← Nederland

NADERE REGELS SUBSIDIES GEMEENTE GRONINGEN (Groningen)

In het kort

Deze wet regelt de procedures en voorwaarden voor het aanvragen, verlenen en vaststellen van subsidies door de gemeente Groningen, met een focus op de indiening van documenten en de behandeling van aanvragen. Het doel is om duidelijkheid en uniformiteit te bieden in het subsidieproces.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

NADERE REGELS SUBSIDIES GEMEENTE GRONINGENHET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN GRONINGEN; (BD 11.2583046); Gezien het voorstel 18 april 2011; Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 3 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2011; BESLUIT: de Nadere regels subsidies gemeente Groningen vast te stellen. Wijzingen en inhoudsopgave Deel1– Algemeen Indieningsvereisten en procedureregels Artikel1Begripsbepalingen In aanvulling op de begripsbepalingen die zijn opgenomen in de ASV wordt voor de toepassing van deze nadere regels verstaan onder: Verplicht subsidiedocument: een document dat alle gegevens bevat die vereist zijn voor een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag voor subsidieverlening of subsidievaststelling en waarvan de indiening verplicht is gesteld op grond van de wet, de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen of bij beschikking tot subsidieverlening of beschikking tot subsidievaststelling. Indieningsdatum: de uiterste datum waarop een verplicht subsidie-document moet zijn ingediend. De Algemene termijnenwet is van toepassing. Tijdige indiening: een verplicht subsidiedocument is tijdig ingediend als het voor de uiterste indieningsdatum door het college is ontvangen. Bij verzending per post is een verplicht subsidiedocument tijdig ingediend als het voor de uiterste indieningsdatum ter post is bezorgd, mits het niet langer dan een week na de uiterste indieningsdatum is ontvangen. Uitstelverzoek: een verzoek om uitstel voor het indienen van een verplicht subsidiedocument. Artikel2Indieningsvereisten 1.Als een aanvraag om een jaarlijkse subsidie niet voor de uiterste indieningsdatum is ingediend, stelt het college de aanvrager eenmaal in de gelegenheid de aanvraag alsnog in te dienen. Het college stelt daarvoor een uiterste datum voor welke de aanvraag moet zijn ingediend. 2. Het college neemt te laat ingediende aanvragen om subsidieverlening niet in behandeling tenzij de aanvrager aannemelijk maakt dat sprake is van overmacht, ter beoordeling door het college. 3. Als een verplicht subsidiedocument tijdig maar onvolledig is ingediend, stelt het college de aanvrager eenmaal in de gelegenheid om dit aan te vullen. Het college stelt daarvoor een uiterste datum, voor welke de aanvulling moet zijn ingediend. De beslistermijn schort op voor de duur van de gestelde termijn. 4. Als een subsidieaanvrager niet in staat is een verplicht subsidiedocument tijdig in te dienen wegens omstandigheden die het college zijn aan te rekenen dan zal het college de indieningsdatum opschorten. De opschorting eindigt zodra de hiervoor bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen. Het college maakt de opschorting van de indieningsdatum schriftelijk aan de subsidieaanvrager of -ontvanger bekend. 5. Als de in lid 3 bedoelde uiterste termijn ongebruikt is verstreken, doet het college schriftelijk mededeling van die constatering en stelt zij de aanvrager op de hoogte van de consequenties van dit verzuim. Dit kan zijn: de aanvraag buiten behandeling stellen; subsidie ambtshalve vaststellen; het opleggen van een sanctie. 6. Indien het college besluit een sanctie op te leggen bestaat deze uit een verlaging van de subsidieverlening met 1% van de verleende subsidie tot een maximum van € 100,00 voor elke dag na die waarop het college het verzuim heeft vastgesteld tot aan de dag waarop het verzuim is opgeheven. Betreft het in lid 3 bedoelde verzuim een aanvraag om subsidievaststelling dan bestaat de sanctie uit een verlaging van de subsidievaststelling met 1% van het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld tot een maximum van € 100,00 voor elke dag na die waarop het college het verzuim heeft vastgesteld tot aan de dag waarop het verzuim is opgeheven. 7. Zodra drie maanden zijn verstreken sinds de dag waarop het college het verzuim als bedoeld in de leden 3 en 6 van dit artikel heeft vastgesteld, kan het college de subsidieverlening intrekken of ambtelijk vaststellen. Artikel3Uitstelverzoeken 1.Een aanvrager kan eenmalig een uitstelverzoek indienen voor maximaal acht weken. Dit kan schriftelijk of langs elektronische weg. 2.Het college weigert een uitstelverzoek als: dit onbevoegd is ingediend; dit later is ingediend dan 2 weken voor voor de uiterste indieningsdatum dit naar het oordeel van het college niet is voorzien van een deugdelijke motivering. 3.Het college beslist schriftelijk zo spoedig mogelijk op een uitstelverzoek doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst daarvan. Artikel4 Ontheffing tussenrapportage In afwijking van het bepaalde in artikel 6 lid 1 onder c van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 behoeven subsidieontvangers uit de volgende categorieën geen tussenrapportage in te dienen: Basissubsidie Amateur Kunst; Subsidies voor accommodaties; Subsidies voor wijkorganisaties; Subsidies lager dan € 5.000, in welk geval de subsidieverlening en -vaststelling samenvallen. Artikelsgewijze toelichtingAlgemeenMet het oog op de voortgang van het subsidieproces gelden er nadere regels rond de indiening van subsidiedocumenten. Subsidiedocumenten zijn aanvragen om subsidieverlening of subsidievaststelling, tussentijdse rapportages en eventuele andere verplicht gestelde documenten. Het gaat hier niet zozeer om aanscherping van onze huidige handelwijze maar om verduidelijking en om de codificatie van een al langere tijd gebruikelijke gedragslijn. Het doel is om verduidelijking en uniformiteit van de aanvraag- en verantwoordingsprocedure te bereiken. Artikel 1. BegripsbepalingenVerplicht subsidiedocumentEen verplicht subsidiedocument is een document dat essentieel is voor het nemen van een deugdelijk subsidiebesluit. Dat zijn een aanvraag om subsidieverlening, een tussentijdse rapportage waarvan de indiening bij verordening, nadere regel of bij beschikking verplicht is gesteld of een aanvraag om subsidievaststelling. Als aan een aanvraag om subsidieverlening een belangrijk onderdeel ontbreekt, zoals een Wnt-verklaring of een activiteitenplan, dan beschouwt het college de indiening als onvolledig. Hetzelfde geldt als aan een aanvraag om subsidievaststelling bijvoorbeeld het activiteitenverslag of de accountantsverklaring ontbreekt. Ook dan beschouwt het college dit subsidiedocument als onvolledig. De bepalingen uit artikel 2 zijn dan van toepassing. Tijdige indieningMet de hier gekozen formulering sluiten we aan bij artikel 6:9 Awb. Dit artikel heeft echter betrekking op de indiening van bezwaar- of beroepschriften. Met betrekking tot de tijdige indiening van aanvragen om subsidieverlening of -vaststelling of andere verplichte subsidiedocumenten ontbreken bepalingen in de Awb. De Algemene termijnenwet is van toepassing. Dat houdt in dat een gestelde termijn die eindigt op een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag wordt verlengd tot de eerste dag die geen zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is. Artikel 2. IndieningsvereistenHet college sluit met de formulering van dit artikel aan bij artikel 6:11 Awb. Als na de herinnering een aanvraag om subsidieverlening niet of te laat wordt ingediend, kan het college besluiten om die aanvraag niet te behandelen. Er wordt dan geen subsidie verstrekt. Analoog hieraan zal het college een subsidieaanvraag niet buiten behandeling stellen vanwege te late indiening als het college van mening is dat de aanvrager redelijkerwijs niet in verzuim is. Is een verplicht gestelde tussentijdse rapportage of een aanvraag om subsidievaststelling onvolledig ingediend, dan stelt het college de subsidieontvanger eenmaal schriftelijk in de gelegenheid de rapportage en/of de aanvraag om subsidievaststelling aan te vullen en stelt daarbij een uiterste termijn binnen welke de aanvulling in bezit moet zijn van het college. De onvolledigheid kan een document betreffen, zoals een accountants- of een Wnt-verklaring, maar het kan ook gaan om de vereiste rechtsgeldige ondertekening of een cruciaal onderdeel van de begroting of van een financieel verslag. Als de gestelde uiterste termijn ongebruikt is verstreken dan zendt het college een brief waarin het verzuim wordt geconstateerd en waarin een sanctie wordt aangekondigd. De sanctie bestaat uit een verlaging van de subsidie met 1% (tot een maximum van € 100,00) voor elke dag die de subsidieontvanger in verzuim is. Deze sanctie geldt voor elk document dat te laat wordt ingediend. Het maximum bedrag van de sanctie per te laat ingediend document bedraagt dus circa € 9.000,00 (maar uiteraard nooit meer dan het subsidiebedrag). Afhankelijk van het document kan de verlaging de subsidieverlening betreffen of (bij een aanvraag om subsidievaststelling) de subsidievaststelling. Stapeling van sancties kan aan de orde zijn, als de subsidieontvanger ten aanzien van meerdere verplichte subsidiedocumenten in verzuim is. Artikel 3. UitstelverzoekenUit de motivering van het uitstelverzoek moet blijken dat een tijdige indiening van een verplicht subsidiedocument voor de subsidieontvanger respectievelijk de subsidieaanvrager onmogelijk is en dat het college op grond van de aangevoerde reden redelijkerwijs niet tot het oordeel kan komen dat de aanvrager in verzuim is. Artikel 3 lid 3 - Beslissing op uitstelverzoekenHet college beslist binnen 14 dagen na ontvangst van een uitstelverzoek of dit wordt ingewilligd. Gebeurt dat niet op tijd dan kan de aanvrager het college met een beroep op de Wet dwangsommen bij niet tijdig beslissen in gebreke stellen. Het college heeft dan maximaal 14 dagen de gelegenheid om het besluit alsnog te nemen. Gebeurt dat niet binnen die termijn dan verbeurt het college een dwangsom overeenkomstig artikel 4:17 Awb. Als het college een uitstelverzoek weigert, handhaaft het college de geldende indieningstermijnen. Paragraaf0.3Kostprijsmethode Vervallen Paragraaf0.4Vermogensvergoeding Vervallen Deel 2– Sectoren en beleidsvelden Hoofdstuk1Werk en inkomen Paragraaf 1.1 Arbeidsmarktbeleid en maatschappelijke participatie Artikel1.1Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verstrekken ten behoeve van: activiteiten die gericht zijn op de deelname aan het arbeidsproces dan wel op het verbeteren van de positie op de arbeidsmarkt van werklozen; activiteiten die gericht zijn op het voorkomen van werkloosheid; overige activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau. Artikel1.2Bijzonder bepalingen/verplichtingen 1.Een aanvraag om subsidieverlening voor activiteiten waarop ook een beroep is of zal worden gedaan op fondsen van de Europese Unie, is tijdig ingediend indien deze aanvraag vóór 15 november in het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de activiteiten worden uitgevoerd, is ingediend. 2.Het college kan op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid een besluit nemen onder de voorwaarde van subsidieverlening door of vanwege de Europese autoriteit overeenkomstig de betreffende aanvraag. 3.Het college kan in verband met een doelmatige verdeling van het beschikbare budget aan subsidieontvangers met gelijksoortige activiteiten de verplichting opleggen dat zij functioneel samenwerken en hun activiteiten op elkaar afstemmen. Artikel1.3Aanvullende weigeringsgronden Het college kan in aanvulling op artikel 9 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 een subsidieaanvraag ook weigeren indien: de subsidieontvanger zich blijkens zijn statuten niet dan wel in onvoldoende mate inzet voor de bestrijding van de werkloosheid en/of de bevordering van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau; de activiteiten leiden tot doorkruising van andere werkgelegenheidsbevorderende activiteiten; de activiteiten leiden tot onredelijke concurrentie jegens derden; de activiteiten niet arbeidsmarktrelevant zijn. Artikel 1.4 Subsidieplafond en verdelingsregels 1. Voor elk kalenderjaar is voor het subsidiëren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1:2 het bedrag beschikbaar zoals dat in de begroting voor het betreffende kalenderjaar is vastgesteld. 