Uitvoeringsregels individuele voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2013 Vooraf De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is een kaderwet. De kaders van de Wet zijn vormgegeven in prestatievelden. De Wmo bepaalt, dat gemeenten hun beleid op deze prestatievelden moet vastleggen in een beleidsplan. Dit plan stelt de gemeente één keer in de vier jaar op. Er zijn negen prestatievelden: het bevorderen van sociale samenhang en leefbaarheid in dorpen, wijken en buurten; op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met het opgroeien en ondersteuning van ouders met problemen met opvoeden; het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning; het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers; het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en het bevorderen van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem; het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem ten behoeve van het behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer; maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en huiselijk geweld; het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen; het bevorderen van verslavingsbeleid. De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, het Besluit maatschappelijke ondersteuning en deze uitvoeringsregels zijn de verdere concretisering van en maken onderdeel uit van prestatievelden 5 en 6. Uiteraard dienen de prestatievelden in onderlinge samenhang te worden bezien. Hiervoor is de kadernota “Samen voor elkaar” (STZ/WWGZ/2012/172892) vastgesteld. In “Samen voor elkaar” is het brede beleid ten aanzien van de Wmo in Haarlem neergelegd. Uitgangspunt van het beleid is, dat burgers met een beperking zoveel mogelijk op eigen kracht hun leven vormgeven. Waar nodig worden zij door de gemeente ondersteund: ofwel met een collectieve voorziening ofwel met een individuele voorzieningen. In de Verordening en de uitvoeringsregels is neergelegd welke en op welke wijze individuele ondersteuning in de vorm van materiële/financiële voorzieningen en hulp bij het huishouden in Haarlem kan worden geboden. Het nu voorliggende document behelst de uitvoeringsregels voor wat betreft de individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem. Bij de uitvoering zijn individualisering en maatwerk sleutelwoorden. Dit wil zeggen, dat de te treffen individuele voorziening gericht dient te zijn op de persoon, met inachtneming van diens sociale omgeving en bijzondere persoonskenmerken. Om dit te bereiken wordt uitgegaan van een integrale benadering. Dit houdt in dat naar meer dan alleen de aanvraag wordt gekeken. Dat kan inhouden dat, in plaats van het gevraagde en in overleg met betrokkene, andere voorzieningen kunnen worden getroffen dan die de klant in eerste instantie aangevraagd heeft. Al naar gelang de problematiek kunnen die voorzieningen vallen onder de voorzieningen als bedoeld in de Verordening of deze uitvoeringsregels of vallen binnen de bredere context van de Wmo. Met de Verordening maatschappelijke ondersteuning en deze uitvoeringsregels is een eerste stap gezet in het mogelijk maken van de integrale benadering en afstemming met het bredere Wmo-beleid. In de komende jaren zal een en ander in de uitvoering verder vorm worden gegeven. De integrale benadering en maatwerk is een groeiproces waar de gemeente maar ook de diverse partners in de stad (MEE, Kontext, Loket Haarlem, etc.) onderdeel van uitmaken. Zo zal bezien moeten worden of het huidige aanvraagformulier nog wel past bij de nieuwe uitgangspunten zoals “vraag van de klant is leidend”, “integrale benadering en maatwerk”. Ook moet onder andere gekeken worden op welke wijze nog beter de beschikbare en mogelijk nog te ontwikkelen collectieve voorzieningen, voorliggende voorzieningen, mantelzorg, de eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheden van de klant, in het gesprek betrokken kunnen worden. Dit met als doel de betrokkene in staat te stellen om het huishouden te kunnen voeren, zich in en om de woning te kunnen verplaatsen, zich lokaal te kunnen verplaatsen en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te kunnen gaan. Het is de bedoeling hier steeds meer uit te gaan van het ervaren probleem van de klant en het te bereiken resultaat in plaats van een claimgericht aanbod. Inleiding In het kader van de uitvoering van Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) moeten door de gemeente regels worden opgesteld rond de individuele verstrekkingen aan burgers. De Wet geeft de kaders aan, terwijl de gemeenten van het Rijk de opdracht hebben gekregen om nadere regels op te stellen. Die nadere regels zijn vastgelegd in: de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem (Vvmo of Verordening); het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem (Bmo of Besluit). Zowel de Wet als de Verordening en het Besluit zijn, zowel afzonderlijk als tezamen, complex. Niet alleen voor de aanvrager/belanghebbende, maar zelfs ook voor degenen, die belast zijn met de uitvoering van de Wmo. Deze uitvoeringsregels beogen, in dit complexe samenstel van deze documenten, houvast te bieden voor de aanvrager én uitvoerder. Uitvoeringsregels hebben geen eeuwigdurend karakter. Niet alleen de wetgever verandert bij tijd en wijle de regels van het spel, ook gerechtelijke uitspraken beïnvloeden de uitvoering van de Wmo en dus ook de uitvoeringsregels. Indien aan de orde worden de uitvoeringsregels aangepast. Juridische status van de uitvoeringsregels De Verordening is vastgesteld door de Raad van de gemeente Haarlem – staat als het gaat om de uitvoering van de Wmo, qua rangorde direct na de wettelijke bepalingen van de Wmo. Het Besluit geeft de nadere regels aan voor zover de Verordening dat aangeeft. Het Besluit komt qua rangorde na de Verordening. In de uitvoeringsregels kan iedereen terugvinden hoe de toepassing van de Verordening en het Besluit in zijn werk gaat. Opbouw van de uitvoeringsregels De uitvoeringsregels volgen qua opbouw zo veel mogelijk de Verordening en/of het Besluit. Daar waar het in verband met de logische opbouw of vanwege de duidelijkheid nodig is, wordt de opbouw van de Verordening verlaten. De hoofdstukindeling van de uitvoeringsregels is als volgt: Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen en vormen van de voorzieningen; Hoofdstuk 2: Aanvraagprocedure; Hoofdstuk 3: Hulp bij het huishouden; Hoofdstuk 4: Woonvoorzieningen; Hoofdstuk 5: Vervoersvoorzieningen; Hoofdstuk 6: Rolstoelen en sportvoorzieningen; Hoofdstuk 7: Begeleiding; Hoofdstuk 8: Medisch advies; Bijlage 1: ICF Bijlage 2: Regeling gehandicapten parkeerkaart In Bijlage 2 is de Regeling gehandicapten parkeerkaart opgenomen. De Regeling gehandicaptenparkeerkaart is een regeling die, als uitvloeisel van Europese regelgeving, is vastgesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat. In het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) is vastgelegd dat deze regeling uitgevoerd wordt door de gemeenten. In Haarlem is ervoor gekozen de uitvoering in handen te stellen van de afdeling, die ook de verstrekking van individuele voorzieningen op grond van de Wmo uitvoert. 1: Algemene bepalingen en vormen van de voorzieningen 1.1. Begripsbepalingen Compensatiebeginsel Compensatie is een van de kernbegrippen van de Wmo. De compensatie is vastgelegd in artikel 4 van de Wmo. In het amendement (TK 2005-2006, 30 131 nr. 65) dat heeft geleid tot opname van de compensatieplicht is de strekking van de compensatie als volgt omschreven: "het nieuw geformuleerde artikel strekt ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen." Bij de compensatie is een aantal aspecten van belang: Resultaatsverplichting Artikel 4 bevat de verplichting voor het college om compenserende voorzieningen te treffen. Het gaat om een resultaatsverplichting; een persoon met een beperking hoort een gelijkwaardige uitgangspositie te hebben ten opzichte van een persoon zonder beperkingen. Daarbij zij opgemerkt, dat aan de term "gelijkwaardige positie" op grond van jurisprudentie toegevoegd dient te worden "in aanvaardbare mate". Dit wil zeggen, dat daar waar de term "gelijkwaardige positie" vrijwel onbegrensde eisen kan stellen aan de gemeente ten aanzien van de te treffen voorzieningen, deze inmiddels door de rechtspraak is begrensd met de term "in aanvaardbare mate". Aangezien het treffen van voorzieningen in het kader van de Wmo een individuele benadering vraagt zal per klant moeten worden beoordeeld wat in die specifieke situatie "aanvaardbare mate" inhoudt. Zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; Het gaat bij de compensatieplicht om het compenseren van beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Volgens de Centrale Raad van Beroep brengt artikel 4 met zich mee dat de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college moet zijn gericht. Het gaat dan om de normale deelname aan het maatschappelijke verkeer. Persoonskenmerken, behoeften en capaciteit Artikel 4 lid 2 bepaalt dat het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorziening, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Dit is het maatwerkprincipe. Voorzieningen De compensatieplicht bevat de verplichting voor het college om concrete algemene, dan wel individuele voorzieningen te treffen ter compensatie van de belemmeringen die een persoon met beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie. Daarbij zij opgemerkt, dat aan de term "gelijkwaardige positie" op grond van jurisprudentie toegevoegd dient te worden "in aanvaardbare mate". Dit wil zeggen, dat daar waar de term "gelijkwaardige positie" vrijwel onbegrensde eisen kan stellen aan de gemeente ten aanzien van de te treffen voorzieningen, deze inmiddels door de rechtspraak is begrensd met de term "in aanvaardbare mate". Aangezien het treffen van voorzieningen in het kader van de Wmo een individuele benadering vraagt zal per klant moeten worden beoordeeld wat in die specifieke situatie "aanvaardbare mate" inhoudt. Artikel 4, lid 1 van de Wmo definieert de compensatieplicht als volgt: 1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g, onderdeel 4,5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: a. een huishouden te voeren; b. zich te verplaatsen in en om de woning; c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. 2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Het einddoel van de compensatie zal dus bestaan uit: a.Het kunnen voeren van een huishouden Voor personen bij wie beperkingen zijn geconstateerd in het voeren van een huishouden kan de gemeente een voorziening verstrekken. Bij de beoordeling wordt in eerste instantie gekeken naar de gezinssituatie en het sociale netwerk van de persoon. Indien vanuit het huishouden of het sociale netwerk voldoende ondersteuning kan worden geboden is een aanvullende voorziening niet noodzakelijk. b.Het zich in en om de woning kunnen verplaatsen Indien beperkingen worden ondervonden bij het verplaatsen in en om de woning moet hiervoor een compensatie aangeboden worden. Deze voorziening kan bestaan uit een woningaanpassing, rolstoel, (openbaar) vervoersvoorziening, maar ook uit het aanbod van hulp bij het huishouden of andere voorzieningen om op deze wijze de beperking op te heffen of te verminderen en normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. c.Het zich lokaal verplaatsen Indien belemmeringen worden ondervonden bij het zich lokaal verplaatsen voor deelname aan het maatschappelijk verkeer, kan een vervoersvoorziening worden getroffen. Als sprake is van een vervoersvoorziening, dan moet deze aansluiten op het bovenregionale vervoerssysteem (Valys). d.Medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan Bij de beoordeling van de voorziening die wordt aangeboden dient er rekening mee te worden gehouden, dat de voorziening er in voldoende mate aan bijdraagt de persoon in de gelegenheid te stellen medemensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan. Eigen verantwoordelijkheid Een belangrijke factor bij de uitvoering van de Wmo, is het beroep op de eigen verantwoordelijkheid van een individu en zijn (directe) omgeving. Dit komt tot uiting in de Wet door eerst uit te gaan van de eigen kracht en de capaciteiten van een persoon en diens omgeving, alvorens er over wordt gegaan tot het verstrekken van voorzieningen. Hierbij hebben dan dus de algemene en de collectieve voorzieningen voorrang boven het verstrekken van een noodzakelijke individuele voorziening. In het kader van de eigen verantwoordelijkheid houdt de gemeente bij de toekenning van een voorziening rekening houden met de eigen verantwoordelijkheid in financiële zin (artikel 4 Wmo, te weten het heffen van eigen bijdragen. Voorliggende voorzieningen / regelingen In artikel 2 van de Wmo is bepaald, dat er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning bestaat als er al een andere (wettelijke) regeling bestaat, waar een beroep op kan worden gedaan. Het kan zowel om een publiekrechtelijke als om een privaatrechtelijke regeling gaan. De voorliggende voorziening moet in de gemeente Haarlem wel beschikbaar zijn. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Het is niet relevant of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant, welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden. Tenzij sprake is van een laag inkomen, waaronder wordt verstaan een inkomen dat door kosten in verband met de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt te geraken. Op basis van de “hardheidsclausule” kan in bijzondere situaties van de algemene regels worden afgeweken. Het spreekt voor zich dat in een dergelijk geval sprake is van een uitzondering. Voor zover dat aan de orde is, wordt elders in deze uitvoeringsregels specifieker ingegaan op de aanwezige voorliggende voorzieningen / regelingen. 