← Nederland

Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen (Terneuzen)

Kort samengevat

Dit Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen is een langetermijnvisie van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen en de provincie Zeeland over het aanbod van voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen. Het plan is opgesteld om de leefbaarheid in de regio te waarborgen, gezien demografische en financiële ontwikkelingen die het huidige voorzieningenaanbod onder druk zetten.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen“Nu 2021, Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen” is een project van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen en is mede mogelijk gemaakt door de provincie Zeeland. Het onderzoek wordt uitgevoerd door adviesbureau Hospitality Consultants en Scoop, Zeeuws Instituut voor sociale en culturele ontwikkeling Aan Gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen Provincie Zeeland Van Hospitality Consultants Smallepad 13 - 15 Postbus 2186 3800 CD AMERSFOORT Scoop Zeeuws instituut voor sociale en culturele ontwikkeling Achter de Houttuinen 8 Postbus 407 4330 AK Middelburg Auteurs Maarten Thönissen, Margot Icking Marleen Vermeer, Dick van der Wouw, Erik Bakker Project Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen Betreft Eindrapportage Ons kenmerk 104.013/RA110367.d01/MI Datum Amersfoort, 10 juni 2011 © 2011 Hospitality Consultants/ Scoop Behoudens uitzonderingen door de wet gesteld mag, zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de rechthebbenden c.q. door de rechthebbenden gemachtigden, niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins, hetgeen ook van toepassing is op de gehele of gedeeltelijke bewerking. VOORAF Toekomstig voorzieningenaanbod Zeeuws-Vlaanderen Welk voorzieningenaanbod kunnen en willen we onze inwoners in Zeeuws-Vlaanderen bieden; hoe verhoudt zich dat tot het huidig aanbod aan voorzieningen; wat betekent dat voor de leefbaarheid binnen de (kleine) kernen; wat wordt er van gemeenten, maatschappelijke organisaties en inwoners verwacht? Allemaal vragen die in dit Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen aan de orde komen. Het Masterplan Voorzieningen bevat de langetermijnvisie ten aanzien van het aanbod aan voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen. Het is een initiatief van de drie gemeenten en de provincie Zeeland en is één van de eerste gezamenlijke pogingen om de opgave in het sociaal maatschappelijk domein aan te pakken. Een bijzonder project dus! Stip op de horizon Een belangrijke aanleiding tot het Masterplan Voorzieningen zijn de demografische ontwikkelingen die zich in Zeeuws-Vlaanderen voordoen. Zeeuws-Vlaanderen is één van de regio’s die te maken heeft met een daling van het aantal inwoners en een veranderende samenstelling van de bevolking. Dit zorgt voor een veranderende vraag naar voorzieningen en zet bestaande voorzieningen onder druk. Voor de drie gemeenten en de provincie voldoende reden om in actie te komen. Ook de financiële ontwikkelingen vormen een belangrijke aanleiding voor het Masterplan Voorzieningen; de financiële consequenties van krimp maakt dat ‘er iets moet gebeuren’ en Zeeuws-Vlaanderen zich moet voorbereiden op de toekomst. Met het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen willen de gemeenten en provincie een helder toekomstbeeld scheppen. Het Masterplan vormt “een stip op de horizon” voor zowel gemeenten, maatschappelijke instellingen als inwoners en kan worden gezien als toetsingskader of strategische visie waarlangs (beleids-)keuzes kunnen worden gemaakt. Het biedt partijen inzicht in de opgave, waar zij de komende jaren voor staan en de kansen en mogelijkheden die zich voordoen. Betrokkenheid en aanpak Medio 2010 is een start gemaakt met het Masterplan Voorzieningen. Bij de start heeft een inventarisatie plaatsgevonden, waarbij het huidig aanbod aan voorzieningen, relevante ontwikkelingen en de veranderende vraag in kaart zijn gebracht. Op basis van een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van deze inventarisatiegegevens en de resultaten van het burgerparticipatie traject dat heeft plaatsgevonden, is een aantal mogelijke scenario’s opgesteld. Na een vergelijkende beoordeling is het meest toekomstbestendige scenario benoemd. Een groot aantal partijen is betrokken geweest in dit project. Vertegenwoordigers van de gemeenten en provincie vormden samen de project- en gemeentelijke werkgroepen.Maatschappelijke instellingen en inwoners van Zeeuws-Vlaanderen zijn tijdens diverse bijeenkomsten geïnformeerd en geconsulteerd (traject burgerparticipatie), welke werden ondersteund door de speciaal hiervoor ingerichte website www.nu2021.nl (door Politiek Online). Ook het Rijk is betrokken bij het project; het Masterplan Voorzieningen is één van de experimenten die in het kader van het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling zijn opgestart. Voorliggend document Voorliggend document is het eindrapport Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen. Het bevat de inventarisatieresultaten (hoofdstuk1), beschrijft de vier scenario’s (hoofdstuk 2), geeft de vergelijkende beoordeling van de scenario’s (hoofdstuk 3) en geeft een leidraad voor de verdere uitwerking en implementatie (hoofdstuk 4). Tot slot bevat hoofdstuk 5 een terugblik op de opzet en resultaten van het traject burgerparticipatie dat is gevolgd. De input uit de bijeenkomsten met burgers en maatschappelijke organisaties is gebruikt om de scenario’s aan te scherpen en te toetsen op haalbaarheid en wenselijkheid. De bijeenkomsten hebben daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen. Vervolg Het Masterplan Voorzieningen wordt – voorzien van een procesontwerp waarin een procesmatige aanpak van het vervolg is opgenomen – in september ter besluitvorming aan de drie gemeenteraden voorgelegd. Ongeacht welke besluiten door de raden wordt genomen; helder is dat het Masterplan Voorzieningen “slechts het begin is”. De werkelijke opgave is niet het vaststellen van een visie, maar de praktische vertaling en implementatie ervan. Aan gemeenten, maatschappelijke instellingen en inwoners gezamenlijk de opgave om “samen de schouders eronder te zetten” en de komende jaren de juiste keuzes te maken. Samenvatting Aanbod en beleid in Zeeuws-Vlaanderen Het huidige aanbod aan (maatschappelijke) voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen en de wijze waarop hier vanuit beleidsoogpunt over wordt gedacht, wordt gekenmerkt door: Decentrale voorzieningenstructuur Kleinschalige voorzieningen met kleine verzorgingsgebieden Beperkte clustering op kernniveau Overcapaciteit en lage bezetting door spreiding en omvang Gemeentegericht aanbod Veel van hetzelfde, weinig diversiteit in het aanbod Ontwikkelingen zorgen voor herziening aanbod en beleid In Zeeuws-Vlaanderen doen zich verschillende ontwikkelingen voor die zorgen voor een veranderende vraag. Deze ontwikkelingen zetten het bestaande aanbod en beleid onder druk en dwingen gemeenten om (andere) keuzes te maken ten aanzien van de inrichting van de voorzieningenstructuur. Het gaat om ontwikkelingen als: Demografische ontwikkelingen als een afname van het aantal inwoners en een veranderende samenstelling van de bevolking (krimp en vergrijzing). Deze zorgen voor een andere vraag naar (maatschappelijke) voorzieningen; Maatschappelijke ontwikkelingen als de verdergaande individualisering, toegenomen (auto)mobiliteit, veranderende vrijetijdsbesteding, afname van het (structurele) vrijwilligerswerk en opkomst van nieuwe technologieën; Beleidsmatige ontwikkelingen als “de kanteling” van de zorg naar welzijn/ondersteuning en de versterking van de Civil Society; Financiële ontwikkelingen als de financiële krimp ten gevolge van de demografische krimp en de bezuinigingsopgave waar gemeenten voor staan. Dit zet de continuïteit en betaalbaarheid van de huidige, decentrale voorzieningenstructuur onder druk. Forse opgave ten aanzien van voorzieningen Deze ontwikkelingen maken dat behoud van de huidige voorzieningenstructuur en beleidsfocus op termijn niet meer haalbaar en betaalbaar is. Om ook in 2030 over een robuuste voorzieningenstructuur te beschikken die aansluit bij de behoefte van de inwoners, zal een andere koers gevaren moeten worden. Zeeuws-Vlaanderen staat daarmee voor een grote opgave ten aanzien van voorzieningen. Deze opgave is tweeledig: Evenwicht vinden tussen de kwantitatieve aansluiting van vraag/aanbod enerzijds en de bereikbaarheid van voorzieningen anderzijds (capaciteit versus bereikbaarheid); Evenwicht vinden tussen de veranderende vraag als gevolg van ontwikkelingen die zich voordoen enerzijds en de eerder opgebouwde decentrale voorzieningenstructuur en autonome kernen anderzijds (vernieuwing versus behoud). Toekomstscenario’s Om de juiste keuzes te kunnen maken en te komen tot een toekomstbestendig aanbod aan (maatschappelijke) voorzieningen, hebben de drie Zeeuws-Vlaamse gemeenten en de provincie Zeeland de handen ineengeslagen. Gezamenlijk hebben zij een langetermijnvisie op voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen opgesteld. Op basis van een uitgebreide inventarisatie en consultatie van zowel burgers als maatschappelijke organisaties (opgezet en begeleid door Scoop) zijn vier toekomstscenario’s geformuleerd: Behoud zelfstandige voorzieningen op kernniveau; Clustering van voorzieningen op kernniveau; Herschikking van voorzieningen op gemeente niveau; Centralisatie van voorzieningen op regionaal niveau. De vier scenario’s zijn uitvoerig beschreven en beoordeeld op criteria als aansluiting op demografische en maatschappelijke ontwikkelingen, bereikbaarheid, ondersteuning sociale samenhang, flexibiliteit, samenwerking, financiën, innovatief vermogen, kwaliteit, continuïteit, beleid, onderscheidend vermogen en draagvlak. Op basis van deze beoordeling én de uitkomsten van de bespreking met burgers en maatschappelijke organisaties is scenario 3 benoemd als scenario dat het meest aansluit op de opgave en toekomstbestendig is. Advies: scenario 3 Geadviseerd wordt om (de uitgangspunten van) scenario 3 als uitgangspunt voor de toekomst of “stip op de horizon” te hanteren. Scenario 3 betekent dat de volgende uitgangspunten in de toekomst leidend zijn in de planvorming rondom maatschappelijke accommodaties in Zeeuws-Vlaanderen: Steven naar evenwicht in (lokale) vraag en aanbod; Gemeentelijke en regionale planning en afstemming; Behoud van ontmoetingsfunctie op kernniveau; Clustering en multifunctioneel gebruik, ook op kernniveau; Kwalitatief goede en bereikbare voorzieningen; Investeren in “rendabele” voorzieningen, afstoten van niet-rendabele voorzieningen. Al met al sluit scenario 3 het beste aan op de opgave waar Zeeuws-Vlaanderen voor staat en is het daarmee het meest toekomstbestendig. Scenario 3 borduurt voort op de eerder door gemeenten ingeslagen weg van clustering van voorzieningen en past tevens bij de kerngerichte historie en context van Zeeuws-Vlaanderen. Het idee van “iedere kern zijn eigen voorzieningen” wordt in dit scenario grotendeels losgelaten; met uitzondering van een (multifunctionele) ontmoetingsfunctie worden voorzieningen gecentraliseerd in de grotere kernen. De voorzieningen blijven echter (op relatief geringe afstand veelal in de naastgelegen kern) bereikbaar. Dit vraagt om een nieuwe beleidsoriëntatie bij de planning en instandhouding van voorzieningen, waarbij ook aspecten als evenwicht in vraag en aanbod, kwaliteitssprong, optimale schaalniveaus, diversiteit, bereikbaarheid en financiële robuustheid in de afweging worden meegenomen. Er is een transitie nodig van denken in termen van behoud van lokale voorzieningen naar beleid dat inzet op een kwalitatief hoogwaardige regionale voorzieningenstructuur die aansluit bij dag- en leefpaden van mensen. Beleid dat gericht is op investeren in de toekomst van een leefbaar Zeeuws-Vlaanderen. 1Inventarisatie en analyse Hieronder een weergave van de inventarisatie- en analyseresultaten. Voor de volledige beschrijving verwijzen we u naar het eerder opgestelde inventarisatierapport (februari 2011). 1.1Beleid Ten aanzien van het beleid maken we onderscheid tussen gemeentelijk, provinciaal en landelijk beleid. Hieronder volgt een korte toelichting. 1.1.1 Gemeentelijk beleidTijdens de inventarisatie zijn relevante beleidsdocumenten van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen bestudeerd. Denk hierbij aan de inhoudelijke beleidsnota’s op maatschappelijk gebied, de gemeentelijke structuurvisies en specifieke notities op het gebied van accommodaties en voorzieningen. Ondanks dat de drie gemeenten elk hun eigen beleid voeren, kan er wel een duidelijke, eenduidige lijn in Zeeuws-Vlaanderen ontdekt worden. Onderstaand is deze kort geschetst. Decentrale voorzieningenstructuur Gezien de geografische en sociaal-culturele kenmerken van Zeeuws-Vlaanderen hebben alle drie de gemeenten (en haar voorlopers) logischerwijs gekozen voor een decentrale voorzieningenstructuur. Dat wil zeggen dat de drie gemeenten elk over een eigen, compleet voorzieningenaanbod beschikken. Deze decentrale beleidslijn is tot nu toe dominant geweest in de realisatie en instandhouding van voorzieningen op het gebied van met name welzijn, onderwijs en sport en in mindere mate ook op het gebied van zorg en cultuur. Redenen voor deze beleidslijn zijn de sterke sociale cohesie en gerichtheid op de eigen kern, de relatief grote afstanden tussen de kernen en – daarmee samenhangend – de relatief ongunstige bereikbaarheid van voorzieningen elders. In de planvorming rondom voorzieningen is uiteraard wel rekening gehouden met de omvang van de kernen; grotere kernen beschikken veelal over meer of grotere voorzieningen dan kleinere kernen. De gemeente Terneuzen – als grootste gemeente – vervult daarnaast een beperkte regionale functie voor de regio Zeeuws-Vlaanderen. Clustering op kernniveau Steeds meer wordt door de gemeenten ingezet op clustering van (met name basis) voorzieningen op kernniveau. Voorbeelden van clusters zijn brede scholen of kindclusters die in de drie gemeenten worden of zijn gerealiseerd. Daarnaast worden (bestaande) accommodaties steeds vaker multifunctioneel ingericht of gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn dorps- of buurthuizen waar meerdere functies of verschillende doelgroepen worden gehuisvest. Deze toenemende clustering en multifunctioneel gebruik heeft alles te maken met een veranderende behoefte van inwoners en een afnemend draagvlak voor bepaalde voorzieningen, mede als gevolg van een afname van het aantal inwoners en een veranderende bevolkingssamenstelling. Gemeentegericht aanbod In de planvorming rondom voorzieningen vindt op dit moment nauwelijks samenwerking plaats tussen de verschillende kernen en gemeenten. Op opschaling of clustering ‘over de kernen heen’ wordt slechts beperkt ingezet. Ook de aanwezigheid van voorzieningen in het nabijgelegen België tot nu toe beperkt aandacht gehad in het beleidsdenken en de planning van voorzieningen. In de beleids- en planvorming voor voorzieningen speelt de grens nog altijd een duidelijke rol en is België als het ware “een blanco gebied”. Aanzet tot herijking voorzieningenniveau De demografische ontwikkelingen die zich in Zeeuws-Vlaanderen voordoen nopen de gemeenten tot een herijking van hun voorzieningenniveau. Dit wordt nog eens versterkt door allerlei de financiële en maatschappelijke ontwikkelingen die zich voordoen. Deze ontwikkelingen – die tot nu toe niet als centraal thema gebruikt zijn in de beleids- en planvoering ten aanzien van voorzieningen –worden steeds nadrukkelijker in de planvorming meegenomen. Zo worden beleidsnota’s herzien, projecten opgestart en samenwerking gezocht. Gemeenten en (maatschappelijke) partners zoeken naar mogelijkheden om de (decentrale) voorzieningenstructuur in Zeeuws-Vlaanderen in stand te houden. Tegelijkertijd vragen zij zich af of dit – op de lange termijn en in het licht van de ontwikkelingen die zich voordoen – mogelijk, wenselijk en betaalbaar is. 1.1.2 Provinciaal beleidDe provincie Zeeland vervult een ondersteunende rol; zij faciliteert gemeenten en maatschappelijke partners bij de beleidsontwikkeling en –onderzoek. Maatschappelijke voorzieningen zijn – met uitzondering van voorzieningen voor (jeugd)zorg – vooral een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De provincie is wel verantwoordelijk voor een goed systeem van openbaar vervoer en daarmee de bereikbaarheid van voorzieningen. In het kader van de ontwikkelingen die zich voordoen, heeft de provincie Zeeland verschillende projecten geïnitieerd en samen met gemeenten opgepakt. Het Masterplan voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen is één van deze projecten. 