2. Wanneer voor enig kalenderjaar het totaalbedrag van de aanvragen het bedrag als bedoeld in het eerste lid overschrijdt, worden de aanvragen toegekend op basis van de volgorde van binnenkomst bij het college. Toelichting bij hoofdstuk 1 Nadere regels subsidies gemeente GroningenParagraaf 1.1 Arbeidsmarktbeleid en maatschappelijke participatieArtikel 1:1 Subsidiabele activiteitenHet gaat in dit artikel hoofdzakelijk om activiteiten die duidelijk ten doel hebben de kansen van langdurig werklozen op de reguliere arbeidsmarkt te vergroten. Het kan hierbij gaan om werk-/leerprojecten maar ook om scholingstrajecten op allerlei niveaus. Uitgangspunt moet zijn dat er uiteindelijk voor de betrokken deelnemers aan de projecten betere kansen ontstaan op de reguliere arbeidsmarkt. Hiernaast kan het gaan om projecten die in het kader van arbeidsinschakeling een bijdrage leveren aan het vergroten van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau. Artikel 1:2 Bijzondere bepalingen/verplichtingenIn het eerste en tweede lid gaat het in de praktijk om een beroep op het Europees Sociaal Fonds. De gemeente fungeert hierbij als doorgeefluik. De Europese regeling stelt hier als voorwaarde voor de verstrekking van een subsidie dat de gemeente ofwel het te subsidiëren project zelf uitvoert ofwel zich garant stelt voor de goede uitvoering van het te subsidiëren project. Artikel 1:3 Aanvullende weigeringsgrondenHet onder a gestelde heeft ten doel te voorkomen dat puur commerciële activiteiten worden gesubsidieerd. Onder b tot en met d worden in dit artikel situaties genoemd waarin subsidieverstrekking overbodig dan wel strijdig is met de doelstelling van werkloosheidsbestrijding. Om aanvragen hierop te kunnen beoordelen zal, indien nodig, extern nader advies worden ingewonnen. Gedacht kan worden aan het UWV voor wat betreft de arbeidsmarktrelevantie en bedrijfsorganisaties (voor de verschillende bedrijfstakken) als het gaat om het aspect van oneerlijke concurrentie. Paragraaf 1.2Armoedebeleid Onderstaande Nadere regel is gebaseerd op de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 (ASV). Artikel1.5Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen aan instellingen die in belangrijke mate en effectief, daar waar nodig op een innoverende wijze, een bijdrage leveren aan het doorbreken van de armoede-overdracht van ouder op kind. Daarnaast kan subsidie worden verleend voor activiteiten die eraan bijdragen dat een bredere doelgroep met een laag inkomen kan meedoen in de samenleving, een betere kwaliteit van leven kan hebben en/of stappen kan zetten naar het voorkomen of oplossen van (dreigende) armoede. Ook kunnen te subsidiëren initiatieven bijdragen aan een betere herkenning van armoede in de samenleving of het doorbreken van het taboe erop. Artikel1:6 Doelgroep Personen met een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm en/of die in traject zijn bij of gebruik maken van de schuldhulpverlening van de Groningse Kredietbank (GKB), te weten: gezinnen met kinderen tot 18 jaar jongvolwassenen tot en met 23 jaar volwassenen zonder kinderen vanaf 24 jaar Artikel1:7 Subsidie per activiteit De subsidie voor de onder 1. genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel1:8 Bijzondere bepalingen/verplichtingen Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten zijn de volgende bepalingen van toepassing: plannen voor activiteiten worden altijd samen met ervaringsdeskundigen gemaakt. Daar waar het gaat om activiteiten voor kinderen worden kinderen én hun ouders betrokken. waar mogelijk is sprake van samenwerking/ coalitievorming/verbinding met andere (maatschappelijke) partijen plaats te vinden, zodat in gezamenlijkheid een groter resultaat bereikt wordt; de activiteiten worden regelmatig geëvalueerd met mensen uit de doelgroep. Daar waar het gaat om activiteiten voor kinderen worden kinderen én hun ouders betrokken. de activiteiten verantwoord zijn in het licht van de benodigde investering (menskracht en geld). Het project/programma, initiatief of de te subsidiëren aanpak is of draagt zoveel mogelijk bij aan: inzet vanuit de samenleving voor mensen in armoede. een totaal aan activiteiten en voorzieningen die elkaar aanvullen, versterken en/of versnellen. herkenning van armoede binnen de samenleving en de verbinding naar ‘een volgende stap’. laagdrempeligheid en toegankelijkheid door de wijze van bejegening, een zo eenvoudig mogelijke inrichting en het niet botsen met andere projecten of regels. mensgerichtheid en ruimte voor maatwerk. het daadwerkelijk verzachten of wegnemen van barrières zodat de persoon de regie op het leven kan versterken of terugkrijgen. ondersteuning of aandacht die zolang duurt als de persoon dit nodig heeft zodat de persoon niet terugvalt. Artikel1:9 Beoordeling aanvragen Bij de beoordeling van een subsidieaanvraag weegt het college, indachtig de volgorde bepaling van de doelgroep, de onder a. tot en met k. genoemde onderdelen afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang beschouwd en de mate waarin de verschillende aanvragen invulling geven aan bedoelde activiteiten en geeft uitsluitsel daarover, die kan luiden: Komt in aanmerking voor subsidieverlening. Komt eerst niet aanmerking voor subsidie, wordt in gelegenheid gesteld om aanvraag aan te vullen. Komt niet in aanmerking voor subsidie omdat door andere aanbieders voldoende wordt voorzien in de geboden activiteiten. Voldoet niet of onvoldoende aan de gestelde voorwaarden, komt niet in aanmerking voor subsidieverlening. Het college kan op grond van individuele en bijzondere omstandigheden hiervan afwijken. Artikel1.10Weigeringsgronden Het college weigert een aanvraag als de voorgenomen activiteit(

  1. en)van de aanvragende instelling niet toegankelijk is voor de gehele doelgroep; het gaat om leer-werktrajecten; het gaat om re-integratietrajecten; de activiteiten voor volwassenen niet kortdurend zijn. Aanvragen die niet tijdig zijn binnengekomen volgens de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen (ASV) worden geweigerd. Artikel1.11Subsidieplafond en verdelingsregels Voor de subsidiabele activiteiten in het kader van armoedebeleid wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld. Ingeval de toegelaten instellingen (die aan de voorwaarden voldoen) gezamenlijk meer subsidie aanvragen dan er aan budget beschikbaar is, wordt de subsidie toebedeeld naar rato van het bedrag van de subsidieaanvraag. Hoofdstuk2Economie en werkgelegenheid (BSD) Paragraaf 2.1 Bijzondere leerstoel van de Studie van de Economie van de lagere overheden Artikel2:1 Relevant arrangement Op deze paragraaf is de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing. Artikel2:2 Subsidiabele activiteiten Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten van het in stand houden van een bijzondere leerstoel Studie van de Economie van de Lagere Overheden aan de Rijksuniversiteit Groningen ten behoeve van onderwijs en het entameren, organiseren en coördineren van wetenschappelijk onderzoek naar de ontvangsten en uitgaven van lagere overheden en de besluitvorming daarover. Artikel2:3 Subsidie per activiteit Voor de in artikel 2:2 genoemde activiteit bedraagt de subsidie een door het college vast te stellen vast bedrag. Hoofdstuk3Jeugd en onderwijs Paragraaf 3.1 Voorschoolse educatie Artikel 3:1Begripsbepalingen 1. Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen: De wettelijke en door gemeente Groningen beschreven bovenwettelijke gemeentelijke eisen VVE, onderdeel van het beleidsplan Voor alle jonge kinderen gelijke kansen. 2. Voorschoolse educatie: Maatregelen en programma’s gericht op het spelenderwijs stimuleren van de brede (taal-) ontwikkeling van jonge kinderen (2 tot 4 jaar) met als doel de startcondities van kinderen te verbeteren bij hun entree op de basisschool Voorschoolse educatie wordt altijd aangeboden in een groep met enkel kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar. 3. VVE programma: Een erkend programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 6 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut. Dit programma wordt uitgevoerd volgens de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in: - de Wet IKK – Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang; - de Wet OKE – Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie; - het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en - de bovenwettelijke gemeentelijke eisen VVE, opgenomen in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen. Aan een VVE programma is een ouderprogramma gekoppeld. 4. VVE geïndiceerde kinderen: Kinderen vanaf 2,5 jaar die door het consultatiebureau geïndiceerd zijn voor VVE (VVE geïndiceerde peuter). 5. VVE geregistreerd kindercentrum: Een kindercentrum dat is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang en dus voldoet aan de eisen die voor een dergelijke opneming gelden, en ook geregisterd staat als VVE locatie en daarmee minimaal aan de geldende wettelijke VVE eisen voldoet. 6. VVE Vervolgaanvraag: Een subsidieaanvraag voor peuters die het tweede jaar van een VVE programma volgen. 7. Rijksnormtarief: Het normuurtarief dat het rijk hanteert voor de toekenning van de toeslag kinderopvang. 8. Basistarief: de kostprijs voor uitvoering van de wettelijke eisen voor de kinderopvang, toegespitst op peuters van 2 tot 4 jaar. 9. Kwaliteitsontwikkeling: De verdere ontwikkeling van een instelling die al voldoet aan de wettelijke VVE eisen en geregistreerd is als VVE locatie, om te voldoen aan de Groningse kwaliteitsnormen, zoals omschreven in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen. 10. Ouderbijdrage: De eigen inkomensafhankelijke bijdrage die ouders/verzorgers aan de voorschoolse instellingen betalen. Deze bijdrage is gebaseerd op het aantal uren voorschoolse educatie dat wordt afgenomen en wordt berekend aan de hand van de rijksnorm en de kinderopvangtoeslag tabel die door het rijk is vastgesteld voor het betreffende jaar. 11. Kinderopvang toeslag tabel: Jaarlijks door het rijk vastgestelde tabel op basis waarvan aan de hand van het (gezamenlijk) toetsingskinkomen wordt berekend welk percentage van de uren dat wordt afgenomen vergoed wordt. Uitgaande van het Rijksnormtarief per uur. 12. Horizontale peutergroep: In een horizontale groep zitten kinderen van dezelfde leeftijdscategorie, in dit geval kinderen (peuters) van 2 tot 4 jaar. 13. VVE Thuisprogramma: Een programma voor ouders met kinderen van 3 tot 6 jaar die deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie. De activiteiten van VVE Thuis sluiten aan bij vve-programma's zoals Kaleidoscoop en Piramide. 14. KOT-peuter: Kind van ouders die een beroep kunnen doen op de kinderopvangtoeslagregeling conform de Wet kinderopvang (WKO). 15. Niet-KOT-peuter: Kind van ouders die geen beroep kunnen doen op de kinderopvangtoeslagregeling conform de WKO. 16. Standalone locatie: Een locatie waar peuters alleen gebruik kunnen maken van korte opvangmomenten (minimaal 4 uur tot maximaal 6 uur) gedurende de schoolweken gelijk aan de regeling van de gemeente Groningen. 17. Integrale locatie: Een dagopvanglocatie waar de peuters gebruik maken van een dag(deel)vullend opvangmoment in een horizontale setting van 2 tot 4 jarigen en waar peuters kunnen instromen in een kort opvangmoment gelijk aan het maximaal aantal uur per moment in deze subsidieregeling. Artikel 3:2Subsidiabele activiteiten 1. Het college kan aan de houder van een VVE geregistreerd kindercentrum subsidie verlenen voor de uitvoering van voorschoolse educatie. 2. Het college kan aan de houder van een VVE geregistreerd kindercentrum subsidie verlenen voor kwaliteitsontwikkeling op het gebied van bovenwettelijke kwaliteitseisen, op de volgende gebieden: Professionalisering: gedifferentieerd opbrengstgericht werken; VVE coaching (HBO); doorgaande lijn basisonderwijs; ouderprogramma VVE Thuis (NJI); vroegsignalering (zorg en ondersteuning); nt2 programma’s. materiaalkosten voor de uitvoering van het ouderprogramma. Artikel 3:3Subsidie per activiteit 1. De subsidie voor voorschoolse educatie bestaat uit een bijdrage per uur per geplaatst kind. Er zijn twee verschillende tarieven, één voor een standalone locatie en één voor een integrale locatie (zie bijlage 1.). 2. De bijdrage per niet-KOT-peuter bestaat uit twee componenten: een aanvulling op de inkomensafhankelijke ouderbijdrage tot de het door de gemeente vastgestelde basistarief (zie tabel tariefsopbouw, bijlage 1.); een door het college vastgestelde opslag per uur voor de door de gemeente Groningen gehanteerde kwaliteitseisen bovenop de wettelijke minimumeisen voor de uitvoering van VVE. 3. Voor niet- KOT-peuters met een VVE indicatie die minimaal 16 uur opvang afnemen geldt dat (maximaal) twee dagdelen van 4 uur volledig wordt gesubsidieerd door de gemeente Groningen. Er is voor deze uren geen ouderbijdrage noodzakelijk. 4. De bijdrage per KOT-peuter bestaat uit een door het college vastgestelde opslag per uur voor de door de gemeente Groningen gehanteerde kwaliteitseisen bovenop de wettelijke minimumeisen voor de uitvoering van VVE. 5. Voor KOT-peuters met een VVE indicatie die minimaal 16 uur opvang afnemen geldt dat (maximaal) twee dagdelen van 4 uur volledig wordt gesubsidieerd door de gemeente Groningen. Voor deze uren mag er geen kinderopvangtoeslag worden aangevraagd bij het Rijk. 6. De subsidie voor de houder van een VVE geregistreerd kindercentrum die nog niet aan de bovenwettelijke eisen zoals beschreven in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen voldoet, maar daar wel aan werkt, bedraagt maximaal 6.000 euro per locatie. Artikel 3:4Bijzondere bepalingen en verplichtingen 1. In aanvulling op artikel 7 en 8 respectievelijk 13 en 14 van de Algemene subsidieverordening moet de aanvraag om subsidieverlening voor voorschoolse educatie zijn voorzien van: een opgave van het aantal kinderen en VVE geïndiceerde kinderen voor wie de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd met daarbij duidelijk vermeld het aantal VVE vervolgaanvragen; een beschrijving en invulling van een effectief bewezen voorschoolse educatie programma, dat is opgenomen in de databank van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI). een SMART beschreven plan voor kwaliteitsontwikkeling. 2. De ontvanger van een subsidie voor voorschoolse educatie: voldoet aan de wettelijke VVE eisen; voldoet of zal binnen een overeengekomen termijn voldoen aan het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen. 3. voorschoolse educatie wordt uitgevoerd: gedurende 8, 12 of 16 uur per week, afname te bepalen door de ouders; indien 8 uur, verspreid over 2 dagdelen en 2 dagen per week, indien 12 of 16 uur, verspreid over 3 of 4 dagdelen en 3 dagen per week; gedurende 40 weken per jaar. 4. indien de voorschoolse educatie wordt uitgevoerd ten behoeve van VVE geïndiceerde kinderen: gedurende 16 uur per week; verspreid over 3 of 4 dagdelen en 3 dagen per week; gedurende 40 weken per jaar. 5. De instelling levert gegevens voor de VVE toeleidingsmonitor van Jeugdgezondheidszorg GGD Groningen en voor de gemeentelijke VVE monitor. 6. In aanvulling op artikel 8 respectievelijk artikel 14 van de verordening moet het activiteitenplan zijn voorzien van informatie over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichtingen in lid 1 tot en met 5 van dit artikel. 