← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2025 (Losser)

Kort gezegd

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Losser omgaat met aanvragen voor maatschappelijke ondersteuning, zoals vastgelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de lokale Verordening. Ze zorgen ervoor dat vergelijkbare gevallen op een gelijke manier worden behandeld.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2025Algemene bepalingen 1.1Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan art. 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb): "Een bestuursorgaan kan Beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij Beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de Verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2Begripsbepalingen In deze Beleidsregels wordt verstaan onder: Gewaarborgde hulp: een door de budgethouder ingeschakelde pgb-vertegenwoordiger van wie voldoende aannemelijk is dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen; Financieel besluit: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2025; Nadere regels: Financiële Compensatieregeling Algemene voorziening Wasservice Losser 2019; Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Losser 2025; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verder geldt dat alle begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt maar die niet nader zijn omschreven, dezelfde betekenis hebben als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Nadere regels, Het Financieel besluit en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). In de Beleidsregels wordt omwille van de leesbaarheid in de mannelijke vorm naar personen verwezen. Overal waar hij staat, is ook zij bedoeld. Tot slot wordt in deze Beleidsregels soms verwezen naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep of Rechtbanken als een bepaald uitgangspunt of voorbeeld daar op is gebaseerd. De betreffende uitspraak kan worden opgezocht door op www.rechtspraak.nl in de zoekfunctie het nummer van de uitspraak in te geven. 2De procedure Artikel 2.3.2, 2.3.3, 2.3.4, 2.3.8 Wmo 2015 Hoofdstuk 2 Verordening 2.1Inleiding De Wmo 2015 schrijft voor dat de cliënt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn hulpvraag eerst moet melden bij het college. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt en zijn eventuele mantelzorger eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De Wmo 2015 voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de hulpvraag) moeten worden meegenomen. Pas na het verstrekken van het verslag met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Awb zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek behoort wel tot de voorbereiding van het besluit als de aanvraag wordt ingediend (art. 3:2 Awb). Verordening De Verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Losser duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij zich hebben gemeld. Criteria Verordening In de Verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de Verordening. 2.2De melding In de Wmo 2015 wordt niet begonnen met het doen van een aanvraag maar met de melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning (de hulpvraag). Een ieder kan zich bij het college melden; de melding is vormvrij. Na de melding wordt door het college onderzoek gedaan volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep, zie 2.6 van deze Beleidsregels. 2.3Spoedeisende situatie Voor spoedeisende gevallen is in de Wmo 2015 een procedure opgenomen die los staat van het onderzoek ná de melding van de ondersteuningsvraag en de beslissing op de aanvraag. Het gaat om situaties waarin duidelijk is dat (een vorm van) maatschappelijke ondersteuning nodig is, maar de cliënt het onderzoek waarin wordt vastgesteld welke vorm dat precies is, niet kan afwachten. Daar mag het college immers zes weken over doen. In de praktijk zal zelden sprake zijn van een spoedeisende situatie. In de toelichting op dit wetsartikel wordt opvang als voorbeeld genoemd. 2.4Onafhankelijke cliëntondersteuner Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een onafhankelijke cliëntondersteuner in te schakelen. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). 2.5Persoonlijk Plan Na de melding kan de cliënt binnen zeven dagen een persoonlijk plan indienen bij het college. In dit plan legt de cliënt zijn persoonlijke situatie uit, wat hij wil bereiken met zijn hulpvraag en hoe hij denkt dat de maatschappelijke ondersteuning in zijn situatie vorm gegeven kan worden. Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek en bij de beoordeling op een aanvraag. 2.6Onderzoek De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in art. 2.3.2 lid 4 Wmo 2015. Stappenplan In CRVB:2018:819 heeft de Centrale Raad van Beroep zich voor het eerst uitgesproken over (onder meer) de vraag waar een onderzoek van het college aan moet voldoen wanneer een burger zich meldt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Wanneer een melding wordt gedaan voor maatschappelijke ondersteuning moet het college: Allereerst vaststellen wat de hulpvraag is; en Welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving, in geval van beschermd wonen en opvang; Wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is; Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre: de eigen kracht, gebruik maken van een algemeen gebruikelijke voorziening, gebruikelijke hulp, mantelzorg of ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, en gebruikmaking van algemene voorzieningen, de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Wanneer het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, mag een specifiek deskundig oordeel en advies niet ontbreken; Zijn de mogelijkheden onder stap 4 ontoereikend, dan zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken; Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een verslag en verstrekt dit aan de cliënt. Standpunten college In het schriftelijke onderzoeksverslag zijn de onderbouwde standpunten van het college neergelegd over de vraag of de client is aangewezen op een maatwerkvoorziening. En zo niet, wat daar de reden van is. En zo ja, welke maatwerkvoorziening dat kan zijn. Identificatieplicht In art. 2.3.4 lid 1 Wmo 2015 is de identificatieplicht vastgelegd. Het college moet bij het onderzoek naar de melding de identiteit van de cliënt vaststellen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. Voorlichtingsplicht college Het college informeert de cliënt over: welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet verschuldigd zal zijn; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.7Ondersteuningsvraag gericht op beschermd wonen en/of opvang Indien blijkt dat de cliënt beschermd wonen of opvang nodig heeft, wordt deze situatie gemeld bij de centrumgemeente Enschede. De noodzaak voor beschermd wonen of opvang wordt beoordeeld door de centrumgemeente Enschede samen met de melder gebaseerd op de bepalingen van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning van de gemeente Enschede. 2.8Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren, is het van belang dat de cliënt gegevens verstrekt en medewerking verleent. In art. 2.3.2 lid 7 Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van art. 4:2 Awb. Inlichtingenplicht Artikel 2.3.8 lid 1 Wmo 2015 bepaalt de inlichtingenplicht voor cliënten aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Dat wil zeggen dat inlichtingen die relevant zijn voor een verstrekte maatwerkvoorziening spontaan bij het college gemeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt een huisgenoot heeft gekregen die mogelijk de gebruikelijke hulp op zich kan nemen. Gevolgen De gevolgen van het niet verstrekken van relevante inlichtingen kan leiden tot een herziening of intrekking van het toekenningsbesluit onder toepassing van art. 2.3.10 lid 1 onder a Wmo 2015. En mogelijk ook tot een terugvordering. Medewerkingsplicht Artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015 regelt de algemene medewerkingsplicht die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Onder het niet verlenen van medewerking wordt in ieder geval verstaan: Het niet meewerken aan een onderzoek, al dan niet door een deskundige, door niet te verschijnen of relevante vragen niet te beantwoorden. De medewerkingsverplichting geldt ook voor de huisgenoot ingeval van een onderzoek over het kunnen bieden van gebruikelijke hulp; Als de vertegenwoordiger stelt dat het college de cliënt niet hoeft te zien en/of te spreken voor het onderzoek; Gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek (Zie uitleg hierna); Het niet overleggen van het indicatiebesluit op grond van de Wlz als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte (RBLIM:2021:1423). Blokkeringsrecht Het blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW houdt in dat de uitslag van een medisch onderzoek niet door anderen mag worden gelezen. Dat wil zeggen dat de (medisch) adviseur geen toestemming heeft om het door het college gevraagde advies ook daadwerkelijk aan het college te verstrekken. Gebruikmaken van het blokkeringsrecht wordt aangemerkt als het niet verlenen van de medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet. De gevolgen van het gebruikmaken van het blokkeringsrecht komen voor rekening en risico van de cliënt (bijv. CRVB:2023:2020). In de praktijk zal dit inhouden dat het college de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Gevolgen Niet of onvoldoende medewerking verlenen kan leiden tot weigering aanvraag als daardoor de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld (CRVB:2019:224, CRVB:2020:567, CRVB:2021:1739). 