← Nederland

Uitvoerings- en handhavingstrategie 2024-2027 Provincie Utrecht (Utrecht)

Kort samengevat

Dit document beschrijft de strategie van de Provincie Utrecht voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) voor de periode 2024-2027, en hoe deze taken worden ingezet om wettelijke bepalingen en provinciale ambities te realiseren. Het geeft inzicht in de prioritering van VTH-inzet op basis van risicoanalyses.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Uitvoerings- en handhavingstrategie 2024-2027 Provincie Utrecht1.Bestuurlijke samenvatting Algemeen Het Omgevingsbesluit en de 'Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht' vereisen dat het bevoegde gezag voor de uitvoering van vergunningverlenings-, uitvoerings- en handhavingstaken (VTH-taken) een beleidskader vaststelt. In de Omgevingswet heet dit kader de “uitvoering- en handhavingstrategie”. Bij de provincie Utrecht worden deze kaders vastgelegd in deze “Uitvoering- en handhavingstrategie 2024- 2027 provincie Utrecht”. Onder deze strategie vallen ook de VTH-kaders voor de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en de Regionale uitvoeringsdienst Utrecht, respectievelijk de “Uitvoering- en handhavingstrategie 2024- 2027 omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied” en de “Uniforme uitvoering- en handhavingstrategie 2022- 2025”. Doel De uitvoering- en handhavingstrategie 2024- 2027 beschrijft de wijze hoe en waarop VTH wordt ingezet. Deze inzet draagt bij aan het bereiken van (hogere) doelen, die voortvloeien uit wettelijke bepalingen en provinciale (bestuurlijke) ambities en beleid. De uitvoering- en handhavingstrategie 2024- 2027 geeft inzicht in de totstandkoming van prioriteiten voor de inzet van VTH op basis van een risicoanalyse. Van beleid naar uitvoering en vice versa De gevraagde inzet wordt gerelateerd aan specifieke VTH- doelstellingen die we de komende 4 jaar willen bereiken. Deze staan beschreven in zogeheten productbladen. De productbladen geven per taakveld of onderwerp aan welke landelijke kaders er gelden, wat de provinciale ambitie is, welke doelen daarbij horen en hoe we dit vertalen naar VTH- uitvoering. Elk jaar stellen we een uitvoeringsprogramma vast, waarin is vastgelegd welke activiteiten we dat jaar uitvoeren om een bijdrage te leveren aan het bereiken van de meerjaren doelstellingen. In het uitvoeringsprogramma staat ook beschreven wie welke taak uitvoert, wat dat kost en hoe deze kosten gedekt zijn. Gedurende het jaar wordt de voortgang van de uitvoering van deze activiteiten gemonitord en aan het einde van het jaar wordt geëvalueerd in welke mate de geplande activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd en hoe deze hebben bijgedragen aan de meerjaren doelstellingen. Aan de hand van deze gegevens worden het VTH-beleid en het jaarlijkse uitvoeringsprogramma (indien nodig) aangepast en ontstaat er een sluitende beleidscyclus. 1.1Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de positionering en status van de U&HS beschreven en welke ontwikkelingen invloed hebben op de VTH-taken. In hoofdstuk 3 zijn de VTH-visie, uitgangspunten en provinciale kaders geformuleerd die leidend zijn voor de inzet van het VTH-instrumentarium en hoofdstuk 4 beschrijft de methode van risicoanalyse en prioriteitstelling. Hoofdstuk 5 gaat over de kwaliteit van de uitvoering. Hoofdstuk 6 beschrijft het in te zetten VTH-instrumentarium. Hoofdstuk 7 geeft eerst de wijze van de uitwerking per kerntaak weer. De uitgewerkte productbladen zelf zijn als bijlage opgenomen. In hoofdstuk 8 zijn de middelen voor het uitvoeren van de VTH-taken beschreven. Bijlagen: Productbladen en de landelijke handhavingstrategie omgevingsrecht. 2.Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de aanleiding, achtergrond, positionering en status en de reikwijdte van de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie Provincie Utrecht 2024-2027 (hierna: U&HS). Vervolgens leggen we uit waar we in de beleidscyclus (ook wel de dubbele regelkring of de BIG 8 cyclus) de U&HS kunnen vinden. Ook is de reikwijdte beschreven en een leeswijzer opgenomen. 2.1Aanleiding De belangrijkste aanleiding om de huidige kaders (het provinciale Beleidsplan vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) 2016-2019 en de provinciale Strategie VTH Omgevingsrecht 2016-2019) te actualiseren, is de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het formuleren en uitvoeren van een U&HS is een belangrijke opgave. Het geeft kaders voor de uitvoering van onze VTH-taken en het is wettelijk verplicht om een U&HS te hebben die aan bepaalde eisen voldoet. Deze eisen staan in het Omgevingsbesluit (Ob). Hierin staat dat iedere overheidsorganisatie die bevoegd is om VTH-taken uit te voeren periodiek een uitvoerings- en handhavingsstrategie dient vast te stellen en dat die gebaseerd is op een analyse van problemen en risico’s. We stemmen de U&HS af met onze strafrechtelijke handhavingspartners. 2.2Achtergrond Mensen die activiteiten uitvoeren zijn hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Mogelijke schade, hinder en overlast moet worden voorkomen of hersteld. De overheid stelt daartoe regels, geeft vergunningen (V) af, houdt toezicht (T) op de naleving van regels en handhaaft (H) als dat nodig is (VTH-taken). Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn voor de overheid (in relatie tot inwoners en bedrijven) belangrijke instrumenten. Initiatiefnemers realiseren graag hun initiatieven en ideeën, terwijl omwonenden en andere belanghebbenden willen dat hun belangen worden beschermd. Als overheid moeten we een balans vinden tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. Deze U&HS beschrijft hoe we omgaan met die balans. De U&HS beschrijft de provinciale doelen, prioriteiten en instrumenten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). De U&HS is een ondersteunende strategie. Het geeft kaders voor de wijze waarop we onze VTH-taken uitvoeren. Met het uitvoeren van de VTH-taken leveren we een bijdrage aan onze ambities uit de Omgevingsvisie: ‘Werken aan een gezonde en veilige leefomgeving’. Beleidsmakers en uitvoerende medewerkers hebben samen bekeken wat de VTH-uitvoering kan bijdragen aan het realiseren van die doelstelling. Samen beschrijven we welke VTH-doelstellingen hierbij horen, maken we monitoringsafspraken en geven we een terugkoppeling van de monitoringsresultaten. Het College van Gedeputeerde Staten is bevoegd voor de uitvoering van verschillende VTH-taken in de provincie Utrecht. De werkterreinen zijn divers: o.a. natuurbescherming, vuurwerkevenementen, luchtvaart, stortplaatsen, bodemverontreiniging, ontgrondingen, zwemwater, waterwinning, lokaal spoor, vuurwerk en complexe bedrijven. De inhoud van de wet- en regelgeving kan verschillen, de wijze waarop wij de VTH-taken uitvoeren is in veel situaties gelijk. Onze VTH-taken bestaan grotendeels uit het uitvoeren van landelijke wet- en regelgeving. Deze verplichtende landelijke en EU-kaders leiden tot een (op hoofdlijnen) landelijk uniforme uitvoering en een minimum kwaliteitsniveau. De beleidsvrijheid is veelal beperkt tot uitvoeringsbeleid en wordt verder ingeperkt door procedurele kwaliteitseisen en een handhavingsplicht. Naast de landelijke wet- en regelgeving heeft de provincie in het coalitieakkoord 2023-2027 ambities met betrekking tot de thema’s uit de Omgevingsvisie. Een deel van de uitvoering hiervan wordt ingezet via VTH- taken. In zijn algemeenheid streven we naar de oplevering van vergunning- en handhavingsbeschikkingen binnen de wettelijke termijnen en met een kwaliteit die standhoudt in juridische procedures. De middelen die ingezet kunnen worden om de VTH-taken uit te voeren, zijn niet onbeperkt. We zetten onze middelen zo gericht mogelijk in. De zaken met een hoog risico geven we meer aandacht. In deze strategie worden vanuit de risico’s en ambities keuzes gemaakt die van belang zijn voor de uitvoering van onze VTH-taken. 2.3Positionering en status U&HS Kaders voor de uitvoering van onze VTH-taken zijn vastgelegd in verschillende documenten: Uitvoering- en handhavingstrategie 2024-2027 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Regionale Uniforme Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2022-2023 (regionale U&HS). De U&HS provincie Utrecht 2024-2027 (dit document). Ad1) Uitvoering- en handhavingstrategie 2024-2027 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. De provincie is bevoegd gezag voor de meest risicovolle bedrijven (Seveso-inrichtingen en RIE-4). In Nederland is de verantwoordelijkheid voor vergunningverlening en toezicht op- en handhaving van de meest risicovolle bedrijven ondergebracht bij zes omgevingsdiensten. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) is daar één van. Wij zijn opdrachtgever voor de OD NZKG voor deze taken. De OD NZKG werkt volgens een eigen strategie, genaamd: Uitvoering- en handhavingstrategie 2024-2027 Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Deze strategie van de ODNZKG is ten aanzien van deze onderwerpen onderdeel van onze eigen U&H -strategie en wordt tegelijk met onze eigen U&H strategie vastgesteld. Ad 2) Regionale Uniforme Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2022-2023 (regionale U&HS). De regionale U&HS gaat over de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) die gemeenten en provincie hebben overgedragen aan de Utrechtse omgevingsdiensten (ODRU & RUD). De colleges van burgemeester & wethouders en Gedeputeerde Staten in Utrecht zijn bevoegd gezag voor het uitvoeren van deze taken. De regionale U&HS is gezamenlijk opgesteld door alle 26 Utrechtse gemeenten, de provincie Utrecht en de twee Omgevingsdiensten Omgevingsdienst Regio Utrecht (hierna: ODRU) en Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (hierna: RUD). De regionale U&HS is zodanig opgesteld dat deze van toepassing is zodra de Omgevingswet in werking treedt. De regionale U&HS is voor twee jaar vastgesteld (2022 en 2023). Dit kader wordt verlengd tot twee jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2026). Ad 3) De U&HS provincie Utrecht Dit document gaat over de provinciale taken die de provincie Utrecht zelf uitvoert (zie par. 1.5). De U&HS provincie Utrecht vervangt de huidige kaders; het provinciale Beleidsplan VTH 2016-2019 en de provinciale Strategie VTH Omgevingsrecht 2016-

  1. Bij de voorbereiding van dit document is een analyse gemaakt van de regionale strategieën (1 en 2). De regionale strategieën volgen zoveel als mogelijk de landelijke strategieën. Wij hebben in dit document hier ook voor gekozen. De landelijke handhavingsstrategie Omgevingswet (LHSO) maakt integraal onderdeel uit van dit document. Het heeft als voordeel dat alle bedrijven, initiatiefnemers en burger op dezelfde wijze worden behandeld (vergroten level playing field). 2.4U&HS als schakel in de cyclus In het Omgevingsbesluit staan procescriteria beschreven waaraan elke overheidsorganisatie die belast is met de uitvoering van VTH-taken moet voldoen. Wanneer deze criteria zijn ingevuld, ontstaat een dubbele regelkring (Plan, do, check, act cycli). De ene kring is meer strategisch van aard, bevat de U&HS en is in beginsel gericht op een periode van 4 jaar. De andere kring is gericht op de uitvoering en beslaat in beginsel een periode van een jaar. Kort gezegd worden de cycli als volgt ingevuld: Een analyse van problemen en risico's leidt tot inzicht in hoge, middelhoge of lage risico's. Deze risico-inschaling leidt samen met wettelijke kaders en bestuurlijke ambities tot prioriteiten. Aan de hand van deze prioriteiten stellen we concrete en meetbare doelen voor de uitvoering van onze VTH-taken. Deze worden vertaald in een jaarlijks uitvoeringsprogramma met specifieke activiteiten die voor dat jaar gepland staan. Gedurende het jaar monitoren we de voortgang van de uitvoering van deze activiteiten en einde jaar evalueren we in welke mate de geplande activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd en hoe deze hebben bijgedragen aan de doelstellingen uit de U&HS. Aan de hand van deze gegevens worden de U&HS en het jaarlijkse uitvoeringsprogramma (indien nodig) aangepast en ontstaat er een sluitende beleidscyclus. Zowel de U&HS als de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s en het jaarverslag worden vastgesteld door het college van GS en ter kennisname aan Provinciale Staten voorgelegd. Zowel prioriteiten, doelen als strategieën leggen we voor meerdere jaren vast in dit document. De prioriteiten en doelen voor VTH zijn samen met de strategieën opgenomen per kerntaak. Wanneer uit de monitoring en/of evaluatie van de uitvoering van deze strategie blijkt dat deze tussentijds moet worden aangepast, zullen wij dat doen. De evaluatie en monitoring binnen de VTH-cyclus is ook input voor de beleidscyclus van de Omgevingswet. Het werken met de Omgevingswet is in de organisatie geborgd aan de hand van deze beleidscyclus. De werkzaamheden zijn georganiseerd via coördinatiepunten, elk in een ander deel van de beleidscyclus: Beleidsontwikkeling, onder andere Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en programma’s; Beleidsdoorwerking, onder andere visies en plannen van gemeenten, projectbesluiten en instructies; Uitvoering, onder andere vergunningverlening, toezicht en handhaving; Terugkoppeling, onder andere samenvattende monitoring en evaluatie. Voor het soepel samenwerken en effectief doorlopen van de beleidscyclus is centrale afstemming tussen de kwadranten op beleidskeuzes, leren, ontwikkelen en betrekken van de rest van de organisatie geborgd. Deze manier van werken is nieuw voor de provincie en wordt de komende jaren verder uitgebouwd. Met dit document ligt er een basis om op een andere wijze te werken: meer focus in de dagelijkse praktijk (waar werken we aan en met welk doel?), meer eenduidigheid (hoe doen we ons werk?) en een richting voor ontwikkeling (waar willen we verbeteren?). Papier is geduldig en de praktijk soms weerbarstig. Daarom ligt de komende jaren het accent op de vertaalslag van dit document naar het dagelijkse werk: stap voor stap door te doen, evalueren, leren en aanpassen. Zo kunnen we continu verbeteren qua inhoud, proces en kwaliteit. Dit doen we samen met onze belangrijkste uitvoeringspartners. 2.5Reikwijdte/scope De reikwijdte van de U&HS gaat over de VTH-taken waarvoor ons College van Gedeputeerde Staten (GS) bevoegd is op grond van landelijke wetgeving en de Interim Omgevingsverordening respectievelijk Omgevingsverordening. Deze taken worden door diverse organisaties uitgevoerd: Provincie Utrecht De provincie Utrecht voert de vergunningverlenende taken zélf uit voor activiteiten op het gebied van provinciale wegen en natuur & landschap. De RUD Het merendeel van de VTH-taken hebben wij in mandaat belegd bij de RUD. Naast de overige vergunningverlenende taken voert De RUD ook toezicht- en handhavingstaken uit op gebied van milieu, de complexe provinciale bedrijven (uitgezonderd de Seveso-inrichtingen en RIE-4 bedrijven), lokaal spoor, vuurwerk, natuur & landschap, water, bodem & luchtvaart. ODRU en gemeenten De provincie is ook bevoegd gezag voor de BRIKS-taken die betrekking hebben op zowel vergunningverlening als toezicht- en handhavingstaken op bedrijven die onder provinciaal gezag vallen. BRIKS-taken zijn vergunningverlening, toezicht en handhaving voor Bouwen, Reclame, Inritten, Kappen en Slopen. De ODRU adviseert op deze onderwerpen. De gemeenten waar deze activiteiten plaatsvinden worden betrokken in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. ODNZKG De provinciale taken op het gebied van gevaarlijke stoffen (Seveso-inrichtingen en RIE-4-installaties, VTH-taken wat betreft risicovolle bedrijven) met de bijbehorende BRIKS-taken worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) te Zaandam. De ODNZKG voert voor de provincie Utrecht de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving uit voor een 15-tal bedrijven. De ODNZKG voert deze taken ook uit voor de provincies Noord-Holland en Flevoland. Naast de inhoudelijke beleidskaders waar de bestuurlijke ambities in staan, verwachten we ook verschillende ontwikkelingen die van invloed zijn op de uitvoering van onze VTH-taken. Versterking VTH-stelsel Op 4 maart 2021 presenteerde de commissie Van Aartsen haar rapport “Om de leefomgeving. Omgevingsdiensten als gangmaker voor het bestuur”. De commissie Van Aartsen heeft het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) geanalyseerd. De commissie komt tot de conclusie dat het VTH-stelsel niet goed functioneert en signaleert hierbij dat het VTH-stelsel niet voldoet. De commissie is van oordeel dat het VTH-stelsel nog steeds wordt gekenmerkt door fragmentatie en vrijblijvendheid. Hierdoor ontstaat vermijdbare schade. Daarom adviseert de commissie om binnen de fundamenten van het bestaande stelsel tot een serie essentiële verbeteringen te komen. Ook de Algemene Rekenkamer (AR) heeft in 2021 een onderzoek opgeleverd dat een deel van het VTH-stelsel betreft. De AR concludeert dat de aanpak van milieucriminaliteit en -overtredingen ontoereikend is. Een belangrijke oorzaak is het ontbreken van goede, betrouwbare data over de uitkomsten van inspecties. De aanbevelingen die uit deze onderzoeken naar voren komen heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 13 december 2021 verwerkt in de Kamerbrief over de versterking van het VTH-stelsel. In deze Kamerbrief is aangegeven dat in het eerste kwartaal van 2022 met alle partijen wordt overlegd over de structuur waarin samengewerkt wordt aan de opvolging van de aanbevelingen. Deze partijen zijn: Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Omgevingsdienst NL (ODNL) en de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Justitie en Veiligheid (J&V). Deze samenwerking heeft inmiddels geleid tot het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH-stelsel (IBP-VTH). Op 1 juli 2022 is het IBP-VTH van start gegaan. In het proces van Versterking VTH-stelsel volgen we nauwgezet de relevante ontwikkelingen. Het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) over ‘'Industrie en omwonenden’', van april 2023 is ook zo'n ontwikkeling. De OvV heeft onderzocht hoe omwonenden worden beschermd tegen nadelige gezondheidseffecten door langdurige en/of veelvuldige blootstelling aan industriële emissies, en zijn in de bescherming verbeteringen mogelijk? De aanbeveling om het VTH-stelsel in haar volledigheid te gebruiken om omwonenden te beschermen tegen schadelijke industriële emissies onderschrijven wij. Eigen ambities Ook andere ontwikkelingen zorgen ervoor dat wij op diverse ‘nieuwe’ beleidsvelden ambities zullen ontwikkelen. Tweemaal per jaar wordt in de zogenaamde BIG8-sessies met beleidsmedewerkers en uitvoerders van de VTH-werkzaamheden besproken op welke wijze nieuwe ontwikkelingen leiden tot een verandering in de aanpak van de vergunningverlening, toezicht en handhaving voor de provinciale taken. Energiebesparing & circulaire economie Energietoezicht en het actualiseren van vergunningvoorschriften op het gebied van energie zijn meegenomen in deze taken. Naast het stellen van normen en het houden van toezicht op grond van de wet, proberen we ook aan de voorkant initiatiefnemers en ondernemers te stimuleren om energiebesparende maatregelen te treffen. Energiebesparing komt terug in bijlage 9.