7. De ontvanger van een subsidie voor kwaliteitsontwikkeling besteedt de subsidie aan het opleiden van personeel teneinde te gaan voldoen aan het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen. Kosten voor personele vervanging zijn niet subsidiabel. Artikel 3:5Rapportage verplichtingen 1. In aanvulling op artikel 12 respectievelijk artikel 17 van de verordening legt de subsidieontvanger verantwoording af over: het aantal (doelgroep) kinderen, onderscheiden naar de groepen genoemd volgens artikel 3:5 1 t/m 6; het aantal bezette dagdelen en/of uren per kind; de wijze waarop invulling is gegeven aan de verplichtingen in artikel 3:6; het navolgen van de eisen in het Programma van eisen. 2. In aanvulling op artikel 12 respectievelijk artikel 17 van de verordening legt de subsidieontvanger behalve bij de aanvraag tot subsidievaststelling ook elk kwartaal verantwoording af over lid 1 onder a. 3. Als onderdeel van de rapportage overlegt de instelling jaarlijks een evaluatie van de uitgevoerde VVE activiteiten. Artikel3:6Weigeringsgronden 1. Het college weigert subsidie indien: De instelling geen geregistreerde VVE locatie heeft. Er niet gewerkt wordt met horizontale peutergroepen. 2. Het college kan subsidie weigeren indien er niet binnen de overeengekomen termijn wordt voldaan aan de Groningse kwaliteitseisen. Artikel 3:7 Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor voorschoolse educatie zijn de subsidieplafonds gelijk aan de daarvoor in de gemeentebegroting opgenomen bedragen. 2.VVE Vervolgaanvragen gaan voor op andere subsidieaanvragen voor voorschoolse educatie. 3. Subsidieaanvragen voor voorschoolse educatie gaan voor op subsidieaanvragen voor kwaliteitsontwikkeling. 4. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan de subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over nadien ontvangen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. 5. Als na toekenning van de subsidies voor voorschoolse educatie nog middelen resteren, worden de subsidieaanvragen voor kwaliteitsontwikkeling in behandeling genomen. 6. Als het totaal van de subsidieaanvragen voor kwaliteitsontwikkeling hoger is dan de subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt: nieuwe aanvragen hebben voorrang boven vervolgaanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over vervolgaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 3.3 Jongerenwerk Artikel 3:8Begripsbepalingen Artikel 3:8 Begripsbepalingen Artikel3:9 Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan subsidie verlenen voor sociaal-culturele activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: ontmoeting/recreatie; vorming/educatie; cultuur/creativiteit; dienstverlening/voorlichting; belangenbehartiging/activering; opvang; afstemming/coördinatie; signalering; sport; begeleiding; preventie, mits deze activiteiten zijn gericht op jeugdigen in de leeftijd van 12 tot en met 23 jaar. 2.Het college kan subsidie verlenen voor huiskamerprojecten en tieneropvangprojecten. 3.Vervallen. 4.Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: afstemming/coördinatie; informatie en advisering; dienstverlening; consultatie; crisisinterventie; begeleiding; hulpverlening; preventie; signalering. 5.Het college kan aan besturen van jongerencentra subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: ontmoeting/recreatie; vorming/educatie; cultuur/creativiteit - in afwijking op artikel 1 van deze paragraaf wordt hieronder verstaan het bieden van ondersteuning aan jongeren in de leeftijd tot 20 jaar die interesse hebben in doelgerichte activiteiten op technisch en creatief gebied met het doel hun ontwikkeling naar zelfstandigheid te bevorderen; dienstverlening/voorlichting; belangenbehartiging/activering; mits deze activiteiten zijn gericht op jeugdigen in de leeftijd tot en met 23 jaar. Artikel3:10 Subsidie per activiteit De subsidie voor de in artikel 3:9 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel3:11 Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Met betrekking tot de eerste 3 leden van artikel 3:9 zijn de volgende bepalingen van toepassing: Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de deelname aan de activiteiten; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd; de subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting wordt ingevuld. 2.Met betrekking tot het vierde lid van artikel 3:9 zijn de volgende bepalingen van toepassing: Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: gegevens over spreiding, frequentie en duur van de activiteiten; een beschrijving van de activiteiten per doelgroep afzonderlijk; de subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting wordt ingevuld. 3.Met betrekking tot het vijfde lid van artikel 3:9 zijn de volgende bepalingen van toepassing: Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: gegevens over frequentie en duur van de activiteiten; gegevens over de verwachte in- en uitstroom van deelnemers aan de activiteiten; de subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting wordt ingevuld. Artikel3:12 Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor de in artikel 3:9 genoemde activiteiten zijn de subsidieplafonds gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan de subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over nadien ontvangen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 3.4Opstap, opstapje, instapje (vervallen zijn de artikelen 3:13 tot en met 3:17).f [Klik hier om het document te downloaden] Paragraaf 3.5 Cultuureducatie (vervallen zijn de artikelen 3:18 tot en met 3:23). [Klik hier om het document te downloaden] Paragraaf 3.6Materiële financiële gelijkstelling onderwijs (vervallen zijn de artikelen 3:24 tot en met 3:29) [Klik hier om het document te downloaden] Paragraaf 3.7Kinderactiviteiten Artikel 3:30Begripsbepaling Artikel 3:30 Begripsbepaling Artikel 3:31Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor kinderactiviteiten ter uitvoering van onderstaande functies: het ontwikkelen van talenten op de talentgebieden sport en beweging, kunst en cultuur en wetenschap, natuur en techniek; het ontwikkelen van basisvaardigheden als taal-, reken- en communicatievaardigheden en sociale vaardigheden. Artikel 3:32Subsidie per activiteit De subsidie voor de in artikel 3:31 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel 3:33Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Met betrekking tot de inhoud van de kinderactiviteiten zijn de volgende verplichtingen van toepassing: de activiteiten worden uitgevoerd in de NLA wijken; de activiteiten vinden zowel gedurende het schooljaar als tijdens de schoolvakanties plaats; de kinderactiviteiten worden op wijkniveau georganiseerd door de inzet van minimaal één jeugdbuurtwerker; de kinderactiviteiten moeten zich richten op het bereiken van doelgroepkinderen; de kinderactiviteiten zijn gratis voor doelgroepkinderen. 2.Met betrekking tot de subsidieaanvraag zijn de volgende bepalingen van toepassing. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van: werkplannen op wijkniveau die opgesteld zijn in overleg met betrokken partijen in de wijk (in ieder geval de afdeling Wijkzaken van de dienst OCSW, het CJG en de scholen). Deze werkplannen bevatten gegevens over ureninzet jeugdbuurtwerker en kinderwerker, inzet activiteitenbudget (incl. budget vakantieactiviteiten), samenwerking, deelname aan overleggen, inhoudelijke afstemming van het activiteitenaanbod op de specifieke vraag vanuit de wijk, de locaties waar de activiteiten georganiseerd worden, inzet van vrijwilligers en stagiaires; een inschatting van het aantal (doelgroep)kinderen dat zal worden bereikt. Artikel 3:34Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor de in artikel 3:31 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:31 en 3:3.3 Toelichting Toelichting Paragraaf 3.8Wetenschap & techniek Artikel 3:35Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: Artikel 3:35 Begripsbepaling Artikel 3:36Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten wetenschap & techniek in het kader van de volgende functie: het ontdekken en ontwikkelen van talenten op het gebied van wetenschap & techniek. Artikel 3:37Subsidie per activiteit De subsidie voor de in artikel 3:36 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel 3:38Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten wetenschap & techniek zijn de volgende verplichtingen van toepassing: de activiteiten zijn zowel stedelijk als ook wijkgericht; de activiteiten vinden buiten schooltijd plaats. 2.Met betrekking tot de subsidieaanvraag zijn de volgende bepalingen van toepassing: de subsidieaanvraag moet zijn voorzien van een activiteitenaanbod, onderscheiden in: - laagdrempelige inloopactiviteiten, cursorische activiteiten, evenementen en projecten; - naar stedelijke en wijkgerichte activiteiten. een inschatting van het aantal te bereiken kinderen/jongeren per onderscheiden activiteit; een plan van aanpak voor samenwerking met andere relevante partijen; een plan van aanpak voor het realiseren van cofinanciering vanuit het rijk, de provincie, het bedrijfsleven, fondsen, eigen inkomsten e.d.; een plan van aanpak voor scholing voor vrijwilligers. Artikel 3:39Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor de in artikel 3:36 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:36 en 3:38. Toelichting Toelichting Paragraaf 3.9Sport- en spelcontainers Artikel 3:40Begripsbepaling Artikel 3:40 Begripsbepaling Artikel 3:41Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor sport- en spelcontainers ter uitvoering van onderstaande functies: het creëren van veilige en uitdagende speel- en sportplekken in de stad waar kinderen, met name kinderen die niet bereikt worden met andere vrijetijds activiteiten en/of zorgaanbod, veilig met elkaar kunnen spelen en sporten; het contact leggen met en doorverwijzen van kinderen naar andere vrijetijds activiteiten in de wijk en/of naar zorgaanbod. Artikel 3:42Subsidie per activiteit De subsidie voor de in artikel 3:41 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Artikel 3:43Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Met betrekking tot de inhoud van de sport- en spelcontainers zijn de volgende verplichtingen van toepassing: de sport- en spelcontainers worden ingezet in wijken waar relatief veel doelgroepkinderen wonen; een beheerder en additioneel beheerder houden toezicht bij de sport- en spelcontainer; de inzet van de sport- en spelcontainer vindt plaats buiten de schoolvakanties; bij winterse weersomstandigheden worden er indien nodig binnenactiviteiten geboden de sport- en spelcontainer is minimaal op twee dagen per week open; de openingstijden zijn afgestemd op de overige activiteiten in de wijk; de sport- en spelcontainer moet zich richten op het bereiken van doelgroepkinderen; deelname is gratis; er wordt gerapporteerd over het aantal bereikte (doelgroep)kinderen. 2.Met betrekking tot de subsidieaanvraag zijn de volgende bepalingen van toepassing. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van: een overzicht van de wijken waar de sport- en spelcontainers ingezet worden; de locatie van de sport- en spelcontainers; de openingstijden van de sport- en spelcontainers; de ureninzet van de (additioneel) beheerder. Artikel 3:44Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor de in artikel 3:41 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:41 en 3:4.3 Toelichting Toelichting Paragraaf 3.10Schakelgroepen jonge kinderen Artikel 3:45Begripsbepaling Artikel 3:45 Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: a. schakelgroepen jonge kinderen i. in een schakelgroep wordt intensieve en uitgebreide taalstimulering aangeboden, uitgevoerd door een extra leerkracht (VVE gekwalificeerd) en gekoppeld aan een breed erkend VVE programma dat tevens wordt uitgevoerd in de reguliere groep; ii. een schakelgroep kan binnen of buiten de reguliere groep worden vormgegeven; b. doelgroepkinderen kinderen in de groepen 1 tot en met 3 waarvan de ouders een laag opleidingsniveau hebben conform de gewichtenregeling of kinderen die opgroeien in een niet stimulerende taalrijke thuisomgeving; c. VVE programma een erkend voorschools programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 7 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. d. ouderprogramma programma bedoeld om ouders te ondersteunen bij de ontwikkelingsstimulering van hun kind. Dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut. Artikel 3:46Subsidiabele activiteiten Het college kan aan een schoolbestuur subsidie verlenen voor het organiseren van schakelgroepen met als doel achterstanden op basisvaardigheden zoals taal en rekenen te voorkomen en de leerwinst van doelgroepkinderen die hebben deelgenomen aan een schakelgroep te verhogen. Artikel 3:47Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1. Met betrekking tot de inhoud van de schakelgroepen jonge kinderen zijn de volgende verplichtingen van toepassing: leerlingen in de schakelgroep ontvangen de extra taalstimulering tenminste 10 uur per week en gedurende een schooljaar; het gemiddelde aantal leerlingen in een schakelgroep is 10, met een minimum van 8 en een maximum van 12 per groep; deelnemende scholen registreren ten behoeve van de lokale VVE Monitor. 2. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van: een indicatie van het aantal doelgroepkinderen; het aantal schakelgroepen. Artikel 3:48Subsidieplafond en verdelingsregels 1. Voor de in artikel 3:46 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:46 en 3:48. Toelichting De VVE groepen/schakelgroepen voldoen aan de kwaliteitseisen voor VVE die de onderwijsinspectie heeft gesteld. Instellingen die subsidie ontvangen werken aan de punten die uit de VVE bestandsopname als verbeterpunten naar voren zijn gekomen. In de Bestuursafspraken G4/G33-Rijk Effectief benutten van vve en extra leertijd voor jonge kinderen zijn hierover aanvullende afspraken gemaakt. Artikel 3:45 onder bDe indicatie vindt in de voorschoolse leeftijd plaats via het consultatiebureau. Het gaat hierbij om kinderen in de groepen 1 tot en met 3 van wie de ouders een laag opleidingsniveau hebben, conform de gewichtenregeling of kinderen die opgroeien in een niet stimulerende taalrijke thuisomgeving. Artikel 3:45 onder cDit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut. Artikel 3:46Een schakelgroep bestaat uit gemiddeld 10kinderen met een minimum van 8 en een maximum van 12. Voor een lager aantal kinderen wordt een lager bedrag gesubsidieerd. Voor een hoger aantal kinderen geldt het maximaal aan te vragen bedrag. Artikel 3:47De schakelgroepen worden zoveel mogelijk uitgevoerd in aansluiting op en in doorgaande lijn met een voorschoolse VVE programma. Toelichting Paragraaf 3.11Schakelgroepen nieuwkomers Artikel 3:50Begripsbepaling Artikel 3:50 Begripsbepaling Artikel 3:51Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor het tot stand brengen van twee schakelgroepen op twee locaties (inclusief de coördinatie hiervan) en het lesgeven van de Nederlandse taal aan doelgroepkinderen met als doel door te stromen in het reguliere onderwijs. Artikel 3:52Subsidie per activiteit De subsidie voor de in artikel 3:51 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 50% van de noodzakelijke kosten. Artikel 3:53Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Met betrekking tot de inhoud van de schakelgroepen nieuwkomers zijn de volgende verplichtingen van toepassing: het programma voor de schakelgroepen voor nieuwkomers sluit zodanig aan op het regulier onderwijsprogramma dat doelgroepkinderen kunnen doorstromen; nieuwkomers nemen maximaal 1,5 jaar deel aan een schakelgroep voor nieuwkomers en stromen vervolgens door naar een reguliere (buurt) school; deelnemende scholen registreren het aantal kinderen dat heeft deelgenomen aan de schakelgroep en doorstroomt in het reguliere basisonderwijs. 2.De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van: de schoolbesturen maken in de aanvraag om subsidie het deel dat zij zelf bijdragen zichtbaar; een indicatie van het aantal doelgroepkinderen; het aantal schakelgroepen. Artikel 3:54Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor de in artikel 3:51 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:51 en 3:53. Paragraaf 3.12Rebound (vervallen zijn de artikelen 3:55 tot en met 3:59) Paragraaf 3.13Jeugdhulp Artikel 3:60Begripsbepalingen In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: Collectieve jeugdhulp in het onderwijs: collectief aangeboden ondersteuning op school gericht op leerlingen met ondersteunings- en zorgvragen, zodat zij in staat worden gesteld om optimaal gebruik te maken van het hen geboden onderwijs, en zo ondersteund worden dat zij zich optimaal kunnen ontwikkelen binnen hun eigen mogelijkheden. Deze ondersteuning is toegankelijk zonder zorgtoewijzing. Artikel 3:61Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor collectieve jeugdhulp in het onderwijs. Artikel 3:62Bijzondere bepalingen en verplichtingen Met betrekking tot de in houd van de collectieve jeugdhulp in het onderwijs zijn de volgende aanvullende bepalingen van toepassing: collectieve jeugdhulp in het onderwijs vindt plaats in het kader van de Jeugdwet en de Wet passend onderwijs en is aanvullend op (collectieve) ondersteuning die het onderwijs zelf biedt in het kader van Passend onderwijs; collectieve jeugdhulp in het onderwijs vervangt (een deel van) de individuele jeugdhulp in school waarvoor individuele leerlingen in het kader van de Jeugdwet en op basis van een individuele zorgtoewijzing voor in aanmerking zouden komen; de inzet van collectieve jeugdhulp in het onderwijs vindt altijd plaats in overleg met de gemeente Groningen; de hulp voldoet tenminste aan de kwaliteitseisen van de Jeugdwet en de AVG; de meldcode kindermishandeling wordt gehanteerd; de onderwijsinstelling en de jeugdhulpaanbieder zijn aangesloten bij de verwijsindex Zorg voor Jeugd Groningen. Artikel 3:63Subsidieplafond en verdelingsregels 1. Voor de in artikel 3.61 genoemde activiteiten wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld. 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond, is de werkwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld op basis van welke subsidieaanvragen het beste voldoen aan artikel 3.61 en 3.62. Paragraaf 3.14Ondersteuning Schoolbibliotheek (vervallen) Paragraaf 3.15Leerlingbegeleiding (vervallen) Paragraaf 3.16School Maatschappelijk Werk Artikel 3:73Begripsbepaling Artikel 3:73 Begripsbepaling Artikel 3:74Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor: gesprekken met leerlingen; gesprekken met ouders/verzorgers van leerlingen; deelname aan overleggen van de school en advies aan docenten. Artikel 3:75Subsidie per activiteit De subsidie voor de in art. 3.74 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100 % van de noodzakelijke kosten. Artikel 3:76Bijzondere bepalingen/ verplichtingen Met betrekking tot de in artikel 3:74 genoemde activiteiten zijn de volgende verplichtingen van toepassing: de Schoolmaatschappelijk werker voert gemiddeld vijf gesprekken met leerlingen en een gesprek met ouder/verzorgers van leerlingen; de Schoolmaatschappelijk werker verwijst bij complexe en of specialistische problematiek door naar het CJG, jeugdhulpverlening of een andere discipline. Artikel 3:77Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor de in art. 3.74 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het in de begroting hiervoor opgenomen bedrag; 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond is de verdeling als volgt: Op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven vervolgaanvragen; Als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen verdeeld. Paragraaf 3.17Vensterscholen Artikel 3:78Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: Vensterschool : Een in de gemeente Groningen gevestigde school, die werkt volgens het ambitiedocument nieuwe impuls vensterscholen, zoals vastgesteld door het college op 11 juli 2013. Stuurgroep : Bestuurders van onderwijs en kinderopvang die het ambitiedocument nieuwe impuls vensterscholen hebben ondertekend, tezamen met de wethouder Onderwijs en de lector integraal jeugdbeleid. Schoolbestuur : Het bestuur/bevoegd gezag van een Vensterschool. Cofinanciering : Het bedrag, dan wel de op geld te waarderen uren, die een Schoolbestuur aan een activiteit besteedt, wordt in de vorm van subsidie door de gemeente bijgedragen als cofinanciering. Artikel 3:79Relevante procedure 1.In afwijking van artikel 3.1 is voor subsidieaanvragen in het kader van deze paragraaf altijd de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing. 2.Daarbij wordt uitgegaan van twee indieningsmomenten, namelijk 1 mei en 1 oktober voorafgaand aan het eerstvolgende kalenderjaar 3.Subsidie kan uitsluitend aangevraagd worden door Schoolbesturen. Artikel 3:80Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan subsidie verlenen als cofinanciering van activiteiten (inclusief materiaalkosten) van Vensterscholen en Schoolbesturen voor de onderwerpen Uitvoering, Coördinatie en Innovatie. 2.Om in aanmerking te komen voor subsidie, dient de door het Schoolbestuur ingebrachte financiering voor ten minste eenzelfde bedrag aangetoond te worden. Artikel 3:81Subsidie per activiteit 1.De subsidie voor de in artikel 3:80 genoemde activiteiten bedraagt per activiteit maximaal 100% van de door de Vensterschool of het Schoolbestuur ingebrachte financiering. 2.Naast het in lid 1 genoemde maximum subsidie gelden bovendien de volgende maximale subsidies: Voor het onderwerp Uitvoering geldt een maximale subsidie van € 20.000 per Vensterschool gedurende twee jaar. Voor het onderwerp Coördinatie geldt een maximale subsidie van € 7.500 per Vensterschool gedurende twee jaar. Voor het onderwerp Innovatie geldt een maximale subsidie van € 37.500 per Vensterschool gedurende twee jaar. 3.Voor de in lid 2 bedoelde onderdelen geldt dat bij een aanvraag waar meerdere scholen bij betrokken zijn, het college na advies van de Stuurgroep kan besluiten van deze maximale subsidies af te wijken. Artikel 3:82Bijzondere bepalingen/ verplichtingen Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten zijn de volgende verplichtingen van toepassing: De activiteiten voldoen aan het ambitiedocument nieuwe impuls vensterscholen; Vensterscholen dienen mee te werken aan een evaluatie op basis van de notitie Venstersamenwerking. Artikel 3:83Aanvullende weigeringsgronden Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien: De vraag om cofinanciering financieel niet voldoende is onderbouwd; Het plan waarop de subsidieaanvraag is gebaseerd niet is goedgekeurd door de Stuurgroep. Artikel 3:84Subsidieplafond en verdelingsregels 1.Voor het totaal van de in artikel 3:80 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen. 2.Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan adviseert de Stuurgroep het college over de prioritering. Toelichting Toelichting Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk4Welzijn, gezondheid en zorg Paragraaf 4.1Algemeen Artikel 4:1 Begripsbepalingen Artikel4:2 Relevante procedure Voor dit hoofdstuk is bij subsidies: van meer dan € 45.000,-- de uitgebreide procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing; tussen € 5.000,-- en € 45.000,-- de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing; bij subsidies van minder dan € 5.000,-- de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing. Artikel4:3 Subsidie per activiteit De subsidie voor alle in dit hoofdstuk genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Per paragraaf kunnen afwijkende hoogtes van de subsidie gesteld worden. Artikel4:4 Hoogte subsidieplafond in het algemeen Het subsidieplafond voor activiteiten die gesubsidieerd worden op basis van dit hoofdstuk is gelijk aan de hiervoor in de begroting opgenomen bedragen, tenzij in de betreffende paragraaf daarvan afgeweken wordt. Paragraaf 4.2 Emancipatie en vrouwenzaken (vervallen zijn de artikel 4:5 tot en met 4:8) Paragraaf 4.3 Internationale betrekkingen Artikel 4.9 Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: mondiale bewustwording: het verschaffen van inzicht aan de burgers en het stimuleren van activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, democratisering, mensenrechten en duurzame ontwikkeling. De werkzaamheden vinden plaats op basis van wederkerigheid in internationale - en ontwikkelingssamenwerking; stedenband : meerjarige overeenkomst tussen de gemeente Groningen en een door de Raad aangewezen buitenlandse gemeente met het doel onderling duurzame betrekkingen aan te gaan op sociaal-cultureel, economisch en wetenschappelijk gebied; stedenbandgemeente: een door het college aangewezen buitenlandse gemeente waarmee een stedenband wordt aangegaan; Artikel4:10 Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter invulling van een stedenband, te weten: het bevorderen van persoonlijke contacten, ontmoetingen en samenwerking tussen inwoners van Groningen en een stedenbandgemeente; het informeren van de Groningse bevolking over een stedenbandgemeente; stage-uitwisseling van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een stedenbandgemeente; het onderhouden van contacten met zusterorganisaties; het ondersteunen, zowel financieel als anderszins, van initiatieven van organisaties of personen die strekken tot verwezenlijking van de doelstelling van een stedenband; kennis- en informatie-uitwisseling tussen Groningen en een stedenbandgemeente. 2.Het college kan subsidie verlenen voor mondiale bewustwording, te weten: het geven van informatie aan de bevolking van de gemeente Groningen over de problematiek in een land door middel van voorlichting en bewustwordingsactiviteiten; steun aan de opbouw van de democratie van een land; het stimuleren van burgers en overheden om actief mee te werken aan het oplossen van sociaal-economische en maatschappelijke vraagstukken in een land; de uitwisseling van ambtenaren en stages van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een land; het werven van fondsen voorzover die zullen worden ingezet in concrete ontwikkelingsprojecten in een land. Artikel4:11 Bijzondere bepalingen/verplichtingen De ontvanger van subsidie voor mondiale bewustwording is verplicht om de Groningse bevolking te informeren over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en in zijn werkplan informatie op te nemen over de wijze waarop hij deze verplichting invult. Artikel4:12 Subsidieplafond en verdelingsregels Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt, dan is de verdeling daarvan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; leidt bovenstaande verdeelwijze tot overschrijding van het subsidiebudget dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld. Resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget dan wordt dat over de overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 4.4Diversiteit Artikel 4:13Begripsbepalingen In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: Diversiteitsbeleid: beleid gericht op gelijke kansen voor iedere inwoner om op een gelijkwaardige wijze deel te nemen aan de samenleving en zich te kunnen ontwikkelen en ontplooien ongeacht sekse, huidskleur, leeftijd, mate van gezondheid, seksuele voorkeur, religieuze en politieke overtuiging, burgerlijke staat of opleiding. integratie: het proces dat leidt tot zelfredzaamheid van etnisch culturele groepen in de samenleving in economisch, educatief, sociaal en cultureel opzicht; emancipatie: het streven naar gelijke kansen en eerlijke maatschappelijke verhoudingen door het bevorderen van zelfontplooiing, zelfredzaamheid, eigen kracht, veiligheid en weerbaarheid; dialoog: een gesprek tussen meerdere personen of groepen gericht op het vergroten van het wederzijds begrip over thema’s op het gebied van diversiteit, integratie of emancipatie; Doelstellingen: de doelstellingen in het burgerschap en diversiteitsbeleid met onder meer de resultaatgebieden mensenrechten, antidiscriminatie, vrouwenemancipatie en emancipatie en acceptatie van LHBTI’ers Vrijwilligersorganisatie: organisatie die voor de uitvoering van haar activiteiten geen permanente arbeidsrelatie is aangegaan met degenen die de activiteit(
