← Nederland

Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ behorend bij Verzamelverordening 2017 (Dongen)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Dongen mensen ondersteunt die een uitkering ontvangen of werk zoeken, met als doel hen te helpen bij het vinden van werk of maatschappelijke participatie. Ze regelen de inzet van voorzieningen en de voorwaarden waaronder deze worden aangeboden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

wet, IOAW, IOAZ en BBZ behorend bij Verzamelverordening 2017Hoofdstuk1:Algemene bepalingen Artikel1:Begripsomschrijvingen In deze beleidsregels gelden de volgende begripsomschrijvingen:

geaccepteerde arbeid: alle werkzaamheden die

maatschappelijk aanvaard zijn, evenals alle vormen van gesubsidieerde arbeid, met uitzondering van arbeid in het kader van de WSW; Arrangement: een door het college samengesteld pakket van één of meerdere voorzieningen, toegesneden op een werkzoekende, dan wel een groep werkzoekenden voor een specifieke functie; Awb: de Algemene wet bestuursrecht; Baangarantie: een overeenkomst tussen een werkgever en een werkzoekende, waarbij is afgesproken dat, bij inzet van een bepaalde voorziening, de werkgever zal overgaan tot het aanbieden van een dienstverband aan de werkzoekende voor wie het college de voorziening inzet; Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; Brutering: het verhogen van de vordering met loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente, die de uitkering verstrekt, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verkenbaar zijn met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen; er is sprake van huur op contractbasis; en er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële (huur)prijs; en het onder te huren deel van de woning is zelfstandig geschikt voor bewoning; en de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het onderhuuradres. Commerciële kamerbewoner: de persoon die een kamer huurt op commerciële basis, en die niet is een bloedverwant in de eerste of tweede graad van de hoofdbewoner en wiens woonsituatie voldoet aan het volgende: Commerciële kostganger: een persoon die op commerciële basis inwoont, en die niet is een bloedverwant in de eerste en tweede graad en tevens bij de verhuurder de maaltijden gebruikt. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende: er is sprake van vergoeding op contractbasis; en er is sprake van een commerciële relatie, wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs; en de woning is geschikt voor inwoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand; en de kostganger staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het onderhuuradres. Commerciële prijs: de huur, exclusief onder andere servicekosten, of vergoeding die hoger is dan de basis huur zoals gebruikt bij de huurtoeslag; Gedeelde verwijtbaarheid: wanneer het verzuim dat verband houdt met de schending van de inlichtingenplicht, deels valt toe te rekenen aan het handelen of het verzuim van het college; Gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, onderdeel b, PW; Hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van woonruimte en die in dezelfde woonruimte hoofdverblijf heeft; Hoogwaardige handhaving: het stelsel van preventieve en repressieve maatregelen gericht op het voorkomen of ontmoedigen van misbruik of oneigenlijk gebruik van de uitkering; Informatiegestuurd handhaven: een onderdeel van risicosturing dat het college kan inzetten door meerdere bestanden te koppelen waardoor het college gerichter kan zoeken naar uitkeringsfraude en risicogevallen; IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Leerplichtige leeftijd: de leeftijd tussen 5 en 16 jaar; Loonwaarde: de economische waarde van het werk dat iemand verricht of kan verrichten, uitgedrukt in geld; Nugger: een niet uitkeringsgerechtigd persoon, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, PW; Onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak; Proeftijd: een bijzonder beding in de arbeidsovereenkomst, zoals geregeld in artikel 6:652 van het Burgerlijk Wetboek. In de arbeidsovereenkomst is het mogelijk een gespecificeerde periode direct na de indiensttreding te beschouwen als proefperiode; PW: de Participatiewet; Referentieniveau: het fundamentele niveau (niveau 1F) taal en rekenen volgens de richtlijnen van de Rijksoverheid; Risicosturing: het gericht inzetten van controlecapaciteit bij het handhavingsbeleid, op basis van risicoprofielen; Scholingsverplichting: de verplichting die voortvloeit uit de uitsluitingsgrond, zoals opgenomen in artikel 13, tweede lid, onderdeel c, PW; Signaalsturing: de