Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026Samenvatting De Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) zet zich in voor een veilige, gezonde en duurzame fysieke leefomgeving. De ODMH voert taken uit op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Dit gebeurt op een effectieve, efficiënte en innovatieve wijze. Voor de VTH-taken is de doelstelling dat de uitvoering altijd op adequaat niveau is, dat wil zeggen dat de inzet voor de VTH-taken zodanig efficiënt en effectief is ingericht, dat het risico op overlast, onveilige situaties of calamiteit voor de leefomgeving wordt geminimaliseerd. Deze nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026 (hierna VTH-nota) wordt vastgesteld door de zes aangesloten gemeenten. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit. In de VTH-nota zijn de lokale en regionale prioriteiten (waar van toepassing), doelstellingen en werkwijzen opgenomen met betrekking tot vergunningverlening, toezicht, handhaving en samenwerking voor wat betreft de gemeentelijke bouw- en milieutaken. De VTH-nota omvat daarmee zowel het strategische beleidskader (de doelen in de vorm van gezamenlijke prioriteiten, aangevuld met de lokale prioriteiten uit de bestuursakkoorden/collegeprogramma’
- s)als de uitvoeringsstrategie (de werkwijze). De nota is geldig van 2023 tot en met 2026 voor de milieubelastende activiteiten die onder de bevoegdheid van de gemeente vallen en voor de taken op het gebied van bouw- en woningtoezicht, voor zover deze aan de ODMH zijn gemandateerd. Voor de provinciale taken die de ODMH uitvoert, geldt de provinciale VTH-nota. De voorliggende nota sluit aan op die provinciale VTH-nota. Uitgangspunten van deze nota zijn: Deze nota is gebaseerd op de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-1-2023. Omdat de wet nieuw is zal een aantal processen gedurende de looptijd van deze nota nog verder geoptimaliseerd gaan worden. Ook de verdergaande ontwikkelingen op gebied van energiebesparing en duurzaamheid kunnen invloed gaan hebben op onze werkzaamheden. Wanneer dat nodig is worden wijzigingen voorgelegd via het besluitvormingstraject. Voldoen aan de kwaliteitseisen ingevolge de Verordening Uitvoering en Handhaving Omgevingsrecht. De ODMH voert de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving onafhankelijk uit. De ODMH heeft daarvoor het mandaat. Naleving van wet- en regelgeving is primair de verantwoordelijkheid van bedrijven, burgers en instellingen; Voor het toepassen van sancties wordt de bestuurlijk vastgestelde Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) gevolgd; De voorliggende nota is een voortzetting van het VTH-huidige beleid; Vergunningen en maatwerk zijn actueel, van goede kwaliteit en worden op grond van een zorgvuldige en transparante afweging van belangen tijdig verleend of afgewezen; Toezicht wordt risicogericht en informatiegestuurd uitgevoerd; Dit betekent dat toezichthouders daarheen gaan waar het risico op en de gevolgen van niet-naleving het grootst is. Daarbij wordt gebruik gemaakt van verschillende toezichts- en analyse-instrumenten, bijvoorbeeld het gevalideerde risicomodel. Lokale prioriteiten worden meegewogen in de prioriteitsbepaling; Handhaving geschiedt op een open, eenduidige en voortvarende wijze, waarbij het doel is om middels een afgestemde, passende interventie een blijvende gedragsverandering bij de overtreder te bewerkstelligen; De ODMH investeert continu in de kennis en kunde van de medewerkers en zoekt waar en wanneer nodig de samenwerking met lokale, regionale en landelijke partners. De ODMH legt alle, voor de risicoanalyse en verantwoording benodigde, data vast in het registratiesysteem; De communicatie naar opdrachtgevers, bedrijven en inwoners is duidelijk, begrijpelijk en eenduidig. De ODMH sluit in zijn dienstverlening aan bij de maatschappelijke beweging naar een participatieve en laagdrempelige overheid; Bij het vastleggen van gegevens en bij het delen van informatie is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) leidend. Wat verandert er? In de periode 2023-2026 wil de ODMH een aantal zaken op gebied van VTH verbeteren/ aanpassen. In hoofdlijnen gaat het daarbij om: Toezicht en handhaving Adequaat niveau blijft uitgangspunt; wel aandacht voor gedragsbeïnvloeding en vernieuwende vormen van toezicht; Aansluiten bij technische innovaties op gebied van toezicht en handhaving; Naast het bestuurlijke handhavingstraject zal vaker ook het strafrecht ingezet worden om naleving van de regels te bereiken; Het opstellen van toezichtsplannen voor de 20 belangrijkste categorie 4 en 5 bedrijven in 2023 en 2024, later mogelijk uitbouw naar andere bedrijven; Bij de rapportages willen we steeds vaker ook de outcome/ resultaten van onze inspanningen meenemen; Data worden steeds belangrijker, we willen relevante VTH-data goed vastleggen zodat we steeds gerichter en dus efficiënter en effectiever kunnen werken; Overtredingen staan soms met elkaar in verband. Het is belangrijk om oog te houden voor de hele keten; het ketentoezicht. Belangrijke thema’s daarbij zijn milieucriminaliteit, ondermijning, IGH, administratief toezicht. We willen dit de komende jaren verder uitbouwen: We zetten de lijst van inrichtingen om naar Milieu Belastende activiteiten. De komende jaren wordt duidelijk wat de gevolgen daarvan zijn. Vergunningverlening Onder invloed van de wijziging onder de Omgevingswet is er voor bedrijven een Informatie- of meldingsplicht. Hierbij is afstemming nodig tussen VV en TH. Dat wordt komende periode verder uitgewerkt. Participatie wordt een belangrijk onderdeel van het vergunningverleningstraject. In de planperiode richten we ons erop dat traject op juiste wijze te kunnen begeleiden. Het streven is in de planperiode de, voor provinciale bedrijven in ontwikkeling zijnde, Altijd Actuele Digitale Vergunning (AADV) ook toe te passen voor gemeentelijke inrichtingen. De leveringstermijnen (in- en extern) in verband met de vergunningverlening gaan wijzigen. Onze processen moeten daaraan worden aangepast. We willen in de vergunningen uitgaan van strenge normering; bijvoorbeeld conform het doel uit het Schone Lucht Akkoord gericht op het behalen van gezondheidswinst. We gaan aanvragers van een omgevingsvergunning eerder informeren over de (on-)volledigheid van een aanvraag. Algemeen Verdere uitbouw van het ingezette traject klantgericht werken. De schriftelijke en verbale communicatie met inwoners, bedrijven en gemeenten wordt in lijn gebracht met onze ambitie om de dienstverlening te optimaliseren; de afstand wordt, waar dat mogelijk is, verkleind. Dit sluit ook aan bij het gedachtengoed van de Omgevingswet. Een voorbeeld hiervan is het vereenvoudigen van de procedure om BWT-klachten in te sturen voor burgers en bedrijven. Actueel in deze periode is het verkrijgen en behouden van voldoende gekwalificeerd personeel. De ODMH acteert in de werving van nieuw personeel zowel zelfstandig als in samenwerking met andere omgevingsdiensten, Alle in deze nota voorgestelde acties voor de tijdsspanne van de nota zijn samengevat in bijlage 1 van de nota. Gevolgen De ODMH communiceert laagdrempelig en transparant naar gemeenten, bedrijven en inwoners. Controles vinden, in principe onaangekondigd, plaats op basis van actueel risico voor de leefomgeving. Lokale prioriteiten wegen daarbij mee. De ODMH voert de vergunningverlening, toezicht en handhaving uit op adequaat niveau, dat wil zeggen dat de inzet voor de VTH-taken zodanig efficient en effectief is ingericht, dat het risico op overlast, onveilige situaties of calamiteit voor de leefomgeving wordt geminimaliseerd. Planning De beschreven veranderingen vinden plaats gedurende de komende 4 jaar. De acties uit deze nota worden verder uitgewerkt in een uitvoeringsplan. Waar nodig wordt geëxperimenteerd of worden pilots uitgevoerd. Jaarlijks wordt de voortgang beschreven in de 12-maandsrapportage naar de gemeenten. Als de planning in gevaar komt stuurt de ODMH die bij om de, in de nota genoemde, doelen te behalen. Financiële gevolgen De voor de uitvoering van deze nota benodigde middelen zijn gereserveerd in de Programma-begroting ODMH 2023-2026. 1.Inleiding / leeswijzer Voor u ligt de ‘nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH’ voor de periode 2023-2026 (VTH-nota). Deze nota wordt van kracht aan het begin van een nieuw tijdperk; de pijlers van onze inzet worden anders; Wet milieubeheer wordt Omgevingswet en bij de bouw wordt, naast de Omgevingswet, ook de Wet kwaliteitsborging voor de bouw van kracht per 1 januari 2023. Daarnaast liggen er belangrijke uitdagingen ten gevolge van de landelijke evaluatie van het stelsel van vergunning- verlening, toezicht en handhaving voor de leefomgeving. We gaan dus aan de slag met een nieuwe wet: de Omgevingswet. En met een nieuwe benadering: ‘ja, mits’ in plaats van ‘nee, tenzij’. Omdat de Omgevingswet voor iedereen een nieuwe wet is, moeten de gevolgen van de invoering van de Omgevingswet zich de komende jaren nog uitkristalliseren. Wel is duidelijk dat de ODMH bij vergunningverlening meer opschuift naar de voorkant van het proces. Het uitgangspunt is het bieden van ruimte aan initiatieven binnen de wettelijke context. In de uitvoering van het toezicht zijn ook veranderingen merkbaar. Het begrip “inrichting” verdwijnt voor de niet-complexe bedrijven. Het toezicht richt zich meer op activiteiten. Het toezicht wordt risicogerichter en stelt nalevingsbevordering meer centraal. Dat geldt voor zowel milieu als voor bouw. In de uitvoering van de bouwtaken wordt ook nog het private toezicht geïntroduceerd als gevolg van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Kortom: veel ontwikkelingen waar we, samen met de gemeenten, mee aan de slag gaan. Rapport “Om de leefomgeving” In 2021 verscheen het rapport “Om de leefomgeving” van de commissie Van Aartsen over de kwaliteit van het toezicht. Een goed functionerend stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) is essentieel voor het voorkomen van schade aan het milieu. Het huidige VTH-stelsel is enkele jaren in werking en inmiddels is duidelijk wat wel en wat niet werkt. In het rapport is een aantal aanbevelingen gedaan. Drie van deze aanbevelingen werken door in de nieuwe VTH-nota: Meer prioriteit, capaciteit en inzet voor strafrechtelijke handhaving en vervolging. Verplichting tot informatie-uitwisseling en investeren in kennisontwikkeling en kennisdeling Eén uitvoerings- en handhavingsbeleid en één uitvoeringsprogramma op basis van één risicoanalyse per regio. Status Uit het Omgevingsbesluit volgt dat de bestuursorganen die deelnemen in een Omgevingsdienst, binnen het algemeen bestuur gezamenlijk zorgdragen voor een uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid. Via de voorliggende VTH-nota geven we daar gezamenlijk vorm aan. Na behandeling van de nota in het algemeen bestuur van de ODMH stellen de deelnemende colleges de nota vast en maken deze bekend in het gemeenteblad. In de VTH-nota zijn de prioriteiten, doelstellingen en werkwijzen opgenomen met betrekking tot vergunningverlening, toezicht, handhaving en samenwerking voor wat betreft de gemeentelijke bouw- en milieutaken. Met de vaststelling van deze nota behouden de deelnemende colleges hun bestuurlijke afwegingsruimte. Zo blijft er, naast de gemeenschappelijk overeengekomen prioriteiten, (jaarlijks) bijstelling mogelijk naar lokale (politieke) inzichten en voorkeuren. Jaarprogramma’s Op basis van de gezamenlijke prioriteiten en doelstellingen én de lokale prioriteiten wordt jaarlijks met elke deelnemer afzonderlijk een uitvoeringsprogramma samengesteld (artikel 13.8 Omgevingsbesluit). In dit uitvoeringsprogramma (jaarprogramma) worden de toezichtprioriteiten concreter uitgewerkt. Dit gebeurt enerzijds aan de hand van de prioriteiten en van de lijnen die in deze nota zijn geformuleerd en anderzijds aan de hand van lokale, regionale, provinciale, landelijke en bestuurlijke thema’s. De uitvoeringsprogramma’s (jaarprogramma’
- s)spelen daarmee een grote rol in de beleidscyclus. Jaarrapportages Na afloop van het jaar wordt in jaarrapportages verantwoord of de doelstellingen zijn gehaald en of de gestelde doelen eventueel aanpassing of aanscherping behoeven (artikel 13.11 Omgevingsbesluit). Meerdere keren per jaar wordt de voortgang gemonitord en wordt gerapporteerd aan de deelnemers Ook wordt de voortgang regelmatig met de deelnemers besproken. In de rapportages wordt onder andere vermeld of de afgesproken taken zijn uitgevoerd (cijfermatig). Daarnaast wordt toelichtingen over thema’s en gestelde doelen opgenomen. Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht Naast de VTH-nota stellen de gemeenten (raden) een Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht vast. Deze verordening stelt eisen aan de kwaliteit waaraan de uitvoering van de taken op het gebied van het omgevingsrecht moet voldoen. Die eisen betreffen onder meer ervaring en opleidingsniveau van het personeel. De ODMH zorgt er voor dat aan die kwaliteitseisen wordt voldaan voor de taken die bij de ODMH zijn ondergebracht. Daarover wordt ook in de hierboven genoemde jaarrapportages verslag gedaan. Uitvoeringsorganisatie (formatie) Voor het uitvoeren van de werkzaamheden heeft de ODMH een formatie van circa 200 fte. De formatie bestaat voor een groot deel uit toezichthouders, handhavers en vergunningverleners. Zij houden zich bezig met de VTH-taken waar deze nota over gaat. De ODMH heeft daarnaast milieu- en bouwjuristen in dienst. Zij toetsen de kwaliteit van de brieven en besluiten van de toezichthouders en vergunningverleners of stellen die zonodig op. De juristen adviseren hen over ontwikkelingen in wetgeving en jurisprudentie en behandelen bezwaar- en beroepzaken over VTH-aangelegenheden. Daarnaast bestaat de formatie uit specialistische adviseurs. Zij adviseren de toezichthouders en vergunningverleners en gemeenten over de aspecten bodem, archeologie, geluid, lucht, externe veiligheid, ruimtelijke ordening en duurzaamheid. De details over de formatie zijn vastgelegd in de financiële stukken van de ODMH. De ODMH zorgt ervoor dat de functies vergunningverlener en toezichthouder zijn gescheiden. Dit is verplicht op grond van artikel 13.9 van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat een vergunningverlener niet tevens ten aanzien van dezelfde activiteit als waarvoor hij een vergunning heeft opgesteld, toezicht houdt. En ook andersom: een toezichthouder is niet betrokken bij het schrijven van een vergunning voor een activiteit waarop hij toezicht houdt. De ODMH zorgt er tevens voor dat de medewerkers voldoende worden opgeleid en ervaring opdoen door samenwerking en uitwisseling van kennis, om zo te kunnen voldoen aan de kwaliteitseisen die in de gemeentelijke verordeningen vastgelegd. Bij de werving en selectie van nieuwe medewerkers wordt steeds meer samengewerkt met andere omgevingsdiensten, zowel in Zuid-Holland als