1.2. Algemene voorwaarden en weigeringsgronden 1.2.1. (medisch) aantoonbaar In de Verordening staat omschreven, dat er sprake moet zijn van (aantoonbare) beperkingen als gevolg van een ziekte of gebrek. Voor de Wmo moet het verstrekken van een voorziening, (medisch) gezien, noodzakelijk zijn. Als de (medische) noodzaak niet zonder meer kan worden vastgesteld moet een (medisch, ergonomisch) onderzoek worden ingesteld om de noodzaak vast te stellen. Het (medisch) onderzoek wordt in hoofdstuk 7 besproken. 1.2.2. Langdurig noodzakelijk Een tweede algemene bepaling is dat een betrokkene langdurig en voor langere tijd aangewezen dient te zijn op de voorziening of dienst. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de betrokkene voor langere tijd aangewezen moet zijn op een voorziening, aanpassing, hulpmiddel of dienst. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, niet voor een voorziening in het kader van de Verordening in aanmerking komt. Bijvoorbeeld iemand, die door de gevolgen van een ongeluk belemmeringen ondervindt, maar waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze van voorbijgaande aard zijn. In een dergelijke situatie kan de betrokkene, indien nodig, een beroep doen op de hulpmiddelendepots, die opgezet zijn in het kader van de Awbz. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen. Die periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Dat wil echter niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op zes maanden ligt. De grens wordt bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat acht à tien maanden zal duren, maar daarna over zal zijn, kan er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurig noodzakelijk. Dat geldt niet bij mensen, die in een terminaal stadium verkeren, in dat geval is wel sprake van langdurig noodzakelijk. Waar precies de grens ligt tussen langdurig en kortdurend verschilt van situatie tot situatie. In dit kader is de (medische) prognose van groot belang. Stelt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen, aanpassingen of diensten kan functioneren, dan is sprake van kortdurende noodzaak. Bij een wisselend beeld kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselende beeld telkenmale terugkeert en dus permanent is. Langdurig noodzakelijk geeft dus een dubbele begrenzing. Enerzijds geeft het een begrenzing in de tijd. Anderzijds dienen de gevraagde voorzieningen noodzakelijk te zijn, dus niet gewenst door of gemakkelijk voor de betrokkene. Uitzondering hulp bij het huishouden Een uitzondering hierop is de hulp bij het huishouden en de begeleiding. Deze voorziening zou immers ook in tijdelijke situaties kunnen worden toegekend, bijvoorbeeld in een kortdurende situatie na ontslag uit het ziekenhuis. 1.2.3. Goedkoopst adequaat Met de term goedkoopst adequaat is in de Verordening bepaald, dat een voorziening slechts kan worden verstrekt voor zover deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Bij de toepassing van dit artikel dient in eerste instantie bepaald te worden of de te verstrekken voorziening adequaat is. Met het begrip adequaat wordt bedoeld ‘volgens objectieve maatstaven toereikend’. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan moet er gekozen worden voor de goedkoopste voorziening. Daarbij kan en mag rekening gehouden worden met zogenaamde inkoopvoordelen van de gemeente. Een uitzondering kan zijn dat een kwalitatief beter product de kosten verhoogt, maar ook de duurzaamheid verlengt, waardoor het product langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau moet bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau worden aangesloten. In de afweging goedkoopst adequaat moet niet alleen naar het heden maar ook naar de toekomst worden gekeken en naar de investeringen die in het kader van de Wmo worden gedaan. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Als het over een voorziening gaat, gaat het altijd over een verantwoorde voorziening. Verantwoorde voorzieningen zijn voorzieningen die doeltreffend en doelmatig zijn. Dit is het geval wanneer de voorziening: zorgt dat de aanvrager geen last meer heeft van de belemmering of in elk geval zo min mogelijk, zodat hij weer kan deelnemen aan het maatschappelijke leven; op maat is voor de individuele aanvrager, gelet op zijn belemmeringen en zijn omgeving; er voor zorgt dat de aanvrager normaal van zijn woning gebruik kan maken; de aanvrager in staat stelt om op een redelijke manier zijn dagelijkse leven te kunnen leiden; een bijdrage levert aan het versterken van de zelfstandigheid van de aanvrager en de mogelijkheid om zelf vorm aan zijn leven te geven; de aanvrager in staat stelt om zijn sociale rollen als bijvoorbeeld partner of ouder zoveel mogelijk te vervullen. Te allen tijden staat het begrip adequaat boven het begrip goedkoopst. 1.2.4. In overwegende mate op het individu gericht Het verstrekken van een voorziening heeft tot doel om de belemmeringen die de aanvrager zelf ondervindt op te heffen of te verminderen. In principe wordt er geen rekening gehouden met de belemmeringen die door mensen uit de omgeving van de aanvrager worden ondervonden. Hulpmiddelen bedoeld voor gemeenschappelijk gebruik zijn in beginsel uitgesloten. 1.2.5. Algemeen gebruikelijk In de Verordening is bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Het begrip algemeen gebruikelijk gaat volgens de Centrale Raad van Beroep (de hoogste rechtbank) op als een zaak voldoet aan drie criteria: de voorziening is niet alleen voor iemand met een beperking bedoeld; de voorziening is voor iedereen gewoon te koop bij bedrijven of winkels; de voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten. Iemand krijgt geen voorziening vanuit de Wmo als een voorziening voor die aanvrager algemeen gebruikelijk is. Wat algemeen gebruikelijk precies is, wordt regelmatig getoetst aan heersende algemeen maatschappelijke normen. Algemeen gebruikelijk is een voorziening waarvan verwacht kan worden, dat ook iemand zonder beperking deze voorziening aan kan schaffen of al heeft. Het moet wel gaan om een, met uitzondering van de beperking, zo veel mogelijk vergelijkbare situatie, onder andere qua leeftijd, enzovoort. Het college bepaalt per individueel geval of sprake is van algemeen gebruikelijk. Het gaat om maatwerk. Hieronder volgen enkele voorzieningen die door de Centrale Raad van Beroep aanvaard zijn als algemeen gebruikelijke voorzieningen. Deze lijst is niet-limitatief maar is een voorbeeld. telefoonabonnement automatische transmissie in de auto (automaat) airconditioning in de auto stuurbekrachtiging auto elektrische / keramische / inductie kookplaat kosten van aanschaf en het gebruik van een fiets met hulpmotor, fiets met elektrische trapondersteuning fiets, ligfiets, bakfiets, tandemfiets wasdroger centrale verwarming regenkleding douche, indien het lavet vervangen moet worden verhoogde toiletpot hoge stortbak met touwtje zitting met of zonder deksel extra trapleuning(
- en)hendel mengkranen thermostaatkranen fiets met aangepaste crank Uitzondering In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de aanvrager toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd en wel: wanneer een handicap plotseling optreedt én desbetreffende zaken niet zijn afgeschreven én de aanvrager een inkomen heeft dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen (uitgaande van 100% van het sociaal minimum). De HaarlemPas De HaarlemPas is een persoonsgebonden pas die aangevraagd kan worden door inwoners van Haarlem met een laag inkomen en vermogen. Met de HaarlemPas krijgt men het hele jaar korting bijvoorbeeld bij: zwembaden bioscopen musea bibliotheken winkels cursussen Naast een kortingspas is de HaarlemPas ook een handig hulpmiddel bij het aanvragen van de gemeentelijke minimaregelingen en het grootste deel van de bijzondere bijstand. 1.2.6. De aanvrager niet zijn woonplaats heeft in de gemeente Haarlem De aanvraag moet worden ingediend bij en afgehandeld worden door de gemeente waar de persoon met beperkingen zijn woonplaats heeft. De persoon met beperkingen wordt geacht woonachtig te zijn in de gemeente, waar zijn hoofdverblijf is. Doorgaans is dit het woonhuis of een verpleeg- of verzorgingshuis. Voor wat betreft de “domicilievraag”, dat is de vraag waar iemand woonachtig is (zijn hoofdverblijf heeft), sluit de gemeente Haarlem in zijn beleid aan bij artikel 40, lid 1, Wet werk en bijstand. In relatie tot dit artikel is uitgebreide jurisprudentie aanwezig. In de Verordening staat dat geen voorziening wordt toegekend indien de persoon niet zijn woonplaats in de gemeente Haarlem heeft. Het kan voorkomen dat ingezetenen van de gemeente in het buitenland verblijven. Dit verblijf kan van korte duur zijn, maar kan ook een meer permanent karakter hebben. Zolang betrokkene zijn hoofdverblijf in de gemeente Haarlem heeft en in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staat ingeschreven, valt betrokkene voor wat betreft zijn aanspraak op een Wmo-voorziening onder het beleid en de uitvoeringsregels van de gemeente Haarlem. De gemeente Haarlem hoeft bij de beoordeling van de aanvraag om een voorziening geen rekening te houden met (extreme) situaties in het buitenland. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de geschiktheid van een rolstoel met betrekking tot bepaalde terreinomstandigheden in het buitenland. In het geval dat de persoon met beperkingen die verblijft in een inrichting een aanvraag indient voor het bezoekbaar maken van een woning, moet de aanvraag worden ingediend bij de gemeente waar de bezoekbaar te maken woning zich bevindt. Wanneer bekend is dat men in de gemeente Haarlem gaat wonen kan men reeds een aanvraag indienen. Men moet wel kunnen aantonen dat men in de gemeente Haarlem gaat wonen. Dit kan worden aangetoond door middel van een voorlopig huur- of koopcontract. 1.2.7. Geen aantoonbare meerkosten In de Verordening is bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd. De Wmo kent immers het compensatiebeginsel. Maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. De noodzaak moet te allen tijde te worden vastgesteld. Als de noodzaak is vastgesteld moet vervolgens worden vastgesteld of er sprake is van “meerkosten”. 1.2.8. Kosten voorafgaand gemaakt In de Verordening staat dat geen voorziening wordt toegekend voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van de aanvraag heeft gemaakt. Niet eerder dan nadat de gemeente Haarlem een beslissing over de aanvraag voor een voorziening heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de realisatie van de werkzaamheden of mag een voorziening worden aangeschaft. Door deze bepaling wordt voorkomen, dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het college kan in die afweging ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing niet noodzakelijk is. De regel is noodzakelijk om de gemeente de mogelijkheid te bieden de voorziening achteraf te kunnen controleren. Als de aanvrager een woningaanpassing heeft laten doen, dan is er over het algemeen na een verbouwing niet meer na te gaan of een goedkopere aanpassing tot de mogelijkheden zou hebben behoord. Als achteraf beoordelen wél mogelijk is, dan moet de gemeente alsnog onderzoeken of de voorziening kan worden toegewezen. De gemeente hoeft dan alleen de goedkoopste en meest adequate voorziening te verstrekken, ook wanneer de aanvrager een duurdere voorziening heeft aangeschaft. Dat is het risico dat de aanvrager neemt door de voorziening pas aan te vragen, nadat hij hem al aangeschaft heeft. 1.2.9. Nieuwe aanvraag voor eerder verstrekte voorziening In de Verordening staat dat geen voorziening wordt toegekend indien een zelfde voorziening al eerder is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Dit houdt ook in dat de verstrekte voorziening technisch is afgekeurd. Een technisch afkeuringsrapport moet worden bijgevoegd. Dit is ook van toepassing op een voorziening die is verstrekt in het kader van de voormalige Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), de voorloper van de Wmo. Uitzondering op die regel is alleen mogelijk als de eerder vergoede of verstrekte voorziening buiten de schuld van de aanvrager verloren is gegaan of niet meer adequaat is. Indien een ander (derde) aansprakelijk is voor het verloren gaan van de voorziening, moet bekeken worden of de aanvrager de veroorzaker hiervoor aansprakelijk kan stellen en de schade kan verhalen. Is aansprakelijkheidstelling en/of verhaal mogelijk dan kan bij de toekenning die voorwaarde ook worden opgelegd. Indien in een woning een dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Wanneer blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan geen beroep gedaan worden op de Wmo. Dat betekent dat, voorafgaand aan de beslissing om geen voorziening te verstrekken wegens nalatigheid, een gedegen onderzoek wordt ingesteld. Aan de hand van de resultaten van dat onderzoek moet vervolgens de beslissing goed onderbouwd worden. Het kan voorkomen dat bijvoorbeeld door onzorgvuldig gebruik of misbruik reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootmobiel rijdend te houden. Deze handelswijze is dan in strijd met de bruikleenovereenkomst. In overleg met betrokkene wordt dit besproken. Heeft een gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot het per aangetekende brief waarschuwen dat bij herhaling de voorziening wordt ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan wordt tot inname van de voorziening overgegaan en wordt er niet opnieuw een voorziening verstrekt. Van her verstrekking is evenmin sprake als door grove nalatigheid een voorziening verloren gaat. Gedurende de resterende afschrijvingsperiode wordt geen nieuwe voorziening verstrekt. Wanneer er een persoonsgebonden budget is verstrekt, moet de aanvrager zorgen voor een goede verzekering en is men zelf verantwoordelijk voor het in stand houden van de voorziening. Naast deze algemene regel zijn er nog specifieke beperkingen en/of weigeringgronden. Deze worden in de desbetreffende hoofdstukken behandeld. 1.3. Algemene voorzieningen In de Verordening staat het begrip “algemene voorzieningen” als volgt gedefinieerd: “Een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt.” Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn, in de zin dat ze bestemd zijn voor alle Nederlanders en ook door elke Nederlander gebruikt zouden kunnen worden. Maar wel is het zo dat ze door iedereen waarvoor ze bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen zijn. Twee al jaren bestaande voorbeelden in Haarlem zijn de maaltijdservice en de sociale alarmering. Deze twee voorzieningen zijn doordat de Welzijnswet in de Wmo is opgenomen thans onderdeel van de Wmo, maar niet van prestatieveld 6, de individuele voorzieningen. Zowel maaltijdservice als sociale alarmering zijn niet algemeen gebruikelijk, maar wel voor elke inwoner die er behoefte aan heeft beschikbaar. Er is geen uitgebreide aanvraagprocedure om deze voorzieningen te verkrijgen. Men ontvangt geen beschikking. Bij dit soort algemene voorzieningen kan verder gedacht worden aan: boodschappendiensten klussendiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren Er is sprake van een algemene voorziening als het gaat om een voorziening: die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg of ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening. Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet. In de aanvraagprocedure zal de algemene voorziening, in het kader van de integrale benadering, een belangrijke rol innemen bij het inventariseren van de individuele behoeften. Als de aanvrager vindt dat een algemene voorziening niet voldoet of meent in aanmerking te komen voor een Pgb, dan kan hij altijd een aanvraag indienen. 1.4. Vormen van de te verstrekken individuele voorzieningen 1.4.1. Inleiding Artikel 6 van de Wmo en de Verordening schrijft voor dat de rechthebbende bij de verstrekking van een individuele voorziening een keuze kan maken uit: een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget Daarnaast kan het college beslissen een voorziening als financiële tegemoetkoming aan te bieden. De verstrekkingvormen van de verschillende individuele voorzieningen worden in de desbetreffende hoofdstukken beschreven. 1.4.2. Voorziening in natura Een voorziening in natura is een daadwerkelijke levering van een voorziening of een dienst. Een voorziening in natura wordt in principe in bruikleen verstrekt. In de Verordening is bepaald dat er bij verstrekking van een voorzieningen, zoals een rolstoel of een scootmobiel, een bruikleenovereenkomst of huurovereenkomst wordt afgesloten. De bruikleenovereenkomst kan tussen de leverancier en de betreffende klant maar ook tussen de gemeente en de klant gesloten worden. Dit is afhankelijk van het soort voorziening dat wordt verstrekt. Om bedrijfseconomische redenen kan een voorziening in natura ook in eigendom worden verstrekt.Dit is in ieder geval van toepassing als het een voorziening betreft zoals genoemd in bijlage II van het Besluit en in situaties waarbij verstrekking via de leverancier van de gemeente substantieel hogere kosten met zich meebrengt dan verstrekking in eigendom. 1.4.3. Het persoonsgebonden budget (Pgb) Algemeen Een Pgb is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden in te kopen bij een zorgaanbieder of om een voorziening aan te schaffen bij een leverancier. Een Pgb kan een periodieke of een eenmalige verstrekking zijn. Een Pgb wordt verstrekt onder de voorwaarden en bepalingen opgenomen in het Besluit en, voor zover bij een specifieke voorziening daarvan sprake is, aanvullend geregeld in de desbetreffende hoofdstukken van deze uitvoeringsregels en vastgelegd in de beschikking aan de belanghebbende. Indien er sprake is van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening in een woonruimte die geen eigendom is van de betrokkene kan geen Pgb worden verstrekt. In dat geval wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt aan de eigenaar van de woning. Omvang van het Pgb Voor het bepalen van de hoogte en dus de omvang van het Pgb is het belangrijk om te weten dat een Pgb verstrekt kan worden voor hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Pgb voor hulp bij het huishouden of Begeleiding Voor nadere bepalingen over het persoonsgebonden budget voor de hulp bij het huishouden wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van de uitvoeringsregels. Voor nadere bepalingen inzake het persoonsgebonden budget voor begeleiding wordt verwezen naar hoofdstuk 7. Pgb voor overige voorzieningen De hoogte van het budget voor de overige voorzieningen moet per toekenning berekend worden. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het Pgb. Het is immers niet de bedoeling dat een Pgb meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Bij de voorlichting aan de aanvrager moet aan het voornoemde aspect voldoende aandacht worden besteed. De aanvrager kan dan een goede afweging maken. Weigering persoonsgebonden budget De keuzevrijheid voor een voorziening in natura of in de vorm van een Pgb kan worden beperkt indien er overwegende bezwaren bestaan tegen deze keuzevrijheid (artikel 6 Wmo) Er zijn twee soorten overwegende bezwaren: Overwegende bezwaren van individuele aard Overwegende bezwaren van algemene aard Ad. A. Overwegende bezwaren van individuele aard Bij overwegende bezwaren van individuele aard gaat het om in de persoon gelegen bezwaren. Daarvan kan sprake zijn in gevallen dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende een persoonsgebonden budget besteedt aan datgene waar het voor gegeven is. Daarbij kan worden gedacht aan mensen met bijvoorbeeld specifieke psychische aandoeningen (o.a. manische problematiek) of met verslavingsproblematiek. Daarnaast kan een Pgb worden geweigerd wanneer uit het verleden blijkt dat aanvrager niet kan omgaan met een Pgb. Als de aanvrager een goed netwerk heeft, waarmee een verantwoord beheer kan worden gegarandeerd, kan een persoonsgebonden budget als keuze beschikbaar blijven. Ad. B. Overwegende bezwaren van algemene aard Een Pgb kan ook geweigerd worden wanneer er overwegende bezwaren van algemene aard zijn. Het in het gevaar komen van de efficiency van het collectief vervoer kan, volgens de staatssecretaris, aangemerkt worden als een overwegend bezwaar. Wanneer iedereen kiest voor een Pgb in plaats van het collectief vervoer kan dat immers het voortbestaan van het collectief vervoer in gevaar brengen. In alle gevallen moet een beslissing om een Pgb te weigeren op grond van “overwegende bezwaren van algemene aard” te worden voorafgegaan door een gedegen onderzoek, gevolgd door een goed gemotiveerde beslissing. Uitbetaling Pgb Na berekening van het Pgb krijgt de aanvrager een beschikking. Hierin staat onder andere hoe hoog het Pgb is en ook voor hoeveel jaar dit Pgb is bedoeld. Voorzieningen Om misverstanden te voorkomen is in de beschikking een programma van eisen opgenomen, waaraan de aan te schaffen voorziening moet voldoen. Het risico dat de aanvrager een verkeerde voorziening aanschaft, wordt daardoor zo klein mogelijk gehouden. Als de aanvrager bij de aankoop van de voorziening afwijkt van dit programma van eisen, gaat hij daarmee tegen de beschikking in en kan voor bepaalde rechten niet meer in aanmerking komen. Het Pgb kan zelfs geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd (zie verderop in de uitvoeringsregels). Nadat de beschikking is verstuurd, wordt het Pgb, meestal in één keer, uitbetaald. Hulp bij het huishouden Het Pgb voor de Hulp bij het huishouden wordt maandelijks achteraf betaald. Het Pgb voor hulp bij het huishouden wordt verder besproken in het hoofdstuk hulp bij het huishouden. Verantwoording van het Pgb Het college kan de Pgb houder vragen om zijn Pgb te verantwoorden. De regels rondom de verantwoording zijn opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Iemand die een Pgb krijgt is verplicht mee te werken aan deze verantwoording. Indien men niet wenst mee te werken kan het Pgb geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd. Ondersteuning budgethouders Personen met een Pgb kunnen gebruik maken van (externe) ondersteuning. De ondersteuning is vooral bedoeld voor budgethouders die de rol van werkgever vervullen. Die ondersteuning kan bestaan uit het leveren van modelovereenkomsten en het bijhouden van de salarisadministratie. De budgethouder blijft echter zelf verantwoordelijk voor de besteding van zijn persoonsgebonden budget. 1.4.4. Financiële tegemoetkoming Een financiële tegemoetkoming is een tegemoetkoming in de kosten en is niet altijd volledig kostendekkend. Een financiële tegemoetkoming kan op het inkomen van de aanvrager worden afgestemd. De financiële tegemoetkoming van de verschillende individuele voorzieningen worden in de desbetreffende hoofdstukken verder beschreven. Een financiële tegemoetkoming is bijvoorbeeld de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten. 1.4.5. Eigen bijdrage / eigen aandeel Voor alle individuele voorzieningen –behalve de wettelijk uitgesloten rolstoelen- is een eigen bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd. Ongeacht of er sprake is van de verstrekking in natura of in de vorm van het persoonsgebonden budget. De richtlijnen van de eigen bijdrage of het eigen aandeel staan in het Landelijke Besluit en zijn nader uitgewerkt in het gemeentelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning. Wat is het verschil tussen eigen bijdrage en eigen aandeel ? De eigen bijdrage is van toepassing op de verlening van voorzieningen in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het eigen aandeel is van toepassing bij een financiële tegemoetkoming in de kosten van een voorziening. Voor welke voorzieningen geldt de eigen bijdrage? Voor onder andere: Individuele vervoersvoorzieningen, zoals de scootermobiel, bijzondere fietsen (o.a. driewielfiets, tandems), persoonsgebonden budget voor lokale verplaatsingen, autoaanpassingen etc.; Losse individuele woonvoorzieningen zoals, po en/of douchestoel, tillift etc.; Hulp bij het huishouden; Begeleiding. Voor welke voorzieningen geldt het eigen aandeel? Voor onder andere: Verhuiskostenvergoeding; Financiële tegemoetkoming bij een woonvoorziening; Overige financiële tegemoetkomingen in de vervoerskosten; Sportvoorzieningen. Voor welke voorzieningen behoeft geen eigen bijdrage of eigen aandeel betaald te worden? Vervoersvergoeding in de vorm van het CVV (OV-taxi). Een woningaanpassing in gemeenschappelijke ruimten. Verhuiskosten voor vrijmaken van een door de gemeente voor een groot bedrag aangepaste woning. Onder vrijmaken verstaan wij het verlaten van de woning door de achtergebleven bewoner waarvoor de aanpassingen niet noodzakelijk zijn. Aanhelingen. Rolstoelen die als rolstoelvoorziening verstrekt worden. een verhuiskostenvergoeding voor het op verzoek van de gemeente vrijmaken van een woning; de benoemde voorzieningen van bijlage I en II van dit Besluit, voor zover deze als algemene voorziening en dus niet op individuele aanvraag zijn verstrekt; voorzieningen verstrekt aan personen die jonger zijn dan 18 jaar. Hoe hoog is de eigen bijdrage of uw eigen aandeel? De eigen bijdrage/ eigen aandeel is afhankelijk van: het inkomen; Vermogen in Box 3 of het huishouden uit één of meer personen bestaat; de leeftijd (een burger is pas vanaf zijn of haar 18e jaar een eigen bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd); de kostprijs van de voorziening die men ontvangt. Een uitzondering hierop is de traplift. Hier is de kostprijs vastgesteld op een vast bedrag per individuele verstrekking (zie Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem). Voor de inhoud wordt verwezen naar de desbetreffende hoofdstukken van deze Uitvoeringsregels. Berekening eigen bijdrage / eigen aandeel De eigen bijdrage / het eigen aandeel wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK gaat bij de berekening uit van het verzamelinkomen van een huishouden in het peiljaar. Het peiljaar ligt 2 jaar voor het jaar waarin de aanvraag is ingediend. Het CAK gebruikt dat jaar als peiljaar, omdat het CAK het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen hanteert voor de berekening van de eigen bijdrage. Aangezien aangifte in beginsel jaarlijks achteraf plaats vindt, is het verzamelinkomen over het jaar, direct voorafgaande aan het jaar waarin de aanvraag is ingediend, over het algemeen nog niet vastgesteld. Daarom wordt twee jaar teruggegaan. Voor een aanvraag gedaan in 2012 wordt dus gekeken naar het verzamelinkomen over 2010. In de beschikking die de aanvrager van de gemeente ontvangt, wordt niet aangegeven wat de hoogte van de eigen bijdrage is. Er wordt in de beschikking alleen medegedeeld, dat sprake is van een eigen bijdrage/eigen aandeel, wie dat berekent en vaststelt en op welke wijze dat plaatsvindt (zie hiervoor). Het is de taak van het CAK om de desbetreffende informatie aan betrokkene te verstrekken. Hoogte en duur eigen bijdrage / eigen aandeel Op landelijk niveau wordt door de minister bij Algemene Maatregel van Bestuur jaarlijks de draagkracht vastgesteld ten aanzien van de eigen bijdrage voor AWBZ en Wmo tezamen. De gemeente Haarlem sluit aan bij deze landelijk vastgestelde draagkracht. Voor de meeste voorzieningen wordt er voor de gebruiksperiode, elke vier weken een eigen bijdrage gevraagd. Voor woningaanpassingen en autoaanpassingen wordt maximaal 39 perioden van vier weken een eigen bijdrage gevraagd. Bij een verhuiskostenvergoeding is dat maximaal 13 perioden van vier weken. De eigen bijdrage of het eigen aandeel is nooit hoger dan de kostprijs van de voorziening. De hoogte van de eigen bijdrage of van het eigen aandeel wordt hierbij berekend op basis van de kostprijs van de voorziening. De kostprijs is hierbij gelijk aan de door de gemeente te betalen prijs van de betreffende voorziening, inclusief eventuele individuele aanpassingen en eventuele kosten van onderhoud en verzekering. Van deze regel wordt alleen afgeweken bij de verstrekking van trapliften. Hoeveel er daadwerkelijk moet worden betaald is afhankelijk van diverse factoren en wordt door het Cak vastgesteld. Het Cak is de enige instantie