2.9Aanvraag Een cliënt kan een aanvraag doen als het onderzoek is afgerond. Als het onderzoek niet is afgerond binnen zes weken na de melding van de hulpvraag (art.2.3.2 lid 9 Wmo 2015) mag de cliënt zes weken na de melding een aanvraag indienen. De wijze waarop de aanvraag kan worden gedaan is vormvrij. Het ondertekende ondersteuningsplan kan als aanvraag worden aangemerkt. 2.10Weigeren aanvraag in verband met de Wet langdurige zorg De Wmo 2015 kent slechts één weigeringsgrond (art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als: de cliënt een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), of een Wlz-indicatie kan krijgen maar daar geen aanvraag voor wil indienen. Kansrijke aanvraag Het college zal zich bij de weigering van de aanvraag, omdat de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, wel op het standpunt moeten kunnen stellen dat zo’n aanvraag kansrijk is. Dat kan blijken uit het onderzoek en de informatie die beschikbaar is gekomen. Informatie van deskundigen kan nodig zijn. Bijvoorbeeld de huisarts, de wijkverpleegkundige die betrokken is bij de cliënt of op basis van een onafhankelijk medisch advies. Geen Wlz-aanvraag willen indienen Een hogere bijdrage op grond van de Wlz, in vergelijking met de Wmo 2015, is geen reden om geen aanvraag op grond van de Wlz te doen. Het niet willen indienen van een aanvraag op grond van de Wlz, als er aanleiding is om aan te nemen dat zo’n aanvraag door het CIZ zal worden toegekend, leidt tot een afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Het college kan zonder Wlz-indicatie de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet vaststellen. Onderzoek De procedure van art. 2.3.2 Wmo 2015 moet volledig worden doorlopen; onderzoek volgens het stappenplan. Daaruit zal moeten blijken wat de aard, inhoud en omvang van de hulpvraag is en of er een noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 bestaat. Daar kan sprake van zijn als de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen Er geldt één uitzondering op het kunnen weigeren van een aanvraag om een maatwerkvoorziening: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a Wmo 2015). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagbesteding of kortdurend verblijf geldt de uitzondering niet. Het is van belang dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen aanleiding is om dat aan te nemen. 3Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 3 van de Verordening 3.1Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Losser kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Losser. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Losser te verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. 3.2Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in Beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat er om dat de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (CRVB:2022:224). 3.3Algemene criteria In deze paragraaf komen de belangrijkste algemene criteria aan bod die van belang zijn bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. 3.3.1Bevorderen gezondheid Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet. Therapeutisch of medisch doel Als een maatwerkvoorziening (ook) een therapeutisch of medisch doel dient, dan onderzoekt het college of er daarnaast ook beperkingen zijn in de zelfredzaamheid of participatie en gelet daarop een maatwerkvoorziening voor de cliënt is aangewezen (CRVB:2023:1508, CRVB:2023:349, CRVB:2021:1595). 3.3.2Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt: al dan niet met behandeling door een ergotherapeut gebruik kan (leren) maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of de huishoudelijke werkzaamheden in een rustig tempo verdeelt over de week uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272); met het gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224); met de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel en/of gebruikerspas maatwerkvoorziening collectief vervoer) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222). 3.3.3Eigen kracht Eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een door het college te beoordelen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. In zo’n situatie is geen sprake van een tekort in de zelfredzaamheid of participatie (zie 3.3.2 van deze Beleidsregels). 3.3.4Eigen verantwoordelijkheid valt ook onder eigen kracht Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 Artikel 3.3 lid 2 onder b Verordening In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het college zal dat telkens in het individuele geval moet beoordelen wat moet blijken uit het onderzoeksverslag. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. In de onderstaande tekst staan voorbeelden genoemd die ook zijn gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo (oud) tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat deze van overeenkomstige toepassing is. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht dat bijvoorbeeld wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden gevergd dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509). Privaatrechtelijke verbintenis Het college mag verwachten dat de cliënt de woningeigenaar aanspreekt op contractuele afspraken (CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. Is de aanvrager de eigenaar van de woning dan zal hij dat zelf moeten realiseren. 3.3.5Voorliggende voorziening Artikel 3.3 lid 2 onder c en 1.1 lid 1 onder w Verordening (begripsbepaling) Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015. Dat betekent ook dat evenmin recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat als de specifieke regeling, zoals de Zvw, slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de kosten voorziet door de eigen bijdrage die iemand moet betalen (CRVB:2013:CA1427). Verplicht eigen risico De kosten van bijvoorbeeld ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is te vergelijken met de kosten van de eigen bijdrage voor bijvoorbeeld een hoorapparaat op grond van de Zvw. Aanspreken van het verplicht eigen risico is geen reden om geen gebruik te maken van een Zvw-aanspraak. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel. Gelden met een specifieke bestemming Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (CRVB:2012:BV9433). Onderzoek aanspraak andere wet Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046). Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden. Als dat nodig is, neemt het college contact op met bijvoorbeeld de zorgverzekeraar om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op grond van de Zvw. Reële mogelijkheden van behandeling Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk aan (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444). Het college is dan niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken. Onderzoek maatwerkvoorziening en behandeling Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke ondersteuning en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan. Gebruik maken van ergotherapie Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in de leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar. 3.3.6Algemeen gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 Artikel 3.1 lid 1 onder b Verordening Art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken. Beoordelingskader De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in 2019 een richtinggevende uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een fietskar, een (robot)stofzuiger, een spoel-föhn installatie, kreuk-/strijkvrije kleding of een boodschappendienst bij de supermarkt. Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is. Ad. 3 Een passende bijdrage Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Gaat het om kosten van ongeveer € 190, dan gaat het (qua betaalbaarheid) om een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2021:160). Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: de aflossingsduur van 36 maanden die in Losser geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheidt gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272). Datum aanvraag De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening. Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn. Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden. Besteding pgb Artikel 8.3 lid 1 Verordening De cliënt mag het pgb niet besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening. Meerkosten Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. 3.3.7Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de Verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 4 van deze Beleidsregels. 3.3.8Mantelzorg en personen uit het sociale netwerk Mantelzorg is niet afdwingbaar (vrijwillig) en wordt onbetaald geboden. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid of participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja wat de behoefte van de mantelzorger is om de taken vol te kunnen houden. Dat zal ik belangrijke mate afhankelijk zijn van de omvang en intensiteit van de mantelzorg. Zie verder hoofdstuk 5 van deze Beleidsregels. Sociaal netwerk Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring. Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden verminderd of weggenomen. 3.3.9Gebruikmaken van algemene voorzieningen De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning en kunnen een voorliggend en volwaardig alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Uit onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. In de Sociale Kaart Losser zijn ook de algemene voorzieningen opgenomen. 3.3.10Overige voorliggende oplossingen (eigen kracht) Andere beschikbare voorliggende oplossingen in Losser vallen ook onder het beoordelingskader. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn waaruit deze bestaan, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die dagbestedingsactiviteiten organiseert of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. Er is een Sociale Kaart Losser beschikbaar waarin de mogelijkheden van ‘voorliggende oplossingen’ zijn opgenomen. 3.4Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget 3.4.1Ingangsdatum Artikel 3.2 lid 1 Verordening Als hoofdregel geldt dat de ingangsdatum van de indicatie niet eerder ingaat dan de datum waarop het college beslist op de aanvraag. 3.4.2Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding Artikel 3.2 lid 2 onder a Verordening Het kan voorkomen dat de melding van de hulpvraag pas wordt gedaan nadat de cliënt de maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met een hulpvraag tot het college. Omdat de Wmo 2015 niet voorziet in een grondslag, bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening in die situatie wordt geweigerd (CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet met terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). 3.4.3Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname Artikel 3.2 lid 2 onder b Verordening Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert tijdens de procedure van de melding maar voordat is beslist op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing van het college op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan anders aan iemand wordt toegewezen of verkocht. Het college zal in dat geval de noodzaak van de maatwerkvoorziening nog wel moet kunnen vaststellen. 3.4.4Ingangsdatum diensten Als het bovenstaande onder 3.4.2 of 3.4.3 niet aan de orde is, kan voor een dienst zoals huishoudelijke ondersteuning wel een indicatie worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht. 3.4.5Aanpassing zelf aangeschaft hulpmiddel Het kan voorkomen dat de cliënt zelf een hulpmiddel heeft aangeschaft en een melding doet voor een aanpassing van dat hulpmiddel. De omstandigheid dat het om een zelf aangeschaft hulpmiddel gaat wil niet zeggen dat een aanpassing daarvan niet voor verstrekking in aanmerking kan komen als die nog niet is gerealiseerd (zie hiervoor). Het college beoordeelt in zo’n situatie of het betreffende hulpmiddel noodzakelijk is en zo ja, of dat ook geldt voor de aanpassing. 3.4.6Pgb-aanvraag binnen budgetperiode Artikel 3.2 lid 3 Verordening Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Bestedingsruimte Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819, CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818). Rekening en risico budgethouder Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren. 3.4.7Technisch geschikte maatwerkvoorziening Artikel 3.2 lid 4 Verordening De hulpvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling gaat ook over de maatwerkvoorziening in natura. 3.4.8Afsluiten opstalverzekering Artikel 3.2 lid 5 Verordening De cliënt aan wie een woningaanpassing is verstrekt moet zorgen voor een opstalverzekering die het risico van schade afdekt. 3.4.9Afdoende verzekeren Artikel 3.2 lid 6 Verordening Maatwerkvoorzieningen die worden meegenomen naar het buitenland of buiten de gemeente zullen afdoende verzekerd moeten tegen verlies, diefstal en schade. 3.4.10Goedkoopst passende bijdrage Artikel 3.3 lid 1 onder a Verordening Het college verstrekt altijd de goedkoopst passende bijdrage. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopst passende is. Indien de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens passend

  1. is)komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de kosten van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening. 3.4.11Individueel gericht Artikel 3.3 lid 1 onder b Verordening Een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht. De maatwerkvoorziening wordt aan de cliënt verstrekt en levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin deze in staat is toe zelfredzaamheid of participatie. Het college kan bijvoorbeeld wel rekening houden met mantelzorgers die hulp door bijvoorbeeld duwondersteuning op een rolstoel te verstrekken. 3.4.12Afschrijvingstermijn niet verstreken Artikel 3.3 lid 2 onder a Verordening Een maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, kan door het verstrekken van instandhoudingskosten een passende oplossing bieden. In de praktijk gaat het om maatwerkvoorzieningen die technisch nog niet zijn afgeschreven. 3.4.13Zelf passende oplossing realiseren Artikel 3.3 lid 2 onder b Verordening Het college kan van de cliënt vergen dat hij zelf zorgt voor een passende oplossing. Zie 3.3.4 van deze Beleidsregels voor voorbeelden. 3.4.14Gebruik maken voorliggende voorziening Artikel 3.3 lid 2 onder c Verordening Het gebruik maken van een andere wettelijke aanspraak gelet op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning valt binnen de eigen kracht. Zie 3.3.5 van deze Beleidsregels. 3.4.15Langdurige noodzaak Artikel 3.3 lid 2 onder d Verordening In beginsel moet de cliënt langdurig zijn aangewezen op een maatwerkvoorziening, tenzij het huishoudelijke ondersteuning, begeleiding of dagbesteding betreft. Zie 8.5 van deze Beleidsregels voor de langdurige noodzaak bij een woningaanpassing. 3.5Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag gaat het om maatwerk. Uit de Wmo 2015 volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk door het college om een resultaatsverplichting gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het bij het onderzoek na de melding van de hulpvraag van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk en nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn sociale netwerk, waarbij wij onze visie zo licht en dichtbij als mogelijk en zo zwaar als nodig hanteren. 3.6Regresrecht Artikel 2.4.3 Wmo 2015 Een onrechtmatige daad is in het burgerlijk recht de term voor een fout die een ander schade berokkent. In het algemeen betekent dit dat degene die een onrechtmatige daad heeft begaan, ervoor verantwoordelijk is de hieruit voortkomende schade te vergoeden. Door een onrechtmatige daad kan een cliënt aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen van een ongeval. Dat zal moeten blijken uit het onderzoek. Regres plegen Het college heeft de bevoegdheid regres te plegen en de schade te verhalen op degene die de onrechtmatige daad heeft begaan. De datum van de onrechtmatige daad is bepalend: plaatsgevonden op of ná 1 januari 2019. Daarvoor waren convenanten van toepassing op grond waarvan gemeenten geen zelfstandig regres hoefden te plegen. Erkenning van de onrechtmatige daad kan overigens een langdurige kwestie zijn. Het college kan vanzelfsprekend niet meer verhalen dan wat daadwerkelijk aan de client is verstrekt. Het ligt overigens voor de hand dat de client zelf ook een procedure voert om overige geleden schade te verhalen op de aansprakelijke partij of diens verzekeraar. Erkenning onrechtmatige daad Op het moment dat de onrechtmatige daad wordt erkend, kan de aansprakelijke partij of diens verzekeraar voorschotten verstrekken. Op dat moment hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Dit zal moeten blijken uit het onderzoek. Gebruik formulier Het college kan ook gebruik maken van het model-schadeformulier voor de declaratie van regreskosten. Het formulier is beschikbaar via de website van de VNG. 3.7Eigen bijdragen Artikel 9.1 Verordening Cliënten aan wie één of meerdere maatwerkvoorzieningen is verstrekt zijn daarvoor een bijdrage in de kosten verschuldigd: het abonnementstarief. Het gaat om een vast bedrag per maand, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Het abonnementstarief wordt door het Centraal administratiekantoor (CAK) altijd volledig in rekening gebracht. Het kan voorkomen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatvoorziening. Het valt binnen de beleidsvrijheid van het college om te bepalen of het abonnementstarief wordt opgeschort bij tijdelijke niet-gebruik (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 155-157). Verder bepaalt de Verordening voor welke maatwerkvoorzieningen geen bijdrage in de kosten is verschuldigd. Algemene voorziening Artikel 9.2 Verordening Cliënten die gebruik maken van de algemene voorziening was- en strijkservice zijn een bijdrage in de kosten verschuldigd aan de aanbieder. Het gaat om kosten die ieder huishouden maakt. Dat is ook de reden waarom deze bijdrage niet gelijk is aan het abonnementstarief en ook naast het abonnentstarief kan bestaan (TK 2018/19, 35 093, nr. 6, p. 17). Ritbijdrage en reserveringstoeslag Artikel 9.3 Verordening Voor het gebruik van de Regiotaxi is de cliënt een op het reguliere OV-tarief gebaseerde ritbijdrage en een eventuele reserveringstoeslag verschuldigd. De bedragen staan gepubliceerd op www.regiotaxitwente.nl. 3.7.1Beleidsuitgangspunten tijdelijk niet gebruik Abonnementstarief Als uitgangspunt geldt dat het abonnementstarief wordt opgeschort bij het niet-gebruik van de maatwerkvoorziening van aaneengesloten drie maanden of meer waarvoor het abonnementstarief verschuldigd is. Het gaat dus niet om situaties waarin meerdere maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt en slechts één daarvan tijdelijk niet wordt gebruikt. 