werkwijze waarbij het college op grond van signalen een onderzoek doet naar de rechtmatigheid van een uitkering of verstrekking; Startkwalificatie: een afgeronde HAVO-, VWO-, HBO- of WO-opleiding, dan wel een basisberoepsopleiding MBO-2, dat wil zeggen niveau 2 van de kwalificatiestructuur, zoals vastgelegd in de Wet educatie en beroepsonderwijs; Themacontrole: thematisch onderzoek naar groepen cliënten waarbij het vermoeden bestaat op een verhoogd risico van onrechtmatig gedrag; Uitkering: de door het college verleende bijstand op grond van de PW en Bbz, dan wel de inkomensvoorziening op grond van de IOAW of IOAZ; Verzamelverordening: de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017; Wet: de PW, IOAW, IOAZ en Bbz gezamenlijk; Wet taaleis: de wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand, teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse taal toe te voegen aan die wet; Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, PW; als sprake is van bewoning van een huurwoning: de per maand geldende huurprijs, zoals gebruikt voor de huurtoeslag; als sprake is van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. Woonkosten: Woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte, waarin de belanghebbende woont zoals energiekosten en cetera, conform constante jurisprudentie op grond van de wet. Hoofdstuk2:Re-integratie Paragraaf2.1:Uitgangspunten Artikel2:1:Uitgangspunten Het college hanteert de volgende uitgangspunten bij het bepalen van de noodzaak tot het inzetten van een voorziening: het college geeft de meeste aandacht aan belanghebbenden die in potentie kunnen participeren in arbeid; het college biedt enkel een voorziening aan, wanneer de belanghebbende afhankelijk is van deze voorziening in het kader van zijn of haar arbeidsinschakeling. Artikel2:2:Aanbod van voorzieningen 1.Het college kan aan de doelgroep ondersteuning aanbieden op het gebied van re-integratie in de vorm van verschillende voorzieningen. 2. De ondersteuning kan bestaan uit: bemiddeling naar werk; bemiddeling naar maatschappelijke participatie; scholing; werkervaringsplaats; proefplaatsing; beschut werk; persoonlijke ondersteuning of jobcoach; participatieplaats; nazorg; loonkostensubsidie; stimuleringspremie; flex-constructie; werkplekaanpassingen; onkostenvergoeding; vergoeding voor kosten van kinderopvang. 3. Het college gaat bij de inzet van een voorziening uit van de goedkoopst adequate voorziening. 4. Voor jongeren tot 27 jaar geldt op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel c, PW een scholingsplicht. Dit houdt in dat het college: jongeren tot 27 jaar de verplichting oplegt om zich maximaal in te spannen een startkwalificatie te behalen. Als een jongere deze verplichting niet nakomt, heeft dit uitsluiting van de PW en de re-integratievoorzieningen tot gevolg; een jongere tot 27 jaar voor de duur van maximaal 12 maanden kan ontheffen van de verplichtingen zoals genoemd in onderdeel a, als er sprake is van in de persoon gelegen omstandigheden, die conflicterend werken met de mogelijkheid tot het volgen van uit 's rijks kas bekostigd onderwijs; voor een jongere tot 27 jaar tijdens de zoektijd als bedoeld in artikel 41, vierde lid, PW, een voorziening kan inzetten op voorwaarde dat deze voorziening leidt tot een arbeidsovereenkomst, die zonder de inzet van deze voorziening niet tot stand gekomen zou zijn; voor nuggers de bepaling van artikel 3, zesde lid, Verzamelverordening onverkort toepast. Artikel2:3:Instelling budgetplafonds Het college kan jaarlijks voor alle voorzieningen, met uitzondering van loonkostensubsidie, een budgetplafond instellen. Het college kan de hoogte van een budgetplafond tussentijds wijzigen. Artikel2:4:Prioriteiten op het gebied van re-integratie 1.Het college maakt met het oog op de beschikbare middelen in het Participatiebudget een zorgvuldige afweging bij de inzet van voorzieningen 2.Bij de inzet van middelen uit het Participatiebudget hanteert het college de volgende uitgangspunten; Belanghebbende moet een duidelijke motivatie hebben; Belanghebbende die competenties heeft zijn loonwaarde te vergroten, wordt hiertoe door het college gestimuleerd; Belanghebbende van wie is te verwachten dat hij op basis van competenties en capaciteiten kansrijk is op de arbeidsmarkt, wordt zo spoedig mogelijk opgepakt; Bij de inzet van voorzieningen wordt een afweging gemaakt tussen de kosten van de reintegratie voorziening ten opzichte van de kosten van een mogelijke voorliggende voorziening, zowel op de korte als de middellange termijn; 3.Tenzij anders bepaald in deze beleidsregels, zet het college geen middelen uit het Participatiebudget in, ten behoeve van: Belanghebbende die is opgenomen in een inriching, als bedoeld in artikel 1 sub f PW, waaronder begrepen belanghebbende die woont in een zelfstandige wooneenheid op het terrein van een inrichting; Belanghebbende ouder dan 60 jaar Jongere tot 27 jaar, die uit 's rijkskas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen; Een niet-uitkeringsgerechtigde; Artikel2:5:Indeling op de Participatieladder 1.Het college deelt personen, die behoren tot de doelgroep, in op de Participatieladder. 