← Nederland

Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2021 (Emmen)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Emmen de jeugdhulp organiseert en welke procedures en criteria gelden voor het verkrijgen van jeugdhulp. Ze leggen de relatie tussen de Jeugdwet en de gemeentelijke uitvoering vast.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2021 [Tabel][Rij 1][Cel 1]Inhoudsopgave[Cel 2][Rij 2][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 3][Cel 1]Hoofdstuk / paragraaf:[Cel 2]Pagina:[Rij 4][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 5][Cel 1]Leeswijzer[Cel 2][Cel 3]5[Rij 6][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 7][Cel 1]1. Inleiding[Cel 2][Cel 3]6[Rij 8][Cel 1][Cel 2]1.1[Cel 3]Over de Jeugdwet[Cel 4]6[Rij 9][Cel 1][Cel 2]1.2[Cel 3]Over de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2020[Cel 4]7[Rij 10][Cel 1][Cel 2]1.3[Cel 3]Over de begrippen[Cel 4]7[Rij 11][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 12][Cel 1]2. Procedure (gemeentelijke) toegang tot jeugdhulp[Cel 2]8[Rij 13][Cel 1][Cel 2]2.1[Cel 3]De melding[Cel 4]8[Rij 14][Cel 1][Cel 2]2.1.1[Cel 3]Toegang via huisarts, jeugdarts en de medisch specialist[Cel 4]8[Rij 15][Cel 1][Cel 2]2.1.1.1[Cel 3]De Huisartsondersteuner (HAO'

  1. er)jeugd[Cel 4]8[Rij 16][Cel 1][Cel 2]2.1.2[Cel 3]Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting[Cel 4]9[Rij 17][Cel 1][Cel 2]2.1.3[Cel 3]Toegang via Veilig Thuis Drenthe[Cel 4]10[Rij 18][Cel 1][Cel 2]2.2[Cel 3]Spoedeisende gevallen[Cel 4]10[Rij 19][Cel 1][Cel 2]2.2.1[Cel 3]Criteria Urgentie: crisis en spoed[Cel 4]10[Rij 20][Cel 1][Cel 2]2.3[Cel 3]Vertrouwenspersoon en onafhankelijke cliëntondersteuning[Cel 4]11[Rij 21][Cel 1][Cel 2]2.4[Cel 3]Samenloop Wet langdurige zorg cliëntondersteuning[Cel 4]11[Rij 22][Cel 1][Cel 2]2.5[Cel 3]Ombudsman sociaal domein[Cel 4]11[Rij 23][Cel 1][Cel 2]2.6[Cel 3]Familiegroepsplan[Cel 4]12[Rij 24][Cel 1][Cel 2]2.7[Cel 3]Vaststelling identiteit[Cel 4]13[Rij 25][Cel 1][Cel 2]2.8[Cel 3]Het gesprek[Cel 4]13[Rij 26][Cel 1][Cel 2]2.9[Cel 3]Het verslag[Cel 4]13[Rij 27][Cel 1][Cel 2]2.10[Cel 3]De aanvraag[Cel 4]14[Rij 28][Cel 1][Cel 2]2.11[Cel 3]De Beschikking[Cel 4]15[Rij 29][Cel 1][Cel 2]2.12[Cel 3]Periodiek onderzoek[Cel 4]15[Rij 30][Cel 1][Cel 2]2.13[Cel 3]Heronderzoek klanttevredenheid/cliëntervaringsonderzoek[Cel 4]15[Rij 31][Cel 1][Cel 2]2.14[Cel 3]Versnelde procedure[Cel 4]15[Rij 32][Cel 1][Cel 2]2.15.1[Cel 3]Regiegroep[Cel 4]16[Rij 33][Cel 1][Cel 2]2.15.2[Cel 3]Beschermtafels[Cel 4]16[Rij 34][Cel 1][Cel 2]2.15.3.[Cel 3]Onderwijs-zorgarrangementen (OZA)[Cel 4]17[Rij 35][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 36][Cel 1]3. Afwegingskader voor jeugdhulp[Cel 2]18[Rij 37][Cel 1][Cel 2]3.1[Cel 3]Inleiding[Cel 4]18[Rij 38][Cel 1][Cel 2]3.2[Cel 3]Woonplaats[Cel 4]18[Rij 39][Cel 1][Cel 2]3.3[Cel 3]Algemeen afwegingskader[Cel 4]18[Rij 40][Cel 1][Cel 2]3.3.1[Cel 3]Andere wetgeving[Cel 4]19[Rij 41][Cel 1][Cel 2]3.3.2[Cel 3]Eigen kracht[Cel 4]19[Rij 42][Cel 1][Cel 2]3.3.3[Cel 3]Gebruikelijke hulp[Cel 4]19[Rij 43][Cel 1][Cel 2]3.3.4[Cel 3]Sociaal netwerk[Cel 4]20[Rij 44][Cel 1][Cel 2]3.3.4.1[Cel 3]Mantelzorg[Cel 4]20[Rij 45][Cel 1][Cel 2]3.3.5[Cel 3]Andere voorzieningen[Cel 4]20[Rij 46][Cel 1][Cel 2]3.3.6[Cel 3]Overige voorzieningen[Cel 4]21[Rij 47][Cel 1][Cel 2]3.3.7[Cel 3]De omgeving als wegingsfactor[Cel 4]22[Rij 48][Cel 1][Cel 2]3.3.8[Cel 3]Demedicalisering[Cel 4]22[Rij 49][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 50][Cel 1]4. (Boven)gebruikelijke hulp[Cel 2]24[Rij 51][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 52][Cel 1]5. Verstrekkingsvormen (of leveringsvormen)[Cel 2]25[Rij 53][Cel 1][Cel 2]5.1[Cel 3]Inleiding[Cel 4]25[Rij 54][Cel 1][Cel 2]5.2.[Cel 3]Een voorziening in natura (ZIN)[Cel 4]25[Rij 55][Cel 1][Cel 2]5.3.[Cel 3]Een persoonsgebonden budget (PGB)[Cel 4]25[Rij 56][Cel 1][Cel 2]5.3.1[Cel 3]Wettelijk kader PGB[Cel 4]25[Rij 57][Cel 1][Cel 2]5.3.2[Cel 3]Cliëntgebonden overeenkomst[Cel 4]26[Rij 58][Cel 1][Cel 2]5.3.3[Cel 3]PGB-criteria[Cel 4]26[Rij 59][Cel 1][Cel 2]5.3.4[Cel 3]Bekwaamheid van de aanvrager[Cel 4]26[Rij 60][Cel 1][Cel 2]5.3.5[Cel 3]Gemotiveerd plan [Cel 4]27[Rij 61][Cel 1][Cel 2]5.3.6[Cel 3]Kwaliteit van dienstverlening[Cel 4]27[Rij 62][Cel 1][Cel 2]5.4[Cel 3]Trekkingsrecht[Cel 4]27[Rij 63][Cel 1][Cel 2]5.5[Cel 3]Inzetten sociaal netwerk of mantelzorgers[Cel 4]28[Rij 64][Cel 1][Cel 2]5.6[Cel 3]Hoogte van een PGB[Cel 4]28[Rij 65][Cel 1][Cel 2]5.6.1.[Cel 3]Tariefsystematiek[Cel 4]28[Rij 66][Cel 1][Cel 2]5.6.2[Cel 3]Criteria PGB jeugdhulpaanbieders[Cel 4]28[Rij 67][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 68][Cel 1]6. Meedoen en zelfredzaamheid[Cel 2]29[Rij 69][Cel 1][Cel 2]6.1[Cel 3]Persoonlijke verzorging[Cel 4]29[Rij 70][Cel 1][Cel 2]6.2[Cel 3]Individuele begeleiding[Cel 4]30[Rij 71][Cel 1][Cel 2]6.3[Cel 3]Daghulp (of groepsbegeleiding)[Cel 4]31[Rij 72][Cel 1][Cel 2]6.4[Cel 3]Kortdurend verblijf (logeren)[Cel 4]31[Rij 73][Cel 1][Cel 2]6.5[Cel 3]Wonen[Cel 4]31[Rij 74][Cel 1][Cel 2]6.5.1[Cel 3]Wonen met begeleiding[Cel 4]32[Rij 75][Cel 1][Cel 2]6.5.2[Cel 3]Begeleid kamerwonen en ouder-/kindhuis[Cel 4]32[Rij 76][Cel 1][Cel 2]6.5.2.1[Cel 3]Begeleid kamer wonen (zelfstandigheidstraining)[Cel 4]32[Rij 77][Cel 1][Cel 2]6.5.2.2[Cel 3]Ouder-/kindhuis (OKH)[Cel 4]33[Rij 78][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 79][Cel 1]7. Gezond zijn en Gezond opgroeien[Cel 2]34[Rij 80][Cel 1][Cel 2]7.1[Cel 3]Inleiding[Cel 4]34[Rij 81][Cel 1][Cel 2]7.2.1[Cel 3]Basis GGZ en Specialistische GGZ (Gezond zijn)[Cel 4]34[Rij 82][Cel 1][Cel 2]7.2.2[Cel 3]Specialistische GGZ-instellingen (Gezond zijn)[Cel 4]34[Rij 83][Cel 1][Cel 2]7.2.3[Cel 3]Vaktherapie (Gezond zijn)[Cel 4]35[Rij 84][Cel 1][Cel 2]7.2.4[Cel 3]Kinderdienstencentrum (KDC) (Gezond zijn)[Cel 4]35[Rij 85][Cel 1][Cel 2]7.2.5[Cel 3]Verblijf met behandeling (Gezond zijn)[Cel 4]36[Rij 86][Cel 1][Cel 2]7.2.6[Cel 3]Wonen met zeer intensieve begeleiding (Gezond Zijn)[Cel 4]36[Rij 87][Cel 1][Cel 2]7.2.7[Cel 3]Gezinspsychiatrie met ouderschapsbehandeling en ouderschapsbeoordeling (Gezond Zijn)[Cel 4]37[Rij 88][Cel 1][Cel 2]7.3.1[Cel 3]Ambulante gezinsbehandeling (inclusief echtscheidingsproblematiek)[Cel 4]37[Rij 89][Cel 1][Cel 2]7.3.2[Cel 3]Intensieve ambulante gezinsbehandeling[Cel 4]38[Rij 90][Cel 1][Cel 2]7.3.3[Cel 3]Gezinshuizen[Cel 4]38[Rij 91][Cel 1][Cel 2]7.3.4[Cel 3]Medisch Orthopedagogisch Centrum (MOC)[Cel 4]38[Rij 92][Cel 1][Cel 2]7.4[Cel 3]Pleegzorg[Cel 4]39[Rij 93][Cel 1][Cel 2]7.5[Cel 3]Jeugdzorgplus (gesloten jeugdhulp)[Cel 4]39[Rij 94][Cel 1][Cel 2]7.5.1.[Cel 3]Procedure Jeugdzorgplus[Cel 4]39[Rij 95][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 96][Cel 1]8. Vervoer[Cel 2][Cel 3]41[Rij 97][Cel 1][Cel 2]8.1[Cel 3]Algemeen afwegingskader vervoer[Cel 4]41[Rij 98][Cel 1][Cel 2]8.2[Cel 3]Vervoer bij daghulp[Cel 4]41[Rij 99][Cel 1][Cel 2]8.3[Cel 3]Vervoer naar aanleiding van toepassing van het convenant woonplaatsbeginsel[Cel 4]41[Rij 100][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 101][Cel 1]9. Jeugdhulp aan niet-rechtmatig in Nederland verblijvende jeugdigen[Cel 2]42[Rij 102][Cel 1][Cel 2]9.1.[Cel 3]Inleiding[Cel 4]42[Rij 103][Cel 1][Cel 2]9.2 [Cel 3]Wettelijk (afwegings)kader jeugdhulp aan minderjarige vreemdeling en implicaties[Cel 4]42[Rij 104][Cel 1][Cel 2]9.3.1[Cel 3]Toegang tot jeugdhulp niet-rechtmatig in Nederland verblijvende jeugdigen[Cel 4]43[Rij 105][Cel 1][Cel 2]9.3.2[Cel 3]Veiligheidskwesties minderjarige jeugdigen op gezinslocatie (regie op bescherming)[Cel 4]43[Rij 106][Cel 1][Cel 2]9.4[Cel 3]De levering van jeugdhulp aan minderjarige vreemdelingen[Cel 4]43[Rij 107][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 108][Cel 1]10. 18-/18+[Cel 2][Cel 3]44[Rij 109][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 110][Cel 1]11. Afbakening Onderwijs[Cel 2]46[Rij 111][Cel 1][Cel 2]11.1.1[Cel 3]Passend onderwijs[Cel 4]46[Rij 112][Cel 1][Cel 2]11.1.2[Cel 3]Zorgplicht scholen[Cel 4]46[Rij 113][Cel 1][Cel 2]11.1.3[Cel 3]Mogelijkheden school[Cel 4]46[Rij 114][Cel 1][Cel 2]11.1.4[Cel 3]Passende onderwijsplek[Cel 4]47[Rij 115][Cel 1][Cel 2]11.1.5[Cel 3]Ondersteuningsplan[Cel 4]47[Rij 116][Cel 1][Cel 2]11.1.6[Cel 3]Speciaal onderwijs[Cel 4]47[Rij 117][Cel 1][Cel 2]11.1.7[Cel 3]verantwoordelijkheden ouders, passendonderwijs, en wet[Cel 4]47[Rij 118][Cel 1][Cel 2]11.2.[Cel 3]Huiswerkbegeleiding en/of school gerelateerde ondersteuning[Cel 4]47[Rij 119][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 120][Cel 1]12. Dyslexie[Cel 2]49[Rij 121][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 122][Cel 1]13. Kader Verlengde jeugdhulp[Cel 2]50[Rij 123][Cel 1][Cel 2]13.1 Verlengde pleegzorg[Cel 3]50[Rij 124][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 125][Cel 1]Bijlage 1.[Cel 2]Richtlijnen gebruikelijke hulp[Cel 3]51[Rij 126][Cel 1][Cel 2]§ 1.1[Cel 3]Richtlijnen gebruikelijke hulp[Cel 4]53[Rij 127][Cel 1][Cel 2]§ 1.2[Cel 3]Voorbeelden gebruikelijke hulp voor specifieke zorgfuncties[Cel 4]53[Rij 128][Cel 1][Cel 2]§ 1.3[Cel 3]Beoordelingskader (dreigende) overbelasting[Cel 4]54[Rij 129][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 130][Cel 1]Bijlage 2.[Cel 2]Stroomschema zorg op school [Cel 3]55[Rij 131][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 132][Cel 1]Bijlage 3.[Cel 2]COA-Gezinslocatie Emmen[Cel 3]59[Rij 133][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 134][Cel 1]Bijlage 4.[Cel 2]Stappenplan woonplaatsbeginsel[Cel 3]61[Rij 135][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 136][Cel 1]Bijlage 5.[Cel 2]Richtlijn netwerkpleegzorg gemeente - pleegzorgaanbieders, § 2 De richtlijn in stappen[Cel 3]62[Rij 137][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 138][Cel 1]Bijlage 6.[Cel 2]Veldnorm Netwerkpleegzorg Jeugdbescherming - Pleegzorgaanbieders, § 2 De veldnorm in stappen[Cel 3]66[Rij 139][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Cel 4][Rij 140][Cel 1]Bijlage 7.[Cel 2]Geraadpleegde bronnen[Cel 3]70 Leeswijzer In hoofdstuk 1 wordt de relatie tussen de Jeugdwet en de beleidsregels gelegd. Hoofdstuk 2 beschrijft de toegang tot individuele jeugdhulpvoorzieningen, dat wil zeggen: hulp-op-maat. In hoofdstuk 3 staat hoe de gemeente in het algemeen een hulpvraag afweegt. Hoofdstuk 4 duidt bovengebruikelijke hulp. In hoofdstuk 5 staan de leveringsvormen beschreven waarin de gemeente hulp-op-maat levert en de bijbehorende criteria. In de hoofdstukken 6 – 8 en 12 is het beoordelingskader opgenomen voor de verschillende individuele jeugdhulpvoorzieningen: persoonlijke verzorging, ambulante begeleiding en (gezins)behandeling, daghulp, verblijf, vervoer en dyslexiezorg. Hoofdstuk 9 besteedt aandacht aan jeugdhulp aan minderjarige vreemdelingen en de hoofdstukken 10 en 13 respectievelijk aan de invulling van hulp-op-maat specifiek aan jeugdigen in de periode voordat zij 18 jaar worden, en aan de uitzonderingen op de (wettelijke) leeftijdsgrens van 18 jaar. Hoofdstuk 11 gaat over de grensvlakken passend onderwijs – jeugdhulp. Gebruikte afkortingen: Awb: Algemene wet bestuursrecht AKJ: Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg Ca: Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden COA: Centraal Orgaan opvang asielzoekers EED: Ernstige Enkelvoudige Dyslexie GGZ: Ggeestelijke gezondheidszorg GI: Gecertificeerde Instelling HAO: Huisartsondersteuners KDC: Kinderdienstencentrum MOC: Medisch Orthopedagogisch Centrum OKH: Ouder-/kindhuis OOGO: Op overeenstemming gericht overleg OPP: Ondersteuningsperspectiefplan OZA: Onderwijs-zorgarrangement PGB: Persoonsgebonden budget SVB: Sociale verzekeringsbank RVS: Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving VOG: Verklaring Omtrent Gedrag Wlz : Wet langdurige zorg Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning ZIN: Zorg in natura Zvw: Zorgverzekeringswet In deze beleidsregels wordt regelmatig verwezen naar een ander officieel document. Meestal gaat het om een publicatie dat te vinden is op de website van bijvoorbeeld de Rijksoverheid of een andere instantie, zoals het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). In sommige gevallen gaat het om een wetenschappelijke publicatie, in andere bijvoorbeeld om jurisprudentie. De verwijzing is te herkennen aan een cijfer bij een of meerdere zinnen of bij een alinea. Dit cijfer correspondeert met een voetnoot onderaan de betreffende bladzijde. Dit houdt in dat de zin of het deel van de voorafgaande tekst geciteerd is uit, of gebaseerd is op de publicatie in kwestie. In bijlage 7 is een alfabetische opsomming van alle geraadpleegde bronnen opgenomen. Ook wordt in de voetnoten iets verduidelijkt of verwezen naar hoofdstukken in de Verordening jeugdhulp of deze beleidsregels die verband houden met de desbetreffende paragraaf. 