3.7.2Bijdrage niet verschuldigd Het college is bevoegd om te bepalen dat de cliënt (tijdelijk) geen eigen bijdrage verschuldigd is (art. 3.8 lid 3 onder g en h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Tijdelijk geen betalingscapaciteit Het gaat om cliënten die tijdelijk door (abrupte) veranderingen in de betalingscapaciteit door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid hebben de bijdrage (tijdelijk) te voldoen. De bevoegdheid is nadrukkelijk bedoeld voor het ontbreken van betalingscapaciteit en niet het ontbreken van inkomen en vermogen. Dat betekent dat iemand geen beschikking heeft over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Het college berekent de betalingscapaciteit op basis van de individuele situatie. Deze bevoegdheid geldt sinds 1 januari 2018 toen de eigen bijdrage nog inkomensafhankelijk was. Gelet op de hoogte van het abonnementstarief zal zelden sprake van zijn van het ontbreken van betalingscapaciteit. Het hebben van schulden valt niet onder het ontbreken van betaalcapaciteit. Zorgmijders Het gaat bij zorgmijders specifiek om cliënten die de stap naar ondersteuning niet kunnen of willen maken. Meestal is er sprake van een vorm van verwaarlozing. Het kan voorkomen dat het vragen van een eigen bijdrage maakt dat de stap naar ondersteuning niet wordt gezet. Dat wil zeggen: het opleggen van een eigen bijdrage heeft nadelige gevolgen voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in Losser. In die gevallen kan het college besluiten om tijdelijk geen eigen bijdrage op te leggen. 4Gebruikelijke hulp Artikel 1.1.1 lid 1 en 2.3.5 Wmo 2015 Artikel 3.1 en 3.4 Verordening 4.1Inleiding Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op gezamenlijk een huishouden voeren. Uit de rechtspraak blijkt dat gebruikelijke hulp een afdwingbaar karakter heeft. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat dan om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer huishoudelijke ondersteuning moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie. 4.2Beleidsuitgangspunten In de Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en zo ja, in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te lossen of te verminderen. 4.2.1Algemeen aanvaardbare opvattingen Hulp die op grond van algemeen aanvaardbare opvattingen geacht wordt geboden te kunnen worden valt in ieder geval: overname van huishoudelijke taken; overname van of hulp bij de thuisadministratie; hulp gericht op zelfzorg; hulp bij structureren van de dag/week; hulp bij participatie; legen en reinigen van de toiletemmer; zorg voor minderjarige inwonende kinderen. Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd van niet-professionele hulp. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook volgens algemene aanvaardbare opvattingen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de individuele situatie. Niet-professionele hulp Het gaat bij gebruikelijke hulp om niet-professionele hulp die niet per se door een professional geboden hoeft te worden (bijv. CRVB:2021:1114). Daarom wordt in dit hoofdstuk de term hulp en niet begeleiding gebruikt. Legen en reinigen toiletemmer Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met een losse toiletstoel. Van een partner/echtgenoot en/of inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. 4.2.2In redelijkheid te verwachten van huisgenoten Of in redelijkheid mag worden verwacht dat huisgenoten gebruikelijke hulp bieden is afhankelijk van de individuele situatie. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zal het college vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de gebruikelijke hulp te bieden over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies. De individuele situatie gaat in ieder geval over: de beschikbaarheid van de huisgenoot voor de niet-uitstelbare taken, mogelijke overbelasting van de huisgenoot, de (totale) omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. 4.3Huishoudelijke taken Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten of dit nog nooit heeft gedaan, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot. 4.4Beoordelingskader De Verordening bepaalt dat het college bij de beoordeling of gebruikelijke hulp kan worden gevergd in ieder geval rekening houdt met: de aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte; de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; de omstandigheid dat een huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Hierna worden bovenstaande en andere beoordelingskaders besproken. 4.5Aard van de ondersteuningsbehoefte De aard van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). Het college kan rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Daarbij geldt dat van partners in redelijkheid meer hulp worden verwacht dan van bijvoorbeeld kinderen aan hun ouders of van andere huisgenoten (RBLIM:2022:7897). In het algemeen wordt ook verwacht dat aan personen van het sociaal netwerk, uitleg wordt gegeven in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc. Dit voor zover het niet-professionele hulp betreft. Niet beheersen Nederlandse taal Het (nog) niet beheersen van de Nederlandse taal is geen beperking in de zin van de Wmo 2015. Het kan wel voorkomen dat dit een probleem oplevert bij het bieden van gebruikelijke hulp. Het college wijst de cliënt en degene van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht op de mogelijkheden. Denk aan een tolk of cliëntondersteuning. 4.6Omvang van de ondersteuningsbehoefte Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan ook divers van aard zijn. Die zal, net als de aard daarvan, eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot in verband met bijvoorbeeld werk. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op: hulp bij het vervoer, de administratie of aansporing bij zelfzorg. De omvang van de hulp kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen en daarin meelopen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, etc. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan moet het college een maatwerkvoorziening verstrekken. 4.7De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers, huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, van kinderen ten opzichte van hun ouders en van huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp: bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer; bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de thuisadministratie; aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.; van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar bijlage I Richtlijn gebruikelijke zorg van ouder(
  2. s)voor minderjarige kinderen bij deze Beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders (RBLIM:2022:7897). Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg (CRVB:2021:823). Meerderjarige kinderen en ouders Voor hulp van kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
  3. s)hulp bieden. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Ouders en meerderjarige kinderen Afhankelijk van de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte mag van ouders worden verwacht dat zij bij bepaalde hulpvragen van een meerderjarig kind hulp bieden in het kader van de gebruikelijke hulp. Een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding wordt dan afgewezen (CRVB:2024:941). In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het onder meer om hulp dan wel aansturing om: ‘s ochtends op tijd uit bed te komen; te voorkomen dat te veel eten wordt opschept en betrokkene gaat kokhalzen tijdens het eten; te kunnen werken met een agenda; bij het ondernemen van nieuwe activiteiten. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Ouders en kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(
  4. s)strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(
  5. s)normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor opvang van kinderen hoofdstuk 6 huishoudelijke ondersteuning van deze Beleidsregels. Verwezen wordt naar bijlage I Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
  6. s)voor minderjarige kinderen. Thuisadministratie Voor hulp bij of het overnemen van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat partners de thuisadministratie van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot hulp bij de thuisadministratie. Ook van ouder(
  7. s)wordt verwacht dat zij de thuisadministratie van een inwonend meerderjarig kind overnemen. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. Hulp gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van echtgenoten/partners mag in ieder geval worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt. Gebruikelijke hulp van de echtgenoot/partner wordt ook verwacht voor zover het activiteiten betreft die hen gezamenlijk aangaan, zoals het eten en drinken. Dat loopt mee in de normale routine. Bij andere adl-activiteiten overlegt het college met de cliënt en zijn partner/echtgenoot wat redelijk is. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(
