← Nederland

Besluit van het college van burgemeester en wethouders houdende regels omtrent bevoegdheden ambtelijke organisatie ALGEMEEN - Bevoegdhedenbesluit ambt

Kort gezegd

Dit besluit regelt wie binnen de gemeente Amsterdam welke beslissingen mag nemen namens het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of de gemeente zelf. Het doel is om duidelijkheid te scheppen over de bevoegdheden van ambtenaren.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Besluit van het college van burgemeester en wethouders houdende regels omtrent bevoegdheden ambtelijke organisatie ALGEMEEN - Bevoegdhedenbesluit ambtelijke organisatie AmsterdamHoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities

  1. In dit besluit wordt verstaan onder: gemeente: gemeente als publiekrechtelijk lichaam alsmede de gemeente als privaatrechtelijke rechtspersoon; clusterstaf: organisatieonderdeel op clusterniveau dat rechtstreeks onder de aansturing van een stedelijk directeur valt rve: resultaat verantwoordelijke eenheid, een organisatieonderdeel dat binnen een cluster valt en wordt aangestuurd door een rve-directeur; directie: onderdeel van het organisatieonderdeel Bestuur en Organisatie; college: college van burgemeester en wethouders; burgemeester: burgemeester als bestuursorgaan en als vertegenwoordiger van de gemeente in en buiten rechte; gemeentesecretaris: gemeentesecretaris, tevens in zijn hoedanigheid van Algemeen Directeur en voorzitter van het Gemeentelijk Managementteam; GMT: het Gemeentelijk Managementteam, bestaande uit de gemeentesecretaris, stedelijk directeuren en concerncontroller; directeur: directeuren van een rve, stedelijk directeuren en directeuren B en O; stedelijk directeur: directeur van een cluster, ressorterend onder de gemeentesecretaris en lid van het GMT; concerncontroller: directeur van de Directie Middelen en Control, ressorterend onder de gemeentesecretaris en lid van het GMT; directeur B en O: directeur van een directie van Bestuur en Organisatie, ressorterend onder de gemeentesecretaris; stadsdeelsecretaris: manager van een bestuurscommissieorganisatie, ressorterend onder de gemeentesecretaris, tevens secretaris van een bestuurscommissie als bedoeld in paragraaf 6 van de Verordening op de Bestuurscommissies; directeur van een rve: directeur van een rve, ressorterend onder een stedelijk directeur; afdelingshoofd: manager van een afdeling, ressorterend onder een directeur, rve-directeur of stadsdeelsecretaris; budgethouder: budgethouder overeenkomstig de Budgethoudersregeling, daaronder begrepen hoofdbudgethouder en deelbudgethouder; lead buyer: functionaris die exclusief is aangewezen om voor bepaalde overheidsopdrachten de markt te benaderen.
  2. in dit besluit wordt verder verstaan onder: besluit: een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht en, voor wat betreft rechtspositionele beslissingen een handeling als bedoeld in artikel 8.2, aanhef en eerste lid, onder a, van de Awb, of een beslissing op grond van het privaatrecht; mandaat: de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan besluiten te nemen; ondermandaat: een door een gemandateerde verleend mandaat, van een aan hem gemandateerde bevoegdheid, aan een onder hem ressorterende medewerker; volmacht: het vertegenwoordigen van de gemeente bij het in privaatrechtelijke zin aangaan van een rechtshandeling namens de rechtspersoon gemeente Amsterdam; machtiging: de bevoegdheid om namens een bestuursorgaan handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn. Artikel 2 Overeenkomstige toepassing
  3. Voor de toepassing van deze regeling en de daarop berustende bepalingen worden met mandaat gelijkgesteld de verlening van volmacht en machtiging.
  4. Dit besluit is van overeenkomstige toepassing op ondermandaat en mandaatbesluiten die in specifieke gevallen worden verleend aan functionarissen werkzaam onder verantwoordelijkheid van het college.
  5. Het mandaat tot uitoefening van een bevoegdheid heeft mede betrekking op alle handelingen die binnen het kader van de uitoefening van de bevoegdheid moeten worden verricht, zoals het voeren van correspondentie, het verzoeken om (aanvullende) informatie, het vragen om of geven van advies, het verdagen van beslissingen, het verstrekken van inlichtingen en het voldoen aan publicatieverplichtingen. Artikel 3 Ondertekening stukken van het college Het college staat de burgemeester toe de ondertekening van stukken die van het college uitgaan, op te dragen aan de gemeentesecretaris. Artikel 4 Algemene vereisten bij mandaat
  6. Een krachtens dit besluit genomen primair besluit of verrichte handeling: past binnen het bestaande beleid en binnen de wettelijke en gemeentelijke regels; past binnen het daartoe beschikbaar gestelde budget; past binnen het werkterrein van het betreffende organisatieonderdeel wordt, voor zover van toepassing, voorafgegaan door: i. een positief advies van een externe instantie; ii. overeenstemming tussen de bij het besluit of de handeling betrokken afdelingen richt zich, voor zover het rechtspositionele bevoegdheden betreft, op het organisatieonderdeel waar de functionaris hiërarchisch leidinggevende van is, en voor wat betreft de rechtspositionele bevoegdheden van de stedelijke directeur jegens de rve-directeuren binnen zijn cluster, op die rve-directeuren.
  7. Voor zover het in mandaat genomen besluit een rechtshandeling betreft met financiële gevolgen: dient de gemandateerde te zijn aangewezen als budgethouder bij of krachtens de Budgethoudersregeling; overstijgt de waarde van de rechtshandeling niet het bedrag dat in het algemeen voor de betreffende functie of in het bijzonder voor de betreffende functionaris is vastgesteld bij of krachtens de Budgethoudersregeling; geldt bij ondermandaat voor het besluiten tot het aangaan van een privaatrechtelijke rechtshandeling voorts dat er slechts bevoegdheid bestaat wanneer voor de bewuste categorie overheidsopdrachten een daartoe aangewezen lead buyer een marktpartij heeft geselecteerd conform de in bijlage 2 aan de lead buyer toebedeelde taken. Artikel 5 Algemene beperkingen bij mandaat In geval van strijd met bepalingen in dit besluit en de Verordening op de bestuurscommissies of de daarbij behorende bijlagen, heeft die verordening voorrang. Hoofdstuk 2 Instructies Artikel 6 Algemene instructie bij de uitoefening van mandaten, conform art. 10:6 Awb Functionarissen oefenen een aan hen verleend mandaat niet uit indien sprake is van politiek of bestuurlijk gevoelige onderwerpen. Onder politiek of bestuurlijk gevoelige onderwerpen worden in ieder geval verstaan, onderwerpen waarbij: hoge afbreukrisico's aanwezig zijn; organisatieonderdeel-overstijgende belangen spelen; uniforme besluitvorming gewenst is; strategische belangen van het stadsbestuur in het geding zijn; expertise nodig is die op het niveau van het betreffende organisatieonderdeel niet goed is ontwikkeld. Hoofdstuk 3 Bevoegdheden gemeentesecretaris Artikel 7 Algemeen mandaat aan gemeentesecretaris
  8. De aan het college en de burgemeester toekomende bevoegdheden, genoemd in Bijlage 1 worden gemandateerd aan de gemeentesecretaris.
  9. De gemeentesecretaris is bevoegd om (onder)mandaten die bij of krachtens dit besluit door hem zijn verleend, in te trekken of aan een andere functionaris toe te bedelen. Een dergelijk besluit wordt schriftelijk vastgelegd en ter informatie aan het college gezonden, tenzij het om een concrete, individuele aangelegenheid gaat en geldt tot aan de eerstvolgende periodieke wijziging. Hoofdstuk 4 Bevoegdheden overige functionarissen Artikel 8 Algemeen mandaat aan directeuren, stadsdeelsecretarissen en rve-directeuren
  10. De aan de gemeentesecretaris gemandateerde bevoegdheden worden ondergemandateerd aan de stedelijk directeuren voor hun clusterstaf, directeuren B en O voor hun directie, de rve-directeuren voor hun rve, met uitzondering van: de in bijlage 1 opgenomen bevoegdheden die aan de gemeentesecretaris blijven voorbehouden; de in bijlage 2 opgenomen bevoegdheden die door de gemeentesecretaris rechtstreeks worden ondergemandateerd aan de daarbij genoemde functionarissen.
  11. Het eerste lid geldt voor de stadsdeelsecretarissen alleen voor zover het de bevoegdheden op grond van de NRGA en daarmee verband houdende verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, betreft.
  12. Voor niet in het eerste lid bedoelde functionarissen die wel leidinggeven aan een zelfstandig organisatieonderdeel dat onder verantwoordelijkheid valt van het college, kan de gemeentesecretaris lid 1 van overeenkomstige toepassing verklaren. Artikel 9 Bijzonder mandaat voor bepaalde functionarissen De in bijlage 4 opgenomen bevoegdheden worden door het college en de burgemeester rechtstreeks gemandateerd aan de daarbij genoemde functionarissen. Artikel 10 Mandaat voor het beslissen op bezwaar De bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 7, 8 en 9 behelzen tevens de bevoegdheid om te beslissen op bezwaar: tenzij het om mandaat voor het nemen van primaire rechtspositionele besluiten gaat, of tenzij die bevoegdheid in bijlage 4 is uitgezonderd, en met inachtneming van de beperkingen uit de Regeling bezwaar en beroep (college en burgemeester). Artikel 11 Ondermandaat aan afdelingshoofden en andere functionarissen
  13. De aan de rve-directeur, de directeur en de stadsdeelsecretaris krachtens dit besluit gemandateerde bevoegdheden met uitzondering van de in bijlage 3 opgenomen bevoegdheden die aan hen blijven voorbehouden, kunnen door hen worden ondergemandateerd: aan afdelingshoofden of andere functionarissen binnen het eigen organisatieonderdeel, of aan rve-directeuren, directeuren en stadsdeelsecretarissen van andere organisatieonderdelen voor zover het bevoegdheden betreft die genoemd zijn opgenomen in bijlage 4, of aan functionarissen die niet werkzaam zijn voor het organisatieonderdeel en die zijn aangewezen in de zin van artikel 7 lid 1 van de Budgethoudersregeling voor zover het de bevoegdheid betreft als bedoeld in bijlage 1, onder B en voor zover het zijn werkterrein betreft.
  14. De aan de directeur en de stadsdeelsecretaris krachtens dit besluit gemandateerde bevoegdheden die zijn opgenomen in bijlage 5 worden ondergemandateerd aan: De afdelingshoofden en/of de teamleiders binnen het eigen organisatieonderdeel.
  15. Bij het ondermandaat kunnen kaders en beperkingen worden vastgesteld die de reikwijdte van het mandaat beperken. Hoofdstuk 5 Vervanging Artikel 12 Vervangingsregeling gemeentesecretaris Indien de gemeentesecretaris afwezig is, worden de bevoegdheden die hem zijn verleend krachtens dit besluit uitgeoefend door: voor wat betreft zijn wettelijke taken als gemeentesecretaris en voor wat betreft zijn hoedanigheid van directeur Bestuur &Organisatie uitgeoefend door de directeur Stedelijke Bestuursadvisering, en bij diens afwezigheid door de directeur van de Directie Middelen en Control, de Directie Openbare Orde en Veiligheid, de Directie Communicatie of de directeur van de Directie Juridische Zaken; voor wat betreft zijn taken als Algemeen Directeur uitgeoefend door één van de stedelijk directeuren in de volgorde die bij GMT-besluit is vastgesteld. Artikel 13 Vervangingsregeling overige functionarissen Indien een functionaris afwezig is, worden de bevoegdheden die hem zijn verleend krachtens dit besluit, uitgeoefend door zijn als zodanig aangewezen (plaats)vervanger of bij gebrek daaraan door een andere medewerker, één en ander ter beoordeling van de direct-leidinggevende van de betrokken mandaathouder. Hoofdstuk 6 Overige bepalingen Artikel 14 Wijze van ondertekening
  16. Mandaat en ondermandaat op grond van dit besluit, behelst ook de ondertekening van stukken.
  17. Een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen.
  18. In geval van mandaat worden uitgaande stukken als volgt ondertekend: Namens de burgemeester van Amsterdam / het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, [handtekening] [naam gemandateerde] [functieaanduiding]
  19. Wanneer alleen wordt ondertekend in mandaat, dient uit het besluit te blijken dat het besluit door het bestuursorgaan zelf is genomen: De burgemeester van Amsterdam / Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, ondertekend namens deze / dezen, [handtekening] [naam gemandateerde] [functieaanduiding]
  20. De wijze van ondertekening betreffende mandaat is van overeenkomstige toepassing op volmacht en machtiging.
  21. Het college kan nadere regels stellen omtrent het opmaken en het ondertekenen van een document, waarin van het verleende mandaat gebruik wordt gemaakt. Artikel 15 Beheer en wijzigingen Bevoegdhedenbesluit Dit bevoegdhedenbesluit wordt beheerd door de directie Juridische Zaken van B en O. Wijzigingen kunnen enkel na advies en instemming van deze directie worden voorgelegd aan het college, daartoe wordt periodiek een voordracht voor een verzamelbesluit aan het college aangeboden. Artikel 16 Intrekking vorige besluiten Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit worden alle eerder door het college genomen besluiten waarin mandaat wordt verleend aan functionarissen werkzaam onder verantwoordelijkheid van het college, ingetrokken. Artikel 16a Overgangsbepaling
  22. Wanneer een bevoegdheid niet op één van de bijlagen bij dit besluit staat vermeld, terwijl deze vóór 1 januari 2015 door middel van een besluit van het college was gemandateerd aan de directeur of een andere functionaris van een voormalige dienst, dan wordt deze bevoegdheid geacht na 1 januari 2015 te zijn gemandateerd aan de directeur van de rve tot wier werkterrein de betreffende bevoegdheid gerekend kan worden, voor zover de rve voor wat betreft de uitvoering van die taak als de opvolger van de voormalige dienst kan worden beschouwd.
