van maatregelen ter voorkoming van een infectie of van een besmetting van de bagage; ter voorkoming van een besmetting maatregelen van technisch-hygiënische aard uit te voeren voor een schip of luchtvaartuig en de hierin aanwezige goederen, indien er een gegrond risico is op een besmetting; een schip of luchtvaartuig en de hierin aanwezige goederen te controleren op de aanwezigheid van een besmetting; en, ter bestrijding van een besmetting een schip of luchtvaartuig en de hierin aanwezige goederen te ontsmetten, met inbegrip van de vernietiging van vectoren. 2.Alvorens een opdracht als bedoeld in het eerste lid te geven, wint de minister advies in van de Dienst. Artikel46 De minister is bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ter handhaving van hetgeen op grond van de artikelen 43, eerste en tweede lid, 44 en 45 is opgedragen, indien de omstandigheden onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maken. Artikel47 1.Een certificaat van sanitaire controle van schepen of een certificaat tot vrijstelling daarvan als bedoeld in artikel 39 van de Internationale Gezondheidsregeling, wordt op verzoek van de gezagvoerder door de minister afgegeven indien het schip vrij is van besmetting. 2.De certificaten, bedoeld in het eerste lid, worden opgesteld volgens het in bijlage 3 van de Internationale Gezondheidsregeling opgenomen model. 3.Indien vanwege ongewone omstandigheden in de haven geen certificaat als bedoeld in het eerste lid kan worden afgegeven, en het schip is voorzien van een nog geldig certificaat van sanitaire controle van schepen of certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen, kan de minister dit certificaat met een maand verlengen. 4.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden eisen gesteld aan de inspecties ter verkrijging van een certificaat als bedoeld in het eerste lid. §7.Certificaten van inenting Artikel48 1.De Dienst verzorgt de inenting van personen of de toediening van profylaxe aan personen ter verkrijging van een internationaal geldig certificaat als bedoeld in artikel 36 van de Internationale Gezondheidsregeling. 2.Onverminderd het eerste lid, kan de minister, op voordracht van de Dienst, andere personen aanwijzen die de inentingen of de toediening van profylaxe als bedoeld in het eerste lid mogen verzorgen onder door de minister te stellen voorwaarden. 3.De certificaten worden opgesteld volgens het in bijlage 6 van de Internationale Gezondheidsregeling opgenomen model, met dien verstande dat ze worden: opgesteld in de Engelse taal; ondertekend door de Dienst dan wel, indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, door de eindverantwoordelijke geneeskundige; en, voorzien van een stempel, waarvan de afdruk voldoet aan de bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden. 4.De inenting van personen tegen gele koorts geschiedt uitsluitend met een door de Wereldgezondheidsorganisatie goedgekeurde entstof. Hoofdstuk4Laboratoriumonderzoeken Artikel49 1.Bij landsbesluit wordt een rechtspersoon aangewezen die tot taak heeft laboratoriumonderzoeken te verrichten ten behoeve van de volksgezondheid en justitie. 2.Bij landsbesluit kan worden bepaald dat de aangewezen rechtspersoon andere diensten dan bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de volksgezondheid en justitie uitvoert. 3.Bij het landsbesluit, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald welke instanties met een publiekrechtelijke taak een beroep op de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, kunnen doen. 4.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats indien: de statuten van de rechtspersoon door de minister zijn goedgekeurd; de rechtspersoon beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening zorginstellingen; en, de rechtspersoon naar het oordeel van de minister, op advies van de Raad voor de Volksgezondheid en de afdeling, in staat is de in het eerste lid bedoelde taak naar behoren te vervullen. 5.Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan worden ingetrokken, indien de aangewezen rechtspersoon naar het gezamenlijk oordeel van de minister en de Minister van Justitie niet meer in staat blijkt te zijn de in het eerste lid bedoelde taak naar behoren te vervullen dan wel een publiek belang dit vereist. 6.Intrekking van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder gelijktijdige voorziening door de minister in de taak, bedoeld in het eerste lid. 7.De landsbesluiten, bedoeld in het eerste, tweede en vijfde lid, worden bekendgemaakt in de Landscourant. 8.De aangewezen rechtspersoon wijzigt zijn statuten niet dan na voorafgaande goedkeuring door de minister. Artikel50 1.De krachtens artikel 49, eerste lid, aangewezen rechtspersoon stelt jaarlijks vóór 1 juni een verslag op van zijn werkzaamheden, het gevoerde beleid ten aanzien van de taak, bedoeld in artikel 49, eerste en tweede lid, alsmede de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen jaar. Het verslag wordt aan de minister gezonden. 2.De werknemers van de krachtens artikel 49 aangewezen rechtspersoon zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen zij bij het verrichten van hun werkzaamheden bekend is geworden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit uit de uitvoering van de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde taak. 3.Bij ministeriële regeling worden jaarlijks vóór 1 juli, na overleg met de krachtens artikel 49 aangewezen rechtspersoon, de tarieven vastgesteld voor door de aangewezen rechtspersoon ten behoeve van de volksgezondheid en justitie te verrichten onderzoeken en andere diensten. Ingeval vóór 1 juli van het lopend jaar de tarieven niet zijn vastgesteld, blijven de tarieven die golden vóór 1 juli van het lopend jaar van toepassing tot het moment dat de tarieven opnieuw zijn vastgesteld. 4.Tenzij tussen de krachtens artikel 49 aangewezen rechtspersoon en het Land anders is overeengekomen, vindt betaling voor door de aangewezen rechtspersoon verrichte onderzoeken en andere diensten plaats binnen zestig dagen na de dag waarop het resultaat van het onderzoek aan desbetreffende instantie, bedoeld in artikel 49, derde lid, is bekendgemaakt. Hoofdstuk5Financiële bepalingen Artikel51 1.Het Land draagt de kosten die zijn verbonden aan het vaccinatieprogramma, bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel g, de kosten die zijn verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel i, en van de maatregelen die krachtens hoofdstuk 3 van deze landsverordening worden genomen. Ook draagt het Land de kosten van de toegekende tegemoetkomingen aan hen, die inkomsten derven door de maatregelen, bedoeld in de artikelen 20, 24, 26 en
- 2.In afwijking van het eerste lid draagt: de exploitant van een haven of luchtvaartterrein de kosten van de maatregelen die door de minister krachtens artikel 44 zijn opgedragen; en, de vervoersexploitant de kosten van de maatregelen die door de minister krachtens artikel 45 zijn opgedragen. 3.De in artikel 37, derde lid, onder c, bedoelde goederen worden voor de vernietiging door de minister gewaardeerd. De minister keert aan de eigenaar als schadeloosstelling het bedrag uit waarop de goederen zijn gewaardeerd. 4.De minister is bevoegd de kosten verbonden aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 20, 24, 26, 37 te verhalen op de persoon ten aanzien van wie een maatregel is getroffen, indien die persoon niet tot vrijwillige medewerking bereid is geweest. De artikelen 60 en 61 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel52 De kosten verband houdende met het bij of krachtens artikel 40 opgelegde voorzieningenniveau komen ten laste van de exploitant van de haven of het luchtvaartterrein. Artikel53 1.De kosten ter verkrijging van een certificaat als bedoeld in artikel 47 komen ten laste van de gezagvoerder van het desbetreffende schip. 2.Behoudens in de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen gevallen komen de kosten van inenting van personen of de toediening van profylaxe aan personen ter verkrijging van een certificaat als bedoeld in artikel 48 ten laste van de belanghebbende. 3.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden de tarieven vastgesteld voor het verkrijgen van de certificaten, bedoeld in de artikelen 47 en
