← Nederland

Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning (Oosterhout)

In het kort

Dit uitvoeringsbesluit regelt de maatschappelijke ondersteuning in de gemeente Oosterhout, waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het ondersteunen van zelfredzaamheid en participatie van inwoners met beperkingen of problemen. Het beschrijft hoe de gemeente bepaalt welke ondersteuning iemand krijgt, met als uitgangspunt dat mensen zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen blijven.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuninggemeente Oosterhout 2020 Inleiding Op 9 juli 2014 is de Wmo 2015 in het Staatsblad gepubliceerd. In deze wet krijgt de gemeenteraad opdracht in een verordening de regels vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen De vastgestelde Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oosterhout 2020 (verder: verordening) bevat regels ten aanzien van de inzet van maatwerkvoorzieningen. In dit uitvoeringsbesluit worden deze regels nader uitgewerkt. Daarmee vormt het een toetsingskader voor de uitvoering en beschermt het de rechtszekerheid van de burgers van Oosterhout. Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorzien gemeenten in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. Wanneer iemand naar het oordeel van het college niet in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en onvoldoende is geholpen met de inzet van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen en/of voorliggende voorzieningen, beslist het college tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die kunnen bijdragen aan het verbeteren of het in stand houden van de zelfredzaamheid, de participatie of het bieden van beschermd wonen of opvang aan een cliënt. Ook datgene wat nodig is om de mantelzorger(s) van de cliënt te ondersteunen bij het verlenen van mantelzorg of om deze (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Het te bereiken resultaat is het uitgangspunt voor inzet van maatwerkvoorzieningen. Hoofdstuk1Algemeen afwegingskader Voor de duidelijkheid van dit document is het goed om eerst enkele veelgebruikte begrippen uit de Wmo toe te lichten. Een begrippenlijst is toegevoegd in bijlage 1. Aanvullend op de definitie zoals opgenomen in artikel 1.1.1 van de wet wordt onder zelfredzaamheid verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Bij 'personen met een beperking' gaat het om mensen met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische of een andere chronische psychische aandoening of beperking, dan wel om een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap. Men spreekt van een psychosociaal probleem indien verlies van zelfstandigheid en, met name, een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer, het gevolg is van problemen die iemand heeft in zijn relatie met anderen en met zijn sociale omgeving. Op grond van de wet is er een maatwerkvoorziening mogelijk ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie voor personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen (artikel 1.2.1 Wmo 2015). Uit de wettekst volgt ook dat een maatwerkvoorziening slechts het sluitstuk vormt van de maatschappelijke ondersteuning. Dat betekent: aanspreken van en inzetten op het vergroten van eigen kracht en de mogelijkheden van het sociaal netwerk als dat kan en tegelijkertijd ervoor zorgen dat voorzieningen als ‘vangnet’ beschikbaar zijn op momenten waarop het moet. Hierbij wordt altijd eerst nagegaan in welke mate algemene en voorliggende voorzieningen ondersteuning kunnen bieden voordat een eventuele maatwerkvoorziening in beeld komt. De maatwerkvoorziening levert dus een passende bijdrage als het geheel van eigen kracht, sociaal netwerk en algemene en/of voorliggende voorzieningen ontoereikend is voor een persoon om zich te handhaven in de eigen leefomgeving en in de samenleving. Dit afwegingskader kunnen we visualiseren door middel van onderstaande piramide. Het streven is om de cliënt op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Dat noemen we het ‘aanvaardbare niveau’. Hierbij is van belang: de situatie van betrokkene voordat hij geconfronteerd werd met zijn beperkingen; en de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben; en de mogelijkheden die er zijn (gelet op de persoonlijke situatie van de klant). Aanvaardbaar betekent ook dat de persoon zich er soms bij moet neerleggen dat er belemmeringen blijven. De geboden maatwerkondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van de versterking of het behoud van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat er rekening kan en moet worden gehouden met alle wensen van de klant, wat betreft bijvoorbeeld persoonlijke voorkeuren, luxe en gewoontes. In de volgende paragrafen wordt het afwegingskader om tot dit aanvaardbare niveau te komen beschreven. In hoofdstuk 4 komen de verschillende Wmo-voorzieningen aan bod. Op iedere voorziening wordt het algemeen afwegingskader toegepast en daarnaast wordt er eventueel nog een aanvullend afwegingskader toegepast. 1.1Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid Voor een persoon die zelf in staat is om zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie op te lossen of zich op eigen kracht kan handhaven in de samenleving, bestaat geen noodzaak tot ondersteuning door inzet van een maatwerkvoorziening. Het uitgangspunt is immers dat eerst het eigen probleemoplossend vermogen volledig wordt benut en versterkt. Een persoon dient zich allereerst zelf in te spannen om datgene aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. De eigen kracht van de burger heeft betrekking op de mogelijkheden om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie of opvang. Deze eigen kracht komt niet alleen tot uitdrukking op het moment dat de burger al belemmeringen heeft en ook daarvoor al, door bijvoorbeeld te anticiperen op een levensfase waarin belemmeringen niet ongebruikelijk meer zijn. Een ieder zal zich op een bepaald moment moeten voorbereiden op wat veelal hoort bij het ouder worden: de behoefte aan een kleinere, of gelijkvloerse woning, de nabijheid van winkels en gemaksdiensten, het aanschaffen van vervoers- en hulpmiddelen en strijkvrije kleding. Het gebruik maken van de eigen kracht betekent in deze ook dat de klant zelf voorziet in de kosten/voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. 1.1.1Algemeen gebruikelijke voorzieningen De eigen kracht van een persoon wordt ook aangesproken als het gaat om algemeen gebruikelijke voorzieningen. Dit zijn voorzieningen die niet (meer alleen) specifiek voor mensen met een functiebeperking op de markt worden gebracht en daarom ook in de reguliere handel verkrijgbaar zijn.1Voorbeelden hiervan zijn een boodschappenbezorgservice, fiets met trapondersteuning, fiets met lage instap, hendelmengkraan, losse douchestoel en handgrepen. Het uitgangspunt is dat inwoners, met en zonder beperking, in principe zelfstandig en op eigen kracht algemeen gebruikelijke voorzieningen verwerven of aanschaffen. De gemeente Oosterhout sluit bij het bepalen van de grens tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat dat niet is, aan bij algemeen maatschappelijke normen en bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) als het gaat om het begrip algemeen gebruikelijk (meest recente uitspraak 20 november 2019). Algemeen gebruikelijke voorzieningen hebben de volgende kenmerken: ze zijn niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking; ze zijn daadwerkelijk beschikbaar; ze leveren een passende bijdrage aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; en ze kunnen financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De gemeente beoordeelt of de voorziening financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of de betreffende cliënt zelf een minimuminkomen ontvangt. Dit roept de vraag op wat precies allemaal draagbaar is met een inkomen op bijstandsniveau. De verwachting is niet dat de CRvB de eerdere jurisprudentie over elektrische fietsen overboord gaat zetten. Dat zou dan betekenen dat voorzieningen tot ongeveer € 1.500,- draagbaar worden geacht met een minimuminkomen. Let op: dit is slechts een verwachting; er moet worden afgewacht hoe de jurisprudentie zich op dit punt verder zal gaan ontwikkelen. Als er sprake is van een plotseling optredende, onvoorziene noodzaak kunnen voorzieningen of kosten, die normaal gesproken als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt, na onderzoek alsnog worden toegekend. Zo is een verhuizing die plotseling noodzakelijk is omdat iemand een hersenbloeding heeft gekregen, niet algemeen gebruikelijk. 1.2Sociaal netwerk Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Tot de huiselijke kring worden gerekend familieleden, huisgenoten, echtgenoot of mantelzorgers (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Andere personen met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, kunnen bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging zijn. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van een inwoner om een beroep te doen op het eigen netwerk voordat hij een beroep doet op de gemeente voor ondersteuning. Personen uit het sociaal netwerk zijn echter niet verplicht om te helpen. Hulp vanuit het sociale netwerk kan niet worden verplicht of afgedwongen, slechts worden aangespoord en gestimuleerd. 1.2.1Gebruikelijke hulp In de wet wordt gebruikelijke hulp omschreven als de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Bij een melding wordt onderzoek gedaan naar wat van eerdergenoemde personen kan worden verwacht in het kader van gebruikelijke zorg. Voor dat deel dat door gebruikelijke zorg kan worden opgevangen, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding staat per definitie het leveren van gebruikelijke zorg niet in de weg. Gebruikelijke zorg gaat namelijk voor op andere activiteiten van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten in het kader van hun maatschappelijke participatie. We gebruiken het Protocol gebruikelijke zorg (versie april 2005) van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) in combinatie met de CIZ indicatiewijzer (versie juli 2014)2CIZ Indicatiewijzer (Toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 – vastgesteld door het ministerie van VWS). om het begrip gebruikelijke hulp te objectiveren en te concretiseren (zie bijlage 4 en 5). Bij de uitwerking van de maatwerkvoorzieningen in hoofdstuk 4 in dit uitvoeringsbesluit worden de relevante passages uit dit protocol aangehaald. 1.2.2Mantelzorg Mantelzorg is de hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Het gaat bij mantelzorg om hulp die verder gaat dan gebruikelijke hulp. Mantelzorg wordt verleend door personen uit de directe omgeving van de hulpbehoevende. De geboden ondersteuning en zorg vloeit rechtstreeks voort uit de sociale verbinding die deze persoon heeft met de hulpbehoevende. Wanneer beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden weggenomen of verminderd door mantelzorg, dan wordt voor dat deel geen maatwerkvoorziening verstrekt. Mantelzorg kan echter niet worden verplicht, aangezien dit altijd een vrijwillig karakter heeft. Overbelasting van de mantelzorger Bij een melding kijken we altijd goed naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger. We gaan daarbij vooral uit van wat de mantelzorger zelf aangeeft. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht van de mantelzorger zijn onder meer: lichamelijke conditie mantelzorger; geestelijke conditie mantelzorger; de relatie tussen mantelzorger en hulpbehoevende; wijze van omgaan met problemen (coping); ziektebeeld van de hulpbehoevende en de prognose; inzicht van mantelzorger in dit ziektebeeld; omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken; motivatie voor zorgtaak; beschikbaarheid van tijd voor de zorgtaak; reisafstand naar de hulpbehoevende; mogelijkheden tot respijt vanuit het gezamenlijke netwerk van mantelzorger en hulpbehoevende of vanuit de gemeente; bijkomende sociale, emotionele of relationele problemen. 1.3Algemene voorzieningen Het begrip algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als "het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning" (artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het betreffen dus voorzieningen die open staan voor alle inwoners van Oosterhout en waarin zij vrij zijn om hier al dan niet gebruik van te maken. Deze voorzieningen zijn voorliggend aan de maatwerkvoorziening. Voorbeelden hiervan zijn sociaal-culturele voorzieningen en activiteiten en algemeen toegankelijke activiteiten voor mensen die anderen willen ontmoeten of een zinvolle invulling willen geven aan de dag. In Oosterhout is er een uiteenlopend aanbod van algemene voorzieningen. Dit aanbod blijft in ontwikkeling en is daarom onderhevig aan verandering. Hierna benoemen we slechts enkele voorbeelden die dienen ter illustratie. gratis onafhankelijke cliëntondersteuning algemeen maatschappelijk werk (Surplus) inloopspreekuur burgeradviseurs (Surplus) inloopspreekuur Budget Advies Centrum (gemeente) gratis en vrij toegankelijke budgetteringscursussen (Surplus) vrij toegankelijke digitaliseringscursussen (Theek 5) De Aanlopen (GGz) Vrij toegankelijke dagbesteding (Floralia, Pastorie, et cetera) AutoMaatje Mobiliteitsconsulenten Wanneer beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden weggenomen of verminderd door het inzetten van een algemene voorziening, dan wordt voor dat deel geen individuele maatwerkvoorziening verstrekt. Bij een melding onderzoeken we of gezien de individuele omstandigheden en beperkingen van de cliënt de voor de situatie relevante algemene voorzieningen een oplossing kunnen bieden. Onafhankelijke cliëntondersteuning nader toegelicht Cliëntondersteuning is in de Wmo 2015 omschreven als "Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen." In Oosterhout volgen we de aangescherpte omschrijving van de VNG en Movisie