1.1.3 Landelijk beleidHet landelijk beleid ten aanzien van maatschappelijke voorzieningen is beperkt; beleidsvoering en planning wordt overgelaten aan de lokale overheid. Het Rijk stelt geen financiële middelen beschikbaar voor de realisatie of instandhouding van voorzieningen. Landelijk doet zich wel een aantal ontwikkelingen voor dat van invloed is op het gemeentelijk beleid ten aanzien van (maatschappelijke) voorzieningen. Experimenten bevolkingsdaling De landelijke overheid stimuleert en faciliteert experimenten die in het kader van de bevolkingskrimp worden uitgevoerd. Het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen is één van de experimenten die worden ondersteund. Deze experimenten moeten leiden tot input voor nieuwe wet- en regelgeving die nodig is om verantwoord richting te geven aan “een nieuwe demografische werkelijkheid” in de krimpregio’s. Ook kunnen ervaringen door andere krimp/regio’s worden gebruikt. AWBZ-zorg De overheveling van taken uit de AWBZ naar gemeenten zal de komende jaren verder gaan. Concreet betreft het de ondersteunende begeleiding voor extramurale cliënten met een ondersteuningsvraag, die per 2013 onder de Wmo zal vallen (met daarbij een aanzienlijk lager budget). In combinatie met een sterke groei van het aantal senioren (vergrijzing) zorgt dit ervoor dat een zwaar beroep zal worden gedaan op Wmo-ondersteuning, zowel voor individuele als collectieve voorzieningen. Een traditionele zorggeoriënteerde aanpak is op termijn niet houdbaar, zowel getalsmatig als financieel. Nieuwe ondersteuningsarrangementen, gebaseerd op collectiviteit, zelfredzaamheid en sociale cohesie (Civil society), moeten worden ingezet om aan de vraag te (kunnen) voldoen. De gemeenten krijgen dan ook de beleidsvrijheid om de ondersteunende begeleiding op nieuwe (Wmo)leest te schoeien. Multifunctionele (ontmoetings)voorzieningen kunnen hier een rol in spelen, met name door integratie en ontmoeting op kernniveau te stimuleren en integrale diensten aan te bieden. De overheveling van deze verantwoordelijkheid (en budgetten) biedt gemeenten dan ook een kans om met name de ontmoetingsvoorzieningen voor verschillende groepen en de dagvoorzieningen voor senioren een impuls te geven. 1.2Omgevingsfactoren Hieronder een beschrijving van de demografische en ruimtelijke kenmerken en ontwikkelingen binnen Zeeuws-Vlaanderen. Deze zijn van invloed op de planvorming ten aanzien van voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen. 1.2.1 Demografische kenmerken en ontwikkelingenAantal inwoners per kern Zeeuws-Vlaanderen beschikt over een groot aantal kernen. Onderstaand overzicht geeft per gemeente het aantal kleine kernen (minder dan 1.500 inwoners), middelgrote kernen (1.500 tot 4.000 inwoners) en grote kernen (meer dan 4.000 inwoners) weer (in 2010). De typering zegt dus iets over het aantal inwoners en niet direct iets over de aard en omvang van het voorzieningenaanbod, al hangt dit wel met elkaar samen. Over het algemeen geldt; hoe groter het aantal inwoners, hoe groter het aantal voorzieningen. Figuur 1: Aantal inwoners per kern Gemeente Kerngrootte # kernen Gem. aantal inwoners Hulst Kleine kernen 8 727 Middelgrote kernen 4 2.794 Grote kernen 1 10.868 Totaal 13 2.143 Sluis Kleine kernen 10 733 Middelgrote kernen 3 2.377 Grote kernen 2 4.811 Totaal 15 1.606 Terneuzen Kleine kernen 3 524 Middelgrote kernen 8 2.538 Grote kernen 2 16.506 Totaal 13 4.222 Uit dit overzicht blijkt dat de gemeenten Hulst en Sluis beide relatief veel kleine kernen hebben en dat de gemeente Terneuzen de minste kleine kernen en tegelijkertijd de meeste middelgrote kernen heeft. Terneuzen beschikt met de kern Terneuzen over de enige stedelijke kern binnen haar gemeentegrenzen. Onderstaande figuur geeft het aantal inwoners per kern weer. Figuur 2: Aantal inwoners per kern Demografische ontwikkelingen De komende 20 jaar nemen de drie gemeenten en de meeste kernen (verder) af in omvang. Deze ontwikkeling doet zich het sterkst voor in de gemeente Sluis; de meeste kernen binnen deze gemeente krijgen te maken met een afname van meer dan 10% en soms zelfs meer dan 15% van het aantal inwoners (zie ook de volgende tabel). Figuur 3: Afname aantal inwoners (in % ten opzichte van huidig aantal) Gemeente Afname inwonertal 2010-2030 Aantal kernen Hulst < 5% 3 >5% < 10% 10 >10% 0 Sluis < 5% 0 >5% < 10% 5 >10% 10 Terneuzen < 5% 3 >5% < 10% 10 >10% 0 Verschillen per kern De verschillen tussen de kernen zijn groot. In bepaalde kernen zal de bevolkingsdaling (veel) sterker spelen dan in andere kernen en daarmee zal ook de vraag naar bepaalde voorzieningen sterker veranderen. In onderstaande figuren is grafisch weergegeven in welke kernen de grootste demografische veranderingen plaatsvinden: De eerste figuur laat de afname van het aantal inwoners in de kernen zien tot 2030; De twee daaropvolgende figuren tonen de ontgroening en vergrijzing per kern tot 2020. Figuur 4:Krimp 2010-2030 Figuur 5: Ontgroening 2010-2020 Figuur 6: Vergrijzing 2010-2020 Kleine verzorgingsgebieden De verschillende kernen zijn veelal klein van omvang. Bijna alle kernen beschikken over een eigen, meer of minder uitgebreid voorzieningenaanbod. Dat betekent dat voorzieningen relatief kleine verzorgingsgebieden kennen; het aantal potentiële gebruikers is beperkt. Hetzelfde doet zich voor bij voorzieningen die een gemeentelijk of zelfs regionaal verzorgingsgebied hebben; de omvang van de verzorgingsgebieden van deze voorzieningen is relatief klein te noemen; heel Zeeuws-Vlaanderen heeft “slechts” 107.000 inwoners. Dit maakt dat het aanbieden van voorzieningen “van bovenregionaal niveau” (denk aan hoger onderwijs, specialistische medische zorg, cultuur of topsport) niet of nauwelijks mogelijk is; voor dit soort voorzieningen moet men uitwijken naar elders. De bereikbaarheid van deze voorzieningen in Nederland is door de geografische situatie echter lastig. 1.2.2 Ruimtelijke kenmerken en ontwikkelingenLigging Zeeuws-Vlaanderen is een op zichzelf staand gebied. Het ligt relatief geïsoleerd ten opzichte van Nederland (alleen via de tunnel, het veer of België te bereiken). Het grenst in het zuiden aan België, dat weliswaar goed ontsloten is en een aantal grote steden in het achterland heeft, maar waarbij de nationale grens in praktijk en denken toch een duidelijke barrière vormt. Afstanden Zeeuws-Vlaanderen is een uitgestrekt gebied met veel kernen (in totaal 41). De meeste kernen zijn gering van omvang en inwoneraantal. De regio is relatief groot: om van West- naar Oost Zeeuws-Vlaanderen te reizen, moet een afstand van circa 60 kilometer worden overbrugd. In onderstaande figuur zijn rond de kleine kernen afstandcirkels van 5 kilometer weergegeven. Hierin blijkt dat vanuit de meeste kleine kernen binnen 5 kilometer een grotere kern beschikbaar is. Figuur 7: Afstandscirkels per kern Figuur 8: Bereikbaarheidsscore per kern Door onderzoeksbureau Scoop is voor alle Zeeuws-Vlaamse kernen een bereikbaarheidsprofiel opgesteld (zie figuur). Dit is gebaseerd op aspecten van mobiliteit en bereikbaarheid als: Afstand van het centrum van de kern over de weg tot het centrum van de dichtstbijzijnde dragende kern of stedelijk centrum; Aard van de weg waar de kern aan ligt; Aard van het openbaar vervoer vanuit de kern; Aanvullende vervoersvoorzieningen voor doelgroepen. Duidelijk is dat niet alleen de afstand, maar ook de infrastructuur en (openbaar) vervoermogelijkheden een belangrijke rol spelen. Zo is de bereikbaarheid van de kleine kernen in de gemeente Sluis over het algemeen beter dan in Hulst of de grenskernen. Mobiliteit Afstand, bereikbaarheid en vervoer kan gezien worden als een belangrijk thema in Zeeuws-Vlaanderen en daarmee ook in de planning van voorzieningen. Voor de mobiliteit is een tweetal geplande ontwikkelingen van belang: Aanleg tunnel Sluiskil Verbreding N61 Uit het onderzoeksrapport ‘Leefbaarheid’ van Scoop blijkt dat 90% van de bevolking in Zeeland “volledig automobiel” is. Openbaar vervoer speelt daarmee een beperkte rol voor de mobiliteit. De realisatie van fijnmazig openbaar vervoersysteem met frequente verbindingen lijkt ook niet haalbaar is een relatief groot, uitgestrekt gebied met een relatief klein aantal inwoners. Nieuwe, andere vervoerssystemen zullen dus vooral kleinschalig en flexibel van aard moeten zijn en gericht zijn op doelgroepen die niet automobiel zijn. Ruimtelijke ontwikkelingen Van belang zijn de ruimtelijke ontwikkelingen met name op het gebied van woningbouw en infrastructuur. Als gevolg van de demografische ontwikkelingen wordt niet alleen een afname van de vraag naar woningen, maar ook een veranderende vraag verwacht. Plannen op het gebied van woningbouw (al dan niet ontwikkeld in het kader van de pilot Wonen), zijn van invloed op de vraag naar voorzieningen binnen een kern. De transformatie van de woningmarkt biedt mogelijkheden om ook een vernieuwing in het voorzieningenaanbod door te voeren. 1.2.3 Zeeuws-Vlaanderen en BelgiëWanneer over voorzieningen en krimp in Zeeuws-Vlaanderen wordt gesproken, wordt regelmatig de vergelijking gemaakt met België. Hieronder volgt een toelichting op de kenmerken van en ontwikkelingen binnen de aangrenzende Belgische gemeenten (Assenede, Beveren, Damme, Knokke-Heist, Maldegem, Moerbeke, Sint-Gillis-Waas, Sint Laureins, Stekene, Wachtebeke en Zelzate). Ook staan we hieronder stil bij het gebruik van Belgische voorzieningen door inwoners van Zeeuws-Vlaanderen en andersom. Bevolkingsontwikkeling In onderstaande figuren is de bevolkingsontwikkeling voor de Belgische gemeenten weergegeven en vergeleken met de bevolkingsontwikkeling in Zeeuws-Vlaanderen. Conclusie is dat de bevolkingsontwikkeling aan beide kanten van de grens de afgelopen jaren een wezenlijk andere ontwikkeling laat zien. De bevolking is in de Belgische gemeenten de afgelopen 10 jaar met ongeveer 5.000 inwoners gestegen en nog altijd is een stijging waar te nemen. De groei lijkt sinds 2004 zelfs weer sneller te gaan dan de jaren ervoor. In diezelfde periode is het inwoneraantal van Zeeuws-Vlaanderen nagenoeg gelijk gebleven en is het inwoneraantal sinds 2004 dalend. Figuur 9: Bevolkingsontwikkeling Belgisch Achterland Figuur 10: Bevolkingsontwikkeling Zeeuws-Vlaanderen Geboorte en sterfte In onderstaande figuur is te zien dat het geboortecijfer sinds 1999 in België structureel lager is dan het sterftecijfer. In Zeeuws-Vlaanderen is dit het geval sinds 2001. Voor beide regio’s geldt dat de afgelopen jaren de bevolking gedaald is doordat het aantal sterfgevallen groter is dan het aantal geboorten. In de figuur is te zien dat het verschil tussen geboorte- en sterftecijfer in Zeeuws-Vlaanderen groter is dan in de Belgische gemeenten. Figuur 11: Geboorte en sterfte Migratie De groei van de Belgische gemeenten na 2000 komt voort uit migratie. Uit de cijfers over migratie blijkt dat de Belgische gemeenten in de periode 2000-2007 een positief migratiesaldo hadden van ongeveer 600 inwoners per jaar. In Zeeuws-Vlaanderen was het migratiesaldo in diezelfde periode gemiddeld 100 positief, maar niet voldoende om de bevolkingsdaling door negatieve natuurlijke aanwas te compenseren. Uit eerder onderzoek (Bakker & Louwerse, 2009) is gebleken dat het migratiesaldo van Zeeland sterk bepaald wordt door het jaarlijks wegtrekken van ongeveer 1.000 jongeren tussen de 15 en 25 jaar voor werk of studie. In de andere leeftijdscategorieën kent Zeeland over het algemeen een positief migratiesaldo. In de Belgische gemeenten doet deze “wegtrek” van jongeren zich beduidend minder voor. Dit heeft een positief effect op het geboortecijfer en het migratiesaldo. Wanneer de bevolkingsopbouw van beide regio’s wordt bekeken (zie de volgende figuur), dan valt op dat in de Belgische gemeenten het percentage 20-35 jarigen beduidend hoger is dan in Zeeuws-Vlaanderen. Figuur 12: Bevolkingsopbouw Het verschil tussen Zeeuws-Vlaanderen en de Belgische gemeenten kan (mede) verklaard worden door de afstand van beide regio’s tot de nationale centrumregio’s/grote steden, waar veel jongeren voor studie of werk naar toe trekken: de Randstad is vanuit Zeeuws-Vlaanderen relatief ver weg, waardoor veel jongeren voor studie of baan verhuizen. Overigens komt een deel van de jongeren wel weer terug naar Zeeuws-Vlaanderen. De “Belgische Randstad” (met Vlaamse steden zoals Gent, Brugge en Antwerpen) zijn voor de Belgische grensgemeenten relatief dichtbij. De noodzaak om te verhuizen is dus minder c.q. volwassenen vestigen zich (weer) in de regio, als zij een baan vinden in de economisch sterke regio Vlaanderen. Gebruik van voorzieningen in België Inwoners van Zeeuws-Vlaanderen (met name van de kernen die direct aan de grens liggen) maken op onderdelen gebruik van de voorzieningen in België. Dit geldt in het bijzonder voor basisvoorzieningen op het gebied van basisonderwijs en kinderopvang (bron: PPOZ onderzoek “Onderwijs ons goed”, 2010) en voor grotere voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs, cultuur, (top)sport en (specialistische) zorg. Vooral de grotere voorzieningen geldt dat vooral voorzieningen in steden als Antwerpen, Gent en Brugge – waar een omvangrijk en hoogwaardig aanbod aanwezig is – relatief veel worden gebruikt. Het gebruik van maatschappelijke voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen door Belgen is over het algemeen beperkt. Wel trekken bepaalde kernen Belgen, Nederlanders en andere nationaliteiten, met name in de toeristisch recreatieve hoek. 1.3Vraag Hieronder volgt een korte toelichting op de vraag naar voorzieningen. Van belang is dat het aanbod aan voorzieningen hierop aansluit, zowel nu als in de toekomst. 