- Deze tarieven zijn kostendekkend. Hoofdstuk6Handhaving §1.Toezicht en opsporing Artikel54 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening gestelde, zijn de daartoe bij landsbesluit aangewezen medewerkers van de Inspectie belast. Artikel55 Met de opsporing van de bij of krachtens deze landsverordening strafbare gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, de daartoe bij landsbesluit aangewezen medewerkers van de Inspectie belast. Artikel56 In het geval van een besmetting of infectie of bij een gegrond vermoeden daarvan, zijn de minister en de daartoe door deze aangewezen medewerkers van de Dienst en de afdeling bevoegd desgevraagd na het tonen van een legitimatiebewijs elke plaats te betreden of te verlaten voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak op grond van deze landsverordening noodzakelijk is. §2.Bestuursdwang Artikel57 Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie tot het toepassen van bestuursdwang als bepaald bij de Landsverordening Inspectie voor de Volksgezondheid, zijn, voor zover in deze verordening aan de minister de bevoegdheid is toegekend tot het toepassen van bestuursdwang, de bepalingen van deze paragraaf van toepassing. Artikel58 Bestuursdwang omvat het doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van hetgeen in strijd met de desbetreffende bepalingen van deze landsverordening is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Artikel59 1.Een beslissing tot het toepassen van bestuursdwang geschiedt schriftelijk en geldt als een beschikking. De beschikking vermeldt welk voorschrift is overtreden. 2.De beschikking wordt bekendgemaakt aan de overtreder en andere belanghebbenden. 3.In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de overtreder en eventuele andere belanghebbenden de tenuitvoerlegging van bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf de in de beschikking vermelde maatregelen te treffen. Geen termijn behoeft te worden gegund indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. 4.Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan wordt gezet, wordt zo spoedig mogelijk alsnog voor de opschriftstelling en bekendmaking gezorgd. Artikel60 1.De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. 2.De beschikking, bedoeld in artikel 59, eerste lid, vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt. 3.Indien de kosten echter geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht, wordt dat in de beschikking vermeld. 4.Onder de kosten worden begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn bedoeld in artikel 59, derde lid, is verstreken. 5.De kosten zijn ook verschuldigd indien de bestuursdwang door opheffing van de onrechtmatige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd. Artikel61 1.Bij dwangbevel kunnen van de overtreder de verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, worden ingevorderd. 2.Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 3.Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het Land. 4.Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van het Land kan het Gerecht in eerste aanleg de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen. Artikel62 De kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang zijn bevoorrecht op de zaak ten aanzien waarvan zij zijn besteed en worden na de kosten, bedoeld in artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, uit de opbrengst van de zaak betaald. §3.Strafbepalingen Artikel63 1.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste NAf 5.000,- wordt gestraft de geneeskundige die handelt in strijd met de artikelen 11, 12, eerste, tweede of derde lid, 13, vierde lid, of
- 2.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste NAf 5.000,- wordt gestraft het hoofd van een laboratorium dat handelt in strijd met artikel 14, tweede of vijfde lid. 3.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste NAf 5.000,- wordt gestraft het hoofd van een instelling die handelt in strijd met artikel 15, eerste lid. 4.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste NAf 5.000,- wordt gestraft degene die handelt in strijd met de krachtens artikel 36 gestelde regels. 5.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste NAf 5.000,- wordt gestraft de gezagvoerder die handelt in strijd met artikel 41, eerste of tweede lid, of die weigert te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 42 en 43, derde lid, onder b. 6.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste NAf 5.000,- wordt gestraft de exploitant van een haven of luchtvaartterrein die handelt in strijd met artikel 41, vierde lid. 7.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste NAf 5.000,- wordt gestraft degene die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel
- 8.De in het eerste tot en met zevende lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Artikel64 1.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste NAf 10.000,- wordt gestraft degene die zich onttrekt aan de krachtens de in de artikelen 26, eerste lid, of 37, tweede of derde lid, onder a of b, ten aanzien van hem genomen maatregelen, dan wel de in artikel 37, derde lid, onder c, bedoelde goederen onttrekt aan een krachtens dat lid genomen maatregel. 2.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste NAf 10.000,- wordt gestraft degene die het in artikel 38 bedoelde lijk onttrekt aan een krachtens dat artikel genomen maatregel. 3.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste NAf 10.000,- wordt gestraft het onbevoegd betreden van een voor isolatie of quarantaine aangewezen locatie. 4.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste NAf 10.000,- wordt gestraft de exploitant van een haven of luchtvaartterrein die handelt in strijd met artikel 40, vierde lid, of met een krachtens artikel 45 gegeven opdracht. 5.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste NAf 10.000,- wordt gestraft de vervoersexploitant die handelt in strijd met een krachtens artikel 45 gegeven opdracht. 6.De in het eerste tot en met vijfde lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Artikel65 1.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste NAf 10.000,- wordt gestraft degene die verwijtbaar de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 50, tweede lid, schendt. 2.Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van ten hoogste NAf 50.000,- wordt gestraft degene die opzettelijk de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 50, tweede lid, schendt. 3.Geen vervolging wordt ingesteld anders dan op verzoek van degene te wiens aanzien de geheimhoudingsplicht is geschonden. 4.Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een overtreding. Het in het tweede lid strafbaar gestelde feit is een misdrijf. Artikel66 1.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van ten hoogste NAf 100.000,- wordt gestraft degene die handelt in strijd met opdrachten die krachtens artikel 43, eerste of tweede lid, zijn gegeven. 2.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van ten hoogste NAf 100.000,- wordt gestraft de gezagvoerder die handelt in strijd met artikel 43, derde lid, onder a. 3.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van ten hoogste NAf 100.000,- wordt gestraft degene die zich onttrekt aan een op grond van de artikelen 20 of 24 ten aanzien van hem genomen maatregel. 4.De in het eerste, tweede en derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. Hoofdstuk7Overgangs- en slotbepalingen Artikel67 Indien het ontwerp van de Landsverordening van de 13e december 2012 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht eerder in werking is getreden of treedt dan deze landsverordening of op hetzelfde tijdstip in werking treedt als deze landsverordening, komen de artikelen 63 tot en met 66 van deze landsverordening als volgt te luiden: Artikel63 1.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de geneeskundige die handelt in strijd met de artikelen 11, 12, eerste, tweede of derde lid, 13, vierde lid, of
- 2.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft het hoofd van een laboratorium dat handelt in strijd met artikel 14, tweede of vijfde lid. 3.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft het hoofd van een instelling die handelt in strijd met artikel 15, eerste lid. 4.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of de tweede categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met de krachtens artikel 36 gestelde regels. 5.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de gezagvoerder die handelt in strijd met artikel 41, eerste of tweede lid, of die weigert te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 42 en 43, derde lid, onder b. 6.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de exploitant van een haven of luchtvaartterrein die handelt in strijd met artikel 41, vierde lid. 7.Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel
- 8.De in het eerste tot en met zevende lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Artikel64 1.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die zich onttrekt aan de krachtens de in de artikelen 26, eerste lid, of 37, tweede of derde lid, onder a of b, ten aanzien van hem genomen maatregelen, dan wel de in artikel 37, derde lid, onder c, bedoelde goederen onttrekt aan een krachtens dat lid genomen maatregel. 2.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die het in artikel 38 bedoelde lijk onttrekt aan een krachtens dat artikel genomen maatregel. 3.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft het onbevoegd betreden van een voor isolatie of quarantaine aangewezen locatie. 4.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft de exploitant van een haven of luchtvaartterrein die handelt in strijd met artikel 40, vierde lid, of met een krachtens artikel 45 gegeven opdracht. 5.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft de vervoersexploitant die handelt in strijd met een krachtens artikel 45 gegeven opdracht. 6.De in het eerste tot en met vijfde lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. Artikel65 1.Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die verwijtbaar de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 50, tweede lid, schendt. 2.Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die opzettelijk de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 50, tweede lid, schendt. 3.Geen vervolging wordt ingesteld anders dan op verzoek van degene te wiens aanzien de geheimhoudingsplicht is geschonden. 4.Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een overtreding. Het in het tweede lid strafbaar gestelde feit is een misdrijf. Artikel66 1.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die handelt in strijd met opdrachten die krachtens artikel 43, eerste of tweede lid, zijn gegeven. 2.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de gezagvoerder die handelt in strijd met artikel 43, derde lid, onder a. 3.Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die zich onttrekt aan een op grond van de artikelen 20 of 24 ten aanzien van hem genomen maatregel. 4.De in het eerste, tweede en derde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. Artikel68 De Landsverordening van 9 juni 1921, houdende bepalingen ter bestrijding van besmettelijke ziekten (P.B. 1921, no. 61, laatstelijk gewijzigd bij AB 2013, GT no. 748), de Quarantaineverordening en de Gezondheids landsverordening worden ingetrokken, alsmede de op deze landsverordeningen gebaseerde gedelegeerde wettelijke regelingen. Artikel69 Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening publieke gezondheid. Artikel70 Deze landsverordening treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip. Deze landsverordening wordt met de memorie van toelichting in het Afkondigingsblad geplaatst.Gegeven te Philipsburg, de veertiende juni 2016De Gouverneur van Sint MaartenDe derde juni 2016De Minister van Volksgezondheid,Sociale Ontwikkeling en ArbeidDe tweeëntwintigste juni 2016De Minister van Algemene Zaken Uitgegeven de vijfentwintigste augustus 2016De Minister van Algemene ZakenNamens deze,Hoofd Afdeling Juridische Zaken & WetgevingMEMORIE VAN TOELICHTING Algemeen deel
- Inleiding Met ingang van 10 oktober 2010 is Sint Maarten een zelfstandig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Voor deze datum lag een ontwerp van de wetgeving betreffende de publieke gezondheid voor behandeling bij de Staten van de Nederlandse Antillen. Ingevolge additioneel artikel IV van de Staatsregeling kunnen de Staten op voorstel van de regering besluiten een ontwerp van landsverordening in behandeling te nemen dat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze Staatsregeling door de regering van de Nederlandse Antillen bij de Staten van de Nederlandse Antillen aanhangig was gemaakt. In dat geval nemen de Staten de behandeling van het desbetreffende ontwerp over in de staat waarin die behandeling verkeerde op het evenbedoelde tijdstip. De minister heeft echter besloten dat het zorgvuldiger is om geen gebruik te maken van de mogelijkheid zoals in de Staatsregeling geboden, maar om een nieuw ontwerp in te dienen. Daarbij is gebruik gemaakt van de tekst van het ontwerp zoals dat aanhangig was. Het voordeel hiervan is niet alleen dat het ontwerp een eigen karakter krijgt maar ook zorgt voor de nodige kennisoverdracht. Gezien de inbedding van het bestaande ontwerp in de structuur van de Nederlandse Antillen zou het nader rapport een zekere mate van complexiteit met zich meebrengen die onwenselijk is en zou de behoefte hoog zijn om een geconsolideerde tekst uit te brengen. Het aspect van de infectieziektebestrijding vormde en vormt de primaire aanleiding voor het voorliggende ontwerp van landsverordening, zulks ter implementatie van de reeds op 23 mei 2005 door de Wereldgezondheidsvergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna: WHO) aangenomen algehele herziening van de Internationale Gezondheidsregeling 1 Trb. 2007, 34 (hierna: IHR). Deze nieuwe regeling vervangt de op 25 juli 1969 vastgestelde Internationale Gezondheidsregeling2 Trb. 1970,
- De reden voor het tot stand brengen van de nieuwe IHR was de dringende noodzaak voor internationale afspraken om mondiale dreigingen van infectieziektecrises het hoofd te kunnen bieden. De reikwijdte van de IHR is aanzienlijk verruimd. Zo omvat het ontwerp veel meer ziekten, roept het meer informatieverplichtingen in het leven voor de partijen bij deze regeling en kent het meer bevoegdheden aan de Wereldgezondheidsorganisatie toe. De nieuwe internationale afspraken op het terrein van de infectieziektebestrijding noodzaken tot een grondige herziening van de infectieziekteregelgeving in ons land. Deze is nu verspreid over twee landsverordeningen: de Landsverordening van 9 juni 1921, houdende bepalingen ter bestrijding van besmettelijke ziekten (P.B. 1921, no. 61, laatstelijk gewijzigd bij AB 2013, GT no. 748) en de Quarantaineverordening. Beide landsverordeningen schieten qua instrumentarium tekort waar het de mogelijkheid betreft tot implementatie van internationale gezondheidsverplichtingen. Daarom moet de uitvoering van deze internationale verplichtingen veelal mede geschieden op basis van de Warenlandsverordening. Deze versnippering van de infectieziekteregelgeving en de deels achterhaalde inhoud ervan, staan een adequate bestrijding van een infectieziektecrisis in de weg. Dit is uiteraard onverantwoord. Er is noodzaak tot wijziging van zowel de organisatie van de infectieziektebestrijding als van de verplichtingen en bevoegdheden die met de uitvoering hiervan gepaard gaan. De meldingssystematiek dient te worden veranderd en er dienen meer bevoegdheden tot optreden te worden geschapen. Om te komen tot een toegankelijk en overzichtelijk geheel van regels is ervoor gekozen om alle bepalingen ter zake van de infectieziekteregelgeving bijeen te brengen in één nieuwe wettelijke regeling. Met deze nieuwe landsverordening kunnen de Landsverordening van 9 juni 1921, houdende bepalingen ter bestrijding van besmettelijke ziekten en de Quarantaineverordening dan ook worden ingetrokken. Het ontwerp van landsverordening volgt voor een groot deel het stramien van de Wet publieke gezondheid zoals die geldt in Nederland. Hier is om diverse redenen bewust voor gekozen. Verdragsverplichtingen vallen als buitenlandse betrekkingen onder de aangelegenheden van het Koninkrijk der Nederlanden. Het is dan ook wenselijk dat de implementatie en uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de IHR binnen het koninkrijk een grote mate van gelijkheid vertonen en op elkaar zijn afgestemd. In paragraaf 7 wordt nader ingegaan op dit onderwerp. De infectieziektebestrijding is slechts één van de onderwerpen van de volksgezondheidszorg. Met onderhavige landsverordening worden ook verplichtingen voor de zorg voor de meest kwetsbare groepen in onze samenleving - zoals onze jeugd van 0 tot 24 jaar en onze ouderen - geïntroduceerd. Hierbij kunnen de verplichtingen op het gebied van de jeugdgezondheidszorg worden herleid tot verdragsverplichtingen jegens de jeugd, voorvloeiende uit het Verdrag inzake de rechten van het kind3 Trb. 1990, 46 en 170 (zie artikel 24). . Voorts besteedt het voorliggende ontwerp aandacht aan de bestrijding en preventie van niet overdraagbare ziekten. Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in de voorliggende landsverordening de bepalingen ter zake van het laboratoriumonderzoek zoals eerder opgenomen in de Gezondheidslandsverordening thans in het kader van zowel de algemene volksgezondheid als de infectieziektebestrijding in deze landsverordening op te nemen. De Gezondheidslandsverordening kan daarmee eveneens worden ingetrokken.
- Internationale Gezondheidsregeling 2.
- Achtergrond De op 23 mei 2005 door de Wereldgezondheidsvergadering van de WHO vastgestelde IHR vervangt zoals gezegd de IHR van 25 juli
- Laatstgenoemde regeling was al geruime tijd aan herziening toe. Sinds 1969 is het internationale reizigers- en vrachtverkeer immers fors toegenomen. Mensen, dieren en dierlijke en plantaardige producten gaan in hoog tempo de wereld over. Hierdoor kunnen (nieuwe) gevaarlijke infectieziekten zich snel verspreiden. De ervaringen met cholera in Haïti en het SARS-virus in Azië en Canada vormen een bewijs daarvan. Ook dierziekten zoals de vogelgriep vormen een actuele bijzondere dreiging. Hierbij bestaat het risico dat door mutatie een nieuw en voor mensen gevaarlijk griepvirus ontstaat. Daarnaast is er de onverminderde dreiging van het moedwillig inzetten van micro-organismen voor terroristische doeleinden. Het Koninkrijk heeft als lid van de Wereldgezondheidsvergadering op 23 mei 2005 ingestemd met de IHR. De IHR is een regeling op grond van de artikelen 2, onderdeel k, 21, onderdeel a, en 22 van het Statuut van de Wereldgezondheidsorganisatie 4Trb. 1952,
- . De implementatietermijn van de IHR was aanvankelijk gesteld op 15 juni
- Inmiddels is voor een laatste maal uitstel verleend tot juni
- De onderhavige landsverordening dient derhalve zo spoedig mogelijk in werking te treden om tijdig te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de IHR. Onderhavige landsverordening geeft uitvoering aan de in het navolgende nader belichte verplichtingen die voortvloeien uit de IHR. In bijlage I bij de memorie van toelichting is een overzicht opgenomen waarin is te zien op welke wijze de bepalingen van de IHR zijn geïmplementeerd. 2.
