BELEIDSREGELS 2015 SOCIALE ZAKEN Inleiding De gemeente Bellingwedde staat aan de vooravond van grote veranderingen in het sociale domein. Op 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. Dat betekent dat de gemeente Bellingwedde te maken gaat krijgen met grotere groepen werkzoekenden die een beroep (kunnen) doen op ondersteuning bij het vinden van werk. De uitbreiding van de doelgroep bestaat voor het grootste deel uit mensen die wel kunnen werken, maar die niet in staat zijn om het minimumloon te verdienen (mensen met een beperking). Voor deze groep is het niet langer mogelijk om een beroep te doen op de Wet sociale werkvoorziening of de Wajong. Het kabinet streeft ernaar om ook deze groep mensen aan de slag te krijgen bij “gewone” bedrijven. Voor deze doelgroep komen er andere voorzieningen beschikbaar. De gemeente Bellingwedde moet keuzes maken met betrekking tot de manier waarop die voorzieningen worden ingezet en voor wie. De kaders zijn vastgelegd in de beleidsnotitie 'Invoering Participatiewet in Oost-Groningen' De Participatiewet betekent een aanscherping en wijziging van de regels van de Wet werk en bijstand (Wwb) waar het gaat om de arbeidsverplichtingen, de tegenprestatie, de invoering van de kostendelersnorm en de afschaffing van de langdurigheidstoeslag en categoriale bijzondere bijstand. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet (Pw), Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), Besluit bijstand zelfstandigen (Bbz), de Wet inburgering (Wi), de Wet stimulering arbeidsparticipatie (STAP) en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Al deze wetten en regelingen zullen in deze notitie met beleidsregels verder als ‘de wet’ worden aangehaald. De wet biedt aan de gemeente Bellingwedde de ruimte om eigen beleid te vormen. Bellingwedde voert naar de geest van de wet uit. De gemeenteraad heeft op 23 oktober 2014 in verschillende verordeningen de kaders vastgelegd. Het college van burgemeester en wethouders heeft de mogelijkheid nadere beleidsregels vast te stellen voor een adequate uitvoering van de wet en de verordeningen. De beleidsregels zijn opgenomen in de beleidsnotitie ‘Invoering Participatiewet in Oost-Groningen’, alsmede in de voorliggende notitie: Beleidsregels Sociale Zaken 2015. Bij de totstandkoming van deze notitie is rekening gehouden met de voorschriften zoals die voortvloeien vanuit de wet. Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari 2015 en vervangen eventuele eerdere vastgelegde beleidsregels hieromtrent. De beleidsregels Sociale Zaken 2015 zijn geldig totdat er nieuwe beleidsregels worden vastgesteld en vormen een leidraad voor alle medewerkers van de sociale dienst. Daarnaast is deze notitie een voorlichtingsdocument voor een ieder die in het beleid van de gemeente geïnteresseerd is. Visie en doelstellingen Het beleid van de gemeente is gericht op: a. Het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoners van de gemeente met als doel de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid te bevorderen. b. De bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening door middel van inschakeling van arbeid in dienstbetrekking. c. Het bemiddelen naar maatschappelijk actieve deelname van inwoners van de gemeente die in eerste instantie niet naar (reguliere) arbeid kunnen worden toegeleid. d. De bevordering van een doelmatige en rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. De gemeente onderschrijft de stelling dat arbeid een basis is voor zelfontplooiing, zelfstandigheid, ontwikkeling van vaardigheden, contacten en van sociale betrokkenheid. De gemeente stimuleert de eigen verantwoordelijkheid van de burger met als doel het bevorderen van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De gemeente stelt zich dan ook ten doel om bij de uitvoering van de wet iedere inwoner van de gemeente Bellingwedde, die niet op eigen kracht een reguliere betaalde baan kan vinden en/of behouden, daarbij te ondersteunen. Concreet is de doelstelling om ondanks de economische crisis het aantal bijstandsgerechtigden met 10% terug te brengen ultimo 2015 gerekend vanaf de stand per 31-12-2014 (stand 1-12-2014: 218), naar 196. Uitgangspunt hierbij is: iedereen aan het werk, regulier betaald werk of als dat nog niet mogelijk is sociaal werk (maatschappelijk nuttige werkzaamheden) tenzij bepaalde beperkingen zich daar gedeeltelijk of volledig tegen verzetten. Mensen die niet in staat zijn om arbeid te verrichten, kunnen op een andere manier meedoen. Nadruk ligt bij deze groep burgers op het bevorderen van maatschappelijk actieve deelname. Dit is tevens een van de aandachtsvelden van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In dat opzicht zijn de Pw en Wmo sterk met elkaar verbonden. De gemeente stelt zich ten doel om maatschappelijke uitval van burgers te voorkomen, armoede te bestrijden door middel van participatiebevordering, schuldhulpdienstverlening en ondersteuning van burgers die rond het minimum leven. De gemeente focust zich daarbij primair op de door de wet aan haar toegewezen doelgroepen maar stelt haar expertise ter beschikking aan iedere inwoner die ondersteuning nodig heeft. De taken op het gebied van Sociale Zaken van de gemeenten Bellingwedde en Vlagtwedde worden door de gemeente Vlagtwedde uitgevoerd. De sociale dienst heeft daarbij voor zichzelf de volgende principes (normen en waarden) geformuleerd: Klantvriendelijkheid Iedere klant, daaronder verstaan: inwoners en werkgevers die een beroep doen op de diensten van de gemeente, alsook interne klanten, zullen door medewerkers van de gemeente steeds naar beste kunnen worden geholpen. Maatwerk, persoonlijk contact, accuraatheid, snelheid van handelen, correcte bejegening, het principe ‘afspraak is afspraak’ en pro-activiteit zullen hierbij een basishouding van de medewerkers zijn. Om de klanttevredenheid te meten is een klantvolgsysteem opgezet. Door periodiek de ‘beleving’ uit te vragen, stelt de gemeente zich ten doel om de dienstverlening verder te optimaliseren. Transparantie De gemeente maakt haar ambities, processen en resultaten meetbaar, kenbaar en openbaar. Professionaliteit De gemeente hecht aan een professionele, betrokken en flexibele opstelling van alle medewerkers en stelt hoge eisen aan het niveau van dienstverlening aan de klant. Van de medewerkers wordt verwacht dat zij de klant kennen, weten wat er bij de klant leeft, wat diens wensen en (on)mogelijkheden zijn en motiverend coachen. Deze mogelijkheden staan centraal in de manier waarop zij hun functie vervullen. Maatwerk De gemeente biedt aan iedere klant ondersteuning aan in de vorm van Work First. Daar waar nodig wordt het aanbod op maat gemaakt om de klant te ondersteunen de hoogst haalbare trede op de participatieladder te bereiken. Resultaatgerichtheid De gemeente stelt kwantitatief meetbare doelen en maakt deze waar. Jurisprudentie Mocht voortschrijdende jurisprudentie aanleiding geven om de beleidsregels te veranderen, dan zal de gemeente Bellingwedde dit volgen. HOOFDSTUK 1 ONTWIKKELINGEN In dit hoofdstuk zal kort aandacht worden besteed aan de ontwikkelingen die relevant zijn voor het gemeentelijke beleid in het kader van de wet voor de komende jaren. Participatiewet Op 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. Met de invoering van de Participatiewet is er geen instroom meer mogelijk in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Verder worden de toelatingseisen van de Wajong aangescherpt. Hierdoor zal de toestroom zich verplaatsen naar de Participatiewet. De Wajong biedt alleen nog toegang voor die mensen die geen tot nauwelijks arbeidsproductiviteit hebben. Voorts brengt de Participatiewet een aantal wijzigingen met zich mee, zo zijn de arbeidsverplichtingen uitgebreider en strenger geformuleerd. Wet maatregelen Wwb Op 1 januari 2015 treedt de Wet maatregelen Wwb in werking. Doelstelling van deze wet is het activerender maken van de bijstand. Deze wet brengt de volgende wijzigingen met zich mee: 1. Geüniformeerde arbeidsverplichtingen en maatregelen: De Wet maatregelen WWB introduceert in artikel 18 lid 4 Participatiewet diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Indien een belanghebbende een geüniformeerde arbeidsverplichting schendt dan verlaagt het college de bijstand in ieder geval met 100% voor een bij afstemmingsverordening vastgestelde periode van ten minste 1 maand en ten hoogste 3 maanden. 2. Bijzondere bijstand: De mogelijkheid tot het verlenen van categoriale bijzondere bijstand wordt verkleind. Het college kan -na wijziging van artikel 35 Participatiewet - uitsluitend categoriale bijzondere bijstand verlenen voor een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering. Daarnaast zal het vanaf 1 januari 2015 mogelijk zijn om deze vorm van categoriale bijzondere bijstand te verlenen aan een belanghebbende met een inkomen hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. 3. Tegenprestatie naar vermogen: De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan personen in de leeftijd van 18 jaar tot de AOWgerechtigde leeftijd die een bijstandsuitkering ontvangen. Daarnaast heeft het college de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie. De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten, geldt al sinds 1 januari 2012. 4. Individuele inkomenstoeslag: De langdurigheidstoeslag wordt vervangen door een individuele inkomenstoeslag. Na wijziging van artikel 36 Participatiewet kan het college op verzoek een individuele inkomenstoeslag toekennen indien een persoon een langdurig laag inkomen heeft en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 Participatiewet en gelet op zijn omstandigheden geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. De beoordeling door het college of er al dan niet sprake is van 'zicht op inkomensverbetering' zal aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval moeten plaatsvinden. Vanaf 1 januari 2015 is het mogelijk om individuele inkomenstoeslag te verlenen aan een belanghebbende met een inkomen hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. 5. Normen De Wet maatregelen WWB voegt de kostendelersnorm toe aan de Participatiewet. De kostendelersnorm is van toepassing op personen van 21 jaar en ouder indien een belanghebbende de woning deelt met een of meer meerderjarige personen. 6. Koopkrachttegemoetkoming De koopkrachttegemoetkoming op grond van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (hierna: MKOB) wordt uitgezonderd van de middelentoets. 7. Bewijsopdracht en aanbod tot huisbezoek Een belanghebbende kan door het college worden gevraagd te bewijzen dat de kostendelersnorm niet op hem van toepassing is. Ook kan hij worden gevraagd te bewijzen dat er niet meer dan het door hem gestelde aantal meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. 8. Terugvordering De bevoegdheid van het college om de in de voorafgaande maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand te verrekenen wordt verruimd van 3 maanden naar 6 maanden. Daarnaast wordt het mogelijk terug te vorderen van een verzwegen gezinslid. Omschrijving Bedrag Omschrijving Bedrag Inkomensdeel 2013 € 2.658.820 Werkdeel 2013 € 457.747 Inkomensdeel 2014 € 2.834.350 Werkdeel 2014 € 400.499 Inkomensdeel 2015 € 2.582.855 Werkdeel 2015 € 375.400 Wet participatiebudget Vanaf 1-1-2009 is de Wet participatiebudget in werking getreden. Deze wet regelt een bundeling van drie budgetten, het Werkdeel Wwb, de middelen op grond van de Wet Inburgering en de middelen voor volwasseneducatie. De vorming van het participatiebudget biedt de gemeente meer mogelijkheden om burgers te laten participeren. Door de economische situatie en wijzigingen in wet- en regelgeving is de toegezegde ontschotting van de drie verschillende geldstromen uitgesteld tot 1-1-2015. Economie Het herstel van de Nederlandse economie zet in 2014 en 2015 voorzichtig door. In het tweede kwartaal van 2014 was sprake van een bescheiden economische groei die iets hoger lag dan de gemiddelde groei in het eurogebied. Desondanks zijn de vooruitzichten onzeker, onder andere gezien het voortgaande proces van balansherstel en de onzekerheden in de internationale economie. Het CBS verwacht dat de Nederlandse economie in 2015 met 1,25% zal groeien, na een groei van 0,75% in 2014. De vooruitzichten voor Bellingwedde zijn onzeker. Onderzoek wijst uit dat de krimp van het aantal banen in de regio Oost-Groningen groter is dan in andere delen van het land. Door vergrijzing zal op termijn krapte op de arbeidsmarkt ontstaan. Daarbij is de verwachting dat dit vooral in de zorg en technische beroepen zal zijn. Ondanks de vergrijzing blijven de arbeidskansen voor laagopgeleiden, ouderen en langdurig werklozen ongunstig, vanwege het achterwege blijven van laaggeschoolde arbeid. Hier ligt een uitdaging voor Bellingwedde in de komende jaren namelijk: zoveel mogelijk scholing stimuleren, bovendien vraag en aanbod goed op elkaar afstemmen. De sociale dienst onderhoudt nauwe contacten met werkgevers om vacatures binnen het bedrijfsleven of de non-profit sector in de regio te vervullen en in samenwerking met Economische Zaken nieuwe bedrijven naar Bellingwedde te halen. De sociale dienst bemiddelt actief tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Tevens zal er worden ingespeeld op de vervangingsvraag van werkgevers, waardoor kandidaten tijdig geschoold kunnen worden om toekomstige vrije vacatures te vervullen. Wet sociale werkvoorziening (Wsw) Door de invoering van de Participatiewet zal er per 1-1-2015 geen instroom in de Wsw meer mogelijk zijn. Alleen mensen die zijn aangewezen op beschut werken kunnen binnen de Participatiewet een arbeidsplek krijgen. Tegelijk wil het kabinet flink bezuinigen op het re-integratiebudget en Wsw. In de meerjarenbegroting 2015-2018 is af te lezen dat het bedrag per full time Wsw arbeidsplaats, ook wel SE genoemd, zal afnemen van 26.000 euro naar 23.000 euro. Doordat er geen instroom meer mogelijk is, zal jaarlijks het aantal toegewezen SE’s vanuit het Rijk ook afnemen. Hierdoor ontstaan er extra financiële tekorten bij de gemeenschappelijke regeling Synergon die de Wsw voor Bellingwedde uitvoert. Bellingwedde heeft 130 SE’s, dat is 12% van het totaal aantal SE’s bij Synergon. De gemeentelijke bijdrage die in 2013 nog 306.000 euro was zal de komende jaren oplopen naar 800.000 euro of meer als er geen drastische wijzigingen worden doorgevoerd. Kapitaalintensieve activiteiten zoals de metaalafdeling zullen moeten worden afgestoten. Arbeidsintensieve activiteiten die niet kapitaalintensief zijn kunnen blijven bestaan, mits die activiteiten winstgevend zijn. Daarnaast zullen zoveel mogelijk Wsw’ers uitgeplaatst moeten worden bij werkgevers