(2016): "Een cliëntondersteuner denkt met iemand mee, helpt iemand zijn situatie op een rijtje te zetten en geeft daarbij zo nodig informatie en advies. Dit kan gaan om vragen op allerlei gebieden: wonen, inkomen, werk of dagbesteding, zorg, onderwijs, opvoeding, contacten. Een cliëntondersteuner kan iemand zo helpen bij het voorbereiden op en voeren van het keukentafelgesprek, bij een eventuele beroepsprocedure en bij het zoeken en vinden van de hulp en steun die bij hem of haar past. De cliëntondersteuner helpt dus de weg te vinden naar de oplossingen en als dat nodig is daarbij een gerichte aanspraak te doen op de gemeente (Wmo en Jeugdwet), de zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Deze omschrijving maakt meteen ook duidelijk wat een cliëntondersteuner niet doet: het begeleiden van mensen om hun problemen op te lossen." We maken een onderscheid tussen formele en informele cliëntondersteuning. Formele cliëntondersteuning (via MEE) bestaat uit professionals (betaalde beroepskrachten). Informele cliëntondersteuning (via Surplus Welzijn) wordt gegeven door vrijwilligers die door professionals worden gecoacht. 1.4Voorliggende voorzieningen Op grond van de Wmo 2015 moet onderzocht worden wat de mogelijkheden van de cliënt zijn om op eigen kracht te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie. Onder eigen kracht valt ook dat iemand in staat is om een beroep te doen op andere wet- en regelgeving (bijvoorbeeld Participatiewet of Zorgverzekeringswet) om zijn probleem op te lossen. In die zin zijn deze wetten voorliggend aan de Wmo. Bij een melding onderzoeken we altijd of er een reële kans bestaat dat de cliënt geholpen kan worden op grond van een voorliggende voorziening. In het geval dat dit zo is, dan verwijzen we actief door naar deze voorzieningen én naar de onafhankelijke cliëntondersteuning die de cliënt verder op weg kan helpen (voor zo ver deze al niet eerder is gevraagd voor hulp). Het begrip voorliggende voorziening is niet opgenomen in de Wmo 2015 en kan niet als weigeringsgrond worden gehanteerd voor afwijzing van aanvragen waarvoor ook een beroep op een andere wet openstaat. Een afwijzing kan wel volgen als uit het onderzoek blijkt dat de cliënt zijn/haar eigen kracht kan aanspreken om een beroep te doen op voorliggende wet- en regelgeving om tot verbetering te komen van zijn/haar situatie (artikel 2.3.5 lid 3 en/of 4 Wmo 2015). Met andere woorden: valt de ondersteuningsvraag/hulpvraag onder de Wmo? 1.4.1.Wmo, Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet Zvw). Iemand die als gevolg van zijn/haar beperkingen aangewezen is op permanent toezicht en 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft en er geen verbetering meer in de situatie te verwachten is, heeft recht op zorg en verblijf op grond van de Wlz. Indien gewenst kan die zorg ook in de thuissituatie worden geboden (in de vorm van een Volledig pakket thuis (Vpt), een Modulair pakket thuis (Mpt) of door eigen inkoop met een persoonsgebonden budget. Wlz wordt door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) geïndiceerd. Een cliënt met een Wlz-indicatie krijgt alle zorg betaald uit de Wlz. Er is een uitzondering voor mobiliteitshulpmiddelen. Zolang een cliënt thuis woont, worden mobiliteitshulpmiddelen nog steeds vergoed uit de Wmo (zie verder hoofdstuk 4.2 Vervoersvoorzieningen, en hoofdstuk 4.3 Rolstoelvoorziening). Iemand die wel zorg en/of toezicht nodig heeft, maar niet 24 uur per dag, krijgt zorg uit de Wmo en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Vanuit de Wmo wordt de huishoudelijke verzorging (Hulp bij het Huishouden) en begeleiding verstrekt, geïndiceerd door de Wmo-medewerker. Vanuit de Zvw worden de Persoonlijke verzorging (PV) en verpleging (VP) verstrekt, geïndiceerd door de wijkverpleegkundige. De Wmo geeft aan dat een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd als de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, of als er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hiertoe (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Intensieve zorg betekent overigens niet vanzelfsprekend een Wlz-indicatie. Er is geen recht op Wlz als een cliënt nog: zelf goed kan beoordelen wanneer er hulp moet worden oproepen, en lichamelijk in staat is die hulp op te roepen, en er niet direct een gevaarlijke situatie ontstaat als de cliënt op de hulp moet wachten. 1.5Overige afwegingen Goedkoopst adequaatIndien er na zorgvuldig onderzoek in een concreet geval meerdere voorzieningen afdoende ondersteuning bieden, bieden we de goedkoopst adequate voorziening aan als passende maatwerkvoorziening. Anti-revaliderende werkingEen voorziening met een anti-revaliderend karakter is een voorziening die niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen. Het houdt de beperking in stand en/of verslechtert de situatie en klachten. Een voorziening is in een dergelijk geval niet doeltreffend en is daarmee in strijd met artikel 3.1. lid 2 onder a van de wet. Hoofdstuk2Procedure: melding, onderzoek en aanvraag Zie ook bijlage 2 ‘Schema procedure van melding tot beschikking’.2.1Melding Een hulpvraag kan door of namens een inwoner (vertegenwoordiger) vormvrij bij het college worden gemeld. Het college belegt de toegang en het onderzoek bij de Stichting Sociale Wijkteams Oosterhout. Bij een melding wijst de medewerker de cliënt op de mogelijkheden van onafhankelijke cliëntondersteuning. Vertegenwoordiger: nader toegelicht Een vertegenwoordiger is op grond van de definitie in de Wmo 2015 de persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Op grond van de wet kunnen als vertegenwoordiger optreden de curator, mentor of gevolmachtigde van de cliënt. De bewindvoerder staat hier niet bij. De bewindvoerder kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze is gevolmachtigd door de cliënt. Curatele, bewind en mentorschap zijn verschillende maatregelen om mensen te beschermen die zelf geen goede beslissingen kunnen nemen. Bijvoorbeeld door een verstandelijke beperking, verslaving of dementie. Bewind is bedoeld voor wie zijn financiële zaken niet zelf kan regelen. Mentorschap gaat over het nemen van beslissingen over de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van de betrokkene. Curatele is bedoeld voor mensen die hun financiële en persoonlijke zaken niet zelf kunnen regelen. Die mensen zijn handelingsonbekwaam. Curatele, bewind en mentorschap kunnen worden aangevraagd bij de kantonrechter. Als een curator, mentor of gevolmachtigde ontbreekt, kunnen ook als vertegenwoordiger optreden: echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de cliënt; dan wel (als deze ontbreekt); diens ouder, kind, broer of zus. Deze personen kunnen echter niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Om die reden zal geprobeerd moeten worden om zoveel mogelijk een schriftelijke machtiging te vragen van de cliënt. Een buurvrouw, vriend of kennis, kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze expliciet door de cliënt is gevolmachtigd. 2.2Persoonlijk plan De medewerker informeert de cliënt of diens vertegenwoordiger over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan (als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 2 van de Wmo 2015) en stelt hem gedurende zeven dagen na melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Het persoonlijk plan stelt de cliënt in de gelegenheid in eigen bewoordingen de situatie en omstandigheden te beschrijven en stelt die persoon in de gelegenheid om aan te geven welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is. De medewerker betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan is geen verplichting. 2.3Onderzoek Zodra de inwoner een melding heeft gedaan, heeft het college 6 weken de tijd om het onderzoek artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015. Het onderzoek omvat alle activiteiten, waaronder in ieder geval persoonlijk contact met de cliënt of de vertegenwoordiger van de cliënt, die leiden tot een adequaat totaalbeeld van de cliënt en zijn situatie. 2.4Informatie en identificatie De cliënt of de vertegenwoordiger van de cliënt verschaft de medewerker de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Bij het onderzoek stelt de medewerker de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 2.5Gesprek Een of meerdere gesprekken maken deel uit van het onderzoek en worden zo spoedig mogelijk na de melding gepland. Het gesprek wordt door een medewerker gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger. Voor zover mogelijk zijn mantelzorger(
  1. s)en desgewenst familie, netwerk of de onafhankelijke cliëntondersteuner bij het gesprek aanwezig. Als duidelijk is geworden dat het om een ondersteuningsvraag gaat die onder de Wmo valt, komen tijdens het gesprek o.a. de volgende vragen aan de orde: Wat kan de inwoner zelf doen? Is er sprake van leerbaarheid van vaardigheden? Hoe ziet het sociaal netwerk van de inwoner er uit? Wat kan het sociaal netwerk doen? Van welke algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen kan iemand gebruik maken? Is het dan nog nodig collectieve of maatwerkvoorzieningen in te zetten? Dit betekent dat ingezet wordt op het vergroten van eigen kracht en inzet van het sociaal netwerk (lager in de piramide) als dat kan, maar zorgen dat voorzieningen als ‘vangnet’ beschikbaar zijn op momenten waarop het moet. Bij voorkeur wordt preventief gewerkt; dat wil zeggen zo vroeg mogelijk op zoek gaan naar oplossingen. Echter, wanneer er sprake is van een situatie waarin langdurig professionele ondersteuning nodig is, wordt dit ook gefaciliteerd. De medewerker informeert de cliënt over de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb). De cliënt of de vertegenwoordiger van de inwoner wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van deze keuze. Als de cliënt aangeeft graag de ondersteuning in de vorm van een pgb wil ontvangen, wordt aangegeven dat er een vervolggesprek zal worden gepland met de pgb-medewerker om de budgetvaardigheid van de cliënt of zijn budgetbeheerder te bepalen. Zie verder hoofdstuk 3.2. De medewerker informeert de cliënt over de eigen bijdrage van € 19,00 per maand zoals genoemd in artikel 9 van de verordening 2020. 2.6Advisering Voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek is het college bevoegd om de cliënt of de vertegenwoordiger van de cliënt en, bij gebruikelijke hulp, de relevante huisgenoten op te roepen om in persoon te verschijnen: op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem/hen te bevragen; op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem/hen door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek is gevoerd; het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie eerder een gesprek is gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of het soort voorziening kunnen beïnvloeden. 2.7Het Plan van aanpak De medewerker verstrekt de cliënt of zijn vertegenwoordiger, een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, in de vorm van een Plan van aanpak. Er hoeft geen Plan van aanpak gemaakt te worden wanneer de cliënt geholpen is door een goede verwijzing en als gevolg hiervan geen maatwerkvoorziening nodig heeft. In het Plan van aanpak wordt aangegeven: Welke mogelijkheden de cliënt heeft; In verband met welke belemmeringen ondersteuning nodig is; Welke doelstelling er binnen welke termijn wordt nagestreefd met de ondersteuning; Op welke wijze deze ondersteuning kan worden vormgegeven; Welke adviezen er aan de inwoner zijn gegeven; Welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt. Indien een maatwerkvoorziening aan de orde is: Binnen welk(
  2. e)resultaatgebied(
  3. en)de maatwerkvoorziening aan de orde is3Dit is een overzicht van resultaatgebieden gebaseerd op de Zelfredzaamheidsmatrix.: Financiën Dagbesteding Huisvesting Huiselijke relaties Geestelijke gezondheid Lichamelijke gezondheid Verslaving Activiteiten dagelijks leven Sociaal netwerk Maatschappelijke participatie Indien de cliënt kiest voor een pgb: bij Hulp bij het Huishouden en Begeleiding wordt het goedgekeurde pgb-plan (zorg-en budgetplan) toegevoegd aan het Plan van aanpak. In het geval van een rolstoelvoorziening, woonvoorziening of vervoersvoorziening wordt de offerte van de betreffende voorziening toegevoegd. Het Plan van aanpak heeft een duidelijke einddatum die wordt gerelateerd aan de resultaten die met cliënt worden afgesproken. Uiterlijk op die datum wordt het Plan van aanpak geëvalueerd en de eventuele maatwerkvoorziening indien nodig verlengd of gewijzigd. De medewerker wijst de cliënt of zijn vertegenwoordiger, op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen. Dit gebeurt door ondertekening van het Plan van aanpak.4Als sprake is van een herindicatie, is de ondertekening van het nieuwe Plan van aanpak niet noodzakelijk. Door het ondertekenen van het Plan van aanpak wordt door de cliënt tevens toestemming verleend aan de gemeente voor het gebruik van persoonsgegevens. 2.8Aanvraag Na de onderzoekstermijn van 6 weken kan de inwoner een aanvraag indienen. Het ondertekende Plan van aanpak geldt als aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Als de cliënt het niet eens is met het resultaat uit het Plan van aanpak (er wordt bijvoorbeeld naar een algemene voorziening verwezen in plaats van begeleiding geïndiceerd), moet de cliënt het Plan van aanpak wèl ondertekenen. Dit is dan niet ‘voor akkoord’, maar ‘voor gezien’ en de cliënt kan aangeven dat hij het er niet mee eens is. Op de nu formele aanvraag volgt dan een beschikking en staat de weg naar bezwaar en beroep open voor de cliënt. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens de cliënt schriftelijk (of elektronisch) bij het college worden ingediend. Na ontvangst van de aanvraag wordt een ontvangstbevestiging gestuurd, zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. 2.9Vormen van verstrekking Bij een maatwerkvoorziening kan het gaan om ondersteuning (zorg) in natura (ZIN), om ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) of om een financiële tegemoetkoming in de meerkosten (zie verder hoofdstuk 3). 2.10Besluit Binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag moet het college een beschikking afgeven. Dit volgt uit artikel 2.3.5 lid 2 Wmo 2015. Als er niet binnen de beslistermijn van 2 weken een beschikking kan worden afgeven, is het aan het college om daarover in gesprek te treden met de cliënt en instemming te vragen met uitstel van de beslistermijn op aanvraag. Als de cliënt niet instemt met het uitstel, kan het college de beslistermijn éénmaal verlengen5Door toepassing te geven aan artikel 4:14 Awb.. De termijn van de verlenging moet redelijk zijn6Zie artikel 4:14 Awb.. De afgesproken resultaten worden neergelegd in een besluit. Daarbij wordt benoemd: Welke maatwerkvoorziening (niet) noodzakelijk is; Naar welk(