  23. Deze bepaling vervalt per 1 juli
  24. Artikel 17 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op 1 januari
  25. Bijlage 1 Bevoegdheden die worden gemandateerd aan de gemeentesecretaris en worden ondergemandateerd tenzij expliciet voorbehouden aan de gemeentesecretaris Bijlage 1 Bevoegdheden die worden gemandateerd aan de gemeentesecretaris en worden ondergemandateerd tenzij expliciet voorbehouden aan de gemeentesecretaris A. NRGA en WOR
  26. Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de bevoegdheden op grond van de NRGA, met uitzondering van: a. Het geven van toestemming voor het verlenen van ontslag aan vertegenwoordigers van een ondernemingsraad (artikel 12.18 NRGA); b. Het nemen van een besluit tot een ingrijpende reorganisatie (artikel 16.1 NRGA); c. Het aangaan van een vertrekregeling in de zin van artikel 11.33 NRGA, voor zover het bedrag aan extra tegemoetkomingen uitstijgt boven € 75.000,-;. d. Besluiten waarbij de gemeentesecretaris belanghebbende is.
  27. Voorbehouden aan de gemeentesecretaris blijven de volgende bevoegdheden op grond van de NRGA: a. Het aangaan van een vertrekregeling in de zin van artikel 11.33 NRGA, voor zover het bedrag aan extra tegemoetkomingen uitstijgt boven €35.000,-. b. Het in individuele gevallen afwijken van de NRGA als toepassing ervan uit oogpunt van behoorlijk bestuur tot een voor de ambtenaar onevenredig nadelige beschikking zou leiden (art. 33.1 NRGA), voor zover het bedrag aan extra tegemoetkomingen niet uitstijgt boven € 75.000,- c. Het verlenen van onvoorwaardelijk strafontslag in de zin van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, NRGA en van voorwaardelijk strafontslag als bedoeld in artikel 13.7 NRGA; d. Het nemen van een besluit tot een niet-ingrijpende reorganisatie (artikel 16.1 NRGA). e. Besluiten ten aanzien van stedelijke directeuren, stadsdeelsecretarissen en directeuren van B&O. f. Het ten aanzien van RVE-managers nemen van besluiten op grond van i. artikel 2.
  28. tot en met 2.17 en artikel 2.24 e.v. (Aanstelling en arbeidsovereenkomst) met uitzondering van artikel 2.18 tot en met artikel 2.23 (beoordeling van een ambtenaar met een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef); ii. hoofdstuk 3 (Salaris en vergoedingen); iii. artikel 11.33 (vertrekregelingen); iv. hoofdstuk 12 (Ontslag); v. hoofdstuk 13 (Ordemaatregelen en disciplinaire straffen); vi. artikel 3.17 lid 3 (personele toelage topfuncties) vii. artikel 3.53 (overgangsrecht functietoelage topfuncties). g. Besluiten waarbij de desbetreffende stedelijk directeur, RVE-manager of stadsdeelsecretaris of directeur B&O, belanghebbende is. h. Het nemen van een besluit tot een niet-ingrijpende reorganisatie (artikel 16.1 NRGA). i. Het nemen van besluiten die advies-, instemmings- of overeenstemmingsplichtig zijn op grond van de WOR en de ARBO wetgeving. B. Gemeentewet Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet:
  29. Het besluiten over het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen mits a. zij geen betrekking hebben op: - de oprichting van of deelneming in een rechtspersoon; - het lenen of uitlenen van geld; - borgstelling of garantstelling voor schulden van derden; en b. de rechtshandeling plaatsvindt binnen en met inachtneming van de door college en raad vastgestelde beleidskaders zoals het Inkoop- en Aanbestedingsbeleid van de gemeente Amsterdam en de daarop gebaseerde werkinstructies, de Notitie 10 Wegen naar een innovatiever aanbestedingsbeleid en een professioneler opdrachtgeverschap, de Notitie Samen Inkopen, de Notitie Doelgericht op afstand 2, het Lening- en garantiebeleid van de gemeente Amsterdam en het gemeentelijk integriteitsbeleid.
  30. Het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de gemeente (art. 171 Gemeentewet), ter uitvoering van een gegeven mandaat.
  31. De ondertekening van stukken die van het college uitgaan (art. 59a, tweede lid Gemeentewet).
  32. Het nemen van alle conservatoire maatregelen en doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht en bezit, behalve beslaglegging (artikel 160, vierde lid van de Gemeentewet). C. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het stellen van een termijn voor de aanvulling van een aanvraag en het beslissen omtrent het niet in behandeling nemen van een onvolledige aanvraag dan wel van een aanvraag die niet binnen de gestelde termijn is aangevuld (art. 4:5 Awb). b. Het beslissen dat een aanvrager of derdebelanghebbende niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen (art. 4:11 Awb). c. Het kennis geven van de verdaging van een beslissing op een aanvraag (art. 4:14 Awb). d. In het geval van niet tijdig beslissen de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststellen (art. 4:18 Awb). e. Het vaststellen van de verplichting tot betaling van een geldsom aan of door de dienst of bedrijf (bestuursrechtelijke geldschuld) (art. 4:86 Awb). f. Het nemen van beslissingen inzake verrekening (art. 4:93 Awb). g. Het verlenen van uitstel van betaling (art. 4:94 Awb). h. Het verlenen van voorschotten (art. 4:95 Awb). i. Het intrekken of wijzigen van de beschikking tot uitstel van betaling of verlenen van een voorschot (art. 4:96 Awb). j. Het bij beschikking vaststellen van de wettelijke rente (art. 4:99 Awb). k. Het geheel of gedeeltelijk verlenen van kwijtschelding. l. Het aanmanen van de schuldenaar die in verzuim is (art. 4:112 Awb). m. Het uitvaardigen van een dwangbevel om de betaling van een geldsom af te dwingen (artt. 4:114 Awb en 4:115 Awb). n. Het beslissen tot het nemen van executiemaatregelen ter uitvoering van dwangbevelen. o. Het aanwijzen van toezichthouders en het afgeven van legitimatiebewijzen (artt. 5:11 en 5:12 Awb). p. Het behandelen en afdoen van klachten met inachtneming van afdeling 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht. D. Wet Openbaarheid Bestuur Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob): a. het beslissen op verzoeken om verstrekking van informatie met betrekking tot bestuurlijke aangelegenheden (art. 6 Wob). b. het beslissen inzake het eigener beweging verstrekken van informatie met betrekking tot bestuurlijke aangelegenheden (art. 8 Wob). E. Algemene Verordening Gegevensbescherming Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden en feitelijke handelingen op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG): a.die verband houden met de uitoefening van de rechten van betrokkene als bedoeld in hoofdstuk III van de AVG (artikelen 12 tot en met 23 van de AVG); b.die verband houden met een melding van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene (artikel 34 van de AVG); c.die verband houden met de voorafgaande raadpleging bij de Autoriteit Persoonsgegevens (artikel 36 van de AVG). F. Algemene Verordening Nadeelcompensatie Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene Verordening Nadeelcompensatie (AVN) a. Het beslissen op een aanvraag om nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 2 van de AVN onder de voorwaarde dat de beslissing in overeenstemming is met een uitgebracht advies van de adviescommissie als bedoeld in artikel 13 van de AVN dan wel in overeenstemming is met het concept-besluit, zoals door het Schadeloket Algemene Nadeelcompensatie is vastgesteld b. Het verlenen van goedkeuring van de met de schadebeperkende maatregelen gemoeide kosten als bedoeld in artikel 10 van de AVN c. Het beslissen op een aanvraag om een voorschot te verlenen als bedoeld in artikel 11 van de AVN, onder de voorwaarde dat de beslissing in overeenstemming is met een uitgebracht advies van de adviescommissie als bedoeld in artikel 13 van de AVN. G. Archiefwet en aanverwanten
  33. Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Archiefwet, Archiefbesluit 1995, Besluit informatiebeheer 2010 e.e.a. na overleg met en instemming van de conform art. 32, derde lid van de Archiefwet door burgemeester en wethouders benoemde functionaris (de gemeentearchivaris): a. Het vervangen van archiefbescheiden door reproducties, teneinde de aldus vervangen bescheiden te vernietigen (art. 7 Archiefwet en art. 6 Archiefbesluit). b. Het opmaken van een verklaring van vervanging van archiefbescheiden door reproducties (art. 8 Archiefbesluit). c. Het vervreemden van archiefbescheiden (art. 8, eerste en tweede lid Archiefwet en artt. 7 en 8 Archiefbesluit). d. Het opmaken van een verklaring van vervreemding van archiefbescheiden (art. 8 Archiefbesluit). e. Het overbrengen van archiefbescheiden naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats (rve Stadsarchief) (art. 12, eerste lid Archiefwet en art. 9 Archiefbesluit). f. Het vervroegd overbrengen van archiefbescheiden naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats (rve Stadsarchief)(art. 13, eerste lid Archiefwet). g. Het verzoeken om het verlenen van een machtiging door Gedeputeerde Staten tot opschorting van de overbrenging van archiefbescheiden naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats (rve Stadsarchief)(art. 13, derde en vierde lid Archiefwet). h. Het opmaken van een verklaring van overbrenging van archiefbescheiden naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats (rve Stadsarchief)(artikel 8 Archiefbesluit). i. Het opmaken van een verklaring van vernietiging van archiefbescheiden (art. 8 Archiefbesluit ). j. Het stellen van beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden (art. 15, eerste en tweede lid en art. 16, tweede lid Archiefwet en art. 10 Archiefbesluit). k. De overdracht van informatie (archiefbescheiden) van een organisatieonderdeel aan een ander organisatieonderdeel. (artikel 4, onder d van het Besluit informatiebeheer 2010).
  34. Gemandateerd aan de gemeentesecretaris worden de volgende bevoegdheden op grond van de Databankenverordening Amsterdam: a. Het beslissen inzake verzoeken tot het opvragen of hergebruiken van gemeentelijke databanken (art. 2 Databankenverordening Amsterdam). Bijlage 2 Bevoegdheden die rechtstreeks worden ondergemandateerd door de gemeentesecretaris Bijlage 2 Bevoegdheden die rechtstreeks worden ondergemandateerd door de gemeentesecretaris A. Personeelsaangelegenheden
  35. Gemandateerd aan de RVE-manager van de Personeel en Organisatieadvies worden de bevoegdheden voor het nemen van besluiten op grond van: a. hoofdstuk 8 NRGA (Ziektekosten), ten aanzien van de gewezen ambtenaar en de nabestaande partner, genoemd in artikel 8.3 en artikel 8.8 NRGA; b. Besluiten die betrekking hebben op toekenning van een uitkering op grond van hoofdstuk 27 NRGA (Overgangsrecht functioneel leeftijdsontslag) voor zover de rechten zijn ontstaan na 1 april
  36. c. hoofdstuk 29 NRGA (Wachtgeld), met uitzondering van artikel 12, eerste en tweede lid, en artikel 51, eerste lid, in Bijlage O; d. hoofdstuk 30 NRGA (Verordening Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering); e. hoofdstuk 30a NRGA (Voorzieningen bij werkloosheid); f. hoofdstuk 31 NRGA (Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering bij privatisering), en g. hoofdstuk 32 NRGA (Suppletie). h. het ondertekenen van alle besluiten waarvan de uitvoering aan de RVE-manager Personeel en Organisatieadvies is opgedragen.
  37. Aan de stedelijke directeuren worden gemandateerd de bevoegdheden voor het nemen van besluiten ten aanzien van RVE-managers, uitgezonderd de bevoegdheden genoemd in bijlage 1, hoofdstuk A, punt 2, onder h, nu die zijn voorbehouden aan de gemeentesecretaris. Het gaat bij deze uitzonderingen om het nemen van besluiten op grond van: i. artikel 2.
  38. tot en met 2.17 en artikel 2.24 e.v. NRGA (Aanstelling en arbeidsovereenkomst); ii. hoofdstuk 3 (Salaris en vergoedingen); iii. artikel 11.33 (vertrekregelingen); iv. hoofdstuk 12 (Ontslag); v. hoofdstuk 13 (Ordemaatregelen en disciplinaire straffen) vi. artikel 3.17 lid 3 (personele toelage topfuncties) vii. artikel 3.53 (overgangsrecht functietoelage topfunctie.
  39. Gemandateerd aan de rve- directeur Parkeren wordt de bevoegdheid tot het aanstellen van medewerkers van Egis Parking Services B.V. die werkzaamheden verrichten inzake de heffing en invordering van parkeerbelastingen, voorzover dit uit hun arbeidsovereenkomst blijkt of als zij de functie vervullen van teamleider parkeercontroleur of parkeercontroleur-A, als onbezoldigd ambtenaar in de zin van artikel 1.2 onder d van de NRGA. B. Privaatrechtelijke rechtshandelingen
  40. de RVE-managers / directeuren van: · de RVE Personeel- en Organisatieadvies; · de RVE ICT; · de RVE Facilitair Bureau; · de RVE Ingenieursbureau; · de RVE Subsidie en Inkoop, en krijgen een mandaat voor de volgende bevoegdheden: a. het als lead buyer nemen van gunningsbesluiten in de zin van de Aanbestedingwet 2012 in het kader van inkooptrajecten voor de aan die betreffende lead buyer door het Gemeentelijk Management Team specifiek toebedeelde inkooppakketten. b. het als lead buyer besluiten tot het aangaan van een gemeentebrede raamovereenkomst in de zin van artikel 160 lid 1 sub e van de Gemeentewet in het kader van inkooptrajecten voor de aan die betreffende lead buyer specifiek toebedeelde inkooppakketten.