2.De participatieladder onderscheidt zes niveaus: Trede 6: betaald werk; Trede 5: betaald werk met ondersteuning; Trede 4: onbetaald werk; Trede 3: deelname aan georganiseerde activiteiten; Trede 2: sociale contacten buitenshuis; Trede 1: geïsoleerd. 3.Indeling op de Participatieladder vindt plaats bij de aanvang van de uitkering. Het college beoordeelt de indeling op de Participatieladder opnieuw bij periodieke heronderzoeken of zoveel eerder als daartoe aanleiding bestaat. Paragraaf2.2:Voorzieningen ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde Artikel2:6:Bemiddeling naar werk 1.Definitie: het bij elkaar brengen van werkgever en uitkeringsgerechtigde, waarvan het college kan verwachten dat de uitkeringsgerechtigde binnen een jaar kan uitstromen naar reguliere arbeid. Bemiddeling houdt tevens in het stimuleren van het zelf-zoekgedrag van de uitkeringsgerechtigde. 2.Doel: het op een zo kort mogelijke termijn laten uitstromen van de uitkeringsgerechtigde naar

geaccepteerde arbeid. 3.Doelgroep: de belanghebbende die, eventueel met inzet van de in de Verzamelverordening, dan wel deze beleidsregels genoemde voorzieningen, bemiddelbaar is naar

geaccepteerde arbeid. 4.Nadere voorwaarden: de bepaling zoals opgenomen in de Verzamelverordening onder artikel 3, zevende lid, is van toepassing op deze voorziening; het college kan, als dat nodig is, individueel aanvullende verplichtingen opleggen die verband houden met de bemiddeling; om het doel zoals beschreven in het tweede lid te bewerkstellingen kan het college andere voorzieningen zoals genoemd in deze beleidsregels inzetten; de duur van de voorziening is bepaald op maximaal 6 maanden. Het college kan de voorziening steeds met maximaal 6 maanden verlengen, mits geen sprake is van omstandigheden zoals beschreven in artikel 5 van de Verzamelverordening.

  1. Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:7:Bemiddeling naar maatschappelijke participatie
  2. Definitie: het bemiddelen/matchen van een belanghebbende naar een plaats om de maatschappelijke deelname van de belanghebbende te bevorderen.
  3. Doel: het college zet deze vorm van bemiddeling in om de maatschappelijke participatie van een belanghebbende te bevorderen.
  4. Doelgroep: belanghebbenden die vanwege hun individuele situatie (vooralsnog) geen uitzicht hebben op regulier werk.
  5. Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: een plek in het kader van maatschappelijke participatie mag geen belemmering vormen voor het verkrijgen en behouden van arbeid in loondienst; het college laat voor belanghebbenden, ouder dan 27 jaar, een eventuele onkostenvergoeding vrij op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel k van de PW.
  6. Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:8:Scholing
  7. Definitie: elke activiteit in het kader van een gestructureerde leersituatie die is gericht op het ontwikkelen of vergroten van kennis en/of vaardigheden van belanghebbende.
  8. Doel: het bijbrengen van kennis, vaardigheden of het behalen van een startkwalificatie die de arbeidsinschakeling van belanghebbende mogelijk maakt.
  9. Doelgroep: de belanghebbende, bij wie het college of diens (potentiële) werkgever, heeft vastgesteld dat scholing noodzakelijk is, omdat arbeidsinschakeling van belanghebbende vanwege ontbrekende kennis of vaardigheden niet direct mogelijk is.
  10. Nadere voorwaarden: het college biedt de scholing slechts aan als: deze verband houdt met een baangarantie; of de scholing gezien de arbeidsmarktsituatie een significante vergroting vormt van de kans op een baan; of deze deel uitmaakt van een arrangement dat het college heeft gesloten met een werkgever; of het college daartoe op grond van de wet is gehouden. de bepaling zoals opgenomen onder artikel 3, zevende lid, van de Verzamelverordening is op deze voorziening van toepassing; de scholing is beroepsgericht en duurt maximaal één jaar, en het betreft het goedkoopste en meest adequate alternatief; de kosten staan in verhouding met de 'opbrengsten' die gepaard gaan met de beoogde uitkeringsafhankelijkheid van de belanghebbende.
