Deze verordening regelt de bouwactiviteiten in Hellevoetsluis, met een focus op de aanvraag van omgevingsvergunningen voor het bouwen en specifieke regels voor bouwen op verontreinigde grond en de plaatsing van bouwwerken ten opzichte van de weg.
Bouwverordening Hellevoetsluis 2005 14e wijzigingHOOFDSTUK1INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsomschrijvingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders; bouwbesluit : de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; bouwtoezicht : degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht; bouwwerk : elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grónd, bedoeld om ter plaatse te functioneren; gebruiksoppervlakte : de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit; hechtgebonden asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit; NEN : een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; NVN : een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; Omgevingsvergunning voor het bouwen : vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; straatpeil: voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; weg : alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. 2.In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk gebouw: een gedeelte van een gebouw Artikel1.2Termijnen Vervallen. Artikel1.3Indeling van het gebied van de gemeente Vervallen. HOOFDSTUK2DE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET BOUWEN Paragraaf1Gegevens en bescheiden Artikel2.1.1Aanvraag bouwvergunning Vervallen. Artikel2.1.2In de aanvraag op te nemen gegevens Vervallen. Artikel2.1.3Bij de aanvraag in te dienen bescheiden Vervallen. Artikel2.1.4Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen Vervallen. Artikel2.1.5Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Vervallen. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen. 5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Zie ook bijlage 13. Artikel2.1.6Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning Vervallen. Artikel2.1.7Bouwregistratie Vervallen. Artikel2.1.8Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen Vervallen. Paragraaf2Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning Artikel2.2.1Ontvangst van de aanvraag Vervallen. Artikel2.2.2Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening Vervallen. Artikel2.2.3Bekendmaking van termijnen Vervallen. Artikel2.2.4In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening Vervallen. Artikel2.2.5In behandeling nemen en bodemonderzoek Vervallen. Artikel2.2.6Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning Vervallen. Paragraaf3Welstandstoetsing Artikel2.3.1Welstandscriteria Vervallen. Paragraaf4Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem Artikel2.4.1Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem 1.Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en 1 dat de grond raakt, of 2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel2.4.2Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Paragraaf5Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen Artikel2.5.1Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen Vervallen. Artikel2.5.2Anti-cumulatiebepaling Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. Artikel2.5.3Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen Vervallen... Artikel2.5.4Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten Vervallen. Artikel2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijn De voorgevelrooilijn is: langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a. bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg. Artikel2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5. 7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Artikel2.5.7Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden. Artikel2.5.8Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn 1.In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden; erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7; overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken. bouwwerken aan of bij een monument -als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening- voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving. 2.Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg; 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt. Artikel2.5.9Bouwen op de weg In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; vrijstaande winkel- of reclamevitrines; reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn. Artikel2.5.10Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken 1.Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend; in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst; in de gevallen, bedoeld in het derde lid. 3.Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken -over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil -worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. 4.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; gebouwen op handels- en industrieterreinen; vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen. gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbij behorende woningen; gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat. Artikel2.5.11Ligging achtergevelrooilijn 1.De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich: in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan een ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste; in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 114 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 114 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. 2.Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen. 3.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten. Artikel2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Artikel2.5.13Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvaneen omgevingsvergunning is vereist, die bij het aftonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; terrassen, bordessen en bordestreden; antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Artikel2.5.14Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; binnen de bebouwde kom gelegen kassen; vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht; gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist; ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. Artikel2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen 1.Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die: over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter. 2.De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in: het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot de bewoning bestemd is; het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: een gunstige, andere indeling van het erf aanwezig is; het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water,aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slecht aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht; bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd. Artikel2.5.16Erf bij overige gebouwen 1.Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen; indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn. Artikel2.5.17Ruimte tussen bouwwerken 1.De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn; niet toegankelijk zijn. Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte. Artikel2.5.18Erf- en terreinafscheidingen 1.Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein. Artikel2.5.19Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen 1.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer. 2.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd. 3.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van: het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat. Artikel2.5.20Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter. 3.De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn. 4.Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen. Artikel2.5.21Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. 2.De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn. 3.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. 4.Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. Artikel2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn 1.Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 -de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21 , tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. Artikel2.5.23Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: 45 graden in de bebouwde kom; 37 graden buiten de bebouwde kom. 2. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. Artikel2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken 1.De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15 meter. 2.Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst gelegen weg. Artikel2.5.25Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen 1.De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat -uitgaande van een goothoogte van genoemde maat -daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is. 2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen. Artikel2.5.26Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken 1.De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil. 2.De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -voor zover zij de maximale hoogte overschrijden -buiten beschouwing worden gelaten. Artikel2.5.27Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op: onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter. Artikel2.5.28Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; agrarische bedrijfsgebouwen; het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien: de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard; plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter; dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1, 75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren; draagconstructies voor een reclame; vrijstaande schoorstenen; bouwwerken op een monument -als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. Artikel2.5.29Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien: er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of beheersverordening of projectbesluit van kracht is; geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is; de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid; de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Artikel2.5.30Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen 1.Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. 2.De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen; indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst -ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen. 3.Indien de bestemming van een gebouwaanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 4.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid: indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Paragraaf6Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Artikel2.6.1Beginsel inzake brandmeldinstallaties Vervallen. Artikel2.6.2Aanwezigheid van brandmeldinstallaties Vervallen. Artikel2.6.3Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties Vervallen. Artikel2.6.4Kwaliteit van brandmeldinstallaties Vervallen. Artikel2.6.5Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties Vervallen. Artikel2.6.6Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties Vervallen. Artikel2.6.7Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties Vervallen. Artikel2.6.8Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen Vervallen. Artikel2.6.9Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen Vervallen. Artikel2.6.10Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen Vervallen. Artikel2.6.11Gelijkwaardigheid Vervallen. Paragraaf7Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen Artikel2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding Vervallen. Artikel2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet Vervallen. Artikel2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet Vervallen. Artikel2.7.3A (facultatief)Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming Vervallen. Artikel2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering Vervallen. Artikel2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering Vervallen. Artikel2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Vervallen. Artikel2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen Vervallen. HOOFDSTUK3DE MELDING Artikel3.1De wijze van melden Vervallen. Artikel3.2Welstandscriteria Vervallen. HOOFDSTUK4PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK Artikel4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden Vervallen. Artikel4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden Vervallen. Artikel4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie Vervallen. Artikel4.4Het uitzetten van de bouw Vervallen. Artikel4.5.Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden Vervallen. Artikel4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen Vervallen. Artikel4.7Bemalen van bouwputten Vervallen. Artikel4.8Veiligheid op het bouwterrein 1.Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. 4.Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn. Artikel4.9Afscheiding van het bouwterrein Vervallen. Artikel4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder Vervallen. Artikel4.11Bouwafval 1.Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties: de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; overig afval. 2.Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden. 3.Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Artikel4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden Vervallen. Artikel4.13Melden van werken bij lage temperaturen Vervallen. Artikel4.14Verbod tot ingebruikneming Vervallen. HOOFDSTUK5STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN EN HET WEREN VAN SCHADELIJK EN HINDERLIJK GEDIERTE Paragraaf1Staat van open erven en terreinen Artikel5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen Vervallen. Artikel5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen Vervallen. Artikel5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten Vervallen. Paragraaf2Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Artikel5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Vervallen. Artikel5.2.2Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen Vervallen. Artikel5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard Vervallen. Artikel5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen Vervallen. Artikel5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen Vervallen. Paragraaf3Aansluiting op de nutsvoorzieningen Artikel5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. Artikel5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet Vervallen. Artikel5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet Vervallen. Artikel5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering Vervallen. Artikel5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering Vervallen. Artikel5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Vervallen. Artikel5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen Vervallen. Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel5.4.1Preventie Vervallen. HOOFDSTUK6BRANDVEILIG GEBRUIK Vervallen. HOOFDSTUK7OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN Paragraaf1Overbevolking Artikel7.1.1Overbevolking van woningen Vervallen. Artikel7.1.2Overbevolking van woonwagens Vervallen. Paragraaf2Staken van het gebruik Artikel7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid Vervallen. Artikel7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne Vervallen. Artikel7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen Vervallen. Paragraaf3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel7.3.1 Vervallen. Artikel7.3.2Hinder Vervallen. Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel7.4.1.Preventie Vervallen. Paragraaf5Watergebruik Artikel7.5.1Verboden gebruik van water Vervallen. Paragraaf6Installaties Artikel7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties Vervallen. HOOFDSTUK7AVERBLIJFSINRICHTINGEN Artikel7a.1Begripsomschrijving Dit hoofdstuk verstaat onder: verblijfsinrichting : een gebouw of een gedeelte van een gebouw: dat valt onder de woonfunctie als bedoeld in het Bouwbesluit 2003, en dat door de wijze waarop het wordt gebruikt of de wijze van inrichting of de wijze van constructie niet als zelfstandige woonruimte als bedoeld in de Huisvestingswet wordt aangemerkt; en waarin aan meer dan twee niet tot het huishouden van de exploitant behorende personen al dan niet tegen betaling verblijf wordt verschaft dan wel, wegens het aantal slaapplaatsen kan worden verschaft: of waarin aan meer dan één meerpersoonshuishouden (met uitzondering van de situatie waarbij sprake is van twee meerpersoonshuishoudens en het kleinste huishouden uit niet meer dan twee personen bestaat) al dan niet tegen betaling verblijf wordt verschaft dan wel, wegens het aantal slaapplaatsen kan worden verschaft; exploitant : degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting als omschreven onder a. exploiteert; woongroep : een woongroep wordt aangemerkt als meerpersoonshuishouden, indien deze voldoet aan de volgende eisen: de woongroep is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid; in de statuten is opgenomen dat de vereniging tot doel heeft het bieden van woonruimte aan haar leden op een in de statuten op te nemen adres; de statuten voorzien in de wijze waarop nieuwe leden worden geselecteerd; in de statuten is een bepaling opgenomen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van Bijlage 9 van deze verordening; notarieel wordt vastgelegd welke bewoners van het in de statuten genoemde adres lid zijn van de vereniging. Deze bewoners zijn allen bij de afdeling burgerzaken van de gemeente op het in de statuten opgenomen adres ingeschreven; de vereniging is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; is er sprake van huur, dan worden individuele huurovereenkomsten gesloten tussen ieder lid van de vereniging dat woonachtig is op het in de statuten opgenomen adres en de verhuurder; de vereniging gaat overeenkomsten aan met de leveranciers van water, gas en licht; artikel 7.1.1. is van overeenkomstige toepassing; er wordt niet gehandeld in strijd met de statuten van de vereniging. Artikel7a.2Vergunning verblijfsinrichting Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een verblijfsinrichting te exploiteren. Artikel7a.3Gebruikseisen Voor de exploitatie van een verblijfsinrichting worden, onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 6 en 7 van deze verordening, gebruikseisen vastgesteld die in het kader van de veiligheid alsmede de reinheid en hygiëne van de gebruikers van die verblijfsinrichting noodzakelijk zijn. Deze gebruikseisen zijn vermeld in bijlage 9 van de verordening. Artikel7a.4Aanvraag vergunning 1.Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. 