1.3.1 Kwantitatieve vraagDe kwantitatieve vraag naar voorzieningen wordt vooral bepaald door de demografische ontwikkeling die zich in Zeeuws-Vlaanderen voordoet. Deze wordt gekenmerkt door een daling van de totale bevolking en een ingrijpende wijziging van de bevolkingssamenstelling. Totale bevolking In onderstaande figuur is weergegeven hoe de totale bevolking in Zeeuws-Vlaanderen zich de komende 20 jaar zal ontwikkelen in vergelijking met Zeeland. Het mag duidelijk zijn dat het aantal inwoners sterk afneemt (krimp). In zijn totaliteit wonen over 20 jaar 7100 minder mensen in Zeeuws-Vlaanderen (ca- 7%). De krimp doet zich vooral voor in de gemeente Sluis (ca. -12%). Dit heeft gevolgen op de vraag naar voorzieningen. Figuur 13: Bevolkingsontwikkeling 2010-2030 Bevolkingssamenstelling Nog ingrijpender dan de afname van het aantal inwoners is de veranderende samenstelling van de bevolking. De komende 20 jaar is een zeer sterke ontgroening en vergrijzing te zien. Logisch gevolg is dat de potentiële beroepsbevolking (de middengroep) afneemt. Afhankelijk van het type voorziening, zijn deze ontwikkelingen meer of minder van invloed op de vraag naar voorzieningen en leiden zij tot een toe- of afnemende vraag. De ontgroening zorgt voor een sterke terugloop van de vraag naar voorzieningen voor jeugd en (jong)volwassenen (tot -25% voor kindfuncties). De vergrijzing zorgt voor een forse toename in de vraag naar voorzieningen voor senioren (tot +75% voor de oudere senioren). Ontwikkeling van de vraag In de volgende figuur is weergegeven hoe de veranderende bevolkingssamenstelling uitwerkt op de kwantitatieve vraag naar de verschillende voorzieningen. De terugloop van het aantal jongeren en (jong)volwassenen zet niet alleen het draagvlak van voorzieningen onder druk (een kwart minder potentiële gebruikers!), maar ook de levensvatbaarheid van organisaties. Sommige verenigingen zullen uiteindelijk een kritische ondergrens bereiken en te weinig leden hebben om (zelfstandig) te kunnen blijven voortbestaan of te weinig vrijwilligers om hetzelfde werk te kunnen blijven doen. De groei van het aantal senioren leidt tot een sterke groei in de vraag naar voorzieningen voor eerstelijnszorg en dagbesteding. Deze toenemende vraag zal echter niet op de huidige wijze opgevangen kunnen worden, mede door een afname van zorgbudgetten en een tekort aan medewerkers in de zorg (professionele krachten). De uitdaging ligt hier dan ook in hoe “met minder middelen een groeiende doelgroep bediend kan worden”. Daar komt bij dat met de overheveling van taken vanuit de AWBZ naar de Wmo de gehele aanpak van ondersteuning aan (kwetsbare) senioren op een geheel andere leest wordt geschoeid, ook wel “kanteling van de Wmo” genoemd. Kort gezegd komt het er op neer dat mensen meer opgevangen (moeten) worden in hun eigen omgeving en sociale steunsysteem en minder in een professionele zorgomgeving. De ondersteuning verschuift van curatieve zorg geleverd door professionals naar preventief welzijn (deels) geleverd door vrijwilligers. Ontmoetingsplekken in de eigen leefomgeving, zoals dorps- en buurthuizen, kunnen hierin een belangrijke rol spelen. Figuur 14: Ontwikkeling vraag naar voorzieningen 2010-2030 1.3.2 Kwalitatieve vraagDe behoefte aan voorzieningen wordt uiteraard niet alleen getalsmatig bepaald, maar ook door kwalitatieve aspecten zoals de sociaaleconomische kenmerken, de sociale cohesie en de cultuurhistorische bepaalde gerichtheid op de eigen kern, etc. Sociaal economische kenmerken Het gemiddelde opleidingsniveau in Zeeuws-Vlaanderen ligt iets onder het landelijk gemiddelde. Ook het gemiddelde inkomen ligt iets lager. De gerichtheid op “traditionele voorzieningen in de eigen buurt of kern” is in de meeste kernen hoger dan gemiddeld. Inwoners zijn sterk gericht op de eigen kern. Figuur 15: % inwoners dat zich verbonden voelt met eigen kern De sociale cohesie en gemeenschapszin in Zeeuws-Vlaanderen is als sterk te bestempelen, in het bijzonder in de kleine kernen. Hetzelfde geldt voor het aantal mensen dat vrijwilligerswerk doet in de eigen kern; dit is hoger in kleine kernen dan in grotere kernen. De figuren hiernaast illustreren dit. Het aantal mensen dat lid is van een vereniging is juist in grotere kernen weer iets hoger. Dat geldt zeker voor mensen die lid zijn van een vereniging in de eigen kern. Dit heeft uiteraard te maken met het grotere aanbod in de grote kernen; mensen uit kleine kernen moeten/gaan vaker naar een vereniging elders. Figuur 16: % vrijwilligers gerelateerd aan omvang kern Leefbaarheid Uit het onderzoek “Sociale Staat van Zeeland” (uitgevoerd door Scoop) blijkt echter dat de (ervaren) leefbaarheid niet afhankelijk is van de omvang van het voorzieningenpakket in een kern. Leefbaarheid is “de mate waarin de leefomgeving aansluit bij de voorwaarden en behoeften die er door de mens aan worden gesteld” en “de voorwaarden waaronder mensen met elkaar willen samenleven”. De leefbaarheid is daarmee sterk afhankelijk van plaats en tijd. Het rapport van Scoop over leefbaarheid in Zeeland laat zien dat: kernen met een lage gemiddelde woningwaarde en relatief veel inwoners met lage inkomens over het algemeen als minder leefbaar worden ervaren; kernen waar veel industrie (op korte afstand) aanwezig is over het algemeen als minder leefbaar worden ervaren en dat kernen waar recreatie dominant is, vaker hoger scoren dan gemiddeld; kleine kernen die krimpen worden door inwoners over het algemeen als minder leefbaar ervaren. Figuur 17: Ervaren leefbaarheid per kern Autonome dorpen en woondorpen Van oudsher speelt “het autonome dorp” een belangrijke rol in de tijdsbesteding van inwoners. Dit zijn dorpen waar leven, wonen, werken en recreëren hand in hand gaat. Mensen maken gebruik van lokaal georganiseerde kerkelijke-, verenigings-, familie- en buurtactiviteiten en de sociale samenhang in dit soort dorpen is hoog. Voorzieningen spelen een belangrijke rol in de leefbaarheid van dit soort dorpen; hier vindt ontmoeting plaats. Tegenover het traditionele beeld van het autonome dorp staat het nieuwe beeld van het “woondorp”, waar de woonfunctie dominant is. De leefbaarheid van een woondorp wordt vooral wordt afgeleid van het feit dat het er “goed toeven is”. Voorzieningen bestaan hier omdat er voldoende draagvlak is of omdat de voorziening past bij het dorpsprofiel. sociale samenhang en leefbaarheid ontstaan hier niet als vanzelf vanwege de aanwezige voorzieningen, maar vanwege de wil van inwoners die zich voor het dorp inzetten. Zowel het autonome dorp als het succesvolle woondorp zijn ideaaltyperingen. Kloof tussen werkelijkheid en streefbeeld Het autonome dorp bestaat feitelijk niet meer. We leven tegenwoordig op een ruimere en meer gedifferentieerde schaal en zijn minder afhankelijk van de aanwezigheid van voorzieningen in de eigen kern. Het dorp of de kern is tegenwoordig niet de schaal waarop ons leven zich afspeelt; steeds vaker is de gemeente of de regio het niveau waarop wonen, werken, leren en recreëren zich afspeelt en waarbinnen keuzes worden gemaakt. Dit geldt in het bijzonder voor jongeren en is het gevolg van een toenemende individualisering, internationalisering, informatisering, mobiliteit en grotere welvaart. In de beleving van leefbaarheid speelt het autonome dorp nog wel een belangrijke rol. Het is een sterk collectief gedragen streefbeeld; voor velen is het autonome dorp het toonbeeld van leefbaarheid. Dat blijkt uit het feit dat leefbaarheid en voorzieningen vaak in één adem worden genoemd en dat de leefbaarheid van een kern voor velen staat of valt met het behoud van (basis)voorzieningen in de kern. Onder het mom “behoud van leefbaarheid” wordt stevige invloed uitgeoefend op bestuur en politiek wanneer sluiting dreigt van een weinig gebruikt dorpshuis of zwembad. Er is een steeds grotere kloof ontstaan tussen de maatschappelijke werkelijkheid van de regionalisering van het dagelijkse leven en de politieke en emotionele koestering van het autonome dorp. Het autonome dorp kan worden gezien als “het streefbeeld uit het verleden”. Reisbereidheid en mobiliteit Mensen maken (noodgedwongen) gebruik van voorzieningen buiten hun eigen kern. Het gaat dan om het gebruik van voorzieningen in een naastgelegen (grotere) kern of voorzieningen in België (vooral door inwoners van kernen aan de grens). Het door Scoop uitgevoerde onderzoek “de Sociale staat van Zeeland” biedt inzicht in de gerichtheid op de eigen kern en het gebruik van (basis)voorzieningen buiten de eigen kern. Onderstaande figuren geven de mobiliteitsbewegingen voor voorzieningen die in veel kernen aanwezig zijn weer. Een korte toelichting op de figuren: Voor rood omrande kernen geldt dat een belangrijk deel van de inwoners gebruik maakt van de voorziening in de eigen kern; De pijlen geven aan dat een (aanzienlijk) deel van de inwoners gebruik maakt van de betreffende voorziening in een andere kern. Uit deze figuren blijkt dat de mobiliteit per voorziening verschilt: Voor de dagelijkse boodschappen (winkelvoorzieningen) maken mensen gebruik van enkele grotere kernen; Voor basisonderwijs geldt dat relatief veel gebruik wordt gemaakt van voorzieningen buiten de eigen kern; door inwoners van grenskernen wordt vooral gebruik gemaakt van scholen in België; Voor sportvoorzieningen (binnen-, buitensport en zwembaden) maken met name inwoners van Hulst en Sluis gebruik van voorzieningen in enkele grotere kernen; voor inwoners van de gemeente Terneuzen geldt dit niet, waarschijnlijk omdat de gemeente Terneuzen een sterk gespreid aanbod aan sportvoorzieningen heeft; Voor dorpshuizen en dienstencentra geldt dat vooral gebruik wordt gemaakt van voorzieningen binnen de eigen kern. Kortom, de mobiliteitsbereidheid is per type voorziening verschillend. Dit hangt uiteraard samen met de aanwezigheid, diversiteit en kwaliteit van de voorzieningen in de eigen en andere kernen én de mobiliteit van de betreffende persoon of doelgroep. Ook is duidelijk te zien dat een aantal kernen door hun omvang en (bijbehorend) voorzieningenaanbod een aantrekkende werking hebben voor inwoners van omliggende kernen. Opvallend is dat slechts beperkt gemeentegrensoverschrijdende bewegingen plaats vinden voor het gebruik van voorzieningen. Figuur 18: Mobiliteitsbeweging basisonderwijs Figuur 19: Mobiliteitsbeweging dagelijkse boodschappen Figuur 20: Mobiliteitsbeweging sport Figuur 21: Mobiliteitsbeweging dorpshuis/dienstencentrum Ontwikkelingen in de kwalitatieve vraag naar voorzieningen De vraag naar voorzieningen verandert. Maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de toenemende individualisering, mobiliteit, arbeidsparticipatie en het stijgende welvaartsniveau, zorgen voor een andere vraag naar vrijetijdsvoorzieningen. De volgende ontwikkelingen doen zich voor: Van verenigingslid naar consument. Nederlanders kiezen steeds vaker voor vormen van vrijetijdsbesteding die op dat moment bij hen past of aantrekkingskracht heeft. De groep “vaste klanten” neemt af en de groep “passanten” neemt toe. Dit zorgt voor minder betrokkenheid bij de activiteit of vereniging. Er is sprake van een vervluchtiging van de vrijetijdsbesteding; Toenemende diversiteit. Nederlanders nemen aan meer activiteiten deel dan voorheen. Dit geldt voor alle leeftijdsgroepen; ook ouderen vertonen een meer afwisselend patroon van vrijetijdsbesteding dan voorheen. Er is een zogenaamde “zapcultuur” ontstaan waarbij verschillende vormen van vrijetijdsbesteding elkaar steeds vaker afwisselen.; Toenemende mobiliteit en communicatie. Nederlanders zijn de afgelopen jaren mobieler geworden en zijn bereid (grotere afstanden) af te leggen voor hun vrijetijdsbesteding. Het aantal auto’s en het aantal gereden kilometers stijgt ieder jaar. Moderne communicatiemiddelen zorgen er tegelijkertijd voor dat de fysieke locatie minder van belang is; Toenemende druk op de vrijetijd. De hoeveelheid vrijetijd van Nederlanders is de laatste jaren afgenomen, door een toename van de arbeidstijd (vooral door een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen), de opkomst van de 24-uurseconomie en het ontstaan van andere huishoudenvormen (meer een- en twee persoonshuishoudens met een herverdeling van taken tot gevolg). Focus op kwaliteit. Een kwalitatief hoogwaardig aanbod aan voorzieningen en dienstverlening is nodig en voldoende afwisseling is nodig om “de onrustige en zappende consument te behouden. Het is steeds lastiger om de dienstverlening met vrijwilligers te bieden, ook omdat (structurele) vrijwilligers steeds lastiger te vinden zijn. 1.4Aanbod In het kader van het Masterplan Voorzieningen is het huidig aanbod aan voorzieningen in kaart gebracht. Hieronder volgen de resultaten en een vergelijking tussen vraag en aanbod. Kwantiteit In onderstaand overzicht is per gemeente aangegeven hoeveel voorzieningen per type aanwezig zijn en hoeveel voorzieningen er gemiddeld per kern zijn in Zeeuws-Vlaanderen (peildatum 2010). Figuur 22: Aantal voorzieningen per kern Voorziening Hulst Sluis Terneuzen Totaal Per kern Primair onderwijs 16 21 35 72 1,76 Overig onderwijs 4 2 13 19 0,46 Peuterspeelzaal 11 9 15 35 0,85 Kinderdagverblijf 13 18 26 57 1,39 Buitenschoolse opvang 23 16 34 73 1,78 Buurt/dorpshuis 11 15 28 54 1,32 Jongerencentrum 1 5 6* 12 0,29 Senioren/dienstencentrum 1 5 1* 7 0,17 Bibliotheek 3 2 9 14 0,34 Culturele centra/podia 1 2 6 9 0,22 Musea/cultuurhistorie 2 6 9 18 0,43 Binnensport 12 16 19 47 1,15 Voetbal 9 10 13 32 0,78 Tennis 7 8 9 24 0,59 Zwembad 2 2 8 12 0,29 Huisarts 6 8 13 27 0,66 Tandarts 4 8 15 27 0,66 Apotheek (excl. huisarts) 5 3 3 11 0,27 Fysiotherapie 16 16 23 55 1,34 Consultatiebureau 4 4 12 20 0,49 Woonzorg V&V 2 7 10 19 0,46 Woonzorg VG 4 3 6 13 0,32 Dagbesteding senioren 2 7 6 15 0,37 Ziekenhuislocaties 2 1 1 4 0,1 Leisure 4 4 19 27 0,66 * Daarnaast maakt in Terneuzen een aantal seniorencentra en jongerencentra integraal deel uit van de buurt/-dorpshuizen Voorzieningenniveau per kern In onderstaande figuur is “het gemiddelde voorzieningenniveau per kern” voor de drie Zeeuws Vlaamse gemeenten vergeleken en afgezet tegen “het gemiddelde voorzieningenniveau” in Zeeuws-Vlaanderen. Daaruit blijkt dat met name de kindfuncties, binnen-en buitensport en buurt-/dorpshuizen in veel kernen (ruim) aanwezig zijn. Verder valt op dat de gemeente Terneuzen een relatief groter (gespreid) aanbod kent van BSO, buitensport, zwembaden, bibliotheken, consultatiebureaus en zorgvoorzieningen dan gemiddeld in Zeeuws-Vlaanderen. Voor Hulst geldt dit voor basisonderwijs en binnensport. Sluis kent een hoger aanbod kinderdagverblijven en binnensport. Figuur 23: Voorzieningenniveau per kern Kenmerken voorzieningenniveau In zijn algemeenheid heeft het voorzieningenniveau in Zeeuws-Vlaanderen de volgende kenmerken: Gespreide voorzieningen met kleine verzorgingsgebieden Zoals eerder gesteld kent Zeeuws-Vlaanderen veel voorzieningen met relatief kleine verzorgingsgebieden. Dit wordt veroorzaakt door de vele kleine kernen die bovendien relatief ver van elkaar