  41. In het kader van uitvoering van de bevoegdheid onder 1a en 1b verricht de lead buyer de volgende feitelijke handelingen: a. het actief of reactief vaststellen van de inkoopbehoefte van of voor de budgethouders op basis van informatie van de budgethouder of op basis van informatie uit de spendanalyse; b. het initiëren en organiseren van inkooptrajecten en aanbestedingen met als doel een partij in de markt te selecteren, met welke partij de ambtelijk opdrachtgever exclusief voor dat specifiek toebedeelde inkooppakket verdere overeenkomsten moet sluiten; c. het maken van werkafspraken met de budgethouders in het kader van hun opdrachtgeverschap over de uitvoering van het contractmanagement van de afgesloten contracten; d. het monitoren van de inkoopvolumes van de aan de lead buyer toegewezen inkooppakketten en het rapporteren daarover aan de budgethouders en aan de algemeen directeur. Wanneer een inkooppakket niet door het Gemeentelijk Management Team aan een lead buyer is toegewezen, voert de directeur DMC de bevoegdheid van de lead buyer uit, met inachtneming van de bevoegdheden van andere functionarissen wanneer die zijn opgenomen in Bijlage
  42. C. Meldingen inbreuk persoonsgegevens toezichthoudende autoriteit Gemandateerd aan de Functionaris Gegevensbescherming worden de bevoegdheden en feitelijke handelingen op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG): die verband houden met de melding van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de toezichthoudende autoriteit (artikel 33 van de AVG). Bijlage 3 Bevoegdheden die blijven voorbehouden aan de RVE-manager, de directeur en de stadsdeelsecretaris Bevoegdheden die blijven voorbehouden aan de RVE-manager, de directeur en de stadsdeelsecretaris A. Personeelsaangelegenheden Voorbehouden aan de RVE-manager, de directeur en de stadsdeelsecretaris blijven de volgende bevoegdheden: a. het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 2 (Aanstelling en Arbeidsovereenkomst); b. het nemen van besluiten op grond van artikel 11.33 (vertrekregelingen), voor zover die bevoegdheid niet aan de gemeentesecretaris of het college voorbehouden blijft; c. het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 12 (Ontslag); d. het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 13 (Ordemaatregelen en disciplinaire straffen), voor zover die bevoegdheden niet aan de gemeentesecretaris voorbehouden blijven. Bijlage 4 Bevoegdheden die rechtstreeks worden gemandateerd aan bepaalde functionarissen door college en burgemeester Algemene bepalingen. 3 I Bestuur en Organisatie. 4
  43. Directeur Middelen en Control4
  44. Directeur Openbare Orde en Veiligheid. 4
  45. Directeur Communicatie. 4
  46. Directeur Juridische Zaken. 4 II. Cluster Ruimte en Economie. 6
  47. Rve-directeur Economie. 6
  48. Rve-directeur Ruimte en duurzaamheid. 6
  49. Rve-directeur Grond en Ontwikkeling. 11
  50. Rve-directeur Verkeer en openbare ruimte. 13
  51. Rve-directeur Metro en Tram.. 15
  52. Rve-directeur Zuidas. 15
  53. Rve-directeur Ingenieursbureau. 17
  54. Rve-directeur Projectmanagementbureau. 17
  55. Rve-directeur Gemeentelijk Vastgoed. 17
  56. Rve-directeur Materiaalbureau. 17
  57. Rve-directeur Parkeren. 17
  58. Rve-directeur Kunst en Cultuur18
  59. Rve-directeur Wonen. 18 III. Cluster Sociaal27
  60. Rve-directeur Inkomen. 27
  61. Rve-directeur Werk. 30
  62. Rve-directeur Participatie. 32
  63. Rve-directeur Onderwijs, Jeugd en Zorg. 34
  64. Rve-directeur Sport en Bos. 41
  65. Rve-directeur GGD Amsterdam.. 41
  66. Rve-directeur Subsidies en Inkoop Sociaal42
  67. Rve-directeur Clusterstaf Sociaal43 IV. Cluster Dienstverlening en Informatie. 45
  68. Rve-directeur Dienstverlening. 45
  69. Rve-directeur Belastingen. 47
  70. Rve-directeur Stadsbank van Lening. 48
  71. Rve-directeur Monumenten en Archeologie. 48
  72. Rve-directeur Stadsarchief48
  73. Rve-directeur Basisinformatie. 49
  74. Rve-directeur Handhaving en Toezicht51
  75. Rve-directeur Onderzoek, Informatie en Statistiek. 53
  76. Rve-directeur Clusterstaf Dienstverlening en Informatie. 53 V. Cluster Bedrijfsvoering. 54
  77. Rve-directeur Personeel en Organisatieadvies. 54
  78. Rve-directeur Communicatiebureau. 54
  79. Rve-directeur Financiën. 54
  80. Rve-directeur ICT. 54
  81. Rve-directeur Facilitair Bureau. 54
  82. Rve-directeur Bureau Interim en Advies. 54
  83. Rve-directeur Juridisch Bureau. 54
  84. Rve-directeur VGA Verzekeringen. 54 VI. Directie Stadswerken Algemene bepalingen Vergunningverlening
  85. Onder het nemen van besluiten op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of andere beschikking wordt ook het weigeren, wijzigen of intrekken verstaan.
  86. Onder het stellen van voorschriften, voorwaarden of beperkingen wordt ook het aanvullen, toevoegen, intrekken of opheffen hiervan verstaan.
  87. Het nemen van besluiten als bedoeld onder 1 omvat tevens de bevoegdheid tot het heffen en innen van leges. Subsidieverstrekking
  88. De bevoegdheden tot het nemen van besluiten op een aanvraag om subsidie worden uitgeoefend met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene Subsidieverordening Amsterdam en de bijzondere subsidieverordeningen of subsidieregelingen die behoren tot het werkterrein van de RVE. 4b.De directeur van de rve is bevoegd subsidie te verstrekken aan een instelling die, en voor ten hoogste het bedrag dat, op de begroting is vermeld, voor zover het zijn werkterrein betreft en overeenkomstig de Budgethoudersregeling. 4c.De directeur van de rve is bevoegd subsidie te verstrekken op grond van de subsidieregelingen die door het college zijn vastgesteld en die behoren tot het werkterrein van de rve, overeenkomstig de Budgethoudersregeling.
  89. Onder het nemen van besluiten op een aanvraag om subsidie wordt zowel het verlenen als het vaststellen van subsidie verstaan alsmede het weigeren, wijzigen of intrekken verstaan als mede het opleggen van verplichtingen en voorts de uitvoering van al die bepalingen in genoemde regelingen die zien op de verstrekking van subsidies.
  90. Uitgezonderd hiervan zijn: · de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels. · het vaststellen van subsidieplafonds. · het vaststellen van formulieren voor het indienen van een aanvraag om subsidie. · de handelingen die, voor wat betreft de afhandeling van subsidieaanvragen, behoren tot het werkterrein van de RVE Subsidie en Inkoop Handhaving
  91. Taken op het gebied van handhaving die voortvloeien uit de uitvoering van specifieke regelgeving omvatten: · het nemen van besluiten inzake het opleggen van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21 Algemene wet bestuursrecht (Awb). · het vaststellen van de hoogte van de kosten van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid van de Awb. · het nemen van besluiten inzake het toepassen van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31a van de Awb. · het nemen van besluiten inzake het opleggen van een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:31d van de Awb. · het nemen van besluiten omtrent het invorderen van een dwangsom als bedoeld in artikel 5:37 van de Awb. · het nemen van besluiten omtrent het invorderen van een dwangsom, bestuurlijke boete of kosten van bestuursdwang bij dwangbevel als bedoeld in artikel 5:10, tweede lid van de Awb. · het nemen van besluiten omtrent het nemen van executiemaatregelen ter uitvoering van de hierboven bedoelde dwangbevelen. I Bestuur&Organisatie
  92. Directeur Middelen en Control Geen specifieke mandaten.
  93. Directeur Openbare Orde en Veiligheid Gemandateerd aan de directeur van de directie openbare orde en veiligheid wordt de volgende bevoegdheid: a. Te besluiten of in voorkomende gevallen toestemming kan worden gegeven voor incidentele respectievelijk structurele verstrekking van politiegegevens aan derden (artikel 19 en 20 van de Wet Politiegegevens). .
  94. Directeur Communicatie Geen specifieke mandaten.
  95. Directeur Juridische Zaken A. Gemeentewet Gemandateerd aan de directeur juridische zaken worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het nemen van besluiten om namens de gemeente en het college rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten (artikel 160, eerste lid onder f van de Gemeentewet). b. Het nemen van alle conservatoire maatregelen en doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht en bezit (artikel 160, vierde lid van de Gemeentewet). c. Het leggen van beslag (artikel 160, vierde lid van de Gemeentewet). d. Het verlenen van machtigingen om de gemeente in rechte te vertegenwoordigen (artikel.171, tweede lid van de Gemeentewet). e. Het leadbuyership met betrekking tot de inzet van advocaten en andere juridische dienstverleners ( met uitzondering van de inhuur van juridisch personeel), voor wat betreft het nemen van besluiten als bedoeld in onderdeel B van bijlage 2, onder punt 1, onderdelen a en b (artikel.160, eerste lid, onderdeel e van de Gemeentewet), waarbij: - de feitelijke handelingen als bedoeld onder punt B.2 van die bijlage worden verricht door de directeur DMC, en - uitvragen onder de door de directeur Juridische Zaken gesloten gemeentebrede raamovereenkomst alsmede de uitvraag voor advocaten en andere juridische dienstverleners ( met uitzondering van de inhuur van juridisch personeel) via het Juridische Loket worden aangemeld, en - de directeur Juridische Zaken met de ambtelijk opdrachtgever afspraken maakt hoe en in welke mate in de juridische dienstverlening wordt voorzien.
  96. Directeur Personeel en Organisatie Geen specifieke mandaten. B. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de directeur juridische zaken worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het nemen van beslissingen op bezwaar inzake bevoegdheden van het college, complementair aan de bevoegdheid van individuele functionarissen, met uitzondering van het nemen van beslissingen:
  97. waarvan in de voorbereiding bekend is geworden dat het organisatieonderdeel dat het primaire besluit heeft voorbereid, het oneens is met die beslissing (artikel 7:11 van de Awb);
  98. op bezwaren die de gemeentesecretaris betreffen.
  99. op bezwaren van ambtenaren werkzaam bij de Rekenkamer en de gemeentelijke Ombudsman tegen primaire rechtspositionele besluiten van de directeur Rekenkamer respectievelijk de gemeentelijke Ombudsman b. Het toetsen van de beslissingen op bezwaar die onder verantwoordelijkheid van andere functionarissen worden voorbereid en die ter besluitvorming aan het college of de burgemeester worden voorgelegd omdat sprake is van een politiek of bestuurlijk gevoelig onderwerp in de zin van artikel 5 van dit besluit (artikel 7:11 van de Awb). c. Het geven van instructies indien er tegen een besluit beroep of hoger beroep wordt ingesteld (artikel 8:1, artikel 8:104, tweede lid en artikel 8:110, eerste lid van de Awb). d. Het nemen van besluiten om tegen een uitspraak van de bestuursrechter hoger beroep, of incidenteel hoger beroep in te stellen en het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen (artikel 8:104, eerste lid en artikel 8:110, eerste lid van de Awb). e. Het verlenen van machtigingen om het college en de burgemeester te vertegenwoordigen en bij te staan in bestuursrechtelijke procedures (artikel 8:23, eerste lid en artikel 8:24, eerste lid van de Awb). C. Regelingen bezwaar en beroep Gemandateerd aan de directeur van de directie juridische zaken worden de volgende bevoegdheden: a. Het geven van algemene instructies over de samenstelling van de bezwaarschriftencommissies van het college. b. Het opdragen van de advisering in een incidenteel geval of een categorie aan een bezwaarschriftencommissie van het college die uit één persoon bestaat.. c. Het opdragen van de advisering in een incidenteel geval aan een bezwaarschriftencommissie van het college die uit één of meer externe leden bestaat. d. Het geven van instructies over de wijze waarop beslissingen op bezwaar worden voorbereid en genomen. D. Overige wetgeving Gemandateerd aan de directeur van de directie juridische zaken wordt de volgende bevoegdheid: a. te besluiten of in voorkomende gevallen toestemming kan worden gegeven voor incidentele respectievelijk structurele verstrekking van politiegegevens aan derden (artikel 19 en 20 van de Wet Politiegegevens). b.te besluiten de Europese Commissie in kennis te stellen van het toekennen van steun aan projecten zoals voorgeschreven door artikel 11 van Verordening (EU) 651/2014 (PbEU 2014, L 187/1, ‘Groepsvrijstellingsverordening’) alsmede het feitelijk uitvoeren van de kennisgeving en de daaraan verbonden publicatieverplichting zoals neergelegd in artikel 9 van de Groepsvrijstellingsverordening en het verrichten van alle overige administratieve verplichtingen die zijn verbonden aan de kennisgeving. c.te besluiten tot het melden bij de Europese Commissie van een voornemen tot het invoeren van een steunmaatregel als bedoeld in artikel 108 lid 3 van het Verdrag Betreffende de Werking van de EU en artikel 2 van Verordening (EU) 2015/1589 (PbEU 2015, L 248/9, ‘Procedureverordening’) alsmede het – met inachtneming van Verordening (EG) 794/2004 (zoals laatst gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/1589, PbEU 2015, L325/1,’Implementatieverordening) – feitelijk uitvoeren van de melding en het verrichten van alle overige administratieve verplichtingen die zijn verbonden aan de melding. d.te besluiten tot het rapporteren over de uitvoering van een door het college of de raad aangewezen Dienst van Algemeen Belang (‘DAEB’) zoals voorgeschreven door artikel 8 en artikel 9 van Besluit 2012/21/EU (PbEU 20012, L 7/3, ‘DAEB Vrijstellingsbesluit’) alsmede het feitelijk uitvoeren van de rapportageverplichting en het verrichten van alle overige administratieve verplichtingen die zijn verbonden aan het aanwijzen van een DAEB. e.te besluiten tot het notificeren van Amsterdamse regelgeving aan de Europese Commissie zoals voorgeschreven door artikel 15 en artikel 16 jo 39 lid 5 van Richtlijn 2006/123/EG (PbEU 2006, L 376/36, ‘Dienstenrichtlijn’) alsmede het feitelijk uitvoeren van de notificatie en het verrichten van alle overige administratieve verplichtingen die zijn verbonden aan de notificatie. II. Cluster Ruimte en Economie
  100. rve-directeur Economie A. Algemene wet bestuursrecht Voorbehouden aan de RVE-manager Economie worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het nemen van besluiten op grond van de: i. Bijzondere subsidieverordening economische activiteiten 2009 en op deze verordening gebaseerde subsidieregelingen ii. Het nemen van beslissingen met betrekking tot het verstrekken van subsidies aan in de gemeentebegroting vermelde subsidieontvangers alsmede het verstrekken van subsidies waartoe het College ten laste van een begrotingspost heeft besloten op grond van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam
  101. B. Gemeentewet Gemandateerd aan de RVE-manager Economie worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het optreden in externe organisaties en het uitoefenen van alle bevoegdheden en verrichten van alle taken die in de statuten van deze instellingen aan het college zijn toegekend (artikel. 160 en 171 van de Gemeentewet).