landelijk. Borging benodigde financiële middelen Voor het uitvoeren van de werkzaamheden door de ODMH en het inzetten van voldoende gekwalificeerde medewerkers zijn uiteraard financiële middelen nodig van de deelnemers. De omvang van de benodigde financiële middelen wordt jaarlijks per deelnemer afgesproken. De gezamenlijke doelen uit de nota VTH, landelijke en lokale ontwikkelingen en de Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht vormen daarvoor de basis. De benodigde formatie wordt afgestemd op de uit te voeren taken. De borging daarvoor wordt opgenomen in de begroting (artikel 13.10 Omgevingsbesluit). Geldigheid De nota is geldig van 2023 tot en met 2026 voor de milieubelastende activiteiten die onder de bevoegdheid van de gemeente vallen en voor de taken op het gebied van bouw- en woningtoezicht, voor zover deze aan de ODMH zijn gemandateerd. Voor de provinciale taken die de ODMH uitvoert, geldt de provinciale VTH-nota. De voorliggende nota sluit aan op die provinciale VTH-nota. De regio kent 2 zogenaamde Brzo- (Besluit risico zware ongevallen)/ RIE4-bedrijven. Voor deze bedrijven zijn Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning (milieu én bouw). Deze taak is ondergebracht bij de DCMR. De ODMH is als adviseur met betrekking tot de BRIKS-taken (bouw, reclame, inritten, kappen en slopen) wel betrokken bij deze bedrijven. Voor de, onafhankelijke, uitvoering van de taken verlenen de colleges mandaat aan de ODMH. Totstandkoming nota (proces) Deze nota is tot stand gekomen in samenwerking met de aangesloten gemeenten en het bedrijfsleven. Deze laatste groep is gehoord tijdens een bijeenkomst voor bedrijvenverenigingen op 30 november 2021. Het verslag van deze bijeenkomst is te vinden in bijlage 3. Uit dit overleg zijn de volgende punten verwerkt in deze nota: Betere en snellere communicatie over volledigheid van een vergunningaanvraag,; Duidelijkheid over adviesrol ODMH bij vergunningverlening, toezicht en handhaving; Onderzoeken mogelijkheden van een loket voor particulieren en bedrijven met vragen over VTH-proces; Sneller een vergunning verlenen: dit is in belang van de ondernemer. Het concept van deze nota is voor commentaar toegestuurd aan diverse ketenpartners binnen de veiligheidsregio Hollands-Midden, zoals de politie, de GHOR, de hoogheemraadschappen en de brandweer voor commentaar. Maar ook aan een aantal bedrijven(-verenigingen). Hun opmerkingen zijn verwerkt in de nota. Doelstelling (strategisch beleidskader) De ODMH wil de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving op een effectieve, efficiënte en innovatieve wijze uitvoeren met als resultaat een betere (beleving van
- de)kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De uitvoering van de VTH-taken is altijd op adequaat niveau. Deze VTH nota geeft weer hoe wij praktisch uitvoering geven aan onze visie: bijdragen aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving en heeft als hoofddoelen: het bevorderen van de naleving van de geldende regels over de leefomgeving in het algemeen (het omgevingsrecht) en het bereiken van effect ten aanzien van de door onze opdrachtgevers gestelde speerpunten of doelen. Naast het op de juiste wijze omgaan met alle uitdagingen en veranderingen die op ons afkomen door de inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging en de Omgevingswet wil de ODMH in de komende periode een systematiek ontwikkelen om nog meer risicogericht te gaan werken. Dat wil zeggen dat de analyse van in- en extern verkregen informatie meer bepalend wordt voor de planning van de uit te voeren controles en af te geven vergunningen. Dit geldt voor vergunningen en meldingen voor milieubelastende activiteiten en voor bouwactiviteiten waarbij het toezicht op de technische bouwaspecten wordt uitgevoerd door een externe kwaliteitsborger. Daarnaast wil de ODMH de communicatie met gemeenten, bedrijven en inwoners intensiveren. Hoe deze doelen bereikt kunnen worden, wordt uitgewerkt in deze nota. Jaarlijks wordt in de 12-maandsrapportages naar de opdrachtgevers gerapporteerd wat al bereikt is wat betreft de in deze nota opgenomen acties en of de doelstellingen nog haalbaar zijn. De ODMH monitort de voortgang door regelmatig de stand van zaken van de uit te voeren acties te bespreken. Gebiedsbeschrijving Het werkgebied van de ODMH omvat de gemeenten van de regio Midden-Holland, aangevuld met Alphen aan den Rijn. Daarnaast worden ook taken uitgevoerd voor de PZH in het hele provincie Zuid-Holland. In het gebied wonen ongeveer 350.000 inwoners en zijn ongeveer 12.000 bedrijven gevestigd. Het werkgebied wordt gekenmerkt door een combinatie van industriële en agrarische bedrijvigheid en wonen en recreatie. Dit wordt mede veroorzaakt doordat het gebied wordt doorkruist door enkele drukke spoor- en snelwegen. In het hart van de regio ligt het knooppunt Gouwe dat de autosnelwegen A12 en A20 met elkaar verbindt. Ongeveer op dezelfde wijze vormt de regio ook een spoorwegknooppunt. In Gouda komen de railverbindingen naar Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Leiden bijeen. Wat betreft het vervoer over het water wordt de zuidgrens van de regio gevormd door de rivier de Lek. De Hollandse IJssel is de waterweg die Gouda met Rotterdam verbindt. Elk dorp of stad heeft zijn eigen kenmerken en problematieken die mede bepalend zijn voor de gewenste inzet vanuit de ODMH op gebied van VTH. Dit wordt nader uitgewerkt in de jaarprogramma’s. Zo heeft Gouda veel monumenten en een levendige horeca, Alphen aan den Rijn veel industrie en transportbedrijven en wordt de Krimpenerwaard vooral gekenmerkt door agrarische bedrijvigheid. In Zuidplas is er veel glastuinbouw, in Waddinxveen zijn veel logistieke bedrijven, terwijl er in Bodegraven-Reeuwijk veel agrarische bedrijven en een flink industrieterrein zijn en een groot recreatie-gebied, namelijk de Reeuwijkse Plassen. Leeswijzer Na de inleiding in hoofdstuk 1 komen per hoofdstuk de volgende onderwerpen aan de orde: hoofdstuk 2; terugblik op de periode 2019-2022 met de daaruit getrokken lessen voor de komende periode. hoofdstukken 3 tot en met 5; Beschrijving van de vergunningverlening. Daarbij wordt eerst beschreven waar er overeenkomsten zijn in de aanpak en vervolgens wordt beschreven waar milieu en waar bouw een andere lijn volgt. Hoofdstukken 6 tot en met 9; Toezicht en handhaving. hoofdstuk 10; bespreking van de overige inhoudelijke thema’s. hoofdstuk 11; gaat over de samenwerking binnen en buiten de ODMH hoofdstuk 12; beschrijft de borging van de kwaliteit hoofdstuk 13; bespreekt de inzet van communicatie en voorlichting. 2.Evaluatie periode 2019-2022 In dit hoofdstuk blikken we terug op de periode 2019-2022. In deze periode waren er nog VTH-nota’s voor zowel de gemeentelijke milieu-, als voor BWT-taken. De verschillende nota’s zijn apart geëvalueerd. Het gaat er daarbij om wat is bereikt als het gaat om de actiepunten in de vorige VTH-nota’s en wat daarvan geleerd kan worden voor de komende periode. Omwille van de leesbaarheid zijn de volledige evaluaties opgenomen in bijlage 2. 2.1.Conclusies De VTH-nota is wettelijk verplicht en een vast onderdeel van de beleidscyclus en heeft zijn nut in de praktijk ruimschoots bewezen. Niet alleen is geregeld dat gelijke zaken op gelijke manier worden behandeld, ook zijn emissies naar de bodem en lucht voorkomen of verminderd door gericht toezicht op deze aspecten bij de relevante branches. Ook in de bouw worden zo gevaarlijke situaties voorkomen. Wat betreft de voorgenomen acties uit de diverse nota’s 2019-2022 kan worden gesteld dat deze zijn opgepakt en dat bij de meeste actiepunten de doelstelling is gehaald (zie bijlage 2). De onderdelen die terugkomen in deze nieuwe nota: Klantgericht werken; altijd een punt van aandacht Datagedreven werken; wordt steeds belangrijker, dus weer opgenomen Mediation/ bemiddeling; niet helemaal afgerond in de vorige periode Samenwerking handhavingspartners; willen we extra aandacht aan besteden de komende periode LHSO (nog niet afgerond ivm de overgang naar een nieuw registratiesysteem; RX-mission) Arbeidsmarkt; vraagt extra aandacht de komende tijd. Asbest: blijft altijd een punt van aandacht en de uitvoerende taak wordt onder de Omgevingswet uitgebreid Onderzoeken welke rol BWT kan vervullen op gebied van duurzaamheid, DeelI Vergunningen Dit deel van de nota gaat over vergunningverlening. De Omgevingswet brengt bepaalde wijzigingen met zich mee. Door deze wijzigingen worden het milieurecht en het bouwrecht meer op dezelfde wijze ingericht, wat bijdraagt aan een gelijke werkwijze. Maar inhoudelijke verschillen blijven er ook. Hoofdstuk 3 gaat in op de aspecten die bij vergunningen voor zowel de milieutaken als de bouwtaken gelden. In de hoofstukken 4 en 5 komen de verschillen en meer inhoudelijke onderdelen aan de orde. De wijzigingen die de Omgevingswet meebrengt op het gebied van vergunningverlening zijn: de introductie van participatie en de Omgevingstafel; de knip in de vergunningprocedure voor bouwzaken; de reguliere procedure wordt uitgangspunt; de vergunning van rechtswege vervalt;. soms is instemming nodig van een ander bestuursorgaan voordat een vergunning kan worden verleend (de vergunning met instemming). Dit komt in plaats van de verklaring van geen bedenkingen; de introductie van de binnenplanse en buitenplanse omgevingsplanactiviteit; de introductie van de milieubelastende activiteit. Dit vervangt het inrichtingenbegrip. naast de meldingsplicht komt een informatieplicht voor zowel milieubelastende als voor bouwactiviteiten; de introductie van maatregels en maatwerkvoorschriften in het bouwrecht. Deze onderwerpen worden in dit deel van de nota behandeld. Ook wordt in dit deel ingegaan op de zogenoemde “bruidsschat” en welke gevolgen die bruidsschat heeft voor de milieu- en bouwtaken. Op pagina 29 vindt u een samenvatting van de hoofdstukken 3, 4 en 5, geformuleerd in uitgangspunten. Dit is geen limitatieve opsomming. 3.VERGUNNINGVERLENING MILIEU EN BOUWEN 3.1.Vergunningverlening De ruimte in het Groene Hart is beperkt en kent vele gebruikers. Het verlenen van vergunningen biedt ruimte aan ontwikkelingen. Inwoners hebben behoefte aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving om te wonen, te werken en te recreëren. Het zijn ook de inwoners die steeds kritischer worden in het volgen van bestaande en nieuwe bedrijfsactiviteiten, en bij (nieuw)bouwactiviteiten in de directe omgeving. Wanneer de ODMH in een vroeg stadium bij nieuwe initiatieven wordt betrokken, kan in de ontwikkelfase al duidelijk worden wat de mogelijkheden en knelpunten zijn, en welke voorwaarden er gelden voor de ontwikkelingen. Onder de Omgevingswet is het uitgangspunt om ontwikkelingen mogelijk te maken, waarbij het soms nodig kan zijn om initiatieven aan te passen zodat vergunningverlening mogelijk is binnen de wetgeving en beleidskaders. Het initiatief om de ODMH in de voorfase te betrekken bij ontwikkelingen ligt bij de aanvrager of (project)ontwikkelaar. Het initiatief om andere betrokken partijen (gemeente, waterschappen, GGD en veiligheidregio) te informeren ligt bij de ODMH. Het verzorgen van participatie met de omgeving is aan de initiatiefnemer. De ODMH zal zorgen voor de juiste inbreng indien de aanvrager een participatietraject opstart. Dit kan bijvoorbeeld door deelname aan een Omgevingstafel. 3.2.Participatie In de Omgevingswet staat dat een aanvrager van een omgevingsvergunning aan moet geven of er sprake is geweest van participatie. Dat wil zeggen dat de omgeving betrokken is geweest bij de planvorming van het project. De ODMH zal aanvragers stimuleren om de omgeving te betrekken. Die omgeving kan bestaan uit omwonenden, maar ook andere burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen. Door omwonenden en anderen vroegtijdig te informeren en betrekken bij initiatieven, zijn bezwaarprocedures wellicht te voorkomen. Participatie is voor aanvragers niet altijd verplicht. De gemeenteraad kan in het Omgevingsplan vastleggen in welke gevallen participatie wel verplicht is. Dit kan bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. De ODMH zal aanvragen die worden ingediend zonder dat sprake is geweest van participatie dus niet zomaar buiten behandeling kunnen stellen of de gevraagde vergunning weigeren. Wanneer een gemeente een participatiekader of -leidraad heeft vastgesteld, dan sluiten wij daarbij aan. 3.3.Omgevingstafel/intaketafel (vooroverleg) Bij vergunningaanvragen waar meerdere overheden regels voor stellen, wordt er één bevoegd gezag aangewezen als coördinator van het afhandelingsproces. Meestal is dat het college van burgemeester en wethouders. De vergunningenprocedure is voor veel activiteiten korter dan onder de Wabo. Het uitgangspunt is dat de reguliere procedure wordt gevolgd. Om de vergunningverlening voorspoedig te laten verlopen is het afstemmen vooraf en het hebben van vooroverleg belangrijk. Voor initiatiefnemers is het belangrijk om op snelle maar zorgvuldige wijze duidelijkheid te hebben over de haalbaarheid van een voorgenomen activiteit. Hiervoor worden zogeheten omgevingstafels en intaketafels georganiseerd. De ODMH neemt daar aan deel, samen met de initiatiefnemer en andere betrokken of belanghebbende partijen. Eventuele afspraken die in deze overlegvormen worden gemaakt worden, kunnen daarna in de vergunning worden verwerkt. 3.4.Vergunningprocedure Het proces van vergunningverlening verloopt volgens de wettelijke bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht en de Omgevingswet. De reguliere procedure is het uitgangspunt in de Omgevingswet. Dit geldt ook voor situaties waarbij de gemeenteraad adviesrecht heeft voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De beslistermijn voor de reguliere procedure is 8 weken, of 12 weken indien instemming van een ander extern bestuursorgaan vereist is. Daarnaast kan de beslistermijn met zes weken worden verlengd. Dit doen we alleen indien dat vanwege de complexiteit of omvang nodig is. Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk. De vergunning van rechtswege komt te vervallen. Indien er na 8 weken nog geen besluit is genomen, is geen sprake meer van een vergunning van rechtswege. Bij het opstellen van de vergunning hanteren wij voor zowel bouwen als milieu de volgende uitgangspunten: de aanvrager krijgt zo snel mogelijk duidelijkheid over de volledigheid van de aanvraag (wettelijke) adviseurs worden proactief betrokken bij aanvragen voor vergunningen; vergunningen moeten voldoen aan de eisen van de wet- en regelgeving; vergunningvoorschriften zijn helder, transparant en handhaafbaar. 