← Nederland

Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldambt (Oldambt)

In het kort

Dit document, het Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldambt, legt de beleidsregels vast voor de uitvoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) in de gemeente Oldambt. Het doel is om inwoners die ondersteuning nodig hebben om zelfstandig te kunnen leven en deelnemen aan de samenleving, passende voorzieningen te bieden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente OldambtBurgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt;Gelet op de bepalingen van de Verordening maatschapelijke ondersteuning gemeente Oldambt;B e s l u i t e n :vast te stellen het volgende:Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldambt luidende als volgt: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Voorwoord Uitvoering WmoIn de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) zijn per 1 januari 2007 de Welzijnswet, de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), de huishoudelijke verzorging en een aantal subsidieregelingen uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ondergebracht. Het doel van de Wmo is dat iedereen, van elke leeftijd, met en zonder beperkingen en met en zonder problemen volwaardig aan de samenleving kan deelnemen. Iedereen moet zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en kunnen deelnemen aan de samenleving. Sommige hebben hier ondersteuning bij nodig en hier dient de gemeente zorg voor te dragen. De Wmo verplicht gemeenten om te zorgen voor een goed samenhangend stelsel van ondersteuning voor inwoners die niet goed in staat zijn om in bepaalde situaties zelf of samen met anderen, oplossingen te realiseren. In de Wmo wordt de opdracht gegeven om compenserende voorzieningen te treffen om beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Juridische statusIn de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning is vastgelegd op welke voorzieningen en onder welke voorwaarden personen met beperkingen aanspraak kunnen maken in het kader van de Wmo. In het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning zijn de bedragen opgenomen die hierop van toepassing zijn. In dit Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning zijn de beleidsregels neergelegd. De status van dit Verstrekkingenboek moet worden gezien tegen de achtergrond van beleidsregels. Beleidsregels strekken ertoe te komen tot een goed samenhangend stelsel van compenserende voorzieningen voor inwoners die niet goed in staat zijn om zelf of samen met anderen, oplossingen te realiseren. De beleidsregels waarborgen voldoende rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, individuele rechtsbedeling, kenbaarheid en goede uitvoerbaarheid, alsmede een verantwoorde budgetbeheersing. Besluiten zullen zorgvuldig moeten worden voorbereid (verzamelen van informatie), genomen (toetsing en belangenafweging) en uitgevoerd (motivering en nazorg). Daarbij zullen de wettelijke voorschriften van de Wmo, de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht, de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldambt, het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, alsmede het opgestelde beleid zoals dit Verstrekkingenboek, in acht moeten worden genomen. De voorschriften kunnen van procedurele en van inhoudelijke aard zijn. Daar waar de voorschriften beleidsvrijheid bieden, dient uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid door middel van nadere beleidsregels zoveel mogelijk in gedragslijnen te worden aangegeven hoe met de beleidsruimte zal worden omgegaan. Dit is het verstrekkingenbeleid. Deze nadere beleidsregels liggen in het verlengde van de verordening. Aan de ene kant kan met het oog op de beginselen van behoorlijk bestuur niet zonder meer van deze nadere regels worden afgeweken. Indien toepassing van een beleidsregel voor een aanvrager vanwege bijzondere omstandigheden tot een onevenredigheid zou leiden in verhouding tot het doel van de gedragslijn, bestaat de mogelijkheid om gemotiveerd van de beleidsregel af te wijken. Aan de andere kant zijn deze beleidslijnen meer vatbaar voor aanpassing. De beleidsregels kunnen in tegenstelling tot de verordening, die door gemeenteraad gewijzigd kan worden, immers gewijzigd worden door het college. Artikel1.2Verhouding tot andere documenten Hoe alle documenten m.b.t. de Wmo zich tot elkaar verhouden, ziet er schematisch weergegeven als volgt uit:WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNINGVERORDENINGBESLUIT VERSTREKKINGENBOEK Artikel1.3Begripsbepalingen In dit Verstrekkingenboek wordt verstaan onder:a. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;b. Verordening: Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Oldambtc. Besluit: het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Oldambt;d. Verstrekkingenboek: het Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning Oldambt waarin nadere beleidsregels zijn opgenomen;e. AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenf. Cluster Wmo: de organisatie die belast is met de indicatiestelling voor en de verstrekking van voorzieningen zoals bedoeld in de verordening;g. Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek objectief aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van een huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden; h. Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken;i. Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven; j. Compensatiebeginsel: de opdracht aan het gemeentebestuur om personen met objectief aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie;k. Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt (snel leverbaar);l. Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden, voldoende compensatie biedt en doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verleend wordt;m. Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend;n. Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het college vast te stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (eigen aandeel) betaald moet worden en waarop de regels van dit Besluit en het Verstrekkingenboek van toepassing zijn;o. Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage, gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van een voorziening door de aanvrager wordt bespaard omdat deze verstrekte voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening vervangt of kan vervangen;p. Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;q. Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in het Verstrekkingenboek en het Besluit te stellen regels van toepassing zijn;r. Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge de verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is;s. Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager;t. Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de Wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;u. Instandhoudingskosten: alle kosten die betrekking hebben op het in stand houden van de voorzieningen genoemd in de Verordening;v. Huisgenoot: een ieder met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont;w. Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder b van de Wet;x. Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte van een gebouw, bestemd voor bewoning, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de aanvrager vanaf de toegang van het gebouw te bereiken;y. Sanering: een woonvoorziening van niet bouwkundige of niet woontechnische aard zoals het aanbrengen van vloerbedekking en raambekleding ten behoeve van COPD- en Astmapatiënten;z. TaxiPlus: het Collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer;aa. Verzamelinkomen: het inkomen zoals bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001; ab. Inkomensgrens: de grens waarboven een auto, een met een auto vergelijkbare voorzieningen en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten voor de persoon als de aanvrager als algemeen gebruikelijk worden beschouwd en niet voor verstrekking of vergoeding in aanmerking komen; ac. Gemaximeerde vergoeding: een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening die toteen vastgesteld maximum wordt verstrekt; ad. Forfaitaire vergoeding: een geldbedrag dat onafhankelijk van de werkelijke kosten van een voorziening wordt verstrekt; ae. COPD: een afkorting van de Engelse term 'Chronic Obstructive Pulmonary Diseases', dit betekent chronisch (langdurig) obstructieve longziekte; af. Valys: een vervoersvoorziening voor bovenregionaal vervoer voor personen met beperkingen in opdracht van het ministerie van VWS (www.valys.nl). Artikel1.4Algemene voorzieningen Zoals de begripsbepaling over een algemene voorziening aangeeft, gaat het hier om direct uit voorraad beschikbare voorzieningen die via een verkorte procedure kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan bijvoorbeeld woonvoorzieningen die vanuit een depot opnieuw worden verstrekt, zoals bijvoorbeeld een gebruikt douchezitje wat bij een woningverhuurder in depot opgeslagen is en opnieuw kan worden verstrekt. Andere algemene voorzieningen kunnen nog ontwikkeld worden.Algemene voorzieningen zijn voorliggend aan individuele voorzieningen. Met andere woorden: een individuele voorziening wordt pas verstrekt indien een algemene voorziening onvoldoende oplossing biedt of niet beschikbaar is.Voor algemene voorzieningen is geen persoonsgebonden budget mogelijk en wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Artikel1.5Uitsluitingsgronden 1.5.1Voorziening langdurig noodzakelijk Artikel 2 lid 1 sub a van de Verordening luidt dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is om belemmeringen op het gebied van het voeren van het huishouden, het normale gebruik van de woning, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen. Voorzieningen dienen dus langdurig noodzakelijk te zijn. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de betrokkene voor langere tijd aangewezen dient te zijn op een desbetreffende aanpassing, hulpmiddel of dienst. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze beperkingen van voorbijgaande aard zijn, niet voor een voorziening in het kader van de Verordening in aanmerking komt. Een uitzondering hierop kan gelden bij de voorziening huishoudelijke verzorging. Deze voorziening zou immers ook in tijdelijke situaties kunnen worden toegekend. Indien nodig kan de betrokkene voor hulpmiddelen voor een maximale periode van 6 maanden (3 maanden met verlenging van 3 maanden) een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Waar precies de grens ligt tussen langdurig en kortdurend zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen, aanpassingen of diensten zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand situaties van terugval opvolgen kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. Langdurig noodzakelijk geeft een dubbele afgrenzing. Enerzijds geeft het een afgrenzing in de tijd. Langdurig noodzakelijk staat dan tegenover kortdurend noodzakelijk. De andere afgrenzing geeft een noodzakelijkheid aan. De gevraagde voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn, dus niet gewenst of gemakkelijk. Op grond van de Verordening moet er sprake zijn van objectief aantoonbare beperkingen die een voorziening noodzakelijk maken. In geval van een niet-objectiveerbare aandoening wordt een onafhankelijk medisch adviseur om advies gevraagd. Deze adviseur moet vaststellen dat het ernstige beperkingen zijn die worden ondervonden en dus geen klachten. Voorts moeten de beperkingen structureel aanwezig zijn en objectiveerbaar zijn, dus niet beïnvloed door het eigen gevoel van de aanvrager. Tot slot dient hetgeen de aanvrager kan vertellen met betrekking tot de voorgeschiedenis van het ziektebeeld consistent te zijn. 1.5.2Adequaat, doelmatig en sobere voorziening In artikel 2 lid 1 sub b van de Verordening is bepaald dat een voorziening slechts kan worden verstrekt voor zover deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Met het begrip adequaat wordt bedoeld ‘volgens objectieve maatstaven nog toereikend’. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Een uitzondering kan zijn dat een kwalitatief beter product de kosten verhoogt, maar ook de duurzaamheid verlengt, waardoor het product langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau dient bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau te worden aangesloten. 1.5.3Voorziening op het individu gericht Artikel 2 lid 1 sub c van de Verordening bepaalt dat een voorziening, zowel een algemene als een individuele voorziening, in overwegende mate op het individu gericht moet zijn. Door het opnemen van deze bepaling worden hulpmiddelen voor gemeenschappelijk gebruik uitgesloten, hoewel voorzieningen die naast individueel ook een gezamenlijk karakter hebben wel kunnen passen in het kader van de Verordening. Met het op het individu gericht zijn worden de volgende punten bedoeld:- Een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Er moet altijd één individuele aanvrager zijn die de voorziening aanvraagt;- Een voorziening wordt alleen verstrekt voor zover het de aanvrager betreft. De aanvrager die bijvoorbeeld een vervoersvoorziening nodig heeft, kan die voorziening alleen ten eigen nutte aanvragen. 1.5.4Voorziening algemeen gebruikelijk Artikel 2 lid 2 sub a van de Verordening bepaalt dat een voorziening geweigerd wordt indien die voorziening algemeen gebruikelijk is voor de persoon als de aanvrager. Waar de grens ligt tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat niet, wordt bepaald door algemeen maatschappelijke normen. Rolstoelen zijn in principe niet algemeen gebruikelijk voor een persoon als de aanvrager. In de tijd kan iets wat voorheen niet als algemeen gebruikelijk werd gezien wel algemeen gebruikelijk worden. De beoordeling wat in het betreffende geval als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd vindt plaats op basis van jurisprudentie en maatschappelijke ontwikkelingen. De Centrale Raad van Beroep heeft in haar uitspraak van 3 juli 2001 (RSV 2001/223) overwogen dat met de hantering van het begrip “algemeen gebruikelijke voorziening” wordt beoogd te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan gelet op de omstandigheden van de betrokken gehandicapte, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij niet gehandicapt was, de beschikking zou (kunnen) hebben. Voorbeelden van zaken die als algemeen gebruikelijk worden gezien:- hendelkranen(Arr. Rb. `s-Hertogenbosch, 17-02-2000, reg.nr. 98/9625 WVG);- thermostaatkranen;- telefoonabonnement;- automatische transmissie in de auto (automaat);- airconditioning in de auto;- stuurbekrachtiging auto;- keramische kookplaat;- kosten van aanschaf en het gebruik van een spartamet/snorfiets/elektrofiets(CRvB 17 december 1996, 95/7818);- wasdroger;- centrale verwarming (CRvB, 28-05-1999, reg.nrs. 98/5258 WVG RO11 93 en 98/5365 WVG RO11 93);- regenkleding;- douche, indien het lavet vervangen dient te worden (CRvB 1 april 1997, 95/5782);- aanpassingen ter vergroting van de veiligheid (deurketting (ook voor blinden geschikt), bijzondere sloten). De criteria die in het kader van de Wmo wordt gehanteerd bij het beoordelen of een zaak als algemeen gebruikelijk aangemerkt kan worden zijn:- is het middel niet speciaal voor mensen met een handicap?- is het normaal in de handel verkrijgbaar, overal te koop?- is het niet duurder dan vergelijkbare producten?Indien de drie vragen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord, is veelal sprake van een algemeen gebruikelijke zaak. Meerkosten vanwege de beperkingen van een aanvrager aan algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen onder bepaalde voorwaarden wel recht op aanspraken geven (bijvoorbeeld aanpassingen aan fiets of auto). Algemeen gebruikelijke zaken zouden conform jurisprudentie toch voor vergoeding in aanmerking kunnen komen indien een ziekte of gebrek noopt tot plotselinge onvoorzienbare vervanging van zaken, die reeds recent vervangen zijn en anders niet vervangen zouden worden. Hierbij wordt wel het inkomen van de aanvrager beoordeeld; er dient sprake te zijn van een inkomen, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen. 1.5.5Aantoonbare beperkingen Op grond van de Verordening moet er sprake zijn van objectief aantoonbare beperkingen die een voorziening noodzakelijk maken. Daarbij dienen de aantoonbare beperkingen die men ondervindt in het wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen het gevolg te zijn van ziekte of gebrek. Of er sprake is van ziekte of gebrek zal veelal op grond van een medische diagnose moeten worden vastgesteld. Vervolgens moet op grond van die diagnose aan kunnen worden gegeven of de onder¬vonden beperkingen en de daaruit voortvloeiende belemmeringen een direct gevolg zijn van ziekte of gebrek. De adviseur moet vaststellen dat het ernstige beperkingen zijn die worden ondervonden en dus geen klachten. Voorts moeten de beperkingen structureel aanwezig zijn en objectiveerbaar zijn, dus niet beïnvloed door het eigen gevoel van de aanvrager. Tot slot dient hetgeen de aanvrager kan vertellen met betrekking tot de voorgeschiedenis van het ziektebeeld consistent te zijn Ouderdom is op zich niet synoniem aan ziekte of gebrek. Toch kan een gebrek nauw samenhangen met het ouderdomsproces. Het gegeven dat men oud is, is op zich dus geen indicatie voor voorzieningen in het kader van de Wmo. Wel kunnen gebreken als gevolg van slijtageprocessen, onverbrekelijk verbonden aan het ouder worden, aantoonbare beperkingen opleveren en daardoor aanleiding zijn om in het kader van de Wmo voorzieningen te treffen. Wat te doen bij aantoonbare beperkingen zonder dat er sprake is van aantoonbare ziekte of gebrek. Zo kunnen pijnklachten soms een psychische of psychiatrische achtergrond hebben en zijn moeilijk naar een concrete ziekte of een concreet gebrek te herleiden, terwijl er nauwelijks discussie is over de vraag of er sprake is van beperkingen. De gemeente is zeer terughoudend in het verstrekken van voorzieningen als de arts constateert dat er sprake is van een niet objectiveerbaar ziektebeeld. In bijzondere gevallen kunnen aantoonbare beperkingen, waar geen objectiveerbaar ziektebeeld aan ten grondslag ligt, noodzaken tot verstrekking van een voorziening, omdat het niet verstrekken van een voorziening kan leiden tot gezondheidsschade. Hoofdregel: Bij afwezigheid van een geobjectiveerd ziektebeeld heeft de gemeente geen zorgplicht tot het verstrekken van voorzieningen op grond van de Wmo. Uitzondering. Toekenning van een (tijdelijke) Wmo voorziening. Voor toekenning van een voorziening dient het indicatie-orgaan een met de gemeente afgesproken ‘adviestraject’ te doorlopen. Voorwaarde voor de verstrekking van voorzieningen is dat meerdere (onafhankelijke) medisch deskundi¬gen een vrijwel eenduidige opvatting hebben over de beperkingen en de prognose op langere termijn en dat de voorziening niet strijdig is met lopende behandelplannen. Voor de gemeente is het voor de besluitvorming van belang te weten of er sprake is van een niet geobjectiveerd ziektebeeld, omdat er in dat geval door de gemeente een toetsing dient plaats te vinden van het afgesproken adviestraject. Zo is afgesproken dat het positieve medische advies door twee artsen is ondertekend. Enkele niet objectiveerbare ziektebeelden zijn: Myalgische Encephalomyelitis (ME), Fibromyalgie, Whiplash en bekkeninstabiliteit. 1.5.7Uitrustingsniveau sociale woningbouw Artikel 2 lid 2 sub d van de Verordening bepaalt dat een voorziening geweigerd wordt voorzover deze betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit

  1. Woonvoorzieningen die op dit uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn van voldoende kwaliteit.Een voorbeeld is een garage, waarvoor een elektrische deuropener wordt aangevraagd om er gebruik van te kunnen maken. Omdat een garage niet tot het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw behoort, zal aanpassing niet verstrekt worden in het kader van de Wmo, tenzij de garage de enige plek is waar bijvoorbeeld een scootmobiel gestald kan worden. 1.5.8Meerkosten In artikel 2 lid 2 sub e van de Verordening is bepaald dat indien er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd, geen voorziening zal worden toegekend.De Wmo kent het compensatiebeginsel, maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te hebben zal als hij die auto moet hebben vanwege een handicap niet in een andere situatie komen. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd moeten worden.Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening. 1.5.9Kosten reeds gemaakt Artikel 2 lid 2 sub f van de Verordening luidt dat geen voorziening wordt verstrekt voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van de aanvraag al heeft gemaakt. Niet eerder dan nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een voorziening heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de realisatie van de werkzaamheden of mag een voorziening worden aangeschaft. Pas op dat moment heeft het cluster Wmo alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorzieningen. Indien voorzieningen reeds zijn aangeschaft of zijn gerealiseerd, is een zinvolle beoordeling van de oorspronkelijke situatie onmogelijk. Bovendien heeft het cluster Wmo geen invloed kunnen uitoefenen op de gekozen materialen. Door deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als een adequaat, doelmatig en sobere voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. 