2.De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in zesvoud worden ingediend. 3.De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld. 4.De bij de aanvraag om vergunning behorende bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel worden gewaarmerkt. 5.Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande situatie, moet uit de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken. 6.De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een ontvangstbewijs uitgereikt waarin de datum van ontvangst is vermeld. Artikel7a.5Termijn van beslissing 1.Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een vergunning binnen 13 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste 13 weken verdagen. 3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien: voor dezelfde verblijfsinrichting een bouwvergunning dan wel als bedoeld in het vigerende bestemmingsplan is vereist en op de aanvraag om vergunning dan wel wijziging van het gebruik nog niet is beslist; voor dezelfde verblijfsinrichting een vergunning tot woonruimte-onttrekking op grond van de Huisvestingsverordening is vereist en op die vergunningaanvraag nog niet is beslist. 4.De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist op een aanvraag om bouwvergunning, op een gebruikswijziging als bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel op een verzoek om woonruimte-onttrekking als bedoeld onder letter b, van het derde lid. Artikel7a.6Weigeringsgronden 1.De vergunning wordt geweigerd indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet: de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van de verblijfsinrichting voldoet niet aan de in hoofdstuk 6, paragraaf 2 en paragraaf 3, hoofdstuk 7 of Bijlage 9 van de verordening vermelde gebruikseisen; de bouwvergunning dan wel de toestemming tot gebruikswijziging is geweigerd; de vergunning tot woonruimte-onttrekking is geweigerd; de exploitatie c.q. de wijze van gebruik is in strijd met een geldend bestemmingsplan; burgemeester en wethouders zijn, voordat de aanvraag om vergunning is ontvangen, overgegaan tot aanschrijving krachtens de Woningwet van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; burgemeester en wethouders zijn van oordeel dat de staat van onderhoud van het pand waar de aanvraag betrekking op heeft zodanig slecht is dat een aanschrijving krachtens de Woningwet moet worden gedaan; de inrichting van het gebouw waar de aanvraag betrekking op heeft verzet zich tegen het verlenen van de gevraagde vergunning, waarvan in ieder geval sprake is, indien de inrichting van het gebouw waar de aanvraag betrekking op heeft niet voldoet aan de daarvoor in het Bouwbesluit opgenomen eisen, waarbij de aanvraag zowel aan de eisen voor bestaande bouw als aan de eisen voor nieuwbouw dient te worden getoetst. 2.Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder a. indien in de verblijfsinrichting zodanige voorzieningen worden getroffen dat de veiligheid en de gezondheid van de gebruikers en de reinheid en hygiëne in de verblijfsinrichting zijn gewaarborgd. Artikel7a.7Intrekken vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken indien: blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend; blijkt, dat de exploitant niet heeft voldaan aan, danwel in strijd handelt met de in bijlage 9 van de verordening vermelde gebruikseisen; van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; een verandering van de technische inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de verblijfsinrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te beschermen; de samenstelling van (een gedeelte van) het gebouw waarin de inrichting is gevestigd wordt veranderd; de tot de inrichting behorende installaties of voorzieningen worden veranderd; burgemeester en wethouders overgaan tot aanschrijving krachtens de Woningwet van het gebouw waarin de inrichting is gevestigd; burgemeester en wethouders het gebouw waarin de inrichting is gevestigd onbewoonbaar hebben verklaard; de exploitant de exploitatie heeft gestaakt; de inrichting van (een gedeelte van) het gebouw niet meer voldoet aan de daarvoor in het Bouwbesluit opgenomen eisen, waarbij die inrichting zowel aan de eisen voor bestaande bouw als aan de eisen voor nieuwbouw dient te voldoen; de exploitatie van de verblijfsinrichting gepaard gaat met overlast voor de omgeving en deze overlast niet op eerste aanzegging van burgemeester en wethouders wordt beëindigd. Artikel7a.8Verplicht aanwezige bescheiden De exploitant is verplicht om de vergunning in de verblijfsinrichting waarop de vergunning betrekking heeft ter beschikking te houden en deze vergunning op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage te geven. Artikel7a.9Geldigheidsduur vergunning Een door burgemeester en wethouders verleende vergunning als bedoeld in artikel 7a.2 heeft een geldigheidsduur van drie jaar. HOOFDSTUK8SLOPEN Paragraaf1Omgevingsvergunning voor het slopen Artikel8.1.1.Omgevingsvergunning voor het slopen Vervallen. Artikel8.1.2Aanvraag sloopvergunning Vervallen. Artikel8.1.3In behandeling nemen Vervallen. Artikel8.1.4Termijn van beslissing Vervallen. Artikel8.1.5Samenloop van slopen en bouwen Vervallen. Artikel8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen Vervallen. Artikel8.1.7Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen Vervallen. Paragraaf2Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen Artikel8.2.1.Sloopmelding Vervallen. Artikel8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen Vervallen. Paragraaf3Verplichtingen tijdens het slopen Artikel8.3.1Veiligheid op sloopterrein Vervallen. Artikel8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden Vervallen. Artikel8.3.3.Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen Vervallen. Artikel8.3.4.Plichten van degene die sloopt Vervallen. Artikel8.3.5.Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest Vervallen. Artikel8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen Vervallen. Paragraaf4Vrij slopen Artikel8.4.1.Sloopafval algemeen Vervallen. HOOFDSTUK9WELSTAND Artikel9.1De advisering door de welstandscommissie 1.De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de Stichting Dorp, Stad & Land (DSL) die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. 