  11. Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:9:Werkervaringsplaats
  12. Definitie: een werkplek bij een werkgever dan wel op een door het college aangewezen plek, waar een uitkeringsgerechtigd, met behoud van uitkering, werkt om een vak te leren en vaardigheden op te doen dan wel op te halen.
  13. Doel: een uitkeringsgerechtigde de kans bieden om met behoud van uitkering op een onbetaalde werkplek zijn of haar arbeidsmarktpositie te versterken, teneinde arbeidsinschakeling mogelijk te maken.
  14. Doelgroep: uitkeringsgerechtigden die vanwege een gebrek aan werkervaring en/of vaardigheden de stap richting de arbeidsmarkt niet kunnen maken.
  15. Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: een BBL- of BOL-opleiding is voorliggend op de werkervaringsplaats; de werkervaringsplaats heeft een maximale duur van 6 maanden; het college kan de maximale duur, zoals genoemd bij onderdeel b, eenmalig met maximaal 6 maanden verlengen als dat - naar alle waarschijnlijkheid - arbeidsinschakeling tot gevolg heeft; de werkzaamheden zijn primair gericht op ontwikkeling en in mindere mate of geheel niet op productieve arbeid; de nadruk ligt op lerend werken in een bovenformatieve functie; de inzet van de werkzoekende beïnvloedt de concurrentieverhoudingen niet op een onverantwoorde wijze; de werkgever dient in staat en bereid te zijn aan de uitkeringsgerechtigde de noodzakelijke begeleiding te bieden; de belanghebbende beschikt over voldoende kennis en werk- en denkniveau om zich het vak of de vaardigheden op korte termijn eigen te maken; er hoeft bij de werkgever geen intentie te bestaan om de uitkeringsgerechtigde in dienst te nemen maar wel om hem het vak te leren; voor aanvang van de werkervaringsplaats tekent zowel de uitkeringsgerechtigde, als de werkgever, als het college een overeenkomst waarin tenminste de duur van de werkervaringsplaats en de aard van de werkzaamheden staan beschreven; de werkgever heeft ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde een aansprakelijkheidsverzekering en een ongevallenverzekering afgesloten.
  16. Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. Artikel2:10:Proefplaatsing
  17. Definitie: een werkplek bij een werkgever, waar een uitkeringsgerechtigde met behoud van uitkering werkt gedurende een vooraf vastgestelde periode, voorafgaand aan het starten van arbeid in dienstbetrekking of voorafgaand aan een formele detacheringsperiode bij diezelfde werkgever.
  18. Doel: een uitkeringsgerechtigde de kans te bieden om met behoud van uitkering op een onbetaalde werkplek zijn of haar arbeidsbekwaamheid te tonen, zodat bij diezelfde werkgever vervolgens instroom in regulier betaald werk kan plaatsvinden.
  19. Doelgroep: uitkeringsgerechtigden, aan wie een werkgever voornemens is een dienstverband aan te bieden, maar bij wie de werkgever twijfels heeft over de geschiktheid voor een specifieke functie.
  20. Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: de duur van de proefplaats regulier is maximaal twee maanden, het college kan deze eenmalig met 1 maand verlengen; de werkzaamheden hoeven niet additioneel van aard te zijn; in aanmerking komen werkgevers in zowel de collectieve sector als in de marktsector; de werkgever heeft naar het oordeel van het college de serieuze intentie de uitkeringsgerechtigde bij goed functioneren na afloop van de proefplaats een regulier arbeidscontract van minimaal zes maanden met een minimale omvang van hetzelfde aantal uren als gedurende de proefplaatsing van toepassing was; voor aanvang van de proefplaatsing tekent zowel de uitkeringsgerechtigde als de werkgever een overeenkomst, waarin tenminste de duur van de proefplaats en de aard van de werkzaamheden staan beschreven; de werkgever heeft ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde een aansprakelijkheidsverzekering en een ongevallenverzekering afgesloten.
  21. Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. Artikel2:11:Beschut werk
  22. Definitie: een werkplek die het college organiseert voor mensen die door lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen een zodanige mate van ondersteuning nodig hebben dat men van reguliere werkgevers niet kan verwachten dat zij deze mensen in dienst nemen, behalve met inzet van extra instrumenten uit deze beleidsregels.
