Deze nota bodembeheer van de gemeente Tilburg regelt het tijdelijk opslaan en hergebruiken van grond en gerijpte baggerspecie op of in de bodem, met een focus op milieuvriendelijkheid en kostenbesparing. De nota is herzien om rekening te houden met PFAS-verbindingen en definieert Lokale Maximale Waarden hiervoor.
✓ Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond op plaatsen waar kinderen spelen en moes-/volkstuin(complex)en (
✓ Het verruimen van de regels voor de tijdelijke opslag en het toepassen van grond met de (toekomstige) bodemfunctie ‘Wonen’ en ‘Industrie’ (
✓ Het verruimen van de regels voor het toepassen van PFAS-houdende grond in de gemeente Tilburg (
.3.4.1 en § 4.3.4.2) ✓ Het toepassen van PFAS-houdende grond onder grondwaterniveau (
.3.4.3) ✓ Mogelijkheden kleinschalig grondverzet PFAS-houdende grond (§ 4.3.4.4) ✓ Het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied Gilzerbaan (
.4) ✓ Het toepassen van grond ter plaatse van de stortplaatsen De Spinder en Kempenbaan (
✓ Het toepassen van grond ter plaatse van het Noorderbos (voormalige vloeivelden;
✓ Het verruimen van de regels bij de tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur én groenvoorzieningen (
✓ Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag (
✓ Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 3 meter beneden het maaiveld (
✓ Het toepassen van grond van een grondbank of grondreiniger (
✓ Het vaststellen van strengere eisen voor het toepassen van grond vanuit gebieden van buiten het bodembeheergebied bij grondverzet waarvoor de gemeente strenger beleid heeft vastgesteld dan de landelijke regelgeving (
✓ Het versoepelen van de onderzoeksinspanning als grond vanuit rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen, grotere doorgaande wegen in beheer van de gemeente en wegen in het buitengebied, inclusief de onverharde bermen als deze onder dezelfde omstandigheden wordt hergebruikt (
✓ Het toepassen van (PFAS-houdende) grond in een grootschalige bodemtoepassing (
✓ Het toepassen van grond vanuit of in gebieden die zijn uitgesloten van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart (
✓ Het vaststellen van strengere eisen voor grond vanuit categorie-1 weken (voormalig Bouwstoffenbesluit;
✓ Het gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart als al een kwaliteitsonderzoek is uitgevoerd (
✓ De geldigheidsduur van eventueel uitgevoerd onderzoek (
✓ Grondverzet ter plaatse van gesaneerde en te saneren locaties. Dit is een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid (
✓ Grondverzet ter plaatse van provinciale beschermingsgebieden (
✓ Omgaan met bodemvreemd materiaal (bijmenging;
✓ Het verspreiden van (PFAS-houdende) onderhoudsbaggerspecie (generiek kader Besluit bodemkwaliteit;
hoofdstuk 5). ✓ Gemandateerde bevoegdheden Het geactualiseerde (gebiedsspecifieke) grondstromenbeleid en eventuele toekomstige wijzigingen op dit beleid moeten, conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit, worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om praktische redenen worden besluiten met een uitvoerend karakter gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders. Het betreft besluiten voor: het tussentijds aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en de toepassingskaart; het toevoegen van aanvullende gegevens en nu uitgesloten locaties/gebieden aan de bodemkwaliteitskaart die geen invloed hebben op het gemeentelijke gebiedsspecifieke grondstromenbeleid; het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gemeentelijke gebiedsspecifieke grondstromenbeleid. Dit is een nieuw besluit. De onderstaande aspecten binnen het gemeentelijke grondstromenbeleid worden niet gemandateerd: Het nog verder uitbreiden van het bodembeheergebied en het accepteren van nog meer bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond. Het vaststellen van andere of nieuwe gebiedsspecifieke toepassingseisen (Lokale Maximale Waarden) voor een terrein bij het toepassen van grond. Beoogd effect Met het vaststellen van dit geactualiseerde grondstromenbeleid wordt gefaciliteerd dat: de gemeente milieuvriendelijk grondstromenbeleid in uitvoering brengt en voortzet dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is; meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeente en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en -kosten; meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende verontreinigde grond verantwoord her te gebruiken; het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd; de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker). Financiën Het geactualiseerde grondstromenbeleid heeft voor de gemeente geen nadelige financiële gevolgen. Met het beleid kunnen ten opzichte van het voorgaande grondstromenbeleid voor de gemeente en derden op projectniveau relatief kleine besparingen worden gerealiseerd bij: onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie; transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond; aanschafkosten voor de toe te passen primaire grondstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank). Communicatie De kaarten van deze nota bodembeheer worden raadpleegbaar op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1Inleiding 1.1Achtergronden De gemeente Tilburg wil nog beter invulling geven aan haar huidige milieuvriendelijke grondstromenbeleid. Om dit te realiseren heeft de gemeente de eerder bestuurlijk vastgestelde bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart[1] geactualiseerd (
bijlage 3). Ook het eerder bestuurlijk vastgestelde rapport bodembeheer gemeente Tilburg[2] wordt met deze nota bodembeheer geactualiseerd. Met deze nota bodembeheer en de geactualiseerde bodemfunctie- en bodemkwaliteitskaart worden de eerder bestuurlijk vastgestelde nota bodembeheer en bodemfunctie- en bodemkwaliteitskaart vervangen. Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen. Bij allerlei graafwerkzaamheden en bewerkingen van de (water)bodem komt grond en baggerspecie vrij. Het tijdelijk opslaan en het hergebruik of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie valt onder het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit[3][4] (hierna aangeduid als 'het Besluit' en 'de Regeling'). Het beleid voor het nuttig hergebruik en het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie moet praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant zijn. Hiermee wordt vorm gegeven aan het milieuvriendelijk en verantwoord hergebruik, toepassing en tijdelijke opslag van grond en gerijpte baggerspecie in de gemeente. Er zijn vier motieven voor het milieuvriendelijk en verantwoord grondstromenbeleid: Een ‘standstill’ voor de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied (de kwaliteit van de bodem moet gelijk blijven en op termijn verbeteren). Beperking van het gebruik en aankoop van primaire en secundaire grondstoffen (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank). Kostenbesparing (minder onderzoeks- en verwerkingskosten bij vrijkomende grond). Minder grondtransportbewegingen en energiebesparing (minder druk op het wegennet, minder uitstoot van fijnstof en CO2 en minder grondverwerking). Deze nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie (hierna tezamen aangeduid als 'grond') op en in de landbodem van de gemeente kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. De bodemfunctieklassen- en bodemkwaliteitskaart (
bijlage 3) zijn de instrumenten voor dit milieuvriendelijke grondstromenbeleid. Op de gezamenlijke bodemfunctieklassenkaart zijn de functies ‘Wonen’, ‘Industrie’ en overige functies (landbouw, natuur, water) weergegeven. De bodemkwaliteitskaart geeft voor de gemeente de te verwachten gemiddelde chemische bodemkwaliteit van voor bodemverontreiniging niet verdachte locaties weer. De gemeente heeft binnen de mogelijkheden van het Besluit, haar tot nu toe gevoerde gebiedsspecifieke beleid voorgezet en aangepast en nieuw gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Bij het gebiedsspecifieke beleid is een afweging gemaakt tussen enerzijds de risico’s voor bodemverontreiniging en behoud van de bestaande bodemkwaliteit en anderzijds de mogelijkheden voor hergebruik of toepassing van grond binnen de gemeente. De kaarten en de nota bodembeheer zijn niet afzonderlijk van elkaar te gebruiken. 1.2Afbakening nota bodembeheer 1.2.1Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het toepassen van grond op of in de landbodem de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen, is hiervoor de vergunningverlenende overheid het bevoegd gezag. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. Voor de gemeente is dat het Waterschap De Dommel of het Waterschap Brabantse Delta. 1.2.2Reikwijdte Deze nota bodembeheer heeft betrekking op het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem op het grondgebied van de gemeente. Voor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel, nuttig, moeten zijn (
artikel 35 van het Besluit en de toelichting in § 2.1.1 van bijlage 2). Als dat niet zo is, wordt de toe te passen/toegepaste grond als afvalstof gezien. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit vanuit geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming[5]. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2021 in werking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen vanuit de Wet bodembescherming komen in hoofdstuk 3 en 4 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of de Omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het plaatselijke bestemmingsplan in de gemeente, een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota bodembeheer geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een volledige demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie gelden de toepassingseisen en procedures voor landbodem (