2.De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 3.De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel9.2Samenstelling van de welstandscommissie 1.De welstandscommissie bestaat ten minste uit drie leden, waaronder een voorzitter en een architect, waarvan tenminste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2.Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. 3.De commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. 4.De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur. Artikel9.3Benoeming en zittingsduur van de commissie Vervallen. Artikel9.4Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de vigerende welstandsnota; de werkwijze van de commissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel9.5Termijn van advisering 1.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen uit, of onmiddellijk of uiterlijk binnen vier weken (of zoveel eerder als noodzakelijk in verband met de wettelijke beslistermijnen) nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft uit of onmiddellijk of binnen twee weken (of zoveel eerder als noodzakelijk in verband met de wettelijke beslistermijnen) nadat door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht. 3.De welstandscommissie brengt het advies over een principeplan, binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 4.Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wat algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel9.6Openbaarheid van vergaderen en mondeling toelichting 1.De behandeling van bouwplannen door, of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in het huis-aan-huisweekblad Groot Hellevoet, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2.Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen, dan wel mondeling of schriftelijk, op een later tijdstip heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3.In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een mondelinge dan wel schriftelijke uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Artikel9.7Afdoening onder verantwoordelijkheid 1.De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. 2.In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel9.8Besluit- en adviesvormvereiste 1.De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2.Zodra het advies is uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken Vervallen. Artikel9.10Reglement van Orde van de welstandscommissie 1.Burgemeester en wethouders stellen een reglement van orde van de welstandscommissie op, welke door de Raad wordt vastgesteld. 2.Deze maakt onderdeel uit van de Welstandsnota Hellevoetsluis. HOOFDSTUK10OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN Artikel10.1De aanvraag om woonvergunning Vervallen. Artikel10.2De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen Vervallen. Artikel10.3Overdragen vergunningen Vervallen. Artikel10.4Overdragen mededeling Vervallen. Artikel10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen Vervallen. Artikel10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening -of in de bij deze verordening behorende bijlagen -wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. HOOFDSTUK11HANDHAVING Artikel11.1Stilleggen van de bouw Vervallen. Artikel11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming Vervallen. Artikel11.3Stilleggen van het slopen Vervallen. Artikel11.4Onderzoek naar een gebrek Vervallen. HOOFDSTUK12STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel12.1Strafbare feiten Vervallen. Artikel12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek Vervallen. Artikel12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen Vervallen. Artikel12.4 Vervallen. Artikel12.5Overgangsbepaling sloopmelding Vervallen. Artikel12.6Slotbepaling Vervallen. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad der gemeente Hellevoetsluis, d.d.16 september 2010De voorzitter, De griffier,11e wijzigingen B&W adviesnummer 20080518 (nummer 18-09-08/9A)12ewijziging B&W adviesnummer 20080518 (nummer 18-09-08/9A) kleine wijziging adviesnummer 20090901 (nummer 10-12-09/10)13ewijziging B&W adviesnummer 20100706 (nummer 16-09-10/10)14ewijziging B&W adviesnummer 20120573 (nummer 01-11-12/8)BIJLAGE 1 GEGEVENS EN BESCHEIDEN AANVRAAG BOUWVERGUNNING.Vervallen. BIJLAGE 2 GEGEVENS EN BESCHEIDEN AANVRAAG GEBRUIKSVERGUNNING.Vervallen. BIJLAGE 3 GEBRUIKSEISEN VOOR BOUWWERKENVervallen. BIJLAGE 4 GEBRUIKSEISEN VOOR BOUWWERKEN MET UITZONDERING VAN DE NIET-GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTEN IN WOONFUNCTIESVervallen. BIJLAGE 5 OPSLAG BRANDGEVAARLIJKE STOFFENVervallen. BIJLAGE 6 OPSLAG BRANDGEVAARLIJKE STOFFENVervallen. BIJLAGE 7 KWALITEITSEISEN VOOR BUIZEN EN HULPSTUKKEN VAN DE BUITENRIOLERING OP ERVEN EN TERREINENVervallen. BIJLAGE 8 Vervallen. BIJLAGE 9 WELSTAND N.v.t. (is opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Hellevoetsluis 2010) BIJLAGE 1O TABEL 2.6.1 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 2.6.1. (BRANDMELDINSTALLATIES)Vervallen. BIJLAGE 11 TABEL 2.6.5 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 2.6.5 (ONTRUIMINGSALARM-INSTALLATIES)Vervallen. BIJLAGE 12 TABEL 2.6.8 BEHORENDE BIJ ARTIKEL 2.6.8 (VLUCHTROUTEAANDUIDING)Vervallen. BIJLAGE 14 HISTORISCH ONDERZOEK BIJ AANVRAAG REGULIERE BOUWVERGUNNING (voor vrijstelling fase 2 bodemonderzoek volgens NEN 5740 ex artikel 2.1.5 ) Gegevens van de aanvrager: 1. Naam en voorletters: 2. Adres: 3. Postcode en plaats: 4. Telefoon overdag: 5. Faxnummer: 6. E-mail adres: Gegevens omtrent de bouwlocatie: 1. Adres bouwlocatie: 2. Vroeger gebruik bouwlocatie: 3. Huidig gebruik bouwlocatie: 4. Toekomstig gebruik bouwlocatie: 5. Is op de locatie of in de directe omgeving daarvan een bedrijf gevestigd (geweest)? □ Nee □ Ja, soort bedrijf: gedurende periode: □ Onbekend 6. Zijn op de locatie of in de directe omgeving daarvan een of meer gedempte sloten aanwezig? □ Nee □ Ja, gedempt met (s.v.p. omcirkelen): puin, klei, zand, afval, boomschors, anders nl.: □ Onbekend 7. Is de locatie in het verleden opgehoogd of verhard? □ Nee □ Ja, soort ophoging en/ of verharding (s.v.p. omcirkelen): slakken, puin, asfalt, koolas, anders nl.: □ Onbekend 8. Zijn op de locatie of in de directe omgeving daarvan opslagtanks voor vloeibare brandstof aanwezig (geweest)? □ Nee □ Ja, situering aangeven op een bij te voegen situatietekening! Zo ja, zijn de tank(-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.