  23. Doel: het optimaal benutten van de aanwezige loonwaarde van mensen en deze doelgroep arbeidsfit houden door in te zetten op arbeidsontwikkeling, waarbij het streven is om mensen met beperkingen de kans te geven zich te blijven ontwikkelen.
  24. Doelgroep: werkzoekenden voor wie een indicatie beschut werk is afgegeven.
  25. Nadere voorwaarden: het college benut de maximale mogelijkheden die de Wet Werk en Zekerheid biedt; van toepassing is de CAO van de branche waar belanghebbende het beschut werk verricht, voor zover aanwezig. Is dat niet het geval, dan geldt in ieder geval het wettelijk minimumloon; voor de doelgroep kan het college loonkostensubsidie inzetten; het college monitort de ontwikkeling van de loonwaarde en herbeoordeelt deze in overleg met de werkgever en de werknemer, waarbij het college in beginsel uitgaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van de werknemer.
  26. Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing; onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt; onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening eindigt de voorziening op het moment dat de financiering vanuit de rijksoverheid wijzigt. Artikel2:12:Persoonlijke ondersteuning of jobcoach
  27. Definitie: een voorziening in persoonlijke ondersteuning, waarbij een jobcoach op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer, met beperkingen het verrichten van zijn taken, (systematisch) ondersteunt.
  28. Doel: de activiteiten en handelingen die de jobcoach verricht, zijn erop gericht belanghebbende zelfstandig zijn werkzaamheden uit te kunnen laten voeren, dan wel de werkgever de begeleiding van belanghebbende op zich te kunnen laten nemen.
  29. Doelgroep: een persoon zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, dan wel artikel 10da van de PW, die

geaccepteerde arbeid - waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid - verricht of gaat verrichten, dan wel met behoud van uitkering arbeid bij een werkgever verricht of gaat verrichten, die naar het oordeel van het college zodanige structurele functionele beperkingen heeft richting werk, waardoor hij deze werkzaamheden zonder deze ondersteuning niet kan verrichten.

  1. Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: het college zet de voorziening in beginsel in voor maximaal 3 jaar in hetzelfde dienstverband; het college beoordeelt minimaal eenmaal per jaar of de inzet van de jobcoach nog (in gelijke omvang) noodzakelijk is en of er gronden voor beëindiging aanwezig zijn; de duur van de dienstbetrekking is ten minste 6 maanden; belanghebbende werkt in dienstbetrekking of verricht activiteiten in het kader van een traject voor tenminste 12 uur per week; deze voorziening is ook inzetbaar voor personen zoals bedoeld in artikel 10f van de PW die een leerwerktraject volgen; de bepaling zoals opgenomen in artikel 3, zevende lid van de Verzamelverordening is van toepassing op deze voorziening.
  2. Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. Artikel2:13:Participatieplaats
  3. Definitie: plaatsen waarbij personen tijdelijke, onbeloonde en additionele werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 10a PW, die uitkeringsgerechtigden, die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt, met behoud van uitkering kunnen verrichten.
  4. Doel: het activeren van de uitkeringsgerechtigde staat bij een participatieplaats centraal. De participatieplaats heeft geen directe arbeidstoeleiding tot doel.
  5. Doelgroep: uitkeringsgerechtigden met geringe kans op de arbeidsmarkt, die vooralsnog niet direct bemiddelbaar zijn naar regulier werk.
  6. Nadere voorwaarden: in artikel 10a van de PW en artikel 6 van de Verzamelverordening zijn de voorwaarden van de participatieplaats opgenomen; voor aanvang van de participatieplaats tekent zowel de uitkeringsgerechtigde, de werkgever als het college een overeenkomst, waarin tenminste de duur van de participatieplaats en de aard van de werkzaamheden staan beschreven; na 6 maanden beziet het college of voortzetting van de participatieplaats zinvol is; het college kan in verband met de participatieplaats de volgende voorzieningen inzetten: begeleidingskosten ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde aan de werkgever; scholing ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde, zoals opgenomen in artikel 10a, vijfde lid, van de PW, waarbij het college toetst aan de criteria zoals in dat lid zijn opgenomen; een premie voor de belanghebbende zoals bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de PW. De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, PW.
  7. Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. Artikel2:14:Nazorg
  8. Definitie: ondersteuning die in het individuele geval bijdraagt aan het voortduren van de arbeidsinschakeling. De mate van intensiviteit van de nazorg stemt het college af op de individuele situatie van de werknemer. Vaak bestaat nazorg uit het contact opnemen met zowel de werkgever als de werknemer, nadat de werknemers is gestart met de werkzaamheden om de voortgang te bespreken.