  8. s)aansporen tot zelfzorg. Hulp bij structureren van de dag/week Van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken en bespreken van een dag- of weekplanning. Daarin staat de volgorde waarin activiteiten plaatsvinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist; Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, e.d.; Bezoek aan familie; Deelname aan geïndiceerde groepsondersteuning (brengen en/of opgehaald worden); Etc. Dergelijke activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. Hulp bij participatie Onder participatie wordt onder meer verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk, moskee of synagoge, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname aan maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Zoals gezegd geldt in het algemeen dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind wel mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Individuele vervoersbehoefte, geen gebruikelijke hulp De cliënt kan ook een individuele lokale vervoersbehoefte hebben en om die reden dus niet voor alle ondersteuning afhankelijk gemaakt worden van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen. 4.8De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Daarnaast kunnen zij mogelijk eventuele jongere gezinsleden verzorgen. Verder gelden de volgende uitgangspunten: Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Bij kinderen tussen 5-12 jaar worden hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, zoals rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Kinderen vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken binnen de leefeenheid overnemen. 4.9Leerbaarheid cliënt of huisgenoot Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd om huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. 4.10Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe vanuit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
  9. n)niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of de huisgenoot heeft geobjectiveerde beperkingen en/of mist de kennis dan wel vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In dergelijke situaties kan het college al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Denk bijvoorbeeld aan een vorm van kinderopvang. 4.11Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijke hulp substantieel wordt overschreden. Dat kan te maken hebben met een combinatie van factoren. Denk bijvoorbeeld aan de aard en omvang van de totale ondersteuningsbehoefte van de cliënt of het combineren van het bieden van gebruikelijke hulp en de eigen activiteiten van de huisgenoot. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. Er kan dan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op jeugdhulp. Zie voor huishoudelijke ondersteuning hoofdstuk 6 van de Beleidsregels. 4.12De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of er in individuele situaties nog een uitzondering kan zijn, op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht gebruikelijke hulp te bieden, overbelast is (geraakt) en daarom niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Eventueel contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot kan helpen om daarover een oordeel te kunnen geven. Omvang planbare en onplanbare hulp Soms is het direct duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden, is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt (ook nog) gebruikelijke hulp te verlenen. Het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met zorg die wordt geboden in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan zijn dat onplanbare zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Dreigende overbelasting Wordt een beroep gedaan op (dreigende) overbelasting van een huisgenoot, dan moet de cliënt dat aannemelijk maken. Op het college rust dan de plicht daar onderzoek naar te doen. De betreffende huisgenoot is overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert de huisgenoot dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening mogelijk niet worden vastgesteld (CRVB:2019:2616). Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, zullen deze aangewend moeten worden. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf onbetaald leveren van te indiceren zorg (verpleging en/of verzorging). In die gevallen kan het college met de cliënt en zijn huisgenoot overleggen of voor deze zorg aanspraak wordt gemaakt op de Zorgverzekeringswet zodat de (dreigende) overbelasting kan worden opgeheven. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten (buiten de gebruikelijke hulp) al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Bijvoorbeeld de schoolprestaties mogen daar niet onder lijden. 5Mantelzorg, respijtzorg en kortdurend verblijf Artikel 1.1.1 lid 1 en 2.3.5 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 5.4 Verordening 5.1Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Bij mantelzorg is geen sprake van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. Wettelijk begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Niet verzilveren van een aanspraak Uit de wettelijke begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigt. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Afstemmen Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17). Dit laat onverlet dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Ondersteuning aan de mantelzorger De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet onderzoek doen naar de vraag of er behoefte is aan ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Daarnaast zijn er lokale of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen. Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kan hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden in het onderzoek meegewogen (zie bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze Beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.2Respijtzorg Een maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passend te ondersteunen. Maatwerkvoorzieningen zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 3.3 lid 1 onder b Verordening). Het college houdt in het algemeen rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is de cliënt ondersteuning te bieden, kan hij (tijdelijk) zijn aangewezen op een maatwerkvoorziening. Een mogelijkheid is dan respijtzorg; dit is de tijdelijke en volledige overname van zorg met als doel de mantelzorger een adempauze te geven. Denk bijvoorbeeld aan dagbesteding. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen; en maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid of participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. De maatwerkvoorziening in de vorm van respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is. 5.3Kortdurend verblijf (wonen en verblijf) De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten en die is gericht op de ondersteuningsbehoefte kortdurend verblijf (art. 1.1.1 Wmo 2015). Het college beoordeelt eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. En als is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast, geldt nog een ander criterium. Namelijk, of de cliënt door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg is aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid. Er mag overigens geen sprake zijn van het moeten bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg; in dat geval moet de cliënt een beroep doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. 5.4Mantelzorgwoning Woningen, dus ook mantelzorgwoningen, worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is wel aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en dat, waar mogelijk, belemmeringen tot plaatsing moeten worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen bijvoorbeeld vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). 6Huishoudelijke ondersteuning Hoofdstuk 4 Verordening 6.1Inleiding Onder huishoudelijke ondersteuning wordt verstaan: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit: schoonmaakondersteuning en regie/zorg over het huishouden. Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen dan verstrekt als geen sprake is van: eigen kracht, gebruik kunnen maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, hulp van anderen of het sociaal netwerk of een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder ook geen andere hulp is die deze taken kan overnemen. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit het bereiken van resultaten zoals opgenomen in de Verordening. Het college maakt gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019. 6.2Maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning Artikel 4.1 Verordening Deze maatwerkvoorziening bestaat uit: het schoon en leefbaar houden van de woning; de wasverzorging; en het beschikken over boodschappen voor het dagelijks leven. Schoonmaakondersteuning heeft betrekking op een aantal resultaten (zie hierna). 