afliggen; in het verleden is logischerwijs gekozen voor de inrichting van een kerngerichte voorzieningenstructuur, waarbij de omvang van de verzorgingsgebieden minder maatgevend is geweest dan de beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen op kernniveau. Veel van hetzelfde, weinig diversiteit Mede door de spreiding van voorzieningen en kleine verzorgingsgebieden geldt dat de Zeeuws Vlaamse kernen veelal over dezelfde soort (basis-)voorzieningen beschikken. Het aanbod is weinig divers en hoogwaardig; hiervoor zijn immers grotere verzorgingsgebieden nodig. Dit geldt in mindere mate voor de gemeente Terneuzen, dat de meeste inwoners kent en waar de kernen ook gemiddeld groter zijn. Nagenoeg beschikt Zeeuws-Vlaanderen driemaal over een zelfde soort voorzieningenpakket, terwijl het totale verzorgingsgebied van Zeeuws-Vlaanderen “slechts” 107.000 inwoners heeft (vergelijkbaar met een middelgrote stad). Dit heeft vooral impact op voorzieningen die niet dorp- of wijkgebonden zijn en een groter verzorgingsgebied kennen (nodig hebben), zoals culturele voorzieningen, zwembaden en bepaalde sportvoorzieningen. Dergelijke voorzieningen beschikken in Zeeuws-Vlaanderen over een relatief kleine markt. Dit uit zich veelal in lagere bezoekersaantallen en bezettingscijfers dan voor dit soort voorzieningen verwacht mag worden/wenselijk is. Kleinschalige voorzieningen Veel voorzieningen zijn door hun kleine verzorgingsgebied relatief klein van omvang. Zo hebben de gemeenten Terneuzen en Sluis relatief veel gymzalen (één zaaldeel), hebben de kindfuncties op locatie vaak slechts één groep en zijn de scholen in Zeeuws-Vlaanderen relatief klein, zoals ook onderstaande figuur laat zien. Hoewel de geringe omvang niet per se iets zegt over de kwaliteit van de voorzieningen, maakt deze kleinschaligheid voorzieningen wel kwetsbaar(der) in de continuïteit, exploitatie, functionaliteit en organisatie. Er bestaat uiteraard wel een ondergrens waaronder voorzieningen niet meer optimaal kunnen functioneren. Het bepalen van deze ondergrens hangt sterk af van het gemeentelijk beleid en de specifieke lokale omstandigheden. Een aantal voorzieningen balanceert op het randje van deze ondergrens. Figuur 24: Gemiddelde schoolgrootte (in aantal leerlingen) Clustering op kernniveau Zoals eerder aangegeven is door gemeenten een beleid met betrekking tot clustering van (basis)voorzieningen op kernniveau ingezet. In een aantal kernen zijn multifunctionele sociaal-culturele accommodaties of brede scholen gerealiseerd c.q. worden deze op korte termijn gerealiseerd. In de praktijk is vooral sprake van clustering van verschillende kindfuncties (basisonderwijs, peuterspeelzaalwerk, BSO en kinderopvang); daarnaast maken sport-, welzijn-, cultuur- en zorgvoorzieningen regelmatig deel uit van clustervoorzieningen. Gemeentegericht aanbod Opvallend is dat het voorzieningenaanbod in Zeeuws-Vlaanderen volledig gemeentelijk georiënteerd is. Tot nu toe is er weinig tot geen afstemming over de gehele regio, alhoewel de kern Terneuzen wel enkele voorzieningen heeft met een regionale functie en er langzamerhand meer samenwerking ontstaat. Dit kan uiteraard verklaard worden door de uitgestrektheid van het gebied en de historische context. Waardering van voorzieningen In het onderzoek “de Sociale staat van Zeeland” (uitgevoerd door Scoop) is de tevredenheid van inwoners ten aanzien van het voorzieningenniveau in de drie gemeenten onderzocht. Gebleken is dat dit samenhangt met de beschikbaarheid en kwaliteit van de voorzieningen én de behoefte/verwachtingen van de respondenten. In Zeeuws-Vlaanderen zijn kernen waar men heel positief oordeelt over de kwaliteit van de aanwezige voorzieningen; voorbeelden zijn Oostburg, Breskens en Kloosterzande. In een aantal kernen aan de grens met België is men juist heel kritisch over de kwaliteit van de voorzieningen; voorbeelden zijn Overslag, Heikant, Kapellebrug en Nieuw-Namen. Nevenstaande figuur geeft de waardering per kern weer. Figuur 25: Waardering kwaliteit voorzieningen per kern Waardering in relatie tot omvang kern In onderstaande figuur is de tevredenheid gerelateerd aan de omvang van de kern. Hieruit blijkt dat men in grotere kernen over het algemeen meer tevreden is. Dit hangt naar verwachting deels samen met de grotere omvang van het voorzieningenaanbod in grotere kernen. Figuur 26: Waardering voorzieningen in relatie tot omvang kern Waardering van basisvoorzieningen In “de Sociale staat van Zeeland” is ook een waarderingscijfer gevraagd voor drie typen basisvoorzieningen, te weten basisonderwijs, sport en buurt-/dorpshuis. Ook dit is gerelateerd aan de omvang van de kern. Onderstaande figuren geven de resultaten weer. De kernen die niet over een dergelijke voorziening beschikken, zijn in de berekening buiten beschouwing gelaten. Hieruit blijkt dat: er een relatie is tussen de omvang van de kern en de waardering van voorzieningen voor basisonderwijs en met name sport; naarmate de kern groter is stijgt de waardering. Dit kan te maken hebben met de diversiteit, omvang en keuzemogelijkheid die men in grotere kernen heeft. er nauwelijks tot geen relatie is tussen de omvang van de kern en de waardering voor buurt/dorpshuizen. Waarschijnlijk wordt een dorpshuis vooral als een voorziening beschouwd die aanwezig moet zijn in de kern. Keuzemogelijkheid, diversiteit en omvang van de voorziening zijn minder van belang bij de beoordeling van dit type voorziening. Geconcludeerd kan worden dat in de waardering van de voorzieningen verschillen bestaan, waarbij bij sommige de beschikbaarheid op kernniveau belangrijk gevonden wordt (geen verschil in waardering tussen grote en kleine kernen) en bij andere ook de omvang, diversiteit en keuzemogelijkheid een rol speelt (die in grotere kernen meer aanwezig is). We zien dit ook terug in de verschillen in mobiliteitsbewegingen ten aanzien van de voorzieningen. Figuur 27: Waardering basisschool (bron: Scoop) Figuur 28: Waardering sportvoorzieningen (bron: Scoop) Figuur 29: Waardering dorpshuis (Bron: Scoop) Ontwikkelingen in aanbod aan voorzieningen Er doen zich landelijk – en ook in Zeeuws-Vlaanderen – verschillende ontwikkelingen voor in het aanbod die inspelen op bovengenoemde, veranderende behoefte. De volgende ontwikkelingen doen zich voor: Schaalvergroting. Steeds vaker proberen gemeenten voorzieningen rondom welzijn, sport en cultuur te clusteren. Het doel is komen tot centrale voorzieningen waarin alle functies gezamenlijk zijn gehuisvest. De achterliggende motieven zijn efficiency voordelen, maar ook het tegemoet komen aan de eisen van de hedendaagse consument (breed scala van activiteiten onder één dak) en de mogelijkheden die dit biedt voor een (meer) professioneel aanbod. Multifunctionaliteit. Accommodaties worden steeds vaker multifunctioneel ingericht en gebruikt. In eerste instantie was vooral sprake van “bedrijfsverzamelgebouwen” waar vooral ruimtelijk werd samengewerkt; steeds vaker zien we dat partijen ook inhoudelijk en organisatorisch samenwerken. Kwaliteitsimpuls. De moderne consument is “verwend” en wil zijn (vrije)tijdsbesteding in een kwalitatief hoogwaardige omgeving doorbrengen. De afgelopen jaren is dan ook fors geïnvesteerd in de kwaliteit van voorzieningen, vaak in combinatie met “een opschaling van voorzieningen”. Diversiteit. Het (commerciële) aanbod aan vrijetijdsbesteding is breder geworden, inspelend op de veranderende behoefte van de consument. Denk bijvoorbeeld aan de sterke opkomst van individuele buitensporten, leisure- en fitnesscentra en particuliere initiatieven op het gebied van kunst en cultuur. Flexibiliteit. Nieuwe accommodaties worden zodanig gebouwd dat ze op termijn eenvoudig aanpasbaar zijn aan veranderende doelgroepen of functies. Denk bijvoorbeeld aan schoolwoningen. Innovatie. Nieuwe technologieën bieden mogelijkheden om tegemoet te komen aan de veranderende behoefte of nieuwe doelgroepen (senioren). De opkomst van moderne communicatiemiddelen- en technologieën maakt dat diensten op maat en onafhankelijk van plaats en tijd geboden kunnen worden. De afhankelijkheid van een centrale fysieke voorziening/gebouw wordt daardoor minder. 1.5Vergelijking vraag – aanbod De vergelijking tussen vraag en aanbod kan vanuit twee invalshoeken worden bekeken: Capaciteit. Hierbij wordt gekeken of de voorzieningen qua aantal en omvang in evenwicht zijn met het huidige (en verwachte, toekomstige) gebruik. Met andere woorden, of er (op termijn) voldoende vraag is om de beschikbare capaciteit te benutten. De capaciteitsvergelijking zegt dus iets over de omvang van het aanbod in relatie tot de vraag. Deze vergelijking zegt iets over de efficiency in capaciteit en de exploiteerbaarheid van voorzieningen en geeft dus ook zicht op de continuïteit in de organisatie. Beschikbaarheid. Hierbij wordt het aanbod vanuit inhoudelijk oogpunt en bereikbaarheid beoordeeld, ongeacht de (toekomstige) vraag. De voorzieningen dienen voor (potentiële) gebruikers goed beschikbaar/bereikbaar te zijn. Deze vergelijking zegt met name iets over het voorzieningenniveau. Deze vergelijking is sterk beleidsmatig (en cultuurhistorisch) bepaald, waarbij ook de geografische kenmerken van het gebied meetellen. In een stedelijk gebied is de beschikbaarheid met minder voorzieningen te realiseren dan in een uitgestrekt gebied zoals Zeeuws-Vlaanderen dat bovendien uit verschillende kernen bestaat. Uiteraard hangen beide invalshoeken wel met elkaar samen; een grote beschikbaarheid (decentraal aanbod, kleine verzorgingsgebieden) leidt tot een relatief grote capaciteit, aangezien elke voorziening nu eenmaal een minimum maatvoering kent, ongeacht het gebruik. Vergelijking vanuit oogpunt van capaciteit Van een aantal (basis)voorzieningen zijn gebruiksgegevens bekend, namelijk van sportvoorzieningen en onderwijs- en kindfuncties. Van de zorgvoorzieningen (dagopvang senioren) en dorps-/buurthuizen zijn over het algemeen geen (gedetailleerde) gebruiksgegevens bekend. De beschikbare gebruiksgegevens bieden inzicht in de bezetting van de accommodaties en geven antwoord op de vraag of er sprake is van over- of ondercapaciteit in relatie tot het gebruik (in hoeverre zijn er teveel of te weinig m2, zaaldelen, klaslokalen, kindplaatsen ten opzichte van het huidig gebruik). In onderstaande tabellen is aangegeven in hoeverre op dit moment sprake is van over- of ondercapaciteit in relatie tot het huidige gebruik. In de berekening is uitgegaan van gangbare bezettingsnormen of gemiddelden. Deze vergelijking biedt inzicht in de efficiency in gebruik en de (toekomstige) exploiteerbaarheid en continuïteit van voorzieningen. Figuur 30: Over/ondercapaciteit op basis van gebruik voorzieningen Hoewel er verschillen tussen de gemeenten en de verschillende typen voorzieningen bestaan, kan worden gesteld dat gebruik en bezetting van de voorzieningen over de gehele linie achterblijft bij gangbare normen. Dit duidt op een overcapaciteit van voorzieningen of – andersom geredeneerd – een beperkte bezetting van de beschikbare voorzieningen. Uitzondering zijn de voorzieningen voor senioren. Deze laten geen overcapaciteit zien, dit hangt samen met de sterke vergrijzing. Het voorzieningenaanbod voor senioren zal de komende jaren echter wel vernieuwd moeten worden in verband met de sterk toenemende vraag en de ontwikkelingen die zich voordoen (bijvoorbeeld de overheveling van ondersteuning van AWBZ naar Wmo). De overcapaciteit wordt vooral veroorzaakt door het grote en met name versnipperde aanbod. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar: Overcapaciteit door spreiding. Door “in elke kern” één of meerdere voorzieningen te realiseren, ook al is er relatief weinig vraag doordat het aantal inwoners beperkt is, is er sprake van een versnipperde overcapaciteit. Er zijn relatief veel locaties die niet optimaal benut (kunnen) worden, omdat de vraag (

  1. te)beperkt is. Dit speelt met name bij de kindfuncties en binnensport: vanuit inhoudelijk perspectief worden onderwijs en kinderopvang op kernniveau aangeboden, ook al wonen er relatief weinig kinderen binnen de kern. Overcapaciteit door maatvoering per voorziening. Op onderdelen is sprake van een te grote capaciteit bij individuele voorzieningen. Zo heeft een aantal tennisverenigingen en voetbalverenigingen volgens de normen van NOC*NSF teveel banen of velden ten opzichte van het aantal leden. De spreiding is dan niet direct de oorzaak van de overcapaciteit, maar de omvang van de accommodatie is het probleem. Deze overcapaciteit speelt (op termijn) in sterkere mate in kernen waar de doelgroepen de komende jaren sterk terug zullen lopen (bijvoorbeeld jeugd). In onderstaande figuur is per kern aangegeven in hoeverre er sprake is van overcapaciteit (bij de voorzieningen waarvan de bezetting bekend is). Aangegeven is of de overcapaciteit hoger, lager of hetzelfde is ten opzichte van de gemiddelde overcapaciteit in Zeeuws-Vlaanderen. Figuur 31: Overcapaciteit in relatie tot gebruik per kern Vergelijking vanuit oogpunt van beschikbaarheid De gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen kennen een sterk gespreid voorzieningenniveau over nagenoeg alle kernen. Op basis daarvan kunnen “vier typen kernen” worden onderscheiden: Hoofdkernen met een compleet voorzieningenniveau (alle type voorzieningen, vaak meervoudig aanwezig). Middelkernen met een uitgebreid voorzieningenniveau (een of meerdere onderwijs en kindfuncties, compleet pakket sport- en sociaal culturele voorzieningen, meerdere zorgvoorzieningen). Basiskernen met compleet basisvoorzieningenpakket (enkelvoudig onderwijs-, kindvoorzieningen, binnen- en/of buitensport-voorzieningen en dorpshuis). Woongemeenschap. Kern zonder of met slechts één voorziening. In onderstaande figuur is deze indeling grafisch per kern weergegeven. Figuur 32: Type kernen naar aard en omvang voorzieningenniveau Indeling naar type kern In onderstaand overzicht is schematisch weergegeven hoe de kernen van de drie gemeenten in deze vier categorieën in te delen zijn. Opvallend is: de geringe omvang (775 inwoners) van de kernen met een (compleet) basisvoorzieningenpakket (onderwijs, kindfuncties, binnen- en/of buitensport en dorpshuis). dat de gemeente Terneuzen nauwelijks kernen heeft met een basisvoorzieningenniveau; de meeste kernen in Terneuzen beschikken over een (boven)gemiddeld aanbod aan voorzieningen. Dit hangt samen met de grotere gemiddelde omvang van kernen in de gemeente Terneuzen. dat de gemeenten Hulst en Sluis een gelijkmatigere verdeling over de categorieën kennen, waarbij voor Sluis geldt dat de gemiddelde omvang van de kernen kleiner is dan elders in Zeeuws-Vlaanderen. De verzorgingsgebieden in Sluis zijn dus (nog) kleiner. Figuur 33: Aantal en omvang verschillende type kernen per gemeenten Gemeente Type kern # kernen Gem. # inwoners Hulst Hoofdkern 1 10.868 Middelkern 4 2.794 Basiskern 6 853 Woongemeenschap 2 349 Sluis Hoofdkern 2 4.811 Middelkern 4 2.095 Basiskern 8 692 Woongemeenschap 1 332 Terneuzen Hoofdkern 2 16.506 Middelkern 8 2.538 Basiskern 1 956 Woongemeenschap 2 308 Zeeuws-Vlaanderen Hoofdkern 5 10.700 Middelkern 16 2.491 Basiskern 15 774 Woongemeenschap 5 329 1.6Conclusies Hieronder volgen puntsgewijs de belangrijkste conclusies uit de inventarisatie die in het kader van het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen is uitgevoerd. Beleid In het gemeentelijk voorzieningenbeleid in Zeeuws-Vlaanderen is logischerwijs gekozen voor een decentrale voorzieningenstructuur. Dat wil zeggen dat elke kern over meer of minder voorzieningen op maatschappelijk gebied beschikt. Redenen hiervoor zijn: de sterke sociale cohesie en gerichtheid op de eigen kern, de relatief grote afstanden tussen de kernen en de beperkte bereikbaarheid van voorzieningen elders. In het gemeentelijk accommodatiebeleid is de demografische verandering en bevolkingsafname (nog) niet als leidend thema opgenomen. Wel is een aantal ontwikkelingen in gang gezet, waarmee wordt ingespeeld op de gevolgen van deze ontwikkeling op de voorzieningen (bijvoorbeeld Brede School ontwikkeling, clustering en multifunctioneel ruimtegebruik); De provinciale en landelijke overheid heeft geen directe verantwoordelijkheid en bemoeienis met het beleid ten aanzien van maatschappelijke voorzieningen. De provinciale en landelijke overheden stimuleren en faciliteren gemeenten wel om in te spelen op de demografische veranderingen. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor een goed systeem van openbaar en daarmee de bereikbaarheid van voorzieningen. De status als landelijke pilot biedt de gemeenten de mogelijkheid om het beleid ten aanzien van de voorzieningen voor de langere termijn opnieuw neer te zetten. Omgeving Zeeuws-Vlaanderen is een op zichzelf staand gebied, zowel geografisch als gevoelsmatig. Het ligt relatief geïsoleerd ten opzichte van Nederland. Bereikbaarheid van voorzieningen elders in Nederland is door de geografische situatie moeilijk. De oriëntatie op België is op onderdelen wel aanwezig, maar in het beleidsdenken en planvorming speelt de grens een duidelijke rol. De bevolkingsontwikkeling in de Belgische grensgemeenten is anders dan in Zeeuws-Vlaanderen. Dit heeft te maken heeft met verschillen in de bevolkingssamenstelling en het migratiepatroon. De wegtrek van jongeren is in de Belgische gemeenten niet of nauwelijks aan de orde. Dit komt onder andere doordat Belgische steden op relatief korte afstand aanwezig en bereikbaar zijn. Voor Zeeuws-Vlaamse jongeren is dit niet het geval; in Nederland liggen de grote steden (met veel studie- en werkmogelijkheden) relatief ver weg. Zeeuws-Vlaanderen is een uitgestrekt gebied met veel kernen. De kernen zijn relatief gering van omvang (met uitzondering van de kernen in de gemeente Terneuzen). Bovendien zijn de afstanden tussen de kernen groot. Door de dunbevolktheid en de beperkte omvang van de kernen is een uitgebreid en fijnmazig openbaar vervoer niet goed mogelijk. 90% van de inwoners van Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen is automobiel. Afstand, bereikbaarheid en vervoer vormen een belangrijk thema in Zeeuws-Vlaanderen en het voorzieningenbeleid. De demografische ontwikkelingen zorgen voor een veranderende behoefte aan woningen. Het aanbod aan en de realisatie van woningen in individuele kernen biedt goede mogelijkheden voor vernieuwing van het aanbod van voorzieningen. Vraag Kwantitatieve vraag De vraag naar voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen wordt sterk bepaald door de omvang en samenstelling van de bevolking en de ontwikkelingen die zich hierin voordoen (afname aantal inwoners, vergrijzing, ontgroening). De Zeeuws-Vlaamse bevolking krimpt de komende 20 jaar. Dit geldt het sterkst voor de gemeente Sluis (-12%). In totaal wonen over 20 jaar 7.100 minder mensen in Zeeuws-Vlaanderen (- 7%). De komende 20 jaar is een zeer sterke ontgroening en vergrijzing te zien. De potentiële beroepsbevolking neemt af. De kindvoorzieningen (onderwijs, kinderopvang) krijgen te maken met een sterke terugloop van belangstelling (-25%). Ook voorzieningen voor (jong)volwassenen (sport, cultuur) krijgen met een krimpende markt te maken. Dit zet niet alleen het draagvlak van de voorzieningen onder druk, maar ook de levensvatbaarheid van (vrijwilligers)organisaties. Een forse groei is te verwachten in de vraag naar voorzieningen voor zorg en welzijn voor senioren (tot +75% voor de oudere senioren). De vraag is hoe met minder middelen deze groeiende doelgroep toch bediend kan worden. Kwalitatieve vraag De behoefte aan voorzieningen wordt niet alleen getalsmatig bepaald, maar ook door kwalitatieve aspecten, zoals de sociaal economische kenmerken van Zeeuws-Vlaanderen, de sociale cohesie, de cultuurhistorische bepaalde gerichtheid op de kern, etc. De gerichtheid op de eigen kern en traditionele voorzieningen is in Zeeuws-Vlaanderen sterk aanwezig. Dit biedt kansen om bepaalde voorzieningen op kernniveau in stand te houden. Mensen maken (gedwongen) gebruik van voorzieningen buiten hun eigen kern. Het gaat vooral om voorzieningen in België (door grenskernen) of in nabijgelegen, grotere kernen. De reisbereidheid per type voorziening verschilt en is uiteraard ook afhankelijk van de aanwezigheid, diversiteit en kwaliteit van de voorzieningen in de eigen kern. Voor onderwijs en sport maakt men vaker gebruik van voorzieningen elders dan voor ontmoeting/welzijn. De vraag naar voorzieningen verandert, mede door de veranderende samenstelling van de bevolking, grotere mobiliteit, nieuwe communicatiemiddelen en een veranderende vrijetijdsbesteding. Kwaliteit en diversiteit worden steeds belangrijker in de keuze van vrijetijdsbesteding van de “moderne consument”. Directe nabijheid is minder belangrijk. Deze veranderende vraag biedt ook kansen om tot een kwaliteitssprong te komen in het voorzieningenaanbod. Aanbod Door het grote aantal kernen beschikt Zeeuws-Vlaanderen over een goed gespreid aanbod van voorzieningen. Bijna alle kernen beschikken over voorzieningen voor basisonderwijs, kinderopvang, binnen- en buitensport en welzijn/ontmoeting. Zeeuws-Vlaanderen kent relatief kleine verzorgingsgebieden per accommodatie. Voorzieningen zijn klein in omvang/opzet. Veel kernen en gemeenten beschikken over “eenzelfde aanbod aan voorzieningen”. Diversiteit in het aanbod ontbreekt, evenals bovenregionale voorzieningen. Op kernniveau is in toenemende mate sprake van clustering van voorzieningen; op regionaal niveau geldt dit nauwelijks. Het voorzieningenaanbod in Zeeuws-Vlaanderen is gemeente georiënteerd. Er is weinig afstemming over de gehele regio. Terneuzen vervult een beperkte regionale functie. Inwoners zijn over het algemeen tevreden over hun voorzieningen. De waardering verschilt per voorziening en per kern. Over het algemeen stijgt de waardering van voorzieningen naarmate de kern groter is, dit geldt met name voor sportvoorzieningen en basisscholen. Vergelijking vraag - aanbod Beschikbaarheid van voorzieningen is altijd een belangrijke invalshoek geweest bij de inrichting en instandhouding van voorzieningen (en dus niet zozeer de capaciteit van voorzieningen). De beschikbaarheid van voorzieningen is nog altijd goed te noemen. Over het algemeen is de capaciteit te groot ten opzichte van het huidige gebruik/bezetting van de voorzieningen. De achterblijvende bezetting wordt vooral veroorzaakt door het gespreide aanbod en de relatief kleine verzorgingsgebieden voor de voorzieningen. Vanuit beleidsoogpunt is een decentrale voorzieningenstructuur passend, maar met het oog op de beschikbare en benodigde capaciteit niet. Bij ongewijzigd beleid zal de overcapaciteit verder toenemen. Dit zet de exploiteerbaarheid, diversiteit en continuïteit van accommodaties en organisaties onder druk. Op lange termijn wordt het steeds moeilijker (of duurder) om een gespreid en compleet basisvoorzieningenpakket in de kernen overeind te houden. Uitzondering is de sterk groeiende markt van seniorenvoorzieningen; hier ligt de uitdaging om een organisatorisch en betaalbaar aanbod te creëren voor de toenemende, veranderende vraag. De noodzakelijke vernieuwingen in het voorzieningenaanbod bieden de mogelijkheid om het aanbod een impuls in kwaliteit en diversiteit te geven en hiermee het voorzieningenaanbod beter aan te laten sluiten bij de toekomstige, veranderende vraag. 1.7Transformatieopgave Duidelijk is dat Zeeuws-Vlaanderen voor een uitdagende transformatieopgave staat ten aanzien van de voorzieningen. De demografische veranderingen zijn ingrijpend en nopen tot een kwantitatieve veranderopgave voor de voorzieningen. Daarnaast zorgt een aantal autonome ontwikkelingen voor een veranderende behoefte aan voorzieningen, waarbij kwaliteit en diversiteit in voorzieningen steeds belangrijker worden. Daar komt bij dat er reeds sprake is van overcapaciteit c.q. onderbezetting van voorzieningen; dit komt door de gespreide voorzieningenstructuur. Bij ongewijzigd beleid zal dit verder toenemen, vooral voor de voorzieningen voor jeugd en volwassenen. De geografische en cultuurhistorische context maakt de bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen complex. Om in 2030 ook nog een robuuste voorzieningenstructuur te hebben, die aansluit bij de behoefte van de inwoners van Zeeuws-Vlaanderen, zal een aantal veranderingen doorgevoerd moeten worden. De transformatieopgave ligt op een aantal vlakken, waarbij een evenwicht gevonden zal moeten worden in een tweetal dilemma’s. Dilemma 1: Evenwicht in capaciteit en bereikbaarheid Bij de planning en spreiding van de voorzieningen zal gekeken moeten worden naar enerzijds de capaciteit (kwantitatieve aansluiting van het aanbod bij de vraag c.q. het terugdringen van de overcapaciteit), waarvoor een opschaling noodzakelijk is én anderzijds de bereikbaarheid van voorzieningen. De (reis)afstanden tot de basisvoorzieningen zullen mede bepalend zijn voor de planning en spreiding van voorzieningen. Hier een goed evenwicht in vinden is één van de uitdagingen in Zeeuws-Vlaanderen. Dilemma 2: Evenwicht in vernieuwing en behoud. Het betreft evenwicht vinden tussen een aantal autonome, maatschappelijke ontwikkelingen en de bijbehorende veranderende vraag enerzijds en de cultuurhistorische bepaalde focus in Zeeuws-Vlaanderen op het gewenste beeld van de autonome kernen en daarbij behorende decentrale voorzieningenstructuur anderzijds. 2Mogelijke scenario’s 2.1Inleiding In dit hoofdstuk worden de scenario’s geschetst die ontwikkeld zijn ten behoeve van het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen. De keuze voor de scenario’s is gebaseerd op: Analyses uit de inventarisatiefase; Resultaten en input uit de burgerparticipatie; Bespreking in de projectgroep en gemeentelijke werkgroepen. Uiteindelijk zijn vier scenario’s ontwikkeld. Deze verschillen van elkaar in de mate waarin zij inspelen op de dilemma’s van de transformatieopgave. Onderstaand is schematisch aangegeven waar de vier scenario’s zich bewegen in de beide dilemma’s. Figuur 34: Dilemma’s scenario’s 2.2Beschrijving scenario’s Hieronder een korte beschrijving van de verschillende scenario’s. 2.2.1 Scenario 1: Zelfstandige voorzieningen per kernScenario 1 gaat uit van behoud van zelfstandige voorzieningen op kernniveau. Figuur 35: Scenario 1 Behoud zelfstandige voorzieningen op kernniveau (bron: Politiek Online) Behoud van bestaande voorzieningen op kernniveau In dit scenario beschikt (nagenoeg) elke kern over een breed aanbod aan (basis)voorzieningen. Beschikbaarheid van voorzieningen is het centrale uitgangspunt in dit scenario. Het behoud van een decentrale voorzieningenstructuur is het antwoord op de ontwikkelingen die zich voordoen. Kleine, zelfstandige voorzieningen Kernen hebben elk hun eigen aanbod aan voorzieningen. De voorzieningen zijn kleinschalig van opzet. Het zijn veelal solitaire voorzieningen, clustering van voorzieningen vindt niet of nauwelijks plaats. Elke kern beschikt min of meer over hetzelfde aanbod aan (basis)voorzieningen; er is daarmee weinig diversiteit in het aanbod. Afstemming en samenwerking De gemeente speelt een belangrijke rol in de instandhouding van het voorzieningenniveau. Publiekprivate samenwerking vindt niet of nauwelijks plaats, voorzieningen zijn vooral een gemeentelijke aangelegenheid. Ook samenwerking en afstemming tussen de kernen vindt nauwelijks plaats; kernen zijn vooral “autonoom en zelfvoorzienend”. Het dagelijks leven speelt zich veelal af binnen de kern, alleen voor grotere, specifieke voorzieningen zijn inwoners van kleine kernen aangewezen op de grotere, omliggende kernen. Openbaar vervoer met lijndiensten en buurtbussen die alle kernen met elkaar verbinden passen in dit scenario. Inzet vrijwilligers Voorzieningen worden gerund door vrijwilligers en verenigingen die gebruik maken van de accommodaties. Zonder de inzet van”de gemeenschap” is het niet mogelijk om het decentrale voorzieningenaanbod in stand te houden. Focus en financiën In dit scenario wordt veel tijd, geld en energie gestoken in de instandhouding van het decentrale voorzieningenaanbod. Dit laat weinig tot geen ruimte voor investeringen in de kwaliteit of uitbreiding van het aanbod. 2.2.2 Scenario 2: Clustering op kernniveauDit scenario gaat uit van clustering van voorzieningen en een transformatie van voorzieningen op kernniveau. Figuur 36: Scenario 2: Clustering van voorzieningen op kernniveau (bron; Politiek Online) Doorgaan op eerder ingeslagen weg van clustering In dit scenario worden voorzieningen nog altijd op kernniveau aangeboden, maar wordt de reeds (voorzichtig) ingeslagen weg van clustering van voorzieningen op kernniveau doorgezet. In dit scenario vormt vergaande clustering en samenwerking op kernniveau het antwoord op de ontwikkelingen die zich voordoen. Multifunctionele voorzieningen op kernniveau Zoveel mogelijk kernen beschikken over een (kleine) kwalitatief hoogwaardige, multifunctionele voorziening. Dit is dé plek van waaruit allerhande activiteiten en diensten worden aangeboden en waar inwoners elkaar ontmoeten. Voorzieningen in grotere kernen (bijvoorbeeld grotere sport- en cultuurclusters) worden ook door inwoners uit de kleine, omliggende kernen gebruikt. Openbaar vervoer met lijndiensten en buurtbussen afgestemd op gebruikstijden van de grotere voorzieningen passen in dit scenario. Samenwerking en afstemming Partijen werken binnen de clustervoorzieningen nauw met elkaar samenwerken, zowel inhoudelijk als organisatorisch. Ook tussen de (buur)kernen en gemeenten vindt in toenemende mate afstemming plaats over het (geclusterde) aanbod. Waar mogelijk wordt het aanbod op elkaar afgestemd. De onderlinge samenwerking en afstemming moet onderlinge concurrentie voorkomen en de exploiteerbaarheid en continuïteit van voorzieningen verbeteren. Ook moet het voorkomen dat tijd, geld en moeite wordt geïnvesteerd in voorzieningen met (
  2. te)beperkte exploitatiemogelijkheden of levensvatbaarheid. Inzet vrijwilligers Voorzieningen worden gerund door vrijwilligers en verenigingen. De gemeente ondersteund hen hierin. Zonder inzet van “de gemeenschap” is het niet mogelijk om het geclusterde, decentrale voorzieningenaanbod in stand te houden. Focus en financiën Dit scenario borduurt verder op de reeds ingeslagen lijn van clustering, maar vraagt om een investering in het bestaande voorzieningenaanbod. Het gaat vooral om een investering in de samenvoeging en vernieuwing van voorzieningen; in uitbreiding van het aanbod wordt niet of nauwelijks geïnvesteerd. Investeringen komen vooral van de gemeente. Publiekprivate samenwerking vindt in dit scenario niet of nauwelijks plaats. 2.2.3 Scenario 3: Herschikking van voorzieningenDit scenario gaat uit van een herschikking van voorzieningen en een transformatie van de bestaande voorzieningenstructuur. Figuur 37: Scenario 3: Herschikking van voorzieningen (bron: Politiek Online) Evenwicht in vraag/aanbod en bereikbaarheid voorzieningen In dit scenario worden voorzieningen steeds minder op kernniveau en steeds meer op gemeentelijk, centraal niveau aangeboden. Het streven is een voorzieningenaanbod dat past bij de aard en omvang van het verzorgingsgebied. Beschikbaarheid en nabijheid zijn niet het leidende principe, maar bereikbaarheid en evenwicht in vraag en aanbod voeren de boventoon in dit scenario. Grote omvang verzorgingsgebieden In dit scenario zullen niet-rendabele voorzieningen (op termijn) verdwijnen. Het aantal voorzieningen zal afnemen en voorzieningen – veelal op gemeentelijk niveau georganiseerd – krijgen een groter verzorgingsgebied. Zij vervullen een rol voor meerdere kernen. Voor de grote kernen betekent dit dat voorzieningen een groter verzorgingsgebied krijgen en een rol vervullen voor meerdere, omliggende kernen. Voor de kleine kernen betekent dit dat (de meeste) voorzieningen zullen verdwijnen; het verzorgingsgebied van deze voorzieningen is eenvoudigweg te klein om de voorzieningen in stand te kunnen houden. Dit scenario gaat uit van een grote mate van automobiliteit van de inwoners. Openbaar vervoer en doelgroepenvervoer worden geïntegreerd en op gemeentelijk en regionaal niveau afgestemd op de groepen die niet automobiel zijn. Inzet op behoud ontmoetingsfunctie op kernniveau Idealiter is wel een (multifunctionele) voorziening op kernniveau beschikbaar waar ontmoeting en dienstverlening kan plaatsvinden, vooral voor kwetsbare groepen of inwoners met een beperkte actieradius. Het draagt bovendien bij aan de leefbaarheid en sociale samenhang binnen de kern. Of dit haalbaar is, is afhankelijk van de vraag naar zo’n voorziening (draagvlak) en de afstand naar zo’n voorziening in een andere, grotere kern (bereikbaarheid). Afstemming en samenwerking In de beleids- en planvorming rondom voorzieningen wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het aanbod in de andere gemeenten en voorzieningen in het Belgische achterland. Op gemeentelijk en regionaal niveau vindt afstemming plaats, teneinde onderlinge concurrentie en (onnodige) kosten te voorkomen. Clustering en multifunctioneel ruimtegebruik Net als in scenario 2 is in dit scenario sprake van clustering van voorzieningen en multifunctioneel ruimtegebruik. Op gemeenteniveau ontstaat een kwalitatief hoogwaardig aanbod aan voorzieningen. Voor zover voorzieningen in kleine kernen (kunnen) worden behouden, worden ook deze geclusterd. Het gaat dan vooral om functionele clustering of clustering rondom een bepaalde doelgroep. Inzet vrijwilligers Dit scenario vraagt om een meer professionele wijze van beheer en exploitatie. Dit komt omdat de complexiteit van het beheer toeneemt en inwoners zich minder betrokken voelen bij de grotere, kernoverstijgende accommodaties en dus minder bereid zijn om zich hiervoor (structureel) in te zetten. Waar mogelijk wordt wel gebruik gemaakt van vrijwilligers; dit geldt zeker voor eventuele voorzieningen op kernniveau. Vrijwilligerswerk zal meer rondom organisatie van activiteiten plaatsvinden. Focus en financiën Dit scenario vraagt om een investering in het voorzieningenaanbod, vooral in de kwaliteit, de bereikbaarheid en het beheer van voorzieningen. In de instandhouding van het bestaande voorzieningenaanbod wordt juist minder geïnvesteerd. Investeringen komen vooral van de gemeente, maar gemeenten zoeken nadrukkelijk de samenwerking met private en maatschappelijke partijen (voorzieningen op gemeentelijk niveau) en de burgers (voorzieningen op kernniveau). 2.2.4 Scenario 4: Voorzieningenstructuur op de schopDit scenario gaat uit van het opnieuw inrichten van de voorzieningenstructuur. De bestaande voorzieningenstructuur gaat op de schop. Figuur 38: Scenario 4: Voorzieningen op de schop (bron: Politiek Online) Efficiëntie en evenwicht in regionale vraag/aanbod In dit scenario worden voorzieningen niet langer op kernniveau of zelfs op gemeentelijk niveau aangeboden. Het aanbod aan voorzieningen wordt regionaal vormgegeven, waarbij nadrukkelijk rekening wordt gehouden met het aanbod in België. Dit scenario speelt in op de ontwikkelingen die zich voordoen door een zeer efficiënte inrichting van de voorzieningenstructuur én verregaande verandering van het aanbod. Centralisatie, opschaling en capaciteitsfocus Het uitgangspunt is centralisatie van voorzieningen en een focus op de benodigde capaciteit. Er vindt maximale opschaling en clustering van voorzieningen plaats. Voorzieningen worden zoveel mogelijk in de hoofdkernen gerealiseerd, hebben een relatief groot verzorgingsgebied en vervullen een gemeentelijke of zelfs regionale rol. Reizen om gebruik te maken van deze voorzieningen is normaal. Openbaar vervoer en doelgroepenvervoer worden geïntegreerd en op gemeentelijk, regionaal en internationaal niveau afgestemd op de groepen die niet automobiel zijn. Voorzieningen waar (
  3. te)weinig vraag naar is of waarvoor goede alternatieven zijn ook in België), zullen verdwijnen. Dat betekent dat kleine en middelgrote kernen niet langer over voorzieningen beschikken; dit worden zogenaamde woondorpen. In dit scenario wordt zwaar ingezet op opschaling, vernieuwing en verbetering van de kwaliteit van het aanbod. Nieuwe technologieën moeten “dienstverlening op afstand” mogelijk maken, vooral voor kwetsbare groepen of groepen met een beperkte actieradius (bijvoorbeeld ouderen). Zeeuws-Vlaanderen wil zich met haar voorzieningenaanbod nadrukkelijk profileren, ook buiten de regio (bijvoorbeeld als vooruitstrevende zorgregio door gecombineerde zorg/toerisme concepten). Afstemming en samenwerking Tussen de verschillende gemeenten vindt nadrukkelijk samenwerking plaats. Ook met Belgische gemeenten vindt afstemming plaats. Het gebruik van voorzieningen in België door inwoners van Zeeuws-Vlaanderen wordt gestimuleerd. Dat geldt ook voor het openbaar vervoersysteem. Er wordt sterk ingezet op publiekprivate samenwerking, vooral op het gebied van sport, leisure en zorg. De geclusterde voorzieningen kennen daardoor een hoge kwaliteit en professionaliteit. Inzet van vrijwilligers Vrijwilligers spelen geen rol in beheer en exploitatie van de voorzieningen, dit is professioneel georganiseerd. De inzet van vrijwilligers is wel gewenst, maar is naar verwachting onvoldoende om de grootschalige, complexe voorzieningen te runnen. De aard van het vrijwilligerswerk zal verschuiven, van structureel naar incidenteel en van gericht op exploitatie van een accommodatie naar gericht op het aanbieden van activiteiten. Focus en financiën Dit scenario vraagt om investeringen in het de centralisatie van voorzieningen en de verbetering van de kwaliteit en diversiteit van het aanbod. In de instandhouding van voorzieningen op kernniveau wordt niet geïnvesteerd. Wel moet worden geïnvesteerd in de fysieke en digitale bereikbaarheid van voorzieningen; mensen wonen immers relatief ver bij de (basis)voorzieningen vandaan. Ook in het beheer van de accommodaties moet worden geïnvesteerd; dit scenario vraagt om professioneel beheer. 2.3Uitwerking/vergelijking scenario’s In de volgende paragrafen worden de vier scenario’s op een aantal onderdelen uitgewerkt. De volgende onderdelen komen aan bod: Toekomstig aanbod: Hoe ziet het toekomstig aanbod aan voorzieningen er in de verschillende scenario’s uit? Toekomstige vraag: In hoeverre sluiten de verschillende scenario’s aan bij de toekomstige vraag naar voorzieningen? Randvoorwaarden: Wat zijn belangrijke randvoorwaarden voor de verschillende scenario’s? Telkens wordt een korte beschrijving van het onderdeel gegeven en worden de vier scenario’s vergelijkend naast elkaar gepresenteerd. In de bijlagen zijn verdere uitwerkingen ter onderbouwing opgenomen. 2.3.1 Toekomstig aanbodIn deze paragraaf volgt een beschrijving van hoe het toekomstig aanbod aan voorzieningen er in de verschillende scenario’s uitziet. Het gaat dan om het aanbod in termen van schaalniveau/spreiding, beschikbaarheid en bereikbaarheid, capaciteit, regionale samenwerking en aard van het voorzieningenaanbod. Schaalniveaus en spreiding Zoals aangegeven is de spreiding van de voorzieningen een belangrijk thema in het Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen. Onderstaand schema geeft weer hoe hier per scenario invulling aan wordt gegeven. Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Schaalniveaus Het voorzieningenaanbod blijft Het voorzieningenniveau blijft Het voorzieningenniveau is Het voorzieningenniveau is en spreiding kern-/gemeentegeoriënteerd. kern-/gemeentegeoriënteerd. gemeente-/regiogeoriënteerd. regiogeoriënteerd. Er is geen wisselwerking met Er is zeer beperkte Er vindt afstemming plaats op De planning van voorzieningen andere gemeenten, de regio en wisselwerking binnen de regio. gemeentelijk en mogelijk ook vindt plaats op de schaal van België. Voorzieningen blijven decentraal regionaal niveau. Zeeuws-Vlaanderen. De huidige decentrale aanwezig. Ook wordt rekening gehouden Zeeuws-Vlaanderen is daarnaast voorzieningenstructuur blijft in Er vindt maximale clustering op met het aanbod in de Belgische sterk georiënteerd op het tact. kernniveau plaats. grensstreek. Belgische achterland. Voorzieningen blijven zoveel als Hierbij worden per kern(-type) Er wordt gekozen voor een De basisvoorzieningen worden mogelijk in alle kernen verschillende clusters ingericht. duidelijk getrapte zoveel mogelijk opgeschaald. aanwezig. Waar clustering plaatsvindt is voorzieningenstructuur, waarbij In de kleine kernen zijn geen Er is weinig diversiteit in sprake van vernieuwing/ voorzieningen op het (qua voorzieningen meer aanwezig. voorzieningenniveaus. Nagenoeg kwaliteitsverbetering in het vraag-aanbod) meest optimale In de middelgrote kernen zijn de alle kernen van dezelfde omvang aanbod. schaalniveau/verzorgingsgebied basisvoorzieningen aanwezig. hebben hetzelfde In het totale aanbod aan gerealiseerd worden. Zoveel als mogelijk worden de voorzieningenaanbod. voorzieningen vindt geen extra Op kernniveau vindt zoveel voorzieningen in de hoofdkernen Beschikbaarheid is dominant toevoeging van nieuwe mogelijk clustering van aangeboden. uitgangspunt in het voorzieningen op gemeentelijk voorzieningen plaats. Voor de voorzieningen met een voorzieningenbeleid. regionaal niveau plaats. Met name op gemeentelijk en draagvlak van ca. 100.000 Beschikbaarheid is het regionaal niveau bestaat ruimte inwoners wordt gekozen voor dominante uitgangspunt in het voor een kwaliteitsimpuls en een centralisatie op één plek in voorzieningenbeleid met een toevoeging van nieuwe de regio. beperkte optimalisering in de voorzieningen. Capaciteit is het dominante capaciteit door de clustering op Evenwicht in bereikbaarheid en uitgangspunt in het kernniveau. capaciteit is het centrale voorzieningenbeleid. uitgangspunt in het voorzieningenbeleid. Aantal kernen naar type voorzieningenniveau Afhankelijk van welke uitgangspunten ten aanzien van spreiding en schaalniveau worden gehanteerd, verandert de aard en omvang van het voorzieningenaanbod per kern in meer of mindere mate. Sommige kernen ontwikkelen zich van basiskern naar woonkern, andere kernen ontwikkelen zich van basiskern naar hoofdkern, afhankelijk van welk scenario wordt gevolgd. Onderstaande figuur geeft deze verschuivingen voor heel Zeeuws-Vlaanderen weer (indicatief). Hierbij is uitgegaan voor een volledige doorontwikkeling van het betreffende scenario in 2030. De indeling in scenario 1 is conform is de huidige situatie, aangezien er geen wijzigingen worden aangebracht in de voorzieningen(structuur). Hieruit blijkt dat met name in scenario 3 en 4 de voorzieningenstructuur fundamenteel wijzigt. In scenario 1 en 2 wordt behoud van voorzieningen in alle kernen nagestreefd, ongeacht de omvang van de verzorgingsgebieden; in scenario 3 en 4 wordt uitgegaan van een voorzieningenstructuur die aansluit bij verzorgingsgebieden van voldoende omvang. Het aantal woonkernen (kernen zonder voorzieningen of alleen een ontmoetingsfunctie) neemt in scenario 3 en 4 dan ook duidelijk toe. In deze scenario’s vindt clustering “over de kernen heen” plaats, veelal in grotere kernen. Het gevolg is dat het aantal voorzieningen, zeker in de kleine kernen, afneemt. Figuur 39: Aantal kernen naar type voorzieningenniveau Onder- deel Scenario 1 (= gelijk aan huidige situatie) Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 De volgende tabel geeft bovenstaande in aantallen per gemeente weer. Ook hier is weer uitgegaan van een volledige doorontwikkeling van het betreffende scenario. Figuur 40: Aantal kernen naar type voorzieningenniveau per gemeente Gemeente Type kern naar voorzieningenniveau Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Hulst Hoofdkern 1 1 1 1 Middelkern 4 4 3 2 Basiskern 6 5 2 1 Woongemeenschap 2 3 7 9 Sluis Hoofdkern 1 1 1 1 Middelkern 5 5 4 3 Basiskern 8 4 2 3 Woongemeenschap 1 5 8 8 Terneuzen Hoofdkern 2 2 2 1 Middelkern 8 8 4 3 Basiskern 1 0 2 1 Woongemeenschap 2 3 5 8 Zeeuws Hoofdkern 5 5 5 3 Vlaanderen Middelkern 16 16 10 8 Basiskern 15 9 6 5 Woongemeenschap 5 11 20 25 Beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen Hierboven is aangegeven hoe de voorzieningenstructuren in de verschillende scenario’s per gemeente transformeren. In navolging daarvan wordt ook de beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen in iedere kern anders. Dit kan worden weergegeven in zogenaamde beschikbaarheids- en bereikbaarheidsprofielen: Het beschikbaarheidprofiel schetst het voorzieningenpakket dat in een type kern aanwezig is in een bepaald scenario; naarmate de rode taartpunt groter is, hoe meer van dat type voorzieningen aanwezig is binnen de kern; Het bereikbaarheidprofiel schetst de bereikbaarheid van voorzieningen vanuit een type kern aan de hand van de afstand over de weg die afgelegd moet worden naar een voorziening als die niet in de kern aanwezig is; hoe minder rood de taartpunt is, des te groter de afstand is die inwoners moeten afleggen. Hieronder geven we beide profielsoorten voor de verschillende type kernen en per scenario weer. Voor de woongemeenschappen zijn geen taartdiagrammen gemaakt aangezien in deze kernen geen voorzieningen (meer) aanwezig zijn, behoudens een horecavoorziening en/of een ontmoetingspunt. Uit de diagrammen blijkt dat de scenario’s met name verschillen in de beschikbaarheid van voorzieningen in de basiskernen en de middelkernen. Scenario’s 1 en 2 zetten zwaar in op behoud van voorzieningen in de basiskernen; scenario 3 heeft de meeste voorzieningen voor ontmoeting, senioren en kinderen in de basiskernen en andere voorzieningen op relatief korte afstand beschikbaar; voor scenario 4 geldt dat voor voorzieningen (verder) gereisd moet worden. Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Basiskernen* Een basiskern heeft vrijwel alle soorten voorzieningen in de kern. Zwembaden, consultatiebureaus, zorg en culturele voorzieningen zijn op grotere afstand aanwezig. Ontmoeting, sport, kinderopvang, peuterspeelzaal en onderwijs zijn geclusterd aanwezig in de basiskernen. Elke basiskern heeft (afhankelijk van de mogelijkheden tot clustering) een eigen gezicht. Kwaliteit en diversiteit zijn de uitgangspunten voor clustering. Seniorenontmoeting en jeugdontmoeting zijn in de kern aanwezig. Culturele voorzieningen, consultatiebureau, jongerencentrum en zwembaden zijn vaak op grotere afstand aanwezig. Basiskernen hebben een beperkt voorzieningenpakket, vooral gericht op ontmoeting (horeca, dorpshuis), senioren en kinderen. Ouderen zullen mogelijkheden voor dagbesteding in het eigen dorp vinden. Het basisonderwijs en peuterspeelzaal is in de basiskernen aanwezig, indien de reisafstand naar een middelkern te ver is. De andere kindfuncties en sport zijn in middelkernen binnen 5 kilometer bereikbaar. Basiskernen bestaan in dit scenario bijna niet meer. De voorzieningen worden op een hoger schaalniveau aangeboden of de kern ontwikkelt zich als woongemeenschap. Alleen een ontmoetingspunt is in deze kernen nog aanwezig. Voor de basisvoorzieningen voor kinderen en senioren kan men terecht binnen vijf kilometer. Voor de andere voorzieningen moet men verder reizen. Beschikbaarheidsprofiel Beschikbaarheidsprofiel Basiskern – scenario 1 Basiskern – scenario 2 Basiskern – scenario 3 Basiskern – scenario 4 ___________________________________________________________________ * Basiskernen zijn kernen met een volledig (basis)voorzieningenpakket (enkelvoudig onderwijs, kindvoorzieningen, binnen- en/of buitensport en welzijn/ontmoeting) Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Middelkernen* Dorpshuis, basisschool, kinderopvang, sport, zwembad, zorg, jongerencentrum, culturele voorzieningen zijn allemaal in de middelkernen aanwezig. Aanvullend op het pakket in de basiskernen is: een bredere pakket sociaal cultureel en kindfuncties, zorgfuncties en her en der een buitenzwembad en culturele voorzieningen. In de middelkernen is een compleet pakket geclusterde basisvoorzieningen aanwezig (kindfuncties, sociaal cultureel, sport). Ook zijn zorgfuncties aanwezig, alsmede sommige culturele functies (bibliotheeksteunpunten, podia voor amateurverenigingen) Voor consultatiebureau, zwembad en culturele voorzieningen reist men naar de hoofdkernen. In dit scenario ontwikkelen de middelkernen zich tot de kernen met het basisvoorzieningenpakket voor een verzorgingsgebied van meerdere kernen (kindfuncties, sportfuncties, zorgfuncties) voorzieningenpakket. Alleen zwembad, cultureel centrum en podiumfuncties tref je er niet aan. Maar wel bibliotheekfuncties, bij voorkeur in integrale kindcentra. De middelkernen hebben voorzieningen op het terrein van ontmoeting, onderwijs, sport en zorg. Wat betreft de culturele voorzieningen wordt alleen nog in een dorpshuis voorzien. Zwembaden, nieuwe type sportvoorzieningen, culturele voorzieningen, jongerencentra en consultatiebureau zijn mogelijk op meer dan 15 km afstand (in de hoofdkernen). Aanwezigheidsprofiel Bereikbaarheidsprofiel Middelkern – scenario 1 Middelkern – scenario 2 Middelkern – scenario 3 Middelkern – scenario 4 * Middelkernen zijn kernen met een uitgebreid voorzieningenniveau (een of meerdere onderwijs- en kindfuncties, sport- en sociaal-culturele voorzieningen, meerdere zorgvoorzieningen) Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Hoofdkernen* Hoofdkernen blijven de centrale voorzieningenkernen met het compleet (gemeente georiënteerd) voorzieningenaanbod. Ook in dit scenario blijven de hoofdkernen de centrale voorzieningenkernen van de gemeente. Hoofdkernen hebben een belangrijke centrumfunctie voor de meeste voorzieningen. De hoogwaardige culturele en sport/leisurevoorzieningen zullen niet in elke hoofdkern aanwezig zijn, maar zijn op regionale schaal afgestemd. In de hoofdkernen is een compleet voorzieningenpakket aanwezig. Dit is echter wel regionaal afgestemd. Dit betekent dat bepaalde meer hoogwaardige voorzieningen niet meer in alle gemeenten aanwezig zijn, maar regionaal beschikbaar. B.v. zwembad, podiumfuncties, leisure, ziekenhuis. De verschillende kernen hebben daarbij een eigen regionaal profiel (Terneuzen b.v. leisure, podium, ziekenhuis), de hoofdkernen in de andere gemeenten (met name recreatie, cultuurhistorie, of verblijfszorg). Hoofdkern – scenario 1 Hoofdkern – scenario 2 Hoofdkern – scenario 3 Hoofdkern – scenario 4 * Hoofdkernen zijn kernen met een compleet voorzieningenniveau (alle type voorzieningen, vaak meervoudig aanwezig) Wijzigingen in (over)capaciteit Eén van de opgaven in het Masterplan voorzieningen is het in evenwicht brengen van vraag en aanbod qua capaciteit. Op dit moment is reeds sprake van een forse overcapaciteit die de continuïteit van voorzieningen organisatorisch en financieel onder druk zet; deze druk zal verder toenemen door de ontwikkelingen die zich voordoen. Onderstaande tabel geeft aan hoe de verschillende scenario’s hier op inspelen. Per scenario wordt een korte omschrijving gegeven en wordt een aantal indicatieve capaciteitsnormen genoemd die als leidraad dienen bij de (toekomstige) capaciteitsbepaling. Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Capaciteit (evenwicht vraag aanbod) De forse overcapaciteit neemt nog verder toe, aangezien gekozen blijft worden voor beschikbaarheid op kernniveau als dominant uitgangspunt. Met name voor de jeugdfuncties zal door de ontgroening de overcapaciteit fors toenemen. De overcapaciteit neemt licht af (mede door multifunctioneel ruimtegebruik) maar blijft bestaan door de keuze voor een gespreid aanbod met name voor de onderwijs- en jeugdvoorzieningen, die veelal kleinschalig op kernniveau worden aangeboden. De capaciteit wordt in evenwicht gebracht met de vraag. Door een opschaling van de basisvoorzieningen naar de middelgrote kernen wordt de huidige versnipperde overcapaciteit weggewerkt. Bovendien kan, door zoveel als mogelijk in te zetten op multifunctioneel gebruik van accommodaties, wijzigingen in de vraag ook gemakkelijk opgevangen worden. Er blijft een lichte overcapaciteit bestaan doordat de bereikbaarheid ook nog meegewogen wordt in de planning en dus op enkele plekken nog in kleine kernen voorzieningen blijven bestaan De capaciteit wordt in evenwicht gebracht met de vraag. Door een maximale opschaling van voorzieningen wordt de huidige versnipperde overcapaciteit weggewerkt en (kwantitatief) op maat gemaakt voor de behoefte in 2030. Indicatie capaciteitsnormen* (min. benodigde omvang voor instandhouding/ planning nieuw aanbod) Basisschool: 3 groepen Kdv: 0,5 groep BSO: 0,5 groep Psz: 0,5 groep Voetbal:1,5 grasveld Tennis: 2 verlichte banen Binnensport: 1 zaaldeel Basisschool: 4 groepen ·Kdv: 1 groep ·BSO: 1 groep ·Psz: 1 groep ·Voetbal: 2 grasvelden Tennis: 3 verlichte banen ·Binnensport: 1 zaaldeel Basisschool: minimal 6 groepen en bij voorkeur 8 groepen Kdv: 1,5- 2 groepen BSO: 1,5- 2 groep Psz: 1,5- 2 groepen Voetbal: 3 grasvelden Tennis: 6 verlichte banen Binnensport: 2 zaaldelen Basisschool: 16 groepen Kdv: 2 groepen BSO: 2 groep Psz: 2 groepen Voetbal: 4 grasvelden Tennis: 8 verlichte banen Binnensport: 3 zaaldelen * De gehanteerde normen zijn geen absolute “opheffingsnormen”o.i.d., maar een planningsleidraad voor de instandhouding, clustering en vernieuwing van het voorzieningenaanbod. Bovendien zal door samenvoeging van twee “te kleine” voorzieningen, één voorziening van voldoende omvang overblijven en de facto dus slechts één voorziening verdwijnen. Onderstaand is een indicatie gegeven van de te verwachten (over)capaciteit per scenario, uitgaande van de geschetste kernprofielen (beschikbaarheid en bereikbaarheid) en bovenstaande indicatieve capaciteitsnormen. Ook hier zijn we weer uitgegaan van volledige doorwerking van een scenario in 2030. De capaciteitsbepaling is weergegeven voor de basisvoorzieningen waarvan het huidig gebruik en bezetting in beeld is. Figuur 41: Veranderingen in overcapaciteit in relatie tot huidige overcapaciteit Figuur 42: Veranderingen in overcapaciteit per type voorzieningen in relatie tot huidige overcapaciteit Over-/ondercapaciteit 2010 2030 huidig scenario 1 scenario 2 scenario 3 scenario 4 Basisonderwijs 10% 14% (toegenomen) 8% 2% 0% Kinderdagverblijf 41% 43% (toegenomen) 42% (toegenomen) 9% 0% Buitenschoolse Opvang 49% 51% (toegenomen) 50% (toegenomen) 0% 0% Peuterspeelzaal 9% 13% (toegenomen) 11% (toegenomen) 3% 0% Binnensport 15% 27% (toegenomen) 21% (toegenomen) 3% 0% Voetbal 22% 26% (toegenomen) 21% 5% 0% Tennis 40% 43% (toegenomen) 36% 13% 0% Rood = toegenomen overcapaciteit t.o.v. huidige situatie Hieruit blijkt dat de overcapaciteit in scenario 1 en 2 in stand blijft en zelfs nog verder toeneemt. Dit komt omdat gekozen wordt voor behoud van een decentrale voorzieningenstructuur en daarmee (
  4. te)kleine (en bovendien krimpende!) verzorgingsgebieden voor de voorzieningen. Er zijn te weinig mensen (met name jeugd en jongeren) om de voorzieningen een goede bezetting te kunnen geven. In scenario 3 wordt de overcapaciteit nagenoeg weggewerkt. In dit scenario blijft een geringe overcapaciteit over om een goede bereikbaarheid in het gehele verzorgingsgebied te kunnen garanderen. In scenario 4 is de gehele overcapaciteit weggewerkt, aangezien de capaciteit van de voorzieningen in dit scenario passend gemaakt wordt op het verzorgingsgebied, ongeacht de afstand tot de voorzieningen. Regionale samenwerking en planning De voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen zijn van oudsher gemeentegeoriënteerd ingericht. Rekening houdend met de ontwikkelingen die zich voordoen, zal in de toekomst een bredere blik gehanteerd (moeten) worden en rekening gehouden (moeten) worden met de omliggende gebieden. De regio Zeeuws-Vlaanderen, de drie gemeenten en de kernen daarbinnen vormen geen geïsoleerde gemeenschappen (meer). In onderstaande tabel is aangeven in hoeverre binnen de verschillende scenario’s regionaal wordt samengewerkt, hoe de wisselwerking met België is en welke profiel Zeeuws-Vlaanderen als geheel ontwikkelt. Hieruit blijkt dat scenario’s 1 en 2 uitgaan van een op zichzelf staand voorzieningenniveau per gemeente en zelfs per kern. Het voorzieningenniveau in deze scenario's is traditioneel van karakter; de inwoners van Zeeuws-Vlaanderen (en zelfs van de betreffende kern) vormen dé doelgroep voor de voorzieningen. In scenario 3 vindt nauwe samenwerking tussen de gemeenten plaats en waar mogelijk ook op regionaal niveau. In scenario 4 vindt nadrukkelijk regionale afstemming en samenwerking plaats en wordt optimaal ingespeeld op de mogelijkheden in België; de aanwezigheid van voorzieningen in België wordt nadrukkelijk meegenomen in de planning van voorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen. De regio Zeeuws-Vlaanderen profileert zich in dit laatste scenario op specifieke onderdelen of thema’s, zoals zorg, toerisme of leisure. Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Regionale samenwerking Er vindt nauwelijks regionale afstemming plaats. In feite blijven de drie (nagenoeg) identieke, gemeentelijke, voorzieningenstructuren in stand. Er vindt slechts beperkt afstemming in de regio plaats. Iedere gemeente richt zijn eigen voorzieningenstructuur in op basis van de lokale behoefte. Er vindt gemeentelijke en regionale afstemming plaats. Tussen de drie gemeenten worden afspraken gemaakt over de realisatie en inhoudelijke programmering van voorzieningen. In dit scenario wordt de voorzieningenstructuur regionaal gepland en gerealiseerd. Hierbij vindt ook verregaande samenwerking met de Belgische regio plaats. Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Wisselwerking met België In dit scenario wordt België nog altijd als een “blanco gebied” beschouwt. De trek naar kindvoorzieningen in België wordt als ongewenst beschouwd. Getracht wordt door concurrentie kinderen in de eigen kernen te behouden. In dit scenario wordt beperkt ingespeeld op de voorzieningen in België. In principe gaat dit scenario ervan uit dat de Zeeuws Vlamingen in hun eigen kern een voldoende kwalitatief aanbod vinden, waarmee zij niet meer naar België gaan. Dit geldt voor de basisvoorzieningen en ook voor de meer hoogwaardige voorzieningen In dit scenario wordt in de planning en spreiding van het aanbod aan voorzieningen rekening gehouden met de aanwezigheid en gebruik van voorzieningen in België. Dit geldt voor de kindvoorzieningen in de grensstreek, maar ook voor de meer hoogwaardige voorzieningen op het gebied van cultuur en hoger onderwijs. Op het gebied van leisure toerisme en recreatie worden mensen uit België getrokken. Dit scenario zet sterk in op de mobiliteit van Zeeuws Vlamingen naar de (hoogwaardige) voorzieningen in Belgische achterland. Optimaal wordt geprofiteerd van de aanwezigheid van deze voorzieningen zowel in de grensstreek (voor de basisvoorzieningen) als voor de meer hoogwaardige voorzieningen op onderwijs, zorg etc.. Op het gebied van leisure toerisme en recreatie worden mensen uit Belgie getrokken. Profiel Zeeuws- Vlaanderen Zeeuws-Vlaanderen profileert zich in dit scenario als het traditionele platteland. De kwaliteit van kleine kernen, met daarbij behorende traditioneel, kleinschalig voorzieningenniveau is het handelsmerk. Zeeuws-Vlaanderen profileert zich in dit scenario als een “kwaliteitsplattelandsgebied”. De voorzieningenstructuur is weliswaar gemeentegericht en vooral gericht op basisvoorzieningen, maar relatief hoogwaardig ingericht. In dit scenario profileert Zeeuws-Vlaanderen zich als regio met een compleet en modern maatschappelijk voorzieningenpakket. Op verschillende schaalniveaus is een diversiteit aan maatschappelijke voorzieningen met een regionaal karakter. Voor de meeste voorzieningen hoeft de Zeeuws Vlaming zijn regio (behalve naar de grenskernen in België) niet uit. Voor topvoorzieningen geldt dat wel; hiervoor wordt gebruik gemaakt van het Belgisch achterland. Andersom trekt Zeeuws- Vlaanderen bezoekers met innovatieve voorzieningen, passend bij het unieke karakter van Zeeuws-Vlaanderen. Denk aan toerisme, recreatie, cultuurhistorie en zorg. In dit scenario profileert Zeeuws-Vlaanderen zich vooral als een regio met kwaliteitsvoorzieningen in de toeristische/leisuresfeer. Het basisaanbod is uiteraard aanwezig in de gemeenten, maar daarnaast wordt vooral geïnvesteerd in centrale hoogwaardige voorzieningen. Met name op het grensvlak toerisme/leisure zal Zeeuws- Vlaanderen bezoekers van buiten trekken. Voor hoogwaardige maatschappelijke voorzieningen (onderwijs, zorg en cultuur) wordt juist zoveel mogelijk gebruik gemaakt van voorzieningen in België. Aard van het voorzieningenaanbod De opgave voor Zeeuws-Vlaanderen ligt zoals eerder aangegeven niet alleen in de kwantitatieve match tussen vraag & aanbod en evenwicht in spreiding & bereikbaarheid. Van belang is ook dat het toekomstig aanbod aansluit bij de veranderende vraag van de (toekomstige) inwoners van Zeeuws-Vlaanderen. De opgave ligt dus ook op aspecten als kwaliteit, diversiteit, clustering/samenhang en de inzet op nieuwe technologieën. In onderstaande tabel is aangegeven hoe hier in de verschillende scenario’s op wordt ingezet. Het is duidelijk dat scenario 1 voor slechts weinig vernieuwing of kwaliteitsverbetering zorgt; alles is gericht op behoud van een traditioneel, decentraal aanbod. In scenario 2 vindt wel vernieuwing en verbetering plaats, maar wel “op de oude leest geschoeid”; het bestaande aanbod wordt geclusterd en vernieuwd, er is echter weinig ruimte voor toevoeging van nieuwe functies of uitbreiding van het aantal/soort functies. Ook dit scenario is vooral gericht op instandhouding van een voorzieningenaanbod op kernniveau. In scenario 3 en 4 wordt de voorzieningenstructuur opnieuw ingericht, waardoor ook (financiële) ruimte ontstaat voor diversiteit in het aanbod en nieuwe type voorzieningen. 