1.5.10Voorziening reeds eerder verstrekt Op grond van artikel 2 lid 2 sub g van de Verordening wordt een voorziening geweigerd indien een zelfde voorziening reeds eerder krachtens de Verordening, dan wel krachtens de aan de Verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken. Deze zal verderop in dit Verstrekkingenboek gedefinieerd worden.Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootmobiel rijdend te houden. Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid, onder invloed van alcohol of drugs enz. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden.Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te worden.Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn.Als iemand een persoonsgebonden budget heeft kan op gelijke wijze bij verlorengaan gedurende looptijd gehandeld worden. Indien in een woning een dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep gedaan worden in het kader van de Wmo. Hoofdstuk2Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen Andere wet- of regelgeving of afgesloten verzekering Er bestaat geen aanspraak op een voorziening indien op basis van een andere wet- of regelgeving of een afgesloten verzekering aanspraak op die voorziening gemaakt kan worden. Een voorbeeld daarvan is de aanspraak die iemand heeft voor sociaal vervoer, wanneer hij werkt en in het kader daarvan een vervoersvoorziening ontvangt (combinatie werk-leefvervoer). Op grond van de Wmo bestaat dan geen recht op een vervoersvoorziening. Artikel2.1Inleiding Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende:“ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. De voorziening wordt verstrekt. Artikel 6 Wmo bepaalt dat er een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo:“Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.”In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt - in navolging van de Wvg - de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget genoemd worden. Ook zal soms een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding die op declaratiebasis wordt verstrekt. Artikel2.2Persoonsgebonden budget Op grond van de Verordening wordt het criterium ‘goedkoopst adequate voorziening’ gehanteerd, die geïndiceerd is en omschreven is in een programma van eisen. Niet altijd stemt de goedkoopst adequate voorziening overeen met de wensen van de aanvrager. Om toch aan die wensen van een aanvrager tegemoet te kunnen komen, bestaat de mogelijkheid voor een persoonsgebonden budget. Deze mogelijkheid bestaat uitsluitend voor individuele voorzieningen en niet voor algemene voorzieningen of een collectieve voorziening zoals het collectief vervoer. Artikel 6 van de Verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget. Een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld.De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:- Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft;- Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg;- Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte.Ook bij collectieve voorzieningen wordt er geen persoonsgebonden budget verstrekt.In een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een naturavoorziening wegvallen.Daarom is in de Verordening nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Dit onderdeel zal in het hoofdstuk vervoer nog nader worden uitgewerkt. Een persoonsgebonden budget wordt uitsluitend verstrekt op verzoek van de aanvrager. Dit kan de aanvrager kenbaar maken bij het indienen van de aanvraag, maar ook gedurende de afhandeling van de aanvraag bestaat hiertoe de mogelijkheid. Het college verstrekt een persoonsgebonden budget die bij huishoudelijke verzorging is gebaseerd op 75% van het gewogen gemiddelde uurbedrag bij zorg in natura en bij de overige voorzieningen op 100% van de kosten van de adequaat, doelmatig en sobere voorziening. Tot de invoering van de Wmo werd in de AWBZ de hoogte van het persoonsgebonden budget bij huishoudelijke verzorging ook vastgesteld op 75% van de prijs die wordt gerekend voor zorg in natura, omdat er minder overheadkosten in de waardebepaling van het persoonsgebonden budget zijn doorberekend. De aanvrager kan het persoonsgebonden budget gebruiken voor de door hem gewenste voorziening. Wel geldt voor woon-, vervoers- en rolstoelvoorzieningen daarbij de voorwaarden dat de alternatieve oplossing adequaat moet zijn (als zodanig vastgesteld door het cluster Wmo in een programma van eisen). Verder moet de voorziening minimaal zijn voorzien van het CE-keurmerk. Per hoofdstuk van dit Verstrekkingenboek is steeds een paragraaf en/of een aantal paragrafen opgenomen over de mogelijkheden voor een persoonsgebonden budget bij de verschillende voorzieningen. Hierin is ook de omvang van het persoonsgebonden budget (de tegenwaarde) vastgelegd en de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld. Ook wordt nader aangegeven hoe de controle van het persoonsgebonden budget plaatsvindt. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Bijvoorbeeld wanneer er op grond van aanwijzingen, die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden, het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget. Dit kan zijn wanneer een aanvrager schulden heeft. Ook bij psychische problemen of sociaal-medische problemen kan verwacht worden dat het omgaan met een persoonsgebonden budget problemen kan geven. Daarnaast kan verstrekking als een persoonsgebonden budget geweigerd worden als de aanvrager al eerder een persoonsgebonden budget heeft gekregen, welke is ingetrokken en/of teruggevorderd. Er kan echter tijdens onderzoek duidelijk worden dat de aanvrager deze problemen met het omgaan met een persoonsgebonden budget niet meer zal hebben, bijvoorbeeld doordat iemand namens hem als budgethouder zal optreden. Tot slot wordt voor woon-, vervoers- en rolstoelvoorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt indien verstrekking hiervan leidt tot kapitaalvernietiging. Verstrekking als een persoonsgebonden budget kan dan alleen plaatsvinden als de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt langdurig adequaat is. De term “langdurig adequaat” is verbonden aan de afschrijvingsduur van een voorziening. Bij een rolstoelvoorziening is dit vastgesteld op 7 jaar, bij een woonvoorziening op 7 jaar.Een verstrekking van een voorziening in natura heeft de voorkeur als de verwachting is dat een voorziening na enige tijd niet meer adequaat zal zijn voor de aanvrager. Een voorziening die in natura is verstrekt en niet meer geschikt is voor de aanvrager komt immers in een depot en kan herverstrekt worden. Bij verhuizing naar een andere gemeente zal bij een persoonsgebonden budget voor losse voorzieningen de nieuwe gemeente verzocht worden om het resterende deel van het persoonsgebonden budget, gebaseerd op de afschrijving, te vergoeden aan het college. Indien hiertoe geen bereidheid is, moet het eigendomsrecht van de voorziening overgedragen worden aan het college. Ook bij overlijden wordt een als persoonsgebonden budget verstrekte losse voorziening eigendom van het college. Het cluster Wmo bepaalt vervolgens of deze voorziening in het depot geplaatst wordt en zal worden herverstrekt of dat verkoop aan bijvoorbeeld een leverancier aan de orde is.Vervanging, of de verstrekking van een nieuw persoonsgebonden budget, vindt uitsluitend plaats na afloop van de gehanteerde afschrijvingsduur en nadat uit een technische keuring blijkt dat vervanging noodzakelijk is. Indien niet of slechts gedeeltelijk is voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld aan de verlening van het persoonsgebonden budget of indien binnen 6 maanden na uitbetaling het persoonsgebonden budget niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden, wordt de beschikking ingetrokken en kan tot terugvordering worden overgegaan. Uitbetaling persoonsgebonden budget.Als het persoonsgebonden budget berekend is, zal het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is.Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, hetgeen op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking.In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden.Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging.Steekproefsgewijs zal het college controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan zal het college het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. Artikel2.3Zorg in natura Wordt een voorziening niet als persoonsgebonden budget verstrekt, maar in natura, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt.Goederen/voorzieningen in natura worden aan de gehandicapte in bruikleen toegekend, waarbij de huur nihil is. Het voordeel van een verstrekking in bruikleen is dat de voorziening kan worden hergebruikt. De cliënt dient een bruikleenovereenkomst te ondertekenen. Artikel2.4Eigen bijdragen en eigen aandeel Eigen bijdrages in het kader van de Wmo worden berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2006 doet men aangifte over 2005, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2004 in 2006 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd. In Oldambt wordt uitsluitend voor de voorziening huishoudelijke verzorging door het college een eigen bijdrage gevraagd. Een eigen aandeel in de kosten kan worden gevraagd in die situaties dat de cliënt zelf kiest voor een luxere uitvoering van een woonvoorziening. De meerkosten kunnen in die situatie gezien worden als een eigen aandeel in de kosten. Artikel2.5Besparingsbijdrage Indien een te verstrekken voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening vervangt, zou de aanvrager de kosten voor deze algemeen gebruikelijke voorziening niet hoeven te maken. Gelet op het principe van het uitsluitend vergoeden van de meerkosten die een persoon met beperkingen heeft, wordt voor sommige voorzieningen een besparingsbijdrage gevraagd aan de aanvrager. Een voorbeeld is een scootmobiel, een driewielfiets of een fiets in een bijzondere uitvoering. Deze vervangt een reguliere, algemeen gebruikelijk fiets. Hoofdstuk3Huishoudelijke verzorging Artikel3.1Inleiding De huishoudelijke verzorging, ook wel hulp bij het huishouden genoemd, is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie huishoudelijke verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over “een huishouden te voeren” waaronder in de verordening Wmo zowel huishoudelijke verzorging wordt verstaan als de woonvoorzieningen uit de Wvg. Huishoudelijke verzorging is gericht op het motiveren, aansturen, instrueren en zo nodig overnemen van het huishouden, het organiseren en structureren ervan. Huishoudelijke verzorging omvat (geen limitatieve opsomming):- De essentiële hygiëne van de huishouding: schone bedden, kleding, sanitair, vloeren stofzuigen en dweilen;- Incidentele werkzaamheden als het schoonhouden van ramen, kasten, enz;- Verzorgen van dieren en planten;- Het zorgen voor eten en drinken: aanschaffen van voedingsmiddelen, bereiden en tot zich doen nemen van voeding en drinken, afvoeren van vuilnis;- Het verzorgen van de aanwezige hulpbehoevende personen (kinderen). Huishoudelijke verzorging is aangewezen indien de aanvrager beperkingen ondervindt in het voeren van het huishouden die gerelateerd zijn aan beperkingen op het gebied van sociale redzaamheid en/of mobiliteit.Huishoudelijke verzorging komt in beeld als disfunctioneren dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of de kleding), verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging, voeding en vocht) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Artikel3.2Tijdelijke situaties overgangsrecht ex artikel 41 Wmo De Wmo regelt in artikel 41 overgangsrecht voor huishoudelijke verzorging als opvolging van de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ. Dit houdt in dat wie op het moment van inwerkingtreding van de Wmo (1 januari 2007) een indicatie heeft voor de functie HV, deze rechten ziet blijven gelden zo lang de indicatie loopt met een maximum van één jaar, dus maximaal gedurende het jaar