  9. Doel: duurzame arbeidsinschakeling van een persoon die met behulp van een in deze beleidsregels genoemde voorziening is gestart met werkzaamheden bij een werkgever.
  10. Doelgroep: zowel de persoon die door of met de inzet van een andere voorziening zoals genoemd in deze beleidsregels is gestart op een werkplek, als de werkgever van deze persoon.
  11. Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: de duur van nazorg is in beginsel maximaal 6 maanden; deze voorziening kent het college niet expliciet aan een belanghebbende toe, maar geldt, als dit noodzakelijks is, als vervolg op een eerder ingezette voorziening die tot werkaanvaarding heeft geleid; de bepaling zoals opgenomen in artikel 3, zevende lid, van de Verzamelverordening is van toepassing op deze voorziening.
  12. Gronden voor beëindiging: het gesteld in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Paragraaf2.3:Voorzieningen ten behoeve van een werkgever Artikel2:15:Loonkostensubsidie
  13. Definitie: een financiële compensatie ten behoeve van een werkgever, die een persoon, behorend tot de doelgroep loonkostensubsidie, in dienst neemt. In geval van detachering van een persoon uit de doelgroep treedt de gecontracteerde uitvoerder als werkgever op.
  14. Doel: het bewerkstelligen van arbeidsinschakeling voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie en het compenseren van de werkgever voor de verminderde loonwaarde.
  15. Doelgroep: de (potentiële) werkgever van een persoon, van wie het college heeft vastgesteld dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, en die - met inzet van loonkostensubsidie - in dienst kan treden bij de werkgever, dan wel een al werkende persoon die in de periode van zes maanden voorafgaande aan de dienstbetrekking deelnam aan VSO-, PrO-, of Entree onderwijs.
  16. Nadere voorwaarden en duur: het college ziet bij de inzet van loonkostensubsidie af van de toepassing van artikel 3, vijfde lid, Verzamelverordening; het college kan de werknemer onbeloonde werkzaamheden bij de werkgever laten verrichten, met het oog op een reële vaststelling van de loonwaarde. De werknemer verricht werkzaamheden die behoren tot de functie die hij gaat uitvoeren; de duur van de proefplaatsing, zoals bedoeld onder b, bedraagt drie maanden, te verlengen met maximaal drie maanden; het college stelt de loonwaarde vast aan de hand van de regionaal overeengekomen gevalideerde methodiek Dariuz, tijdens de periode van de proefplaatsing. De definitieve bepaling van de loonwaarde vindt plaats op de werkplek; het college monitort de ontwikkeling van de loonwaarde en herbeoordeelt deze in overleg met de werkgever en de werknemer, doch minimaal eenmaal per vijf jaar. Hierbij is het uitgangspunt dat de loonwaarde gemiddeld elke drie jaar wordt uitgevoerd en in de beginfase frequenter, wanneer daar aanleiding toe is; in overleg met de werkgever kan het college bepalen dat de vaststelling van de loonwaarde van de werknemer achterwege kan blijven en de dienstbetrekking tot stand komt met toepassing van een forfaitaire loonwaarde van 50%. Over het tijdvak na die forfaitaire periode stelt het college de loonwaarde vast en verleent het college loonkostensubsidie met inachtneming van artikel 10d, vierde lid, PW; de vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen; na afloop van de proefplaats krijgt de werknemer, als er tijdens de proefplaats geen onregelmatigheden zijn opgetreden, een dienstverband aangeboden; de werkgever is verplicht alle wijzigingen die relevant kunnen zijn voor de subsidie (waaronder wijzigingen in naam, adres of rekeningnummer) te melden aan het college binnen twee weken nadat deze wijziging zich heeft voorgedaan; de inzet van het instrument loonkostensubsidie mag de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord beïnvloeden.
  17. Gronden voor beëindiging: onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening, eindigt de voorziening op het moment dat de persoon niet meer behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Artikel2:16:Stimuleringspremie
  18. Definitie: een bedrag dat het college eenmalig kan toekennen aan de werkgever, om deze te stimuleren een persoon, behorend tot de doelgroep van de PW, met een belemmering richting werk een regulier dienstverband aan te bieden en deze te compenseren in de opstartkosten.