- De verplichtingen van de IHR Ingevolge artikel 2 van de IHR beoogt de nieuwe IHR “het voorkomen van, beschermen tegen, beheersen van en het voorzien in maatregelen op het gebied van de volksgezondheid naar aanleiding van de internationale verspreiding van ziekte op een wijze die toegesneden is op en beperkt is tot volksgezondheidsrisico’s, en die onnodige belemmering van het internationale verkeer en de internationale handel vermijden” . Hoewel, naar de letter bezien, dit ook ziekten omvat die een andere bron hebben dan van infectueuze aard, zoals van chemische of nucleaire aard, is de IHR toch primair gericht op het tegengaan van de internationale verspreiding van infectieziekten. Het doel van de nieuwe IHR is daarmee niet fundamenteel gewijzigd ten opzichte van de oude IHR. De reikwijdte van de regeling en de mate waarin er waarborgen zijn opgenomen om dit doel te behalen, zijn echter wel fundamenteel gewijzigd. Hieronder wordt in deze paragraaf kort ingegaan op de bepalingen uit de IHR die leiden tot de in dit voorstel opgenomen wijzigingen van de infectieziekteregelgeving. Meldingsplicht aan de WHO: van ziekte naar risico De nieuwe IHR ziet in tegenstelling tot de regeling uit 1969 niet meer op een limitatief aantal omschreven ziekten; de regeling uit 1969 ziet namelijk enkel op cholera, gele koorts en pest. Het gaat in de nieuwe IHR om allerlei gebeurtenissen die een ernstig internationaal volksgezondheidsrisico kunnen vormen. Voor deze gebeurtenissen gelden al internationale afspraken binnen de desbetreffende domeinen. Omdat op voorhand niet altijd duidelijk is of er sprake is van een infectieziekte of niet, is er in de IHR een ruime definitie gehanteerd. Op deze manier is beoogd alle potentiële internationale volksgezondheids-dreigingen in elk geval internationaal gemeld te krijgen. De IHR vormt geen vervanging van deze bestaande internationale afspraken maar een aanvulling daarop. Ieder ziektegeval van pokken, polio, SARS en ‘humane influenza veroorzaakt door een nieuw subtype’ dient direct te worden gemeld aan de WHO. Bij andere ziekten moet eerst een inschatting gemaakt worden of er een sprake is van ‘een acuut gevaar voor de volksgezondheid met een internationale impact’. Welke situaties dat precies zijn, dient te worden beoordeeld aan de hand van een beslisboom. Deze is in bijlage 2 van de IHR omschreven. Daarbij moet worden afgewogen of het incident a) ernstig, ongewoon of onverwacht is, dan wel b) ongewoon of onverwacht is en een significant risico in zich draagt op internationale verspreiding, dan wel c) een beperking van internationaal verkeer of handel met zich mee kan brengen. De ervaring uit 2003 van de SARS-epidemie heeft geleerd dat de meldingsplicht niet dient te worden beperkt tot bekende ziekten. Ook een ernstig ziektebeeld van infectueuze aard waarvoor eerst geen verklaring gevonden kan worden, valt onder de internationale meldingsplicht. Minimale basiscapaciteiten Ingevolge de artikelen 5, 13 en bijlage 1, onderdeel A, van de IHR dienen de lidstaten te zorgen voor een minimale basiscapaciteit waarmee een adequate infectieziektebestrijding kan worden gegarandeerd. Deze minimumeisen zijn van toepassing op de gehele keten van de infectieziektebestrijding en zijn functioneel omschreven. Het houdt kort gesteld in dat een lidstaat in staat moet zijn om gebeurtenissen met een ernstig volksgezondheidsrisico snel te ontdekken, goed te beoordelen en door te melden aan de WHO. Speciale aandacht krijgen in dat kader de zogenaamde ‘plaatsen van binnenkomst’, waarop hieronder nader wordt ingegaan. Positie van de WHO - uitvaardigen van aanbevelingen De positie van de WHO als internationale autoriteit op het gebied van internationale gezondheidsdreigingen komt in de nieuwe regeling sterker naar voren. In de eerste plaats bepaalt de WHO, met het vastleggen van vereiste minimumcapaciteiten, als het ware de internationale kwaliteitsnorm voor de infectieziektebestrijding. In de tweede plaats zijn er verschillende bepalingen opgenomen die moeten garanderen dat de WHO snel op de hoogte is van een dreiging of uitbraak van een ernstige infectieziekte. Dit blijkt onder andere uit de verplichting om urgente gebeurtenissen direct te melden aan de WHO. In de derde plaats heeft de WHO in de nieuwe regeling ook de mogelijkheid om aanbevelingen te doen aangaande de infectieziektebestrijding, inclusief de voorbereiding. Deze kunnen een tijdelijk of een meer permanent karakter hebben, afhankelijk van de situatie. Tijdelijke aanbevelingen worden uitgevaardigd als er zich een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang voordoet (artikel 15 IHR). Permanente aanbevelingen kunnen ook in andere situaties worden uitgevaardigd en zullen een meer stelselmatig karakter hebben (artikel 16 IHR). Aanbevelingen kunnen allereerst betrekking hebben op personen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan het vereisen van medische onderzoeken bij vertrek of binnenkomst, het vereisen van (een bewijs van) inenting of profylaxe5 Geneesmiddel ter voorkoming van ziekte., het toepassen van quarantainemaatregelen bij mogelijk besmette personen, het isoleren en behandelen van besmette personen en het opleggen van beperkingen aan personen uit getroffen gebieden. Aanbevelingen kunnen ook betrekking hebben op goederen, containers en vervoermiddelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan het uitvoeren van inspecties, het toepassen van ontsmettingsmaatregelen, het isoleren en het vernietigen van besmette goederen. Het blijven overigens aanbevelingen, met andere woorden: de lidstaat hoeft deze niet op te volgen. Niettemin zal er zeker sprake zijn van grote internationale politieke druk om dit wel te doen. Overigens sluit deze formeel nieuwe positie van de WHO, zoals neergelegd in de IHR, aan bij de al bestaande praktijk. Dit is vooral gebleken uit het optreden van de WHO bij uitbraken van SARS en vogelgriep. Plaatsen van binnenkomst De IHR eist dat lidstaten plaatsen aanwijzen waar het risico op import van besmettelijke ziekten vanuit het buitenland dusdanig groot is dat hier specifieke eisen voor moeten worden gesteld vanuit het oogpunt van het voorkómen en bestrijden van infectieziekten. Wat betreft deze specifieke eisen gaat het onder meer om het hebben van bepaalde sanitaire voorzieningen, medische faciliteiten, beschikbaar gekwalificeerd personeel om toezicht te houden op vervoermiddelen, opdat daar aanwezige ziektebronnen kunnen worden geconstateerd en vernietigd, en voorzieningen voor het onderzoeken van een persoon die mogelijk besmet is (artikel 20 en bijlage 1, onderdeel B, IHR). De IHR vereist verder dat een lidstaat ervoor zorgt dat de aangewezen plaatsen van binnenkomst vrij worden gehouden van besmettingsbronnen, alsook dat goederen, lijken en vervoermiddelen die komen uit of gaan naar gebieden waarvoor de WHO specifieke maatregelen heeft aanbevolen, worden gecontroleerd opdat zij vrij zijn van besmettingsbronnen (artikel 22 IHR). In de IHR van 1969 waren vergelijkbare bepalingen opgenomen. Deze hadden echter slechts betrekking op het bestrijden van cholera, gele koorts en pest. Bijzondere gezondheidsmaatregelen voor vervoermiddelen, containers en vervoersexploitanten De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat vervoersexploitanten voldoen aan de door de WHO aanbevolen gezondheidsmaatregelen, dat vervoersexploitanten de reizigers op de hoogte stellen van de door de WHO aanbevolen en door de lidstaat aangenomen maatregelen, en dat vervoersexploitanten hun vervoermiddelen vrij houden van besmettingsbronnen (artikel 24 en bijlagen 4 en 5 IHR). Vervoersexploitanten zijn natuurlijke of rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt en waarbij gebruik wordt gemaakt van een aangewezen plaats van binnenkomst. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat vervoersexploitanten die gebruik maken van containers, deze containers vrij houden van besmettingsbronnen. Datzelfde geldt voor de laadzones voor de containers (artikel 34 IHR). Gezondheidsdocumenten Vanwege het voorkómen van infectieziekten kunnen lidstaten bepaalde vaccinaties of het gebruik van profylaxe verplicht stellen voor reizigers die deze landen willen binnenkomen. Hiervoor zijn in de IHR bepalingen gesteld. Zo dient de inenting van personen of de toediening van profylaxe aan personen ter verkrijging van een internationaal geldig certificaat te voldoen aan bepaalde voorschriften (artikel 36, bijlagen 6 en 7 IHR). De lidstaten dienen centra aan te wijzen die inentingen tegen gele koorts aanbieden opdat de kwaliteit en veiligheid van de gebruikte procedures en materialen worden gewaarborgd. Certificaten van sanitaire controle van schepen en certificaten tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen dienen op verzoek door de lidstaten te worden afgegeven indien het schip vrij is van besmetting. De certificaten dienen te worden opgesteld conform een model (artikel 39, bijlage 3 IHR). De lidstaat dient aan de WHO mee te delen welke havens bevoegd zijn om deze certificaten af te geven (artikel 20 IHR). De IHR maakt het mogelijk om van gezagvoerders van schepen en luchtvaartuigen die een internationale reis maken te verlangen dat zij de maritieme gezondheidsverklaring respectievelijk het gezondheidsgedeelte van de algemene verklaring voor luchtvaartuigen overleggen. Het gaat hier om het verstrekken van bepaalde gegevens over de gezondheidstoestand van de zich aan boord bevindende passagiers. Kosten De kosten van quarantainemaatregelen, medisch onderzoek of vereisten van inenting of profylaxe, ten aanzien van personen die een internationale reis maken en die geen tijdelijk of permanent verblijf wensen, dienen niet in rekening te worden gebracht aan deze personen. Dat geldt ook voor maatregelen die op de bagage van deze personen worden toegepast. De overheid die deze maatregelen oplegt, dient deze kosten te dragen. Indien deze maatregelen echter worden getroffen ten aanzien van werknemers van vervoersexploitanten mogen deze kosten wel aan de vervoersexploitant in rekening worden gebracht (artikel 40 IHR). Landelijk coördinatiepunt De IHR verplicht tot het instellen van een landelijk coördinatiepunt, dat te allen tijde bereikbaar is voor communicatie met de WHO. Voor het Koninkrijk is het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) in Nederland aangewezen als coördinatiepunt. Het RIVM rapporteert namens het Koninkrijk rechtstreeks aan de WHO. Vanwege de afstand tot het Caribische deel van het Koninkrijk en het daarmee gepaard gaande tijdsverschil, is ervoor gekozen om in dit deel van het Koninkrijk sub-coördinatiepunten op te zetten. In Sint Maarten zal het subcoördinatiepunt bestaan uit twee personen, werkzaam bij de Afdeling Volksgezondheid en de Dienst Collectieve Preventie van het Ministerie van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid. Voorgesteld wordt om in onderhavige landsverordening de taak tot regionale en internationale afstemming en communicatie op het gebied van infectieziekten bij de minister neer te leggen. Hiermee is beoogd uitvoering te geven aan de informatieverplichtingen van de Internationale Gezondheidsregeling. Het ligt voor de hand dat de uitvoering van deze taak wordt verricht door het hiervoor genoemde subcoördinatiepunt. Hiervoor zal het Organisatiebesluit Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid moeten worden aangepast. Het subcoördinatiepunt dat voor Sint Maarten wordt aangewezen rapporteert aan de Pan American Health Organization (hierna: PAHO), het RIVM en de Caribbean Public Health Agency (hierna: CARPHA).