  4. e)resulta(a)t(
  5. en)gestreefd wordt met de inzet van deze maatwerkvoorziening; Over welke periode de maatwerkvoorziening wordt toegekend (ingangsdatum en einddatum). Als wordt gekozen voor een pgb wordt bovendien in het besluit genoemd: Voor welk(
  6. e)resulta(a)t(
  7. en)het pgb kan worden aangewend; Welke eisen gelden voor de besteding van het pgb; Wat de hoogte is van het pgb en hoe hiertoe is gekomen; De wijze van betaling van het pgb; De wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Als de verstrekking van de maatwerkvoorziening via een pgb wordt afgewezen vanwege onvoldoende budgetvaardigheid, wordt dit in het besluit opgenomen. Er wordt dan aangegeven dat de voorziening in natura verstrekt wordt. Hoofdstuk3Verstrekkingsvormen maatwerkvoorzieningen Een maatwerkvoorziening kan op drie manieren worden verstrekt: in natura (ZIN), waarbij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder de maatwerkvoorziening biedt; door middel van een persoonsgebonden budget (pgb), waarbij de cliënt de maatwerkvoorziening zelf inkoopt; als een financiële tegemoetkoming in de meerkosten. Het is van belang dat er continuïteit is in de ondersteuning, zodat deze efficiënt kan worden uitgevoerd. Dit vergroot de doelmatigheid van de ondersteuning. Om die reden worden er grenzen gesteld aan de frequentie waarmee een cliënt mag wisselen tussen zorgaanbieders of tussen een pgb en zorg in natura: Een cliënt kan maximaal één keer per jaar wisselen van zorgaanbieder, tenzij de wisseling veroorzaakt wordt door een situatie die niet aan de cliënt valt te verwijten (zoals een faillissement van de aanbieder). Een cliënt kan maximaal twee keer per jaar wisselen tussen ZIN en een pgb. Dat wil zeggen: hij kan één keer overstappen van pgb naar ZIN en één keer weer terug. 3.1Voorziening in natura Als is vastgesteld dat er een maatwerkvoorziening nodig is voor een cliënt, kan deze ervoor kiezen om de ondersteuning in natura te ontvangen. Dat wil zeggen dat de gemeente de ondersteuning regelt. De gemeente heeft hiervoor overeenkomsten gesloten met aanbieders van die ondersteuning. Voor sommige ondersteuning geldt dat hiervoor met één aanbieder een overeenkomst is gesloten, zoals bijvoorbeeld voor hulpmiddelen als rolstoelen. Voor hulp bij het huishouden en begeleiding heeft de gemeente met meerdere aanbieders contracten. De cliënt kiest dan één van de aanbieders en de gemeente regelt de aanmelding bij die aanbieder en betaalt de aanbieder voor de geleverde ondersteuning. Bij de in natura verstrekking van hulpmiddelen en woningaanpassingen kan de voorziening in twee vormen geleverd worden, namelijk: de voorziening in natura wordt in eigendom aan de cliënt verstrekt; of de voorziening wordt in bruikleen aan de cliënt verstrekt. 3.2Voorziening via een persoonsgebonden budget (pgb) In artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 is opgenomen dat indien de cliënt dit wenst, hij de ondersteuning kan ontvangen in de vorm van een pgb. Het pgb is een bedrag waaruit namens het college betalingen gedaan worden zodat de cliënt in staat wordt gesteld de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Met een pgb voert de cliënt dus zelf de regie over zijn ondersteuning. Zo kan hij kiezen voor een professionele (formele) aanbieder, waarmee de gemeente geen overeenkomst heeft gesloten, maar ook voor het financieren van ondersteuning die wordt verleend door zijn eigen sociale netwerk (informeel). Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Tot de huiselijke kring worden gerekend familieleden, huisgenoten, echtgenoot of mantelzorger. Andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt zijn personen met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging. In het gesprek met de medewerker kan de cliënt de wens uitspreken om het sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten voor hulp bij het huishouden of voor begeleiding via een pgb. Het gaat dan om informele ondersteuning (zie verder onder 3.2.2 onder h). 3.2.1Budgetvaardigheid In artikel 2.3.6 lid 2 van de Wmo 2015 staan de voorwaarden genoemd om voor een pgb in aanmerking te kunnen komen: Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. De belangrijkste eisen zijn dat de cliënt, al dan niet met hulp, de regie over het pgb kan voeren en kan zorgen dat er ondersteuning van voldoende kwaliteit wordt ingekocht met het pgb. De gemeente moet toetsen of aan die eisen is voldaan. We noemen dat budgetvaardigheid. De toets of de cliënt budgetvaardig is, wordt gedaan door middel van het voeren van een pgb-gesprek. Het pgb-gesprek vindt plaats nadat de zorgbehoefte is vastgesteld en nadat is bepaald voor welke maatwerkvoorziening de cliënt in aanmerking komt. In het gesprek wordt ingegaan op het beheer van het pgb, de kwaliteit en coördinatie van de ondersteuning, de zorgverleners en de activiteiten. Als er sprake is van een andere budgetbeheerder dan de cliënt zelf, dan wordt het pgb-gesprek gevoerd met die budgetbeheerder in het bijzijn van de cliënt. Een pgb-gesprek wordt gevoerd bij elke nieuwe pgb-vraag (of verlenging daarvan) en bij elke nieuwe budgetbeheerder (zie verder 3.2.1.2). In het gesprek vormt de pgb-medewerker zich een beeld over benodigde kennis van een pgb bij de budgetbeheerder. Er wordt besproken hoe hij de kwaliteit van de zorg wil borgen en hoe de in te kopen zorg bijdraagt aan het resultaat. Aangezien de budgetbeheerder volgens de wet primair verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de ingekochte zorg, zal de gemeente vragen naar de wijze waarop de kwaliteit van de geleverde zorg wordt gewaarborgd. Het doel van het pgb-gesprek is nadrukkelijk niet om de zorgbehoefte vast te stellen en/of om te bepalen welke maatwerkvoorziening er nodig is. Het pgb-gesprek wordt gevoerd door de pgb-medewerker van de gemeente. Deze medewerker voert de pgb-gesprekken zowel voor hulp bij het huishouden als voor begeleiding en bepaalt pas ná het gesprek het advies over de budgetvaardigheid van de cliënt of diens budgetbeheerder. Het advies van de pgb-medewerker is bindend. De Wmo-medewerker verwerkt het advies in de beschikking. In geval van onvoldoende budgetvaardigheid en daarom weigering van het pgb gaat de Wmo-medewerker met de cliënt op zoek naar een andere oplossing, zoals bijvoorbeeld toch zorg in natura. Het voeren van een pgb-gesprek is een voorwaarde om een pgb te kunnen krijgen. Als een cliënt niet wenst mee te werken aan een pgb-gesprek, is het niet mogelijk om een pgb te krijgen en kan de cliënt alleen kiezen uit de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders (zorg in natura). Dit en verdere aanvullende voorwaarden voor verstrekking en besteding van een pgb zijn vastgelegd in de Verordening 2020. 3.2.1.1Taken bij het beheren van een pgb Bij de keuze voor een pgb horen de volgende taken: Opstellen van een plan voor de besteding van het pgb (budgetplan); Motiveren waarom een pgb gewenst is; Werkgever kunnen zijn; Pgb beheren, zoals afsluiten zorgovereenkomst, organiseren/coördineren/aansturen van de zorg, bewaken van het budget, indienen van facturen, doorgeven van wijzigingen, contact met de SVB; Toezien op actief werken aan het te behalen resultaat uit het ondersteuningsplan; Toezien op de kwaliteit van de zorgverlening; Aanspreekpunt zijn voor de gemeente. 3.2.1.2Budgetbeheerder Degene die het pgb beheert is de budgetbeheerder. De cliënt kan zelf budgetbeheerder zijn. In dat geval regelt de cliënt zelf alle zaken rondom het pgb. Het kan ook zijn dat de cliënt hiertoe niet in staat is en hulp krijgt van iemand uit zijn netwerk. Dan is die persoon de budgetbeheerder. Bij dementie, verstandelijke beperking, ernstige psychische problemen, of schuldenproblematiek is de cliënt verplicht ondersteuning te hebben van een vertegenwoordiger bij het beheren van het pgb. In andere gevallen kan de cliënt ook vrijwillig kiezen voor een budgetbeheerder. Als een cliënt niet zelf het pgb beheert, is de budgetbeheerder het aanspreekpunt voor de gemeente. Voor een budgetbeheerder, niet zijnde de cliënt zelf, gelden de volgende regels: de budgetbeheerder is meerderjarig; de budgetbeheerder verblijft niet in detentie; de budgetbeheerder is de Nederlandse taal machtig in woord en geschrift; de budgetbeheerder heeft geen betalingsproblemen (bijvoorbeeld WSNP, faillissement of uitstel van betaling); de budgetbeheerder beschikt over de benodigde apparatuur (bijvoorbeeld computer met internet of telefoon); de budgetbeheerder heeft zelf geen ondersteuningsvraag op het gebied van administratie; de budgetbeheerder heeft niet zelf een wettelijk vertegenwoordiger; de budgetbeheerder heeft niet eerder een pgb gehad die is herzien of ingetrokken, vanwege: het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou hebben geleid tot een andere beslissing; en/of het niet eerder hebben voldaan aan de aan het pgb verbonden voorwaarden; en/of het eerder gebruiken van het pgb voor een ander doel. Verder worden er in het budgetvaardigheidsgesprek vele zaken besproken die in samenhang gaan bepalen of de cliënt (of diens budgetbeheerder) budgetvaardig is. 3.2.2Pgb-beschikking Een eerste pgb voor hulp bij het huishouden of begeleiding wordt voor één jaar afgegeven. Als bij de evaluatie blijkt dat het goed gaat, dan kan er vervolgens een pgb voor maximaal twee jaar worden afgegeven. Op deze manier kan beter vinger aan de pols worden gehouden, aangezien het gaat om een contractvorm waar wij als gemeente buiten staan, maar die wij wel financieren. Hieronder volgen situaties waarin een pgb stopt. Ook is opgenomen wanneer het pgb dan stopt. Bij overlijden: op de dag van overlijden; Bij overgang naar de Wlz: op de laatste dag van de kalendermaand waarin de Wlz-indicatie is ingegaan; Bij verhuizing naar een andere gemeente: op de laatste dag van de kalendermaand waarin verhuisd wordt (hierbij geldt de datum van overschrijven in de BRP als verhuisdatum); Als een cliënt niet (meer) aan de eisen voldoet van een pgb; Als er geen sprake is van verlenging per de einddatum van de beschikking. 3.2.3Betalingen uit het pgb OnderbestedingOnderbesteding houdt in dat de cliënt (veel) minder van het budget besteedt dan is toegekend. Bij een signaal van onderbesteding neemt de pgb-medewerker contact op met de cliënt om na te gaan wat er aan de hand is. Het pgb-budget dient binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het budget is toegekend. Als een budget langer dan drie maanden niet is aangewend voor de bekostiging van de ondersteuning, neemt de pgb-medewerker contact op met de cliënt om na te gaan wat er aan de hand is. OverbestedingOverbesteding houdt in dat de cliënt meer besteedt uit het pgb dan is toegekend voor een periode. Het risico hierbij is dat de cliënt (veel) eerder door het pgb heen is en een deel van het jaar zonder zorg zal zitten of zelf moet bijbetalen aan de zorg. Bij een signaal van overbesteding neemt de pgb-medewerker contact op met de cliënt om na te gaan wat er aan de hand is. Hogere kosten pgbAls de cliënt een voorstel doet dat zou leiden tot een hoger pgb dan het vergelijkbare zorg in natura aanbod, krijgt de cliënt de mogelijkheid het verschil in budget zelf te financieren. Daarmee wordt een pgb alleen geweigerd voor dat deel van het budget dat hoger is dan zorg in natura voor een vergelijkbare hulpvraag. Wat er niet uit het pgb betaald mag worden (vastgelegd in de Verordening 2020)Niet alles mag uit een pgb betaald worden. Hieronder volgt een niet-limitatieve opsomming: Kosten voor bemiddeling; Kosten voor administratie. De pgb-administratie doet de pgb-houder zelf (cliënt) of een pgb-beheerder (vertegenwoordiger) doet dit, zonder hiervoor geld uit het pgb te ontvangen; Kosten voor coördinatie. Een cliënt komt alleen voor een pgb in aanmerking als hij zelf of een vertegenwoordiger op verantwoorde wijze regie kan voeren; Kosten voor lidmaatschap patiënten- of belangenvereniging; Kosten voor het volgen van cursussen over pgb; Kosten voor eigen bijdragen (bijvoorbeeld CAK); Kosten voor bewindvoering; Reiskosten van de ondersteuner (het gaat hier om reiskosten die buiten het overeengekomen uurtarief vallen); Eenmalige uitkering of feestdagenuitkering aan de ondersteuner; KCV: hiervoor is een bepaalde schaalgrootte nodig; Begeleiding/dagbesteding in het informele circuit, aangezien dagbesteding plaatsvindt in een collectief dan wel georganiseerd verband (en niet een-op-een via het informele circuit); Logeren bij familieleden, aangezien alleen de kosten voor werkelijk verleende zorg tijdens het verblijf gedeclareerd mogen worden (kosten voor het verblijf mogen niet uit het pgb betaald worden); Ondersteuning in het buitenland (het pgb mag alleen binnen het Europese deel van Nederland worden besteed); Crisishulp / crisisopvang / spoedeisende zorg. Wanneer in geval van crisis direct hulp moet worden verleend is er geen tijd om een plan van aanpak op te stellen, de hoogte van een pgb te bepalen en een overeenkomst te sluiten met een hulpverlener/organisatie. Bovendien moet deze hulp voldoen aan kwaliteitseisen. Voor crisishulp is het daarom niet mogelijk om een pgb te ontvangen. Oosterhout hanteert geen verantwoordingsvrij bedrag. Dat betekent dat alle bestedingen uit het pgb verantwoord moeten worden. Regeling “Hulp uit sociaal netwerk”De nieuwe ministeriële regeling ‘Hulp uit sociaal Netwerk’ maakt het per 1 mei 2019 mogelijk om betalingen uit een pgb te doen in die situaties waar geen sprake is van een arbeidsrelatie (en er dus geen sprake is van een overeenkomst). Het gaat om hulp in familieverband, burenhulp of vriendendienst. Deze betalingen hoeven dan niet aan het wettelijk minimumloon te voldoen. Binnen de gemeente Oosterhout is besloten dat er geen gebruik gemaakt kan worden van deze regeling. 3.2.4Zorgverleners pgb De zorgverlener mag niet tevens de vertegenwoordiger van de cliënt of de budgetbeheerder zijn, tenzij het familie betreft in de eerste- of tweede graad. Als de zorgverlener familie in de eerste of tweede graad is, betreft het altijd informele zorg. Er wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele zorgverleners. Er is sprake van een formele zorgverlener als hij/zij geen eerste- of tweedegraads familie van de cliënt is én: BIG-geregistreerd is; óf Bij de Kamer van Koophandel ingeschreven is als zorg-gerelateerde instelling (bij begeleiding) of als onderneming op het gebied van thuishulp of schoonmaak (bij HbH); óf Een zelfstandige zonder personeel (ZZP) is, die bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als zorgverlener (bij begeleiding) of als thuishulp of schoonmaker (bij HbH). Er is sprake van een informele zorgverlener als hij/zij: Niet voldoet aan de criteria voor een formele zorgverlener; en/of (Schoon)familie in de eerste of tweede graad is. Een informele zorgverlener mag niet zelf een ondersteuningsvraag op het gebied hebben waar hij/zij zorg gaat verlenen en moet hij/zij 18 jaar of ouder zijn. 3.2.5Tarieven pgb Pgb’s voor een hulpmiddel of woningaanpassing worden op basis van offertes overeengekomen met als uitgangspunt dat het pgb niet hoger is dan de kosten op basis van zorg in natura. De tarieven pgb voor wat betreft de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden (HbH) en begeleiding zijn bij verordening als volgt bepaald. Het tarief dat voor een pgb geldt ten behoeve van een formele zorgverlener, is gelijk aan het laagste tarief dat contractueel is vastgelegd bij de zorg in natura. Het tarief dat geldt ten behoeve van een informele zorgverlener, is het wettelijk minimumloon. Het wettelijk minimumuurloon inclusief vakantiegeld en vakantie-uren voor iemand van 21 jaar en ouder bedraagt € 12,60 (bron: SVB). Tarieven per uur voor huishoudelijke hulp per 1 juli 2020: ZIN pgb-formeel pgb-informeel HbH-1 € 26,40 € 26,40 € 12,60 HbH-2 € 28,20 € 28,20 € 12,60 Voor een pgb begeleiding gelden dezelfde tarieven voor een formele zorgverlener als voor een gecontracteerde aanbieder (zorg in natura). Voor een pgb ten behoeve van een informele zorgverlener geldt het wettelijk minimumuurloon inclusief vakantiegeld en vakantie-uren vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal uur dat verbonden is aan de betreffende klasse. Tarieven voor begeleiding per 1 juli 2020: ZIN (per 4