3.4.1.Vergunning met advies of instemming De Omgevingswet schrijft voor dat het bevoegd gezag in bepaalde gevallen advies moet vragen voor het een vergunning of een maatwerkvoorschrift verleent. Soms is er ook instemming van dat adviesorgaan nodig voor het nemen van een besluit. De wet beschrijft ook de procedures en termijnen. Wanneer voor een besluit instemming nodig is van een ander bestuursorgaan wordt dat andere bestuursorgaan eerst om advies gevraagd. Dit advies wordt verwerkt in een conceptbesluit. Het andere bestuursorgaan geeft vervolgens aan of er wordt ingestemd met het conceptbesluit. Omdat er meer tijd nodig is voor het opvragen en verwerken van het advies, en het vervolgens voor instemming voorleggen van het besluit, geldt voor deze procedures een langere termijn, namelijk 12 weken. De beslistermijn kan daarnaast nog eenmalig worden verlengd met zes weken tot in totaal 18 weken. De langere beslistermijn geldt alleen wanneer instemming vereist is, niet wanneer een andere mag adviseren. De regels over advies en instemming gelden ook bij het wijzigen of intrekken van vergunningen. De verklaring van geen bedenkingen (vvgb), zoals we onder de Wabo kenden, bestaat onder de Omgevingswet niet meer. 3.4.2.Uitgebreide procedure In een beperkt aantal situaties wordt een aanvraag afgehandeld via de uitgebreide procedure. Dit kan het geval zijn bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 16.65, lid 4, Omgevingswet). Ook bij een milieubelastende activiteit die bestaat uit een IPPC-installatie of een Seveso-inrichting), een milieubelastende activiteit die bestaat uit een installatie voor het vergassen en vloeibaar maken van een brandstof of een winningsafvalvoorziening en Natura 2000-activiteiten kan de uitgebreide procedure van toepassing zijn (16.65, lid 1a Omgevingswet, 10.24 Omgevingsbesluit). De uitgebreide procedure wordt ook toegepast als de aanvrager heeft verzocht om of ingestemd met het toepassen van de uitgebreide procedure (artikel 16.65, lid 1, onder a, Omgevingswet). Het bevoegd gezag heeft dan zes maanden de tijd om een besluit te nemen. Eerst stelt het bevoegd gezag een ontwerpbesluit op. Hierop kunnen omwonenden of andere belanghebbenden zienswijzen inbrengen. Nadat het besluit is genomen, is beroep bij de rechtbank mogelijk. Bij een uitgebreide procedure worden indieners van zienswijze waar nodig benaderd om duidelijkheid te krijgen over de aard van de zienswijze. 3.5.Meldingen en Informatieplichten Niet alle bouw-, sloop- of milieubelastende activiteiten zijn vergunningplichtig. Voor een groot aantal activiteiten gelden algemene regels en kan volstaan worden met een melding, of is zelfs het aanleveren van gegevens via de Informatieplicht voldoende. De gegevens die aangeleverd moeten worden bij een melding of bij een informatieplicht zijn vaak hetzelfde. Het gaat dan om de aanduiding van de activiteit, de naam en het adres van degene die de activiteit verricht, het adres waarop de activiteit wordt uitgevoerd en de start- en einddatum. Ook wordt bij beide procedures een termijn van vier weken vóór de start van de activiteit gehanteerd voor het indienen van de gegevens. Maar er is een belangrijk verschil tussen de melding en de informatieplicht. Bij de meldingsplicht is het verboden om de activiteit of bepaalde onderdelen daarvan te starten zonder de melding te doen. De reden daarvoor is dat het bevoegd gezag ruim op tijd voor de start op de hoogte is van de gemelde activiteit en bijvoorbeeld maatwerkvoorschriften op kan stellen of toezichtacties kan plannen. Bij een informatieplicht geldt dit niet. In het bouwrecht wordt een nieuwe meldingsplicht geïntroduceerd. Door de ‘Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)’ verschuift het bouwtoezicht in belangrijke mate naar gecertificeerde private partijen. Om ervoor te zorgen dat het bevoegd gezag zijn controlerende taak kan blijven vervullen, is een meldingsplicht geïntroduceerd. In het kader van die melding overleggen de private partijen de vereiste documenten aan het bevoegd gezag. Ook voor enkele bodemactiviteiten is de meldingsplicht nieuw. Het gaat dan bijvoorbeeld om saneringen van bodemverontreiniging. Daarvoor moet onder de Omgevingswet een melding bij burgemeester en wethouders worden ingediend, in plaats van het aanvragen van een beschikking Wet bodembescherming bij Gedeputeerde Staten zoals voorheen. 3.6.Maatwerk 3.6.1.Maatwerkregels in het Omgevingsplan In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn onderwerpen opgenomen waarvoor maatwerkregels opgesteld kunnen worden. Maatwerkregels van de gemeente worden opgenomen in het Omgevingsplan en gelden voor een gebied of voor een categorie van gevallen. Maatwerkregels moeten voldoen aan de uitgangspunten van de Omgevingswet. Zo is het aanscherpen van de eisen voor de energieprestatie voor gebouwen wel toegestaan, maar het wijzigen van meet- of rekenmethoden voor het bepalen van de energieprestatie niet. Gemeenten kunnen met een maatwerkregel een vergunningplicht opnemen in het Omgevingsplan, bijvoorbeeld voor een milieubelastende activiteit die niet is geregeld in het Bal. Ook ten aanzien van welstand (regels over ruimtelijke kwaliteit) kunnen regels worden opgenomen in het Omgevingsplan. De gemeente kan kiezen voor een generieke open norm, zoals de regel dat een bouwwerk moet voldoen aan redelijke eisen van welstand. In beleidsregels legt elke gemeente vervolgens vast hoe in die specifieke gemeente wordt beoordeeld of het uiterlijk van een bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand. In dat geval moet een vergunning omgevingsplanactiviteit (OPA) worden aangevraagd. Op maatwerkregels kan worden gehandhaafd. 3.6.2.Maatwerkvoorschriften Voor individuele gevallen kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften vaststellen. Het gaat dan om uitzonderlijke situaties waarin de algemene regels in het Bal of het Bbl niet redelijk gevonden worden, niet praktisch uitvoerbaar zijn, of aangescherpt moeten worden. Denk hierbij aan een bedrijf dat koelwater wil lozen terwijl er geen aansluiting op het vuilwaterriool voorhanden is, of aan een horecabedrijf dat niet of nauwelijks vethoudend afvalwater loost maar toch een vetafscheider zou moeten hebben. Of een maatwerkvoorschrift over een brandweeringang of energiebesparende maatregelen. Maatwerkvoorschriften worden vastgesteld via een apart maatwerkbesluit. Het is een beschikking waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Een maatwerkbesluit kan ambtshalve, maar ook op verzoek worden vastgesteld. Bij het opstellen van maatwerkvoorschriften worden in ieder geval de algemene uitgangspunten van de Omgevingswet, zoals het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid, in acht genomen. Er zal bijvoorbeeld voldaan moeten worden aan de Beste Beschikbare Technieken (BBT). Ook zijn de beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit van toepassing. De mogelijkheden tot maatwerk in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) zijn duidelijk afgebakend. Een deel van de maatwerkmogelijkheden bestaat ook in de huidige bouwregelgeving. 3.7.Gelijkwaardigheid Als er in de algemene regels maatregelen worden voorgeschreven, kan daar bijna altijd een ‘gelijkwaardige maatregel' voor in de plaats getroffen worden. Het kan dan gaan om een echte maatregel of voorziening, maar ook om een andere werkwijze. Het komt voor bij milieubelastende activiteiten, maar voornamelijk bij bouwprojecten. Bij bouwprojecten kan het gaan om bouwtechnische, organisatorische of gebruikstechnische oplossingen. De gelijkwaardige maatregel moet wel minimaal hetzelfde resultaat bereiken als de voorgeschreven maatregel. Het bevoegd gezag mag bij zijn afweging ook rekening houden met de betrouwbaarheid van een maatregel. En de gelijkwaardige maatregel mag niet in strijd zijn met andere wet- en regelgeving en ook geen verslechtering op andere milieugebieden tot gevolg hebben . Als iemand een gelijkwaardige maatregel wil toepassen, wordt er voorafgaand aan de activiteit toestemming gevraagd aan het bevoegd gezag. De bewijslast van het aantonen van de gelijkwaardigheid ligt bij degene die de activiteit verricht. Het bevoegd gezag neemt dan een besluit waartegen bezwaar en beroep open staan. Soms is een gelijkwaardige maatregel toegestaan zonder voorafgaande toestemming. Dat staat dan bijvoorbeeld in hoofdstuk 4 van het Bal bij die algemene regel vermeld. Er geldt dan vaak wel een meldingsplicht. Gelijkwaardige maatregelen zijn nooit toegestaan als het om asbest gaat. 3.8.Bruidsschat Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat onderwerpen zoveel mogelijk decentraal worden geregeld. Daarom zal een aantal landelijke regels komen te vervallen als de Omgevingswet in werking treedt. Niet alle gemeenten zullen op tijd alle lokale onderwerpen in het Omgevingsplan verwerkt hebben. Om die reden heeft het Rijk de Bruidsschat opgesteld. De Bruidsschat bevat rijksregels die komen te vervallen maar die tijdelijk van rechtswege blijven bestaan, als onderdeel van het Omgevingsplan-van-rechtswege (bestemmingsplan + bruidsschatregels) om een juridisch vacuüm te voorkomen. Gemeenten moeten vervolgens zelf een besluit nemen over het wel of niet behouden of aanpassen van de regels bij het opstellen van het nieuwe Omgevingsplan . Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet vielen alle bedrijven geheel of gedeeltelijk onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Een deel van deze regels wordt met de komst van de Omgevingswet lokaal ingevuld, door ze op te nemen in de Omgevingsplannen. Een deel van de algemene regels komt niet dus terug in de Omgevingswet, maar kan opgenomen worden in de Omgevingsplannen. Hetzelfde geldt voor regels uit het Bouwbesluit 2012 en het Besluit omgevingsrecht. Ook uit die besluiten zullen bepaalde regels, onder andere over vergunningvrij bouwen naar de bruidsschat worden verplaatst. Op termijn zal blijken of gemeente deze regels, al dan niet aangepast overnemen in het Omgevingsplan. Ook regels die betrekking hebben op (de vergunningplicht voor) reclame-uitingen, het kappen van bomen, de aanleg van uitwegen en de instandhouding van gemeentelijke monumenten staan in de Bruidsschat en zullen in het Omgevingsplan moeten worden opgenomen als de gemeente daarvoor iets wil regelen. Om te voorkomen dat bij de verschillende opdrachtgevers verschillende normen gelden, streven we naar zoveel mogelijk gelijke bepalingen in de diverse omgevingsplannen. Nu zijn er in het verleden maatwerkvoorschriften voor geluid of bodem vastgesteld, meestal nadat een bedrijf een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer had gedaan. Deze maatwerkvoorschriften wijken af van de geluidnormen in het Activiteitenbesluit en dus ook van de geluidregels in de Bruidsschat. Op grond van het overgangsrecht (in de overgangsperiode dus) gaan maatwerkvoorschriften vóór de regels in de Bruidsschat. De bedrijven kunnen dus hun aangepaste geluidnormen houden totdat gemeenten nieuwe eisen stellen in het Omgevingsplan. 4.INHOUDELIJKE ASPECTEN VERGUNNINGVERLENING MILIEU 4.1.Inleiding Hoofdstuk 4 behandelt de inhoudelijke aspecten en onderwerpen ten aanzien van vergunningen voor milieubelastende activiteiten, zoals het actualiseren en intrekken van milieuvergunningen. Een actueel vergunningenbestand is van groot belang. Dit draagt immers bij aan het waarborgen van een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving. Eerst wordt nog ingegaan op het verschil tussen het begrip inrichting en het nieuwe begrip milieubelastende activiteit. 4.2.Van inrichting naar milieubelastende activiteit In de Omgevingswet wordt voor niet-complexe activiteiten niet langer het begrip inrichting als aangrijpingspunt gehanteerd voor de regulering, maar het begrip milieubelastende activiteit (mba). Dat kan tot gevolg hebben dat activiteiten die nu in elkaars nabijheid worden verricht en in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm) als één geheel (één inrichting) gezien worden, onder de Ow niet meer als één geheel wordt beschouwd. En waar nu alle activiteiten binnen een inrichting onder de vergunningplicht voor het bedrijf vallen (al wordt voor de eisen en voorschriften in een aantal gevallen verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer), geldt dat straks niet meer voor de activiteiten die niet tot een vergunningplichtige mba behoren. Voor deze mba’s zijn eigen (apart) meldingen of informatieplichten van toepassing. Ook kan het zijn dat activiteiten die nu niet onder inrichtingenbegrip vallen, onder de Omgevingswet wel een milieubelastende activiteit zijn. Dat geldt vooral voor activiteiten die we nu als hobbymatig beschouwen. Het onderscheid bedrijfsmatig of hobbymatig wordt onder Omgevingswet niet meer gemaakt. Om de verschillende mba’s binnen een bedrijf toch in onderlinge samenhang te kunnen bekijken kent het zaaksysteem van de Omgevingsdienst, net als het DSO, een omgevingsdossier. Daarin worden alle relevante gegevens van een bedrijf worden opgeslagen. Dit omgevingsdossier is vergelijkbaar met het locatiedossier zoals dat nu al bij de Omgevingsdienst in gebruik is. 4.3.Actualiseringsplicht In de Omgevingswet is een zogeheten actualiseringsplicht opgenomen. Dat wil zeggen dat het bevoegd gezag regelmatig controleert of de milieuvoorschriften van de vergunning nog toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen op milieugebied. Een actueel vergunningenbestand draagt namelijk bij aan veilige, gezonde en duurzame leefomgeving en verbetert het naleefgedrag. Een actuele vergunning is ook beter toetsbaar en handhaafbaar. Als vergunningen niet actueel blijken te zijn, wijzigt het bevoegd gezag de voorschriften. Ten aanzien van de frequentie en de prioriteiten voor het actualiseren van het milieudeel in de omgevingsvergunning hanteren wij de volgende spelregels: De vergunningen worden op actualiteit getoetst indien: Deze verplichting is opgenomen in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld de verplichting die voortvloeit uit (de wijziging van) het Landelijk afvalbeheersplan (LAP3); Er nieuwe BBT-conclusies zijn vast gesteld voor een bepaalde branche (die moeten binnen vier jaar zijn geïmplementeerd in de vergunning, met name van belang voor IPPC-installaties). De Beste Beschikbare Technieken (BBT) zoals opgenomen in de Omgevingswet wijzigen (met name van belang voor IPPC-installaties); Er nieuwe Nederlandse BBT-documenten worden vastgesteld; Handhavings- of incidentbevindingen daar aanleiding toe geven; Regionale aspecten daartoe aanleiding geven (denk aan bodemdaling); Jurisprudentie daartoe aanleiding geeft; De actuele situatie bij het bedrijf aanleiding geeft tot het aanpassen van de vergunning Ook als de regelgeving ongewijzigd blijft, worden de vergunningen voor mba’s met aandachtsgebieden voor externe veiligheid (op grond van het Bkl (instructieregels voor externe veiligheid) en het Bal (algemene rijksregels)), in ieder geval eenmaal per vijf jaar getoetst op actualiteit. Deze bedrijven slaan grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen op die bij calamiteiten en brand grote risico’s kunnen vormen voor de omgeving. Vergunningen van alle andere bedrijven worden tenminste eenmaal per tien jaar getoetst op actualiteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.38 van de Omgevingswet, op grond waarvan het bevoegd gezag regelmatig beziet of de voorschriften van de vergunning nog toereikend zijn. De actualisatietoets bevat in ieder geval de thema’s veiligheid, duurzaamheid en Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). 