die een groot deel van de loonkosten voor hun rekening nemen. De wachtlijst (16 personen op 1-12-2014) is redelijk stabiel. Met ingang van 1 januari 2015 komt deze wachtlijst te vervallen. De mensen die op de wachtlijst staan en een bijstandsuitkering ontvangen zullen worden opgenomen in het TDC traject waarbij zal worden bekeken welk traject in hun situatie passend is (maatwerk). Samenwerking Oost-Groningen De 7 Oost-Groninger gemeenten Bellingwedde, Menterwolde, Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Veendam en Vlagtwedde werken samen om de re-integratie in Oost-Groningen te versterken en meer uitstroom naar betaald werk mogelijk te maken. Hiertoe is een plan opgesteld en zijn diverse subsidies bij Rijk en Provincie aangevraagd en verleend. Een belangrijk onderdeel van het plan is de vorming van 5 Trainings- en Diagnose Centra (TDC) in Oost-Groningen. Voor Bellingwedde en Vlagtwedde is dat het TDC Westerwolde. Er wordt gestreefd naar een uniforme werkwijze in de TDC’s. HOOFDSTUK 2 BELEIDSREGELS RE-INTERGRATIE De activiteiten die in dit hoofdstuk staan beschreven, worden mede mogelijk gemaakt door financiering vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF). Voor de periode april 2013 tot oktober 2014 heeft de gemeente Bellingwedde een ESF subsidie toegekend gekregen om de doelgroepen: Niet uitkeringsontvangers (NUO’s), arbeidsbelemmerden, gedeeltelijk arbeidsgeschikten en uitkeringsgerechtigden van 55 jaar of ouder, te re-integreren. Samen met andere gemeenten in Oost-Groningen heeft Bellingwedde diverse subsidieaanvragen gedaan dan wel in voorbereiding: - Ontwikkeling Training en Diagnose Centra (TDC): de provincie Groningen heeft € 750.000 beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van 5 TDC’s in Oost-Groningen. Het TDC Westerwolde is sinds 1-1-2013 gevestigd in Vlagtwedde (tegen Veelerveen aan) en ontvangt hiervoor over een periode van 2 jaar € 76.000 van de provincie. Werkzoekenden krijgen in het TDC training, scholing en doen werknemersvaardigheden op. - Versnellingsagenda 2.0: de provincie Groningen heeft € 460.000 beschikbaar gesteld, zodat overheden, onderwijs en het bedrijfsleven de krachten blijven bundelen om samen jongeren en andere kwetsbare groepen te begeleiden naar de regionale arbeidsmarkt. Voor de sociale dienst betekent dit concreet het kunnen inzetten van Bbl opleidingen voor werkzoekenden, zonder dat hier kosten aan zijn verbonden. - Actieplan Jeugdwerkloosheid 2: het Rijk stelt landelijk € 50 miljoen beschikbaar voor 35 arbeidsmarktregio’s. Het gaat om ongeveer € 350.000 voor de arbeidsmarktregio Groningen. De subregio Oost-Groningen heeft hiervoor een deelplan ingediend. - Actieplan Publiek Private Samenwerking: het Rijk stelt landelijk € 5 miljoen beschikbaar voor 35 arbeidsmarktregio’s. Het gaat om ongeveer € 135.000 voor de arbeidsmarktregio Groningen. De subregio Oost-Groningen heeft hiervoor een deelplan ingediend. Het gaat hierbij om de samenwerking tussen gemeenten en uitzendbureaus te stimuleren. Op grond van de wet heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om werkzoekende burgers te ondersteunen bij het (her)vinden van betaald werk. Op grond van de wet heeft de gemeenteraad de kaders vastgelegd in verschillende verordeningen. In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen op grond van de ‘Re-integratieverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Bellingwedde’, verder te noemen de ‘re-integratieverordening’. De gemeente Bellingwedde heeft de re-integratie uitbesteed aan de gemeente Vlagtwedde die de sociale dienst en daarmee de re-integratie uitvoert voor Bellingwedde en Vlagtwedde. Doelgroepen (artikel 7 Pw) De wet bepaalt dat de gemeente verantwoordelijk is voor re-integratie van een zevental doelgroepen: 1. Inwoners aan wie de gemeente krachtens de Pw, Ioaw of Ioaz een uitkering tot levensonderhoud verstrekt: uitkeringsgerechtigden; 2. Inwoners die van de Sociale Verzekeringsbank een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet ontvangen: Anw-ers; 3. Inwoners als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10 d is verleend; 4. Inwoners als bedoeld in artikel 10, tweede lid Pw; 5. Inwoners met een dienstverband dat gesubsidieerd wordt op basis van het Werkdeel (voorheen de Wiw of het Besluit ID-banen); 6. Inwoners met een Uwv uitkering waarvan het Uwv heeft aangegeven dat de gemeente een rol kan c.q. mag vervullen in het kader van re-integratie. In het kader van het ESF project gaat het hierbij in ieder geval om de doelgroepen: arbeidsbelemmerden, gedeeltelijk arbeidsgeschikten en uitkeringsgerechtigden van 55 jaar of ouder. 7. Niet uitkeringsgerechtigden. De termen kandidaat, klant, cliënt en werkzoekende hebben dezelfde betekenis. Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Hieruit komt een achtste doelgroep naar voren: 8. Inwoners die wegens een lichamelijke, psychische en/of verstandelijke beperking niet tot reguliere arbeid in staat zijn en aan wie derhalve een beschutte werkplek moet worden geboden: Wsw’ers. 2.1 Uitwerking artikel 3 van de re-integratieverordening Aan het re-integratiebeleid liggen een aantal uitgangspunten ten grondslag. Onderstaand worden deze uitgangspunten kort genoemd en nader geconcretiseerd. Daarnaast worden waar nodig per doelgroep aanvullende uitgangspunten geformuleerd. 2.1.1. Prioriteiten Er worden alleen dan voorzieningen aangeboden indien het beschikbare budget dit toelaat. Alle werkzoekenden in de gemeente Bellingwedde kunnen een beroep doen op de gemeente voor ondersteuning naar (betaald) werk. De eerste prioriteit (inzet van menskracht en financiële middelen) ligt weliswaar bij de groep uitkeringsgerechtigden. Er zal echter (in overleg met de ketenpartners) gekeken worden naar optimalisering van de dienstverlening aan overige inwoners van de gemeente Bellingwedde. Doel van de trajectbegeleiding voor deze bredere doelgroep is om de instroom in de bijstand te voorkomen en gekwalificeerd aanbod te hebben voor werkgevers. De kortst mogelijke weg naar werk heeft altijd de voorkeur. De gemeente bepaalt of er al dan niet een voorziening wordt ingezet. 2.1.2. Snelheid en intensiviteit Eén van de belangrijkste uitgangspunten is snelheid, oftewel beperking van onnodig tijdverlies door bureaucratie. Dit uitgangspunt komt onder meer tot uiting in de snelle intake en start van het traject en de snelle inzet van diagnose-instrumenten. Met andere woorden: kandidaten worden binnen afzienbare tijd (enkele werkdagen) naar werk of activering bemiddeld. Iedere klant heeft tijdens de trajectbegeleiding regelmatig een gesprek met de werkcoach of trajectbegeleider. Uitgangspunten hiervan zijn “Ken je klant en heb hem/haar volledig in beeld”. 2.1.3. Iedereen doet mee Een minstens zo belangrijk uitgangspunt als snelheid is het opdoen en/of behouden van werkritme en –ervaring gedurende het re-integratietraject, dit wordt arbeidstraining genoemd. Iedereen die een uitkering ontvangt zal zich maximaal moeten inspannen om te re-integreren c.q. zijn/haar perspectief op werk te verbeteren. Arbeidstraining is daarbij noodzakelijk, of het nou plaatsvindt in het kader van een stage, het opdoen van werkervaring, het voorkomen van lacunes in een cv of sociale activering. Arbeidstraining tijdens de uitkeringsperiode vergroot de inpasbaarheid in het arbeidsproces en voorkomt sociaal isolement. Tevens is het een onderdeel van de diagnose. Om die reden dient een werkzoekende zich 40 uur per week in te zetten voor het re-integratietraject. Met andere woorden: iedereen aan de slag, tenzij bepaalde beperkingen zich daar gedeeltelijk of volledig tegen verzetten. In dat geval zal bij de inzet van de arbeidstraining rekening worden gehouden met de mogelijkheden c.q. beperkingen en zal het aantal uren per week waarschijnlijk minder zijn dan 40 uur per week. Dit zal op een zo objectief mogelijke manier worden gemotiveerd door bijvoorbeeld een advies van de arbo-arts of een Sociaal Medisch Advies van het Uwv. Mensen die niet in staat zijn om arbeid te verrichten, kunnen op een andere manier meedoen. De nadruk ligt bij deze groep burgers op het bevorderen van maatschappelijk actieve deelname en het voorkomen van sociale uitsluiting. Een intensief traject biedt ook de mogelijkheid om zo de klant echt te leren kennen. 2.1.4. Eigen initiatief De rol van de gemeente is die van ondersteuner. Het vinden en behouden van een reguliere baan is primair de verantwoordelijkheid van de werkzoekende. Afhankelijk van de behoeften van de individuele klant kan de ondersteuning door de gemeente minder vergaand zijn (ondersteuning bij sollicitaties) of juist uiterst vergaand zijn (bemiddeling, het vinden van een baan). 2.1.5. Werk boven inkomen De klant zal maximaal worden geprikkeld om uit te stromen naar regulier werk. Deze prikkels zijn onder meer: 1. een streng sanctiebeleid: iedere weigering c.q. wanprestatie van de klant zal worden bestraft met een verlaging (afstemming) die kan oplopen tot 100% van de bijstand. De duur en hoogte van deze afstemming wordt bepaald aan de hand van artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet en de afstemmingverordening van de gemeente. Daarnaast zal worden onderzocht of en in hoeverre, indien een re-integratietraject door het handelen of nalaten van de klant wordt stopgezet, de door de gemeente tot dan toe verschuldigde trajectkosten volledig van de klant kunnen worden teruggevorderd. 2. een strikte toepassing van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid. Dit betekent dat een klant alle arbeid moet verkrijgen, aanvaarden en behouden, behalve arbeid die in strijd is met de wet of de goede zeden. De klant zal zich tevreden moeten stellen met alle arbeid die voorhanden is, waarbij de maximale reisduur is gesteld op 3 uur reizen per dag, tevens moet de klant bereid zijn om te verhuizen. 2.1.6. Grenzen van investeringen artikel 3 lid 2 re-integratieverordening De re-integratieactiviteiten gericht op bemiddeling naar een reguliere baan zullen te allen tijde ten doel hebben de klant in een zo kort mogelijke tijd en met zo min mogelijk kosten blijvend toe te laten treden tot de reguliere arbeidsmarkt op een minimaal voor de klant bereikbaar niveau. Uitgangspunt hierbij is dat de re-integratie zich voornamelijk richt op de kortste weg naar werk en/of maatschappelijke participatie en sociale zelfredzaamheid. Kansen voor duurzame uitstroom worden zoveel mogelijk benut en bevorderd middels scholing, stages en trainingen. De werkzoekende kan geen eisen stellen aan de investering die de gemeente doet. Als het participatiebudget besteed is, is de gemeente gerechtigd om alle voorzieningen te staken, zoals reiskostenvergoeding, premies, etc. 2.2 Uitwerking re-integratieverordening Alle algemeen geaccepteerde arbeid moet worden verkregen, aanvaard en behouden, zie artikel 9 van de Participatiewet. Het college van B&W, bepaalt in eerste instantie de reikwijdte van dit begrip en de toepassing van de criteria in individuele situaties. Bij deze beoordeling kunnen gewetensbezwaren (bijvoorbeeld uit geloofsovertuiging) een rol spelen, maar dan alleen als onderdeel van een complex van afwegingen, waarbij tevens gekeken wordt naar bijkomende omstandigheden, zoals de inspanningen die betrokkene heeft gedaan om werkloosheid te vermijden of een andere baan te vinden. Ook zal over het algemeen bekeken worden hoeveel mogelijkheden iemand heeft om op korte termijn een andere, algemeen geaccepteerde baan te vinden. Met andere woorden, "het werkloosheidsrisico" vormt een belangrijk criterium. Bovendien kan een beroep op gewetensbezwaren alleen, wanneer deze een zodanig conflict met de te verrichten arbeid oplevert, dat die arbeid in het geheel niet meer verricht kan worden. De werkzoekende dient verder de kledingkeuze en persoonlijke verzorging dusdanig aan te passen dat deze het verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet in de weg staat. De werkzoekende dient algemeen geaccepteerde arbeid binnen een totale reisafstand van 3 uur heen- en terugreis per dag te accepteren. Ook dient een werkzoekende te verhuizen als hierdoor algemeen geaccepteerde arbeid kan worden verkregen. Waar het in de kern om gaat is dat iemand de financiële gevolgen van de eigen keuzes niet mag afwentelen op de maatschappij door afhankelijk te blijven van een uitkering wanneer betaald werk voorhanden is. Artikel 9, lid 1, sub b Participatiewet biedt de werkzoekende de mogelijkheid om ondersteuning te krijgen van de gemeente bij arbeidsinschakeling. Vlagtwedde doet dit door het toepassen van de Work First methode. Dit houdt het volgende in: Intakefase: Voor de jongere tot 27 jaar geldt de baanzoekplicht van 4 weken zoals beschreven onder punt 2.2.10. De werkzoekende meldt zich bij het Uwv-werkbedrijf als werkzoekende en doet een beroep op de bijstandswet. De sociale dienst ontvangt via het Uwv de aanmelding en nodigt de werkzoekende uit om zich te melden bij het Trainings- en Diagnose Centrum (TDC) voor de groepsvoorlichting. Wanneer de werkzoekende op de groepsvoorlichting is verschenen begint het rechtmatigheidstraject te lopen. Dit betekent dat de werkzoekende schriftelijk uitgenodigd wordt met het verzoek om alle ontbrekende documenten in te leveren tijdens de intake. De werkzoekende dient zelf en op eigen kosten te zorgen voor vervoer en kinderopvang voor de intake en de groepsvoorlichting bij het TDC. Indien de werkzoekende niet op de intake verschijnt wordt de aanvraag per beschikking buiten behandeling gesteld. Als de werkzoekende alsnog in aanmerking wil komen voor een bijstandsuitkering, zal deze zich opnieuw moeten melden bij het Uwv. Het niet hebben van vervoer of kinderopvang zijn geen geldende redenen om niet op de intake te verschijnen. De werkzoekende ontvangt bij de groepsvoorlichting TDC alsmede bij de intake informatie over de wet en het beleid van de gemeente (o.a. de Work First methode). Er wordt een eerste inschatting gemaakt of iemand voor een uitkering in aanmerking komt. Diagnosefase: Los van de intake start iemand bij het TDC met het invullen van de e-portfolio, CV, het opzoeken van vacatures, schrijven van sollicitatiebrieven, etc. Daarnaast of daaropvolgend start de arbeidstraining. Zodra een goed beeld bestaat van de (on)mogelijkheden van de werkzoekenden worden nadere afspraken gemaakt over het vervolg met de werkcoach. De afspraken hieromtrent worden vastgelegd in een plan van perspectief. Het plan wordt door de werkzoekende en de gemeente ondertekend. Tijdens de arbeidstraining wordt het werken op een reguliere arbeidsplaats zoveel mogelijk nagebootst, maar dan door middel van gecreëerd of additioneel werk wat geen verdringing is voor de reguliere arbeidsmarkt. Op grond van artikel 9, lid 1, sub b, Participatiewet is de Work First methode voor alle bijstandsgerechtigden een verplicht onderdeel waar volledige medewerking aan verleend moet worden. Binnen de Work First methode gelden de volgende uitgangspunten: 2.2.1. Huisregels en agressie Werkzoekenden dienen zich te houden aan de huisregels zoals beschreven in bijlage 2. Agressie wordt niet getolereerd. Mocht er op enigerlei wijze sprake zijn van agressie dan wordt het agressieprotocol van de gemeente gevolgd. Op grond van de “Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Bellingwedde 2015” kan dit leiden tot een verlaging van de uitkering. 