die de hoogte van de eigen bijdrage voor de cliënt kan berekenen. Ingangsdatum De ingangsdatum van de eigen bijdrage is gelijk aan de dag waarop de burger over de voorziening kan beschikken. Overlijden / Beëindiging Bij overlijden van de burger wordt de eigen bijdrage beëindigd met ingang van de overlijdensdatum. Bij beëindiging van de verstrekking van de voorziening wordt de eigen bijdrage per de datum van beëindiging van de voorziening stopgezet. Vervanging voorzieningen Wanneer een voorziening die in eigendom of in bruikleen is verstrekt wordt vervangen, heeft dit geen invloed op de duur van de eigen bijdrage. De duur van de eigen bijdrage blijft in dat geval gelijk aan het maximum van 65 of 39 periodes van 4 weken (al naar gelang van het van toepassing zijnde regime) voor het totaal van de eerste verstrekking. Wanneer een voorziening, die in eigendom is verstrekt, wordt vervangen, zal de kostprijs voor de resterende duur van de eigen bijdrage worden aangepast en berekend conform bovenstaande. Trapliften die zijn verstrekt vóór de ingangsdatum van het besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2013 en waarop géén eigen bijdrage is geheven, worden ná vervanging hiervan wél onder het eigen bijdrage beleid gebracht. Inning van de eigen bijdrage/het eigen aandeel door het CAK Het CAK voert vanaf 1 januari 2007 de eigen bijdrageregeling Wmo uit zoals de wet dit voorschrijft. Voor meer informatie over de eigen bijdrage kan de belanghebbende contact opnemen met het CAK. Rekenhulp voor eigen bijdrage/het eigen aandeel Op de website van het CAK is een rekenhulp beschikbaar om te berekenen wat de eigen bijdrage of eigen aandeel gaat worden. Aan de rekenhulp kunnen geen rechten worden ontleend. Maximale eigen bijdrage/eig en aandeel In het Landelijk besluit is geregeld: wanneer sprake is van een eigen bijdrage en wanneer van een eigen aandeel; de inkomensgrens waarboven een andere berekeningswijze geldt; de maximale bedragen van de eigen bijdrage/het eigen aandeel. De eigen bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs van een voorziening of de hoogte van een Pgb. Wordt een persoonsgebonden budget verstrekt voor een voorziening in eigendom van de aanvrager, dan mag de eigen bijdrage niet meer dan 39 perioden van 4 weken worden gevraagd. Gaat het om een bruikleenverstrekking in natura, dan mag de eigen bijdrage worden gevraagd zo lang de voorziening wordt gebruikt. De gemeentelijke beleidsvrijheid is voor wat betreft de eigen bijdrage/het eigen aandeel hiermee wettelijk beperkt. Klachten en bezwaren met betrekking tot hoogte eigen bijdrage Bij klachten en bezwaren met betrekking tot de eigen bijdrage moet de klant zich wenden tot het CAK en niet tot de gemeente. 2: Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten 2.1. Aanvraag Inleiding De Wmo stelt de problemen of beperkingen die door de aanvrager ondervonden worden en het te bereiken resultaat centraal. De integrale benadering, zoals omschreven in het voorwoord, maakt hier onderdeel vanuit. In artikel 4 van de Wmo staat omschreven op welke vier terreinen dit resultaat bereikt moet worden: het voeren van een huishouden, zich verplaatsen in en om de woning, zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan. Het vierde terrein duidt niet alleen op bepaalde oplossingsmogelijkheden, zoals gebruikmaken van bestaande of aanvullende voorzieningen, zoals “maatjes-projecten” of bezoekregelingen met vrijwilligers, maar ook op het eindresultaat van de eerste drie terreinen. Met andere woorden: ook door voorzieningen te treffen op de eerste drie terreinen wordt iemand in staat gesteld medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Prestatievelden 5 en 6 van de Wmo ondersteunen via het verstrekken van individuele voorzieningen, als daar aanleiding toe is. In een gesprek met de aanvrager moet duidelijk worden wat het te bereiken resultaat zal moeten zijn. Hierbij wordt bekeken welke sociale netwerken en (collectieve/voorliggende) voorzieningen er al beschikbaar zijn, welke voorzieningen betrokkene zelf kan verwerven en welke individuele voorzieningen ontbreken om het beoogde resultaat te bereiken. Bij de behandeling van elke aanvraag voor een individuele voorziening moet worden uitgegaan van een integrale benadering en samenhangende afstemming. Integrale benadering en samenhangende afstemming houden dus in, dat verder wordt gekeken dan de aanvraag. Een voorbeeld hiervan is de volgende. Er kan een scootmobiel worden aangevraagd vanuit de wens om sociale contacten te onderhouden terwijl uit het onderzoek naar voren komt, dat er nauwelijks sprake is van sociale contacten. De verstrekking van een scootmobiel alleen, ook al is deze medisch onderbouwd, lost het onderliggende probleem (het ontbreken van sociale contacten doordat de persoon in kwestie daartoe zelfstandig niet in staat blijkt te zijn) niet op. Als er al een scootmobiel wordt verstrekt, dan kan een andersoortige aanvullende oplossing op het gebied van het aangaan van sociale contacten niet achterwege blijven. Het uitblijven van een helpende hand kan leiden tot het niet-gebruik van de verstrekte voorziening, terwijl bijvoorbeeld begeleiding bij het zoeken en aangaan van sociale contacten kan leiden tot een grotere participatie met gebruikmaking van de getroffen voorziening. Het actief doorverwijzen naar andere instanties is hierbij van essentieel belang. Waar nodig worden dan ook contacten gelegd met relevante organisaties en wordt, gedurende de aanvraagprocedure, zorg gedragen voor de “warme overdracht”. Naast het rekening houden met de sociale netwerken, voorliggende en collectieve voorzieningen en eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheden wordt tijdens de aanvraag ook rekening gehouden met persoonlijke factoren als, de; algemene gezondheidstoestand; beperkingen die worden ondervonden als gevolg van ziekte, gebrek of psychisch en sociaal functioneren; woning en de woonomgeving. De aanvraag Een voorziening wordt alleen na een schriftelijke ondertekende aanvraag behandeld. Hiervoor is een aanvraagformulier beschikbaar. Deze is verkrijgbaar via het digitale loket Haarlem, bij het Loket Haarlem of wordt op verzoek toegezonden. De aanvraag is echter niet automatisch altijd de start van een procedure maar kan het gevolg van een gesprek rond de keukentafel zijn. De aanvraag zal dan alleen ingediend worden als het gaat om concrete voorzieningen die getroffen moeten worden. Het gesprek/ huisbezoek Het aanvraagformulier kan direct worden ingediend maar voordat de daadwerkelijke aanvraag een feit is kan er ook al een gesprek plaatsvinden. Zowel vooraf als gedurende de aanvraagprocedure kan een reeks gespreksonderwerpen worden doorgenomen waarbij uiteindelijk vastgesteld wordt wat het te bereiken resultaat moet zijn. Aan de hand van de formulering van dat te bereiken resultaat wordt onderzocht welke middelen en mogelijkheden er zijn om dat resultaat te bereiken. Het gaat dan bij dit gesprek om vraagverheldering, probleem schets en het te bereiken resultaat. Uiteraard hoeft niet bij elke aanvraag een uitgebreid gesprek/huisbezoek plaats te vinden. Wie een aanvraag indient voor vervanging van een versleten rolstoel is meestal bekend. In die situatie kan de aanvraag via een korte procedure worden afgehandeld. Overigens kan het soms zinvol zijn om ook bij bekende aanvragers een uitgebreider gesprek te houden. Bijvoorbeeld als er vermoedens zijn dat dit tot andere resultaten leidt waar de aanvrager mee gebaat zou kunnen zijn. Maar ook om tussentijds te horen hoe het nu gaat en of er nog andere voorzieningen noodzakelijk zijn. In een gesprek kan duidelijk worden gemaakt om welke behoeften het precies gaat, zoals het bezoeken van een (bepaalde) kerk, het gaan winkelen, familiebezoek enz. Als dit onderdeel van het gesprek afgerond is, dient een en ander zorgvuldig samengevat te worden. Zowel wat betreft datgene dat (nog) wel gedaan kan worden, als datgene waartoe men niet meer in staat is of wat niet gerealiseerd kan worden. Het te bereiken resultaat Het te bereiken resultaat kan op één of op meerdere terreinen zijn gelegen. Een voorbeeld: wie door een functiebeperking niet in staat is zich lokaal te verplaatsen heeft wellicht de wens weer naar familie te gaan, die in een naburige wijk woont. Daarnaast kan de wens bestaan om zelf boodschappen te doen, te weten 2 tot 3 maal per week. Bovendien kan het een wenselijk te bereiken doel zijn om naar het gemeentehuis te gaan om weer als vrijwilliger bij een politieke lokale partij actief te kunnen zijn. Met het geformuleerde te bereiken resultaat wordt vervolgens onderzocht in hoeverre dat resultaat te bereiken is door gebruik te maken van sociale netwerken / civil society, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en collectieve voorzieningen, of zaken die verstrekt kunnen worden op basis van andere wettelijke voorliggende voorzieningen. Hierbij wordt aangesloten bij de uitgangspunten zoals geformuleerd in het beleidskader van “Samen voor elkaar”. Als aan de hand van het te behalen resultaat is onderzocht welke algemeen gebruikelijke, welke algemene voorzieningen, welke collectieve voorzieningen mogelijk bij kunnen dragen aan het te behalen resultaat, kan ten slotte beoordeeld worden of er individuele voorzieningen zijn die hieraan eveneens bij kunnen dragen. 2.2. Individuele voorziening Als uit het gesprek, eventueel tijdens het huisbezoek, gebleken is dat er een individuele voorziening nodig is om een beperking te compenseren, dan zal onderzocht worden of de aanvrager voldoet aan de criteria om hiervoor in aanmerking te komen. Vaak zal echter voor het gesprek globaal beoordeeld worden of iemand tot de doelgroep behoort. Doelgroepen Bij de behandeling van een aanvraag wordt eerst gekeken of de aanvrager tot de doelgroep van de Wmo behoort. Daaraan liggen de uitgangspunten van de Wmo en de Verordening ten grondslag. De doelgroepen in de Wmo zijn: mantelzorgers; mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem dat hen belemmert in het maatschappelijke leven en bij het zelfstandig functioneren; mensen met een beperking of chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem die hun zelfstandigheid kunnen houden en verbeteren en deel kunnen nemen aan het maatschappelijke leven met behulp van voorzieningen. Mantelzorgers komen alleen in aanmerking voor individuele voorzieningen wanneer zij die zelf nodig hebben. Als de voorziening bedoeld is voor degene die zij verzorgen, dan moet de voorziening op de naam van die persoon aangevraagd worden en niet op die van de mantelzorger. In feite spreekt men dan niet meer van een mantelzorger. Beperkingen Ten aanzien van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem kan een medisch advies nodig zijn om vast te stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of deze te objectiveren zijn en welke mogelijkheden er zijn om de problemen op te lossen. Daarbij wordt gebruik gemaakt worden van de ICF (International Classification of Functions, Disabilities and Impairments), Voor verdere uitwerking zie hoofdstuk 7 en bijlage 1. Aanvraagprocedure en formulier Voor het indienen van een aanvraag voor een individuele voorziening is een aanvraagformulier beschikbaar. Deze is verkrijgbaar bij het loket Haarlem, via het digitale loket Haarlem of wordt op verzoek toegezonden. Ook is het mogelijk het aanvraagformulier na afloop van het keukentafel gesprek in te vullen. De persoon voor wie de individuele voorziening is bedoeld, moet zelf de aanvraag indienen. Bij het indienen van een aanvraag kan de aanvrager zich laten bijstaan door een derde. Hij kan zich ook laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Deze moet dan wel beschikken over een door de belanghebbende afgegeven machtiging of volmacht. Een bewindvoerder is niet automatisch gemachtigd tot het vertegenwoordigen van degene wiens goederen onder zijn bewind staan. Dit betekent dat de gemeente ook van de bewindvoerder een schriftelijke machtiging of volmacht, verleend door de direct belanghebbende, kan verlangen. De aanvraag wordt in behandeling genomen als het aanvraagformulier volledig is ingevuld en alle benodigde informatie aanwezig is. De aanvraag moet binnen een termijn van acht weken worden afgehandeld. Als het niet lukt om binnen de voorgeschreven termijn een besluit te nemen, omdat bijvoorbeeld de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde informatie ontbreekt wordt de aanvrager, voordat de acht weken om zijn, daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld. In die mededeling wordt opgenomen binnen welke termijn de aanvraag naar verwachting wordt afgehandeld. 2.3. Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders mogen, ten gunste van de klant een besluit nemen dat buiten de Wmo-regels valt. Het college maakt in dat geval gebruik van de zogenaamde hardheidsclausule. De hardheidsclausule is opgenomen in de Wet en in de Verordening. De hardheidsclausule beoogt een rechtvaardige toepassing van de Wet en de Verordening in uitzonderlijke gevallen. Het is niet de bedoeling dat iemand tussen wal en schip belandt. Als bij de beoordeling van een aanvraag blijkt dat geen of maar voor een deel recht is op een voorziening, dan is de gemeente verplicht om te kijken of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, die aanleiding vormen tot toepassing van de hardheidsclausule. 