  2. Ook wordt bekeken op welke wijze we VTH-instrumenten binnen het thema circulaire economie kunnen inzetten. De Nederlandse economie moet in 2050 volledig circulair zijn. De provincies hebben het document Bouwstenenvisie CE en VTH vastgesteld en onderschrijven daarmee dat de omgevingsdiensten minimaal een basisniveau hebben als het gaat om een circulaire uitvoering van de VTH-taken. Wij gaan onderzoeken hoe via vergunningverlening afvalpreventie- en grondstoffenonderzoek inhoud kan krijgen. We gaan ook investeren in kennis over circulaire economie zodat vergunningverleners en toezichthouders in positie komen om de invoering van circulaire processen en de samenwerking tussen private en publieke partijen kunnen bevorderen. Het toezicht en handhaving op milieu en natuurdoelen moet op orde zijn. Dat betekent een versterkte handhaving op milieuovertredingen en de inzet van extra groene boa’s. Zeer zorgwekkende stoffen We hebben bijzondere aandacht voor de ontwikkelingen omtrent Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) en potentiële ZZS. ZZS zijn stoffen die gevaarlijk zijn voor mens en milieu omdat ze bijvoorbeeld de voortplanting belemmeren, kankerverwekkend zijn of zich in de voedselketen ophopen. Er is nog veel onduidelijkheid en weinig inzicht in de branches en milieubelastende activiteiten waar en welke ZZS en potentiële ZZS vrijkomen. Het verkrijgen van inzicht in de ZZS-emissies in de afvalketen blijkt zeer complex en binnen het huidige beleid en wet- en regelgeving deels zelfs onmogelijk. In samenspraak met de gezamenlijke provincies volgen we de ontwikkelingen bij de afvalbedrijven nauwgezet. Wat betreft de niet-afvalbedrijven zetten we in op het actualiseren van de vergunningen en het opvragen en beoordelen van Vermijdings- en Reductie (V&R) -programma’s. In dit traject sluiten we aan en ondersteunen we het regionale ZZS-project. Stikstof Na de val van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS 20219) is de juridische vergunde situatie bij veel bedrijven onduidelijk geworden zoals bij PAS-melders, situaties waar gebruik is gemaakt van intern salderen (nu niet vergunningplichtig) en waar veehouderijen werken met stalsystemen (RAV-codes) die niet de gewenste daling hebben opgeleverd. Effect hiervan is dat de vergunningverlening vrijwel volledig is stilgevallen en dat toezicht en handhaving moeilijk zijn geworden. Vergunningverlening is in veel situaties alleen mogelijk als hiervoor voldoende stikstofruimte beschikbaar is. Veel instrumenten om deze ruimte te verkrijgen zijn nieuw of nog in ontwikkeling. Met name landelijke ontwikkelingen zijn de komende tijd van belang om hierin vooruitgang te kunnen boeken. Toezichthouders zijn heel veel tijd kwijt om de situatie in beeld te brengen voordat ze over kunnen gaan tot zijn/haar reguliere toezichttaken. Daarnaast is het moeilijk om de mogelijkheden tot legalisering van onvergunde situaties te beoordelen. Al deze zaken hebben met elkaar gemeen dat de beschikbare capaciteit voor regulier toezicht enorm onder druk staat. Deze feiten zijn geconstateerd in het rapport “Verbetering toezicht en handhaving gebiedsbescherming”

(2022). De uitvoering van het plan van aanpak, dat is opgesteld op basis van dit rapport, is in uitvoering met als doel om in 2026 het basisniveau van toezicht en handhaving op orde te hebben. Om als provincie regie te houden in het toezicht (en handhaving) in plaats van gestuurd te worden door intrekkingsverzoeken, handhavingsverzoeken en rechterlijke uitspraken wordt het gestructureerd houden van toezicht alleen maar belangrijker. Landelijk is daarom een voorstel ontwikkeld voor gezamenlijke prioritering voor toezicht stikstof in 2024. De provincie Utrecht en de omgevingsdienst zijn hierbij aangesloten. Doel van het genoemde Plan van aanpak en het voorstel voor gezamenlijke prioritering is: Meer samenhang te krijgen in de provinciebrede aanpak; Naleving van de afspraken die met burgers en ondernemers zijn gemaakt te bevorderen; Verdere verslechtering van de Natura 2000 gebieden te voorkomen; De gebiedsprocessen en beleidsontwikkeling beter te ondersteunen; Beschikbare middelen zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten. Daarvoor moeten prioriteiten worden gesteld. De exacte consequenties van de doorontwikkeling van toezicht en handhaving op grond van het Plan van aanpak en de prioritering 2024 worden opgenomen in het uitvoeringsprogramma voor 2024 en verder. Dit risico doet zich overigens landelijk voor. Provincies werken eraan om dit gezamenlijk op te lossen. Als er sprake is van een werkelijk tekort noodzaakt dit ons om scherper prioriteiten te stellen." 3.Visie & uitgangspunten In dit hoofdstuk zijn de visie en uitgangspunten geformuleerd die leidend zijn voor de uitvoering van onze VTH-taken. 3.1VTH-VISIE De VTH-visie sluit aan bij de strategische visie in de Omgevingsvisie. Dit is voor de uitvoering van de VTH-taken een richtinggevend kader. Zoals gezegd is het ‘Werken aan een gezonde en veilige leefomgeving’ in de Omgevingsvisie de belangrijkste rode draad. IN onze VTH-visie zijn onze uitgangspunten voor taakuitvoering vetgedrukt. VTH Visie De provincie Utrecht werkt bij de uitvoering van vergunningverlening en toezicht en handhaving omgevingsgericht, in afstemming met partners en professioneel. Het optreden van de provincie Utrecht is betrouwbaar, voorspelbaar en transparant. Over de VTH-taakuitvoering leggen we periodiek verantwoording af. Bij de uitvoering van toezicht- en handhaving pakken we slecht naleefgedrag aan door risicogericht, programmatisch en, datagedreven te werken en gedogen wij uitsluitend actief. 3.2Operationele uitgangspunten Voor vergunningverlening zijn de uitgangspunten: Omgevingsgericht, afstemming aan de voorkant het ‘ja, mits’ principe wordt toegepast; onacceptabele omgevingsbelasting wordt voorkomen; politiek-bestuurlijke speerpunten worden afgewogen, met in acht neming van de wettelijke kaders; het vergunningstelsel stimuleert innovatie en duurzaamheid; kernwoorden zijn integraliteit, uniformiteit waar mogelijk, gelijk in gelijke situaties; we ontwikkelen de methodiek risicogericht vergunnen; een integrale benadering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (dit wil zeggen een heldere verbinding met wat we inhoudelijk willen, vergunningverlening, toezicht en handhaving dat elkaar aanvult en versterkt); het versterken van de contacten tussen initiatiefnemers en omwonenden en organisaties die opkomen voor de omgevingskwaliteit; vergunningverlening, toezicht en handhaving meer gericht op het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving, maar wel rekening houdende met belangen van initiatiefnemers; het zoveel mogelijk benutten van de eigen verantwoordelijkheid van initiatiefnemers voor de bescherming van de fysieke leefomgeving en die als vertrekpunt te nemen voor ons eigen handelen. Transparant, voorspelbaar en betrouwbaar vergunningverlening is afgestemd op landelijke standaarden en lokaal beleid; vergunningen zijn begrijpelijk geschreven, toegankelijk en openbaar en digitaal beschikbaar dan wel opvraagbaar (bijvoorbeeld voor RIE-4-bedrijven een wettelijk vereiste), begrijpelijk voor inwoner en bedrijf; de behandeling van een vergunningaanvraag eindigt met een oplevering naar toezicht; vergunningen zijn handhaafbaar; voorschriften zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken (BBT) met primair toepassing van zogenoemde doelvoorschriften; milieubelastende activiteiten worden per bedrijf overzichtelijk vastgelegd, zodat alle verplichtingen van het bedrijf op ieder moment inzichtelijk zijn. Gezamenlijk en professioneel de deelnemers in de huidige Utrechtse samenwerking in de regio Utrecht hanteren een geborgde (landelijke) kennisinfrastructuur en werken daarin zoveel mogelijk samen (Alles komt samen in Utrecht); uitwisseling van goede (landelijke en regionale) voorbeelden en kennis. we zetten extra in op de samenwerking tussen beleid en uitvoering op gebieden waar deze samenwerking beter kan. Aanpak bij slecht naleefgedrag besluiten voor (milieubelastende) activiteiten die bij niet naleven schade kunnen veroorzaken aan leefomgeving, gezondheid, veiligheid en natuur worden intensiever behandeld en bevatten meer maatregelvoorschriften. De aanvraag (wat is precies gevraagd), het besluit (wat wordt toegestaan) en de voorschriften (wat zijn de exacte condities) worden in detail geformuleerd; we passen maatregelvoorschriften toe wanneer landelijke voorschriften onvoldoende helder zijn in de toepassing op een specifieke situatie en/of bij sprake van slecht naleefgedrag; Voor toezicht zijn de uitgangspunten: Risicogericht toezicht We kunnen niet overal en op alles toezicht houden. Het is zaak om de beschikbare capaciteit zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten. Toezicht houden daar waar de risico’s het hoogst zijn. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een risicoanalyse. De risico’s geven aan welke activiteiten in meer of mindere mate schade kunnen toebrengen aan de fysieke leefomgeving en wat de kans is dat dit zich dit ook voordoet. Op basis van het systeem ‘koploper-volger-achterblijver' worden systemen gecontroleerd. Hierbij zorgen we voor minder toezichtlast bij koplopers en hebben we meer tijd om de minder goed lopende systemen te controleren en bij te sturen. Programmatisch middels Regionale Utrechtse toezichts-en handhavingsmix Bij elke toezichtactie is de vraag welke waarde wordt toegevoegd als er toezicht wordt gehouden. De regionale Utrechtse toezichts- en handhavingsmix reikt hiervoor de ingrediënten aan. Hieronder verstaan we ook programmatisch toezicht (verder de regionale Utrechtse toezichts- en handhavingsmix). Onder toezicht vallen alle werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om te constateren of wet- en regelgeving wordt nageleefd. Het toezicht wordt uitgevoerd door daartoe aangestelde toezichthouders. Van toezicht gaat een belangrijk preventief effect uit. Het doel van toezicht is dat het naleven van de regels leidt tot een kleinere kans op het ontstaan van risico’s. Bij overtredingen van de regels wordt er geacteerd volgens de LHSO. Indien beschikbaar en van toepassing, wordt hierbij een domein specifieke interventiematrix gehanteerd. Datagedreven toezicht In de regio Utrecht wordt de meerwaarde van datagedreven toezicht erkend, met als randvoorwaarde dat de data daarvoor op orde moeten zijn en controles goed ingevoerd moeten worden in de systemen. De regio gaat door op investeringen die hierop al zijn gedaan. Het doel is om meer inzicht te krijgen in gedrag (waarom) en het datagedreven toezicht (wat, waar, wanneer). Uitsluitend actief gedogen Stilzwijgend, passief, gedogen is absoluut onacceptabel. Gedogen van overtredingen is alleen bij uitzondering aanvaardbaar, na een zorgvuldige belangenafweging. Het gaat dan om uitdrukkelijk gedogen, na het nemen van een gedoogbeschikking. Dit kan het geval zijn als sprake is van een: Overmacht situatie en strikte naleving van de wettelijke regels leidt tot ongewenste milieugevolgen; in zo’n geval staat het bevoegd gezag overtredingen van de wet toe, juist om het milieu te beschermen. Overgangssituatie, waarin het bevoegd gezag vooruitlopend op legalisatie gedoogt, bijvoorbeeld als ze binnen afzienbare termijn de omgevingsvergunning kan verlenen. Onevenredigheid; als handhaven onevenredig is in verhouding tot het belang voor de fysieke leefomgeving, dan kan het bevoegd gezag ervan afzien. Gedogen moet zoveel mogelijk beperkt blijven in omvang en tijd. Bij gedogen vindt actief toezicht plaats, gericht op de vraag of het gedogen nog actueel is en de vergunninghouder de opgelegde beperkingen en voorschriften naleeft. 3.3Provinciale kaders voor U&HS: Omgevingsvisie, Visie 2050, en coalitieakkoord. In onze Omgevingsvisie zijn de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd. De Omgevingsvisie is een instrument uit de Omgevingswet. De doelen die we in de U&HS stellen dragen bij aan het bereiken van de doelen die in deze documenten zijn opgenomen. In de Omgevingsvisie zijn zeven thema’s uitgewerkt. Per thema maken we belangrijke keuzes en willen we het volgende bereiken: Stad en land gezond: We werken aan woon-, werk- en leefgebieden die gezond zijn en uitnodigen tot bewegen (te voet of per fiets). Ook willen we dat er in en rondom steden en dorpen voldoende groene gebieden zijn om te recreëren. Klimaatbestendig en waterrobuust: We werken aan de bescherming van onze provincie tegen overstromingen, een tekort aan zoetwater of de gevolgen van extreem weer (wateroverlast en hitte). Ook gaan we de bodemdaling tegen, met name in de veenweidegebieden. Duurzame energie: We stimuleren energiebesparing, evenals het opwekken van duurzame energie uit wind, zon, bodem en water. Vitale steden en dorpen: We bouwen nieuwe woningen en bedrijven vooral op plekken binnen de bebouwde kom. En op plekken die goed met trein, bus, tram en fiets te bereiken zijn. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar: We leggen nieuwe verbindingen voor openbaar vervoer en (snel)fietspaden aan tussen de woon-, werk- en leefgebieden. Ook willen we beter gebruik maken van de bestaande wegen. Levend landschap, erfgoed en cultuur: We zorgen goed voor de landschappen, waterlinies, forten, kastelen en buitenplaatsen, zodat veel mensen kunnen genieten van die fraaie plekken. Ook vinden we het belangrijk dat het cultuuraanbod (zoals festivals en musea) met het aantal inwoners meegroeit. Toekomstbestendige natuur en landbouw: We beschermen de natuur en leggen nieuwe natuurgebieden aan die we onderling met elkaar verbinden. We helpen boeren om een omslag te maken naar kringlooplandbouw. Dat betekent voedsel produceren met zo min mogelijk verlies aan grondstoffen en een zorgvuldig beheer van bodem, water en natuur. We hanteren in de Omgevingsvisie zes hoofdprincipes (ambities) die bijdragen aan de visie “werken aan een gezonde en veilige leefomgeving”. Deze principes, die zich richten op bevorderen en beschermen van de gezondheid, zijn ook leidend voor deze U&HS en bieden de context waarbinnen de U&HS is opgesteld en de uitvoering gaat plaatsvinden. Ook in de samenwerking en afstemming met onze partners werken we vanuit de zes hoofdprincipes. Deze zijn: Er is, in relatie tot het aantal inwoners en bezoekers, voldoende, kwalitatief hoogwaardige groenblauwe ruimte, deels rustig / stil, die voor verschillende doelgroepen uitnodigend is. Voor hun dagelijkse verplaatsingen gaan mensen voornamelijk lopend, met de fiets of het openbaar vervoer. Dit moeten zij veilig kunnen doen. Goederen- en personenvervoer levert zo min mogelijk schadelijke emissies op. Inrichting en gebruik zijn aangepast aan de eisen van klimaat: gezondheid en veiligheid zijn daarbij geborgd. Er zijn zo min mogelijk schadelijke emissies vanuit industrie, opwekking van energie en de landbouw. De landbouw draagt positief bij aan de gezondheid van mens en natuur. De ruimtelijke inrichting draagt bij aan een inclusieve samenleving en versterkt de sociale cohesie. De economie is circulair, er komen zo min mogelijk voor de gezondheid schadelijke emissies of producten in de leefomgeving terecht en bouwen vindt plaats met materialen die bijdragen aan een gezonder leven. Deze doelen en hoofdprincipes zijn de basis voor de doelstellingen die we aan de inzet van VTH hebben verbonden. Ze staan beschreven in de productbladen in de bijlage. In de visie 2050 leggen we niet vast hoe we de doelen precies gaan bereiken en welke instrumenten we daarvoor inzetten. De uitwerking van de visies (hoe ga je doelen bereiken) vindt voor de inzet van het VTH-instrumentarium vooral plaats via programma’s met een thema. Programma’s in de Omgevingswet worden volgens de wet vastgesteld door Gedeputeerde Staten en bevatten voor een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan en maatregelen om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Een voorbeeld hiervan is het Omgevingswetprogramma Gezond en Veilig. In een dergelijk programma is een uitvoeringsparagraaf opgenomen, waarin beschreven staat welk instrumentarium met welk doel wordt ingezet. Zo ook VTH-instrumenten. Voor de ambities en doelen uit het coalitieprogramma geldt hetzelfde. Uiteindelijk leiden ze tot de inzet van een mix aan uitvoeringsinstrumenten waar VTH er één van is. Deze instrumenten ontlenen we aan deze U&HS. 4.Risicoanalyse & Prioriteitstelling In beginsel is de provincie verplicht de naleving van wet- en regelgeving te bevorderen. Omdat er veel regelgeving is en niet alles even belangrijk of risicovol is, worden er via probleem- en risicoanalyses prioriteiten gesteld. Op basis van risicoanalyses zet de provincie haar capaciteit daar in waar de risico's en prioriteiten het hoogst zijn. Deze keuzes (wat gaan we doen?), werken we uit in onze jaarlijks uitvoeringsprogramma’s. De risicoanalyse gaat uit van kans maal effect. Bij mogelijke effecten is gekeken naar de aspecten veiligheid, gezonde leefomgeving, hinder, overlast & leefbaarheid, verspilling energie, grondstoffen, biodiversiteit, maatschappelijke onrust, politieke gevoeligheid en financiële risico’s. Samen met medewerkers (zowel vanuit beleid als uitvoering) is per provinciale kerntaak een analyse gemaakt. Deze is in samengevatte vorm, een productblad, per provinciale taak opgenomen in de bijlage. De risicoanalyse zelf is als bijlage bij deze U&HS toegevoegd. Milieu Complexe bedrijven Externe veiligheid Vuurwerk Bodem en Water Bodem Ontgrondingen Water Zwemwater Natuur en landschap Natura 2000 activiteiten Soortenbescherming Faunabeheer en schadebestrijding Houtopstanden en kleine landschapselementen Landschap Utrechts samenwerkingsmodel natuurtoezicht Stikstof Overige taakvelden Geluid Lucht Luchtvaart Lokaal Spoor Circulaire economie Aan de hand van de risicoanalyse bepalen we welke activiteiten het éérst worden opgepakt/welke aspecten voorrang krijgen. Naarmate de risico’s afnemen, neemt in principe ook de noodzaak tot intensief toezicht en/of intensieve toetsing van vergunningaanvragen af. In de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s werken we uit hoe wij het uitvoeringsniveau op basis van risico’s koppelen aan activiteiten en capaciteit. We realiseren ons dat risico’s dynamisch zijn. Er kunnen bijvoorbeeld verschuivingen plaatsvinden in de maatschappelijke betrokkenheid op onderwerpen. Ook veranderingen in wettelijke eisen kunnen de risico’s op niet- naleven en niet-actuele vergunningen vergroten. Ervaringen in de praktijk kunnen eveneens nieuwe inzichten geven. Daarom wordt de risicoanalyse jaarlijks opnieuw bekeken op haar actualiteit. Veranderingen worden in de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s opgenomen en verantwoord. We onderscheiden de volgende risiconiveaus: Figuur 5 Gevolgen risicoscore voor uitvoering VTH Ad 1. Aanvragen worden diepgaand getoetst. Er worden waar nodig maatwerkvoorschriften opgelegd. Er wordt proactief, programmatisch en integraal toezicht gehouden, in beginsel op basis van een hoge frequentie. Wanneer we handhaven doen we dat volgens de LHSO. Ad 2. Aanvragen worden op de hoogste risico’s getoetst. Wanneer er geen andere oplossing is, worden maatwerkvoorschriften opgelegd. Er wordt proactief, programmatisch en themagewijs toezicht gehouden, in beginsel op basis van een gemiddelde frequentie. Wanneer we handhaven doen we dat volgens de LHSO. Ad 3. Aanvragen worden globaal getoetst. Er wordt proactief, programmatisch en themagewijs toezicht gehouden, in beginsel op basis van een lage frequentie. Wanneer we handhaven doen we dat volgens de LHSO. Ad 4. Aanvragen worden globaal getoetst. Er wordt enkel op basis van signalen toezicht gehouden. Wanneer we handhaven doen we dat volgens de LHSO. De hoge en middelhoge risico’s zijn opgenomen in de productbladen, waar ze gekoppeld zijn aan VTH- doelen voor de looptijd van deze strategie. De risico analyse is een actualisatie ten opzichte van eerdere versies en levert geen wezenlijk andere inzichten op ten aanzien van bestaande risico’s. Voor 90% is het “business as usual”. We kijken niet enkel naar het beheersen van risico’s, we zullen ook kijken naar kansen. Daarbij ligt het accent onder meer op ontwikkelingen ten aanzien van energietransitie, circulaire economie, inzet van groene BOA’s en stikstof. 5.Kwaliteitscriteria Wij hebben een (wettelijk verplichte) verordening vastgesteld waarin de kwaliteit van VTH-taken wordt geborgd. In deze verordening is opgenomen welke eisen wij stellen aan de uitvoeringsorganisaties en of zij voldoen aan de kwaliteitseisen en zo niet, een motivatie waarom zij daarvan afwijken. Wij hebben de verordening kwaliteit VTH Omgevingsrecht aangepast aan de eisen vanuit de Omgevingswet. In 2023 is de Verordening kwaliteit uitvoering en handhaving omgevingsrecht provincie Utrecht 2023 vastgesteld: Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht provincie Utrecht 2023 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.
  1. nl)Er zijn landelijke kwaliteitscriteria van toepassing die gebruikt worden als hulpmiddel om de uitvoeringskwaliteit mede te bepalen. Deze criteria gelden zowel voor individuele medewerkers die de taken in opdracht van de provincie uitvoeren, als de uitvoeringsorganisaties waarvoor zij werken. Het betreft deze criteria: welke opleiding de betreffende medewerker moet hebben afgerond; hoeveel jaren relevante werkervaring de medewerker dient te hebben; over welke kennis de medewerker dient te beschikken; hoeveel uren per jaar minimaal aan de taak besteed moeten worden door de medewerker; het aantal medewerkers met de benodigde deskundigheid binnen de organisatie. Voor de overige taken ontbreken goede normen voor continuïteit en deskundigheid; we spiegelen ons voor deze taken aan andere (vergelijkbare) uitvoeringsorganisaties en reflecteren op proces en resultaat. In ons jaarverslag leggen we verantwoording af over de wijze waarop we de continuïteit en deskundigheid hebben geborgd en benoemen we mogelijke verbeterpunten. Op de meeste onderdelen voldoet de RUD aan de kwaliteitscriteria. Op specialistische gebieden zoals externe veiligheid en luchtkwaliteit is de formatie nog kwetsbaar. Daar waar mogelijk wordt de samenwerking gezocht met o.a. de ODRU of wordt ingehuurd. Met het oog op een fusie van beide diensten kan hier nog beter invulling aan worden gegeven. Gelet op de krappe arbeidsmarkt is het moeilijk om ervaren en goed gekwalificeerd personeel te vinden. De omgevingsdienst richt zich daarom óók op het opleiden van jonge(
  2. re)medewerkers. 6.Inzet VTH-instrumentarium In dit hoofdstuk beschrijven we de diverse instrumenten die we in kunnen zetten binnen de kaders van deze U&HS. 6.1VTH-instrumenten We hebben verschillende instrumenten die wij gebruiken om invulling te geven aan de uitvoering van onze VTH-taken. De keuzes die wij maken welk instrument wij waarvoor gebruiken, baseren wij, naast juridische vereisten, op de risicoanalyse en de prioriteitsstelling. De keuzes resulteren in een mix van toe te passen instrumenten. Voor de beschrijving van de instrumenten sluiten wij zoveel mogelijk aan bij de begrippen omschreven in de producten en dienstencatalogus van de Omgevingsdienst. Meldingsafhandeling: een juridisch correcte en eenduidige beoordeling van een melding die getoetst is aan de eisen van de wettelijke kaders. Bijvoorbeeld: een melding op basis van het besluit activiteiten leefomgeving of een vuurwerkmelding. Beschikkingen: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van het afwijzen van een aanvraag daarvan. Hieronder vallen o.a. vergunningen, beschikkingen Wet bodembescherming, maatwerkvoorschriften en intrekkingen. Toezicht: toezien op de naleving van wet- en regelgeving. Toezicht en handhaving gebeurt volgens een risicogerichte aanpak. Het risicogericht toezicht (RGT) wordt ondersteund door een data gedreven dynamische risicoanalyse. Op deze wijze prioriteren wij onze inzet en vergroten we onze maatschappelijke impact. Toezicht werkt zowel preventief als reactief. Er zijn diverse vormen waarop wij het toezicht vormgeven: Administratieve controles Administratief toezicht is het inspecteren van administratieve processen en meet- en registratieplicht op basis van wet- en regelgeving. Dit doen we ten aanzien van de afvoer van (gevaarlijk) afval, emissie naar lucht, bodem, water, geluid, energiebeheer, veiligheid en keuringen. Dit wordt ook bureauonderzoek genoemd. Een voorbeeld van een administratieve controle is het toezicht op basis van luchtfoto’s of het beoordelen van een rapportage. Daarnaast kan een administratieve controle ook fysiek bij een bedrijf worden uitgevoerd door het controleren van administratieve gegevens van het bedrijf. Fysieke controles Fysieke controles is het fysiek aanwezig zijn op de locatie om de regelnaleving te controleren. De controle vindt zowel planmatig plaats, op basis van een vooraf opgesteld toezichtsprogramma (bijvoorbeeld periodieke milieucontroles), als incidenteel indien daar een andere aanleiding voor is (bijvoorbeeld controle n.a.v. klachten/verzoek handhaving/calamiteit of opleveringscontrole naar aanleiding van een melding). Gebiedscontroles (vrije veldtoezicht) Gebiedscontroles zijn een vorm van surveillance. Op zijn of haar route door het gebied kan de toezichthouder niet-gemelde situaties tegenkomen en situaties waarin niet volgens de melding/vergunning gehandeld wordt. De daarvoor verantwoordelijken worden daarop aangesproken en/of (eventueel) aangeschreven. Dit vrije veldtoezicht is een essentieel instrument om illegale situaties op te sporen. Systeemtoezicht Systeemtoezicht of systeemgericht toezicht is het toezicht door de overheid dat gebruikmaakt van (zelfregulerende) systemen binnen organisaties of branches. Deze toezichtvorm richt zich door middel van audits op de managementsystemen waarover vooral grote(
  3. re)bedrijven en instellingen beschikken. De auditors beoordelen de strategie, de procedures en de documentatie van te meten resultaten en van de interventies die het bedrijf heeft gepleegd bij afwijkingen, voorvallen, inbreuken en overtredingen. Daarbij wordt gesteund op eigen bedrijfsaudits en audits door certificeerders, maar wordt ook het eigen oordeel toegevoegd. Projectmatig toezicht Toezicht kan projectmatig worden uitgevoerd uit het oogpunt van efficiency. Dit kan betrekking hebben op een branche, bepaalde wetgeving of een bepaald thema. In dat laatste geval wordt gewerkt volgens een opgesteld projectplan. Signaaltoezicht Signaalcontroles, waarbij toezichthouders in een bepaalde mate voor een andere instantie controleren en de bevindingen doorgeven, maar ook in de samenwerking met ketenpartners als inspectie SZW en de veiligheidsregio. Ketentoezicht Ketentoezicht is het op elkaar afgestemde toezicht van één of meer toezichthoudende instanties op de naleving, de kwaliteit of de veiligheid van een handeling of zaak, dat zich uitstrekt tot alle partijen die achtereenvolgens betrokken zijn bij deze handeling of zaak. Ketentoezicht richt zich op processen waar verschillende organisaties als schakels in een keten bij betrokken zijn. Ketentoezicht krijgt in de praktijk vorm doordat de betrokken toezichthoudende instanties afspraken maken over de aanpak en deze vastleggen in vaste werkafspraken en/of een projectopzet. Op goederenstromen (afval, grond, asbest, dierlijke vetten, enzovoort) wordt ketentoezicht verricht op regionale of bovenregionale schaal. Toezichtbevindingen of klachten ten aanzien van individuele bedrijven kunnen aanleiding zijn om een ketenonderzoek op te starten. Handhaving: We controleren op de naleving van wet- en regelgeving en geldende voorschriften. In de gevallen waarin dit niet of onvoldoende gebeurt, passen we de systematiek van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) toe om te bepalen welke interventie het meest passend is. De LHSO houdt daarbij rekening met de ernst en mogelijke gevolgen van de situatie, maar ook met de houding/ het gedrag van de zogeheten overtreder. De LHSO biedt ruimte om, daar waar nodig, voor specifieke onderwerpen of projecten specifieke afspraken te maken. Technische advisering: Technische advisering betreft de (specialistische) technische adviezen die ons in staat te stelt om bijvoorbeeld een melding af te handelen, een vergunning te verlenen of een zorgvuldig afgewogen besluit te nemen of voor te bereiden. Data en digitale ondersteuning: Voor de uitoefening van haar taken beheert de Omgevingsdienst diverse gegevensverzamelingen, deels geografisch. In het kader van de eisen die de Omgevingswet