  2. en)ondersteunen en uitvoeren. Wel kan zij voor de uitvoering van activiteiten arbeidsrelaties van beperkte duur aangaan. Platform voor religie en levensbeschouwing: een samenwerkingsverband van in Groningen aanwezige religies en levensbeschouwingen dat tot doel heeft de onderlinge samenwerking, respect en solidariteit tussen verschillende religieuze en levensbeschouwelijke groeperingen, maar ook tussen burgers algemeen te bevorderen; Discriminatiemeldpunt: Het Discriminatie Meldpunt Groningen (DMG) is een onafhankelijke en bij of krachtens wet ingestelde organisatie die zich ten doel stelt het voorkomen, signaleren en bestrijden van discriminerende uitingen, gedragingen of regelgeving; COC Groningen en Drenthe: Een organisatie die de belangen van de Groninger LHBTI-gemeenschap behartigt en activiteiten uitvoert die deze belangen ten goede komen en de sociale acceptatie en zichtbaarheid van LHBTI inwoners vergroten. Platform LGBT Groningen: Een samenwerkingsverband van in Groningen aanwezige LHBTI-organisaties met tot doel de onderlinge samenwerking tussen deze verschillende groeperingen, maar ook tussen burgers en deze groeperingen te bevorderen en de zichtbaarheid en sociale acceptatie van LHBTI inwoners te vergroten; Vrouwencentrum: een interculturele ontmoetingsplek in de gemeente Groningen waar vrouwen, met- en zonder kinderen, met verschillende achtergronden en culturen elkaar ontmoeten en dat is gericht op de bewustwording van de maatschappelijke positie van vrouwen door hen te wijzen op het belang van het kunnen en durven kiezen waar het gaat om de inrichting van het leven binnen bestaande mogelijkheden Zelforganisatie: een rechtspersoon die opgericht en bestuurd wordt door de in Groningen aanwezige niet-westerse etnisch culturele gemeenschappen en die functioneert op basis van inzet vrijwilligers. Artikel 4:13a Doel van de Subsidieregeling Deze Subsidieregeling heeft tot doel het bevorderen van activiteiten van Groningse stedelijke vrijwilligersorganisaties/zelforganisaties en maatschappelijke organisaties door ondersteuning van activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van het Diversiteitsbeleid, waaronder in ieder geval de instellingen genoemd in artikel 4:13 onder 8. tot en met 11. Artikel 4:13b Ontvanger subsidie 1. Subsidie kan worden verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die beschikt over ervaring met de doelgroep waarop de activiteit zich richt en die woonachtig (voor natuurlijke personen) dan wel statutair en feitelijk gevestigd (voor rechtspersonen) is in Groningen. 2. Indien de aanvrager een natuurlijke persoon is, heeft hij ten minste twee andere Groningers bereid gevonden de aanvraag te ondersteunen. 3.Natuurlijke personen kunnen alleen als vrijwilliger subsidie aanvragen. 4. Aan natuurlijke personen worden subsidies tot maximaal € 750,- verstrekt. Artikel4:14 Relevant procedure (vervallen) Artikel4:15 Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan subsidie verlenen aan een vrijwilligersorganisatie/zelforganisaties, bewonersinitiatieven of een maatschappelijke organisatie als de activiteit gericht is op één of meer van de activiteiten die: dialoog en verbinding tussen groepen bewerkstelligen, opbouw van netwerken en het bespreekbaar maken van de kernwaarden van de democratische staat. ertoe bijdragen dat meer Groningers mensen accepteren die anders zijn dan zijzelf (in afkomst, opleiding, burgerlijke staat, politieke overtuiging, levensbeschouwing of religie, ras, seksuele gerichtheid of sekse) en dat in hun gedrag laten zien; gericht zijn op het opzetten en inrichten van een vrijwilligersorganisatie voor een groep die relevant is voor het diversiteitsbeleid en voor wie nog geen vrijwilligersorganisatie bestaat in de stad, dan wel voor het aantrekken van jongeren binnen een bestaande vrijwilligersorganisatie. gericht zijn op het uitvoeren van inloop en ondersteuningsactiviteiten voor kwetsbare groepen, zoals organisaties voor oudere migranten en organisaties van voormalige vluchtelingen, met een achterban die door taalproblemen de weg naar de reguliere voorzieningen niet kan vinden. ertoe bijdragen dat emancipatie wordt vergroot. het bevorderen van het inburgeringproces, met inachtneming van de eigen identiteit en daarbij behorende behoeften door de zelforganisaties; de samenwerking bevorderen met andere sociaal-maatschappelijke organisaties en instellingen; een bijdrage leveren aan de bewustwording, participatie en integratie van de migrantengroepen in de samenleving en de spreekbuisfunctie c.q. belangenbehartiging voor deze zelforganisaties. 2.Het college kan subsidie verlenen aan de instellingen genoemd in artikel 4:13 onder 8. tot en met 11 voor activiteiten zoals die zijn beschreven in de voor die instellingen van toepassing zijnde Programma’s van Eisen. 3.Het college kan aan een platform voor religie en levensbeschouwing subsidie verlenen voor: activiteiten die zijn gericht op de rol van gespreks- en netwerkpartner van de gemeente en van maatschappelijke organisaties in de gemeente Groningen; het gezamenlijk naar buiten treden met activiteiten ter bevordering van de dialoog tussen de deelnemende religies en levensbeschouwingen en de inwoners van de gemeente Groningen. Artikel 4:16Subsidie per activiteit 1. In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie als bedoeld in artikel 4:15 eerste lid per zelforganisatie maximaal € 1.250,- onder de voorwaarde dat maximaal twee zodanige organisaties per etnische groepering uit een niet-westers land voor de basissubsidie in aanmerking kunnen komen. 2. In afwijking van artikel 4:3 van dit hoofdstuk bedraagt de subsidie voor de in artikel 4:15 lid 3 genoemde activiteiten maximaal € 2.500,-- per jaar Artikel4:17 Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Een zelforganisatie aan wie een basissubsidie is verleend, is verplicht als gesprekspartner voor het college te fungeren over: algemene zaken die betrekking hebben op onderwerpen op het gebied van diversiteit of integratie; specifieke zaken die betrekking hebben op de achterban van de subsidie-ontvangende zelforganisatie. 2.De activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd dient aanvullend te zijn op het activiteitenaanbod op het bestaande activiteitenaanbod van lokale maatschappelijke voorzieningen; 3.Het platform als bedoeld in artikel 4:13 onder 7. is verplicht om deelname toe te staan van vertegenwoordigingen van elke religie of levensbeschouwing die actief in de gemeente Groningen beleden wordt. 4. Bij subsidieaanvragen voor activiteiten waarvan de begroting hoger is dan € 7.500 geldt een verplichte cofinanciering van minimaal: 10% voor vrijwilligersorganisaties; 30% voor maatschappelijke organisaties. De aanvrager geeft aan wat de overige financieringsbronnen zijn, en wat de omvang ervan is. Artikel4:18 Aanvullende weigeringgronden 1.Het college weigert aanvragen voor subsidie op het gebied van ontspanning, ontmoeting in eigen kring, politiek, cultuur, sport, religie of levensbeschouwing. 2.De subsidieaanvraag kan geweigerd worden indien de aanvraag betrekking heeft op dezelfde activiteit als het voorgaande jaar. 3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 4:35 Awb en artikel 6 van de Verordening kan de subsidieaanvraag ongeacht de hoogte van de aanvraag geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien: er onvoldoende andere financieringsbronnen zijn gevonden; de activiteiten niet of in onvoldoende mate een aanvulling zijn op reeds bestaande activiteiten van andere (vrijwilligers- of professionele) organisaties, of zich daar niet of in onvoldoende mate van onderscheiden; de activiteiten in tegenspraak zijn of een dubbeling zijn met gemeentelijk beleid op andere beleidsterreinen. Artikel4:19 Subsidieplafond en verdelingsregels 1.het subsidieplafond voor de op deze paragraaf gebaseerde subsidies is gelijk aan de daarvoor in de begroting opgenomen bedragen. 2.Het college kan een deel van het beschikbare budget reserveren voor de in artikel 4:15 tweede lid en derde lid genoemde activiteiten. 3.Als het totaal van de subsidieaanvragen voor een subsidie, zoals bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, hoger is dan het hiervoor beschikbare subsidiebudget, worden de aanvragen gehonoreerd die het beste scoren op de onderstaande criteria. Daarbij weegt het eerst genoemde criterium zwaarder dan het tweede, het tweede zwaarder dan het derde enzovoort: inhoudelijke relevantie en impact in relatie tot het diversiteitsbeleid; mate van innovatie; duurzaamheid: in welke mate beklijven de resultaten? samenwerking met anderen; schaalbaarheid: in hoeverre kan het resultaat elders in de gemeente worden toegepast? projectmatige opzet. Paragraaf 4.5 Algemeen sociaal-cultureel werk Artikel 4:20 Begripsbepalingen Artikel 4:20 Begripsbepalingen Artikel4:21 Subsidiabele activiteiten Het college kan aan instellingen voor sociaal-cultureel werk subsidie verlenen voor: wijk- en/of stedelijke activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: ontmoeting/recreatie; vorming/educatie; cultuur/creativiteit; dienstverlening/voorlichting; belangenbehartiging/activering; opvang; afstemming/coördinatie; signalering; sport. wijkactiviteiten passend binnen de in het vorige lid genoemde functies ter uitvoering van de beheerderfunctie voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra; het accommodatiemanagement voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra; exploitatie en instandhouding van wijk- en andere centra. knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk. Artikel4:22 Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de deelname aan de activiteiten; gegevens over de eigen bijdrage van de deelnemers aan de activiteiten; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd. 2.Het college verleent slechts subsidie voor het oplossen van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk voorzover de subsidieontvanger aannemelijk kan maken dat: bekostiging uit andere aan subsidieontvanger verstrekte subsidies niet mogelijk is; het knelpunt na aanwending van de gevraagde subsidie zal zijn opgelost. 3.De subsidieontvanger dient een preventief beleid te voeren dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenplan moet de subsidieontvanger aangeven hoe dat beleid zal worden vormgegeven en uitgevoerd. Artikel4:23 Aanvullende weigeringsgronden 1. Het college kan een subsidieaanvraag voor de oplossing van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk weigeren als hiervoor al eerder aan de subsidieontvanger subsidie was verleend. 2.Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 4:21 genoemde activiteiten weigeren als die activiteiten zijn gericht op jongeren in de leeftijd van 0 tot en met 23 jaar. Artikel 4:24 Subsidieplafond en verdelingsregels 1. Als het totaal van de aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 4:21, onder a en b hoger is dan de respectievelijke subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; voor zover bovenstaande verdeelwijze zou leiden tot overschrijding van de subsidieplafonds worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld; voor zover na de in de onderdelen a en b bedoelde verdeelwijze nog middelen resteren worden deze over de op tijd ingediende overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen; als het totaal van de aanvragen voor knelpunten in het sociaal-cultureel werk hoger is dan het subsidiebudget dan wordt dat over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 4.6 Sociaal-culturele accommodaties Artikel 4:25Subsidiabele activiteiten Het college kan aan een accommodatiebestuur subsidie verlenen voor: hypotheeklasten als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft; kale huur; verbouwkosten en/of kleine uitbreidingen als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft; groot onderhoud, daaronder mede begrepen calamiteiten, als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft; zakelijke huisvestingslasten; exploitatielasten; organisatiekosten. Het college kan aan het door hem aan te wijzen samenwerkingsorgaan voor speeltuinverenigingen ten behoeve van de aangesloten leden subsidie verlenen voor: hypotheeklasten als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid; kale huur; verbouwkosten en/of kleine uitbreidingen als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid; groot onderhoud, daaronder mede begrepen calamiteiten, als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid; zakelijke huisvestingslasten; exploitatielasten; organisatiekosten; inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen; exploitatiekosten van het samenwerkingsorgaan zelf. Artikel 4:26Subsidie per activiteit In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie: voor de in artikel 4:25, eerste lid onder a tot en met e alsmede de in het tweede lid onder a tot en met e genoemde kosten 100% daarvan, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en door het college zijn erkend; voor de in artikel 4:25, eerste lid onder f evenals de in het tweede lid onder f genoemde kosten voor exploitatielasten € 39,-- per m2 b.v.o.; voor de in artikel 4:25, eerste lid onder g en de in het tweede lid onder g genoemde kosten voor organisatiekosten een vast bedrag van € 2.500,-- per accommodatie c.q. per aangesloten accommodatie; voor de in artikel 4:25, tweede lid onder h genoemde kosten voor inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen € 14,-- per m2 b.v.o.; voor de in artikel 4:25, tweede lid onder i genoemde activiteiten maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder b van dit artikel kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie op andere wijze berekenen. De in het eerste lid onder b, c en d van dit artikel genoemde bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil 2005. Het college kan deze bedragen aanpassen aan de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen. Artikel 4:27Bijzondere bepalingen/verplichtingen In afwijking van artikel 4:2 moeten