  2. Daarbij is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van betrokkene en dat betrokkene de eigen bijdrage niet meer verschuldigd is aan het Centraal Administratiekantoor (CAK) maar aan het college.Daarnaast is geregeld dat op aanvragen voor huishoudelijke verzorging door het college tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening Wmo heeft vastgesteld, doch weer uiterlijk tot na een jaar na inwerkingtreding van de Wmo, een beslissing wordt genomen volgens de regels zoals die onder de AWBZ golden, waarbij het college optreedt als onafhankelijk indicatieorgaan.De gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten hebben vóór 1 oktober 2006 de Verordening Wmo vastgesteld en hebben geen nieuw beleid in die Verordening:a. voor diegenen die een geldige indicatie hebben in 2007 ten aanzien van hen, zolang de indicatie duurt, de oude AWBZ-rechten voortzetten tot de indicatie afloopt of tot 1 januari 2008;b. voor diegenen die voor het eerst een aanvraag doen, of die met een lopende AWBZ-indicatie een aanvraag indienen voor meer zorg, een besluit nemen met toepassing van de regels zoals die in de Verordening Wmo zijn vastgesteld.Uiteraard kunnen zorgvragers tot en met 31 december 2006 aanvragen indienen bij het CIZ voor een indicatie. Het kan zelfs voorkomen dat aanvragers bewust besluiten niet te wachten tot na 1 januari 2007 omdat zij het AWBZ-beleid prefereren boven het Wmo-beleid. Ook bij de invoering van de Wvg hebben we de situatie gezien dat nog onder het AAW-regime bruikleenauto´s werden aangevraagd en verstrekt, omdat verwacht werd dat dit onder de Wvg aanzienlijk moeilijker zou worden.Het Protocol van overdracht heeft hierover het volgende bepaald:“Eind 2006 zullen cliënten zich nog aanmelden voor AWBZ-zorg, terwijl enkele weken later de Wmo zal ingaan. Strikt genomen geldt het volgende: tot en met 31 december 2006 23.59 uur kunnen nog indicaties worden afgegeven onder het AWBZ-regime (AWBZ-beslissing);per 1 januari 0.00 uur worden indicaties afgegeven onder het Wmo-regime (Wmo-beslissing). Het ministerie van VWS heeft in afstemming met CIZ, ZN, VNG de volgende afspraken gemaakt ten aanzien van de nieuwe aanvragen die eind 2006 binnen komen: - Tot en met 31 december 2006 kunnen cliënten zich melden bij het CIZ voor een indicatie voor huishoudelijke verzorging.- Indien aanvragen vóór 1 januari 2007 door het CIZ zijn afgehandeld betreft het AWBZ-besluiten. Deze cliënten zijn overgangscliënten. Leidend is de datum van het indicatie-besluit.- Indien aanvragen ná 1 januari 2007 worden afgehandeld, geeft het CIZ een advies op basis van de regels voor een AWBZ-indicatie aan de gemeente. Het CIZ hanteert altijd een termijn van maximaal zes weken voor de afhandeling van de aanvragen. Het college van B&W neemt een beslissing onder het Wmo-regime. Dit zijn géén overgangscliënten. Voor de hulpvragen die na 1 januari 2007 binnenkomen geldt het volgende: het CIZ zal de vraag naar ondersteuning bij het huishouden doorsturen naar de gemeente.” Dit betekent dat er vanaf 1 januari 2007 door het CIZ aanvragen worden afgehandeld waarvoor het college een advies krijgt op basis van de AWBZ-regelgeving zoals die gold tot 1 januari
  3. Het college neemt op basis van deze adviezen een besluit volgens het dan binnen de gemeente onder de Wmo geldende regime.Voor alle aanvragen die door het CIZ zijn afgehandeld tot en met 31 december 2006 geldt de AWBZ en dus het beschreven overgangsrecht van artikel 41 Wmo.Voor aanvragen die vanaf 1 januari 2007 bij het CIZ worden ingediend geldt dat het CIZ deze aanvragen doorzendt naar de gemeente. Voor deze aanvragen geldt dat de datum van indiening bij het CIZ geldt als datum van aanvraag en als datum waarna het college binnen 8 weken op deze aanvragen een besluit dient te nemen. Artikel3.3Mogelijke voorzieningen Huishoudelijke verzorging kan in een tweetal vormen worden verstrekt:a. huishoudelijke verzorging in natura;b. een persoonsgebonden budget te besteden aan huishoudelijke verzorging. Huishoudelijke verzorging in natura of door middel van een persoonsgebonden budget.Artikel 9 van de Verordening bepaalt dat indien de algemene huishoudelijke verzorging niet aanwezig is, of indien deze algemene huishoudelijke verzorging een onvoldoende oplossing biedt, men in aanmerking kan komen voor huishoudelijke verzorging in natura of een persoonsgebonden budget, te besteden aan huishoudelijke verzorging. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of van problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg.Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Daarnaast kan ook huishoudelijke verzorging verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van huishoudelijke verzorging is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de huishoudelijke verzorging plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager.Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dan komt men in principe in aanmerking voor huishoudelijke verzorging. Artikel3.4Algemene huishoudelijke verzorging Indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene huishoudelijke verzorging dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene huishoudelijke verzorging in aanmerking kan komen.Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk dat deze vorm van hulp binnen de gemeente bestaat. Is dat niet zo, dan vervalt automatisch deze vorm van hulp. Is deze vorm van hulp wel aanwezig, dan gaat het, om een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare huishoudelijke verzorging vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:- Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft;- Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg;- Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Wat betreft het eerste aspect zal beoordeeld moeten worden of het gaat om een kortdurende voorziening. Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om lichte, niet complexe zorg, zoals bijvoorbeeld tijdelijke huishoudelijke verzorging na een ziekenhuisopname.Tot slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele zorgbehoefte, eveneens zoals een periode na een ziekenhuisopname. Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven door de behandelend arts van het ziekenhuis. De duur is beperkt, ook de omvang is beperkt. Een uitgebreide aanvraagprocedure zou in die situatie leiden tot een te lange periode dat men op hulp moet wachten. Met de vorm algemene huishoudelijke verzorging kan dit snel en adequaat opgelost worden. Men meldt zich met de verwijsbrief bij het cluster Wmo. Daar wordt gecontroleerd of de verwijzing er is, of die duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden en wordt nagegaan of er geen huisgenoot is die een en ander over kan nemen. Heeft die controle plaatsgevonden en komt men voor deze hulp in aanmerking, dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. Hierbij is geen sprake van een keuze voor een persoonsgebonden budget. Dit is overigens geen beperking ten opzichte van de situatie onder de AWBZ: ook onder de AWBZ werd bij een vraag die naar verwachting niet langer zou duren dan drie maanden, geen mogelijkheid voor een persoonsgebonden budget geboden.Er vindt een eenvoudige toets plaats naar de noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en gerealiseerd, hetgeen in een brief wordt bevestigd.Mocht men aan het loket aangeven niet met deze vorm van hulp in te kunnen stemmen, dan wordt een normale procedure opgestart met een aanvraagformulier en het gebruikelijke onderzoek. Deze vorm van algemene hulp bij het huishouden wordt dus alleen gerealiseerd indien men het daar mee eens is. De brief is dan alleen maar een bevestiging en geen beschikking waartegen bezwaar en beroep openstaat. Wil men een beschikking, bijvoorbeeld omdat men een persoonsgebonden budget wil, dan wordt die afgegeven. Er moet dus altijd overeenstemming bestaan over deze vorm van hulp.Deze vorm van hulp zal altijd uitsluitend voor een kortdurende periode worden toegekend. Daarbij moet gedacht worden aan situaties die maximaal drie tot zes maanden voortduren. Het hospiceIn Winschoten is gevestigd het hospice “Sint Maartenhuis”. Voorwaarde voor verblijf in het hospice is dat een gast de diagnose terminaal stadium heeft (een levensverwachting van maximaal drie maanden). Middels een “overeenkomst verblijf en verzorging” gaat de gast in het hospice onder meer akkoord met de inzet van professionele zorg door een zorgaanbieder, i.c. stichting Oosterlengte. Hoewel het hier geen thuissituatie betreft, wordt getracht zoveel mogelijk de thuissituatie te benaderen. De gemeente Oldambt maakt een uitzondering op de regel dat een indicatie voor huishoudelijke verzorging slechts mogelijk is indien het een thuissituatie betreft en maakt het mogelijk een indicatie voor huishoudelijke verzorging te stellen bij opname in het hospice.Indicatiestelling wordt gemandateerd aan de zorgaanbieder, op dezelfde wijze als met de transferafdelingen van het ziekenhuis gebeurt. Het indicatieadvies wordt bekrachtigd door een indicatiebesluit van de gemeente. De verplichting tot het afdragen van een eigen bijdrage zoals genoemd in artikel 3 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning komt te vervallen bij opname in het hospice. Indien een situatie ontstaat, bijvoorbeeld bij spoedopname, dat een nieuwe gast bovengenoemde indicatie nog niet heeft, dan is de mogelijkheid voor een spoedindicatie voor het hospice geregeld.Er wordt standaard HV2, klasse 3 geïndiceerd. Reden hiervoor is dat de gast veelal niet meer de regie kan voeren en naasten niet in staat zijn dit over te namen. Daarbij is de administratieve taaklast behorende bij HV1 niet gewenst. Het aantal uren is voldoende om de zorg te kunnen borgen bij een wisselende bezetting in het hospice. De zorguren worden door het hospice apart gedeclareerd bij de gemeente.Bij opname van een gast die ingeschreven staat bij de gemeente Oldambt in een ander hospice dan het hospice te Winschoten geldt eveneens een maximum aan de te declareren zorgkosten bij de gemeente ter hoogte van HV2, klasse 3 per gast gedurende de opname. Hetzelfde geldt voor opname van een gast van buiten de gemeente. Veel gemeenten hebben immers (nog) geen regeling wanneer de situatie opname in een hospice zich voordoet. Ook bij opname van een gast zonder vaste woon- of verblijfplaats in het hospice staat de gemeente garant voor de kosten van de huishoudelijke verzorging confom bovenstaande systematiek. Artikel3.5Gebruikelijke zorg en omvang huishoudelijke verzorging Artikel 10 van de Verordening bepaalt dat, “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor huishoudelijke verzorging. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde ten aanzien van de functie HV in de AWBZ tot de uitvoering van de Wmo.Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat huishoudelijke verzorging te indiceren.Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen.Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Vanaf 12 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie.Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding te zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren.Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd (ouder dan 75 jaar) kan, indien nodig, hulp voor de zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend.Het cluster Wmo kan besluiten dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke zorg kan leveren vanwege gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting. De (medische) gegevens ter onderbouwing hiervan moeten door de betrokkene worden aangeleverd. Ingevallen waarin vastgesteld wordt dat cliënt in een terminale fase verkeert, zal geen beroep worden gedaan op een huisgenoot of partner voor het leveren van gebruikelijke zorg.Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken.Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen.In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd!Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden.Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar huishoudelijke verzorging voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. Artikel3.6Voorliggende voorzieningen huishoudelijke verzorging Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd – maar bij uitzondering – van deze regels worden afgeweken.Aan de hand van de normtijden zoals verderop in dit Verstrekkingenboek genoemd kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz.De voorliggende voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Hiertoe is het nodig rekening te houden met de sociale kaart zoals die ter plekke bestaat.INVIS is een organisatie op het gebied van digitale sociale kaarten. Zoals op de website wordt aangegeven houdt men de informatievoorziening (over ruim 1800 organisaties) richting burgers en professionals optimaal bij. Ook de gemeente Oldambt werkt mee aan informatievoorziening aan INVIS. Voor raadpleging van de sociale kaart: www.lokaalloket.nlNiet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten.Er is geen indicatie voor huishoudelijke verzorging als de problemen van de cliënt afdoende kunnen worden opgelost met technische hulpmiddelen. Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of stofzuiger. Deze hulpmiddelen dienen uit oogpunt van verantwoorde werkomstandigheden ook voor de helpende aanwezig te zijn. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van al aanwezige hulpmiddelen, zoals een droogtrommel of een afwasmachine. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem, hebben deze hulpmiddelen de voorkeur boven het inzetten van hulp. Hulpmiddelen kunnen ook gefinancierd zijn uit een andere betalingsregeling, gericht op of aangepast aan de handicap van de cliënt (AWBZ, Regeling Hulpmiddelen of Wmo). Zonodig kan de cliënt gewezen worden op de mogelijkheid van de eerstelijns ergotherapie voor ergonomische consultatie bij het leren omgaan met hulpmiddelen/het reorganiseren van het huishouden. De cliënt kan voor de tijd dat de hulpmiddelen er niet zijn in aanmerking komen voor AWBZ –zorg (er is dus een vorm van overbruggingszorg). Artikel3.7Spoedhulp Indien er sprake is van spoed, kan er binnen 24 uur gestart worden met de hulpverlening. Het cluster Wmo heeft dan nog geen indicatie gesteld, maar zal dit binnen 14 dagen doen. Na de gestelde indicatie wordt hulp geleverd conform dit besluit. Artikel3.8Handreiking normering huishoudelijke verzorging Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de huishoudelijke verzorging te worden vastgesteld.Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. Licht poetswerk in huis, kamers opruimen.Hieronder vallen de volgende activiteiten:Indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen, handmatig 15-30 minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer.Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer.Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning) bij ernstige beperkingen in armen en handen die leidt tot extra rommel kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. Extra toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten.Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten. Zwaar huishoudelijk werk.Hieronder vallen: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval.Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week, Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers geldt de omvang van klasse 2.In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren, afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd. Verzorging kleding/linnengoed.Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen, strijken en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed.Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen 90 minuten per week.Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra, bij bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten per week extra. Bij huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van éénmaal per week.Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven.Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en met 4 personen 60 minuten per week voor worden toegekend.Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend.Dat betekent dat voor boodschappen de marge voor toekennen bedraagt 60 tot 150 minuten. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet gehonoreerd.Alleen medisch noodzakelijke afwijkingen kunnen gehonoreerd worden. Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd.Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig.Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en koken) tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad.Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten, voor de warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend.Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend.Per dag kan het dus gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd, waarbij de variatie kan liggen tussen 60 minuten en 120 minuten. Organisatie van het huishouden.Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het bereiden van maaltijden.Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen.Totaal omvang tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, te besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten.Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende activiteiten. Artikel3.9Normering huishoudelijke taken Al in de AWBZ werd de omvang van huishoudelijke verzorging uitgedrukt in klassen. Gekozen is om dat te handhaven. Klassen zijn te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan een minimaal en een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten. Klasse 1: 0 t/m 1,9 uur per week.Klasse 2: 2 t/m 3,9 uur per week. Klasse 3: 4 t/m 6,9 uur per week.Klasse 4: 7 t/m 9,9 uur per week.Klasse 5: 10 t/m 12,9 uur per week.Klasse 6: 13 t/m 15,9 uur per week. Alle huishoudelijke taken die zijn genoemd in de twee categorieën huishoudelijke verzorging hebben een normering in minuten, uren en klasse. Door individuele omstandigheden kan er een noodzaak zijn voor een verhoging of eventueel een verlaging van de normering. Op basis van de normering wordt uiteindelijk bepaald hoeveel huishoudelijke verzorging noodzakelijk is en welke klasse uiteindelijk dient te worden toegekend. Artikel3.10Categoriën huishoudelijke verzorging In categorie 1 kan de huishoudelijke verzorging bepaald worden aan de hand van de volgende normering: Activiteit:Minuten Uren1.1 Licht huishoudelijke werk 1 persoon: 60 per week 1u2 of meer personen: 90 per week 1u301.
  4. Zwaar huishoudelijk werk 1 pers. in flat: 90 per week 1u301 pers. in een-gezinswoning: 180 per week 3u2 of meer per-sonen: 180 per week 3u1.
  5. De was doen 1 persoon: 60 per week 1u2 of meer per-sonen: 90 per week 1u301.
  6. Huishoudelijke spullen op orde houden - - Ad 1.
  7. Factoren voor meer werk:- Psychogeriatrische problematiek;- Aantal kinderen < 12 jaar;- Huisdieren: bij allergie- Allergie voor huisstofmijt COPD- Ernstige lichamelijke beperkingen Frequentie: in principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten Ad 1.
  8. Factoren voor meer werk:- In grote woningen met hoge bezettingsgraad, vervuilingsgraad, COPD problematiek of aanwezigheid van jonge kinderen is een hogere klasse reëel. Verzorgen van huidieren valt in de marge van de klasseFrequentie: met de genoemde verrichtingen worden de wekelijkse activiteiten genoemd Ad 1.
  9. Factoren voor meer werk:- Aantal kinderen < 16 jaar: + 30 minuten per kind per week;- Bedlegerige patiënten: + 30 minuten per week;- Extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies, etc.: + 30 minuten per week.Frequentie: eenmaal per week, huishoudens met kleine kinderen maximaal 3 keer per week In categorie 2 kan de huishoudelijke verzorging bepaald worden aan de hand van de volgende normering: Activiteit: Minuten Uren2.
  10. Boodschappen doen 60 per week 1 u2.
  11. Maaltijd bereiden Warme maaltijd:30 per keerBroodmaaltijd:15 per keer 3u30 perweek 1u45 per week2.
  12. (Dagelijkse) organisatie van het huishouden 30 per week 0u30 2.
  13. Anderen in huis helpen met zelfverzorging en anderen helpen bij het bereiden van de maaltijden Tot een maximum van 40 uur per week aanvullen op eigen mogelijkheden Ad. 2.
  14. Factoren voor meer werk:- Indien het cliëntensysteem bestaat uit meer dan 4 personen of er zijn kinderen < 12 jaar, dan kan er 2 keer per week boodschappen worden geïndiceerd- Wanneer de afstand tot de winkels groot is: + 30 min Ad.2.