  102. RVE-manager Ruimte en duurzaamheid A. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het beslissen tot het toepassen alsmede het uitvoeren van de uniforme algemene voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb). b. Het reageren op initiatieven van andere gemeenten in de inspraakfase (afdeling 3.4 van de Awb). c. Het nemen van besluiten op grond van:
  103. de Bijzondere subsidieverordening dierenwelzijn
  104. de Subsidieregeling euro 6/VI Amsterdam.
  105. de Bijzondere subsidieverordening voor de aanschaf van elektrische auto's door veelrijders.
  106. de Bijzondere subsidieverordening voor de realisatie van oplaadpunten buiten de openbare voor elektrische auto's.
  107. de Subsidieregeling Gezonde Stad.
  108. de Subsidieregeling ANMEC.
  109. de Subsidieregeling ter stimulering van de Schone Rondvaart.
  110. de Subsidieregeling groene daken en gevels Amsterdam 2016-
  111. de Subsidieregeling elektrische auto's voor zakelijk gebruik in Amsterdam.
  112. de Subsidieregeling projectvoorbereiding collectieve duurzame initiatieven in Amsterdam.
  113. de Subsidieregeling ondersteuning Amsterdamse zoncoöperaties.
  114. de Subsidieregeling Projectvoorbereiding Duurzame Initiatieven.
  115. de Subsidieregeling Amsterdam Aardgasloos. B. Gemeentewet Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het geven van gelegenheid tot het naar voren brengen van zienswijzen naar aanleiding van een beleidsvoornemen (artikel 150 Gemeentewet en de Inspraakverordening 2003). C. Wet ruimtelijke ordening
  116. Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro): a. Het voeren van (voor)overleg in het kader van de voorbereiding van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen en projectafwijkingsbesluiten met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn (Wro, Besluit ruimtelijke ordening en Besluit omgevingsrecht). b. Het kennis geven, mededelen en bekendmaken van (ontwerp) ruimtelijke besluiten, c.q. besluiten tot vaststelling van ruimtelijke besluiten en samenhangende besluiten waaronder in ieder geval begrepen structuurvisies, bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, voorbereidingsbesluiten, beheersverordeningen, exploitatieplannen en projectafwijkingsbesluiten en de daarbij behorende stukken. Hieronder worden tevens begrepen andere besluiten in geval van gecoördineerde besluitvorming als bedoeld in artikel 3.30 e.v. van de Wro (Wro, Besluit ruimtelijke ordening en Besluit omgevingsrecht). c. Het ter inzage leggen en ter beschikbaar stellen van (ontwerp) ruimtelijke besluiten en omgevingsrechtelijke besluiten met bijbehorende stukken inclusief de kennisgeving en mededeling daarvan, waaronder in ieder geval begrepen structuurvisies, bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, voorbereidingsbesluiten, beheersverordeningen, exploitatieplannen en projectafwijkingsbesluiten alsmede omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, besluiten op grond van de Crisis- en herstelwet, hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder en andere besluiten op het gebied van omgevingsrecht. Hieronder worden tevens begrepen andere besluiten in geval van gecoördineerde besluitvorming als bedoeld in artikel 3.30 e.v. van de Wro (Wro, Besluit ruimtelijke ordening). d. Het toezenden van de kennisgeving van het (ontwerp) bestemmingsplan c.q. vaststelling van het bestemmingsplan, wijzigingsplan en uitwerkingsplan met de bijbehorende stukken (Wro). e. Het uitoefenen van alle bevoegdheden inzake de (anterieure en posterieure) overeenkomsten over grondexploitatie (artikel 6.24 van de Wro en artikel 6.2.12 van het Besluit ruimtelijke ordening). f. Het voorbereiden en uitvoeren van het vaststellen van een afrekening van een exploitatieplan (artikel 6.20, eerste lid van de Wro). g. Het voorbereiden van en het beslissen tot toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling (artikel 3.30, tweede en derde lid en artikel 3.31 en 3.32 van de Wro). h. Het dragen van zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van hetgeen bij of krachtens de Wro is bepaald alsmede het bekendmaken van het voornemen met betrekking tot de wijze waarop in het komende jaar uitvoering zal worden gegeven aan deze handhaving (artikel 7.1, tweede lid en 10.1, eerste lid van de Wro). i. Het verslag doen (waaronder begrepen het toezenden aan) de wijze waarop in het voorafgaande jaar uitvoering is gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wro, alsmede van het gevoerde beleid bij de uitvoering van de hoofdstukken 3, 3a en 4 en de verlening van omgevingsvergunningen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c en g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 10.1, tweede lid Wro).
  117. Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro): a. Het uitoefenen van alle bevoegdheden inzake het behandelen van en het beslissen op verzoeken om tegemoetkoming in planschade. Dit met uitzondering van het verzoek aan gedeputeerde staten om vergoeding van hogere kosten van de gemeente (afdeling 6.1 van de Wro en afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening). b. Het indienen van een subsidieaanvraag bij de Minister van Infrastructuur en Milieu (I en M), het uitvoeren van activiteiten en handelingen in het kader van de verstrekte subsidie (waaronder in ieder geval begrepen het voeren van een administratie en verslaglegging) en het indienen van een aanvraag tot vaststelling van de subsidie (artikel 6.3 2.1 ev van het Besluit ruimtelijke ordening). c. Het gehoord worden door provinciale staten respectievelijk de Minister van I en M inzake een inpassingsplan van provinciale staten of het Rijk (artikel 3.26 en 3.28 van de Wro). d. Het verlenen van medewerking indien gedeputeerde staten respectievelijk de Minister van I en M dit vordert in het kader van de toepassing van een coordinatieregeling van de provincie of het Rijk (artikel3.33, tweede lid en 3.35, derde lid van de Wro). e. Het geven van een reactie of het indienen van een zienswijze ten aanzien van een provinciale verordening alsmede het indienen van een aanvraag om ontheffing van de provinciale verordening en het voeren van overleg omtrent een voorgenomen aanwijzing van gedeputeerde staten (artikel 4.1, 4.1a en 4.2 van de Wro). f. Het geven van een reactie of het indienen van een zienswijze ten aanzien van een algemene maatregel van bestuur inzake de ruimtelijke ordening of het omgevingsrecht alsmede het indienen van een aanvraag om ontheffing van een algemene maatregel van bestuur en het voeren van overleg omtrent een voorgenomen aanwijzing van de Minister van I en M of een andere Minister die het aangaat (artikel 4.3, 4.3a, 4.4 en 10.8 van de Wro). D. Wet geluidhinder Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet geluidhinder: a. Het indienen van een verzoek tot het vaststellen van hogere grenswaarden vanwege een weg, industrieterrein en/of spoorweg alsmede het voorbereiden en uitvoeren van besluiten omtrent het vaststellen van hogere waarden vanwege een weg, industrieterrein en/of spoorweg in samenhang met het besluiten omtrent een omgevingsvergunning (artikel 110a van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder). b. Het uitvoeren van alle handelingen om een besluit tot het vaststellen van een hogere grenswaarde in te schrijven in de Openbare Registers (Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder). c. Het uitoefenen van alle bevoegdheden inzake het voorbereiden, opstellen en uitvoeren van een besluit tot het vaststellen van een geluidszone (artikel 41, vierde lid, artikel 163, eerste lid en artikel 165, eerste lid van de Wet geluidhinder). d. Het uitvoeren van artikel 4.24 Besluit geluidhinder, inzake het treffen van maatregelen met betrekking tot de geluidwering aan de gevel alsmede het uitvoeren van hoofdstuk 6 Besluit geluidhinder, met betrekking tot bepalingen inzake de medewerking van eigenaren en bewoners voor het treffen van maatregelen aan de gevel (artikel 4.24 en hoofdstuk 6 van het Besluit geluidhinder). E. Wet milieubeheer Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet milieubeheer: a. Het uitoefenen van bevoegdheden en het uitvoeren van taken op grond van bij of krachtens hoofdstuk 5,
  118. 8, 10, 17, 19 en 20 en titel 12.3 van de Wet milieubeheer gestelde regels, voor zover deze bevoegdheden zien op de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (Wet milieubeheer). b. Het dragen van zorg voor de procedure inzake milieu-effectrapportage (hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en artikel 1.11 van de Crisis- en herstelwet). F. Wet geluidhinder Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet algemene bepalingen omgevinsrecht (Wabo): a. Het aanvragen van een verklaring van geen bedenking bij een ander bestuursorgaan. G. Crisis- en herstelwet
  119. Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Crisis- en herstelwet: a. Het opstellen van een voortgangsrapportage milieugebruiksruimte ontwikkelingsgebied (artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet). b. Het dragen van zorg voor het uitvoeren van de maatregelen of werken (opgenomen in een bestemmingsplan) in het kader van een ontwikkelingsgebied ten behoeve van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied, dan wel ter compensatie van het beslag op de milieugebruiksruimte door de in het bestemmingsplan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen (artikel 2.3, tiende lid van de Crisis- en herstelwet). c. Het voeren van (voor)overleg bij provinciale structuurvisie inzake (boven)regionaal project met nationale betekenis (artikel 2.20, eerste lid van de Crisis- en herstelwet). d. Het naar voren brengen van zienswijzen bij Besluit Crisis- en herstelwet (artikel 5.2a van de Crisis- en herstelwet).
  120. Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Crisis- en herstelwet: a. Het doen van een verzoek om toevoeging van gebied of project aan bijlage I en II van de Crisis- en herstelwet (artikel 1.2 van de Crisis- en herstelwet). b. Het aanmelden van een ontwikkelingsgebied als experiment (artikel 2.1 van de Crisis- en herstelwet). c. Het aanvragen van een verklaring van geen bedenkingen in het kader van een ontwikkelingsgebied (artikel 2.3, negende lid van de Crisis- en herstelwet). d. Het uitbrengen van een rapportage over de voortgang en de uitvoering van de maatregelen, projecten en werken (genoemd in een bestemmingsplan) in het kader van een ontwikkelingsgebied ten behoeve van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied, dan wel ter compensatie van het beslag op de milieugebruiksruimte door de in het bestemmingsplan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen (artikel 2.3, tweede lid, onder e van de Crisis- en herstelwet). e. Het aanmelden van project als een experiment (innovatie) (artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet). f. Het vaststellen van een Projectuitvoeringsbesluiten (artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet). g. Het voeren van (voor)overleg met betrokken bestuursorganen alsmede het instellen van een projectcommissie en het voorzitten van die commissie in het kader van een structuurvisie inzake een lokaal project met nationale betekenis (artikel 2.20 van de Crisis- en herstelwet). H. Tracéwet Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Tracéwet: a. Het voorbereiden en uitvoeren van alle besluiten en handelingen die op grond van de Tracéwet aan het college zijn opgedragen (Tracéwet). I. Wet luchtvaart en Luchthavenindelingsbesluit Schiphol Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet luchtvaart en het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol: a. Het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar (artikel 8.9 van de Wet luchtvaart en artikel 2.2.2, derde lid en artikel 2.2.3, derde lid van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol). b. Het aanvragen van een ontheffing (artikel 8.12 van de Wet luchtvaart). J. Flora- en faunawet
  121. Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Flora- en faunawet: a. Het kennis geven over het voornemen een in het besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving krachtens artikel 20 vermelde handelingen te verrichten of te doen verrichten, te verrichten voor zover het een handeling betreft die nodig is voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening of het omgevingsrecht (artikel 26 van de Flora- en faunawet). b. Het nemen van maatregelen ter voldoening aan de zorgplicht genoemd in artikel 2 van de Flora- en faunawet voor zover deze maatregelen nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 2 van de Flora- en faunawet).
  122. Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Flora- en faunawet: a. Het aanvragen van ontheffingen, vrijstellingen, toestemmingen verklaringen van geen bedenkingen, voor zover deze nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 26, 60, 65, 67, 68, 73, 75 en 75d van de Flora en faunawet). b. Het opstellen en het doen van een verzoek om goedkeuring van een faunabeheerplan (artikel 30, 67 en 68 van de Flora- en faunawet). c. Het aanvragen van een tegemoetkoming in de schade, voor zover een faunabeheerplan nodig is voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 28 en 84 van de Flora- en faunawet). d. Het indienen van een zienswijze tegen een aanwijzigingsbesluit (artikel. 20, 21 en 75a van de Flora- en faunawet). e. Het opstellen van een gedragscode ter concretisering van de zorgplicht op grond van de Flora- en faunawet. K. Natuurbeschermingswet
  123. Gemandateerd aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Natuurbeschermingswet: a. Het voorbereiden en uitvoeren van besluiten, beslissingen en handelingen op grond van de Natuurbeschermingswet, voor zover deze nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht. b. Het dragen van zorg voor preventieve of herstelmaatregelen ter voorkomen dat bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied voor zover deze nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 19c van de Natuurbeschermingswet). c. Het toezenden van een afschrift van het plan als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, dat met toepassing van artikel 19g (inclusief compenserende maatregelen) is vastgesteld (artikel 19, tweede lid van de Natuurbeschermingswet). d. Het bevorderen van coördinatie (artikel 19ka van de Natuurbeschermingswet). e. Het doen van een verzoek tot wijziging van in het programma opgenomen maatregelen (artikel 19 ki van de Natuurbeschermingswet). f. Het dragen van zorg voor een tijdige uitvoering van de in het programma beschreven of genoemde maatregelen (artikel 19kj van de Natuurbeschermingswet). g. Het uitvoeren van de zorgplicht in verband met de instandhouding van een beschermd natuurmonument of een Natura 2000-gebied (artikel 19l van de Natuurbeschermingswet).