2.2.2. Arbeidstraining / Stage Iedere uitkeringsgerechtigde start na aanmelding met worden bemiddeld naar een stageplaats of arbeidstraining of sociale activering en zo veel mogelijk sollicitatieactiviteiten ontplooien. In combinatie met de workshops van de gemeente en persoonlijke begeleiding door de werkcoach is de tijdsbelasting 40 uur per week, tenzij dit door beperkingen niet mogelijk is. In dat geval is het aantal uren per week leidend wat het hoogst haalbare is. Dit aantal uren zal zo objectief mogelijk vastgesteld worden door een arbo-arts of een Sociaal Medisch Advies (SMA) van het Uwv. In dit verband onderhoudt en vergroot de gemeente een netwerk van werkgevers. Op een stageplaats c.q. arbeidstrai-ningsplaats wordt de klant aangestuurd door de betreffende organisatie, maar onder regie van de werkcoach. De stage dient steeds een specifiek doel, met name arbeidsritme en het opdoen van werknemersvaardigheden. De werkcoach zal bij selectie van de stageplaats zoveel mogelijk rekening houden met het bemiddelingsberoep of de bemiddelingsrichting van de klant. Iedere uitkeringsgerechtigde moet minstens bij 1 uitzendbureau ingeschreven staan, mits hiervoor een (tijdelijke) ontheffing is verleend. 2.2.3. Arbodienst Waar gewerkt wordt, dient een arbodienst aanwezig te zijn, zowel in het belang van de klant (arbeidsomstandigheden, ziekteverzuimbegeleiding) als in het belang van de gemeente (verzuimpreventie). Concreet komt deze dienstverlening erop neer dat een klant die van mening is dat hij vanwege ziekte niet in staat is zijn of haar trajectverplichtingen na te komen, dat dient te melden bij zijn arbeidstrainingsplaats/stageplaats én de werkcoach. De klant dient zich aan het verzuimprotocol te houden, zoals beschreven in bijlage 1. De werkcoach registreert deze ziekmelding in het online meldingssysteem en vraagt aan de arbodienst– afhankelijk van de concrete situatie – daaraan een passend vervolg te geven. De gemeente zal in veel voorkomende gevallen ook een verzuimmedewerker inzetten om door huisbezoek vast te stellen dat iemand ziek thuis is. De zieke dient in alle gevallen bereikbaar te zijn voor de gemeente en is zelf verantwoordelijk om bij de gemeente aan te geven hoe en op welke wijze de zieke bereikbaar is. In ieder geval geldt daarbij als uitgangspunt dat de contactfrequentie van de Wet Poortwachter, die overigens niet van toepassing is, wordt nagestreefd. 2.2.4. Verlof/vakantie In de Pw is vakantie alleen toegestaan mits dit de arbeidsinschakeling niet belemmert. Een werknemer in Nederland heeft gemiddeld 24 vakantiedagen per jaar bij een veertig urige werkweek. Kandidaten bouwen per ingezet uur 6 minuten verlof op, bij een inzet van 40 uur per week, heeft iemand na 4 weken in totaal 2 verlofdagen van 8 uur opgebouwd. Verlof kan pas worden opgenomen indien het verlof ook daadwerkelijk is opgebouwd en onder de voorwaarde dat er maximaal vier weken aansluitend vakantie mag worden genomen. Het opgebouwde verlof kan nooit omgezet worden in geld en daarmee nooit tot uitbetaling in geld leiden. Indien een klant aan de start van een traject staat, zal vakantie als belemmerend worden beschouwd en niet worden toegestaan, tenzij de werkcoach individuele omstandigheden en/of dringende redenen constateert waardoor van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Om zo nauw mogelijk aan te sluiten bij een werksituatie, is er voor gekozen dat kandidaten via het klant re-integratiesysteem (KRS) digitaal een verzoek tot verlof dienen te doen bij de werkcoach. De werkcoach beoordeelt of het opnemen van de vrije dagen/ vakantie niet belemmerend werkt voor de voortgang van het traject. Een reden om het verzoek tot verlof af te keuren is als de kandidaat het regelmatig laat af weten op de werkplek en/of zich onvoldoende inzet op de werkplek, dan wel een arbeidshouding heeft die verbetering behoeft. Als het verlof c.q. vakantie door de werkcoach wordt goedgekeurd en door de kandidaat wordt opgenomen, dient deze het verlof wel te vermelden op het maandelijkse rechtmatigheidsonderzoeks-formulier (ROF). Ieder opgebouwd verlof vervalt aan het einde van het traject. Tijdens ziekte bouwt de klant geen verlof op. Er kunnen maximaal 40 verlofuren mee worden genomen naar het volgende jaar. 2.2.5. Diagnose-instrumenten De werkcoach heeft de beschikking om – in geval van vermeende lichamelijke, psychische of verstandelijke beperkingen – aanvullende diagnose-instrumenten in te zetten, zoals sociaal-medisch, arbeidskundig of psychologisch onderzoek. Ieder van deze onderzoeken heeft ten doel beperkingen te signaleren, alsmede de resterende belastbaarheid en daarbij behorende beroepen. Daarnaast zijn ook instrumenten als beroepsinteresse- en intelligentietesten beschikbaar. Onderzoeken vinden doorgaans binnen zeven werkdagen na aanmelding plaats en rapportage wordt doorgaans binnen zeven werkdagen na onderzoek aangeleverd. 2.2.6. Werkgeversperspectief Hoewel de verhouding tussen de gemeente en kandidaten geen formele werkgevers-werknemersrelatie is, zal de periode in de uitkering zoveel mogelijk aansluiten bij de beoogde werksituatie. Dit om de overgang naar de werksituatie zo optimaal mogelijk vorm te kunnen geven. Dit betekent onder meer dat ieder traject van kandidaten: - Een tijdsinvestering van 40 uur per week zal vergen tenzij dit door omstandigheden niet mogelijk is; - Een arbodienst ziekteverzuimbegeleiding en risico-inventarisaties zal verzorgen; - Concrete situaties en vraagstukken vanuit een werkgeversperspectief zullen worden benaderd; - Als uitgangspunt heeft, dat de kandidaat zich als een normale werknemer gedraagt en ook zodanig wordt behandeld. 2.2.7. Onafhankelijkheid De gemeente is volledig verantwoordelijk voor de re-integratie van de doelgroep en wordt daar ook financieel op afgerekend. Dit betekent dat de gemeente en de partners die in dit proces zijn betrokken optimaal moeten presteren. De gemeente zal waar mogelijk hierop sturen. Daarbij zal zoveel mogelijk worden samengewerkt met de ketenpartners, zoals het UWV WERKBEDRIJF. 2.2.8. Scholing Scholing kan deel uitmaken van het re-integratietraject indien de gemeente van mening is dat de scholing bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Scholing is geen recht waar de klant zich op kan beroepen. In principe worden alleen vakgerichte scholingen ingezet zoals VCA, heftruckcertificaat, etc. indien dit aansluit bij het kunnen laten werken van de werkzoekende. De kosten van reguliere scholing als Bol en Bbl dient de klant zelf te voldoen om rechtsongelijkheid met medestudenten te voorkomen die geen vergoeding van de gemeente kunnen krijgen. Alleen als dit tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden kan het college hiervan afwijken. De inkoop van scholing zal steeds door de werkcoach worden gemotiveerd en is uitsluitend mogelijk indien en voor zover een relatie bestaat met reële beroepskansen na afronding. Financiering van de scholing en toestemming voor de kandidaten om scholing te starten met behoud van uitkering, vindt alleen dan plaats, indien er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening zoals bijvoorbeeld studiefinanciering. Daarnaast wordt ingezet op het stimuleren van duurzame uitstroom door het in kaart brengen van de vervangingsvraag en opleidingsbehoeften bij werkgevers door de werkcoaches/ accountmanagers en dit te koppelen aan de werkzoekenden. Door werkzoekenden die werken met behoud van uitkering op te leiden naar de vraag van werkgevers, is de kans op duurzame arbeid groter. De kans van terugval op de bijstand is kleiner. 2.2.9. Bereikbaarheid De werkzoekende is zelf verantwoordelijk om op eigen kosten telefonisch bereikbaar te zijn. Het niet hebben van voldoende financiële middelen is geen argument, omdat een deel van de bijstandsuitkering hiervoor is bedoeld. Als de werkcoach een vacature heeft, dient de werkzoekende bereikbaar te zijn op werkdagen van 8.00 uur tot 17.00 uur. De werkzoekende is verantwoordelijk om wijziging van telefoonnummer dan wel bereikbaarheid aan de werkcoach door te geven. Indien de werkzoekende hier niet of onvoldoende gehoor aan geeft, worden dat gezien als een belemmering van de re-integratie en kan leiden tot een verlaging van de uitkering. 2.2.10. Scholing-/baanzoekplicht jongeren tot 27 jaar De jongere tot 27 jaar die zich meldt bij het Uwv voor een bijstandsuitkering, moet op grond van de wet eerst 4 weken zeer intensief zoeken naar betaald werk en/of een opleiding die valt onder de studiefinanciering. Dit wordt ook wel de ‘scholing-/baanzoekplicht’ genoemd. Scholingplicht: De gemeente Bellingwedde verstaat onder de scholingplicht in ieder geval dat de jongere actief gaat onderzoeken of hij/zij met de huidige studie voldoende kansen heeft op de arbeidsmarkt. Wanneer dit niet het geval is dan dient de jongere te kijken welke studie de kansen op de arbeidsmarkt zouden kunnen verbeteren. Hierbij geldt dat dit in principe een studie is waarbij er een recht is op studiefinanciering. Als de studie pas over een aantal maanden start, dan dient men direct ook op zoek te gaan naar tijdelijk werk tot de studie start. Als blijkt dat de opleiding in principe voldoende is om een baan te verkrijgen op de arbeidsmarkt dan dient men actief te solliciteren naar een betaalde baan. Van jongeren wordt verwacht dat ze de mogelijkheden binnen het reguliere onderwijs zoveel mogelijk benutten. Studiefinanciering is bovendien een passende en toereikende voorliggende voorziening. Ontheffing van de scholingplicht is mogelijk als er sprake is van cognitieve/ sociale/medische/psychische problemen of sprake van een schuldregelingstraject, verblijft in een op verpleging of verzorging gerichte instelling. Baanzoekplicht: Jongeren dienen naast de scholingsplicht ook te voldoen aan de baanzoekplicht. De gemeente Bellingwedde verstaat onder de baanzoekplicht in ieder geval dat de jongere zich laat inschrijven bij 5 uitzendbureaus en elke werkdag minimaal 1 concrete sollicitatie verricht. In 4 weken zijn dat dus 20 aantoonbare sollicitaties. Open sollicitaties vallen daar ook onder. Dit is overigens wel afhankelijk van de conjuncturele economische ontwikkeling. De jongere die binnen de 4 weken geen betaald werk of studie heeft gevonden kan een aanvraag indienen voor een bijstandsuitkering. Bij de werkintake dient de jongere een overzicht in te leveren van de 5 inschrijvingen bij uitzendbureaus, van 20 verrichte sollicitaties en aangeven op welke wijze is voldaan aan de scholingplicht. De werkcoach beoordeelt vervolgens de inspanningsverplichting. Als uit de houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij of zij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, lid 1 Pw, of artikel 55 Pw niet wil nakomen, door bijvoorbeeld zich niet in te schrijven bij uitzendbureaus en geen sollicitaties te verrichten, dan wordt dat door de gemeente beoordeeld als niet voldaan aan de inspanningsverplichting. In dat geval zal de aanvraag in principe worden afgewezen. Indien de jongere alsnog voor een uitkering in aanmerking wil komen, zal deze een nieuwe aanvraag bij het Uwv moeten indienen en geldt opnieuw de scholing- en baanzoekplicht. Indien de jongere gedeeltelijk aan de scholing- en baanzoekplicht heeft voldaan, dan wordt er conform de “Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Bellingwedde 2015” een verlaging van de uitkering toegepast. 2.2.11. Gebruik sociale media Werkzoekenden dienen zich bewust te zijn van hetgeen zij op sociale media publiceren. Ongepaste foto’s of uitlatingen kunnen aanleiding zijn voor een werkgever om iemand het beschikbare betaalde werk te weigeren. Zonder afbreuk te doen van de vrijheid van meningsuiting dient de werkzoekende zich te realiseren dat uitingen al dan niet op sociale media de re-integratie kunnen belemmeren. Om die reden kunnen dergelijke uitingen tot een verlaging van de uitkering leiden. 2.3 Uitwerking NUO’s en ANW-ers Niet uitkeringsgerechtigden ofwel niet uitkering ontvangers (NUO’