  15. Factoren voor meer werk:- Aanwezigheid van kinderen < 12 jaar: + 20 minuten per keer Ad. 2.
  16. Factoren voor meer werk:- Communicatieproblemen;- Aantal huisgenoten, vooral kinderen < 16 jaar;- (Psychosociale) problematiek bij meerdere gezinsleden;Frequentie: 1 keer per week Ad.2.
  17. Factoren voor meer/minder werk:- Aantal kinderen/leeftijd kinderen: -/+;- Gezondheidssituatie/functioneren van kinderen/huisgenoten;- Aanwezigheid gedragsproblematiek: +;- Samenvallende activiteiten: -.Klasse: afhankelijk van de situatie, indien kinderen < 6 jaar en gecombineerd met huishoudelijke activiteiten, dan tot een maximum van 40 uur per weekDe grondslag ligt bij de ouder, deze is tijdelijk niet in staat om de ouderrol op zich te nemen. Artikel3.11Persoonsgebonden budget bij huishoudelijke verzorging De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden.Bij diensten inzake de huishoudelijke verzorging gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. Dit is zorg afkomstig uit de AWBZ. De AWBZ kende al een dergelijk systeem van persoonsgebonden budgetten. Daarbij werd het persoonsgebonden budget vastgesteld op 75% van de tarieven zoals die berekend werden in de thuiszorg (gewogen gemiddelde van het uurbedrag bij zorg in natura). Vanuit die tarieven werd het tarief voor de diverse functies bepaald. Diegenen die op basis van overgangsrecht op 31 december 2006 een indicatie hebben zullen ook in het jaar 2007 deze bedragen nog ontvangen zo lang als de indicatie duurt, doch maximaal tot en met 31 december
  18. Daarna vallen zij onder de gemeentelijke regels. De gemeentelijke regel met betrekking tot de vaststelling van het persoonsgebonden budget volgt in grote lijnen bovenstaande regel. Ook hier is gekozen voor 75% van de tarieven voor zorg in natura van de gecontracteerde zorgaanbieders. Artikel 5 van het Besluit gaat hier nader op in.Voor zover huishoudelijke verzorging nodig is die klasse 6 overstijgt is het mogelijk additionele uren aan deze hoogste klasse toe te voegen. Indien hier gebruik van wordt gemaakt dan wordt per uur het bedrag van klasse 1 toegepast.Over een bedrag van 1,5% van het netto persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging, met een minimum van € 250,00 en een maximum van € 1250,00 per jaar hoeft geen verantwoording afgelegd te worden. De budgethouder kan dit bedrag gebruiken voor bijvoorbeeld het plaatsen van personeelsadvertenties, voor postzegels, voor telefoonkosten en voor andere kosten die gemaakt moeten worden in het kader van het persoonsgebonden budget. Artikel3.12Eigen bijdrage Artikel 3 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning geeft de hoogte van de te betalen eigen bijdrage aan.Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2006 doet men aangifte over 2005, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2004 in 2006 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd. Artikel3.13Uitbetaling persoonsgebonden budget Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is.Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de voorziening dient te voldoen. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden.Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar worden gesteld. Dat zal in termijnen plaatsvinden, per kwartaal beschikbaar te stellen. Artikel3.14Controle van het persoonsgebonden budget Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren:- de nota/factuur van de dienstverlening;- een betalingsbewijs;- of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen.Steekproefsgewijs zal het college bepalen bij welke budgethouders deze stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Dit telkens na afloop van enig kalenderjaar. De steekproef heeft een minimale omvang van 10% van de verstrekte persoonsgebonden budgetten.Is het budget besteed aan het doel waarvoor het verstrekt is, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het college overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan.Een deel van het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging is vrij besteedbaar. Hierover hoeft geen verantwoording afgelegd te worden. Het gaat daarbij om een bedrag van 1,5% van het netto persoonsgebonden budget, met een minimum van € 250,00 en een maximum van € 1250,00 per jaar. Dit bedrag kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor het plaatsen van personeelsadvertenties, voor postzegels, voor telefoonkosten en voor andere kosten die gemaakt moeten worden in het kader van het persoonsgebonden budget. Hoofdstuk4Woonvoorzieningen Artikel4.1Inleiding De woonvoorzieningen zijn afkomstig uit de Wet voorzieningen gehandicapten, met als voorloper de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten. Een woonvoorziening wordt verstrekt indien de aanvrager objectief aantoonbare belemmeringen ten gevolge van ziekte of gebrek ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte. Vereist is in dat geval dat de woonvoorziening de belemmeringen opheft of vermindert. Onder woonruimte wordt verstaan zelfstandige woonruimte. Iemand die bijvoorbeeld in een AWBZ-instelling verblijft, kan niet in aanmerking komen voor een woonvoorziening. Artikel4.1.1Normale gebruik van de woning Artikel 13 van de Verordening geeft aan dat er sprake dient te zijn van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek welke het normale gebruik van de woning belemmeren. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte (CRvB 23 april 1999, reg.nr. 98/1424 WVG RO11 93).Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Daarvoor blijft de AWBZ van kracht.Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening worden ingezet (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre huishoudelijke verzorging en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt -conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wvg- beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. Artikel4.1.2Aard van de in de woning gebruikte materialen Vervallen. Artikel4.1.3Hoofdverblijf Artikel 19 van de Verordening bepaalt in lid 1:“Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.”Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente.In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen.Artikel 19 van de verordening biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel:“
  19. In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ instelling.
  20. De bezoekbaar te maken woning / aan te passen woning moet in de gemeente Oldambt staan.
  21. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldambt vast te leggen maximumbedrag.
  22. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.” Artikel4.1.4Beperkingen woonvoorzieningen Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, zoals in de Verordening vastgelegd in artikel 20:“De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;c. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;d. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;e. de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden;f. de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;g. de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg;h. in de verlaten woning geen problemen bestonden met het normale gebruik van de woning;i. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.”De onder a genoemde beperking geldt vooral in situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager van tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is.Onder b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met de informatie die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen.Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is onder punt c vastgelegd. Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en zal daarom aanleiding zijn tot afwijzing. Het laatste punt, onder e, tenslotte, is bij de verhuiskostenvergoeding al besproken. Artikel4.1.5Algemene woonvoorziening Indien een aanvrager voldoet aan de criteria “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” en een aanpassing aan de woning nodig heeft, kan men voor een algemene woonvoorziening in aanmerking komen als deze het woonprobleem snel en adequaat op kan lossen.Een algemene woonvoorziening is bedoeld voor situaties waarbij er een eenvoudige voorziening/oplossing wordt geboden die in korte tijd geleverd kan worden.Te denken valt aan een herverstrekking van in depot aanwezige woonvoorzieningen zoals bijvoorbeeld een douchestoelGaat het om een algemene voorziening, dan zal geen aanvraag worden ingediend. Een melding bij het cluster Wmo is voldoende. Na een beperkte toets zal geregeld worden dat de algemene woonvoorziening wordt gerealiseerd. Artikel4.1.6Vormen van woonvoorzieningen Als een algemene voorziening niet de oplossing is voor het woonprobleem, of als de aanvrager die niet wenst, zal een aanvraag voor een woonvoorziening moeten worden ingediend. In dat geval komen de in artikel 15 van de Verordening genoemde verstrekkingsmogelijkheden in aanmerking. Artikel 13 van de Verordening geeft aan dat deze voorzieningen kunnen worden verstrekt in natura, als PGB of als een financiële tegemoetkoming. Artikel4.2De afweging tussen verhuizen en woningaanpassing / primaat van verhuizen Artikel 16 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt.In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor een adequaat, doelmatig en sobere oplossing. Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan.Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming.- De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd.De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem.- Rekening houden met mantelzorgSociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatie-onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben.- Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de gehandicapte. Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het gebied, maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen.Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning.Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatie¬ve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbren¬gen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen.- Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimteHet college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen:
  23. Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte;