  8. wk)pgb-formeel (per mnd) pgb-informeel (per mnd) Toelichtingberekening Waakvlam € 45,68 € 49,49 € 13,65 obv gemid. 1 eenheid/4 wkn Licht € 406,00 € 439,83 € 122,85 obv gemid. 2,25 eenheden/week Midden € 908,43 € 984,13 € 273,00 obv gemid. 5 eenheden/week Zwaar € 45,49 € 45,49 € 12,60 obv offerte maximale bedrag per uur Vervoer € 5,18 € 5,18 € 5,18 per dag Rolstoelvervoer € 15,53 € 15,53 € 15,53 per dag Bij toekenning van een pgb in een lopende periode, wordt het periode bedrag naar rato berekend. 3.2.6Zorgovereenkomst Een cliënt is verplicht een zorgovereenkomst af te sluiten met de zorgverlener(
  9. s)van zijn keuze. Deze zorgovereenkomst dient te voldoen aan het format, zoals dat door de SVB ter beschikking wordt gesteld. De hoogte van het budget is zoals vastgesteld tijdens het keukentafelgesprek. Vervolgens spreekt de cliënt zelf een uurtarief af met zijn zorgverlener(
  10. s)in de zorgovereenkomst(en). Voor formele en informele zorgverleners gelden verschillende maximum uurtarieven die de cliënt uit het pgb mag betalen. Als de cliënt meer wil betalen per uur, dan mag dat, maar dan moet de cliënt het verschil zelf bijstorten bij de SVB. Het budget dat de gemeente naar aanleiding van het keukentafelgesprek heeft vastgesteld, is immers het maximum dat vergoed wordt. De zorgovereenkomst wordt beoordeeld door de pgb-medewerker. Als de informatie uit de zorgovereenkomst niet overeenkomt met de informatie uit het pgb-gesprek, wordt de zorgovereenkomst afgekeurd. Zolang er geen door de gemeente goedgekeurde zorgovereenkomst is, is het niet mogelijk om zorg uit het pgb te declareren. 3.2.7Declaraties Uitgangspunt is dat declaratie van geleverde zorg alleen op facturatiebasis kan. Facturatiebasis past bij het principe van een maatwerkvoorziening: het kan de ene keer wat meer zijn en de andere keer wat minder. Daar past een vast maandbedrag niet bij, omdat een zorgverlener bij een pgb per uur wordt betaald. Daarnaast stimuleert het iedere maand declareren op facturatiebasis een cliënt om zijn pgb in de gaten te houden en de zorgverlener te controleren. Het is bij een overeenkomst van opdracht (OVO) met een zorgverlener dan ook niet toegestaan om maandbetaling af te spreken. Dit mag wel als er sprake is van een arbeidsovereenkomst (AO) met de zorgverlener. Informatie over het verschil tussen een OVO en een AO zijn terug te vinden op www.svb.nl. 3.2.8Evaluatie Bij een pgb vindt periodiek een evaluatie plaats. Afhankelijk van de situatie wordt aan het begin van de pgb-termijn afgesproken wanneer dit evaluatiemoment zal zijn. 3.2.9Eenmalig pgb Dit is een pgb wat incidenteel of eenmalig wordt toegekend voor de besteding aan bijvoorbeeld een (woning)aanpassing, of een (vervoers)hulpmiddel. De eenmalige pgb wordt door de gemeente in overleg met de cliënt uitgekeerd aan de cliënt zelf of de leverancier. De situaties (genoemd onder 3.2.2) die behoren bij het periodiek pgb zijn niet van toepassing op de eenmalige pgb. Wel wordt de levering van de voorziening gecheckt. 3.3Financiële tegemoetkoming In de verordening is vastgelegd in welke gevallen een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt en wat de hoogte daarvan is. Een tegemoetkoming hoeft niet kostendekkend te zijn. Er kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor: verhuiskosten: het gaat hierbij om een vast bedrag van € 2.590; tijdelijke huisvesting: huurbedrag van de nieuwe woning x maximaal 3 maanden; huurderving: huurbedrag van de woning x maximaal 6 maanden; woningsanering. Hoofdstuk4Maatwerkvoorzieningen In de Wmo 2015 is een maatwerkvoorziening gedefinieerd als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van de zelfredzaamheid, daaronder inbegrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; ten behoeve van beschermd wonen en opvang. In Oosterhout worden de volgende maatwerkvoorzieningen onderscheiden: Hulp bij het huishouden (4.1) Vervoersvoorzieningen (4.2) Rolstoelvoorzieningen (4.3) Woonvoorzieningen (4.4) Begeleiding (4.5) Beschermd wonen en opvang (deze maatwerkvoorziening wordt in mandaat uitgevoerd door centrumgemeente Breda, waarvoor gezamenlijk beleidsregels zijn opgesteld). 4.1Hulp bij het Huishouden 4.1.1Omschrijving hulp bij het huishouden In de begripsomschrijving van zelfredzaamheid in de wet staat opgenomen dat het voeren van een gestructureerd huishouden hieronder valt (artikel 1.1.1 Wmo 2015). De Centrale Raad van Beroep heeft in 2016 geoordeeld dat het schoonhouden van een huis hier onderdeel van uitmaakt. Het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Adequaat (gestructureerd) een huishouden voeren is echter een zeer subjectief begrip waarop iedereen eigen normen en waarden hanteert, anders wellicht dan bij hulpmiddelen. Om dit te objectiveren en zo beter de noodzaak voor een maatwerkvoorziening te kunnen vaststellen (met name het bepalen van het aantal uren/minuten dat nodig is om een huis schoon en leefbaar te houden) is al onder de AWBZ beleid ontwikkeld. Dit beleid houdt ook onder de Wmo nog altijd stand. In jurisprudentie over hulp bij het huishouden (HbH) worden de door het CIZ (destijds voor de AWBZ-functie huishoudelijke verzorging) ontwikkelde normtijden aanvaard al werd daarbij wel aangetekend dat in de Wmo de gemeente wel moet kunnen aantonen dat rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de aanvrager. 4.1.2Wat is een ‘gestructureerd huishouden’ Het voeren van een gestructureerd huishouden omvat in ieder geval de zorg voor: het schoon en op orde houden van het huishouden; en het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding. Het gaat hierbij dus om zaken als het schoonhouden van het huis, het doen van de was- of strijk, de zorg voor kinderen, het doen van boodschappen en/of het bereiden van een maaltijd. 4.1.3Het afwegingskader Bij de beoordeling van de noodzaak en het aantal uren HbH wordt uitgegaan van de specifieke persoonskenmerken van de cliënt, zijn situatie met huisgenoten en sociale omgeving. Om richting te geven aan deze beoordeling zal gebruik worden gemaakt van een aantal begrippen en richtlijnen die in de Wmo worden gebruikt, te weten het CIZ-protocol ‘Indicatiestelling huishoudelijke verzorging’ en het CIZ-protocol ‘gebruikelijke zorg’. Deze richtlijnen zijn in jurisprudentie bevestigd en verschaffen inzicht in wat redelijkerwijs van een cliënt en zijn sociale omgeving mag worden verwacht om zelf op te lossen en waar een beroep op algemene en voorliggende voorzieningen kan worden gedaan. Motto is ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’: eigen regie en verantwoordelijkheid van de cliënt staan centraal. Eigen krachtIn geval van vragen op het gebied van het voeren van een gestructureerd huishouden wordt beoordeeld wat een cliënt zelf allemaal kan met ondersteuning van algemene hulpmiddelen. Bij algemene hulpmiddelen gaat het bijvoorbeeld om een afwasmachine, aangepast bestek, een wasmachine, een verhoging voor wasmachine of wasdroger, een stofzuiger, etc.. Algemeen gebruikelijke voorzieningenOnder eigen kracht wordt ook verstaan het gebruik maken algemeen gebruikelijke voorzieningen als: boodschappenbezorgdienst (van allerlei supermarkten en bijv Picnic), vriesversmaaltijden, glazenwasser, hondenuitlaatservice, klussendienst, kinderopvang. Er wordt hierbij rekening gehouden met individuele omstandigheden van cliënt zoals: beschikbare ruimte in geval van algemene hulpmiddelen in de woning. Gebruikelijke hulpGebruikelijke hulp wil zeggen dat als de cliënt huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen noodzaak meer bestaat om hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Bij gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot en wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. In situaties korter dan 3 maanden moet alle zorg door de gebruikelijke zorger worden geboden. Voor de beoordeling van gebruikelijke hulp sluiten we aan bij het reeds onder de Wmo 2007 bestaande protocol gebruikelijke zorg van het CIZ (zie bijlage 4). OverbelastingWanneer een huisgenoot overbelast blijkt te zijn door de zorg voor cliënt, kan tijdelijk hulp bij het huishouden worden ingezet. Van cliënt en huisgenoot wordt dan verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning van Surplus Informele Zorg of een andere cliëntondersteuner) onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden overgenomen. Alleen wanneer blijkt dat - na een tijdelijke indicatie- ondanks pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langdurig HbH worden ingezet. 4.1.4Doelstellingen binnen resultaatgebied Binnen het voeren van een gestructureerd huishouden is sprake van onderstaande doelstellingen: een schoon en leefbaar huis; het beschikken over schone en draagbare kleding; het beschikken over primaire levensbehoefte; het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. 1. Een schoon en leefbaar huis Ondersteunen van burgers om te kunnen wonen in een huis dat volgens de algemeen gebruikelijke normen schoon is. Voor het aantal ruimten in huis / vierkante meters van het huis geldt als norm dat iedereen gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, keuken, sanitaire ruimte(n), in gebruik zijnde slaapkamer(
  11. s)en gang/trap. Dit betekent dat: De ruimten schoon en opgeruimd zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Schoon is hierbij gedefinieerd als: vrij van zichtbaar vuil, het element is op een juiste manier schoongemaakt. Het huis periodiek wordt schoongemaakt, met dien verstande dat niet alle vertrekken wekelijks schoongemaakt en niet alle taken wekelijks uitgevoerd hoeven te worden. Een voor de bewoner geschikt huis dient zodanig functioneel te zijn ingericht, dat de bewoner normaal gebruik kan maken van de genoemde ruimten. De bewoner zorgt ervoor dat het huis functioneel leefbaar is ingericht om het risico op bijvoorbeeld vallen te verkleinen maar ook om ervoor te zorgen dat de hulp efficiënt te werk kan gaan. Bij de bepaling van het niveau van Wmo maatwerkvoorzieningen is het uitgangspunt de omvang en staat van een woning binnen de sociale woningbouw. Ook bij HbH speelt het uitgangspunt “uitrustingsniveau sociale woningbouw” een rol en wordt een duidelijke grens aangegeven. Er kan geen extra HbH worden toegekend vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, of voor bijvoorbeeld het schoonhouden van een inpandig zwembad. Tot de doelstelling ‘een schoon en leefbaar huis’ behoort het uitvoeren van zwaar en licht huishoudelijk werk. De omschrijvingen van lichte en zware huishoudelijke taken: Lichte taken: afwassen, opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en/of wekelijkse beurt interieur. Zware taken: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen en/of opruimen huishoudelijk afval. Het verzorgen van planten en huisdieren (niet zijnde geleide dieren), het schoonmaken van de ramen aan de buitenzijde en het verzorgen van het balkon/tuin behoren niet tot de taken van de maatwerkvoorziening HbH. Dit betreft namelijk individuele keuzes van de cliënt of diensten die algemeen gebruikelijk zijn. Vrij toegankelijke voorziening behorend bij deze doelstelling: Klussendienst Surplus: vrijwilligers doen kleine klusjes in en om het huis die iemand niet (meer) zelf kan doen. Oosterhout voor elkaar: vraag en aanbod komt bij elkaar. Bijvoorbeeld iemand meldt zich om een tuintje bij te houden en een ander vraagt om hulp bij het tuinieren. 2. Het beschikken over schone en draagbare kleding De ondersteuning aan burgers bij het verzorgen van de was. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Wat betreft de kleding wordt de cliënt gestimuleerd te kiezen voor kleding die in principe niet hoeft te worden gestreken. 