- Infectieziektebestrijding 3.
- Herziene indeling infectieziekten Zoals eerder is aangegeven, wordt het toepassingsgebied van de meldingsverplichtingen aan de WHO bepaald aan de hand van een beslisboom die in bijlage 2 van de IHR is omschreven. Deze meldingsplicht wordt niet meer beperkt tot bekende ziekten. Het is het potentiële risico dat hierbij de doorslag dient te geven. Het meldingssysteem dient hierop te worden afgestemd. Dat dient onder meer tot een aanpassing van de indeling van infectieziekten te leiden. Naast deze aanpassing, een opdeling in groepen - van A tot en met C - wordt een drietal meldingsplichten geformuleerd, die niet aan bekende ziekten zijn gekoppeld. Verder zijn de meldingsplichten voor de gezagvoerders van schepen en luchtvaartuigen geactualiseerd. Het systeem van indeling in groepen van infectieziekten heeft betrekking op zowel de meldingsplichten als de maatregelen die direct aan personen kunnen worden opgelegd. De ziekten uit groep A zijn het meest bedreigend voor de volksgezondheid, daarna volgen respectievelijk de ziekten uit groep B1, B2 en C. In de bijlage II bij de toelichting is een lijst opgenomen met de ziekten die zijn opgenomen in de respectievelijke groepen en de reden van indeling in desbetreffende groep. De maatregel van quarantaine kan alleen op ziekten uit groep A worden toegepast. De maatregel van isolatie kan alleen op ziekten uit groep A en B1 worden toegepast. De maatregel van een beroeps- of bedrijfsverbod kan alleen op de ziekten uit groep A, B1 en B2 worden toegepast. Bij ziekten uit groep C kunnen geen, ten opzichte van personen, dwingende maatregelen worden toegepast. De ziekten van groep C worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgesteld. Hiermee wordt bij de indeling van deze groep meer flexibiliteit verkregen. De door de voormalige Nederlandse Antillen ingestelde Landelijke Adviescommissie Infectieziekten heeft advies uitgebracht over de indeling van de groepen, waarbij de stand van het wetenschappelijk inzicht in acht is genomen. Maatregelen voor gebouwen, vervoermiddelen, goederen en lijken kunnen niet worden beperkt tot de groepsgewijs beschreven ziekten, maar dienen op grond van de IHR te worden gekoppeld aan het begrip ‘besmetting’. Voor de ziekten behorende tot groep A, B1 en B2 blijft vaststelling bij landsverordening noodzakelijk. Omwille van het volksgezondheidsbelang verkrijgt de Minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid via deze landsverordening als noodmaatregel evenwel de bevoegdheid om - in afwachting van regeling bij landsverordening - op zeer korte termijn een infectieziekte, die niet behoort tot groep A, B1, B2 of C of een onbekend ziektebeeld met een vermoedelijk epidemisch karakter, aan te merken als behorend tot groep A, B1 of B2, alsook om een infectieziekte uit groep B1, B2 of C aan te merken als behorend tot een hogere groep. De minister dient vervolgens ook in de regeling te bepalen welke bepalingen van de landsverordening voor de infectieziekten behorende tot de desbetreffende groep van toepassing zijn. Daarbij is de mogelijkheid opgenomen om, indien een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, te bepalen dat een dergelijke ‘opschaling’ onmiddellijk na bekendmaking in werking treedt. Die bekendmaking kan in verband met de vereiste spoed in een zodanig geval geschieden via een persbericht. Groep A In groep A worden opgenomen: polio, pokken, severe acute respiratory syndrome (SARS) en virale hemorragische koorts. Dit komt overeen met de groep ziekten waarvan de WHO heeft vastgesteld dat reeds één incident altijd direct via de WHO aan de internationale gemeenschap moet worden gemeld. In de IHR is in de eerste groep van bijlage 2 naast bovengenoemde drie ziekten ook ‘humane influenza veroorzaakt door een nieuw subtype’ opgenomen. De reden daarvoor is de actuele dreiging van een grieppandemie. Dit nieuw subtype influenza is in het onderhavige ontwerp niet in groep A opgenomen, maar valt onder de meldingsplicht van artikel 15, eerste lid, dat ziet op onverwachte of onverklaarbare ziektebeelden die een bedreiging voor de volksgezondheid vormen. Wordt een dergelijk geval bevestigd, of is elders in de wereld een nieuwe vorm van influenza beschreven, dan kan dit ziektebeeld of deze ziekte langs de geschetste weg zeer snel in groep A worden geplaatst. Personen die lijden aan een infectieziekte die in groep A is opgenomen, kunnen op grond van onderhavige landsverordening worden onderworpen aan de volgende maatregelen: gedwongen opname tot isolatie of thuisisolatie; gedwongen onderzoek; gedwongen quarantaine (inclusief medisch toezicht); of, verbod van beroepsuitoefening. Groep B1 en groep B2 In de onderhavige landsverordening is de lijst van besmettelijke ziekten die is opgenomen in de huidige Landsverordening, houdende bepalingen ter bestrijding van besmettelijke ziekten aanmerkelijk gewijzigd. Tot groep B1 horen: humane infectie veroorzaakt door een dierlijk influenzavirus, difterie, pest, rabies en tuberculose. Personen die lijden aan een infectieziekte die in groep B1 is opgenomen, kunnen op grond van onderhavige landsverordening worden onderworpen aan de volgende maatregelen: gedwongen opname tot isolatie of thuisisolatie; gedwongen onderzoek; of, verbod van beroepsuitoefening. Tot groep B2 behoren: buiktyfus (typhoid fever), cholera, hepatitis A, B en C, kinkhoest, mazelen, paratyfus, rubella, shigatoxine producerende echerichia coli (STEC) of enterohemorragische escherichia coli-infectie, shigellose, invasieve groep A streptokokkeninfectie en voedselinfectie, voor zover vastgesteld bij twee of meer patiënten met een onderlinge relatie wijzend op voedsel als bron. Personen, die lijden aan een infectieziekte die in groep B2 is opgenomen, kunnen op grond van onderhavige landsverordening worden onderworpen aan de volgende maatregel: verbod van beroepsuitoefening. Groep C In de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen groep C zullen vooralsnog de volgende ziekten worden opgenomen: anthrax (miltvuur), bof, botulisme, brucellose, chikungunya, dengue, gele koorts, hantavirusinfectie, haemophilus influenzae infectie, humaan immunodeficiëntie virus infectie, legionellose, leptospirose, listeriose, malaria, meningokokkenziekte (neisseria meningitidis), MRSA infectie, pneumokokkenziekte (streptococcus pneumoniae), psittacose, Q-koorts, seksueel overdraagbare aandoeningen, tetanus, trichinose, West-Nijlvirus infectie, ziekte van Creutzfeldt-Jakob. Hierbij wordt mede voldaan aan de IHR in samenhang met recent verworven epidemiologische inzichten. Aan personen, die lijden aan een infectieziekte die in groep C is opgenomen, kunnen op grond van onderhavige landsverordening geen dwingende maatregelen worden opgelegd. Het is echter nodig om bij de melding ook de persoonsgegevens te verstrekken om de inzet van vrijwillige te adviseren maatregelen rond de patiënt of anderen in de gemeenschap mogelijk te maken. 3.