  19. Doel: het stimuleren van werkgevers om een persoon, behorend tot de doelgroep van de PW, met belemmeringen richting werk een regulier dienstverband aan te bieden.
  20. Doelgroep: de werkgever die een persoon, behorend tot de doelgroep van de PW, met belemmeringen richting werk een dienstbetrekking aanbiedt.
  21. Nadere voorwaarden en duur van de voorziening: het college beoordeelt de noodzaak tot het toekennen van de premie nadat de werving heeft plaatsgevonden; de noodzaak tot het verstrekken van de premie vervalt als de werknemer de proeftijd niet succesvol doorloopt; het college verstrekt de premie niet eerder dan de dag dat de proeftijd doorlopen is, na indiening van de eerste loonstrook en de arbeidsovereenkomst; de werkgever heeft de intentie om het contract bij goed functioneren te verlengen; de arbeidsovereenkomst heeft een omvang van minimaal 18 uur per week; de premie bedraagt voor mensen van 27 jaar en ouder maximaal € 5.000,00 voor een periode van 1 jaar op basis van een dienstverband van minimaal 32 uur per week. In geval van een overeenkomst met een looptijd van 6 maanden bedraagt de premie maximaal € 2.500,00; de premie bedraagt maximaal € 2.700,00 voor een periode van 1 jaar voor mensen tot 27 jaar op basis van een dienstverband van minimaal 32 uur per week. In geval van een overeenkomst met een looptijd van 6 maanden bedraagt de premie maximaal € 1.350,00; het college verlaagt de premie naar rato bij een dienstverband van een lager aantal uren; het college keert de premie maandelijks uit na ontvangst van de loonstrook; de werkgever ontvangt of ontving geen tegemoetkoming in de loonkosten voor de betreffende werknemer; bij het beoordelen van de noodzaak weegt het college ook mee de eventuele andere voorzieningen die reeds zijn ingezet, om een stapeling van voorzieningen te voorkomen; de stimuleringspremie is wel te combineren met een vergoeding voor de kosten van scholing als dat leidt tot arbeidsinschakeling; een werkgever kan slechts eenmaal in aanmerking komen voor een stimuleringspremie voor dezelfde werknemer.
  22. Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:17:Werkplekaanpassingen
  23. Definitie: aanpassingen op of rond de werkplek, bedoeld om belemmeringen weg te nemen, waardoor de werknemer met een structurele functionele beperking zijn werk kan uitvoeren.
  24. Doel: het door middel van inzet van een werkplekaanpassing wegnemen van belemmeringen die een werknemer met een structurele functionele beperking heeft om op de werkplek te kunnen functioneren.
  25. Doelgroep: de werkgever die een persoon met een structurele functionele beperking in dienst heeft dan wel in dienst wil nemen, voor wie inzet van een werkplekaanpassing noodzakelijk is om de betreffende functie uit te kunnen voeren.
  26. Nadere voorwaarden: als er recht bestaat op een voorliggende voorziening, zoals verstrekking door het UVW, dan wel vergoeding door de zorgverzekeraar, dan dient de werkgever daarop een beroep te doen; de structurele functionele beperking waarvoor de werkgever de voorziening aanvraagt heeft naar verwachting een duur van tenminste een jaar; als het college tot toekenning overgaat, dan kiest zij daarbij voor de goedkoopst adequate voorziening; om de noodzaak van een bepaalde werkplekaanpassing vast te stellen, kan het college een medisch- dan wel arbeidsdeskundig advies inwinnen; er vindt in beginsel geen vergoeding plaats wanneer de voorziening reeds is aangeschaft op het moment dat het college een aanvraag voor de voorziening ontvangt; er dient sprake te zijn van een contractduur van minimaal zes maanden; het college vergoed geen zaken die

gebruikelijk zijn of die tot de standaarduitrusting van het bedrijf behoren; het college hanteert een drempelbedrag van € 130,00; als de waarde van het bedrijfspand stijgt door de aanpassing van het pand, dan kan het college een bedrijfseconomische toets laten uitvoeren en als gevolg daarvan de vergoeding lager vaststellen. de kosten staan in verhouding met de ‘opbrengsten’ die gepaard gaan met de beoogde uitkeringsafhankelijkheid van de belanghebbende.

  1. Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Paragraaf2.4:Overige voorzieningen Artikel2:18:Onkostenvergoeding
  2. Definitie: een vergoeding voor noodzakelijke kosten, die de belanghebbende maakt in het kader van een re-integratietraject, waaronder begrepen een inburgeringstraject, of in verband met arbeidsinschakeling.