- s)en ANW-ers, komen in aanmerking voor ondersteuning van de werkcoaches/accountmanagers in de vorm van persoonlijke begeleiding, trainingen, workshops en gesprekken. 2.3.1. Geen recht NUO’s en ANW-ers komen niet in aanmerking voor reiskostenvergoeding, premies, subsidiebanen, loonkostensubsidie en scholing, tenzij deze gekoppeld is aan betaald werk en naar het oordeel van de gemeente de investering rechtvaardigen. NUO’s en ANW-ers met een bruto inkomen boven de 115% van de voor hen geldende bijstandsnorm komen niet in aanmerking voor de inzet van overige voorzieningen, zoals scholing en voorzieningen die de gemeente geld kosten anders dan de personele inzet van werkcoaches/-accountmanagers. Alleen als dit tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden kan het college hiervan afwijken. 2.4 Nadere uitwerking art. 9 lid 2 en lid 5: Ontheffingen Volledige ontheffing van alle Participatiewet arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9 lid 1 sub a, b en c Participatiewet is alleen mogelijk indien iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Werk werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Met het oog op het duurzame karakter van de arbeidsongeschiktheid kan het hier een permanente ontheffing ex. art. 9 lid 5 Participatiewet betreffen. 2.4.1. Volledige ontheffing is niet mogelijk Voor zover hetgeen bepaald onder 2.4 niet aan de orde is, is voor de Participatiewet-gerechtigden volledige ontheffing van alle Pw arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9 lid 1 Pw niet mogelijk. Een gedeeltelijke ontheffing van de verplichtingen is wel mogelijk op grond van artikel 9 Pw, lid 2. De gedeeltelijke ontheffing zal middels een beschikking aan de klant kenbaar worden gemaakt. De gedeeltelijke ontheffing is altijd voor bepaalde tijd. In beginsel nooit langer dan één jaar. Voor mensen met een gedeeltelijke vrijstelling blijft altijd de re-integratieplicht bestaan. Hieronder valt onder andere sociale activering en de plicht om mee te werken aan een onderzoek naar arbeidsinschakeling. De verplichting tot het leveren van een tegenprestatie, zoals bedoeld in art. 9, lid 1, sub c van de Pw blijft wel van toepassing. Hoofdstuk 3 gaat nader in op het leveren van de tegenprestatie en wat de gemeente Bellingwedde daar onder verstaat. 2.5 Uitwerking voorzieningen In deze paragraaf wordt het re-integratieproces en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt, zo concreet mogelijk weergegeven en moet gezien worden als een voorziening op grond van artikel 4 en verder van de re-integratieverordening. In feite vormt deze paragraaf het belangrijkste onderdeel van dit beleidsplan: het beleid in uitvoering. 2.5.1. Melding, Intake en Traject (Work First methodiek) 2.5.1.1 Melding en intake (dag 1) Het proces begint op het moment dat een tot de doelgroep behorende klant zich meldt bij het UWV WERKBEDRIJF voor een uitkering of een traject op grond van de Wwb of via internet een aanvraag Wwb doet. Voor de jongere tot 27 jaar geldt de baanzoekplicht zoals beschreven onder punt 2.2.10. Na 4 weken kan de jongere zich weer bij het Uwv melden om de bijstandsaanvraag te doen. De melding komt binnen bij het UWV WERKBEDRIJF die de aanvraag doorzet naar de sociale dienst, met daarin de naw-gegevens van de nieuwe klant, alsmede zijn of haar telefoonnummer. De werkzoekende wordt uitgenodigd voor een intake. De werkzoekende dient zelf en op eigen kosten te zorgen voor vervoer en kinderopvang voor de intake. De werkzoekende ontvangt bij de intake informatie over de wet en het beleid van de gemeente (o.a. de Work First methode). Er wordt een eerste inschatting gemaakt of iemand voor een uitkering in aanmerking komt. Als dit het geval is worden afspraken gemaakt over de aanmelding bij het Trainings- en Diagnose Centrum (TDC) op de eerst volgende werkdag of zo snel als mogelijk is. Als de werkzoekende niet op de intake verschijnt, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld en zal de werkzoekende zich opnieuw moeten melden voor de aanvraag van een bijstandsuitkering. De ingangsdatum van de bijstandsuitkering zal in die situatie niet langer de meldingsdatum zijn bij het Uwv, maar de datum wanneer de intake horende bij de bijstandsaanvraag daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het niet hebben van vervoer of kinderopvang zijn geen geldende redenen om niet op de intake te verschijnen. 2.5.1.2 TDC en diagnose (dag 2) Diagnosefase: Na de intake start iemand bij het TDC met het invullen van de e-portfolio, CV, het opzoeken van vacatures, schrijven van sollicitatiebrieven, etc. Daarnaast of daaropvolgend start de arbeidstraining. De afspraken hieromtrent worden vastgelegd in een re-integratieplan of plan van aanpak. Het plan wordt door de werkzoekende en de gemeente ondertekend. Tijdens de arbeidstraining wordt het werken op een reguliere arbeidsplaats zoveel mogelijk nagebootst, maar dan door middel van gecreëerd of additioneel werk wat geen verdringing is voor de reguliere arbeidsmarkt. Op grond van artikel 9, lid 1, sub b Pw is de Work First methode voor alle bijstandsgerechtigden een verplicht onderdeel waar volledige medewerking aan verleend moet worden. De periode totdat de gemeente de werkzoekende goed kent, is de diagnose. De diagnose is belangrijk voor de klant, omdat bepaald wordt naar welke van de twee doelen zal worden toegewerkt.[1] Voor de gemeente is de diagnose van belang, omdat een verkeerde keuze direct financiële consequenties heeft. Een goede voorbereiding, een zorgvuldige gespreksvoering en intensieve evaluatie zijn derhalve voor beide partijen noodzakelijk. De diagnosefase heeft ten doel te bepalen wat het voor de klant bereikbare doel is en welk traject c.q. welke instrumenten zullen worden ingezet om dat doel te bereiken. De diagnosefase heeft verder ten doel om een succesvolle match tot stand te brengen met een werkgever. Des te beter een beeld van de werkzoekende kan worden geschetst naar de werkgever, des te groter de kans dat dit tot een succesvolle plaatsing leidt. De keuzes die – op hoofdlijnen – kunnen worden gemaakt, zijn de volgende: A. Regulier werk a. Directe bemiddeling (maximaal drie maanden) b. Kortdurend toeleidingstraject (maximaal zes maanden) c. Langdurig toeleidingstraject (vanaf zes maanden) B. Sociale activering a. Activering b. Toeleiding sociale werkvoorziening c. Flankerende maatregelen De keuzes zijn ook onder te brengen in de participatieladder. Treden 4,5 en 6 vallen onder A (werken met behoud van uitkering, gesubsidieerde arbeid en reguliere arbeid) en is de groep werkzoekenden die kunnen werken. Treden 1,2 en 3 vallen onder keuze B (zorg, sociale activering, vrijwilligerswerk) en is de groep bijstandsgerechtigden die maatschappelijk nuttige bezigheden kunnen verrichten. Onderstaande figuur laat de 6 treden van de participatieladder zien: De procedure om tot de bovenstaande doelen te komen vindt plaats in het TDC. 2.5.1.2.1 Indien een klant belemmeringen van betekenis aanvoert (zoals medische klachten, financiële problemen of een gebrek aan kinderopvang), lost de werkcoach dit in samenwerking met de klant zoveel mogelijk ter plekke op. Hieronder zijn de verschillende mogelijkheden opgesomd: ∙ De klant voert medische (lichamelijke, psychische en/of verstandelijke) belemmeringen aan. De werkcoach maakt, indien wenselijk, tijdens het gesprek telefonisch een afspraak voor de klant bij een keuringsarts, arbeidsdeskundige of psycholoog. De keuring bij het Uwv voor een Sociaal Medisch Advies (SMA) vindt doorgaans plaats binnen tien werkdagen, de rapportage wordt binnen twee werkdagen daarna aangeleverd. De werkcoach maakt in het gesprek een vervolgafspraak voor het bespreken van de rapportage. Ook wordt de afspraak gemaakt om de eerst volgende werkdag met een intensief bemiddelingstraject te starten. Belemmeringen en eventueel benodigde aanpassing van de werkplek worden doorgegeven aan de begeleider van de werkplek. Het functioneren op de werkplek wordt meegenomen bij de verdere diagnose. ∙ De klant voert praktische belemmeringen aan, zoals het ontbreken van kinderopvang of vervoersproblemen. De werkcoach gaat in geval van kinderopvang na of de klant dit zelf kan opvangen (gastouderopvang). Als dit niet mogelijk is, verwijst de werkcoach in het gesprek de klant naar de kinderopvanginstelling(
- en)om zo spoedig mogelijk kinderopvang te regelen. Dit is de primaire verantwoordelijkheid van de klant. Voor vervoersproblemen is de klant zelf en op eigen kosten verantwoordelijk voor de aanschaf van een OV-chipkaart. De reiskosten van het verdere re-integratietraject kunnen onder bepaalde voorwaarden worden vergoed door de gemeente. Reizen binnen 10 kilometer van het huis van de klant worden niet vergoed indien de klant in staat is de afstand per fiets af te leggen. Beschikt de klant niet over een fiets, dan kan de gemeente een leenfiets beschikbaar stellen. Ook wordt de afspraak gemaakt om met een intensief bemiddelingstraject te starten, wanneer de kinderopvang en vervoer geregeld zijn. 2.5.1.2.2 Indien de klant niet direct bemiddelbaar is, bepaalt de werkcoach wat het hoogst haalbare einddoel voor de klant is: regulier werk of uitsluitend een uitkering met sociale activering c.q. werken met behoud van uitkering (participatieplaats). 2.5.1.2.3 De werkcoach stelt een uitstroomgericht plan van perspectief (re-integratieplan) op. De werkcoach is regievoerder en de klant is verantwoordelijk voor de uitvoering van het traject. De werkcoach koopt waar nodig externe re-integratieproducten in. 2.5.1.2.4 Indien de werkcoach tot de conclusie komt dat regulier werk niet haalbaar is, maar de klant wel de capaciteiten heeft om regelmatige loonvormende arbeid te verrichten, leidt de werkcoach de klant toe naar een activeringstraject. Daarnaast zal de klant die geconfronteerd wordt met ingrijpende problemen (schulden, psychische problemen, verslaving, etc.) in het gesprek worden doorverwezen naar budgetbegeleiding en/of de daarvoor bestaande hulpverleningsinstanties. De werkcoach blijft het traject bewaken en regisseren. 2.5.1.2.5. Indien de klant niet in staat is tot enige vorm van loonvormende arbeid, kan aan de klant een individuele vrijstelling voor bepaalde duur worden verleend voor solliciteren naar betaald werk. Er vindt geen vrijstelling plaats voor sociale activering. Verlening van een vrijstelling vindt steeds plaats op basis van individuele omstandigheden maar in ieder geval: ∙ Indien de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van zorg en voorziening niet mogelijk is voor alleenstaande ouders voor maximaal de duur van deze onmogelijkheid; ∙ Indien kandidaten om psychische dan wel medische redenen niet in staat zijn om te werken voor de duur van de periode van ontheffing en in de mate waarin zij niet in staat zijn tot werken of tot maatschappelijke participatie. De onder het eerste aandachtsstreepje genoemde uitzonderingsgrond kan ook in individuele gevallen worden toegepast voor anderen dan alleenstaande ouders, waaronder pleegouders. 2.5.1.2.6 Voor jongeren geldt een bijzondere procedure zoals beschreven bij 2.2.10. Aan het eind van het gesprek stelt de werkcoach samen met de klant een plan van perspectief (re-integratieplan) op, waarin de uitkomst van het gesprek wordt vastgelegd in termen van einddoel, traject / instrumenten, arbeidstraining en (vervolg)afspraken. Hierna vangt het traject daadwerkelijk aan. Indien de klant tijdens het gesprek heeft aangegeven van een uitkering af te zien, wordt hiervan een verklaring ingevuld. 2.5.1.3 Intensieve coaching Iedere klant wordt gedurende zijn re-integratietraject gecoacht door een werkcoach of trajectbegeleider. De intensiteit van deze coaching is afhankelijk van de specifieke aandachtspunten van de klant en vindt periodiek plaats. Bij ieder contact worden de acties van klant en werkcoach steeds aan het plan getoetst en vindt waar nodig bijsturing plaats. Noemenswaardige notities worden in het logboek van het klant re-integratiesysteem (KRS) vastgelegd. Het is in beginsel niet mogelijk dat een klant op eigen verzoek van werkcoach kan wisselen. Indien echter de verhouding tussen de werkcoach en cliënt dermate verstoord is dat deze belemmerend werk in het re-integratietraject, kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Het kunnen omgaan met een werkcoach hoort bij de training van de klant, omdat deze ook in het bedrijfsleven te maken kan krijgen met persoonlijkheden die hem of haar niet zo liggen. 2.5.1.4 Het traject De invulling van deze fase vloeit voort uit de keuzes die in de eerste fase zijn gemaakt. In de meeste gevallen zal sprake zijn van een re-integratietraject met als onderdeel arbeidstraining en (sollicitatie)begeleiding bij het TDC van de gemeente met een tijdsbelasting van 40 uur per week. Voor alle kandidaten geldt dat zij in ruil voor hun uitkering alles in het werk zullen moeten stellen om terug te keren in het arbeidsproces. Dit betekent dat iemand met een uitkering in principe gedurende 40 uur per week re-integratieactiviteiten zal moeten verrichten. De aard van deze activiteiten is afhankelijk van de afstand tot de arbeidsmarkt en de specifieke belemmeringen die moeten worden opgelost. Bij ieder traject is sprake van individueel maatwerk. De klant dient alle activiteiten in het klant re-integratiesysteem (KRS) bij te houden. Met de 40-urige ‘werk’week is aansluiting gezocht bij banen in het bedrijfsleven. Die zijn over het algemeen ook 40 uur per week. Een belasting van 40 uur per week is bedoeld om te voorkomen dat werkzoekenden moeilijkheden gaan ervaren met gewenning, uithoudingsvermogen en ritme, wanneer men ‘ineens’ wel 40 uur per week gaat werken. Indien de klant uiteindelijk met minder dan 40 uren onafhankelijk kan worden van de bijstand, dan treedt er eerder een positief effect op dan negatief. Om die reden is in het kader van artikel 7 lid 2 van de re-integratieverordening gekozen voor een verplichte 40-urige inzet voor arbeidstraining, sollicitatieactiviteiten, gesprekken met de werkcoach, etc. De werkcoach voert samen met de klant het traject uit, bewaakt de met de klant gemaakte afspraken en stuurt waar nodig bij. Uitgangspunt bij de begeleiding en coaching zal het motto “Ken je klant” zijn. Dit wordt vooral bereikt door de ervaringen uit de 40-urige ‘werk’week van de klant. Persoonlijk contact en inzicht in motivatie, capaciteit en het netwerk van de klant zijn noodzakelijk om de klant optimaal te kunnen coachen. Nauwe samenwerking tussen de verschillende partijen waar de klant mee te maken heeft, is dan ook absolute noodzaak. Dit vraagt van de werkcoach een sterke regiefunctie, een hoge mate van flexibiliteit, een proactieve houding, handelen volgens het principe “afspraak is afspraak” en een nauwkeurige vastlegging van contactmoment en gespreksverslagen in het logboek van de klant. 2.5.1.5 Bemiddeling Deze fase komt in feite alleen aan de orde in trajecten voor kandidaten met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt, de zogehete ‘hot cliënts’. Direct bemiddelbare kandidaten kunnen daardoor meeliften op het netwerk van de gemeente naast hun eigen sollicitatieactiviteiten en vinden daardoor sneller een regulier betaalde baan. Bij kandidaten die meer moeite hebben met het vinden van een reguliere baan, zal de ondersteuning door de gemeente een verdergaand karakter hebben. De acquisitie van werkervaringsplaatsen/stages, subsidiebanen en reguliere banen is in handen van de werkcoach/accountmanagers. 2.5.1.6 Instrumenten Bij het re-integratieproces staan de werkcoach/trajectbegeleider en de klant verschillende instrumenten ter beschikking. Gaandeweg kan een behoefte ontstaan aan nieuwe instrumenten. Deze kunnen dan onder toepassing van het gemeentelijke inkoopbeleid door de werkcoach middels een mandaatadvies worden ingekocht na akkoord van de medewerker beleid. Als deze nieuwe instrumenten een structureel karakter krijgen, zullen zij worden beschreven in het beleidsplan. 