2.4. Motiveren van besluiten In de beschikking die de aanvrager krijgt, zal het college op grond van de Awb en van de aangescherpte motiveringsplicht, in voldoende mate moeten aangeven: op grond waarvan de voorziening is toegekend of geweigerd. Het volstaat niet te verwijzen naar bijvoorbeeld een artikel in de Wet en/of de Verordening, een medisch advies e.d. De beweegredenen dienen inhoudelijk te worden aangegeven; of en zo ja, in hoeverre de verstrekte voorziening bijdraagt aan het bevorderen dan wel behouden van de zelfredzaamheid.Ongeacht of sprake is van een toekenning of een (gedeeltelijke) weigering dient in de beschikking te worden aangegeven: de aangevraagde voorziening; de reden waarom die specifieke voorziening is toegekend en niet een andere. Het volstaat niet aan te geven, dat bijvoorbeeld een scootmobiel van een bepaald type is toegekend. Te allen tijde moet aangegeven te worden waarom juist dat type is toegekend; De stoornissen en beperkingen indien aanwezig van de belanghebbende; wat de wettelijke grondslag vormt voor die specifiek toegekende voorziening; welke inhoudelijke gronden er zijn om de gevraagde voorziening te weigeren; welke wettelijke gronden voor de weigering zijn gehanteerd; of en zo ja, welke externe organen om advies zijn gevraagd; wat het advies inhoudt. Dit mag eventueel een samenvatting zijn, mits deze aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. In bepaalde gevallen kan het zelfs om der wille van duidelijkheid en volledigheid wenselijk zijn een afschrift van het advies mee te zenden; indien de uiteindelijke beslissing afwijkt van het advies van het adviserende orgaan, wat daarvan de reden is; of advies en/of het voorgenomen besluit is besproken met de belanghebbende en de uitkomst van het besprokene; dat een ieder die een voorziening is toegekend verplicht is aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening; als sprake is van toepassing van de hardheidsclausule, welke redenen daaraan ten grondslag liggen. Er kan niet worden volstaan met het gebruik van algemene termen als “financiële, persoonlijke of andere gronden” maar dient nader te worden geduid welke financiële en/of andere omstandigheden het gebruik van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Bovendien moet aangegeven worden welke uitzonderlijke omstandigheden hebben geleid tot de toekenning. 2.5. Beëindiging, intrekking en herziening van een voorziening Tussen intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening en een beëindiging bestaat duidelijk verschil. Beëindiging Beëindiging van een voorziening ligt in een nabij of verder gelegen toekomst op grond van wijzigingen die tijdig zijn aangekondigd of tijdig zijn te voorzien. Intrekking Intrekking vindt met terugwerkende kracht plaats op grond van feiten, die eerst achteraf konden worden geconstateerd en die, als ze eerder bekend zouden zijn geweest, niet tot een toekenning zouden hebben geleid of tot een eerdere beëindiging van de voorziening. Herziening Herziening van een voorziening vindt plaats als sprake is van gewijzigde omstandigheden of omdat sprake is van een foutief besluit. Herziening van een voorziening kan zowel vooruit in de tijd of met terugwerkende kracht plaatsvinden. 2.6. Terugvordering Terugvordering heeft in de praktijk vooral betrekking op financiële tegemoetkomingen en Pgb's. Terugvordering vindt plaats als een voorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend. Over het algemeen vindt een dergelijke constatering achteraf plaats. Indien bij beëindiging van een financiële tegemoetkoming of Pgb er een niet-fraude vordering ontstaat van maximaal € 25,- zal er worden afgezien van invordering. Alvorens een besluit tot terugvordering te nemen moet deze worden voorafgegaan door een gedegen onderzoek. Uit dat onderzoek moet duidelijk naar voren komen, zo veel als maar mogelijk is gestaafd met schriftelijke bewijzen, dat de oorzaak van het ten onrechte verstrekken aan belanghebbende is te wijten. Er moet onomstotelijk worden aangetoond, dat sprake is van “onverschuldigd uitbetaald”. Voorts moet het terug te vorderen bedrag gespecificeerd in de rapportage te worden aangegeven en eveneens gespecificeerd in de beschikking te worden opgenomen. Terugvordering dient te allen tijde vooraf gegaan te worden door een herzieningsbesluit dan wel een intrekkingbesluit. Een besluit tot herziening/intrekking en een besluit tot terugvordering kunnen in één beschikking worden verwoord.Terugvordering in het kader van de Wmo is niet geregeld binnen de Wmo. Dat houdt in dat, als wordt besloten tot terugvordering, dat zal moeten gebeuren op grond van het privaatrecht. Dat betekent, dat bij het te gelde maken van de vordering een verzoek daartoe dient te worden ingediend bij de Kantonrechter (gemaximeerd bedrag, nu € 5.000,-) of bij de Rechtbank (bij vorderingen hoger dan het hiervoor geduide bedrag). Is sprake van een procedure via de Kantonrechter dan kan dit door een ambtenaar worden afgehandeld. Een procedure bij de Rechtbank moet, namens het college door een procureur, bijvoorbeeld de stadsadvocaat, worden ingesteld. Het verdient aanbeveling om eerst te proberen een redelijke schikking te treffen. Eerst als blijkt, dat een minnelijke schikking niet mogelijk is, dan wordt de gerechtelijke procedure begonnen, eventueel na een kosten-baten analyse. Het college kan, mits voldoende gemotiveerd, afzien van terugvordering.Een besluit tot terugvordering moet voldoen aan het motiveringsbeginsel zoals verwoord in de Awb. 2.7. Fraudeaangifte Als sprake is van (vermeende) fraude kan aangifte bij de Officier van Justitie plaats vinden. Daarbij kan aansluiting worden gevonden bij de procedure, die ook bij de uitvoering van de Wet werk en bijstand (Wwb) van kracht is. Het is overigens de Officier van Justitie die bepaalt: wie wordt ingeschakeld voor het verhoor en het opstellen van het proces verbaal; of een strafvordering wordt ingesteld. 2.8. Heronderzoeken Een heronderzoek vindt plaats om te beoordelen of een belanghebbende nog steeds recht heeft op de verstrekte voorziening en/of deze nog voldoet. Bij een heronderzoek wordt gekeken of: de omstandigheden van de belanghebbende in de loop van de tijd veranderd zijn en of deze omstandigheden een aanleiding vormen om de voorziening te wijzigen of in te trekken; de verstrekte voorziening nog aan de (technische) eisen voldoet. Heronderzoeken vinden plaats als: het een periodieke financiële tegemoetkoming betreft voor vervoersvoorzieningen; de verwachting bestaat dat in de loop van de tijd de omstandigheden van de belanghebbende zullen wijzigen; een voorziening voorlopig wordt toegekend; een belanghebbende binnen de vastgestelde termijn niet is verhuisd naar een adequate woning, terwijl een voorlopige tegemoetkoming in de verhuiskosten / verhuisadvies is toegekend; een beleidswijziging dit noodzakelijk maakt; de eindsituatie bij een eerdere aanvraag nog niet duidelijk was; het college daar anderszins aanleiding toe vindt. 2.9. Bezwaar Op de beschikking zijn de wettelijke bezwaar- en beroepsprocedures van toepassing zoals zijn omschreven in de Awb en zoals aangegeven in de beschikking. Als de belanghebbende het niet eens is met het besluit, kan deze een bezwaarschrift naar Burgemeester en Wethouders van Haarlem. Een bezwaarschrift dient binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na de datum van verzending van de beschikking, bij de gemeente te zijn ontvangen. Het bezwaarschrift moet, op grond van artikel 6.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in ieder geval het volgende bevatten: de naam en het adres van de belanghebbende; het cliëntnummer; de datum waarop het bezwaarschrift is geschreven; een omschrijving van het besluit waartegen bezwaar is gemaakt; de motivering van het bezwaar; een handtekening van de belanghebbende. De gemeente heeft eveneens zes weken om het bezwaarschrift te behandelen. Dit mag nog verlengd worden met zes weken wanneer er nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die een nader onderzoek noodzakelijk maken. 2.10. Voorlopige voorziening De aanvrager kan, als de beslissing op zijn aanvraag niet binnen de termijn is genomen, dan wel om een andere, naar zijn oordeel dringende, reden een spoedvoorziening aanvragen bij de Rechtbank te Haarlem. Ook een bezwaarde kan bij het uitblijven van een besluit op bezwaar een verzoek tot een voorlopige voorziening indienen bij de Rechtbank te Haarlem. In de Awb is aangegeven, waaraan een verzoekschrift dient te voldoen. De vereisten komen overigens nagenoeg overeen met die van een bezwaarschrift, met dien verstande dat niet verwezen hoeft te worden naar een beslissing of besluit op bezwaar. Juist het ontbreken van een dergelijke beslissing vormt immers aanleiding tot het verzoek om een voorlopige voorziening. Voor het indienen van een verzoek tot voorlopige voorziening zijn griffiekosten verschuldigd. Informatie over de griffiekosten, de vereisten van een verzoekschrift, de procedure enzovoort wordt verstrekt door de griffier van de Rechtbank te Haarlem. 2.11. Beroep en hoger beroep Tegen het besluit op het bezwaarschrift kan binnen zes weken beroep in worden gesteld bij de Rechtbank Haarlem. De beroepstermijn vangt aan de dag ná die waarop het besluit op bezwaar is verzonden. Beroep kan over het algemeen alleen worden ingesteld indien voorafgaand een ontvankelijk bezwaarschrift is ingediend. Tegen de uitspraak van de Rechtbank is hoger beroep mogelijk bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Aan het instellen van beroep en hoger beroep zijn griffiekosten verbonden. Informatie daarover, alsmede over beroep en hoger beroep kunnen worden ingewonnen bij de griffie van een der genoemde beroepsinstanties. Daarnaast zijn algemene folders beschikbaar. 3: Hulp bij het huishouden 3.1. Inleiding De omvang van de hulp bij het huishouden wordt op basis van de aanwezige beperkingen en het type huishouden bepaald. De gemeente Haarlem hanteert als basis voor de omschrijving van de vorm en de omvang van de hulp bij het huishouden het protocol Hulp bij het huishouden dat destijds ook door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) werd gehanteerd ten behoeve van de indicatiestelling onder de AWBZ. Het is echter van belang dat ruimte wordt gecreëerd voor het meewegen van de individuele omstandigheden van de belanghebbende. De in dit hoofdstuk beschreven tijdnormering is daarom indicatief. De mogelijkheid moet aanwezig zijn om af te wijken van de indicatieve tijdnormering naar aanleiding van de specifieke individuele omstandigheden, ook wel maatwerk genoemd. De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk Onder een leefeenheid wordt verstaan “een eenheid bestaande uit gehuwden of met gehuwden gelijk te stellen personen die al dan niet samen met een of meer andere personen duurzaam een huishouden voeren”. De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden, met inbegrip van het bevorderen en in stand houden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Hulp bij het huishouden is er als aanvulling op de eigen mogelijkheden. In de volgende situaties is er geen sprake van een leefeenheid, die een gezamenlijk huishouden voert: bij kamerverhuur (op basis van een huurovereenkomst). Als er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. Van huurders kan niet verwacht worden dat zij de huishoudelijke taken overnemen; er is geen sprake van familiebanden. Er moet wel een huurovereenkomst aanwezig zijn. Als mensen zelfstandig samenwonen op een adres en gemeenschappelijke ruimten delen, wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van die ruimten bij uitval van een van de leden wordt overgenomen door de andere leden van een leefeenheid. bij bewoners van een kloostergemeenschap of andere gemeenschappelijke woonvorm. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situaties kan wel een indicatie gesteld worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien men dit zelf niet meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn worden niet meegenomen in de indicatie (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. bij bewoners van een Awbz-instelling. Uitzonderingen Binnen de gemeente Haarlem kennen we een aantal bijzondere woonvormen. Dit zijn vormen van begeleid wonen, al dan niet in een groepsvorm, ten behoeve van mensen met bijvoorbeeld een verstandelijke beperking, dementiële klachten of het syndroom van Korsakov. Het gaat om kleinschalige woonvormen op basis van een particulier initiatief of een samenwerkingsverband tussen een zorgaanbieder en woningbouwcorporatie. De gemeente heeft een compensatieplicht met betrekking tot het voeren van een huishouden. In deze bijzondere woonvormen wordt een uitzondering gemaakt op de regel dat de omvang van de hulp gerelateerd wordt aan een eenpersoonshuishouden. De eigen kamer in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden en gemeenschappelijke ruimten in principe niet. 3.2. Gebruikelijke Zorg Bij de Wmo heeft de gemeente een resultaatsverplichting, dat wil zeggen dat het resultaat primair van belang is. Bij gebruikelijke zorg gaat het om een probleem dat is ontstaat doordat degene die gewend is voor het huishouden te zorgen dit al dan niet tijdelijk niet meer kan doen. De eerste stap bij het zoeken van een oplossing is dan om te kijken naar de huisgenoten van degene die het huishouden normaalgesproken doet. Zijn die huisgenoten, binnen de leefeenheid, in staat het huishoudelijke werk, bijvoorbeeld door een herverdeling van taken, over te nemen? Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg, die partners, ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren. Dat betekent dat van huisgenoten verwacht wordt dat zij, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, een herverdeling maken van de huishoudelijke taken. In elk individuele situatie zal bekeken moeten worden of ook in die situatie het redelijk is gebruikelijke zorg te veronderstellen. Een huisgenoot kan zowel een volwassene als een kind zijn, dus alle bewoners van één adres die samen één huishouden voeren. Bij de toepassing van het criterium gebruikelijke zorg gelden de volgende uitgangspunten: van iedere huisgenoot wordt verwacht dat deze een huishouden kan voeren, naast een volledige baan, het volgen van een opleiding of andere activiteiten in het kader van maatschappelijke participatie. Onder een (volledige) baan wordt ook verstaan het werken op onregelmatige tijden of in ploegendienst. De meeste mensen hebben naast hun dagelijkse bezigheden een huishouden te regelen. bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Gebruikelijke zorg is niet van toepassing in de volgende situaties: bij een werkende partner/huisgenoot, die beroepshalve minimaal 7 etmalen aaneengesloten van huis is, bijvoorbeeld in het geval van een internationale chauffeur, medewerker van een booreiland of defensiepersoneel. Werk op zich is geen reden voor huisgenoten om zich te kunnen onttrekken aan huishoudelijke taken. Lange werkdagen en lange werkweken gelden dus ook niet als reden. De Wmo houdt alleen rekening met werk waarvoor mensen lang van huis zijn. In dat geval zijn mensen immers niet aanwezig om huishoudelijk werk over te nemen. Alle situaties waarbij dit om een eigen keus gaat, tellen niet mee bij de beoordeling. als er sprake is van een dreigende overbelasting van de gebruikelijke zorgverlener. Dit moet via een medische indicatie worden vastgesteld. in crisissituaties, bijvoorbeeld het plotselinge overlijden van de (verzorgende) partner/ouder met jonge kinderen of bij een korte levensverwachting van de zorgvrager. bij personen van 75 jaar en ouder. Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken. Het verzorgen van kinderen valt ook onder de Hulp bij het huishouden. Niet-uitstelbare taken zijn: maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen; Wel-uitstelbare taken zijn: boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen. 3.2.1. Taken van een 18-23 jarige Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden kunnen zijn: Uitstelbare taken: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, Niet uitstelbare taken: boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. 3.2.2. Hulp bij het huishouden boven de 75 jaar Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd (> 75 jaar) kan, indien nodig, hulp voor die zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend. 3.2.3. Hulp bij het huishouden in terminale situaties In terminale of andere chronische situaties waarin de gebruikelijke zorgverleners zwaar belast worden met zorgtaken kunnen de normeringen betreffende gebruikelijke zorg op maat worden gehanteerd. 3.2.4. Onbekendheid met uitvoeren huishoudelijke activiteiten Leeftijd of het niet gewend zijn aan huishoudelijk werk kunnen invloed hebben op het vermogen van andere leden uit de leefeenheid om huishoudelijke taken over te nemen. Als het overnemen van de taken noodzakelijk is, door uitval van een van de leden, kan aan de gezonde anderen een instructie worden gegeven voor het aanleren van vaardigheden op huishoudelijk gebied. Ook het trainen van huisgenoten om bepaalde huishoudelijke handelingen te verrichten of om te gaan met huishoudmiddelen valt als activiteit onder de hulp bij het huishouden: instructie. Het gaat dan om een kortdurende indicatie voor beperkte tijd, waarin de noodzakelijke huishoudelijke vaardigheden worden aangeleerd. 3.3. Voorliggende voorzieningen De gemeente Haarlem beschouwt een aantal voorzieningen als voorliggend; dat wil zeggen dat wanneer een adequate oplossing wordt geboden door gebruik te maken van deze voorzieningen of regelingen, deze voorgaan op een Wmo-voorziening. Van voorliggende voorzieningen moet gebruik worden gemaakt voor zover die beschikbaar en passend zijn. Voorliggende voorzieningen zijn onder andere (niet limitatieve lijst): kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf) voor- , tussen- en naschoolse opvang oppascentrale maaltijddienst hondenuitlaatservice boodschappendienst Particuliere hulp bij het huishouden Particuliere zorg is onder de Wmo geen voorliggende voorziening. Niemand kan worden gedwongen zelf particuliere zorg in te huren wanneer er een indicatie is voor hulp bij het huishouden op grond van de Wmo. Wettelijke voorliggende voorzieningen die voorgaan op de hulp bij het huishouden zijn: Wet kinderopvang Hiermee wordt bedoeld: dagopvang van 0 tot 4 jarigen, buitenschoolse opvang en gastouderschap, ook voor ouders/verzorgers die deelnemen aan een re-integratietraject. Opvang tussen de middag valt niet onder deze wet, maar onder een overblijfregeling van een basisschool. Basisscholen zijn wettelijk verplicht om voor- en naschoolse opvang aan te bieden. Dat kan in het schoolgebouw zijn, maar ook bij een kinderdagverblijf of via een gastouderschap. Via de belastingdienst kan een beroep worden gedaan op de kinderopvangtoeslag. Wet Arbeid en Zorg Deze wet regelt o.a. het kortdurend zorgverlof voor alle werknemers, bijv. bij ziekte van een kind of partner. Het gaat daarbij om maximaal 10 dagen per jaar met behoud van tenminste 70% van het salaris. Ziektekostenverzekering Bij sommige verzekeraars is thuiszorg opgenomen in het (aanvullende) ziektekostenpakket. Daarbij gaat het wel om crisissituaties, bijvoorbeeld bij de plotselinge ziekenhuisopname van een ouder uit een één oudergezin, als er sprake is van onuitstelbare zorgtaken. Revalideren Wanneer bepaalde aandoeningen die de oorzaak vormen voor de huishoudelijke beperkingen naar de mening van de door de gemeente aangewezen arts nog behandelmogelijkheden biedt, kan in de regel geen hulp bij het huishouden positief worden geadviseerd. Het gaat hierbij dan met name om moeilijk objectiveerbare aandoeningen en psychische aandoeningen. Hulp bij het huishouden kan in een dergelijke situaties antirevaliderend werken. Er kan wel hulp bij het huishouden naast een te volgen behandeling of revalidatie verstrekt worden. Hierover is afstemming met de behandelaar nodig. Een dergelijke indicatie heeft dan een korte geldigheidsduur, afhankelijk van de duur van het behandel- of revalidatietraject. Technische hulpmiddelen en woonvoorzieningen Indien de problemen afdoende kunnen worden opgelost met technische hulpmiddelen of woonvoorzieningen is er geen indicatie voor hulp bij het huishouden. Hulpmiddelen kunnen bestaan uit algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur, zoals een wasmachine of stofzuiger. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden andere hulpmiddelen, zoals een droogtrommel of een afwasmachine. Als dergelijke apparaten niet aanwezig zijn, maar wel een adequate oplossing zouden bieden voor het probleem, is de aanschaf van deze hulpmiddelen voorliggend op het inzetten van hulp. De belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van dergelijke algemeen gebruikelijke voorzieningen. Deze worden in het kader van de Wmo niet verstrekt. Indien een oplossing gevonden kan worden via een aanpassing van de keuken, het plaatsen van een verhoging voor een droger of wasmachine of sanering van de woning in verband met CARA, kan er een woonvoorzieningen worden toegekend in het kader van de Wmo. Daarnaast kunnen enkele hulpmiddelen worden gefinancierd vanuit andere regelingen, zoals de Awbz en de Regeling hulpmiddelen. 3.4. Vormen van hulp bij het huishouden De persoon met beperkingen heeft de keuze uit drie verstrekking vormen in het kader van de hulp bij het huishouden. Algemene voorziening Zorg in natura Persoonsgebonden budget (Pgb) Algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid en een beperkte toegangsbeoordeling. Een algemene voorziening kan snel en zonder veel regels een adequate oplossing bieden om beperkingen te compenseren. Een algemene voorziening is voorliggend op een individuele voorziening. Een voorbeeld van een algemene voorziening is de boodschappenservice. Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 1.3 van deze uitvoeringsregels. Zorg in natura Zorg in natura wil zeggen dat de hulp daadwerkelijk wordt geleverd door een van de zorgaanbieders waarmee de gemeente Haarlem een overeenkomst heeft afgesloten. De zorg wordt geleverd door een zorgaanbieder en de gemeente betaalt de kosten voor de hulp direct aan de zorgaanbieder. Er is een eigen bijdrage verschuldigd die, op basis van de landelijke draagkrachtberekening, wordt vastgesteld en geïnd door het CAK. Persoonsgebonden budget (Pgb) Een Pgb is een geldbedrag bedoeld om zelf zorg in te kopen. Dat kan bij een (thuis)zorgorganisatie, maar ook bij uitwonende familieleden, vrienden of kennissen of een schoonmaakbedrijf. Voor een Pgb wordt een eigen bijdrage gevraagd die door het CAK, op basis van de landelijke draagkrachtberekening, wordt vastgesteld en geïnd. Een Pgb voor hulp bij het huishouden wordt periodiek uitbetaald en moet achteraf worden verantwoord. Naast de keuzemogelijkheid tussen de voorziening in natura of een persoonsgebonden budget bestaat er tevens de keuze uit de vergoeding voor een alfahulp. Dit is per 1 januari 2010 vastgesteld in artikel 5, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning. De nadere regels hieromtrent zijn vastgesteld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem. In het kader van het Pgb zijn er twee situaties mogelijk. Er kan gekozen worden voor een situatie waarbij er een verhouding opdrachtgever – opdrachtnemer ontstaat (waarbij de helpende niet in loondienst komt) of een situatie die in de Wmo omschreven is als “een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij sprake is van de Regeling diensten aan huis. 3.5. Categorieën hulp bij het huishouden Om een persoon met beperkingen in staat te stellen een huishouden te voeren kan er een indicatie voor hulp bij het huishouden worden gegeven, de activiteiten waarbij ondersteuning kan worden gegeven zijn in te delen in een drietal categorieën hulp bij het huishouden. Op basis van de indicatie bepaalt de gemeente welke categorie wordt ingezet. Deze categorieën worden als volgt ingedeeld: Categorie 1 huishoudelijke werkzaamheden Er is sprake van een stabiele (gezins-) situatie waarbij naast de hulp bij het huishouden geen andere ondersteuning nodig is. Voor deze groep klanten worden de volgende vormen van hulp bij het huishouden ingezet: boodschappen doen voor het dagelijkse leven, indien een voorliggende voorziening niet adequaat is de verzorging van een warme maaltijd, indien een voorliggende voorziening niet adequaat is de verzorging van een broodmaaltijd lichte en zware huishoudelijke werkzaamheden verzorging van kleding en linnengoed (incl. het doen van de was en huishoudelijke spullen in orde houden) Categorie 2 huishoudelijke werkzaamheden, als categorie 1, aangevuld met de organisatie van het huishouden Een deel van de klanten heeft (extra) hulp nodig om het huishouden gaande te houden. Dit kan (al dan niet tijdelijk) bestaan uit: anderen helpen met maaltijdbereiding kinderen jonger dan 12 jaar helpen met zelfverzorging dagelijkse organisatie met betrekking tot het huishouden Categorie 3 huishoudelijke werkzaamheden, als categorie 1, aangevuld met de organisatie van het huishouden, als categorie 2, met daarbij aanvullende hulp bij een ontregeld huishouden in verband met psychosociale problematiek psychosociale begeleiding instructie, advies en voorlichting gericht op het huishouden Bij instructie, advies en voorlichting wordt leerbaarheid verondersteld van de belanghebbende. Wanneer de taak is aangeleerd vervalt het recht op hulp. Nadat de categorie is bepaald wordt aan de hand van standaardindicaties berekend hoeveel uren zorg geleverd moet worden. Het aantal uren wordt uitgedrukt in zogenoemde klassen. Dit zijn bandbreedtes van het aantal uren zorg dat per week geleverd moet worden. 3.5.1. Categorie 1 Huishoudelijke werkzaamheden Voor de hulp bij het huishouden zijn standaardindicaties ontwikkeld. In deze paragraaf wordt per activiteit een normtijd aangegeven. De volgende activiteiten vallen onder de huishoudelijke werkzaamheden: boodschappen voor het dagelijks leven maaltijdverzorging: bereiding broodmaaltijd/warme maaltijd licht poetswerk in huis: kamers opruimen huishoudelijke werkzaamheden: stofzuigen, wc/badkamer schoonmaken verzorging kleding/linnengoed Hieronder volgt een toelichting op een aantal activiteiten vallende onder categorie 1. Boodschappen voor het dagelijkse leven Wanneer er geen voorliggende voorzieningen, zoals een boodschappendienst of een vrijwilligersorganisatie, aanwezig of adequaat zijn. Bij hoge uitzondering wordt dit toegekend. Voorbeelden factoren meer / minder hulp: indien het huishouden bestaat uit meer dan vier personen kan er 30 minuten extra per week voor de boodschappen worden geïndiceerd; Afstand tot winkel of het aantal kinderen. Maaltijdverzorging: bereiding broodmaaltijd/warme maaltijd Bij hoge uitzonering wordt dit toegekend. In vrijwel alle gevallen kan dit met vrijwilligers (Tafeltje Dekje), familie en buren worden opgelost. Voorbeelden factoren meer / minder hulp: ·bij aanwezigheid van kinderen jonger dan 12 jaar kan er 20 minuten extra per keer worden geïndiceerd. Aanvullende informatie Maaltijdbereiding en boodschappen doen vindt niet structureel plaats. Er moet voor de maaltijdbereiding en het doen van boodschappen in eerste instantie een beroep gedaan worden op de eventueel aanwezige –meerderjarige, gezonde- huisgenoten (gebruikelijke zorg). Als men de warme maaltijd niet kan verzorgen, moet worden nagegaan welke mogelijkheden mantelzorg, vrijwilligers en voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen bieden. Te denken valt aan kant en klaarmaaltijden, gemeentelijke maaltijdvoorziening (Tafeltje Dekje), boodschappendiensten of bezorging aan huis. Indien voorliggende voorzieningen niet tegemoet kunnen komen aan de eisen van een, door een arts voorgeschreven, dieet, kan maaltijdbereiding worden geïndiceerd. In een gezin met jonge kinderen kan ook een indicatie gesteld worden voor maaltijdvoorziening of boodschappendienst, omdat dan bijvoorbeeld Tafeltje Dekje niet als adequaat kan worden beschouwd. Als huisgenoten door onvoldoende kennis of vaardigheden niet in staat zijn om te koken, wordt hen aangeboden om het koken te leren. De geldigheidsduur is afhankelijk van de situatie, maar maximaal 6 weken. Licht huishoudelijk werk Alleen de kamers die in gebruik zijn, worden schoongehouden. Voorbeelden factoren meer / minder hulp (maximaal 30 minuten per factor) : kinderen jonger dan 12 Psychogeriatrische problematiek/communicatieproblemen allergie voor huisstofmijt Aanvullende informatie Bij allergie voor huisstofmijt zal