6.2.1Resultaat schoon en leefbaar houden van de woning Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en leefbare elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, een slaapkamer, een slaapkamer die anders wordt gebruikt, een keuken, sanitaire ruimtes (maximaal één badkamer en twee toiletten) en aangrenzende hal, trap en/of overloop. Elementaire woonruimten Het gaat bij deze woonruimten over de primaire leefruimten in de woning die de cliënt daadwerkelijk (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft. Deze ruimten worden schoongemaakt volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de sanitaire ruimten, keuken en het dweilen van vloeren. Alleen de binnenkant van de woning De huishoudelijke taken beperken zich tot de binnenkant van de woning. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier niet onder een schoon en leefbaar huis (CRVB:2017:1302, CRVB:2017:885, RBZWB:2023:49). Dat wil niet zeggen dat bijvoorbeeld het vegen van een balkon nooit gedaan zou mogen worden, maar er wordt geen aparte indicatie voor gegeven. 6.2.2Resultaat schone en draagbare kleding Dit resultaat gaat over de overname van de wasverzorging. Een indicatie voor de maatwerkvoorziening wasverzorging zal zich zelden voordoen omdat het resultaat doorgaans bereikt kan worden door gebruik te maken van de algemene voorziening was- en strijkservice. Er wordt dan geen indicatie maatwerkvoorziening voor wasverzorging afgegeven. Deeltaken zelf uitvoeren Mocht de algemene voorziening was- en strijkservice (nog) geen passende oplossing zijn, dan is het wel vaak zo dat cliënten een deel van de wasverzorging nog zelf kunnen uitvoeren. Denk bijvoorbeeld aan: de was sorteren of de was in de wasmachine stoppen en deze aanzetten. Uitgangspunt strijken van was Als uitgangspunt geldt dat de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan worden volstaan met het opvouwen van de was. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding (bijv. RBOBR:2019:4844). Maatwerk In het geval de algemene voorziening was- en strijkservice niet passend is én de normtijden van HHM 2019 voor de maatwerkvoorziening wasverzorging niet toereikend zijn, wordt maatwerk geboden (CRVB:2023:2470). 6.2.3Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Dit resultaat gaat over de overname van het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Een indicatie voor de overname van het doen van boodschappen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door gebruik te maken van de boodschappendienst (algemeen gebruikelijke voorziening) of met hulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp). Ook kinderen die niet meer thuis wonen of buren van de cliënt kunnen mogelijk hulp bieden. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Andere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen niet onder dit resultaat. 6.3Maatwerkvoorziening ondersteuning: regie/ zorg over het huishouden De inzet van een maatwerkvoorziening ondersteuning regie/zorg over het huishouden kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. In dat geval kan ondersteuning om een gestructureerd huishouden te kunnen voeren nodig zijn. De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden bestaat uit de volgende resultaten: een gestructureerde organisatie van het huishouden; advies, instructie, voorlichting (AIV) over het huishouden; maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd; thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren. 6.3.1Resultaat een gestructureerde organisatie van het huishouden Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen met de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden). Het hoeft niet alleen te gaan over de volledige overname van taken. Het kan zijn dat de cliënt, samen met de hulp, bepaalde huishoudelijke taken uitvoert. Regievermogen De inzet van een maatwerkvoorziening kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. Daaronder kan worden verstaan of de cliënt het vermogen heeft om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie. 6.3.2Resultaat advies, instructie, voorlichting (AIV) over het huishouden Bij dit resultaat gaat het niet over de overname van huishoudelijke taken maar over het aanleren daarvan. Het resultaat gaat over het beschikken van de vaardigheid om zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren. Aan cliënten die leerbaar zijn kan tijdelijk Advies, Instructie, Voorlichting worden verstrekt over het zelf kunnen uitvoeren van huishoudelijke taken en/ of het plannen daarvan. 6.3.3Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd In incidentele gevallen valt het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden onder de maatwerkvoorziening regie/zorg over het huishouden. Dit resultaat valt onder de huishoudelijke ondersteuning als sprake is van overname van het: klaarzetten of aanreiken van de broodmaaltijd; klaarzetten of opwarmen van een maaltijd; bereiden van de warme maaltijd (alleen als voorliggende oplossingen zoals kant- en klaar maaltijden niet passend zijn); tafel dekken en afruimen; eten en drinken klaarzetten; in/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat. Zie bijlage II Normenkader Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) bij deze Beleidsregels. Niet-uitstelbaar Bij dit resultaat gaat het om niet-uitstelbare taken. Dat wil zeggen: taken die doorgaans dagelijks moeten worden gedaan of in ieder geval niet kunnen worden uitgesteld tot de hulp weer langskomt bij de cliënt. Bij maaltijden spreekt dat voor zich. Voorliggende oplossingen Een indicatie voor het overnemen van het doen van maaltijdverzorging zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans: op eigen kracht, met algemeen gebruikelijke voorzieningen (kant en klaar maaltijden), met gebruikelijke hulp of met hulp van anderen bereikt kan worden. Ook het mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis valt hieronder. Uitgangspunt broodmaaltijden Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden gemaakt en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960). Wijkverpleging en maaltijdvoorziening Maaltijdvoorziening valt onder wijkverpleging (Zvw) als een cliënt ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft en er geen aanspraak is op Wlz-zorg. Dat is het geval als de client: hulp nodig heeft om het eten en drinken in zijn mond te brengen (eten en drinken geven), is aangewezen op toezicht bij de maaltijden in verband met bijvoorbeeld verslikkingsgevaar. 6.3.4Maatwerk bij geen indicatie maaltijden Het resultaat maaltijden omvat ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen. Dat betekent ook dat als geen indicatie voor maaltijden wordt gesteld, het wel nodig kan zijn dat een indicatie wordt afgegeven voor afwassen of vaatwasser in- en uitruimen (CRVB:2023:2470). Het college baseert zich in beginsel op het CIZ-protocol huishoudelijke verzorging 2005. Daarbij wordt opgemerkt dat de cliënt doorgaans in staat zal zijn om (een deel) van de afwas zelf te doen (eigen kracht). 6.3.5Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren Een indicatie voor het overnemen van de zorg voor minderjarige kinderen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door eigen kracht, gebruikelijke hulp (de andere ouder) of hulp van anderen. Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders niet in staat zijn deze te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het brengen en halen van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn voor de kinderen te zorgen dat zelf te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(
  10. s)ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt. 6.4Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij de onderstaande onderwerpen hanteert het college beleidsuitgangspunten: Wet langdurige zorg; Eigen kracht; Gesaneerde woning; Algemeen gebruikelijke voorzieningen; Gebruikelijke hulp; Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg; Gebruik van algemene voorzieningen; Normenkader HHM 2019. 6.5Wet langdurige zorg Cliënt Heeft de cliënt een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of kan zo’n indicatie worden verkregen, dan valt ook de huishoudelijke ondersteuning onder de Wlz. Naast het schoonhouden van de woonruimte vallen ook andere huishoudelijke activiteiten binnen de Wlz (Stb. 2022, 510). Van de cliënt wordt verwacht dat een aanvraag om een Wlz-indicatie wordt gedaan. Huisgenoot Heeft de huisgenoot van de cliënt een Wlz-indicatie, dan onderzoekt het college of er voor de cliënt op grond van de Wmo 2015 nog aanvullend huishoudelijke ondersteuning nodig is (CRVB:2023:2165). 6.6Eigen kracht Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Feitelijk eigen kracht Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna). Eigen kracht: met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen kracht. Iemand heeft in zo’n geval geen tekort in de zelfredzaamheid die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels de huishoudelijke taken verspreid over de week in een rustig tempo zelf kan uitvoeren (CRVB:2022:308). Zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning zoals (