2.5.1.6.1 Ondersteunende instrumenten De gemeente stelt zich ten doel kandidaten zo optimaal mogelijk te steunen bij het vinden van een reguliere baan en het uitvoeren van een traject. Dit betekent dat de gemeente, afhankelijk van het traject, bepaalde ondersteunende instrumenten kan inzetten. Het gaat daarbij voornamelijk om de financiering van zaken als: - Reiskosten die een klant maakt in het kader van zijn traject, daaronder begrepen het frequent bezoeken van de arbeidstrainingsplek en het gemeentehuis in het kader van het re-integratietraject, mits de vergoeding is vastgelegd in het re-integratieplan. Reiskosten voor reizen binnen de 10 kilometer enkele reis worden niet vergoed. De vergoeding bedraagt de werkelijke kosten van het Openbaar Vervoer (2de klas) of, mits met eigen vervoer wordt gereisd, 0,19 euro per kilometer en kan achteraf digitaal bij de gemeente worden gedeclareerd middels het Klant re-integratiesysteem (KRS) via www.ons-werk.nl. De klant is zelf verantwoordelijk voor het indienen van de reiskostendeclaraties. Reiskostendeclaraties voor reizen ouder dan 2 maanden op de datum van indiening worden niet vergoed. Indien de gemeente zelf vervoer geregeld heeft, bestaat geen recht op reiskostenvergoeding. Nug-ers of Nuo’s hebben geen recht op reiskostenvergoeding. De klant heeft geen recht op vergoeding voor het bezoek aan het UWV werkbedrijf en de gemeente als het niet in het kader is van het re-integratietraject. De klant heeft geen recht op reiskostenvergoeding voor overige reizen die niet in het kader van het re-integratietraject worden gemaakt. - Scooter of fiets. Aan kandidaten die in het kader van re-integratie grote afstanden moeten reizen dan wel de reisafstand niet of onvoldoende adequaat met het openbaar vervoer kunnen afleggen en over onvoldoende middelen beschikken om daar zelf adequaat in te voorzien, kan een scooter of een fiets in bruikleen worden verstrekt. Dit ter beoordeling van de werkcoach. - Kleding en persoonlijke verzorging. Aan kandidaten die in het kader van re-integratie kleding en persoonlijke verzorging nodig hebben ten behoeve van sollicitatie-activiteiten, een stage of anderszins en over onvoldoende middelen beschikken om daar zelf adequaat in te voorzien, kan representatieve kleding en voorzieningen in het kader van persoonlijke verzorging worden verstrekt. Dit ter beoordeling van de werkcoach. - Computer. Aan kandidaten die niet of in beperkte mate met een computer overweg kunnen en daardoor bij het vinden van een reguliere baan of andere vormen van maatschappelijke participatie in een achterstandspositie verkeren, kan computer- onderwijs worden gegeven. Hiervoor heeft de gemeente Bellingwedde op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs afspraken gemaakt met het regionaal opleidingscentrum (ROC). - Advisering en hulpverlening bij financiële problemen. Aan kandidaten met beginnende of vergevorderde schuldenproblematiek wordt coaching van hun bestedingspatroon, hulpverlening bij schuldsanering en/of budgetcursus aangeboden met als doel: een financieel gezonde huishouding. Dit is zowel preventief als regressief gericht. Hierin werkt de gemeente samen met eerdergenoemde ROC. 2.5.1.6.2 Flankerende dienstverlening In een traject kan het voorkomen dat bepaalde beperkingen de start of voortzetting van een traject onmogelijk maken. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld verslaving, psychische problemen etc. De gemeente kan in deze gevallen – buiten de bestaande kanalen – experts inschakelen die deze problemen samen met de klant gaan oplossen. Het gaat daarbij onder meer om: - Psychologische of psychiatrische hulpverlening - Verslavingszorg - Gezinscoaching 2.5.1.6.3 Werkgeversdienstverlening Bellingwedde presenteert zich als dienstverlener aan bedrijven in de regio Oost-Groningen en Duitsland. Bellingwedde biedt in deze markt concreet de volgende producten: - Arbeidskrachten; - Gratis korte kennismakings- c.q. inwerkperiode / proeftijd; - Flexibele arbeidsverhoudingen; - Gratis scholing en training van (potentiële) medewerkers; - Advies en maatwerkoplossingen op het gebied van HRM; - Een laagdrempelige toegang tot overige gemeentelijke diensten 2.5.1.6.4 Inkoop De gemeente voert de re-integratie zoveel mogelijk in eigen beheer in en koopt bij de uitvoering van haar re-integratietaak desgewenst instrumenten in. Deze inkoop vindt plaats conform de regels die het Europese, nationale aanbestedingsrecht en het gemeentelijke inkoop- en aanbestedingsbeleid stelt. 2.5.1.6.5 Interne training Vanaf de eerste dag van het traject zal de klant geplaatst worden in de training van het TDC. Deze training heeft een aantal doelen namelijk: a. begeleiding bij solliciteren; b. klant in beeld krijgen c.q. hebben; c. arbeidsritme opdoen c.q. behouden; d. veranderings- en leerproces op gang brengen bij de klant; e. uitstroom realiseren. a. Actieve begeleiding, ondersteuning bij het solliciteren. De klant wordt gewezen op vacatures, heeft toegang tot internet om te solliciteren, heeft de beschikking over de postverzorging van de gemeente voor het versturen van sollicitatiebrieven, kan gratis zijn/haar brief kopiëren, heeft de beschikking over enveloppen, krijgt indien nodig training in het solliciteren, communiceren, presenteren, etc. b. De klant is in beeld. De klant volgt een 40-urige trajectweek waarvan een aantal uren per week training. De training werkt tevens als diagnose instrument (qua gedrag, motivatie en opstelling) en heeft een signaalfunctie qua eventuele nevenactiviteiten. Het motto “ken je klant” komt ten volle tot uiting met als subdoel dat je ook als werkcoaches en trajectbegeleiders elkaars klanten leert kennen. c. Zie b. d. Veranderingsproces. De klant wordt gecoacht op mentaliteit, houding en mogelijkheden. Tevens wordt hij/zij gestimuleerd om maatschappelijk te participeren indien werk (nog) niet haalbaar is. Er zal veel aandacht zijn voor kernkwaliteiten, communicatie, uiterlijke presentatie, normen en waarden. e. Plaatsing op regulier, gesubsidieerd of sociaal werk. Naast de persoonlijke begeleiding zijn er ook workshops waarbij een professionele acteur wordt ingehuurd om rollenspellen te oefenen, zodat de klant beter toegerust is om zich te presenteren tijdens een sollicitatiegesprek. 2.5.2. Overige voorzieningen Het college heeft ter nadere uitvoering van de re-integratieverordening een Participatienota vastgesteld waarin is vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in de re-integratieverordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2.5.2.1 Eigen bedrijf of zelfstandig beroep Primaire richting van een re-integratietraject naar werk zal een dienstbetrekking in loondienst zijn. Gedurende het traject kan de werkcoach op grond van de individuele omstandigheden van de klant tot de conclusie komen dat het vinden van een regulier dienstverband zeer moeizaam of niet realiseerbaar zal zijn, maar dat het starten van een eigen bedrijf meer kans van slagen heeft. Mocht de klant op enig moment aangeven bij de werkcoach fulltime zelfstandige te willen worden, dan zal de werkcoach volgens een stappenplan te werk gaan. Het stappenplan is zeer intensief met een werkbelasting van 40 uur per week en wordt in een zo kort mogelijke termijn doorlopen. Stappen 1 tot en met 4 binnen 2 weken, stappen 5 tot en met 7 in 6 maanden. Dit is nodig, omdat niet iedereen het in zich heeft om een zelfstandige ondernemer te zijn. Indien de aspirant ondernemer het niet op kan brengen om 40 uur per week met het traject bezig te zijn, zich niet aan afspraken kan houden en de opdrachten niet goed vervult dan ontbreekt het naar de mening van de gemeente Bellingwedde aan capaciteiten om een zelfstandig ondernemer te zijn. Dit wordt dan ook al op voorhand bij stap 1 duidelijk besproken. Er bestaat ook een regeling marginale zelfstandigen, zie hoofdstuk 10, als de urenbelasting ten aanzien van de eigen onderneming niet meer bedraagt dan 24 uur per week. De overige uren worden dan opgevuld tot 40 uur per week met re-integratieactiviteiten met als doel om een parttime baan naast de onderneming te hebben om bijstandsonafhankelijk te worden. Als op enig moment duidelijk wordt dat het eigen bedrijf volgens de gemeente geen kans van slagen heeft, wordt de klant direct opgenomen in de (sollicitatie)begeleiding om te solliciteren naar banen in loondienst. De stappen zijn als volgt: Stap 1 is erop gericht om de klant op weg te helpen. Door middel van een intakegesprek wordt informatie verstrekt en een trajectplan opgesteld met opdrachten die de klant gaat vervullen zoals: - Korte beschrijving van het ondernemersplan - Vervolgafspraak - Werkervaring op doen in het werk waar de beoogd zelfstandig ondernemer een eigenbedrijf wil starten of de vaardigheden daarvoor op kan doen. Stap 2 Bespreken eerste aanzet ondernemersplan. Stap 3 Eventuele competentietest zelfstandig ondernemer bij het IMK of ROI of een andere partij. Bij beperkingen wordt onderzocht in welke mate de beperkingen het zelfstandig ondernemerschap in de weg staan. Stap 4 Bespreken uitslag competentietest en diagnose wel of geen haalbaarheid. Indien niet, dan wordt de klant ingedeeld in de (sollicitatie)begeleiding om te solliciteren naar banen in loondienst. Indien wel, dan wordt het trajectplan bijgesteld met de vervolgstappen. Stap 5 Opstellen uitgebreid ondernemersplan. De klant wordt daar waar nodig intensief gecoacht door het ROI of een jobcoach. Hier hoort ook het bezoeken van de Kamer van Koophandel bij, banken, verzekeringskantoren, marktonderzoek, etc. Stap 6 Aanvraag BBZ (inclusief onderzoek levensvatbaarheid door IMK). Stap 7 Start Bbz, coaching en nazorg. Naast alle stappen blijft het opdoen van werkervaring in het werk waar de beoogd zelfstandig ondernemer een eigenbedrijf wil starten, een belangrijk onderdeel van het traject met een tijdsbelasting van 40 uur per week. De bijstandsgerechtigde heeft los van bovenstaande stappenplan ten allen tijde het recht om een aanvraag Bbz te doen of de bijstandsuitkering op te zeggen om een eigen onderneming te starten. 2.5.2.3 Sociale activering Sociale activering is maatwerk en één van de stappen van re-integratie. Zeker indien de kandidaat nog te veel beperkingen heeft om regulier aan het werk te gaan. Ook voor kandidaten die vooralsnog geen uitzicht hebben op regulier werk is sociale activering noodzakelijk en heeft ten doel de betrokken klant maatschappelijk te laten participeren om een sociaal isolement of de dreiging daarvan op te heffen. Het instrument is daarom ook niet in aard en omvang beperkt (behoudens financiële grenzen). 2.5.2.4 Verantwoording Met ingang van het verantwoordingsjaar 2006 is ten aanzien van een aantal specifieke uitkeringen het principe “single information singel audit (“sisa”) ingevoerd. Eén van deze specifieke uitkeringen was deWwb, nu Pw. Basisidee bij het principe “sisa” is dat het Rijk bij het vragen van informatie zoveel mogelijk aansluit bij de informatiebehoeften en verantwoordingsmomenten van de medeoverheden zelf. De gemeente hoeft niet speciaal meer een aparte verantwoording voor het rijk op te stellen, maar kan het eigen jaarverslag gebruiken. In een bijlage bij de jaarrekening wordt de verantwoordingsinformatie opgenomen over specifieke uitkeringen die het Rijk nodig heeft om de uitkeringen te kunnen beoordelen. “Sisa” betekent voor de gemeente; - Verantwoording via toelichting op de jaarrekening. Beperkte verantwoording. - Geen afzonderlijke accountantsverklaring per specifieke uitkering maar een jaarrekening inclusief accountantsverklaring is voldoende. - Eén verantwoordingsmoment (uiterlijk 15 juli) aan het CBS namens het ministerie van BZK. - Minder intensieve controle: reguliere jaarrekeningcontrole + enige extra controle voor Algemene Rekenkamer. - Controleprotocollen vervallen. In plaats daarvan jaarrekeningcontrolevoorschriften. - Rapport van bevindingen per jaarrekening volstaat + rapporten over kleinere fouten en onzekerheden in plaats van rapport per specifieke uitkering. Tot slot levert de gemeente aan het CBS statistische gegevens in het kader van de SRG-monitor, Statistiek Re-integratie Gemeenten en aan het inlichtingenbureau inzake het digitaal klantdossier (DKD). Belangrijkste gegevens die hierin worden verantwoord zijn het aantal kandidaten dat wordt bediend, het aantal kandidaten dat uitstroomt naar regulier werk en de frequentie en gemiddelde duur van de inzet van het instrument gesubsidieerde arbeid. 2.5.2.5 Budgetplafond De hoogte van het SZW deel in het participatiebudget is leidend voor de inzet van voorzieningen. Er worden alleen dan voorzieningen aangeboden indien het beschikbare budget dit toelaat. 2.6 Uitwerking artikel 3, lid 2 re-integratieverordening beëindiging Indien de voorziening, bedoeld in beleidsregel 2.5, beëindigd wordt op grond van artikel 3 lid 2 van de re-integratieverordening, dan bepaalt de werkcoach voor welke periode de voorziening niet wordt aangeboden. Tevens bepaalt de werkcoach of en in welke mate de werkzoekende in tweede aanleg in aanmerking komt voor een voorziening. 2.7 Premie wet STAP In het kader van de Wet stimuleren arbeidsparticipatie (STAP) wordt het instrument premie ingezet in combinatie met ‘euro-banen’. Euro-banen zijn gecreëerde alternatieve werkplekken bij werkgevers waar bijstandsgerechtigden met behoud van uitkering aan het werk gaan. De werkgever betaalt in dat geval een bijdrage in de kosten van re-integratie in de vorm van een inleenvergoeding. Bij een 3 eurobaan is de inleenvergoeding die de werkgever betaalt 3 euro per uur, bij een 5 eurobaan 5 euro per uur, etc. De hoogte van de eurobaan is een zaak tussen de werkcoach/accountmanager en de werkgever en heeft tot doel om de werkgevers zoveel mogelijk bij te laten dragen in de kosten van re-integratie, omdat de werkgevers uiteindelijk ook belang hebben bij goed personeel. Als het werken met behoud van uitkering gedurende minimaal zes maanden naar behoren wordt vervuld, wordt aan de klant een premie uitgekeerd van maximaal het bedrag dat in de re-integratieverordening artikel 8, lid 3 is opgenomen. Indien de bijstandgerechtigde met behoud van uitkering aan het werk gaat in een zogeheten eurobaan wordt dit gezien als participatieplaats op grond van de wet. 2.7.1. Voorwaarden premie Naast hetgeen in artikel 8 van de re-integratieverordening is gesteld, zijn de volgende beleidsregels van toepassing: - de klant doet een verzoek van de premie aan de werkcoach; - de premie wordt alleen dan aan de klant uitgekeerd indien er een getekende overeenkomst aanwezig is met een werkgever waarin het werken met behoud van uitkering in verband met een eurobaan is vastgelegd; - alleen de uren die in het Klant re-integratiesysteem (KRS) via www.ons-werk.nl door de klant zijn geregistreerd én in het kader van werken met behoud van uitkering zijn gewerkt tellen mee voor de premie; - de klant moet voldoende hebben meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op arbeidsinschakeling; - indien de klant in de zes maanden een afstemming heeft opgelegd gekregen vanwege verwijtbaar gedrag inzake re-integratie, dan bestaat er geen recht op een premie; - de klant moet zes maanden onafgebroken zich hebben ingezet bij de inleenplek; - indien de klant binnen zes maanden is uitgestroomd naar substantieel betaald werk en de klant dit betaalde werk heeft weten te behouden nadat de 6 maanden is verstreken, dan wordt de opgebouwde premie verhoogd naar 300 euro en alsnog uitbetaald aan de klant. HOOFDSTUK 3 BELEIDSREGELS TEGENPRESTATIE In artikel 9, lid 1 sub c van de Pw en artikel 37, lid 1 onder f Ioaw respectievelijk Ioaz is de wettelijke basis vastgelegd voor de tegenprestatie die iedere bijstandsgerechtigde verplicht is te leveren. Deze plicht tot tegenprestatie geldt ook voor de Wsw en Wajong geïndiceerden. In dit hoofdstuk worden de beleidsregels beschreven die betrekking hebben op de tegenprestatie. Beleidsregel 1 Doelstelling De gemeente Bellingwedde is van mening dat mensen die een bijstandsuitkering op grond van de Pw, Ioaw of Ioaz krijgen of hebben aangevraagd de plicht hebben om daarvoor naar vermogen bepaalde onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten te verrichten. De werkzaamheden worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid c.q. re-integratie activiteiten en mogen niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Men noemt dit de plicht tot het leveren van een tegenprestatie naar vermogen. Het doel van de verplichting is om een tegenprestatie te verlangen voor het beroep op de solidariteit van de samenleving. Beleidsregel 2 Eisen werkzaamheden De werkzaamheden die de gemeente oplegt voldoen aan de volgende eisen: 1. onbeloond; 2. maatschappelijk nuttig; 3. geen belemmering voor het accepteren van werk of re-integratie; 4. beperkt in omvang en tijdsduur; 5. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid; 6. leiden niet tot verdringing op de arbeidsmarkt; 7. de bijstandsgerechtigde moet in staat zijn ze te verrichten; 8. de bijstandsgerechtigde is verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid en aansprakelijkheid. Beleidsregel 3 Samenloop met arbeidsplicht en re-integratie De plicht tot het leveren van een tegenprestatie staat in principe los van de arbeidsplicht en het re-integratietraject. Het is niet bedoeld als re-integratie-instrument, maar als aanvulling. Beleidsregel 4 Opleggen verplichting De bijstandsgerechtigde heeft het recht om met een goed onderbouwd voorstel te komen hoe hij of zij de tegenprestatie in zou willen vullen. De gemeente bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de beschikbare onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten, aard, duur en omvang van de tegenprestatie en legt dit vast in een beschikking. Beleidsregel 5 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur Bij het opleggen van de verplichting tot het leveren van een tegenprestatie hanteert de gemeente de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betekent dat de gemeente zal: 1. Onderzoeken of de bijstandsgerechtigde in staat is om de werkzaamheden te verrichten (zorgvuldige voorbereiding). De werkcoach zal indien nodig (medisch) advies moeten inwinnen bij derden. Het gaat immers om een tegenprestatie naar vermogen. 2. Aannemelijk maken in de beschikking dat de werkzaamheden voldoen aan de daaraan gestelde eisen (motiveringsplicht). 3. De plicht niet zo maar aan iemand opleggen (verbod van willekeur). Om die reden geldt de plicht tot tegenprestatie voor alle bijstandsgerechtigden. 4. In vergelijkbare gevallen dezelfde soort verplichting tot het leveren van een tegenprestatie opleggen (gelijkheidsbeginsel). 5. De verplichting niet opleggen met een ander doel dan het verlangen van een tegenprestatie voor de bijstand (verbod van détournement de pouvoir). De gemeente zal de verplichting dus niet opleggen om iemand te straffen. Beleidsregel 6 Verzekering en aansprakelijkheid De partij waar de tegenprestatie wordt verricht, zorgt dat de bijstandsgerechtigde tijdens het verrichten van de werkzaamheden verzekerd is. Het gaat daarbij om het afdekken van de risico's van arbeidsongeschiktheid en aansprakelijkheid. De gemeente is niet aansprakelijk als het werk leidt tot arbeidsongeschiktheid van de bijstandsgerechtigde of tot schade bij derden. De gemeente is niet aansprakelijk voor een vergoeding of loon voor de verrichte tegenprestatie als de bijstand achteraf wordt teruggevorderd over een periode waarin de verplichting tot tegenprestatie is opgelegd. Bij de aanvraag voor een bijstandsuitkering dient de bijstandsgerechtigde zich te realiseren dat aan de aanvraag het verrichten van een tegenprestatie is gekoppeld ook al blijkt de aanvraag niet tot een bijstandsuitkering te leiden of dat de bijstandsuitkering om wat voor reden dan ook later wordt teruggevorderd. De tegenprestatie kan in geen enkel opzicht gezien worden als het verrichten van reguliere betaalde werkzaamheden, waardoor de gemeente niet aansprakelijk gesteld kan worden voor loon of een vergoeding. Beleidsregel 7 Combinatie met zorg voor gezinslid met AWBZ-indicatie De gemeente zal bij het opleggen van de verplichting tot tegenprestatie aan iemand die een gezinslid met een AWBZ-indicatie verzorgt, nagaan of die zorg te combineren is met de tegenprestatie. Daarbij is niet relevant of de gemeente het gezinslid met AWBZ-indicatie voor de Pw als alleenstaande of gezinslid beschouwt. Beleidsregel 8 Aanvullende regels De werkcoach/accountmanager kan aanvullende regels stellen ten aanzien van het opleggen van de verplichting tot het leveren van een tegenprestatie naar vermogen. Beleidsregel 9 Gevolgen niet nakomen verplichting Als een bijstandsgerechtigde de opgelegde verplichting tot het leveren van een tegenprestatie niet nakomt, kan de gemeente de bijstandsuitkering tijdelijk verlagen conform de afstemmingsverordening Pw, Ioaw en Ioaz. Beleidsregel 10 Verschil met participatieplaats De relatie tussen de tegenprestatie en de participatieplaats is dat het gaat om twee verschillende instrumenten die gemeenten tot hun beschikking hebben. Beide instrumenten richten zich op het verrichten van werkzaamheden met behoud van uitkering waarbij het karakter van de werkzaamheden additioneel is. Beide instrumenten zijn ook duidelijk van elkaar te onderscheiden. De werkzaamheden op een participatieplaats dienen primair nuttig te zijn voor de ontwikkeling van betrokkene richting de arbeidsmarkt. De werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie worden daarentegen verricht, omdat van de uitkeringsgerechtigden een tegenprestatie wordt verwacht voor de uitkering die nuttig is voor de samenleving. In het verlengde hiervan is aan de tegenprestatie geen scholing of een opleiding gekoppeld. Dit instrument is immers niet bedoeld als re-integratie instrument. Verder zal het leveren van een tegenprestatie vaak werkzaamheden van korte duur omvatten, terwijl een participatieplaats voorziet in werken voor een langere periode van maximaal twee jaar met, onder omstandigheden, een verlengingsmogelijkheid. Een laatste verschil is dat voor het werken op een participatieplaats de gemeente een premie (eurobaan) zal toekennen aan de uitkeringsgerechtigde indien hij voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op arbeidsinschakeling, terwijl dat niet het geval is bij het verrichten van een tegenprestatie. Beleidsregel 12 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen genoemd in dit hoofdstuk, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. HOOFDSTUK 4 RICHTLIJNEN BEHANDELING AANVRAGEN EN TOEPASSING WWB,IOAW EN IOAZ Ingevolge de Pw, Ioaw en Ioaz moet onder andere vorm worden gegeven aan een gerichte aanpak van de fraudebestrijding. Hiervoor is een handhavingsverordening opgesteld. Daarnaast is er deze beleidsnota. In deze beleidsnota is de aantoonplicht van de belanghebbende omschreven. Wie aanspraak wil maken op bijstand of een uitkering op grond van de Pw, Ioaw/Ioaz moet dus aan bepaalde eisen voldoen. Tevens is de verificatie van de verstrekte gegevens door de gemeente (de zogenaamde poortwachterfunctie) geregeld. In deze beleidsnota is tevens de onderzoeksplicht van de gemeente geregeld. Algemeen beleid Om het vermogen bij aanvang en tijdens de periode van bijstandsverlening te kunnen vaststellen zijn in deze paragraaf richtlijnen vastgesteld. In artikel 34 en 50 Pw zijn de bepalingen opgenomen over het recht op bijstand voor belanghebbenden die eigenaar zijn van de door hem of zijn gezin bewoonde woning. In de Pw zijn echter geen bepalingen meer opgenomen omtrent de verlening van bijstand in de vorm van een krediethypotheek. In de Pw is alleen opgenomen dat de bijstand in de vorm van de geldlening wordt verstrekt, wanneer de hoogte van de algemene bijstand over de periode van een jaar naar verwachting meer zal gaan bedragen dan het wettelijke minimumloon en het vermogen gebonden in de woning meer bedraagt dan artikel 34, lid 2, sub d Pw. Toch is in het kader van bijstandsverlening wenselijk om bijstand in de vorm van een hypotheek te verlenen ter zekerheidstelling van de geldlening. Vermogen Voor de toepassing van de Pw wordt op grond van artikel 34 Pw onder vermogen verstaan: - De waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering; - Middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomsten betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33. Bij de bepaling van het vermogen ten aanzien van banksaldi zal rekening worden gehouden met het normale uitgavenpatroon van de belanghebbende. Toevallige schommelingen in het positieve saldo moeten gedeeltelijk of geheel buiten de berekening van het vermogen blijven. Zo zal een kort voor de aanvang van de bijstand bijgeschreven uitkering of loon, niet betrekking hebbend op de lopende bijstandsperiode, buiten beschouwing blijven mits deze inkomsten niet meer bedragen dan de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief de vakantietoeslag) en het rekeningnummer waarop het inkomen is bijgeschreven een positief saldo heeft. Van enkele vermogensbestanddelen is het ongewenst of onbillijk om deze als vermogen in aanmerking te nemen en van de aanvrager te vergen deze in te zetten voor het levensonderhoud. Deze bestanddelen zijn limitatief opgesomd in artikel 34, tweede en vierde lid Pw. Ook de individuele inkomenstoeslag dient te worden vrijgelaten, voor zover van toepassing. Algemeen gebruikelijke bezittingen Bezittingen in natura worden niet in aanmerking genomen als vermogen, indien deze naar aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn. Antiek Op grond van voorgenoemde regel wordt gebruikelijke woninginrichting buiten beschouwing gelaten; een antieke kast die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt niet. Dit geldt evenzeer voor sieraden. Hoewel zeker niet doorslaggevend voor een te maken beoordeling, kan een eerste toets op het (on)gebruikelijke karakter van huisraad of sieraden een verzekering zijn, die is afgesloten voor afzonderlijke kostbaarheden. Auto De auto kan zonder meer worden beschouwd als een naar aard algemeen gebruikelijke bezitting, maar niet iedere auto kan uit oogpunt van waarde als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Bij welke waarde de auto het algemeen gebruikelijk karakter wordt ontzegd, moet nader worden bepaald. Uitgangspunt is dat het wettelijk criterium "algemeen gebruikelijk naar aard en waarde" niet onderscheidt naar inkomensniveau. Het gaat dus niet om de waarde van auto's waarover uitkeringsgerechtigden plegen te beschikken. Er is geen aanleiding om van een andere waarde uit te gaan dan die van de algemeen gebruikelijke auto voor privé gebruik. Vooral in een gebied als de gemeente Bellingwedde, een behoorlijk uitgestrekt gebied waarin het openbaar vervoer niet optimaal is, is een auto bijna onmisbaar. De meeste huishoudens in de gemeente Bellingwedde bezitten een auto. Ook veel huishoudens met een bijstandsuitkering bezitten een auto. Tevens dient te worden bedacht dat ook in het kader van uitstroom steeds hogere eisen aan de mobiliteit van mensen worden gesteld. De waarde van een algemeen gebruikelijke auto is bepaald op € 5.500,=. Voor zover de waarde van de auto - inkoopprijs volgens ANWB internetkoerslijst – (dan wel en andere vorm van waardebepaling; zoals marktplaats/Autotrader etc.) uitstijgt boven de vermelde grenswaarde, wordt het meerdere als vermogen in aanmerking genomen. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee dat de met de auto verbonden schuld volledig in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van het vermogen. Onder omstandigheden kan het voorkomen dat de belanghebbende vóór het moment waarop bijstand wordt gevraagd het aanwezige vermogen, dat naar omvang in beginsel een beletsel is voor bijstand, besteedt aan de aanschaf van algemeen gebruikelijke bezittingen, die in beginsel buiten beschouwing blijven bij de middelentoets. Weliswaar staat het een ieder vrij naar eigen goeddunken zijn vermogen te besteden, mits de voorziening in de kosten van het bestaan daarbij is gewaarborgd. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om zich niet eerder dan nodig afhankelijk te maken van bijstand. Er is dan ook reden om, als de aanvrager een zodanig verwijt valt te maken, niet aan het in de auto opgesloten vermogen voorbij te gaan, dan wel van de aanvrager te vergen het vermogen te gelde te maken. Boot/paard/caravan/motor en auto als tweede vervoermiddel Een boot, paard of een ander waardevol huisdier en caravan kunnen niet worden gezien als een algemeen gebruikelijke bezitting in natura. Aan de waarde daarvan kan niet worden voorbijgegaan. Ook kan niet aan de waarde van een motor voorbij worden gegaan wanneer de belanghebbende ook in het bezit is van een auto met een waarde die lager is dan algemeen gebruikelijk. Wanneer de belanghebbende in het bezit is van twee of meer auto’s wordt de auto met de hoogste waarde aangemerkt als eerste auto. Tot een waarde van € 5.500,00 zal deze auto niet tot het vermogen worden gerekend. De overige auto’s worden volledig tot het vermogen gerekend. Niet algemeen gebruikelijke, maar wel noodzakelijke bezittingen Niet naar aard en waarde algemeen gebruikelijke zaken worden als vermogen aangemerkt, tenzij het gebruik daarvan noodzakelijk is. Te denken valt aan duurdere, aan een handicap aangepaste vervoermiddelen. Artikel 1 - Begripsbepalingen Deze beleidsnota verstaat onder: a. Aanvrager: De persoon, die voor zichzelf of voor zijn gezin een uitkering op grond van de Pw, Bbz2004, Ioaw/Ioaz vraagt; b. Echtgenoot: Als gehuwd of als echtgenoot/partner wordt mede aangemerkt de gehuwde die in gezinsverband leeft met de persoon met wie hij gehuwd is, alsmede de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, zoals bedoeld in de Pw, de Ioaw en de Ioaz; c. Wet: De Pw en/of de Ioaw en/of de Ioaz. Artikel 2 – Bevoegde instantie Een aanvraag om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, (ingevolge de Pw en Ioaw), wordt schriftelijk ingediend bij het UWV door middel van een daartoe uitgereikt aanvraagformulier (behoudens de in de wet genoemde uitzonderingen). Artikel 3 – Indiening van de aanvraag 1. Het aanvraagformulier wordt door aanvrager zelf volledig ingevuld en ondertekend. Wanneer er een partner is, ondertekent deze het aanvraagformulier eveneens. 