  124. Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Natuurbeschermingswet: a. Het dragen van zorg voor de procedure inzake passende beoordeling (artikel 19db, 19f, 19j en 19kh van de Natuurbeschermingswet). b. Het aanvragen van ontheffingen, vrijstellingen, toestemmingen, verklaringen van geen bedenkingen en andere besluiten voor zover deze nodig zijn voor de uitoefening van bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 16, 19d, 46b, 47b en 47c van de Natuurbeschermingswet). c. Het aanvragen van subsidie (artikel 17 van de Natuurbeschermingswet). d. Het aanmelden van projecten in het kader van de programmatische aanpak vermindering stikstofdepositie (artikel 19kh van de Natuurbeschermingswet). e. Het indienen van verzoeken om tegemoetkoming in de schade zover deze verband houden met bevoegdheden en taken ten aanzien van de ruimtelijke ordening en het omgevingsrecht (artikel 31 en 46b van de Natuurbeschermingswet). L. Woningwet Voorbehouden aan de RVE-manager Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Woningwet: a. Het aanvragen van een ontheffing van Bouwbesluit (artikel 7 van de Woningwet). b. Het afgeven van een verklaring van het bevoegd gezag, dat een omgevingsvergunning zal worden verleend indien ontheffing van het Bouwbesluit wordt gegeven (artikel 7, tweede lid van de Woningwet). c. Het doen van een verzoek om toestemming om met het oog op duurzaam bouwen nadere voorschriften op te leggen ter voldoening aan de technische voorschriften omtrent bouwen, gegeven in het Bouwbesluit (artikel 7a van de Woningwet). d. Het voorbereiden en uitvoeren van de aanwijzing van gebieden of voor een of meer daarbij aan te wijzen categorieën van bestaande en te bouwen bouwwerken geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn (artikel 12, tweede lid Woningwet). e. Het doen van een verzoek om toepassing van de experimentenregeling (artikel 120a van de Woningwet).M. Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken Gemandateerd aan de rve-directeur Ruimte en Duurzaamheid worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken: a. Uitvoering van de Wet publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, waaronder in ieder geval begrepen het inzicht geven in de gemeentelijke beperkingenregistratie en de kadastrale registratie en het opnemen in de gemeentelijke beperkingenregistratie voor zover verband houdend met vergunningverlening.
  125. RVE-manager Grond en Ontwikkeling A. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het nemen van besluiten over subsidie op grond van de:
  126. Bijzondere subsidieverordening stedelijke vernieuwing. B. Gemeentewet
  127. Gemandateerd aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het aanwijzen van deskundigen van de zijde van de gemeente (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). b. Het vaststellen van de schaduwgrondwaarden en de jaarlijkse aanpassing daarvan aan de waardeontwikkeling van het geld overeenkomstig het bepaalde onder II van het besluit van het college van 9 januari 2001 gepubliceerd in het Gemeenteblad van 2001, afdeling 3, volgnummer 31 (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). c. Het berekenen van de bedragen verschuldigd wegens vooruitbetaling van de nog niet verschenen erfpachttermijnen het bepaalde onder II van het besluit van het college van 9 januari 2001 gepubliceerd in het Gemeenteblad van 2001, afdeling 3, volgnummer 31 (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). d. De vaststelling van de voorwaarden waaronder de gemeentelijke bedragen voor het opmaken van de notariële akte en de kosten verbonden aan de inschrijving van die akte in de openbare registers aan de erfpachter betaalbaar zullen worden gesteld (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). e. Het uitsluiten van de canonindexering overeenkomstig het bepaalde in het besluit van het college van 9 januari 2001 gepubliceerd in het Gemeenteblad van 2001, afdeling 3, volgnummer 24, dan wel de meest actuele variant daarvan (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). f. Het op verzoek van marktpartijen opnemen in erfpachtaanbiedingen van prijsindexatie op basis van de uitgangspunten neergelegd in laatstelijk vastgestelde Grondprijzenbrief (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). g. Het doen van uitgaven ten behoeve van bodemonderzoeken, bodemsaneringen en verwerking van verontreinigde grond tot een maximum van € 1.500.000,== (exclusief BTW) per project, voor zover passend binnen en ten laste van de jaarlijks vast te stellen Stelpost Bodemsanering binnen het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing- en/of het Vereveningsfonds danwel een fonds dat daarvoor in de plaats is getreden (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). h. Het ter uitvoering van het ‘Algemene voorwaarden en Reglement Grondbank Amsterdam’ vaststellen van een tarief voor de acceptatie van diverse schone en verontreinigde grondsoorten (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). i. Het koppelen van gemeentelijke grondexploitatie-projecten welke dekking vinden in het Vereveningsfonds, het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting en/of het ISV, waarbij grond vrijkomt aan projecten waar grond toegepast kan worden en het bepalen van de volgorde van levering indien het voor het hergebruikproject logistiek onmogelijk is om grond van twee of meer toegewezen projecten gelijktijdig te ontvangen (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). j. De bevoegdheid om grond te vorderen welke vrijkomt tijdens de uitvoering van ruimtelijke plannen (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). k. Alle bevoegdheden op grond van het Reglement op het Food Center Amsterdam (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). l. Het beslissen of vanwege de gemeente cassatie zal worden ingesteld, danwel te beslissen dat in cassatie die tegen de gemeente is ingesteld, verweer zal worden gevoerd (artikel 160, eerste lid onder f van de Gemeentewet). m. Het buiten rechte vertegenwoordigen van de gemeente bij het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen met de mogelijkheid (onder)gevolmachtigden aan te wijzen en met recht van substitutie ten behoeve van notarissen en medewerkers van het kantoor van de behandelend notaris (artikel 171, eerste lid van de Gemeentewet). n. Het verzoeken aan een bestuursorgaan om een besluit te nemen (een beschikking te geven) daaronder in ieder geval begrepen het aanvragen van een subsidie, het aanvragen van een vergunning en het aanvragen van een ontheffing (artikel 171, eerste lid van de Gemeentewet).
  128. Voorbehouden aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het geven van instructies inzake erfpacht met name in het belang van een ordelijke en doelmatige gang van zaken met betrekking tot het betalingsverkeer tussen de bestuurscommissies en de centrale stad, een goede administratie van erfpachten en het beheer van het stedelijk vermogen (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). b. Het vaststellen van de jaarlijkse aanpassingscoëfficiënten erfpachtcanon en schaduwgrondwaarden, de toeslagpercentages en reductiefactoren (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). c. Het vaststellen van de driemaandelijkse canonpercentages erfpacht en het afkooppercentage (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). d. Het nemen van besluiten inzake erfpachtuitgifte waarbij wordt afgeweken van de meest actuele door de Gemeenteraad aanvaarde (bandbreedtes van de) grondprijzen, ter realisering van de meest optimale grondprijs (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). e. Het maken van uitzonderingen op het beginsel van meervoudige selectie van marktpartijen voor gebiedsontwikkeling met inachtneming van het terzake geldende beleidskader (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). C. Wet bescherming persoonsgegevens Gemandateerd aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp): a. Het aangaan van een overeenkomst met een bewerker (artikel 14, tweede lid van de Wbp) D. Wet ruimtelijke ordening
  129. Gemandateerd aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro): a. Het uitoefenen van alle bevoegdheden inzake de (anterieure en posterieure) overeenkomsten over grondexploitatie (artikel 6.24 van de Wro en artikel 6.2.12 van het Besluit ruimtelijke ordening).
  130. Voorbehouden aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro): a. Het uitoefenen van alle bevoegdheden inzake het behandelen van en het beslissen op verzoeken om tegemoetkoming in planschade. Dit met uitzondering van het verzoek aan gedeputeerde staten om vergoeding van hogere kosten van de gemeente (afdeling 6.1 van de Wro en afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening). E. Wet voorkeursrecht gemeenten Gemandateerd aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten: a. Alle bevoegdheden ter uitoefening van een gevestigd voorkeursrecht mits, indien aan de orde, voor de met de uitoefening van deze bevoegdheden gemoeide uitgaven financiële dekking aanwezig is in de vorm van een daarvoor bestemde begrotingspost of een daarvoor beschikbaar gesteld krediet (Wet voorkeursrecht gemeenten). F Onteigeningswet Gemandateerd aan de RVE-manager Grond en Ontwikkeling worden de volgende bevoegdheden op grond van de Onteigeningswet: a. Het uitbrengen van biedingsbrieven (artikel 17 van de Onteigingswet). b. De in artikel 3.12 Awb bedoelde kennisgeving en de tervisielegging van het ontwerp Koninklijk Besluit met bijbehorende stukken als bedoeld in artikel 78, lid 2 van de Onteigeningswet, alsmede de kennisgeving en tervisielegging van het Koninklijk Besluit (artikel 78, zevende lid van de Onteigeningswet). G. Wet basisregistratie ondergrond Gemandateerd aan de rve-directeur Grond en Ontwikkeling wordt de bevoegdheid tot het aanbieden van brondocumenten aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter inschrijving in het register brondocumenten ondergrond als bedoeld in artikel 9 van de Wet basisregistratie ondergrond.
  131. RVE-manager Verkeer en openbare ruimte A. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het nemen van besluiten over subsidies op grond van:
  132. de Bijzondere subsidieverordening autovrije dag.
  133. de Subsidieverordening fietsparkeren. B. Wegenverkeerswet 1994 Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wegenverkeerswet 1994: a. Het nemen van verkeersbesluiten en het plaatsen van verkeersborden, voor zover betreft de hoofdnetten auto en rail (artikel15 en 18 van de Wegenverkeerswet 1994). b. Het nemen van verkeersbesluiten en het plaatsen van verkeersborden op alle wegen als sprake is van een grootstedelijk project of als sprake is van beheer, onderhoud vervanging en uitbreiding van assets en dit een stedelijke taak betreft of een stedelijk belang heeft (artikel15 en 18 van de Wegenverkeerswet 1994). c. Het toepassen en plaatsen van verkeerstekens en onderborden alsmede het nemen van maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer die niet krachtens een verkeersbesluit geschieden en wanneer er sprake is van een grootschalig project (artikel 14 Wegenverkeerswet 1994). C. Reglement verkeersregels en verkeerstekens Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens: a. Het verlenen van ontheffingen in situaties die stadsdeelgrensoverschrijdend zijn (artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens). D. Wegenwet Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wegenwet: a. Het onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer voor zover het de hoofdnetten auto en rail betreft en het onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer in het kader van een grootschalig project (artikel 9 van de Wegenwet). b. Het besluiten omtrent gevraagde medewerking aan het geven van de bestemming openbare weg aan een weg voor zover het de hoofdnetten auto en rail betreft (artikel 5 van de Wegenwet). c. Het ter inzage leggen van een afschrift van een uitspraak in beroep inzake het onttrekken van een weg aan het openbaar verkeer en doen van mededeling daarvan, voor zover het de hoofdnetten auto en rail betreft (artikel 12 van de Wegenwet). d. Het uitvoeren van dagelijks beheer, onderhoud en gladheidsbestrijding op wegen en het uitvoeren van werkzaamheden, beide voor zover deze niet tot de taken van de bestuurscommissies behoren (artikel 15 van de Wegenwet). e. Het ten laste van de gemeente brengen van het onderhoud van een weg en het opleggen van de verplichting tot afkoopbare jaarlijkse uitkeringen aan degene die van het (geven van) onderhoud wordt ontlast voor zover het de hoofdnetten auto en rail betreft (artikel 20 van de Wegenwet). E. Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de APV: a. Het uitoefenen van de bevoegdheden inzake het parkeren van fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen voor zover het gebieden bij NS stations betreft (artikel 4.27 van de APV). b. Het beslissen op vergunningaanvragen voor personenvervoer, het intrekken hiervan en het toepassen van bestuursdwang en het opleggen van een last onder dwangsom (artikel 2.51 APV en artikel 5:31 en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, conform het Uitvoeringsbeleid Alternatief Personenvervoer). c. Het aanwijzen van wegen conform het Uitvoeringsbeleid Alternatief Personenvervoer (artikel 2.51, vierde lid APV). F. Verordening werken in de openbare ruimte (WIOR) Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Verordening werken in de openbare ruimte (WIOR): a. Het beslissen op vergunningaanvragen voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte (inclusief aanhouden, intrekken en overschrijven) voor zover de openbare ruimte betrekking heeft op de hoofdnetten auto en rail (artikel 8, eerste lid, 9, 14, 19 en 21 van de WIOR). G. Telecommunicatiewet Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Telecommunicatiewet: a. Het beslissen op aanvragen om een instemmingsbesluit voor het uitvoeren van werkzaamheden in of op openbare gronden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels, voor zover de openbare ruimte betrekking heeft op de hoofdnetten auto en rail (artikel 5.4, eerste lid aanhef en onder b van de Telecommunicatiewet). H. Taxiverordening Amsterdam 2012 Gemandateerd aan de manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Taxiverordening Amsterdam 2012: a. Het vaststellen van het aanvraagformulier voor het indienen van een vergunningaanvraag voor een TTO (artikel 1.2, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012). b. Het beslissen op aanvragen om een TTO-vergunning alsmede het verbinden van voorschriften aan de vergunning (artikel 1.2, 1.3, 1.4, 2.5 en 2.7 van de Taxiverordening Amsterdam 2012 en artikel 3, eerste en zevende lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur). c. Het wijzigen, schorsen en intrekken van de TTO-vergunning (artikel 1.5 en 2.10 van de Taxiverordening Amsterdam 2012 en artikel 3, eerste lid van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur). d. Het opleggen van sancties of maatregelen (artikel 3.2, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012). I. Raadsbesluit Aanwijzing routes 2007 nr. 92/193 Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van het Besluit Aanwijzing routes vervoer gevaarlijke stoffen: a. Het tijdelijk aanpassen en wijzigen van reeds aangewezen routes vervoer gevaarlijke stoffen bij wegwerkzaamheden. J. Nota stedelijke infrastructuur en Beleidskader stadsregisseur stedelijke bereikbaarheid bij werk in uitvoering Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Nota stedelijke infrastructuur en het Beleidskader stadsregisseur stedelijke bereikbaarheid bij werk in uitvoering: a. Het bepalen van tijdvakken voor het uitvoeren van werkzaamheden op de in het beleidskader aangewezen hoofdnetten auto, ov en fiets, welke tijdvakken bij de vergunningverlening ten behoeve van de werkzaamheden in acht worden genomen. b. Het koppelen van werkzaamheden op de in het beleidskader aangewezen hoofdnetten, waardoor deze werkzaamheden niet tegelijkertijd mogen worden uitgevoerd. K. Machinerichtlijn 2006/42/EG Gemandateerd aan de RVE-manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Machinerichtlijn: a. Het vervullen van verplichtingen en formaliteiten waaronder het aanbrengen van een CE-markering als fabrikant in de zin van de Machinerichtlijn 2006/42/EG (artikel 2 onder i en j, artikel 5 lid 1 onder f en artikel 16 van de Machinerichtlijn). L. Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) Gemandateerd aan de RVE manager Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur: a. Het opvragen van justitiële gegevens over een betrokkene ex artikel 1 lid 1 onder e van de Wet Bibob op basis van artikel 15 lid 1 onder b van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens juncto artikel 1 lid 1 onder a van de Wet Bibob als onderdeel van de aanvraagprocedure van een TTO vergunning. M. Besluit Administratieve Bepalingen inzake het Wegverkeer Gemandateerd aan de rve-directeur Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van het Besluit Administratieve Bepalingen inzake het Wegverkeer (BABS): a. het aanstellen van verkeersregelaars (artikel 56 lid 1 onder b van het BABS). N. Regeling verkeersbrigadiers Gemandateerd aan de rve-directeur Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Regeling verkeersbrigadiers: a. het aanstellen en vervallen verklaren van de aanstelling tot verkeersbrigadier (artikel 3 en artikel 8 van de regeling verkeersbrigadier). O. Subsidieverordeningen Vervoerregio Amsterdam Gemandateerd aan de rve-directeur Verkeer en Openbare Ruimte worden de volgende bevoegdheden op grond van de Subsidieverordening Infrastructuur, Subsidieverordening BDU Infrastructuur 2011 Stadsregio Amsterdam en de Algemene subsidieverordening Vervoerregio Amsterdam

(2008): a. Het indienen van een subsidieaanvraag en het indienen van een aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij de Vervoerregio Amsterdam.