2.3.3 Toekomstige vraag/behoefteIn deze paragraaf volgt een beschrijving van hoe de verschillende scenario’s aansluiten op de toekomstige vraag naar voorzieningen binnen Zeeuws-Vlaanderen. Achtereenvolgens staan we stil bij de aansluiting op de veranderende vraag als gevolg van de demografische opgave, maatschappelijke ontwikkelingen en beleidsmatige ontwikkelingen (met name op het gebied van Wmo, welzijn, zorg). De opgave voor Zeeuws-Vlaanderen is te komen tot een aanpassing van de voorzieningenstructuur zodat aan de veranderende, kwantitatieve en kwalitatieve behoefte van de inwoners van Zeeuws-Vlaanderen kan worden voldaan. In onderstaande tabel staat aangegeven op welke wijze de verschillende scenario’s inspelen op deze ontwikkelingen. Demografische opgave De demografische ontwikkeling is een belangrijke aanleiding voor het nieuwe beleid ten aanzien van voorzieningen. Hierbij gaat het om krimp van de bevolking, maar vooral ook de veranderende samenstelling van de bevolking. Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Demografische ontwikkeling Dit scenario speelt niet in op de demografische ontwikkelingen. Er wordt niet actief geanticipeerd op de veranderende bevolkingssamenstelling. Het geringe draagvlak voor de voorzieningen in de kleine kernen kalft verder af. Gevaar bestaat dat sommige voorzieningen (m.n. voor de jeugd) uiteindelijk noodgedwongen moeten sluiten vanwege te weinig gebruik. Dit scenario speelt beperkt in op de demografische ontwikkeling. Door clustering en multifunctioneel ruimtegebruik wordt getracht vraag en aanbod inhoudelijk op elkaar af te stemmen, met name voor senioren. De demografische veranderingen zullen echter, gecombineerd met de keuze voor een decentraal voorzieningenaanbod, desondanks in de kleine kernen voor druk op het voorzieningenaanbod voor met name jeugd en volwassenen zorgen. Dit scenario speelt optimaal in op de demografische veranderingen. Vraag en aanbod van met name de jeugd- en volwassenenvoorzieningen worden in evenwicht gebracht. Voor de groeiende groep actieve senioren wordt een divers pakket aan voorzieningen op verschillende schaalniveaus ingericht. Dit scenario speelt optimaal in op de demografische veranderingen. Vraag en aanbod van met name de jeugd- en volwassenenvoorzieningen worden in evenwicht gebracht. Voor de groeiende groep actieve senioren wordt een vernieuwd pakket aan voorzieningen ingericht, alhoewel dit niet sterk decentraal aanwezig is. Maatschappelijke ontwikkelingen De behoefte aan voorzieningen verandert als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen die zich voordoen. Voorbeelden zijn de veranderende sociale structuren, verdergaande individualisering en andersoortig behoefte/gebruik van voorzieningen. Ook de eerder genoemde ontwikkeling van autonome naar regionale ingebedde woonkernen kan als voorbeeld worden genoemd. Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Maatschappelijke ontwikkelingen (sociale structuren/ individualisering/ ontwikkeling van autonome kernen naar woonkernen) Dit scenario zet in op de nog aanwezige sociale structuur/gemeenschapszin op kernniveau. Uitgegaan wordt van een blijvende gerichtheid op de kern. Gemeente en lokale gemeenschap zetten hier sterk in op behoud en versterking van de traditionele, lokale structuren/verenigingen etc. Er wordt niet van uitgegaan dat inwoners voor (basis)voorzieningen zich steeds meer regionaal oriënteren. Dit scenario gaat uit van ontmoeting en sociale cohesie op kernniveau. Er is nog sociale cohesie in de kern, waarbij de voorzieningen een essentiële rol spelen. Clustering van voorzieningen op kernniveau moet dit optimaal ondersteunen en tegelijkertijd tegemoet komen aan de veranderende, individuele vraag van de “moderne dorpsbewoner”, die immers kwaliteit vraagt en het liefst alles onder één dak treft. Ook in dit scenario wordt sterk uitgegaan van het autonome dorp. Dit scenario gaat er vanuit dat de basiskernen zich verder van autonome naar regionaal ingebedde woondorpen ontwikkelen. Mensen zijn bereid om naar een centrale kern te gaan voor de diverse voorzieningen. Sociale samenhang op kernniveau is minder rondom voorzieningen, maar meer rondom activiteiten georganiseerd. Het gebruik van voorzieningen is meer individueel bepaald. De inzet/actiebereidheid van de lokale gemeenschap in de totstandkoming van voorzieningen is groot, in de instandhouding echter beperkt. Dit scenario gaat uit van een verregaande individualisering en ontwikkeling van consumentisme. Mensen zijn bereid om ver te reizen als het aanbod maar hoogwaardig is en professioneel gerund. De lokale sociale cohesie, verenigingsleven en vrijwilligerswerk op kernniveau wordt in dit scenario niet ondersteund vanuit een kerngericht collectief aanbod, maar zal vooral vanuit (individuele) belangenbehartiging plaatsvinden. Veranderende behoefte Dit scenario voorziet niet in de behoefte van de individuele, moderne consument, die vooral voor kwaliteit en diversiteit kiest, maar sluit meer aan bij de traditionele vraag naar gemeenschapsvoorzieningen. Ook sluit dit scenario niet goed aan bij de veranderende behoefte van ouderen, aangezien het voorzieningenaanbod onvoldoende vernieuwd/ aangepast wordt voor gebruik door deze groeiende doelgroep. Dit scenario speelt in op de veranderende behoefte van de dorpsbewoner, die nog gericht is op de eigen kern, maar daar wel een kwalitatief goed aanbod wil krijgen. Voor de senioren wordt een decentraal aanbod gerealiseerd, alhoewel hoogwaardige, nieuwe type voorzieningen voor senioren minder gemakkelijk gerealiseerd worden. De moderne, individualistische consument wordt minder goed bediend, aangezien er geen uitbreiding van het voorzieningenpalet plaatsvindt. De vernieuwing in het aanbod in dit scenario sluit aan bij de toenemende vraag naar kwalitatief hoogwaardige voorzieningen van de moderne consument, die ook professioneel geëxploiteerd worden. Op de veranderende vraag van de senioren wordt goed ingespeeld met een divers aanbod. De vernieuwing in het aanbod in dit scenario sluit aan bij de toenemende vraag naar kwalitatief hoogwaardige voorzieningen van de moderne consument, die ook professioneel geëxploiteerd worden. Op de veranderende vraag van de senioren wordt goed ingespeeld met een divers aanbod. Voor de minder mobiele en kwetsbare groepen sluit dit scenario minder goed aan. Beleidsontwikkelingen Vanuit beleidsoogpunt zijn vooral de ontwikkelingen op het gebied van de Wmo en zorg van belang voor het Masterplan Voorzieningen. Daarin staan twee lijnen centraal: versterken van de Civil Society, waarbij gemeenschapszin, vrijwilligerswerk en mantelzorg versterkt wordt; Kanteling van de zorg naar welzijn/ondersteuning, waarbij taken zoals begeleiding – die uit de AWBZ overkomen naar de gemeente – op een meer collectieve, integrale en preventieve leest geschoeid zullen moeten worden om de toenemende vraag naar professionele ondersteuning aan te kunnen. Professionele dienstverlening zal dan vooral complementair/ondersteunend aan de “eigen kracht”van mensen en hun omgeving moeten zijn. Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Inspelen op Wmo/ ontwikkelingen WWZ Dit scenario zet sterk in op de lokale gemeenschappen en vrijwilligerswerk in de kernen. Mensen zorgen voor elkaar en voor hun dorp. Voorzieningen en activiteiten zijn op het voor de mensen bekende schaalniveau (kern) georganiseerd, waardoor mensen ook eerder bereid zullen zijn om te investeren in hun sociale omgeving. Vraag is in hoeverre de Professionele ondersteuning/activiteiten op dit versnipperde schaalniveau kwalitatief en kwantitatief voldoende kan worden ingevuld. In dit scenario wordt een evenwicht gezocht tussen enerzijds de civil society en anderzijds de vernieuwing in het professionele aanbod. Voorzieningen en diensten zijn nog zoveel mogelijk decentraal op het schaalniveau van de leefgemeenschappen aanwezig. Door een verregaande clustering en integratie kan daarnaast de professionele ondersteuning geoptimaliseerd worden, die aansluit bij de lokale gemeenschappen. Ook hier geldt wel de vraag of de versnipperde spreiding in het professionele aanbod (b.v. verpleeghuiszorg) over relatief kleine verzorgingsgebieden op termijn houdbaar is. In dit scenario wordt ervan uitgegaan dat op kernniveau de civil society wordt vormgegeven via een dienstenaanbod/ activiteitenaanbod, dat aansluit bij andere leefbaarheidaspecten dan voorzieningen (kwaliteit van woonomgeving. sociale cohesie etc.), die immers op een hoger schaalniveau zijn georganiseerd. De professionele ondersteuning is geïntegreerd/ geclusterd en ondersteunt/ stimuleert vanuit het hogere schaalniveau decentraal inde kleine kernen de lokale gemeenschappen. Dit scenario gaat uit van een complementair aanbod van “eigen kracht”van burgers en sociale verbanden en de professionele ondersteuning. In dit scenario wordt de civil society niet ondersteund vanuit het voorzieningenaanbod De voorzieningen zijn los georganiseerd van de woongemeenschappen op relatief verre afstand. Versterking van de sociale cohesie zal dan ook vooral vanuit de woonomgeving georganiseerd worden. De inzet van professionele ondersteuning zal in dit scenario ook groter (moeten) zijn, omdat de mensen dit ook verlangen én de vrijwilligersinzet niet optimaal wordt ondersteund. 2.3.4 RandvoorwaardenDeze paragraaf bevat een toelichting op een aantal randvoorwaarden en de mate waarin de verschillende scenario’s hierop inspelen. Achtereenvolgens gaan we in op mobiliteit, financiën en de betrokkenheid van verschillende partijen. Mobiliteit Mobiliteit is een belangrijk thema in Zeeuws-Vlaanderen en daarmee ook in het Masterplan Voorzieningen. In onderstaande tabel staat aangegeven welke opgave er op het gebied van (openbaar) vervoer in de verschillende scenario’s ligt. Hierbij is uitgegaan van het gegeven dat 90% van de bevolking in Zeeland volledig automobiel is (zoals blijkt uit het onderzoeksrapport ‘Leefbaarheid’ van Scoop) en het feit dat de totale bevolkingsomvang van Zeeuws-Vlaanderen en van de individuele woonkernen te klein is om een volwaardig en fijnmazig openbaar vervoerssysteem te kunnen realiseren en exploiteren. Uitgegaan is dus van de inrichting van het openbaar vervoer als een aanvullend vervoerssysteem; een systeem vooral gericht op doelgroepen die niet automobiel zijn en dat klaarstaat voor anderen als zij er een beroep op doen. Uit de analyse blijkt dat scenario 1 en 2 niet voor aanvullende verkeersstromen zullen zorgen, vanwege het decentrale voorzieningenaanbod; voorzieningen zijn – net als nu het geval is – op relatief korte afstand beschikbaar. In scenario 3 en vooral in scenario 4 zullen mensen wel meer of verder moeten reizen voor (een deel van) de voorzieningen. In scenario 3 gaat het om relatief geringe afstanden naar de naastgelegen (middel)kern (binnen 5 kilometer); in scenario 4 gaat het om langere afstanden. Onderdeel Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 Scenario 4 Mobiliteit In dit scenario blijven de voorzieningen decentraal beschikbaar en zullen er dus weinig wijzigingen in de mobiliteitssystemen nodig zijn. De verkeerstromen zijn door de versnippering over de kernen en de demografische krimp ook te gering om een impuls te geven aan een OV-netwerk. Veelal wordt het vervoer door de mensen individueel op kernniveau opgelost (auto). Daarnaast is (professioneel) doelgroepvervoer aanwezig. In dit scenario blijven de voorzieningen decentraal beschikbaar en zullen er dus weinig wijzigingen in de mobiliteitssystemen nodig zijn. De verkeerstromen zijn door de versnippering over de kernen en de demografische krimp te gering om een impuls te geven aan een OV-netwerk. Veelal wordt het vervoer door de mensen collectief op kernniveau opgelost (vrijwillig dorpsvervoer). Aanvullend is doelgroepvervoer aanwezig. In dit scenario zal voor de voorzieningen (over beperkte afstand) gereisd moeten worden naar de naastgelegen (middel)kern. Door de logische clustering op één aantal plekken kan hierop een kleinschalig openbaar vervoersysteem ingericht worden (integraal doelgroep- vervoer op geclusterde routes). Aanvullend zullen de mensen het vervoer zelf regelen door middel van auto en/of fiets. Daar waar mogelijk wordt door de mensen collectief rondom activiteiten het vervoer geregeld. Goede (en veilige) fiets en auto- verbindingen tussen de kernen zijn van belang. In dit scenario zal voor de voorzieningen veel gereisd moeten worden. Gezien de geringe omvang van de verkeersstromen bij 100.000 inwoners is een uitgebreid OV-netwerk niet haalbaar. Gezocht zal worden in een combinatievorm van individueel vervoer, maatvervoer (busjes) en OV. De individuele consument neemt in dit scenario veelal de auto. Snelle verbindingen naar de hoofdkernen zijn van belang. Financiën Uiteraard zijn de financiële aspecten van de scenario’s ook van belang. De financiële haalbaarheid hangt af van de economische spankracht van de betreffende gemeente en haar partners, de keuzes die door de gemeente worden gemaakt (prioritering binnen de begroting) en de mogelijkheden die zich voordoen. Het is daarom niet of nauwelijks mogelijk om vooraf een gedetailleerde en betrouwbare kostenraming te maken. In algemene zin (dus zonder concrete bedragen te noemen), kan wel worden aangegeven waar in welk scenario in wordt geïnvesteerd en in hoeverre de kosten naar verwachting toe- of afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Onderstaande figuur geeft de ontwikkelingen van de kosten indicatief weer. Per scenario is aangegeven in hoeverre de kosten zich positief of negatief ontwikkelen ten opzichte van de huidige situatie (rode lijn). Hierbij is onderscheid gemaakt tussen: Totstandkominglasten (investeringen bij nieuw- en verbouw); Instandhoudinglasten (onderhoudskosten); Beheer- en exploitatielasten (energie, klein onderhoud, personeel, opbrengsten horeca, etc.) Kosten voor aanvullende mobiliteitsvoorzieningen. Figuur 43: Indicatie van verschillende kosten in relatie tot huidige kosten Uit deze figuur blijkt het volgende: Scenario 1 relatief lage investeringslasten m

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.