2. De aanvraag geschiedt door de echtgenoten gezamenlijk, dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander. 3. Indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, wordt de bijstand, of uitkering op grond van de Ioaw/Ioaz ambtshalve vastgesteld. 4. Aanvrager en diens partner worden in de gelegenheid gesteld de aanvraag mondeling toe te lichten c.q. hun zienswijze over de aanvraag naar voren te brengen. Artikel 4 – Voorlichting 1. Onder meer door het verstrekken van de zogenaamde werkmap aan de aanvrager en diens partner bij de indiening van de aanvraag wordt voorlichting verstrekt over het gemeentelijk beleid. Hierin zit een globale inhoudelijke toelichting op de wetgeving en de belangrijkste verplichtingen van de uitkeringsgerechtigden. 2. De inhoud van de folder/brochure, zoals vermeld in lid 1, wordt uitgelegd en aanvrager en diens partner tekenen een verklaring voor ontvangst van het informatiemateriaal en kennisneming daarvan. 3. Zonodig kan de verklaring, als bedoeld in lid 2, met relevante gegevens, welke van toepassing zijn op de specifieke situatie van aanvrager en diens partner, worden aangevuld. Deze informatie wordt afzonderlijk ondertekend, door zowel klant als diens partner. Artikel 5 - Onderzoek 1. De identiteit van aanvrager en diens partner wordt vastgesteld aan de hand van een geldig document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, welke daartoe dient te worden getoond. Dit document wordt gescand, waaruit aard en nummer blijkt. 2. Indien aanvrager en diens partner reeds een periodieke uitkering ingevolge de Pw ontvangen, kan bij het indienen van een aanvraag om bijzondere bijstand worden volstaan met het invullen van een aanvraagformulier. 3. Het formulier wordt door aanvrager en diens partner zelf volledig ingevuld en ondertekend. 4. De bewijsstukken dienen door aanvrager en diens partner te worden verstrekt – voor zover van toepassing - mede ter verifiëring van hetgeen op het aanvraag- en inlichtingenformulier is gesteld. 5. Aanvrager en diens partner zijn verplicht aan de gemeente inzage te verstrekken in alle overige bescheiden die van belang zijn voor de verlening van bijstand of uitkering, ter verificatie van hetgeen op het aanvraag- en het inlichtingenformulier is gesteld en/of mondeling ter toelichting op de aanvraag naar voren is gebracht. 6. Aanvrager en diens partner doen op verzoek of uit eigener beweging onverwijld, d.w.z. bij de eerstvolgende Rechtmatigheids onderzoeksformulier (ROF) mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem/haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem/haar wordt betaald. 7. Verificatie van de benodigde gegevens heeft plaats bij: 1. de klant, eventueel door middel van huisbezoek; 2. de in de artikelen 63 en 64 Pw, artikel 45 Ioaw/Ioaz genoemde personen, instellingen en instanties; 3. derden, voor zover er sprake is van informatie (verklaringen en tips), die van daadwerkelijke invloed is op de uitkering/inkomensvoorziening; 4. de Inkomensconsulent, aan de hand van de waarnemingen van deze functionaris in de contacten met de klant; 5. het inlichtingenbureau; 6. SUWI-net. Indien bij verificatie blijkt dat de verstrekte informatie onjuist of onvolledig is, worden aanvrager en diens partner in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn. Tot het verzuim hersteld is, worden in beginsel geen voorschotten verstrekt. Artikel 6 - Huisbezoek 1. Huisbezoek is mogelijk indien daar een redelijke grond voor bestaat. Van een redelijke grond is sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid van de door betrokkene over zijn of haar woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen. 2. Wanneer er twijfel blijft bestaan ten aanzien van de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie en de overige mogelijkheden om deze gegevens op waarheid te verifiëren volledig zijn benut, vindt aangekondigd huisbezoek plaats door de Inkomensconsulent c.q. medewerker van de gemeente. Wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan huisbezoek onaangekondigd plaatsvinden. 3. Bij onduidelijkheid over de woon- of leefsituatie wordt meteen overgegaan tot huisbezoek. 4. Bij weigering van huisbezoek wordt niet tot (verdere) bijstandsverlening overgegaan. Hierbij wordt het ”informed consent” gehanteerd, zoals in de uitspraken van de Crvb van 11-4-2007. 5. In geval van een huisbezoek als bedoeld in lid 1, legitimeert de medewerker zich met een hiertoe door burgemeester en wethouders afgegeven identiteitsbewijs. 6. Tevens kan op grond van artikel 53a Pw reden zijn voor een huisbezoek. Artikel 7 - Het horen van derden De sociale dienst geeft aan een derde, die bij de aanvraag om bijstand betrokken kan zijn, op zijn verzoek gelegenheid daarover te worden gehoord. Artikel 8 - Onvolledige informatie Indien aanvrager of diens partner niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen, tenzij aanvrager van de geboden gelegenheid gebruik maakt de aanvraag binnen de gestelde termijn aan te vullen. In de hersteltermijn dient duidelijk te worden aangegeven welke gegevens nog ontbreken. Indien de aanvrager of diens partner na de hersteltermijn het merendeel van de gevraagde bewijsstukken heeft geleverd dan wordt de hersteltermijn verlengd met een voor die situatie redelijke termijn. De cliënt heeft door het leveren van de meeste stukken namelijk laten zien dat hij meewerkt aan het onderzoek naar het recht op bijstand. Zijn de gegevens niet ingeleverd, ook niet na de eventueel verlengde hersteltermijn dan zal de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling worden gesteld. Verificatie van gegevens De sociale dienst en het UWV hebben op grond van de Pw (artikel 53a) de verplichting de voor de aanvraag relevante klantgegevens te controleren. De controle kan op drie manieren: 1. Verzamelen van gegevens op SUWI-net; 2. Verificatie van gegevens door controle van documenten en bewijsstukken van de klant; 3. Validering door bij externe instanties zekerheid te verkrijgen over de volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen. Dit kunnen ook digitale gegevens zijn. Uitgangspunt - De gemeente is op grond van de Wet Eenmalige Uitvraag gegevens (WEU) verantwoordelijk voor het verzamelen van alle reeds beschikbare informatie in de SUWI-keten van de klant ten aanzien van de rechtmatigheid van desbetreffende uitkering; - De klant is verantwoordelijk voor het leveren van bewijsstukken die de gemeente niet zelf kan krijgen. Hierbij wordt rekening gehouden dan de gegevens die in de SUWI-keten reeds zijn gevraagd niet nogmaals worden gevraagd (wet éénmalige gegevensuitvraag) - Als de klant de bewijsstukken niet kan leveren, of er getwijfeld wordt over de juistheid, dan zal de sociale dienst zelf externe bronnen raadplegen (validering). Welke gegevens? De te verifiëren gegevens corresponderen met de gegevens die op het gebruikte aanvraag en/of eventuele inlichtingenformulier worden gevraagd. Daarnaast kunnen aanvullende gegevens nodig zijn. De gegevens die nodig zijn voor het aanvraagformulier verstrekkingenboekje staan vermeld in het bijbehorende verstrekkingenboekje. HOOFDSTUK 5 HERONDERZOEKSPLAN In deze nota vindt u de uitwerking van de bevoegdheid van de gemeente om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens in het kader van toekenning en voortzetting van een uitkering op grond van de Participatiewet, Ioaw en Ioaz. Het heronderzoeksplan heeft betrekking op uitkeringsgerechtigden, die een periodieke uitkering ontvangen, alsmede ex-klanten, die nog lopende verplichtingen dienen na te komen (debiteuren). Op basis van de vorming van deze doelgroepen is het heronderzoeksplan opgedeeld in twee paragrafen: 1. heronderzoeken 2. debiteuren heronderzoeken 5.1 Heronderzoeken Het beleid van de gemeente is onder meer gericht op de bevordering van een doelmatige en rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet, en het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoners van de gemeente met als doel de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid te bevorderen. Het heronderzoek is in eerste instantie dan ook bedoeld om de juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens in een voorliggende periode vast te stellen. Hiermee kan de rechtmatigheid van een verstrekte uitkering worden vastgesteld. Daarnaast kan worden vastgesteld of een uitkering dient te worden gecontinueerd of beëindigd. Ten aanzien van het terugbrengen van het aantal uitkeringen, is het noodzaak om middels heronderzoeken onterecht gebruik van de bijstand tegen te gaan. Het tweede en belangrijke doel van het heronderzoek is om onderzoek te doen naar (niet) gebruik van voorzieningen en in aansluiting daarop de uitkeringsgerechtigden te informeren over de bestaande voorzieningen. Wet eenmalige gegevensuitvraag (Weu) De Wet eenmalige gegevensuitvraag regelt dat gegevens van burgers die al eens gevraagd zijn vanaf 1 januari 2008 niet nogmaals aan de burger mogen worden gevraagd (niet naar de bekende weg vragen). Het vragen van gegevens uitkeringsgerechtigden die via het Digitaal Klantdossier (DKD) bij UWV, gemeenten, LRD (persoonsgegevens) en RDW kunnen worden geraadpleegd moeten dan worden ‘hergebruikt’ en mogen niet opnieuw aan de klant worden gevraagd. Dit vergt een andere manier van werken voor wat betreft de heronderzoeken. De gegevens uit Suwi (DKD) zullen de basis vormen van het onderzoek. De relevante stukken die niet uit Suwi te verkrijgen zijn, kunnen nog bij de klant worden opgevraagd. Veel gegevens staan op bankafschriften, zodat bij aanvragen bijzondere bijstand veelal het inleveren van deze afschriften voldoet. Dit in het kader van de klantvriendelijkheid. Worden deze gegevens niet vertrouwd dan kan aanvullend onderzoek worden verricht. 5.1.1 - Algemeen De gemeente Bellingwedde heeft een actief re-integratiebeleid waarbij alle klanten een zo intensief mogelijk traject doorlopen gericht op werk dan wel sociale activering. Tijdens het re-integratietraject kunnen er signalen naar voren komen die aanleiding geven om een heronderzoek c.q. deelonderzoek in te stellen. Het hanteren van vaste heronderzoekstermijnen wordt losgelaten, niet om geen heronderzoeken meer te doen, maar om meer maatwerk te leveren. De adviseur zorg en inkomen schat zelf in na welke termijn een heronderzoek wenselijk is en laat deze inboeken door de uitkeringsadministratie. De voorkeur heeft het om binnen 12 dan wel 15 maanden een heronderzoek te verrichten. Er kan voorts worden gekozen voor een verdere splitsing en verfijning, waarin middels meerdere deelonderzoeken steeds onderdelen van recht- en doelmatigheid worden getoetst. Nauwgezette controle blijft plaatsvinden van de maandelijks in te leveren rechtmatigheids onderzoeksformulieren (Rof’
- s)en daar waar nodig zullen signalen (bijvoorbeeld van het inlichtingenbureau) worden opgepakt en doorgegeven naar de betreffende medewerker. Op deze wijze kunnen risico's van eventuele terugvorderingen e.d., over een periode, worden beperkt. Voorts zal onderzoek naar specifieke voorwaarden worden uitgevoerd middels deelonderzoeken naar specifieke facetten. Termijn en aard zijn daarbij afhankelijk van de individuele situatie. Door de intensivering van het re-integratiebeleid is de bijstandsgerechtigden veel beter in beeld dan voorheen. Volledige vrijstelling van de arbeidsverplichtingen is immers meestal niet mogelijk, de bijstandsgerechtigde heeft altijd minimaal de re-integratieplicht zoals sociale activering. Voor mensen die nieuw in de bijstand dan wel Ioaw/Ioaz instromen, kan het wenselijk zijn om een heronderzoek in te plannen bijvoorbeeld 12 maanden na instroom. Dit is echter geen verplichting. 5.1.2 - Deelonderzoeken Uitgangspunt is dat bij het reguliere heronderzoek een volledig onderzoek plaats vindt naar de rechtmatigheid van de uitkering. Daarnaast blijft het echter mogelijk dat (naar aanleiding van bijvoorbeeld Rof-jes, signalen van vermoedelijke fraude, specifieke opgelegde voorwaarden die aan termijnen zijn gebonden, ingeschatte risicofactoren, etc.) deelonderzoeken plaats vinden. Deze staan echter los van de reguliere heronderzoeken en de termijn hiervan wordt bepaald door de individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. 5.1.3 - Voorbereidende werkzaamheden - Maandelijks wordt middels een selectie op de revisiedatum -door de geautomatiseerde klantenregistatie- een lijst met de voor de desbetreffende maand te verrichten heronderzoeken aangemaakt door de uitkeringsadministratie; - De daartoe aangewezen adviseur zorg en inkomen raadpleegt de klantendossiers op bijzonderheden en aandachtspunten (o.a. gestelde voorwaarden), die in het heronderzoek aandaht behoeven; - Het bevolkingssysteem met daarop vermeld persoonsgegevens, adres en woonplaats en eventuele inwonenden wordt geraadpleegd; - De desbetreffende klant en diens eventuele partner kunnen worden uitgenodigd voor een gesprek in het gemeentehuis of wordt, indien de klant niet naar het gemeentehuis toe kan komen, thuis bezocht. In de uitnodiging wordt vermeld welke bescheiden klant dient mee te nemen/gereed te leggen. Daarnaast kan naast het heronderzoek ook schriftelijk plaatsvinden; - Er wordt een heronderzoeksrapportage opgesteld met de bevindingen van het onderzoek. 5.1.4 - Gegevensverzameling/verificatie 1. Verificatie van de benodigde en verstrekte gegevens vindt plaats bij: - SUWI-net; - De klant, eventueel d.m.v. huisbezoek (zie hiervoor); - De in de artikelen 63 en 64 Pw, artikel 45 Ioaw/Ioaz genoemde personen, instellingen en instanties; - Derden, voorzover er sprake is van informatie (verklaring of tip), die van daadwerkelijke invloed is op de bijstandsuitkering; - De collega adviseurs zorg en inkomen aan de hand van de waarnemingen van deze functionarissen in de contacten met de klant; - Het IB-systeem van het Inlichtingenbureau; - Het kentekenregistratiesysteem. 2. Het persoonlijke gesprek (indien van toepassing) - De adviseur zorg en inkomen gaat bij de klant na of de gegevens correct en volledig zijn; - Indien de gegevens volgens de klant niet correct en volledig zijn, vult de adviseur zorg en inkomen het rapport aan met de juiste gegevens; - Er worden – voor zover nog niet in het dossier aanwezig – door de adviseur zorg en inkomen scans gemaakt van gegevens met betrekking tot de identiteit, inkomsten, vermogenssituatie, huurcontract, en zorgverzekering; - In het persoonlijk gesprek met de klant wordt door de Adviseur zorg en inkomen voorlichting c.q. advies gegeven over flankerende voorzieningen en regelingen; - In het persoonlijke gesprek met de klant en de Adviseur zorg en inkomen kan, indien van toepassing, ook ingegaan worden op schuldenproblematiek en re-integratieactiviteiten; - Indien er twijfel bestaat dan wel blijft bestaan t.a.v. de juistheid en volledigheid van de door klant verstrekte gegevens en de overige mogelijkheden om deze gegevens op waarheid te verifiëren volledig zijn benut, vindt huisbezoek plaats. 