← Nederland

Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Almelo 2019 (Almelo)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Almelo jeugdhulp organiseert en toekent, met als doel jeugdigen en hun ouders te ondersteunen bij opgroei- en opvoedingsproblemen. Ze leggen de procedures vast voor het aanvragen en verkrijgen van jeugdhulp.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Almelo 2019Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Almelo; gelezen het voorstel van 18 juni 2019 registratienummer B&W 7089; besluit vast te stellen: ‘ Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Almelo 2019’ Hoofdstuk1:Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen 1. In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Aanbieder: de professionele zorgverlener die een contract heeft met de gemeente; Aanvrager: iemand die ondersteuning op grond van de Jeugdwet aanvraagt bij de gemeente Almelo; Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten, dat vrij toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de aanvrager; Beleidsregels: Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Almelo 2019; Beperking: objectief vastgestelde stoornis of conditie in somatische, lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke zin, die een normaal maatschappelijk functioneren van de cliënt belemmert en nadelige sociale gevolgen met zich meebrengt; Cliënt: de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 1.1 van de wet die gebruik maakt/maken van jeugdhulp of door of namens wie een melding is gedaan; Cliëntondersteuning: een persoon die aan de cliënt onafhankelijk informatie verstrekt met betrekking tot de procedure, advies geeft en algemene ondersteuning biedt die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie; Coach: met de coach wordt zowel de wijkcoach, als de intaker bedoeld. Dit zijn medewerkers van het college die het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte uitvoeren en tevens de ondersteuning indiceren. Fraude: het opzettelijk en structureel onjuist handelen, en daarmee in strijd handelen met de geldende regelgeving, met het oog op eigen of andermans financieel gewin; Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; Informele aanbieder: iemand uit het sociale netwerk van de cliënt die ondersteuning verleent door middel van een pgb; Melding: de mededeling van een hulpvraag aan het college op grond waarvan wordt verzocht een afspraak te maken voor een gesprek; Ondersteuningsplan: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet; Pgb-aanbieder: een derde die cliënt heeft betrokken om ondersteuning in te kopen. Met de pgb-aanbieder wordt zowel de professionele aanbieder als de informele aanbieder bedoeld; Pgb-beheerder: een persoon die de belangen van de cliënt behartigt en de aan een pgb verbonden taken uitvoert, indien de cliënt ondersteuning heeft (of wenst te ontvangen) in de vorm van een pgb; Professionele aanbieder: een persoon die werkzaam is bij een instelling of werkzaam is als zelfstandige zonder personeel. Deze persoon staat ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister. De professionele aanbieder beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en staat ingeschreven in het BIG of SKJ register. De professionele aanbieder is geen familielid van de cliënt; VOG: Verklaring omtrent het gedrag welke relevant is voor de uit te voeren werkzaamheden; Voorliggende voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Denk hierbij aan ondersteuning op grond van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg; wet: Jeugdwet. 2. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de verordening Jeugdhulp gemeente Almelo 2019, de wet en de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk2Toegangsprocedure Artikel2.1Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: via de gemeente; via de gecertificeerde instellingen, rechter, Openbaar Ministerie (OM) of justitiële jeugdinrichting (JJI); na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Artikel2.1.1Vrij toegankelijke en individuele voorzieningen In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan worden volstaan met een algemene voorziening. Hiervan kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik maken zonder dat zij daarvoor een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de algemene voorziening wenden. Artikel2.1.2Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door het college welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen om het probleem te verhelpen. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, zal eerst gekeken worden of een algemene of voorliggende voorziening voldoende toereikend is. Als dat niet het geval is kan er een individuele voorziening ingezet worden. Indien het laatste het geval is, neemt deze deskundige, namens het college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door naar de aanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. Artikel2.1.3Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar het aanbod van één van de aanbieders waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten. In de praktijk zal het de aanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de aanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn neergelegd in de verordening en deze beleidsregels. Artikel2.1.4Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling. Gecertificeerde instellingen voeren de kinderbeschermingsmaatregelen (voogdij en ondertoezichtstelling) en jeugdreclassering uit (artikel 3.2 Jeugdwet). In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5, eerste lid Jeugdwet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. Het college is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook in het kader van de jeugdreclassering moet de gemeente ervoor zorgen dat de jeugdhulp wordt ingezet die de rechter, het openbaar ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of de gecertificeerde instelling nodig acht. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4, tweede lid onderdeel b Jeugdwet). Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking aan welke gecertificeerde instelling de maatregel gaat uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming geeft in zijn verzoekschrift een concreet advies over welke gecertificeerde instelling dat moet zijn. De Raad voor de Kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De vraag kan rijzen of de gemeente jeugdhulp moet vergoeden als een huisarts verwijst naar een niet-gecontracteerde aanbieder. Als de gemeente soortgelijke passende jeugdhulp kan bieden door de inzet van een aanbieder die wèl is gecontracteerd, dan hoeft de gemeente de inzet van een aanbieder die geen contract met de gemeente heeft, niet te vergoeden. De Jeugdwet sluit niet uit dat een wettelijke verwijzer naar zichzelf verwijst. De verwijzer is natuurlijk wel gebonden aan het gecontracteerde aanbod van de gemeente. Wel staat er in de Jeugdwet dat gemeenten afspraken moeten maken met verwijzers - zoals de jeugdpsychiater - over de voorwaarde waaronder en de wijze waarop verwijzing plaatsvindt (artikel 2.7 lid 4 Jeugdwet). Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat een aanbieder, die geen wettelijke verwijzer is, toch verwijst. Er is in de Jeugdwet geen grens aan de geldigheidsduur opgenomen van een medische verwijzing. Als de verwijzing is voorzien van een datum tot wanneer de verwijzing geldig is en deze datum is verlopen, dan moet de jeugdige/ouder opnieuw een verwijzing aanvragen of zich tot de gemeente wenden. Medisch specialisten en jeugdartsen in dienst van de jeugdhulpaanbieder kunnen in dat geval ook zelf een nieuwe verwijzing afgeven. Als de verwijzing niet voorzien is van een datum, dan is de verwijzing in principe geldig zolang de betreffende hulp nodig is, tot uiterlijk de dag dat de jeugdige de 18 jarige leeftijd bereikt. Vanaf dat moment moet bepaald worden of verlengde jeugdhulp noodzakelijk is. De verwijzing is natuurlijk alleen geldig voor de hulpvraag waar de verwijzing voor is afgegeven en zolang de jeugdige/ouders onder de doelgroep van de Jeugdwet vallen. Als andere hulp nodig blijkt, kan dat niet plaatsvinden op basis van de eerder (voor andere hulp) afgegeven verwijzing. Artikel2.2Procedurele bepalingen De procedure begint met een melding van de hulpvraag. Na een melding vindt er een onderzoek plaats. Na dit onderzoek kan er een aanvraag volgen voor een individuele voorziening. In deze paragraaf wordt ingegaan op een aantal onderdelen van deze procedure. Artikel 2.2.1 Melding hulpvraag De jeugdige en/of zijn ouder(

  1. s)kunnen melding doen van een hulpvraag. Ook iemand anders, bijvoorbeeld school, pleegouder of een al eerder betrokken hulpverlener, kan namens de jeugdige en/of zijn ouder(
  2. s)een melding doen. Indien door iemand anders de melding wordt gedaan, wordt aan de melder de vraag gesteld of de jeugdige en/of zijn ouder(
  3. s)op de hoogte zijn van de melding. Een melding kan alleen met instemming van de jeugdige en/of zijn ouder(
  4. s)worden aangenomen. Er kan op de volgende manieren een melding worden gemaakt: telefonisch via informatienummer van de gemeente (0546-541111); bij het sociaal wijkgebouw; bij de balie in het stadhuis; De melding wordt bevestigd aan de jeugdige en/of zijn ouder(s). De dag na ontvangst van de melding begint de onderzoekstermijn van zes weken te lopen. Binnen deze zes weken dient het onderzoek te zijn afgerond. Artikel2.2.2.Cliëntondersteuning De jeugdige en ouders worden voor het onderzoek gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. De cliëntondersteuning is onafhankelijk en helpt bij het verduidelijken van de hulpvraag, het maken van keuzes en het organiseren van de juiste hulp. Ook draagt de cliëntondersteuning bij aan een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, welzijn, wonen, werk en inkomen. Cliëntondersteuners zijn onafhankelijk en objectief. Een cliëntondersteuner kan meedenken met cliënt maar zelf geen beslissing nemen over een aanvraag voor ondersteuning of voor een voorziening. De inwoners van Almelo met een ondersteuningsvraag kunnen een beroep doen op een onafhankelijke cliëntondersteuner. Dit kan een vrijwilliger en/of een professional zijn. Deze kan helpen bij het formuleren van de hulpvraag en ondersteunend zijn bij het vinden van de weg in de toegang en zo nodig de verdere zorg en ondersteuning. Een cliëntondersteuner helpt de weg te vinden naar de oplossingen en als dat nodig is daarbij een gerichte aanspraak te doen op de gemeente. Mocht iemand belemmeringen ervaren bij het verkrijgen van toegang tot dit systeem of vastlopen binnen het gemeentelijk systeem van zorg- en dienstverlening, dan kan er een beroep worden gedaan op onafhankelijk cliëntondersteuners. Inwoners van Almelo kunnen bij de gemeente aangeven dat zij cliëntondersteuning wensen te ontvangen, zij zullen dan adequaat worden doorverwezen. Uiteraard kunnen inwoners ook zelf contact opnemen met de organisatie die de onafhankelijke cliëntondersteuning voor de gemeente uitvoert. Artikel2.2.3Onderzoek De gemeente heeft de taak en opdracht om zorgvuldig onderzoek te doen naar de hulpvraag. Tijdens het onderzoek naar de hulpvraag wordt het volgende onderzocht: I. wat is de hulpvraag van de cliënt; II. welke gemeente is verantwoordelijk op grond van het woonplaatsbeginsel; III. behoort de cliënt tot de doelgroep van de jeugdwet; IV. welke beperkingen/problematiek ondervindt de cliënt; V. welke hulp is nodig; VI. in hoeverre zijn de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend; VII. kan de cliënt aanspraak maken op voorliggende voorzieningen; VIII. kan de cliënt aanspraak maken op algemene voorzieningen; IX. is er specifieke deskundigheid vereist, in dat geval zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. De gemeente hoeft alleen een voorziening voor jeugdhulp te treffen als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is wegens opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. In het kader van het onderzoek naar de hulpvraag geldt het uitgangspunt dat de jeugdige wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Tijdens het gesprek worden de jeugdige en/of zijn ouder(
  5. s)geïnformeerd over de gang van zaken tijdens het onderzoek, hun rechten en plichten (bijvoorbeeld met betrekking tot de privacywetgeving en de verwerking van de persoonsgegevens) en er wordt uitleg gegeven over het vervolg van de procedure. De jeugdige en/of zijn ouder(
  6. s)worden geïnformeerd over de manier waarop zij eventueel een aanvraag kunnen doen voor een individuele voorziening. Indien nader onderzoek noodzakelijk is, dan worden zij hierover geïnformeerd. Artikel 2.2.3.1 Aandachtspunten tijdens het onderzoek De jeugdige of zijn ouder(
  7. s)kan problemen ondervinden op verschillende leefgebieden. Uitgangspunt bij het onderzoek naar de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(
  8. s)is dat gebruik gemaakt wordt van het normenkader van Factum Advies (FAQT-J). Het normenkader ondersteunt bij het in kaart brengen van de aandachtspunten per leefgebied bij de jeugdige en bij het in kaart brengen van wat nodig is om de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouders/opvoeders en het sociaal netwerk te versterken. Het normenkader biedt tevens handvaten bij de afweging wat naar het oordeel van het college nodig is voor de jeugdige en/of ouder(s). Daarnaast bevat het een richtlijn bij het bepalen van de aard en omvang van de in te zetten ondersteuning als uit het onderzoek blijkt dat inzet van een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk wordt geacht. Het college maakt bij toepassing van FAQT-J gebruik van bijlagen 1, 2 en 3# aandachtspunten resultaatgebieden jeugdige, bijlage 4# aandachtspunten ouderschap, bijlagen 5, 6 en 7# richtlijnen jeugdige, bijlage 8# richtlijn ouderschap, bijlage 9# onderscheid licht, matig en zwaar bij deze beleidsregels. Artikel 2.2.3.2 Geen optelsom Het kan zijn dat uit het onderzoek naar de hulpvraag blijkt dat op meerdere leefgebieden te behalen doelstellingen te formuleren zijn waarvoor geen oplossing gevonden kan worden binnen de eigen kracht (eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen), voorliggende of algemene voorzieningen. Voor wat betreft de omvang van de individuele voorziening voor jeugdhulp is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar worden opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van de doelstelling is leidend. Zo kan bijvoorbeeld in een bepaalde volgtijdelijkheid worden gewerkt aan de te bereiken doelstellingen omdat naar het oordeel van het college het niet mogelijk wordt geacht om alle leefgebieden tegelijkertijd aan te pakken. Ook kan inzet van hulp op een bepaald leefgebied indirect tot een oplossing van een probleem leiden op een ander leefgebied. Daarnaast kan de te bereiken doelstelling ertoe leiden dat binnen de duur van de indicatie of na een verzoek om verlening van de jeugdhulp wordt afgeschaald naar een lagere intensiteit. Daar waar de individuele situatie dat noodzaakt kan gemotiveerd van de richtlijn worden afgeweken. Artikel 2.2.3.3 Normaliseren In het onderzoek naar de hulpvraag staat centraal wat de oorzaak achter de vraag van de jeugdige/ouder(