3. Het beschikken over primaire levensbehoefte Ondersteunen van burgers bij het verkrijgen van boodschappen voor de dagelijkse activiteiten. Het gaat om het samenstellen, inkopen en opruimen van de boodschappen. Let op: het laten bezorgen van boodschappen door supermarkten wordt beschouwd als een algemeen gebruikelijke voorziening. Er wordt enkel een indicatie afgegeven voor het inkopen van de boodschappen, indien de algemene gebruikelijke voorziening ontoereikend is en geen passende oplossing biedt. De ondersteuning is beperkt tot zaken die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden, zoals levensmiddelen en schoonmaakmiddelen. Hieronder vallen dus niet de grotere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten. De dagelijkse benodigdheden kunnen op vele manieren in huis komen. Compensatie houdt niet per se in dat de burger altijd zelf de boodschappen moet kunnen doen. In redelijkheid moet worden gezocht naar een oplossing waarmee het resultaat wordt bereikt. Het is heel normaal dat mensen deze boodschappen geclusterd doen door éénmaal per week de grote voorraad in huis te halen. Daar kan de Wmo bij aansluiten door uit te gaan van éénmaal per week boodschappen. Uitgangspunt hierbij is het inkopen van de boodschappen bij de voor de cliënt dichtstbijzijnde supermarkt. Indien mogelijk wordt daarbij gebruik gemaakt van boodschappendiensten, al dan niet gekoppeld aan een supermarkt. Let op: vriesversmaaltijden, magnetronmaaltijden en maaltijdservices van commerciële en welzijnsinstellingen worden beschouwd als algemeen gebruikelijke voorzieningen. Hulp bij het opwarmen en aanreiken van maaltijden valt wel onder dit resultaat Er wordt enkel een indicatie afgegeven voor het bereiden van de warme maaltijd indien de algemeen gebruikelijke voorzieningen ontoereikend zijn én geen passende oplossing bieden. Vrij toegankelijke voorzieningen behorend bij deze doelstelling: • Maaltijdenservice van Menu Surplus. • Vrijwillige thuishulp (Surplus): biedt structurele, maar ook incidentele, tijdelijke hulp en ondersteuning, voor bijvoorbeeld samen boodschappen doen. NB: Als op grond van de individuele omstandigheden een indicatie wordt afgegeven voor maaltijdbereiding, dan moeten de Wmo-medewerker en de aanbieder er alert op zijn of er ook een noodzaak is of ontstaat van toezicht en/of ondersteuning bij het eten zelf. Indien deze noodzaak wordt gesignaleerd, is over het algemeen overleg nodig met de huisarts, de praktijkondersteuner Ouderen en/of de wijkverpleegkundige. Mogelijk dat er vanuit de Zorgverzekeringswet ook Verzorging & Verpleging opgestart moet worden. De combinatie van ondersteuning HbH en V&V bij maaltijden is niet ideaal (HbH gaat primair over het bereiden en klaarzetten van maaltijden, V&V over het toezien en het ondersteunen bij het eten zelf). De afstemming en coördinatie is in de praktijk erg lastig, niet efficiënt en de cliënt ontvangt versnipperde ondersteuning en zorg. In deze situaties moeten de Wmo-medewerker en de aanbieder (periodiek) kritisch kijken naar de situatie van de cliënt. Als de zorgbehoefte namelijk zodanig toeneemt dat 24 uur zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig is, dan is er recht op zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De mogelijkheden binnen de Wlz zijn ruimer en beter afgestemd op de zorgbehoefte van de cliënt, ook op het gebied van de maaltijdvoorziening. 4. Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. Ondersteuning van burgers bij de zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren. Deze doelstelling is gerelateerd aan ouders die (mede) door hun beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen, dus niet om een kind met beperkingen. Opvoedingsondersteuning is geen taak die onder deze doelstelling valt. Wat er wel onder deze doelstelling valt is: het gereed maken van de kinderen om naar school te gaan (wassen, aankleden, boterham smeren). Zorg voor de kinderen is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Zij kunnen daarin hun eigen keuze maken (oppas-oma, kinderopvang), maar het blijft een eigen verantwoordelijkheid. Dit is niet anders in de situatie dat beide ouders (mede) door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost, zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. De ondersteuning bij de zorg voor kinderen, die tot het huishouden behoren, kan, afhankelijk van de indicatie, zowel plaatsvinden op doordeweekse dagen als in het weekend. NB: De genoemde taken en werkzaamheden bij de ondersteuning of gehele overname van de maaltijdbereiding en bij de ondersteuning bij de zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren, worden alleen uitgevoerd door aanbieders die dit hebben aangegeven bij de aanbesteding en daarvoor gecontracteerd zijn. 4.1.5Categorieën van hulp bij het huishouden De HbH die toegekend kan worden is onderverdeeld in twee categorieën, variërend van lichtere hulp tot zware en intensievere hulp. Afhankelijk van de soort beperkingen die bij het voeren van het huishouden ondervonden worden vindt indicatie voor één van deze categorieën plaats. Het gaat om de volgende categorieën: HbH 1Bij HbH 1 gaat het om het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden, zoals stof afnemen, afwassen, opruimen, ramen zemen, sanitair schoonmaken, was doen en opbergen, bed opmaken/verschonen. HbH 2Bij HbH 2 gaat het om het overnemen van huishoudelijke taken (zie HbH 1) in combinatie met het overnemen van de organisatie van deze werkzaamheden (regie). Hierbij valt te denken aan het bespreken van wat er moet gebeuren om het huis schoon te houden (bijvoorbeeld dat er ook af en toe door de week met een doekje over de tafel gegaan moet worden of dat er schoonmaakmiddelen gekocht moeten worden – eventueel op de boodschappenlijst zetten) en instructie over het omgaan met hulpmiddelen en hoe er met textiel omgegaan moet worden (de was). HbH2 en het resultaatgebied ‘regie bij het voeren van een huishouden’ (begeleiding)Er bestaat in principe geen overlap tussen HbH2 en Begeleiding, er is een duidelijke grens. Een indicatie HbH2 is een indicatie voor ondersteuning en/of overname van de organisatie en planning van het huishouden. Een indicatie voor begeleiding is volgens de definitie van begeleiding: het begeleiden, stabiliseren of verbeteren van zelfredzaamheid en/of participatie. Bij de indicatie 'HbH2' draait het om het functioneren van een huishouding. Focus ligt op de huishoudelijke activiteiten die nodig zijn om een huishouden draaiende te houden, waarbij de cliënt naar vermogen betrokken is en de ondersteuner waar mogelijk activeert en stimuleert. Dit laatste beperkt zich tot lichte aansporing. Het betreft geen begeleidingscomponent. Bij de indicatie 'Begeleiding' draait het om het functioneren van de cliënt in zijn woon- en leefomgeving. Hierbij kan het zelf op orde brengen en houden van het huishouden een van de persoonlijke doelen zijn. Dit valt dan binnen het resultaatgebied begeleiding - 'regie bij het voeren van een huishouden'. Samen met de begeleider werkt de cliënt aan zijn/haar doelen. Het bespreken van de organisatie en de planning van het huishouden kan een thema zijn in het begeleidingstraject. Primair gaat het er bij begeleiding om dat de cliënt leert en gaat het er niet om dat het huis schoon is als de begeleider de deur achter zich dicht trekt. Een indicatie 'Begeleiding' is verder altijd voor een beperkte tijdelijke periode (er is de verwachting van een oplossing: de cliënt leert het). Een indicatie 'HbH2' is blijvend (er is geen verwachting voor de oplossing dat de cliënt het kan leren). In onderstaand figuur wordt het onderscheid tussen HbH en Begeleiding gevisualiseerd. 4.1.6Omvang hulp bij het huishouden Zodra is vastgesteld dat een cliënt in aanmerking komt voor HbH 1 of 2, moet ook de omvang van de hulp worden beoordeeld. Rekening houdend met de hulpvraag van de cliënt wordt, op grond van onderzoek naar wat de cliënt zelf nog kan, de omvang van de HbH vastgesteld. Ongeacht de taken en werkzaamheden waarvoor een indicatie wordt afgegeven, behoort het altijd, zowel bij HbH1 als bij HbH2, tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder en de individuele uitvoerende ondersteuner: het maximaal stimuleren van de zelfredzaamheid van de cliënt. Naar vermogen helpt de cliënt mee in het huishouden. De ondersteuner HbH motiveert, stuurt aan en instrueert waar nodig en waar het kan. Dit beperkt zich tot lichte aansporing. de uitoefening van de signaleringsfunctie om het algemene welzijn van de cliënt in de gaten te houden. De signaleringsfunctie geldt zowel voor de aanbieder als voor de uitvoerende ondersteuner. Bij signalen zorgt de ondersteuner zelf, of de coördinator HbH van de aanbieder, voor afstemming met de relevante personen rondom de cliënt (familie, mantelzorger, indicatiesteller van de gemeente, huisarts, praktijkondersteuner Ouderen, dementieconsulent, wijkverpleegkundige, et cetera). De omvang is onder andere afhankelijk van de taken waarvoor HbH wordt toegekend en wordt uitgedrukt in een aantal minuten, afgerond op 15 minuten. Bij het vaststellen van het aantal noodzakelijke minuten HbH kunnen we in beginsel uitgaan van de standaardnormeringen uit het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging en het Protocol Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De normtijden zijn richtinggevend voor het bepalen van het aantal minuten hulp dat men krijgt bij zorg in natura of het bedrag wat men ontvangt bij een pgb, te besteden aan een individueel in te huren hulp. Door gebruik te maken van normtijden is er sprake van een zo objectief mogelijke beoordeling. Voor de protocollen wordt verwezen naar bijlage 3 en 4. Het moet voor de cliënt inzichtelijk zijn waarop de tijdsnormering is gebaseerd (welke huishoudelijke taken, welk type huishouden, in wat voor soort woning). Dat gebeurt in de beschikking. Let op:De tijdsnormering is weliswaar indicatief, maar er zal altijd een individuele afweging, op grond van nader onderzoek, gemaakt moeten worden of er reden voor afwijking van de standaard normering aanwezig is. De afwijking van de standaardnormering kan dus zowel een hoger aantal minuten, als een lager aantal minuten hulp betekenen. Bij bepaalde problematiek, zoals incontinentie of COPD, kan bijvoorbeeld een extra aantal minuten hulp worden geïndiceerd. Bij jonge kinderen kan voor bepaalde taken ook een extra aantal minuten hulp worden geïndiceerd. Voor de normtijden meerhulp zie “Normtijden hulp bij het huishouden” in het protocol indicatiestelling CIZ (bijlage 3). 4.1.7Indicatieperiode Bij de indicatie van HbH wordt ook een indicatieperiode vastgesteld. Dit is de periode voor hoe lang de HbH (vooralsnog) wordt toegekend. Afhankelijk van de individuele situatie van de cliënt kan de duur van de indicatieperiode variëren tot maximaal 5 jaar. Indien de cliënt na deze periode voortzetting wenst, dan dient hiertoe opnieuw een aanvraag te worden ingediend en dient herindicatie plaats te vinden. Let op:In situaties waarin de beperkingen stabiel zijn, of - mede gelet op de doelgroep waartoe iemand behoort - aannemelijk is dat de beperkingen toenemen kan een indicatie langer dan 5 jaar worden gesteld. 4.1.8Voorzetten ondersteuning na overlijden cliënt Wanneer de cliënt overlijdt en een huisgenoot die ook beperkingen heeft achterblijft, zal de HbH gedurende 6 weken worden voortgezet. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot 6 weken tijd om de ondersteuning op een andere manier te organiseren of de (veranderende) indicatie op zijn/haar naam te kunnen laten zetten. 4.1.9Incidentele overname bij uitval mantelzorger Bij het onverwacht uitvallen van de mantelzorger die de huishoudelijke werkzaamheden uitvoert, kan na melding direct en zonder indicatie 120 minuten HbH worden ingezet gedurende 4 tot 6 weken. Indien blijkt dat de mantelzorger langere tijd is uitgeschakeld kan er in die periode een indicatie worden gesteld. 4.1.10Besteding in het buitenland Uitgangspunt is dat HbH alleen binnen het Europese deel van Nederland kan worden besteed. Besteding in het buitenland is niet toegestaan. 4.1.11Keuzevrijheid Aan de cliënt wordt de keuze tussen een maatwerkvoorziening in natura en een pgb worden geboden. Indien de HbH in natura wordt toegekend dan wordt deze uitsluitend door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder geleverd. De cliënt heeft vrije keuze uit één van de gecontracteerde aanbieders (zie hiervoor ook hoofdstuk 3.1). Als de cliënt kiest voor HbH door middel van een pgb moet er voldaan worden aan de hiervoor geldende voorwaarden (zie hiervoor ook hoofdstuk 3.2). 4.1.12Schoonmaak ernstig vervuilde woning Het komt voor dat een woning zo ernstig vervuild is dat van de HbH-aanbieder niet mag worden verwacht dat men – binnen de gestelde indicatie – de woning in bewoonbare staat brengt. Vaak is er dan sprake van een cliënt met meerdere problemen waarvoor door middel van inzet van de GGD en begeleiding een oplossing moet worden gezocht. Om het mogelijk te maken dat er een start gemaakt wordt met de hulpverlening aan de cliënt is het noodzakelijk dat die weer over een bewoonbare woning beschikt. In Oosterhout kunnen eenmalig de kosten voor het schoonmaken van een ernstig vervuilde woning vanuit de Wmo worden vergoed. De kosten bestaan uit : personeelskosten schoonmakers; kosten afvalcontainer; kosten afvoeren vuilnis. In de praktijk is gebleken dat de inzet van twee schoonmakers gedurende één of twee dagen meestal voldoende is. De eventueel noodzakelijke herstel- en (her)inrichtingskosten worden niet vanuit de Wmo vergoed. De kosten kunnen uitsluitend worden vergoed als er door de GGD - in het kader van gevaar voor de volksgezondheid - een verzoek wordt gedaan. De diagnose van de GGD wordt dus beschouwd als de noodzaak/indicatie voor de Wmo. De GGD vraagt een offerte aan bij een schoonmaakbedrijf en op basis van deze offerte beoordeelt de Wmo-consulent de kosten. Na akkoord laat de GGD de schoonmaakwerkzaamheden uitvoeren en stuurt de rekening naar de gemeente. 4.2Vervoersvoorzieningen 4.2.1Wat wordt verstaan onder een vervoersvoorziening? De Wmo 2015 bevat geen definitie van het begrip vervoersvoorziening. Het is dus aan de gemeente zelf om te bepalen wat hieronder wordt verstaan. Mobiliteit is een belangrijke voorwaarde om te kunnen participeren in de samenleving. In Oosterhout gaan we ervan uit dat een vervoersvoorziening een voorziening is die de cliënt in staat stelt zich lokaal te verplaatsen waardoor de zelfstandigheid verbetert en de cliënt kan participeren. De vervoersvoorziening is gericht op het: in redelijke mate mensen ontmoeten; contacten onderhouden; boodschappen doen; aan maatschappelijke activiteiten deelnemen Voor het lokaal verplaatsen wordt een gebied van 25 kilometer als vervoersgebied aangemerkt. 