3. Afrondende werkzaamheden van het heronderzoek - Middels steekproeven kan de kwaliteit worden getoetst; - Aan de hand van raadpleging van het dossier worden alle gegevens die een rol hebben gespeeld bij de toekenning van de uitkering weer onderzocht; - Het heronderzoek sluit tevens aan bij het vorige (her)onderzoek. De adviseur zorg en inkomen controleert de in de tussenliggende periode verkregen gegevens op juistheid en volledigheid; - Onderzocht wordt of de uitkering juist is berekend en uitbetaald (norm, verrekening inkomsten en doorvoeren kortingen/toeslagen/inhoudingen); - Onderzocht wordt of en welke verplichtingen (voorwaarden en vorderingen) er zijn en of deze juist worden nagekomen dan wel dat hierin verandering dient te komen. 5.1.5 - Rapportage De adviseur zorg en inkomen rapporteert volgens een model, waarin verslag wordt gedaan van de bevindingen en adviseert omtrent eventuele continuering van de uitkering, alsmede omtrent eventueel te stellen voorwaarden en/of door te voeren wijzigingen. De adviseur zorg en inkomen maakt tevens een beschikking. 5.1.6 - Toetsing Doordat het mandaat bij de adviseur zorg en inkomen ligt worden rapportages en beschikkingen met betrekking tot heronderzoeken en deelonderzoeken niet vooraf getoetst door de kwaliteits- medewerker of juridisch medewerker. Deze kan achteraf steekproefsgewijs de rapportages en beschikkingen toetsen en adviseert de adviseur zorg en inkomen daar waar nodig om de kwaliteit te verbeteren ten einde de rechtmatigheid te waarborgen. De adviseur zorg en inkomen heeft wel de mogelijkheid om de rapportage in overleg vooraf ter toetsing voor te leggen aan de kwaliteitsmedewerker/ juridisch medewerker. 5.1.7 – Besluitvorming Besluitvorming vindt plaats conform het mandaatbesluit, waarbij voor het gros van de besluiten de adviseur zorg en inkomen beslissingsbevoegd is. De besluiten worden maandelijks op een besluitenlijst vermeld en ter vaststelling en ondertekening aan het college van burgemeester en wethouders voorgelegd. 5.1.8 - Beschikking - Bij elk besluit n.a.v. een heronderzoek wordt een definitieve beschikking gemaakt t.b.v. de cliënt; - Ondertekening van de beschikking is gemandateerd aan de adviseur zorg en inkomen. 5.1.9 - Administratieve verwerking Een afschrift van de beschikking, het besluit en zonodig andere bijbehorende bescheiden, worden voor administratieve verwerking overgedragen aan de financiële uitkeringsadministratie. Na verwerking worden de gegevens gescand voor het digitale archief. 5.2 DEBITEUREN HERONDERZOEK Op grond van de Handhavingsverordening moeten nadere beleidsregels worden vastgesteld betreffende debiteuren heronderzoeken. Debiteuren heronderzoeken zijn noodzakelijk om de voortgang van de invordering te kunnen bewaken en eventueel maatregelen te kunnen nemen wanneer de invordering niet goed verloopt. 5.2.1 Algemeen In een debiteurenheronderzoek wordt onder meer aandacht besteed aan de vastgestelde verplichting, de daarop verrichtte aflossingen en de actualisering van de betalingscapaciteit van de debiteur. De gemeente is vrij om termijnen te bepalen waarbinnen de heronderzoeken plaats kunnen vinden. Hiertoe zijn beleidsregels opgesteld. 5.2.2 Uitgangspunten 1. Er wordt geen heronderzoek uitgevoerd indien een schuld aan de gemeente naar verwachting binnen een periode van vijf jaar na de datum van het ontstaan van de vordering zal zijn afgelost, tenzij belanghebbende zijn verplichtingen niet nakomt. Voorwaarde is wel dat het maandelijkse aflossingsbedrag ten minste zo groot is als het bedrag dat voor de aflossing van leenbijstand zou gelden, als genoemd in artikel 6; hoofdstuk 1 van de beleidsregels bijzondere bijstand. 2. Een verzoek aan de daartoe bevoegde rechter om een verhoging van de onderhoudsbijdrage af te dwingen zal pas worden ingediend als uit de voorliggende financiële bescheiden blijkt dat er sprake is van tenminste een verschil van € 50,00 per maand tussen de nieuwe berekening en het aflossingsbedrag c.q. de bijdrage en hierover op basis van vrijwilligheid geen overeenstemming kan worden bereikt. 5.2.3 Criteria Op grond van onderstaande criteria zal differentiatie plaatsvinden naar de categorieën van vorderingen en van personen: a. De aard van de vordering; b. Debiteur ontvangt wel of geen periodieke uitkering van de gemeente; c. Het naar verwachting binnen 5 jaar aflossen van de vordering; d. Het naar verwachting wel of niet veranderen van de draagkracht; e. De inningsmogelijkheden. Ad a.: de aard van de vordering Hierbij kunnen de volgende vorderingen worden onderscheiden: a. Terugvorderingen - vorderingen op de (ex-)klant zelf ontstaan uit de wet zelf. b. Terugvorderingsbesluiten: vorderingen op de (ex-)klant zelf ontstaan uit het Beleidsregels krediethypotheek bijstand gemeente Bellingwedde of Bijstandsverlening aan zelfstandigen. c. Verhaal: vorderingen op derden, m.n. onderhoudsplichtigen. Ad b.: debiteur ontvangt wel of geen periodieke uitkering van de gemeente Bij terugvordering worden de volgende categorieën onderscheiden: a. Personen met een lopende periodieke uitkering van deze gemeente. b. Personen waarvan de uitkering is beëindigd. ad c.: het naar verwachting binnen 5 jaar aflossen van de vordering Het algemene uitgangspunt is dat een vordering ineens wordt voldaan, tenzij op grond van wet- en regelgeving of een overeenkomst anders is bepaald. Wanneer betaling ineens niet mogelijk blijkt, kan een betalingsregeling worden getroffen. Als de vordering op grond van de door debiteur voorgestelde regeling naar verwachting binnen 5 jaar na het ontstaan van de vordering wordt voldaan, zal geen financieel onderzoek uitgevoerd worden naar zijn aflossingscapaciteit, mits aan de betalingsverplichting wordt voldaan. Er wordt een heronderzoek uitgevoerd binnen 24 maanden na de vermoedelijke einddatum van de vordering. Duurt aflossing naar verwachting langer dan 5 jaar, dan zal de aflossingscapaciteit worden bepaald aan de hand van een financieel onderzoek. Er wordt in elk geval een heronderzoek uitgevoerd binnen 24 maanden na de vermoedelijke einddatum. Ad d.: het naar verwachting wel of niet veranderen van de draagkracht De verwachtingen t.a.v. de financiële situatie van de klant bepalen eveneens de heronderzoeksfrequentie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: a. Financiële situaties die zich naar verwachting zullen wijzigen; b. Financiële situaties die zich naar verwachting niet zullen wijzigen. Aan de hand van de omstandigheden van de klant zal een conclusie door overwegingen en argumenten dienen te worden onderbouwd. Ad e.: de inningsmogelijkheden Als er geen inningsmogelijkheden zijn, omdat bijvoorbeeld het adres of de inkomstenbron van de debiteur onbekend zijn, wordt een heronderzoek uitgevoerd binnen 24 maanden. 5.2.4 Termijnen Als frequentie voor een debiteurenonderzoek wordt uitgegaan van de volgende termijnen: 1. Debiteurenonderzoek als onderdeel van het heronderzoek periodieke uitkering. 2. Onderzoekstermijn binnen 24 maanden 3. Onderzoekstermijn binnen 36 maanden 4. Onderzoekstermijn binnen 48 maanden 5. Geen heronderzoek. 5.2.5 Groepskenmerken In onderstaand schema zijn op basis van vorenstaande uitgangspunten de navolgende categorieën debiteuren onderscheiden. Termijnen en omvang van de categorieën zijn eveneens aangegeven. Het debiteurenonderzoek vindt plaats tijdens een heronderzoek (lopende uitkering), dit zal dan een controle zijn of er betaald wordt conform betalingsregeling of dat er een verrekening plaats vindt met de uitkering. Na beëindiging van de uitkering zal het debiteurenonderzoek worden uitgevoerd door de medewerker terugvordering en verhaal. Bepaling aflossingscapaciteit Debiteurenonderzoek TERUGVORDERING ALGEMEEN Personen met periodieke uitkering Nee 0-24 maanden Personen zonder periodieke uitkering -vordering voldaan < 5 jaar Nee 0 - 24 maanden -vordering voldaan > 5 jaar naar verwachting wel wijzigingen Ja 0 - 24 maanden naar verwachting geen wijzigingen Ja 0 – 36 maanden Geen inningsmogelijkheden n.v.t. 0 - 24 maanden TERUGVORDERING Pw- BESLUITEN Krediethypotheek (Pw) Ja/Nee*) 0 - 24 maanden BZ/Bbz Ja/Nee*) 0 - 24 maanden VERHAAL bij betalingsachterstand Naar verwachting wel wijzigingen -- 0 - 24 maanden Naar verwachting geen wijzigingen -- 0 - 48 maanden Bij een krediethypotheek en BZ/Bbz leningen wordt uitsluitend een onderzoek naar de aflossingscapaciteit gedaan daar waar de aflossing door de gemeente te bepalen is. Dus niet als de aflossing wordt bepaald door regelgeving of een overeenkomst. 5.2.6 Organisatie, werkwijze en hieraan te stellen eisen De verplichtingen van debiteuren met een periodieke uitkering van deze gemeente kunnen worden behandeld bij het reguliere heronderzoek. Onderstaande heeft daarom met name betrekking op onderhoudsplichtigen en overige debiteuren die geen uitkering meer ontvangen. 5.2.7 Voorbereidende werkzaamheden Maandelijks wordt middels een selectie op revisiedatum een lijst uitgedraaid met de voor desbetreffende maand te verrichten debiteurenonderzoeken. 5.2.8 Gegevensverzameling/verificatie De ex-klant of onderhoudsplichtige ontvangt een inlichtingenformulier, waarbij wordt vermeld welke bescheiden (in afschrift) dienen te worden overgelegd. De ex-klant of onderhoudsplichtige dient het formulier volledig in te vullen en te ondertekenen. Indien er twijfel bestaat t.a.v. de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens worden inlichtingen ingewonnen bij de in artikel 64 Pw genoemde instanties, dan wel de instanties waarvoor de betrokkene een machtiging heeft afgegeven middels ondertekening van het formulier. 5.2.9 Rapportage Er wordt gerapporteerd of al dan niet een wijziging in de verplichtingen plaats dient te hebben. Tevens wordt beoordeeld of en in hoeverre aan de opgelegde verplichtingen is voldaan en of hierop juist en tijdig is gereageerd door deze gemeente (aanmaningen, verzoekschrift rechtbank etc.). Bij onderhoudsplichtigen wordt de bijdrage bepaald aan de hand van de zgn. Trema-normen. Bij de overige debiteuren wordt het aflossingsbedrag in beginsel bepaald door het bedrag boven de zogenaamde beslagvrije voet, als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering. De aflossing van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening ten behoeve van duurzame gebruiksgoederen (zogenaamde leenbijstand) vormt hierop een uitzondering. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de beleidsregels bijzondere bijstand. De rapportage mondt uit in een advies omtrent het al dan niet wijzigen van de termijnbedragen, het treffen van incassomaatregelen of het starten van een verzoekschriftenprocedure of rechtbank (verhaal). 5.2.10 - Toetsing - De aangewezen juridisch medewerker toetst vorengenoemde rapportage en bijbehorende bescheiden op volledigheid en recht- en doelmatigheid; - Bij onvolkomenheden of verschil van mening vindt hieromtrent nader overleg plaats met de administratief medewerker, waarna laatstgenoemde een en ander zonodig herstelt; - Indien er omtrent de advisering geen consensus mogelijk is, voegt de juridisch medewerker zijn bevindingen toe aan de rapportage en legt deze voor aan de manager voor definitieve standpuntbepaling inzake de advisering aan het college van burgemeester en wethouders. 5.2.11 - Besluitvorming - Besluitvorming is gemandateerd aan de Juridisch medewerkers; zulks met inachtneming van de terzake gestelde regels/voorschriften; - De besluiten worden maandelijks op een besluitenlijst vermeld, die ter vaststelling en ondertekening aan het college van burgemeester en wethouders wordt voorgelegd. 5.2.12 - Beschikking/verzoekschriften - Bij besluiten naar aanleiding van een debiteurenonderzoek, wordt (indien nodig) door de juridisch medewerkers een beschikking gemaakt; - De verzoekschriften voor de rechtbank of kantonrechter worden eveneens opgesteld door de juridisch medewerkers; - Ondertekening van de beschikking is gemandateerd aan de manager Samenleving, onder overlegging van de bijbehorende bescheiden; - Ondertekening van vorengenoemde verzoekschriften geschiedt door de burgemeester. 5.2.13 - Administratieve verwerking Het besluit en de beschikking worden voor administratieve verwerking overgedragen aan de uitkeringsadministratie. Daarna worden de stukken gescand voor het digitale archief. HOOFDSTUK 6 FRAUDEBEHEERSPLAN EN HANDHAVING De Participatiewet (Pw) bepaalt dat de gemeenteraad een verordening vaststelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand, alsmede van misbruik van de wet. De gemeenteraad heeft deze verordening voor de Pw, Ioaw en Ioaz vastgesteld. Fraudebestrijding zorgt voor een belangrijk deel voor het draagvlak van de sociale zekerheid. Handhaving moet derhalve een belangrijke plaats innemen binnen het beleid van de afdeling Samenleving. Fraudebeleid staat niet op zich, maar hangt voor een groot deel samen met andere beleidsterreinen zoals sociale activering, uitstroombeleid en armoedebestrijding. Bij handhaving gaat het om activiteiten die er zorg voor dragen dat mensen zich spontaan aan de wet- en regelgeving houden. Het gaat erom de spontane nalevingbereidheid van (potentiële) klanten te bevorderen. Het oogmerk is dat deze uit eigen beweging tijdig de volledige en juiste gegevens verstrekt op basis waarvan de sociale dienst het recht op uitkering kan bepalen. De sociale dienst richt zich om dit doel zo veel mogelijk te realiseren, op de navolgende elementen: Voorkoming van fraude (preventie) : 1. Vroegtijdige voorlichting aan klanten en inwoners Hoewel de wet zelf voorschrijft dat iedereen zichzelf van wet- en regelgeving op de hoogte moet stellen, blijkt dat in de praktijk soms heel anders uit te pakken. Klanten zijn lang niet altijd op de hoogte van zowel hun rechten als plichten. Belanghebbenden moeten goed geïnformeerd zijn met betrekking tot de regelgeving van de Pw, Ioaw/Ioaz. Het vroegtijdig informeren van de klant is een belangrijk element. Voorkomen moet worden dat fraude door onwetendheid ontstaat. Mensen kunnen door slecht geïnformeerd te zijn een verkeerd verwachtingspatroon opbouwen. Elke klant moet zoveel en zo vroeg mogelijk geïnformeerd worden over zowel zijn rechten als zijn plichten. Juiste beeldvorming is een noodzakelijke voorwaarde voor spontane nalevingbereidheid. 2. Optimalisering dienstverlening De sociale dienst moet zo min mogelijk organisatorische of procedurele drempels opwerpen, zodat betrokkenen de regelgeving en de controlepraktijk die eruit voortvloeien in zijn aard accepteren. Drempels die onnodig irritaties oproepen verkle