4.3.1.Actualisatieprogramma Jaarlijks wordt in overleg met de gemeente een actualisatieprogramma opgesteld. Bij de totstandkoming van het actualisatie-programma wordt in ieder geval betrokken: Politiek bestuurlijke prioriteiten; De resultaten van de actualisatietoets; Bevindingen van toezicht en handhaving. 4.3.2.Revisie Als uit de actualisatie blijkt dat sprake is van een onoverzichtelijke vergunningssituatie, bijvoorbeeld omdat er na een wijziging van een bedrijf nieuwe en oude vergunningen van kracht zijn, kan het bevoegd gezag een revisievergunning verlenen. Alle bestaande vergunningen worden dan samengevoegd tot 1 overzichtelijke vergunning. Dit is in het belang van een doelmatige uitvoering en handhaving. De revisievergunning wordt ambtshalve verleend. Een revisievergunning kan wel gecombineerd worden met een vergunning op aanvraag. Ook kan een revisie gecombineerd worden met het wijzigen van vergunningvoorschriften of het intrekken van een omgevingsvergunning. 4.4.Intrekken van vergunningen De ODMH streeft ernaar om de vergunningen van bedrijven die gestopt zijn met hun activiteiten in te trekken. Het actief intrekken van vergunningen draagt bij aan een actueel vergunningenbestand. Als het bedrijf nadat het gestopt is niet zelf een verzoek om intrekking doet, wordt de vergunning een jaar na beëindiging ingetrokken (artikel 5.40, tweede lid, onder b, Omgevingswet). Een vergunning wordt ook ingetrokken als de activiteiten van een bedrijf in strijd zijn met de beoordelingsregels in paragraaf 8.5.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en wijziging van de vergunningvoorschriften niet helpt. Verder wordt de omgevingsvergunning ingetrokken als het bedrijf de Beste Beschikbare Technieken (BBT) niet langer toepast en actualisering van de vergunning hierbij niet helpt (artikel 8.100, onder a, van het Bkl). 4.5.Het opstellen van voorschriften De vergunningen voor milieubelastende activiteiten bevatten vooral doelvoorschriften. Hierbij kunnen bedrijven zelf invulling geven aan de manier waarop aan de verplichtingen kan worden voldaan. Dit past in de visie van de wetgever die uitgaat van maatschappelijke verantwoordelijkheid en zelfsturing van bedrijven. Ook zijn afspraken gemaakt met bedrijven over deregulering en vermindering van administratieve lasten. Keerzijde is dat bij bedrijven die de vergunningsvoorschriften slecht naleven doelvoorschriften vaak moeilijker handhaafbaar zijn. Het kost vaak meer tijd en vaker moet een sanctietraject worden ingezet. In dat geval worden middelvoorschriften alsnog opgelegd. Deze geven het bedrijf minder ruimte en meer duidelijkheid. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning worden ten minste de Beste Beschikbare Technieken (BBT) als uitgangspunt genomen. Bedrijven bepalen zoveel mogelijk zelf hoe ze dat bereiken. Middelvoorschriften worden opgelegd wanneer (landelijke) voorschriften onvoldoende helder zijn, er sprake is van slecht naleefgedrag of als doelvoorschriften niet toereikend zijn. 4.5.1.Inhoudelijke voorschriften Naast de bekende thema’s als ruimtelijke inpassing, geluid, bodem, geurhinder en veiligheid zijn ook de bescherming van biodiversiteit, het terugdringen van de uitstoot van stikstof en duurzaamheid belangrijke onderwerpen bij vergunningverlening. Door het stellen van voorschriften aan vergunningen wordt op veilige wijze gebouwd en worden milieubelangen gewaarborgd. De voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend dienen duidelijk en toegankelijk te zijn voor bewoners, bedrijven en overheden. In het kader van milieubelangen streven wij er naar om in de nabije toekomst de vergunningensituatie van bedrijven digitaal algemeen beschikbaar te stellen. 4.5.2.Maatwerkvoorschriften Naast voorschriften die aan een vergunning worden verbonden, kunnen ook voorschriften worden vastgesteld voor activiteiten die onder algemene regels vallen. Dit kan in een zogeheten maatwerkbesluit. Bij bijvoorbeeld de volgende milieuonderwerpen zijn maatwerkvoorschriften aan de orde: Bodem: De slechte draagkracht van de bodem en de continue bodemdaling leiden in nagenoeg de hele regio tot verzakkingen. De slechte draagkracht in de regio is vooral een risico voor ondergrondse leidingen en bouwwerken, zoals rioleringen. Bij ongelijke verzakkingen kunnen leidingen afbreken en kunnen vloeistoffen de bodem indringen. Om deze reden hebben de gemeenten de beleidsnotitie “Beleidsregels voor bodemonderzoek bij bedrijven” vastgesteld om grondwatermonitoring toe te passen bij olie-/benzineafscheiders (obas). Alle bedrijven in de regio Midden-Holland die een obas hebben en gelegen zijn in zettingsgevoelig gebied zijn hiertoe verplicht. Geluid: Specifieke geluidsgrenswaarden die noodzakelijk zijn voor het zonebeheer van een industrieterrein of bedrijventerrein worden met maatwerkvoorschriften opgelegd. Afvalwater: Een vetafscheider is verplicht bij het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het bereiden van voedingsmiddelen in horecagelegenheden. Met maatwerk kan van deze verplichting worden afgezien als er geen of zeer beperkt vethoudend afvalwater ontstaat. Zie het beleidskader hieronder in 4.5.2.1. 4.5.2.1.Beleidskader afzien van vetafscheiders Bij het bereiden van voedingsmiddelen, inclusief het afwassen van bestek en kookgerei en het schoonmaken van de keuken, komt een hoeveelheid vethoudend afvalwater vrij. Dit vet kan stollen in het riool en het riool verstoppen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht bedrijven daarom om een vetafscheider te plaatsen om de lozing van vethoudend afvalwater te voorkomen. Dit staat in artikel 3.131 lid 4 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In bijzondere gevallen is een vetafscheider niet nodig. Bijvoorbeeld wanneer er bij het bereiden van voedingsmiddelen geen vetten of oliën worden gebruikt of slechts kleinschalig of incidenteel voedingsmiddelen worden bereid. In deze gevallen kan het bevoegd gezag met een maatwerkvoorschrift een ontheffing verlenen van de verplichting tot het plaatsen van een vetafscheider. Dit staat in artikel 3.131 lid 5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De ODMH hanteert de volgende criteria om te beoordelen of een bedrijf in aanmerking komt voor een maatwerkvoorschrift voor het lozen zonder vetafscheider: Wordt er in de inrichting gebakken, gebraden en/of gegrilld? Wordt er vaker dan 12 dagen per jaar gefrituurd in één (of meer) friteuse(
- s)met een (gezamenlijke) inhoud groter dan 9 liter? Indien er vaker dan 12 dagen per jaar wordt gefrituurd is er geen sprake meer van een incidentele bedrijfssituatie; bij een friteuse met een inhoud van meer dan 9 liter is er sprake van grootkeukenapparatuur en is dit niet aan te merken als kleinschalige voedingsmiddelenbereiding. Worden voedingsmiddelen binnen de inrichting geserveerd op servies voor meer dan 15 zitplaatsen? Er is sprake van een kleinschalige faciliteiten indien er voorzieningen aanwezig zijn (zitplaatsen en tafels) voor maximaal 15 personen. Dit sluit aan bij de grens die wordt gehanteerd in Bijlage 1, onderdeel C, categorie 18.2 van het Besluit omgevingsrecht. Het uitgangspunt is dat indien twee van de drie vragen met “ja” zijn beantwoord, er geen sprake is van een geringe lozing van vethoudend afvalwater. Er staat dan vast dat er een hoeveelheid vethoudend afvalwater vrijkomt, omdat er vetten en oliën worden gebruikt bij het bereiden van de voedingsmiddelen en die na het afwassen en schoonmaken in het riool terechtkomen. Om rioolverstoppingen te voorkomen is een vetafscheider noodzakelijk. Ontheffing van deze verplichting is dan niet mogelijk. Onder de Omgevingswet kunnen deze uitgangspunten worden voortgezet. 4.6.Proefnemingen Het zoeken naar verbeteringen van be- en verwerkingsmethoden is een terugkerend aandachtspunt bij veel bedrijven. Goedgekeurde alternatieven kunnen bijdragen aan een vermindering van de belasting van het milieu. Die bedrijven willen dan graag de mogelijkheid om gedurende korte tijd proefnemingen uit te voeren. Daarmee kan het bedrijf informatie krijgen over verbeteringen en/of aanpassingen in de bedrijfsvoering of in toegepaste technieken. Ook wordt met proefnemingen meer duidelijk over de (milieu-hygiënische) consequenties en kosten. In het LAP3 is dan ook aangegeven dat proefnemingen en innovaties gestimuleerd moeten worden. Proefnemingen worden meestal maar gedurende een aantal dagen of weken uitgevoerd. Het steeds weer doorlopen van een vergunningenprocedure kost dan soms meer tijd dan de proefneming zelf. Dat kan een belemmering zijn voor bedrijven om proefnemingen uit te voeren. Bij dergelijke bedrijven kan daarom in de oprichtings- of revisievergunning al een kader worden opgenomen waarbinnen proefnemingen kunnen plaatsvinden. Als het bedrijf een proef wil uitvoeren, kan op grond van dat kader (schriftelijk) goedkeuring worden gevraagd. Een aparte vergunningprocedure is dan niet nodig. In de oprichtings- of revisievergunning is aangegeven welke randvoorwaarden en eisen er gelden, hoe lang de proefnemingen mogen duren en dat de resultaten van de proefneming na beëindiging van de proefneming aan ons worden verstrekt. Als de proefneming succesvol is en de resultaten worden doorgevoerd binnen het bedrijf, kan mogelijk wél een (nieuwe) omgevingsvergunning nodig zijn. De uitkomsten van de proefneming kunnen dan als basis voor de aanvraag dienen. 4.7Digitale vergunningen We streven er naar alle geldende milieuvergunningen in 2024 digitaal beschikbaar te stellen, Hiermee is er een altijd actueel inzicht in de (milieu)vergunningvoorschriften die gelden voor bedrijven in de regio. Dit sluit aan bij de gedachte van de Omgevingswet en bij de aanbevelingen uit het rapport van Van Aartsen om de informatiepositie van inwoners en bedrijven te verbeteren. 5.INHOUDELIJKE ASPECTEN VERGUNNINGVERLENING BOUW 5.1.De knip in de omgevingsvergunning: scheiding tussen technisch en ruimtelijk bouwen Met de Omgevingswet wordt bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit. Deze scheiding noemen we 'de Knip'. 5.1.1.Technische bouwactiviteit De technische bouwactiviteit heeft betrekking op de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit. Deze regels staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Technische aspecten betreffen bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Door de Knip zijn er meer technische bouwactiviteiten vergunningvrij, omdat ruimtelijke voorwaarden zijn losgekoppeld van de technische aspecten van het bouwen. Voor de constructieve veiligheid van een bouwwerk maakt het immers op zich niet uit waar op het perceel het bouwwerk zich bevindt. 5.1.2.Omgevingsplanactiviteit die bestaat uit het bouwen De ruimtelijke aspecten van een bouwwerk zijn omgevingsplanactiviteiten, hiervan is sprake als het bouwen in strijd is met het omgevingsplan of als op grond van het omgevingsplan een vergunning vereist is. Deze omgevingsplanactiviteiten worden getoetst aan het Omgevingsplan. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage en verder regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de functietoedeling in het Omgevingsplan. 5.1.3.De Knip en vergunningvrij bouwen De Knip in het bouwrecht brengt met zich dat ook de regels voor vergunningvrij bouwen wijzigen. Voortaan moeten bepaalde bouwactiviteiten “aan beide kanten van de Knip” worden getoetst aan regels voor vergunningvrij bouwen. Als aan beide kanten of één van de kanten de conclusie is dat niet vergunningvrij kan worden gebouwd, dan moet aan beide kanten of één van de kanten een vergunning worden aangevraagd. De regels voor vergunningvrij bouwen staan ook in het Bbl. 5.2.Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Wat hiervoor is vermeld over “de Knip” en vergunningvrij bouwen is bepalend voor het werkingsgebied van een geheel nieuwe wet die gelijktijdig met de Omgevingswet wordt ingevoerd, namelijk de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb). 5.2.1.Rol vergunningverlener BWT: Wkb en vergunningvrij bouwen De Wkb heeft betrekking op de bouwtechnische kant van de Knip. Bouwplannen waarop de Wkb van toepassing is, zijn in ieder geval voor de bouwtechnische aspecten vergunningvrij. Om die reden hoort deze paragraaf eigenlijk niet thuis in het hoofdstuk over vergunningverlening. Dat betekent echter niet dat een bouwwerk waarop de Wkb van toepassing is aan controle door het bevoegd gezag wordt onttrokken. Bij de ODMH wordt de vergunningverlener BWT belast met de controle van documenten die op basis van de Wkb moeten worden overgelegd. Aangezien die controle plaatsvindt naar aanleiding van een melding wordt de Wkb toch in dit hoofdstuk behandeld. De Wkb geldt vooralsnog alleen voor bouwwerken in de laagste risicoklasse, zoals eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. Dit is gevolgklasse 1. In een latere fase zal de Wkb ook op hogere gevolgklassen van toepassing zijn. Door deze stapsgewijze invoering kunnen alle betrokken partijen ervaring opdoen met de Wkb en de wijze van bouwtoezicht die het met zich brengt. Hierna wordt ingegaan op een aantal nieuwe figuren die de Wkb introduceert: de kwaliteitsborger, het instrument, de risicoanalyse, het borgingsplan en het dossier bevoegd gezag. 5.2.2.Vóór de bouw Bij de technische bouwvergunning zal de aanvrager een onafhankelijke, gecertificeerde kwaliteitsborger (moeten) inschakelen. Vooraf beoordeelt de kwaliteitsborger het bouwplan en zal dit bouwplan toetsen aan een instrument. Een instrument is een werkwijze op basis waarvan de kwaliteitsborger kan beoordelen of een bouwwerk aan het Bbl zal voldoen. Daarna stelt de kwaliteitsborger een risicoanalyse op. De risicoanalyse heeft betrekking op bijzondere lokale omstandigheden voor een bepaald bouwwerk (bijvoorbeeld slappe ondergrond of bouwen tegen een verzakt belendend pand). De kwaliteitsborger stelt vervolgens een borgingsplan op, dat gebaseerd is op de risicoanalyse van de bouwactiviteiten. De kwaliteitsborger doet vervolgens een bouwmelding en voorziet die melding van het borgingsplan en de risicoanalyse. De (vergunningverlener bij