hoofdstuk 4, 7 en 8). 1.2.3Gebied waar dit beleid van toepassing op is Het gebied waarvoor de gemeente beleid heeft opgesteld in het kader van het (nuttig) toepassen van grond omvat het gemeentelijke grondgebied met uitzondering van: De waterbodems (andere beheerorganisaties) met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling[6]. Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). (Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart);
ook de website van de provincie Noord-Brabant https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Stortplaatsen. Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). 1.3Geldigheid Deze nota bodembeheer wordt door de gemeente vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar (
ook § 1.6). De geactualiseerde bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart wordt maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd (
artikel 4.3.5 van de Regeling). Ook de geactualiseerde bodemfunctieklassenkaart wordt dan geëvalueerd. Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota bodembeheer noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Na evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart moeten deze, ongeacht of er wijzigingen zijn opgetreden, opnieuw door het college van burgemeester en wethouders bestuurlijk worden vastgesteld. Alleen als het gebiedsspecifieke beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook deze nota opnieuw door de gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. Met deze nota bodembeheer en de geactualiseerde bodemfunctie- en bodemkwaliteitskaart worden de eerder bestuurlijk vastgestelde nota bodembeheer en bodemfunctie- en bodemkwaliteitskaart vervangen. 1.4Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 8.2.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer[7] (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht, die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van
bijlage 3) en beleid opgesteld voor het hergebruik van PFAS-houdende grond. Hiermee faciliteert de gemeente de beoogde effecten zoals die in de samenvatting zijn geformuleerd. 1.8Leeswijzer In hoofdstuk 2 is ingegaan op de te verwachten bodemkwaliteit in de gemeente waarna in hoofdstuk 3 een toelichting is gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeente. Het gemeentelijke grondstromenbeleid voor de toepassing van grond is in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. Hoofdstuk 5 gaat in op het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie. Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel komt in hoofdstuk 6 aan de orde. In hoofdstuk 7 wordt nader uitgewerkt welke onderzoeksinspanning moet worden verricht voorafgaand aan het ontgraven en toepassen van grond. De te volgen procedures rondom het toepassen van grond zijn hoofdstuk 8 beschreven. Deze nota wordt afgesloten met een hoofdstuk over enkele mandateringen van bevoegdheden door de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders. De in deze nota gebruikte begrippen zijn in bijlage 1 uiteengezet. In bijlage 2 is ingegaan op de Wet- en regelgeving bij het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond. In bijlage 3 is een beschrijving gegeven hoe de bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart zijn geactualiseerd. De statistische onderbouwing van de ontgravingskaarten (generiek en gebiedsspecifiek kader Besluit bodemkwaliteit) is in bijlage 4 opgenomen. In bijlage 5 is een risicobeoordeling opgenomen voor de bovengrondbodemkwaliteitszone ‘B-Binnenstad’ wanneer ongewenst grondverzet zonder bodemonderzoek vooraf, mogelijk zou kunnen plaatsvinden. De mogelijkheden voor het toepassen van grond binnen de gemeente, zonder dat bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden, zijn weergegeven in een grondstromenmatrix dat in bijlage 6 is weergegeven. In bijlage 7 is het vragenformulier voor historische gegevens opgenomen dat onder voorwaarden kan worden gebruikt, tezamen met de ontgravings- en toepassingskaarten, als bewijsmiddel voor de toe te passen grond en ontvangende bodem. Op de kaartbijlagen 1 en 2 zijn respectievelijk de bodemfunctieklassenkaart en een kaart met de ligging van de bodemkwaliteitszones weergegeven. Op de kaartbijlagen 3A en 3B zijn de te verwachten ontgravingsklassen weergegeven. De toepassingseisen voor grond op het grondgebied van de gemeente zijn voor het generieke en gebiedsspecifieke kader van het Besluit opgenomen in respectievelijk de kaartbijlagen 4 en 5. 2Te verwachten bodemkwaliteit in de gemeente In de bodemkwaliteitskaart van de gemeente (
voor de technische onderbouwing bijlage 3A), zijn op basis van gebruikshistorie en verwachte bodemkwaliteit 8 bodemkwaliteitszones onderscheiden (
tabel 2.1 en de kaartbijlagen 2A en 2B). Binnen een bodemkwaliteitszone wordt dezelfde gebiedseigen bodemkwaliteit verwacht. Hierbij is rekening gehouden dat de bovenste halve meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlaag. In hoofdstuk 4 van bijlage 3A is aangegeven welke locaties en gebieden geen onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[9]. Alle bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld voor de stoffen barium (
ook bijlage 1 met de Begrippen onder het kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PCB
de bijlage met de Begrippen onder het kopje 'Toepassingskaart'). Uit tabel 2.1 blijkt dat de mogelijkheden om gebiedseigen grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’ beperkt zijn. In veel gebieden is de toepassingseis strenger is dan de ontgravingskwaliteit. Ook kan grond niet altijd in dezelfde zone worden toegepast omdat (lokaal) de toepassingseis strenger is. Hierdoor zijn de mogelijkheden om gebiedseigen grond nuttig te hergebruiken beperkt. Binnen het gebiedsspecifieke kader van het Besluit heeft de gemeente de mogelijkheid om beleid te formuleren waardoor meer licht verontreinigde grond kan worden hergebruikt dan mogelijk is in het generieke kader van het Besluit. Dit gebiedsspecifieke beleid is in hoofdstuk 4 van deze nota bodembeheer beschreven. Tabel 2.1 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen en toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit. Bodemkwaliteitszone Bodemfunctieklasse Verwachte ontgravingskwaliteit Toepassingseis (generiek kader Besluit)@@ Bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) A (Buitengebied en recente uitbreidingen) Industrie Landbouw/natuur* Landbouw/natuur Wonen Overig (landbouw/natuur)@ B (Binnenstad) Wonen Industrie # * Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur C (Dorpskernen) Industrie Landbouw/natuur* Landbouw/natuur Wonen Overig (landbouw/natuur) D (Oude industriegebieden) Industrie Wonen* Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur E (Nieuwe Industriegebieden) – ETZ Elisabeth Industrie Onbekend* Afhankelijk van de kwaliteit van de ontvangende bodem E (Nieuwe Industriegebieden) - Overig Industrie Landbouw/natuur* Landbouw/natuur Wonen Overig (landbouw/natuur)@ F (Kanaalzone) Industrie Wonen* Wonen Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur Waterwin- en grondwaterbeschermings-gebied Gilzerbaan Industrie Landbouw/natuur* Hier gelden de voorwaarden van de Interim omgevingsverordening[10] én het geactualiseerde tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond Wonen Overig (landbouw/natuur)@ @ (Onder andere) Natuur Netwerk Nederland gebied langs het kanaal. @@ Voor PFAS-verbindingen geldt als toepassingseis de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden. # 95-percentielwaarde voor koper overschrijdt de interventiewaarde. * De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit laatste leidt tot beperkingen van de toepassing bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en in oppervlaktewater. Vervolg tabel 2.1 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen en toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit. Bodemkwaliteitszone Bodemfunctieklasse Verwachte ontgravingskwaliteit Toepassingseis (generiek kader Besluit)@@ Ondergrond (bodemlaag vanaf 0,5 meter diepte tot en met 3,0 meter diepte) G (Ondergrond Binnenstad) Industrie Wonen* Wonen Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur H (Ondergrond Tilburg) - ETZ Elisabeth Industrie Onbekend* Afhankelijk van de kwaliteit van de ontvangende bodem H (Ondergrond Tilburg) - Overig Industrie Landbouw/natuur* Landbouw/natuur Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Waterwin- en grondwaterbeschermings-gebied Gilzerbaan Industrie Landbouw/natuur* Hier gelden de voorwaarden van de Interim omgevingsverordening[10] én het geactualiseerde tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Uitgesloten gebied Het Noorderbos (voormalige vloeivelden) Overig (landbouw/natuur)
bodembeheer- en nazorgplan Noorderbos*
bodembeheer- en nazorgplan Noorderbos Voormalige stortplaats Kempenbaan – E (Nieuwe Industriegebieden) Industrie Onbekend* Afhankelijk van de kwaliteit van de ontvangende bodem Wonen Stortplaats De Spinder Industrie Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen (inclusief onverharde bermen), spoorgebonden gronden Industrie @ (Onder andere) Natuur Netwerk Nederland gebied langs het kanaal. @@ Voor PFAS-verbindingen geldt als toepassingseis de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden. # 95-percentielwaarde voor koper overschrijdt de interventiewaarde. * De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit laatste leidt tot beperkingen van de toepassing bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en in oppervlaktewater. 3Maatschappelijke opgave De gemeente verwacht de komende 5 tot 10 jaar dat continu grond (tijdelijk) wordt ontgraven, opgeslagen en toegepast. Een voorbeeld hiervan is het regulier onderhoud aan het openbaar gebied (waaronder ophoogactiviteiten, werkzaamheden aan rioleringen, kabels, leidingen, groenvoorzieningen) en (vervangende) nieuwbouwprojecten. Uit de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart van de gemeente blijkt dat met de generieke regels van het Besluit de mogelijkheden om gebiedseigen grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’ beperkt zijn, en dat grond niet altijd in hetzelfde gebied mag worden toegepast. De toepassingseisen zijn hier strenger dan de gebiedseigen grondkwaliteit (