- Meldingsplichten Meldingsplicht voor geneeskundigen De meldingsplicht van een geneeskundige aan de Dienst Collectieve Preventie betreft ten eerste gevallen van ziekte behorende tot de groepen A tot en met C. In sommige gevallen moet ook een vermoeden van een geval van ziekte worden gemeld. Voor infectieziekten behorende tot groep C, waarbij de meldingsplicht op een gegeven moment geen direct toegevoegde waarde heeft, kan overigens op grond van artikel 11, vierde lid, de actieve meldingsplicht van de geneeskundige in wezen beperkt worden tot een informatieplicht op verzoek van de Dienst Collectieve Preventie. De nieuwe open internationale meldingsvereisten uit de IHR (van ziekte naar risico) moeten terugkomen in de meldingsverplichtingen voor Sint Maarten. Daarom zijn in deze landsverordening de volgende twee algemene situaties opgenomen, die door een geneeskundige gemeld moeten worden: gevallen van besmettelijke infectieziekten waarvoor de geneeskundige naar het heersende wetenschappelijke inzicht geen verklaring kan vinden; en, een in één geneeskundigenpraktijk ongewoon (en dus ook onverwacht) aantal gevallen van een besmettelijke infectieziekte die niet op de lijst van meldingsplichtige ziekten staat maar wel een gevaar vormt voor de volksgezondheid. Op grond van de eerstgenoemde verplichting dienen ook gevallen van ‘humane influenza veroorzaakt door een nieuw subtype’ te worden gemeld. Mondiaal gezien is het melden van een dergelijke ziekte aan de WHO belangrijk omdat sprake kan zijn van het ontstaan van een nieuwe grieppandemie (denk bijvoorbeeld aan de uitbraak van deH1N1-variant, soms ten onrechte als Mexicaanse griep aangeduid). Bij gebrek aan een onderscheidende casusdefinitie en gegeven het grote aantal ‘gewone’ gevallen van griep dat jaarlijks voorkomt, is opname in groep A ongewenst, aangezien een vermoeden van het zich voordoen van een ziekte behorend tot groep A de mogelijkheid opent van vergaand ingrijpen in burgerlijke vrijheden. Onder de tweede verplichting valt de melding van bijvoorbeeld exotische ziekten of een in Sint Maarten nog niet geconstateerde zoönose6 Infectieziekte van een dier die op de mens kan overgaan.. Deze zijn vanuit het oogpunt van doelmatigheid niet opgenomen in de groepen A, B1, B2 en C. Het is door het toegenomen internationale verkeer evenwel niet uitgesloten dat zij opduiken. Indien deze ziekten zich voordoen is het waarschijnlijk dat zij onder de meldingsplicht van de IHR vallen. Dit is de reden voor deze meldingsplicht in deze landsverordening. Daarnaast is de IHR ook aanleiding geweest om te voorzien in de meldingsplicht voor een geneeskundige bij constatering van een lijk met een besmetting waardoor een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan ontstaan. Dit is nodig opdat de minister tijdig de nodige maatregelen kan treffen. Meldingsplicht van het hoofd van een laboratorium De meldingsplicht voor het hoofd van een laboratorium aan de Dienst Collectieve Preventie betreft alle ziekten behorende tot de groepen A, B1, B2 en C. Een melding door het laboratorium laat onverlet de meldingsplicht van de geneeskundige, omdat: a) soms al bij een vermoeden gemeld moet worden; b) soms alleen al op het klinische beeld tot een positieve diagnose moet worden besloten; c) vals-negatieve uitslagen niet tot een laboratoriummelding leiden en alleen door de behandelaar opgemerkt kunnen worden; en, d) de behandelend geneeskundige als enige over alle relevante gegevens van de patiënt beschikt en de Dienst Collectieve Preventie in beginsel niet in contact mag treden met de patiënt zonder overleg te hebben gehad met de behandelend geneeskundige. Rol Dienst Collectieve Preventie Bij signalering van een onverwachte toename van infectieziekten, bij een dreiging van een uitbraak of bij belangrijke incidenten zal de Dienst Collectieve Preventie alle professioneel betrokkenen informeren en adviseren over hoe eventueel te handelen. Doorgeven van gegevens De geneeskundige dient bij een melding van een infectieziekte behorend tot groep A, B1 of B2, alsmede bij een melding van een besmettelijke ziekte met onbekende oorzaak, naast gegevens over de ziekte ook de naam, het adres, het geslacht, de geboortedatum, het nummer van het identiteitsbewijs en de verblijfplaats van de betrokken persoon aan de Dienst Collectieve Preventie te melden. De reden hiervoor is dat bron- en contactonderzoek moet worden gestart en mogelijk dwingende maatregelen gericht op het individu alsook (vrijwillige) collectieve maatregelen moeten worden toegepast. De Dienst Collectieve Preventie dient daartoe contact op te nemen met de patiënt om diens medewerking te verkrijgen opdat kan worden overgegaan tot bijvoorbeeld: medisch onderzoek van personen die met dezelfde bron van infectie in aanraking zijn geweest; snelle vaccinatie of profylactische medicatie van groepen rondom de patiënt ter voorkoming van uitbreiding van de ziekte; ontsmetting of vernietiging van goederen waardoor de patiënt is geïnfecteerd, ter voorkoming van verspreiding van de infectie; acute aanpassing van het profylactisch beleid voor reizigersadvies, opdat er geen inadequate medicatie wordt voorgeschreven; tijdelijke sluiting van installaties die een gevaarlijk pathogeen uitstoten; het uit de handel nemen van partijen vaccins en het oproepen en opnieuw vaccineren van personen na vaststellen van vaccinfalen. De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid is bij dergelijke meldingen geoorloofd omdat deze noodzakelijk is met het oog op het zwaarwegende volksgezondheidsbelang dat gemoeid is met de bestrijding van infectieziekten. In overeenstemming met artikel 23, eerste lid, onder e, van de Landsverordening bescherming persoonsgegevens is deze verwerking van persoonsgegevens bepaald in onderhavige landsverordening, waarbij passende waarborgen zijn geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals de verplichting tot geheimhouding van deze gegevens en de beveiliging van de gegevensverwerking. Nader onderzoek door laboratorium Het hoofd van een laboratorium dient ervoor zorg te dragen dat op verzoek van de Dienst Collectieve Preventie nader onderzoek wordt gedaan naar de ziekteverwekker en dat deze geneeskundige hiervan op de hoogte wordt gesteld. De Dienst Collectieve Preventie mag hierom alleen vragen als het belang van de volksgezondheid dit vereist. Voor de bescherming van de omgeving van de geïnfecteerde patiënt, alsook om een grootschalige uitbraak van de ziekte te voorkomen, kunnen meer gegevens nodig zijn over de aard van de ziekteverwekker dan in eerste instantie bij de vaststelling ervan voor handen zijn. Soms vereist dit gespecialiseerde diagnostiek in een referentielaboratorium. Voor zover bepaalde testen in Sint Maarten niet verricht kunnen worden zullen de aanwezige laboratoria afspraken dienen te maken met externe laboratoria, die dergelijk onderzoek wel kunnen verrichten. Gegevens over de moleculair biologische structuur van een ziekteverwekker of over de resistentie tegen bepaalde medicatie kunnen van groot belang zijn voor het bestrijdingsbeleid. Clustering met ziekteverwekkers van andere patiënten kan dan vastgesteld of juist uitgesloten worden. Dit kan directe aanwijzingen geven aan de bestrijders over de wijze waarop de ziekte zich verspreidt. Bij besmetting via vectoren kan - afhankelijk van de ziekteverwekker waarom het gaat - door moleculair biologische typering met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een bron van besmetting worden vastgesteld of uitgesloten. Resistentiebepalingen tegen bepaalde medicijnen zijn van direct belang voor de bescherming of behandeling van contacten. Door de snelle toename van moderne technieken kan nu veel doeltreffender dan voorheen de identificatie en behandeling van de bron en de preventieve behandeling van personen worden ingezet en aangepast. Bij de tuberculosebestrijding, de bronopsporing van legionellabesmetting, infectie met hepatitis en sommige voedselvergiftigingen, is de microbiologische typering niet meer weg te denken als instrument voor de infectieziektebestrijding. Om die reden mag het onderzoek naar de microbiologische gegevens - en de tijdspanne waarin dit gebeurt - niet afhankelijk zijn van de vrijwillige medewerking van de patiënt of zijn behandelaar en is de verplichting tot medewerking nodig. 3.