er advisering rond het saneren van de woning plaatsvinden door bijvoorbeeld de COPD verpleegkundige. Zie voor meer informatie over COPD-sanering het hoofdstuk over woonvoorzieningen. Een vraag naar hulp bij het huishouden zal pas aan de orde zijn wanneer sanering van de woning reeds heeft plaatsgevonden. Zwaar huishoudelijke werkzaamheden Voorbeelden factoren meer / minder hulp: In grote woningen met hoge bezettingsgraad, vervuilingsgraad, COPD problematiek of aanwezigheid van jonge kinderen (< 12 jaar) kan de indicatie verhoogd worden met 30 minuten. Voor de verzorging van huisdieren kan niet tot een hogere klasse overgegaan worden. Verzorging kleding/linnengoed Voorbeelden van factoren meer / minder werk: kinderen < 12 jaar ; 15 minuten per kind per week extra bedlegerige patiënten + 30 minuten extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies enz.: + 30 min. 3.5.2. Categorie 2 Organisatie van het huishouden: huishoudelijke werkzaamheden, als categorie 1, aangevuld met de organisatie van het huishouden. De volgende activiteiten vallen onder de organisatie van het huishouden. Normering activiteiten ten behoeve van de opvang en verzorging van kinderen. Dagelijkse organisatie (regie) van het huishouden. Normering activiteiten ten behoeve van de opvang en verzorging van kinderen De grondslag ligt bij de ouder. Deze is tijdelijk niet in staat om de ouderrol op zich te nemen. De normtijden worden gebruikt bij het berekenen van de totale benodigde tijd voor de activiteiten met betrekking tot kinderen. Hiervoor wordt de normtijd vermenigvuldigd met het aantal keer per dag en het aantal keer per week. Dit levert dan de totaaltijd op van de activiteiten met betrekking tot kinderen. Het is hierbij mogelijk om taken te combineren. Voorbeelden factoren meer / minder werk: aantal kinderen leeftijd kinderen gezondheidssituatie / functioneren kinderen / huisgenoten. aanwezigheid gedragsproblematiek samenvallende activiteiten die tegelijk kunnen worden uitgevoerd Dagelijkse organisatie (regie) van het huishouden Activiteiten Totaal 30 min p.w. Administratieve werkzaamheden ten behoeve van huishoudelijke activiteiten. 10 min Plannen van huishoudelijke activiteiten 10 min Plannen en beheren van middelen m.b.t het huishouden 10 min Voorbeelden factoren meer / minder werk: communicatieproblemen aantal huisgenoten, vooral kinderen jonger dan 16 (psychosociale) problematiek bij meerdere gezinsleden Aanvullende informatie opvang en verzorging van kinderen Uitval van (een van) de ouders Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen, het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Indien er sprake is van uitval van de ouder in een éénoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat mantelzorg kan opvangen, en wat vrijwilligers als vervangende mantelzorg, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen opvangen. Opvang valt niet onder de hulp bij het huishouden. Het halen en brengen naar de opvang en het sfeer scheppen in de huishoudelijke kring valt wel binnen de Wmo. Eigen oplossingen gaan voor Indien nodig moet de ouder gebruik maken van de voor hem/haar geldende regeling voor zorgverlof. De indicatiesteller onderzoekt, in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen. Is dit niet mogelijk dan moet de ouder gebruik maken van (een combinatie van) crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder ed. (de zogenaamde algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen). Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Voorkomen van crisis en ontwrichting Zijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is er slechts kortdurend overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan Hulp bij het huishouden worden ingezet. Structurele opvang van kinderen valt niet onder de hulp bij het huishouden. Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting of calamiteiten tot een indicatie(advies) voor Hulp bij het huishouden voor een beperkte tijd leiden. Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke zorg voor het huishouden. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, wordt de situatie als een éénoudergezin beschouwd. 3.5.3. Categorie 3 Hulp bij ontregelde huishouding, in verband met psychosociale problematiek: huishoudelijke werkzaamheden, als categorie 1, aangevuld met de organisatie van het huishouden, als categorie 2, met daarbij aanvullende hulp bij een ontregeld huishouden in verband met psychosociale problematiek. De duur van de inzet van categorie 3 is in principe maximaal 3 maanden, waarna categorie 2 of categorie 1 ingezet kan worden. Categorie 3 wordt tijdelijk ingezet. Meestal tussen 6 weken en maximaal 3 maanden. Hierna kan volstaan worden met hulp bij het huishouden in categorie 2 of in categorie 1. Individueel maatwerk blijft echter onverkort van kracht bij aantoonbare onverantwoorde switch – toegesneden op de individuele aanvrager- van categorie 3 naar categorie 2 of categorie 1. De volgende activiteiten vallen onder de hulp bij ontregelde huishouding: psychosociale begeleiding in relatie tot et voeren van een huishouden. advies, instructie en voorlichting, gericht op het huishouden. Psychosociale begeleiding In principe wordt er voor onderstaande activiteiten geen extra tijd geïndiceerd, tenzij onderstaande activiteit (-
- en)aantoonbaar noodzakelijk zijn. In combinatie met activiteiten onder categorie 1 en 2 30 min p.w. Formuleren doelen/bijstellen doelen met betrekking tot het huishouden 10 min Helpen handhaven/verkrijgen/herkrijgen structuur in het huishouden 10 min Helpen handhaven vergroten van zelfredzaamheid m.b.t. budget 10 min Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden Leeftijd of het niet gewend zijn aan huishoudelijk werk kunnen invloed hebben op het vermogen van andere leden uit de leefeenheid om huishoudelijke taken over te nemen. Als dit noodzakelijk is, door uitval van een van de leden, kan aan de gezonde anderen een instructie worden gegeven voor het aanleren van vaardigheden op huishoudelijk gebied. Ook het trainen van huisgenoten om bepaalde huishoudelijke handelingen te verrichten of om te gaan met hulp bij het huishoudenmiddelen valt als activiteit onder de Hulp bij het huishouden: instructie. Het gaat dan om een kortdurende indicatie voor beperkte tijd, waarin de noodzakelijke huishoudelijke vaardigheden worden aangeleerd. Frequentie: 3 x per week max. 6 weken Activiteiten 30 min per keer Instructie omgaan met hulpmiddelen 10 min Instructie licht huishoudelijke werk 10 min Instructie textielverzorging -boodschappen doen -koken 10 min Voorbeelden factoren meer / minder werk: ·communicatieproblemen 3.6. De tijdsnormering De tijdsnormeringen zijn indicatief. Er dienen altijd individuele afwegingen gemaakt te worden. In de Wmo heeft de gemeente een resultaatsverplichting, dat wil zeggen dat het resultaat primair van belang is. De normtijd is onder meer afhankelijk van: samenstelling van het huishouden: één of meer persoonshuishouden, de aanwezigheid en leeftijd van kinderen, het aantal kamers dat intensief als leefruimte wordt gebruikt. Meerpersoonshuishouden (ongeacht de aard van de woning) Zwaar huishoudelijk werk Zwaar huishoudelijk werk Stofzuigen 60 minuten per week Schoonmaken en dweilen: sanitair en keuken 60 minuten per week Ramen lappen (incidenteel) 30 minuten per week Bedden verschonen 20 minuten per week Opruimen huishoudelijk afval 10 minuten per week Additionele tijd kinderen < 12 30 minuten per week Licht huishoudelijk werk Afwassen 20 minuten per week Hand- en spandiensten 20 minuten per week Opruimen en stof afnemen 30 minuten per week Bedden opmaken 20 minuten per week Additionele tijd kinderen < 12 15 minuten per week Wasverzorging / kleding Kleding en linnengoed sorteren en wassen in een wasmachine 15 minuten per week Was drogen in droogmachine 15 minuten per week Ophangen / afhalen wasgoed 15 minuten per week Vouwen, strijken en opbergen 30 minuten per week Additionele tijd wasverzorging kinderen < 12 15 minuten per kind, per week Additionele tijd wasverzorging voor cliënt die bedlegerig is 30 minuten per week Additionele tijd wasverzorging i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies enz. 30 minuten per week Activiteiten boodschappen & maaltijden Boodschappen inkopen en opslaan 45 minuten per week Activiteiten t.b.v. de opvang en verzorging van kinderen Tot max. 40 uur per week (aanvullen op eigen mogelijkheden) Sfeer scheppen, spelen 20 minuten per week Maaltijd voorbereiding 20 minuten per week Naar bed brengen 10 minuten per kind, per keer Uit bed halen 10 minuten per kind, per keer Wassen en kleden 30 per dag, per kind Eten en/of drinken geven 20 per maaltijd Babyvoeding 10 minuten per kind, per keer Naar school/ crèche brengen/ halen 15 minuten per keer Alleenstaanden in eengezinswoning ( woning met meerdere woonlagen) Zwaar huishoudelijk werk Stofzuigen 60 minuten per week Schoonmakenen dweilen: sanitair en keuken 30 minuten per week Ramen lappen (incidenteel) 30 minuten per week Bedden verschonen 10 minuten per week Opruimen huishoudelijk afval 10 minuten per week Licht huishoudelijk werk Afwassen 15 minuten per week Hand- en spandiensten 15 minuten per week Opruimen en stof afnemen 30 minuten per week Bedden opmaken 10 minuten per week Wasverzorging / kleding Kleding en linnengoed sorteren en wassen in een wasmachine 10 minuten per week Was drogen in droogmachine 10 minuten per week Ophangen / afhalen wasgoed 10 minuten per week Vouwen, strijken en opbergen 20 minuten per week Additionele tijd wasverzorging voor cliënt die bedlegerig is 30 minuten per week Additionele tijd wasverzorging i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies enz. 30 minuten per week Activiteiten boodschappen & maaltijden Boodschappen inkopen en opslaan 45 minuten per week A lleenstaanden in senioren- of kleine woning (gelijkvloerse woningen / 1 woonlaag) Zwaar huishoudelijk werk Stofzuigen 25 minuten per week Schoonmakenen dweilen: sanitair en keuken 30 minuten per week Ramen lappen (incidenteel) 15 minuten per week Bedden verschonen 10 minuten per week Opruimen huishoudelijk afval 10 minuten per week Licht huishoudelijk werk Afwassen 15 minuten per week Hand- en spandiensten 15 minuten per week Opruimen en stof afnemen 25 minuten per week Bedden opmaken 10 minuten per week Wasverzorging / kleding Kleding en linnengoed sorteren en wassen in een wasmachine 10 minuten per week Was drogen in droogmachine 10 minuten per week Ophangen / afhalen wasgoed 10 minuten per week Vouwen, strijken en opbergen 20 minuten per week Additionele tijd wasverzorging voor cliënt die bedlegerig is 30 minuten per week Additionele tijd wasverzorging i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies enz. 30 minuten per week Activiteiten boodschappen & maaltijden Boodschappen inkopen en opslaan 45 minuten per week 3.7. Klassen Zoals reeds aangegeven hebben alle huishoudelijke taken binnen de verschillende categorieën een normering in minuten. Afhankelijk van de frequentie kan zo het aantal uren per week worden vastgesteld en daarmee de bijbehorende klasse als een burger kiest voor hulp in natura. De klasse heeft een bandbreedte van het aantal uren zorg dat per week geleverd moet worden. De zorgaanbieders kunnen binnen de geïndiceerde bandbreedte zelf bepalen hoeveel uur per week ingezet gaat wordt. De gemeente vergoedt, bij verstrekking in natura, de feitelijk geleverde uren. Bandbreedte Klasse 0 t/m 2 uur per week Klasse 1 > 2 t/m 4 uur per week Klasse 2 > 4 t/m 7 uur per week. Klasse 3 > 7 t/m 10 uur per week. Klasse 4 > 10 t/m 13 uur per week. Klasse 5 > 13 t/m 16 uur per week. Klasse 6 > = groter dan. 3.8. Hulp bij het huishouden in de vorm van een Pgb Het bedrag voor het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt gebaseerd op exact geïndiceerde uren, afgerond op een kwartier naar boven. Deze indicatie wordt vermenigvuldigd met het maximale uurbedrag, zoals vastgesteld in het Besluit, of zoveel lager als overeengekomen is in de zorgovereenkomst met de zorgleverancier. Er wordt geen rekening gehouden met de categorie. Rekenvoorbeeld: Om het maandbedrag van de Pgb te berekenen ga je uit van de volgende formule: ..,.. uur x overeengekomen tarief met zorgleverancier x 52 weken : 12 maanden= maandelijks uit te keren Pgb bedrag Voorbeeld: 3,5 uur x € 18,00 x 52 : 12 = € 273,00 Bij het berekenen van het PGB bedrag, ga je uit van 100 tallen. Dus uit je normtijden tabel komt bijvoorbeeld 3 uur en 30 minuten. Om het maandbedrag te kunnen berekenen hanteer je 3,5 uur. (3.5 x € 18,00 x 52:12= maandbedrag) 15 minuten = 0.25 uur 30 minuten = 0.50 uur 45 minuten = 0.75 uur Pgb en verblijf buite n de woonstad Bij verblijf buiten de woonstad met een maximum van 6 weken kan men het recht behouden op het Pgb. De verantwoordingsplicht geldt hier onverkort. Bij permanente bewoning buiten de woonstede heeft iemand geen recht op Pgb. Verantwoording Pgb. Iedereen die een Pgb ontvangt is verplicht jaarlijks op verzoek van de gemeente verantwoording af te leggen over de besteding van het Pgb. De verantwoording is nader uitgewerkt in het Besluit. Uitbetaling Pgb / verplichting van de Zorgovereenkomst De Pgb wordt betaald nadat de ondertekende zorgovereenkomst door de gemeente is ontvangen en goedgekeurd. De Pgb wordt met terugwerkende kracht van 2 weken betaald, vanaf de datum van ontvangst van de zorgovereenkomst. De zorgovereenkomst is dus een verplicht onderdeel ten behoeve van de uit eindelijke betaling van een Pgb ten behoeve van hulp bij het huishouden. Voorbeelden van zorgovereenkomsten zijn als bijlage bij het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem bijgevoegd of kunnen opgevraagd worden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Weigering en tussentijdse intrekking De gemeente kan besluiten af te zien van het verstrekken van een Pgb op basis van in de persoon gelegen bezwaren. Daarvan kan sprake zijn in gevallen dat het zeer twijfelachtig is dat de belanghebbende een Pgb besteedt aan datgene waar het voor gegeven is. Bijvoorbeeld ten gevolge van: het psychisch en/of sociaal functioneren van de aanvrager, Daarbij kan worden gedacht aan mensen met bijvoorbeeld manische buien of verslavingsproblematiek. Een indicatie voor categorie 2 of 3 kan een contra-indicatie betekenen voor een Pgb; problematische schulden bij de aanvrager. Als deze mensen echter een goed netwerk hebben die voor hen het beheer kan verzorgen, kan een Pgb als keuze beschikbaar blijven. Op basis van periodieke controles kan de gemeente besluiten een toegekend persoonsgebonden budget tussentijds in te vorderen of te verrekenen, indien: het toegekende budget niet in verhouding staat tot de werkelijk genoten hulp; er sprake is van oneigenlijk gebleken gebruik van het budget. Ondersteuning budgethouders Personen met een persoonsgebonden budget kunnen gebruik maken van (externe) ondersteuning, de Sociale Verzekeringsbank (SVB), die vooral is bedoeld voor budgethouders die de rol van werkgever vervullen. Die ondersteuning kan bestaan uit het leveren van modelovereenkomsten en de salarisadministratie. 