hoofdstuk 2, tabel 2.1). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeente wil invulling geven aan een milieuvriendelijker en goedkoper grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project wil de gemeente kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoeks- en grondverwerkingskosten nodig. Er hoeft minder grond te worden aangekocht en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen af. Het gebiedsspecifieke en gemeentelijke grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen onacceptabele risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifieke en gemeentelijke grondstromenbeleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven. 4.De uitwerking van het grondstromenbeleid 4.1Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik en toepassen van grond Op basis van de te verwachten bodemkwaliteit in de gemeente en de regels van het generieke kader van het Besluit (
hoofdstuk 2) treden knelpunten op bij de beoogde grondstromen. De toepassingseisen van de ontvangende bodem zijn strenger dan de kwaliteit van de toe te passen grond. De grond die niet kan worden hergebruikt moet dan worden getransporteerd naar een erkend verwerker wat leidt tot extra uitstoot van schadelijke stoffen zoals fijnstof en CO2 en meer gebruik van energie om grond te verwerken. Ook worden extra verwerkings- en aanschafkosten voor grond gemaakt. Om het beleid toe te passen in de gemeente en om knelpunten bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond in de praktijk op te lossen binnen de regels van het Besluit, is het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid geactualiseerd. Dit is in de hierna volgende paragrafen uitgewerkt. In eerste instantie zijn de beperkingen van het generieke beleid ten aanzien van hergebruik van grond aangegeven. Vervolgens is het beleid verder uitgewerkt. Dit beleid is er op gericht de beperkingen zo veel mogelijk weg te nemen binnen de kaders van wet- en regelgeving en beleid én voor zover het (toekomstig) bodemgebruik dit toelaat; er mogen geen risico’s bij het (toekomstige) bodemgebruik ontstaan. Voor een aantal situaties is strenger beleid geformuleerd. Bij het nuttig toepassen van grond hanteert de gemeente het ‘standstill’ principe op het niveau van het bodembeheergebied (
Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert. Binnen de gemeente is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (
.2); als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (
.3) niet worden overschreden; als elders in het gebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op niveau van het bodembeheergebied wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het bodembeheergebied (
.2) gelden bij Lokale Maximale Waarden andere voorwaarden (
Naast het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik en toepassen van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart uitgewerkt. 4.2Uitbreiding van het bodembeheergebied en acceptatie bodemkwaliteitskaarten Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en tijdelijk opslaan van grond. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. Met deze nota bodembeheer wordt het bodembeheergebied voor het grondstromenbeleid vastgesteld als zijnde het gemeentelijke grondgebied van de gemeente Tilburg. De gemeente Tilburg accepteert de bodemkwaliteitskaarten van alle gemeenten in de provincie Noord-Brabant. Deze bodemkwaliteitskaarten mogen onder voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel van de kwaliteit van de toe te passen grond en gerijpte baggerspecie. Hierbij gelden de onderstaande voorwaarden: de bodemkwaliteitskaart en eventueel bijbehorende nota van het uitbreidingsgebied moet bestuurlijk zijn vastgesteld door de gemeenteraad (of gemandateerd/gedelegeerd college), het algemeen bestuur van een Waterschap of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; de eventueel opgenomen Lokale Maximale Waarden (LMW) en (gewichts)percentage bodemvreemd materiaal voor de vastgestelde bodemkwaliteitszones mogen niet hoger zijn dan de LMW en het vastgestelde (gewichts)percentage zoals opgenomen in deze nota bodembeheer; voor acceptatie van de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel geldt ook dat: de bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; de milieuhygiënische kwaliteit is uitgedrukt op klasseniveau, uitgezonderd PFAS-verbindingen; de kwaliteitsklasse is gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten of een kritischer statistische parameter; de bodemkwaliteitskaart niet ouder is dan 5 jaar. Voor de gemeente is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. 4.3Vaststelling Lokale Maximale Waarden 4.3.1Inleiding De mogelijkheid voor hergebruik van gebiedseigen (licht verontreinigde) grond op relatief schone gebieden is onder het generieke kader van het Besluit niet toegestaan. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden. Door gebiedsspecifiek grondstromenbeleid op te stellen, wordt het mogelijk dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen licht verontreinigde grond mag worden toegepast. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifieke beleid wordt voorkomen dat de gemeente en derden onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van licht verontreinigde grond of kosten voor extra onderzoek. Ook worden door de gemeente strengere Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. De gedefinieerde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied (
ook § 4.2 en § 4.11). Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke kader van het Besluit (
4.3.2Lokale Maximale Waarden toepassen van grond op plaatsen waar kinderen spelen en moes- en volkstuin(complex)en In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeente stelt daarentegen bij plaatsen waar kinderen spelen3Onder plaatsen waar kinderen spelen wordt verstaan: onverharde openbare kinderspeelplaatsen, natuur kinderspeelplaatsen, onverharde delen op schoolpleinen, onverharde speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen. en moes-/volkstuin(complex)en strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeente moet de grond die wordt toegepast op plaatsen waar kinderen spelen en moes-/volkstuin(complex)en4Het betreft moestuin- en volkstuin(complex)en met een oppervlakte > 200 m² en tuinen met >200 m² gewasteelt. voldoen aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. De nieuw aan te leggen plaatsen waar kinderen spelen en moes-/volkstuin(complex)en moeten worden voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ moet worden aangetoond met een partijkeuring. Als er aanleiding is dat de grond verdacht is voor verhoogde gehalten met asbest, moet asbest ook in de partijkeuring worden meegenomen (historische gegevens, zintuiglijk en analytisch). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
Voor de gemeente is dit nieuw beleid. De Lokale Maximale Waarde voor plaatsen waar kinderen spelen en moes-/volkstuin(complex)en is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. De nieuw aan te leggen plaatsen waar kinderen spelen en moes-/volkstuin(complex)en moeten worden voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarden (AW2000)’. De kwaliteit van de grond moet worden aangetoond met een partijkeuring. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden (
4.3.3Lokale Maximale Waarden toepassen en tijdelijke opslag van grond op terreinen met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ Om de nu relatief beperkte generieke toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, staat de gemeente onder voorwaarden toe dat in gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’, grond mag worden toegepast die voldoet aan de (toekomstige) bodemfunctie (
kaartbijlage 5). De rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen, grotere doorgaande wegen in beheer van de gemeente en wegen in het buitengebied, inclusief de onverharde bermen, vallen in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’. Met onverharde wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de weg of spoorweg. De strook heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (
ook figuur B1-1 in bijlage 1): de erfgrens; of de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot; of de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot; of als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bossages, bos). De Lokale Maximale Waarde voor terreinen met de (toekomstige) bodemfunctie ‘Industrie’ wordt vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De Lokale Maximale Waarde voor terreinen met de (toekomstige) bodemfunctie ‘Wonen’ wordt vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ zijn gelijk of beter aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (‘Industrie’ of ‘Wonen’). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. Volgens het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de kwaliteit van de grond voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (
tabel B3A-3.2 van bijlage 3A). In gebieden waarvoor hierboven Lokale Maximale Waarden zijn gedefinieerd, kan dit tot een knelpunt leiden. De grond mag wel worden toegepast maar niet tijdelijk worden opgeslagen. Daarom verruimt de gemeente in deze gebieden de regels voor de tijdelijke opslag van grond. Een partij grond uit het bodembeheergebied van de gemeente (
.2) mag, voorafgaand aan de definitieve toepassing, tijdelijk worden opgeslagen als de kwaliteit van de grond voldoet aan de hiervoor gedefinieerde Lokale Maximale Waarde. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
Voor de gemeente is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. Voor het toepassen en de tijdelijke opslag van grond op terreinen met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden de Lokale Maximale Waarden vastgesteld op respectievelijk de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’. De rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen, grotere doorgaande wegen in beheer van de gemeente en de wegen in het buitengebied, inclusief de onverharde bermen, vallen in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden (
4.3.4Lokale Maximale Waarden toepassen PFAS-houdende grond in de gemeente Tilburg 4.3.4.1Definiëren Lokale Maximale Waarden PFAS-verbindingen Zoals uit onderzoek is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFAS-verbindingen vastgesteld. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. Om beter invulling te geven aan de voorkomende variatie, wordt door de gemeente voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 3,0 meter diepte Lokale Maximale Waarden voor PFAS-verbindingen in de grond van de gemeente Tilburg gedefinieerd. Deze zijn gebaseerd op de 95-percentielwaarde595% van de analyseresultaten in het betreffende gebied ligt beneden deze waarde. Als de 95-percentielwaarde lager is dan de voorlopige landelijke toepassings- en achtergrondwaarde voor PFAS-houdende grond voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, dan wordt deze laatste als toepassingseis gehanteerd voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. van de bovengrond én de mogelijkheden die het geactualiseerde tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie biedt (
tabel 4.1). Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeente Tilburg, vindt de gemeente de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen in de gemeente toe te staan. Voor de gemeente is dit nieuw beleid. Tabel 4.1 Lokale Maximale Waarden PFAS-verbindingen in de grond van de gemeente Tilburg Stof Lokale Maximale Waarden PFAS-verbindingen (in µg/kg
bijlage 7) waaruit blijkt dat de ontgravingslocatie niet verdacht is voor de aanwezigheid van PFAS-verbindingen als gevolg van een (bedrijfsmatige) activiteit (
Een al uitgevoerd bodemonderzoek volgens de NEN5740 in combinatie met de ontgravingskaart van een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (
Een partijkeuring volgens de eisen die volgen vanuit het Besluit; dit geldt standaard voor grond van buiten de provincie Noord-Brabant (
De PFAS-kwaliteit van de grond vanuit de provincie Noord-Brabant, moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden die zijn benoemd in tabel 4.1. Deze zijn afhankelijk van de bodemfunctie van de ontvangende bodem. Als grond dieper dan 3,0 meter wordt toegepast, gelden de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen: 0,9 µg/kg ds voor PFOS (som, lineair, vertakt) en 0,8 µg/kg ds voor de andere PFAS-verbindingen. De PFAS-kwaliteit van de grond van buiten de provincie Noord-Brabant, moet altijd voldoen aan de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen: 0,9 µg/kg ds voor PFOS (som, lineair, vertakt) en 0,8 µg/kg ds voor de andere PFAS-verbindingen. Voor de gemeente is dit nieuw beleid. 4.3.4.3Toepassingseisen PFAS-houdende grond onder grondwaterniveau De grond die wordt verwerkt onder grondwaterniveau6Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: Op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast., met inbegrip van grootschalige bodemtoepassingen, moet voldoen aan de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarde: PFOS: 0,9 µg/kg ds en de overige PFAS-verbindingen: 0,8 µg/kg ds. De gemeente volgt hierin het landelijke beleid. 4.3.4.4Mogelijkheden kleinschalig grondverzet PFAS-houdende grond Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In principe moeten alle vrijkomende kleine partijen grond die naar elders worden getransporteerd (bijvoorbeeld een grondbank, verwerker of stortplaats), worden onderzocht op PFAS-verbindingen. De mogelijkheid bestaat om kleine partijen vrijkomende grond niet te onderzoeken op PFAS-verbindingen, maar bij elkaar te verzamelen tot maximaal 25 m3 (
artikel 4.3.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL 9335 – protocol 9335-
.2.1), erkende kwaliteitsverklaring, fabrikant-eigenverklaring, (water)bodemonderzoek (conform de NEN 5720, of de NEN 5740 – onderzoeksstrategieën TOETS-S, TOETS-S-GR of KEU-I-HE of een geaccepteerde (water)bodemkwaliteitskaart in combinatie met een historisch onderzoek (resultaat niet-verdachte locatie); § 4.2.. Het toepassen van grond moet worden gemeld bij zowel het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (
.2.1) als bij de gebiedsbeheerder van de gemeente Tilburg (houder beschikking Wet bodembescherming; noorderbos@tilburg.nl). Momenteel loopt een verkenning naar de mogelijkheden om het Noorderbos een functie te geven als effluentbuffer van de rioolwaterzuivering. Dit kan er uiteindelijk toe leiden dat het huidige bodembeheer- en nazorgplan wordt vervangen door een nieuw plan. Voorafgaand aan de toepassing van grond moet daarom eerst worden nagegaan of het bodembeheer- en nazorgplan uit 2015 nog van kracht is, of wat anders de actuele regels zijn. In het beschikte Bodembeheer- en nazorgplan is vastgelegd dat grond van buiten het Noorderbos moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’ (schone grond) en voorzien zijn van een erkend bewijsmiddel in het kader van het Besluit. 4.7Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; er geen tussentijdse bewerking10Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). plaatsvindt; de grond onder dezelfde condities weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten bij de tijdelijke uitname van grond, verruimt de gemeente voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op niet- verdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. Voor tijdelijke uitname van grond, bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 7.1, § 8.1, § 8.2.1 en § 8.2.3. NB Bij tijdelijke uitname van grond op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd, kan conform de CROW 40011Werken in en met verontreinigde grond, Richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risicogestuurd werken, CROW, december 2017. de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden. Voor de gemeente is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. Bij graafwerkzaamheden voor ondergrondse infrastructuur of voor groenvoorzieningen op onverdachte locaties, hoeft de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. 4.8Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (
Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring mag de grond worden toegepast. De gemeente staat toe dat de bodemkwaliteitskaart, of een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (
.2), als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond mag worden gebruikt, als wordt aangetoond dat de grond: afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit historisch onderzoek;
.1); én afkomstig is uit een bodemkwaliteitszone van de eigen of van een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (
.2); én niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond); én niet is opgeslagen binnen een inrichting in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of de Wet milieubeheer. Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. De toepassing van grond uit een tijdelijke opslag moet altijd worden gemeld (
Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL SIKB 9335[11] of de BRL SIKB 7500[12]. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd door de initiatiefnemer. Conform artikel 4.3.1 van de Regeling moet worden vastgelegd: de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond die wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL SIKB 9335 protocol. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan volgt de gemeente het document “Omgaan met illegaal samengevoegde partijen”[13]. Dit document
t expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk Afvalbeheerplan 3 als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing. Voor de gemeente is dit nieuw beleid. 4.9Toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 3 meter beneden maaiveld Zoals in de technische onderbouwing van de bodemkwaliteitskaart is aangegeven (
bijlage 3A), maakt de bodemlaag dieper dan 3 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond vanuit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat het de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 3 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 0,5 meter tot en met 3 meter diepte), wordt dit niet milieuvriendelijk geacht. De gemeente verruimt voor niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 3 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 3 meter beneden het maaiveld, op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 meter diepte tot en met 3 meter diepte (
tabel 2.1). Voor de gemeente is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 3 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 meter diepte tot en met 3 meter diepte. 4.10Toepassen van grond van een grondbank of grondreiniger Thermisch gereinigde grond mag alleen worden toegepast als deze voldoet aan de generieke toepassingseisen die gelden op de locatie waar de grond wordt toegepast (
de kaartbijlage 4A en 4B). Voor grond van grondbanken en extractief gereinigde grond van grondreinigers geldt het onderstaande beleid: Bij grondbanken en -reinigers komen vanuit verschillende delen van de provincie Noord-Brabant en omliggende provincies grond binnen. De gemeente Tilburg heeft in § 4.2 haar bodembeheergebied gedefinieerd. De gemeente stelt daarom het volgende beleid vast: De kwaliteit van gereinigde grond of grond afkomstig van een grondbank, waarvan de herkomst buiten het bodembeheergebied gelegen is, moet voldoen aan de generieke toepassingseisen die gelden op de locatie waar de grond wordt toegepast (
de kaartbijlage 4A en 4B). De kwaliteit van gereinigde grond of grond afkomstig van een grondbank, waarvan de herkomst binnen het bodembeheergebied gelegen is, mag voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen die gelden op de locatie waar de grond wordt toegepast (
de kaartbijlage 5). Voor de gemeente is dit nieuw beleid. 4.11Toepassen grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied Grond afkomstig van gebieden van buiten het bodembeheergebied moet altijd zijn gekeurd (