  9. s)is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen in het algemeen beschouwd kunnen worden als horende bij de ontwikkeling van de jeugdige gelet op de ontwikkelingsfase waarin deze zich bevindt. Voor normaliseren geldt: • Kwetsbaarheid, problemen en tegenslagen horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost. • Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen. • Het uitgangspunt is door het versterken van opvoedvaardigheden en de kennis over opvoeden de acceptatie van de jeugdhulpvraag of beperking door ouders te vergroten. • Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouders en jeugdige wordt gekeken. • Als het gaat om de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten rondom normaliseren: o Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid voor een doeltreffende inzet van voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen (medewerkingsplicht). Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag. o De Jeugdwet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt. Dit kan betekenen dat we naast jeugdhulp direct gericht op het kind hieraan de voorwaarde stellen dat ouders meewerken aan interventies of een traject gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Artikel2.2.3.1Inlichtingenplicht Ook als een voorziening eenmaal is toegekend geldt een inlichtingenplicht. Die houdt in dat de cliënt op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de verstrekking van een voorziening. Concreet betekent dit dat een cliënt het college bijvoorbeeld actief moet informeren over: een wijziging in zijn beperking(
  10. en)die van invloed is op het gebruik van de individuele voorziening; het toe- of afnemen van verleende mantelzorg; een gewijzigde gezinssituatie in de gevallen waar er sprake is/kan zijn van gebruikelijke hulp; het niet ontvangen van (goede kwaliteit) ondersteuning; indien ondersteuning wordt ingezet voor een ander doel dan waarvoor deze wordt verleend; indien zorg wordt gedeclareerd voor ondersteuning die niet (juist) is verleend; als hij tijdelijk geen gebruik kan maken van de voorziening door detentie, behandeling in een instelling of opname in een ziekenhuis, verpleegtehuis of revalidatiecentrum; het wijzigen van zorgverlener; verhuizing; een vakantie van meer dan 2 weken; verbetering in de gezondheidssituatie waardoor de voorziening niet langer noodzakelijk is. Het niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot intrekking of herziening van de individuele voorziening. Het is dan ook belangrijk dat de cliënt op de hoogte is van de inlichtingenplicht en dat hij, als hij twijfelt of bepaalde informatie relevant is, hierover actief contact legt met de gemeente. Artikel2.2.3.2Medewerkingsplicht In het verlengde van de inlichtingenplicht ligt de medewerkingsplicht. Die houdt in dat de jeugdige en/of zijn ouders alle medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de Jeugdwet die het college noodzakelijk vindt. Zo is iemand verplicht om gehoor te geven aan een oproep van het college of om zich te onderwerpen aan onderzoek dat door (of namens) het college is ingesteld. Als iemand niet voldoet aan de medewerkingsplicht dan kan dit gevolgen hebben voor het vaststellen van het recht op een individuele voorziening. Met name als het college niet kan vaststellen of iemand (nog langer) recht heeft op een individuele voorziening. Of als de omvang van de voorziening niet kan worden vastgesteld. Van de cliënt aan wie een individuele voorziening wordt toegekend, wordt verwacht dat hij naar vermogen meewerkt aan het opstellen van het ondersteuningsplan en het behalen van de daarin beschreven doelen en resultaten. Dit omvat ook de afspraken die worden gemaakt met de zorgverlener in het kader van de leveringsopdracht. Onder medewerking wordt dus ook verstaan het naleven van huis- en gedragsregels en/of omgangsvormen. Het al dan niet opzettelijk niet meewerken aan het behalen van de doelen en resultaten en/of het niet nakomen van gemaakte afspraken, kan leiden tot een tijdelijke opschorting van de ondersteuning of, in het uiterste geval, tot beëindiging daarvan. Uiteraard kan dit niet als uit de aard van iemands beperkingen voortvloeit dat die medewerking niet of in beperkte mate verleend kan worden. Artikel2.2.3.3Afzien van onderzoek Indien de gegevens van de jeugdige en zijn situatie reeds voldoende bekend zijn, kan de verzameling van gegevens achterwege blijven. Indien de gespreksvoorbereiding een afgerond beeld oplevert over de hulpvraag, kan de gemeente in overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(
  11. s)afzien van een gesprek. Er kan dan worden volstaan met een verslag van het onderzoek dat aan de jeugdige en/of zijn ouder(
  12. s)wordt voorgelegd. Artikel2.2.3Onderzoek In de meeste gevallen is een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouder(
  13. s)onderdeel van het onderzoek. Tijdens het gesprek (of meerdere gesprekken) met de jeugdige, zijn ouders en indien gewenst met familie en deskundigen wordt het volgende onderzocht: wat is de hulpvraag van de cliënt; welke gemeente is verantwoordelijk op grond van het woonplaatsbeginsel; behoort de cliënt tot de doelgroep van de jeugdwet; welke beperkingen/problematiek ondervindt de cliënt; welke hulp is nodig; in hoeverre zijn de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend; kan de cliënt aanspraak maken op voorliggende voorzieningen; kan de cliënt aanspraak maken op algemene voorzieningen; is er specifieke deskundigheid vereist, in dat geval zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. De gemeente hoeft alleen een voorziening voor jeugdhulp te treffen als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is wegens opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Tijdens het gesprek worden de jeugdige en/of zijn ouder(
  14. s)geïnformeerd over de gang van zaken tijdens het onderzoek, hun rechten en plichten (bijvoorbeeld met betrekking tot de privacywetgeving en de verwerking van de persoonsgegevens) en er wordt uitleg gegeven over het vervolg van de procedure. De jeugdige en/of zijn ouder(
  15. s)worden geïnformeerd over de manier waarop zij eventueel een aanvraag kunnen doen voor een individuele voorziening. Indien nader onderzoek noodzakelijk is, dan worden zij hierover geïnformeerd. Artikel2.2.4Opvragen gegevens bij derden Voor het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek kan het noodzakelijk zijn om (medische) gegevens op te vragen bij derden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huisarts, de school, de jeugdgezondheidszorg of een betrokken zorgverlener. Er worden alleen (medische) gegevens bij derden opgevraagd als deze gegevens daadwerkelijk noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van een volledig beeld van de situatie van de jeugdige en de eventuele jeugdhulp die noodzakelijk is. Indien informatie wordt opgevraagd bij derden, worden de jeugdige en/of zijn ouder(
  16. s)hierover geïnformeerd. Aan de jeugdige en/of zijn ouders wordt uitgelegd waarom er contact wordt opgenomen met de derde, welke informatie wordt opgevraagd en waarom het opvragen van deze informatie noodzakelijk is. In sommige gevallen is het noodzakelijk dat er door de jeugdige en/of zijn ouder(
  17. s)toestemming wordt gegeven voor het opvragen van deze informatie. Indien op basis van de wettelijke regelgeving toestemming nodig is voor het opvragen van deze informatie, dan wordt aan de jeugdige en/of zijn ouder(
  18. s)gevraagd om toestemming te geven. Artikel2.2.5Deskundigenadvies In complexe situaties kan het voorkomen dat binnen de gemeente niet voldoende deskundigheid aanwezig is om de situatie van de jeugdige te beoordelen. De gemeente kan dan een (medisch) advies aanvragen bij een deskundige. Indien hiervan sprake is, worden de jeugdige en/of zijn ouder(
  19. s)hierover geïnformeerd. De jeugdige en/of zijn ouder(
  20. s)ontvangen een kopie van het advies. Artikel2.2.6Ondersteuningsplan De uitkomsten van het onderzoek en een verslag van het gesprek worden vastgelegd in een ondersteuningsplan/plan van aanpak. Het ondersteuningsplan/plan van aanpak dient na afronding van het onderzoek te zijn opgesteld en aan de jeugdige en/of zijn ouder(
  21. s)te zijn overhandigd, tenzij zij hebben medegedeeld dit niet te wensen of dit vanwege veiligheidsoverwegingen niet wenselijk is. In sommige situaties is het niet mogelijk om het onderzoek in zes weken af te ronden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als er informatie wordt opgevraagd bij een derde of als er sprake is van een complexe hulpvraag. Indien het onderzoek niet binnen zes weken kan worden afgerond, worden de jeugdige en/of zijn ouder(
  22. s)hierover tijdig geïnformeerd. Zij worden tevens geïnformeerd over de reden waarom het niet mogelijk is om het onderzoek binnen zes weken af te ronden. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouder(
  23. s)worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Artikel2.2.7Aanvraag individuele voorziening Een individuele voorziening kan pas worden aangevraagd op het moment dat het onderzoek is afgerond, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken na ontvangst van de melding is afgerond en de jeugdige en/of zijn ouder(
  24. s)hierover niet tijdig zijn geïnformeerd. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de gemeente vastgesteld formulier of door ondertekening van het ondersteuningsplan. Artikel2.2.7.1Ondertekening aanvraagformulier Indien de aanvraag betrekking heeft op een jeugdige: a. die jonger is dan 12 jaren, of b. die ouder is dan 12 jaren en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen, dan dient de wettelijke vertegenwoordigerhet aanvraagformulier te ondertekenen. Heeft de aanvraag betrekking op een jeugdige die de leeftijd van 12, maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan dient zowel de jeugdige als diens wettelijke vertegenwoordiger het aanvraagformulier te ondertekenen, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Of een minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, dient van geval tot geval te worden beoordeeld. Het is aan de coach om dit te beoordelen. Weigert de wettelijk vertegenwoordiger in te stemmen met de aanvraag, dan wordt de aanvraag toch in behandeling genomen als de jeugdhulp voor de minderjarige nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen. Heeft de aanvraag betrekking op een jeugdige die de leeftijd van 16 jaren heeft bereikt, dan is de instemming van de wettelijke vertegenwoordiger niet vereist. De wettelijk vertegenwoordiger wordt in deze situatie in principe alleen geïnformeerd over het inzetten van jeugdhulp als de jeugdige heeft aangegeven dit te willen. Hierop geldt de uitzondering op het moment dat de jeugdige op een ander adres gaat wonen als gevolg van het inzetten van de jeugdhulp. In dit geval dient de wettelijk vertegenwoordiger het aanvraagformulier mede te ondertekenen. Dit geldt ook in de situatie dat de jeugdige, als gevolg van zijn beperkingen, niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Artikel2.2.8Beschikking Indien de jeugdige en/of zijn ouder(
  25. s)een aanvraag doet voor een individuele voorziening, dan ontvangen de jeugdige en/of zijn ouder(
  26. s)zo nodig een beschikking. Indien de jeugdige de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt wordt de beschikking naar de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige gestuurd. Vanaf het bereiken van de leeftijd van 18 jaren wordt de beschikking naar de jeugdige zelf gestuurd. In de beschikking wordt gemotiveerd aangegeven of de jeugdige op grond van de criteria genoemd in artikel 3.1 en 3.2 van de verordening in aanmerking komt voor een individuele voorziening. De criteria genoemd in artikel 3.2 van de verordening zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk artikel 3.2.1 tot en met 3.2.17. Indien de jeugdige in aanmerking komt voor een individuele voorziening wordt in de beschikking aangegeven of deze voorziening in de vorm van natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt. Tevens wordt aangegeven hoe bezwaar tegen de beslissing kan worden gemaakt. Bij het verstrekken van een individuele voorziening worden in de beschikking tevens vastgelegd: welke aanbieder de jeugdhulp gaat verlenen; welke individuele voorziening verstrekt wordt; aan welke doelen er gewerkt moet gaan worden; de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; indien van toepassing de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt zich bij de aanbieder moet hebben gemeld; en of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval tevens vastgelegd: welke pgb-aanbieder de ondersteuning gaat verlenen; welke individuele voorziening verstrekt wordt; aan welke doelen er gewerkt moet gaan worden; wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald; de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; en of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. In de bijlage bij de beschikking kan worden opgenomen: a. dat de bekwaamheid van de aanvrager is getoetst en dat het pgb passend wordt geacht; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend; d. hoe de feitelijke betaling ten laste van het te verstrekken pgb plaatsvindt; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Artikel2.3Spoedhulp In spoedeisende situaties kan de reguliere procedure niet worden afgewacht. Er is sprake van een spoedeisende situatie als binnen 24 tot 48 uur een voorziening dient te worden ingezet vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. In dergelijke situaties wordt zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening ingezet. Indien er een individuele voorziening voor spoedhulp wordt ingezet, wordt deze voorziening voor de duur van maximaal vier weken toegekend. Binnen deze vier weken wordt het onderzoek verricht en wordt na afronding hiervan een verslag opgesteld met de uitkomsten van dit onderzoek. Uit dit verslag dient duidelijk te worden welke vervolghulp ingezet dient te worden. Voor het inzetten van spoedhulp is geen aanvraag vereist. Voor het inzetten van de vervolghulp, dus de hulp na de eerste vier weken, dient wel een aanvraag te worden ingediend door de jeugdige en/of zijn ouder(s). De jeugdige en/of zijn ouder(