subsidieaanvragen voor kosten van verbouw, kleine uitbreidingen en groot onderhoud uiterlijk op 1 februari van het voorafgaande kalenderjaar in bezit zijn van het college. In afwijking van artikel 4:2 beslist het college op aanvragen voor verbouwingen en/of kleine uitbreidingen en op subsidieaanvragen voor groot onderhoud vóór 1 januari volgend op het jaar van indiening. Calamiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd moeten binnen een week bij het college zijn gemeld. Het college bepaalt in overleg met de subsidieontvanger een nadere termijn waarbinnen een beschrijving moet zijn ingediend van de werkzaamheden evenals een begroting van de kosten en de baten die daarop betrekking hebben. Als aan de subsidieontvanger subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:25, dient hij te vermelden: in zijn activiteitenplan op welke wijze invulling wordt gegeven aan alle verplichtingen die krachtens deze verordening aan de subsidieverlening worden verbonden; in zijn activiteitenverslag hoe de invulling van de verplichtingen uiteindelijk vorm heeft gekregen en de afwijkingen te verklaren tussen de voorgenomen invulling (activiteitenplan) en de realisatie daarvan; in zijn financiële en inhoudelijke verslag gegevens met betrekking tot groeperingen aan wie accommodatieruimte wordt verhuurd en de tarieven die daarbij in rekening worden gebracht. De subsidieontvanger is verplicht om bij zijn subsidieaanvraag voor de in artikel 4:25, eerste lid onder c en de in het tweede lid onder c genoemde activiteiten een (ver-)bouwplan te overleggen voorzien van een kostenraming evenals een beschrijving van de noodzaak van de in die leden bedoelde werkzaamheden. Subsidieaanvragen voor groot onderhoud moeten zijn voorzien van een beschrijving van de werkzaamheden, de noodzaak daarvan en tevens van een kostenraming. De subsidieontvanger aan wie subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:25, eerste of tweede lid is gehouden om de in de beide vorige leden bedoelde gegevens aan te vullen binnen 6 weken nadat het college daarom heeft verzocht. De subsidieontvanger geeft in zijn activiteitenplan aan in hoeverre het activiteitenaanbod aansluit op de behoeften van de wijk of buurt en geeft een verklaring voor eventuele afwijkingen daartussen. Het college kan bepalen dat de subsidieontvanger, aan wie op grond van artikel 4:25, eerste of tweede lid subsidie wordt verleend, initiatieven neemt om in overleg met andere aanbieders van activiteiten tot een gezamenlijke activiteitenprogrammering te komen in de wijk waarin de subsidieontvanger gebruik maakt van de accommodatie. De subsidieontvanger is verantwoordelijk voor een goede balans tussen de geprioriteerde sociaal-culturele activiteiten enerzijds en overige (eigen) activiteiten anderzijds. De subsidieontvanger is gehouden om in zijn activiteitenplan en activiteitenverslag aan te geven op welke wijze aan deze verantwoordelijkheid invulling wordt c.q. is gegeven. Het college kan terzake van het accommodatiegebruik aan openingstijden, ingebruikgeving, prioritering en de programmering van activiteiten nadere regels stellen. De subsidieontvanger dient accommodatieruimte inclusief beheer: gratis ter beschikking te stellen aan doelgroepen en activiteiten die vallen onder de functies van het algemeen sociaal-cultureel werk zoals bedoeld in artikel 4:21; tegen gereduceerd tarief ter beschikking te stellen aan doelgroepen en activiteiten die niet vallen onder de functies van het algemeen sociaal-cultureel werk mits deze passen binnen het gemeentelijk beleid; de beide voorgaande onderdelen van dit lid zijn niet van toepassing als en voor zover voor de huisvestingskosten terzake van de in dit lid bedoelde activiteiten subsidie wordt verleend. Het college kan bepalen dat bij de toewijzing van gratis accommodatieruimte door accommodatie-besturen activiteiten die gericht zijn op de eigen wijk voorrang hebben boven andere activiteiten. Het college kan bepalen dat exclusief beslag op een accommodatieruimte of een deel daarvan slechts geschiedt tegen een marktconform tarief. De subsidieontvanger aan wie subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:25, tweede lid is verplicht om de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde nadere verplichtingen op te leggen aan de bij het samenwerkingsverband aangesloten speeltuinverenigingen. Het college legt de verplichtingen als bedoeld in het elfde tot en met dertiende lid van dit artikel slechts op voor zover daardoor de exploitatie c.q. de bedrijfsvoering van de accommodatie niet in gevaar komt. Het college kan bepalen dat de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidieverlening en/of de aanvraag tot subsidievaststelling gebruik maakt van een daartoe vastgesteld formulier. Artikel 4:28Aanvullende weigeringsgronden Het college kan een subsidieaanvraag geheel of gedeeltelijk weigeren als de accommodatie niet voldoet aan het toetsingskader zoals beschreven in de hoofdstukken 3 en 4 en in bijlage 3 bij de accommodatienota. Het college weigert een subsidieaanvraag: voor de in artikel 4:25, eerste lid onderdelen a, c en d of de in het tweede lid, onderdelen a, c en d genoemde kosten als de subsidieontvanger de accommodatie waarvoor de subsidie wordt gevraagd niet in eigendom heeft; voor de in artikel 4:25, eerste lid onderdelen b of in het tweede lid onderdeel b genoemde kosten als de subsidieontvanger de accommodatie waarvoor de subsidie wordt gevraagd in eigendom heeft. Het college kan een subsidie voor de in artikel 4:25, eerste lid onderdelen a tot en met c of in het tweede lid onderdelen a tot en met c genoemde kosten weigeren: als die kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de waarde van de accommodatie zoals wordt bedoeld in hoofdstuk 3 van de accommodatienota; voor zover de kosten samenhangen met accommodatieruimte waarvoor het college geen subsidie verleent of heeft verleend op grond van artikel 4:25, eerste lid onderdeel f respectievelijk op grond van artikel 4:25, tweede lid onderdeel f; voor zover de subsidieaanvraag betrekking heeft op kosten die voortvloeien uit nieuwbouw, verbouw of kleine uitbreidingen waarvan het (ver-)bouwplan inclusief de daarbij horende kostenraming niet door het college is goedgekeurd; voor zover die voortvloeien uit verplichtingen die de subsidieontvanger zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van het college is aangegaan na 31 december 2005; voor zover die voortvloeien uit bouwkundige aanpassingen aan accommodaties die niet in eigendom zijn van de gemeente of van het accommodatiebestuur zonder dat het college daaraan schriftelijke goedkeuring heeft gehecht. Het college kan van de subsidieontvanger vergen dat deze een nader door het college te bepalen gedeelte van zijn voorziening voor groot onderhoud besteedt aan de uitvoering van de groot-onderhoudswerkzaamheden als en voor zover die voorziening ten laste van de subsidie tot stand is gekomen. Bij de berekening van de subsidie zoals bedoeld in artikel 4:25, eerste lid onderdeel c houdt het college rekening met het hier bepaalde. Artikel 4:29 Subsidieplafond en verdelingsregels Het subsidieplafond voor de in artikel 4:25, eerste lid onder d en de in het tweede lid onder d genoemde kosten is gelijk aan het hiervoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van: reeds lopende meerjarige verplichtingen, en een nader door het college te bepalen bedrag voor calamiteiten. Als het totaal van de kosten van de door het college erkende werkzaamheden voor verbouw en/of kleine uitbreidingen hoger is dan het daarvoor geldende subsidieplafond dan komen op tijd ingediende aanvragen eerder voor subsidie in aanmerking naarmate ze beter voldoen aan onderstaande criteria: de werkzaamheden hebben als doel de accommodatie laten voldoen aan wettelijk eisen; de werkzaamheden hebben als doel de accommodatie aan te passen aan veranderende activiteiten; de werkzaamheden hebben als doel de accommodatie aan te passen aan eigentijdse eisen; in de afweging van het college wegen eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde; bij de bepaling van de hier bedoelde urgentie worden werkzaamheden aan accommodaties die eigendom zijn van de gemeente mede in beschouwing genomen. Als het totaal van de subsidieaanvragen voor groot onderhoud hoger is dan het daarvoor geldende subsidieplafond dan komen op tijd ingediende aanvragen eerder voor subsidie in aanmerking naarmate de urgentie op basis van een bouwkundig of technisch onderzoek groter is. Een dergelijk onderzoek wordt verricht door deskundigen werkzaam bij de gemeente dan wel een externe door het college aan te wijzen deskundige. Bij de bepaling van de hier bedoelde urgentie worden werkzaamheden voor groot onderhoud aan accommodaties die eigendom zijn van de gemeente mede in beschouwing genomen. Het subsidieplafond voor calamiteiten zoals bedoeld in het tweede lid onder b wordt over de subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen, een en ander voor zover het college de kosten heeft erkend. Paragraaf 4.7Beheer sociaal-culturele accommadaties Artikel 4:30 Subsidiabele activiteiten Het college kan aan een door het college aan te wijzen centrale beheerpool subsidie verlenen voor de salariëring, scholing en loopbaanontwikkeling van beheerpersoneel evenals voor de inzet van dat personeel ten behoeve van het beheer van accommodaties. Het college kan in afwijking van het vorige lid van dit artikel de subsidie ook verlenen aan andere subsidieontvangers als naar het oordeel van het college sprake is van bijzondere omstandigheden. Het college kan in specifieke door hem aan te wijzen gevallen subsidie verlenen voor andere kosten van accommodatiebeheer dan zoals beschreven in het vorige lid van dit artikel, een en ander in overeenstemming met wat hierover is bepaald in bijlage 1 bij de accommodatienota. Artikel 4:31 Subsidie per activiteit De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten maar niet meer dan zoals beschreven in paragraaf 5.3 van de accommodatienota. In afwijking van het vorige lid van dit artikel kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie voor kosten van beheer op andere wijze berekenen. Artikel 4:32 Bijzondere bepalingen/verplichtingen In afwijking van artikel 4:2 dienen nieuwe subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:30 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend. De subsidieontvanger aan wie op grond van het eerste lid van artikel 4:30 subsidie wordt verleend, is verplicht: het beheerpersoneel waarvoor het college subsidie verleent voor beheerstaken om niet aan accommodatiebesturen ter beschikking te stellen: in relatie tot de openingstijden van de accommodatie en de vraag van de accommodatiebesturen zoals opgenomen in een door laatstgenoemden op te stellen beheersvoorstel; in overeenstemming met paragraaf 5.3 van de accommodatienota als het hiervoor onder nr. 1 bedoelde beheersplan niet beschikbaar is; om voor het inroosteren van beheerspersoneel bij de accommodaties op overeenstemming gericht overleg te voeren met de accommodatiebesturen over het aantal in te zetten uren, de openingstijden van de accommodatie en de te leveren functieniveaus. Dit overleg moet hebben plaatsgehad vóórdat de subsidieontvanger een besluit heeft genomen over de bij accommodaties in te zetten beheersuren; bij de taakomschrijving van het bij de accommodaties in te zetten beheerpersoneel aan te sluiten bij bijlage 2 van de accommodatienota (Functieprofiel en takenpakket van de diverse beheersfuncties); in het activiteitenplan en het activiteitenverslag aan te geven hoe invulling is gegeven aan de hierboven beschreven verplichtingen. Het in het tweede lid onder nummer a.1 en a.2 bepaalde is niet van toepassing als de subsidie aan een accommodatiebestuur wordt verleend in plaats van aan een door het college aangewezen centrale beheerpool. Artikel 4:33 Het college kan een subsidieaanvraag voor personeelskosten beheer weigeren voor zover voor de kosten daarvan al door derden subsidie wordt verleend. Artikel 4:34 Subsidieplafond en verdelingsregels Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond wordt dat als volgt verdeeld: vervolgaanvragen hebben voorrang boven nieuwe aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond resteert, dan wordt dat over nadien binnengekomen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop deze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 4.8Wijkorganisaties Artikel 4:35Begripsbepalingen Artikel 4:35 Begripsbepalingen Artikel 4:36 Subsidiabele activiteiten 1.Het college kan aan een wijkorganisatie een basissubsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor zover die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van een wijkorganisatie. 2.Het college kan aan een wijkorganisatie subsidie verlenen als bijdrage in de kosten van: communicatie en informatieverstrekking; activering. 3.Het college kan aan een wijkorganisatie in aanvulling op de subsidies als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel een subsidie verlenen voor eenmalige activiteiten. Artikel 4:37 Subsidie per activiteit In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie: Voor de in artikel 4:36, eerste lid genoemde activiteiten bedraagt de basissubsidie voor wijkorganisaties met een werkgebied van: a. 0-1000 inwoners: € 750,--; b. 1001-4.500 inwoners: € 1.250,--; c. 4.501 en meer inwoners: € 1.500,--. Het college kan de basissubsidie indexeren aan de hand van de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen. Voor de in artikel 4:36, tweede lid genoemde activiteiten bedraagt de subsidie maximaal de noodzakelijke kosten tot een door het college te bepalen maximum per inwoner vermenigvuldigd met het aantal inwoners van het werkgebied. Het college maakt voor de bepaling van het aantal inwoners gebruik van de meest recente gegevens die beschikbaar zijn op het moment dat het college op de subsidieaanvraag beslist. Het college kan in afwijking van het vorige lid boven het maximum aanvullend subsidie verlenen als de subsidieaanvraag van de wijkorganisatie daarvoor voldoende aanleiding geeft en het college daartoe voldoende middelen ter beschikking staan. Voor de in artikel 4:36, derde lid genoemde activiteiten bedraagt de subsidie maximaal de noodzakelijke kosten. Artikel 4:38 Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.In afwijking van artikel 4:2 dienen subsidieaanvragen voor de in artikel 4:36, derde lid genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend. 2.De wijkorganisatie dient de activiteiten uit het activiteitenplan in beginsel te richten op alle inwoners van haar werkgebied. 