4.2.2Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Het aanschaffen van een passend vervoermiddel, zoals een fiets, brommer of auto, komt gedurende het leven van iemand voor eigen regeling en rekening. Deze vervoermiddelen worden beschouwd als algemeen gebruikelijke voorzieningen. Daartoe worden in ieder geval gerekend: het openbaar vervoer; fiets; fiets met hulpaandrijving; fiets met lage instap en/of trapondersteuning; tandem; brom- of snorfiets; brommobiel / brom- of snorscooter; standaard scootmobiel; auto. Ondanks het feit dat bovengenoemde voorzieningen als algemeen gebruikelijk zijn aangemerkt, kan dit niet automatisch tot een afwijzing van een verzoek leiden. Of één van deze vervoermiddelen ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is, moet namelijk aan de hand van de concrete omstandigheden in de individuele situatie worden onderzocht. Nieuw in dit overzicht van algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen is de standaard scootmobiel. Een standaard scootmobiel wordt vanaf 1 april 2020 niet meer aangemerkt als individuele maatwerkvoorziening onder de Wmo. Het gaat hierbij dus niet om een aangepaste scootmobiel. Een scootmobiel die moet worden aangepast vanwege een functiebeperking (bijvoorbeeld het ontbreken van (een deel van) een been) wordt nog steeds als individuele maatwerkvoorziening verstrekt. De scootmobiel is oorspronkelijk ontwikkeld voor mensen met een beperking. Dit betekent echter niet dat deze als individuele voorziening nog steeds verstrekt moet worden vanuit de Wmo.7Ook bij hulpmiddelen zijn voorbeelden te zien die in eerste instantie voor een persoon met een beperking zijn ontwikkeld (zoals wandelstokken, rollators en steunbeugels voor douche/toilet) maar die inmiddels als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. We gaan er vanuit dat de scootmobiel inmiddels in het grote geheel van vervoermiddelen kan worden gezien. Daarmee valt het onder iemands eigen verantwoordelijkheid, om een scootmobiel aan te schaffen, net zoals het aanschaffen van een (elektrische) fiets, een bromfiets of scooter, een auto of brommobiel. Daarnaast is er ook sprake van een trend in vervoer: gedeelde mobiliteit. Dat betekent dat vervoersmiddelen zoals een fiets, scooter of auto worden gedeeld in plaats van in eigen bezit zijn (Swapfiets, Go-Sharing, Greenweels). In Oosterhout is er al jaren een scootmobielpool, waar cliënten gratis gebruik van kunnen maken. 4.2.3Algemene voorzieningen Als de cliënt een vervoersbehoefte heeft, kan er gebruik gemaakt worden van enkele algemene vervoersvoorzieningen. Mobiliteitsconsulenten (Surplus)Mobiliteitsconsulenten zijn vrijwilligers die inwoners helpen met hun vragen over mobiliteit. Bij vragen over reizen met het openbaar vervoer en andere (lokale) vervoersmogelijkheden, zoals de (elektrische) fiets en vrijwillige vervoersinitiatieven, zoals ANWB AutoMaatje. Zij helpen inwoners met vragen over het gebruik van de OV-chipkaart of als zij een persoonlijk reisadvies willen op basis van persoonlijke reisbehoefte en mogelijkheden. Ook assisteren zij inwoners die reizen met het openbaar vervoer in de praktijk willen uitproberen en het fijn vinden als er iemand meereist om in de praktijk te laten zien hoe het OV werkt. ANWB AutoMaatje (Surplus)Met ANWB AutoMaatje vervoeren vrijwilligers minder mobiele inwoners tegen een geringe onkostenvergoeding. Dit wordt gecoördineerd door Oosterhout voor Elkaar. 4.2.4Afbakening Wlz Heeft de cliënt een Wlz-indicatie en ontvangt hij intramurale behandeling, dan valt vervoer onder de Wlz. Collectief vervoer wordt wel vanuit de Wmo 2015 verstrekt. Mobiliteitshulpmiddelen voor iemand met een Wlz-indicatie, die niet meer thuis woont, worden vanaf 1 januari 2020 vergoed vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo. Dat geldt niet alleen voor verblijfszorg met behandeling maar ook voor verblijfszorg zonder behandeling. Het gaat dan om: een (aangepaste) rolstoel, een (aangepaste) scootmobiel, niet algemeen gebruikelijke fiets of een niet algemeen gebruikelijke buggy/duwwandelwagen voor een minderjarige. Een niet algemeen gebruikelijk aangepast autostoeltje is ook mogelijk voor een minderjarige als die hier vanwege zithouding of veiligheid op is aangewezen. Woont iemand thuis met een Wlz-indicatie, dan vallen de mobiliteitshulpmiddelen wel onder de Wmo 2015. Uitzondering is het vervoer van en naar dagbesteding en -behandeling. Dit valt onder de Wlz. 4.2.5Collectief vervoer (Deeltaxi) Binnen het vervoersgebied van de gemeente Oosterhout wordt de lokale vervoersbehoefte van de cliënt in eerste instantie dus ingevuld door inzet van familie, mantelzorg, ANWB AutoMaatje of het Openbaar Vervoer (OV). In Oosterhout bestaat het OV uit de bus of buurtbus. Daarnaast hebben we in Oosterhout de deeltaxi. Dat is een maatwerkvoorziening met een collectief karakter. Reizen met een deeltaxi houdt in dat de taxi wordt gedeeld met andere passagiers. Deze voorziening is regionaal vormgegeven (samen met de 17 andere gemeenten in West-Brabant). Richtlijn indicatiestelling Deeltaxi West-Brabant Sinds begin 2017 is de vernieuwde regionale Richtlijn indicatiestelling Deeltaxi in werking getreden (zie bijlage 6). Met behulp van deze richtlijn bepaalt de gemeente of een cliënt in aanmerking komt voor een Wmo deeltaxipas. In de beoordeling wordt nagegaan of het reguliere openbaar vervoer al dan niet een passende oplossing kan bieden voor de cliënt. Het OV vormt een passende oplossing als de cliënt: in staat is om de afstand naar de OV-halte te overbruggen; staand of zittend kan wachten bij een halte; zelfstandig kan in- en uitstappen; een dienstregeling kan begrijpen. Met betrekking tot het derde punt: in Oosterhout zijn de meeste haltes fysiek toegankelijk gemaakt. In het buitengebied kan dit echter anders zijn. Als het OV geen passende oplossing is, komt iemand in aanmerking voor een deeltaxipas. Het Wmo-vervoersgebied beslaat 25 kilometer vanaf het huisadres, binnen dit gebied kan de pashouder tegen het Wmo-tarief reizen. Dit tarief bestaat uit een vast instaptarief en een bedrag per kilometer. De kosten zijn gelijk aan de kosten van het openbaar busvervoer. De pashouder betaalt altijd alleen voor de kilometers van een rechtstreekse rit over de kortste route. Als de rit langer is dan 25 kilometer, betaalt de pashouder voor de extra kilometers een doorreistarief. Valys Wanneer uit onderzoek is gebleken dat de cliënt geen mogelijkheden heeft om belangrijke bestemmingen bovenregionaal, zelfstandig of met het openbaar vervoer (OV) te bereiken is kan de cliënt in aanmerking komen voor een Valyspas. De Valyspas is digitaal aan te vragen via de website: www.valys.nl of via 0900-9630. De cliënt heeft hiervoor een brief nodig van de Wmo medewerker. Bij het vaststellen van het vervoersgebied is overwogen dat zorgvragers aansluitend (trein)vervoer moeten kunnen bereiken. Het NS-station van Breda is daarbij als verste reisdoel gekozen. Klanttarieven Deeltaxi West-Brabant 2020 2020 Instap Per km Wmo-tarief € 0,98 € 0,172 OV deeltaxi-tarief € 3,48 € 0,52 Doorreis-tarief - € 1,43 Sociaal begeleider € 0,98 € 0,172 In individuele situaties kan indien (medisch) noodzakelijk ook een begeleidersindicatie worden gegeven. De volgende bestemmingen zijn uitgesloten voor deeltaxi vervoer: vervoer van en naar de dagbestedingslocaties (de zorgaanbieder begeleiding is in dit geval verantwoordelijk voor het organiseren van het vervoer); vervoer naar werk of in het kader van een traject naar werk of activering op grond van bijvoorbeeld de Werkloosheidswet of Participatiewet. Ziekenvervoer Ziekenvervoer wordt vergoed uit het basispakket van de zorgverzekering. Het moet gaan om medisch noodzakelijk vervoer. 4.2.6Wijze van verstrekking van de vervoersvoorziening deeltaxipas Aan de cliënt moet in principe de keuze tussen een maatwerkvoorziening in natura en een pgb worden geboden. Hoewel het verlenen van een deelnemerspas voor het collectief vervoer (deeltaxi) op zich een maatwerkvoorziening is, wordt bij deze voorziening de keuzemogelijkheid niet geboden. Door de mogelijke (veelvuldige) keuze voor een pgb wordt het systeem van het collectief vervoer namelijk ondergraven. In dit geval is er sprake van een overwegend bezwaar tegen het bieden van een keuzemogelijkheid. Dit overwegend bezwaar gaat echter niet zonder meer op voor personen die voor hun verplaatsingen afhankelijk zijn van een combinatie van vervoersvoorzieningen, waaronder collectief vervoer. 4.2.7Scootmobiel en scootmobielpool Wanneer een cliënt zich aanmeldt bij de gemeente Oosterhout met een vervoersbehoefte zal er samen met de cliënt bekeken worden welke mogelijkheden er voor de cliënt zijn om (weer) zelfstandig aan de maatschappij te kunnen deelnemen. Als dit het gebruik van een standaard scootmobiel is, wordt de cliënt aangegeven dat hij deze desgewenst zelf kan aanschaffen (nieuw of tweedehands) of kan huren. Daarnaast is de (gratis) scootmobielpool met breng- en haalservice een optie. De keuze van de cliënt wordt vastgelegd in het plan van aanpak. Een uitzondering hierop is een situatie waarin individuele aanpassingen aan de scootmobiel noodzakelijk zijn als gevolg van de beperking van de cliënt. In dat geval wordt er direct een maatwerkvoorziening verstrekt, in de vorm van een individuele scootmobiel. Uiteraard is een voorwaarde dat de ergotherapeut vaststelt dat iemand in staat is veilig met een scootmobiel om te gaan. 4.2.8Noodzakelijk gebruik / gewenst gebruik Er is een verschil tussen noodzakelijk en gewenst gebruik. Uitgaande van dezelfde functiebeperking (slecht kunnen lopen) volgen hierna enkele voorbeelden. Voorbeeld A: iemand gaat op dinsdag en donderdag kaarten, op woensdag heeft hij fysiotherapie, op vrijdag doet hij altijd de boodschappen en op zondag gaat hij naar de kerk. Hier is sprake van (bijna) dagelijks gewenst gebruik. In deze situatie zijn er mogelijkheden om een en ander anders in te delen: bijvoorbeeld voor het kaarten op een of twee van de dagen met de medekaarters vervoer regelen, of de boodschappen doen op een andere dag (dat de scootmobiel uit de pool er toch al is). Er is in deze situaties meestal sprake van een redelijk sociaal netwerk. Voorbeeld B: iemand moet voor eigen medische behandeling 3 keer per week naar een behandelplaats en daarnaast bezoekt hij zijn partner 2 tot 3 keer per week in een verpleeghuis. Eén keer in de week gaat hij naar een activiteitencentrum om koffie te drinken. Hij heeft een klein sociaal netwerk: de kinderen wonen ver weg en de buren zijn zelf oud en/of slecht ter been en/of niet in het bezit van een auto. Het (bijna) dagelijks gebruik van een scootmobiel kan voor het grootste deel als noodzakelijk aangemerkt worden. Voorbeeld C: iemand kan niet lang/ver lopen en kan door evenwichtsproblemen ook niet fietsen. Daarbij heeft zij psychische problemen waarvoor zij begeleiding ontvangt. Voor haar psychisch functioneren is het belangrijk dat zij iedere dag in de ochtend en einde middag invulling aan haar dag geeft door naar buiten te gaan, dit maakt onderdeel uit van de afspraken met de zorgverlener begeleiding. Gelet op haar psychische gesteldheid heeft zij een klein sociaal netwerk. Haar dochter verleent dagelijks mantelzorg. Het dagelijks gebruik van de scootmobiel is in dit geval noodzakelijk. In alle gevallen, ook als het gebruik van de standaard scootmobiel (bijna) dagelijks noodzakelijk is, wordt aangegeven dat men deze zelf aanschaft. Als de cliënt vervolgens aangeeft dit niet te kunnen betalen, is het advies aan de cliënt in voorbeeld A om het gebruik anders in te richten, zodat hij wel gebruik kan maken van de gratis scootmobielpool. In het geval van B en C bespreekt de Wmo-medewerker de verschillende mogelijkheden met de cliënt: tweedehands, huur (bijvoorbeeld alleen in de zomermaanden), op afbetaling. De gemeente beoordeelt slechts of een voorziening financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of de betreffende cliënt zelf een minimuminkomen ontvangt. De verwachting is dat het in de meeste situaties om gewenst gebruik zal gaan en dat de verschillende aanschafmogelijkheden passend zullen zijn voor de meeste cliënten. Daarom wordt verwacht dat zich niet veel situaties zullen voordoen, waarin een standaard scootmobiel als individuele maatwerkvoorziening wordt verstrekt. 4.2.7.2De individuele scootmobiel Als de individuele scootmobiel wordt toegekend, heeft de cliënt een keuze: in natura of middels een pgb. Bij een verstrekking in natura wordt deze uitsluitend in bruikleen verstrekt. Bij levering van de scootmobiel ondertekent de gebruiker een bruikleenovereenkomst met de leverancier. Deze scootmobiel wordt in bijna alle gevallen door de gemeente Oosterhout gehuurd. In het afgesloten contract met de leverancier zijn bepalingen opgenomen over (de kosten van) onderhoud en service, waarbij gewerkt wordt met zoveel mogelijk gestandaardiseerde prijzen. Daarnaast is de leverancier verplicht gesteld alle voorzieningen WA te verzekeren. Als de voorziening gerepareerd moet worden omdat de schade door verwijtbaar gedrag van de gebruiker of zijn gezinsleden is ontstaan, zijn de kosten voor rekening van de gebruiker. Als een cliënt de scootmobiel middels een pgb wil aanschaffen wordt aan de hand van de selectieprocedure een programma van eisen opgesteld, waaraan de scootmobiel die door de cliënt zelf wordt aangeschaft in ieder geval moet voldoen. In het geval van verstrekking van een scootmobiel in de vorm van een pgb zijn de kosten van onderhoud, reparatie, service en verzekering meegenomen bij de vaststelling van de omvang van het pgb. De gebruiker zelf dient er daarom voor te zorgen dat de scootmobiel WA-verzekerd en, indien noodzakelijk, anderszins voldoende verzekerd is. Voor enig geleden schade, omdat de scootmobiel niet of onvoldoende door de gebruiker is verzekerd, kan geen aanspraak gedaan worden op de gemeente Oosterhout. De accu’s van scootmobielen moeten weliswaar geregeld opgeladen worden maar vanwege de geringe kosten worden deze kosten in Oosterhout niet tot de gemeentelijke compensatieverplichting gerekend. 4.2.7.8Scootmobielpool De scootmobielpool is een gratis voorziening voor cliënten waarbij uit het onderzoek is gebleken dat voor hen een standaard scootmobiel een passende oplossing is en die deze voorziening niet zelf willen aanschaffen of deze slechts enkele dagen per week wil gebruiken. De pool is ook voor de cliënten die geen eigen scootmobiel kunnen aanschaffen (bijvoorbeeld vanwege financiële redenen). Na het gesprek met de gemeente, wordt de cliënt bij de ergotherapeut aangemeld. Die zal beoordelen of de cliënt veilig met de scootmobiel kan omgaan. Als dit positief wordt beoordeeld, kan de cliënt gratis gebruik maken van de pool. De pool wordt beheerd door de gemeente: reserveringen vinden plaats door contact met het klantcontactcentrum van de gemeente en de scootmobiel wordt gebracht en weer opgehaald door medewerkers van de gemeentewerf. 