  27. s)ontvangen na afronding van het onderzoek zo nodig een beschikking met betrekking tot de inzet van de spoedhulp en de vervolghulp die wordt ingezet. Indien er met spoed een individuele voorziening moet worden afgegeven en het college is van oordeel dat er voor een langere periode ondersteuning noodzakelijk is, dan kan de jeugdhulp voor een langere periode dan 4 weken worden afgegeven. Dit geldt niet voor het product spoedhulp. Artikel2.4Veiligheid Indien de veiligheid van de jeugdige in het geding is, kan de gemeente contact opnemen met Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis. Hoofdstuk3Criteria voor individuele voorzieningen Artikel3.1Criteria Op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet en artikel 3.1 van de verordening komt een jeugdige in aanmerking voor een individuele voorziening als de jeugdige: a. op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; b. geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een voorliggende voorziening, of; c. geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene voorziening. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Voor de toegang tot deze voorzieningen is geen aanvraag nodig. Indien een jeugdige gebruik kan maken van een dergelijke voorziening zal er geen beschikking worden afgegeven door de gemeente, tenzij de jeugdige en/of zijn ouder(
  28. s)desondanks toch een aanvraag hebben ingediend. Artikel3.2Eigen kracht Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Het college hoeft geen jeugdhulp te verstrekken als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(
  29. s)naar oordeel van het college toereikend zijn. Hulp van personen uit het sociaal netwerk valt daar ook onder. De Jeugdwet wordt gevormd door een stelsel met als uiteindelijk doel de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving te versterken (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 2). Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 136). Deze uitgangspunten zijn (ook) in artikel 2.1 van de wet verankerd; de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf en er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouder(
  30. s)en het sociale netwerk . De wet schrijft niet voor wat nu precies onder de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen kan vallen. De invulling die het college daaraan geeft, moet vallen binnen een redelijke wetsuitleg. Daartoe dienen deze beleidsregels. Komt het college tot het oordeel dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(
  31. s)(deels) toereikend zijn, dan kan een aanvraag om jeugdhulp geheel of gedeeltelijk worden afgewezen (CRVB:2019:2362 en vergelijk ook CRVB:2019:2815 ). Wanneer het vermogen om zelf oplossingen te bedenken voor de eigen problemen (eigen kracht) ontoereikend is, wordt beoordeeld of en hoe dit vermogen om zelf oplossingen te bedenken voor de ondervonden problemen door de cliënt vergroot kan worden. Bij het aanspreken van de eigen kracht moet dan ook meer gedacht worden aan het versterken of aanleren van de vaardigheden dan aan iets materieels. Bij het op eigen kracht kunnen realiseren van een oplossing wordt niet gekeken naar de financiële positie van de jeugdige en/of zijn ouder(s ). Eigen mogelijkheden Het begrip eigen mogelijkheden kan letterlijk worden opgevat. Dat wil zeggen: het feitelijk in staat zijn tot. Zo kan tijdens het onderzoek naar de behoefte aan jeugdhulp blijken dat ouder(
  32. s)zelf al maatregelen hebben getroffen of kunnen treffen om de hulp, zorg en/of ondersteuning te kunnen bieden aan de jeugdige. Denk bijvoorbeeld aan het (gedeeltelijk) opzeggen van een baan. Dat de hulp, zorg en/of ondersteuning van de jeugdige meer is dan normaal bij kinderen van eenzelfde leeftijd en/of ontwikkelingsniveau maakt dat niet anders. Herkennen én erkennen Het probleemoplossend vermogen kan als het vermogen worden aangemerkt om te herkennen én erkennen (begrijpen) dat er problemen bestaan om vervolgens te kunnen komen tot het treffen van maatregelen om deze problemen op te lossen . Vaardigheden Probleemoplossend vermogen vraagt ook om vaardigheden. Daaronder kunnen ook capaciteiten worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan: het kunnen signaleren en analyseren en oplossingsgericht kunnen denken en handelen. Het niet of onvoldoende beschikken over vaardigheden en/of capaciteiten van de ouders heeft vooral betrekking op jeugdhulp in de vorm van opvoedondersteuning. Deze vorm van hulp kan ook binnen een algemene voorziening worden vormgegeven. Artikel3.2.1Afwegingskader Voor de beoordeling van eigen kracht moeten alle feiten en omstandigheden worden meegenomen. De gemeente onderzoekt bij de beoordeling of er sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen om de noodzakelijke hulp voor het kind te bieden, de volgende factoren: 1. Is de ouder (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk) in staat de noodzakelijke hulp te bieden? 2. Is de ouder (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk) beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden? 3. Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op? 4. Blijft de ouder (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk) de hulp bieden en zo ja, komt de ouder daardoor niet in de problemen? Als uit onderzoek blijkt dat de ouder(
  33. s)(eventueel met hulp uit het sociaal netwerk) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan is er sprake van voldoende eigen kracht. In elke individuele situatie wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van het onderzoek gebaseerd op de hulpvraag waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouders. Artikel3.2.2 Zorg van ouders voor kind Ouders hebben naast het recht ook een plicht om hun minderjarig kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 van het Burgerlijk Wetboek). Daaronder wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(
  34. s)strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder(
  35. s)normaal gesproken geeft aan het kind. Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dat overneemt. In het geval ouders gescheiden zijn, wordt ook rekening gehouden met de ouder waar de jeugdige niet woonachtig is. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een beschermende woonomgeving. De zorgplicht van ouders voor kinderen draagt bij aan het gezond en veilig kunnen opgroeien, het groeien naar zelfstandigheid en het voldoende zelfredzaam zijn (worden) en maatschappelijk kunnen participeren. Werkende ouder(
  36. s)Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de hulp, zorg en/of ondersteuning van hun kinderen, ook als vanwege het werk gebruik wordt gemaakt van (naschoolse) kinderopvang. Reguliere naschoolse opvang die nodig is alleen omdat de ouder(
  37. s)niet beschikbaar zijn, kan in ieder geval niet als jeugdhulp worden gekwalificeerd. Gescheiden ouders Ook in de situatie dat ouder(
  38. s)gescheiden zijn, wordt onderzoek gedaan naar de vraag of de ouder (waar de jeugdige niet woonachtig
  39. is)hulp, zorg en/of ondersteuning redelijkerwijs kan bieden. De andere ouder van de jeugdige kan immers tot het sociaal netwerk worden gerekend. Is er sprake van co-ouderschap, dan geldt het uitgangspunt dat van hen wordt verwacht dat zij samen de hulp, zorg en/of ondersteuning bieden. Immers, bij co-ouderschap verdelen ouders feitelijk de zorg voor het kind; zij vallen beiden onder het sociaal netwerk (de huiselijke kring) en behouden de zorg- en opvoedplicht voor hun kind. Beschikbaarheid Voor zover het ontbreken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten of een vorm van werk, gaat in beginsel het verlenen van zorg aan het kind, en daarmee de zorgplicht voor ouders jegens het kind, voor op het uitvoeren van maatschappelijke activiteiten of een vorm van werk. Capaciteiten van de ouder(
  40. s)Voor de beantwoording van de vraag of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  41. s)toereikend zijn geldt het volgende. Het college beoordeelt dat aan de hand van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen van de jeugdige en welke problemen ouders ondervinden met betrekking tot de zogeheten zorgplicht. Probleemoplossend vermogen vraagt ook om vaardigheden. Daaronder kunnen ook capaciteiten worden verstaan. Ook kan het mogelijk zijn dat ouders vanwege eigen problematiek, bijvoorbeeld verslaving of live events (tijdelijk) niet over eigen mogelijkheden of probleemoplossend vermogen beschikken. Verwacht wordt dat ouder(
  42. s)de op hun weg trachtende mogelijkheden benutten om de eigen mogelijkheden of probleemoplossend vermogen duurzaam te versterken zodat een beroep op een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet niet noodzakelijk is. Hierbij kan naast de eigen inspanningen van ouders(
  43. s)ook gedacht worden aan een beroep op voorliggende voorziening zoals de Zorgverzekeringswet, Wet langdurige Zorg, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Wet passend Onderwijs, een beroep op het sociaal netwerk of algemene voorzieningen. Ouders kunnen in dit kader gevraagd worden om een plan van aanpak op te stellen waarin zij aangeven hoe zij hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen duurzaam kunnen versterken waardoor zij (weer) in staat zijn zelf de (dagelijkse) hulp, zorg en/of ondersteuning te bieden aan het kind. Artikel 3.2.3 (Dreigende) overbelasting van ouder(s)/verzorger(
  44. s)Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Soms is het direct duidelijk dat de ouder(
  45. s)overbelast is of dreigt te raken, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, zorg en/of ondersteuning maar ook de noodzaak tot het aanwezig zijn om die te bieden, kan van invloed zijn op de belastbaarheid van de ouder(s). Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf gezette (gebruikelijke) momenten kan minder belastend zijn dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij veel (continu) toezicht en alertheid van de ouder(
  46. s)wordt verwacht. Aannemelijk maken (dreigende) overbelasting Een beroep op (dreigende) overbelasting moet door de ouder(
  47. s)aannemelijk worden gemaakt en zonodig nader worden onderbouwd. Is dat door de ouder(
  48. s)aannemelijk gemaakt, dan rust de plicht op de gemeente om daar verder onderzoek naar te doen. Daarvoor zal de specifieke situatie van de ouder(s), bijvoorbeeld de fysieke en mentale gezondheidstoestand, in kaart worden gebracht. De ouder(
  49. s)is desgevraagd verplicht zijn medewerking te verlenen aan dat onderzoek. Weigert de ouder(
  50. s)dit, dan kan de gemeente de noodzaak voor het verstrekken van jeugdhulp niet inhoudelijk beoordelen. Is de (dreigende) overbelasting vastgesteld én kan van de ouder(
  51. s)niet worden verwacht deze op te heffen, dan zijn de eigen mogelijkheden ontoereikend. Indien uit het onderzoek naar de noodzaak van jeugdhulp blijkt dat inzet van jeugdhulp noodzakelijk wordt geacht, dan geldt hierbij het uitgangspunt dat: • De inzet van jeugdhulp bij (dreigende) overbelasting altijd tijdelijk is met het doel om de (dreigende)overbelasting duurzaam op te heffen. Van ouder(
  52. s)wordt verwacht dat zij een plan van aanpak opstellen om de (dreigende) overbelasting op te lossen en dat zij in de tijd dat jeugdhulp wordt gegeven werken aan dit plan van aanpak. • De inzet van jeugdhulp bij (dreigende) overbelasting gericht is op een duurzame oplossing, dat wil zeggen dat de hulp gericht is op het gezinssysteem in gezamenlijke verantwoordelijkheid tot het verkrijgen van voldoende probleemoplossend vermogen en eigen kracht. In beginsel wordt daarom de jeugdhulp ingezet in de thuissituatie; • Voor de inzet van jeugdhulp bij (dreigende) overbelasting een verband moet zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de zorg die geboden wordt en noodzakelijk wordt geacht in het kader van de Jeugdwet. Bij overbelasting met een andere oordzaak dan de zorg aan het kind dient de oorzaak van deze overbelasting opgelost te worden. • Wanneer de geldigheidsduur van de indicatie voor een individuele voorziening is verlopen en een herindicatie wordt aangevraagd, zal onderzocht worden of en welke inspanningen zijn verricht om de overbelasting terug te dringen. Hierbij geldt het uitgangspunt van de Jeugdwet dat van ouders een actieve rol verwacht wordt om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen (waaronder (dreigende) overbelasting) zelf of met behulp van hun eigen netwerk of andere mogelijkheden op te lossen. Persoonsgebonden budget Als de ouder(
  53. s)en/of de jeugdige een pgb wensen en er wordt voldaan aan de voorwaarden, dan is het niet toegestaan om dat pgb te besteden aan de (dreigende) overbelaste ouder. Dit verhoudt zich namelijk niet tot het uitgangspunt van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Daarnaast kan bij (dreigende) overbelasting ook niet meer worden gesproken van aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning voor het kind dan jeugdhulp in natura. Artikel 3.2.4 (intieme) persoonlijke verzorging jeugdige vanaf 12 jaar Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), terwijl de ouder(
  54. s)daartoe wel in staat is en deze vorm van jeugdhulp noodzakelijk wordt geacht, dan wordt daarin geen bijdrage van de ouder(
  55. s)verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan kinderen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat betreft hun lichamelijke integriteit. Het college heeft bij deze vorm van zorg oog voor een mogelijke aanspraak op intensieve kindzorg op grond van de Zorgverzekeringswet of toegang tot de Wet langdurige zorg. Artikel 3.2.5 Aanvullende verzekering Soms blijken ouders van de jeugdige aanvullend verzekerd te zijn voor de jeugdhulp die de gemeente, nadat onderzoek is verricht, noodzakelijk acht. In dat geval wordt van de jeugdige en/of zijn ouder(