3.Als de wijkorganisatie de activiteiten of een deel daarvan niet richt op alle inwoners van het werkgebied dient de wijkorganisatie aan te geven op welke subbuurten van het werkgebied de activiteiten gericht zijn en op welke doelgroepen. 4.Als het vorige lid van toepassing is, kan het college bepalen dat de wijkorganisatie in zijn activiteitenplan moet aangeven hoe over de voornoemde beperking in de activiteitenuitvoering naar de inwoners is gecommuniceerd en welke bezwaren hiertegen zijn ingebracht. 5.De wijkorganisatie rubriceert de activiteiten uit het activiteitenplan naar de in artikel 4:36, tweede lid genoemde categorieën. 6.De wijkorganisatie begroot de kosten en de baten van elke activiteit afzonderlijk. 7.De wijkorganisatie is beschikbaar voor het college als aanspreekpunt voor ambtelijk of bestuurlijk overleg over aangelegenheden die van belang zijn voor de inwoners van het werkgebied. 8.De wijkorganisatie draagt zorg voor een goede balans in de uitvoering van de activiteiten en de inzet van de verleende subsidiegelden, zulks ter beoordeling van het college. Het activiteitenplan bevat alle informatie die voor deze beoordeling noodzakelijk is. 9.De wijkorganisatie communiceert ten minste eenmaal per jaar over het activiteitenplan en het activiteitenverslag met de inwoners van het werkgebied. De wijkorganisatie stemt de activiteiten uit het activiteitenplan af met professionele instellingen, die zelf werkzaam zijn op 1 of meer van die activiteiten, vóórdat met de uitvoering ervan wordt begonnen. 10.De wijkorganisatie stemt de activiteiten uit het activiteitenplan af met professionele instellingen, die zelf werkzaam zijn op 1 of meer van die activiteiten, vóórdat met de uitvoering ervan wordt begonnen. Artikel 4:39 Aanvullende weigeringsgronden Het college kan een aanvraag voor een basissubsidie weigeren als in de 2 direct voorafgaande subsidietijdvakken geen subsidie is verleend voor de in artikel 4:36, tweede lid genoemde activiteiten. Het college kan een aanvraag om subsidie weigeren als en voor zover deze bedoeld is voor de permanente huur van accommodatieruimte. Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 4:36 genoemde activiteiten binnen een werkgebied weigeren als door toewijzing van de aanvraag aan meer dan 1 wijkorganisatie binnen dat werkgebied subsidie zou worden verleend. Artikel 4:40 Subsidieplafond en verdelingsregels Het college kan een deel van het subsidiebudget reserveren voor nader door hem aan te wijzen belangenorganisaties voor bewoners. Het college kan een deel van het subsidiebudget reserveren voor de in artikel 4:36, derde lid genoemde activiteiten. Wanneer de totalen van de aanvragen voor de artikel 4:36 genoemde activiteiten de hiervoor ingestelde, respectievelijke subsidieplafonds over­schrijden, worden deze naar evenredig­heid over de in aanmerking komende aanvragen verdeeld. Paragraaf 4.9 Maatschappelijke activering Artikel 4:41 Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die gericht zijn op de maatschappelijke activering van burgers. Artikel 4:42 Bijzondere bepalingen/verplichtingen In afwijking van artikel 4:2 dienen subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:41 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend. Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de deelname aan de activiteiten; gegevens over de eigen bijdragen van deelnemers aan de activiteiten. De subsidieontvanger moet samenwerking zoeken met instellingen die soortgelijk of complementair werk verrichten als het college dat noodzakelijk acht. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting is ingevuld. Artikel 4:43 Subsidieplafond en verdelingsregels Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld; resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 4.10Vrijwilligerswerk Artikel 4:44 Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: bemiddeling, informatievoorziening, ondersteuning, advisering en scholing van (groepen) vrijwilligers zowel op het terrein van de vrijwillige thuishulp als daarbuiten; de ondersteuning van mantelzorgers; deskundigheidsbevordering, ondersteuning en informatievoorziening van vrijwilligers-organisaties op het terrein van: vrijwilligersmanagement (vinden en binden van vrijwilligers); het bieden van maatschappelijke stages aan jongeren; het afstemmen van de vraag van vrijwilligersorganisaties op het aanbod van het bedrijfsleven op het gebied van maatschappelijk ondernemen; bevorderen van maatschappelijk ondernemen en het bemiddelen tussen vrijwilligersorganisaties en bedrijfsleven. Artikel 4:45 Bijzondere bepalingen/verplichtingen In afwijking van artikel 4:2 dienen andere subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:44 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend. De in artikel 4:44 bedoelde activiteiten moeten zijn gericht op de bevordering van de maatschappelijke participatie en betrokkenheid van burgers bij wat er in de samenleving in het algemeen en de eigen woon- en leefomgeving in het bijzonder gebeurt, een en ander binnen de door de gemeente gecreëerde randvoorwaar­den. Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de wijze waarop aan het vorige lid invulling wordt gegeven; een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over het aantal vrijwilligers per activiteit; gegevens over de frequentie waarmee vrijwilligers worden ingeschakeld evenals een omschrij­ving van de aard en de zwaarte van de hen opgedragen taken. Artikel 4:46 Subsidieplafond en verdelingsregels Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling van deze subsidieplafonds als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van de respectievelijke subsidieplafonds dan worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld. Resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 4.11Maatschappelijke dienstverlening Artikel 4:47 Begripsbepalingen Artikel 4:48 Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen in het kader van maatschappelijke en juridische dienstverlening: ter uitvoering van onderstaande functies: cliëntgerichte hulpverlening; dienstverlening; informatie en advies; voorlichting; consultatie; signalering; preventie; voor activiteiten en projecten op door de raad benoemde aandachtsgebieden. Het staat de subsidieontvanger op basis van het vorige lid vrij om binnen een nader door het college aan te geven bandbreedte gedurende het subsidietijdvak andere activiteiten uit te voeren dan in de beschikking tot subsidieverlening is bepaald mits deze activiteiten passen binnen de in eerste lid genoemde functies en mits de subsidieontvanger in staat is deze activiteiten voor de verleende subsidie uit te voeren. Het college kan subsidie verlenen in het kader van Rechtswinkels ter uitvoering van onderstaande functies: voorlichting; informatie en advies. Het college kan subsidie verlenen in het kader van Slachtofferhulp ter uitvoering van onderstaande functies: dienstverlening; voorlichting; preventie; informatie en advies; signalering. Artikel 4:49 Bijzondere bepalingen/verplichtingen In afwijking van artikel 4:2 dienen andere subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:48 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend. Het activiteitenplan moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd. De activiteiten in het kader van subsidieaanvragen op grond van artikel 4:48, eerste lid moeten voor een nader door het college te bepalen gedeelte worden uitgevoerd ten behoeve van migranten. Het activiteitenplan in het kader van subsidieaanvragen op grond van artikel 4:48, eerste lid moet tevens voorzien zijn van gegevens over de spreiding van de activiteiten. Het activiteitenplan in het kader van subsidieaanvragen op grond van artikel 4:48, derde en vierde lid moet tevens voorzien zijn van gegevens over de eigen bijdragen van cliënten waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd. De activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:48, vierde lid moeten door vrijwilligers worden uitgevoerd. Artikel 4:50 Subsidieplafond en verdelingsregels Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dit naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld; resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 4.12Ouderenbeleid Artikel 4:51 Begripsbepalingen Artikel 4:52 Subsidiabele activiteiten Het college kan aan ouderenbonden subsidie verlenen voor activiteiten gericht op de behartiging van gezamenlijke belangen van hun leden. Het college kan aan het Stedelijk Overleg Ouderenbonden Groningen subsidie verlenen voor activiteiten ter bevordering van de samenwerking tussen de bij het samenwerkingsverband aangesloten ouderenbonden. Artikel 4:53 Subsidie per activiteit In afwijking van artikel 4:3 van dit hoofdstuk: is de subsidie per kalenderjaar voor de in artikel 4:52, eerste lid genoemde activiteiten gelijk aan het subsidieplafond voor deze activiteiten gedeeld door het totale aantal leden van de ouderenbonden in de gemeente Groningen; bedraagt de subsidie voor de in artikel 4:52, tweede lid genoemde activiteiten: maximaal 100% van de noodzakelijke huisvestingskosten; maximaal 100% van de noodzakelijke salariskosten van een steunfunctionaris voor ten hoogste een nader door het college te bepalen aantal uren. Artikel 4:54 Bijzondere bepalingen/verplichtingen In afwijking van artikel 4:2 dienen andere subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:52 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend. Artikel 4:55 Subsidieplafond en verdelingsregels Als het totaal van de aanvragen de subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen. Paragraaf 4.13Maatschappelijke en vrouwenopvang, verslavingszorg en overlastbestrijding Artikel 4:56 Begripsbepalingen In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: 24-uurs opvang: opvang gedurende 1 of meerdere etmalen van de hiervoor in het eerste lid genoemde personen; begeleiding: ondersteunen van de cliënt gericht op behoud dan wel herstel van maatschappelijk functioneren; behandeling: het aanbieden van intensieve en gespecialiseerde hulp gericht op herstel van de zelfredzaamheid van de cliënt; coördinatie en afstemming: het uitvoeren van coördinatie en afstemming van hulpverlening, waarbij meerdere instanties zijn betrokken; dagopvang: opvang overdag van de onder f onder 3 genoemde personen, niet zijnde 24-uurs opvang; doelgroep: personen die dakloos zijn, thuisloos of marginaal gehuisvest; personen in een acute en ernstige crisis; zwerfjongeren; vrouwen die het slachtoffer zijn van bedreiging, mishandeling dan wel vrouwenhandel; personen die verslaafd zijn en bij wie tevens sprake is van achterstandssituaties; risicogroepen; maatschappelijk herstel: het aanbieden van activiteiten gericht op het (hernieuwd) deelnemen aan het maatschappelijk verkeer; nachtopvang: opvang ’s nachts van de onder f onder 1 en 3 genoemde personen niet zijnde 24-uurs opvang; nazorg: het bieden van ondersteuning na afloop van een klinische of deeltijdbehandeling; opvang en zorg: het bieden van een tijdelijke verblijfplaats en/of elementaire hulpverlening; outreachende hulpverlening: actieve benadering van potentiële klanten die erop gericht is om de doelgroep toe te leiden naar een gestructureerd hulpaanbod; overlast: gevoelens van onveiligheid bij burgers in de samenleving als gevolg van confrontatie met verloedering, met irritant, hinderlijk en onaangepast gedrag, met geweld en bedreiging, met criminaliteit evenals met ongewenste annexatie van openbare ruimten, mogelijkerwijs leidend tot economische schade, daling van het voorzieningenniveau en/of aantasting van de leefbaarheid; preventie: het uitvoeren van activiteiten die erop gericht zijn bij risicogroepen verslaving te voorkomen; risicogroep: groep individuen die extra ontvankelijk is voor verslaving; verblijf: het beschikbaar stellen van huisvesting in de vorm van dagopvang, nachtopvang en/of 24-uurs opvang en crisisopvang; verslaving: psychische en fysieke afhankelijkheid van alcohol, drugs, medicijnen en/of gokken; zelfhulpgroep: een groep lotgenoten die gezamenlijk verbetering tracht aan te brengen in hun eigen problematiek met betrekking tot vrouwenopvang, maatschappelijke opvang, verslavingszorg en overlastbestrijding. Artikel 4:57 Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies: verblijf; zorgverlening; psychosociale begeleiding; outreachende hulpverlening; opvang en zorg; crisishulpverlening; begeleiding; behandeling; nazorg; maatschappelijk herstel; consultatie; coördinatie en afstemming; deskundigheidsbevordering; preventie; voorlichting, informatie en advies; beleidsadvisering; zelfhulpgroep; psychosociale behandeling. Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten of projecten op door de raad aangewezen aandachtsgebieden. Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten met als doel het voorkomen en/of verminderen van door burgers ervaren overlast. Het college kan aan zelfhulpgroepen subsidie verlenen voor activiteiten met als doel om over hun problematiek voortvloeiend uit verslaving, dakloosheid of huiselijk geweld onderlinge contacten te hebben en ervaringen uit te wisselen. Artikel 4:58 Bijzondere bepalingen/verplichtingen In afwijking van artikel 4:2 dienen andere subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:57 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend. Het activiteitenplan voor subsidieaanvragen op grond van artikel 4:57, eerste, tweede en derde lid moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; een groepering van de activiteitenbeschrijvingen per doelgroep; een beschrijving van de wijze waarop inhoud wordt gegeven aan het in het volgende lid bedoelde preventieve beleid. Het activiteitenplan voor subsidieaanvragen op grond van artikel 4:57, vierde lid moet zijn voorzien van: een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd; gegevens over de wijze waarop de activiteiten worden uitgevoerd. De ontvanger van subsidies op grond van artikel 4:57, eerste, tweede en derde lid voert een preventief beleid dat erop is gericht: het aantal daklozen en de duur van de dakloosheid zoveel mogelijk te verminderen; het aantal verslaafden en de duur van de verslaving zoveel mogelijk te verminderen; de door de doelgroepen veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. De subsidieontvanger onderhoudt hiertoe contacten met instellingen die zich op dezelfde doelgroepen richten, met omwonenden en hun belangenbehartigers, met omwonende organisaties en met de politie; het aantal slachtoffers van huiselijk geweld zoveel mogelijk te verminderen en het herstel zo veel mogelijk te bevorderen. Artikel 4:59 Subsidieplafond en verdelingsregels Het college kan een deel van de subsidieplafonds behorend bij de subsidies op basis van artikel 4:57, eerste, tweede en derde lid reserveren voor specifiek door het college aan te wijzen activiteiten maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling van deze subsidieplafonds als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van de respectievelijke subsidieplafonds dan worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld; resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college jn binnengekomen. Paragraaf 4.14Oppasvergoeding kinderopvang voor vrijwilligers (vervallen zijn de artikelen 4:60 tot en met 4:64) Paragraaf 4.15Subsidiëring van initiatieven met en door mensen met een psychiatrische beperking of verstandelijke handicap die het meedoen in een inclusieve gemeente bevorderen Artikel 4:65Begripsbepaling Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder: Doelgroep burgers met een verstandelijke beperking en /of met een psychiatrische handicap. Maatschappelijke activiteit een activiteit buiten GGz-verband en buiten de verstandelijke gehandicaptenzorg Aanvraagperiode een door het college te bepalen tijdvak waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend voor activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie kan worden verleend. Artikel 4:66Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor:het nemen van initiatieven die het meedoen van mensen met een verstandelijke handicap en/of een psychiatrische beperking in een inclusieve gemeente bevorderen. uitwisseling van ervaringen (met mee doen in de samenleving/gemeente) tussen mensen van de doelgroep onderling of tussen mensen van de doelgroep en derden. voorlichting en deskundigheidsbevordering door mensen van de doelgroep aan derden met het doel ruimte te maken voor meedoen in een inclusieve gemeente. Artikel 4:67Subsidie per activiteit 1. Een aanvrager kan voor elk van de in artikel 4:66 genoemde activiteiten slechts éénmaal per kalenderjaar in aanmerking komen voor een subsidie van maximaal € 10.000,-- per activiteit. 2. Op de noodzakelijke kosten worden baten die rechtstreeks op subsidiabele activiteiten betrekking hebben in mindering gebracht. 3. Het college neemt alleen kosten van overhead en ondersteuning in aanmerking die in redelijkheid aan de subsidiabele activiteiten kunnen worden toegerekend. Artikel 4:68Subsidieplafond en verdeelregels 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 4:66 genoemde activiteiten is per kalenderjaar gelijk aan het in de gemeentebegroting voor dat jaar opgenomen bedrag. 2. Het college verdeelt het kalenderjaar in twee aanvraagperioden van elk zes maanden. 3. Het college stelt per aanvraagperiode een deelbudget vast van 50% van het subsidieplafond. 4. Het college kan een overschot op het eerste deelbudget van een kalenderjaar toevoegen aan het tweede deelbudget van dat kalenderjaar. 5. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het beschikbare deelbudget, dan wordt dat budget over de op tijd ingediende aanvragen als volgt verdeeld: een subsidieaanvraag komt eerder voor subsidie in aanmerking naarmate de activiteiten beter voldoen aan de volgende criteria: activiteiten leiden tot meer sociale contacten en/of maatschappelijke activiteiten; activiteiten worden uitgevoerd door en/of samen met mensen met een psychiatrische beperking of verstandelijke handicap; maatschappelijke verworvenheden op het gebied van ontmoeting en participatie aan de samenleving die met de activiteiten zijn bereikt blijven in stand; In de afweging van het college wegen eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde. Artikel 4:69Subsidieaanvraag Uit de subsidieaanvraag moet blijken op welke wijze de activiteiten van de aanvrager voldoen aan de in artikel 4:68 lid 5 onder a bedoelde criteria. Artikel 4:70SNadere verplichtingen 1. De subsidieontvanger maakt bij de uitvoering van zijn activiteiten zoveel mogelijk gebruik van bestaande faciliteiten en accommodaties. 2. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat zijn activiteiten aansluiten bij reguliere voorzieningen waaronder accommodaties, vrijwilligers en mantelzorgers. Artikel 4:71Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert een subsidieaanvraag voor activiteiten die niet bijdragen aan participatie van de doelgroep leden in het reguliere maatschappelijke verkeer volgens de doelstelling van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Artikel 4:72Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert een subsidieaanvraag voor activiteiten die niet bijdragen aan participatie van de doelgroepleden in het reguliere maatschappelijke verkeer volgens de doelstelling van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Paragraaf 4.16Maatschappelijke stages (vervallen) Paragraaf 4.17Caribische Nederlanders in Groningen Artikel 4:78Begripsbepaling In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: a. Caribische Nederlanders : inwoners van Groningen die afkomstig zijn uit de voormalige Nederlandse Antillen. Artikel 4:79Subsidiabele activiteiten Het college kan een aanvrager subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van de integratie en participatie van Caribische Nederlanders in Groningen. De werkzaamheden van de aanvrager dienen zich te richten op: interactie met de Caribische Nederlanders in Groningen; het in kaart brengen van de wensen en de noden van de Caribische Nederlanders in Groningen en te vertalen naar (beleids)initiatieven; hiertoe onderzoekswerkzaamheden te (laten) verrichten; het initiëren van activiteiten die bijdragen aan communicatie en samenwerking binnen de Carbisch-Nederlandse gemeenschap in Groningen; het initiëren van activiteiten die bijdragen aan participatie van Caribische Nederlanders in de gemeente Groningen; het leveren van een bijdrage aan het tot stand komen van een dialoog tussen de Caribisch-Nederlandse gemeenschap en (vertegenwoordigers van) de Nederlandse samenleving; het gevraagd en ongevraagd adviseren van het college over beleidsonderwerpen met de betrekking tot de Caribisch-Nederlandse gemeenschap. Artikel 4:80Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1.De aanvrager heeft een aantoonbaar sociaal netwerk binnen de Caribisch Nederlandse gemeenschap. 2.De aanvrager geeft voldoende bekendheid aan de werkzaamheden onder de Caribisch Nederlandse gemeenschap in Groningen. 3.Voldoende Caribische Nederlanders zijn actief betrokken bij de uitvoering van de werkzaamheden van de aanvrager. 4.De aanvrager licht de werkzaamheden minimaal één keer per jaar toe in een bestuurlijk overleg met het college. Artikel 4:81Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert een subsidie indien: de aanvrager onvoldoende draagvlak kan aantonen binnen de Caribisch Nederlandse gemeenschap; de aanvrager onvoldoende kan aantonen dat er een dialoog tussen de Caribische Nederlanders en (vertegenwoordigers van) de Nederlandse samenleving tot stand is gebracht; de activiteiten niet voldoende toegankelijk zijn voor de Caribische Nederlanders in Groningen. Artikel 4:82Subsidieplafond en verdelingsregels Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt: op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 4:79 en 4:80. Paragraaf 4.18 Activiteiten sociale wijkteams Artikel4:83Begripsbepaling Adviseren en toeleiden: zorgvuldig gemotiveerd en gedocumenteerd advies ten behoeve van besluitvorming door het college als resultaat van het onderzoek naar de ondersteuningsvraag van inwoners alsmede het verwijzen naar de meest geschikte zorgaanbieder. Casusregie op het ondersteuningsplan en familiegroepsplan: verantwoordelijkheid voor de inhoud van de ondersteuning, het onderhouden van het contact en het bewaken van het bereiken van de doelen. Checken en present zijn: aanwezig en beschikbaar zijn in de fysieke nabijheid (c.q. in de wijk) om indien nodig snel te kunnen interveniëren. ‘Vinger aan de pols contact’ waar van belang maakt hier onderdeel van uit. Faciliteren van inloop, ontmoeting en ingang: het digitaal, telefonisch en fysiek faciliteren van een laagdrempelige inloop om wijkbewoners in de gelegenheid te stellen om anderen te ontmoeten, hun vragen te kunnen stellen en om eventuele diensten (zoals vrijwilligerswerkzaamheden) aan te bieden ten behoeve van de samenleving. Faciliteren en benutten sociale basis: zorgdragen dat ondersteuningskwesties die thuishoren in het normale leven daar ook zoveel mogelijk worden opgelost. Outreachend signaleren: het vroegtijdig en actief ophalen van (potentiële) ondersteuningsvragen. Normaliseren van specialistische ondersteuning: het maximaal gebruik maken van ondersteuningsmogelijkheden in de sociale basis, door individuele ondersteuningswerkzaamheden en preventie werkzaamheden aan elkaar te verbinden. Opstellen van ondersteuningsplan en hulp bij het opstellen van familiegroepsplan: in gezamenlijkheid met de inwoner te behalen doelen en acties vastleggen. Procesregie op het ondersteuningsplan en familiegroepsplan: faciliteren van samenwerking tussen inwoners, informele netwerken, professionals en/of organisaties en zorgen voor afstemming. Triageren: ondersteuningsvragen beoordelen in de zin van aard en urgentie en hier vervolgens op acteren. Verrichten van een integrale vraaganalyse: samen met de inwoner en zijn omgeving alle voor zijn/haar ondersteuningsbehoefte relevante leefdomeinen analyseren, met als doel om de ondersteuningsbehoefte helder te krijgen. Artikel4:84Subsidiabele activiteiten Het college kan subsidie verlenen voor: Preventief werken, met als kernactiviteiten: Faciliteren en benutten van de sociale basis; Normaliseren van specialistische ondersteuning; Faciliteren van inloop, ontmoeting en ingang; Outreachend signaleren Toegang, met als kernactiviteiten: Organiseren van de toegang tot algemene en bijzondere voorzieningen in het kader van de Jeugdwet en de Wmo 2015; Triageren; Verrichten van een integrale vraaganalyse; Opstellen van ondersteuningsplannen en hulp bij het opstellen van familiegroepsplannen; Adviseren en toeleiden; Procesregie op het ondersteuningsplan en familiegroepsplan; Checken en present zijn. Individueel ondersteunen, met als kernactiviteiten: Bieden van ondersteuning op één of meerdere leefgebieden; Casusregie op het ondersteuningsplan en familiegroepsplan; Checken en present zijn. Artikel4:85Bijzondere bepalingen/verplichtingen 1. Subsidieaanvragen zijn voorzien van een activiteitenplan. 2. Het activiteitenplan dient in elk geval in te gaan op: de in art. 4:84 opgenomen subsidiabele activiteiten; de geldende kwaliteitsregels zoals opgenomen in de geldende Jeugdwet, WMO 2015, de verordening jeugdhulp, de nadere regels jeugdhulp en de verordening Wmo 2015 en de nadere regels Wmo 2015. Artikel4:86Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert een subsidieaanvraag die niet afkomstig is van de instelling die eerder subsidie heeft gekregen voor het geheel van de in artikel 4:84 genoemde activiteiten. 2.Het college weigert een subsidieaanvraag als de aanvrager niet het geheel van de in artikel 4:84 genoemde activiteiten biedt. Artikel4:87Subsidieplafond en Verdelingsregels 1.Voor de in artikel 4.84 genoemde activiteiten wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld; 2.Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling daarvan als volgt: Op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen; Als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren, dan worden die verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan de artikelen 4.84 en 4.85. Paragraaf4.19- Innovatieateliers Beschermd wonen en Opvang Artikel4:90Begripsbepaling 1. Innovatie: De ontwikkeling en implementatie van nieuwe (producten, diensten of modellen) die bijdragen aan: de bevordering van de uitstroom van cliënten Beschermd wonen en Opvang naar zelfstandig wonen met passende ondersteuning en daginvulling; de preventie van de instroom in een voorziening Beschermd wonen of Opvang; het bevorderen van doorstroom van maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen. 2. Innovatieatelier Beschermd wonen en Opvang: Projectmatige activiteiten gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie van (zeer) kwetsbare inwoners waarbij de effecten geborgd kunnen worden en een kostenreductie wordt gerealiseerd. 3. Profijtgroepen: Mensen die zich individueel of samen met anderen, al dan niet in formele samenwerkingsverbanden, inzetten om bij te dragen aan het bepaalde in de leden 1 en 2. 4. Samenwerkingsverband: Een verband, bestaande uit ten minste 3 verbonden deelnemers uit verschillende profijtgroepen, dat is ingericht op de uitvoering van activiteiten die bij dragen aan het bepaalde in leden 1 en 2. Artikel4:91Subsidiabele activiteiten 1. Het

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.