3.9. Eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden en Pgb Voor de hulp bij het huishouden in natura of in de vorm van een Pgb is een eigen bijdrage verschuldigd. De eigen bijdrageregeling is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem. Pgb wordt bruto uitbetaald en het CAK legt een eigen bijdrage op. Het is niet de bedoeling dat het Pgb gebruikt wordt om de eigen bijdrage te betalen. Indien iemand het niet eens is met de hoogte van de eigen bijdrage kan bij het CAK hiertegen bezwaar gemaakt worden. Voor meer informatie over de eigen bijdrage wordt verwezen naar paragraaf 1.4.5. 3.10. Overlijden en Zorg in natura of Pgb Wanneer er geen nabestaanden zijn binnen de leefeenheid wordt het Pgb of de zorg in natura direct beëindigd per datum overlijden. Wanneer er wel nabestaanden zijn wordt het Pgb of de zorg in natura gecontinueerd voor maximaal 6 weken. In deze periode kan de nabestaande, indien nodig, zelf een aanvraag indienen voor hulp bij het huishouden. 4: Woonvoorzieningen 4.1. Inleiding Artikel 4 van de Wmo, onder a geeft aan dat, indien daartoe de noodzaak aanwezig is, belemmeringen die worden ondervonden bij het voeren van een huishouden gecompenseerd dienen te worden. De compensatie betreft zowel een woonvoorziening als ter ondersteuning voor het voeren van het huishouden. In dit hoofdstuk komen de woonvoorzieningen aan bod. Onder woonvoorziening wordt hier verstaan dat een aanvrager in staat gesteld wordt op een normale wijze te wonen, hetgeen betekent dat als resultaatsverplichting geldt een woning waarin alle activiteiten van het dagelijks leven uitgevoerd kunnen worden. Hierbij moet worden toegevoegd "in aanvaardbare mate". Dit wil zeggen, dat daar waar de term "normale wijze / gelijkwaardige positie" vrijwel onbegrensde eisen kan stellen aan de gemeente ten aanzien van de te treffen woonvoorzieningen, deze inmiddels door de rechtspraak is begrensd met de term "in aanvaardbare mate". Aangezien het treffen van voorzieningen in het kader van de Wmo een individuele benadering vraagt zal per klant moeten worden beoordeeld wat in die specifieke situatie "aanvaardbare mate" inhoudt. 4.2. Vormen van woonvoorzieningen Gaat het om een woonvoorziening die onder de reikwijdte van de Wmo valt, dan geldt dat de gemeente compensatieplicht heeft. De gemeente kan hierbij beschikken over een aantal mogelijke oplossingen. Er zijn vier mogelijkheden om een woonvoorzieningen te verstrekken: algemene woonvoorzieningen; woonvoorzieningen in natura; Pgb te besteden aan een woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening. In de hierna volgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de verschillende woonvoorzieningen. 4.2.1. Algemene woonvoorzieningen De Verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan het criterium “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” en op grond daarvan een aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening in aanmerking komt als daardoor het woonprobleem snel en adequaat opgelost wordt. In de Verordening is bepaald dat het primaat ligt bij een algemene woonvoorziening. Voorbeelden van algemene woonvoorzieningen zijn de voorzieningen die gerealiseerd kunnen worden zoals benoemd in Bijlage I van het Besluit. Gaat het om een algemene voorziening, dan hoeft er geen aanvraag te worden ingediend. Een melding is voldoende. Na een beperkte toets wordt geregeld dat de algemene woonvoorziening wordt gerealiseerd of geleverd. Voor meer informatie over de algemene voorzieningen wordt verwezen naar paragraaf 1.3. Als een algemene voorziening niet de oplossing is voor het woonprobleem, of als de aanvrager van mening is dat een algemene voorziening niet voldoet, kan een aanvraag voor een woonvoorziening worden ingediend. 4.2.2. Woonvoorziening in natura Een woonvoorziening in natura is de feitelijke verstrekking van een voorziening. Dit kan zowel een losse woonvoorziening als een bouwkundige aanpassing zijn. Een voorziening in natura voor een losse woonvoorziening wordt in principe in bruikleen verstrekt. Om bedrijfseconomische redenen kan een voorziening in natura ook in eigendom worden verstrekt. Dit is in ieder geval van toepassing als het een voorziening betreft zoals genoemd in bijlage II van het Besluit en in situaties waarbij verstrekking via de leverancier van de gemeente substantieel hogere kosten met zich meebrengt dan verstrekking in eigendom. 4.2.3. Persoonsgebonden budget (Pgb) te besteden aan een woonvoorziening Een Pgb is een geldbedrag dat iemand ontvangt om zelf zijn of haar woonvoorziening mee te kopen. Met dit geld kiezen mensen zelf hun woonvoorziening op basis van een programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente. De omvang van het Pgb is de tegenwaarde van de goedkoopst adequate voorziening bij verstrekking in natura. 4.2.4. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening Dit betreft de financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep aan een woonruimte die uitbetaald wordt aan de woningeigenaar en niet aan de huurder van de woonruimte. In die situatie kan dus geen sprake zijn van een Pgb. Een financiële tegemoetkoming is onder andere ook mogelijk voor verhuis- en herinrichtingskosten, Cara-sanering, sanering in verband rolstoelgebruik, aanpassingskosten in gemeenschappelijke ruimten, tijdelijke huisvesting, huurderving en de keuring-, onderhoud- en reparatiekosten van een woonvoorziening. 4.3. Uitsluitingen Bij de verdere behandeling van een aanvraag voor een woonvoorziening moet eerst gekeken worden of één van de uitsluitingen, specifiek gericht op woonvoorzieningen, genoemd in de Verordening van toepassing is. In een aantal situaties zal geen sprake zijn van compensatieplicht, omdat in die situaties sprake is van een bijzondere woonsituatie: woningen die niet als zelfstandige woning dienst doen (hotels, pensions, trekkerswoonwagens); woningen die niet bedoeld zijn voor permanente bewoning (tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen); (een) verhuurde kamer of kamers; specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; Awbz-instellingen. Het treffen van woonvoorzieningen in één van bovenstaande woonvormen is in het kader van de Wmo dus niet mogelijk. 4.4. Hoofdverblijf Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Met betrekking tot het begrip hoofdverblijf wordt verwezen naar hoofdstuk 1, Algemene bepalingen, onder 1.2.5. Meerdere hoofdverblijven In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in de situatie, waarin sprake is van een bezoekregeling. Als de ouders niet in dezelfde gemeente woonachtig zijn, rust de compensatieplicht op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Uitzondering: bezoekbaar maken woning Indien een persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een Awbz-instelling en regelmatig een woning in de gemeente Haarlem bezoekt is het mogelijk om éénmalig een woningaanpassing vergoed te krijgen voor het bezoekbaar maken van deze woning. Het betreft alleen het aanpassen van de toegang en het gebruik van de woonkamer en het toilet. De woning wordt niet zodanig aangepast dat de persoon met beperkingen in de woning kan overnachten. De voorziening wordt alleen verstrekt wanneer de gemeente niet eerder de betreffende woning bezoekbaar heeft gemaakt of heeft aangepast. Voor de maximale financiële vergoeding wordt verwezen naar het Besluit. 4.5. Weigering van een woonvoorziening Op grond van de Verordening worden woonvoorzieningen geweigerd als sprake is van een of meer van de hierna vermelde feiten. 4.5.1. Ontbreken noodzaak De noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening is het gevolg van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig is. Deze weigering ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassing van de woning als daar een belangrijke reden voor is. Deze redenen kunnen zijn: het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie dat na een echtscheiding de aangepaste woning niet meer bewoond kan worden door de persoon met belemmeringen, enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. Verhuiswens Als iemand met beperkingen ervoor kiest zijn huidige adequate woning om te ruilen voor een andere woning, is er in het kader van de Wmo geen compensatieplicht. 4.5.2. Verhuizing naar inadequaat Bij een verhuizing moet gezocht worden naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent, dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen moet worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die de gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. In geval van echtscheiding of verbreken van de relatie zal onderzocht moeten worden of de persoon met beperkingen in de aangepaste woning kan blijven wonen. Indien dit niet mogelijk is, kan een verhuisadvies met pakket van eisen voor een nieuw te zoeken woning worden opgesteld. Dit om te voorkomen dat er verhuisd wordt naar een inadequate woning. 4.5.3. Woonvoorziening algemene ruimte De voorzieningen die in gemeenschappelijke ruimten getroffen kunnen worden, zijn automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning is tevens een maximum bedrag opgenomen voor deze voorzieningen. Wanneer de aanpassingskosten boven dit maximum bedrag uitkomen worden de verhuismogelijkheden onderzocht. Zie ook onder paragraaf 4.6. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten mogen nooit een belemmeringen vormen voor de andere bewoners. De woningeigenaar of de Vereniging van Eigenaren moet toestemming geven voor het plaatsen van de voorzieningen. Zie ook onder paragraaf 4.5.8. 4.5.4. Gezins- of woonsituatie Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren. Er is geen compenstatieplicht wanneer als reden voor de verhuizing wordt aangegeven dat de tuin te groot is of dat het moeilijk is een groot huis te onderhouden of schoon te houden en er geen andere belemmeringen ondervonden worden. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers, uiteraard moet hier zorgvuldig onderzoek plaatsvinden. Personen, die voor het eerst zelfstandig gaan wonen of van een niet zelfstandige woning naar een zelfstandige woning verhuizen worden geacht voor een verhuizing te reserveren. Deze verhuizing wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt. De aanvrager kan wel in aanmerking komen voor een verhuisadvies, waarbij een pakket van eisen wordt opgesteld. Dit om te voorkomen dat verhuisd wordt naar een inadequate woning. 4.5.5. Verhuizing naar instelling voor zorg Er wordt geen woonvoorziening verstrekt wanneer: de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; verhuisd is naar een Awbz instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. Zie ook de toelichting bij de paragraaf financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten. 4.5.6. Aard der materialen Wanneer de ondervonden problemen voortvloeien uit de aard van de gebruikte materialen zal ook geen voorziening worden verstrekt. Iedereen, ongeacht een eventuele beperking, zal met bepaalde materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de beperking in relatie tot de woning, maar door de gebruikte materialen, reden om een voorziening te weigeren. 4.5.7. Sociaal uitrustingsniveau Wanneer de aanvraag is gericht op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw zal geen woonvoorziening worden verstrekt. Het uitgangspunt is goedkoopst adequaat en het niveau van de sociale woningbouw. Het bouwbesluit is leidend. 4.5.8. Geen toestemming van de eigenaar Voor het aanpassen van een woning is medewerking van de eigenaar nodig. Het is denkbaar dat, wanneer de belanghebbende de woning huurt, de eigenaar/verhuurder geen toestemming geeft voor het aanpassen van de woning. De wetgever heeft in dit probleem voorzien door opneming van artikel 16 in de Woningwet. Op grond van dit artikel rust op de eigenaar van een woning de plicht om die voorzieningen te treffen, waarvoor ingevolge de Wmo geldelijke steun is verleend. Het college moet zorg dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van deze verplichting. 4.5.9 Afgeschreven woonvoorzieningen Aanvragen voor woonvoorzieningen, waarvan blijkt dat deze zijn afgeschreven ten tijde van de behandeling van een aanvraag ter zake, worden afgewezen. Voor de termijnen wordt aansluiting gezocht bij de afschrijvingstermijnen die door de vereniging Overleg Voorzitters Huurcommissie zijn vastgesteld in het ‘Beleid Huurverhoging na Woonverbetering’. Daarin staat bijvoorbeeld dat een badkamer na vijfentwintig jaar in beginsel volledig is afgeschreven. De afwijzing is in dit geval gebaseerd op artikel 1.2 lid 5 onder a van de Verordening. 4.6. Primaat van de verhuizing Het primaat van de verhuizing wil zeggen dat als vaststaat dat compensatie noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een adequate oplossing is. In de jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproble