Beleidsregels Participatiewet en Wet SchuldhulpverleningInhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 5 Hoofdstuk 2 Werk en re-integratie 6 1 Algemeen geaccepteerde arbeid 6 2 Jongeren tot 27 jaar 6 3 Richtlijnen voor het in te zetten scholingsaanbod voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar. 8 4 Richtlijnen voor het aanbod aan niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers 9 5 Sociale activering en vrijwilligerswerk 9 6 Scholing 10 7 Werkstage/Werken met behoud van uitkering/proefplaatsing 11 8 Participatieplaats / detacheringsbaan 11 9 Richtlijnen loonkostensubsidie 12 10 Inkomstenvrijlatingen Participatiewet 12 11 Onkostenvergoedingen 13 12 Kosten re-integratie 13 13 Nadere verplichtingen 14 14 Tegenprestatie naar vermogen 14 15 Ontheffing van een of meerdere verplichtingen 15 16 Individuele inkomenstoeslag 15 Hoofdstuk 3 Inkomen 17 1 Kopiëren van bewijsstukken bij huisbezoeken. 17 2 Verrekening van inkomsten 17 3 Bijstandsverlening t.bv. het kind van minderjarige alleenstaande ouders 17 4 Verlaging woonsituatie 18 5 Inkomen – hoge bedragen 18 6 Korten voorlopige teruggave 18 7 Ingangsdatum uitkering 19 8 Voorschot / overbruggingslening 19 9 Tijdelijk verblijf in inrichting 20 Hoofdstuk 4 Middelen 21 1 Bezittingen in natura die algemeen gebruikelijk zijn 21 2 Geringe overschrijding vrij te laten vermogen 21 3 Eigen woning 21 4 Vermogen ontvangen voor de aanvraag van de bijstand 22 5 Immateriële schadevergoeding 22 6 Koopsom lijfrentepolissen en Levensverzekeringen 23 7 In aanmerking te nemen giften 23 8 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm 23 Hoofdstuk 5 Bijzondere bijstand 24 1 Inleiding 24 2 Algemene uitgangspunten 24 3 Verstrekkingen 25 4 Artikelsgewijze toelichting 28 5 Richtlijn bijzondere bijstand 33 5.5.1 Inleiding 33 5.5.2 Medische en paramedische kosten 33 5.5.3 Verzorging en hulp 35 5.5.4 Gezinsondersteuning 36 5.5.5 Wonen 38 5.5.6 Jong-meerderjarigen 40 Hoofdstuk 6 Terugvordering en verhaal 42 1 Gebruik bevoegdheid 42 2 Verplichting meewerking vestiging hypotheek of pandrecht 42 3 Afzien van terugvordering of verhaal, kwijtschelding 42 4 Uitvoeringsregels 42 5 Toelichting terugvordering en verhaal 43 Hoofdstuk 7 Beleidsregels Krediethypotheek 45 1 Bijstand voor vestigingskosten hypotheek of pand 45 2 Hoogte hypotheek, taxatie woning, vestigingskosten ten laste van belanghebbende 45 3 Opname voorwaarden in hypotheekakte of pandovereenkomst 45 4 Aflossingsvoorwaarden hypotheek of pand 45 5 Rentevordering 46 6 Aflossing geldlening bij vererving en verkoop woning, woonwagen of woonschip 46 7 Toepassing laatst gevestigde hypotheek, laatst gevestigd pandrecht bij niet duurzame onderbreking van de bijstandverlening 46 8 Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen 47 9 Toelichting krediethypotheek 47 Hoofdstuk 8. Beleidsregels bestuurlijke boete 52 Niet voldoen aan de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag 52 Het bepalen van de mate van verwijtbaarheid 52 Verlagen van de bestuurlijke boete bij bijzondere omstandigheden 54 Afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete wegens dringende redenen. 54 Toekenning uitkering na recidiveboete bij UWV/SVB 54 Hoofdstuk 9 Beleidsregels Debiteuren 55 9.1 Inleiding 55 9.1.1 Participatiewet 55 9.1.2 Hoogwaardige handhaving 56 9.1.3 Doelstellingen 56 9.2.Kwaliteitseisen 58 9.2.1 Voortvarend handelen 58 9.2.2 Het aflossingsritme 59 9.2.3 De aflossingshoogte 59 9.2.4 De betalingscontrole 61 9.2.5 De aanmaningsprocedure 62 9.2.6 Verrekening en beslaglegging 62 9.2.7 Overdracht aan deurwaarder 62 9.2.8 Het heffen van wettelijke rente en invorderingskosten 62 9.2.9 De periodieke verstrekking van saldobevestigingen 63 9.3 Beleidskeuzes geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering 64 9.3.1 Dringende redenen 64 9.3.2 Bruto terugvordering 64 9.3.3 Kruimelbedragen 65 9.3.4 Schuldsanering en schuldregeling 65 9.3.5 Afzien van verdere invordering 66 9.4 Beleidskeuzes verhaal 68 9.4.1 Afzien van verhaal 68 9.4.2 Ingangsdatum verhaalsbijdrage 69 9.4.3 Alimentatievoorwaarde 69 9.4.4 Kruimelbedragen 69 9.4.5 Schuldsanering en schuldregeling 70 9.5. Onderzoeksplan debiteuren 70 9.5.1 Het onderzoeksplan 70 Hoofdstuk 10. Beleidsregels huisbezoek 73 1 Inleiding 73 Soorten huisbezoek 73 3 Het juridisch kader 74 4 Uitgangspunten bij huisbezoeken 77 Hoofdstuk 11 Toelating tot de schuldhulpverlening 83 11.1 Toelichting 85 Hoofdstuk 12 Inwerkingtreding en citeertitel 88 Hoofdstuk1Inleiding Ter uitwerking van de verschillende verordeningen in het kader van de Participatiewet en wetsartikelen van de Participatiewet waarbinnen aan het college beleidsruimte is gelaten, zijn beleidsregels opgesteld. In de wet is geregeld dat de gemeenteraad verordeningen vast moet stellen. Naast deze verordeningen is het echter ook noodzakelijk om een aantal zaken nader uit te werken in beleidsregels. In de Participatiewet zijn in sommige artikelen bevoegdheden opgenomen en het college moet besluiten om gebruik te maken van deze bevoegdheden, maar ook de verordeningen behoeven op bepaalde punten een nadere uitwerking. Het is aan de gemeente om te bepalen in hoeverre de bevoegdheden in beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften worden vastgelegd. Het opstellen van deze regels is geen wettelijke verplichting. In beginsel kan het college per individuele situatie bepalen of zij van deze bevoegdheden gebruik maakt. Wanneer het beleid echter niet in regels of nadere voorschriften is vastgelegd, dan stelt dit hoge eisen aan de motivering van elk individueel besluit. Bij elk besluit zal immers moeten worden aangegeven waarom van de in de wet gegeven bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Met name in bezwaar- en beroepsprocedures kan dit tot problemen leiden. Dit kan grotendeels worden ondervangen door te verwijzen naar beleidsregels. Bovendien biedt het beschrijven van beleid en het publiceren hiervan de beste waarborg tegen een willekeurige toepassing van de wettelijke bepalingen. Het kenmerk van beleidsregels is dat deze na vaststelling door het college van burgemeester en wethouders gepubliceerd worden en daardoor openbaar zijn en externe werking hebben. Deze nota behandelt alle relevante beleidsthema’s die samenhangen met de uitvoering van de PW en beschrijft het beleid zoals de gemeente Urk dat in de komende jaren zal voeren. In de nota wordt met name aandacht besteed aan die onderwerpen waarop de gemeente zelf beleid dient te voeren, de onderwerpen waar Rijksbeleid leidend is worden slechts besproken wanneer dit van invloed is op gemeentelijke beleidskeuzes. Achtereenvolgens komen hier aan de orde: Beleidsregels Werk en Re-integratie Beleidsregels Inkomen Beleidsregels Vermogen Beleidsregels Bijzondere bijstand Beleidsregels Terugvordering Beleidsregels Krediethypotheek Beleidsregels Bestuurlijke boete Beleidsregels Debiteuren Beleidsregels Huisbezoek Beleidsregels Schuldhulpverlening Waar nodig zijn toelichtingen op de beleidsregels opgenomen. Hoofdstuk2Werk en re-integratie 2.1 Algemeen geaccepteerde arbeid Algemeen geaccepteerde arbeid wordt gedefinieerd als alle arbeid, zonder beperkende voorwaarden qua aard en omvang van het werk en aansluiting op opleiding en ervaring, met uitzondering van illegale arbeid en arbeid tegen een lager loon dan het wettelijk minimumloon en rekening houdend met gewetensbezwaren zodanig dat deze strikt persoonlijke omstandigheden zwaarwegend zijn en een onvermijdelijk conflict opleveren met het te verrichten werk. Dit betekent onder meer dat ook tijdelijk werk moet worden geaccepteerd, alsmede arbeid die verandering van woonplaats met zich meebrengt. Opleidingsniveau en/of arbeidsverleden spelen geen rol bij de beantwoording van de vraag of bepaalde arbeid als algemeen geaccepteerd moet worden aangemerkt. 2.2 Jongeren tot 27 jaar 2.2.1 Zoektijd Onder een zoektijd wordt verstaan dat gedurende vier weken nog geen bijstandsaanvraag wordt ingediend maar dat in die tijd moet worden gezocht naar werk en rijksbekostigd onderwijs. De verplichting om eerst te zoeken naar werk of opleiding gedurende de vier weken voorafgaand aan het formeel indienen van een aanvraag geldt voor alle personen jonger dan 27 jaar, met uitzondering van twee situaties, te weten: Zij die voorafgaand aan de aanvraag Participatiewet een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen; Bepaalde categorieën vluchtelingen. 2.2.2 Onderwijsmogelijkheden Als een jongere nog mogelijkheden heeft in het regulier bekostigd onderwijs en hij kan daarvoor studiefinanciering krijgen, dan wordt hij uitgesloten van het recht op algemene bijstand. Als een jongere geen studiefinanciering kan krijgen, maar hij wel regulier onderwijs kan volgen en dat nalaat, wordt hij ook uitgesloten. Een persoon jonger dan 27 jaar die met het volgen van een opleiding zijn arbeidskansen vergroot, heeft in beginsel onderwijsmogelijkheden. Het behalen van een startkwalificatie vergroot in ieder geval de arbeidskansen. Iedere persoon jonger dan 27 jaar zonder startkwalificatie heeft daarom mogelijkheden binnen het onderwijs. Studiefinanciering is een passende en toereikende voorliggende voorziening als een aanvraag voor bijstand wordt ingediend door iemand die jonger is dan 27 jaar. Dit geldt ook voor de (rentedragende) lening op grond van de Wet Studiefinanciering 2000. Het feit dat door deze lening een studieschuld wordt opgebouwd, doet niets af aan het feit dat het een passende voorliggende voorziening is. Ook een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) voor 18-plussers is een passende en toereikende voorliggende voorziening. De bewijslast voor het niet kunnen deelnemen aan het onderwijs ligt nadrukkelijk bij de jongere. Wel geldt ook hier de Wet Eenmalige Gegevensuitvraag. Andere mogelijke bewijsstukken zijn: een negatief bindend studieadvies in combinatie met een verklaring van een studiebegeleider, mentor of decaan, dat het volgen van een andere opleiding ook geen haalbare kaart is; per 1 juli 2012 is het bindend studieadvies wettelijk geregeld in het mbo; een schriftelijke weigering van inschrijving voor een relevante opleiding; een verklaring van een andere begeleider of behandelaar van de jongere. De uitsluitingsgrond geldt ook bij lopende uitkeringen. Veelal zal bij jongeren uit het zittend bestand de oriëntatie op onderwijsmogelijkheden al onderdeel zijn van het plan van aanpak. Voor een persoon die jonger is dan 27 jaar die onderwijsmogelijkheden heeft kan algemene bijstand worden verstrekt tussen de dag waarop de jongere zich heeft gemeld en de dag waarop de jongere studiefinanciering kan ontvangen. Dit is niet van toepassing op de persoon die door eigen toedoen geen onderwijs (meer) volgt en/of studiefinanciering ontvangt, bijvoorbeeld door te stoppen met een opleiding vanwege een verkeerde studiekeuze. 2.2.3 Geen onderwijsmogelijkheden Het college kan bepalen dat er in sommige gevallen geen sprake is van onderwijsmogelijkheden. Het gaat daarbij om de volgende situaties: De capaciteiten of belemmeringen van de persoon jonger dan 27 jaar, kunnen reden zijn voor de gemeente om te oordelen dat er geen onderwijsmogelijkheden zijn. De capaciteiten of belemmeringen van de persoon jonger dan 27 jaar, kunnen reden zijn voor de gemeente om te oordelen dat het volgen van onderwijs de arbeidskansen niet verder vergroot. In de eerste groep gaat het om jongeren die door beperkingen niet in staat zijn om een startkwalificatie te halen. De tweede groep heeft betrekking op jongeren die een startkwalificatie hebben en waarbij het volgen van onderwijs de arbeidskansen niet meer vergroot. Als iemand een arbeidsmarkt relevante opleiding heeft afgerond en niet in staat is om een vervolgopleiding op een hoger niveau te halen is er geen sprake van onderwijsmogelijkheden. Iemand met een startkwalificatie maar van een opleiding zonder enige arbeidsmarkt relevantie kan zijn kansen wel vergroten door het volgen van een andere beroepsopleiding ook als dit op hetzelfde niveau is als de eerder afgeronde opleiding. 2.2.4 Verplichtingen tijdens zoektijd van 4 weken Een aanvrager van een uitkering voor levensonderhoud jonger dan 27 jaar krijgt ter invulling van de wettelijk verplichte zoekperiode van vier weken in beginsel de volgende verplichtingen opgelegd: Dat hij zich direct na melding inschrijft bij het UWV werkbedrijf als werkzoekende Dat hij in zo breed mogelijke zin de media nagaat op vacatures, waaronder begrepen het dagelijks raadplegen van de vacaturebank van het UWV Werkbedrijf: WWW.Werk.nl; dat hij in de eerste week van de zoekperiode van vier weken zich laat inschrijven bij ten minste acht uitzendbureaus en regelmatig contact onderhoudt met deze bureaus; dat hij in de gehele zoekperiode van vier weken ten minste tien reële sollicitaties verricht; dat hij gegevens en bewijsstukken aangaande de voorgenoemde activiteiten bewaart, om deze te kunnen overleggen bij de aanvraagindiening. Het college verplicht iedere uitkeringsaanvrager jonger dan 27 jaar die geen startkwalificatie heeft, aangaande de zoektijd van vier weken, naast de eerdergenoemde verplichtingen: dat hij zo snel mogelijk contact legt met de RMC-functionaris van de gemeente Urk (RMC = Regionaal Meld– en Coördinatiecentrum voortijdig schoolverlaten) wanneer hij jonger is dan 23 jaar, om te komen tot een advies aangaande scholing; dat hij, wanneer hij niet valt onder de doelgroep van het RMC, contact legt met een studieadviseur van een onderwijsinstelling, in beginsel het ROC, om te komen tot een advies aangaande scholing. 2.2.5 Plan van aanpak Het plan van aanpak is in beginsel gericht op een zo snel mogelijke weg naar werk. Bij een jongere zonder startkwalificatie wordt in eerste instantie ingezet op het bereiken van een startkwalificatie mits de betreffende jongere beschikt over de capaciteit om een startkwalificatie te halen Het plan van aanpak kent geen vastomlijnd aantal uren, het is gebaseerd op de individuele omstandigheden van de jongere. 2.2.6 Afwijken van deze beleidsregel Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon jonger dan 27 jaar afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel, indien toepassing van de beleidsregel tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 2.3 Richtlijnen voor het in te zetten scholingsaanbod voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar. Een scholingstraject kent de volgende uitgangspunten: Het scholingstraject heeft tot doel kennis en vaardigheden te verwerven om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. Het scholingsaanbod dient arbeidsmarktrelevant te zijn. Het scholingstraject duurt in beginsel maximaal twee jaar, dit criterium mag een traject naar een startkwalificatie echter niet in de weg staan. Voorwaarde is dat met de betreffende opleiding een door het rijk erkend diploma op het niveau van de startkwalificatie wordt behaald. Bij toekenning van het scholingstraject komen de volgende kosten voor vergoeding in aanmerking: Opleidingskosten en cursusbijdragen; Kosten voor boeken en leermiddelen die het opleidingsinstituut verplicht stelt; Examengeld. Reiskosten Het behalen van de startkwalificatie verdient prioriteit. Deze prioriteit geldt ook wanneer de periode van de ontheffing is afgelopen en de opleiding nog niet helemaal is afgerond. Bij voldoende inzet bestaat de mogelijkheid de opleiding af te ronden. De opleiding wordt beëindigd indien naar het oordeel van het college sprake is van onvoldoende inzet of vermogen het diploma te behalen; De begeleider bepaalt namens het college de invulling van het plan van aanpak en raadpleegt deskundigen voor de invulling van het scholingsaanbod en de afstemming met de arbeidsmarkt. Om competenties en vaardigheden te onderhouden dient de alleenstaande ouder na afloop van het scholingstraject een passende re-integratievoorziening te volgen, gericht op het onderhoud van vaardigheden en competenties. Deze voorziening kan bestaan uit een stage, een leerwerkplek of andere voorzieningen op het gebied van re-integratie. 2.4 Richtlijnen voor het aanbod aan niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers 2.4.1 Definitie: Onder nuggers worden verstaan: Personen (27 t/m 64 jaar), die geen uitkering van het UWV of de gemeente ontvangen Die niet werken, of minder dan 12 uur per week werken; Die zich voor tenminste twintig uur per week hebben ingeschreven als werkzoekende bij het UWV. 2.4.2. Werkproces Niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers Eerste gesprek: Melding bij gemeente Aanvraagformulier invullen Eerste gesprek en intake. Belanghebbenden wijzen op de mogelijke manieren van solliciteren en op de mogelijkheden van een vervolgtraject. Verwijzen naar UWV werkbedrijf om ten minste drie maanden ingeschreven te staan voor tenminste 20 uur per week en actief te solliciteren Datum plannen voor tweede gesprek N.B. Wanneer de klant bij het eerste gesprek al duidelijke inspanningen heeft aangetoond zoals ingeschreven staan bij het UWV werkbedrijf en actief solliciteren. Direct doorgaan met tweede gesprek. Dit geldt ook voor personen die door het UWV worden gecategoriseerd als “niet direct bemiddelbaar” Tweede gesprek na drie maanden: Met klant bespreken waar hij/ zij met solliciteren tegenaan is gelopen in de afgelopen drie maanden Beoordelen wat nodig is voor de klant naar aanleiding van afgelopen drie maanden, zoals: capaciteitenscan, sollicitatietraining, taalscholing, jobhunting, trajecten van contractpartners en opleidingen. Inzetten noodzakelijk traject 2.4.3. Voorwaarden vervolgtraject: Niet meer dan twaalf uur per week werkzaam zijn (definitie werkloosheid) Geen aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld in de vorm van re-integratie door werkgever of studiefinanciering. Scholing gericht op startkwalificatie (havo, MBO – 2) Kortdurend, gericht op snelle arbeidsinschakeling max. twaalf tot achttien maanden Bij opleiding vindt er een onderzoek plaats naar de arbeidsmarktrelevantie door de gemeente bij het UWV 2.5 Sociale activering en vrijwilligerswerk Onder sociale activering wordt verstaan, het verrichten van onbeloonde maatschappelijke zinvolle activiteiten (waaronder vrijwilligerswerk) gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie. Sociale activering dient onderdeel uit te maken van een re-integratietraject. Sociale activering is in ieder geval bedoeld voor een groep mensen die zeer ver van de arbeidsmarkt af staat en/of in sociaal isolement is geraakt of dreigt te geraken. Het is een middel om kansen op participatie in de samenleving en/of hun perspectief op werk of zinvolle activiteiten te bevorderen. Sociale activering wordt alleen ingezet voor mensen met een (zeer) grote afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder in dit kader ook worden gerekend de eerste generatie allochtonen en arbeidsgehandicapten. Onder vrijwilligerswerk wordt verstaan: onbetaalde, onverplichte, activiteiten voor minimaal acht uur per week bij een non profit organisatie, als gevolg waarvan de re-integratie van de deelnemer wordt bevorderd en gericht is op arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. Vrijwilligerswerk dat per week minder uren in beslag neemt, hoeft niet gemeld te worden bij sociale zaken. Vrijwilligerswerk kan een middel zijn voor het opdoen of behouden van werkritme. Vrijwilligerswerk vindt in die gevallen over het algemeen plaats als onderdeel van een traject richting werk. Als dit niet mogelijk blijkt voor bepaalde doelgroepen, dan is vrijwilligerswerk voor die doelgroep het eindstation. De gemeente verstrekt geen vrijwilligerspremies. Een kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk welke lager of gelijk is aan het bedrag genoemd in artikel 31 lid 2k Participatiewet wordt zonder nader onderzoek niet tot de middelen gerekend. Van de kostenvergoeding moet melding gemaakt worden op het Rechtmatigheidsonderzoeksformulier (Rof). Vrijwilligerswerk moet voldoen aan de volgende voorwaarden: Het vrijwilligerswerk is onbetaald (vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte kosten is toegestaan). Het vrijwilligerswerk wordt niet bij een commercieel of familiebedrijf verricht (het bedrijf betaald vennootschapsbelasting). Het vrijwilligerswerk verdringt geen betaalde arbeid. 2.6 Scholing Onder scholing wordt verstaan het volgen van een beroepsopleiding, welke de deelnemer, in aansluiting op zijn bestaande kennis en mogelijke werkervaring, in staat stelt de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen c.q. weg te nemen. Scholing dient gericht te zijn op uitstroom. Scholing kan van groot belang zijn voor het verkrijgen van een goede (start)kwalificatie op de arbeidsmarkt. Scholing zal daarom in veel re-integratietrajecten terugkomen. Afhankelijk van de diagnose van de klantmanager, kan scholing onderdeel uitmaken van het traject van de klant. Bij het vaststellen van de scholingsbehoefte wordt in overleg met de belanghebbende gekeken naar bestaand opleidingsniveau, huidig arbeidsmarktperspectief, mogelijkheden van belanghebbende en het arbeidsperspectief na de opleiding. Voor de inzet van scholing wordt uitgegaan van de kortste weg naar werk. Met andere woorden, geen jarenlange opleiding indien er een kortere voorziening naar een goed/beter arbeidsmarktperspectief bestaat. Uitgangspunt is dat scholing voorafgaat aan of gecombineerd wordt met (gesubsidieerde) arbeid. De aansluiting met werk mag niet verloren gaan door alleen scholing aan te bieden. Slechts in individuele gevallen kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld een alleenstaande ouder met zorgtaken voor kinderen. Deze ouders kunnen de zorgtaken combineren met een opleiding. Scholing mag in beginsel niet langer duren dan achttien maanden. Scholing inzetten ten behoeve van positieverbetering wordt niet toegestaan. In het kader van scholing, dan wel het aanleren van werknemersvaardigheden en vakcompetenties is het mogelijk een werk/leerstage in te zetten. Met werk/leerstage kan de deelnemer werken met behoud van uitkering bij een (reguliere) werkgever met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt dusdanig te verkleinen, dat aansluitend bemiddeling naar regulier werk tot de mogelijkheden behoort. De duur van een werk/leerstage is begrensd tot maximaal 12 maanden, waarbij de leerdoelstelling gericht dient te zijn op kansrijke sectoren in de arbeidsmarkt. 2.7 Werkstage/Werken met behoud van uitkering/proefplaatsing Voordat veel mensen überhaupt toe zijn aan een baan waarbij ze kunnen gaan werken aan functiegerichte activiteiten en vaardigheden, zal er eerst aandacht moeten worden besteed aan hun sociale vaardigheden, werkritme en arbeidsethiek. Werken aan een verzorgd uiterlijk, op tijd komen, dat soort zaken zal vaak nog eigen gemaakt moeten worden voordat men zich kan gaan richten op een werkelijke functie-inhoud, voordat een werkgever geld wil betalen voor de werknemer. Hiervoor moeten de stage en de proefplaatsing een oplossing bieden. Het gaat er om dat een uitkeringsgerechtigde bij een organisatie wordt geplaatst, zonder dat hij of zij direct voor de volle 100% kan meedraaien in het productieproces. De persoon in kwestie kan zich gedurende drie maanden toeleggen op het (weer) aanleren van bovengenoemde aspecten. Iemand die op deze manier actief is heeft geen baan, hij of zij ontvangt geen salaris, maar blijft afhankelijk van een bijstandsuitkering. De stage of proefplaatsing maakt altijd deel uit van re-integratieactiviteiten die door de klantmanager worden ingezet. Werken met behoud van uitkering wordt door de gemeente gezien als een goede mogelijkheid om mensen te activeren. De inzet van dit instrument zal variëren aan de hand van de situatie van een klant. Dit betekent dat de duur van het instrument niet is vastgelegd maar dat er individueel wordt gekeken naar de mogelijkheden en capaciteiten van de klant. Er kunnen ook afspraken gemaakt worden over een eventueel contract na de proefplaatsing en over een onkostenvergoeding door de werkgever. Bij een proefplaatsing moet er altijd sprake zijn van een vacature die door de klant kan worden vervuld als blijkt dat de klant geschikt is voor een functie. Een stage of proefplaatsing wordt voor maximaal drie maanden aangegaan. Bij werken met behoud van uitkering en een proefplaatsing worden de afspraken vastgelegd in een overeenkomst. In deze overeenkomst worden onder andere afspraken vastgelegd over begeleiding en training. 2.8 Participatieplaats / detacheringsbaan Klanten van wie verwacht wordt dat zij mogelijk op lange termijn weer aan het reguliere arbeidsproces kunnen deelnemen, maar daar nu nog niet aan toe zijn door psychische en of lichamelijke beperkingen kan een participatieplaats worden aangeboden. Betrokkenen kunnen gedurende twee jaar met behoud van uitkering werken. Het gaat dan wel om additioneel werk, waarbij begeleiding wordt geboden. Er is geen sprake van een arbeidsverhouding. De plaats moet een duidelijk re-integratiekarakter hebben. Er moet tijdens het traject een diagnose worden gesteld wat iemands mogelijkheden zijn en wat er moet gebeuren om de belemmeringen uit de weg te ruimen. Tijdens de twee jaar worden de problemen dan opgepakt en zo mogelijk opgelost. Hierdoor is het ook mogelijk om werken te combineren met scholing of ander voorzieningen. Regelmatig moet er een heronderzoek plaats vinden om te beoordelen of betrokkene inmiddels klaar is voor een traject gericht op werk, want dat is het uitgangspunt van de regeling. Het is daarom niet noodzakelijk dat de twee jaar worden vol gemaakt. Na twee jaar is een verlenging mogelijk van twee keer één jaar op een andere werkplek. Na deelname aan een participatieplaats zijn er verschillende vervolgstappen mogelijk: Traject naar werk. Het inzetten van een werkstage of een proefplaatsing als de werkplekken substantieel van elkaar verschillen. Vrijwilligerswerk als er geen uitstroom naar reguliere arbeid mogelijk is. 2.9 Richtlijnen loonkostensubsidie Op grond van artikel 13 van de Re-integratieverordening, kan het college aan een werkgever die een uitkeringsgerechtigde in dienst neemt voor de duur van tenminste zes maanden een loonkostensubsidie verstrekken van ten hoogte 50% van de loonkosten gedurende maximaal 24 maanden. Het is afhankelijk van de situatie van de betrokkene hoe lang een subsidie wordt verstrekt. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt meegewogen in hoeverre de uitkeringsgerechtigde begeleid dient te worden, de duur van de overeenkomst en de inzet van andere werkgeversvoorzieningen. De uitbetaling van de subsidie vindt maandelijks in gelijke delen plaats nadat door de werkgever de loonstrook van die betreffende maand is overgelegd. De definitieve subsidie wordt vastgesteld na inlevering van de verzamelloonstaat over de betreffende periode. Indien het dienstverband binnen zes maanden eindigt, vindt betaling van de vergoeding naar rato plaats voor geheel gewerkte maanden. De werkgever krijgt voor het in dienst nemen of houden van dezelfde individuele (voormalige) uitkeringsgerechtigde slechts eenmaal een loonkostensubsidie toegekend. 2.10 Inkomstenvrijlatingen Participatiewet Het aanvaarden en behoud van (deeltijd) werk wordt door de gemeente altijd gezien als een belangrijk middel op de weg naar duurzame uitstroom. De kennismaking met werk en het opdoen van arbeidsritme in een mogelijke combinatie van werk en zorg zijn belangrijke factoren die volledige uitstroom kunnen bewerkstelligen. De gemeente bepaalt hiermee dat (deeltijd) werk altijd bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Inkomsten uit arbeid worden gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden voor 25% van deze inkomsten (tot een in de wet genoemd maximum bedrag per maand) vrijgelaten, voor zover er algemene bijstand wordt ontvangen en de vrijlating, naar het oordeel van het college, bijdraagt aan de (verdere) arbeidsinschakeling (artikel 31, tweede lid onder n PW) Inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot twaalf jaar, worden – na toepassing gegeven te hebben aan het bepaalde in artikel 31 tweede lid onder n PW – gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden tot 12,5% van deze inkomsten (tot een in de wet genoemd maximum bedrag per maand) vrijgelaten, voor zover er algemene bijstand wordt ontvangen en de vrijlating, naar het oordeel van het college, bijdraagt aan de (verdere) arbeidsinschakeling (artikel 31, tweede lid onder r PW). Voorwaarden: Om in aanmerking te komen voor een vrijlating zijn onderstaande criteria van toepassing: Er dient een arbeidsovereenkomst aanwezig te zijn. Bij het aanvaarden van nieuw werk: Indien een dienstverband al aanwezig was voor het ontstaan van de bijstandbehoevendheid is er sprake van behoud van werk. In dergelijke gevallen is de vrijlating niet van toepassing. Een urenuitbreiding van minimaal drie uur per week van een bestaand dienstverband wordt eveneens gezien als nieuw werk. De vrijlating geldt dan voor alle inkomsten uit arbeid en niet slechts voor de nieuw gegenereerde inkomsten. De omvang het dienstverband (aantal uren) is geen criterium. Uit houding en gedrag van belanghebbende dient te blijken dat deze - binnen zijn mogelijkheden – verdere uitbreiding van het aantal uren nastreeft, dan wel zich inspant arbeid te behouden in dien gevallen waarin dit niet gevergd kan worden. De werkzaamheden komen voort uit een aangeboden voorziening of op eigen initiatief. De vrijlating geldt voor de belanghebbende die op of na 1 januari 2012 voldoet aan de omschrijving zoals hiervoor is weergegeven ten aanzien van wie nog geen toepassing aan de vrijlating is gegeven als omschreven in artikel 31, tweede lid onder n PW gedurende de periode van bijstandverlening vanaf 1 januari 2004. De inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder n PW kan slechts voor één tijdvak van zes maanden worden toegepast. Deze beperking geldt ook indien bijstand wordt verleend naar de norm voor een gezin. Individuele gezinsleden hebben geen individueel recht. Gedurende het tijdvak dat de inkomensvrijlating wordt toegepast kan dit wel betrekking hebben op meerdere gezinsleden. De inkomstenvrijlating ingevolge artikel 31 lid 2 onder n en r is niet van toepassing op personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 2 onder 5 PW). 2.11 Onkostenvergoedingen Niet tot de middelen worden gerekend de door de werkgever betaalde reiskostenvergoeding, de kilometervergoeding, fietsgeld, koffiegeld, gereedschapsvergoeding, telefoonkostenvergoeding, wasvergoeding t.b.v. uniformen, overalls e.d. en de maaltijdvergoeding. Wel tot de middelen worden gerekend het door de werkgever betaalde loon in natura, de winstuitkering en de bonus. Algemene regel is dat wanneer de betalingen het karakter hebben van een onkostenvergoeding, dan worden de betalingen niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend. Wanneer de betalingen het karakter hebben van loon, dan worden ze wel tot de middelen gerekend. 2.12 Kosten re-integratie Het college kan een vergoeding verstrekken voor de kosten die een belanghebbende moet maken in het kader van het volgen van een arbeidsmarktgerichte re-integratieactiviteit. Het gaat hierbij om directe en indirecte kosten, die noodzakelijk en aantoonbaar zijn en die in redelijkheid niet ten laste van de belanghebbende kunnen komen. Er moet voor deze kosten geen andere voorliggende voorziening zijn. Er moet sprake zijn van de goedkoopst adequate oplossing. Voorbeeld van mogelijke vergoedingen zijn reiskosten, kosten voor kinderopvang, sollicitatiekosten, kosten van een computer etc. Het college verstrekt een vergoeding voor de werkelijk gemaakte en aantoonbare kosten, zoals hiervoor is beschreven, onder de volgende voorwaarden: Voor de aanschaf van een computer kan leenbijstand verstrekt worden tot een bedrag van maximaal € 500,00 als: De school een eigen computer voorschrijft en; De school geen mogelijkheden biedt om daar te oefenen of; Een alleenstaande ouder kinderopvang moet inhuren om op school te oefenen. Reiskosten worden vergoed onder de volgende voorwaarden: Binnen Urk geldt geen vergoeding, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden Buiten Urk geldt een vergoeding van de kosten voor openbaar vervoer of € 0,19 per kilometer bij gebruik van auto, motor of brommer. Geen vergoeding wordt verleend voor de aanschaf en/of het gebruik van een fiets. De kosten van kinderopvang worden vergoed via de Wet Kinderopvang. Sollicitatiekosten worden niet vergoed. 2.13 Nadere verplichtingen Van de door artikel 55 PW geboden mogelijkheid om verplichtingen aan de bijstand te verbinden welke strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand, moet zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden. Het opleggen van nadere verplichtingen kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer in de persoon gelegen problemen arbeidsinschakeling in de weg staan, zoals psychische moeilijkheden of verslavingsproblematiek. In dit verband kan aan de bijstand de verplichting worden verbonden dat de belanghebbende een medische behandeling ondergaat, of enigerlei andere vorm van professionele hulpverlening. Maar ook andere zaken zoals taalkennis, persoonlijke verzorging, enzovoort, kunnen mogelijk de arbeidsinschakeling in de weg staan. In ieder geval moet zo veel als maar mogelijk is aandacht worden geschonken aan deze zaken en moet er op worden toegezien dat deze belemmeringen worden weggenomen, indien mogelijk door het aan de bijstand verbinden van nadere verplichtingen. 2.14 Tegenprestatie naar vermogen De mogelijkheid om de plicht tot het leveren van een tegenprestatie naar vermogen op te leggen is in de Participatiewet opgenomen en in de Verordening Tegenprestatie verder uitgewerkt. Een gemeente die een tegenprestatie wil opleggen dient zich te houden aan een aantal randvoorwaarden, te weten: De tegenprestatie is niet gericht op arbeidsinschakeling; Mag niet in de weg staan van acceptatie van arbeid of re-integratie; Bestaat uit werkzaamheden waarvan omvang en duur beperkt zijn; Bestaat uit werkzaamheden die de uitkeringsgerechtigden naar vermogen kan verrichten; (dit kan betekenen dat er medische onderzoeken moeten plaatsvinden). Wordt onbeloond verricht naast of in aanvulling op de reguliere arbeidsmarkt (additioneel); De werkzaamheden moeten gecombineerd kunnen worden met eventueel aanwezige zorgtaken voor een zorgbehoevend gezinslid zoals bedoeld in artikel 4 lid 5 Participatiewet. Kan niet worden ondersteund door het college met voorzieningen als scholing, kinderopvang en premies. In feite wordt met de plicht tot tegenprestatie bewerkstelligd dat kortdurende onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan uitkeringsgerechtigden, waar voor deze werkzaamheden in principe geen bereidheid bestaat om loon te betalen. Invulling gemeente Urk De gemeente maakt gebruik van de mogelijkheid om een tegenprestatie op te leggen. Iedere uitkeringsgerechtigde krijgt de gelegenheid om de tegenprestatie in te vullen met zelfgekozen vrijwilligerswerk of wordt verwezen naar Caritas. Het vrijwilligerswerk heeft een omvang van acht tot zestien uur per week, waarbij er van uit gegaan wordt dat iedereen in principe de maximale prestatie levert. Naar beneden bijstellen van uren vindt slechts plaats als dit naar het oordeel van de klantmanager op grond van medische of sociale omstandigheden noodzakelijk geacht wordt. Indien de uitkeringsgerechtigde geen vrijwilligerswerk wil doen, legt de gemeente aan hem of haar een tegenprestatie op in de vorm van additionele arbeid. 2.15 Ontheffing van een of meerdere verplichtingen Het college maakt bij dringende redenen gebruik van de mogelijkheid tot tijdelijke ontheffing van één of meerdere verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 onder a en c Participatiewet of artikel 37 IOAW of artikel 37 IOAZ. De maximale duur van een ontheffing is in beginsel één jaar. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een vooraf vastgestelde periode van ontheffing te verlengen of in te korten. Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen, indien dit in het vermogen van de belanghebbende ligt. In de volgende situaties is een ontheffing mogelijk: Bij een alleenstaande ouder met zorgtaken voor een ten laste komend gehandicapt kind jonger dan 18 jaar, voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening. Bij een zwangere vrouw gedurende 16 weken rond de vermoedelijke datum van bevalling. Bij andere sociale en/of medische omstandigheden waarbij het naar het oordeel van het college niet zinvol is dat betrokkene aan de verplichtingen moet voldoen. 2.16 Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening zijn regels vastgesteld over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast wordt bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald. In deze beleidsregel geven wij aan wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. Tot die omstandigheden worden in ieder geval gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Er is in ieder geval sprake van 'geen uitzicht op inkomensverbetering' als de aanvrager is ingedeeld op trede 1, 2, 3 en 4 van de Participatieladder. Indeling op trede 5 en 6 wijst op een korte afstand tot de arbeidsmarkt en grote kans op inkomensverbetering binnen een periode van drie jaar. De volgende groepen komen niet in aanmerking voor individuele inkomenstoeslag: Als er in de laatste 12 maanden van de referteperiode sprake is geweest van het schenden van de informatieplicht met benadeling waarvoor een boete is opgelegd, bestaat er geen recht op de inkomenstoeslag. Het inkomen is dan hoger geweest dan de geldende bijstandsnorm. Ook als er sprake is geweest van het verwijtbaar niet nakomen van arbeids- en/of re-integratieverplichtingen, waarvoor een maatregel van 20% of meer is opgelegd, bestaat er geen recht op de inkomenstoeslag. Er was uitzicht op inkomensverbetering, maar door eigen toedoen is dit teniet gedaan. Gedragingen waarvoor een maatregel is opgelegd van minder dan 20% staan de inkomenstoeslag niet in de weg. Personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen (studenten) zijn uitgesloten, omdat zij geacht worden uitzicht te hebben op een inkomensverbetering Hoofdstuk3Inkomen Kopiëren van bewijsstukken bij huisbezoeken. Bij huisbezoeken worden alle bewijsdocumenten die nodig zijn voor het heronderzoek of de aanvraag mee naar kantoor genomen en gekopieerd. De bankafschriften van drie maanden worden ingezien en de eerste en de laatste worden meegenomen om te kopiëren. Van de bevindingen wordt verslag gedaan in het rapport. Wanneer het nodig is om een identiteitsbewijs te kopiëren, wordt dit bewijs niet per post teruggestuurd. Verrekening van inkomsten Van alle inkomsten die iemand naast de uitkering ontvangt dienen loonstroken of uitkeringsstroken te worden overgelegd. Als de loonstrook niet voor twaalf uur op de inleverdag van het Rofje (rechtmatigheidsonderzoeksformulier dat maandelijks moet worden ingeleverd) bij de afdeling binnen is wordt voor de eerste maand in overleg met de klant een fictief bedrag gekort. Daarna wordt altijd gekort op basis van de werkelijke loongegevens. Indien de loonstrook (na de eerste maand) niet op tijd wordt ingeleverd dan wordt de uitkering eerst betaalbaar gesteld nadat de loonstrook is ontvangen. Een uitzondering kan gemaakt worden bij marginale inkomsten uit bijvoorbeeld huishoudelijk werk. In die gevallen kan genoegen genomen worden met een getekende verklaring van de werkgever en dient men er van uit te gaan dat geen rekening gehouden is met de loonheffingskorting. 3.3 Bijstandsverlening t.bv. het kind van minderjarige alleenstaande ouders Op 1 april 1997 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uitspraak gedaan in een zaak over de verlening van bijstand ten behoeve van het kind van een minderjarige alleenstaande ouder. De CRvB besliste in dit geval, dat ten behoeve van het kind van een minderjarige alleenstaande ouder, bijstand kon worden verleend. Deze zaak speelde weliswaar onder het regime van de oude Algemene bijstandswet (ABW) maar de beslissing heeft haar uitwerking ook binnen de Participatiewet. Aan het kind van alleenstaande minderjarige ouders kan algemene bijstand verleend worden op grond van artikel 16 PW. Bij de beoordeling of bijstand kan worden verleend speelt uiteraard een rol of de ouders in het levensonderhoud van het kind kunnen voorzien. Op grond van het Burgerlijk wetboek zijn zij onderhoudsplichtig jegens hun kind. De grootouders, bij wie de minderjarige alleenstaande ouder veelal inwonend is, zijn op grond van het Burgerlijk Wetboek niet onderhoudsplichtig jegens hun kleinkind. Voor de hoogte van de uitkering wordt aangesloten bij de uitspraak van de CRvB; daarin geeft de Raad aan dat het bedrag dat het verschil vormt tussen de norm voor een alleenstaande ouder en de norm voor een alleenstaande (20% van het minimumloon) niet als te laag kan worden bestempeld. Dit bedrag geldt daarom als norm bij de bijstandsverlening ten behoeve van het kind van minderjarige alleenstaande ouders. 3.4 Verlaging woonsituatie Het recht op en de hoogte van de bijstand is afhankelijk van de eigen middelen van belanghebbende (artikel 19 PW). Op grond van artikel 31 lid 1 PW gelden als middelen alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het college moet op basis van artikel 32 PW het inkomen vaststellen. Als het inkomen in natura in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde daarvan vastgesteld op de daaruit voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan (artikel 33 lid 1 PW). Als niet de belanghebbende zelf de huur op hypotheeklasten betaalt, maar iemand anders (bijvoorbeeld de ex-partner) dan wordt hiermee bij de inkomenstoets geen rekening gehouden (artikel 33 PW). In de situatie dat iemand een woning bewoont waarvoor geen woonkosten verschuldigd zijn, wordt daarom een verlaging op de bijstandsnorm toegepast van 20% van de gehuwdennorm. Dit geldt alleen in die situaties waarin de kostendelersnorm niet van toepassing is. Het wordt nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18 lid 1 van de Wet de bijstand lager vast te stellen. In deze beleidsregels wordt overigens niet het begrip 'woonkosten' gehanteerd, maar 'kosten van huur of hypotheeklasten'. Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging krachtens dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.) Indien geen woning wordt bewoond wordt op de bijstandsnorm een verlaging toegepast van 10% van de gehuwdennorm. Een belanghebbende die geen woning bewoont wordt geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als voor een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Een dakloze wordt immers geconfronteerd met de hogere kosten van het op straat leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang. 3.5 Inkomen – hoge bedragen Inkomsten uit of in verband met arbeid, die hoger zijn dan de netto bijstand per maand en die worden verkregen in een periode van een maand, worden toegerekend aan het vermogen voor zover ze niet in mindering kunnen worden gebracht op de uitkering. 3.6 Korten voorlopige teruggave Op grond van artikel 19 lid 2 PW is de hoogte van de bijstandsuitkering het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Artikel 31 lid 1 PW jo, artikel 32 lid 1 onderdeel a PW bepaalt dat een teruggave en een voorlopige teruggave van inkomstenbelasting in verband met de toepasselijke heffingskorting van hoofdstuk 8 van de Wet Inkomstenbelasting geldt als inkomen. Ontvangen bedragen aan teruggave worden gekort, voor zover deze betrekking hebben op een periode waarin bijstand is verleend. Als het aannemelijk is dat belanghebbenden in aanmerking komt voor een voorlopige teruggave in verband met de heffingskorting wordt hem op grond van artikel 55 PW de verplichting opgelegd deze bij de belastingdienst aan te vragen. Aan de belanghebbende wordt een redelijke termijn van drie maanden gesteld, waarbinnen hij de heffingskorting aangevraagd heeft en de beschikking heeft ingeleverd bij de gemeente. Laat hij dit na dan wordt het bedrag waarop hij redelijkerwijs recht heeft gekort. Indien de bijstand wordt beëindigd door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd kan de belanghebbende met terugwerkende kracht aanspraak doen gelden op de ouderenkorting en eventueel de alleenstaande ouderenkorting over het gehele jaar waarin hij of zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. In principe zijn dit inkomsten waarbij met de verlening van bijstand rekening gehouden had moeten worden. De kortingen kunnen echter pas aangevraagd worden als de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt en kunnen dan niet meer verrekend worden met de bijstand. Het college zou deze kortingen dan van belanghebbende terug moeten vorderen zodra hij of zij deze heeft ontvangen. Het college besluit om af te zien van deze terugvordering. 3.7 Ingangsdatum uitkering Bijstand moet, aldus artikel 44 lid 1 PW worden toegekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan “voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen”. Het komt echter voor dat de belanghebbende, doordat hij in afwachting was van de beslissing op de aanvraag voor een andere uitkering de bijstand niet tijdig aanvroeg. In afwijking van het gestelde in artikel 44 lid 1 van de PW wordt de bijstand verleend met ingang van de datum van aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Nabestaandenwet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) of de Wajong indien die aanvraag werd afgewezen en de aanvraag voor bijstand nadien binnen een week werd ingediend. Van de meldingsdatum als ingangsdatum kan verder worden afgeweken indien er sprake is van zeer dringende redenen waardoor belanghebbende zich niet eerder kon melden bij het UWV. Van dringende redenen is sprake bij een zeer ernstige ziekte of een ziekenhuisopname. Belanghebbende dient hiervan te allen tijde bewijsstukken te overleggen in de vorm van een verklaring van een arts. 3.8 Voorschot / overbruggingslening Indien de belanghebbende de periode van de toekenning tot de eerste reguliere betaling niet kan overbruggen, kan de gemeente hierbij bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verstrekken. Deze extra lening is bedoeld voor de noodzakelijke eerste levensbehoeften als eten en drinken gedurende de periode tot de eerste uitbetaling van de uitkering. Gesproken wordt dan ook van broodnood. De klantmanager bepaalt of er aanvullende bewijsstukken ingeleverd moeten worden. Van broodnood kan alleen sprake zijn als belanghebbende(
- n)zelfstandig in huisvesting voorzie(t)(n). De lening moet zo laag mogelijk zijn opdat de belanghebbende niet reeds bij de aanvang van de bijstandsverlening wordt belast met een (
- te)hoge lening van de gemeente. De geldlening is daarom afhankelijk van de periode die overbrugd moet worden maximaal gelijk aan de helft van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De hoogte van de lening is ter beoordeling aan de klantmanager. De lening kan op grond van artikel 48 PW verstrekt worden en daaraan hoeft geen leenovereenkomst ten grondslag te liggen. Uit artikel 48 blijkt voldoende dat het om een lening gaat. De lening moet zoveel mogelijk in één keer worden verrekend met de eerste betaling van de uitkering. Indien verrekening in één keer niet mogelijk is, zijn op het restant de regels voor aflossing van leenbijstand van toepassing. 3.9 Tijdelijk verblijf in inrichting Als betrokkene een Participatiewetuitkering ontvangt en tijdelijk in een inrichting verblijft, hoeft de bijstand niet beëindigd te worden. Een verblijf van zes maanden kan als tijdelijk beschouwd worden als betrokkene het plan heeft om terug te keren naar Urk. Daarbij moet bezien worden wat de intentie van betrokkene is. Hierbij moet gekeken worden naar eventueel opzeggen van de huur enz. Bij een opname in een ziekenhuis of andere soortgelijke inrichting wordt niet onmiddellijk tot aanpassing van de bijstandsnorm overgegaan. De volgende richtlijnen gelden in dit geval: Is er sprake van een eigen huishouding/huisvesting, dan wordt tot en met de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand van opneming, de voordien uitbetaalde bijstandsuitkering gehandhaafd. Is er geen sprake van een eigen huishouding/huisvesting, dan vindt de onder 1. bedoelde handhaving plaats tot en met de laatste dag van de 1e maand na die van de opneming. Na afloop van de onder 1 en 2 bedoelde perioden komt betrokkene in principe in aanmerking voor de norm zak- en kleedgeld. Indien noodzakelijk kan gedurende in beginsel een periode van zes maanden, daarnaast bijzondere bijstand worden verleend in de vaste woonlasten. Het gaat hier om de kosten zoals die door de Centrale raad van Beroep zijn benoemd in jurisprudentie (zie handboek Schulinck). Het is ook mogelijk dat betrokkene een aantal dagen per week thuis en een aantal dagen per week in het ziekenhuis of de inrichting verblijft. De bijstandsnorm blijft in dat geval gehandhaafd totdat er eventueel sprake is van definitieve opname. Bij andere vormen van afwezigheid dient individueel de noodzaak van (verdere) bijstandsverlening te worden bepaald. Hoofdstuk4Middelen 4.1 Bezittingen in natura die algemeen gebruikelijk zijn Bij het beleid over bezittingen in natura die algemeen gebruikelijk zijn gaat het erom welke goederen meegerekend worden bij het vaststellen van het vermogen en welke goederen buiten beschouwing worden gelaten. Het gemeentelijk beleid op dit terrein is vertaald in de volgende beleidskeuzen Een vervoersmiddel (auto of motor) met een beperkte waarde geldt als algemeen gebruikelijk bezit. Een auto met een waarde van maximaal € 3.000,00 geldt als algemeen gebruikelijk. Als de waarde meer bedraagt dan dit bedrag wordt het meerdere in aanmerking genomen als vermogen. Dit meerdere kan vallen binnen de grenzen van het bescheiden vermogen. Dus een hogere waarde hoeft niet te leiden tot verkoop van de auto. Als de auto een waarde heeft die uitgaat boven € 3.000,00 plus het vrij te laten vermogen, zal de belanghebbende dit meerdere bedrag eerst in moeten teren. De waarde van auto en motor kan worden vastgesteld met behulp van internet via de sites “autotrader”, “autoweek” of de ANWB koerslijst. Hier kunnen de prijzen van vergelijkbare auto´s per bouwjaar worden gevonden. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als er aantoonbare verschillen zijn (bijvoorbeeld als er sprake is van een schadeauto of oldtimer). Caravans en boten die een waarde vertegenwoordigen tot € 1.000,00. worden op grond van artikel 52 lid 2a van PW niet aangemerkt als vermogen in het kader van het middelenbegrip. Antiek, kunst en sieraden dienen gezien hun aard en waarde altijd als vermogen in aanmerking te worden genomen, tenzij er een duidelijk aantoonbare emotionele waarde aanwezig is. Wanneer kennelijke onbillijkheden optreden is individualisatie mogelijk. 4.2 Geringe overschrijding vrij te laten vermogen Bij een overschrijding van het vrij te laten bescheiden vermogen dient de uitkeringsaanvraag te worden afgewezen. De aanvrager dient dan zijn vermogen in te teren en daarna opnieuw een aanvraag in te dienen. Bij deze hernieuwde aanvraag dient dan bepaald te worden of de aanvrager bij de intering van zijn vermogen, voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van bestaan heeft betoond. Voor de intering zijn geen regels, maar uit vaste jurisprudentie blijkt dat interen van anderhalf keer de geldende bijstandsnorm redelijk wordt geacht. In de praktijk komt het voor dat er slechts een geringe overschrijding is die tot administratieve rompslomp leidt voor zowel de klant als de gemeente. Bij een geringe overschrijding van het vrij te laten vermogen, waarvan de aanvrager met inachtneming van bovengenoemde interingsregels niet langer dan een maand in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, wordt de uitkering toegekend met een latere ingangsdatum. Voor de termijn wordt daarmee aangesloten bij artikel 45 van de PW, waarin een nieuw uitkeringsrecht ontstaat nadat belanghebbende 30 dagen geen bijstand heeft ontvangen. 4.3 Eigen woning Het wordt aan Burgemeester en wethouders overgelaten of en zo ja, in welke gevallen tegeldemaking of verdere bezwaring van de eigen woning van de belanghebbende redelijkerwijs kan worden verlangd. Het college zou een beleidsregel kunnen vaststellen dat de aanvrager van bijstand met een zelfbewoonde woning waarop geen hypotheek rust, zich altijd eerst tot een bank dient te wenden teneinde daar een geldlening te krijgen waarvoor recht van hypotheek op het huis verleend wordt. In de praktijk zal dit moeilijkheden opleveren, immers de aanvrager heeft geen inkomen op grond waarvan een geldlening verstrekt kan worden. Bovendien is in de praktijk van de uitvoering nog nooit een geval voorgekomen van een aanvrager met een woning waarop geen hypotheek rustte. In de praktijk van Urk is een bijkomend probleem dat er veel meer eigen woningen zijn dan huurwoningen en dat het vinden van een passende huurwoning soms grote problemen oplevert. Daarnaast wil het rijk het eigen woning bezit ook bij mensen met een laag inkomen bevorderen. De mogelijkheid om bijstand te verlenen in de vorm van een krediethypotheek blijft bestaan. Het verkrijgen van een hypothecaire lening via een bankinstelling wordt niet als voorliggende voorziening aangemerkt. 4.4 Vermogen ontvangen voor de aanvraag van de bijstand De situatie kan zich voordoen dat een belanghebbende in de periode voorafgaand aan de aanvraag voor bijstand vermogen boven het vrij te laten vermogen heeft ontvangen en op het moment van aanvraag hier niet meer over beschikt (bijvoorbeeld in verband met de verkoop van een woning en de hieruit ontvangen overwaarde, een boedelscheiding of een erfenis) Van belang is om na te gaan wanneer een belanghebbende redelijkerwijs heeft kunnen weten dat hij bijstandsbehoevend zou worden. In het geval belanghebbende voorafgaand aan een aanvraag werkloos was wist de belanghebbende dat als herintreden niet zou lukken, hij op enig moment bijstandsbehoevend zou worden. Afhankelijk van de hoogte van het bedrag zal moeten worden beoordeeld of het vermogen met het zicht op bijstandsbehoefte verantwoord is besteed. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat na een echtscheiding normaliter behoefte bestaat aan (gedeeltelijke) herinrichting. Het toebedeelde vermogen kan hieraan zijn besteed. Als een belangrijk deel van het vermogen evenwel is opgegaan in de periode waarin belanghebbende wist of kon weten dat hij mogelijk een beroep moest gaan doen op bijstand, dan moet worden beoordeeld of het vermogen in die periode verantwoord is ingeteerd. Als hierop bevestigend kan worden geantwoord heeft de belanghebbende normaal recht op bijstand. Is echter onverantwoord ingeteerd, dan wel is onduidelijk waaraan het vermogen kort voor de bijstand is opgegaan, dan moet worden beoordeeld of de bijstand overeenkomstig de Afstemmingsverordening moet worden verlaagd, dan wel of de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt op grond van artikel 48 PW. 4.5 Immateriële schadevergoeding In artikel 31 van de PW wordt bepaald dat bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade buiten beschouwing mogen worden gelaten bij het vaststellen van het vermogen. Daarbij gaat het om algemene schadevergoedingsregelingen en om landelijke regelingen bestemd voor specifieke doelgroepen. Of het uit het oogpunt van bijstandverlening verantwoord is vergoedingen die de belanghebbende ontvangt en die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op al dan niet immateriële schade buiten beschouwing te laten is ter beoordeling aan het college. Immateriële schadevergoedingen, waarbij sprake is van blijvende invaliditeit en er geen perspectief meer is voor wat betreft het verwerven van een inkomen boven bijstandsniveau worden in zijn geheel niet in aanmerking genomen als vermogen. Andere immateriële schadevergoedingen worden voor een derde deel niet in aanmerking genomen als vermogen. De bij eerdere bijstandsaanvragen vrij gelaten immateriële schadevergoedingen worden ook bij hernieuwde aanvragen om bijstand buiten beschouwing gelaten. Daar waar kennelijke onbillijkheden optreden blijft het mogelijk te individualiseren. 4.6 Koopsom lijfrentepolissen en Levensverzekeringen De aanspraken op lijfrenten in verband met koopsompolissen, lijfrentepolissen, en levensverzekeringen behoeven, zoals de vermogenswaarde van een ouderdomspensioen, niet als vermogensbestanddeel beschouwd te worden, voor zover deze een voor de betrokkene passende oudedagsvoorziening beogen. Er moet dan wel sprake zijn van een aanvulling of vervanging van een onvolledige of ontbrekende passende oudedagsvoorziening. Onder passend wordt in het algemeen verstaan een voorziening, inclusief AOW, ter hoogte van 70% van het laatstverdiende loon. Het moet dus gaan om lijfrenten, verzekeringen, die vrijkomen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd. Het gaat hier om aanspraken op middelen waarvan in alle redelijkheid niet van belanghebbende kan worden gevergd dat deze te gelde worden gemaakt. Wanneer de betrokkene koopsompolissen/lijfrentepolissen, levensverzekeringen afsluit, in de verwachting dat hij/zij op bijstand aangewezen zal zijn, zal in beginsel de vermogenswaarde van de polis als vermogen beschouwd worden (wel individueel te beoordelen). Belastingteruggave in verband met het afsluiten van een koopsompolis/lijfrentepolis dient als inkomen beschouwd te worden. 4.7 In aanmerking te nemen giften Giften worden bij het vaststellen van de bijstand buiten beschouwing gelaten, voor zover dit uit oogpunt van bijstandverlening verantwoord kan worden geacht. De wettekst voor het in aanmerking nemen van giften is niet veranderd. Buiten het middelenbegrip blijven incidentele giften van instellingen of personen met een bepaald doel, zoals leermiddelen, vakanties, e.d. Alle overige giften worden in aanmerking genomen als inkomen en worden in mindering gebracht op de uitkering. 4.8 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm Op grond van artikel 34 PW moet het college het vermogen vaststellen bij aanvang van de bijstandsverlening. De wetgever heeft geen regels vastgesteld over de vaststelling van het vermogen bij wijziging van de leefvorm. Wel is duidelijk dat op grond van artikel 34 lid 3 PW de toepasselijke vermogensgrens verandert. Het vermogen wordt niet opnieuw vastgesteld in de volgende gevallen, omdat dit reeds eerder is vastgesteld en daarom bekend is: ·Een alleenstaande wordt alleenstaande ouder door de geboorte van een kind (het vrij te laten vermogen wijzigt wel). Her vermogen wordt wel opnieuw vastgesteld in de volgende gevallen, omdat de wijziging in de gezinssituatie gevolgen heeft voor het vermogen: Twee personen gaan samenwonen en blijven een beroep doen op een bijstandsuitkering Een alleenstaande ouder wordt alleenstaande omdat het jongste kind 18 wordt of niet meer tot het gezin behoort. Gehuwden of samenwonenden met een bijstandsuitkering gaan uit elkaar. De hoogte van de vermogensgrens is gelijk aan de actuele vermogensgrens die geldt voor de nieuwe leefvorm van de belanghebbende(n).Het vermogen dient opnieuw te worden vastgesteld. Onbillijkheden moeten daarbij worden voorkomen en er wordt daarom rekening gehouden met het volgende: Het deel van het vermogen dat is ontstaan tijdens de bijstandsperiode door ontvangen rente en besparingen dient gelet op de vrijlatingsbepaling buiten beschouwing te blijven. Hoofdstuk5Bijzondere bijstand 5.1 Inleiding Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat het inkomen van een belanghebbende niet (volledig) toereikend is ter voorziening in bepaalde noodzakelijke kosten. Voor zover de belanghebbende voor dergelijke kosten geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening en deze evenmin uit de eigen middelen kunnen worden voldaan, kan daarvoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Toekenning van bijzondere bijstand voor noodzakelijke kosten geschiedt steeds op basis van beoordeling aan de hand van de individuele situatie. Dit laat echter onverlet dat voor de verstrekking van bijzondere bijstand beleidsregels kunnen worden opgesteld. Dergelijke beleidsregels dragen bij aan de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid en zijn mede van belang voor een doelmatige uitvoering. De gemeente Urk streeft een transparant bijzondere bijstandsbeleid na, met als uitgangspunt dat iedereen krijgt waar hij recht op heeft, waarbij het recht wordt vastgesteld op basis van doorzichtige en duidelijke regels. In verband daarmee heeft het college van de gemeente Urk het navolgende Beleidsplan bijzondere bijstand vastgesteld. Dit beleidsplan legt geen beleid vast voor het toekennen van bijzondere bijstand voor concrete kosten, maar schept een kader voor de uitoefening van de in artikel 35 PW neergelegde bevoegdheid tot het verstrekken van bijzondere bijstand, vooral het beleid omtrent de aanvraag en de draagkracht. Voor de uitvoering van het beleidsplan is hieraan als bijlage de Richtlijn bijzondere bijstand toegevoegd. 5.2 Algemene uitgangspunten: Artikel1.Moment van aanvragen 1.Uitgangspunt is dat een verzoek om toekenning van bijzondere bijstand wordt ingediend voordat de kosten zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan een verzoek achteraf worden ingediend indien: de kosten zich onvoorzien en onmiddellijk hebben voorgedaan. Een verzoek om toekenning van bijzondere bijstand dient in dat geval ingediend te zijn binnen een maand nadat de kosten zich hebben voorgedaan; belanghebbende geringe kosten heeft gehad. Onder geringe kosten wordt dan verstaan € 25,00 of minder. In dat geval kan belanghebbende bijzondere bijstand met terugwerkende kracht aanvragen voor meerdere kosten, die gezamenlijk, over een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de dag waarop de eerste kosten zich hebben voorgedaan, ten minste een bedrag van € 25,00 vertegenwoordigen. Artikel2.Vaststellen van het recht op individuele bijzondere bijstand Het recht op individuele bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de volgende hoofdvragen: Doen de kosten zich voor? Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden? Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? Artikel3.Bepaling van het inkomen 1.Het inkomen van de belanghebbend die geen (aanvullende) uitkering ingevolge de Participatiewet, de IOAZ of de IOAW ontvangt, wordt vastgesteld aan de hand van de salarisspecificaties van de maand voorafgaand aan de maand waarin de bijzondere bijstand is aangevraagd. 2.Heeft belanghebbende een wisselend inkomen dan wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen genoten in de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de bijzondere bijstand is aangevraagd. 3.Wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht aan te vragen als bedoeld in artikel 1 lid 2 sub b, dan wordt het inkomen vastgesteld aan de hand van de salarisspecificatie van de maand, dan wel het gemiddelde inkomen van de drie maanden, voorafgaand aan de maand waarin de eerste kosten zich hebben voorgedaan. Artikel4.Draagkracht 1.Het inkomen, inclusief VT, wordt als draagkrachtloos aangemerkt, voor zover dit minder bedraagt dan 110% van de op belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief VT. Al het meerdere wordt volledig tot de draagkracht gerekend. 2.De hoogte van het inkomen wordt vastgesteld met inachtneming van artikel 31 PW. 3.Buitengewone uitgaven die ten laste van de belanghebbende komen worden in mindering gebracht op het inkomen. 4.Het vermogen wordt, tot aan de op belanghebbende van toepassing zijnde grens als bedoeld in artikel 34 PW buiten beschouwing gelaten. 5.Het vermogen in de eigen woning wordt niet in aanmerking genomen, tenzij bezwaring of verdere bezwaring van de woning in redelijkheid verlangd kan worden. Artikel5.Draagkrachtperiode 1.De draagkracht wordt voor een periode van twaalf maanden vastgesteld. De periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan. 2.Wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht aan te vragen als bedoeld in artikel 1 lid 2 sub b dan vangt de draagkrachtperiode aan op de eerste dag van de maand waarin de eerste kosten zich hebben voorgedaan. Artikel6.Wijziging inkomen tijdens draagkrachtperiode Een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in beginsel niet gewijzigd tijdens de draagkrachtperiode. Indien bij de beoordeling van een aanvraag, een heronderzoek of een beëindiging binnen een eerder vastgesteld draagkrachtjaar blijkt dat er een wijziging in de middelen heeft plaatsgevonden, wordt aan de hand van de individuele situatie beoordeeld of dit reden geeft om de draagkracht, in afwijking van het eerste lid, opnieuw vast te stellen. 5.3 Verstrekkingen Artikel7.Medische en paramedische kosten 1.De verplichte zorgverzekering (basispakket) op grond van de Zvw en de AWBZ wordt in beginsel geacht een passende en toereikende voorliggende voorziening te zijn voor noodzakelijke medische kosten. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor medische en paramedische kosten die niet door de zorgverzekeraar worden vergoed, tenzij het betreft: de voor rekening van belanghebbende blijvende kosten voor zover deze eigen bijdrage niet voortvloeit uit besparingsmotieven; kosten die om budgettaire redenen uit het basispakket zijn gehouden. 2.Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor kosten die voor rekening van een belanghebbende blijven op grond van een wettelijk of vrijwillig eigen risico. 3.In de kosten voor de premie van een aanvullende ziektekostenverzekering / tandartsverzekering wordt een tegemoetkoming verstrekt. a.De tegemoetkoming bedraagt € 100,00 per volwassene per kalenderjaar. Bedraagt de premie minder dan € 100,00 per jaar dan wordt de tegemoetkoming afgestemd op de werkelijke kosten. b.De tegemoetkoming dient te worden aangevraagd voor 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt. Artikel8.Duurzame gebruiksgoederen 1.Kosten van duurzame gebruiksgoederen zijn kosten die behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor deze kosten dient vooraf te worden gereserveerd door middel van sparen of achteraf door middel van een geldlening. Er bestaat in beginsel geen recht op bijzondere bijstand voor deze kosten. 2.Als belanghebbende geen of onvoldoende middelen heeft om in de kosten te voorzien wordt bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een renteloze geldlening als bedoeld in artikel 51 PW, overeenkomstig artikel 9 van dit Beleidsplan. 3.De belanghebbende die een inkomen heeft ter hoogte van 110% of meer van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt doorverwezen naar een kredietverlenende instelling. 4.Voor de kosten van een aantal gebruikelijke duurzame gebruiksgoederen bestaat de witgoedregeling, die is uitgewerkt in de als bijlage bij dit Beleidsplan opgenomen Richtlijnen bijzondere bijstand. Artikel9.Geldlening voor duurzame gebruiksgoederen 1.Voor de bijzondere bijstand die overeenkomstig artikel 8 lid 2 is toegekend gelden de volgende uitgangspunten: de aflossingscapaciteit wordt vastgesteld op 6% van de op het moment van aanvraag toepasselijke bijstandsnorm, inclusief Vakantietoeslag en de in het kindgebonden budget opgenomen alleenstaandeouderkop van de Belastingdienst, per maand voor een belanghebbende met een inkomen op bijstandsniveau; 6% van het netto inkomen van belanghebbende, inclusief VT, per maand voor een belanghebbende met een inkomen dat meer bedraagt dan de op hem op het moment van aanvraag van toepassing zijnde bijstandsnorm, doch minder dan 110% hiervan. de hoogte van de geldlening bedraagt maximaal 36 maal de vastgestelde aflossingscapaciteit; maandelijks dient de belanghebbende een bedrag gelijk aan 1/36 van de verstrekte geldlening op de lening af te lossen. Indien en zolang de belanghebbende een bijstandsuitkering ontvangt geschiedt dit door inhouding op de bijstand. 2.Indien het bedrag als bedoeld in het eerste lid sub b niet toereikend is kan een grotere geldlening worden verstrekt. Het restant van de geldlening wordt alsnog om niet verstrekt als belanghebbende zijn aflossingsverplichting gedurende 36 maanden stipt is nagekomen èn de inkomsten niet in positieve zin zijn gewijzigd. Artikel10.Overige inrichtingskosten Kosten van inrichting, niet zijnde duurzame gebruiksgoederen, behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het levensonderhoud. Voor deze kosten bestaat in beginsel geen recht op bijzondere bijstand. Artikel11.Maatschappelijke participatie en indirecte schoolkosten schoolgaande jeugd 1.Aan ouders van schoolgaande kinderen tot 18 jaar wordt bijzondere bijstand verstrekt voor deelname aan een sociale, culturele, muzikale, of sportieve activiteit van deze kinderen. Deze bijdrageregeling en de daaraan verbonden voorwaarden zijn nader uitgewerkt in de Richtlijn. 2.Gezinnen met een of meer ten laste komende kinderen van 10 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar die onderwijs volgen komen in aanmerking voor een bijdrage in de kosten van een computer. Deze bijdrageregeling en de daaraan verbonden voorwaarden zijn nader uitgewerkt in de Richtlijn. Artikel12.Hoogte van de bijzondere bijstand De hoogte van de bijzondere bijstand is afhankelijk van de individuele situatie. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: goedkoopste adequate voorziening waar mogelijk de NIBUD-Prijzengids 5.4 Artikelsgewijze toelichting Artikel1 Op grond van artikel 44 lid 1 PW is het niet toegestaan bijstand toe te kennen tegen een eerdere datum dan waarop belanghebbende zich voor een aanvraag heeft gemeld. Gelet op de doelstellingen van de bijzondere bijstand (het bestrijden van armoede) moet aangenomen worden dat gemeentelijk beleid op basis waarvan met terugwerkende kracht bijzondere bijstand wordt verleend niet in strijd is met de bedoeling van de wetgever. Deze beleidsregel regelt dan ook twee situaties waarin de belanghebbende de bijzondere bijstand in ieder geval achteraf kan aanvragen. Dit laat onverlet dat de bijzondere bijstand ook in andere gevallen, op grond van bijzondere omstandigheden, met terugwerkende kracht kan worden toegewezen. In die gevallen dient wel gemotiveerd te worden waarom van de hoofdregel wordt afgeweken. In het tweede lid onderdeel b is uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid om achteraf bijzondere bijstand aan te vragen voor meerdere geringe bedragen. Dit brengt zowel voor de belanghebbende als voor de gemeente een verlaging van de administratieve druk met zich mee. Uitdrukkelijk is gekozen voor een kan-bepaling. Belanghebbende is niet verplicht nota’s te sparen tot een totaalbedrag van tenminste € 25,00 is bereikt. In het kader van de armoedebestrijding is het van wezenlijk belang dat de belanghebbende ook een aanvraag kan indienen voor een lager bedrag. De in artikel 1 lid 2 sub b gegeven administratieve drempel vormt dan ook geen weigeringsgrond voor een verzoek om bijzondere bijstand voor een lager bedrag. Artikel2 Uitdrukkelijk zijn de vier hoofdvragen opgenomen in het beleidsplan, hoewel er geen beleidsvrijheid is en het college gedwongen is deze vragen, in deze volgorde te beantwoorden om het recht op individuele bijzondere bijstand vast te stellen. Dit artikel ziet dan ook meer op het algemene kader dan op een door het college gekozen beleidsuitgangspunt voor de individuele bijzondere bijstand. De reden ervan is de volgende. Zoals uit de zinsnede 'naar het oordeel van het college' in artikel 35 lid 1 PW blijkt, heeft het college bij de beantwoording van de vragen of de kosten kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm een beoordelingsvrijheid. Bij de beantwoording van de vragen of er sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan en van bijzondere omstandigheden heeft het college daarentegen géén beoordelingsvrijheid (maar wel een zekere beoordelingsruimte). Dit kan als volgt worden verduidelijkt. Hoewel het begrip 'noodzakelijke kosten van het bestaan' in artikel 35 lid 1 PW een enigszins vaag begrip is en het college hierin zelf duidelijkheid zal moeten creëren, kan het daarbij niet voorbijgaan aan de objectiviteit van de norm 'noodzakelijke kosten van het bestaan'. Zo zijn kosten van een basale woninginrichting objectief noodzakelijke kosten van het bestaan: voor hun bestaan hebben mensen nu eenmaal een woning nodig die met basisgoederen, zoals een tafel met stoelen en een koelkast, is ingericht. Het college dient wél te beoordelen of er in het individuele geval ook daadwerkelijk sprake is van zulke kosten en, zo ja, of de vervanging van het desbetreffende goed noodzakelijk is. Het is onjuist om een aanvraag om bijzondere bijstand slechts te beoordelen in het kader van het ter zake gevoerde beleid, en na te laten om te beoordelen of er in de situatie van belanghebbende sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, in andere woorden, om na te laten vraag 2 en vraag 3 te beantwoorden. Bij artikel 35 lid 1 PW is namelijk geen sprake van een discretionaire bevoegdheid maar van een gebonden bevoegdheid, hetgeen betekent dat indien is voldaan aan de wettelijke voorwaarden de gemeente gehouden is bijzondere bijstand te verlenen. Zie CRvB 21-09-2004, nr. 02/2655 NABW en CRvB 28-02-2006, nr. 05/379 WWB. Artikel3 Vaststelling van het inkomen wordt gedaan aan de hand van specificaties van het inkomen direct voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich (voor het eerst) hebben voorgedaan. Uitdrukkelijk is ervoor gekozen om, voor de bijzondere bijstand die met terugwerkende kracht wordt aangevraagd, niet uit te gaan van de draagkracht op de aanvraagdatum. De draagkracht van belanghebbende(
- n)ten tijde van de aanvraag kan immers afwijken van de draagkracht op het moment waarop de kosten zich voordeden. Als een belanghebbende in aanvulling op zijn inkomen bijstand (of IOAW/IOAZ) ontvangt hoeft belanghebbende geen extra specificaties over te leggen. Het inkomen wordt geacht al in het kader van het recht op bijstand afdoende te zijn vastgesteld. Ontvangt de belanghebbende aanvullend IOAW of IOAZ dan dient het vermogen wel bezien te worden. De IOAW kent immers geen vermogenstoets en bij de IOAZ is het vermogen als zodanig niet relevant, enkel de inkomsten er uit. Om vast te stellen of de belanghebbende over meer vermogen beschikt dan op grond van artikel 34 PW buiten beschouwing mag worden gelaten, dient de belanghebbende dan ook inlichtingen te verstrekken over zijn vermogen. Artikel4 Het college is op grond van artikel 35 PW volledig vrij in het bepalen van welk deel van het inkomen en welk deel van het vermogen voor de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Er is voor gekozen uit te gaan van het inkomens- en vermogensbegrip van de PW. Het Rijk verbindt geen norm aan het recht op bijzondere bijstand. Het college besluit een inkomen van ten hoogste 110% van de toepasselijk bijstandsnorm als draagkrachtloos inkomen aan te merken. Het vermogen in de eigen woning wordt in beginsel niet in aanmerking genomen, tenzij van belanghebbende in redelijkheid verlangd kan worden dat hij de woning voor die kosten (verder) bezwaart. Dit zal zich met name kunnen voordoen bij een verzoek om bijzondere bijstand voor aan de woning gerelateerde kosten. Bij de vaststelling van het inkomen wordt rekening gehouden met voor belanghebbende voor eigen rekening komende buitengewone lasten. Hierbij moet worden gedacht aan: Het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag en de huurtoeslag die zou zijn ontvangen bij een inkomen op bijstandsniveau (immers, hoe hoger het inkomen hoe minder huurtoeslag men ontvangt). Bij een aanvraag om woonkostentoeslag blijft dit zogenaamde huurtoeslagnadeel uiteraard buiten beschouwing als buitengewone uitgave. De woonkosten voor zover deze meer bedragen dan maximale huur waarbij nog recht op huurtoeslag bestaat. Bij een aanvraag om woonkostentoeslag blijven deze kosten uiteraard buiten beschouwing als buitengewone uitgaven. De kosten van alimentatieverplichtingen. Dit lijkt in tegenspraak met artikel 14 PW, dat bepaalt dat alimentatieverplichtingen niet tot de noodzakelijke kosten worden gerekend. Uit de toelichting op dit artikel blijkt evenwel dat hier wordt bedoeld dat alimentatieverplichtingen niet tot de noodzakelijke kosten worden gerekend voor belanghebbenden die algemene bijstand ontvangen. Op grond van de alimentatienormen (TREMA-normen) wordt het inkomen tot de voor de onderhoudsplichtige geldende bijstandnorm tot het draagkrachtloos inkomen gerekend. Dit betekent, dat iemand die algemene bijstand ontvangt, vanwege het ontbreken van draagkracht geen alimentatie verschuldigd is. Draagt belanghebbende toch bij in de kosten van het levensonderhoud van een ander, dan gebeurt dat op vrijwillige basis. Een onderhoudsplichtige die een inkomen heeft dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm, is daarentegen verplicht bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de ex-echtgenoot en/of de kinderen voor zover zijn draagkracht toereikend is. Hij voldoet daarmee aan zijn wettelijke onderhoudsplicht. In dat verband wordt de alimentatieverplichting aangemerkt als buitengewone last, waarmee bij de vaststelling van de draagkracht rekening kan worden gehouden. De volgende kosten worden in ieder geval niet aangemerkt als buitengewone lasten: Kosten die kunnen worden voldaan uit de algemene bijstand of een daarmee vergelijkbaar inkomen (bijvoorbeeld de premie voor een aanvullende zorgverzekering). Belastingaanslagen. Rente en aflossingen in verband met leningen. Artikel5 De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de (eerste) kosten zich hebben voorgedaan. Dit vloeit voort uit artikel 3 van het Beleidsplan, op grond waarvan de draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van het inkomen direct voorafgaand aan het moment waarop de kosten zich voordoen dan wel hebben voorgedaan. Artikel6 Rekening houden met elke wijziging in inkomen of vermogen tijdens de draagkrachtperiode betekent dat de bijstandsverlening beter aansluit bij de werkelijke draagkracht van belanghebbende. Het leidt echter ook tot grote administratieve lasten. Het is dan ook efficiënter een eenmaal vastgestelde draagkracht binnen de vastgestelde draagkrachtperiode niet meer te wijzigen. Het feit dat een belanghebbende door vergroting van de draagkracht mogelijk (iets) te veel bijstand ontvangt wordt acceptabel geacht. In verband met armoedebestrijding is het echter niet acceptabel als een belanghebbende door daling van zijn draagkracht feitelijk te weinig bijstand ontvangt. In dat geval kan de belanghebbende op grond van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (awb) altijd om herziening van de vastgestelde draagkracht verzoeken. Bij het besluit tot vaststelling van de draagkracht en de draagkrachtperiode dient dit aan de belanghebbende te worden meegedeeld. Het tweede lid van dit artikel betekent feitelijk dat de draagkracht van een tweede of volgende aanvraag binnen een draagkrachtjaar altijd moet worden getoetst en dat bij wijziging ervan steeds individueel beoordeeld moet worden of de draagkracht zodanig is gestegen of gedaald dat aanpassing van de draagkracht binnen het draagkrachtjaar noodzakelijk is. Dit kan uiteraard zowel een verlaging als een verhoging van de draagkracht betekenen. Artikel7 Kosten van medische en paramedische behandelingen komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, omdat hiervoor een passende en toereikende voorliggende voorziening is, namelijk de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Zvw en AWBZ). Hierop is een aantal uitzonderingen. Eigen bijdragen van kostensoorten die slechts ten dele door de Zvw of AWBZ worden vergoed komen in beginsel in aanmerking voor bijzondere bijstand. De eigen bijdrage die geldt voor een aantal kostensoorten, staat los van het verplichte eigen risico. Dat wil zeggen dat de eigen bijdrage niet in mindering wordt gebracht op het eigen risico, zodat voor deze kosten recht bestaat op bijzondere bijstand, óók als het eigen risico nog niet (volledig) is aangesproken. Besparingsmotief Bij een aantal kostensoorten blijft een deel voor eigen rekening van de patiënt in verband met het besparingsmotief. Zo worden bijvoorbeeld orthopedische schoenen (zelfs bij een aanvullende of collectieve verzekering) nooit volledig vergoed. Aan de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen ligt het besparingsmotief ten grondslag. Immers, iedereen zal regelmatig schoenen moeten aanschaffen. Het wordt daarom billijk geacht dat ook verzekerden die aangewezen zijn op orthopedische schoenen, een vergelijkbaar bedrag in de aanschaffingskosten van deze schoenen betalen. Het besparingsmotief is niet altijd heel duidelijk. In het geval een belanghebbende bijvoorbeeld een eigen bijdrage moet voldoen voor een pruik, kan niet worden gesteld dat er wordt bespaard op de kapper. Niet alleen omdat onbekend is hoeveel deze belanghebbende op jaarbasis aan de kapper zou hebben uitgegeven, maar ook vanwege het feit dat een pruik verzorging nodig heeft. Voor de eigen bijdrage voor een pruik bestaat dus recht op bijzondere bijstand. Als het besparingsmotief wordt aangevoerd om een verzoek om bijzondere bijstand af te wijzen zal dan ook steeds moeten worden gemotiveerd waaruit de besparing bestaat. De keuze van belanghebbende Het kan voorkomen dat de belanghebbende een voorziening kiest die duurder is dan de door de verzekering vergoede voorziening, waardoor een deel van de kosten voor eigen rekening blijft. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij hoortoestellen. De vergoeding die de zorgverzekeraar voor een hoortoestel verstrekt dekt de kosten van een hoortoestel. Als een belanghebbende voor een duurder toestel kiest, kan hij deze duurdere keuze niet afwentelen op de bijstand en zal hij de kosten ervan zelf moeten dragen. Dit is alleen anders als er een medische reden is voor het dragen van een duurder toestel. De medische noodzaak van dit duurdere toestel dient dan wel door een onafhankelijke deskundige (arts) te zijn vastgesteld. Aanvullende verzekering Om belanghebbenden te motiveren zich tegen regelmatig voorkomende kosten die echter niet in het basispakket zijn opgenomen (bijvoorbeeld tandartskosten) te verzekeren is er uitdrukkelijk gekozen voor het voeren van zogenaamd begunstigend buitenwettelijk beleid. Dit buitenwettelijke beleid is uitgewerkt in de als bijlage bij de Beleidsplan opgenomen Richtlijn. Om het gebruik van een aanvullende / tandartsverzekering te stimuleren is daarvoor een tegemoetkoming mogelijk van € 100,00 per volwassene per jaar. Als de werkelijke kosten lager liggen dan wordt de bijzondere bijstand afgestemd op die kosten. Aanvragen is pas mogelijk als de kosten gedurende het hele jaar gemaakt zijn en kan tot 1 juli van het daaropvolgende jaar. Als men niet het gehele jaar voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van bijzondere wordt de tegemoetkoming slechts verstrekt over de maanden waarin wel voldaan wordt aan de voorwaarden. Artikel8en 9 Bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verleend (artikel 48 PW) In afwijking hiervan bepaalt artikel 51 PW dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan worden gegeven in de vorm van een geldlening, borgtocht of als een bedrag om niet. Het college heeft ervoor gekozen deze bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. De voorwaarden verbonden aan deze geldlening zijn opgenomen in artikel 9. Er is afstand genomen van het beleid op grond waarvan een deel van het (voor de algemene bijstand) buiten beschouwing te laten vermogen in aanmerking werd genomen bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand. Hiermee is een einde gemaakt aan het onderscheid tussen belanghebbenden die spaarzaam hebben geleefd en daarom een kleine reserve hebben opgebouwd en belanghebbenden die uit de algemene bijstand niet hebben gereserveerd. Nu aan belanghebbenden voor deze kosten bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze geldlening wordt verstrekt, kan de spaarzame belanghebbende zelf bepalen of en voor hoeveel het spaargeld voor de kosten wordt aangewend. De niet-spaarzame belanghebbende ziet zich gesteld voor een lening. Artikel10 Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kosten voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Met overige inrichtingskosten worden de kosten van inrichting bedoeld die niet zien op duurzame gebruiksgoederen, zoals verf en behang. Het onderscheid is van belang voor de vorm waarin de bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Mocht er in afwijking van artikel 10 toch een dringende reden zijn om bijzondere bijstand voor deze kosten te verstrekken, dan dient dat om niet te geschieden. Deze overige inrichtingskosten zijn immers niet aan te merken als duurzame gebruiksgoederen. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien zich ten aanzien van de belanghebbende omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 48 lid 2 PW (zie CRvB 14-05-2002, nrs. 99/3810 en 01/5052 NABW en CRvB 17-02-2004, nr. 01/5559 NABW). De hoofdregel is evenwel dat voor deze kosten geen bijzondere bijstand wordt toegekend, omdat belanghebbende voor deze kosten kan reserveren. Alleen als er sprake is van dringende redenen op grond waarvan niet kon worden gereserveerd, bijvoorbeeld een onvoorziene verhuizing of, zoals in de toelichting bij artikel 9 beschreven, tekort aan brandverzekering, is er aanleiding om bijzondere bijstand toe te kennen. Artikel11 Schoolgaande kinderen van ouders met een inkomen op minimumniveau moeten in staat worden gesteld deel te nemen aan buitenschoolse activiteiten op het sociale, culturele, muzikale of sportieve gebied, om zich zodoende persoonlijk te kunnen ontplooien. De regeling is nader uitgewerkt in de Richtlijn. De computerregeling die op 1 april 2008 in werking is getreden is in zijn algemeenheid opgenomen in het Beleidsplan en uitgewerkt conform de beleidsregel in de Richtlijn. 5.5 Richtlijnen bijzondere bijstand Richtlijn bijzondere bijstand, behorend bij het Beleidsplan bijzondere bijstand van de gemeente Urk. 5.5.1 Inleiding Er is gekozen voor het opstellen van een Richtlijn voor de uitwerking van het Beleidsplan bijzondere bijstand. Deze richtlijn bevat een uitwerking van kostensoorten waarover het college uitdrukkelijk stelling heeft genomen en is daarom geen instrument voor de beoordeling van aanvragen betreffende andere kosten. Iedere aanvraag om bijzondere bijstand dient in behandeling te worden genomen en te worden beoordeeld aan de hand van de vier hoofdvragen. Een aanvraag om bijzondere bijstand kan niet worden afgewezen om reden dat de kosten niet voorkomen in deze gemeentelijke Richtlijn. 5.5.2 Medische en paramedische kosten Het algemene uitgangspunt ten aanzien van medische en paramedische kosten is: de verplichte zorgverzekering (basispakket) op grond van de Zvw en de AWBZ is in beginsel een passende en toereikende voorliggende voorziening voor noodzakelijke medische kosten. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor medische en paramedische kosten die niet door de zorgverzekeraar worden vergoed, tenzij het betreft: de voor rekening van belanghebbende blijvende kosten voor zover deze eigen bijdrage niet voortvloeit uit besparingsmotieven; kosten die om budgettaire redenen uit het basispakket zijn gehouden. (artikel 7 lid 1 Beleidsplan bijzondere bijstand) Welke kosten precies om budgettaire redenen uit het basispakket zijn gehouden is niet altijd even duidelijk. In ieder geval vallen onder deze uitzondering de kosten van brillen en contactlenzen en een aantal tandheelkundige behandelingen, die hieronder verder worden uitgewerkt. Brillen en contactlenzen Op grond van gegevens van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) moet worden aangenomen dat budgettaire overwegingen de reden zijn geweest dat brillenglazen en contactlenzen nog slechts in zeer bijzondere gevallen op basis van de Zvw worden vergoed. De kosten van een standaardmontuur en standaardglazen behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Zij komen dan ook in aanmerking voor bijzondere bijstand. Een recept van de oogarts of de opticien volstaat om de noodzakelijkheid vast te stellen. Contactlenzen worden in beginsel niet als noodzakelijk beschouwd. Belanghebbende mag in plaats van een bril echter wel kiezen voor de aanschaf van contactlenzen, voor de extra kosten daarvan dient belanghebbende dan zelf op te komen. Bijstand voor de kosten van een brilmontuur is in beginsel eens per 3 jaar mogelijk. Voor kinderen jonger dan 16 jaar geldt een vervangingstijd van twee jaar. In het geval van bijzondere omstandigheden kan hiervan ten gunste van belanghebbende worden afgeweken. Bijvoorbeeld als er sprake is van wijziging van de sterkte van de glazen van meer dan 1 dioptrie. In dat geval wordt bijstand verstrekt voor de aanschaf van nieuwe glazen. Slechts als de nieuwe glazen niet passen in het oude montuur in verband met de dikte, respectievelijk de zwaarte van de nieuwe glazen wordt ook bijstand verstrekt voor de aanschaf van een nieuw montuur. Als er sprake is van een onherstelbaar beschadigd montuur wordt bijzondere bijstand verstrekt voor het montuur en worden de oude glazen geacht in het nieuwe montuur te worden aangebracht. Er wordt uitgegaan van ongekleurde glazen, waarbij de goedkoopste kunststof glazen niet worden aangemerkt als luxe. Ook multifocale glazen, ontspiegelde glazen en kunststofglazen met een hardingslaag voor kinderen worden niet als luxe aangemerkt. Hoogte van bijzondere bijstand Voor glazen tot sterkte -6/+6 met additie tot -4/+4 gelden de volgende richtbedragen: enkelvoudige glazen: 100% tot maximaal € 125,00 per bril multifocale glazen: 100% tot maximaal € 250,00 per bril Voor personen die glazen nodig hebben met een andere sterkte, wordt maatwerk geleverd. Voor de vergoeding van de kosten van een montuur wordt aangesloten bij de Prijzengids van het Nibud. Vergoeding kan eenmaal per drie jaar plaatsvinden. Dit is slechts dan anders als er een medische noodzaak is voor de aanschaf van een duurder montuur. Voor de hoogte van de bijstand voor contactlenzen dient aansluiting te worden gezocht bij het bedrag dat zou gelden voor een overeenkomstige bril. Eventuele meerkosten blijven voor rekening van belanghebbende. TandartskostenOp grond van gegevens van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) moet worden aangenomen dat budgettaire overwegingen de reden zijn geweest dat tandheelkundige kosten nog slechts in zeer bijzondere gevallen op basis van de Zvw worden vergoed. Bijzondere bijstand wordt toegekend voor de volgende kosten, voor zover deze kosten niet worden vergoed uit de Zvw: preventief periodiek onderzoek (eenmaal per jaar) een incidenteel consult röntgenfoto's vullingen de kosten in verband met de extractie van tanden en kiezen de eigen bijdrage die verschuldigd is voor een uitneembare volledige prothetische voorziening voor de boven- en/of de onderkaak Voor alle overige kosten geldt dat deze op grond van de Zvw niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd en dus niet voor bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen. Voor kronen, bruggen en frameprotheses wordt geen bijzondere bijstand verstrekt omdat de basisverzekering daarvoor een passende en toereikende voorziening heeft, namelijk een prothese. Jongeren tot 18 jaar Tandartskosten worden vergoed uit de basisverzekering aan personen tot 18 jaar. Voor personen tot 18 jaar geldt daarom dat geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten van tandheelkundige hulp. Aanvullende verzekering Voor alle medische kosten geldt dat het uitgangspunt van de gemeente Urk is dat iemand zich naast de verplichte basisverzekering ook aanvullend verzekerd, ook voor tandartskosten. Dit behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van personen. Een belanghebbende is voldoende verzekerd als er een aanvullende verzekering is met minimaal het pakket van de aanvullende tweesterren verzekering van Zilveren Kruis en een tandartsverzekering met een minimale dekking van € 500,00. Belanghebbenden met een aanvullende zorgverzekering / tandartsverzekering Indien de kosten slechts gedeeltelijk door de aanvullende verzekering worden vergoed wordt bijzondere bijstand verstrekt voor dat deel van de kosten dat voor eigen rekening blijft, deels ook voor kosten die niet tot de hierboven genoemde kosten behoren met uitzondering van kronen, bruggen en frameprotheses en de voorbereidende werkzaamheden die daarvoor nodig zijn. Kosten die door de aanvullende verzekering helemaal niet worden vergoed komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, tenzij uit een verklaring door een onafhankelijke arts blijkt dat de kosten op grond van bijzondere omstandigheden noodzakelijk zijn. Belanghebbenden die niet beschikken over een aanvullende verzekering / tandartsverzekeringVoor de bovengenoemde kosten bestaat recht op bijzondere bijstand. Voor overige kosten bestaat recht op bijzondere bijstand ter hoogte van de kosten die voor eigen rekening zouden zijn gebleven als belanghebbende aanvullend verzekerd zou zijn geweest én deze kosten (gedeeltelijk) door de aanvullende verzekering zouden zijn vergoed. Daarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde aanvullende / tandartsverzekering. Indien men kosten heeft die de dekking van die verzekering te boven gaan kan vergoeding vanuit de bijzondere bijstand plaatsvinden. 5.5.3 Verzorging en hulp De gemeente Urk streeft er naar zijn burgers in staat te stellen zo lang mogelijk zelfstandig te wonen. Door ouderdom, ziekte, lichamelijke of verstandelijke beperking is de burger hiervoor afhankelijk van speciale voorzieningen en ziet zich gesteld voor extra kosten voor bijvoorbeeld: maaltijdvoorziening thuiszorg alarmering/signalering (geen gewone telefoon) extra stookkosten extra bewassing kledingslijtage doorbetaling vaste lasten bij opname Voor de kosten die voor eigen rekening blijven van de belanghebbende wordt bijzondere bijstand toegekend, waarbij de hoogte wordt bepaald door het verschil tussen de daadwerkelijk gemaakte kosten, verminderd met eventuele vergoedingen op grond van een voorliggende voorziening en de algemeen noodzakelijke kosten. Bij de vaststelling van de algemeen noodzakelijke kosten wordt uitgegaan van de prijzengids van het NIBUD. De noodzaak van de te maken kosten wordt indien het bedrag aan bijzondere bijstand hoger is dan € 100,00 per jaar vastgesteld door een door de gemeente in te schakelen onafhankelijk arts. Met dit beleid beoogt de gemeente zo goed mogelijk maatwerk te leveren voor ouderen, chronisch zieken en gehandicapten. Doorbetalen vaste lasten bij opname Indien een belanghebbende tijdelijk wordt opgenomen in een instelling, wordt bijzondere bijstand verstrekt voor de doorbetaling van de vaste lasten in verband met de woning vanaf het moment waarop de normwijziging van de norm voor een alleenstaande (ouder) in de norm voor verblijf in een inrichting heeft plaatsgevonden. Vastgesteld moet worden dat het aannemelijk is dat de belanghebbende weer in de woning zal terugkeren. Verblijft de belanghebbende in detentie dan is er geen recht op bijstand, ook niet voor de doorbetaling van de vaste lasten voor het aanhouden van een woning. Hierop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als belanghebbende niet in staat is zelf voor de doorbetaling zorg te (doen) dragen én de detentie niet langer duurt dan drie maanden én het gebrek aan woonruimte na ontslag uit detentie onacceptabel is. Bedacht moet worden dat een belanghebbende na ontslag tijdelijk kan intrekken bij familie of tijdelijke huisvesting kan zoeken in de vorm van kamer of kostgangerschap. 5.5.4 Gezinsondersteuning Kinderopvang Voor de kosten van kinderopvang kan een beroep worden gedaan op de Wet kinderopvang. Voor de kosten van de eigen bijdrage voor verblijf in een medisch kinderdagverblijf of tussenschoolse en naschoolse opvang bestaat geen voorliggende voorziening. Bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage kan worden toegekend, rekening houdend met een eventuele besparing. Maatschappelijke participatie en indirecte schoolkosten schoolgaande jeugd Jeugdfonds voor kinderen tot 18 jaar. Bedoeld voor ouders met ten laste komende kinderen in de leeftijd van 3 tot 18 jaar, op de peildatum 1 januari. In aanmerking te nemen kosten: Alle aantoonbaar gemaakte, hierna te noemen, kosten: ·Lidmaatschap vereniging, zoals Sportvereniging Muziekvereniging Toneelvereniging Museumjaarkaart Zwemabonnement Kosten sportschool en uitgaven voor sportkleding (sportkleding wordt alleen in combinatie met lidmaatschap sportschool of sportvereniging vergoed) Cursuskosten (hobby) Door de school georganiseerde uitstapjes, excursies, werkweken of kindervakantieweek Kosten peuterspeelzaal Reiskosten woon-schoolverkeer vallen niet onder het Jeugdfonds. Hoogte vergoeding De maximale vergoeding bedraagt voor: Kinderen van 3 t/m 11 jaar per persoon € 200,00 per kalenderjaar Kinderen van12 t/m 17 jaar per persoon € 250,00 per kalenderjaar Bestedingstoets Kosten die gemaakt zijn moeten worden aangetoond en worden achteraf vergoed. In uitzonderlijke gevallen kan bij hoge bedragen en alleen als betaling in termijnen niet mogelijk is een vergoeding rechtstreeks aan de instelling (bijvoorbeeld een school) plaats vinden. Aanvraagprocedure / declaratieregeling Bij de eerste aanvraag wordt in de toekenningsbeschikking aangegeven dat de overige ten laste komende kinderen in beginsel eveneens voor deze vergoeding in aanmerking komen, zonder dat daarvoor een nieuwe aanvraag behoeft te worden ingediend. Benadrukt wordt dat de bedragen individueel zijn d.w.z. niet overdraagbaar. Indien één van de gezinsleden in hetzelfde kalenderjaar ook kosten heeft gemaakt die onder deze regeling vallen, kan de klant volstaan met het opsturen van een kopie van de betaalde nota of een ander betalingsbewijs aan de klantmanager. De klantmanager accordeert de nota’s / betalingsbewijzen m.b.v. paraaf en datum beschikking, waarna de uitkeringsadministratie tot uitbetaling overgaat. Niet-uitbetaalde gelden blijven als het ware in depot, maar vervallen aan het einde van dat kalenderjaar. Declaraties kunnen tot 1 maart van het daaropvolgende jaar worden ingediend. Computerregeling Gezinnen met een minimuminkomen met schoolgaande kinderen in de leeftijd van 10 tot 18 jaar komen eenmaal per vijf jaar in aanmerking voor een bijdrage in de kosten van aanschaf van een computer, onder de volgende voorwaarden: het gezinsinkomen heeft gedurende een periode van 36 aaneengesloten maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag niet meer bedragen dan de voor dit gezin van toepassing zijnde bijstandsnorm; het vermogen heeft gedurende een periode van 36 aaneengesloten maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag niet meer bedragen dan het op grond van artikel 34 PW buiten beschouwing te laten vermogen; de bijdrage bedraagt ten hoogste het bedrag voor een computer en een All-in one printer volgens de prijzengids van het Nibud. Reiskosten schoolgaande kinderen Bijzondere bijstand kan worden voor kinderen van 12 tot 18 jaar die voor vervoer naar school zijn aangewezen op het openbaar vervoer in verband met de afstand, nadat is vastgesteld dat soortgelijk onderwijs niet dichter bij huis kan worden gevolgd. In dit verband moet op grond van de heersende rechtspraak worden vastgesteld dat de WTOS, indien daarop recht bestaat, geen component voor dergelijke reiskosten bevat en daarom niet als voorliggende voorziening voor deze kosten is aan te merken. Reiskosten worden vergoed gedurende zes maanden (zijnde de wintermaanden oktober tot en met maart) indien het onderwijs in Emmeloord gevolgd kan worden. Als het onderwijs in een verder gelegen plaats gevolgd moet worden vindt vergoeding plaats gedurende alle maanden dat de school bezocht wordt. De vergoeding bedraagt per maand de vergoeding voor een maandkaart en wordt overgemaakt in de maanden oktober tot en met maart. De vergoeding vindt plaats indien een schoolverklaring van het betreffende kind wordt overgelegd. Er behoeven van de reiskosten verder geen bewijsstukken aangeleverd te worden. De regeling schoolvervoer van de gemeente is een voorliggende voorziening. Schuldhulpverlening Voor schuldhulpverlening wordt gebruik gemaakt van de diensten van de Stichting Hulp en Steun. De gemeente vergoedt de kosten van deze dienstverlening voor belanghebbenden met een inkomen van ten hoogste de op hen van toepassing zijnde bijstandsnorm. De diensten van de Stichting Hulp en Steun zijn dan ook een passende en toereikende voorliggende voorziening. Voor kosten gemaakt door andere schuldhulpverleners wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verstrekt. In uitzonderlijke gevallen kan na afloop van de periode van de door de gemeente bekostigde schuldhulpverlening, bijzondere bijstand worden toegekend voor een verlenging van de budgetbegeleiding van maximaal één jaar. Reiskosten Reiskosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan. Belanghebbende wordt geacht uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm de vervoerskosten te kunnen voldoen om in aanvaardbare mate deel te kunnen nemen aan het leven van alledag en sociale contacten te onderhouden. Als het maken van reiskosten noodzakelijk is vanwege een bijzondere situatie, heeft de belanghebbende echter recht op bijzondere bijstand voor deze kosten. Hierbij moet worden gedacht aan: het bezoeken van zieke gezinsleden in het ziekenhuis (de frequentie is afhankelijk van de individuele situatie). het bezoeken van gezinsleden in detentie (ook hier hangt de frequentie af van de individuele situatie). het bezoeken van gezinsleden in een instelling (de frequentie is ook in dit geval afhankelijk van de individuele situatie. Reiskosten woon-/werkverkeer komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Indien nodig kan voor deze kosten het Participatiebudget worden ingezet. 5.5.5 Wonen Woonkostentoeslag Woonkosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan. Woonkosten dienen dan ook uit de norm te worden voldaan, eventueel aangevuld met de ontvangen huurtoeslag. Voor woonkosten bestaat dan ook in beginsel geen recht op bijzondere bijstand. In een aantal situaties (bijvoorbeeld belanghebbende bewoont een eigen woning of belanghebbendes partner is geen statushouder, belanghebbendes inkomen is gedaald en hij bewoont een woning boven de huurgrens) bestaat er geen recht op huurtoeslag en moet er wel bijzondere bijstand worden toegekend. Als aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verstrekt voor woonkosten (woonkostentoeslag), dan wordt daaraan een verhuisplicht verbonden. Met inachtneming van de woningmarkt wordt van de belanghebbende die een te dure woning huurt verlangd op zo kort mogelijke termijn te verhuizen naar een goedkopere huurwoning. Heeft de belanghebbende een eigen woning dan wordt belanghebbende verplicht deze woning te verkopen indien het aannemelijk is dat de behoefte aan de woonkostentoeslag 12 maanden of langer zal duren. Duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten Witgoedregeling Bijstand voor de noodzakelijke vervanging en/of reparatie van een koelkast, wasmachine, kooktoestel of stofzuiger wordt verstrekt in de vorm van bijstand om niet als blijkt dat belanghebbende onvoldoende reserves heeft om tot reparatie of vervanging over te gaan. Er is sprake van onvoldoende reserve als het aanwezige vermogen in de vorm van het totale banksaldo niet meer bedraagt dan tweemaal de bijstandsnorm voor een gezin (exclusief vakantietoeslag). Een verstrekking voor aanschaf van de genoemde artikelen kan één keer per tien jaar plaats vinden. De aanvrager heeft op het moment van aanvraag gedurende 36 maanden onafgebroken een inkomen op het sociaal minimum ontvangen. Onder een inkomen op sociaal minimum wordt verstaan een inkomen dat niet meer bedraagt dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm op grond van de PW en het gemeentelijke toeslagenbeleid. Er dient een (proforma) rekening van een erkend bedrijf te worden overgelegd voordat tot bijstandverlening overgegaan kan worden. Uitbetaling op grond van een proforma rekening vindt plaats aan de leverancier van het witgoed. Indien een definitieve factuur wordt overgelegd vindt betaling plaats aan de belanghebbende. Voor richtprijzen van deze artikelen geldt de Nibud Prijzengids. Overige duurzame gebruiksgoederen Algemeen Voor duurzame gebruiksgoederen anders dan in de witgoedregeling opgenomen bestaat in beginsel geen recht op bijstand. In een aantal situaties komen echter herinrichtingskosten voor. Bij echtscheidingen moeten beide partijen kosten maken voor herinrichting na of voor de boedelscheiding. Na een langdurige bijstandsperiode blijkt het vaak nodig om zaken te vervangen of op te knappen. De rijksoverheid gaat er van uit dat er in de bijstandsnorm 10% gereserveerd kan worden, maar dit blijkt in de praktijk vaak niet zo te zijn. Moet een belanghebbende een woning, bijvoorbeeld na echtscheiding, gedeeltelijk herinrichten dan wordt op grond van de individuele situatie beoordeeld welke duurzame gebruiksgoederen noodzakelijk. De bijzondere bijstand wordt toegekend in de vorm van een geldlening, overeenkomstig de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in het Beleidsplan bijzondere bijstand. Als inrichtingskosten door middel van afbetaling voldaan kunnen worden, wordt geen bijzondere (leen)bijstand verstrekt. Een leenbijstand voor herinrichtingskosten bedraagt maximaal 36 maanden keer de aflossingscapaciteit (= 6% van de geldende bijstandsnorm). Leenbijstand die niet wordt gebruikt overeenkomstig het doel waarvoor deze verstrekt is, wordt direct opeisbaar. Wanneer dit niet mogelijk is wordt de aflossing verhoogd naar minimaal 10% van de bijstandsnorm, met inachtneming van de beslagvrije voet. Bijstandverlening om niet na 36 maanden aflossen is in dat geval niet meer mogelijk. Statushouders In bijzondere situaties is er een uitzondering op bovenstaande algemene regel. Dit geldt voor statushouders die naar de gemeente worden bemiddel en de hen toegewezen woning volledig moeten inrichten. In dat geval wordt een bedrag toegekend conform onderstaand schema. Het bedrag wordt zoveel mogelijk in twee termijnen betaalbaar gesteld. Na de tweede termijn wordt gecontroleerd of de bedragen zijn aangewend voor de inrichting. Is dit niet het geval dan vindt altijd terugvordering plaats omdat niet voldaan is aan de bestedingsplicht. De maximale vergoeding is bepaald aan de hand van de Prijzengids Nibud 2014. De gemeente verstrekt 50% van deze richtprijzen. De reden hiervan is dat een aantal goederen ook tweedehands aangeschaft kan worden. De bijstand wordt verstrekt als lening. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bij een volledige woninginrichting afgestemd op de gezinssamenstelling. Situatie Bijzondere bijstand in euro’s Alleenstaande 3.718,00 Echtpaar 4.263,00 Alleenstaande met 1 kind 4.205,00 Alleenstaande met 2 kinderen 4.662,00 Alleenstaande met 3 kinderen 5.297,00 Alleenstaande met 4 kinderen 5.753,00 Echtpaar met 1 kind 4.719,00 Echtpaar met 2 kinderen 5.354,00 Echtpaar met 3 kinderen 5.811,00 Echtpaar met 4 kinderen 6.410,00 Per ieder verder kind 600,00 Overige inrichtingskosten Voor inrichtingskosten die geen duurzame gebruiksgoederen betreffen, waaronder in ieder geval moet worden verstaan kosten voor verf, behang en verhuiskosten bestaat in beginsel eveneens geen recht op bijzondere bijstand. Is er sprake van een bijzondere situatie, bijvoorbeeld inrichting van een woning die aan een voormalig asielzoeker is toegewezen, of verhuizing naar een goedkopere of aangepaste woning, mits dit onvoorzienbaar is geweest en belanghebbende niet voor deze kosten heeft kunnen reserveren, kan bijzondere bijstand worden toegekend. De hoogte van deze bijzondere bijstand is afhankelijk van de staat van de woning. De bijzondere bijstand die voor deze kosten wordt toegekend wordt om niet verstrekt. In onderstaande tabel zijn de maximale bedragen voor overige inchtingskosten opgenomen. Situatie Bijzondere bijstand in euro’s Alleenstaande 1.283,00 Echtpaar 1.335,00 Alleenstaande met 1 kind 1.335,00 Alleenstaande met 2 kinderen 1.335,00 Alleenstaande met 3 kinderen 1.632,00 Alleenstaande met 4 kinderen 1.632,00 Echtpaar met 1 kind 1.355,00 Echtpaar met 2 kinderen 1.632,00 Echtpaar met 3 kinderen 1.632,00 Echtpaar met 4 kinderen 1.881,00 5.5.6 Jong-meerderjarigen Een jongere van 18,19 of 20 jaar heeft recht op aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de PW: indien en voor zover de noodzakelijke bestaanskosten hoger zijn dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat de middelen van de ouder(
- s)ontoereikend zijn of omdat de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouder(
- s)niet te gelde kan maken. Hogere noodzakelijke bestaanskosten worden aanwezig geacht indien de jongere zelfstandig is gehuisvest en er daarnaast sprake is van één van de volgende situaties: Beide ouders van de jongere zijn overleden of wonen in het buitenland. De jongere heeft reeds een jaar of langer zelfstandig gewoond. Het is vanwege de situatie niet verantwoord dat de jongere bij zijn ouder(
- s)woont. Het niet redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouder te gelde kunnen maken moet niet te makkelijk worden aangenomen. Ouders zijn wettelijk onderhoudsplichtig ten opzichte van hun jongmeerderjarige kinderen en dienen daaraan te voldoen. Een slechte relatie tussen ouders en kind ontslaat de ouders niet van de wettelijke onderhoudsplicht en het kind niet van zijn plicht om zijn onderhoudsrecht te gelde te maken. De jongmeerderjarige dient dan ook in beginsel te worden doorverwezen naar zijn ouders, dan wel aannemelijk te maken dat dat van hem niet gevergd kan worden. Als gebleken is dat het inderdaad niet van de jongmeerderjarige verlangd mag worden dat hij zijn onderhoudsrecht ten opzichte van zijn draagkrachtige ouders te gelde maakt worden de kosten van de bijzondere bijstand door het college op de ouders verhaald. De hoogte van de bijzondere bijstand De hoogte van de bijzondere bijstand wordt maximaal vastgesteld op de uitkering die de jongere zou ontvangen op grond van de PW en het gemeentelijk toeslagenbeleid indien hij of zij 21 jaar zou zijn. De hoogte van de bijzondere bijstand voor jongeren die in een inrichting verblijven wordt afgeleid van de normen algemene bijstand die gelden voor personen van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijven. Hoofdstuk6Terugvordering en verhaal 6.1 Gebruik bevoegdheid Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot: Het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit ingevolge artikel 53a, lid 2 en/of artikel 54 lid 3 van de Participatiewet (PW); Het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de PW; Het verhalen van verleende bijstand overeenkomstig de regels aangegeven in de artikelen 92, 2e en 3e lid, tot en met 105 en artikel 141 van de Algemene bijstandswet. Deze artikelen van de Abw blijven tot het in werking treden van de artikelen 56, 61 en 62 PW tijdelijk van toepassing; Het vestigen van een zekerheidsrecht in de vorm van hypotheek dan wel pandrecht indien bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend op grond van artikel 50 van de PW Verplichting meewerking vestiging hypotheek of pandrecht Burgemeester en wethouders verbinden aan de verlening van bijstand in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 50 van de Participatiewet de verplichting dat de belanghebbende meewerkt aan de vestiging van een hypotheek. Indien de belanghebbende een eigen woonwagen of woonschip bewoont, heeft de meewerkverplichting als bedoeld onder 1 betrekking op de vestiging van een pandrecht. Onder verlening van bijstand in de vorm van een geldlening, als bedoeld in lid 1 wordt mede verstaan de verlening van bijzondere bijstand. Burgemeester en wethouders stellen in hoofdstuk 7 van deze beleidsregels nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden waaronder bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of pandrecht wordt verleend. Afzien van terugvordering of verhaal, kwijtschelding Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het onder paragraaf 6.1 gestelde afzien van (verdere) terug- en /of invordering en verhaal. Burgemeester en wethouders kunnen in individuele gevallen op verzoek van een belanghebbende geheel of gedeeltelijk kwijtschelding verlenen. Uitvoeringsregels Burgemeester en wethouders stellen nadere uitvoeringsregels vast over de wijze waarop tot invordering van teruggevorderde bijstand wordt overgegaan en ten aanzien van het onder 6.3 bepaalde. De uitvoeringsregels zijn vastgelegd in hoofdstuk 9 van deze beleidsregels. Toelichting terugvordering en verhaal Paragraaf6.1. De verplichting voor de gemeente tot terugvordering en verhaal van bijstand onder de Abw is onder de PW gewijzigd in een bevoegdheid. De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid om bijstand terug te vorderen en te verhalen. Dit gebeurt op nagenoeg dezelfde wijze als onder de Abw. Daar waar niet met een zelfstandig terugvorderingsbesluit kan worden gewerkt (zoals bij het terugvorderen van bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening) wordt het toekenningsbesluit herzien of ingetrokken. Nu de verplichting tot terugvordering en verhaal is omgezet in een bevoegdheid zal de gemeente gebruik maken van de mogelijkheid om in individuele gevallen uit doelmatigheidsoverwegingen van (verdere) terugvordering af te zien. Hoofdregel van het incassobeleid is dat terugbetaling van teveel of ten onrechte ontvangen bijstand in principe ineens dient te geschieden. Daarbij dient ook het vermogen te worden aangewend. Ook het ingevolgde de PW vrij te laten vermogen dient voor de terugbetaling van teveel of ten onrechte ontvangen bijstand worden aangewend. Een bedrag van tweemaal de bijstandsnorm voor een gezin (exclusief vakantietoeslag) kan buiten beschouwing blijven, als reservering voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen. Deze “vrijlating” is niet van toepassing bij fraudeschulden. Pas als terugbetaling ineens niet mogelijk is, kan de (resterende) vordering in termijnen worden terugbetaald. De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid om ter zekerheid voor de terugbetaling van bijstand die met inachtneming van artikel 50 van de PW als geldlening wordt verstrekt een zekerheidsrecht in de vorm van een hypotheek op de woning (of pandrecht op de woonwagen of het woonschip) van belanghebbende te vestigen. Dit sluit aan bij de uitvoeringspraktijk onder de Abw. Nieuw is dat de verplichting om bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen onder de PW ook geldt ingeval van een eigen bewoonde woonwagen of woonschip met voldoende overwaarde. Voor de uitvoeringsregels van de onder de PW te vestigen krediethypotheek (of pandrecht) wordt verwezen naar hoofstuk 7 van deze beleidsregels. Paragraaf6.2. Het Besluit krediethypotheek bijstand is vervallen per 1 januari 2004. In plaats daarvan heeft de gemeente beleidsregels opgesteld die in hoofdstuk 7 zijn opgenomen. In het besluit krediethypotheek stonden uitvoeringsregels, onder andere met betrekking tot rente en aflossing, tijdelijke beëindiging van de bijstand, verkoop van de woning etcetera. Deze blijven nog wel van kracht voor de gevallen waarin de krediethypotheek is gevestigd voor inwerkingtreding 1 januari 2004. De uitvoeringsregels in het Besluit krediethypotheek bijstand hebben in de uitvoeringspraktijk onder de goed gefunctioneerd. Er is geen aanleiding om het beleid ingrijpend te wijzigen. Daarom zijn de regels van het Besluit krediethypotheek bijstand behoudens een paar wijzigingen overgenomen in de Beleidsregels krediethypotheek. Paragraaf6.3. Doordat terugvordering en verhaal onder de Participatiewet gedeeltelijk een bevoegdheid blijft van burgemeester en wethouders, zijn er mogelijkheden om af te zien van terugvordering en verhaal, dan wel kwijtschelding te verlenen. De gemeente heeft echter ook een belangrijke taak in het bestrijden en voorkomen van oneigenlijk gebruik. Een strikt terugvorderingsbeleid maakt daar een onafscheidelijk onderdeel van uit. Dat betekent dat het uitvoeringsbeleid zoals dat tot nu toe gold wordt voortgezet. Wel zal bij de afweging of terugvordering of verhaal moet worden ingesteld of voortgezet het kosten/batenaspect een grotere rol spelen dan onder de Abw was toegestaan. Paragraaf6.4. De uitvoeringsregels met betrekking tot terugvordering en verhaal zijn vastgelegd in het hoofdstuk 9 van deze beleidsregels. Hoofdstuk7Beleidsregels Krediethypotheek 7.1 Bijstand voor vestigingskosten hypotheek of pand Indien bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of onder vestiging van pandrecht als bedoeld in paragraaf 6.1 aanhef en onder d en paragraaf 6.2 van deze beleidsregels wordt daartoe mede gerekend de eventuele bijstand in de kosten genoemd in paragraaf 7.2, derde lid. 7.2 Hoogte hypotheek, taxatie woning, vestigingskosten ten laste van belanghebbenden De geldlening, bedoeld in paragraaf 7.1, is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid onder d van de Participatiewet. Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen of door een gemeentelijk taxateur. De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, de pandovereenkomst, alsmede de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene bijstand, tenzij aan de belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand wordt verleend. 7.3 Opname voorwaarden in hypotheekakte of pandovereenkomst Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in de paragrafen 7.4 en 7.5. De onder 1 bedoelde voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte. 7.4 Aflossingsvoorwaarden hypotheek of pand Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar. De aflossing vangt aan op het m