1.Inleiding 1.1Over de Jeugdwet In 2015 heeft de overheveling van de jeugdhulp naar gemeenten plaatsgevonden. De Jeugdwet vervangt de Wet op de jeugdzorg die tot 1 januari 2015 geldig was, en de verschillende onderdelen van de jeugdhulp die tot dan toe onder de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten vielen. Ook de jeugdbescherming en de jeugdreclassering maken onderdeel uit van de Jeugdwet. Met de overgang van de jeugdhulp zijn gemeenten verantwoordelijk voor preventie en jeugdhulp. Kinderen, jeugdigen en hun ouders die advies, ondersteuning, begeleiding, persoonlijke verzorging en/of behandeling nodig hebben, moeten kunnen rekenen op een kwalitatief en kwantitatief toereikend preventie- en jeugdhulpaanbod. De overheveling van de jeugdhulp is verankerd in de Jeugdwet die sinds 1 januari 2015 van kracht is. In deze wet zijn verschillende taken en verantwoordelijkheden opgenomen waaraan gemeenten moeten voldoen. Zo is het de gemeentelijke verantwoordelijkheid om de toegang en toeleiding tot jeugdhulp te regelen. Vanuit de Jeugdwet moeten gemeenten zorgen voor een laagdrempelige, herkenbare, integrale toegang voor jeugd. Een toegang waar signalen, (algemene) vragen en verzoeken om hulp snel worden geboden of wordt doorverwezen. Zowel mandaat als doorverwijzing zijn per 1 juli 2017 geregeld in de “Inhoudelijke opdracht Stichting De Toegang – Uitvoering van toegangstaken Jeugdhulp gemeente Emmen”. Voor de uitvoering van alle taken die onder de Jeugdwet vallen stelt de raad van de gemeente Emmen een verordening en een beleidsplan vast. Dit zijn respectievelijk de “Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020” en het beleidsplan “Samen verder in het sociaal domein 2017 – 2021”. Daarnaast worden door de gemeente beleidsregels voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk vastgesteld. Deze beleidsregels bieden een afwegingskader ten aanzien van elke jeugdhulpvraag. De gemeente moet het beleid richten op: het probleemoplossend vermogen versterken van inwoners; kinderen en jongeren, hun ouders en hun sociale omgeving; het bevorderen van de opvoedcapaciteiten van de ouders en de sociale omgeving; preventie en vroegsignalering; het tijdig bieden van de juiste hulp-op-maat; effectieve en efficiënte samenwerking rond gezinnen (1 gezin, 1 plan, 1 regisseur). In de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid van de gemeenten uitgebreid met: de provinciale (geïndiceerde) jeugdzorg; de gesloten jeugdzorg, geestelijke gezondheidzorg voor kinderen en jongeren (jeugd-ggz); zorg voor jeugd met een lichte verstandelijke beperking (jeugd-lvb); ggz in het kader van het jeugdstrafrecht (forensische zorg), jeugdbescherming en jeugdreclassering. De verantwoordelijkheid van de gemeenten bestaat onder meer uit: het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang; het voorzien in een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdhulp; het adviseren over en het bepalen en inzetten van de aangewezen vorm van jeugdhulp; het adviseren van professionals met zorgen over een kind; het adviseren van kinderen en jongeren met vragen en problemen; het doen van een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming als een kinderbeschermingsmaatregel nodig is; het compenseren van beperkingen in de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van kinderen en jongeren; het voorzien in een toereikend aanbod van gecertificeerde instellingen; het voorzien in maatregelen om kindermishandeling te voorkomen.1.3 Verordening Sociaal Domein Op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet legt de gemeente in de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020 regels vast voor de uitvoering van de te verrichten handelingen en te nemen besluiten. 1.2Over de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2020 De Jeugdwet en de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020 leggen een aantal bevoegdheden bij de gemeente. De Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2020 moeten in samenhang worden gelezen met de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020. Deze beleidsregels bieden een afwegingskader ten aanzien van elke jeugdhulpvraag. De beleidsregels geven een toelichting op en een instructie voor de uitvoering van het beleid in het kader van de Jeugdwet. In de beleidsregels verduidelijkt de gemeente hoe in een concreet geval met een bevoegdheid zal worden omgegaan. Het beleid betreft de uitvoering en kan daarom worden vastgesteld door de gemeente. De Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid”. Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen eenvoudig naar worden verwezen. 1.3Over de begrippen Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, Besluit Jeugdwet, Regeling Jeugdwet en de Verordening Jeugdhulp gemeente Emmen 2020. Hieronder zijn enkele van deze begrippen op genomen: Deskundige(n)/deskundigheid: (Externe) deskundigen die beschikken over deskundigheid zoals bedoeld in artikel 2.1, Besluit Jeugdwet. Familiegroepsplan: Hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Gecertificeerde instelling: Rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 van de Jeugdwet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert. Gemeente: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen. Hulp-op-maat: Een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. Inwoner: De persoon die een direct belang heeft bij een besluit van de gemeente (artikel 1:2, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Als de inwoner een hulpvraag heeft die nog niet heeft geleid tot een verzoek om een besluit te nemen of tot feitelijk handelen door de gemeente, dan wordt met inwoner bedoeld: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente is ingeschreven. Ouder: Gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Wet: Jeugdwet. 2.Procedure (gemeentelijke) toegang tot jeugdhulp 2.1De melding Inwoners kunnen op verschillende manieren een melding maken en vragen stellen op het gebied van jeugdhulp. Dit kan op de volgende manieren: Schriftelijk, door een brief of familiegroepsplan te sturen aan Stichting De Toegang, Antwoordnummer 134, 7800 VB Emmen. Mondeling, bij de toegangsteams van Stichting De Toegang in de gebieden. Ttelefonisch bij Stichting De Toegang, via 0800 1525. Digitaal, via https://detoegangemmen.nl/contact/. Stichting De Toegang (hierna: De Toegang) voert het onderzoek uit voor de gemeente. De melding mag ook door iemand anders worden gedaan als de inwoner daarvoor toestemming heeft gegeven, bijvoorbeeld door: een familielid; een vriend; een kennis; de buren; een professional; etc. Als er zorgen zijn over de veiligheid van het kind is toestemming van de inwoner niet nodig.1Zie H2.1.3 van deze beleidsregels. Na de melding van de inwoner rondt De Toegang zo spoedig mogelijk een onderzoek af. Hierbij wordt de inwoner de mogelijkheid geboden om na de melding een familiegroepsplan te overhandigen, waarin hij of zij aangeeft welke jeugdhulp naar zijn idee het meest is aangewezen. Na afronding van het onderzoek verstrekt De Toegang een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Wettelijk kan de melding in beginsel al als aanvraag worden beschouwd, maar in de praktijk zal de inwoner – als dat nodig is – een aanvraag indienen nadat het onderzoek is afgerond. Immers, na het onderzoek is veelal pas duidelijk wat de hulpvraag is en wat de mogelijkheden zijn. 2.1.1Toegang via huisarts, jeugdarts en de medisch specialist De gemeente draagt zorg voor de inzet van een individuele jeugdhulpvoorziening na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder informeert de gemeente via ’verzoek om toewijzing’ over de verwijzing. De huisartsen en medisch specialisten kunnen geen toegang verlenen tot hulp-op-maat geleverd in de vorm van een PGB. De gemeente informeert de (huis)artsen over de ingekochte jeugdhulpvoorzieningen. 2.1.1.1De Huisartsondersteuner (HAO’
  2. er)jeugd Op grond van de jeugdwet hebben huisartsen eigenstandig de mogelijkheid om jeugdigen door te verwijzen naar (specialistische) jeugdhulp. Huisartsen hebben niet altijd de tijd/ruimte om tot een goede verduidelijking te komen over opvoed- en opgroeivragen. Daarom zet de gemeente op het gebied van dit soort vragen ter ondersteuning van de huisarts de zogenoemde Huisartsondersteuner (HAO’
  3. er)jeugd in. Doordat de HAO’er de tijd en expertise heeft om tot een vraagverduidelijking bij opvoed- en opgroeivragen kan naar verwachting passende hulp worden geboden. De huisartsenpraktijken zijn vrij om al of niet gebruik te maken van de HAO’er jeugd. Aan elke deelnemende praktijk is een vaste HAO jeugd verbonden. Huisartsen die gebruik maken van de HAO’er jeugd maken met de betreffende medewerker afspraken over de wijze van samenwerken, zoals de wijze van overleg en communicatie over cliënten. Huisartsen kunnen ouders/jeugdigen (“–9 maanden tot 18 jaar”) verwijzen naar de HAO’er jeugd. De huisarts stelt de ouders/jeugdige daarbij op de hoogte van de functie en werkwijze van de HAO’er. Bij het inschakelen van de HAO’er geeft de huisarts aan wat de vraag is en de eventuele bijzonderheden die nodig zijn om met ouders/jeugdige in gesprek te gaan. De HAO’er jeugd heeft geen rechtstreekse toegang/inzage in medische gegevens zoals die in het Huisarts Informatie Systeem (HIS) zijn vastgelegd. De huisarts kan de HAO’er jeugd inschakelen bij: vragen waarbij een lichte vorm van ondersteuning waarschijnlijk volstaat om het probleem op te lossen; twijfel over noodzaak van verwijzing; twijfel over welke verwijzing voor dit kind meest passend is; in kaart brengen van alle aspecten die aan de vraag van de ouder vast zitten; gevolgen van (v)echtscheiding; aandacht- en concentratie problemen; bang/faalangst/onzekerheid; druk/lastig gedrag; leefstijl (ongezond gewicht, vermoeden middelen gebruik); leerproblemen; lichamelijke klachten na uitsluiting medische oorzaak (huilbaby, buikpijn, hoofdpijn, slapen, zindelijkheid); ontwikkelingsachterstand; opvoedprobleem; pesten; somberheid/rouw en verlies; stil/teruggetrokken gedrag; trauma; vermoeden van multiproblematiek. Wanneer de huisarts de HAO’er jeugd heeft ingeschakeld, neemt de HAO’er zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen een week, contact op met de ouders/jeugdige om een afspraak te maken. Het eerste gesprek kan plaatsvinden bij ouders thuis, op school, in de huisartspraktijk of op een andere in overleg te bepalen locatie. Tijdens het eerste gesprek vindt de vraagverheldering plaats. Om een goed beeld te krijgen van de situatie kan de HAO’er, in afstemming met ouders/jeugdige, informatie vragen/overleggen met derden. In veel gevallen zullen dat de (voor)school zijn, collega’s vanuit het gebiedsteam of zorgverleners die al contact hebben met het gezin. Afhankelijk van de vraag van ouders/jeugdige komt de HAO’er jeugd in afstemming met ouders/jeugdige tot de volgende stappen: inschakelen informele hulp; zelf de benodigde ondersteuning verlenen; een collega vanuit het voorliggende veld de benodigde ondersteuning laten verlenen; de huisarts voor te stellen de jeugdige te verwijzen naar een tweedelijnsvoorziening; de casus over te dragen aan De Toegang. Het is aan de professionele afweging van de HAO’er welke keuze gemaakt wordt. Het is belangrijk dat afhankelijk van de vraag passende hulp gegeven wordt. In casussen die door de HAO’er jeugd zelf opgepakt worden kan gebruik gemaakt worden van alle methodieken en hulpmiddelen die de jeugdverpleegkundige ter beschikking heeft. 2.1.2Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Andere ingangen tot jeugdhulp zijn via de gecertificeerde instelling (GI), de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De GI voert in opdracht van de gemeente de jeugdbescherming en jeugdreclassering uit. De GI is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de GI in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de GI aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de Raad voor de Kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke GI de maatregel zou moeten uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming neemt een GI in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De Raad voor de Kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. 2.1.3Toegang via Veilig Thuis Drenthe Op basis van de Jeugdwet vormt ook Veilig Thuis Drenthe een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis Drenthe is er voor iedereen die te maken heeft met huiselijk geweld. Of die vermoedt dat er iets niet goed gaat bij of met iemand anders. Veilig Thuis Drenthe is telefonisch te bereiken op: 0800-2000 (is er direct gevaar? Dan moet 112 worden gebeld. De politie is opgeleid om met huiselijk geweld om te gaan. 112 is alleen voor noodgevallen.) Veilig Thuis Drenthe geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. (De toegang via Veilig Thuis wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in de verordening of deze beleidsregels.) 2.2Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen gaat de gemeente zonder uitstel over tot het tijdelijk verstrekken van een jeugdhulpvoorziening, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. De noodzaak om tijdelijke jeugdhulpvoorziening te verstrekken, zal alleen in bijzondere situaties aanwezig zijn. Als de inwoner in een situatie verkeert waarin uitstel van hulp-op-maat niet mogelijk is, moet de gemeente daarnaar handelen en de inwoner in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag tegemoet komen in het spoedeisende geval. Het niet tijdig – d.w.z. met uitstel – nemen van een beslissing tot verstrekking van een tijdelijke jeugdhulpvoorziening is een zogenoemde fictieve weigering, waartegen de inwoner op grond van de Awb bezwaar (al dan niet in samenhang met een verzoek om een voorlopige voorziening) en beroep kan aantekenen. 2.2.1Criteria Urgentie: crisis en spoed Het bepalen van de urgentie is van belang om vast te kunnen stellen hoe snel de voorziening moet worden gestart. Bij de bepaling van de urgentie zijn veiligheid van de jeugdige, het risico op kindermishandeling, de balans tussen draaglast en draagkracht en de escalatie van de problematiek essentieel. Er zijn vervolgens drie gradaties van urgentie met bijbehorende criteria te onderscheiden: Crisis Er is sprake van crisis bij een plotselinge, ernstige ontregeling (in de fysieke, sociale en psychische gesteldheid van de cliënt of van de omgeving) met als gevolg het ontstaan van een acuut onhoudbare situatie in het thuismilieu of de woonsituatie van de jeugdige. Denk bijvoorbeeld aan: ernstige verwaarlozing, ernstig fysiek of seksueel misbruik, er moet direct in het gezag worden voorzien, ouder of jeugdige dreigt met suïcide, ouder of jeugdige heeft een psychose. Spoed Is een situatie waarbij een crisis dreigt doordat: problematiek ernstig, langdurig of complex is en/of de verhouding tussen draaglast/draagkracht uit balans is geraakt. Regulier enkelvoudige of meervoudige problematiek waarbij geen sprake is van een dreigende crisis. 2.3Vertrouwenspersoon en onafhankelijke cliëntondersteuning De Jeugdwet verplicht gemeenten tot het beschikbaar stellen van een onafhankelijke vertrouwenspersoon voor Jeugdwetcliënten. De Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) verplicht gemeenten tot het inrichten van de functie onafhankelijk cliëntondersteuner voor het gehele sociale domein, dus ook voor cliënten van de Jeugdwet. Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) voert in opdracht van het Ministerie van VWS, het onafhankelijk vertrouwenswerk voor de Jeugdwet uit. Het AKJ heeft geen cliëntondersteuners in dienst. Zowel cliëntondersteuners als vertrouwenspersonen kunnen informatie en advies geven aan inwoners die vragen hebben over de jeugdhulp. De cliëntondersteuner kan een inwoner al bijstaan op het moment dat er wordt gezocht naar hulp. De cliëntondersteuner ondersteunt dan bij inhoudelijke/hulpverlenende gesprekken en kan ook voor de inwoner op zoek gaan naar de hulp die hij of zij graag wil hebben. De vertrouwenspersoon doet dan niet. De vertrouwenspersoon wordt meestal pas benaderd als er al hulp is en daar vragen, problemen of klachten over ontstaan. De vertrouwenspersoon ondersteunt een inwoner bij het bespreekbaar maken van vragen, problemen of klachten en daarover helderheid krijgen. Als dit is opgelost, dan stopt ook de ondersteuning van de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon ondersteunt niet bij inhoudelijke hulpverleningsgesprekken, maar alleen bij vraag-/klachtgesprekken. Een groot verschil tussen vertrouwenspersoon en onafhankelijke cliëntondersteuning is tenslotte dat vertrouwenspersonen actief op bezoek gaan bij jongeren die in jeugdhulpinstellingen verblijven. Dat doen cliëntondersteuners niet. 2.4Samenloop Wet langdurige zorg cliëntondersteuning Mensen met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) kunnen onafhankelijke cliëntondersteuning vanuit de Wlz krijgen. Het zorgkantoor is hiervoor verantwoordelijk. Een jeugdige met een Wlz indicatie kan zich bij een onafhankelijk cliëntondersteuner aanmelden, die gecontracteerd is door het zorgkantoor. Inwoners die zich bij de gemeente melden voor onafhankelijke cliёntondersteuning bij een Wlz aanvraag kunnen worden doorverwezen naar MEE Drenthe of een mantelzorgmakelaar. 2.5Ombudsman sociaal domein De ombudsman is er voor de inwoner die een probleem ervaren in de uitvoering van het gemeentelijk beleid in het sociaal domein. De inwoner kan bij de Ombudsman sociaal domein terecht voor advies en hulp. De ombudsman sociaal domein registreert onder andere vragen, wensen, zorgen en ervaringen van de inwoner, biedt een luisterend oor en informeert en adviseert over de mogelijkheden van cliëntondersteuning, ondersteuning en begeleiding, klachten, en bezwaar– en beroepsprocedures. De inwoner kan de Ombudsman sociaal domein op de volgende manieren – contactpunt – bereiken2Zorgbelang Drenthe. ‘Ombudsman sociaal domein gemeente Emmen’, geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.zorgbelang-drenthe.nl/ombudsman-sociaal-domein-zorgbelang-drenthe.: per post: Ombudsman sociaal domein, Annerweg 30, 9471 KV Zuidlaren; digitaal: https://www.zorgbelang-drenthe.nl/contact; per e-mailbericht: ombudsmansd@zorgbelang-drenthe.nl; telefonisch: 050-727 15 05; via ‘WhatsApp’: 06-83 79 25 54. Het contactpunt ombudsman sociaal domein is een 'loket' waar burgers terecht kunnen met meldingen aangaande de uitvoering van taken in het sociale domein. De ombudsman sociaal domein informeert en adviseert inwoners over de mogelijkheden van cliëntondersteuning, ondersteuning en begeleiding, en klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures. De ombudsman zal zorgdragen voor (door)verwijzing van meldingen naar de gemeente of aan de, door de opdrachtgever, gecontracteerde (jeugdhulp)aanbieder. Mocht dit niet tot een oplossing leiden binnen reeds bestaande klachtenprocedures, dan komt de melding terug bij de ombudsman sociaal domein. 2.6Familiegroepsplan Voordat het onderzoek van start gaat, kan de inwoner een familiegroepsplan overhandigen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag. De gemeente brengt de inwoner van deze mogelijkheid op de hoogte in de ontvangstbevestiging die wordt gestuurd na de melding. Het familiegroepsplan is in artikel 1.1 van de wet gedefinieerd als: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. In artikel 4.1.2 van de wet is bepaald dat de jeugdhulpaanbieder of de GI bij het uitvoeren van artikel 4.1.1 en als sprake is van vroegsignalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als eerste de mogelijkheid biedt om, binnen redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Op grond van artikel 2.1, onder g, van de wet maakt het familiegroepsplan onderdeel uit van het gemeentelijk beleid. Als het een machtiging of een voorwaardelijke machtiging betreft biedt de kinderrechter de kans voor het opstellen van een familiegroepsplan. De gemeente heeft de taak om haar beleid zo vorm te geven dat het gericht is op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen (artikel 2.1, onder g, van de wet). Het kan zijn dat het nodig is om enige vorm van ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan om hier met goed gevolg uitvoering aan te geven. Uiteraard kunnen de jeugdige of zijn ouders niet gedwongen worden om ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan te accepteren, maar kan de gemeente het – in bepaalde gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben – ook hier wel aanraden en stimuleren. Welke vorm deze ondersteuning heeft, is aan de gemeente, bovendien kan deze van geval tot geval verschillen. Het familiegroepsplan moet binnen redelijke termijn opgesteld worden. Een vaste termijn stellen is niet mogelijk, omdat dit ook mede afhangt van de mate waarin en de vorm van eventuele geboden ondersteuning hierbij. Omdat het onderwerp zal zijn van het onderzoek, ligt het voor de hand dat het familiegroepsplan voorafgaand aan het begin van het onderzoek wordt opgesteld. Maar ook tijdens het onderzoek kan mogelijk nog de (gedeelde) wens ontstaan om de eigen kracht nader te onderzoeken en een familiegroepsplan op te stellen. Zo de situatie zich daarvoor leent, kan dan besloten worden hiermee aan de slag te gaan en het onderzoek daarna voort te zetten. Bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen zoals bedoeld in lid 4. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.3Zie H2.7 van deze beleidsregels. Als er een familiegroepsplan is opgesteld, kan dit als hulpverleningsplan gaan gelden. De jeugdhulpaanbieder zal dan niet zelf weer een heel nieuw plan gaan opstellen. Wel kan het in de loop van het traject nodig blijken het plan te actualiseren. De hulpverlener zal dat dan bij de opstellers van het familiegroepsplan aan moeten kaarten. Ook is de uitvoering van een familiegroepsplan begrensd door het professionele kader op grond van de te hanteren professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.5, eerste lid, van de wet en de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze eisen zijn geoperationaliseerd in het Kwaliteitskader van het Besluit Jeugdwet. De medewerker van Stichting De Toegang zal dus vanuit zijn beroepsuitoefening moeten toetsen of hij uitvoering kan geven aan het familiegroepsplan en daarover in gesprek moeten gaan met betrokkenen, met als ondergrens de veiligheid en gezonde ontwikkeling van de jeugdige. Het familiegroepsplan speelt zoals vermeld ook een rol in het gedwongen kader. De bepalingen in de verordening4Zie H1.1.1–3 en H1.1.2.3 van de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020. omtrent het familiegroepsplan betreffen echter alleen het vrijwillig kader van jeugdhulp. 2.7Vaststelling identiteit De gemeente is wettelijk verplicht om de identiteit vast te stellen van de personen aan wie de gemeente een dienst verleent. Dat geldt ook voor inwoners die zich melden met een hulpvraag. Daarom wordt aan inwoners gevraagd naar een geldig legitimatiebewijs, als bedoeld in Artikel 1 van de wet op identificatieplicht. 2.8Het gesprek Wanneer er behoefte is aan jeugdhulp kan een inwoner bij De Toegang een vraag stellen. De medewerker van De Toegang maakt zo spoedig mogelijk en tenminste binnen 5 werkdagen na de melding met de inwoner een afspraak voor een gesprek. Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat informatie en advies voldoende is om het ondervonden probleem op te lossen. Wanneer verdere vraagverheldering of verdieping nodig blijkt te zijn dan wordt er een tweede afspraak gepland of een huisbezoek afgelegd. De inwoner ontvangt een verslag5Zie H2.9 van deze beleidsregels. van het gesprek. Naar aanleiding van het gesprek kan een aanvraag worden ingediend. Wellicht dat in sommige gevallen nog nader advies moet worden gevraagd aan de door de gemeente gecontracteerde adviesinstantie voor sociaal/medisch advies. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Waar dit gesprek plaatsvindt zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In het gesprek zou, voor zover van toepassing, duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele jeugdhulpvoorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in 24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt. 2.9Het verslag Van het gesprek wordt door de medewerker van De Toegang een verslag gemaakt. Na het gesprek verstrekt De Toegang aan de inwoner een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. De inwoner heeft de mogelijkheid om opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen. De opmerkingen komen niet in de plaats van het oorspronkelijke verslag, maar blijven aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd. Dit hoofdstuk is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De invulling van de verslagplicht is vormvrij. De Toegang gebruikt voor verslaglegging een format. Hierbij is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Wmo 2015 staat hierover dat de gemeente een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor hulp-op-maat.6NJi. ‘Memorie van toelichting: 27’, geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Memorie-van-toelichting-Wetsvoorstel-maatschappelijke-ondersteuning-2015.pdf. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente of de door de gemeente gemandateerde organisatie inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de inwoner. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de inwoner van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van hulp-op-maat noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. 2.10Aanvraag Als de inwoner het verslag ondertekent en voorziet van een dagtekening, kan het verslag werken als aanvraag voor jeugdhulp. De gemeente verstrekt geen apart aanvraagformulier. De datum waarop de aanvraag is ingediend geldt als aanvraagdatum. De inwoner kan worden gevraagd de aanvraag aan te vullen. Wanneer de gemeente een aanvraag ontvangt die door een ander bestuursorgaan behandeld moet worden, heeft de gemeente doorzendplicht, gelet op artikel 2:3 Awb. Wanneer de medewerker van De Toegang voornemens is hulp-op-maat te adviseren, kan de medewerker van De Toegang als het nodig is deskundigheid inroepen. Het inroepen van deskundigheid kan bestaan uit het consulteren van een deskundige en/of het organiseren van een of meerdere gesprekken van en/of met de deskundige samen met de jeugdige of zijn ouders. Wanneer de medewerker van De Toegang besluiten overweegt die betrekking hebben op de veiligheid van een kind is de medewerker van Stichting de Toegang verplicht om een gedragswetenschapper te betrekken en dit te vast te leggen. Het betreft in ieder geval besluiten om: wel of niet actie te ondernemen naar aanleiding van een signaal over een bedreiging van de veiligheid van een derde over een kind of van een signaal van het kind zelf; wel of niet professionele interventie(
  4. s)in te zetten om de bedreiging van de veiligheid van het kind op te heffen; wel of niet een maatregel van kinderbescherming te verzoeken om de bedreiging af te wenden c.q. de noodzakelijke hulp te kunnen bieden; wel of niet een (machtiging) uithuisplaatsing aan te vragen; wel of niet een uithuisgeplaatst kind terug naar huis te laten gaan, en; wel of niet de bemoeienis met kind en gezin te beëindigen. De mogelijkheid bestaat dat de inwoner een andere voorziening aanvraagt, dan naar het oordeel van de medewerker van De Toegang aangewezen of toereikend is. Het aanvraagformulier is dan een advies van de medewerker van De Toegang aan de gemeente welk besluit te nemen. Wanneer de aanvrager het niet eens is met het oordeel van de medewerker van De Toegang en dit als zodanig gemotiveerd aangeeft op het aanvraagformulier, dwingt dit de gemeente (dan wel de door de door de gemeente gemandateerde functionaris) hiermee zorgvuldig om te gaan en haar besluit op de aanvraag goed te motiveren. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat, ondanks een oordeel van de medewerker van De Toegang dat een andere of overige voorziening toereikend is, naar de mening van de aanvrager toch hulp-op-maat noodzakelijk is. Of dat een naar het oordeel van de medewerker van De Toegang afwijkende interventie aangewezen zou zijn. Deze overwegingen kunnen dan al bij de voorbereiding van het (primaire) besluit worden betrokken, zodat de inwoner niet automatisch gedwongen wordt als het ware, tot het voeren van een bezwaarprocedure wanneer hij het niet eens is met het oordeel van de medewerker van De Toegang. Wanneer op basis van een brede integrale analyse de conclusie wordt getrokken dat een overige voorziening niet volstaat dan wordt de hulpvraag (indien nodig met toestemming van de ouders) aangemeld voor een casusoverleg binnen het deskundigenteam van De Toegang, de regiegroep of bij een expertteam, zoals bijvoorbeeld: MDA++7Een MDA++ team bestaat uit specialisten in de aanpak van kindermishandeling, huiselijk en/of seksueel geweld. Deze specialisten zijn afkomstig uit de psychosociale, medische en justitiële sector. MDA++ is naast multidisciplinair, ook intersectoraal (1e +) en specialistisch (2e +). Movisie. “Multidisciplinaire aanpak MDA++,” geraadpleegd 8 november 2019 via https://gemeenten.movisie.nl/doel/huiselijk-geweld-en-kindermishandeling-aanpakken/beleid/multidisciplinaire-aanpak-mda., PRACHT8De PRACHT-werkgroep, een regionaal samenwerkingsverband tussen gemeenten en jeugdhulpaanbieders in Drenthe, richt zich op het bieden van kwalitatief goede zorg voor jeugdigen met complexe problematiek. PRACHT staat hierin voor Project Reductie niveau-8. In Drenthe hanteert men namelijk interventieniveaus van jeugdhulp, waarbij niveau 1 tot 3 preventie- en lichte opvoedhulp (bv. schoolmaatschappelijk werk) betreft en niveau 4 t/m 8 staat voor intensieve, specialistische jeugdhulp. Niveau 8 gaat over ‘Verblijf met bed’. VNG. ‘PRACHT Drenthe: een oplossingsverplichting voor elke casus’, geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/zorglandschap-jeugdhulp/pracht-drenthe-een-oplossingsverplichting-voor-elke-casus., of beschermtafel9Zie H2.15.2 van deze beleidsregels.. Het deskundigenteam, de regiegroep en/of een expertteam bespreekt de hulpvraag en komt, in afstemming met de ouders, met een hulpverleningsvoorstel. Dit hulpverleningsvoorstel wordt vervolgens in een beschikking vastgelegd. Tenminste een gedragswetenschapper wordt betrokken bij de besluitvorming die betrekking hebben op de veiligheid van het kind. Uiteraard dienen dergelijke besluiten goed gedocumenteerd te worden. Niet alleen het besluit maar ook de overwegingen die tot het besluit geleid hebben, de datum en de namen van de betrokken deskundigen moeten vastgelegd worden. 