.2.1) en voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit (
tabel 2.1 en de kaartbijlage 4A en 4B) én moet voor PFAS-verbindingen voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
De in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor de grond van buiten het bodembeheergebied (
ook § 4.2). Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (
Voor de gemeente is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. 4.12Toepassen van grond vanuit de rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen, grotere doorgaande wegen in beheer van de gemeente en wegen in het buitengebied (inclusief de onverharde bermen) Voor het toepassen van grond vanuit rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen, grotere doorgaande wegen in beheer van de gemeente en wegen in het buitengebied (inclusief de onverharde bermen) én de grond direct onder de funderingslaag van wegen is de ontgravingskaart van de bodemkwaliteitskaart niet geldig en moet altijd worden gekeurd (
Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Uitzondering op het bovenstaande beleid is het hergebruik van grond van rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen, grotere doorgaande wegen in beheer van de gemeente en wegen in het buitengebied (inclusief de onverharde bermen en de grond direct onder de funderingslaag van wegen) uit het bodembeheergebied en onder dezelfde omstandigheden12Bermgrond van rijkswegen wordt toegepast in de berm van een rijksweg, bermgrond van provinciale wegen wordt toegepast in de berm van een provinciale weg, bermgrond van een spoorweg wordt toegepast in de berm van een spoorweg, bermgrond van een grote doorgaande weg in beheer van de gemeente wordt toegepast in de berm van een grote doorgaande weg in beheer van de gemeente, bermgrond van een weg in het buitengebied wordt toegepast in de berm van een weg in het buitengebied én grond direct onder de funderingslaag van een weg wordt toegepast als grond direct onder de funderingslaag van een weg. wordt hergebruikt. In die situatie kan worden volstaan met een bodemonderzoek (
Afhankelijk van de analyseresultaten kan de grond worden toegepast: Als alle analyseresultaten voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond onder dezelfde omstandigheden worden hergebruikt. Als één of meerdere gehalten de Maximale Waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als één of meer gehalten de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Door deze toetsregels wordt voorkomen dat gebiedseigen grond (
.2) met gehalten boven de vastgestelde Lokale Maximale Waarde tóch in de gemeente wordt toegepast. Door het uitvoeren van partijkeuringen of in bepaalde situaties een bodemonderzoek, en het stellen van maximale waarden, wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond (opnieuw) binnen de gemeente wordt toegepast. Voor de gemeente is dit een aanpassing van het tot nu toe gevoerde beleid. 4.13Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing De toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (hierna OMWB; namens de gemeente). Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige bodemtoepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de OMWB vastgelegd. Afhankelijk van de beoordeling van de OMWB moet de initiatiefnemer aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ heeft en voldoet aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling, zodat wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen,
Als de gemiddelde waarden van een bodemkwaliteitszone voldoet aan de emissietoetswaarden, dan is het toegestaan dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn: De grond is afkomstig van een gezoneerd gebied (
voor de niet gezoneerde gebieden hoofdstuk 4 van bijlage 3A). De grond is afkomstig van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (
Voor de gemeente is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. PFAS-houdende grond De toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing boven grondwaterniveau13Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. voldoet aan de voorlopige toepassingswaarden voor de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’, of een betere kwaliteit: PFOA: 7 µg/kg ds. Elke andere PFAS-verbinding: 3 µg/kg ds. Ook moet worden aangetoond dat de PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de PFAS-houdende grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voor PFAS-verbindingen voldoen aan de gemeentelijke toepassingseisen (
De gemeente volgt hierin het landelijke beleid. 4.14Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond 4.14.1Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden en grond vanuit oude categorie-1 werken In de gemeente zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in hoofdstuk 4 van bijlage 3A gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het generieke kader van het Besluit. Dit betekent dat: het toepassen van grond vanuit deze locaties of gebieden voorafgegaan moet worden door een partijkeuring (
als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, de ontvangende bodem onderzocht moet worden met een verkennend bodemonderzoek (
Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. De kwaliteit van de toe te passen grond moet enerzijds voldoen aan de maximale waarden van de functie die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (
kaartbijlage 1). Anderzijds moet de kwaliteit van de toe te passen grond van een vergelijkbare of betere kwaliteit zijn als die van de ontvangende bodem. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctie en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is. Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctie is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (
ook bijlage 1, kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen van grond'). Grond vanuit oude categorie-1 werken (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd (
Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Voor de gemeente is dit een aanpassing van het tot nu toe gevoerde beleid. 4.14.2Gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart bij een al onderzochte locatie De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. In de hierna volgende paragrafen is aangegeven hoe hiermee om te gaan. Bij alle eerder uitgevoerde onderzoeken geldt, dat in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Bij twijfel beslist de OMWB (namens de gemeente) of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. 4.14.2.1Uitgevoerde specifiek onderzoek van de NEN 5740 of partijkeuring De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een specifiek onderzoek van de NEN 5740 14Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. of een partijkeuring (BRL SIKB protocol 1001[15]) is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (
.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. Voor de gemeente is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. 4.14.2.2Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en toepassen grond Als op de ontgravingslocatie al een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 is uitgevoerd geldt het volgende: Binnen een bodemkwaliteitszone is altijd sprake van een variatie in aangetroffen gehalten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. De gemeente vindt het niet redelijk dat voor deze locaties, na het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. De gemeente staat het daarom toe dat er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd als wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden: de terreinsituatie is niet veranderd na het laatste uitgevoerde bodemonderzoek; én het bodemonderzoek toont aan dat de gemiddelde waarden van de grond in een gelijke of betere bodemkwaliteitsklasse van de omliggende bodemkwaliteitszone vallen (
tabel 2.1 en bijlage 4); én de PFAS-gehalten voldoen aan de voor PFAS-verbindingen gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als de gemiddelde gehalten van de stoffen tezamen niet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de betreffende bodemkwaliteitszone, dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen (
Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de OMWB. Voor de gemeente is dit nieuw beleid. 4.14.2.3Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en kwaliteit ontvangende bodem Als uit een bodemonderzoek, uitgevoerd volgens de NEN 5740, blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten. Voor de gemeente is dit nieuw beleid. 4.14.3Gesaneerde en te saneren locaties Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. Grond kan binnen de saneringslocatie worden herschikt. Ter plaatse van gesaneerde en te saneren locaties mag niet zonder meer grond worden ontgraven, tijdelijk worden opgeslagen of toegepast. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (
.1.1 van bijlage 2) en voldoet aan de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn gedefinieerd en gelden voor de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. Voor grond, afkomstig vanuit het bodembeheergebied (
.2), gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (
kaartbijlage 5). Voor grond van buiten het bodembeheergebied (
.2), gelden de generieke toepassingseisen (
kaartbijlage 4A en 4B). Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. De in deze nota bodembeheer vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden uitsluitend bij het nuttig toepassen van grond , bijvoorbeeld ter aanvulling van de saneringsput (Circulaire bodemsanering[16] artikel 4.1.2), én als terugsaneerwaarden bij saneringen in het kader van het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen (RUS, artikel 3.1.6)[17]. Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (
Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (info@omwb.nl). Dit geldt overigens niet voor BUS-saneringen (
artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit). Voor de gemeente is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. 4.14.4Provinciale beschermingsgebieden In het bodembeheergebied liggen provinciale beschermingsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn monumenten voor archeologie/cultuurhistorie en aardkundige monumenten en waardevolle gebieden, waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden, habitatgebieden en gebieden in het Natuur Netwerk Nederland. De ligging van deze gebieden is te raadplegen op de website van de provincie Noord-Brabant: https://kaarten.brabant.nl. De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. De Interim omgevingsverordening én het geactualiseerde tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond is in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden leidend voor het toepassen van grond en baggerspecie. Als deze wordt aangepast en vastgesteld door Provinciale Staten, dan geldt het aangepaste beleid. Voor de gemeente is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. 4.15Omgaan met bodemvreemd materiaal (bijmenging) In het Besluit is, in de definitie van grond en baggerspecie, een bovengrens van 20 gewichtsprocent gesteld aan het percentage bijmenging van bodemvreemd materiaal. Voor het binnen de gemeente Tilburg toepassen van grond wordt hiervoor geen strengere normering gehanteerd. Als voor de toepassingslocatie deze mate van bijmenging niet gewenst is, zal dit op een andere wijze in contractstukken (bijvoorbeeld bestekken) moeten worden geregeld. Reden hiervoor is dat het stellen van een normering voor de bijmenging van bodemvreemd materiaal veelal maatwerk betreft, zoals dit ook voor bijvoorbeeld de civieltechnische kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie geldt. Een voorbeeld hiervan is dat grond toegepast op een industrieterrein meer bodemvreemd materiaal mag bevatten dan grond toegepast in tuinen van woningen. NB: Als puinbijmengingen in een partij grond worden aangetoond moet men altijd alert te zijn op de aanwezigheid van asbest. 4.16Samenvatting gemeentelijk grondstromenbeleid In tabel 4.2 is het gemeentelijke beleid met de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (inclusief PFAS-verbindingen) opgenomen. De gebiedsspecifieke toepassingseisen zijn op de kaartbijlagen 5 weergegeven. De kleuren in tabel 4.2 komen overeen met de gebruikte kleuren op kaartbijlage 1 (bodemfunctieklassenkaart) en de kaartbijlagen 5 (gebiedsspecifieke toepassingskaart). Op basis van het Besluit en de Regeling, de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (§ 4.3) is bepaald tussen welke zones voorafgaand aan de grondstroom al dan niet de chemische kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Bijlage 4 geeft de mogelijkheden van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Tabel 4.2 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen en toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit en het huidige (gebiedsspecifieke) beleid van de gemeente Tilburg. Bodemkwaliteits-zone Bodemfunctieklasse Verwachte ontgravings-kwaliteit Toepassingseis (generiek kader Besluit)# Toepassingseis (gemeentelijk beleid) ## Bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) A (Buitengebied en recente uitbreidingen) Industrie Landbouw/natuur* Landbouw/natuur@ Industrie Wonen Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur@ B (Binnenstad) Wonen Industrie* Wonen Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur@ Landbouw/natuur@ C (Dorpskernen) Industrie Landbouw/natuur* Landbouw/natuur Industrie Wonen Wonen Overig (landbouw/natuur) Landbouw/natuur D (Oude industriegebieden) Industrie Wonen* Wonen Industrie Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur@ Landbouw/natuur@ E (Nieuwe Industriegebieden) – ETZ Elisabeth Industrie Onbekend* Niet van toepassing Industrie E (Nieuwe Industriegebieden) - Overig Industrie Landbouw/natuur* Landbouw/natuur@ Industrie Wonen Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur@ F (Kanaalzone) Industrie Wonen* Wonen Industrie Wonen Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur@ Landbouw/natuur@ Plaatsen waar kinderen spelen en moes-/volkstuinen Wonen Divers* Divers Landbouw/natuur* @ (Onder andere) Natuur Netwerk Nederland gebied langs het kanaal. @@
* De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit laatste leidt tot beperkingen van de toepassing bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en in oppervlaktewater. ** Gebaseerd op het in 2015 beschikte Bodembeheer- en nazorgplan Noorderbos. # Voor PFAS-verbindingen geldt als toepassingseis de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden. ## De gehalten aan PFAS-verdindingen moeten voldoen aan de Lokale Maximale Waarden voor PFAS-verbindingen (
tabel 4.1). Vervolg tabel 4.2 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen en toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit en het huidige (gebiedsspecifieke) beleid van de gemeente Tilburg. Bodemkwaliteits-zone Bodemfunctieklasse Verwachte ontgravings-kwaliteit Toepassingseis (generiek kader Besluit)# Toepassingseis (gemeentelijk beleid) ## Bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) Waterwin- en grondwater-beschermingsgebied Gilzerbaan Industrie Landbouw/natuur* Hier gelden de voorwaarden van de Interim omgevingsverordening[10] én het geactualiseerde tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Voormalige stortplaats Kempenbaan – E (Nieuwe Industriegebieden) Industrie Onbekend* Niet van toepassing In overleg met de gemeente@@ Wonen Stortplaats De Spinder Industrie Onbekend* Niet van toepassing In overleg met de gemeente@@ Het Noorderbos (voormalige vloeivelden) Overig (landbouw/natuur) Onbekend* Niet van toepassing Landbouw/natuur ** Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen (inclusief onverharde bermen), spoorgebonden gronden Industrie Onbekend* Niet van toepassing Industrie @ (Onder andere) Natuur Netwerk Nederland gebied langs het kanaal. @@
* De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit laatste leidt tot beperkingen van de toepassing bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en in oppervlaktewater. ** Gebaseerd op het in 2015 beschikte Bodembeheer- en nazorgplan Noorderbos. # Voor PFAS-verbindingen geldt als toepassingseis de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden. ## De gehalten aan PFAS-verdindingen moeten voldoen aan de Lokale Maximale Waarden voor PFAS-verbindingen (
tabel 4.1). Vervolg tabel 4.2 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen en toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit en het huidige (gebiedsspecifieke) beleid van de gemeente Tilburg. Bodemkwaliteits-zone Bodemfunctieklasse Verwachte ontgravings-kwaliteit Toepassingseis (generiek kader Besluit)# Toepassingseis (gemeentelijk beleid) ## Ondergrond (bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 3,0 meter diepte) GO (Ondergrond Binnenstad) Industrie Wonen* Wonen Industrie Wonen Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur@ Landbouw/natuur@ HO (Ondergrond Tilburg) - ETZ Elisabeth Industrie Onbekend* Niet van toepassing Industrie HO (Ondergrond Tilburg) - Overig Industrie Landbouw/natuur* Landbouw/natuur@ Industrie Wonen Wonen Overig (landbouw/natuur)@ Landbouw/natuur@ Waterwin- en grondwater-beschermingsgebied Gilzerbaan Industrie Landbouw/natuur* Hier gelden de voorwaarden van de Interim omgevingsverordening[10] én het geactualiseerde tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond Wonen Overig (landbouw/natuur)@ @ (Onder andere) Natuur Netwerk Nederland gebied langs het kanaal. @@
* De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit laatste leidt tot beperkingen van de toepassing bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en in oppervlaktewater. ** Gebaseerd op het in 2015 beschikte Bodembeheer- en nazorgplan Noorderbos. # Voor PFAS-verbindingen geldt als toepassingseis de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden. ## De gehalten aan PFAS-verdindingen moeten voldoen aan de Lokale Maximale Waarden voor PFAS-verbindingen (
tabel 4.1). Vervolg tabel 4.2 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen en toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit en het huidige (gebiedsspecifieke) beleid van de gemeente Tilburg. Bodemkwaliteits-zone Bodemfunctieklasse Verwachte ontgravings-kwaliteit Toepassingseis (generiek kader Besluit)# Toepassingseis (gemeentelijk beleid) ## Uitgesloten gebied Het Noorderbos (voormalige vloeivelden) Overig (landbouw/natuur) Onbekend* Niet van toepassing Landbouw/natuur** Voormalige stortplaats Kempenbaan – E (Nieuwe Industriegebieden) Industrie Onbekend* Niet van toepassing In overleg met de gemeente@@ Wonen Stortplaats De Spinder Industrie Onbekend* Niet van toepassing In overleg met de gemeente@@ Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen (inclusief onverharde bermen), spoorgebonden gronden Industrie Onbekend* Niet van toepassing Industrie @ (Onder andere) Natuur Netwerk Nederland gebied langs het kanaal. @@
* De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit laatste leidt tot beperkingen van de toepassing bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en in oppervlaktewater. ** Gebaseerd op het in 2015 beschikte Bodembeheer- en nazorgplan Noorderbos. # Voor PFAS-verbindingen geldt als toepassingseis de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden. ## De gehalten aan PFAS-verdindingen moeten voldoen aan de Lokale Maximale Waarden voor PFAS-verbindingen (
tabel 4.1). 5De uitwerking van het beleid voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie 5.1Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is voor de gemeente het Waterschap De Dommel of het Waterschap Brabantse Delta. Hiervoor moet contact worden opgenomen met het Waterschap (https://www.dommel.nl of https://www.brabantsedelta.nl). 5.2Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op een aangrenzend perceel (generiek kader Besluit bodemkwaliteit) In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 5.