  1. RVE-manager Metro en Tram Gemandateerd aan de RVE-manager Metro en Tram worden de volgende bevoegdheden op grond van: A. Plan van aanpak leefbaarheid Noord/Zuid-lijn Het beslissen over het nemen van de maatregelen zoals genoemd in het Plan van Aanpak Leefbaarheid Noord/Zuidlijn, dit met de beperking dat daarover positief door het projectcommissariaat van de RVE Metro en Tram dient te zijn geadviseerd indien dat op grond van het reglement voor het projectcommissariaat van de RVE Metro en Tram nodig is. B. Verwerving en vervreemding onroerende zaken Het verwerven en vervreemden van onroerende zaken in verband met de opdracht aan de RVE Metro en Tram, dit met de beperking dat daarover positief door het projectcommissariaat van de RVE Metro en Tram dient te zijn geadviseerd indien dat op grond van het reglement voor het projectcommissariaat van de RVE Metro en Tram nodig is. C. Opdracht RVE Metro en Tram Het uitoefenen van alle overige taken en bevoegdheden in het kader van de opdracht aan de RVE Metro en Tram, dit met de beperking dat daarover positief door het projectcommissariaat van de Noord/Zuid-lijn dient te zijn geadviseerd indien dat op grond van het reglement voor het projectcommissariaat Metro en Tram nodig is. D. Wet lokaal Spoor a. het verlenen, eisen, schorsen en intrekken van een vergunning voor het indienststellen van lokale spoorweginfrastructuur op grond van artikel 9, tweede lid, artikel 10, derde lid en artikel 11 van de Wet lokaal spoor; voor de periode van 1 december 2015 t/m 30 november 2019; b. het verlenen van de vergunning voor indienststelling van een spoorvoertuig, een gewijzigd spoorvoertuig of een type spoorvoertuig op grond van artikel 32, tweede en vijfde lid, artikel 33, derde lid, en artikel 34, eerste en zesde lid, van de Wet lokaal spoor, alsmede de bevoegdheid tot het verbieden van het gebruik van een spoorvoertuig op grond van artikel 35,tweede lid; voor de periode van 1 december 2015 t/m 30 november 2019; c. het verlenen van de vergunning de voor het op, in boven, naast of onder de lokale spoorweg uitvoeren of doen uitvoeren van werkzaamheden of het plaatsen van zaken, als bedoeld in artikel 12 van de Wet lokaalspoor, voor de periode van 1 december 2015 t/m 30 november 2019; d. het opleggen van een last onder bestuursdwang (en daarmee ook de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom) Uitsluitend en alleen ter handhaving van overtreding van verplichtingen uit de Wet Lokaal Spoor voor zover deze betrekking hebben op de bevoegdheden die op 17 september 2015 door het Dagelijks Bestuur zijn gedelegeerd aan het college van B&W van Amsterdam (voor de periode van 1 december 2015 tot 1 december 2019); e. het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 44, eerste lid van de Wet Lokaal Spoor Uitsluitend en alleen ter handhaving van overtreding van verplichtingen uit de Wet Lokaal Spoor voor zover deze betrekking hebben op de bevoegdheden die op 17 september 2015 door het Dagelijks Bestuur zijn gedelegeerd aan het college van B&W van Amsterdam (voor de periode van 1 december 2015 tot 1 december 2019); f. het verlenen van ondermandaat voor de vergunningverlening en de handhavingsbevoegdheden in kader van Wet Lokaal Spoor aan afdelingshoofden van de rve Metro en Tram. E. Het buiten rechte vertegenwoordigen van de gemeente bij het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen met de mogelijkheid (onder)gevolmachtigden aan te wijzen en met recht van substitutie ten behoeve van notarissen en medewerkers van het kantoor van de behandelend notaris (artikel 171, eerste lid van de Gemeentewet).
  2. RVE-manager Zuidas A. Gemeentewet
  3. Gemandateerd aan de RVE-manager Zuidas worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het aanwijzen van deskundigen van de zijde van de gemeente (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). b. Het doen van uitgaven ten behoeve van bodemonderzoeken, bodemsaneringen en verwerking van verontreinigde grond tot een maximum van € 1.500.000,== (exclusief BTW) per project, voor zover passend binnen en ten laste van de jaarlijks vast te stellen Stelpost Bodemsanering binnen het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing- en/of het Vereveningsfonds danwel een fonds dat daarvoor in de plaats is getreden (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). c. De bevoegdheid om grond te vorderen welke vrijkomt tijdens de uitvoering van ruimtelijke plannen (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). d. Het voeren van grondprijsonderhandelingen binnen het door het college voor de Zuidas vastgestelde Raamwerk voor de grondprijzen dit met de beperking dat de RVE Grond en Ontwikkeling wordt geconsulteerd bij het opstellen van de erfpachtaanbieding, erfpachtbesluit en de controle van de concept-akte van uitgifte (artikel 160 en 171 van de Gemeentewet). e. Het buiten rechte vertegenwoordigen van de gemeente bij het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen met de mogelijkheid (onder)gevolmachtigden aan te wijzen en met recht van substitutie ten behoeve van notarissen en medewerkers van het kantoor van de behandelend notaris (artikel 171, eerste lid van de Gemeentewet). f. De planvorming voor de ruimtelijke ontwikkelingen binnen grootstedelijk plangebied Zuidas. g. De planuitvoering van de bestuurlijk voor de Zuidas vastgestelde besluiten binnen de door B&W vastgestelde kaders voor de grondexploitaties en conform het gemeentebrede aanbestedingsbeleid.Het voeren van een administratie voor grondexploitaties waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande administratieve systemen van de RVE Grond en Ontwikkeling, waardoor de Interne Controle, de (gemeentebrede) BTW aspecten en het betalingsverkeer zijn geborgd.
  4. Voorbehouden aan de RVE-manager Zuidas worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het nemen van besluiten inzake erfpachtuitgifte waarbij wordt afgeweken van de meest actuele door de Gemeenteraad aanvaarde (bandbreedtes van de) grondprijzen, ter realisering van de meest optimale grondprijs (artikel 160, eerste lid, onder e van de Gemeentewet). b. Het maken van uitzonderingen op het beginsel van meervoudige selectie van marktpartijen voor gebiedsontwikkeling met inachtneming van het terzake geldende beleidskader (artikel 160, eerste lid onder e van de Gemeentewet). B. Wet voorkeursrecht gemeenten Gemandateerd aan de RVE-manager Zuidas worden de volgende bevoegdheden op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten: a. Alle bevoegdheden ter uitoefening van een gevestigd voorkeursrecht mits, indien aan de orde, voor de met de uitoefening van deze bevoegdheden gemoeide uitgaven financiële dekking aanwezig is in de vorm van een daarvoor bestemde begrotingspost of een daarvoor beschikbaar gesteld krediet (Wet voorkeursrecht gemeenten). C Onteigeningswet Gemandateerd aan de RVE-manager Zuidas worden de volgende bevoegdheden op grond van de Onteigeningswet: c. Het uitbrengen van biedingsbrieven (artikel 17 van de Onteigingswet). d. De in artikel 3.12 Awb bedoelde kennisgeving en de tervisielegging van het ontwerp Koninklijk Besluit met bijbehorende stukken als bedoeld in artikel 78, lid 2 van de Onteigeningswet, alsmede de kennisgeving en tervisielegging van het Koninklijk Besluit (artikel 78, zevende lid van de Onteigeningswet).
  5. RVE-manager Ingenieursbureau A. Wet basisregistratie ondergrond Gemandateerd aan de rve-directeur Ingenieursbureau wordt de bevoegdheid tot het aanbieden van brondocumenten aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter inschrijving in het register brondocumenten ondergrond als bedoeld in artikel 9 van de Wet basisregistratie ondergrond.
  6. RVE-manager Projectmanagementbureau Geen specifieke mandaten.
  7. RVE-manager Gemeentelijk Vastgoed A. Gemeentewet Gemandateerd aan de RVE-manager Gemeentelijk Vastgoed worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. Het verhuren of op enige wijze in gebruik te geven van gemeenteeigendommen voor zover het betreft (artikel 160, eerste lid, onder e van de Gemeentewet):
  8. roerende zaken, mits voor niet langer dan tien jaren;
  9. gebouwen en gronden. b. Het besluiten tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen met betrekking tot het in gebruik nemen of verlaten van onroerende goederen ten behoeve van de huisvesting van een gemeentelijke diensttak of bedrijf (artikel 160, eerste lid, onder e van de Gemeentewet). c. Het besluiten tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen ten behoeve van de uitvoering van het erfpachtbeheer (artikel 160, eerste lid, onder e van de Gemeentewet). d. Het besluiten tot het geven van opdrachten in het kader van de vastgoedexploitatie, waarvoor krediet is verleend (artikel 160, eerste lid, onder e van de Gemeentewet). e. Het besluiten tot het sluiten van overeenkomsten voor tijdelijke verhuur in de zin van artikel 7:230 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 160, eerste lid, onder e van de Gemeentewet). f. Het besluiten tot het opzeggen van de huur in het kader van planvorming (artikel 160, eerste lid, onder e van de Gemeentewet). g. Het buiten rechte vertegenwoordigen van de gemeente bij het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen met de mogelijkheid (onder)gevolmachtigden aan te wijzen en met recht van substitutie ten behoeve van notarissen en medewerkers van het kantoor van de behandelend notaris (artikel 171, eerste lid van de Gemeentewet). h. Besluiten tot het afsluiten van huurovereenkomsten ten behoeve van verhuur die resulteren in een opbrengst van minder dan € 22.500,- per jaar met een duur van niet meer dan vijf jaren en voor zover niet wordt afgeweken van de normale huurprijsvaststelling (artikel 160, eerste lid, onder e van de Gemeentewet).