- de)ODMH zal beoordelen of de melding (en de risicoanalyse en borgingsplan) volledig zijn. Op basis van de bouwmelding zal de ODMH nagaan of er specifieke aanvullende informatie nodig is en of het nodig is om de locatie tijdens de bouw te bezoeken om de handhavende taak van het bevoegd gezag goed uit te kunnen voeren. In de regio Midden-Holland is sprake van: Slappe ondergrond, waardoor het niet is toegestaan om heipalen te trekken zonder toestemming van het Waterschap. Landelijk beleid bouw- en sloopveiligheid. Specifieke geluids- en trillingsaspecten uit de Richtlijn bouw- en sloopveiligheid. Bescherming tegen weg-, spoorweg- of industriegeluid of geluid van activiteiten. Daarop zijn de bepalingen uit het Bbl van toepassing Ontheffingsaanvragen moeten lopen via overleg met wegbeheerder over aslasten, persriool, ontheffingen Bovengenoemde risico’s moeten in de risicoanalyse bij het borgingsplan worden opgenomen door de kwaliteitsborger. 5.2.3.Bijzondere lokale omstandigheden Het betreffen hier risico’s die van invloed kunnen zijn op het voldoen van het bouwwerk aan de bouwtechnische regels. De meest voorkomende locatie specifieke risico’s kunnen zijn: bouwen tegen scheefgezakte panden bouwen tegen panden die gefundeerd zijn “op staal” (d.w.z. fundering anders dan door heipalen) bouwen naast panden met een monumentale status het bouwen op zeer slappe ondergrond windbelasting bij bouwen in de buurt van hoge gebouwen Ingeval van een vooroverleg kunnen locatie specifieke risico’s worden meegegeven aan de initiatiefnemer. Bovengenoemde risico’s moeten in de risicoanalyse bij het borgingsplan worden opgenomen door de kwaliteitsborger. 5.2.4.Tijdens de bouw Tijdens de bouw ziet de kwaliteitsborger toe op de bouwtechnische aspecten tijdens de bouw, en levert na oplevering een ‘Verklaring kwaliteitsborger’ voor in het “dossier bevoegd gezag”. 5.2.5.Na de bouw Na de bouw, ontvangt het bevoegd gezag de gereedmelding met daarin (o.a.) de verklaring van de kwaliteitsborger dat hij het vertrouwen heeft dat het bouwwerk aan het Bbl voldoet. Voorts overlegt hij het dossier bevoegd gezag. Het dossier bevoegd gezag omvat alle fasen van het bouwproject en heeft betrekking op o.a. de veiligheid (constructieve- en brandveiligheid o.a.). Hierbij gaat om het aantonen dat het bouwwerk voldoet aan alle (kwaliteit)eisen van het Bbl. Bij een onvolledige gereedmelding informeert het bevoegd gezag de indiener hierover binnen 10 werkdagen na indiening. Na indiening van de aanvullende gegevens gaat opnieuw een periode van 10 werkdagen in om te toetsen of de gereedmelding volledig is. Zijn er strijdigheden tijdens of na afronding van de bouw? Dan kan de gemeente overgaan tot herstelsancties of de ingebruikname van het bouwwerk verbieden. Wanneer is voldaan aan de voorschriften die zijn gesteld aan de verklaring van de kwaliteitsborger en aan de overige gegevens en stukken (art. 2,15 Bbl en op basis van het Ontwerpbesluit kwaliteitsborging voor het bouwen) kan het pand in gebruik worden genomen. Twee weken na de gereedmelding kan het bouwwerk in gebruik worden genomen. Bij de beoordeling van de melding en het borgingsplan, het opleggen van informatiemomenten en het houden van toezicht en handhaving zijn de volgende prioriteiten van belang: het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de gezondheid; duurzaamheid en bruikbaarheid. De vergunningverlener zal zich bezig houden met beoordelen kwaliteitsborger, of gebruik is gemaakt van een gecertificeerd instrument, borgingsplan en risicoanalyse. Indien nodig zal de toezichthouder technische input kennis over de situatie ter plaatse leveren bij de beoordeling van deze stukken. Voor het opleggen van sancties wordt aangesloten bij de Landelijke Handhavingsstrategie. 5.3.Gemeentelijke monumenten De Omgevingswet maakt onderscheid tussen rijksmonumenten en gemeentelijke (en provinciale) monumenten. Voor rijksmonumenten staan de regels voor de bescherming ervan in de Omgevingswet zelf. Voor de bescherming van gemeentelijke monumenten moeten de gemeenten regels opnemen in het Omgevingsplan. Er geldt voor gemeentelijke monumenten geen losse vergunning ‘wijzigen monument’ meer. Aanpassingen aan gemeentelijke monumenten vallen onder de Omgevingswet onder een ‘omgevingsplanactiviteit’ (OPA). De verplichting om alle vergunningen die met elkaar te maken hebben in een keer aan te vragen, vervalt. Daarom kan een zogeheten ‘bouwvergunning’ los aangevraagd worden van een ‘omgevingsplanactiviteit’ voor het wijzigen van een gemeentelijk monument. Wij zullen de aanvrager in die gevallen wel wijzen op de beide vergunningplichten en adviseren om beide vergunningen tegelijk aan te vragen. De Wkb geldt vooralsnog niet voor monumenten. In de Omgevingswet wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen een welstandscommissie en een monumentencommissie. Beide commissies worden onder de Omgevingswet samengevoegd tot één integrale adviescommissie omgevingskwaliteit. 5.3.1.Relatie met de Erfgoedwet De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de nieuwe Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. 5.3.2.Monumentenstatus Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van onder meer de Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet is een integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. Er zijn verschillende soorten beschermde monumenten: Rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. Het Rijk houdt een register bij van de 55.000 beschermde rijksmonumenten. Provinciale monumenten zijn er alleen in Drenthe en Noord-Holland, in Zuid-Holland komen deze niet voor. Verwacht wordt dat de lijst van gemeentelijke monumenten de komende jaren in omvang zal toenemen Als de aanwijzingsprocedure van een monument nog niet is afgerond, dan heeft het pand/object een vóórbeschermde status. In de gemeenten Gouda, Zuidplas en Bodegraven-Reeuwijk is in het beleid vastgelegd dat bij een vóórbeschermde status al de voorschriften met betrekking tot de instandhouding van het monument van toepassing zijn. Voor Waddinxveen is dergelijk beleid er niet. Formeel kunnen de voorschriften met betrekking tot de instandhouding van het monument in die gemeente dus niet van toepassing verklaard worden. Als er een aanvraag wordt ingediend voor een pand met vóórbeschermde status in een van de gemeenten, zal de casemanager/vergunninghouder in overleg treden met de aanvrager om te zorgen dat bij de werkzaamheden vast rekening wordt gehouden met de eisen die aan monumenten worden gesteld. 5.4.Intrekkingsbesluit bouwen Omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen kunnen worden ingetrokken. Dit gebeurt als er geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt en kan na (minimaal) een jaar worden ingetrokken. Grote aantallen ongebruikte omgevingsvergunningen voor het bouwen kunnen bijvoorbeeld nieuwe woningbouwprojecten frustreren. Ook kunnen de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen leiden tot onzekere situaties voor omwonenden, omdat die niet weten of het bouwwerk wel of niet gerealiseerd zal worden. Bij de beslissing tot intrekken moeten alle relevante belangen worden betrokken. Zo wordt in ieder geval nagegaan of het uitstel toe te rekenen is aan de vergunninghouder. Ook wordt nagegaan of de vergunninghouder niet alsnog binnen redelijke termijn gebruik zal maken van de ongebruikte omgevingsvergunning. Na belangenafweging kan een opschorting van een jaar worden aangehouden. Deze termijn kan worden verlengd. Het aantal ambtshalve intrekkingen per jaar is gebaseerd op de afspraken in de jaarprogramma’s. Uitgangspunten vergunningverlening De ODMH stimuleert participatie De ODMH neemt deel aan omgevingstafels De ODMH geeft zo snel mogelijk duidelijkheid over de haalbaarheid van vergunningverlening en over de volledigheid van een aanvraag. De ODMH betrekt adviseurs proactief De beslistermijn wordt alleen verlengd indien dat vanwege de complexiteit of omvang nodig is. Voorschriften zijn duidelijk en handhaafbaar. Bij het opstellen van voorschriften worden de algemene uitgangspunten van de Omgevingswet, zoals het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van het milieu, in acht genomen. Bedrijven passen ten minste de Beste Beschikbare Technieken toe. Vergunningen worden regelmatig onderzocht op actualiteit. Voor bedrijven met grote risico’s vanwege gevaarlijke stoffen is dat ten minste elke vijf jaar. Voor andere bedrijven elke tien 10 jaar of vaker indien nodig. De ODMH plaatst geldende milieuvergunningen op internet, zodat deze besluiten voor alle inwoners in te zien zijn (streven 2024). De ODMH zorgt voor een actueel vergunningenbestand en trekt vergunningen in indien er geen gebruik meer wordt gemaakt van de vergunning. De ODMH stelt zich positief op bij proefnemingen en innovaties, en geeft daar in principe goedkeuring aan. Indien nodig worden daarbij randvoorwaarden gesteld. Vergunningen worden zo strak mogelijk vergund overeenkomstig het Schone Lucht Akkoord. DeelII Toezicht en handhaving Dit deel van de nota gaat over hoe de ODMH het toezicht inricht en hoe het uitvoering geeft aan handhaving. Dus: hoe treedt de ODMH op wanneer overtredingen worden vastgesteld? En welke onderwerpen hebben een hoge prioriteit? In hoofdstuk 6 worden de gemeenschappelijke uitgangspunten voor de milieu- en bouwtaken geformuleerd. In hoofdstuk 6 komt ook het afhandelen van klachten en het optreden bij calamiteiten aan de orde. De hoofdstukken 7 en 8 behandelen de specifieke milieu- en bouwonderwerpen op het gebied van toezicht en handhaving. Op pagina 46 vindt u een samenvatting van de hoofdstukken 6, 7 en 8 geformuleerd in uitgangspunten voor toezicht en handhaving. Dit is geen limitatieve opsomming. 6.TOEZICHT EN HANDHAVING MILIEU EN BOUWEN 6.1.Inleiding De invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging hebben gevolgen voor toezicht en handhaving. De afwegingsruimte wordt groter; doelvoorschriften krijgen de voorkeur boven middelvoorschriften. De verwachting is dat het profiel van toezichthouders en handhavers onder de Omgevingswet daardoor verandert; minder technisch en meer communicatief en procesgericht. De ODMH beweegt hierin mee. Voorafgaand aan de invoering van de Omgevingswet zijn alle betrokkenen uitgebreid geschoold door middel van cursussen en cases en klaar voor het werken onder de Omgevingswet. Het doel van de toezichthouders blijft echter hetzelfde: het bevorderen van de naleving van de regels op het gebied van het omgevingsrecht, zodat de leefomgeving wordt beschermd. Dit kan worden bereikt door: het stimuleren van de spontane naleving door middel van voorlichting, het houden van toezicht en daarmee het vergroten van de pakkansbeleving, het opleggen van sancties. De verschillende vormen om de naleving te verbeteren zijn uitgewerkt in een nalevingsstrategie. Deze is te vinden in bijlage 4 (Nalevingsstrategie). 6.2.Risicoanalyse en prioritering Bij toezicht en handhaving op milieu- en bouwregelgeving worden keuzes gemaakt; niet elk bedrijf, (potentieel) risico of aspect kan met evenveel inzet worden aangepakt. Daarom is inzicht in de verschillende risico’s noodzakelijk. Op basis van een risicoanalyse vindt prioritering plaats. Milieutaken Daarvoor wordt voor de milieutaken een risicomodel gebruikt (bijlage 5). In dat model zijn met name veiligheidsrisico’s verwerkt. Daarnaast spelen andere vormen van aantasting van de leefomgeving, de volksgezondheid en biodiversiteit door emissies van geur, geluid, licht of stoffen een rol in de bepaling van de risico’s. Het risicomodel wordt per bedrijf ingevuld. Op basis van de score per bedrijf wordt de benodigde inzet per bedrijf bepaald. Een bedrijf met een hoge score (hoge categorie) heeft meer risico’s en wordt daarom vaker gecontroleerd. We hanteren een indeling in 5 categorieën, waarbij categorie 5 de zwaarste categorie is en categorie 1 de lichtste. Een bedrijf dat in categorie 5 valt wordt in principe elk jaar gecontroleerd (reguliere controle). Voor bedrijven in categorie 1 geldt een controlefrequentie van ongeveer een keer per 10 jaar. In de controlefrequentie wordt ook naleefgedrag meegewogen. Bedrijven waar regelmatig overtredingen worden vastgesteld worden vaker gecontroleerd dan bedrijven die, op basis van eerdere (recente) controles, goed naleefgedrag vertonen (zgn. Bonus/malus-systematiek), zie bijlage 5. Naast het gebruik van het risicomodel om de inzet op het gebied van toezicht te bepalen vindt prioritering ook plaats op basis van andere afwegingen. Keuzes kunnen worden gemaakt op basis van landelijke ontwikkelingen of lokale wensen. De komende jaren vragen met name de onderwerpen ‘energiebesparing bij bedrijven’ en de aanpak van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) extra inzet van omgevingsdiensten. Jaarlijks wordt in de uitvoeringsprogramma’s vastgelegd op welke onderwerpen formatie wordt ingezet, naast de reguliere bedrijfscontroles. Ook wordt formatie gereserveerd voor het behandelen van klachten en calamiteiten. Daar wordt altijd een hoge prioriteit aan toegekend. Bouwtaken Voor het bepalen van de prioriteiten bij de bouwtaken is een risicoanalyse uitgevoerd volgens de methodiek uit de ‘Handreiking handhaven bouwregelgeving’ van het (toenmalige) ministerie van VROM gehanteerd. De risicoanalyse geeft een beeld van bij welke overtredingen op het gebied van bouw- en woningtoezicht zich de grootste negatieve effecten kunnen voordoen. Ook wordt gekeken in welke situaties of branches de kans op overtreding van de wet het grootst is (autonoom naleefgedrag). Dit is verder uitgewerkt in bijlage 6. 6.3.Soorten toezicht Op basis van de hierboven genoemde risicoanalyse wordt bepaald op welke activiteiten toezicht wordt ingezet en hoe vaak. Per activiteit kan, naast een verschil in frequentie, ook een verschil in diepgang van het toezicht aan de orde zijn. Er kunnen daarom verschillende soorten controles worden ingezet. Die verschillende vormen zijn uitgewerkt in bijlage 4 (Toezichtstrategie, onderdeel van de Nalevingstrategie) (On-)aangekondigd controleren Controles kunnen zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. Onaangekondigd controleren ligt voor de hand wanneer gedragsovertredingen worden verwacht; aangekondigd controleren is handiger als er installaties bekeken of administraties gecontroleerd moeten worden. Of een controle wordt aangekondigd is afhankelijk van het soort controle, het doel van de controle en de historische ervaring met het bedrijf. In de basis hanteren we de regel dat we onaangekondigd controleren, tenzij… Toezicht versus advisering Het houden van toezicht en het handhaven schuurt tegen de wens van veel bedrijven om hen te adviseren aangaande milieuzaken. Daarom zijn uitgangspunten vastgesteld over hoe we omgaan met deze situaties. Het geldt niet alleen voor Toezicht en handhaving, maar voor de hele dienst. De uitwerking daarvan is opgenomen in bijlage 13. 