4.2.8Overige individuele vervoersvoorzieningen Andere individuele vervoersvoorzieningen kunnen zijn: een auto-aanpassing; een aangepaste fiets (bijvoorbeeld een driewieler). 4.2.9Goedkoopst adequaat Indien er ná zorgvuldig onderzoek in een concreet geval meerdere voorzieningen afdoende ondersteuning bieden, moet de goedkoopst adequate voorziening worden aangeboden. VoorbeeldOp grond van de beperkingen kan een cliënt in aanmerking komen voor vervoersvoorziening(en). De cliënt geeft zelf de voorkeur aan een aanpassing van de eigen auto boven een mogelijke deelnemerspas voor de deeltaxi. Om nu te kunnen bepalen wat in dit geval de goedkoopst adequate voorziening is, moeten we het volgende traject doorlopen: onderzoek doen naar de vervoersbehoefte/het te verwachten gebruik van de deeltaxi en de daarmee op jaarbasis gepaard gaande kosten; het onder a. verkregen bedrag aan kosten vermenigvuldigen met de te verwachten technische levensduur van de vereiste aanpassing aan de auto; in het geval dat de kosten van de aanpassing van de eigen auto minder of (nagenoeg) gelijk zijn aan de onder b. becijferde kosten deeltaxi, dan kan de aanpassing van de eigen auto als goedkoopst adequaat worden aangemerkt en worden toegekend; in het geval dat de kosten voor de deeltaxi minder zijn dan de kosten van de aanpassing van de eigen auto, dan geldt de deeltaxi als goedkoopst adequaat en wordt deze toegekend. 4.2.10Werkwijze individuele vervoersvoorziening In Oosterhout wordt er door de medewerker een vervoersvoorziening uit een van de 10 categorieën geselecteerd. Deze categorie indeling wordt vervolgens als opdrachtverstrekking naar de leverancier gestuurd. De leverancier neemt contact op met de cliënt en zorgt, indien nodig na een individuele passing, voor de juiste vervoersvoorziening . De door de gemeente geselecteerde categorie is bepalend en kan alleen worden gewijzigd na overleg en akkoord van de gemeente. Categorie indeling vervoersvoorziening Categorie Omschrijving 6 Scootmobiel, in- en om de woning. 7 Scootmobiel, standaard 8 Scootmobiel, extra geveerd en bijzondere uitvoeringen 9A Fietsvoorzieningen, volwassene en kind, tweewielers 9B Fietsvoorzieningen, volwassene en kind, driewielers 10A Fietsvoorzieningen, volwassene en kind, met hulpmotor, tweewielers 10B Fietsvoorzieningen, volwassene en kind, met hulpmotor, driewielers 11 Buggy kind, incidenteel 12 Duwwandelwagen kind, permanent/passief 13 Zitunit kind LevensduurHet uitgangspunt is dat de gemiddelde (economische) levensduur van een individuele vervoersvoorziening vijf jaar is. Dit kan echter per vervoersvoorziening verschillen. Als een vervoersvoorziening niet meer voldoet omdat deze oud en versleten is, wordt er om technische reden een nieuwe vervoersvoorziening geleverd. Deze ‘technische vervanging’ kan door de leverancier worden geregeld en hiervoor is, als de nieuwe vervoersvoorziening in dezelfde categorie valt, geen toestemming van de gemeente nodig. Aanpassingen aan vervoersvoorzieningenIn het contract is met de leverancier afgesproken dat een aantal veel voorkomende aanpassingen standaard binnen de categorie vallen. De leverancier kan dus, zonder tussenkomst en akkoord van de gemeente, op verzoek van de cliënt deze aanpassing aanbrengen. De aanpassingen leiden ook niet tot een prijsverhoging omdat de meerprijs al is verwerkt in de categorieprijs. Om het op maat te kunnen verstrekken van een vervoersvoorziening zijn soms aanpassingen noodzakelijk. Ook is het mogelijk dat een vervoersvoorziening na enige tijd moet worden aangepast, bijvoorbeeld omdat de lichamelijke situatie van de cliënt is veranderd. Deze aanpassingen vallen daarom onder de compensatieplicht van de gemeente en moeten vergoed worden. 4.2.11Afbakening Wlz Met ingang van 1 januari 2020 is er een en ander gewijzigd in de rolstoel- en vervoersvoorziening voor bewoners van zorginstellingen. Bewoners van een Wlz-instelling kunnen vanaf 1 januari 2020 aanspraak maken op een scootmobiel in het kader van de Wlz. Bij verblijf thuis met een Wlz-indicatie geldt het beleid van de gemeente rond de scootmobiel. Er is sprake van de volgende overgangsmaatregelen: Als een cliënt op 1 januari 2020 al in een zorginstelling woont met een rolstoel of vervoermiddel8In de ledenbrief van de VNG 19/076 van 2 oktober 2019 wordt gesproken over “mobiliteitshulpmiddelen”: Hieronder wordt verstaan (elektrische) rolstoelen, aangepaste fietsen, scootmobielen, aangepaste wandelwagens/buggy’s en aangepaste autostoeltjes voor kinderen. Dit botst niet met het nieuwe scootmobielbeleid aangezien cliënten die reeds in het bezit zijn van een scootmobiel, deze blijven behouden. van de Wmo, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen totdat het middel moet worden vervangen. Vanaf dat moment valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (Zorgkantoor). Als een cliënt na 1 januari 2020 naar een zorginstelling verhuist, moet worden bekeken of de rolstoel of het vervoermiddel moet worden vervangen. Als deze moet worden vervangen valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (Zorgkantoor). Als deze niet hoeft te worden vervangen, kan deze worden overgenomen door de Wlz. 4.3Rolstoelvoorziening Zichzelf kunnen verplaatsen is essentieel bij zelfredzaamheid. Met zich verplaatsen in huis bedoelen we dat de burger in staat is tenminste de huiskamer, het slaapvertrek, keuken en douche/toilet te bereiken en zich daar zodanig te kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is. Bij dit resultaat wordt ondersteuning geboden in de vorm van hulpmiddelen. Het maakt daarbij niet uit of het om hergebruikte of om nieuwe materialen gaat. Het gaat om het resultaat. In sommige situaties zijn hulpmiddelen nodig die door de mantelzorger of de professionele hulp gebruikt moeten worden bij de verzorging. Daarbij moet – meer dan in het verleden – gekeken worden naar de eisen die de hulpverlener stelt. 4.3.1Wat wordt verstaan onder een rolstoelvoorziening? De Wmo bevat geen definitie of omschrijving van het begrip rolstoelvoorziening. Het is dus aan de gemeente zelf om te bepalen wat hieronder wordt verstaan. In Oosterhout gaan we ervan uit dat een rolstoel bedoeld is voor verplaatsing binnen, dan wel binnen en buiten de woning. Men kan in aanmerking komen voor een rolstoel als men in belangrijke mate aangewezen is op zittend verplaatsen. Als de cliënt bijvoorbeeld wel een bepaalde afstand te voet (bijvoorbeeld 100 meter) kan afleggen, maar daarna aangewezen is op zittend verplaatsen, dan kan een rolstoelvoorziening aangewezen zijn. Het moet dan wel duidelijk zijn dat andere loophulpmiddelen, zoals een rollator of een stok, geen oplossing bieden. Ook individuele aanpassingen zoals anti-decubitus kussens, vallen onder de rolstoelvoorziening. Alleen accessoires die functioneel zijn voor het gebruik van de verstrekking, die medisch noodzakelijk zijn en die niet algemeen gebruikelijk zijn, worden vergoed. 4.3.2Rolstoelpool Wanneer een cliënt zich bij de gemeente Oosterhout meldt met een mobiliteitsbehoefte, dan wordt samen met de cliënt bekeken wat de meest passende oplossing is voor deze behoefte. Wanneer dit af en toe gebruik maken van een rolstoel is, dan wordt de cliënt in principe doorverwezen naar de rolstoelpool. De rolstoelen uit de rolstoelpool staan bij de zorginstellingen in Oosterhout en kunnen daar zonder aanmelding worden opgehaald. Uitzonderingen hierop zijn situaties waarin er individuele aanpassingen aan de rolstoel noodzakelijk zijn of wanneer de rolstoel dient als een been-vervangende voorziening. In dat geval wordt er een maatwerkvoorziening (een individuele rolstoel) verstrekt. 4.3.3Selectie rolstoel Als gebleken is dat een rolstoel de meest passende voorziening is om ondersteuning te bieden bij het verplaatsen in en om de woning, komt de keuze van de rolstoel aan de orde. Het selecteren van een rolstoel is maatwerk: de gekozen rolstoel moet passen bij de cliënt. De cliënt moet er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruikbaar zijn in de omgeving waar de cliënt woont en voor de activiteiten die de cliënt wil ondernemen. Hoewel de selectie van een rolstoel individueel bepaald is, kan een aantal factoren worden genoemd dat bij iedere selectie een rol speelt: het gebruik; het gebruiksgebied; de aandrijving; de zithouding; de meeneembaarheid; de lichaamsmaten. Aan de hand van de selectiecriteria wordt een ‘programma van eisen’ opgesteld waaraan de rolstoel moet voldoen om een passende voorziening te zijn voor de cliënt. Op deze manier kan het goedkoopst adequate type rolstoel geselecteerd worden. Bij de selectie van een rolstoelvoorziening horen ook de zogenaamde aandrijfondersteuningen: aandrijfunit, hulpmotor en handbike. Een cliënt is aangewezen op een elektrische rolstoel als: de loop/sta-functie slecht is; en directe mechanische besturing vanwege een gebrekkige arm- en handfunctie niet mogelijk is of energetisch beperkt; en er meer individuele aanpassingen aan het hulpmiddel nodig zijn. 4.3.4Werkwijze In Oosterhout wordt er door de Wmo-medewerker, op basis van de selectiecriteria en de afgesproken categorie-indeling, een rolstoel uit een van de vier categorieën geselecteerd. Deze categorie-indeling wordt vervolgens als opdrachtverstrekking naar de leverancier gestuurd. De leverancier neemt contact op met de cliënt en zorgt, indien nodig na een individuele passing, voor de juiste rolstoel. De door de gemeente geselecteerde categorie is bepalend en kan alleen worden gewijzigd na overleg en akkoord van de gemeente. Categorie-indeling rolstoelenCategorie Omschrijving 1 Handbewogen rolstoel volwassenen en kind, incidenteel 2 Handbewogen rolstoel, volwassene en kind, (semi-) permanent/actief 3 Handbewogen rolstoel, volw.en kind, permanent/passief (inclusief duwwandelwagens) 4 Elektrische rolstoel, volwassene en kind 5 Aandrijfondersteuning Het uitgangspunt is dat de gemiddelde (economische) levensduur van een rolstoel vijf jaar is. Dit kan echter per rolstoel verschillen. Met name de duurdere elektrische rolstoelen hebben een langere economische levensduur. Als een rolstoel niet meer voldoet omdat deze oud en/of versleten is wordt er om technische reden een nieuwe rolstoel geleverd. Deze zogenaamde ‘technische vervanging’ kan door de leverancier worden geregeld. Hiervoor is, als de nieuwe rolstoel in dezelfde categorie valt, geen toestemming van de gemeente nodig. 4.3.5Aanpassingen aan rolstoelen Om rolstoelen op maat te kunnen verstrekken, zijn soms aanpassingen noodzakelijk. Ook is het mogelijk dat een rolstoel na enige tijd moet worden aangepast, bijvoorbeeld omdat de lichamelijke situatie van de gebruiker is veranderd. Deze aanpassingen vallen daarom onder de compensatieplicht van de gemeente en moeten vergoed worden. In het contract is met de leverancier afgesproken dat een aantal veel voorkomende aanpassingen standaard binnen de categorie vallen. De leverancier kan dus, zonder tussenkomst en akkoord van de gemeente, op verzoek van de cliënt deze afgesproken aanpassing aanbrengen. De aanpassingen leiden ook niet tot een prijsverhoging omdat de meerprijs al is verwerkt in de categorieprijs. 4.3.6Sportrolstoel De Wmo is gericht op participatie van personen. De deelname aan sportieve activiteiten neemt in het maatschappelijk leven een belangrijke plaats in en moet gezien worden als een manier om te participeren. Hoewel actief bezig zijn met sportbeoefening voor, met name jeugdige, personen met beperkingen uitermate belangrijk kan zijn, moet bij het verzoek om een sportvoorziening een oordeel worden gevormd of deze in het concrete geval daadwerkelijk een bijdrage levert aan de participatie van de cliënt. Het moet dan ook gaan om een actieve sportbeoefening. Van belang is dat de gemeente voor topsportvoorzieningen geen compensatieplicht heeft. In Oosterhout gaan we ervan uit dat voor zover de cliënt de sportrolstoel zelfstandig en op een verantwoorde wijze kan gebruiken, hij in aanmerking kan komen voor een vergoeding vanuit de Wmo. De goedkoopst adequate uitvoering van de noodzakelijke sportrolstoel kan worden vergoed. De meerkosten van de sportrolstoel komen volledig voor rekening van de cliënt. Cliënten die speciale sportvoorzieningen nodig hebben om een sport op topniveau te bedrijven, dienen daartoe uit eigen middelen, fondsenwerving of door middel van sponsoring de benodigde financiën bijeen te brengen. Dit laat onverlet dat een ‘topsporter’ eventueel wel in aanmerking kan komen voor bijvoorbeeld een "normale" sportrolstoel, die voldoende geschikt is om sport te kunnen beoefenen op een lager niveau. Net als bij de “gewone” rolstoel, kan er na vijf jaar een nieuwe aanvraag worden ingediend. 4.3.7Wijze van verstrekking van de rolstoelvoorziening Indien de rolstoelvoorziening in natura wordt toegekend dan wordt deze uitsluitend in bruikleen verstrekt. Bij levering van de rolstoel ondertekent de cliënt een bruikleenovereenkomst met de leverancier. Indien de rolstoelvoorziening in natura verstrekt wordt, worden (bijna) alle (elektrische) rolstoelen door de gemeente Oosterhout gehuurd. In het afgesloten contract met de leverancier zijn bepalingen over (de kosten van) onderhoud, service opgenomen, waarbij gewerkt wordt met zoveel mogelijk gestandaardiseerde prijzen. Daarnaast is de leverancier verplicht gesteld alle voorzieningen WA te verzekeren. Als de voorziening gerepareerd moet worden omdat de schade door verwijtbaar gedrag van de cliënt of zijn gezinsleden is ontstaan, zijn de kosten voor rekening van de cliënt. Als een cliënt de rolstoel middels een pgb wil aanschaffen wordt aan de hand van de selectieprocedure een programma van eisen opgesteld, waaraan de rolstoelvoorziening die door de cliënt zelf wordt aangeschaft in ieder geval moet voldoen. In het geval van verstrekking van een rolstoelvoorziening in de vorm van een pgb zijn de kosten van onderhoud, reparatie, service en verzekering meegenomen bij de vaststelling van de omvang van het pgb. De cliënt zelf dient er daarom voor te zorgen dat de rolstoelvoorziening WA-verzekerd en, indien noodzakelijk, anderszins voldoende verzekerd is. Voor enig geleden schade, omdat de voorziening niet of onvoldoende door de cliënt is verzekerd, kan geen aanspraak gedaan worden op de gemeente Oosterhout. De accu’s van elektrische rolstoelen moeten weliswaar geregeld opgeladen worden maar vanwege de geringe kosten worden deze kosten in Oosterhout niet tot de gemeentelijke compensatieverplichting gerekend. 