  56. s)verwacht dat ze die aanvullende verzekering aanspreken. Het college hoeft namelijk geen voorziening voor jeugdhulp te treffen als de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf de problemen op te lossen (zie artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet). Indien ouders van de jeugdige niet beschikken over een aanvullende verzekering en inzet van jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet wordt noodzakelijk geacht, dan is de gemeente verantwoordelijk voor het inzetten van de individuele voorziening. Als vaststaat dat de hulp noodzakelijk is en meer behandelingen nodig zijn of slechts een gedeelte wordt vergoed vanuit de aanvullende verzekering, dan treft het college hiervoor in het kader van de Jeugdwet aanvullend een voorziening indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht. Hoofstuk 4 Voorzieningen Artikel4.1Algemene voorzieningen Binnen de gemeente Almelo zijn verschillende algemene voorzieningen beschikbaar voor opvoed- en opgroeiondersteuning met een preventieve insteek. Deze vrij toegankelijke voorzieningen worden geboden door verschillende organisaties. Een aantal voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: Voorzieningen jeugd Kinder-, tiener- en jongerenwerk Opvoedondersteuning Schoolmaatschappelijk werk Gezinsondersteuning Voorzieningen alle leeftijden Onafhankelijke cliëntondersteuning Dagactiviteiten (licht) verstandelijk gehandicapten Activiteiten georganiseerd in wijkcentra Steunpunt Mantelzorg Almelo Artikel4.2Individuele voorzieningen Binnen de gemeente Almelo zijn er verschillende individuele voorzieningen beschikbaar. Vrijwillig en gedwongen kader De individuele voorzieningen in het kader van de Jeugdwet kunnen worden onderscheiden in voorzieningen binnen het vrijwillig en het gedwongen kader. Vrijwillig wil zeggen dat de jeugdige en de ouders het nut en de noodzaak inzien van de ondersteuning en ook meewerken aan het bereiken van het tijdens het onderzoek geformuleerde resultaat. Gedwongen betekent dat ook zonder toestemming van de jeugdige en/of de ouders een voorziening kan worden getroffen. Te denken hierbij valt aan een jeugdbeschermingsmaatregel (als bijvoorbeeld de veiligheid van de jeugdige in het geding
  57. is)of jeugdreclassering (als de jeugdige in aanraking is gekomen met justitie). De volgende individuele voorzieningen kunnen bij wijze van voorbeeld worden verstrekt: ondersteuning zelfstandig leven ondersteuning maatschappelijke deelname vervoer behandeling persoonlijke verzorging jeugd GGZ (Geestelijke Gezondheids Zorg) basis (generalistische GGZ) jeugd GGZ specialistisch (specialistische GGZ) gespecialiseerde jeugdhulp consultatie en diagnostiek wonen en verblijf De voorzieningen worden hieronder nader toegelicht. Artikel4.2.1Ondersteuning zelfstandig leven De individuele voorziening ondersteuning zelfstandig leven bestaat uit twee niveaus (1 en 2). De ondersteuning zelfstandig leven is gericht op individuele ondersteuning van de cliënt in het dagelijks leven. De gemeenten werken doelgericht. Dat betekent dat het door de zorgverlener te behalen doel centraal staat. De doelen worden opgenomen in zowel het zorgplan van de zorgverleners als het ondersteuningsplan dat opgesteld is door de gemeente. De cliënt wordt vanaf zijn of haar 12e levensjaar betrokken bij het opstellen van deze documenten. De ondersteuning kan onder andere gericht zijn op de volgende doelen (de onderstaande lijst is niet limitatief): De cliënt is in staat om: zijn financiële situatie gezond te houden; te voorzien in de eerste levensbehoeften; taken uit te voeren rondom het huis; isolement te voorkomen; besluiten te nemen; zichzelf te verzorgen; op een passende manier voor zichzelf op te komen; stabiel te functioneren en te participeren in de samenleving; zelfstandig of thuis te blijven wonen; zich zelfstandig te verplaatsen met algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen; gezond te leven en hier naar te handelen (voeding en beweging); de eigen algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zo veel mogelijk zelf te verrichten; ook kan tot de resultaten behoren dat de omgeving van de cliënt in staat is met (de gevolgen van) de beperking van de cliënt om te kunnen gaan. Ondersteuning zelfstandig leven bestaat uit 2 niveaus. Ondersteuning zelfstandig leven jeugd niveau 1 De cliënt kan communiceren en zelf om ondersteuning vragen. De ondersteuning is erop gericht om door stimulans en/of toezicht ervoor te zorgen dat de cliënt in staat is om zijn/haar sociale leven zelfstandig vorm te geven; Er is doorgaans geen primaire noodzaak tot het overnemen van taken, bijvoorbeeld bij de dagelijkse routine. De ondersteuning kán zich dus wel richten op het overnemen van taken door een professional. Het gaat in deze vorm van ondersteuning om planbare ondersteuning. De cliënt en of zijn ouders zijn zich ervan bewust dat begeleiding op vaste dagen en tijdstippen langs komt om de ondersteuning te verlenen. De cliënt kan zijn hulpvraag uitstellen. Mocht er een ad hoc situatie ontstaan dan weet de cliënt hier zelf mee om te gaan of bespreekt dit bij de volgende afspraak met de begeleiding. Ondersteuning zelfstandig leven jeugd niveau 2 De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. De cliënt kan (nog) niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen. Voor de dagstructuur en het voeren van regie heeft de cliënt ondersteuning van anderen nodig. Ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag –en nachtritme) die voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Deze problemen kunnen zodanige vormen aannemen dat de cliënt geholpen moet worden met ondersteuning. De ondersteuning kan zich ook richten op het, tijdelijk, overnemen tot en met het aanleren van taken door een professional. Het kan dan vooral gaan om ondersteuning bij voor de cliënt complexere activiteiten. Dit kán ook voor eenvoudige taken gelden. Het gaat in deze vorm van ondersteuning om zowel planbare als niet planbare ondersteuning. De cliënt heeft naast één of meerdere vaste dagen en tijdstippen begeleiding ook ondersteuning nodig wanneer zich een ad hoc situatie voordoet. De cliënt heeft dan direct ondersteuning nodig (telefonisch/oproepbaar). Artikel4.2.2Ondersteuning maatschappelijke deelname Ondersteuning maatschappelijke deelname bestaat uit twee niveaus. De ondersteuning maatschappelijke deelname is gericht op dagbesteding. Onder dagbesteding (begeleiding groep) wordt verstaan ‘Ondersteuning in het dagelijks leven’. Het doel is het bevorderen of in stand houden van de mogelijkheid van de jeugdige om te kunnen deelnemen aan de maatschappij door ondersteuning te bieden bij een zinvolle invulling van de dag, het aangaan van sociale contacten en/of het ontlasten de ouder/verzorger. Dagbesteding omvat een dagactiviteit voor jeugdigen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperkingen/of gedragsproblemen die als gevolg van hun beperkingen niet kunnen deelnemen aan regulier onderwijs. De activiteit vindt overdag plaats, buiten de woonsituatie, in groepsverband. Dagbesteding is een structurele tijdsbesteding met een vaste regelmaat. Er is een SMART-geformuleerd doel per jeugdige en er wordt gewerkt middels een methodische aanpak in de groep. De jeugdige wordt actief betrokken en de dagbesteding is voor de jeugdige een betekenisvolle activiteit. De te behalen doelen staan centraal. De doelen welke zijn opgenomen in het ondersteuningsplan worden nader uitgewerkt in het zorgplan. De cliënt wordt actief betrokken en de dagbesteding is voor de cliënt een betekenisvolle activiteit. De zwaarte van de dagbesteding wordt bepaald door de mate van complexiteit van de uit te voeren activiteiten en/of aanwezige stoornissen en/of beperkingen van de cliënt. Onder dagbesteding wordt verstaan: activiteiten buitenshuis om sociaal isolement te voorkomen; deelname aan georganiseerde activiteiten; volgen van school of een opleiding; voorbereiding op (betaald) werk met ondersteuning voor zover de Participatiewet daarin niet voorziet; het aanbieden van routine en structuur voor de dag; voorkomen van verwaarlozing/opname; zoveel als mogelijk handhaven dan wel stimuleren van de zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden. stimuleren van niet-uitstelbare ADL-handelingen zoals toiletgang, toezien op medicatie-inname, nuttigen maaltijd. dagbesteding ter vervanging van onderwijs is alleen mogelijk bij een tijdelijke vrijstelling afgegeven door de leerplichtambtenaar. Onder dagbesteding wordt niet verstaan: Een reguliere dagstructurering die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden. Een welzijnsactiviteit zoals koffie drinken, gamen, uitstapjes en dergelijke. Een welzijnsactiviteit mag slechts worden ingezet indien dit dient als middel om de in het zorgplan beschreven doelen te behalen. De gemeente kan inwoners die ondersteuning behoeven in sociale zelfredzaamheid verwijzen naar lokale aanbieders van welzijnsactiviteiten. Deze voorzieningen zijn algemeen toegankelijk en hiervoor is dan ook geen beschikking van de gemeente vereist. Deze voorzieningen zijn voorliggend aan de maatwerkvoorzieningen OMD en OZL. Indien de coach beoordeelt dat de algemene voorziening niet aansluit bij de complexiteit van de uit te voeren activiteiten en/of aanwezige stoornissen en/of beperkingen van de cliënt, zal een maatwerkvoorziening worden geïndiceerd. Ondersteuning maatschappelijke deelname kent 2 niveaus: Ondersteuning maatschappelijke deelname niveau 1: De ondersteuning is erop gericht door stimulans en/of toezicht te zorgen dat de cliënt in staat is zijn /haar sociale leven zelfstandig vorm te geven, waaronder het deelnemen aan onderwijs. De ondersteuning biedt structuur en geeft een adequate invulling aan de dag; Er is doorgaans geen primaire noodzaak tot het overnemen van taken, bijvoorbeeld bij de dagelijkse routine. De cliënt kan zelf om ondersteuning vragen, maar stimuleren, signaleren en toezicht zijn wel nodig. Ondersteuning maatschappelijke deelname niveau 2: Ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen en het zelfstandig nemen van besluiten. De ondersteuning houdt er rekening mee dat de communicatie niet altijd vanzelf gaat doordat de cliënt niet altijd begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. De ondersteuning kan zich ook richten op het, tijdelijk, overnemen tot en met het aanleren van taken door een professional, omdat de cliënt ernstige problemen heeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om ondersteuning bij voor de cliënt complexere activiteiten die van de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen. De ondersteuning houdt er rekening mee dat de cliënt mogelijk meer interventies nodig heeft door bijvoorbeeld gedragsproblemen. Een dag kent twee dagdelen. Een dagdeel kent 4 uur en bevat minimaal 3,75 uur directe zorgverlening. Tijdens de dagbesteding kan gelijktijdig geen individuele begeleiding (OZL) worden ingezet. Dagbesteding kan tijdelijk worden ingezet ter overbrugging van een periode tot langdurige opname in een intramurale voorziening. De vergoeding die de gemeenten betaalt voor de levering van de ondersteuning mag niet worden ingezet voor het verzorgen van maaltijden. Bij het bieden van twee opeenvolgende dagdelen is de aanbieder niet verplicht een maaltijd aan te bieden. De aanbieder staat het wel vrij om een maaltijd aan te bieden en om eventueel een eigen bijdrage hiervoor te vragen aan de (pleeg)ouders en/of verzorgers (en indien van toepassing de wettelijk vertegenwoordiger). Artikel4.2.3.Algemene uitgangspunten behandeling (artikelen 4.2.4 t/m 4.2.10) De ondersteuning is van gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard. De ondersteuning/ behandeling is gericht op het voorkomen van verergering van de gedragsprobelemen in verband met deze beperking. Het betreft cliënten met een (licht) verstandelijke beperking. Behandeling wordt toegekend in de vorm van 'individuele behandeling', in de vorm van 'behandeling in groepsverband' of in de vorm van 'verblijf met behandeling'. Behandeling is gericht op herstel of het voorkomen van verergering van gevolgen/complicaties van de aandoening, al dan niet door het aanleren van vaardigheden/gedrag. Behandeling kan ook gericht zijn op het voorkomen van het ontstaan van een met de aandoening gerelateerde stoornis. Het gaat bij behandeling om continue, systematische, langdurige en multidisciplinaire ondersteuning (CSLM-Ondersteuning). Er bestaat complexe (multi-)problematiek waarbij specifieke deskundigheid op het niveau van een behandelaar noodzakelijk is, zoals van een Arts Verstandelijk Gehandicapten, een gedragswetenschapper of paramedicus met specifieke kennis (bijvoorbeeld ergotherapeut, linguïst, logopedist, spraak-/taalpatholoog, orthoptist). De problematiek is zo complex dat meestal substantiële en duurzame coördinatie, regie en supervisie van een multidisciplinair team noodzakelijk zijn. Er is dan op gestructureerde wijze afstemming nodig over wat de verschillende disciplines doen. Crisiszorg Binnen behandeling kan ook crisisinterventie worden ingezet, namelijk ‘behandeling Families First’. Hierbij wordt in een crisissituatie van het (multiprobleem)gezin behandeling ingezet. Door gericht en methodisch ingrijpen wordt de gedragsproblematiek herstelt bij kinderen met een verstandelijke beperking en ernstig probleem gedrag. Dit wordt nader uitgewerkt in artikel 4.2.8. Artikel4.2.4Behandeling (