2.11De beschikking De inwoner ontvangt de beslissing op zijn of haar aanvraag op grond van de Jeugdwet binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag schriftelijk in een beschikking. In de beschikking staat: de aanvraagdatum; de beslissing; de motivering van de beslissing en informatie over de uitvoering van het besluit. In artikel 3:46 Awb is vastgelegd dat het besluit dat op een aanvraag wordt genomen deugdelijk moet worden gemotiveerd. In sommige gevallen speelt bij een aanvraag de vraag of er een sociaal/medische noodzaak is voor de gevraagde hulp-op-maat. Om dit te kunnen beoordelen kan sociaal/medisch advies worden opgevraagd. Bij het opvragen van sociaal/medisch advies kan de beslistermijn worden verlengd. Hiervan krijgt de inwoner schriftelijk bericht, waarin is aangegeven wanneer de beslissing kan worden verwacht. 2.12Periodiek onderzoek Conform artikel 4.3.1. van de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020 onderzoekt de gemeente regelmatig of de inwoner nog de juiste jeugdhulpvoorziening ontvangt. Bij toekenningen voor langere duur is dit tenminste iedere 2 jaar. 2.13Heronderzoek klanttevredenheid/cliëntervaringsonderzoek Zes maanden na het verzenden van de beschikking aan de inwoner kunnen medewerkers van De Toegang of het Zorgloket (telefonisch) onderzoeken of de jeugdhulp voldoet. Vragen die aan bod kunnen komen zijn: Is men tevreden over de hulp-op-maat die is ingezet? Is men tevreden over de regisseur van De Toegang, de GI, de voogd, de jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder? Wat kan er beter? Daarnaast heeft de gemeente de verplichting om jaarlijks onderzoek te doen naar de ervaringen van cliënten. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door een extern bureau. 2.14Versnelde procedure In situaties waarbij haast is geboden kan door de gedragswetenschapper of manager van De Toegang een versnelde procedure worden toegepast. Hierbij kan een ambtshalve aanvraag worden ingediend en een opdracht worden verstrekt aan een jeugdhulpaanbieder. De opdracht aan de jeugdhulpaanbieder is voor een korte periode en niet langer dan drie maanden. Na de opdracht aan de jeugdhulpaanbieder wordt een beschikking afgegeven aan de inwoner en wordt er een gesprek (hoofdstuk 2.5) gepland. Vervolgens wordt de onder hoofdstuk 2.6–9 beschreven procedure alsnog gevolgd tot en met de beschikking. 2.15.1Regiegroep De regiegroep van de gemeente is beleids- en casusinhoudelijk het vaste aanspreekpunt voor de (jeugd)consulenten en de gedragswetenschappers van De Toegang, huisartsen, de HAO’ers, het onderwijsveld en de GI. De regiegroep bestaat uit jeugdhulpdeskundigen. De regiegroep kan altijd worden ingeschakeld. De regiegroep is vooral de schakel tussen beleid en uitvoering als het gaat om het oplossen van problemen op de contextlaag hoog complexe casuïstiek, casus gerelateerde toepassingsvragen over het inkoopmodel, en casus gerelateerde afbakeningsvraagstukken (bv. passend onderwijs – jeugdhulp). De regiegroep is verder verantwoordelijk voor het oppakken van de signalen en bijzonderheden vanuit de (gemeentelijke) toegang tot jeugdhulp. Het gaat om regie op inhoud, hoe voert de regisseur regie op het behalen van resultaten voor het kind, op integraliteit en of veiligheid 2.15.2Beschermtafels De beschermtafel wordt ingezet als er zorgen zijn over het gezin (of de ontwikkeling van de kinderen), en deze zorgen zijn besproken, maar het nog niet gelukt is deze zorgen weg te nemen. De medewerker van de Toegang kan dan aanmelding bij de beschermingstafel overwegen. De beschermingstafel wordt voorgezeten door een voorzitter van de gemeente. Aan de beschermingstafel nemen verder diverse organisaties deel om tijdens een bijeenkomst samen met de ouders en het gezin de situatie te bespreken. Aanwezig zijn de melder/verzoeker, ouders en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. Wat gaat er goed, waar zijn zorgen over en wat is er volgens de ouders en het gezin nodig om de situatie te verbeteren? Wat is volgens de medewerker van De Toegang het standpunt? De andere aanwezigen stellen vragen om de situatie, de mogelijkheden en de risico’s zo goed mogelijk in beeld te krijgen. De Beschermingstafel zal op basis van dit gesprek een beslissing nemen over het vervolg. Het is een grote stap, die spanning met zich mee brengt, omdat de besluiten van de beschermingstafel belangrijke consequenties kunnen hebben. De doelstelling van de beschermtafel is dat de Raad voor de Kinderbescherming op basis van het verzoek (tot onderzoek) van de melder/verzoeker aan het einde van het tafelgesprek een advies kan uitbrengen over het al dan niet instellen van een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel. De bijeenkomst duurt ongeveer 60 minuten tot een uur. Beide ouders zijn aanwezig en eventueel de kinderen als ze ouder zijn dan 12 jaar. Ook mag iemand uit de omgeving, een vriend of familielid, worden meegenomen ter ondersteuning. De vaste deelnemers zijn: de melder/verzoeker de medewerker van De Toegang de Raad voor de Kinderbescherming de voorzitter de notulist De Beschermingstafel zal op basis van dit gesprek een beslissing nemen. Beslissingen die de beschermtafel kan nemen. Er zijn drie mogelijkheden. Er is vertrouwen dat het gezin meewerkt aan verbetering van de situatie door duidelijke afspraken te maken. De vrijwillige hulp wordt voortgezet. Een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt uitgesteld. Er wordt een (veiligheids)plan gemaakt met afspraken waaraan het gezin en de hulpverlening zich moeten houden. Wanneer binnen een periode van (maximaal) zes maanden de afspraken onvoldoende resultaat hebben, zal er alsnog een onderzoek starten. De Raad voor de Kinderbescherming start een onderzoek en bekijkt of er een kinderbeschermingsmaatregel nodig is. De kinderrechter doet hierover uitspraak. Over de kinderbeschermingsmaatregel De meest voorkomende kinderbeschermingsmaatregel is een ‘ondertoezichtstelling (OTS)’. De ouder(
  5. s)krijgt dan verplicht hulp en ondersteuning bij de opvoeding door een organisatie voor jeugdbescherming (de William Schrikker Groep, Jeugdbescherming Noord, de afdeling Jeugdbescherming van het Leger des Heils, of Nidos). Er wordt een gezinsvoogd toegewezen. Deze persoon wordt toegevoegd aan het gezag van het kind. Dit betekent dat de ouder(
  6. s)niet meer alleen beslissingen mag nemen en zijn of haar aanwijzingen moet opvolgen. Ook bestaat er een gezagsbeëindigende maatregel, waarbij de ouder(
  7. s)het gezag over het kind verliest en men helemaal geen beslissingen meer kan nemen voor of over het kind. Dan wordt er een voogd aangesteld. Op dezelfde wijze kan ook een zogenoemde ‘afschaaltafel’ worden ingezet. Afschaaltafels kunnen van betekenis zijn als de GI weet dat de maatregel wordt beëindigd maar er vermoeden bestaat dat de jeugdige op het gezin in de (nabije) toekomst opnieuw een beroep zal doen op ondersteuning. Om dit goed te begeleiden is een afschaaltafel gewenst, zodat er warm wordt overgedragen naar De Toegang. 2.15.3.Onderwijs-zorgarrangementen (OZA) Er kan pas jeugdhulp voor onderwijs ingezet worden nadat de casus is besproken aan de ‘OZA-tafel‘ (onderwijs-zorgarrangement). Dit gaat specifiek om de jeugdige die staat ingeschreven bij een school en over wie gedurende schooltijd hulp-op-maat in de vorm van daghulp en/of onderwijs bij een jeugdhulpaanbieder is geadviseerd. Bij de bespreking worden nadrukkelijk de verwijzer, de onderwijsinstelling waar de jeugdige staat ingeschreven, en de leerplichtambtenaar betrokken. Uitgezonderd is persoonlijke verzorging. Het doel van deze werkwijze is om te komen tot verbinding tussen de domeinen en een integrale aanpak, waarbij specifiek de lokale werkwijze wordt gedeeld (of ontwikkeld) om af te kunnen schalen waar dat gewenst is, of samen te werken ten behoeve van een passend aanbod, die gericht is op inclusie, voor de jeugdige. Het beoogde resultaat is een gezamenlijk en integraal plan voor, en het toewijzen van een regisseur aan, de jeugdige. 3.Afwegingskader voor jeugdhulp 3.1Inleiding De Jeugdwet vraagt van gemeenten, dat zij bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte gebruik maken van de eigen mogelijkheden van de inwoner en het sociale netwerk. Daarnaast wil de wetgever dat gemeenten overige voorzieningen faciliteren, organiseren en stimuleren, zodat er minder inzet van jeugdhulp noodzakelijk is. 3.2Woonplaats Een voorwaarde voor door de gemeente betaalde jeugdhulp is dat de jeugdige inwoner volgens het woonplaatsbeginsel zijn hoofdverblijf in Emmen heeft. Een minderjarige volgt de woonplaats van hem of haar die het gezag over de minderjarige uitoefent, de onder curatele gestelde die van zijn of haar curator. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, maar hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft, dan wel laatstelijk heeft verbleven. Voor de bepaling van de woonplaats maakt de gemeente gebruik van een hulpmiddel (stappenplan, bijlage 4). Hierbij wordt ermee rekening wordt gehouden dat Emmen het zogenoemde convenant woonplaatsbeginsel heeft ondertekend, voor zover dit per 1 januari 2020 nog van kracht is (dat wil zeggen: voor zover hetgeen in het convenant is opgenomen nog niet wettelijk is verankerd). Toelichting op het convenant woonplaatsbeginsel Het woonplaatsbeginsel bepaalt voor een jeugdige in kwestie welke gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdhulp en de financiering daarvan. In de praktijk levert het woonplaatsbeginsel knelpunten op. Om deze op te lossen, is aanpassing van de wettelijke definitie van het woonplaatsbeginsel nodig. De verwachting is dat dit in ieder geval niet eerder dan 1 januari 2020 gerealiseerd is en tot die tijd geldt het convenant woonplaatsbeginsel. In een casus tussen twee gemeenten kunnen de gemeenten elkaar alleen aan de werking van dit convenant houden als beide gemeente het convenant hebben onderschreven. De belangrijkste afspraken zijn: Bij een verhuizing van een jeugdige/gezin neemt de nieuwe gemeente voor minimaal een jaar de jeugdhulp zonder nadere indicering over. De nieuwe gemeente neemt de betaling aan de jeugdhulpaanbieder over. Bij onduidelijkheid tussen twee gemeenten over een gezagskwestie zorgen beide gemeenten dat de jeugdhulp in elk geval doorloopt en de jeugdhulpaanbieder betaald wordt. Nadere toelichting op de hierboven genoemde knelpunten: De reguliere regel voor het woonplaatsbeginsel wordt dat de BRP-registratie van de jeugdige leidend is (i.p.v. de feitelijke woonplaats van de gezagsdrager in de huidige wetgeving). De uitzondering is jeugdigen met verblijf (incl. jeugdigen in pleeggezinnen en 18+ met verblijf). Voor deze jeugdigen wordt de gemeente waar de jeugdige oorspronkelijk vandaan komt verantwoordelijk. De wetgever definieert dit als de gemeente waar de jeugdige als laatste heeft gewoond, voordat het verblijf in een instelling of pleeggezin is begonnen. Bij de start of verlenging van de jeugdhulp of de maatregel volgt een (nieuwe) bepaling van de woonplaats. 3.3Algemeen afwegingskader Ten aanzien van elke hulpvraag geldt in zekere zin hetzelfde afwegingskader. De gemeente beoordeelt in iedere situatie in hoeverre de inwoner in staat is om de beperkingen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te verminderen of op te lossen. Daarnaast beoordeelt de gemeente of gebruikmaking van andere voorzieningen of van overige voorzieningen ook dit resultaat kunnen hebben. Indien bovengenoemde mogelijkheden niet aanwezig zijn, kan de gemeente hulp-op maat bieden. De wet gaat er namelijk van uit dat inwoners zoveel mogelijk de eigen verantwoordelijkheid dragen voor de manier waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Er wordt gewezen op het benutten van de eigen kracht en ook erop dat van inwoners mag worden verwacht dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. Tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner hoort volgens de wetgever ook dat de inwoner een beroep doet op familie en vrienden – het sociale netwerk – voordat hij of zij bij de gemeente aanklopt voor hulp. In het kort komt het erop neer dat iedere inwoner eerst kijkt wat hij of zij zelf kan doen, wat het sociale netwerk voor hem of haar kan doen of wat de inwoner zelf voor een ander kan doen. Van belang is dat hiermee niet uit het oog wordt verloren dat iedereen een beroep mag doen op de gemeente. Geen enkele inwoner wordt op voorhand uitgezonderd van de toegang tot hulp-op-maat. Iedereen kan zich dus melden bij De Toegang met een hulpvraag. In de volgende paragrafen wordt dit algemene afwegingskader verder uitgewerkt. 3.3.1Andere wetgeving Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen door een beroep te doen op andere wetgeving? De gemeente beoordeelt allereerst in hoeverre andere wetgeving een oplossing zou kunnen bieden voor de hulpvraag. Als andere wetgeving, zoals de Wet passend onderwijs, de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Participatiewet of de Wet op de kinderopvang, voorziet in een oplossing ten aanzien van de ondervonden beperkingen, zal de gemeente van de inwoner verlangen om een beroep te doen op de met de uitvoering van die wet belaste instelling of organisatie. Elke wet heeft een ander doel voor ogen en het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat de met de uitvoering van de wetgeving in kwestie belaste organisaties dit door elkaar laten lopen. Als de Wmo of de Participatiewet een oplossing kan bieden, zal de gemeente zelf zorgdragen voor verwijzing. De gemeente is hier zelf immers verantwoordelijk voor. 3.3.2Eigen kracht Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen op eigen kracht, waaronder eigen oplossingen? De gemeente beoordeelt in hoeverre de inwoner op eigen kracht in staat is om de beperkingen te verminderen of op te lossen. Hiermee wordt bedoeld het organiseren en realiseren van eigen oplossingen. Een jeugdige of jongere die bijvoorbeeld een beroep doet op begeleiding omdat er beperkingen zijn ten aanzien van het bijhouden en het nakomen van door hem of haar gemaakte afspraken, wordt allereerst verwezen naar een agendabeheersysteem op de eventueel aanwezige computer/laptop of naar een agenda-app zoals te downloaden via de eventueel in het bezit zijnde smartphone. 