  10. RVE-manager Materiaalbureau Geen specifieke mandaten.
  11. RVE-manager Parkeren A. Verordening Parkeergebouwen en Parkeerterreinen Gemandateerd aan de RVE-manager Parkeren worden de volgende bevoegdheden op grond van de Verordening Parkeergebouwen en Parkeerterreinen: a. Het beslissen op aanvragen om vergunningen en ontheffingen alsmede stellen en wijzigen van aan de vergunningen en ontheffingen verbonden voorschriften en het intrekken van de vergunningen en ontheffingen (artikel 4, tweede lid, 5, 6, 7, 8 en 10 van de verordening parkeergebouwen en parkeerterreinen en artikel 1.6 van de Algemene plaatselijke verordening). B. Parkeerverordening Gemandateerd aan de RVE-manager Parkeren worden de volgende bevoegdheden op grond van de Parkeerverordening: a. Het vaststellen van regels (artikel 4, eerste lid van de Parkeerverordening) aangaande:
  12. de indeling in vergunninggebieden en de grenzen daarvan;
  13. plafonds voor vergunningen, bewonersvergunningen en bedrijvenvergunningen;
  14. plafond voor milieuparkeervergunningen;
  15. de bloktijden gedurende welke parkeerbelasting wordt geheven;
  16. het aanwijzen en het gebruik van overloopgebieden;
  17. het maximum aantal te verlenen bewoners- en bedrijfsparkeervergunningen per adres. b. Het vaststellen van regels (artikel 5, eerste lid van de Parkeerverordening) aangaande het verlenen van:
  18. volkstuinvergunningen;
  19. maatschappelijke vergunningen;
  20. bezoekersvergunningen. c. Het vaststellen van regels (artikel 5, eerste lid van de Parkeerverordening) aangaande het verlenen van de volgende vergunningen met wisselend kenteken:
  21. bedrijfsvergunningen;
  22. sportverenigingsvergunningen;
  23. volkstuinvergunningen;
  24. maatschappelijke vergunningen;
  25. autodeelvergunningen;
  26. belanghebbendenvergunningen. d. Het vaststellen van regels (artikel 6, eerste lid en 24, derde lid van de Parkeerverordening) aangaande:
  27. het mogelijk maken van een uitzondering op de aftrek van stallingplaatsen bij het maximum aantal te verlenen bedrijfsvergunningen;
  28. een extra voorwaarde aan een bedrijfsvergunning voor een ambulante handelaar;
  29. het maximum aantal sportverenigingsvergunningen per organisatie;
  30. het vaststellen en beperken van het maximum aantal uren dat tegen gereduceerd tarief kan worden geparkeerd met een bezoekersvergunning;
  31. het beperken van de geldigheid van een bezoekersvergunning voor een beperkt aantal bloktijden;
  32. het beperken van de geldigheid van parkeervergunningen binnen een vergunninggebied naar plaats gedurende bepaalde tijden;
  33. de ingangsdatum van parkeervergunningen en bijzondere vergunningen;
  34. het instellen van parkeerduurbeperkingen;
  35. het maken van uitzonderingen op parkeerduurbeperking voor sportverenigingsvergunningen. e. Het vaststellen van regels (artikel 6, eerste lid van de Parkeerverordening) aangaande:
  36. het wijzigen van het kenteken waarvoor vergunning is verleend;
  37. het wijzigen van het kenteken van vergunningen met wisselend kenteken. f. het vaststellen van het aanvraagformulier vergunningen (artikel 8 lid 2 van de Parkeerverordening); g. het samenstellen van de lijst hulpverlenersvergunning (artikel 15 lid 4 van de Parkeerverordening); h. het geven van nadere regels omtrent het verlenen van het aantal milieuparkeervergunningen voor bewoners en de wijze van uitgifte (artikel 16 lid 3 van de Parkeerverordening); i. het vaststellen van eisen voor het verlenen van een milieuparkeervergunning voor bewoners (artikel 16 lid 5 van de Parkeerverordening); j. het geven van nadere regels omtrent het verlenen van het aantal milieuparkeervergunningen voor bedrijven en de wijze van uitgifte (artikel 17 lid 3 van de Parkeerverordening); k. het vaststellen van eisen voor het verlenen van een milieuparkeervergunning voor bedrijven (artikel 17 lid 5 van de Parkeerverordening); l. het vaststellen van de nadere regels aan de autodeelorganisatie te stellen voorwaarden (artikel 19 lid 3 en artikel 20 lid 2 van de Parkeerverordening); m. het vaststellen van eisen ten behoeve van het verlenen van de stadsbrede autodeelvergunning (artikel 20 lid 3 van de Parkeerverordening); n. het samenstellen van de lijst voor belanghebbendenvergunning (artikel 25 lid 4 van de Parkeerverordening); o. bepalen dat een parkeervergunning geldig is in een parkeergarage en hieromtrent nadere regels stellen (artikel 28 lid 6 van de Parkeerverordening; p. het vaststellen van nadere weigeringsgronden voor een milieuparkeervergunning voor bewoners en een milieuparkeervergunning voor bedrijven (artikel 32 lid 6 van de Parkeerverordening); q. het verlenen van ontheffing (artikel 32 lid 7 van de Parkeerverordening) r. het beslissen in eerste aanleg op alle aanvragen, wijzigings- en intrekkingsverzoeken voor parkeervergunningen op basis van de Parkeerverordening
  38. C. Gemeentewet Gemandateerd aan de rve-directeur Parkeren worden de volgende bevoegdheden op grond van de Gemeentewet: a. het door de directeur rve Parkeren in de hoedanigheid als aangewezen heffingsambtenaar voor parkeerbelastingen, verlenen van ondermandaat aan medewerkers werkzaam bij Egis Parking Services BV om overeenkomstig artikel 231, lid 2 onderdelen b en c van de Gemeentewet, de daaruit voortvloeiende of daarmee samenhangende rechtshandelingen te verrichten als ambtenaar belast met de heffing en invordering van parkeerbelastingen voor de gemeente Amsterdam. D. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de rve-directeur Parkeren wordt de volgende bevoegdheid op grond van de Algemene wet bestuursrecht Het nemen van besluiten over het verstrekken van subsidies op grond van de Subsidieregeling Langparkeren Amsterdam, waaronder begrepen het aanwijzen van parkeergarages en het aanwijzen van vergunningsgebieden.
  39. RVE-manager Kunst en Cultuur A. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de rve-directeur Kunst en Cultuur worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht: Het nemen van besluiten over het verstrekken van subsidies op grond van de: Verordening Amsterdamse culturele infrastructuur, Hoofdlijnen en Kunstenplan. In de (bijlage bij) de gemeentebegroting opgenomen begrotingspostsubsidies ten behoeve van de Stichting Openbare Bibliotheek Amsterdam.
  40. RVE-manager Wonen A. Algemene wet bestuursrecht Gemandateerd aan de RVE-manager Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): a. Het nemen van besluiten over subsidies op grond van de: a.Bijzondere subsidieverordening stedelijke vernieuwing. b.Bijzondere subsidieverordening basiskwaliteit woningbouw marktsector. c.Bijzondere subsidieverordening verbetering energie-index. b. Het aanvaarden van subsidie van het Rijk op voet van het Besluit geldelijke steun volkshuisvesting, alsmede het beschikken en uitbetalen ingevolge de navolgende regelingen en aanvullingen daarop: a.De Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 en daaraan voorafgaande rijksregelingen. b.De Regeling geldelijke steun particuliere huurwoningen
  41. c.De Regeling geldelijke steun voorzieningen aan huurwoningen 1987 en daaraan voorafgaande rijksregelingen. d.Het Startbesluit BWS 1992, Met inachtneming van de terzake geldende raadsbesluiten betreffende gesubsidieerde nieuwbouw dan wel woningverbetering; c. Het nemen van beslissingen met betrekking tot het verstrekken van subsidies aan in de gemeentebegroting vermelde subsidieontvangers alsmede het verstrekken van subsidies waartoe het College ten laste van een begrotingspost heeft besloten op grond van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam
  42. d. Het nemen van beslissingen tot het éénmalig verdagen van de beslistermijn, gehele of gedeeltelijke intrekking, wijziging, beëindiging en terugvordering van geldelijke steun / subsidie in het kader van de onder b genoemde regelingen, de Raamraadsbesluiten nieuwbouw en verbetering 1992 tot en met 1999 en het Subsidiebesluit nieuwbouw enverbetering 2000, indien sprake is van het niet nakomen van voorwaarden of bepalingen van een regeling dan wel besluit of indien een regeling dan wel besluit gehele of gedeel­telijke intrekking voorschrijft. B. Woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad: Huisvestingswet, Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 Gemandateerd aan de rve-directeur Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016: a.Het nemen van besluiten op aanvragen voor een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 1 onder n van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (artikel 2.2.6, 2.2.7, 2.2.8, 2.3.2 en 2.4.2 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016). b.Het verlenen van ondermandaat aan eigenaren voor het nemen van besluiten op een aanvraag voor een huisvestingsvergunning (artikel 19 van de Huisvestingswet). c.Het nemen van besluiten op aanvragen voor een urgentieverklaring als bedoeld onder ll en OO van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (paragraaf 6 van de van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016). d.Het nemen van besluiten omtrent het aanwijzen van complexen en het vaststellen van een peildatum als bedoeld in respectievelijk artikel 1 onder f en 1 onder cc van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (artikel 2.6.8, tweede lid van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016). e.Het nemen van besluiten inzake het verlengen, vervallen of intrekken van de onder a tot en met d bedoelde vergunningen en verklaringen. f.Het bijhouden van een inschrijvingsregister van standplaatszoekenden die in aanmerking willen komen voor een woonwagenstandplaats (artikel 2.7.3 van de Huisvestingsverordening 2016). g.Het verstrekken van een bewijs van inschrijving aan woningzoekenden die in aanmerking willen komen voor een woonwagenstandplaats (artikel 2.7.3., vierde lid van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016). h.Het toewijzen van een woonwagenstandplaats met inachtneming van de volgorde- bepaling (artikel 2.7.
  43. van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016). i.Het nemen van besluiten inzake het verlenen van een huisvestingsvergunning voor het betrekken van een woonwagenstandplaats (artikel 2.7.
  44. van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016). j.Het nemen van besluiten inzake het verlenen, vervallen of intrekken van de onder g tot en met i bedoelde bewijzen van inschrijvingen of vergunningen. k.Het nemen van besluiten inzake vruchteloze aanbieding (artikel 17 van de Huisvestingswet). l.Het verrichten van voorbereidingshandelingen en het aanwijzen van woonruimte die uitsluitend of met voorrang zullen worden toegewezen aan specifieke woningzoekenden (artikel 2.2.4 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016). m.Het nemen van besluiten omtrent het toepassen van de hardheidsclausule (artikel 2.6.11 en artikel 4.3.
  45. van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016). n.Het erkennen van een woonruimte als studentenwoning (artikel 1 onder jj van de Huisvestingsverordening 2016). o.Het nemen van besluiten omtrent het opleggen van een bestuurlijke boete (artikel 4.2.2 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 wegens overtreding van artikel 8, 21 en 24 van de Huisvestingswet 2014). p.aan de directeur van de rve wonen wordt de bevoegdheid gemandateerd om namens het college een machtiging tot het binnentreden van een woning als bedoeld in artikel 2 Algemene wet op het binnentreden te verlenen voor zowel toezicht als handhaving. Het mandaat is beperkt tot de taken en bevoegdheden die aan de directeur van de rve Wonen zijn gemandateerd. Elk kwartaal dient over het gebruik van de bevoegdheden te worden gerapporteerd. Het verlenen van ondermandaat met betrekking tot deze bevoegdheid is niet mogelijk. C. Leegstandwet en Leegstandverordening Gemandateerd aan de RVE-manager Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Leegstandwet en de Leegstandverordening: a. Het nemen van een leegstandsbeschikking (artikel 4, tweede lid van de Leegstandwet). b. Het nemen van een besluit omtrent het voordragen van een gebruiker (artikel 5 van de Leegstandwet). c. Het nemen van besluiten op aanvragen om een vergunning voor tijdelijke verhuur (artikel 15 van als bedoeld in de Leegstandwet). d. Het nemen van besluiten omtrent het opleggen van een bestuurlijke boete (artikel 6 van de Leegstandsverordening wegens overtreding van de artikel 3, eerste lid en 7, derde lid van de Leegstandwet). D. Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993 Gemandateerd aan de RVE-manager Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993: a. Het wijzigen, intrekken, gedeeltelijk intrekken van verleende geldelijke steun, eventueel gekoppeld aan terugvorderen van reeds betaalde geldelijke steun bij het niet voldoen aan gestelde voorwaarden, onjuiste gegevens (artikel 39 van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993). b. Het beëindigen van uitbetaling van geldelijke steun voor een sociale huurwoning en het opnieuw vaststellen van geldelijke steun bij eigendomsoverdracht (artikel 50 van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993). c. Het bepalen dat bij vertrek van de begunstigde de achterblijvende partner, mede-eigenaar als begunstigde wordt aangemerkt (artikel 54, derde lid van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993). d. Het beëindigen van geldelijke steun aan koper en/of het opnieuw vaststellen bij eigendomsoverdracht of inkomenswijzigingen (artikel 61 en 62 van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993). e. Het opvragen van nadere gegevens in verband met het opnieuw vaststellen van geldelijke steun (artikel 63 van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993). f. Het opnieuw vaststellen van geldelijke steun koper bij inkomensdaling (artikel 65 van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993). g. Het beëindigen van geldelijke steun en het opnieuw vaststellen van geldelijke steun bij eigendomsoverdracht van een sociale huurwoning of aangekochte huurwoningen, waaraan ingrijpende voorzieningen zijn getroffen (artikel 73 van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993). h. Het terugvorderen van geldelijke steun bij overtreding beheersbepalingen (artikel 89 van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993). i. Het toepassen van de algemene hardheidsclausule (artikel 125 van de Amsterdamse Verordening woninggebonden subsidies 1993). E. Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995 Gemandateerd aan de RVE-manager Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995: a. Het binnen twee weken bevestigen van de ontvangst van de aanvraag aan betrokkenen (artikel 25 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). b. Het afwijzen of aanhouden van een aanvraag (artikel 27 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). c. Het binnen vier weken nemen van een besluit tot vaststelling en uitbetaling van de subsidie (artikel 37, eerste lid van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). d. Het weigeren van vaststelling en uitbetaling van de subsidie op grond van gebreken aan de gereedmelding (artikel 37, tweede lid van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). e. Het maximaal vier weken verdagen van het onder artikel 37, eerste lid bedoelde besluit voor zover de controle op juistheid van de gegevens daartoe aanleiding geeft (artikel 37, derde lid van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). f. Het melden van het verdagingsbesluit aan het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van de bestuurscommissies (artikel 37, vierde lid van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). g. Het vaststellen van de hoogte van de subsidie (artikel 38 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). h. Het geheel of gedeeltelijk intrekken van een besluit tot verlening of vaststelling van subsidie (artikel 40, eerste, tweede en derde lid van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). i. Het intrekken van het besluit tot het verlenen van subsidie bij niet doorgaan van de bouwwerkzaamheden (artikel 40, vierde lid van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). j. Het in geval van verkoop van de woning geheel of gedeeltelijk terugvorderen van een reeds uitbetaalde subsidie in de vorm van bereikbaarheidstoeslag voor een koopwoning in de sociale sector (artikel 41 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). k. Het verlenen van ontheffing van de termijnen met betrekking tot start werkzaamheden en indiening gereedmelding, alsmede het aangeven van nieuwe termijnen (artikel 44 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). l. Het verlenen van geldelijke steun voor het bouwen van een sociale huurwoning, een sociale koopwoning, een huurstandplaats, een huurwoonwagen, een koopstandplaats, een koopwoonwagen, een middeldure huurwoning, een middeldure koopwoning en voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan een sociale huurwoning, aan een aangekochte woning of aan een particuliere huurwoning (artikel 46, 52, 64, 69, 73, 77, 84, 88, 96 en 103 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). m. Het intrekken van de verleende of vastgestelde subsidie indien vóór uitbetaling van de subsidie wordt geconstateerd dat er niet langer sprake is van bewoning door een rechthebbende van een sociale koopwoning, een koopwoonwagen of een middeldure koopwoning, dan wel dat eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden artikel 63, 83 en 95 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). n. Het verlenen van ontheffing van met name in de verordening genoemde indieningsbescheiden die vereist zijn bij het indienen van een aanvraag om subsidie ten behoeve van ingrijpende voorzieningen aan een aangekochte woning alsmede het verlenen van ontheffing van de termijn die t.a.v. dit soort woningen geldt voor vordering dan wel start werkzaamheden (artikel 97 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). o. Het vaststellen van aanvullende gegevens die door de aanvrager binnen één jaar na de verlening van de subsidie verstrekt moeten worden in geval van ingrijpende voorzieningen aan een aangekochte woning (artikel 98 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). p. Het verlenen van subsidie met behulp van budgetten die gebaseerd zijn op artikel 33 van het Besluit, onder het opnemen van voorwaarden in de beschikking die zoveel als mogelijk overeenkomen met de voorwaarden die zijn opgenomen in de verordening (artikel 117 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). q. Het toepassen van de hardheidsclausule (artikel 120 van de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995). F. Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek Gemandateerd aan de RVE-manager Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek: a. Het in bijzondere omstandigheden aanmerken van een bij een nieuwbouwwoning behorende parkeervoorziening als onderdeel van een nieuwbouwwoning (artikel 2, eerste lid van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). b. Het toestaan dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden, een eigenaar-bewoner opnieuw in aanmerking kan komen voor een AMH, indien aan die eigenaar-bewoner reeds eerder een AMH is verleend (artikel 2, tweede lid van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). c. Het verlenen van geldelijke steun aan een eigenaar-bewoner gedurende de looptijd van een hypothecaire lening (artikel 4 van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). d. Het akkoord gaan met een andere bescherming van de koper dan een garantiecertificaat (artikel 2, eerste lid, onder c van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). e. Het akkoord gaan met wijzigen leningvorm die geen nadeel of risico voor de gemeente inhoudt of kan inhouden (artikel 8, derde lid van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). f. Het voorzien in interpretatie, wijziging of vervanging van de bij de verordening behorende bijlage 1 (bepaling toetsinkomen), met inachtneming van het doel en de strekking van de uitgangspunten voor de bepaling van het toetsinkomen en voor zover de Nationale Hypotheek- garantie tot vervanging van haar lijst met inkomenscomponenten overgaat (artikel 9, tweede lid van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). g. Het verzoeken aan eigenaar-bewoners om levering van inlichtingen en bewijsstukken ten behoeve van controle toetsinkomen (artikel 9, derde lid van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). h. Het treffen van een regeling ter beëindiging van de geldelijke steun met de financier indien de bewoning wordt beëindigd (artikel 12, tweede lid van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). i. Het intrekken van geldelijke steun en terugvordering van een verstrekte lening indien deze op onjuiste of onvolledige gegevens is verstrekt dan wel indien er sprake is van nalatigheid inlichtingen en/of bewijsstukken te verstrekken (artikel 12, vierde lid van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). j. Het vaststellen model-aanvraagformulier (artikel 14 eerste lid van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). k. Het bepalen welke overige bescheiden nodig zijn voor de vaststelling van de geldelijke steun (artikel 16, eerste lid, onder c van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). l. Het verlenen van geldelijke steun aan een eigenaar-bewoner na hernieuwde vaststelling (artikel 16, tweede lid van de Verordening Amsterdamse Middensegment Hypotheek). G. Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht Gemandateerd aan de RVE-manager Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht: a. Het verlenen van subsidie i.v.m. verhoging erfpacht (artikel 3 van de Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht). b. Het vaststellen aanvraagformulier (artikel 8, eerste lid van de Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht). c. Het verlenen van uitstel van indiening aanvraagformulier (artikel 8, tweede lid van de Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht). d. Het opschorten van de betaling van subsidie bij redelijk vermoeden dat subsidie geheel of gedeeltelijk ten onrechte is toegekend (artikel 10, eerste lid van de Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht). e. Het herzien van de toegekende subsidie (artikel 10, tweede lid van de Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht). f. Het in voorkomende gevallen terugvorderen subsidie (artikel 10, derde lid van de Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht). g. Het stellen van nadere regels omtrent de uitvoering van de regeling, zoals ten aanzien van de aanvraagprocedure en de uitbetaling (artikel 11 van de Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht). h. Het nemen van beslissingen ter uitvoering van de Beleidsregel (artikel 5.6a van de Beleidsregel in het kader van de Subsidieregeling in verband met verhoging erfpacht). H. Verordening VROM Starterslening Amsterdam Gemandateerd aan de RVE-manager Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Verordening VROM Starterslening Amsterdam: a. Het toekennen van een VROM Starterslening (artikel 4, eerste lid van de Verordening VROM Starterslening Amsterdam). b. Het vaststellen van de hoogte van de Starterslening (artikel 4, tweede lid van de Verordening VROM Starterslening Amsterdam). c. Het toetsen of het huishouden voldoet aan de in artikel 6 opgenomen criteria (artikel 7, tweede lid van de Verordening VROM Starterslening Amsterdam). d. Het aan de aanvrager meedelen van de beslissing (artikel 7, vierde lid van de Verordening VROM Starterslening Amsterdam). e. Het geheel of gedeeltelijk intrekken van een besluit tot toekenning van een VROM Starterslening als niet voldaan is aan de bij of krachtens de verordening gestelde voorschriften of bepalingen (artikel 8, eerste lid van de Verordening VROM Starterslening Amsterdam). f. Het intrekken van een besluit tot toekenning als de koopovereenkomst wordt ontbonden (artikel 8, tweede lid van de Verordening VROM Starterslening Amsterdam). g. Het toepassen van de hardheidsclausule (artikel 10 van de Verordening VROM Starterslening Amsterdam). I. Verordening Energieleningen Amsterdam 2012 Gemandateerd aan de RVE-manager Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012: a. Het beslissen op een aanvraag voor een energielening voor het treffen van duurzaamheidsmaatregelen (artikel 4, 7, 8 en 9 van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). b. Het wijzigen van de “Duurzaam Bouwen Lijst Amsterdam” (artikel 5, eerste lid van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). c. Het beslissen over het afwijken van de isolatiewaarden genoemd onder 1 van bijlage 1 (artikel 5, tweede lid van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). d. Het vaststellen van het toepasselijke rentepercentage (artikel 14, onder a van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). e. Het beslissen over het verlengen van de onder e. en f. genoemde termijnen (artikel 14, onder g van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). f. Het beslissen over het geheel of gedeeltelijk intrekken van de toegekende energielening (artikel 16 van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). g. Het vaststellen van nadere regels voor de uitvoering (artikel 17, eerste lid van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). h. Het beslissen over het wijzigen van de in artikel 1, onder a, genoemde maximum aantal huurwoningen (artikel 17, tweede lid van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). i. Het beslissen over het wijzigen van de in artikel 2, lid 2 genoemde doelgroepen (artikel 17, derde lid van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). j. Het beslissen over het toepassen van de hardheidsclausule (artikel 18 van de Verordening Energieleningen Amsterdam 2012). J. Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 en Woningwet Gemandateerd aan de rve-directeur Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (BTIV) en de Woningwet: Het kenbaar maken van een zienswijze ten behoeve van goedkeuring of beslissing door de bevoegde minister over: Het aangaan van verbindingen (artikel 8, eerste lid aanhef en onder b, BTIV) a. Vervreemding van een woongelegenheid, een gebouw of een andere onroerende zaak, of vestiging van een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een onroerende zaak of van overdracht van de economische eigendom ervan (artikel 25, tweede lid BTIV). b. Het voornemen feitelijk werkzaam te zijn in een gemeente in de directe nabijheid van Nederland (artikel 34, eerste lid aanhef en onder c, BTIV). c. Het verzoek van twee of meer aan elkaar grenzende gemeenten in Nederland om de in een of meer van die gemeenten feitelijke werkzame toegelaten instellingen en samenwerkingsvennootschappen in al die gemeenten feitelijk werkzaam te laten zijn (artikel 35, eerste lid aanhef en onder c, BTIV). d. Het verzoek om een lager percentage te bepalen dan het percentage, genoemd in artikel 48 eerste lid van de Woningwet (artikel 60, tweede lid BTIV). e. De voorgenomen administratieve scheiding (artikel 73, eerste lid, BTIV). f. Het verzoek dat werkzaamheden als genoemd en bedoeld in het bepaalde bij en krachtens artikel 47, eerste lid, onderdelen b tot en met f, van de Woningwet ten aanzien van een toegelaten instelling of samenwerkingsvennootschape niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang (artikel 80, tweede lid, aanhef en onder b, BTIV). g. De voorgenomen juridische scheiding (artikel 84, eerste lid, BTIV). h. De voorgenomen fusie (artikel 95, eerste lid, aanhef en onder b, BTIV) i. De voorgenomen splitsing (artikel 100, tweede lid, aanhef en onder b, BTIV). j. Het projectplan voor de aanvraag van subsidie ter tegemoetkoming in de kosten van werkzaamheden (artikel 113, tweede lid, aanhef en onder b, BTIV). k. Het toelaten als instellingen, uitsluitend in het belang van volkshuisvesting werkzaam (artikel 19, tweede lid van de Woningwet). l. De voor 1 juli ingediende jaarrekening, jaarverslag en volkshuisvestingsverslag over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar (artikel 38, derde lid, Woningwet). m. Het verstrekken van een verklaring van geen bezwaar (artikel 41, eerste lid Woningwet). n. Het bezwaar van een andere gemeente tegen het feitelijk aldaar werkzaam zijn door de toegelaten instelling (artikel 41, vijfde lid van de Woningwet). p. Het geven van een aanwijzing in het belang van de volkshuisvesting (artikel 61d, vierde lid Woningwet). K. Verordening op de Woning- en kamerbemiddelingsbureaus 2013 Gemandateerd aan de rve-directeur Wonen worden de volgende bevoegdheden op grond van de Verordening op de Woning- en kamerbemiddelingsbureaus 2013: a. Het nemen van beslissingen tot handhaving van de bepalingen van de Verordening op de Woning- en kamerbemiddelingsbureaus
  46. b. Het aanwijzen van ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Verordening op de Woning- en kamerbemiddelingsbureaus
  47. L. Garantstellingen Gemandateerd aan de RVE-manager Wonen worden de volgende bevoegdheden inzake garantstellingen: a. Het nemen van beslissingen inzake het aanpassen van verstrekte garanties ten behoeve van de verkrijging van eigen woningen en woonwagens, ter uitvoering van de Regeling deelneming in garanties woninggebonden subsidies, en de daaraan voorafgaande regelingen. b. Het nemen van beslissingen inzake het verstrekken van garantstellingen ter uitvoering van de op 17 oktober 1994 gesloten Raamovereenkomst met Uitvoeringsbepalingen en de (toekomstige) aanvullingen daarop, met inachtneming van de Modelregeling gemeentegarantie voor Totaalfinancieringen van de Stichting Nationaal Restauratie Fonds. c. Het nemen van beslissingen inzake het aanpassen van leningen van niet-winstbeogende instellingen, in het belang van de volkshuisvesting werkzaam. d. Het nemen van beslissingen inzake het uitvoeren van de overdracht van gemeentelijke risico's van leningen en garanties aan toegelaten instellingen aan de Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw alsmede het verkrijgen van borgtocht ten behoeve van leningen van toegelaten instellingen. e. Het goedkeuren van te garanderen leningovereenkomsten als onder a, b en d bedoeld, alsmede het vervallen verklaren van daarmee verband houdende hypotheekakten. f. Het nemen van beslissingen in het kader van uitvoeringshandelingen met betrekking tot verstrekte leningen en garanties als onder a tot en met d bedoeld. g. Het aangaan van uitvoeringsovereenkomsten met de Stichting Nationaal Restauratie Fonds ter uitvoering van de onder b genoemde Raamovereenkomst. h. Het nemen van beslissingen tot het aanpassen of intrekken van de onder dit punt genoemde garantstellingen. M. Diversen a. Het, in het kader van de Wet geluidhinder, nemen van beslissingen inzake het (op initiatief van de gemeente) aanbesteden en uitvoeren van saneringsmaatregelen aan woningen, volgens de vastgestelde indicatieve meerjarenplanning gevelsanering verkeerslawaai
  48. b. Het beslissen omtrent het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen nodig bij het beheer van woonwagenlocaties, standplaatsen en woonwagens. c. Het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten die op grond van dit of een voorgaand mandaatbesluit danwel het algemene mandaatbesluit zijn genomen door de directeur van de RVE of diens plaatsvervanger, danwel diens rechtsvoorgangers. d. Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten tot het verlenen, weigeren of intrekken van urgentieverklaringen aan stadsvernieuwingskandidaten, genomen door de directeuren van woningcorporaties. e. Het bepalen dat de voorbereiding, inclusief het horen van belanghebbenden van de door hen te nemen besluiten op bezwaarschriften, wordt opgedragen aan één persoon en als persoon genoemd onder punt 9.5.c sub 1e aan te wijzen de (senior)juristen en juridisch medewerker, werkzaam bij de afdeling Juridische Zaken van de RVE. III. Cluster Sociaal
  49. RVE-manager Inkomen A. Subsidies en voorzieningen Gemandateerd aan de RVE-manager Inkomen wordt de bevoegdheid tot het nemen van besluiten tot het verstrekken van subsidies en voorzieningen op het gebied van armoedebeleid en van de aanpak jeugdwerkloosheid, aan in de gemeentebegroting

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.