  24. a. de kosten van een tegemoetkoming in de verhuiskostenb. de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning;c. kosten van het eventueel vrijmaken van de woning;d. een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen.- De mogelijke gebruiksduur van de aanpassingEr dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen.- Een revisiebeding (onderhoud), zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen; - De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen;- Het zal niet eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte.Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden.Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een belangrijke rol. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing of aanpassen.Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren.Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing.Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een verhuiskostenvergoeding zal veelal in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden toegekend. Dit is in drie situaties mogelijk aan de orde:
  25. De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning;
  26. De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast;
  27. Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont.Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als adequaat, doelmatig en sober alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren.Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen tegemoetkoming verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 20 onder f van de Verordening wordt bepaald. De achterliggende gedachte bij de Wmo is immers het stimuleren van zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen.Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op een adequaat, doelmatig en sobere manier kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.Voor de bedragen van deze tegemoetkomingen wordt verwezen naar artikel 9 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Artikel4.2.1Voorwaarden voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten Een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten kan worden geadviseerd wanneer er sprake is van objectief aantoonbare beperkingen als gevolg een plotseling optredende ziekte of gebrek die het normale gebruik van de woning belemmeren en indien: - de woning van de gehandicapte niet kan worden aangepast; of- de woning wel aangepast kan worden, maar de gemeente uit doelmatigheidsoverwegingen kiest voor het aanbieden van een aangepaste of makkelijker aanpasbare woning. De tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten wordt niet verstrekt indien:- de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen (iedereen gaat immers eens zelfstandig wonen en die kosten zijn algemeen gebruikelijk);- de aanvrager verhuist vanuit en/of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden;- de aanvrager verhuist vanuit of naar een niet zelfstandige wooneenheid zoals een AWBZ-instelling of een gezinsvervangend tehuis of verhuist vanuit of naar een situatie waarin sprake is van het huren van een kamer of sprake is van inwoning;- de aanvrager verhuist naar een woonruimte waarvan het normale gebruik wordt belemmerd door diens beperkingen, met andere woorden de nieuwe woonruimte niet voldoet aan de in de beschikking gestelde eisen;- de aanvrager voor een andere wettelijke regeling in aanmerking komt;- de noodzaak tot verhuizen voortkomt uit een verhuizing uit het verleden waarvan destijds reeds te voorzien was dat de woning binnen afzienbare tijd niet meer adequaat zou zijn;- de aanvrager reeds een huurcontract of een voorlopig koopcontract heeft getekend voorafgaand aan de datum waarop de beschikking op de aanvraag is genomen, tenzij het college hiervoor schriftelijk zijn toestemming heeft verleend. Een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning die door middel van een verhuizing op de adequaat, doelmatig en soberste wijze kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten.Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt. Deze tegemoetkoming geldt slechts in onderstaande gevallen:
  28. onvrijwillige verhuizing op medisch advies of;
  29. opname op de gemeentelijke voorranglijst.De tegemoetkoming kent een maximumbedrag van € 2.000,00 per kalenderjaar per gezin.In bijzondere gevallen kan het college besluiten af te wijken van deze beleidsregels. Sociaal-medische redenen zoals de afstand tot het centrum, het niet meer kunnen onderhouden van de tuin, het feit dat het huis te groot is nu de kinderen de deur uit zijn, zijn geen redenen om een indicatie te rechtvaardigen. Evenmin kan zorgafhankelijkheid of het ontbreken van zorg op afroep zoals bij Focuswoningen of levensloop bestendige woningen het geval is een indicatie tot gevolg hebben. Aangezien niet verwacht mag worden dat in iedere woning al verhoogde toiletpotten en douchezittingen aanwezig zijn worden losse woonvoorzieningen en eenvoudige woningaanpassingen wel verstrekt om de nieuwe woning adequaat te maken. Het college verstrekt slechts één tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten per huishouden. Indien het college nadat alle factoren in aanmerking zijn genomen en afgewogen zijn, besloten heeft dat verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is en er geen sprake is van een algemeen gebruikelijke verhuizing, komt de aanvrager voor een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding in aanmerking. Indien in de nieuw te betrekken woning eerst nog eenvoudige aanpassingen gedaan moeten worden (conform programma van eisen), komt de aanvrager daarvoor eveneens in aanmerking via de Wmo. Artikel4.2.2Voorrangscommissie woonruimteverdeling Als de gehandicapte is aangewezen op een verhuizing naar een gelijkvloerse senioren (sociale) huurwoning verloopt de toewijzing via de Voorrangscommissie Woonruimteverdeling. De Wmo consulent brengt een programma van eisen (waaraan een woning moet voldoen) in de commissie.De commissie plaatst de kandidaat op de wachtlijst voor dit type woningen en zorgt voor een aanbod binnen -een medisch aanvaardbare- termijn. Dit in nauwe samenwerking met de verhuurder Acantus.Tevens vindt er nauw overleg plaats inzake toewijzing van beschikbaar gekomen seniorenwoningen bij nieuwbouw. Artikel4.2.3Reeds acceptatie van de woning In artikel 20 van de Verordening wordt bepaald dat geen tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten wordt verstrekt indien de aanvrager (of iemand anders voor de aanvrager) reeds een huurcontract of een voorlopig koopcontract heeft getekend voorafgaand aan de datum waarop de beschikking op de aanvraag is genomen, tenzij de Wmo hiervoor schriftelijk toestemming heeft verleend. Deze weigeringgrond is opgenomen om te voorkomen dat achteraf, nadat een contract is getekend, of zelfs nadat is verhuisd, alsnog een verhuiskostenvergoeding ingediend kan worden. Het achteraf in aanmerking laten komen van een verhuiskostenvergoeding strookt ook niet met de achterliggende gedachte van de verhuiskostenvergoedingsregeling die immers in het leven is geroepen om een verhuizing mogelijk te maken indien er belemmeringen ondervonden worden in de oude woning die ofwel niet verminderd of weggenomen kunnen worden omdat de woonvoorzieningen niet gerealiseerd kunnen worden ofwel omdat de voorzieningen die getroffen dienen te worden om de woning adequaat te maken dermate hoog zijn, dat een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten de goedkoopst adequate oplossing is. Een verhuiskostenvergoeding is zeker niet bedoeld als inkomenssuppletie achteraf.Uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (24-08-98, 97/5398 WVG en 09-01-98, 97/804 WVG) blijkt dat indien de verhuiskostenvergoeding pas is aangevraagd na de verhuizing, het bepaalde in de Verordening hieromtrent het toekennen van die vergoeding in de weg kan staan. De Raad heeft hier ondermeer over opgemerkt dat het een imperatief en volstrekt helder voorschrift betreft, dat beoogt een verantwoorde uitvoering van de Verordening te dienen en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, die een honorering van de aanvraag in de weg staat. Een verhuizing die plaatsvindt voordat beschikt is over een verhuiskostenvergoeding, maakt het onmogelijk om te beoordelen of in de verlaten woning belemmeringen zijn ondervonden. Ook ziet de Raad niet in dat een dergelijk voorschrift in strijd zou zijn met de zorgplicht of met enige (hogere) vorm van geschreven of ongeschreven recht. Een uitzondering kan gemaakt worden indien zich feiten en omstandigheden voor hebben gedaan of voordoen, die nopen tot afwijken van de in de vaste jurisprudentie als dwingendrechtelijk aangemerkte artikel 20 van de Verordening, zoals bij tijdsdruk voor een verhuizing bij een acute lichamelijke beperking. Bij onbekendheid van de wet- en regelgeving is volgens vaste jurisprudentie geen reden om een uitzondering te maken. Aangezien hierover regelmatig wordt gepubliceerd, kan de aanvrager op de hoogte zijn. Bovendien ligt het op de weg van de aanvrager om zich te verdiepen in de voorwaarden die gelden om voor een verhuiskostenvergoeding in aanmerking te komen of, indien nodig, informatie op te vragen over de gang van zaken. Dit uitgangspunt wordt ondersteund door vaste jurisprudentie. In de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 22 januari 2004 (Reg. nr.: WVG 03/156-LAME) heeft de rechtbank overwogen dat het in beginsel op de weg van de aanvrager ligt om te informeren naar de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een voorziening. Ten behoeve van een zorgvuldige afhandeling van de aanvragen voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten, laat het cluster Wmo de aanvrager reeds op het aanvraagformulier aangeven of er al een woning geaccepteerd is. Hiermee wordt voorkomen dat een onnodig medisch onderzoek wordt gestart, waardoor er verwachtingen worden gewekt bij de aanvrager.Om te voorkomen dat men gedurende de lopende aanvraagprocedure een woning accepteert voordat de het college een beslissing heeft genomen op de aanvraag, wordt men in de ontvangstbevestiging op een aanvraag voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten geadviseerd om voor het tekenen van een huurcontract of een voorlopig koopcontract altijd contact op te nemen met het cluster Wmo. Het cluster Wmo heeft dan de mogelijkheid om te beoordelen of schriftelijk toestemming verleend moet worden om alvast de woning te mogen accepteren. Artikel4.2.4Verhuizing ook zonder beperkingen algemeen gebruikelijk Artikel 20 onder d van de Verordening bepaalt dat geen tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten wordt verstrekt indien de aanvrager verhuist op een moment dat op basis van onder meer leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie, de verhuizing ook zonder handicap algemeen gebruikelijk zou zijn geacht. Het gaat hierbij om een voorspelbare verhuizing. De aanvrager kan een dergelijke verhuizing van tevoren zien aankomen, waardoor men er geld voor kan reserveren.Met de eerdergenoemde bepaling wil het college voorkomen dat verhuiskostenvergoedingen worden verstrekt aan personen die op zich al jaren hadden (kunnen) zien aankomen dat zij zouden moeten verhuizen. Iemand die zelf uit voorzorg vast verhuist, krijgt geen verhuiskostenvergoeding in het kader van de Wmo, terwijl iemand die afwacht tot het echt niet langer gaat in de woning en dan pas verhuist, wel een verhuiskostenvergoeding zou krijgen. Verhuizingen die behoren onder verhuizingen die in de lijn der verwachting liggen zijn bijvoorbeeld het voor het eerst zelfstandig gaan wonen, met een partner groter gaan wonen, vanwege kinderen groter gaan wonen, omdat de kinderen de deur uit zijn kleiner gaan wonen en bij een gevorderde leeftijd in een meer op de leeftijd afgestemde woning gaan wonen. Voor personen van gevorderde leeftijd is verhuizen naar een kleinere, meer comfortabele, eventueel meer op de leeftijd afgestemde woning gebruikelijk. Dit blijkt ook uit jurisprudentie van de Rechtbank Haarlem, 13-3-2003, reg.nr. 02/1006 WVG. Ook in een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, 14-8-2000, reg.nr. 00/381 WVG wordt gesteld dat een verhuizing naar een zorgwoning (aanleunwoning) past bij de levensfase van senioren, zodat deze verhuizing als algemeen gebruikelijke stap beschouwd kan worden, op basis waarvan geen voorziening verstrekt hoeft te worden. De vraag of er een medische indicatie bestaat voor de verhuizing is bij een dergelijke algemeen gebruikelijke verhuizing niet doorslaggevend. Een uitzondering hierop kan gemaakt worden indien er bij de aanvrager sprake is van een plotseling opgetreden handicap. Voor de beoordeling is dan ook van belang of de aanvrager al geruime tijd via de reguliere manier reageert op woningen of al geruime tijd staat ingeschreven voor een senioren- of aanleunwoning. Artikel4.2.5Verhuizing naar (niet-)zelfstandige woonruimte Indien een persoon verhuist naar een AWBZ-instelling (verzorgingcentrum of verpleeghuis), kan hij niet in aanmerking komen voor een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding. Anders ligt het bij het verhuizen naar een zelfstandige woonruimte, zoals in- en aanleunwoning, seniorenwoning, servicewoning, levenloopbestendige woning en Focuswoning. Het betreft hier zelfstandige wooneenheden, waarvoor de persoon zelf huur betaalt en volledig zelfstandig kan functioneren. Indien deze woningen aan het programma van eisen behorende bij de verhuisindicatie voldoen en er geen sprake is van een algemeen gebruikelijke verhuizing, kan de aanvrager in aanmerking komen voor de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding. Artikel4.2.6Verhuizing naar een andere gemeente Als de aanvrager een woning vindt, die voldoet aan het programma van eisen, maar deze woning bevindt zich in een andere gemeente, kan hij ook in aanmerking komen voor de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding. De gemeente waar de belanghebbende zich vestigt, heeft vervolgens wel de zorgplicht ten aanzien van eventuele woningaanpassingen, vervoersvoorzieningen etc.Ditzelfde verhaal gaat op als een aanvrager vanuit een andere gemeente naar een woning in de gemeente Oldambt verhuist. Als die woning voldoet aan het programma van eisen van de gemeente, waaruit de aanvrager vertrekt, is het college niet verantwoordelijk voor de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding, maar wel voor de eventuele aanpassingen die nog in de woning dienen te geschieden. Het cluster Wmo kan daarbij wel bij de andere gemeente nagaan wat er geïndiceerd was en wat de redenen van de indicatie waren, om te voorkomen dat zij met grote woningaanpassingen geconfronteerd wordt, omdat de aanvrager eigenlijk naar een inadequate woning verhuisd is (afwenteling van de ene gemeente op de andere gemeente). Artikel4.3Bouwkundige of woontechnische woonvoorziening Bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen zijn alle voorzieningen die aard- en nagelvast aan de woning worden aangebracht. Artikel4.3.1Medewerking woningeigenaar Indien onroerende woonvoorzieningen (aard- en nagelvast) geïndiceerd zijn, dienen deze met toestemming van de woningeigenaar aangebracht te worden. Dit kan zowel de hoofdbewoner(s) van de woning zijn, als een (particulier) verhuurder. Artikel4.3.2Bouwkundige of woontechnische woonvoorziening in bruikleen Trapliften bijvoorbeeld zijn bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen die in bruikleen worden verstrekt. Er is hiervoor gekozen omdat het relatief dure voorzieningen zijn die goed hergebruikt kunnen worden. Artikel4.3.3Uitraasruimte Bepaalde gedragsproblemen van gehandicapten, bijvoorbeeld hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen (op bepaalde tijden) aanleiding geven tot problemen bij het verblijf van de verstandelijk gehandicapte in de woonruimte. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een uitraasruimte te beschikken.Gezien Jurisprudentie Wvg wordt een uitraasruimte als woonvoorziening aangemerkt. Bij een uitraasruimte gaat het om een kamer (verblijfsruimte) waarin de aanvrager tot rust kan komen. Het kan ook een slaapkamer van de aanvrager zijn. De uitraasruimte is bedoeld om de aanvrager tegen zichzelf te beschermen, alsmede om de ouders/verzorgers in staat te stellen beter toezicht uit te oefenen. Het moet er om gaan dat de uitraasruimte het belang van de aanvrager dient. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de aanvrager, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij hinder veroorzaken voor die anderen, dan is er geen sprake van een uitraasruimte. Artikel4.3.4Speciale gevallen ZonweringDe Wmo is gericht op de normale (elementaire) woonfuncties zoals slapen, eten en lichaamsreiniging. Het beleid van de Wmo schaart ook het algemeen dagelijks functioneren, en dus ook het verblijven in de woning, onder het begrip ‘elementaire woonfuncties’.Zonneschermen kunnen belangrijk zijn als mensen veel in een bepaalde ruimte verblijven. Zij worden echter niet aangebracht omdat anders mensen niet zelfstandig kunnen functioneren in hun woning. Met andere woorden: een zonnescherm is niet noodzakelijk voor het wegnemen of verminderen van belemmeringen in de dagelijkse woonfuncties. Om die reden behoort een zonnescherm niet tot het Wmo voorzieningenpakket. De Wmo beschouwt zonneschermen als algemeen gebruikelijke voorziening.In de bediening van een zonnescherm kunnen mensen om medische redenen belemmeringen ondervinden (bijv. omdat men de kracht er niet meer voor heeft). Een voorziening als een elektrische zonneweringbediening zou deze belemmering op kunnen heffen. Alhoewel een elektrisch bedienbaar zonnescherm niet algemeen gebruikelijk is, zal een dergelijke voorziening niet onder de Wmo vallen omdat de bediening van een zonnescherm geen activiteit is, zonder welke zelfstandig functioneren onmogelijk is. Het heeft geen betrekking op een elementaire woonfunctie.Speel-/hobby-kamerBij een woonvoorziening gaat het alleen om het opheffen van beperkingen die het normale gebruik van de woning omvatten. Het gaat hierbij om de normale (elementaire) woonfuncties zoals slapen, eten en lichaamsreiniging. Aanpassingen ten behoeve van het gebruik van een hobby-, werk- of recreatieruimte worden dan ook niet verstrekt, evenmin als het treffen van een voorziening uit oppas- of verzorgingsoogpunt.Indien een aanvrager bijvoorbeeld alleen via de hobbyruimte toegang tot de woning kan verkrijgen, kan deze wel daarop aangepast worden, maar dan geldt de aanpassing niet de hobbyruimte, maar de toegangsmogelijkheid. Stallingsruimte scootmobielDe aanwezigheid van een stalling in of vlakbij de woning is een voorwaarde voor de verstrekking van een scootmobiel of een elektrische rolstoel. De bestaande stalling kan zo nodig in het kader van de Wmo worden aangepast. Deze aanpassingen kunnen zijn: de aanleg van elektriciteit in de hal of berging, nivelleren van het hoogteverschil van de schuurdeur, verbreden van de schuurdeur en het toegangspad naar de berging geschikt maken. Bij huurwoningen zal de gemeente alvorens de voorziening te verstrekken eerst uitsluitsel moeten krijgen van de woningbouwvereniging/eigenaar of deze akkoord gaat met de geadviseerde stalling. Indien de woningbouwvereniging niet akkoord gaat met de geadviseerde stalling, dan kan de gemeente na overleg met betrokkene overgaan tot het aanbieden van een geschikte woning of een gedeeltelijke individueel aanvullende vervoersvoorziening te gebruiken voor eigen auto of taxi.Het realiseren van een garage wordt niet vergoed. Reden hiervan is dat de woning in principe aangepast wordt conform het uitvoeringsniveau van een woning in de sociale huursector. In de sociale woningbouw worden ook geen garages gerealiseerd. Wel is de gemeente bereid de garage aan te passen als een vervoersvoorziening is verstrekt en de garage fungeert als berging en oplaadruimte voor dit hulpmiddel. Daaronder valt geen garage-opener. Deze is algemeen gebruikelijk. Losse woonunit.Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn.Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan. Hiermee kan voorkomen worden dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moeten worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Hierbij moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het program van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat - als de unit niet meer nodig is - dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit.Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. Artikel4.3.5Verzekering Voor het verkrijgen van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening dienen de te treffen voorzieningen toereikend te worden verzekerd en in de toekomst verzekerd te blijven. Dit houdt in dat de woningeigenaar zijn verzekering aan moet passen aan de gewijzigde situatie. Dit zal met name het geval zijn bij ingrijpende woningaanpassingen die in eigendom worden verstrekt. Indien in een woning een dure voorziening is aangebracht of aanpassing is gerealiseerd, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Het aanpassen van de opstalverzekering is een verantwoordelijkheid van de woningeigenaar van de woning. Artikel4.3.6Uitbreiding van ruimten Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning tot gevolg heeft kan het college een bijdrage verstrekken voor het verwerven van extra grond die noodzakelijk is om de woningaanpassing te realiseren. Bij het bepalen van de bijdrage wordt uitgegaan van de prijs per vierkante meter grond die betaald is. Vervolgens wordt aan de hand van de onderstaande tabel bekeken hoeveel vierkante meter grond maximaal voor vergoeding in aanmerking komt.
  30. Aantal m2 waarvoor ten hoogste een bijdrage kan worden verleend, aangegeven per vertrek in een zelfstandige woning: Soort vertrek Bij aanbouw Bij uitbreidingWoonkamer 30 6Keuken 10 41 persoonsslaapkamer 10 42 persoonsslaapkamer 18 4Toiletruimte 2 1Badkamer - wastafelruimte 2 1- douch

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.