stelt, moeten in toenemende mate deze gegevensverzamelingen worden geactualiseerd en met een bredere scope beschikbaar worden gesteld op geografische wijze. De Omgevingsdienst beheert diverse gegevensverzamelingen. Een deel van deze gegevens stelt zij toegankelijk voor de bevoegde gezagen en eventueel voor derden. Het betreft onder meer de volgende systemen: bodeminformatiesysteem (BIS): inzicht in de bodemgesteldheid, uitgevoerde bodemonderzoeken, bodemsaneringen, grondverzet en bodemkwaliteit; beheer grondwaterregister; beheer inrichtingenbestand/bedrijvenbestand: milieu-relevante informatie van bedrijven zoals de daarvoor afgegeven vergunningen en meldingen, uitgevoerde controles en handhavingstrajecten, ingediende klachten, opgeslagen milieugevaarlijke stoffen in tanks en emballage, vergunde veebezetting, aanwezige voorzieningen e.d. Klachtafhandeling: De provincie behandelt klachten volgens de visie van de Nationale ombudsman: Klachtbehandeling: hoe pakt u dat aan? | Nationale ombudsman Klachten worden professioneel afgehandeld, geregistreerd en geanalyseerd. De provincie maakt daarbij gebruik van een klachtenanalysetool. Advisering en voorlichting: Overheidsinstanties die belast zijn met VTH-taken kunnen ook advies en voorlichting geven aan bedrijven en burgers om hen te helpen bij het begrijpen en naleven van regelgeving. Dit kan bijvoorbeeld via informatieve brochures, websites of persoonlijke gesprekken. De rol (inzet) van de instrumenten kan sterk verschillen. Soms zal de wettelijke basisinzet (primair werk) op VTH al voldoende bijdragen aan het bereiken van de doelen. In een aantal gevallen zal extra VTH-inzet nodig zijn. In die gevallen vullen we dan vanuit de programma’s de opdracht aan de uitvoeringsdiensten of aan de desbetreffende afdeling van de provincie aan. 7.Wijze van uitwerking per kerntaak Voor de uitwerking per kerntaak maken we gebruik van een format. Het is een productblad waarin de samenhang tussen regels, risico’s en doelen binnen een taak wordt getoond. Het format ziet er als volgt uit: Naam Kerntaak Wettelijk kader Toelichting op de wettelijke grondslag van de taak Doel van de wetgeving Toelichting op het doel van de wetgeving Provinciale ambities Een beschrijving van de strategische doelstellingen van de provincie gerelateerd aan het VTH-werkveld en de bijdrage die VTH aan een of meerdere outcome doelstellingen van de provincie levert, te weten: Er is, in relatie tot het aantal inwoners en bezoekers, voldoende, kwalitatief hoogwaardige groenblauwe ruimte, deels rustig/ stil, die voor verschillende doelgroepen uitnodigend is. Voor hun dagelijkse verplaatsingen gaan mensen voornamelijk lopend, met de fiets of het openbaar vervoer. Dit moeten zij veilig kunnen doen. Goederen- en personenvervoer levert zo min mogelijk schadelijke emissies op. Inrichting en gebruik zijn aangepast aan de eisen van klimaat: gezondheid en veiligheid zijn daarbij geborgd. Er zijn zo min mogelijk schadelijke emissies vanuit industrie, opwekking van energie en de landbouw. De landbouw draagt positief bij aan de gezondheid van mens en natuur. De ruimtelijke inrichting draagt bij aan een inclusieve samenleving en versterkt de sociale cohesie. De economie is circulair, er komen zo min mogelijk voor de gezondheid schadelijke emissies of producten in de leefomgeving terecht en bouwen vindt plaats met materialen die bijdragen aan een gezonder leven. Taakomschrijving en omvang taak Een beschrijving van de reguliere taken (primair werk), het VTH-instrumentarium en de omvang van de reguliere VTH-taakuitvoering. Naast het primaire kan er sprake zijn van gerelateerd werk die uitgevoerd moeten worden ten behoeve van de uitvoering. Het gerelateerde werk zijn werkzaamheden die uitgevoerd moeten worden ten behoeve van het behalen van de doelstellingen/ambities. Dit zijn alle gerelateerde diensten, producten en/of projecten niet zijnde primair werk die van belang zijn in het belang van de kwaliteit van de uitvoering van de opgedragen VTH-taken. Primair en gerelateerd werk vormen samen de VTH inzet. Risico’s en prioriteitstelling Hier geven wij een weergave van uitkomsten van de risicoanalyse en geven we aan welke inzet we de komende jaren in op het primair en gerelateerd werk voornemens zijn te gaan plegen in de looptijd van de U&HS. VTH doelstelling Hier beschrijven wij onze VTH-doelstelling voor de beleidsperiode 2024-2027. Monitoringsindicatoren Hier beschrijven wij welke indicatoren wij gebruiken om de doelstelling(
  4. en)te kunnen monitoren. De prioriteiten en doelstellingen worden naar de uitvoering vertaald met behulp van concrete strategieën. De toepassing van deze strategieën draagt bij aan het behalen van de geformuleerde doelen. De provincie heeft verschillende strategieën om haar VTH- instrumentarium in te zetten. Daarbij sluiten we zoveel mogelijk aan bij strategieën die wij in de regionale U&HS hebben vastgesteld en de strategieën die de ODNZKG heeft vastgesteld. Dit heeft onze voorkeur omdat wij willen dat initiatieven, activiteiten en handhavingssituaties in een gelijke situatie gelijk worden behandeld. Om zoveel mogelijk volgens dat principe te werken zijn onderstaande strategieën op de taken die bij de omgevingsdiensten en onze eigen taken, zijn ondergebracht van toepassing. De grondslagen van de inhoud van de strategieën is terug te vinden in het Omgevingsbesluit artikel 13.6 en 13.7. De strategieën bestaan uit vijf componenten: Preventiestrategie, Vergunningenstrategie, Toezichtstrategie, Sanctiestrategie, Gedoogstrategie. De productbladen zijn door de opbouw en toepassing bij uitstek geschreven voor de uitvoeringspraktijk. Ze zijn de verbindende schakel tussen de U&HS en het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. De productbladen vormen de basis voor de halfjaarlijkse monitoringsgesprekken met de betrokken beleidsmedewerkers en VTH- medewerkers. De productbladen hebben een ander detailniveau dan de rest van deze U&HS. De productbladen zijn uitgewerkt in bijlage 9.1. 8.Middelen Voor deze inzet hebben we middelen nodig. In de provinciale begroting zijn de budgetten vastgelegd die beschikbaar zijn voor de uitvoering van de VTH-taken die door de provincie zelf worden uitgevoerd en de taken die de omgevingsdiensten uitvoeren. De benodigde middelen voor de Omgevingsdienst zijn in de Programmabegroting Omgevingsdienst voor de basistaken en de plustaken vastgelegd. De benodigde middelen voor de ODNZKG zijn in de Programmabegroting ODNZKG vastgelegd. Door middel van risicoanalyses, monitoring en het stellen van prioriteiten worden de middelen op de juiste wijze ingezet. Mocht door monitoring en grote nieuwe ontwikkelingen blijken dat er niet voldoende middelen zijn, dan wordt daarvoor op het juiste tijdstip en de juiste wijze aandacht voor gevraagd bij onze bestuurders. In onderstaande tabel zijn begrote provinciale VTH-gerelateerde budgetten totaal per VTH-programma 2024-2027 weergegeven. Begrotingsonderdeel 2024 2025 2026 2027 TH groene regelgeving 270.500 270.500 270.500 270.500 VTH overig 283.000 249.000 249.000 249.000 Opdrachtgevers OD RUD/ NZKG 8.160.000 7.992.000 7.710.000 7.710.000 Totaal 8.713.500 8.511.500 8.229.500 8.229.500 Ten tijde van de vaststelling van deze U&HS voldoen deze budgetten niet aan de beschreven inzet in relatie tot de VTH- doelstellingen. De analyse die daartoe gemaakt is, heeft er toe geleid dat er enerzijds binnen de bestaande opdracht aan de omgevingsdienst geschoven is met ureninzet. Anderzijds hebben wij geconstateerd dat er sprake is van een flink tekort op de begroting voor 2024. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door afroming van budgetten en (hoge) prijsverhogingen. In de begroting voor 2024 van de provincie wordt dit meegenomen, met als doel om voldoende middelen in te kunnen zetten om de doelstellingen te behalen. Het knelt met name bij het toezicht in het buitengebied. Er zitten ook risico’s bij onderwerpen waar we nu nog niet kunnen inschatten hoe deze onder de Omgevingswet uit zullen pakken, zoals het werken met MBA’s en de invulling van de zorgplicht. Ten slotte brengen onderwerpen als ZZS en het in ontwikkeling zijnde stikstofkader onzekerheid over capaciteitsbehoefte met zich mee. Ten aanzien van stikstof zien we nu al een tekort ontstaan. Wanneer er tijdens de looptijd van deze U&HS aanvullende ambities (verwoord in OW- programma's of beleid) zijn waarvoor het VTH- instrumentarium (mede) wordt ingezet om doelen te bereiken, kunnen deze enkel uitgevoerd worden nadat daar ook de nodige middelen en/ of prioriteiten voor georganiseerd zijn. Dit kan leiden tot wijziging van de begroting, VTH- doelstellingen en/ of prioritering. Deze wijzigingen zullen in beginsel niet leiden tot een wijzing van de U&HS an sich, maar worden verwerkt in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. 9.Bijlagen 9.1Productbladen Complexe bedrijven 1.Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is de gemeente bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (zie artikel 2.3 Bal). De Omgevingswet gaat namelijk uit van het decentraal-tenzij-beginsel. Eén van de uitzonderingen is complexe bedrijven. Dit zijn bedrijven die door aard en omvang grote gevolgen kunnen hebben voor de leefomgeving. Daarom gelden er onder de Omgevingswet speciale verplichtingen en voorschriften waar zo'n bedrijf aan moet voldoen. Afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geeft aan welke activiteiten onder de term complexe bedrijven vallen; Seveso-richtlijn. Bedrijven die activiteiten uitvoeren (be- en, of verwerken en opslaan) met nader genoemde gevaarlijke stoffen vallen onder de Europese Seveso-richtlijn. Voor de bedrijven die deze activiteiten gelden bijzondere, strenge regels. IPPC-richtlijn. Voor nader benoemde industriële installaties is de Europese IPPC richtlijn van toepassing. IPPC staat voor Integrated Pollution Prevention and Control. De IPPC-richtlijn stuurt op een geïntegreerde preventie aanpak en bestrijding van verontreinigingen. Een aantal IPPC-installaties met bovengemeentelijke milieugevolgen of een hoog milieurisico vallen onder de Richtlijn industriële emissies (Rie) Voor een IPPC-installatie gelden Europees overeengekomen maatregelen die de toepassing van Best Beschikbare Technieken vereisen. Een aantal andere activiteiten met bovengemeentelijke milieugevolgen of een hoog milieurisico. Complexe bedrijven zijn veelal vergunningplichtig voor meerdere activiteiten. Denk aan milieubelastende activiteiten, maar ook voor bijvoorbeeld het lozen van afvalwater. Bij complexe bedrijven geldt de 'eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag'-regel van artikel 4.16 Omgevingsbesluit. Bij complexe bedrijven is dus in principe de provincie niet alleen het bevoegd gezag voor de milieubelastende activiteiten, maar ook voor alle andere activiteiten. De reden hiervoor is dat deze andere activiteiten mogelijk ook invloed hebben op het beheersen van milieurisico’s binnen complexe bedrijven. De Richtlijn industriële emissies (Rie) en de Seveso-richtlijn eisen namelijk een samenhangende benadering van de milieugevolgen van deze bedrijven. Een uitzondering op de regel zijn de wateractiviteiten waarvoor het waterschap bevoegd gezag is. Voorbeelden van complexe bedrijven Afvalbeheer IPPC-installaties Basischemie Basismetaal Complexe minerale industrie Complexe papierindustrie, houtindustrie en textielindustrie Grootschalige energieopwekking Grootschalige mestverwerking Kadavers of dierlijk afval Maken van cokes Raffinaderij Seveso-inrichting Stortplaats of winningsafvalvoorziening Verbranden van afvalstoffen in een IPPC-installatie Vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen 2.Doel van de wetgeving De overheid moet zorgen voor een veilige en schone leefomgeving. De provincie heeft wettelijke/ (boven)regionale taken op het gebied van geluid, stilte, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Het betreft het beperken van de milieubelasting vanuit diverse bronnen naar waarden die niet negatief bijdragen aan de gezondheid van de inwoners. 3.Provinciale ambities In de Omgevingsvisie is de algemene doelstelling ‘het bevorderen van een gezonde leefomgeving’ terug te vinden. Onderstaande lange termijndoelstellingen zijn relevant voor deze kerntaak: 2050: het streven naar een gezonde en veilige leefomgeving: de milieukwaliteit is goed, de veiligheid is gewaarborgd, bewegen wordt gestimuleerd, er zijn voldoende ontspannings- en ontmoetingsmogelijkheden en iedereen doet mee. 2040: voor bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen is het streven naar het niet verder toenemen van de geluidhinder, een geluidsbelasting van maximaal 60 dB is, gegeven de huidige infrastructuur, acceptabel. 2040: het hebben van voldoende stiltegebieden. 2040: het beperken van de toename van risico’s van opslag en transport van gevaarlijke stoffen en van straling door hoogspanningslijnen, evenals geur- en geluidhinder door industriële bedrijven en lichthinder. 2030: minimale gezondheidsrisico’s als gevolg van geluidsbelasting, waarbij voor nieuwbouw voor woningen en andere geluidgevoelige gebouwen het streven is om te voldoen aan de WHO-advieswaarden voor geluid. Specifiek voor energiebesparing voortkomend uit de omgevingsvisie: “De meest duurzame vorm van energie is bespaarde energie. We willen het energiegebruik verminderen door besparingsmaatregelen in de gebouwde omgeving. We streven naar energie neutrale gebouwen en duurzaam bouwen. We ondersteunen hiertoe grootschalige projecten op het gebied van de verduurzaming van woonhuizen, appartementencomplexen, bedrijven, rijksmonumenten en maatschappelijk vastgoed”. Middels uitvoering van de VTH-taken is een bijdrage geleverd aan de outcome-doelstellingen van de provincie: Er zijn zo min mogelijk schadelijke emissies vanuit industrie, opwekking van energie. De economie is circulair, er komen zo min mogelijk voor de gezondheid schadelijke emissies of producten in de leefomgeving terecht. 