3.3.3Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de huisgenoten. Tot huisgenoten worden gerekend: de partner; ouders; inwonende kinderen, en; anderen met wie de jeugdige duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoond. In de Jeugdwet is het begrip gebruikelijke hulp niet gedefinieerd. In artikel 1.1.1 Wmo 2015 wel. In het kort komt het erop neer dat van een partner, huisgenoten of een kind een bijdrage in de ondersteuning wordt verwacht als een van de gezinsleden dat nodig heeft. Dit gaat om de normale dagelijkse activiteiten in een samenlevingsverband (gezin). Bij het beoordelen of er sprake is van gebruikelijke hulp is het van belang om toeval en willekeur te voorkomen. Het hangt af van de sociale relatie welke hulp mensen elkaar moeten bieden; hoe intiemer de relatie, des te meer hulp mensen elkaar geacht worden te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen elkaar in een bepaalde situatie hulp bieden, zoals bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot jeugdhulp. Hierbij wordt vanzelfsprekend ook naar de eventuele beperkingen van de huisgenoten gekeken. Per situatie zal dan ook beoordeeld moeten worden in hoeverre de persoon waarmee de jeugdige in een huishouden samen leeft, daadwerkelijk in staat is tot het verlenen van gebruikelijke hulp. Van ouders en huisgenoten (18+) mag in beginsel worden verwacht dat zij naast bezigheden zoals een fulltime baan of fulltime studie, in staat worden geacht tot het verlenen van gebruikelijke hulp. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het bieden van begeleidingshandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse begeleiding van ouders aan een kind. Als er sprake is van fysieke afwezigheid van de ouder/huisgenoot gedurende een aantal dagen of nachten per week en de ouder/huisgenoot is op die momenten dus niet in staat om gebruikelijke hulp te verlenen (bijvoorbeeld in het geval als een van de ouders een baan heeft waarbij dat vereist is), kan de gemeente ondersteuning inzetten voor de niet uitstelbare taken. Bij het overnemen van begeleiding betekent dit dat begeleidingshandelingen die niet kunnen worden uitgesteld overgenomen kunnen worden. Van de ouder/huisgenoot wordt vervolgens verwacht om de uitstelbare taken te verrichten zodra hij niet langer afwezig is. 3.3.4Sociaal netwerk Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk? De gemeente beoordeelt bij elke hulpvraag in hoeverre er hulp geboden wordt of kan worden vanuit het sociale netwerk. In de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet (hierna: MvT) is vastgelegd dat ‘de eigen kracht en het sociale netwerk eerst worden aangesproken voordat een beroep wordt gedaan op publiek gefinancierde voorzieningen’.10Rijksoverheid. ‘Memorie van toelichting bij de Jeugdwet: 4’, geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2013/07/01/memorie-van-toelichting-bij-de-jeugdwet. ‘Als ouders of het ondersteunende sociale netwerk hun rol niet kunnen vervullen, is er een taak weggelegd voor de overheid. Deze jeugdigen moeten dan met de juiste hulp (hulp-op-maat) naar een zelfstandige toekomst worden geleid.’11Rijksoverheid. ‘Memorie van toelichting bij de Jeugdwet: 6’. Van belang is dat vraagverlegenheid van de inwoner en handelingsverlegenheid bij personen uit het sociale netwerk dienen te worden verminderd. Daarom is het goed om hier nadrukkelijk bij stil te staan tijdens het onderzoek zoals verricht wordt na de melding. Er dient bij de afweging ook altijd gekeken te worden naar eventuele zorg die ingezet wordt door vrijwilligers, maatjes, buurthuis, etc. Van alle 6 gebieden in Emmen is een sociale kaart beschikbaar. 3.3.4.1Mantelzorg Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met mantelzorg? De gemeente beoordeelt bij elke hulpvraag of er sprake is van mantelzorg. Bij het verlenen van mantelzorg gaat het om iets extra’s dat qua duur en qua intensiteit de normale gang van zaken overstijgt. Het dient te gaan om hulp die verder gaat dan de hulp die mensen elkaar geacht worden te geven op basis van algemeen aanvaarde opvattingen over wat gebruikelijke hulp is.12Zie H3.3.3. van deze beleidsregels. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet om hulp die wordt verleend in de uitoefening van een hulpverlenend beroep. Mantelzorg is niet het bieden van gebruikelijke hulp. Mantelzorg overstijgt de gebruikelijke hulp. Van belang is de balans tussen draagkracht en draaglast van de mantelzorger, waar nodig en mogelijk ontvangt de mantelzorger ondersteuning. Het is van belang om mantelzorg te onderscheiden van vrijwilligerswerk. Vrijwilligerswerk wordt doorgaans gedefinieerd als werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen of de samenleving. Mantelzorg betreft bijvoorbeeld de situatie waarbij een familielid begeleiding biedt aan de jeugdige of ten aanzien van bijvoorbeeld het (kunnen) opvoeden van de kinderen. 3.3.5Andere voorzieningen Zoals onder 3.3.1 omschreven zijn andere wettelijke regelingen voorliggend op de Jeugdwet, zoals bijvoorbeeld Wet passend onderwijs, de Wet langdurige zorg (Wlz), of de Zorgverzekeringswet (Zvw). Als de inwoner hier aanspraak op kan maken wat betreft de specifieke hulpvraag, zal er op grond van de Jeugdwet geen individuele voorziening worden verstrekt. Vergelijkbaar gaan overige voorzieningen in de zin van artikel 2.9 Jeugdwet voor individuele jeugdhulpvoorzieningen, dat wil zeggen hulp-op-maat. Ook kan het gaan om zogenoemde algemeen gebruikelijke voorzieningen, zoals bijvoorbeeld app’s, software, domotica; reguliere of speciale vormen van onderwijs (of werk). 3.3.6Overige voorzieningen Met overige voorzieningen worden voorzieningen bedoeld zoals omschreven in artikel 2.9, onder a, van wet. Voor overige voorzieningen is geen beschikking van de gemeente vereist. Dit kan zowel de algemeen toegankelijke professionele ondersteuning zijn, als de algemeen toegankelijke informele ondersteuning. Overige voorzieningen zijn: Preventie – basiszorg: Informatie en advies; signalering; toeleiding naar vrij toegankelijke hulp; licht pedagogische hulpverlening; coördinatie van hulp (lichte, enkelvoudige problematiek) en opvoedkundig advies. Spoedeisende Zorg: Een crisissituatie kan leiden tot een beroep op spoedeisende zorg en crisishulp. Spoedeisende zorg is dan ook bedoeld om snel te kunnen ingrijpen bij een crisissituatie. Het gaat om de 24/7 beschikbaarheid van een professional die interventiehulp biedt in het gezin. Het streven is uithuisplaatsing zoveel mogelijk te voorkomen. Als het nodig is in het belang van de veiligheid van het kind, dan kan het kind (tijdelijk) elders worden opgevangen. We onderscheiden de spoedeisende zorg (interventiehulp) van de crisishulp (bedden). In feite vormt de spoedeisende zorg de toegang tot de crisishulp. Opvang van een cliënt in crisishulp zou maximaal vijf werkdagen moeten duren, daarna stroomt een jeugdige door naar een individuele jeugdhulpvoorziening (hulp-op-maat), waarvoor een beschikking van de gemeente is vereist. In de gemeente Emmen wordt het meldpunt spoedeisende jeugdhulp verzorgd door De Toegang en, na kantooruren; Spoed Voor jeugd. Veilig Thuis Drenthe: In situaties waarin vermoedens bestaan of sprake is van huiselijk geweld of Kindermishandeling kan een beroep worden gedaan op de deskundigheid van Veilig Thuis Drenthe. Ook kan een melding worden gedaan bij Veilig Thuis Drenthe. Een melding kan leiden tot een advies over hoe om te gaan met de situatie door bijvoorbeeld een inzet van een overige voorziening zoals het maatschappelijk werk of een toeleiding naar De Toegang wanneer er toch een hulp-op-maat nodig blijkt. Ook kan een melding bij Veilig Thuis Drenthe leiden tot een vervolgtraject of onderzoek door Veilig Thuis Drenthe. Jeugdbescherming: Jeugdbescherming is een gedwongen maatregel die de rechter kan opleggen als vrijwillige hulp niet of onvoldoende werkt. Dit kan een ondertoezichtstelling of een gezagsbeëindigende maatregel zijn. Soms woont het kind daarbij – tijdelijk – niet meer thuis. Jeugdreclassering: Jeugdreclassering is begeleiding voor jongeren die een proces-verbaal hebben gehad van de politie of de leerplichtambtenaar. Zij krijgen een persoonlijk begeleidingsplan. Alleen kinderrechters, het openbaar ministerie, de Raad voor de Kinderbescherming en de justitiële jeugdinrichtingen kunnenjeugdreclassering opleggen. Gecertificeerde instellingen voeren de jeugdreclassering uit. Internationale kinderbescherming13Rijksoverheid. ‘Internationale kinderbescherming’, geraadpleegd 11 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdbescherming/internationale-kinderbescherming. Een kind uit een gezin dat hulp krijgt bij de opvoeding, kan naar het buitenland reizen. Daar kan het kind voor langere tijd verblijven, met of zonder ouders. In het buitenland kan het kind ook begeleiding krijgen. Als in een gezin ernstige problemen met de opvoeding voorkomen, dan kan het gezin hulp krijgen. Soms is het aannemen van hulp verplicht. Doel van deze hulp is de bescherming van het kind. Als het kind (met of zonder zijn of haar ouders) naar het buitenland gaat, dan kan de zorg in het andere land doorgaan. Elk land dat het ‘Haags Kinderbeschermingsverdrag’ heeft ondertekend, heeft een Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (Ca). De Ca's coördineren zaken op het gebied van internationale kinderbescherming. Het gaat dan om kinderbeschermingsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing. Of om hulp die via de jeugdhulpinstanties loopt. Het kan ook gaan om bijvoorbeeld pleegzorgplaatsingen of verblijf in een buitenlandse instelling. Een kind kan naar het buitenland gaan terwijl het begeleiding krijgt van een Nederlandse jeugdhulpinstantie. In dat geval kan de Nederlandse Ca het andere land vragen de zorg over te nemen. Contactgegevens:14Rijksoverheid. ‘Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (Ca)’, geraadpleegd 11 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/contact/contactgids/centrale-autoriteit-internationale-kinderaangelegenheden. Ministerie van Justitie en Veiligheid, Postbus 20.301, 2500 EH Den Haag. Alleen Nederlandse jeugdhulpinstanties kunnen hiervoor bij de Ca een verzoek indienen. Als de Ca hierom vraagt, kan de buitenlandse Ca onderzoek doen naar het welzijn van het kind. En bepalen of het kind in dat land ook begeleiding nodig heeft. De landen die het Haags Kinderbeschermingsverdrag niet hebben ondertekend, hebben geen Ca. De Nederlandse Ca neemt deze verzoeken wel in behandeling. Zo nodig schakelt de Ca het ministerie van Buitenlandse Zaken in. Het ministerie kan nagaan wat de mogelijkheden zijn in dat land. Maar helpt ook om het verzoek bij de juiste organisatie te krijgen. Er zijn ook kinderen die tijdelijk naar Nederland verhuizen. Daarom behandelt de Nederlandse Ca ook verzoeken van andere landen. Bijvoorbeeld om een onderzoek te laten doen in Nederland naar het welzijn van het kind. Of om een kind te plaatsen in een Nederlands pleeggezin. Buitenlandse jeugdhulpverleningsinstanties kunnen via hun eigen Centrale autoriteit informatie krijgen over hoe ze een verzoek moeten indienen. 3.3.7De omgeving als wegingsfactor De fysieke- en sociale omgeving zijn van invloed op de zorgbehoefte van de jeugdige. Huisgenoten, andere naasten en verwanten van de jeugdige kunnen zowel in positieve als in negatieve zin de zorgbehoefte beïnvloeden. Deze naasten kunnen zelf zorg nodig hebben, zoals kleine kinderen, of een huisgenoot of familielid met een fysieke en/of mentale beperking. Maar zij kunnen ook verlichting geven en bijdragen aan te verrichten taken. Ook kan er (al dan niet daardoor) een onveilige situatie bestaan in de omgeving van de jeugdige, waardoor bijvoorbeeld van in te zetten hulp-op-maat geen resultaat mag/kan worden verwacht. In die situaties stelt de regisseur een veiligheidsplan op met het gezin en betrokkenen met doelen en afspraken om zo snel mogelijk weer een veilige situatie te creëren waarin hulp geboden kan worden om de ontwikkeling van de jeugdige te waarborgen. De Toegang heeft daarin de regie om te zorgen dat de nodige ondersteuning/hulpverlening in een veilige situatie geboden kan worden. In het gesprek over de jeugdhulp zal altijd de fysieke en sociale omgeving van de jeugdige meegenomen worden in de afweging. De uitkomsten worden op genomen in het verslag.15Zie H2.9 van deze beleidsregels 3.3.8Demedicalisering Gewone, alledaagse opgroei- en opvoedproblemen worden in toenemende mate gelabeld als iets waarbij professionele hulp is aangewezen. Mede daarom stijgt het beslag op de jeugdzorg. Ter illustratie: veel kinderen krijgen, vergeleken met vroeger, een diagnose en de daarbij behorende therapie, terwijl het de vraag is of de problematiek werkelijk zo ernstig is.16Tweede Kamer der Staten-Generaal. ‘Parlementaire Werkgroep Toekomstverkenning, Jeugdzorg, Jeugdzorg dichterbij (Kamerstukken II 2009/10, 32 296, nr. 7)’, 19 mei 2010. Geraadpleegd 6 december 2019 via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32296-8.html. Daarnaast lijkt de wijze van indicatiestellen vooral ontleend te zijn aan het lineaire medische model, waarbij een gebrek verholpen kan worden op basis van een eenmalige diagnose.17BMC. ‘Evaluatieonderzoek Wet op de jeugdzorg. Eindrapport’, oktober 2009. Geraadpleegd 6 december 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Jeugdzorg_Evaluatieonderzoek_Wet_091103.pdf. De wetgever concludeert dat afwijkend gedrag onnodig gemedicaliseerd wordt. Doelen die de wet daarom beoogd zijn onder meer: demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren. Dit vraagt een cultuuromslag: ander gedrag van professionals en burgers, een andere cultuur bij instellingen en professionals en andere werkwijzen.18Rijksoverheid. ‘Memorie van toelichting bij de Jeugdwet: 2’, 16. De observatie is dat verwachtingen kunnen kelderen als van een kind bekend is dat het een diagnose heeft.19Terence, R. Mitchell, Denise Daniels. ‘Motivation’, in Handbook of Psychology volume 12, ed. Walter C. Borman, et al. (Hoboken: John Wiley & Sons, Inc., 2003), 229. En dat een diagnose profijt kan opleveren, in die zin dat anderen baat kunnen hebben bij een diagnose20Rooijmans, H.G.M. ‘Onbegrepen lichamelijke klachten en conversie’, Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde 130

(1986): 2178., of er een voordeel in zien.21Wienen, A. W. Inclusive education: from individual to context. (Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2019),
  1. Ook de Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving (RVS) stelt dit medische perspectief ter discussie. Een medisch perspectief heeft voordelen: er is sprake van een diagnose en de belofte van een behandeling. En niet zelden kan daarbij extra hulp en ondersteuning worden ingeschakeld.22Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. ‘Recept voor maatschappelijk probleem. Medicalisering van levensfasen’, maart 2017, 9-