  58. j)LVG (jeugd Licht Verstandelijk Gehandicapt) ook wel aangeduid als LVB (Licht Verstandelijk Beperkt) Doel: multidisciplinair onderzoek in een poliklinische setting, ter verheldering van iemands psychische moeilijkheden en/of gedragsproblemen. Aansluitend wordt een zorgplan c.q. behandelplan opgesteld. aanvullende ondersteuning in een poliklinische setting. Inhoud: standaardonderzoek: 16 uur GZ-psycholoog (GezondheidsZorg-psycholoog)/gedragswetenschapper (dossieranalyse, intelligentie- en persoonlijkheidsonderzoek); 4 uur maatschappelijk werk (milieuonderzoek, zonder huisbezoek); aanvullende functionele diagnostiek: Deze diagnostiek bestaat uit een analyse en verheldering van de vraag om behandeling en is in veel gevallen gericht op het verkrijgen van inzicht in de niveaus van functioneren (cognitief, adaptief en sociaal emotioneel) om problematisch gedrag te kunnen verklaren (bijvoorbeeld door eventuele aanwezigheid van bepaalde psychische of psychiatrische aandoeningen). Het systeem en/of de omgeving (de context) worden daarbij ook geanalyseerd. aanvullende ambulante ondersteuning in poliklinische setting in de vorm van therapieën (spel-, psychomotore-, psychotherapie, etc.). Opmerking: De hulp wordt geboden door aanbieders met erkende deskundigheid op het gebied van behandeling aan licht verstandelijk beperkte jeugdigen met ernstig probleemgedrag of ernstige meervoudige beperking. Een regiebehandelaar is verantwoordelijk voor de behandeling aan cliënt Doelgroep: Jeugdigen met een verstandelijke beperking die gepaard gaat met een psychiatrische stoornis en ernstig probleemgedrag. Artikel4.2.5Behandeling VG (Verstandelijk Gehandicapt) Doel: Behandeling – niet gangbaar vanuit de curatieve ondersteuning (jeugd-GGZ) – gericht op personen met chronische gezondheidsproblemen en beperkingen. Inhoud: functionele diagnostiek door een regiebehandelaar bestaande uit multidisciplinair onderzoek ofwel ‘assessment’ om te bepalen welk arrangement of welke ondersteuning/ behandeling een persoon nodig heeft; consulten door een regiebehandelaar, gericht op medische advisering en/of interventies ter ondersteuning van de reguliere eerstelijnszorg; specifieke CSLM-Ondersteuning (continue, systematische, langdurige, multidisciplinaire Ondersteuning). De behandeling vindt plaats onder verantwoordelijkheid van en onder regiebehandelaar met specifieke kennis van de doelgroep. Vorm: Ad 1: Kortdurende multidisciplinaire diagnostiek, gericht op het beperkingenniveau en het onderzoeken van behandelmogelijkheden (verbeteren van het functioneren voor zover mogelijk, voorkomen van verergering, zo lang mogelijk handhaven van zelfstandigheid), bij complexe problematiek. Ad 2: een medisch consult kan worden geleverd door een regie-behandelaar. Een consult kan bestaan uit: face-to-face-contact of een telefonisch behandelingscontact met een cliënt; gericht overleg met de behandelend arts van cliënt; Ad 3: Behandeling door een regiebehandelaar van meervoudig zorgbehoevende kinderen/jongeren zijn aangewezen op CSLM-ondersteuning. De regiebehandelaar heeft de regie en eindverantwoordelijkheid, en kan naast de eigen inzet meerdere disciplines met kennis van specifieke doelgroepen aansturen om het behandeldoel te bereiken. Voor onderlinge afstemming bestaat er periodiek multidisciplinair overleg. Opmerking: De hulp wordt geboden door aanbieders met erkende deskundigheid op het gebied van behandeling aan licht verstandelijk beperkte jeugdigen met ernstig probleemgedrag of ernstige meervoudige beperking. Een regiebehandelaar is verantwoordelijk voor de behandeling aan de cliënt Doelgroep: Jeugdigen met een verstandelijke beperking. Artikel4.2.6Behandeling door een gedragswetenschapper Doel: Behandeling – niet gangbaar vanuit de curatieve ondersteuning, dit wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet – gericht op personen met chronische gezondheidsproblemen en/of beperkingen. Inhoud: functionele diagnostiek door een gedragswetenschapper, bestaande uit multidisciplinair onderzoek ofwel ‘assessment’ om te bepalen welk arrangement of welke ondersteuning/ behandeling een persoon nodig heeft. consulten door een gedragswetenschapper, gericht op gedragswetenschappelijke advisering en/of interventies ter ondersteuning van de reguliere eerstelijnszorg. specifieke CSLM-ondersteuning (continue, systematische, langdurige, multidisciplinaire ondersteuning). De behandeling vindt plaats onder verantwoordelijkheid van en onder regie van een gedragswetenschapper met specifieke deskundigheid van de grondslagen en doelgroepen. kortdurende behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van nieuwe vaardigheden en/of gedrag, als dit een programmatische aanpak vereist waarvoor specifieke deskundigheid nodig is. De nieuw aan te leren vaardigheden en/of het gedrag richten zich op het terugdringen van stoornissen en beperkingen. De behandeling wordt zo ingericht dat de jeugdige door het aanleren van nieuwe vaardigheden en/ of gedrag (toekomstige) verergering van zijn beperkingen, aandoeningen en beperkingen kan voorkomen of dat stoornissen en beperkingen teruggedrongen worden of de ernst van stoornissen en/of beperkingen worden beperkt. Vorm: Ad 1: Kortdurende multidisciplinaire diagnostiek, gericht op het beperkingenniveau en het onderzoeken van behandelmogelijkheden (verbeteren van het functioneren voor zover mogelijk, voorkomen van verergering, zo lang mogelijk handhaven van zelfstandigheid), bij complexe problematiek. Ad 2: Een gedragswetenschappelijk consult door een gedragswetenschapper met kennis van specifieke doelgroepen. Een consult kan bestaan uit face-to-face-contact met een cliënt, of gericht overleg met de behandelend arts van cliënt. Ad 3: Behandeling door gedragswetenschapper van meervoudig zorgbehoevende jeugdigen die zijn aangewezen op CSLM-ondersteuning. De gedragswetenschapper heeft de regie en eindverantwoordelijkheid, en kan naast de eigen inzet meerdere disciplines met kennis van specifieke doelgroepen aansturen om het behandeldoel te bereiken. Voor onderlinge afstemming bestaat er periodiek multidisciplinair overleg. Ad 4: Er moet een concreet en haalbaar behandeldoel zijn waardoor blijvende verbeteringen in het functioneren worden bereikt/verwacht en de te geven behandeling dient een door de beroepsgroep geaccepteerde methode te zijn. Doelgroep: Jeugdigen met een verstandelijke beperking. Artikel4.2.7Behandeling paramedisch (samenhangend met geneeskunde) Doel: Behandeling – niet gangbaar vanuit de curatieve ondersteuning (Jeugd-GGZ). Dit wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet – gericht op personen met chronische gezondheidsproblemen en beperkingen. Inhoud: Specifieke CSLM-ondersteuning. De behandeling bestaat uit gerichte interventies, maakt onderdeel uit van een zorgplan voor mensen met chronische, meervoudige problematiek, en vindt plaats onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar met kennis van specifieke doelgroepen. Vorm: De regiebehandelaar heeft de regie en eindverantwoordelijkheid ten onderlinge afstemming (periodiek multidisciplinair overleg). Er dient sprake te zijn van een multidisciplinaire aanpak. De prestatie omvat tevens elementen van begeleiding die onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de CSLM-ondersteuning. Doelgroepen: Jeugdigen met een verstandelijke beperking. Artikel4.2.8Behandeling Families First (j)LVG Doel: Families First is bedoeld voor gezinnen in een acute crisissituatie die dusdanig ernstig is dat de uithuisplaatsing van een of meer kinderen in het gezin dreigt. Een crisis is een ernstige verstoring van de dagelijkse gang van zaken, bijvoorbeeld als gevolg van een plotselinge gebeurtenis of een opeenstapeling van problemen die de gezinsleden niet meer kunnen hanteren. Het doel van Families First is de aanwezige crisis op te lossen en de veiligheid in het gezin te vergroten, teneinde een uithuisplaatsing van één of meerdere kinderen te voorkomen. Dit wordt bereikt via de volgende vijf subdoelen: de gedragsproblemen van de jeugdigen zijn verminderd; de competenties van de gezinsleden zijn vergroot; de ervaren opvoedingsbelasting bij de ouders is verminderd; de opvoedingsvaardigheden van de ouders zijn verbeterd; en de gezinsleden maken meer gebruik van hun sociale netwerk. Inhoud: crisisinterventie ter vermindering van de crisissituatie in het gezin en het herstellen van de veiligheid en opvoedingsmogelijkheden in het gezin en voorkomen van uithuisplaatsing; methodisch ingrijpen en training van vaardigheden in gezinstaken en opvoeding ten behoeve van het kind met een verstandelijke beperking; begeleiding van de jeugdige met aandacht voor praktische training in vaardigheden, waar onder leren hanteren van probleemgedrag. Vorm: Families First benut de crisis om veranderingen tot stand te brengen, de hulp start binnen 24 uur. De hulp is intensief, en vindt plaats in de eigen leefomgeving van het gezin. Er wordt praktische hulp geboden wanneer dit nodig is om de draaglast van de gezinsleden te verminderen, daarnaast richt de hulp zich vooral op het aanleren en versterken van vaardigheden. De medewerker van de aanbieder fungeert daarbij als rolmodel of zet anderen als rolmodel in, richt zich op het verbeteren van de onderlinge communicatie tussen de gezinsleden en activeert het sociale netwerk van het gezin. De hulp van Families First duurt vier tot maximaal zes weken. Vier à vijf keer per week komt een gezinsmedewerker in het gezin en is daarnaast 7x24 uur bereikbaar. Inhoud De zorg wordt verleend door een multidisciplinair team bestaande uit gezinshulpverlener met relevante post HBO-opleiding, een teamleider en regiebehandelaar (orthopedagoog/psycholoog). De hulp wordt in het gezin geboden. Opmerking: De hulp wordt geboden door aanbieders met erkende deskundigheid op het gebied van behandeling aan licht verstandelijk beperkte jeugdigen met ernstig probleemgedrag of ernstige meervoudige beperking. Een regiebehandelaar is verantwoordelijk voor de behandeling aan cliënt Doelgroep: Jeugdige met een verstandelijke beperking die gepaard gaat met een psychische stoornis en ernstig probleemgedrag, waardoor een crisis in de gezinssituatie bestaat. Artikel4.2.9Behandeling IOG (j)LVG Doel: Behandeling-IOG (Intensieve Orthopedagogische Gezinsbehandeling) beoogt het aanleren van nieuwe vaardigheden en gedrag, waardoor bij het kind toekomstige verergering van de beperking en mogelijke uithuisplaatsing kan worden voorkomen. Door interventie verbeteren van de opvoedingssituatie zodat het gezin in staat is om de opvoeding en ontwikkeling van het kind te waarborgen. De behandeling van kind en ouders lopen parallel en hebben als doel de verbetering van de uitvoering van de opvoedingstaken, zodat de ouders op een positieve manier de ouderrol op zich kunnen nemen. Inhoud: het bieden van interventies voor het hanteren van probleemgedrag en versterking van de zelfredzaamheid van de cliënt; het aanleren van nieuwe vaardigheden en gedrag gericht aan kind en ouders om de thuissituatie op structurele basis te verbeteren. De nadruk wordt gelegd op een positieve benadering en het versterken van de krachten en kwaliteiten van het kind en zijn omgeving; het bieden van interventies voor herstel en versterking van opvoedingsvaardigheden aan ouders en het hanteren van probleemgedrag bij hun kind(eren). Vorm: De ondersteuning wordt geboden door een multidisciplinair team bestaande uit gezins-hulpverlener met relevante post HBO-opleiding, een teamleider en regiebehandelaar (orthopedagoog/psycholoog). De hulp wordt in het gezin geboden. De hulp is gemiddeld 4 uur per week per gezin aanwezig. De duur ervan is minimaal 6 weken en maximaal 6 maanden (met de mogelijkheid van herhaling). Opmerking: De hulp wordt geboden door aanbieders met erkende deskundigheid op het gebied van behandeling aan licht verstandelijk beperkte jeugdigen met ernstig probleemgedrag of ernstige meervoudige beperking. Een regiebehandelaar is verantwoordelijk voor de behandeling aan cliënt. Doelgroep: Jongeren met een licht verstandelijke beperking die gepaard gaat met ernstig probleemgedrag. De ouder(s)/verzorger(
  59. s)en hun omgeving ervaren opvoedingsproblemen. Artikel 4.2.10 Dagbehandeling VG kind midden Vorm: Het dagprogramma betreft een integraal aanbod, gebaseerd op een multidisciplinair behandelplan. Er is sprake van multidisciplinaire inzet van bijvoorbeeld gedragskundige(n), therapeuten en begeleiders op het niveau van activering. Doel : Ontwikkelen en aanleren van praktische, cognitieve en/of sociaal emotionele vaardigheden waarbij de mogelijkheden van de jeugdige optimaal benut worden, zodat een zo zelfstandig mogelijk niveau van functioneren bereikt kan worden. Dit kan een grotere zorgvraag op volwassen leeftijd voorkomen. Het kan ook gaan om CSLM-behandeling met als doel het voorkomen van gevolgen/complicaties van de aandoening of van het ontstaan van met de aandoening gerelateerde stoornis. Groepsgrootte: Midden: groep tussen 5 en 6. Opmerking: De hulp wordt geboden door aanbieders met erkende deskundigheid op het gebied van behandeling aan licht verstandelijk beperkte jeugdigen met ernstig probleemgedrag of ernstige meervoudige beperking. Een regiebehandelaar is verantwoordelijk voor de behandeling aan cliënt. Doelgroep: Kinderen met verstandelijke beperking variërend in de leeftijd van 0 tot 18 jaar; Vaak ontwikkelingsniveau van 0 tot 4 jaar; Beperkte cognitieve vaardigheden; Vaak beperkte sociaal emotionele vaardigheden; Er kan sprake zijn van aanvullende problematiek zoals gedrags-, hechtings- of psychiatrische problematiek en/of een lichamelijke beperking. Artikel4.2.11Algemene uitgangspunten persoonlijke verzorging (PV) Bij persoonlijke verzorging gaat het om het ondersteunen bij of overnemen van zelfzorg bij mensen met een aandoening of beperking. Persoonlijke verzorging is gericht op het opheffen van het tekort aan zelfredzaamheid van de cliënt. Dit kan ook inhouden dat de cliënt wordt gestimuleerd om deze activiteiten zelf te doen en aan te leren. Persoonlijke verzorging kan geleverd worden in drie vormen: Planbare ondersteuning. Planbare ondersteuning in combinatie met oproepbare ondersteuning. Nachtverzorging. In principe valt persoonlijke verzorging onder de 18 jaar onder de Jeugdwet, behalve als deze ondersteuning bij ernstig zieke kinderen gepaard gaat met onderstaande uitsluitingsgronden: sprake is van een behoefte aan permanent toezicht, of 24 uur per dag ondersteuning in de nabijheid beschikbaar moet zijn én die ondersteuning gepaard gaat met één of meer specifieke verpleegkundige handelingen. Dit wordt ook wel intensieve kindzorg genoemd. Dit is ondersteuning voor kinderen met ernstige medische problemen en/of beperkingen. Het is een combinatie van bijvoorbeeld verpleging, persoonlijke verzorging en begeleiding. Intensieve kindzorg valt onder het bereik van de Wlz. Artikel4.2.12Persoonlijke verzorging (PV) Doel: Geheel of gedeeltelijk overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging (met inbegrip van enige begeleiding bij die activiteiten). Inhoud: PV-basis omvat activiteiten op de volgende gebieden: hulp bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL-taken), namelijk bij het zich wassen, zich kleden, beweging en houding (waaronder in/uit bed gaan), eten en drinken, toiletgang, eventueel ook de controle van lichaamsfuncties; hulp bij beperkingen op het vlak van zelfverzorging van haren, sieraden omdoen, zich opmaken, scheren, mond- en gebitsverzorging, hand- en voetverzorging, aanbrengen en uitdoen van prothesen, hoortoestel aan of uitzetten, bril poetsen en opzetten, medicijnen klaarzetten (met uitzondering van het vullen van de weekdozen) en toedienen. PV-basis bevat ook advies, instructie en voorlichting aan de cliënt die in directe relatie staan met de persoonlijke verzorging, waaronder hulp bij medicijngebruik of stimulering van de cliënt bij het deels zelf uitvoeren van activiteiten. Hiertoe behoort ook het desgevraagd adviseren van informele verzorgers van de cliënt. Doelgroep: Jeugdigen met een beperking, resulterend in een tekort aan zelfredzaamheid bij persoonlijke ondersteuning (noodzaak dat een hulpverlener de ADL-activiteiten geheel of gedeeltelijk overneemt). Artikel4.2.13Persoonlijke verzorging (PV) extra Doel: Naast de planbare ondersteuning wordt ook oproepbare ondersteuning geleverd binnen een redelijke tijd. Inhoud: PV-extra voorziet in een vergoeding van de beschikbaarheid, opgevat als de tijden waarop uitvoerende beroepskrachten beschikbaar zijn voor directe zorgverlening maar niet feitelijk met die zorgverlening bezig zijn (men is oproepbaar). Uitgangspunt is de doelmatige organisatie van die beschikbaarheid met aandacht voor een voldoende schaalniveau en synergie door samenwerking van zorgverleners. Doelgroep: Cliënten die zijn aangewezen op PV en die – door de aard van hun ziekte en/of beperking(