  11. te)volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van een specifiek kenmerk om ‘meer inzet’ te indiceren boven de basisnorm schoonmaakondersteuning volgens het Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019. 6.7Gesaneerde woning Er wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie of COPD. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. 6.8Algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een (robot)stofzuiger, een wasmachine, een wasdroger, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Voorkomen van een aanspraak Het kan ook zijn dat met algemeen gebruikelijke voorzieningen een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan: strijkvrije kleding; de boodschappendienst; kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice; de aanschaf van een wasdroger; of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt; er wordt dan geen schoonmaakondersteuning verstrekt. Zie verder 3.3 van deze Beleidsregels over hoe het college dat beoordeelt. 6.9Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste rechtspraak (bijv. CRVB:2018:2721, CRVB:2019:1334, CRVB:2019:2616, CRVB:2021:1114). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie verder hoofdstuk 4 van deze Beleidsregels. 6.10Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociaal netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar. Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17, CRVB:2017:3209). Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt -kort gezegd- hulp van anderen kan krijgen. Zijn andere personen uit het netwerk van de cliënt aanwezig bij het gesprek, dan kunnen praktische zaken tot oplossingen leiden waardoor geen of minder maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt hoeft te worden. 6.11Algemene voorziening Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen die door de cliënt worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie. Dat wil zeggen dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de was- en strijkservice. 6.11.1Was- en strijkservice Als onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning is in de gemeente Losser een algemene voorziening was- en strijkservice opgezet. Alle inwoners van de gemeenten Losser kunnen gebruik maken van deze voorziening. De algemene voorziening voor de was en strijk kan voorzien in de ondersteuningsbehoefte van het grootste deel van de inwoners voor het wassen en strijken en is daarom een goed alternatief voor de inzet van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor de wasverzorging. De algemene voorziening kan gebruikt worden voor alle soorten was (kleding en linnen- en/of beddengoed). Omvang Inwoners van de gemeente Losser kunnen wekelijks gebruik maken van de algemene voorziening was- en strijk service. Van de cliënt wordt verwacht dat hij voldoende kleding of andere linnengoed heeft om een week te overbruggen. De was kan op twee vaste momenten in de week bij cliënten thuis opgehaald en gebracht worden. Cliënten zijn zelf verantwoordelijk voor het aanwezig zijn op deze momenten of om hiervoor een eventueel alternatief te regelen. Passende oplossing De algemene voorziening was- en strijkservice wordt in de volgende situaties in ieder geval als passende oplossing aangemerkt: Als het doen van de was als uitstelbare taak kan worden aangemerkt. Er een mogelijkheid is voor het: aanbieden van de was in de daarvoor bestemde waszak. Hiermee wordt ook de situatie bedoeld dat de aangeboden was met hulp in de waszak bij de voordeur wordt neergezet en even kan blijven staan tot het moment dat de aanbieder de was ophaalt; aannemen of opruimen van de was. Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de opgevouwen was even in huis kan blijven staan tot er hulp beschikbaar is om de was op te ruimen. Geen passende oplossing De algemene voorziening was- en strijkservice is niet geschikt als: sprake is van frequent optredende incontinentie en aannemelijk is dat het gebruik van incontinentiemateriaal geen afdoende oplossing is; de cliënt gebruik maakt van zalven op grond waarvan een hoge hygiëne noodzakelijk is vanwege infectiegevaar (CRVB:2019:982); het aantal noodzakelijke wasbeurten een omstandigheid is dat het geen passende oplossing is. In de praktijk kan dat te maken hebben met jonge kinderen. In zulke gevallen kan de was mogelijk niet (een week) blijven liggen. Het gaat dan in zo’n situatie om een niet-uitstelbare taak. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bijdrage in de kosten Cliënten die op grond van de Wmo 2015 gebruik (kunnen) maken van deze algemene voorziening, betalen een bedrag per waszak. In de Verordening staat de hoogte van de eigen bijdrage. De eigen bijdrage voor de was- en strijkservice betalen cliënten aan de aanbieder zelf. 6.12Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning (incl. wasverzorging) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden. Normenkader als richtlijn Het doel van het gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, die is gebaseerd op volledige overname van huishoudelijke activiteiten. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening leefbaar huis, kan minder of meer ondersteuning ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld: een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren of het klaarzetten van maaltijden. Verder wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van: eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp van het netwerk. 6.12.1Nadere instructies HHM 2019 In september 2022 zijn door HHM in bijlage II van het normenkader 2019 nadere instructies toegevoegd over de toepassing. Het college zoekt op een aantal punten aansluiting in de motivering van de beslissing op de aanvraag van huishoudelijke ondersteuning bij deze instructies voor minder of meer inzet. In februari 2024 is door HHM een toelichting geschreven voor de activiteiten en de normtijden voor de wasverzorging. Dit naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB (CRVB:2023:2470). Zie Bijlage II Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze Beleidsregels. 6.12.2Gemiddelde cliëntsituatie Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan: Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen (zie 6.12.9 van deze Beleidsregels); De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak; De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. 6.12.3Individuele situaties op basis van kenmerken Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is: Kenmerken cliënt: Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee. Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken: Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus). Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Daarbij geldt het uitgangspunt van een gesaneerde woning. Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt. Kenmerken huishouden: Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding. Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen (zie 6.12.9 van deze Beleidsregels). Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Kenmerken woning: Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden. Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd. 6.12.4Minder inzet dan volledige overname/afschalen In september 2022 zijn nadere instructies toegevoegd voor het toepassen van het Normenkader HHM 2019 over onder meer het afschalen of minderen ten opzichte van de norm aangegeven in minuten per week bij volledige overname. Het gaat ook over de mogelijkheid om verder af te schalen dan de 10, 15 of 17 minuten die in het normenkader staan benoemd. Eigen mogelijkheden (eigen kracht) Uit onderzoek is gebleken dat cliënten zelf gemiddeld zo’n 15 minuten per week kunnen doen om het resultaat leefbaar huis te bereiken. Het gaat dan meestal om schoonmaken op middenniveau (afstoffen en nat afnemen) en algemeen opruimen. Het afstoffen op middenniveau is dus zonder bukken of klimmen/reiken. Kan de cliënt meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden. Gebruikelijke hulp Bovenop of in plaats van de mindering vanwege eigen mogelijkheden kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege hulp vanuit het netwerk of door inwonende personen (gebruikelijke hulp). Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meer dan 15 minuten zijn. Wasverzorging Zeker bij de was is vaak ruimte voor eigen mogelijkheden door de cliënt (aftrekoptie voor de helft van de omvang -/- 17 minuten). Vaak zie je dat de cliënt de zware/grote stukken was niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding, ondergoed e.d. 6.12.5Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten) Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt. Oorzaak 1: allergieën/COPD en dergelijke waardoor het huis beter stofvrij moet blijven. Oorzaak 2: incontinentie, overmatig zweten, specifieke medicijnen met lichamelijke reacties, rolstoelgebruik binnen-buiten (en geen robotstofzuiger mogelijk voor het zand opzuigen) en dergelijke, waardoor het huis sneller vervuilt. 30 of 60 minuten Tot 30 minuten extra inzet is vooral aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken. Tot 60 minuten extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken. Tweede keer In geval van een tweede keer moeten komen vanwege stof of zand/haren op de vloer vanwege huisdieren, vanwege allergie, vanwege rolstoelgebruik et cetera. Het college kan overwegen of het mogelijk is dat de cliënt zelf een eenvoudige robotstofzuiger aanschaft als algemeen gebruikelijke voorziening. Vooropgesteld dat de cliënt met een (eenvoudig) apparaat uit de voeten kan. 6.12.6Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer) Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is, dan is het dus voor ‘iets anders’, het maakt in principe niet uit waarvoor dat is. Extra (slaap)kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt (die in de standaardtijd is opgenomen), moeten worden schoongemaakt om de woning uiteindelijk niet te laten vervuilen. Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader. Bijvoorbeeld voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera. Voor de niet-slaapkamers indiceren we 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc. Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon. Een zolder en dus ook een eventuele helemaal leegstaande zolderkamer: die neem je in principe niet mee, behalve als er duidelijke redenen zijn om dit wel te doen. Het eventueel eens per jaar een stofzuiger door de zolder halen, lost zich in de praktijk eigenlijk altijd wel op. De 18 minuten voor een kamer in gebruik als slaapkamer komen voort uit het moeten verschonen van het bed en de extra benodigde tijd voor stoffen en schoonmaken vanwege de aard van het gebruik van de kamer. Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan het college om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden. Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdhulp in zit: dan is huishoudelijke ondersteuning inzetten een betere optie dan meer jeugdhulp inzetten. 6.12.7Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer. Grote bijkeuken Een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is. Tweede badkamer Wordt deze niet (noodzakelijkerwijs) gebruikt als badkamer, dan wordt de ruimte aangemerkt als ‘extra kamer niet zijnde een slaapkamer’: plus 5 minuten/week. Separaat toilet boven Als er geen toilet in de badkamer zit is dit een onderdeel van ‘het sanitair boven’ en vergt geen extra tijdsinzet. Kantoor Als het echt een kantoor is en niet een slaap/logeerkamer die als werkplek wordt gebruikt: deze moet zakelijk schoongemaakt en dat valt niet binnen de Wmo. Als het een thuiswerkplek betreft, dan is het een kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer. Grote kelder Dit wordt afgewogen op basis van het werkelijke gebruik hiervan. Er wordt geen extra tijd toegekend, maar net zoals de zolder of eventueel meenemen als ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’. 6.12.8Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp) In het normenkader is de mogelijkheid benoemt om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we de uitgangspunten van eigen kracht en gebruikelijke hulp. Meer personen in leefeenheid Als sprake is van meer personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er MINDER dan volledige overname of MEER dan volledige overname moet worden ingezet. De 30 minuten zoals (oorspronkelijk) vermeld in het normenkader: het college komt tot een specifieke afweging die kan leiden tot het toekennen van minder tijd of tot het toekennen van meer tijd. Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen. In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen. 6.12.9Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken) De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze Beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88). Maar het hebben van huisdieren kan leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. In geval van een hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw overweegt het college dat (RBGEL:2018:1741). Zie de mogelijkheid tot opplussen in Bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze Beleidsregels. Heeft de cliënt huisdieren, anders dan een hulphond, dan geldt in het algemeen dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585). 6.12.10Strijken en boodschappen Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar. Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing. 6.12.11Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra tijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’. Wat zijn deze overige kenmerken? Omvang van het huis: alleen in uitzonderlijke situaties neem je 15 minuten extra op vanwege een heel groot huis. Dit aspect wordt namelijk mede gedekt door de mogelijkheid van toekennen van extra tijd voor ‘extra kamers wel of niet in gebruik als slaapkamer’. Bewerkelijkheid: idem. Alleen in uitzonderlijke situaties hiervoor extra tijd opnemen. Inrichting: idem. Eerste verantwoordelijkheid ligt bij de cliënt om niet meer inzet nodig te maken dan redelijkerwijs nodig is. In uitzonderlijke situaties kan dit worden meegenomen. Voor deze drie items apart dan wel gezamenlijk kan in principe 1 x 15 minuten extra worden toegekend. 7Begeleiding en dagbesteding Hoofdstuk 5 Verordening 7.1Inleiding De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor begeleiding. Het doel van begeleiding is het bevorderen, behouden en/of compenseren van zelfredzaamheid en participatie, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Begeleiding kan in de vorm van begeleiding individueel en dagbesteding plaatsvinden. 7.2Algemene uitgangspunten De ondersteuningsvraag/behoefte van de cliënt staat centraal. Deze wordt integraal bekeken waarbij de verschillende leefgebieden worden meegenomen. Ondersteuning is laagdrempelig en dichtbij en is ontwikkelingsgericht, gericht op stabilisering en waar mogelijk, herstelgericht. Er wordt ingezet op o.a. reablement (herstelgerichte zorg en ondersteuning), met als doel dat mensen vaardigheden (weer) aanleren zodat ze zich langer zelfstandig kunnen redden. Er wordt gestuurd op doelen, casusregie en tussentijdse resultaatevaluatie. 7.3Begeleiding individueel Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee producten: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus. De volgende uitgangspunten zijn voor begeleiding individueel van toepassing: Inzet van de individuele begeleiding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. De aanbieder leidt (indien mogelijk) de cliënt toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk; De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de cliënt woont. Afhankelijk van de individuele casus kan er ook gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen; Samenloop met andere ondersteuning, bijvoorbeeld dagbesteding, is mogelijk. 7.3.1Begeleiding individueel basis Begeleiding individueel basis is bedoeld voor cliënten met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt; De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie; De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag. 7.3.2Begeleiding individueel plus Begeleiding individueel plus is bedoeld voor cliënten met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden; De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek; De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie; De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag. 7.3.3Uitwerking kenmerken begeleiding individueel basis en plus Basis Plus De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig Met een positieve en motiverende benadering en aanmoediging komt de cliënt tot resultaat en neemt verantwoordelijkheid voor de eigen vooruitgang. Met een herinnering, een voorbeeld, oefenen of een instructie kan de cliënt een taak volbrengen of een haalbare vaardigheid eigen maken. De cliënt kan door middel van informatieverstrekking, verkennen van opties en ondersteunende gesprekken tot juiste beslissingen komen Met een intensieve en proactieve benadering komt de cliënt tot resultaat door middel van motiveren, inspireren en ondersteunen. Intensief gaat over de methodische benadering en niet over de frequentie. De cliënt heeft bij herhaling aanmoediging, positieve feedback en ondersteuning nodig om verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen vooruitgang. De cliënt heeft in grote mate sturing/toezicht nodig om een taak te volbrengen. Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt. De cliënt heeft in grote mate ondersteuning nodig om tot een juiste beslissing te kunnen komen. Zonder ondersteuning overziet de cliënt de risico’s niet en maakt de cliënt beslissingen die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn of haar functioneren of dat van de omgeving. De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt. De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer). Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo. Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen. Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden. Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo. De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken De cliënt is gemotiveerd om te werken aan de ondersteuningsvraag en staat open voor feedback van de ondersteuner. De cliënt komt afspraken voldoende na om de resultaten te behalen. De cliënt vindt het moeilijk om afspraken na te komen en feedback van de ondersteuner aan te nemen. De cliënt trekt bijvoorbeeld alles in twijfel en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Dit is een terugkomend kenmerk. De ondersteuner moet beschikken over methodische kennis en vaardigheden om samen met de cliënt de resultaten te halen. De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden De cliënt heeft een (beperkt) realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen. De cliënt heeft geen of beperkt realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of verwaarlozing te voorkomen. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek De cliënt vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. De ondersteuner moet alert zijn op signalen en kunnen bijsturen. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie. De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.