  2. Geraadpleegd 11 december 2019 via https://www.raadrvs.nl/documenten/publicaties/2017/04/04/recept-voor-maatschappelijk-probleem. De RVS onderscheidt verschillende factoren die een rol spelen bij de tendens om gedrag dat past in een bepaalde levensfase te medicaliseren. De samenleving heeft onrealistische verwachtingen en idealen: ‘mensen kunnen hun hele leven gelijkmatig functioneren’, ‘het leven is maakbaar’, ‘perfectie is mogelijk op alle fronten’, en dan is het ook nog ‘vanzelfsprekend om constant te genieten’. Wanneer deze verwachtingen tot knelpunten leiden, wordt de oorzaak bij het individu gezocht. Daarnaast dragen factoren in het zorgdomein bij aan medicalisering: de productieprikkels in het zorgstelsel die aanzetten tot behandelen en de actiemodus van zorgprofessionals. De RVS signaleert dat van mensen regelmatig andere zaken worden verwacht dan passend is op grond van de levensfase die ze op dat moment doormaken. De gangbare reactie hierop is om te proberen door middel van (medische) zorg het functioneren aan te passen aan de verwachtingen. Het uitgangspunt dat er altijd een medische oplossing voorhanden is, is echter een illusie volgens de RVS.23Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. ‘Recept voor maatschappelijk probleem. Medicalisering van levensfasen’,
  3. De regel bij de beoordeling van hulpvragen is daarom dat wanneer er in een situatie sprake is of zou kunnen zijn van een diagnose, of in de advisering een beroep gedaan wordt op een diagnose, er in het advies (tenminste) twee verklaringsmodellen in kaart worden gebracht en worden betrokken bij de conclusie over de in te zetten hulp. Hiervan is er in ieder geval één niet medisch (de diagnostiek is tussen haakjes geplaatst als het ware, dat wil zeggen: de diagnostiek is niet meegenomen in het verklaringsmodel). Bijvoorbeeld: hoe staat het met de voeding van het kind, of is er sprake van structurele onveiligheid of armoede in de opgroeisituatie? Het tweede, niet-medische, model is (dus) gericht op integraliteit, normaliseren en is een model dat er vanuit gaat dat de beste preventie van jeugdhulp is gericht op het investeren in de beschermende factoren van de jeugdige, het gezin, de school en de omgeving; kansen, erkenning, waardering, steun van belangrijke volwassenen, constructieve tijdsbesteding, competenties (sociaal, emotioneel en gedrag), cognitieve vaardigheden, positieve identiteit, sociale binding. Er wordt dus wat betreft het in kaart brengen van de twee verklaringsmodellen onderscheid gemaakt tussen het biomedisch en het pedagogisch perspectief. 4.(Boven)gebruikelijke hulp Bij een hulpvraag maakt de gemeente een beoordeling over of de hulp-op-maat wel of niet als bovengebruikelijk kan worden aangemerkt. De richtlijnen hiervoor zijn opgenomen in bijlage
  4. Als er sprake is van bovengebruikelijke hulp kan er een individuele jeugdhulpvoorziening worden ingezet als: duidelijk is dat de draagkracht van het functioneren van het gezin wordt overschreden; het gezin niet in staat is de juiste hulp te organiseren. Er is sprake van bovengebruikelijke hulp in het geval van een beperking waardoor de noodzakelijke hulp en ondersteuning (in vergelijking tot kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel) structureel wordt overschreden. Eigen kracht bij jeugdhulp kan er ook uit bestaan dat bovengebruikelijke hulp verleend wordt door een van de ouders. Wanneer de beslissing door het gezin is genomen om met eigen kracht jeugdhulp te verlenen waarbij een van de ouders minder betaalde arbeid is gaan verrichten, en de draaglast van de zorgvraag en de draagkracht van het gezin zijn in met elkaar overeenstemming, dan bestaat niet vanzelfsprekend een aanspraak op een jeugdhulpvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget, behalve als het gezin door de inkomensdaling in financiële problemen komt die niet met door het gezin te nemen maatregelen zijn op te lossen binnen de bestaande woon- en leefsituatie. Van belang voor de vraag of jeugdhulp noodzakelijk is, is de uitspraak24De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:CRVB:2019:2362’, 19 juli
  5. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2019:
  6. van 17 juli 2019 door de Centrale Raad van Beroep. De CRvB concludeert, kort gezegd, dat geen jeugdhulpvoorziening toegekend hoeft te worden als de ouders en de jeugdige zelf in staat zijn de hulp te verlenen/op te lossen, ook niet als sprake is van bovengebruikelijke hulp. 5.Verstrekkingsvormen (of leveringsvormen) 5.1Inleiding Hulp-op-maat kan in natura (ook wel: zorg in natura of ZIN) of als persoonsgebonden budget (PGB) worden verstrekt. In dit hoofdstuk worden de verschillende verstrekkingsvormen en de criteria met betrekking tot de verstrekkingsvormen behandeld. Elke individuele jeugdhulpvoorziening die via de gemeentelijke toegang wordt ingezet, wordt in een beschikking aan de jeugdige en of de ouders meegedeeld. 5.2.Een voorziening in natura (ZIN) Een voorziening in natura is een daadwerkelijke levering van de individuele jeugdhulpvoorziening door een door de gemeente gecontracteerde Jeugdhulpaanbieder. De gemeente geeft aan de (al dan niet door de inwoner gekozen) jeugdhulpaanbieder of –leverancier de opdracht om de hulp-op-maat te leveren. 5.
  7. Een persoonsgebonden budget (PGB) Een PGB kan een geschikt instrument zijn voor de inwoner om zijn leven meer naar eigen wens en behoefte in te vullen. Hiermee kan de inwoner zelf hulp-op-maat inkopen. Het is een verstrekkingsvorm die alleen geschikt is voor mensen die zelf de regie over hun leven kunnen voeren. De gemeente vindt het van belang dat mensen eigen regie over hun leven kunnen voeren en dat zij, als zij dit willen, hiervoor een PGB inzetten. De gemeente verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet. De PGB-tarieven zijn vastgelegd in de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen
  8. Dit laat onverlet dat een inwoner in staat moet zijn met het PGB adequate hulp te kunnen inkopen. 5.3.1.Wettelijk kader PGB Conform artikel 8.1.
  9. verstrekt de gemeente de jeugdige of zijn ouders een PGB dat hen in staat stelt de hulp-op-maat van derden te betrekken. Conform artikel 8.1.1.
  10. verstrekt de gemeente een PGB als: de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de gemeente op: eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, dan wel met hulp uit hun sociale netwerk, dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, GI, of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (dat wil zeggen: de inwoner moet in staat zijn een contract aan te gaan, moet een jeugdhulpaanbieder of -leverancier kunnen kiezen die aan de hulpvraag kan voldoen, deze kunnen aansturen, en moet de administratie met betrekking tot de verleende hulp-op-maat kunnen bijhouden), en; de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de hulp-op-maat die wordt geleverd door een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten, en; naar het oordeel van de gemeente is gewaarborgd dat de hulp-op-maat en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. Conform artikel 8.1.1.
  11. is in de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020 vastgelegd onder welke voorwaarden de persoon aan wie een PGB wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Conform artikel 8.1.1.
  12. zal de gemeente PGB weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele jeugdhulpvoorziening, of als de gemeente eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4, eerste lid, onderdeel a, d of e van de wet (dat laatste wil zeggen dat de gemeente geen PGB verstrekt wanneer de gemeente vaststelt dat de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget, of; de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.) 5.3.2Cliëntgebonden overeenkomst De gemeente kan de benodigde hulp-op-maat ook leveren op grond van een zogenoemde cliëntgebonden overeenkomst. In feite is er dan sprake van ZIN. Van een cliëntgebonden overeenkomst is sprake wanneer de gemeente een PGB niet verstrekt en de benodigde hulp-op-maat niet door een gecontracteerde partij kan worden verzorgd. In beginsel wordt de cliëntgebonden overeenkomst gebaseerd op de in de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen opgenomen tarieven. 5.3.3.PGB-criteria Als er sprake is van ondersteuning door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk en die persoon is tevens de vertegenwoordiger van de cliënt bij het uitoefenen van de aan een PGB verbonden taken, zal nadrukkelijk worden onderzocht of er geen sprake is van belangenverstrengeling. De gemeente staat het niet toe dat de jeugdhulpaanbieder (anders dan de aanbieder van gesloten jeugdhulp; zie artikel 8.1.1.
  13. van de wet) het PGB beheert, of dat er sprake is van een zakelijke relatie tussen PGB-beheerder en jeugdhulpaanbieder, dan wel anderszins sprake is van mogelijke belangenverstrengeling De PGB-beheerder moet op een neutrale manier toezicht kunnen houden op de levering van de met het PGB ingekochte diensten. (Het gaat hierbij overigens niet om het kunnen beheren van het budget zelf. Dat gebeurt door de Sociale verzekeringsbank, SVB.) Degene aan wie het PGB is toegekend, blijft verantwoordelijk voor het budget en de besteding daarvan. Mocht er budget teruggevorderd worden, dan wordt dit teruggevorderd van de budgethouder en niet van de derde die het PGB beheert (dat wil zeggen: de naaste, de bewindvoerder, de curator, de GI, etc.). Wel kan de gemeente het PGB terugvorderen van de jeugdhulpaanbieder, nadat de vordering middels cessie is overgenomen van de budgethouder, wanneer de budgethouder ‘te goeder trouw’ is en te maken heeft met een zorgverlener die fraude heeft gepleegd. Het PGB is geen inkomensondersteuning, maar wordt ingezet in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner ontoereikend zijn. Dit sluit niet uit dat het soms in het belang is van de inwoner een PGB te verstrekken, of om een andere reden te kiezen voor een verstrekking in PGB. 5.3.4Bekwaamheid van de aanvrager Overwegende bezwaren zijn er als er een ernstig vermoeden is dat de inwoner problemen zal hebben met het omgaan met het PGB. De situaties waarbij het risico groot is dat het PGB niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel zijn bijvoorbeeld: de inwoner handelingsonbekwaam is; als iemand onder bewind staat is het geen automatisme dat er geen PGB vertrekt kan worden. Vanzelfsprekend mag er pas een PGB-overeenkomst aangegaan worden met de onder bewind gestelde met toestemming van de bewindvoerder. de inwoner heeft als gevolg van een verstandelijke aandoening of stoornis of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie; er sprake van schuld- en/of verslavingsproblematiek is; er eerder misbruik gemaakt is van het PGB; eerder sprake is geweest van fraude. Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin de gemeente van oordeel is dat het verstrekken van een PGB niet gewenst is. In deze situaties kan de een PGB worden geweigerd. Om een PGB af te wijzen op overwegende bezwaren, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan afgewezen kan worden. Dit kan een medische onderbouwing zijn, maar ook het aantonen van schulden of eerder misbruik. Een hulp middel bij het vaststellen of de aanvrager bekwaam is ten aanzien van het omgaan met het PGB is een zogenoemde PGB-vaardigheidstoets, bijvoorbeeld het 10-puntenkader van het ministerie van VWS25Rijksoverheid. ‘Handreiking voor toetsing op (minimale) PGB-vaardigheid’, geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/zorg-en-ondersteuning-thuis/documenten/brochures/2019/06/26/handreiking-voor-toetsing-op-minimale-pgb-vaardigheid. of de test van Per Saldo.26Per Saldo. ‘PGB-test’, geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.pgb.nl/pgb/wat-is-een-pgb/. Een dergelijk kader geeft mensen een helder advies of het PGB een geschikt instrument voor hen is. 5.3.5Gemotiveerd plan Hulp-op-maat in de vorm van een PGB wordt alleen verstrekt als de inwoner dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld plan vraagt. Uit het PGB-plan dat een de inwoner opstelt, moet tenminste blijken: waarom de inwoner een PGB wil (motivering waarom het aanbod van de gemeente niet toereikend is voor de hulp die gewenst is); hoe de jeugdhulp veilig, doeltreffend en klantgericht wordt ingericht (kwaliteit); van wie hij de jeugdhulp wil inkopen (professionals of mensen uit het eigen netwerk); hoe de cliënt de achtervang bij vakantie en ziekte regelt (bij inzet sociaal netwerk); wie toeziet op de geleverde zorg en het verantwoord besteden van het budget en, indien van toepassing, op basis waarvan (machtiging, beschikking van de rechtbank over curatele, etc.). Het PGB-plan maakt de kwalitatieve verantwoording van het PGB inzichtelijk, als concreet vastgelegd is bij wie er zorg ingekocht gaat worden. Door het opstellen van een PGB-plan wordt de inwoner gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren, en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. 5.3.6Kwaliteit van dienstverlening De kwaliteit van de dienstverlening die ingezet wordt door een PGB moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als de dienstverlening van zorg in natura, zie ‘Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2018’. In het gemotiveerd plan dient aangetoond te worden op welke wijze deze kwaliteit geborgd is. Concreet kan de gemeente in stemmen met de leveringsvorm PGB als aan alle voorwaarden is voldaan, terwijl zij niet akkoord gaat met de besteding daarvan bij een specifieke jeugdhulpaanbieder als deze niet de vereiste kwaliteit kan leveren. Dit betrekt zich ook op huisvesting van de beoogde jeugdhulpverlener, vergunningen, etc. Voor specifiek PGB die wordt voorgesteld in een jeugdhulpbepaling die is afgegeven door GI, geldt wettelijk dat de GI inhoudelijk gaat over de in te zetten jeugdhulp, maar dat de gemeente gaat over de leveringsvorm. Concreet betekent dit als de gemeente niet akkoord gaat met de leveringsvorm, de GI een alternatief zal moeten formuleren. 5.4Trekkingsrecht In de Jeugdwet is de verplichting opgenomen dat gemeenten PGB’s uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het PGB niet op de bankrekening van de inwoner stort, maar op rekening van het servicecentrum PGB van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De inwoner moet aan de SVB een zogenoemde zorgovereenkomst overleggen en deze moet zijn geaccordeerd door de gemeente. De inwoner laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. De niet bestede PGB-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. Het is voor gemeenten mogelijk om een zogenoemd verantwoordingsvrij bedrag te hanteren en een feestdagenuitkering. Emmen kent noch een verantwoordingsvrij bedrag noch een feestdagenuitkering. 