6.4.Handhavend optreden In het geval tijdens de uitvoering van toezicht een overtreding wordt vastgesteld, wordt aan de hand van de Landelijke handhavingstrategie Omgevingsrecht (LHSO) bepaald hoe daar tegen wordt opgetreden. De LHSO zet in op een passende interventie bij iedere overtreding. De toezichthouder schat in op basis van de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder op welke wijze moet worden opgetreden. Dit kan variëren van het geven van een waarschuwing tot het opleggen van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke sancties. Door het volgen van de LHSO wordt passend en uniform opgetreden bij bevindingen die gedaan zijn tijdens toezicht. Om te bepalen wat een passende interventie is, volgen we twee hoofdvragen: Inzake herstel Is herstel mogelijk? Zo ja, dan is in elk geval bestuursrechtelijk optreden aangewezen en is de vervolgvraag: Welke bestuursrechtelijke interventie is in dit geval het meest geschikt? Inzake bestraffing Is er aanleiding voor bestraffing? Zo ja, dan is de vervolgvraag: Welke weg (bestuursrechtelijk of strafrechtelijk) is het meest passend? De uitwerking van de LHSO en de inzet van sancties is verder te vinden in het document Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) en in bijlage 4 van deze nota (Sanctiestrategie, onderdeel van de Nalevingsstrategie). Het rapport “Om de leefomgeving” van de commissie-Van Aartsen geeft 10 aanbevelingen om de robuustheid en de kwaliteit van de OD’s te vergoten. Een van die aanbevelingen betreft meer prioriteit, capaciteit en inzet voor strafrechtelijke handhaving en vervolging. In de LHSO is de inzet van het strafrecht een onderdeel. Naar aanleiding van het rapport van de commissie-Van Aartsen zal de ODMH het gebruik van de LHSO, met betrekking tot de inzet van het strafrecht, verder optimaliseren. 6.5.Bestuursrechtelijke sanctiemiddelen Voor het opleggen van bestuurlijke sanctiemiddelen kan uit de volgende instrumenten worden gekozen: opleggen van een last onder dwangsom (LOD); opleggen van een last onder bestuursdwang (LOB); In bijlage 11 van deze nota worden richtlijnen vermeld bij het bepalen van de dwangsomhoogte en de lengte van de begunstigingstermijn voor Bouw en Woningtoezicht. Last onder dwangsom (LOD) Een last onder dwangsom is de sanctie waarbij de overtreder per tijdseenheid, per overtreding of ineens een geldbedrag verbeurt indien of zolang de overtreding voortduurt. De last onder dwangsom bevat een last om de overtreding te beëindigen, en om voortzetting en herhaling te voorkomen. In de last onder dwangsom wordt een begunstigingstermijn opgenomen. Dit is de termijn waarbinnen de overtreder de overtreding ongedaan kan maken zonder dat de dwangsom verbeurt. Als de overtreding tijdig ongedaan wordt gemaakt, is dus geen dwangsom verschuldigd. Wanneer de overtreding niet, of niet tijdig wordt beëindigd, dan wel wordt voortgezet of herhaald, dan wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd. Als een overtreding is begaan waartegen handhavend is opgetreden en welke overtreding vervolgens is opgeheven, dan kan de ‘dwangsom gericht op voorkoming van herhaling’ worden opgelegd, om dus herhaling te voorkomen. Deze dwangsom moet onderscheiden worden van de preventieve last onder dwangsom die wordt opgelegd als nog geen overtreding is begaan, maar het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. Dit betekent dat de overtreding van een wettelijke voorschrift met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Als bijvoorbeeld op aanplakbiljetten een kledingoutlet wordt aangekondigd die in strijd is met het bestemmingsplan, dan mag aan het bedrijf dat de outlet organiseert een preventieve last onder dwangsom worden opgelegd. De last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd aan de overtreder, mits die het in zijn macht heeft om de last uit te voeren. Per geval moet worden beoordeeld wie als “overtreder” kan worden aangemerkt en aangeschreven. Soms is dit bijvoorbeeld de eigenaar van een perceel of bouwwerk, maar het kan ook de huurder zijn. Niet altijd kan een overtreding worden bestreden met een last onder dwangsom. Als het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet, mag niet gekozen worden voor een last onder dwangsom, maar moet een last onder bestuursdwang worden toegepast. Last onder bestuursdwang (LOB) Bestuursdwang houdt in dat het feitelijk beëindigen van een overtreding uitgevoerd wordt door het bevoegd gezag als de overtreder niet zelf actie tijdig onderneemt. Dit kan bij uitstek worden toegepast in de volgende situaties: bij acuut dreigende calamiteiten en gevaarlijke situaties waarbij direct optreden noodzakelijk is. Dit geldt onder meer indien de overtreder niet bereikbaar is; als het opleggen van een last onder dwangsom niet tot het gewenste effect, te weten het ongedaan maken van de overtreding, heeft geleid. als de overtreder niet genegen of niet in staat is om de overtreding ongedaan te maken; Bij het laatste punt moet in overweging worden genomen hoe de gemeente omgaat met de kosten van de bestuursdwang als die kosten niet verhaald kunnen worden op de overtreder. De kosten van het uitvoeren van bestuursdwang kunnen verhaald worden op de overtreder. Het uitgangspunt is dat daadwerkelijk tot het verhalen van de kosten wordt overgegaan. Het tegelijk opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom voor één en dezelfde overtreding is niet mogelijk. Als sprake is van twee of meer verschillende overtredingen, is een combinatie van een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang wel mogelijk. Een voorbeeld waarbij wel gelijktijdig een last onder bestuursdwang en last onder dwangsom opgelegd kan worden, is het opleggen van een bouwstop (= een last onder bestuursdwang) en het gelijktijdig opleggen van een last onder dwangsom om te voorkomen dat er verder wordt gegaan met bouwen. 6.6.Gedoogstrategie en afzien van handhavend optreden Het uitgangspunt is dat wordt opgetreden tegen overtredingen. Toch kunnen er omstandigheden zijn om bij een bevinding van handhaven af te zien op basis van een vastgestelde gedoogstrategie. De nota ‘Gedogen in Nederland’ bevat het landelijke kader voor gedogen: Een gedoogsituatie is van tijdelijke aard doordat het handelen binnen afzienbare tijd ophoudt, dan wel doordat waarschijnlijk een vergunning zal worden verleend. Wanneer tot gedogen wordt besloten wordt het landelijke kader voor gedogen gevolgd. Gedogen laat eventuele strafvervolging door het OM overigens onverlet. Voor uitdrukkelijk gedogen (dat is gedogen na het nemen van een gedoogbeschikking) kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn. Die uitzonderingen kunnen zijn: Overmachtssituaties Overgangssituaties (Bijvoorbeeld als er nader onderzoek moet worden gedaan in een zaak of als er concreet zicht is op legalisatie). Onevenredigheid Het is vaste jurisprudentie dat bovengenoemde situaties er toe kunnen leiden dat wordt afgezien van handhavend optreden. 6.7.De overheid als overtreder Overheden of publieke ondernemingen hebben een voorbeeldfunctie. Wanneer ze overtredingen plegen, bijvoorbeeld een waterschap als beheerder van een afvalwaterzuiveringsinstallatie, of als een bevoegd gezag zelf bijvoorbeeld illegaal bouwt worden ze bestuursrechtelijk op dezelfde wijze behandeld als private ondernemingen of inwoners, waarbij wel rekening gehouden wordt met de voorbeeldfunctie. De sanctiestrategie wordt daarom voor overheden minimaal op gelijk niveau als voor bedrijven toegepast. In voorkomende gevallen kan het nodig zijn om, naast het bestuursrechtelijke traject, ook strafrechtelijke handhavingsinstrumenten in te zetten voor overtredingen die zijn gepleegd door overheidsorganen. Met het Functioneel Parket zal dan worden overlegd over de wijze waarop het strafrecht kan worden ingezet. 6.8.Bestuurlijke strafbeschikking De directeur van de ODMH kan een bestuurlijke strafbeschikking (Bsb) uitvaardigen. De ODMH heeft daarvoor een aantal Boa’s in dienst. De bestuurlijke strafbeschikking is een strafrechtelijk instrument dat het mogelijk maakt om ten behoeve van de bestuurlijke handhavingstaak, zonder tussenkomst van het OM, een boete op te leggen voor, bij AMvB bepaalde, eenvoudige strafbare feiten op bepaalde overtredingen. De gedachte achter de Bsb is dat efficiëntere en effectievere handhaving mogelijk wordt doordat relatief eenvoudige strafbare feiten op basis van een proces-verbaal (de grondslag voor de boete), opgemaakt door een opsporingsambtenaar, gestandaardiseerd en geautomatiseerd kunnen worden afgedaan. De overtredingen waarvoor de bestuurlijke strafbeschikking kan worden opgelegd, zijn opgenomen in het zogeheten ‘Feitenboekje’. Hier staan zowel milieu- als bouwovertredingen in opgenomen. Waar oplegging van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang over het algemeen enige tijd vergt, kan met de bestuurlijke strafbeschikking direct opgetreden worden tegen overtredingen. Oplegging van een bestuurlijke strafbeschikking sluit het gebruik van een last onder dwangsom of onder bestuursdwang niet uit. Er kan zelfs een combinatie van betreffende sancties worden opgelegd. Met het Functioneel Parket, de politie en gemeenten zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de Bsbm (=milieu). In navolging van het advies van het rapport van de commissie van Aartsen zal de ODMH vaker gebruik maken van de BSBm en andere bestuurs- en strafrechtelijke inzet. Daarbij zal de LHSO worden gevolgd. 6.9.Minnelijk overleg / premediation Bij handhaving wordt vaak direct aan het opleggen van een sanctie gedacht. Maar het daadwerkelijk opleggen van een sanctie is een uiterste middel. Tussen het tijdstip waarop de bevindingen gedaan zijn en het tijdstip dat er daadwerkelijk een sanctiebesluit wordt genomen, ligt een periode waarin vaak nog kan worden geprobeerd de overtreder zover te krijgen dat deze uit zichzelf de overtreding ongedaan maakt. Dit is het zogenoemde ‘minnelijke overleg’ of ‘pre-mediation’ (hierna: minnelijk overleg). Minnelijk overleg is bedoeld om een duidelijk beeld over de situatie te krijgen en na te gaan of er mogelijke oplossingen zijn. Soms wordt er uitleg over een bepaald besluit gegeven. Minnelijk overleg kan via verschillende communicatievormen plaatsvinden: tijdens een (kort) telefoongesprek, een e mailwisseling of in een persoonlijk gesprek. 6.10.Mediation De termen mediation en minnelijk overleg worden wel door elkaar gebruikt. Bij mediation moet echter voornamelijk gedacht worden aan de situatie waarin de overheid bemiddelend optreedt in een conflict tussen inwoners (waaronder ondernemers) (dat is ontstaan naar aanleiding van een handhavingszaak). De ervaring met mediation heeft twee dingen geleerd. Een impasse in een slepende handhavingszaak kan ertoe leiden dat partijen eerder openstaan voor mediation. Ten tweede is tijdsbesparing niet altijd een goede drijfveer om mediation toe te passen. Mediation vergt soms meer inzet en uren dan handhavend optreden. De winst van mediation zit hem in de wijze waarin met de betrokkene wordt omgegaan en de betekenis die de overheid voor de betrokkene heeft (faciliterende versus sanctionerende overheid). Minnelijk overleg / mediation kan in elke fase van elke procedure worden toegepast. Bepalend is of de medewerker een opening tot gesprek ziet (of dat een van de betrokkenen zelf een gesprek voorstelt). Een intensieve vorm van mediation is het gesprek aan tafel met alle partijen. Daarbij probeert de medewerker/mediator – soms met bijstand van een procesbegeleider – de betrokkenen die een conflict hebben nader tot elkaar te brengen. Een procesbegeleider bewaakt en stuurt de discussie en zorgt ervoor dat iedereen aan bod komt. Uit het vorenstaande volgt wellicht dat de grens tussen een uitgebreid minnelijk overleg en een mediation niet scherp is. Alle aangesloten gemeenten verwachten inzet op minnelijk overleg en (pre-)mediation. De ODMH-medewerker is geïnstrueerd (en in de meeste gevallen getraind) om mogelijkheden tot minnelijk overleg en mediation te verkennen en toe te passen. De ODMH heeft enkele medewerkers getraind in procesbegeleiding. Ook onder de Omgevingswet zal de ODMH onverminderd inzet op het gebied van minnelijk overleg en mediation blijven leveren. 6.11.Klachten en calamiteiten Op grond van artikel 18.1 van de Omgevingswet heeft de ODMH tot taak klachten te behandelen die betrekking hebben op de naleving van milieu- en bouwregelgeving. Dat betekent dat het behandelen van klachten voor gemeenten een wettelijke taak is. Wanneer nodig worden andere instanties, zoals de VRHM, betrokken bij de klachtafhandeling. Het opschalen van klacht naar calamiteit is toegevoegd als bijlage 12. 6.11.1.Paraatheid Om invulling te geven aan die wettelijke taak is de ODMH het hele jaar door, 24 uur per dag, bereikbaar voor klachten die betrekking hebben op milieuoverlast, zwemwaterklachten en bouw gerelateerde klachten. Inwoners, bedrijven en instellingen kunnen klachten over bedrijven en milieu melden via een speciale milieuklachtenlijn en voor klachten over bouwen en slopen via BWT@odmh.nl. Alle klachten worden geregistreerd. Vervolgens wordt een, bij de klacht, passende actie ondernomen. De toegankelijkheid voor het indienen van bouwklachten is een verbeterpunt. 6.11.2.Calamiteiten Naast de behandeling van klachten met betrekking tot de naleving, speelt de ODMH ook een rol bij calamiteiten. Met de Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) zijn afspraken gemaakt over de participatie van de ODMH in de gemeentelijke en regionale crisisteams. Uitgangspunt is dat een medewerker van de ODMH in zulke gevallen als liaison in het crisisteam participeert. Doel van die participatie is om te: informeren, bijvoorbeeld over installaties of gevaarlijke stoffen die in het bedrijf aanwezig zijn, adviseren, ter voorkoming of beperking van (verdere) milieuschade, en coördineren van de te treffen maatregelen om milieuschade te voorkomen of te beperken of acuut gevaar te voorkomen of te beperken door de slechte constructieve staat van een gebouw. Een overzicht van de taken van de ODMH tijdens calamiteiten is beschreven in de Informatiekaart partners – omgevingsdiensten van de veiligheidsregio. De ODMH heeft zijn crisistaken beschreven in een calamiteitenplan. 7.INHOUDELIJKE ASPECTEN TOEZICHT EN HANDHAVING MILIEU 7.1.Informatiegestuurd toezicht en handhaving De ODMH zet meer in op het gebruik van data en informatie bij het analyseren van risico’s en het uitvoeren van toezicht. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van eigen data uit het interne bedrijfsprocessysteem en van data uit externe systemen zoals Inspectieview Milieu. Op basis van verzamelde data kan bijvoorbeeld worden gesignaleerd bij welke bedrijven de keuringstermijn van installaties wordt overschreden. Op basis daarvan kan gerichte informatie de bedrijven helpen de regelgeving beter na te leven. Door het verzamelen van data over aspecten en overtredingen kunnen we in de toekomst bedrijven beter informeren om overtredingen te voorkomen. Informatiegestuurde handhaving houdt in dat op basis van actuele en betrouwbare informatie rationele beslissingen worden genomen, zodat mensen en middelen optimaal worden ingezet en handhavingsdoelen worden behaald. Hierbij is samenwerking met handhavingspartners een belangrijk onderdeel. In hoofdstuk 12 over Samenwerken is daar meer over te lezen. 