4.3.8Rolstoeltraining en proeflessen Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de rolstoel is het van belang dat de gebruiker goed met de rolstoel overweg kan. Dit vergroot namelijk de zelfstandigheid en mogelijkheden van de gebruiker, bevordert de levensduur van de rolstoel en voorkomt extra onderhoud en schade. Met de leverancier is daarom afgesproken dat er bij de aflevering van de rolstoel een instructie voor het gebruik ervan wordt gegeven. Enige tijd na aflevering neemt de leverancier contact op met de cliënt waarbij het gebruik van de rolstoel wordt besproken. 4.3.9Afbakening Wlz Met ingang van 1 januari 2020 is er een en ander gewijzigd in de rolstoel- en vervoersvoorziening9In de ledenbrief van de VNG 19/076 van 2 oktober 2019 wordt gesproken over “mobiliteitshulpmiddelen”: Hieronder wordt verstaan (elektrische) rolstoelen, aangepaste fietsen, scootmobielen, aangepaste wandelwagens/buggy’s en aangepaste autostoeltjes voor kinderen. voor bewoners van zorginstellingen. Bewoners van een Wlz-instelling kunnen vanaf 1 januari 2020 aanspraak maken op een rolstoel in het kader van de Wlz. Er bestaat dus géén aanspraak meer op een rolstoel in het kader van de Wmo 2015. Bij verblijf thuis met een Wlz-indicatie is de gemeente verplicht om de rolstoel te verstrekken (artikel 8.6 a Wmo). Er is sprake van de volgende overgangsmaatregelen:Als een cliënt op 1 januari 2020 al in een zorginstelling woont met een rolstoel of vervoermiddel van de Wmo, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen totdat het middel moet worden vervangen. Vanaf dat moment valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (Zorgkantoor). Als een cliënt na 1 januari 2020 naar een zorginstelling verhuist, moet worden bekeken of de rolstoel of het vervoermiddel moet worden vervangen. Als deze moet worden vervangen valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (Zorgkantoor). Als deze niet hoeft te worden vervangen, kan deze worden overgenomen door de Wlz. 4.3.10Bijdrage in de kosten Op grond van de Wmo 2015 is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor een rolstoel. 4.3.11Besteding in het buitenland Een rolstoelvoorziening mag in het buitenland worden gebruikt. De cliënt kan daar alleen geen beroep doen op de service en onderhoud door de leverancier. 4.4Woonvoorzieningen Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving (dat kan de eigen woning zijn of een geschiktere woning in dezelfde omgeving) zijn er tegenwoordig veel voorzieningen die dit mogelijk maken. In deze paragraaf volgt een toelichting op verschillende soorten woonvoorzieningen. Het verwerven van een op zich geschikte woning (koop of huur) blijft uiteraard altijd een eigen verantwoordelijkheid: van een inwoner mag een verantwoorde keuze voor een woning verwacht worden. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekend komende beperkingen rekening wordt gehouden. Alleen dan kan de gemeente gehouden worden aanpassingen aan de woning te realiseren. Met een voor de bewoner geschikte woning wordt bedoeld dat het zodanig functioneel is ingericht dat de bewoner normaal gebruik kan maken de woning. Onder het normale gebruik van de woning wordt verstaan de mogelijkheid om de basale woonfuncties te kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van belangrijke huishoudelijke werkzaamheden, koken en keukengebruik, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning en toegang tot de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Tot het normale gebruik van de woning behoort eveneens het traplopen, meestal om de belangrijke gebruiksruimten te bereiken. 4.4.1Omschrijving woonvoorziening De Wmo bevat geen definitie van het begrip woonvoorziening. Het is dus aan gemeente zelf om te bepalen wat hieronder wordt verstaan. In de gemeente Oosterhout verstaan we hieronder: elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van de beperkingen en die de persoon met beperkingen in staat stelt tot een normaal gebruik van de woning (tenminste van de huiskamer, het slaapvertrek, keuken en douche/toilet). Dit betreft zowel de functionaliteit van de ruimten als de bereikbaarheid er van. Het gaat om de volgende woonvoorzieningen: een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (woningaanpassing) – paragraaf 4.4.6; een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening (roerende voorziening) – paragraaf 4.4.7; woningsanering – paragraaf 4.4.8; het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van aangebrachte aanpassingen – paragraaf 4.4.9; het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor huurderving – paragraaf 4.4.10; het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor kosten voor tijdelijke huisvesting – paragraaf 4.4.11; het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor de verhuis- en herinrichtingskosten – paragraaf 4.4.12. 4.4.2Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen Onder de Wmo kunnen voorzieningen als ‘algemeen gebruikelijk’, dus niet afdwingbaar, worden beschouwd. Het gaat hierbij om een voorziening: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De volgende woonvoorzieningen worden in ieder geval als algemeen gebruikelijk aangemerkt en worden niet vergoed (de opsomming is niet limitatief!): thermostaatkranen; hendel kranen met temperatuurbegrenzer; standaard (hang)toilet; verhoogd toilet; 2e toilet – sanibroyeur; douchecabine; douchekop en glijstang; keramische en inductie kookplaat; steunbeugels douche/toilet; anti-slipvloer / anti-slipcoating; zonwering inclusief elektrische bediening; elektrisch bedienbaar hang-en sluitwerk; elektrisch deuropener; intercom (inclusief camera). 4.4.3Goedkoopst adequaat In Oosterhout is in artikel 4, lid 11 onder i van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oosterhout 2019 de volgende bepaling opgenomen: ‘Geen woonvoorziening wordt verstrekt indien de kosten van de woningaanpassing hoger zijn dan het bedrag van € 50.000 (zijnde de kosten van een woonunit), tenzij belanghebbende schriftelijk heeft verklaard de meerkosten volledig voor eigen rekening te nemen of dat de woonunit geen adequate oplossing biedt.’ Dit betekent dat bij een woningaanpassing die boven de € 50.000 uit gaat komen, de aanpassing geweigerd wordt als de aanvrager de meerkosten niet zelf wil betalen. Het bedrag van € 50.000 is gebaseerd op de kosten van een woonunit. Als het plaatsen van een woonunit in de situatie van de aanvrager adequaat is en goedkoper dan de woningaanpassing, is dat wat aangeboden wordt. Als de aanvrager toch de woningaanpassing wil, kan hij tot en met het bedrag van € 50.000 door de gemeente gecompenseerd worden en het overige zelf bijbetalen. Hiermee voldoet de gemeente aan de verplichting om de beperking op een (goedkoopste) adequate manier op te heffen. Deze afwijzingsgrond gaat overigens niet op als er geen woonunit geplaatst kan worden en/of als de woonunit geen adequate compensatie biedt. Er wordt dan verder onderzoek gedaan naar mogelijkheden. 4.4.4Primaat van verhuizing Uitgangspunt is dat voordat wordt overgegaan tot verstrekking van woonvoorzieningen eerst de mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning, beoordeeld moet worden. Daarbij moet de verhuizing wel leiden tot het te bereiken resultaat. Bij de beoordeling of verhuizen een passende oplossing is, zullen de volgende aspecten worden meegewogen: aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimten; toestemming huiseigenaar; vergelijking aanpassingskosten; volkshuisvestelijke afwegingen; noodzakelijkheid tot snelle keuzevorming; sociale omstandigheden; ligging woning; integrale afweging Wmo-voorzieningen; werksituatie; huurlastenconsequenties; eigen huisbezit. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Als er bijvoorbeeld sprake is van mantelzorg vanuit de buurt, die onder druk komt als de cliënt naar een andere woning verhuist, kan niet gesteld worden dat verhuizen een adequate oplossing is. De mantelzorg zal dan immers weg kunnen vallen. Het moet per individuele situatie bekeken worden. Als verhuisd kan worden binnen de gemeente, geldt het besluit tot verhuizen boven het aanpassen van de woning. (Zie ook paragraaf 4.4.12 Verhuiskosten.) Als de beperkingen met betrekking tot het normale gebruik van de woning in voldoende mate kunnen worden opgeheven door middel van (een) aanpassing(
  12. en)en deze is/zijn de goedkoopst adequate voorziening(en), dan blijft een afweging “aanpassen of verhuizen” achterwege. De woning wordt in dat geval aangepast. Om te voorkomen dat bij iedere aanvraag om een woonvoorziening de bovenstaande beoordeling moet worden gemaakt, is ervoor gekozen om bij woonvoorzieningen waarvan de kostprijs minder dan € 10.000,- bedraagt, het primaat van verhuizing niet toe te passen. 4.4.5Verstrekkingsvormen woonvoorziening De woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard (vaste woonvoorziening) wordt altijd verstrekt in de vorm van een pgb. Het pgb wordt toegekend aan de cliënt en uitbetaald aan de eigenaar van de woning. De betreffende woonvoorziening wordt eigendom van de woningeigenaar. Losse woonvoorzieningen, zoals een traplift worden in natura of door middel van een pgb verstrekt. Kiest de cliënt voor de voorziening in natura, dan wordt deze in bruikleen verstrekt. Omdat een traplift geen bestanddeel van de woning vormt, wordt de eigenaar van de woning niet de eigenaar van de traplift. De gemeente/leverancier blijft bij bruikleen juridisch eigenaar van de traplift. De kosten van onderhoud, keuring en reparatie blijven daarbij voor rekening van de gemeente. Kiest een cliënt voor een pgb, dan wordt de traplift eigendom van de cliënt. De aan te schaffen traplift kan aan het opgestelde programma van eisen worden getoetst. 4.4.6Bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte Bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard, zoals een aanpassing van een badkamer, wordt een voorziening als woonvoorziening aangemerkt: als die gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen10Uit uitspraken van de CRvB kan een invulling van het begrip ergonomische beperkingen worden afgeleid. Er is sprake van dergelijke belemmeringen als er zich een, hetzij uit een lichamelijke, hetzij uit een geestelijke stoornis voortvloeiende, belemmering voordoet ten aanzien van (één van) de elementaire woonfuncties, die direct in verband staat met een lichamelijke functionele beperking.; of als het om een uitraasruimte gaat. Als het gaat om aanbouw of uitbreiding van ruimten wordt uitgegaan van het ‘handboek richtlijnen toegankelijkheid’11De richtlijnen toegankelijkheid Wmo zijn wettelijk gehanteerde normen die door de bouwkundig adviseur worden gebruikt bij het opstellen van een bouwkundig advies., tenzij een medische noodzaak een ander maximum aangeeft. Uiteraard dient dat dan door middel van een extern medisch en bouwkundig advies te worden vastgesteld. Het bouwkundig advies en de bijbehorende kostenbegroting vormen de basis voor de beoordeling van een woningaanpassing. Na toekenning van een pgb voor de kosten van woningaanpassing moet de cliënt zelf een aannemer inschakelen en een offerte laten opstellen. De offerte moet door de gemeente Oosterhout worden goedgekeurd waarna – al dan niet in gedeelten – de vergoeding kan worden uitbetaald. 4.4.6.1Badkamers en keukens Vooropgesteld wordt dat het vervangen van zaken past in het normale bestedingspatroon en daarom in principe algemeen gebruikelijk zijn. Pas indien sprake is van een acute situatie waardoor zaken veel eerder dan normaal vervangen moeten worden, is deze vervanging niet algemeen gebruikelijk. De CRvB heeft op 20 november 2019 echter uitspraak gedaan over een badkameraanpassing in een situatie waar de badkamer meer dan 30 jaar oud was (ECLI:NL:CRVB:2019:3535). De CRvB heeft de voorwaarden met betrekking tot wanneer iets algemeen gebruikelijk is in die uitspraak verduidelijkt: het moet te betalen zijn met een minimuminkomen. Een badkameraanpassing is dat niet. Dat de badkamer al zo oud was, doet er niet toe volgens de CRvB. Met deze uitspraak vervallen de afschrijvingstermijnen van badkamers en keukens die tot nu toe steeds werden aangehouden bij het bepalen van de kosten. Als iemand nu melding maakt van een behoefte in de woonsituatie, wordt samen met de cliënt bekeken wat de omstandigheden zijn en wat er eventueel aangepast zou moeten worden zodat de cliënt langer zelfstandig thuis kan blijven wonen. Als er sprake is van een noodzakelijke aanpassing, wordt die vanuit de Wmo verstrekt. Het betekent dat daarmee aan de behoefte van de cliënt wordt voldaan. Overige, niet noodzakelijke maar misschien wel wenselijke of prettige aanpassingen worden niet vanuit de Wmo opgepakt. Zie hiervoor ook hoofdstuk 1 over ‘aanvaardbaar niveau’. Voor de onderrijdbare keuken geldt dat de volledige meerkosten (t.o.v. algemeen gebruikelijke keuken niveau Sociale Woningbouw) voor Wmo-vergoeding in aanmerking komen. De kosten van apparatuur in de keuken zijn wel algemeen gebruikelijk, tenzij er sprake is van acute vervanging. Nibud hanteert een standaardlevensduur van 10 jaar. 4.4.6.2Uitraaskamer Een uitraaskamer is een verblijfsruimte waarin een cliënt, die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Hoewel de uitraaskamer in de Wmo 2015 niet apart genoemd wordt, gaan we er in Oosterhout vanuit dat dit een mogelijke voorziening kan zijn om personen met een beperking te compenseren. 4.4.6.3Losse woonunit Onder een losse woonunit wordt een verplaatsbare unit verstaan die tijdelijk kan worden ingezet. De losse woonunit kan een alternatief vormen voor de duurdere woningaanpassing, veelal de gelijkvloerse uitbouw van een woning. Indien blijkt dat het plaatsen van een losse woonunit een goedkopere adequate oplossing is (dan het aanpassen van de woning) en in de concrete situatie mogelijk is, wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven. Of de losse woonunit ook een passende compenserende oplossing is, is mede afhankelijk van de leeftijd van de aanvrager en het verloop van het ziektebeeld/beperking. Bij de afweging welke voorziening als goedkoopst adequaat kan worden aangemerkt, is het volgende van belang bij de afweging van een losse woonunit: de huur- of koopprijs; vergunningskosten; t

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.