5.5Inzetten sociaal netwerk of mantelzorgers In het gemotiveerde plan van de inwoner kan hij of zij de wens uitspreken om zijn sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten. In navolging van de regering27Rijksoverheid. ‘Memorie van toelichting bij de Jeugdwet: 82’. is de gemeente van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan zorg in natura. 5.6Hoogte van een PGB Met een PGB krijgt een budgethouder een budget toegekend waarmee hij vervolgens de vrijheid heeft om – binnen de gemaakte afspraken – zelf de benodigde zorg te organiseren. Dat kan bij zorginstellingen, maar ook bij een vrijgevestigde of niet-professionele zorgverleners, al dan niet uit het netwerk van de cliënt. 5.6.1.Tariefsystematiek De gemeente maakt onderscheid in het tarief gemaakt tussen PGB voor beroepsmatige betrokken jeugdhulpverleners, die zijn gebaseerd op het inkoopmodel jeugdhulp, en PGB voor het sociaal netwerk. PGB voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk is uitsluitend mogelijk voor ambulante begeleiding (inclusief persoonlijke verzorging en vervoer) en het betreft geen specialistische intensieve jeugdhulp, en kortdurend verblijf/logeren. 5.6.2.Criteria PGB jeugdhulpaanbieders De gemeente stemt slechts in met een PGB bij een specifieke jeugdhulpaanbieder wanneer hij of zij: niet door toezichthouders zijn gesignaleerd wegens het verlenen van ondeskundige zorg, handelen in strijd met de wet, misleiding, fraude of uitbuiting van het personeel; zijn geregistreerd in het beroepsregister jeugd (SKJ) of BIG of werkt volgens de criteria zoals opgenomen in de Norm Verantwoorde Werktoedeling; een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) volgens het screeningsprofiel ‘(Gezins)voogd bij voogdijinstellingen, reclasseringswerker, raadsonderzoeker en maatschappelijk werker’ kunnen overleggen28Gemeenten en gemeentelijke toegangen mogen geen (kopieën van) VOG’s van zorgverleners in hun systemen opslaan. Er moet worden volstaan met een notitie dat de VOG gezien is en akkoord is bevonden., niet ouder dan 3 maanden; een duidelijke regeling voor hulpverlening in periode van ziekte of vakantie hanteren; beschikken over een inschrijving in de Kamer van Koophandel als zorgaanbieder gericht op jeugdhulp; in afdoende mate verzekerd zijn voor beroepsaansprakelijkheid/bedrijfsaansprakelijkheid; voldoen aan specifieke opleidingseisen gericht op het verlenen van jeugdhulp; beschikken over een adequate klachtenregistratie; zich richting de belastingdienst gedragen als een zelfstandig ondernemer. 6.Meedoen en zelfredzaamheid 6.1Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging betreft de ondersteuning aan de jeugdige bij algemene dagelijkse levensverrichtingen en zelfverzorging wanneer zij daar zelf niet of onvoldoende toe in staat zijn. Persoonlijke verzorging omvat: reguliere activiteiten in het kader van de algemene dagelijkse levensverrichtingen; reguliere activiteiten in het kader van zelfverzorging; advies, instructie en voorlichting aan de jeugdigen en zijn of haar ouders/verzorgers over persoonlijke verzorging en het aanleren van de jeugdige van het (deels) zelf uitvoeren van de activiteiten. Persoonlijke verzorging is gericht op: het ondersteunen of overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging; het (gedeeltelijk) begeleiden van deze activiteiten gericht op het opheffen van het tekort aan zelfredzaamheid op het gebied van persoonlijke verzorging; ouders/verzorgers, informele verzorgers en het sociaal netwerk van de jeugdige worden – indien mogelijk – ingezet en/of opgebouwd en geadviseerd en/of voorgelicht over persoonlijke verzorging; indien noodzakelijk verzorging op afroep, buiten vaste afgesproken tijden. De jeugdige komt in aanmerking voor persoonlijke verzorging wanneer: sprake is van een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of van een verstandelijke beperking; de jeugdige als gevolg daarvan een tekort heeft aan zelfredzaamheid bij persoonlijke zorg; een hulpverlener de algemene dagelijkse lichamelijke activiteiten geheel of gedeeltelijk dient over te nemen. Afbakening Persoonlijke verzorging Jeugdwet – Zvw Wanneer er sprake is van zorg, die verband houdt met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, is valt persoonlijke verzorging onder de Zvw.29Deze zorg viel in de periode 2015 – 2018 onder de Jeugdwet en is per 1 januari 2018 verlegd naar de Zvw. Kinderen met zwaar complexe somatische problematiek of een lichamelijke beperking, die als gevolg daarvan verpleging en verzorging nodig hebben waarbij permanent toezicht noodzakelijk is, kunnen terecht bij de zorgverzekeraar voor zorg.30Deze zorg werd tot 2018 geduid met de term ‘intensieve kindzorg’ (IKZ)’. Het criterium voor IKZ is per 1 januari 2018 afgeschaft. Hieronder wordt verstaan dat onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende de gehele dag nodig is met betrekking tot fysieke functies, zodat tijdig ingrijpen mogelijk is. Doordat het kind zorg nodig heeft op zowel te plannen dagen en tijdstippen als op ongeplande tijden, vaak ook in de nachtelijke uren, volstaat toezicht op afstand of een meer passieve observatie niet. Bij de kinderen die een behoefte aan permanent toezicht hebben, kan elk moment iets ernstig mis gaan. Het kan ook gaan om kinderen met lichtere complexe problematiek of een lichamelijke handicap, waarbij een of meer specifieke verpleegkundige handelingen nodig zijn en waarbij zorg voortdurend in de nabijheid nodig is. Bij deze kinderen moet de zorg weliswaar gedurende de gehele dag in de nabijheid beschikbaar zijn, maar daarbij is geen permanente actieve observatie nodig. Het gaat dus om een vorm van beschikbaarheid van zorg die voor een groot deel bestaat uit meer passief toezicht. De zorg is echter wel nodig op zowel geplande als ongeplande zorgmomenten. Bij de specifieke verpleegkundig handelingen gaat het om handelingen als het toedienen van zuurstof, aan- en afkoppelen beademingsapparatuur, toediening van intraveneuze medicatie toediening of parenterale voeding, verwisselen van canules en openhouden en doorspoelen van katheters en dergelijke.31BVIKZ. ‘Wanneer is er sprake van IKZ’, geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.bvikz.nl/downloads/ewExternalFiles/IKZ%20en%20wetgeving.pdf.32Per Saldo. ‘Kinderen met een intensieve zorgvraag en MSVT’, geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.pgb.nl/pgb/zvw/voor-wie-welke-zorg/intensieve-kindzorg/. 6.2Individuele begeleiding Individuele begeleiding is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de jeugdige. De begeleiding is bedoeld voor jeugdigen die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een instelling of zouden stagneren in hun ontwikkeling. Bij zelfredzaamheid in relatie tot begeleiding gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de jeugdige in staat stelt om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. Begeleiding kan aangewezen zijn vanwege het handhaven of bevorderen van de zelfredzaamheid van de jeugdige. Hierbij kan gedacht worden aan het volgende: In de eerste plaats kan het gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de jeugdige, waardoor deze onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, het regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De grens tussen de persoonsgebonden sociale omgeving en participatie is niet altijd scherp te trekken. Daarom is voor de jeugdige met matige en zware beperkingen binnen de functie Begeleiding ook ondersteuning mogelijk in de vorm van stimuleren tot deelnemen van activiteiten en het voorbereiden van gesprekken met instanties op het terrein van wonen, school, werk etc. In de tweede plaats kan het gaan om begeleiding in de vorm van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren dan wel het eventueel ondersteunen bij oefenen van handelingen/ vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. Je kunt hierbij denken aan ingrijpen in de vorm van correctie van het gedrag bij gedragsstoornissen die hun oorsprong vinden in één van de grondslagen: een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke beperking. Dit ingrijpen kan ook het stimuleren zijn om bepaalde activiteiten te ondernemen of sociale contacten te onderhouden. In de derde plaats kan het bij Begeleiding gaan om het bieden van permanent toezicht. Begeleiding kan zich (in tijdelijke vorm) ook richten op zorg in de directe omgeving van de jeugdige, zoals de ouders/opvoeders, als dit ten goede komt aan de jeugdige. De begeleiding is dan gericht op het oefenen van de ouders/opvoeders hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de jeugdige. Desalniettemin is de beschikking gesteld op naam van de jeugdige en niet op naam van degene op wie de oefening zich direct richt. Om in aanmerking te komen voor begeleiding moet worden vastgesteld dat de jeugdige matige en/of zware beperkingen heeft als gevolg van een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of van een verstandelijke beperking op tenminste één van de vijf beperkingenschalen: sociale redzaamheid (mogelijkheid hebben om sociale contacten aan te gaan, eigen leven vorm te geven en te regisseren, inclusief financiën regelen); bewegen en verplaatsen (zelfstandig voortbewegen binnen- en buitenshuis); probleemgedrag (destructief, grensoverschrijdend, agressief, dwangmatig gedrag); psychisch functioneren (stoornissen in denken, concentratie en waarneming); geheugen- en oriëntatiestoornissen (problemen met oriëntatie in tijd, plaats en persoon). 6.3Daghulp (of groepsbegeleiding) Daghulp gaat in grote lijnen om dezelfde inhoud als individuele begeleiding.33Zie H6.2 van deze beleidsregels. Daghulp is voorliggend op individuele begeleiding als dezelfde doelen worden beoogd, behalve als er contra-indicaties zijn voor Groepsbegeleiding. Onderdeel van de daghulp kan ook zijn het vervoer naar en van een jeugdhulpaanbieder als dit noodzakelijk is in verband met de zelfredzaamheid van de jeugdige. Zie voor H8.2 ‘Vervoer bij daghulp’ voor het afwegingskader. Om in aanmerking te komen voor daghulp moet, vergelijkbaar met het afwegingskader voor individuele begeleiding, worden vastgesteld dat de jeugdige matige en/of zware beperkingen heeft als gevolg van een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of van een verstandelijke beperking op tenminste één van de vijf beperkingenschalen: sociale redzaamheid (mogelijkheid hebben om sociale contacten aan te gaan, eigen leven vorm te geven en te regisseren, inclusief financiën regelen); bewegen en verplaatsen (zelfstandig voortbewegen binnen- en buitenshuis); probleemgedrag (destructief, grensoverschrijdend, agressief, dwangmatig gedrag); psychisch functioneren (stoornissen in denken, concentratie en waarneming); geheugen- en oriëntatiestoornissen (problemen met oriëntatie in tijd, plaats en persoon). 6.4Kortdurend verblijf (logeren) Kortdurend verblijf (logeren) heeft als doel het overnemen van (semi-)permanent toezicht op de jeugdige ter ontlasting van de ouder/verzorger. Het overnemen van (semi-)permanent toezicht kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn bij (dreigende) overbelasting van de ouder/verzorger. Het verblijf is hier te karakteriseren als logeren als aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. De noodzaak tot eventuele behandeling wordt buiten de etmalen verblijf apart gewogen. Zie H7 ‘Gezond zijn en Gezond opgroeien’ van deze beleidsregels voor het afwegingskader. Bij verblijf gaat het om logeren in een instelling, als de zorg voor de jeugdige noodzakelijkerwijs gepaard gaat met permanent toezicht. Logeeropvang in een zorginstelling valt ook onder de wet. Een kind kan dan maximaal drie etmalen per week in een zorginstelling logeren. Dit geeft de mantelzorger(s) gelegenheid om even op adem te komen, zaken te regelen of aandacht te besteden aan eventuele andere kinderen. Inwoners die een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) hebben en inwoners met een tijdelijke behoefte aan medisch noodzakelijk verblijf komen niet voor logeren ingevolge de Jeugdwet in aanmerking, zij kunnen hiervoor een indicatie bij de Wlz of in geval van medisch noodzakelijk verblijf bij de Zorgverzekeringswet (Zvw) aanvragen. 6.5Wonen Onder ‘Wonen’ vallen alle vormen van wonen met begeleiding bij een jeugdhulpaanbieder. Binnen woongroepen kunnen er verschillen in de mate en intensiteit van begeleiding zijn. De behandelcomponent valt niet onder wonen met begeleiding. Als behandeling nodig is wordt hier een aparte indicatie voor afgegeven (ambulant). De gemeente gaat er hierbij vanuit dat er sprake is van een osmotische relatie, c.q. semipermeabele scheiding, tussen behandeling en begeleiding en dat er altijd sprake moet zijn van integrale samenwerking tussen de jeugdhulpaanbieders die het wonen met begeleiding en de ambulante behandeling bieden aan de jeugdige. Voor het tot stand komen van deze samenwerking is elke betrokken aanbieder verantwoordelijk. We onderscheiden drie verschillende vormen van Wonen (dat wil zeggen: wonen met begeleiding): Wonen met begeleiding (H6.5.1) Begeleid kamerwonen (H6.5.2) Ouder-/kindhuis (H6.5.3) 6.5.1Wonen met begeleiding Bij wonen met begeleiding dient er een stabiele plek te zijn met het perspectief om hier meerjarig te kunnen wonen. Dit om te voorkomen dat de jeugdige in een korte periode in (veel) verschillende woonvoorzieningen wordt geplaatst. Pleegzorg en gezinshuizen34Zie H7.3.3 van deze beleidsregels. zijn voorliggend op de woonvormen, met de kanttekening dat afhankelijk van de jeugdige, de situatie en/of zwaarte van de problematiek, steeds moet worden gezocht naar de meest passende hulp. Onder Wonen met begeleiding wordt verstaan: wonen inclusief begeleiding van een jeugdige binnen een woongroep. Het gaat om jeugdigen met ontwikkelingsproblemen, cognitieve, psychische en/of gedragsproblemen die (nog) niet zelfstandig kunnen wonen en 24 uurs- toezicht nodig hebben. Dat wil zeggen dat er altijd begeleiders aanwezig zijn. Vaak zijn er vaardigheidsproblemen. Dit in combinatie met een onveilige of instabiele opvoed- en opgroei-omgeving en/of een verstoord evenwicht in draagkracht en draagvlak in de thuissituatie van de jeugdige. Het doel is om de jeugdige zo normaal mogelijk op te voeden en daarnaast professionele begeleiding te bieden met een systeemgerichte aanpak waar mogelijk. Onder Wonen met begeleiding valt het bieden van onderdak, de verzorging, een veilige pedagogische leefomgeving, de begeleiding en eventueel vervoer gedurende de etmalen dat de jeugdige op de groep verblijft (bijv. naar en van huisarts of vrijetijdsbesteding), en het zorgen voor structuur en regelmaat. Gezamenlijk met ouders en eventuele medehulpverleners stelt de jeugdhulp aanbieder een begeleidingsplan op waarin een helder toekomstperspectief is opgenomen, n voert deze uit. 6.5.2.Begeleid kamerwonen en ouder-/kindhuis Bij het begeleid kamer wonen en het ouder-/kindhuis gaat het om een kortere periode (doorgaans maximaal 2 jaar), waarbij het doel met name gericht is op het begeleiden van het gezin, en de jeugdige naar zelfstandigheid. Wanneer een jeugdige ook wordt behandeld, werkt de aanbieder samen met de betreffende behandelaar/therapeut.35Zie H6.5 van deze beleidsregels. Een zinvolle dag invulling is essentieel in het leven van de jeugdige, en het werken hieraan is altijd onderdeel van het wonen. Het uitgangspunt is dat jongeren gewoon naar school gaan. Uitsluitend in de situaties waar dagbesteding in plaats van het onderwijs noodzakelijk is wordt hier een aparte module voor afgegeven.36Zie H2.15.3 van deze beleidsregels. 