ook § 2.1.1 van bijlage 2). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Vanaf het moment van ontgraven tot aan het moment van verwerking wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Als aan voornoemde basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt: De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ (groen op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag overal worden toegepast. Bij toepassing op plaatsen waar kinderen spelen en moes-/volkstuin(complex)en kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt omdat de kwaliteit van de daar toe te passen grond moet zijn aangetoond met een partijkeuring. De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Wonen’ (oranje/bruin op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk oranje/bruin en roze/rood op de toepassingskaart van kaartbijlage 5). De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’ (roze/rood op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (roze/rood op de toepassingskaart van kaartbijlage 5). De gemiddelde gehalten aan PFAS-verbindingen in de gemeente Tilburg hebben geen invloed op de bovenstaande werkwijze. Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend. Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de gemiddelde gehalten van de stoffen tezamen voldoen aan de kwaliteitsklasse van de betreffende bodemkwaliteitszone (
tabel 2.1 en bijlage 4), mag de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast. Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijke gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten. Grond van buiten de provincie Noord-Brabant (
.2), moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (kaartbijlage 4A en 4B) én de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen (
Uitzondering hierop zijn de gebieden met strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond altijd de vastgestelde (strengere) Lokale Maximale Waarden (
Grond vanuit de provincie Noord-Brabant (
.2) moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (kaartbijlage 5) én de Lokale Maximale Waarden voor PFAS-verbindingen (
7Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet 7.1Historisch onderzoek Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties. Voor het toepassen van grond moet het historisch onderzoek worden uitgevoerd door het volledig invullen van het ‘Vragenformulier historische gegevens’ (
bijlage 7). Dit formulier moet volledig worden ingevuld voor zowel de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie. Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is erkend voor het BRL SIKB protocol 2001[19]. De onderzoekslocatie wordt gedefinieerd als zijnde de ontgravings- en toepassingslocatie waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden inclusief het omliggende terrein tot een maximum van 25 meter. De bij de gemeente beschikbare informatie is op te vragen via de website van het digitale Bodemloket van de gemeente Tilburg: https://www.tilburg.nl/ondernemers/milieu/bodeminformatie-ondernemers/. Alleen als uit de historische gegevens blijkt dat op de terreinen waar de werkzaamheden plaatsvinden geen activiteiten aanwezig zijn (geweest) die de bodem hebben kunnen verontreinigen, mag een bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond (
hoofdstuk 6). Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Bij twijfel beslist de OMWB (namens de gemeente) of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen lokale bron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een ophooglaag, een bodembedreigende activiteit, of een bekende locatie met bodembeperkingen. Als een ontgravings- en/of toepassingslocatie nabij het spoor is gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met ProRail (www.prorail.nl) om te achterhalen of deze locatie eigendom is van ProRail of NS-Vastgoed. 7.2Onderzoek toe te passen grond en ontvangende bodem De kwaliteit van de grond en baggerspecie moet worden aangetoond met een milieuhygiënische verklaring. Het Besluit kent voor grond en baggerspecie de volgende typen milieuhygiënische verklaringen: Partijkeuring. Erkende kwaliteitsverklaring. Fabrikant-eigenverklaring. (Water)bodemonderzoek. (Water)bodemkwaliteitskaart. In artikel 4.3 van Regeling is nader ingegaan op deze typen milieuhygiënische verklaringen. 7.2.1Toe te passen grond De toe te passen grond moet worden gekeurd als deze grond: ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; afkomstig is van een uitgesloten gebied van de eigen of geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (
afkomstig is van gebieden waarvan de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd (
.2 en § 4.11); wordt toegepast op plaatsen waar kinderen spelen en moes-/volkstuin(complex)en (
.3.2); afkomstig is uit een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 4.8 zijn beschreven; afkomstig is van oude categorie-1 werken (
.14.1); De partijkeuring moet plaatsvinden conform de BRL SIKB protocol 1001[20] of de NEN 5740 en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft. Het bodemonderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL SIKB protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Als de grond onderzocht wordt op asbest moet het bodemonderzoek ook zijn uitgevoerd door een voor de BRL SIKB protocol 2018[21] gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Onderzoek bij toepassing van grond vanuit rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen, grotere doorgaande wegen in beheer van de gemeente en wegen in het buitengebied (inclusief de onverharde bermen) én de grond direct onder de funderingslaag van wegen Als grond vanuit rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen, grotere doorgaande wegen in beheer van de gemeente en wegen in het buitengebied (inclusief de onverharde bermen) én de grond direct onder de funderingslaag van wegen uit het bodembeheergebied onder dezelfde omstandigheden16 Bermgrond van rijkswegen wordt toegepast in de berm van een rijksweg, bermgrond van provinciale wegen wordt toegepast in de berm van een provinciale weg, bermgrond van een spoorweg wordt toegepast in de berm van een spoorweg, bermgrond van een grote doorgaande weg in beheer van de gemeente wordt toegepast in de berm van een grote doorgaande weg in beheer van de gemeente, bermgrond van een weg in het buitengebied wordt toegepast in de berm van een weg in het buitengebied én grond direct onder de funderingslaag van een weg wordt toegepast als grond direct onder de funderingslaag van een weg. wordt hergebruikt, kan worden volstaan met een indicatief bodemonderzoek. Het indicatieve onderzoek moet worden uitgevoerd conform de NEN 5740, strategie VED-HE-L, of de CROW 400[22]. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL SIKB protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Voor het onderzoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Ten aanzien de eventueel te onderscheiden partijen grond in de onverharde wegbermen sluit de gemeente aan bij de nadere toelichting hierover in het BRL SIKB protocol 1001. In § 4.12 is aangegeven hoe de resultaten moeten worden geïnterpreteerd. 7.2.2Ontvangende bodem De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als de toepassingslocatie is gelegen in een uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (
hoofdstuk 4 van bijlage 3A). Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 worden gebruikt zoals genoemd in artikel 4.3.4 lid 1 van de Regeling. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL SIKB protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. 8Procedures 8.1Opvragen informatie voorafgaand aan het grondverzet Voorafgaand aan het tijdelijk opslaan van grond en een grondstroom tussen locaties (ontgraven en toepassen van grond) moet de initiatiefnemer of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), zich op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van het grondverzet. Bij het toepassen van grond moet een historisch onderzoek worden uitgevoerd door het volledig invullen van het ‘Vragenformulier historische gegevens’ (
bijlage 7). Dit formulier moet volledig worden ingevuld voor zowel de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie. Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is erkend voor het BRL SIKB protocol 2001. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Arbowetgeving en het werken in en met verontreinigde grond en het Besluit. Van de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of de grond ontgraven wordt van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie en daardoor een bodemkwaliteitskaart uit het bodembeheergebied (
Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of er mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als hiervan sprake is en grond wordt toegepast, is immers sprake van het aanbrengen van een leeflaag in het kader van de Wet bodembescherming. In dat geval moet minimaal een BUS melding worden ingediend. Bij het toepassen van grond moet ook worden vastgesteld of de toepassing van de grond nuttig is (artikel 35 van het Besluit;
ook § 2.1.1 van bijlage 2, onderdeel 'Nuttige toepassingen van grond'); de ontgravings- en toepassingslocatie in een zone van de bodemkwaliteitskaart ligt. Is dat niet zo, dan geldt het generieke kader van het Besluit en moet de kwaliteit van de toe te passen grond én van de ontvangende bodem worden vastgesteld (