7.2.Toezichtsplannen Afgelopen jaren zijn voor de provinciale bedrijven toezichtsplannen opgesteld. Vanwege het positieve effect van deze plannen is besloten om komende jaren ook voor de bedrijven die onder gemeentelijk bevoegd gezag vallen toezichtsplannen op te stellen, te beginnen bij 20 bedrijven in de hoogste categorieën (4 en 5) in 2023 en 2024 omdat daar de grootste risico’s zijn. In een later stadium wordt beslist of de plannen ook voor andere bedrijven of branches zinvol zijn. De ODMH gaat dus, naast informatiegestuurde toezicht en handhaving, ook aan de slag met het opstellen van toezichtsplannen. Dat is een plan van aanpak per branche of voor een individueel bedrijf. Door gebruik te maken van toezichtsplannen kunnen de effecten van het toezicht beter worden gerapporteerd. Naast handhavingseffecten kunnen ook nalevingtrends worden gesignaleerd. Op basis van verzamelde data kunnen specifieke toezichtsplannen worden opgesteld. Daarin kunnen bepaalde risico’s specifiek behandeld worden (per branche of individueel bedrijf). In een toezichtsplan kunnen verschillende instrumenten worden afgewogen om het naleefgedrag te bevorderen. Er kan meer worden ingezet op risicogericht toezicht, waarbij je tijdens een bedrijfsbezoek meer focust op een bepaald aspect of een bepaalde activiteit bij een bedrijf, in van plaats op het gehele bedrijf. Ook al bestaande werkafspraken voor branches of activiteiten kunnen worden opgenomen in toezichtsplannen. Het gaat dan om onder andere de branches of onderwerpen propaan, luchtwassers, natte koeltorens, energie, rapportageverplichtingen, vetafscheiders, tuinbouwbedrijven/ assimilatieverlichting en horecacontroles. Bij het opstellen van toezichtsplannen worden onder meer de onderstaande punten opgenomen: te controleren aspect(en), activiteiten, branche; afgewogen mix van handhavingsinstrumenten; communicatie paragraaf (intern/extern); registratie en rapportage resultaten; looptijd toezichtsplan. 7.3.IPPC Een IPPC-installatie is een installatie voor industriële activiteiten als bedoeld in bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (EU-richtlijn nr. 2010/75/EU). Voorbeelden van dergelijke installaties zijn afvalverwerkende bedrijven en grote intensieve veehouderijen. Binnen een bedrijf kunnen meerdere IPPC-installaties aanwezig zijn. Bedrijven waartoe een IPPC-installatie behoort, zijn vergunningplichtig. Zowel Gedeputeerde Staten als het college van burgemeester en wethouders kunnen het bevoegd gezag zijn voor zulke bedrijven. Lees hierover meer in bijlage 4. 7.4.Seveso-min bedrijven (voorheen Brzo-min bedrijven) Met de inwerkintreding van de Omgevingswet vervalt het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (BRZO). Hierin stonden de regels uit de Europese Seveso-richtlijn. De regels zelf zijn echter niet verdwenen. Deze komen terug in het Besluit activiteiten leefomgeving (verplichtingen voor de bedrijven), het Omgevingsbesluit (regels voor de overheden) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (aanwijzing domino-inrichtingen). Bedrijven die vallen onder de Seveso-richtlijn zijn bedrijven die werken met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Aan deze bedrijven worden direct werkende verplichtingen opgelegd over veiligheid en het beheersen van de risico’s. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor Seveso-inrichtingen. Voor een bedrijf waarin grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig (kunnen) zijn, is het daarom van belang te kunnen bepalen of het onder de Seveso-richtlijn valt. Om deze reden worden bij bedrijven die de Seveso-drempelwaarde (bewust) onderschrijden (de zogenoemde Seveso-min-bedrijven) in de vergunning een uitgebreide registratieverplichting voorgeschreven. Via toezicht kan de ODMH op basis van deze registratie beoordelen of de Seveso-drempelwaarde wordt overschreden. Als er toch een overschrijding geconstateerd wordt, wordt het bedrijf daarop aangeschreven. 8.INHOUDELIJKE ASPECTEN TOEZICHT EN HANDHAVING BOUW 8.1.Uitvoering Wkb Controle op bouwtechnische aspecten onder de Wkb: De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen heeft alleen betrekking op de bouwtechnische aspecten uit de hoofdstukken 4 (Nieuwbouw) en 5 (Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van een gebruiksfunctie) van het Bbl . Voorts zijn bouwwerken waarop de Wkb van toepassing is vergunningvrij. Dit heeft tot gevolg dat wij geen omgevingsvergunning hoeven te verlenen voor bouwtechnische aspecten van bouwwerken waarop de Wkb van toepassing is. Voorts betekent dit dat wij - in principe - niet meer controleren op de bouw van zulke bouwwerken. Het bouwtoezicht is in handen van de private kwaliteitsborger. De wetgever heeft echter de mogelijkheid open gelaten om in sommige gevallen toch op bouwtechnische aspecten van bouwwerken die onder de Wkb vallen te controleren. Dit zal bijvoorbeeld plaatsvinden als uit een risicobeoordeling en borgingsplan onvoldoende borging blijkt. De gemeente kan dan informatie opvragen en op basis van ontvangen informatie zelf toezicht houden. Bij grotere bouwwerken (waarin personen verblijven) zal dit eerder van belang zijn dan in geval van een klein bouwwerk zonder zo’n verblijfsfunctie dus voor, bijvoorbeeld, enkel opslag. De basis is hier dus risicogestuurd toezicht. In de fase van de bouwmelding is een onvoldoende risicobeoordeling en borgingsplan de aanleiding tot een controle. Als de kwaliteitsborger geen verklaring af kan geven door een strijdigheid, dan is de kwaliteitsborger verplicht de gemeente hierover te informeren. Er komt in ieder geval een administratieve reactie, namelijk een brief waarin staat dat ingebruikname verboden is, totdat aan de wet wordt voldaan. Op basis van risicogestuurd toezicht (met name dus grotere bouwwerken waarin personen verblijven) kunnen wij - al dan niet steekproefsgewijs - ook inhoudelijk reageren, namelijk door ter plaatste te controleren. Bij de gereedmelding wordt het ‘dossier bevoegd gezag’ verstrekt. Het dossier bevat informatie die nodig is om (in de toekomst) toezicht te houden op het gerealiseerde bouwwerk. Uiteraard zal elk overgelegd dossier bevoegd gezag worden gearchiveerd. Op basis van risicogestuurd toezicht kunnen wij - al dan niet steekproefsgewijs – het dossier bevoegd gezag ook inhoudelijk beoordelen en – indien nodig – ter plaatse controleren. Hierboven wordt vermeld dat het houden van toezicht op “Wkb-bouwwerken” steeds (al dan niet steekproefsgewijs) risicogestuurd plaatsvindt. Andere signalen voor het houden van toezicht zijn: eigen waarnemingen, klachten/meldingen van derden, ervaringen met aannemers en kwaliteitsborgers aanwezigheid van bijzondere lokale omstandigheden op de locatie. Hierna komen nog meer situaties aan de orde waarin een gemeentelijke toezichthouder toezicht houdt op bouwtechnische aspecten. Het verschil met de bovenstaande situaties is dat de Wkb het toezicht in de bovenstaande situaties – in beginsel – aan de kwaliteitsborger overlaat en in de onderstaande situaties niet. 8.2.Toch controle op bouwtechnische aspecten: informatie ten aanzien van moment Het zogenoemde “informatiemoment” dat het bevoegd gezag kan opleggen heeft betrekking op informatie over bepaalde werkzaamheden. In de wet is echter een bevoegdheid tot het opleggen van een informatiemoment toegevoegd. Een bevoegd gezag kan namelijk ook vragen om op specifieke momenten bepaalde informatie aan te leveren. Het gaat dan om informatie over het moment waarop bepaalde werkzaamheden worden uitgevoerd. Als het bevoegd gezag het nodig vindt, kan het tijdens de uitvoering erop toezien of een bepaald onderdeel van de bouw goed wordt uitgevoerd. Hierdoor wordt de rol van het bevoegd gezag tijdens de uitvoering groter. Extra aandacht wordt besteedt bij het opvragen van informatie en uitvoeren van toezicht voor onderdelen die later aan het zicht zijn onttrokken constructies zoals bv. funderingen, wapening in betonconstructie, van belang zijnde aansluitdetails en brandwerende doorvoeren. Ook hier kunnen de volgende zaken tevens leiden tot extra controles: eigen waarnemingen, klachten/meldingen van derden, ervaringen met aannemers en kwaliteitsborgers aanwezigheid van bijzondere lokale omstandigheden op de locatie. Ervaringen tijdens toetsing, toezicht en handhaving kunnen aanleiding zijn om steeksproefgewijs specifieke onderwerpen te controleren. Als extra doel van deze steekproeven wordt de pakkansbeleving beoogd. Het bevoegd gezag behoudt haar volledige toezichts- en handhavingsbevoegdheden op basis van de Awb. Zoals eerder vermeld zullen wij risicogericht-/steeksproefgewijs acteren. De verwachting is dat er met grote terughoudendheid gebruik moet worden gemaakt van deze bevoegdheid. 8.3.Toch controle op bouwtechnische aspecten: Omgevingsplan en bouwtechnische gevolgen maatwerkregels Het Omgevingsplan introduceert een hele andere mogelijkheid van controle door het bevoegd gezag op bouwtechnische aspecten. Het Omgevingsplan bevindt zich aan de andere kant van de Knip 1 Het begrip “de Knip” is in een vorig hoofdstuk uitgelegd.. Het bevoegd gezag behoudt de controlebevoegdheid op bouwactiviteiten aan die kant van de Knip. In het Omgevingsplan kunnen extra eisen worden opgenomen ten aanzien van energie- en milieuprestatie. Het gaat dan om de zogenoemde maatwerkregels. Als dergelijke maatwerkregels bouwtechnische gevolgen hebben, dan zal zowel het bevoegd gezag als de kwaliteitsborger op die gevolgen toezicht moeten houden. Het is nog niet zeker of wij van deze mogelijkheid in de praktijk gebruik zullen maken. Het Rijk wil bouwtechnische eisen voor nieuwbouwwoningen zoveel mogelijk gelijktrekken. Dit betekent dat er geen ruimte meer is voor extra eisen ten aanzien van energie- en milieuprestatie. Maatwerk betekent dat een bepaald geval op een specifiek wijze wordt behandeld. De industrie staat echter standaardisering voor. Een specifieke aanpak staat haaks op standaardisering. 8.4.Illegaal bouwen onder de Wkb Als illegaal wordt gebouwd, vereist zorgvuldig optreden dat het bevoegd gezag niet zonder meer opdraagt om zo’n illegaal bouwwerk te verwijderen. Eerst moet worden onderzocht of het bevoegd gezag niet achteraf alsnog een vergunning wil verlenen. Een dergelijk onderzoek wordt een legalisatieonderzoek genoemd. Zo bezien vindt bij illegaal bouwen achteraf plaats wat bij een aanvraag om omgevingsvergunning vooraf plaatsvindt, namelijk een toetsing aan de vaste criteria van het limitatief imperatieve toetsingsstelsel: het bestemmingsplan, welstandseisen, het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening. In het overgrote deel van de gevallen zal in het kader van een legalisatieonderzoek worden getoetst aan het bestemmingsplan (en in het verlengde daarvan aan afwijkingsbeleid) en aan welstandseisen. In geval van illegaal bouwen (in gevolgklasse 1) zal de bouwer achteraf de Wkb-procedure moeten doorlopen. Dit betekent dat hij een kwaliteitsborger moet aantrekken. Vervolgens zal de kwaliteitsborger het onderzoek moeten laten plaatsvinden op basis waarvan hij een verklaring kan afgeven, ook als dat onderzoek destructief onderzoek inhoudt. Dit betekent dat bepaalde onderdelen van het gebouw door sloop opengewerkt moeten worden om te controleren of volgens het Bbl is gebouwd. Als de bouwer: weigert om alsnog de Wkb-procedure in te gaan of wel een kwaliteitsborger inschakelt maar (destructief) onderzoek weigert of meewerkt aan onderzoek, maar de kwaliteitsborger geeft om welke reden ook geen verklaring af, dan rest het bevoegd niet anders dan gedwongen sloop op te leggen. Als het gaat om destructief onderzoek en het afgeven van de verklaring zullen gebouwen met een verblijfsfunctie (woningen, kantoorpanden) strikter worden benaderd dan bijvoorbeeld bergingen of overkappingen. Ook het bevoegd gezag zal in geval van een berging of een overkapping eerder overwegen of coulance mogelijk is. Evenwel bestaat de mogelijkheid dat de aannemer met uitgebreid fotomateriaal (en wellicht andere documenten zoals productcertificaten, berekeningen enz. enz.) komt. Daardoor kan bij de kwaliteitsborger het vertrouwen worden gewekt dat het illegale bouwwerk aan het Bbl voldoet. In dat geval zou destructief onderzoek niet nodig zijn. Ook het bevoegd gezag kan in zo’n geval tot de conclusie komen dat de gereedmelding en de verklaring acceptabel zijn. Overigens mag worden verwacht dat de Wkb en de veranderde aansprakelijkheid voor aannemers een rem op illegaal bouwen zetten. Onder de Wkb wordt de aannemer ook aansprakelijk als hij illegaal bouwt. Uiteraard hebben wij met illegale bouw aan de bouwtechnische kant van de Knip nog geen ervaring opgedaan. Wij zullen de ontwikkelingen rond illegale bouw onder de Wkb monitoren en indien noodzakelijk in de toekomst aanvullend beleid opstellen. 8.5.Controle op bouw- en sloopveiligheidsplan Het bevoegd gezag ziet toe op de hoofdstukken 3 (Bestaande bouw), 6 (Gebruik van bouwwerken) en 7 (Bouw- en sloopwerkzaamheden) van het Bbl. Dit valt niet onder de taken van de kwaliteitsborger en blijft dus de taak van het bevoegd gezag, evenals de handhaving op deze hoofdstukken. Dit betekent o.a. dat de controle op constructies die tijdens de bouw nodig zijn voor de instandhouding en de veiligheid van de omgeving van het bouwwerk (o.a. bouwkuipen, stempelconstructies en invloed van bemaling op de bebouwde omgeving) een taak blijft van het bevoegd gezag. Het bouw- en sloopveiligheidsplan t.b.v. de omgevingsveiligheid wordt een separaat onderdeel naast de omgevingsplanactiviteit en de bouwactiviteit onder de Omgevingswet. 8.6.Controle op Omgevingsplanactiviteit Hiervoor is al vermeld dat het bevoegd gezag aan de omgevingsplanactiviteitkant van de Knip toezicht moet blijven houden. Aan de omgevingsplanactiviteitkant van de Knip wordt toezicht gehouden op bijvoorbeeld welstand en op ruimtelijke bouwregels zoals plaats en afmetingen, maar ook op de activiteit aanleggen. Indien er sprake is van een vergunning voor een functiewijziging wordt bij de controle tevens gekeken naar brandveiligheidsaspecten. 8.7.Gevolgklasse 2 en 3 De Wkb is, zoals vermeld, vooralsnog alleen van toepassing op bouwwerken in gevolgklasse 1. Het huidige toezicht (op bouwtechnische en omgevingsplanactiviteiten) op bouwwerken in gevolgklasse 2 en 3 blijft dan ook gehandhaafd. 8.8.Overgangsrecht, vergunningverlening en bouwtoezicht Als een bouwwerk in beginsel in gevolgklasse 1 valt (de Wkb is dan van toepassing), maar de vergunning is verleend onder het recht dat gold voor inwerkingtreding van de Wkb, dan blijft het bouwtoezicht gehandhaafd zoals dat voorafgaand aan de Wkb plaatsvonden. Deze “oude” wijze van toezichthouden wordt vervolgd totdat het bouwwerk is opgeleverd of de vergunning is ingetrokken. Daarbij zij opgemerkt dat in zaken waarin de vergunning wordt ingetrokken, vaak nog weinig tot niets is gebeurd en dus waarschijnlijk nog geen toezicht heeft plaatsgevonden. De Omgevingswet kent ook in geval van handhavend optreden overgangsrecht. Dit heeft vooral gevolgen voor de wettelijke handhavingsgrondslagen en niet zozeer voor de wijze of mate van toezicht. 8.9.Informeren van toelatingsorganisatie en de instrumentaanbieder Onder de Wkb worden verschillende nieuwe “spelers” geïntroduceerd. Zo is daar de kwaliteitsborger die controleert op bouwkwaliteit. Hij doet dit aan de hand van een instrument. Dit instrument worden gemaakt door een instrumentaanbieder. De toelatingsorganisatie is belast met toetsing en toelating van instrumenten voor kwaliteitsborging en met toezicht en handhaving op het stelsel van kwaliteitsborging. De Wkb voorziet in een controlestelsel waarbij deze spelers elkaar of een onderdeel van het bouwproces controleren. De Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteitsborging verwoordt het aldus: Om te komen tot een heldere verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn de bevoegdheden van partijen als volgt verdeeld: de instrumentaanbieder controleert of de kwaliteitsborger voldoet aan de in het instrument voor kwaliteitsborging gestelde eisen; de kwaliteitsborger controleert of de bouwactiviteit voldoet aan de bouwtechnische regels voor en tijdens de bouw en voor de gereedmelding; de toelatingsorganisatie houdt toezicht op de toepassing van de instrumenten voor kwaliteitsborging en aanbieders daarvan en de werking van het stelsel; de gemeente is als bevoegd gezag belast met het toezicht op de naleving van de bouwregelgeving en draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving bij overtreding van die regelgeving. De vraag is nu of het bevoegd gezag lijdzaam toeziet als een kwaliteitsborger een instrument niet goed toepast. Voor een antwoord op die vraag is van belang of het bevoegd gezag wettelijk gezien verplicht is om misstanden te melden bij één van de voornoemde organisaties. Voor zover kon worden nagegaan bestaat zo’n verplichting niet. De ODMH kiest ervoor om wel een taak op dat gebied naar zich toe te trekken. Als misstanden worden gesignaleerd zal de ODMH zowel de instrumentaanbieder als de toelichtingsorganisatie daarvan op de hoogte stellen. Door beide organen in te lichten, ontstaat meer zekerheid dat één van beide organisatie de melding oppakt. 8.10.Asbest Toezicht en handhaven in zaken waarin asbesthoudende materialen in het spel zijn is een speerpunt van de ODMH. Dat zal het onder de Omgevingswet ook blijven. De ODMH beschikt over een asbestteam met asbesttoezichthouders. Dit zijn medewerkers die de relevante opleiding en training hebben gehad op het gebied van asbest. De uitvoering van de asbesttaak staat beschreven in het Asbestprotocol (intern document, herziene versie 2017). Hoofdtaak: calamiteiten De ODMH past het principe toe van “eerst beheersen en dan saneren”. Dit betekent dat wij in geval van een calamiteit eerst zorgen dat de gezondheid van bewoners en/of gebruikers van een pand of erf niet langer gevaar loopt. Dit gebeurt door een pand ontoegankelijk te maken door dit te verzegelen. Ook erven en terrein kunnen ontoegankelijk worden gemaakt door een lint of soms hekken te plaatsen. Zodra de situatie is beheerst, wordt onderzocht hoe de calamiteit kan worden verholpen. Soms kunnen hierover goede afspraken met een eigenaar worden gemaakt, zodat de ODMH slechts monitort of de asbestverwijdering goed verloopt. Soms is een last onder dwangsom nodig om te garanderen dat een asbestverontreiniging tijdig wordt verwijderd. De wachtdienst De wachtdienst milieu krijgt de meldingen door van de meldkamer DCMR. Indien er asbest in het spel is zullen zij de melding doorgeven aan de wachtdienst BWT. De wachtdienst BWT treed onder andere op bij asbestcalamiteiten die worden doorgegeven door de wachtdienst milieu en de meldkamer van de brandweer. Naar aanleiding van een melding zal de wachtdienstmedewerker de situatie ter plaatse beoordelen en indien nodig deskundige partijen inschakelen (asbestinventarisatie en verwijdering). Als de veroorzaker/eigenaar er niet toe kan worden bewogen om zelf de asbestverwijdering ter hand te laten nemen, kan de wachtdienstmedewerker (spoedeisende) bestuursdwang toepassen. De wachtdienst monitort het gehele proces tot het moment waarop een positieve eindbeoordeling plaatsvindt. Asbest en GRIP Indien er sprake is van een gecoördineerde regionale incidentenbestrijdingsprocedure (GRIP) waarbij sprake is van asbestverontreiniging zal de wachtdienst van handhavend optreden overgaan tot het adviseren van de gemeente waar het incident plaatsvindt. Het gaat dan om adviezen ten aanzien van de aanpak en ondersteuning bij asbestinventarisatie en -verwijdering en monitoring en verslaglegging van asbestgerelateerde onderwerpen. Hoofdtaken: beoordelen sloopmelding en toezicht Naast de hoofdtaak van het optreden in geval van calamiteiten heeft het asbestteam nog twee andere hoofdtaken, namelijk “beoordeling van de sloopmelding” en “toezicht tijdens asbestverwijdering”. Tijdens de beoordeling van de sloopmelding wordt beoordeeld of de melding voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving en wordt vastgesteld welke mate van toezicht nodig is tijdens de sloop/asbestverwijdering. Zo wordt in gevallen waarin de asbestverwijdering is ingedeeld in risicoklasse 1 in beginsel steekproefsgewijs toezicht gehouden. Bij gevallen in risicoklasse 2 wordt in beginsel één op de vijf gevallen gecontroleerd. Als sprake is van verzwarende omstandigheid, zoals verontreinigingen of verwijdering door een veelpleger, dan zal strenger wordt gecontroleerd. In gevallen in risicoklasse 2a wordt altijd gecontroleerd. De Omgevingswet Als de Omgevingswet in werking treedt komt de beoordeling van sloopmeldingen waarbij bedrijfsmatig asbest wordt verwijderd onder het basistakenpakket van de ODMH te vallen. Toezicht en handhaving werden hiervoor al wel door de ODMH uitgevoerd. De particuliere sloopmeldingen blijven buiten het basistakenpakket. Daarnaast behoort ook per inwerkingtreding van de Omgevingswet het bedrijfsmatig laten opruimen van asbest en asbesthoudende producten die vrijgekomen zijn ten gevolge van een incident tot het basistakenpakket. Als sprake is van een handhavingssituatie wordt naast het volgen van de gebruikelijke sanctiestrategie ook de certificerende instantie en/of de Nederlandse Arbeidsinspectie door ons geïnformeerd over de geconstateerde tekortkomingen. Toekomst De OMDH zal onverminderd de nadruk blijven leggen op asbestverwijdering waar risico’s voor de omgeving te verwachten zijn en in situaties die extra aandacht vragen, bijvoorbeeld asbestverwijdering uit publieke gebouwen. Uit onderzoek door Omgevingsdiensten is gebleken dat meer dan 50% van de asbesthoudende producten die bij de (provinciale) stortplaatsen terecht komen niet te herleiden zijn tot sloopmeldingen of niet op legale wijze zijn verwijderd. De ODMH wil in 2023 onderzoeken hoe het met deze situatie is gesteld in het eigen werkgebied. De focus zal daarbij liggen op de vraag of het steeds gaat om situatie waarbij asbestverontreiniging optreedt. Verder zal de ODMH blijven inzetten op opleiding en training van het asbestteam om ervoor te zorgen dat het op de hoogte blijft van ontwikkelingen in de wet- en regelgeving. 8.11.Brandveiligheid De ODMH treedt handhavend op in situaties waar sprake is van gevaar voor de brandveiligheid. Die situaties komen aan het licht door controles of klachten. Er zijn drie categorieën controles. Ten eerste de controles op basis van ingediende meldingen brandveilig gebruik. Een melding is verplicht bij onder andere kamerverhuur. Deze controles worden uitgevoerd door Brandweer Hollands Midden, onderdeel van de Veiligheidsregio Hollands Midden (hierna: brandweer). Daarnaast worden periodieke controles uitgevoerd. Dit gebeurt door de brandweer. De laatste categorie bestaat uit controles in het kader van bouwtoezicht als een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is verleend. De toezichthouders van ODMH beoordelen tijdens dergelijke controles ook de brandveiligheidsvoorzieningen. ODMH beschikt over toezichthouders die geschoold zijn op dit het gebied van brandveiligheid. Wanneer nodig worden deze bouwcontroles samen met de brandweer uitgevoerd. Wanneer de brandweer een onveilige situatie heeft waargenomen met betrekking tot de bouwkundige staat van een pand, meldt zij dit bij de ODMH. De ODMH kan dan handhavend optreden. Dat kan bij gevaarlijke situaties (in overleg met de brandweer vastgesteld) bestaan uit direct handhavend optreden, zoals het uitvoeren van onmiddellijke bestuursdwang en/of het evacueren van bewoners of gebruikers van een pand. Andersom informeert de ODMH de brandweer wanneer brandonveilige situaties worden gesignaleerd tijdens een controle. Wanneer geen sprake is van acuut gevaar gaat ODMH in gesprek met de eigenaar of huurder om diegene te bewegen maatregelen te nemen om de situatie op orde te brengen. Wanneer er geen bereidheid is of een stok achter de deur nodig is, wordt handhavend opgetreden door het opleggen van een last onder dwangsom om te garanderen dat maatregelen worden genomen om de situatie veilig te maken. Er wordt samengewerkt met de brandweer door, indien nodig, samen controles uit te voeren en advies te vragen aan de brandweer. De brandweer adviseert over aanvragen omgevingsvergunningen bouw en in handhavingszaken over de benodigde maatregelen om een situatie veilig (of nog veiliger) te maken. In de aanloop naar de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging wordt met de brandweer afgestemd welke werkprocessen anders moeten worden ingericht om de brandveiligheid te blijven waarborgen. In 2023 blijven wij intensief samenwerken met de brandweer op het gebied van brandveiligheid. 8.12.Prioritering en (verzoeken
- om)handhavend optreden Volgens rechtspraak mogen in het handhavingsbeleid prioriteiten worden gesteld, bijvoorbeeld als het gaat om de mate van toezicht op naleving van voorschriften. Handhavingsbeleid mag niet inhouden dat tegen laaggeprioriteerde overtredingen in het geheel niet handhavend zal worden opgetreden. Daarmee zou het te handhaven wettelijk voorschrift immers worden ondergraven. Het bevoegd gezag kan een verzoek om handhaving niet afwijzen met een enkele verwijzing naar zijn handhavingsbeleid waarin aan de desbetreffende overtreding een lage prioriteit is toegekend. Volgens de beginselplicht tot handhaving is het bevoegd gezag in beginsel verplicht op te treden tegen overtredingen. Alleen in bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgezien. We volgen vaste jurisprudentie hieromtrent. In de bovenstaande situatie is sprake van een officieel verzoek om handhavend optreden. Die situatie moet onderscheiden worden van de onderstaande situatie waarin het bevoegd gezag een standpunt moet innemen over een bouwwerk met een lage prioriteit dat onder de aandacht is gekomen naar aanleiding van, bijvoorbeeld, een klacht/melding. 8.13.Nul-prioriteit en ‘uitgesteld handhaven’ Naar aanleiding van een klacht/melding kan een situatie ontstaan waarin het bevoegd gezag een overtreding constateert en de overtreder daarvan op de hoogte stelt. De desbetreffende overtreding heeft echter een zodanig lage prioriteit dat het bevoegd gezag handhavend optreden niet noodzakelijk acht. Het bevoegd gezag kan dan “uitgesteld handhaven”. In de handhavingspraktijk van de ODMH worden die zaken ook wel aangeduid als zaken met een ‘nul-prioriteit’. Als een zaak een nul-prioriteit krijgt, wordt een brief verstuurd aan de overtreder waarin staat dat sprake is van een overtreding, maar dat er in verband met een lage prioriteit vooralsnog niet handhavend wordt opgetreden. Als de overtreding in omvang toeneemt, bij handhavingsverzoeken van derden en/of zodra de gemeente daartoe anderszins aanleiding ziet, kan alsnog handhavend worden opgetreden. Door mee te delen dat sprake is van een overtreding en dat niet definitief wordt afgezien van handhavend optreden kan bij de betrokkene niet het vertrouwen ontstaan dat nooit meer handhavend tegen de overtreding wordt opgetreden. ‘Uitgesteld handhaven’ vindt nooit plaats ten aanzien van een bepaalde groep bouwwerken of gebiedsgericht. Uitgesteld handhaven vindt slechts plaats als zich een specifiek geval voordoet waarin sprake is van een bouwwerk (of gebruik) dat niet of nauwelijks impact op de omgeving heeft. Uitgangspunten Toezicht en handhaving ODMH volgt de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) Toezicht wordt uitgevoerd op basis van een risicoanalyse: activiteiten met een hoger risico of een hogere impact op de omgeving worden vaker gecontroleerd dan activiteiten met een laag risico of met weinig impact Naleefgedrag wordt meegewogen in de risicoanalyse De ODMH zet in op informatiegestuurd toezicht en de verbetering van datakwaliteit De ODMH gebruikt toezichtsplannen voor specifieke bedrijven of branches De ODMH is 24/7 bereikbaar voor klachten en calamiteiten Controles worden in principe niet van te voren aangekondigd De ODMH zet bij (handhavings-)conflicten mediation in indien de situatie zich daarvoor leent en probeert waar mogelijk via een informele aanpak tot een oplossing te komen met partijen Bij bewuste en/of grove overtredingen wordt de inzet van strafrecht nadrukkelijk overwogen DEELIII Inhoudelijke onderwerpen Dit deel van de nota behandelt inhoudelijke onderwerpen. In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op enkele belangrijk inhoudelijke thema’s die de komende jaren extra aandacht krijgen, zoals zeer zorgwekkende stoffen, energiebesparing bij bedrijven en circulaire economie. Op pagina 52 vindt u een samenvatting, geformuleerd in uitgangspunten over de inhoudelijke thema’s. Dit is geen limitatieve opsomming. 9.INHOUDELIJKE THEMA’S 9.1.Afval en circulaire economie Vanuit de strategie ‘Circulair Zuid-Holland: Samen Versnellen’ werkt de ODMH samen met de andere Zuid-Hollandse omgevingsdiensten en de provincie om de afvalberg te verkleinen en het gebruik van nieuwe natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen te voorkomen. De vraag ‘is het afval of een grondstof?’ staat meestal centraal. Door gebruik te maken van de experimenteerruimte worden pilots mogelijk gemaakt met afvalstoffen. Bijvoorbeeld om te onderzoeken hoe afvalstoffen toegepast kunnen worden als bijproduct of grondstof, al dan niet na bewerking. Er zijn diverse werkgroepen: de werkgroep ‘einde afvalstatus’, de werkgroep ‘Groenafval in of op de bodem’ en de werkgroep ‘Producentenverantwoordelijkheid zonnepanelen’. Voor experimenten met de toepassing van groene reststromen als bodemverbeteraar of meststof (zoals bokashi), werden in het verleden ontheffingen op grond van artikel 10.63 van de Wet milieubeheer afgegeven namens Gedeputeerde Staten door de ODMH voor het gehele grondgebied van de provincie Zuid-Holland. Ontheffingen werden verleend voor experimenten die pasten binnen het kennisprogramma Circulair Terreinbeheer (CT) dat door de Wageningen University Research is opgezet om te kijken onder welke voorwaarden reststoffen die vrijkomen bij terrein- en waterbeheer hoogwaardig kunnen worden benut. In de ontheffingen werden voorschriften opgenomen waarmee onder meer