6.5.2.1Begeleid kamer wonen (zelfstandigheidstraining) Hieronder wordt verstaan: het wonen op locatie van de jeugdhulpaanbieder of in woonruimte gefinancierd door de aanbieder, inclusief begeleiding van jeugdigen richting zelfstandigheid, c.q. zelfstandig wonen. Binnen de zelfstandigheidstraining wordt gericht gewerkt aan doelen die bijdragen aan de zelfstandigheid van de jeugdige. Startvoorwaarde voor de inzet van deze module is dat de jeugdige leerbaar is. En er vaardigheidsproblemen zijn die het zelfstandig wonen tijdelijk in de weg staan. Dit in combinatie met een onveilige of instabiele opvoed- en opgroei-omgeving en/of een verstoord evenwicht in draagkracht en draagvlak in de thuissituatie van de jeugdige. Als er sprake is van multiproblematiek, is de adressering overeenkomstig. De jeugdigen wonen in een appartement of kamer van de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder biedt het onderdak, de verzorging, een veilige leefomgeving en de begeleiding en eventueel vervoer gedurende de etmalen dat de jeugdige op de groep verblijft (bijv. naar en van huisarts of vrijetijdsbesteding). Deze jeugdhulpaanbieder biedt de begeleiding en is 24 uur per dag bereikbaar. Afhankelijk van het zelfstandigheidsniveau is er gedeeltelijk toezicht; 24 uurs-toezicht is niet altijd noodzakelijk. Wel moet er sprake zijn van een achtervang door een pedagogisch medewerker. Startvoorwaarde voor de inzet van de module is dat de jeugdige overdag zijn eigen dag invulling heeft (school, werk of dagbesteding). Er wordt door de jeugdhulpaanbieder gewerkt met een plan waaruit een helder toekomstperspectief voor de jeugdige blijkt, waaronder het vinden van zelfstandige huisvesting. Het perspectief van de jeugdige is dat hij/zij niet (weer) thuis gaat wonen. Zelfstandigheidstraining in de thuissituatie valt onder de module begeleiding. De duur van de trajecten kan variëren; dit is mede afhankelijk van de vaardigheidsproblemen van de jeugdige, het perspectief en de te bereiken doelen. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat de looptijd maximaal 2 jaar is en dat de minimale leeftijd normaal gesproken 16 jaar is. Voor alle trajecten geldt dat de aanbieder op tijd anticipeert op het bereiken van de 18-jarige leeftijd van de jeugdige. 6.5.2.2Ouder-/kindhuis (OKH) Het verblijf van de ouder en ondersteuning aan de ouder wordt in beginsel vergoed vanuit een Wet langdurige zorg (Wlz)-, of Beschermd wonen (Bw)- indicatie vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Indien de ouder jonger is dan 18 jaar, kan een beschikking op grond van de wet worden afgegeven voor wonen met begeleiding.37Zie H6.5.1 van deze beleidsregels. Het krijgt alleen een beschikking voor verblijf (‘bed-bad-brood’), indien dit kind in het OKH beschikt over een zelfstandige woonruimte, en deze niet vergoed wordt vanuit een Wmo Bw- of Wlz-beschikking van de ouder. De jeugdhulpaanbieder biedt het onderdak van het kind, de verzorging en een veilige pedagogische leefomgeving. Belangrijk is het werken aan een helder toekomstperspectief voor ouder(s) en kind (het gezin). Een OKH is een woning waarin ouder(s) met kind(eren) met behulp van begeleiding zelfstandig kunnen wonen. Doel van een OKH is het versterken van de opvoedingsvaardigheden van ouder(s), zodat de veiligheid en de ontwikkeling van het kind geborgd is. De professionals die het gezin ondersteunen en/of een taak hebben de veiligheid van de kinderen te monitoren werken met het gezin aan een gezamenlijk perspectief. De ouder(s) worden ondersteund bij het aanleren van praktische vaardigheden en bij de opvoeding van hun kind(eren). Er wordt in de begeleiding gewerkt aan het leren omgaan met de eigen problematiek of beperking van de ouder(s) en het vergroten van hun zelfstandigheid. Mogelijke kenmerken van de situatie van de ouder zijn: Tienermoeders zonder netwerk of een kwetsbaar netwerk. Verwijzingen vanuit gemeente/voogd als de situatie thuis voor ouder en kind niet veilig is. Het is hiermee een onderdeel van het drang-/dwangtraject. Lukt het niet in het OKH dan kunnen de kind(eren) naar een pleeggezin gaan. Moeders met onverwerkte trauma’s. Moeders met LVB-problematiek. De moeder is dusdanig beperkt en/of getraumatiseerd, dat zij (tijdelijk) niet zelfstandig voor zichzelf en haar kinderen kan zorgen. Moeders met multiproblematiek. De duur van de trajecten kan variëren; dit is mede afhankelijk van het perspectief en de doelen. Verblijf in een OKH duurt gemiddeld tussen de 6 maanden en maximaal 2 jaar. 7.Gezond zijn en Gezond opgroeien 7.1Inleiding (Gezins)behandeling omvat door een jeugdhulpaanbieder te verlenen behandeling van specifiek medische, gedragswetenschappelijke of paramedische aard, gericht op het herstel of de voorkoming van verergering van een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke beperking, waaronder het voorkoming van verergering van gedragsproblemen. De behandeling is gericht op herstel of het voorkomen van verergering van gevolgen/complicaties van de aandoening of het ontstaan van een met de aandoening gerelateerde stoornis, al dan niet door het aanleren van vaardigheden/gedrag. Om in aanmerking te komen voor behandeling moet op basis van informatie van de behandelaar zijn vastgesteld, dat er een noodzaak is voor: continue, systematische, langdurige en multidisciplinaire zorg (CSLM), of; behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van vaardigheden of gedrag met een specifieke aanpak, of; aanvullende functionele diagnostiek, of; consultatie door een behandelaar, of; medebehandeling door een behandelaar op verzoek van een huisarts of medisch specialist. Behandeling kan binnen de wet alleen plaatsvinden voor psychische of psychiatrische aandoeningen of beperkingen, of voor verstandelijke beperkingen en niet voor somatische aandoeningen. Behandeling wordt niet toegewezen als de opvoedsituatie structureel onveilig is. Nadat behandeling 2 maal is ingezet (dat wil zeggen: 1 maal verlengd) en er wordt opnieuw verzocht om verlenging, zal de gemeente behandeling alleen toewijzen wanneer hierover het advies van De Toegang of de regiegroep38Zie H2.15.1 van deze beleidsregels. is betrokken. 7.2.1Basis GGZ en Specialistische GGZ (Gezond zijn) Ambulante generalistische basis, Geestelijke gezondheidszorg en specialistische Geestelijke gezondheidszorg is er vanuit de wet voor jeugdigen tot 18 jaar. In deze module gaat het om jeugdhulp die door de gemeente is ingekocht (al dan niet met een cliëntgebonden overeenkomst), dan wel conform artikel 8.1.1 van de wet met een PGB bij derden kunnen worden ingekocht bij vrijgevestigde aanbieders (met een vastgesteld kwaliteitsstatuut voor vrijgevestigden) en instellingen (met een vastgesteld kwaliteitsstatuut voor instellingen). 7.2.2Specialistische GGZ-instellingen (Gezond zijn) Specialistische Geestelijke gezondheidszorg wordt op grond van de wet geleverd door instellingen voor jeugdigen tot 18 jaar en hun ouders met ernstige of zeldzame psychische problematiek die zich meestal uit op meerdere levensgebieden en heeft geleid tot een stagnatie in de ontwikkeling van de jeugdige. In de meeste situaties leiden deze problemen ook tot opvoedingsproblemen of tot een verstoring van de relatie tussen de jeugdige en de gezinsleden. Het gaat om forse psychiatrische problemen bij de jeugdigen. Er worden meer dan 2 professionals en meerdere disciplines binnen één instelling ingezet bij de jeugdigen. De gemeente heeft contracten met de instellingen die als aanbieder van zeer specialistische GGZ worden aangemerkt. Deze vorm van zorg kan ook door de gemeente worden ingekocht met een zogenoemde cliëntgebonden overeenkomst, of conform artikel 8.1.1 van de wet door middel van een PGB bij derden. 7.2.3Vaktherapie (Gezond zijn) Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de vaktherapeutische disciplines; beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie. Vaktherapie is een behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Het non-verbale en ervaringsgerichte karakter van vaktherapie maakt het bijzonder geschikt voor kinderen en jeugdigen, die nog onvoldoende vaardigheden tot hun beschikking hebben om uiting te kunnen geven aan hun problemen of niet over hun problemen willen praten. Het doel van vaktherapie is enerzijds klachtgericht, namelijk om cliënten te ondersteunen om lichamelijke, verstandelijke, psychische, psychosomatische, psychosociale of psychiatrische problematiek op te heffen, te verminderen of te accepteren en om terugval en hernieuwde klachten zoveel mogelijk te voorkomen. Anderzijds is het doel van vaktherapie persoonsgericht, namelijk om het welbevinden en de kwaliteit van leven en de persoonlijke ontwikkeling van de cliënt te bevorderen. Bij vaktherapie worden (bewezen) effectieve interventies ingezet. Soms is vaktherapie onderdeel van een multidisciplinaire behandeling. Indien dat het geval is kan de vaktherapie ook onderdeel uit maken van andere modules. Vaktherapeuten bieden vroegonderkenning, preventie, training, ondersteuning, observatie, behandeling en een bijdrage aan diagnostiek. Door de inzet van vaktherapie wordt naar verwachting specialistische zorg beperkt of voorkomen. De gemeente heeft contracten met de instellingen die als aanbieder van vaktherapie worden aangemerkt. Deze vorm van zorg kan ook door de gemeente worden ingekocht met een zogenoemde cliëntgebonden overeenkomst, of conform artikel 8.1.1 van de wet door middel van een PGB bij derden. Afbakening met de Zvw Vaktherapie kan mogelijk vergoed worden uit de aanvullende ziektekostenverzekering. De aanvullende verzekering hoeven ouders niet af te sluiten. Maar op het moment dat ouders deze verzekering hebben, is dit voorliggend. Als enkel daaruit de therapie kan worden vergoed, dan vallen de overige behandelingen onder de jeugdhulp, uitgevoerd door de (gecontracteerde) jeugdhulpaanbieders. 7.2.4Kinderdienstencentrum (KDC) (Gezond zijn) Het KDC biedt dagbehandeling aan kinderen met een achterstand in hun ontwikkeling en aan kinderen met een verstandelijke of meervoudige beperking. De kinderen die van de inzet van de module KDC gebruik maken hebben een ontwikkelachterstand en zullen in sommige gevallen geen perspectief hebben op een volledig zelfstandig leven. De grondslag voor de inzet van de module KDC is (een sterk vermoeden van) cognitieve problematiek. De module KDC die op basis van de wet (anders dan de Wet langdurige zorg) wordt ingezet is er voor kinderen: die (nog) niet naar school kunnen; waarbij er, naast een ontwikkelingsachterstand meestal een vermoeden is van bijkomende problematiek (DSM-5, psychosomatisch en/of medisch); waarbij er nog veel geobserveerd, onderzocht, en geprobeerd moet worden; waarbij de focus ligt op schoolvoorbereiding; waarbij er intensief gewerkt wordt, in kleine groepjes; waarbij op maat individuele begeleiding en behandeling (door (gedragswetenschapper, jeugdarts, logopedist, fysiotherapeut, muziektherapeut, speltherapeut en/of andere therapeuten) ingezet wordt om tot ontwikkeling te komen; waarbij voortdurend oog is voor de veiligheid van het kind en het gezin; waarvan de ouders vaak ondersteuning nodig hebben om thuis aan de ontwikkeling en gedragsverandering te werken. Dagbehandeling op het KDC duurt vaak 2 tot 3 jaar. Hierna kunnen kinderen naar school, meestal naar een vorm van Speciaal Onderwijs. Wanneer kinderen niet naar school kunnen en op het KDC blijven, wordt zo spoedig mogelijk een aanvraag gedaan in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). De Wlz is voorliggend aan de wet. De jeugdhulpaanbieder draagt zorg voor goed onderbouwd dossier bij de aanvraag van Wlz. De jeugdhulpaanbieder begeleidt in het aanvraagtraject Wlz ook de ouders. Wanneer het kind leerplichtig is of de leerplichtige leeftijd bereikt, moet altijd de leerplichtambtenaar betrokken te zijn of worden. Begeleiding/behandeling door het KDC betrekt zich op maximaal 2 dagdelen per dag. Onder dagdelen wordt in dit verband verstaan: de opvang onder reguliere schooltijden, die bestaat uit een (dagelijks) ochtendprogramma en een middagprogramma. Begeleiding/behandeling in de thuissituatie wordt ingezet vanuit deze module, als dit nodig is voor het bereiken van de doelen. Het gaat dan om het vertalen van de behandeling/begeleiding in de thuissituatie. Over de voor- en naschoolse opvang moeten in dit verband andere afspraken gemaakt worden. In beginsel is dit opvang die ouders zelf moeten organiseren en financieren. Als dit niet mogelijk is gelet op de problematiek van het kind, kan dit vanuit de module KDC ingezet worden. Als er geen sprake is van een (ernstig vermoeden van) cognitieve beperking, dan moet er doorverwezen worden naar het samenwerkingsverband passend (primair) onderwijs. En in ieder geval dient bij een jeugdhulpoplossing het samenwerkingsverband te zijn betrokken. 7.2.5Verblijf met behandeling (Gezond zijn) Verblijf met behandeling kan gaan om vormen van gezinsbehandeling, behandelgroepen, maar ook om zogenoemde 3-milieuvoorzieningen. Het

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.