- Havens en luchtvaartterreinen Sommige ernstige infectieziekten kunnen zich gemakkelijk internationaal verspreiden. Om dit risico tegen te gaan, is het zinvol extra waakzaam te zijn op die plaatsen waar veel internationaal verkeer plaatsvindt van mensen of goederen. Juist op deze plaatsen moeten in geval van besmettelijke ziekten snel maatregelen getroffen kunnen worden om de import of export van deze ziekten te voorkomen. Daarom bepaalt de IHR dat lidstaten plaatsen van binnenkomst dienen aan te wijzen waarvoor speciale extra eisen gelden. Binnen het Koninkrijk zijn de afzonderlijke landen daarvoor verantwoordelijk. Ook de eerder beschreven aanbevelingen van de WHO zullen gericht zijn op de plaatsen waar het internationale verkeer plaatsvindt en dus vooral betrekking hebben op de binnen de lidstaten aangewezen plaatsen van binnenkomst. In deze landsverordening wordt hieraan voldaan via de paragraaf die betrekking heeft op de havens en luchtvaartterreinen van de Sint Maarten. Extra voorzieningenniveau Het voorgeschreven voorzieningenniveau voor de haven of het luchtvaartterrein wordt vooralsnog beperkt tot het hebben van een plan voor noodsituaties op het gebied van de infectieziektebestrijding, met inbegrip van de benoeming van een coördinator. Uit dit plan moet blijken hoe de uitvoering van een infectieziektecalamiteit in de haven of het luchtvaartterrein zal worden aangepakt. Extra meldingsplichten Het risico van het binnenkomen van zieke personen die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren, is bij de plaatsen van binnenkomst het grootst. Daarom is het van groot belang dat de bevoegde autoriteiten tijdig op de hoogte zijn als er iets gaande is. Naast de reguliere meldingsplicht van geneeskundigen aan de Dienst Collectieve Preventie, gelden er daarom aparte meldingsplichten voor de gezagvoerders van een schip of luchtvaartuig bij (verdenking van) een dergelijke besmettelijke infectieziekte aan boord. Ziektegevallen die wijzen op een ernstige ziekte van besmettelijke aard die een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren, dienen te worden gemeld aan de verkeersleiding van de haven of het luchtvaartterrein. De verkeersleiding van de haven of het luchtvaartterrein dient vervolgens de (lucht)havenexploitant in te lichten. De (lucht)havenexploitant dient de Dienst Collectieve Preventie in te lichten. Die dienst dient vervolgens de minister in te lichten. Extra bevoegdheden De IHR vereist dat een lidstaat bij de plaatsen van binnenkomst bepaalde maatregelen neemt voor de faciliteiten en de aanwezige goederen en vervoermiddelen. Zo dienen de faciliteiten voor reizigers vrij te worden gehouden van besmettingsbronnen. Goederen, lijken en vervoermiddelen die komen uit of gaan naar gebieden waarvoor de WHO maatregelen heeft aanbevolen, dienen te worden gecontroleerd op besmettingsbronnen. Zo nodig dienen ontsmettingsmaatregelen te worden genomen. Een lidstaat moet er ook voor zorgen dat vervoersexploitanten voldoen aan de door de WHO aanbevolen - en door de lidstaat aangenomen - gezondheidsmaatregelen en dat de vervoersexploitanten de reizigers hiervan op de hoogte stellen. Verder dient een lidstaat ervoor te zorgen dat vervoersexploitanten hun vervoermiddelen vrij houden van besmettingsbronnen, voor zover dit praktisch uitvoerbaar is. De medewerking van (lucht)havenexploitanten en vervoersexploitanten is voor de uitvoering van deze maatregelen noodzakelijk. Daarom dient de minister over voldoende bevoegdheden te beschikken om een en ander te kunnen realiseren. Deze dienen er vooral toe om (lucht)haven- en vervoersexploitanten zonodig te dwingen om bepaalde handelingen te verrichten - bijvoorbeeld het nemen van ontsmettingsmaatregelen -, dan wel om via de Dienst Collectieve Preventie eventueel zelfstandig in te grijpen. Ook dient de minister medewerking van de autoriteiten bij de aangewezen havens en luchtvaartterreinen te kunnen verkrijgen bij het onderzoeken van vertrekkende en aankomende reizigers. Datzelfde betreft het verschaffen van informatie aan reizigers. De medewerking van de exploitant van een haven of van een luchtvaartterrein alsook van vervoersexploitanten hieraan dient te kunnen worden afgedwongen. In dit kader is tevens voorzien in de mogelijkheid van een door de minister uit te vaardigen ontsmettingsverplichting of zelfs een invoerverbod dan wel vernietiging van goederen, waaronder dieren en producten van dieren. Gezondheidsdocumenten De verplichtingen die uit de IHR voortvloeien voor gezondheidsdocumenten zijn in dit voorstel als volgt verwerkt. Voor wat betreft de certificaten van sanitaire controle van schepen en certificaten tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen is bepaald dat de minister deze op verzoek van de gezagvoerder van een schip afgeeft indien het schip vrij is van besmetting. Voor wat betreft de maritieme gezondheidsverklaring en het gezondheidsgedeelte van de algemene verklaring voor luchtvaartuigen is het volgende voorzien. Op verzoek van de minister moet de gezag-voerder van een schip of luchtvaartuig dat een internationale reis maakt deze verklaring overleggen. Voor wat betreft de internationale inentingscertificaten is het volgende voorzien. Bepaald is dat de Dienst Collectieve Preventie de inentingen verzorgt ten behoeve van het verkrijgen van een internationaal geldig certificaat als bedoeld in IHR. De minister kan als de omstandigheden daartoe aanleiding geven op de voordracht van de Dienst andere personen aanwijzen die dit mogen verrichten. Deze zullen daartoe uiteraard bevoegd en bekwaam moeten zijn.
- De algemene zorg voor de volksgezondheid en de zorg voor kwetsbare groepen 4.1 Algemene zorg voor de volksgezondheid De voorliggende ontwerp-landsverordening strekt tot het hernieuwd inkaderen van de gezondheidszorg in onze samenleving. Zoals het merendeel van de overheidsverantwoordelijkheid valt de volksgezondheid uiteen in een tweetal significante onderdelen: beleid en uitvoering. Het is essentieel om de gezondheidszorg te doen uitvoeren op basis van beleidsmatig inzicht in bijvoorbeeld de bevolkingsopbouw, risicogroepen, gezondheidsproblemen en -ontwikkelingen etc. Daartoe is het verzamelen van gegevens noodzakelijk, vervolgens het analyseren van die gegevens en tenslotte het verbinden van consequenties aan die analyses, inclusief besluitvorming ter zake van de aanpak op de korte, middellange en lange termijn. In het kader van de algemene zorg voor de volksgezondheid past voorts het in de ontwerp-landsverordening opgenomen en hiervoor in deze memorie van toelichting mede uitvoerig beschreven uitvoering geven aan de IHR. In de onderhavige ontwerp-landsverordening krijgen kwetsbare groepen bijzondere aandacht. Als kwetsbare groepen zijn in ieder geval aangemerkt jeugdigen, opgesplitst in meerdere categorieën, ouderen en personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Deze groepen hebben een veelal verhoogde kwetsbaarheid die een meer specifiek op de groep of deel daarvan toegesneden benadering wenselijk maakt. 4.2 Jeugdgezondheidszorg De rol van de overheid voor haar jeugd (overeenkomstig de definitie van de Verenigde Naties omvattende de 0-24 jarigen in de samenleving) mag niet beperkt blijven tot het volgen van de statistieken. De minister heeft de verantwoordelijkheid voor de preventieve gezondheidszorg voor de jeugd. Gezien enerzijds het grote belang voor de volksgezondheid en welzijn van de jeugd en anderzijds het longitudinale en proactieve karakter van de zorg die in één zorgcontinuüm geboden moet worden, mogen deze werkzaamheden niet aan een private partij worden uitbesteed. Elk kind of jeugdige heeft recht op zorg en de overheid is verplicht een inspanning te verrichten om elk kind op het geëigende moment of fase in zijn ontwikkeling te benaderen met een zorgaanbod vastgesteld in een jeugdgezondheidszorgpakket. De jeugdgezondheidszorg is longitu-dinaal (één zorgcontinuüm zowel organisatorisch als inhoudelijk) beginnend bij de geboorte tot het 24ste levensjaar. Deze zorg wordt gekarakteriseerd door haar proactieve aanpak. De zorgverlener zoekt namelijk het kind op en biedt vervolgens preventieve zorg aan, passend bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind alsmede de zorgvraag van de ouder(s). Het jeugdgezondheidspakket dient in ieder geval te bevatten: vaccinatie van kinderen en jeugdigen, begeleiding - waaronder opvoedingsondersteuning -, advies, instructie en voorlichting rond de groei, ontwikkeling en verzorging van het kind, de monitoring van de gezondheid van het individuele kind, screening op en signalering van gezondheidsbedreigingen alsmede coördinatie van het zorgsysteemnetwerk rond het kind als centrale dossierhouder