  60. en)– naar verwachting meerdere keren per week persoonlijke verzorging moeten inroepen buiten de afgesproken vaste tijden. Artikel4.2.14Nachtverzorging Nachtverzorging is een vorm van verzorging die onder andere geleverd wordt in het kader van de ondersteuning in de thuissituatie, dan wel de overbrugging van een periode tot een definitieve intramurale opname. Onder nachtverzorging wordt verstaan het gedurende de nacht bieden van een veilig logeeradres (in een periode gelegen van 21.00 's avonds tot 08.00 uur van de daaropvolgende morgen). Inhoud: 1. intake 2. lichamelijke verzorging 3. hulp bij eten en drinken 4. medicijnen klaarzetten en toedienen 5. maaltijdverzorging 6. het ter beschikking stellen van een verblijf en rustruimte Artikel4.2.15Naschoolse dagbehandeling LVG tot 18 jaar Naschoolse dagbehandeling aan jeugdigen met een licht verstandelijke beperking (LVG) en ernstig probleemgedrag. Er is sprake van dusdanige gedragsproblematiek van het kind dat een intensieve interventie buiten de gezinssituatie noodzakelijk is. Tevens is er een verstoorde draaglast/draagkracht verhouding binnen het gezin. Deze verhouding is dermate verstoord dat specifieke behandeling vereist is om tot een positieve ontwikkeling te kunnen komen. Doel van de dagbehandeling is gericht op de ontwikkeling van het kind, op het vergroten van de zelfredzaamheid, beheersing van de gedragsproblematiek en voorkomen van een uithuisplaatsing. Daarnaast is het doel voor de ouder(
  61. s)het inzicht in de problematiek van hun kind te vergroten, handreikingen geven voor de opvoeding van het kind, en de draagkracht binnen het gezin te vergroten. Inhoud Het programma vindt plaats in groepsverband met daarbinnen individuele leertrajecten, met een structuur biedend klimaat. Het programma wordt aangeboden in aansluiting op schooltijden. Het betreft specifieke behandeling onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Er is sprake van multidisciplinaire inzet van bijvoorbeeld gedragsdeskundigen, therapeuten, paramedische inzet en begeleiders. Het cliëntsysteem (ouders/verzorgers) wordt nauw betrokken bij het hulpverleningsproces door middel van ouderbegeleiding om de gestelde doelen te realiseren. Doelgroep Een deel van deze doelgroep zit op de scheidslijn van Jeugdwet en Wet langdurige ondersteuning (Wlz). Wanneer gemeente van mening is dat de jeugdige blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur ondersteuning in de nabijheid nodig heeft, wordt in overleg met ouders/verzorgenden bekeken of de jeugdige in aanmerking komt voor de Wlz. Opmerking: De hulp wordt geboden door aanbieders met erkende deskundigheid op het gebied van behandeling aan licht verstandelijk beperkte jeugdigen met ernstig probleemgedrag of ernstige meervoudige beperking. Een regiebehandelaar is verantwoordelijk voor de behandeling aan cliënt. Artikel4.2.16Algemene voorwaarden bij GGZ en Specialistische jeugdzorg In de generalistische basis-GGZ (BGGZ) kunnen voor vrijgevestigden de volgende professionals als regiebehandelaar optreden: GZ-psycholoog. Psychotherapeut. Klinisch psycholoog. Klinisch neuropsycholoog. In de gespecialiseerde GGZ (SGGZ) treden voor vrijgevestigden de volgende professionals op als regie-behandelaar: Psychotherapeut Klinisch psycholoog Klinisch neuropsycholoog Psychiater Voor GGZ instellingen geldt de volgende mogelijke inzet van regiebehandelaren in de generalistische basis GGZ: GZ-psycholoog Klinisch psycholoog /klinisch neuropsycholoog Psychotherapeut Verpleegkundig specialist GGZ Indien de hoofddiagnose verslaving en/of gokproblematiek betreft: de verslavingsarts. Indien meerdere zorgprofessionals als zorgverleners betrokken zijn bij de zorgverlening aan een cliënt is het van belang dat één van hen het zorgproces coördineert en eerste aanspreekpunt is voor de cliënt en zijn naasten en/of wettelijk vertegenwoordiger. Dit is de regiebehandelaar. De regiebehandelaar draagt de verantwoordelijkheid voor de integraliteit van het behandelproces. Daarnaast is hij voor alle betrokkenen, inclusief de cliënt en diens naasten, het centrale aanspreekpunt. De regiebehandelaar moet passend zijn bij het type behandeling en de doelgroep. In beginsel komt elke discipline in aanmerking om de functie van regiebehandelaar te vervullen, mits deze een - gegeven de aard van de zorgvraag en de setting waarin de ondersteuning verleend wordt– relevante inhoudelijke deskundigheid bezit en er is voldaan aan de volgende voorwaarden: Academische opleiding of daarmee vergelijkbaar niveau, welke onderworpen is aan een systeem van accreditatie en her-accreditatie en/of voorziet in gerichte bij- en nascholing; BIG-registratie; Relevante werkervaring; Periodieke deelname aan een vorm van intervisie en intercollegiale toetsing. Inhoud In geval van interdisciplinaire dan wel multidisciplinaire behandeling geldt het volgende: De regiebehandelaar heeft een wezenlijk aandeel in de inhoudelijke behandeling. Het is van essentieel belang dat in de behandeling de juiste c.q. aangewezen deskundigheid wordt betrokken. De patiënt/cliënt kan in samenspraak met de aanbieder kiezen wie van de bij de behandeling betrokken zorgverleners als regiebehandelaar zal optreden. Vanwege het belang van continuïteit van ondersteuning is een wisseling van regiebehandelaar in beginsel ongewenst. Een wisseling van regiebehandelaar gebeurt altijd in overleg met de patiënt/cliënt en eventueel zijn naasten, en is wel mogelijk of wenselijk in geval van: Een nieuwe fase van de ondersteuning. Een wijziging in het zorgplan, met als gevolg wijziging van de zorgverlener(
  62. s)of van het zwaartepunt in de behandeling. Op verzoek van de cliënt (met redenen omkleed). De regiebehandelaar gedurende langere tijd niet, of niet meer, beschikbaar is (bijvoorbeeld in geval van ziekte, overplaatsing of ontslag). Bij wisseling van regiebehandelaarschap is de overdragende regiebehandelaar verantwoordelijk voor een goede overdracht van alle gemaakte afspraken en legt deze vast in het dossier. De regiebehandelaar coördineert de afstemming tussen alle betrokken zorgverleners en is verantwoordelijk voor de integraliteit van de behandeling. Het overleg is gericht op overeenstemming door middel van gezamenlijke besluitvorming. Bij verschil van mening of inzicht over de in te stellen behandeling heeft de regiebehandelaar uiteindelijk de doorslaggevende stem, echter niet eerder dan nadat alle betrokken deskundigen gehoord zijn. Indien een verschil van mening of inzicht niet op deze manier kan worden opgelost voorziet de aanbieder in een escalatieprocedure waarvan zowel de regiebehandelaar als de overige bij de behandeling betrokken professionals gebruik kunnen maken. De regiebehandelaar draagt niet de verantwoordelijkheid voor de door andere zorgverleners tijdens het behandelingstraject uitgevoerde afzonderlijke verrichtingen en interventies. Daarvoor zijn en blijven die andere zorgverleners zelf ten volle verantwoordelijk. Overige taken en verantwoordelijkheden van de regiebehandelaar: De regiebehandelaar weet zich overtuigd van de bevoegdheid en bekwaamheid van de andere betrokken zorgverleners in relatie tot de zelfstandige uitvoering van het deel van de behandeling waarvoor zij verantwoordelijk zijn. De regiebehandelaar ziet er op toe dat de dossiervoering voldoet aan de gestelde eisen. Andere betrokken zorgverleners hebben een eigen verantwoordelijkheid in de adequate dossiervoering. De regiebehandelaar laat zich informeren door de andere bij de behandeling betrokken zorgverleners, zo tijdig en voldoende als noodzakelijk is voor een verantwoorde behandeling van de cliënt. De regiebehandelaar toetst of de activiteiten van anderen bijdragen aan de behandeling van de cliënt en passen binnen het door de regiebehandelaar in overleg met de cliënt vastgestelde behandelplan. De regiebehandelaar en de andere betrokken behandelaren treffen elkaar ten behoeve van periodieke evaluatie van het behandelplan in persoonlijk contact en/of in teamverband, zo mogelijk in aanwezigheid van de cliënt, met de daartoe noodzakelijke frequentie, op geleide van de problematiek/vraagstelling van de cliënt. De regiebehandelaar draagt ondersteuning voor goede communicatie met de cliënt en diens naasten (indien van toepassing en indien toestemming hiervoor is verkregen) over het beloop van de behandeling. Artikel4.2.17Basis GGZ De generalistische basis GGZ (BGGZ) is psychologische hulp voor jeugdigen tot 18 jaar met psychische problemen. De hulp bestaat meestal uit een klachtgerichte behandeling. De jeugdige wordt individueel behandeld op grond van een DSM-5 benoemde stoornis. Ondersteuning door de huisarts of POH-GGZ biedt onvoldoende resultaat, waardoor de inzet van generalistische basis jeugd-GGZ noodzakelijk is. Inhoud De behandeling is gericht op het verminderen of voorkomen van verergering van gedragsproblemen, waardoor een blijvende verbetering in het (maatschappelijk) functioneren wordt gerealiseerd. Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs). Bij het bieden van de ondersteuning wordt door de aanbieder samengewerkt met alle relevante zorgverleners binnen het brede domein rondom de jeugdige en het gezin. De duur van deze behandeling is maximaal 1000 minuten per verwijzing/toekenning. Uitsluitend in incidentele gevallen kan hiervan worden afgeweken. In geval van afwijking dient het college dit te kunnen motiveren. Eisen aan de ondersteuning: Gedurende de behandeling is voor minimaal 60% van de (in)direct cliëntgebonden tijd een regiebehandelaar betrokken. De regiebehandelaar is eindverantwoordelijk voor het vaststellen van het ondersteuningsplan, voor de integrale behandeling aan de jeugdige en voor de vastlegging van de daadwerkelijk verleende ondersteuning. Doelgroep Er wordt alleen een behandeling gestart als er sprake is van (een vermoeden van) een DSM-5 benoemde stoornis, waarbij sprake is van matige problematiek met duidelijke symptomen of er is sprake van een risico waar beschermende factoren tegenover staan, zoals adequate coping, werk of structurele daginvulling en een steunsysteem waarop de jeugdige dagelijks kan terugvallen voor toezicht, ondersteuning, praktische of emotionele steun. Artikel4.2.18Specialistische GGZ behandeling De specialistische GGZ (SGGZ) biedt hulp wanneer er sprake is van een hoog risico en/of hoge complexiteit bij een DSM stoornis. Soms is deze vorm van hulp kortdurend, maar vaak gaat het om langdurende psychotherapeutische hulp. Hierbij wordt een maximum van 6000 minuten gehanteerd per verwijzing/toekenning. De behandeling is gericht op maatschappelijk herstel en op het verminderen of voorkomen van verergering van gedragsproblemen, waardoor een blijvende verbetering in het functioneren wordt gerealiseerd. Inhoud Gedurende de behandeling is minimaal 60% van de cliëntgebonden tijd een regiebehandelaar betrokken. De regiebehandelaar is eindverantwoordelijk voor het vaststellen van het ondersteuningsplan, voor de integrale behandeling aan de jeugdige en voor de vastlegging van de daadwerkelijk verleende Ondersteuning. Doelgroep Jeugdigen tot 18 jaar met een beperking op grond van een DSM-5 benoemde stoornis. Er is sprake is van een hoog risico, een ernstig ziektebeeld en matige tot ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren. Artikel4.2.19Specialistische GGZ crisis behandeling Een crisis GGZ-product wordt ingezet in een acute situatie die direct ingrijpen noodzakelijk maakt om direct gevaar voor de persoon of de omgeving af te wenden, dan wel om ernstige overlast te beëindigen. De acute situatie kan het gevolg zijn van een geestesstoornis dat wil zeggen een ernstige stoornis van het oordeelsvermogen, in het bijzonder, een psychotische toestand waarbij het handelen voortkomt uit hallucinaties of waanvoorstellingen, acute dreiging van suïcide of ernstige verwardheid als gevolg van een organische hersenaandoening. Hierbij wordt een maximum van 6000 minuten gehanteerd per verwijzing/toekenning. Artikel4.2.20Ambulante spoedhulp thuis In een acute crisissituatie wordt intensieve ambulante hulp ingezet om de crisis (verder) te stabiliseren en het perspectief te onderzoeken. De spoedhulpverlener ziet toe op de veiligheid, ordent de problematiek, biedt structuur, helpt het netwerk te activeren, de probleemoplossingsvaardigheden van de gezinsleden te vergroten en de gezinsregie te herstellen. Met het gezin stelt de spoedhulpwerker doelstellingen voor vervolghulp vast. Doelgroep: Jeugdigen van 0 tot 18 jaar en hun gezinssysteem, waarbij sprake is van spoedeisende problematiek of een crisissituatie. Doelstelling: Stabilisatie van de crisissituatie, ontwikkelen van een perspectief voor de jeugdige en de ouders. Duidelijkheid over het vervolg voor de jeugdige en het gezin. Minimale deskundigheid: Ambulant spoedhulpverlener (HBO+) en gedragswetenschapper (WO of WO+) op achtergrond/consultatie. Duur en frequentie: Maximaal 28 dagen. Resultaat: De crisis is bezworen, basisroutines zijn hersteld, urgente korte termijndoelen zijn zo veel mogelijk gerealiseerd, jeugdige en gezinssysteem weten hoe het verder gaat. Artikel4.2.21Individuele behandeling licht en midden Bij opvoed- en/of opgroeivraagstukken wordt ambulante ondersteuning geboden aan jeugdigen en hun (gezins)systeem. De hulpverleners zijn gericht op empowerment, het versterken van de draagkracht en het verminderen van de draaglast van de cliënten. Er zijn specifieke interventies gericht op echtscheidings-problematiek en verwerking van ingrijpende gebeurtenissen. Deze specifieke expertise kan tevens worden ingezet in het basisonderwijs. Doelgroep: Gezinnen met kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar met opvoed- en /of opgroeivraagstukken. Doelstelling: Het verbeteren of oplossen van knelpunten in het gezinssysteem, zodat ouders op eigen kracht de opvoeding weer aankunnen en de ontwikkeling (en de veiligheid) van het kind is hersteld en gewaarborgd. Daarnaast zijn de problemen op andere leefgebieden hanteerbaar. Minimale deskundigheid: Ambulant hulpverlener (HBO en HBO+) met ondersteuning van een gedragswetenschapper (WO of WO+). Duur en frequentie: De intensiteit en duur is afhankelijk van de hulpvraag en doelen. Licht: de gemiddelde duur van de behandeling is 3 maanden en de interventies hebben een gemiddelde inzet van 15 contacturen. Midden: de gemiddelde duur van de behandeling is 4 maanden en de interventies hebben een gemiddelde inzet van 30 contacturen. Resultaat: De problemen in de gezinssituatie en/of schoolsituatie zijn verminderd, de relatie ouder kind is verbeterd. Een uithuisplaatsing is voorkomen. Het gezin kan op eigen kracht verder. Artikel4.2.22Individuele behandeling zwaar Bij zware en complexe, meervoudige opvoed- en/of opgroei-vraagstukken wordt ambulante ondersteuning geboden aan jeugdigen en hun (gezins)systeem. De hulpverleners zijn gericht op empowerment, het versterken van de draagkracht en het verminderen van de draaglast van de cliënten. Er zijn specifieke interventies gericht op echtscheidingsproblematiek en verwerking van ingrijpende gebeurtenissen. Doelgroep: Gezinnen met kinderen van 0 tot 18 jaar waarbij sprake is van meervoudige en complexe problematiek die dusdanig ernstig is dat er sprake kan zijn van de uithuisplaatsing van een of meer kinderen in het gezin. Er is sprake van ernstige problematiek op het gebied van de opvoeding en het vormgeven van andere gezinstaken. Doelstelling: Het verbeteren of oplossen van knelpunten in het gezinssysteem, zodat ouders op eigen kracht de opvoeding weer aankunnen en de ontwikkeling en de veiligheid van het kind is hersteld en gewaarborgd. Daarnaast zijn de problemen op andere leefgebieden hanteerbaar. Minimale deskundigheid: Ambulant hulpverlener (HBO+) met ondersteuning van gedragswetenschapper (WO wetenschappelijk onderwijs of WO+). Duur en frequentie: De intensiteit en duur is afhankelijk van de hulpvraag en doelen. De gemiddelde duur van de behandeling is 6 maanden en de interventies hebben een gemiddelde inzet van 75 contacturen. Resultaat: De problemen in de gezinssituatie zijn verminderd, de relatie tussen ouder en kind (en waar nodig tussen kinderen onderling) is verbeterd. Een uithuisplaatsing is voorkomen. Het gezin kan ofwel op eigen kracht dan wel met behulp van formele of informele ondersteuning verder. Artikel4.2.23Individuele behandeling of groepsbehandeling (zwaar+) Doelgroep: Kinderen en jongeren in de leeftijd van 6 tot en met 23 jaar die vastlopen in hun ontwikkeling en problemen ervaren op meerdere leefgebieden (binnen het gezin, in de wijk of buurt, op school of werk, in hun vrije tijd). Er is sprake van een (vermoeden van) een psychiatrische stoornis, al dan niet in combinatie met een verstandelijke beperking. Het gaat daarbij altijd om een samengaan van verschillende problemen (co-morbiditeit). Niet alleen het kind ervaart problemen, ook de ouders en betrokkenen in de directe omgeving ervaren problemen. Deze jeugdigen lopen vast in hun ontwikkeling en het is niet vanzelfsprekend welke aanpak een goed antwoord is op de gestelde hulpvraag. Naast een psychiatrische stoornis hebben de jeugdigen vaak een veelheid aan andere problemen. Er is ook een groepsaanbod voor deze kinderen of ouders. Doelstelling: Diagnostiek en behandeling van psychiatrische stoornissen. Minimale deskundigheid: GZ psycholoog, systeemtherapeut of klinisch psycholoog (WO+), psycholoog/orthopedagoog (WO); vaktherapeut (HBO) en/of gezinstherapeut (HBO+) en/of gespecialiseerd ambulant hulpverlener (HBO+). Indien nodig, gezien de problematiek: klinisch psycholoog (WO+) of psychiater (medisch specialist). Psychiater altijd als er sprake is van medicatie. Duur en frequentie: Afhankelijk van wat noodzakelijk is (afrekening in uren). Resultaat: Stellen van de juiste diagnose dan wel bieden van aanvullende diagnose/expertise voor cliënten die al ondersteuning ontvangen van andere instellingen. Artikel4.2.24Intensieve dagbehandeling (zwaar+) Multidisciplinaire behandeling. Doelgroep: Jeugdigen die op basis van psychiatrische problemen, al dan niet in combinatie met een verstandelijke beperking of een meervoudige beperking, stagneren in hun ontwikkeling. De problemen kunnen betrekking hebben op verschillende stoornissen zoals: Autisme Spectrum Stoornis (ASS), dwang- en tic stoornissen, stemming- en angststoornissen,trauma, ADHD, etc. Door de gecombineerde problematiek hebben deze jeugdigen onvoldoende mogelijkheden om zichzelf te handhaven binnen (speciaal) onderwijs of andere vormen van dagbesteding en is dagbehandeling geïndiceerd. De dagbehandeling is voor jeugdigen in de leeftijd van 6 tot 16 jaar oud, die woonachtig zijn in de regio (maximale reisafstand is 45 minuten). Doelstelling: Jeugdigen vallend onder de doelgroep laten participeren in reguliere of speciale vormen van onderwijs of dagbesteding. Minimale deskundigheid: Het multidisciplinaire team bestaat uit de systeemtherapeut/ ouderbegeleider, orthopedagoog/GZ-psycholoog, speltherapeut, psychiatrisch pedagogisch hulpverleners en leerkrachten. Duur en frequentie: Afhankelijk van wat nodig is, afrekening per uur. Resultaat: Jeugdigen en hun ouders zijn in staat om te participeren in reguliere of speciale vormen van onderwijs of dagbesteding. Artikel4.2.25Onderwijs- en zorgarrangementen (licht) De begeleiding wordt ingezet in de context van het kind waar zich problemen voordoen. Dit kan zijn op de kinderopvang, bij de sportvereniging, op school etc. Afhankelijk van de vraag wordt een traject op maat samengesteld. Dit kan bestaan uit observaties, deskundigheidsbevordering, coaching door professionals, individuele begeleiding voor het kind/de jongere en oudergesprekken. Doelgroep: Professionals in onder andere de kinderopvang, peuterspeelzaal, BSO en het basis- en voortgezet (speciaal) onderwijs die te maken hebben met kinderen en jongeren met opvallend gedrag waarvoor zij over onvoldoende handvatten beschikken om hiermee om te gaan. Doelstelling: Het op tijd signaleren én alert reageren op kinderen met opvallend gedrag; het creëren van een positief, veilig en voorspelbaar (school)klimaat, waardoor de (leer)ontwikkeling wordt bevorderd en gedragsproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen Minimale deskundigheid: Pedagogisch medewerker, ambulant hulpverlener HBO en HBO+, ondersteund door gedragswetenschapper. Duur en frequentie: Gemiddeld 4 maanden, gemiddeld 3 uur per jeugdige per week inzet pedagogisch medewerker, ambulant hulpverlener HBO of HBO+ (inzet wordt bepaald door casus). Gemiddeld 20 min. per cliënt per week inzet gedragswetenschapper Artikel4.2.26Onderwijs- en arbeidstoeleiding (zwaar+) Trajecten waarbij leerlingen binnen een veilige en gestructureerde omgeving kunnen oefenen met nieuw aangeleerde kennis en vaardigheden. Onderwijs is daarbij een belangrijke bouwsteen in de trajecten die in combinatie met verblijf, behandeling en/of begeleiding aangeboden worden. Als het kan, blijft een leerling onderwijs volgen op de school van herkomst, zodat de schoolloopbaan niet onnodig onderbroken hoeft te worden. Doelgroep: Jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 18 jaar die problemen hebben op school of op hun werk. Doelstelling: Toekomstperspectief door het verkrijgen en behouden van werk of een opleiding. Minimale deskundigheid: GZ psycholoog, systeemtherapeut of klinisch psycholoog (WO+), psycholoog/orthopedagoog (WO); vaktherapeut (HBO) en/of gezinstherapeut (HBO+) en/of gespecialiseerd ambulant hulpverlener (HBO+). Duur en frequentie: Maatwerk. Resultaat: De jeugdige heeft een toekomstperspectief door het verkrijgen en behouden van werk of een opleiding. Artikel4.2.27Echtscheidingsproblematiek licht Een module die aanvullend is op het bestaande aanbod binnen de algemene voorzieningen. Het gaat om bemiddelingsgesprekken op basis van vrijwilligheid en vertrouwelijkheid, met ouders met echtscheidingsproblematiek, die er ook met ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen samen niet uitkomen. Doelgroep: Ouders met echtscheidingsproblematiek, die er ook met ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen zoals algemeen maatschappelijk werk, samen niet uitkomen. Waardoor het kind de dupe wordt of dreigt te worden. Doelstelling: De communicatie tussen ouders op gang brengen, komen tot goede afspraken over contact/ondersteuning en opvoeding van de kinderen en ouders ondersteunen om een gezamenlijke invulling te geven aan het ouderschap, waarbij de ouders met elkaar blijven of leren overleggen, kunnen onderhandelen en weten hoe ze om kunnen gaan met conflicten. Minimale deskundigheid: Ambulant gezinshulpverlener (HBO+) met ondersteuning van gedragswetenschapper (WO of WO+). Duur en frequentie : Gemiddeld anderhalve maand, met gemiddeld 15 contacturen, bestaande uit gesprekken individueel en gezamenlijk met ouders en afzonderlijk met het kind. Resultaat: Ouders kunnen gezamenlijk invulling geven aan het ouderschap. Zijn in staat om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren, waardoor de kinderen zich zo optimaal als mogelijk te kunnen ontwikkelen na de scheiding. Artikel4.2.28Echtscheidingsproblematiek midden en zwaar Landelijk erkende methodiek voor het voeren van bemiddelingsgesprekken met gezinnen met complexe echtscheidingsproblematiek onder andere voor wat betreft de omgang tussen het kind en de uitwonende ouder. Dit aanbod is complementair aan algemene voorzieningen of andere initiatieven. Het belang van het kind staat centraal. Beide ouders zijn bereid tot medewerking. De veiligheid van het kind moet zijn gewaarborgd. Doelgroep: Gezinnen met complexe echtscheidingsproblematiek, waarbij de omgang tussen het kind (0 tot 18 jaar) en de uitwonende ouder niet plaatsvindt of problematisch verloopt. Het kind loopt hierdoor een verhoogd risico op het ontwikkelen van zowel internaliserende als externaliserende (gedrags)problemen. Doelstelling: De communicatie tussen ouders op gang brengen, komen tot goede afspraken over contact/ ondersteuning en opvoeding van de kinderen en een gezamenlijke invulling geven aan het ouderschap. Minimale deskundigheid: Ambulant gezinshulpverlener (HBO+) met ondersteuning van gedragswetenschapper (WO of WO+). Duur en frequentie: Midden: gemiddelde duur van zes maanden. Gemiddeld 30 contacturen (bijvoorbeeld “Kinderen uit de knel”) Zwaar: gemiddelde duur van negen maanden. Gemiddeld 45 contacturen. De contacturen bestaan uit gesprekken individueel en gezamenlijk met ouders, en afzonderlijk met het kind. Daarnaast kan er sprake zijn van omgangsbegeleiding. Resultaat: Het kind heeft omgang met de uitwonende ouder, volgens de door de ouders overeengekomen afspraken. Ouders kunnen gezamenlijk invulling geven aan het ouderschap. Zijn in staat om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren, waardoor de kinderen zich zo optimaal als mogelijk te kunnen ontwikkelen na de scheiding. Artikel4.2.29Speltherapie Een vorm van hulpverlening die ingezet kan worden bij kinderen van ongeveer 4 tot 12 jaar die op één of andere manier zijn vastgelopen in hun emotionele ontwikkeling. Spel is het middel dat het kind helpt om emotie te tonen, ervaringen te verwerken en nieuwe inzichten te verwerven en oplossingen te vinden. Doelgroep: Kinderen tussen de 4 en 12 jaar, die: weinig zelfvertrouwen hebben. mogelijk problemen hebben in het zich hechten aan andere mensen. moeilijkheden ervaren in het reguleren van hun emoties. het moeilijk vinden om met anderen om te gaan. angstig of agressief zijn door negatieve (mogelijk traumatische) ervaringen in het verleden. een negatief beeld van zichzelf hebben. Doelstelling: Het kind krijgt gelegenheid emoties te tonen, ervaringen te verwerken en leert om gevoelens te uiten. Het kind komt het tot nieuwe inzichten en oplossingen. Deskundigheid: Speltherapeut (HBO+) met ondersteuning van gedragswetenschapper (WO of WO+). Duur en Frequentie: Midden: de gemiddelde duur is 6 maanden en de gemiddelde inzet bedraagt 25 contacturen Zwaar: de gemiddelde duur is 9 maanden en de gemiddelde inzet bedraagt 40 contacturen. Resultaat: Het kind heeft problemen met betrekking tot (de regulatie van) zijn of haar emoties kunnen uiten, verwerken en nieuwe inzichten en oplossingen verworven. Artikel4.2.30Groepsbehandeling Verwerkingsgroepen en trainingen gericht op het aanleren van vaardigheden: groepsaanbod voor jeugdigen gericht op de verwerking van (echt)scheiding of seksueel misbruik; trainingen agressie regulatie (ART) en sociale vaardigheden (SOVA). Ouders worden nadrukkelijk betrokken. Het groepsaanbod kan in combinatie met andere interventies ingezet worden en kan daarmee de duur van het traject verkorten. Doelgroep: Jeugdigen in de leeftijd van 6 tot 18 jaar die ernstige problemen ondervinden op bovengenoemde gebieden, vaak in combinatie met andere problemen (zoals systeemproblematiek, kindfactoren) Doelstelling: Het verminderen van de klachten die jeugdigen en/of omgeving ervaren. En het versterken van hun eigen mogelijkheden en die van hun leefomgeving. Minimale deskundigheid: Ambulant hulpverlener (HBO+) met ondersteuning van gedragswetenschapper (WO of WO+). Duur en frequentie: De gemiddelde duur is 12 weken. Aantal contacturen is gemiddeld 30 uur(voor complete