.14.1 en § 7.2); het grondverzet plaatsvindt in gebieden met bijzondere omstandigheden (
.14) en of andere Wet- en regelgeving van belang is (
De volledig ingevulde ‘Vragenlijst historische gegevens’ (
bijlage 7; ontgravings- én toepassingslocatie) moeten volledig en gelijktijdig met de melding voor het tijdelijk opslaan van grond of de grondstroom (
In de hierna volgende paragrafen worden de procedures, te weten melding, termijn, registratie en transport van grond verder uiteengezet. 8.2Melden tijdelijk opslaan en toepassen van grond 8.2.1Algemeen De melding moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de tijdelijke opslag van grond of nuttige toepassing van de grond worden gedaan via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het melden kan zowel analoog als digitaal plaatsvinden. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen of toegepast. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen op of in de landbodem op het grondgebied van de gemeente Tilburg is dat de gemeente. De meldingen voor de gemeente worden doorgezonden naar de OMWB. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen in oppervlaktewaterlichamen (zoals sloten) is dat, afhankelijk waar de locatie is gelegen, het Waterschap De Dommel of het Waterschap Brabantse Delta. De OMWB is namens de gemeente op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijnen mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige toepassing. De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de tijdelijke opslag of de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (
ook § 1.4). In tabel 8.1 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden. 8.2.2Toepassen van grond De meldingsplicht voor het nuttig toepassen van grond in het kader van het Besluit geldt altijd met uitzondering van: de toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep; het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast; het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; het toepassen van schone grond in hoeveelheden maximaal 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld. Het toepassen van grond op een saneringslocatie moet worden gemeld bij zowel het bevoegd gezag Wet bodembescherming (info@omwb.nl) als het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (
De OMWB kan ondanks de ontheffing van de meldplicht namens de gemeente wel de bewijsmiddelen opvragen van de kwaliteit van de toegepaste grond of (verspreide) baggerspecie. 8.2.3Tijdelijke opslag van grond De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van de opslag van grond als sprake is van tijdelijke uitname. In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan: Met uitzondering van kortdurende opslag (maximaal 6 maanden), moet de kwaliteit van de grond voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de tijdelijk ontvangende bodem. De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden. De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen. Als tijdelijk opslag niet binnen een vergunningsplichtige inrichting plaatsvindt, moet toestemming worden verkregen van de perceeleigenaar waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen. Op de website van Rijkswaterstaat/Bodem+ is bij de veelgestelde vragen bij het Besluit bodemkwaliteit , Grond en baggerspecie – Tijdelijke opslag meer informatie te lezen onder welke voorwaarden grond en baggerspecie tijdelijk mag worden opgeslagen (https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-bagger-top/). Hierbij gaat het over het tijdelijk opslaan van gescheiden partijen grond. Het samenvoegen van verschillende partijen grond is erkenningsplichtig. Op de website van Rijkswaterstaat/Bodem+ is bij de veelgestelde vragen bij het Besluit bodemkwaliteit, Grond en baggerspecie – Samenvoegen en partijdefinitie te lezen onder welke voorwaarden partijen grond en baggerspecie samengevoegd mogen worden en wat wordt verstaan onder een partij grond of baggerspecie (https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-bagger-samen/). Met het gebiedsspecifieke beleid (vaststellen Lokale Maximale Waarden,
.3) zijn enkele knelpunten in de gemeente als gevolg van de landelijke regelgeving opgelost. In tabel 8.1 zijn de vormen van tijdelijke opslag en de bijbehorende voorwaarden (kwaliteitseisen en meldingsplicht) opgenomen. Tabel 8.1: Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden Vorm van tijdelijke opslag Voorwaarden van het Besluit[5] Maximale duur van de opslag Kwaliteitseisen Meldingsplicht Kortdurende opslag 6 maanden - Ja1) Tijdelijke opslag op landbodem 3 jaar Kwaliteit moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming Weilanddepot: tijdelijke opslag van baggerspecie over aangrenzend perceel 3 jaar Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming Opslag tijdelijke uitname Looptijd van de werkzaamheden - Nee 1) Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl 8.3Registratie en archivering van de meldingen De melding van de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) worden door de OMWB (namens de gemeente) bij binnenkomst via het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geregistreerd en gearchiveerd. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond, waaronder het tijdig melden, ligt bij de initiatiefnemer van de grondtoepassing (
ook § 1.4). Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, dan kan de initiatiefnemer van de grondtoepassing zich niet beroepen op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de OMWB (namens de gemeente) nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond met een onjuiste kwaliteit. 8.4Beoordeling en toetsing van de melding De meldingen van tijdelijke opslag en toepassingen van grond in de gemeente worden door de OMWB (namens de gemeente) beoordeeld. De OMWB probeert de melder altijd binnen 5 werkdagen op de hoogte te stellen van haar oordeel over de melding. Bij toetsing van de tijdelijke opslag en de toepassing van grond wordt gekeken naar de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond én de toepassingseis vanuit deze nota bodembeheer. Daarnaast wordt gecontroleerd of de melding tijdig is gedaan en volledig is ingevuld, het bewijsmiddel mag worden gebruikt (inclusief Kwalibo), de tijdelijke opslag of toepassing nuttig is. 8.5Transport van grond Bij het transport van grond over de weg moet een transportgeleidebiljet aanwezig zijn. Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn. Alternatief is dat op het transportgeleidebiljet het meldnummer is vermeld dat is afgegeven door het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (
ook § 8.7). Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker. 8.6Repeterende vrachten en omvangrijke grondtoepassingen Binnen grootschalige werken, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein of het ontwikkelen van een natuurgebied, is het vaak niet praktisch om voor elke afzonderlijk toepassing van een partij grond een melding te doen. In verband hiermee bestaat de mogelijkheid om hiervoor een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de OMWB (namens de gemeente). Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct worden gemeld aan de OMWB. 8.7Grondtransporten en de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Als grond wordt getransporteerd met een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond, dan moet op het transportgeleidebiljet het meldingsnummer vermeld worden waaronder de melding bij het landelijke meldpunt bodemkwaliteit is geregistreerd en aan de melder is afgegeven. Als geen meldingsnummer op het transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn die in het Besluit is erkend. 9Mandateren bevoegdheden van de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders 9.1Inleiding Deze nota bodembeheer moet, conform artikel 44 van het Besluit, door de gemeenteraad van Tilburg worden vastgesteld, voordat het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid van kracht kan worden. Bij de vaststelling van deze nota bodembeheer stelt de gemeenteraad ook de geactualiseerde bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart vast. Mogelijk zijn tijdens de looptijd van de nota bodembeheer één of meerdere aanpassingen noodzakelijk. Net als voor de vaststelling, is de wijziging van de nota bodembeheer en de bijhorende bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart een bevoegdheid van de gemeenteraad als sprake is van gebiedsspecifiek beleid. De gemeenteraad besluit om een bij haar rustende bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders over te dragen (Hoofdstuk 10, Afdeling 10.1.1, van de Algemene wet bestuursrecht). Op deze manier kan de werkdruk van de gemeenteraad beheerst worden en kunnen besluiten die enkel uitvoerend van karakter zijn, worden genomen door het college van burgemeester en wethouders. Na het vaststellen van de nota bodembeheer is er alle reden om de gemeenteraad te ontlasten en een aantal uitvoerende besluiten te delegeren. In de hierna volgende paragrafen is beschreven op welke onderdelen en onder welke voorwaarden
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.