4.Taakomschrijving Voor het uitvoeren van deze taak worden de meest relevante instrumenten hieronder uitgewerkt: Meldingafhandeling en beschikkingen Het afhandelen van vergunningaanvragen en meldingen van milieubelastende activiteiten, locaties en bedrijven waarvoor de provincie het bevoegd gezag is. Het gaat om 60, veelal grotere industriële en afvalverwerkende bedrijven en een 13-tal bedrijven die vallen de Seveso richtlijn en de RIE-4. Toezicht en handhaving Per Seveso- en/of RIE-4-bedrijf wordt programmatisch gewerkt. Voor deze bedrijven zijn specifieke, op Europese regelgeving gebaseerde, kwaliteitseisen van toepassing. Ieder Seveso- en RIE-4-bedrijf wordt voor toezicht en handhaving voorzien van een risicoanalyse en toezichtplan. Toezicht en handhaving voor complexe bedrijven zijn ondergebracht bij de RUD Utrecht en de Seveso- en RIE4-bedrijven bij de ODNZKG. Al deze bedrijven worden minimaal 1 maal per jaar integraal gecontroleerd of vaker indien nodig. Waar nodig wordt samengewerkt met de Veiligheidsregio Utrecht of de in provincie Utrecht gelegen waterschappen. Technische advisering Het betreft de (specialistische) technische adviezen die worden verleend om bijvoorbeeld een melding af te handelen, een vergunning te verlenen of een zorgvuldig afgewogen besluit te nemen of voor te bereiden. Deze kunnen over diverse onderwerpen gaan. Data en digitale ondersteuning Het gaat bij deze taak om het beheer van het complexe bedrijvenbestand: milieu-relevante informatie van bedrijven zoals de daarvoor afgegeven vergunningen en meldingen, uitgevoerde controles en handhavingstrajecten, ingediende meldingen, opgeslagen milieugevaarlijke stoffen in tanks en emballage, aanwezige voorzieningen en dergelijke. Actualisatieprogramma Door diverse oorzaken verliezen afgegeven vergunningen hun actualiteit. Een actueel vergunningenbestand (milieu) draagt bij aan het verlagen van de milieudruk, bescherming van onze leefomgeving en verbetering van naleefgedrag. Actuele milieuvergunningen waarin de BBT (toepassing van Beste Beschikbare Technieken om emissies te beperken) voorschriften zijn opgenomen zijn beter toetsbaar en handhaafbaar. Voor het actueel houden van het vergunningenbestand heeft de provincie een actualisatieprogramma. In de komende periode ligt de nadruk bij de inzet van het instrument beschikkingen op het meewegen van de gezondheidsaspecten bij het toetsen van aanvragen of meldingen van initiatiefnemers. Hierbij wordt ook rekening gehouden met BBT en de minimalisatieverplichting die geldt voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Dit betekent dat als een bedrijf de emissie van ZZS niet kan voorkomen, het bedrijf de emissie tot een minimum moet beperken. Werkzaamheden uit provinciale ambities Ontwikkeling ZZS De ODNZKG voert voor de provincie Utrecht een inventarisatie uit naar zeer zorgwekkende stoffen. Het doel hiervan is een volledig en actueel inzicht in het gebruik en de emissies van (potentiële) ZZS bij de provinciale bedrijven. Dit is nodig om zeer zorgwekkende stoffen beter in beeld te krijgen en te bepalen of er humane risico’s zijn. Met dit verkregen beeld worden bedrijven aangesproken op hun wettelijke verplichtingen en vindt actualisatie van vergunningen op dit aspect risico-gestuurd plaats. Toezicht energiebesparingsplicht Als een locatie van het bedrijf of maatschappelijke instelling jaarlijks 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgas(equivalent) of meer gebruikt, dan ontstaat er een verplichting om energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder. Dit heet de energiebesparingsplicht. Wanneer dit het geval is, moet er één keer in de 4 jaar over worden gerapporteerd. Dit heet de informatieplicht energiebesparing. De energiebesparingsplicht is ingebed in de Omgevingswet. De regels staan dan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken Leefomgeving (Bbl en in de omgevingsvergunning. Vergunningplichtige en ETS-bedrijven vallen onder de algemene regel, energiebesparingsplicht wordt verbreed naar maatregelen voor verduurzaming van het energiegebruik en het toezicht op de verplichting wordt bij één partij (omgevingsdienst) belegd. De overgang en inbedding van de nieuwe regelgeving zal de nodige inspanning en urenbesteding met zich meebrengen bij omgevingsdiensten. Met de door het Rijk beschikbaar gestelde gelden in de SPUK THE (Specifieke Uitkering Toezicht en Handhaving Energiebesparing) kan de omgevingsdienst een verdere intensivering van het toezicht op energiebesparing realiseren. Deze gelden zijn voor vijf jaar beschikbaar. Hiermee kan extra interne toezichtcapaciteit voor de naleving van de energiebesparingsplicht gerealiseerd worden. Deze extra capaciteit wordt met name besteed aan extra fysieke controles, administratieve controles op de informatieplicht energiebesparing en opleiding van toezichthouders. Hiermee is de Omgevingsdienst in staat om een steeds grotere bijdrage te leveren aan de energietransitie. Met de ingang van de Omgevingswet vervallen alle vergunningsvoorschriften m.b.t. energie, hierdoor wordt het gehele provinciale bedrijvenbestand weer relevant voor energie toezicht door de Omgevingsdienst. 5.Risico’s en prioriteitstelling Risicoanalysemethodiek voor Seveso-inrichtingen en RIE-4-bedrijven-installaties Voor de prioritering wordt gebruik gemaakt van beschikbare methodieken m.b.t. risicoanalyse en prioritering van de provincie en van de ODNZKG (Seveso) en de omgevingsdienst (IPPC & RIE- 4). Op basis van de analyse ontstaat een (landelijke) ranking van Seveso-bedrijven met meer/minder prioriteit met als gevolg een hogere of lagere toezichtfrequentie (op landelijke schaal). Voor RIE-4-bedrijven past de omgevingsdienst de risicoanalysemethodiek toe (risico gestuurd toezicht: RGT). De risicoanalyse per bedrijf wordt ieder jaar geactualiseerd waarna het toezichtplan opgesteld of geactualiseerd wordt. Jaarlijks vindt een actualiteitstoets plaats (bijv. i.v.m. grote wijzigingen bij een bedrijf of een calamiteit). Op basis van de risicoanalyse zijn dit de hoogste risico’s: Activiteiten Risico Glasfabrieken: - glas en glasproducten, p.c. >= 5.000 t/j HOOG Afvalscheidingsinstallaties HOOG Veevoerfabrieken: - mengvoeder, p.c. < 100 t/u HOOG Zuivelproducten fabrieken: - melkproducten fabrieken v.c. >= 55.000 t/j MIDDELHOOG Koelinstallaties ammoniak > 400 kg MIDDELHOOG Vuiloverslagstations MIDDELHOOG Naast de VTH- inzet op de hoogste risico’s heeft de provincie de ambitie om de fraude bij biovergisters tegen te gaan. Dit betekent dat alle biovergisters in de provincie Utrecht prioriteit krijgen. Daarnaast ligt de focus op energiebesparing bij bedrijven. 6.VTH-doelstelling Doel van de inzet: Het naleefgedrag is minimaal 90%, zodat de kans op milieuschade- en hinder minimaal is. In de ideale situatie voeren alle bedrijven hun activiteiten uit volgens de wet- en regelgeving. Daarbij is vergunningverlening, toezicht en handhaving geen doel op zich. Goede naleving van regelgeving wordt gestimuleerd door een passende mix van informeren, verleiden, bijsturen en een goed gesprek. Handhaven vindt plaats wanneer nodig met passende sancties (bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk). Naast deze doelstelling zijn de opgenomen doelstellingen uit de regionale U&HS leidend. Voor energiebesparing gelden de volgende doelen: Alle controles met energieaspecten uitvoeren volgens het projectplan SPUK THE. De omgevingsdienst rapporteert halfjaarlijks over de voortgang van de energiecontroles. Het stimuleren van energiezuinigheid/ energiebesparing wordt meegenomen in het VTH-proces. Bewustwording creëren d.m.v. ter sprake brengen, verstrekken algemene info en verwijzing naar professionele partijen in het vooroverleg. 7.Monitoringsindicatoren Voor het monitoren van de VTH- doelstellingen worden de indicatoren uit de regionale U&HS gehanteerd. In relatie tot energiebesparing gelden de onderstaande indicatoren: Aantal uitgevoerde fysieke energiecontroles t.o.v. de geraamde energiecontroles Aantal administratieve controles uitgevoerd t.o.v. de geraamde administratieve energiecontroles Aantal waarschuwingsbrieven Aantal voornemen last onder dwangsommen Aantal last onder dwangsommen Specifiek voor de biovergisters geldt onderstaande indicator: Aantal- en soort overtredingen bij biovergisters Externe veiligheid 1.Wettelijk kader Het Rijk stelt het beleidskader en het juridische kader op voor externe veiligheid. De kaders hebben tot doel om de veiligheid voor- en in de omgeving van gevaarlijke stoffen te waarborgen. Gevaarlijke stoffen zijn bijvoorbeeld vuurwerk, lpg of munitie. In het Bal staan regels bij activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat bijvoorbeeld of voor die activiteiten een melding of een omgevingsvergunning nodig is. Daarnaast regelt het Bal wie het bevoegd gezag is. In het Bkl staan regels over omgevingswaarden, instructieregels (bijvoorbeeld voor omgevingsplannen), normen, beoordelingsregels (vergunningen) en regels voor monitoring (registratie van risico’s in het Register Externe Veiligheid). In het kader van de Omgevingswet is de belangrijkste verandering voor externe veiligheid; het werken met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Een zeer kwetsbaar gebouw is een nieuwe categorie gebouwen die overheden extra moeten beschermen. Het gaat om die gebouwen waarvan de gebruikers niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen. Denk hierbij aan ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, basisscholen et cetera. 2. Doel van de wetgeving De wet heeft als doel om risico’s in het kader van externe veiligheid te beperken. Het opslaan, verwerken of vervoeren van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee voor de omgeving. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit in de omgeving van een activiteit met gevaarlijke stoffen, of waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, moet het bevoegd gezag rekening houden met deze risico’s. 3.Provinciale ambities Als provincie hebben we een rol bij het bewaken van de externe veiligheid rondom auto-, spoor- en waterwegen. Gemeenten wijzen de wegen aan waarover vrachtwagens met gevaarlijke stoffen mogen rijden. Wij hebben (op grond van diezelfde wet) een coördinerende taak. We beperken het transport van gevaarlijke stoffen in de bebouwde kom door een provincie dekkende gemeentelijk routering in stand te houden. Om de vijf jaar worden telgegevens over het vervoer van gevaarlijke stoffen verzameld. Hiermee stellen we een risicoanalyse op. We zorgen ook voor verwerking van de resultaten in een risicoregister. Binnen de provincie Utrecht hanteren we zoveel mogelijk de normeringen uit de nationale wetgeving. Waar mogelijk worden bestaande externe veiligheidsrisico’s verkleind met maatregelen bij bedrijven zelf, bij de mogelijke bron van de calamiteit. Bij risicobronnen die onvermijdelijk zijn worden maatregelen genomen tegen de effecten van een calamiteit. We kiezen voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken (Seveso-bedrijven) en kwetsbare functies. Bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken moeten zich op veilige afstand van kwetsbare functies te bevinden. Het gaat daarbij om drie situaties die voorkomen moeten worden: dat een nieuw Seveso-bedrijf zich te dicht bij een kwetsbare functie vestigt; dat kwetsbare functies worden gerealiseerd in de nabijheid van een Seveso-bedrijf of; een situatie waarbij door uitbreiding van een Seveso- bedrijf kwetsbare functies binnen de risicocontouren van dat bedrijf komen te liggen. 4. Taakomschrijving Voor het uitvoeren van deze taak worden de meest relevante instrumenten hieronder uitgewerkt: Technische advisering Advies op het milieuaspect externe veiligheid op verzoek. Er wordt advies gegeven met als doel het beschermen van het leefmilieu, de gezondheid van inwoners en de omgeving veiligstellen en tegelijkertijd initiatieven mogelijk maken (bijvoorbeeld bij ruimtelijke ordening is externe veiligheid een wettelijk verplicht onderdeel). Het schrijven van een EV-paragraaf voor het RO-besluit (in overleg met de opdrachtgever). De omgevingsdienst beschikt over de benodigde kennis en vaardigheden om risicoberekeningen te maken en beoordelen. 5. Risico’s en prioriteitstelling Hiervoor is geen aparte risicoanalyse uitgevoerd. 6. VTH-doelstelling Alle zeer kwetsbare gebouwen zijn en blijven in beeld. Dit doen we in samenwerking met de gemeenten en de veiligheidsregio. Alle aandachtsgebieden zijn vastgesteld. 7. Monitoringsindicatoren Het aantal adviezen op milieuaspecten externe veiligheid op verzoek van het bevoegd gezag. Het aantal en de locatie van zeer kwetsbare gebouwen. Het aantal en de locatie van aandachtsgebieden. Vuurwerk 1.Wettelijk kader Op basis van het Vuurwerkbesluit en de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk is de provincie bevoegd gezag voor het verlenen van ontbrandingstoestemmingen vuurwerk. Het is verboden om zonder ontbrandingstoestemming vuurwerk af te steken. Onder de Omgevingswet zijn regels opgenomen over interne en externe veiligheidsafstanden, opslag in een brandcompartiment en het hebben van een sprinkler- en brandmeldinstallatie. Een omgevingsvergunning is nodig voor het opslaan, herverpakken of bewerken van: meer dan 25 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van categorie T1 of T2 meer dan 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 vuurwerk van categorie F4 vuurwerk dat niet in artikel 2.1.1 van het vuurwerkbesluit staat als vuurwerk voor particulier gebruik. 2. Doel van de wetgeving De wet heeft als doel om risico’s in het kader van externe veiligheid te beperken. 3. Provinciale ambities Ons doel is om op verantwoorde wijze rekening te houden met consequenties van en voor het milieu en de omgeving om milieuschade te voorkomen en/of te beperken. Middels uitvoering van de VTH-taken is een bijdrage geleverd aan de outcome-doelstelling van de provincie: Inrichting en gebruik zijn aangepast aan de eisen van klimaat: gezondheid en veiligheid zijn daarbij geborgd. 4. Taakomschrijving Voor het uitvoeren van de wettelijke taken kunnen we de volgende instrumenten inzetten: Meldingafhandeling, beschikkingen, toezicht, handhaving, technische advisering, data en digitale ondersteuning, klachtafhandeling. De taak wordt ingevuld via het verstrekken van vergunningen, het beoordelen van meldingen en toezicht en handhaving op ontbranden. De Omgevingsdienst voert voor ons de volgende taken uit: Afhandeling meldingen en ontbrandingstoestemmingen Toezicht en handhaving vuurwerkevenementen Er is één provinciaal bedrijf dat beschikt over opslag van vuurwerk. Dit bedrijf wordt jaarlijks gecontroleerd door de ODNZKG. 5. Risico’s en prioriteitstelling De hoeveelheid en aard van het vuurwerk, de locatie en de ervaring van en met degene die het verwerk afsteekt hebben invloed op het risico. We stemmen (de intensiteit) van ons toezicht hierop af. Wij volgen hiervoor de landelijke toetsingscriteria. Er wordt gebruik gemaakt van een landelijke Handreiking Vuurwerk en Natuur, die wordt gebruikt bij het beoordelen van aanvragen en meldingen van vuurwerkevenementen. Interprovinciaal wordt er ook gewerkt aan criteria hoe om te gaan met vuurwerkaanvragen in periodes van grote droogte en wordt er gezocht naar een effectievere manier van afvoer van in beslag genomen illegaal vuurwerk. 6. VTH-doelstelling Bij het ontbranden van vuurwerk wordt in 100% van de gevallen voldaan aan de vereiste veiligheidsmaatregelen. Alle meldingen en toestemmingen zijn verleend binnen de wettelijke termijn. In 100% van de gevallen volgt negatief advies als er sprake is van een stiltegebied of een Natura 2000-gebied. Het naleefgedrag is minimaal 85% (spontaan naleefgedrag) en na hercontrole een naleefgedrag van 90%. 7. Monitoringsindicatoren Aantal ontvankelijke meldingen ten opzichte van de ingediende meldingen. Aantal uitgevoerde fysieke controles in relatie tot de overtredingen die zijn begaan (soort overtredingen en ingezette strategie) en het registeren van de overtreder. Aantal binnenkomende aanvragen voor ontbrandingtoestemmingen in relatie tot de hoeveelheid afgehandelde aanvragen en het aantal uitgevoerde controles in relatie tot de overtredingen die zijn begaan (soort overtredingen en ingezette strategie) en het registeren van de overtreder. Bodem 1.Wettelijk kader Voor bodem geldt onder de Omgevingswet het aanvullingsspoor bodem. Deze bestaat uit de Aanvullingswet bodem, het Aanvullingsbesluit en de Aanvullingsregeling. Het aanvullingsspoor bodem voegt de volgende milieubelastende activiteiten toe aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): graven in bodem met een kwaliteit boven interventiewaarde graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde het op of in de bodem brengen van meststoffen opslaan, zeven, ontwateren en samenvoegen van grond of baggerspecie saneren van de bodem toepassen van bouwstoffen toepassen van grond of baggerspecie toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen Het aanvullingsspoor bodem regelt een meldingsplicht voor een lozing bij een aantal van deze milieubelastende activiteiten (Bal, hoofdstuk 6 en 7). Op basis van afdeling 3.3 Bal is de provincie bij complexe bedrijven (zie taakblad complexe bedrijven) bevoegd gezag voor de milieubelastende activiteiten die met de bodem te maken hebben (zoals graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Met de komst van de Omgevingswet zijn bodemtaken van bevoegd gezag van de provincie naar de gemeenten verschoven. Vanaf 1 januari 2024 blijft alleen die taken die onder het overgangsrecht vallen alsmede de taken m.b.t. grondwater bij de provincie. De verwachting is dat de toezicht- en handhavingstaken op het gebied van bodemtaken die onder het overgangsrecht vallen (snel) zullen afnemen. Het overgangsrecht houdt pas op als de sanering is afgerond en het bevoegd gezag Wbb een besluit heeft genomen over het evaluatieverslag en/of een nazorgplan. Op de eventuele nazorg (bijvoorbeeld het in stand houden van een bij de bodemsanering aangebrachte afdeklaag of leeflaag) blijft wel overgangsrecht gelden. 2. Doel van de wetgeving De wet stelt regels om de bodem te beschermen. 3. Provinciale ambities In onze Omgevingsvisie staat dat wij een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem willen ontwikkelen en dat we het afremmen van bodemdaling willen bevorderen: 2050: het bodem- en watersysteem (zowel grondwater als oppervlaktewater) is blijvend robuust en kan veerkrachtiger omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte. Hier werken wij continu aan. 2050: de ondergrond en het bodem- en watersysteem worden duurzaam gebruikt, waarbij gebruik en functies van de ondergrond en het bodem- en watersysteem in samenhang met de bovengrondse opgaven worden bekeken, zodat de juiste functie op de juiste plek ligt. 2050: wij hebben op een veilige en verantwoorde manier de duurzame energie die het bodem- en watersysteem levert zo optimaal mogelijk benut. 2030: de bodemdaling in het landelijk veenweidegebied is met gemiddeld 50% geremd. Het Bodem- en waterprogramma beschrijft welke beleidskeuzes wij de komende jaren maken om uitdagingen aan te pakken, welke rol de provincie hierin neemt en welke acties we zullen uitvoeren. Samenwerking met onder meer waterschappen, gemeenten en maatschappelijke organisaties staat centraal. De provincie stelt zich voor nu en in de toekomst een zorgvuldig, veilig en duurzaam gebruik van de ondergrond (bodem, grondwater en diepe ondergrond) ten doel. In dit kader is het belangrijk om ernstige en nieuwe verontreinigingen in de bodem te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te laten maken. Daarnaast is handhaving gericht op naleving van voorschriften, zoals opgenomen in beschikkingen, en het tegengaan van mogelijke illegale handelingen. We leveren een bijdrage door de inzet van VTH aan de volgende outcome doelstellingen; Inrichting en gebruik zijn aangepast aan de eisen van klimaat: gezondheid en veiligheid zijn daarbij geborgd. Er zijn zo min mogelijk schadelijke emissies vanuit industrie, opwekking van energie en de landbouw. De landbouw draagt positief bij aan de gezondheid van mens en natuur. 4. Taakomschrijving Voor het uitvoeren van deze taak worden de meest relevante instrumenten hieronder uitgewerkt: Meldingafhandeling Een melding is nodig als het gaat om een meldingsplichtige milieubelastende activiteit. De provincie beoordeelt of de melding voldoet aan de wettelijke verplichtingen. De provincie kan om meer gegevens of aanvullende maatregelen opvragen. Wanneer de provincie oordeelt dat de aanvrager verwijtbaar nalatig is geweest, kunnen sancties volgen. Beschikkingen De provincie is bevoegd gezag voor het nemen van beschikkingen op grond van de Wet bodembescherming en heeft als wettelijke taak de verplichting om erop toe te zien dat ernstige bodem- en grondwaterverontreinigingen worden gesaneerd. Toezicht Het toezicht en de handhaving bij de uitvoering van saneringen gebeurt op basis van goedgekeurde saneringsplannen of de Besluit Uniforme Saneringen (BUS) melding, de controle op de locatie en beoordeling van het evaluatierapport. Het gaat om locaties die eerder beschikt/goedgekeurd zijn en in uitvoering komen. Handhaving De provincie is wettelijk belast met een systematische en adequate (preventieve) handhaving, gericht op de naleving van voorschriften zoals die zijn gesteld in de beschikkingen die zij als bevoegd gezag heeft genomen. Het gaat om locaties die eerder beschikt/goedgekeurd zijn en in uitvoering komen/die al in uitvoering zijn. Data en digitale ondersteuning We maken gebruik van het bodeminformatiesysteem (BIS) dat inzicht geeft in de bodemgesteldheid, uitgevoerde bodemonderzoeken, bodemsaneringen, grondverzet en bodemkwaliteit. Klachtafhandeling De provincie handelt klachten volgens de visie van de Nationale ombudsman. De provincie maakt daarbij gebruik van een klachtenanalysetool. 5. Risico’s en prioriteitstelling Activiteiten Risico Zorgplicht: niet melden van een calamiteit HOOG Grondwatersanering onder OW / Omgevingsverordening HOOG Sanering op basis van Wbb (overgangsrecht) beschikking spoed HOOG Niet melden van een ongewoon voorval MIDDELHOOG 6. VTH-doelstelling Tijdens (vrije veld) toezicht neemt het geconstateerde aantal gevallen van niet gemelde calamiteiten en ongewone voorvallen gedurende 4 jaar, bij gelijkblijvende inzet, af. Gebiedscontroles dragen bij aan de afname van het aantal niet volledig en helemaal niet gemelde en/of uitgevoerde grondwatersaneringen. Inzicht verkrijgen in ZZS. We formuleren nieuwe VTH-doelstellingen zodra het beeld over de gevolgen van de OW daar voldoende voeding voor geeft. 7. Monitoringsindicatoren Aantal geconstateerde niet gemelde calamiteiten en ongewone voorvallen Aantal geconstateerde niet volledig en niet gemelde en/of uitgevoerde grondwatersaneringen Aantal geconstateerde niet volledig en niet gemelde en/of uitgevoerde sanering o.b.v. WBB-beschikking Spoed Aantal spoedlocaties Aantal procedures Aantal overtredingen Aantal LOD Ontgrondingen 1.Wettelijk kader Ontgrondingen zijn werkzaamheden die, tijdelijk of permanent, iets aan of in de hoogteligging van een terrein veranderen of waarbij de bodem van een water wordt verlaagd. Gedeputeerde Staten is bevoegd gezag voor ontgronding voor de gehele provincie met uitzondering van zomerbed van Rijks rivieren. In het winterbed besluit GS met instemming van de minister op vergunningaanvragen. De rijksregels staan in het Bal. De provinciale regels ten aanzien van ontgrondingen staan in de omgevingsverordening. 2.Doel van de wetgeving De regels zijn bedoeld om bijvoorbeeld het landschap, archeologische vindplaatsen en het diepe grondwater (nodig voor bijvoorbeeld drinkwater en natuur) te beschermen. Maar ook om te voorkomen dat er niet te veel hinder van de werkzaamheden wordt ondervonden. 3.Provinciale ambities Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor ontgrondingen voor delfstoffenwinning hanteert de provincie Utrecht als beleid dat de herinrichting van de locatie een duidelijke meerwaarde moet opleveren voor de ruimtelijke kwaliteit of functievervulling van de ontgrondingslocatie en de omgeving. Bij ontwikkelingen in het landschap van de Utrechtse Heuvelrug vragen we aandacht voor het in stand houden van het reliëf en voor het in stand houden van het samenhangend boscomplex. Vanwege het reliëf en de overige kwaliteiten van de Heuvelrug willen we in dit gebied geen grootschalige ontgrondingen. Kleinschalige ontgrondingen voor natuurontwikkeling of recreatieve ontwikkeling zijn wel mogelijk, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten. Middels uitvoering van de VTH-taken wordt een bijdrage geleverd aan de outcome-doelstellingen van de provincie: Er is, in relatie tot het aantal inwoners en bezoekers, voldoende, kwalitatief hoogwaardige groenblauwe ruimte, deels rustig/ stil, die voor verschillende doelgroepen uitnodigend is. Inrichting en gebruik zijn aangepast aan de eisen van klimaat: gezondheid en veiligheid zijn daarbij geborgd. 4.Taakomschrijving Voor het uitvoeren van deze taak worden de meest relevante instrumenten hieronder uitgewerkt: Technische advisering Beleidsondersteuning en advies Beschikking en toezicht De Omgevingsdienst verleent de vergunningen namens de provincie Utrecht (beschikking) en houdt toezicht op de naleving hiervan. De toezichthouders letten hierbij bijvoorbeeld op hoeveel grond er wordt afgegraven, om welke grondsoort het gaat en hoe diep er wordt afgegraven. De toezichthouders surveilleren daarnaast. Hierbij controleren zij of ontgrondingswerkzaamheden volgens de regels worden uitgevoerd en hier – indien nodig – een vergunning voor is. Gerelateerd werk Om meer zicht te krijgen op de risico’s voor deze taak is het zaak om een risicoanalyse uit te voeren. Bij de provincie Utrecht is het onderwerp Ontgrondingen niet beleidsmatig geborgd. 5.Risico’s en prioriteitstelling Er is geen actuele risicoanalyse voor dit onderdeel uitgevoerd. Uitvoering is gebaseerd op wettelijke bepalingen en de Omgevingsverordening. 6.VTH-doelstelling In 2024 maken we een risicoanalyse voor ontgrondingen en brengen we de benodigde (beleids)capaciteit in beeld. We borgen de eventueel benodigde beleidscapaciteit voor deze taak binnen de organisatie. 7. Monitoringsindicatoren Actuele risicoanalyse (RA) Capaciteitsbehoefte op basis van de RA is in beeld Borgingsplan capaciteit Water 1.Wettelijk kader De meeste grondwatertaken liggen bij de provincie. De provincie beschermt de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingszones. Dat gebeurt met het oog op de winning van grondwater voor de bereiding van water bestemd voor menselijke consumptie (artikel 2.18 Omgevingswet). De omgevingsverordening bevat verboden en vrijstellingen voor activiteiten op- of in de bodem die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. In het Bal gaat over wateronttrekkingsactiviteiten van grondwater (en de bijbehorende infiltraties) waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Dit zijn bijvoorbeeld: het oppompen van water uit grondwater of oppervlaktewater om er drinkwater van te maken of het gebruik van rivierwater voor koeling in een productieproces. Wij zijn verantwoordelijke voor onttrekkingen van grondwater i.v.m. de openbare drinkwatervoorziening en industriële toepassingen > 150.000 m3 p/j (art. 16.1 en 16.3 Bal) en de milieubelastende activiteit open bodemenergiesystemen (art. 3.18 e.v. Bal) Ook bevat het Bal kaders voor open bodemenergiesystemen. Bij open bodemenergiesystemen is vooral sprake van verplaatsing van grondwater. Het bodemenergiesysteem onttrekt water en brengt het na gebruik terug in de bodem. Open bodemenergiesystemen kan men ook alleen voor verwarming of alleen voor koeling gebruiken. Open bodemenergiesystemen zijn vergunningplichtig. Dit volgt uit artikel 3.19 lid 1 onder a van het Bal. Systemen <10 m3/u zijn niet vergunningplichtig. Hiervoor is een melding voldoende. Bijzonderheden: Met het einde van de Wbb en de komst van de Omgevingswet verschuiven de verantwoordelijkheden. Individuele gemeenten zijn verantwoordelijk voor de bodemkwaliteit en de directe en indirecte humane en ecologische risico’s die uit (historische) verontreinigingen kunnen volgen. Risico’s voor de leefomgeving kunnen ook worden veroorzaakt door een verontreiniging in het grondwater; gemeenten hebben dus ook een verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van dat grondwater. De provincie Utrecht blijft verantwoordelijk voor het behalen van de Kader Richtlijn Water (KRD) doelen voor grondwater. Het is dus van groot belang bij het op de juiste wijze opruimen van historische verontreinigingen. De provincie Utrecht kan daarom besluiten sommige bevoegdheden naar zich toe te trekken, zoals het reguleren van de activiteit grondwatersanering. Daarnaast blijft de provincie het bevoegd gezag voor historische verontreinigingen die onder het overgangsrecht vallen. Waterschappen moeten de bescherming van de grondwaterkwaliteit, en daarmee ook grondwaterverontreinigingen, meenemen in het beoordelen van wateractiviteiten. Vanwege de overlap in verantwoordelijkheden en de beleidsruimte die de Omgevingswet alle overheden biedt, is het belangrijk om goede afspraken te maken over zowel de inhoud van de beleidskeuzes die alle overheden maken op het gebied van bodemkwaliteit, als de manier waarop de samenwerking in processen (bijvoorbeeld bij vergunningverlening) plaatsvindt. 2.Doel van de wetgeving Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Bij wateronttrekkingsactiviteiten speelt met name het voorkomen of beperken van waterschaarste en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen een rol. Zoet grondwater is een waardevolle grondstof die voor velerlei doelen kan worden gebruikt. De regels hebben ook de bescherming van de chemische kwaliteit van grondwaterlichamen als oogmerk. Infiltraties kunnen leiden tot verslechtering van de grondwaterkwaliteit en grondwateronttrekkingen kunnen ertoe leiden dat bestaande verontreinigingen worden verplaatst. 3.Provinciale ambities In de Omgevingsvisie staan de volgende doelstellingen die relevant zijn voor deze kerntaak: Klimaatbestendig en waterrobuust 2050: het bodem- en watersysteem is blijvend robuust en kan veerkrachtiger omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte. 2050: de provincie Utrecht is klimaatbestendig en waterveilig ingericht. 2050: de ondergrond en het bodem- en watersysteem worden duurzaam gebruikt, waarbij gebruik en functies van de ondergrond en het bodem- en watersysteem in samenhang met de bovengrondse opgaven worden bekeken, zodat de juiste functie op de juiste plek ligt. 2050: wij hebben op een veilige en verantwoorde manier de duurzame energie die het bodem- en watersysteem levert zo optimaal mogelijk benut. 2050: nieuwe opkomende stoffen, zoals medicijnresten, microplastics en PFAS, in grond- en oppervlaktewater zijn integraal onderdeel van het waterkwaliteitsbeleid. Hierna volgen een aantal beleidskeuzes : De provincie Utrecht beschikt over een grote voorraad kwalitatief goed grondwater die geschikt is voor vele doeleinden. Het is belangrijk te voorkomen dat daar zoveel aanspraak op wordt gemaakt dat er onvoldoende aanvulling plaats kan vinden. Daarom sluit de huidige praktijk aan bij elke nieuwe onttrekking om te kijken wat het belang van de aanvrager is en hoe deze zich verhoudt tot de andere belangen en de grondwatervoorraad in zijn totaliteit. Grondwateronttrekkingen kunnen namelijk negatieve effecten hebben op andere van het grondwater afhankelijke belangen. In het geval van significante negatieve effecten moeten maatregelen worden getroffen om die effecten zoveel mogelijk tegen te gaan. Bij beoordeling wordt gekeken of: Er aanvaardbare alternatieven voor de onttrekking voorhanden zijn. De onttrekking anders kan worden uitgevoerd, zodat de omvang ervan kan worden beperkt. De effecten van de onttrekking (op korte termijn) omkeerbaar zijn. In het uiterste geval schadecompensatie mogelijk is. In het programma bodem en water is een toetsingskader voor vergunningen opgenomen: - Kwalitatief goed grondwater wordt zoveel mogelijk alleen gebruikt voor hoog- en middelwaardige doeleinden. De initiatiefnemer beschrijft welke alternatieve bronnen zijn overwogen en waar waterbesparende maatregelen zijn genomen om de aanvraag te beperken. Het belang van de aanvrager van de vergunning wordt afgewogen tegen de effecten van de onttrekking op andere van het grondwater afhankelijke belangen. De beoordeling van effecten wordt gedaan op basis van de cumulatieve effecten van alle onttrekkingen in de omgeving en op de vergunningscapaciteit. Waar mogelijk wordt gekeken of het onttrokken water zoveel mogelijk terug in de bodem kan worden gebracht. Hierbij wordt gehoor gegeven aan de voorkeursvolgorde van het lozen. Waar de effecten van onttrekkingen tot buiten de provincie reiken, worden andere grondwaterbeheerders (provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat) bij de belangenafweging betrokken. Dit wordt ook verwacht van de andere grondwaterbeheerders. Via toezicht en handhaving wordt naleving van de voorschriften bewerkstelligd, zowel op korte als op lange termijn. Waar nodig stellen we, via maatwerkvoorschriften in de vergunning voor een grondwatersanering, eisen voor het monitoren (fysiek meten) van de grondwaterpluim aan initiatiefnemers. Dit is afhankelijk van de beoordeling en de eventuele saneringsaanpak van de grondwaterverontreiniging. Daarnaast worden de in een beschikking opgenomen monitoringsverplichtingen bij bestaande historische grondwaterverontreinigingen voor zover nodig gecontinueerd. Een deel van de maatregelen uit het Uitvoeringsprogramma Drinkwater 2021-2027 is meegenomen bij het formuleren van de maatregelen voor de KRW. In de periode 2021-2027 omvat de opgave voor de grondwaterwinningen de volgende onderdelen: Beter benutten van de vergunningscapaciteit (beperkingen in de binnen de vergunning te onttrekken hoeveelheid opgepompt water per tijdseenheid, oftewel het ‘debiet’, zijn bijvoorbeeld aanwezige bodemverontreinigingen, de toestand van de natuur, verzilting en verstopping). Continueren van de vergunningplicht voor nieuwe industriële winningen en eigen winningen bestemd voor menselijke consumptie. Bij de vergunningaanvraag worden bedrijven gevraagd om een nulmeting ten opzichte van de kwaliteit van het grondwater en ook een risicoanalyse/feitendossier. In de vergunning wordt in het kader van de KRW een monitorings- en rapportageverplichting opgenomen, ook voor winningen die onder de bevoegdheid van de waterschappen vallen. Beter inzicht in de aanwezigheid en risico’s van bodemenergiesystemen. Het vaststellen van de biologische doelen voor niet-KRW-wateren om de actuele kwaliteiten en ambities zichtbaar te maken als toetsingskader voor het beleid voor ruimtelijke ontwikkeling, omgevingsplannen en -vergunningen. Soms komt het voor dat het verlenen van een onttrekkingsvergunning voor hoogwaardiger gebruik onevenredig wordt belemmerd door een bestaande onttrekking voor laagwaardiger gebruik. In dergelijke gevallen overwegen om de vergunning voor het laagwaardiger gebruik in te trekken. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een bodemenergiesysteem aanwezig is in het te beschermen intrekgebied van een nieuwe (of verplaatste) winning voor de drinkwatervoorziening. Als in het uiterste geval wordt geconcludeerd dat het bodemenergiesysteem de toekomstige winning negatief zal beïnvloeden, kan de vergunning voor het bodemenergiesysteem worden ingetrokken. Hierbij wordt wel een zorgvuldige procedure in acht genomen en wordt schade vergoed conform de voorschriften in de Waterwet (na inwerkingtreding: de Omgevingswet). Nieuwe toekomstige winningen voor de drinkwatervoorziening buiten de strategische grondwatervoorraad zijn in uitzonderingsgevallen mogelijk. Een aanvraag daartoe zal alleen gehonoreerd worden als een geschikte locatie binnen de strategische grondwatervoorraad aantoonbaar niet voorhanden blijkt. Bij vergunningverlening voor een nieuwe winning voor de drinkwatervoorziening in de strategische grondwatervoorraad, op een locatie in de nabijheid van stedelijk gebied of door vastgestelde ontwikkellocaties, rekening houdend met vergunde bodemenergiesystemen. Ook wat betreft nog ongebruikte potentie voor grootschalige bodemenergie binnen stedelijk gebied en de genoemde ontwikkellocaties Middels uitvoering van de VTH-taken is een bijdrage geleverd aan de outcome-doelstellingen van de provincie: Inrichting en gebruik zijn aangepast aan de eisen van klimaat: gezondheid en veiligheid zijn daarbij geborgd. 4.Taakomschrijving Voor het uitvoeren van deze taak worden de meest relevante instrumenten hieronder uitgewerkt: Technische advisering en meldingsafhandeling De omgevingsdienst beoordeelt voor de provincie meldingen van voorgenomen activiteiten van gemeenten en initiatiefnemers en geeft aan hen advies. Adviezen worden altijd kortgesloten met het betrokken drinkwaterbedrijf. De omgevingsdienst fungeert als vraagbaak voor bedrijven, agrariërs, belangenorganisaties en particulieren. De activiteiten zijn onderverdeeld in activiteiten binnen complexe bedrijven (via het DSO binnenkomende adviesverzoeken die onderdeel uitmaken van een omgevingsvergunning) en buiten complexe bedrijven (deze meldingen komen vaak binnen via de telefoon of de e-mail). Daarnaast vindt ook informatieverstrekking over verboden/vrijstellingen binnen beschermingszones plaats. Beschikkingen De vergunningverlening van grondwateronttrekkingsactiviteiten, openbodemenergiesystemen voert de omgevingsdienst uit. Het gaat om specifiek aangewezen wateronttrekkingsactiviteiten – grondwateronttrekkingen en, kort gezegd, daarmee samenhangende infiltraties voor industriële toepassingen van meer dan 150.000 m3 water per jaar of de openbare drinkwatervoorziening of voor de milieubelastende activiteit Aanleg en gebruik open bodemenergiesystemen (warmte- en koudeopslag). Toezicht en handhaving De toezicht- en handhavingstaken voert de omgevingsdienst uit. De jaarlijks onttrokken hoeveelheden en de verdeling over de provincie worden geregistreerd en gecommuniceerd met de provincie. Op basis van de onttrokken jaarhoeveelheden int de provincie grondwaterheffingen. Om vast te stellen hoe waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en borings-vrije zones ervoor staan, worden vier instrumenten gebruikt: administratieve controles, fysieke controles, gebiedscontroles en gebiedsschouwen. Dit gebeurt in afstemming met het betrokken drinkwaterbedrijf en andere handhavingspartners in het gebied. Vergunningverlening en toezicht/handhaving van bodemenergiesystemen worden ingezet om kansen voor initiatiefnemers van duurzame bodemenergie te maximaliseren, bodembelangen integraal af te wegen en te sturen op doelmatig gebruik van de ondergrond en de efficiënte werking van WKO-systemen. Ook is de provincie verantwoordelijk voor het voorkomen en ongedaan maken van illegale onttrekkingen (en infiltraties). 5.Risico’s en prioriteitstelling Activiteiten Risico Activiteiten grondwaterbeschermingszones en watervergunningen waarvoor provincie BG (open bodemenergie wordt MBA) Overtreding bij grondwateronttrekking voor openbare drinkwatervoorziening HOOG Meer onttrokken dan vergund HOOG Te veel energie of te grote energie-onbalans (temperatuurverschil) HOOG Mogelijke risico's overtredingen verordening in grondwaterbeschermingszones Afvaldumping MIDDELHOOG Op grond van verordening illegale bedrijfsactiviteiten MIDDELHOOG Boren door beschermende lagen in grondwaterbeschermingszones MIDDELHOOG Bestrijdingsmiddelen MIDDELHOOG Verboden in waterwingebied (art. 3.16 omgevingsverordening) Overtreding van het verbod 3.13 Het is in het Waterwingebied Bethunepolder verboden bestrijdingsmiddelen voorhanden te hebben, in voorraad te hebben of toe te passen. HOOG Verboden in grondwaterbeschermingsgebieden Overtreding van het verbod 3.27 Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een milieubelastende activiteit uit te voeren, bedoeld in de lijst in bijlage V MIDDELHOOG Overtreding van het verbod 3.29 Het is verboden in Grondwaterbeschermingsgebied Waterwingebied Bethunepolder: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van Y meter of meer onder maaiveld; en HOOG b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van Y meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone. HOOG Verboden in boringsvrije zones, 3.51 het is verboden in Boringsvrije zones: Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van Y meter of meer onder maaiveld; en HOOG Boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van Y meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone. HOOG 6.VTH-doelstelling Kwalitatief goed grondwater wordt zoveel mogelijk alleen gebruikt voor hoog- en middelwaardige doeleinden. Behouden goede kwaliteit en kwantiteit van het grondwater. Activiteiten met negatieve effecten op de kwalitatieve en kwantitatieve effecten van grondwater nemen af met 95% Bij het onttrekken van grondwater voor industrieel gebruik (>150.000 m3/