van de jeugdgezondheidszorg. De gezondheidszorg voor adolescenten is onder meer gericht op seksuele gezondheid. Het pakket kent gelet op de voorgaande opsomming individuele en collectieve onderdelen. Het jeugdgezondheidszorgpakket vormt het raamwerk voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg. De jeugdgezondheidszorg moet een deel van haar zorg wijkgericht (met inbegrip van de scholen) aanbieden, eventueel vanuit jeugdgezondheidszorgcentra die gericht zijn op het kind, zijn gezin en de professionele opvoeders. De opvoedingsondersteuning als integraal onderdeel van de jeugdgezondheidszorg draagt bij aan de preventie van psycho-sociale en sociaal-emotionele problemen door het verstrekken van informatie, pedagogische hulp, signalering alsmede verwijzing naar en toegang tot het hulpaanbod. De jeugdgezondheidszorg is de enige die vanuit één zorgcontinuüm en geprotocolleerd aan ouders van zuigelingen, kinderen en jeugdigen opvoedingsondersteuning kan bieden in alle ontwikkelingsfasen van het kind. Een belangrijk doel van de zorg aan de jeugd is dat de ouder bewust en competent zijn taak uitvoert, waar nodig met extra steun en begeleiding. Het doel is alle ouders te bereiken, waardoor op termijn zaken als kindermishandeling en probleemgedrag bij jongeren vanuit de primaire en secundaire preventie structureel en duurzaam aangepakt kunnen worden. Vanuit volksgezondheidsoogpunt bezien, is het belangrijk dat de gehele populatie deze zorg krijgt. Dit betekent dat de jeugdgezondheidszorg gratis moet zijn om een hoge graad van toegankelijkheid te bereiken. De zorg levert in dat geval het hoogste rendement op wanneer de jeugdige volwassen is. De jeugdgezondheidszorg moet zowel individueel aan het kind, de ouder en zijn professionele opvoeders geboden worden, daarnaast ook aan groepen en specifieke risicogroepen (collectieve zorg). De zorg moet relevant zijn voor de gemeenschap of samenleving waarin zij geboden wordt, daarom is het belangrijk de gezondheidstoestand en het welzijn van de jeugd regelmatig te monitoren om snel en effectief te kunnen inspelen op gezondheidsbedreigingen. Het recht van het kind op preventieve zorg en het recht op de begeleiding en steun van ouders is vastgelegd in het Internationale verdrag inzake de rechten van het kind. Daarmee is de jeugdgezondheidszorg geen vrijblijvende aangelegenheid, maar een verdragsverplichting, die de overheid verplicht overeenkomstig die verplichting te handelen. 4.3 Ouderengezondheidszorg Tot de ouderen worden in onze samenleving gerekend zij die de pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar hebben bereikt. De gezondheidszorg voor ouderen staat niet op zich, maar vormt een belangrijk deelaspect van het seniorenbeleid en de ouderenzorg, die meeromvattend zijn en gericht zijn op het scheppen en behouden van kwaliteit van leven. Binnen de groep ouderen blijken er grote verschillen te zijn tussen ‘oudere’ en ‘jongere’ ouderen. Zo blijkt dat 75-plussers vaker alleen wonen, een lager inkomen hebben; hun gezondheid vaker als matig tot slecht ervaren; vaker chronische aandoeningen hebben; meer beperkingen ervaren in het functioneren; vaker een valongeval hebben; meer psychische problemen hebben; vaker eenzaam zijn; maatschappelijk minder actief zijn; vaker vervoersproblemen hebben; vaker gebruik maken van zorg, welzijnsvoorzieningen en hulpmiddelen en hieraan ook vaker behoefte hebben dan de 60-75 jarigen. Het is duidelijk dat de kwaliteit van het leven hierdoor flink onder druk staat. En ingeval van ziekte is dat uiteraard nog veel sterker. Hierdoor wordt de kwaliteit van leven van niet alleen de patiënt maar ook van zijn directe omgeving op zijn minst beïnvloed, maar vaak ook fundamenteel ontwricht. Zo tast bijvoorbeeld dementie de kwaliteit van het individuele leven maar tevens de sociale relaties buitengewoon ingrijpend aan. Vaak ontstaan er onder deze omstandigheden vereenzaming, sociale problemen en ziekte. De medische gezondheidszorg voor de ouderen vormt een van de onderwerpen van deze ontwerp-landsverordening, maar gezien het voorgaande is in dergelijke gevallen de sociale zorg even zo belangrijk en met het eerder genoemde aandachtsveld onlosmakelijk verbonden. Ter bereiking van voldoende zorgefficiëntie en -effectiviteit in de ouderengezondheidszorg is een adequate samen-werking met specialisten in de sociale sector (waaronder psychosociale hulpverlening) dan ook onmisbaar. De gezondheidszorg voor de ouderen verdient meer en meer de aandacht. En dat niet zonder reden: om de kwaliteit van leven te handhaven zijn de ouderen gemiddeld vaker aangewezen op geneesmiddelen en hulpmiddelen ter ondersteuning daarvan dan mensen van middelbare leeftijd. Een recent onderzoek in Nederland heeft uitgewezen dat personen van 65 jaar en ouder ruim 3 maal zoveel geneesmiddelen consumeren dan de gemiddelde Nederlander; en personen van 75 jaar en ouder zelfs meer dan 5 maal zoveel7 Bron: Farmacie in cijfers 2009, no. 20 van de Stichting Farmaceutische Kengetallen.. Aangenomen mag worden dat zulks hier te lande niet anders zal zijn. Aangezien aan medicijngebruik bovendien veelal een doktersconsult voorafgaat, mag aangenomen worden dat ook het doktersbezoek bij ouderen beduidend hoger ligt dan bij personen van de gemiddelde leeftijdscategorie. Tevens is uit onderzoek gebleken dat naarmate ouderen zich in economisch en sociaal verband overbodig voelen, zij meer somatische klachten kunnen ontwikkelen. De ontwikkeling en uitvoering van ouderengezondheidszorg dient derhalve binnen dit multisectoraal perspectief te geschieden. Hetzelfde multisectorale perspectief dient vervolgens uiteraard terug te komen in de evaluaties en toezichtstructuren binnen dit beleidsterrein. Er zal dus zowel binnen als buiten de ouderengezondheidszorg beleid ontwikkeld en getoetst moeten worden met inbreng van de aangrenzende sectoren (waaronder die van de sociale ontwikkeling). In dit verband wordt gewezen op de beleidsvisie van de WHO, zoals neergelegd in het uit 2002 daterende document “Active Ageing, A Policy Framework”. Drie pijlers staan in het concept van Active Aging centraal: participatie, gezondheid en veiligheid. Bij participatie gaat het overigens niet alleen om de ouderen zelf, maar ook om de wisselwerking tussen andere groepen in onze samenleving en de ouderen. Participatie ziet onder meer op: de verdeling van de lasten verbonden aan de zorg voor de ouderen ter vergroting van het financieel draagvlak; het scheppen van zekerheid wat betreft inkomsten, uitgaande van een erkend bestaansminimum en met aandacht voor de besteding van de inkomsten; pensioenregelingen ter aanvulling op het AOV; door werk te verrichten (zowel betaald als op vrijwilligersbasis) of deelname aan sociale activiteiten; het volgen van onderwijs als zinvolle tijdsbesteding. Bij gezondheid gaat het niet alleen om de curatieve zorg, maar ook om de relatie met de preventieve zorg en de inbedding in de maatschappelijke zorg. Preventie gericht op ouderen heeft tot doel ouderen zo lang mogelijk zelfstandig, onafhankelijk en gezond te houden. Hierbij moet gedacht worden aan: het feit dat preventie niet iets is wat pas op latere leeftijd de aandacht dient te krijgen: door vroegtijdige aandacht voor bepaalde aspecten (voeding, beweging e.d.) kan een gezond levenspatroon worden ontwikkeld waar men als oudere de vruchten van plukt; het trainen van zorgverleners gericht op het omgaan met ouderen; het inzichtelijk maken van vraag en aanbod in de ouderenzorg en het doen aansluiten van beide op elkaar; aandacht voor het bestaan van functiebeperkingen en zo mogelijk het opheffen daarvan; realiseren van een betaalbaar stelsel van (ouderen)gezondheidszorg (algemene verzekering); het inspelen op specifieke problemen (verslaving, van psychische, psychosociale, of psychogeriatische aard etc.) Bij veiligheid gaat het primair om huisvesting en het aanpakken en voorkomen van verwaarlozing. Hierbij zijn de volgende aandachtspunten van belang: huisvesting heeft direct te maken met leefbaarheid, waarbij samenlevingsvormen in grotere gemeenschappen tot de mogelijkheden behoren, waarbij voldoende aandacht bestaat voor de eigenheid van ieder individu; verwaarlozing kan ontstaan door: het ontbreken van een levenspartner, waardoor men geen steun en hulp (meer) krijgt en zich eenzaam voelt; het huishouden gaat moeizamer; persoonlijke verzorging gaat moeizamer; boodschappen doen is soms niet langer mogelijk; soms weinig contacten met (klein)kinderen en overige familieleden, wat het gevolg kan zijn van ‘terugtrekgedrag’, waarin de familie zich volledig terugtrekt en alle zorgverantwoordelijkheid aan instanties overlaat, met als gevolg veelal meer ziektegedrag, meer en la