module, niet per cliënt). Resultaat: Krachten van de jeugdige en /of zijn omgeving zijn verminderd en de eigen mogelijkheden van de jeugdige en de eigen (gezins)systeem is versterkt. Artikel4.2.31Ambulante intensieve 24 uurs behandeling thuis (zwaar+) Een multidisciplinair team van hulpverleners biedt samenhangende hulp op alle gebieden: wonen, werk, school, (samen)leven, financiën en psychiatrische problematiek. De hulpverlening wordt niet gehinderd door barrières tussen teams en organisatieonderdelen. Hierdoor kunnen de communicatie en de ondersteuning vlot verlopen. In het team is kennis vertegenwoordigd vanuit de jeugdzorg, jeugd GGZ, voormalig jeugd AWBZ en justitie. Het team is zeven dagen per week 24 uur per dag bereikbaar. De hulpverlening (diagnostiek, behandeling en begeleiding) vindt plaats in de natuurlijke leefomgeving van de jeugdige. Als onderdeel van het individuele behandelplan kan sprake zijn van een kortdurende periode van opname of een deeltijd opname. Alles is er op gericht om deelname aan de maatschappij mogelijk te maken en uithuisplaatsing te voorkomen. Bij de behandeling wordt de directe leefomgeving van de jeugdige betrokken: de ouders of verzorgers, de familie, de leerkracht en andere belangrijke mensen in het netwerk van het gezin. Doelgroep: Kinderen en jongeren met ernstige en complexe problematiek waarbij sprake is van een combinatie van (ortho)-psychiatrische problematiek bij het kind en opvoedingsonmacht of een problematische gezinsrelatie bij de ouders. Vaak is sprake van motivatieproblemen. Doelstelling: Het zelf oplossend vermogen jeugdige en hun directe leefomgeving vergroten, het netwerk rondom de jeugdige versterken of uitbouwen, het behouden of verkrijgen van onderwijs of werk, een zinvolle vrijetijdsbesteding, verstevigen van de opvoedrelatie (relatie tussen ouder en kind), het voorkomen van een residentiële opname. Minimale deskundigheid: Pedagogisch medewerker (nu nog MBO/HBO, bij vacatures in de toekomst alleen HBO), gedragswetenschapper (WO), ambulant hulpverlener (HBO). Op afroep indien nodig GZ psycholoog (WO+), psychiater (medisch specialist). Duur en frequentie: Maatwerk. Resultaat: Deelname van jeugdige aan de maatschappij is mogelijk gemaakt voor zover dit kan, opname en uithuisplaatsing zijn voorkomen, het zelf oplossend vermogen van de jeugdige is vergroot, het netwerk is versterkt en zo mogelijk uitgebouwd, onderwijs is verkregen of behouden, kind heeft zo mogelijk een zinvolle dagbesteding, de opvoedrelatie (relatie tussen ouder en kind) is verstevigd. Artikel4.2.32Individuele begeleiding 16-18 jaar Ondersteuning en coaching in de leefomgeving van de cliënt, op diverse leefgebieden zoals huisvesting, financiën, gezondheid en persoonlijke problematiek. Hierbij kan gedacht worden aan: zoeken van een passende dagbesteding/studie/werk; ordenen van post en administratie; regelen van financiën en/of schulden; motiveren tot psychische/psychiatrische hulpverlening. De hulp richt zich vooral op beperkingen in de sociale redzaamheid, en het regel- en regievermogen. Doelgroep: Jongvolwassen tussen de 16 en de 23 jaar, waarbij sprake is van psychische problematiek en/of cognitief functioneren op zwakbegaafd of licht verstandelijk beperkt niveau. Daarnaast kan er sprake zijn van sociaal isolement of dreiging daarvan. Doelstelling: Vergroten van de zelfredzaamheid en regie verkrijgen over eigen leven. Deskundigheid: Ambulant jeugdhulpverleners HBO, ondersteund door een gedragswetenschapper WO/WO+ Duur en frequentie: Gemiddeld half jaar met als gemiddeld aantal contactmomenten 2 uur per week. Resultaat: Stabiele veilige leefsituatie, ordening en structuur. Leven in balans met mogelijkheden. Artikel4.2.33Individuele behandeling 16-18 jaar Integrale ondersteuning van jongeren met problematiek op meerdere leefgebieden. Intersectorale samenwerking is van belang om passende hulp aan deze doelgroep te kunnen bieden. Doelgroep: Jongeren in de leeftijd van 16 tot 18 jaar die te maken hebben met multi-problematiek of in een crisissituatie verkeren. Ze hebben een instabiel sociaal systeem dat weinig ondersteuning kan bieden. De problemen doen zich voor in bijvoorbeeld relationele sfeer, wonen, werk/scholing, inkomen, opvoeding, huisvesting, sociaal netwerk, politie/justitie, gezondheid en/of vrijetijdsbesteding. Meer dan een derde van de doelgroep heeft een beneden gemiddeld niveau van intelligentie. Een aanzienlijk deel van de problemen valt volgens de gangbare indeling binnen het domein van de GGZ en LVG. Doelstelling: Het opheffen van thuisloosheid en het in gang zetten van hulp op de noodzakelijk geachte levensgebieden, casuscoördinatie (regievoering), ondersteuning bij ouderschap op jonge leeftijd en/of meer psychosociale en praktische begeleiding. Deskundigheid: Ambulant hulpverleners (HBO+) met ondersteuning van gedragswetenschapper (WO of WO+) Duur en frequentie: Gemiddelde trajectduur 4 maanden; gemiddeld aantal contacturen per week: 2 uur. Resultaat: Eventuele (vervolg)hulp is ingezet afhankelijk van de vraag; stabilisatie op het gebied van wonen, werken en welzijn; -kortdurende of langdurige psychosociale en/of praktische hulp; de jongere kan met minder intensieve hulp of zelfstandig weer verder; het netwerk van de jongere is in kaart gebracht en geactiveerd. Artikel4.2.34Gezins- en/of individuele behandeling (onder andere FACT Jeugd) Fact; 'Flexible Assertive Community Treatment'. Het is een werkwijze waarbij er vanuit een team van hulpverleners wijkgerichte ambulante behandeling en begeleiding worden geboden, dat wil zeggen zoveel mogelijk in de eigen omgeving. Het versterken van de ontwikkeling van jongeren, die in hun ontwikkeling gestagneerd zijn en die vanwege hun complexe hulpvragen buiten de reguliere hulpverlening vallen. De hulp richt zich ook op het gezinssysteem (ouders/opvoeders/evt. partner en kinderen). In een FACT Jeugdteam wordt de deskundigheid van verschillende instellingen gebundeld en wordt samengewerkt om versnippering van de ondersteuning aan deze jeugdigen te voorkomen. De ambulant medewerkers in een FACT Jeugdteam bieden laagdrempelige en flexibele ambulante ondersteuning in de directe woonomgeving aan kinderen en jongeren zo vaak als nodig en zo kort als mogelijk. Doelgroep: Jeugdigen in de leeftijd van 0 tot 23) jaar met complexe meervoudige problematiek, die zich op het snijvlak van Jeugdhulpverlening, LVG-ondersteuning en Geestelijke Gezondheidszorg bevinden. FACT wordt ingezet bij cliënten die in eerdere/andere hulpverleningstrajecten zijn vastgelopen. Doelstelling: De ontwikkeling en de krachten bij de jongere en gezinssysteem verbeteren/versterken, zodat ouders op eigen kracht de opvoeding weer aankunnen en/of de jongere in staat is om zijn ontwikkelingstaak (passend bij de levensfase en leeftijd) weer te kunnen vervullen. Daarnaast de problemen op andere leefgebieden hanteerbaar maken. Deskundigheid in het FACT-team: Ambulant hulpverlener (HBO+), SPV (HBO+), bemoeizorg (HBO), gedragswetenschapper (WO of WO+), systeemtherapeut (WO+), (kinder- en jeugd)psychiater (WO+). De bijdrage vanuit de Specialistische Jeugdhulp betreft de ambulant hulpverleners (HBO+) en de gedragswetenschapper (WO of WO+) Duur en frequentie: Gemiddelde duur 6 maanden. Gemiddelde aantal contactmomenten: 2 uur per week. Resultaat: De ontwikkeling en de krachten bij de jeugdige en zijn of haar gezinssysteem zijn verbeterd/versterkt. Ouders kunnen op eigen kracht de opvoeding weer aan en/of de jeugdige is in staat is om zijn ontwikkelingstaak (passend bij de levensfase en leeftijd) weer te kunnen vervullen. Daarnaast zijn de problemen op andere leefgebieden hanteerbaar. Artikel4.2.35Consultatie Voor een juiste en afgewogen indicatie rondom de inzet van passende ondersteuning en/of ondersteuning voor een inwoner, kan een professional van de toegang van de gemeente advies vragen aan (een specialist van) de aanbieder. Ook kan het gaan om een advies in het kader van een second opinion of het meekijken in een dossier. Consultatie valt niet onder de reguliere afstemming tussen het van de toegang van de gemeente en de aanbieder. Consultatie kan op afstand plaatsvinden of op locatie. Indien er sprake is van reistijd komt deze niet in aanmerking voor vergoeding. Reiskosten kunnen eveneens niet afzonderlijk in rekening worden gebracht. De (specialist van
  63. de)aanbieder moet bij consultatie door een MBO/HBO/HBO+/WO/WO+ geschoolde voldoen aan het opleidingsniveau van de gevraagde consultatie en binnen het domein waarop de vraag van de coach betrekking heeft. Ook wettelijk verwijzers binnen de regio Twente en gecontracteerde aanbieders kunnen gebruik maken van de consultatiefunctie. Artikel4.2.36Dyslexie Onder dyslexie verstaan wij een specifieke leerstoornis die zich kenmerkt door een hardnekkig probleem in het aanleren van accuraat en vlot lezen en/of spellen op woordniveau, dat niet het gevolg is van omgevingsfactoren en/of een lichamelijke, neurologische of algemene verstandelijke beperking. Bij een klein deel van alle jeugdigen zijn de klachten zo hardnekkig dat er gespecialiseerde ondersteuning en behandeling nodig is. Bij deze jeugdigen is sprake van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie. Voordat de behandelingen dyslexie kunnen plaatsvinden, moeten alle stappen van het aan het basisonderwijs voorgeschreven Protocol leerproblemen en Protocol Dyslexie zijn doorlopen, in het kader van het Masterplan Dyslexie23. De EED-zorgplicht van de gemeente geldt alleen voor jeugdigen die basisonderwijs volgen tussen de 7 en 13 jaar. Hierbij heeft de jeugdige naast de Ernstige Enkelvoudige Dyslexie geen GGZ-stoornis of andere lees- of leerstoornissen die belemmerend is/zijn voor Ernstige Enkelvoudige Dyslexieonderzoek en/of -behandeling (co-morbiditeit). Voor jeugdigen waarbij sprake is van problemen naast de dyslexie (bijvoorbeeld EED in combinatie met ADHD of een spraak/taalstoornis) is een intensiever behandel- of begeleidingstraject nodig. In deze gevallen wordt eerst de co-morbide stoornis behandeld, voordat zij in aanmerking komen voor een behandeling Ernstige Enkelvoudige Dyslexie. Doelen Behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie is gericht op het volledig verhelpen of verminderen van de problemen die de jeugdige heeft met lezen en spellen. Veel jeugdigen blijven na afronding van de behandeling problemen houden. Ze hebben baat bij voldoende ondersteuning op school. Hoe die ondersteuning eruitziet, is afhankelijk van de ernst en de aard van het probleem. Doelgroep Wij maken onderscheid in begeleiding en behandeling van dyslexie op vier verschillende niveaus: Zorg Wie biedt de ondersteuning Welke ondersteuning vindt er plaats niveau 1 Basisschool Goed lees- en spellingsonderwijs in klassenverband (alle jeugdigen). 2 Basisschool Extra ondersteuning in de groepssituatie door de groepsleerkracht. 3 Basisschool Specifieke interventies uitgevoerd en/of ondersteund door de zorgspecialist op de basisschool met extra hulpmiddelen. 4 Aanbieder Individuele behandeling ernstige enkelvoudige dyslexie. Een jeugdige komt in aanmerking voor Ernstige Enkelvoudige Dyslexiebehandeling binnen zorgniveau 4 wanneer hij of zij: hardnekkige problemen heeft met lezen en/of spellen; bij aanvang van de ondersteuning basisonderwijs volgt; geen andere ontwikkelingsstoornis heeft die belemmerend werkt op de Ernstige Enkelvoudige Dyslexiebehandeling; aantoonbaar zorgniveau 1 tot en met 3 heeft doorlopen. Het is de verantwoordelijkheid van de basisschool om vroegtijdig te signaleren dat een kind lees- en/of spellingsproblemen heeft. Het aanpakken van andere vormen van Dyslexie maakt onderdeel uit van de basisondersteuning die elke basisschool biedt. Toegang: De toegang tot Ernstige Enkelvoudige Dyslexiezorg verloopt via de gemeente, de huisarts of de gecertificeerde jeugdzorginstelling. De jeugdige heeft in dit geval de eerste drie niveaus binnen de dyslexiezorg doorlopen. Het college gaat alleen tot de inzet van de ondersteuning over indien is gebleken dat uit de eerste drie fases geen resultaten zijn geboekt. Ook zal beoordeeld worden of remedial teaching geen (voldoende) oplossing kan bieden. Regiebehandelaarschap: Als regiebehandelaar in de dyslexiezorg gelden uitsluitend: GZ psycholoog Kinder- en jeugdpsycholoog NIP (Nederlands Instituut voor Psychologen) Orthopedagoog generalist NVO (Nederlandse Vereniging van pedagogen en onderwijskundigen) De regiebehandelaar baseert zijn/haar oordeel op eigen contact met de jeugdige en is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het protocol, ook als anderen daarin behandeltaken vervullen. De regiebehandelaar kan eventueel bij zijn behandeling ondersteund worden door medebehandelaars. Medebehandelaars zijn logopedisten, basis psychologen en orthopedagogen overeenkomstig het CONO (Coördinerend Orgaan Nascholing in de GGZ) beroepenoverzicht. Het regiebehandelaarschap wordt ingevuld overeenkomstig de “ Brief Schippers” van 2 juli 2013. Erkenning en protocol: De aanbieder dient op de datum van inschrijving te beschikken over het keurmerk van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie. De aanbieder dient te werken volgens het landelijk vastgestelde Protocol Ernstige Enkelvoudige Dyslexie, diagnose en behandeling 2.0 (KDN)24. Maximale duur diagnose en behandeling: De behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie mag niet langer mag duren dan 62 uur. Dit bestaat uit maximaal 12 uur diagnostiek en maximaal 50 uur behandeling. Overschrijding van deze maxima kan, maar alleen met voorafgaande toestemming van de gemeente(n). Artikel4.2.37Wonen en verblijf Afhankelijk van de mogelijkheden en behoeften van de jeugdige wordt de huisvesting vormgegeven. De module wonen en verblijf bestaat uit vier onderdelen, ook wel dakjes genoemd. Dakje 0-A Pleegzorg; Dakje 0-B Gezinshuizen; Dakje 1 Vervanging van de thuissituatie zonder bijzonderheden; Dakje 2 Vervanging van de thuissituatie waarbij er sprake is van actief toezicht; Dakje 3 Vervanging van de thuissituatie waarbij er sprake is van onvoorspelbaar gedrag. Een module wonen en verblijf wordt aanvullend ingezet wanneer er behoefte is aan een woon- of verblijfsomgeving. Voor dakje 0 en dakje 1 geldt dat deze zelfstandig kunnen worden ingezet. We bedoelen hiermee dat er bij dakjes 0 en 1 samenloop met aanvullende ondersteuning kan zij

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.