  5. j)is het spontaan naleefgedrag 95% en het toezichtseffect 100% Bij het onttrekken van grondwater voor bereiding van drinkwater is het spontaan naleefgedrag 95% en het toezichtseffect 100%. Doelmatig gebruik van de ondergrond: gebruik van grondwater en ondergrond past bij doel van de vergunning. 100% verleende vergunning zijn passend bij gebruik. Juridische verkenning naar mogelijkheid om vergunningen te verkleinen. Beschermende werking slecht doorlatende lagen behouden ter bescherming van het grondwater. Geen boringen in gebieden waar dit niet is toegestaan. 100% van de boringen zijn geplaatst volgens de landelijk geldende protocollen. Doelmatig functioneren van bodemenergiesystemen. Bij het gebruik van open bodemenergiesystemen is het (spontaan) naleefgedrag 95% en het toezichtseffect 100%. Vergroten van de kennis van regels uit de verordening met als doel spontaan naleefgedrag vergroten. Versterken samenwerking terreinbeheerders en andere bevoegd gezagen met als doel elkaars oren en ogen te zijn. 7. Monitoringsindicatoren Aantal binnenkomende aanvragen in relatie tot de hoeveelheid afgehandelde aanvragen. Aantal uitgevoerde controles in relatie tot de overtredingen die zijn begaan (soort overtredingen en ingezette strategie) en het registeren van de overtreder. Zwemwater 1.Wettelijk kader Voor zwemwaterlocaties in oppervlaktewater is de EU-Zwemwaterrichtlijn van kracht. De waterkwaliteit moet voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen van de Europese zwemwaterrichtlijn en de Nederlandse wetgeving. De zwemwaterwetgeving is opgenomen in de Omgevingswet, voor zwemgelegenheden in oppervlaktewater in het BKL en in het BAL staan de algemene rijksregels die gelden voor de activiteit ‘gelegenheid bieden tot zwemmen en baden’. Voor de 4 verschillende soorten gelegenheden die er zijn om te zwemmen en baden (badwaterbassin met gedesinfecteerd water, zwemvijvers, badwaterbassins voor eenmalig gebruik en overige badwaterbassins), gelden een meldingsplicht, een specifieke zorgplicht (artikel 15.5 van het Bal) en regels over ongewone voorvallen. Daarnaast moet er een beheersplan zijn, waarin maatregelen staan om de geïnventariseerde risico's te beheersen. Ook moeten incidenten worden geregistreerd. Verder geldt dat elk bad gevuld moet zijn met water van drinkwaterkwaliteit. 2.Doel van de wetgeving Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat bezoekers van badinrichtingen en zwemplassen zo veilig mogelijk kunnen zwemmen. Dit betekent dat de kans op gezondheids- en veiligheidsrisico’s zo klein mogelijk moet worden gehouden. 3.Provinciale ambities De Omgevingsvisie sluit aan bij het thema Stad en Land gezond met het beleidsdoel: zodanige condities scheppen dat een goede recreatieve structuur wordt behouden en versterkt. In het Bodem en Waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 (BWP) staat dit verder uitgewerkt. Het BWP draagt ook bij aan een schone en gezonde omgeving door te werken aan voldoende schone bronnen voor drinkwater, schoon zwemwater en een goede waterhuishouding. Ook het programma Recreatie en Toerisme 2022-2025 staat er behoefte is aan meer goed zwemwater, waarvoor schoon oppervlaktewater een belangrijke voorwaarde is. Ook in het programma Groen groeit mee staat ook een paragraaf over zwemwater (3.5) water voor verkoeling. In het Programma Klimaatadaptie is de volgende doelstelling eveneens relevant voor de uitvoering van deze taak: “In 2050 is de provincie Utrecht klimaatbestendig en waterveilig. Over dertig jaar is de samenleving in onze regio klaar om de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen, op te vangen.” Middels uitvoering van de VTH-taken is een bijdrage geleverd aan de outcome-doelstellingen van de provincie: Er is, in relatie tot het aantal inwoners en bezoekers, voldoende, kwalitatief hoogwaardige groenblauwe ruimte, deels rustig/ stil, die voor verschillende doelgroepen uitnodigend is. Inrichting en gebruik zijn aangepast aan de eisen van klimaat: gezondheid en veiligheid zijn daarbij geborgd. 4.Taakomschrijving Voor het uitvoeren van deze taak worden de meest relevante instrumenten hieronder uitgewerkt: Meldingafhandeling en beschikkingen Voor de kernactiviteit geldt geen vergunningplicht. Vaak is er een samenloop met andere activiteiten uit hoofdstuk 3 in het bedrijf, zoals een stookinstallatie, opslagtank voor gassen/vloeistoffen/gevaarlijke stoffen in verpaking. Voor die andere milieubelastende activiteiten kan wel een vergunningplicht gelden. Maar de meeste zwembaden hebben onder de Omgevingswet geen omgevingsvergunning nodig. Toezicht en handhaving De provincie is verantwoordelijk voor het toezien op een veilig en hygiënisch gebruik van plaatsen waar regelmatig wordt gezwommen. Dit betreft zowel het toezicht op badinrichtingen als op oppervlaktewater (meren en kolken/plassen). Hiervoor worden fysieke controles uitgevoerd bij openbare en niet-openbare zwembaden (hotels, campings, etc.) en zwemlocaties in oppervlaktewater. Daarnaast geldt het administratief toezicht door het uitvoeren van deskcontroles. Ook worden de meldingen nieuwbouw en renovaties van badinrichtingen beoordeeld. Technische advisering In IPO-verband bijdrage leveren aan actuele zaken en implementatie van nieuwe zwemwaterregelgeving in komende periode en continuering van de inzet t.b.v. meerjarenplan gemeente Utrecht voor peuterbaden in speeltuinen. Ingediende meldingen Een overlastmelding of melding ongewone voorvallen wordt in ontvangst genomen en behandeld. Deze komen via een formulier of via de zwemwatertelefoon binnen. 5.Risico’s en prioriteitstelling Activiteiten Risico Peuterbaden Slechte waterkwaliteit peuterbaden HOOG Slecht onderhoud peuterbaden (WHVBZ - Omgevingswet) MIDDELHOOG Semi-/ niet openbaar toegankelijke zwembaden Slechte waterkwaliteit HOOG Onderhoud/hygiëne MIDDELHOOG Zwemplek oppervlaktewater - groot (verrommeling, glas/dumping) & klein Slechte waterkwaliteit HOOG Onderhoud/hygiëne MIDDELHOOG Onvoldoende toezicht door badmeester/ouder/beheerder MIDDELHOOG Openbaar toegankelijke zwembaden Onderhoud/hygiëne MIDDELHOOG 6.VTH-doelstelling Om zwemmers in zwembaden en zwemlocaties in oppervlaktewater tegen gezondheids- en veiligheidsrisico’s te beschermen stellen we de volgende doelen: In 100% van de gevallen wanneer er sprake is van slechte waterkwaliteit wordt de locatiebeheerder en/of waterkwaliteitsbeheerder aangezet tot inzet van verbetermaatregelen. Bij 100% van de locaties waar “gelegenheid wordt geboden tot zwemmen en baden” dient het zwemwater minimaal te voldoen aan de categorie ‘aanvaardbaar’. Bij 100% van de gevallen waar onvoldoende waterkwaliteit wordt bemonsterd (zoals door blauwalg) worden direct maatregelen genomen zoals negatief zwemadvies of waarschuwing en wordt het publiek hierover duidelijk geïnformeerd. Indien zwemwater drie jaar achtereen onvoldoende scoort op de gewenste waterkwaliteit dan gaan we eventueel over tot intrekken van de status. 7. Monitoringsindicatoren Aantal gegevens voor waterkwaliteit Percentage van bodemverloop Aantal faciliteiten dat voldoet aan hygiëne en veiligheidsvoorschriften Aantal waarschuwingen voor oppervlaktewater Aantal negatief zwemadvies voor oppervlaktewater Natura 2000 – activiteiten (Ow: Natura 2000-activiteit, Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied) 1.Wettelijk kader Natura 2000-gebied Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang Alle Natura 2000-gebieden samen vormen een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Dat netwerk heet ‘Natura 2000’. Natura 2000-activiteit en Natura 2000-activiteit met nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebied Onder de Omgevingswet wordt gesproken over milieubelastende activiteiten, namelijk: ‘Natura 2000-activiteit’ en ‘Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied’ Voor een Natura 2000-activiteit is meestal een omgevingsvergunning nodig (artikel 5.1, 1e lid, sub e, Omgevingswet). Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Het gaat ook om activiteiten die niet te maken hebben met natuurherstel binnen een Natura 2000-gebied of buiten een Natura 2000-gebied met externe werking binnen het natuurgebied. Stikstofuitstoot buiten een nature 2000-gebied kan bijvoorbeeld leiden tot depositie in een stikstofgevoelig Nature 2000-gebied en daarmee significant nadelige gevolgen hebben voor dat Natura 2000-gebied. Een omgevingsvergunning natuur kan los worden verleend of voor projecten waar niet persé een omgevingsvergunning voor andere activiteiten voor nodig is. De provincie is het bevoegd gezag als het gaat om een flora- en fauna-activiteit of Natura 2000-activiteit zonder nationaal belang (artikel 4.6, lid 1, Omgevingsbesluit). De provincie (of in enkele gevallen de minister van LNV) is het bevoegd gezag voor een aanvraag die alleen gaat over aangewezen flora- of fauna-activiteiten of Natura 2000-activiteiten. Dit geldt voor een enkelvoudige of meervoudige aanvraag, (artikel 4.12 en 4.14 Omgevingsbesluit) . De gemeente wordt bevoegd gezag als er sprake is van een meervoudige aanvraag met een flora- en fauna- of Natura 2000-activiteit waarvoor nog geen vergunning is verleend. In de gevallen dat de provincie niet het bevoegd gezag is voor het vergunnen van een aanvraag, is er wel advies en instemming van de provincie nodig voor het deel van de aanvraag dat over de flora- en fauna-activiteit of Natura 2000-activiteit zonder nationaal belang gaat (artikel 4.25, Omgevingsbesluit). Instemming van de provincie is niet nodig bij een voorgenomen projectbesluit van het Rijk dat als omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit geldt (artikel 16.20, 1e lid, Omgevingswet). Advies van de provincie over het ontwerp van een projectbesluit is dan wel nog vereist. Strekking van de wetgeving: Natura 2000-gebieden waar provincie Utrecht voortouwnemer is: Botshol Zouweboezem Binnenveld Kolland en Overlangbroek Uiterwaarden Lek Natura 2000-gebieden met een ander bevoegd gezag als voortouwnemer: Lingegebied en Diefdijk-Zuid (Gld) Eemmeer & Gooimeer Zuidoever (I&W) Rijntakken (Gld) Nieuwkoopse plassen & De Haeck (ZH) Oostelijke Vechtplassen (NH) Externe werking activiteiten binnen en buiten deze Natura 2000-gebieden valt ook onder de strekking van de wetgeving. 2.Doel van de wetgeving Het doel van de regels is het beschermen van (de instandhoudingsdoelstellingen van) Natura 2000-gebieden. Het aanwijzen van zo’n gebied is voor het beschermen van de leefgebieden van bepaalde dieren en planten en van bepaalde natuurlijke habitattypen. Bescherming is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. 3.Provinciale ambities In de omgevingsvisie is de ambitie om een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteit met hoge biodiversiteit te ontwikkelen. Bestaande natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) worden beschermd, verder ontwikkeld en onderling beter verbonden tot één samenhangend groot natuursysteem. De provincie heeft gebieden aangewezen waar de provincie zelf geen natuur ontwikkelt, maar waar wel kansen liggen voor natuurontwikkeling. Het gaat om gebieden binnen de Groene Contour. Zij maken geen deel uit van het NNN, maar sluiten daarbij aan en kunnen deze versterken. Voor 2040 realiseert de provincie in totaal 3.000 hectare natuur in de Groene contour. Grote natuureenheden worden ecologisch met elkaar in verbinding gebracht (Rivierengebied en Veenweide-plassengebied). Middels uitvoering van de VTH-taken is een bijdrage geleverd aan de outcome-doelstellingen 1 Uit de Omgevingsvisie van de provincie: Er is, in relatie tot het aantal inwoners en bezoekers, voldoende, kwalitatief hoogwaardige groenblauwe ruimte, deels rustig/ stil, die voor verschillende doelgroepen uitnodigend is. 4.Taakomschrijving Voor het uitvoeren van deze taak worden de meest relevante instrumenten hieronder uitgewerkt: Beschikkingen Vergunningen: De provincie behandelt de vergunningaanvragen en advies-/instemmingsverzoeken als de gemeente bevoegd gezag is voor de vergunningverlening. Toezicht Er worden gebiedscontroles, fysieke controles en administratieve controles ingezet in en rondom (Natura 2000) - gebieden. Er wordt gecontroleerd of activiteiten de juiste vergunning(
  6. en)hebben en of aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan. Daarnaast hebben de fysieke controles bij veehouderijen (op de cross compliance en meldingen) prioriteit. Op verzoek van de provincie Utrecht kan een deel van de fysieke controles ingezet worden voor controles bij milieubedrijven, onder andere voor controle op de uitstoot van stikstof. Voor elk Natura 2000-gebied is een beheerplan op basis waarvan de omgevingsdienst in nauwe samenwerking met de provincie een uitvoeringsprogramma opstelt. Het plan beschrijft toezicht en te voeren sancties voor het betreffende natuurgebied als het gaat om vrijstellingen uit beheerplannen, controle instandhoudingsdoelen van het gebied en de voorwaarden van natuurvergunningen. De controles vinden binnen en buiten Natura 2000-gebieden plaats (externe werking). In het kader van de Omgevingswet worden de beheerplannen omgezet in uitvoeringsprogramma’s Ow. Hiervoor geldt een overgangsregeling. De omgevingsdienst organiseert de jaarlijkse evaluatie van de uitvoeringsprogramma’s met de samenwerkingspartners. Tijdens dit overleg worden de handhavingsdoelen uit het plan gemonitord. De voortouwnemer is verantwoordelijk voor het beheerplan en samen met de samenwerkingspartners verantwoordelijk voor de monitoring van de Natura 2000-gebieden. 5.Risico’s en prioriteitstelling Risico’s en prioriteiten worden per gebied beschreven in de uitvoeringsprogramma’s. 6.VTH-doelstelling Binnenkomende aanvragen worden binnen wettelijke termijn afgehandeld, 90% Controle vergunningplichtige N2000-activiteiten, 100% Controle vergunningvrije activiteiten (op voorwaarden in vrijstelling), 60% Er zijn actuele uitvoeringsprogramma's. Controle vrijevelddelicten op N2000-wetgeving, 100% Monitoringsindicatoren Aantal binnenkomende aanvragen en het aantal afgehandelde aanvragen Aantal geconstateerde overtredingen en aard* overtredingen bij controle vergunningplichtige activiteiten binnen en buiten Natura 2000-gebieden Aantal geconstateerde overtredingen en aard overtredingen bij controle vergunningvrije activiteiten binnen en buiten Natura 2000-gebieden Verslechtering natuur** en effect inzet T&H om verslechtering tegen te gaan Actueel uitvoeringsprogramma voor Botshol in 2024 Actueel uitvoeringsprogramma voor Zouweboezem in 2025 Actueel uitvoeringsprogramma voor Binnenveld in 2026 Actueel uitvoeringsprogramma voor Kolland en Overlangbroek in 2026 Aantal en inhoud adviezen uitvoeringsprogramma's waar andere bevoegde gezagen voortouwnemer zijn *aard = welke overtreding, waar, hoe vaak komt overtreding voor **verslechtering natuur: waar komt het voor, welke verslechtering Soortenbescherming (Ow: Flora- en fauna-activiteiten) 1.Wettelijk kader De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Voor een flora- en fauna-activiteit is de provincie of de minister van LNV het bevoegd gezag voor: Maatwerkvoorschriften Een verzoek om een gelijkwaardige maatregel Handhaving- en toezicht van de voorschriften uit het Bal en ontheffingen Artikelen 11.24 en 11.25, Bal en 18.2, lid 1, Omgevingswet regelen of de provincie of de minister van Natuur en Stikstof het bevoegd gezag is voor een aanvraag die alleen gaat over flora- of fauna-activiteiten of Natura 2000-activiteiten. Invloedssfeer van de wet- en regelgeving Soortbescherming is provincie breed, maar er zijn aangewezen gebieden waar we de bescherming belangrijker vinden: Stedelijk gebied Natura 2000-gebieden NNN Weidevogelkerngebieden Ganzenrustgebieden Groene Contour en natuurparels (icoon- en aandachtsoorten) Stiltegebieden Leefgebieden van Utrechtse aandachtsoorten 2.Doel van de wetgeving Het behoud/ herstel van een gunstige staat van instandhouding van beschermde en bedreigde soorten en hun leefomgeving, en voorkomen- en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. De wettelijke taak geldt voor het gehele grondgebied van de provincie Utrecht, binnen en buiten beschermde natuurgebieden. Daarnaast heeft de provincie zorgplicht voor behouden en versterken biodiversiteit. 3.Provinciale ambiti

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.