  3. Doel: het wegnemen van financiële belemmeringen met betrekking tot het aanvaarden van arbeid, dan wel het deelnemen aan een re-integratievoorziening.
  4. Doelgroep: de belanghebbende die in verband met de arbeidsinschakeling of een re-integratievoorziening dan wel een inburgeringstraject, noodzakelijke kosten moet maken, welke niet anderszins voor vergoeding in aanmerking komen.
  5. Nadere voorwaarden: de kosten dienen verband te houden met de arbeidsinschakeling dan wel het deelnemen aan een re-integratievoorziening; het college beoordeelt de noodzakelijkheid van de te maken kosten; er is geen voorliggende voorziening voor de kosten, zoals een vergoeding door de werkgever; als het reiskosten betreft, zijn deze in beginsel pas noodzakelijk als de enkele reisafstand per fiets 10 kilometer of meer is. Bij een reisafstand van minder dan 10 kilometer enkele reis gelden de volgende aanvullende voorwaarden: belanghebbende heeft nooit leren fietsen; het college kent de reiskostenvergoeding toe voor een periode van maximaal zes maanden; belanghebbende krijgt de nadere verplichting opgelegd om te leren fietsen, tenzij hij door middel van een verklaring van een medisch specialist aantoont om medische redenen niet te kunnen fietsen. als belanghebbende met het openbaar vervoer reist, berekent het college de vergoeding op basis van kosten openbaar vervoer tweede klasse; als belanghebbende met eigen vervoer reist, dan bedraagt de vergoeding € 0,19 per kilometer; de onkosten waarvoor belanghebbende een vergoeding vraagt, dienen aantoonbaar en verifieerbaar te zijn; als de kosten noodzakelijk zijn, kan het college de kosten vooraf, na overleggen van een pro-forma nota, vergoeden; de onkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking als het inkomen van belanghebbende hoger is dan 120% van de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm;. Gronden voor beëindiging: het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening is onverkort van toepassing. Artikel2:19:Kosten voor kinderopvang
  6. Definitie: de kosten die belanghebbende maakt voor de opvang van één of meer ten laste komende kinderen tot maximaal 12 jaar, waarvoor geen recht op vergoeding bestaat vanuit de Wet kinderopvang.
  7. Doel: het wegnemen van belemmeringen voor inschakeling in het arbeidsproces, dan wel re-integratie, als gevolg van het ontbreken van passende opvang voor een of meer ten laste komende kinderen.
  8. Doelgroep: ouders met ten laste komende kinderen tot 12 jaar, die een re-integratie- of inburgeringstraject volgen.
  9. Nadere voorwaarden: belanghebbende ontvangt een uitkering op grond van de PW, IOAW of IOAZ; belanghebbende volgt een re-integratietraject of een inburgeringstraject, zoals bedoeld in de Wet Inburgering; belanghebbende heeft parttime werk en voldoet aan de overige voorwaarden zoals neergelegd in de beleidsregels kinderopvang.
  10. Gronden voor beëindiging: onverminderd hetgeen gesteld is in artikel 5 van de Verzamelverordening eindigt de voorziening als het jongste kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, of wanneer het kind niet langer ten laste komend is. Paragraaf2.5:Individuele studietoeslag Artikel2:20:Individuele studietoeslag
  11. In aanmerking voor de studietoeslag komen personen met een arbeidsbeperking, die naar verwachting niet in staat zijn om zelfstandig het wettelijk minimumloon te verdienen.
  12. Het college beoordeelt of een persoon voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het eerste lid.
  13. De belanghebbende overlegt bij de aanvraag bewijsstukken waarmee hij de voorwaarde zoals beschreven in het eerste lid kan aantonen.
  14. Als belanghebbende de gegevens zoals bedoeld in het derde lid niet kan aanleveren, dan wel de ingediende bewijsstukken niet toereikend zijn om een beoordeling te kunnen maken, zal het college een arbeidsdeskundig advies inwinnen. Paragraaf2.6:Tegenprestatie Artikel2:21Afzien van het opdragen van een tegenprestatie
  15. Het college ziet af van het opdragen van een tegenprestatie als belanghebbende voldoende maatschappelijk nuttige activiteiten verricht.
  16. Onder 'voldoende maatschappelijk nuttige activiteiten', zoals bedoeld in het eerste lid, verstaat het college in ieder geval: voor tenminste 80 uur op jaarbasis vrijwilligerswerk verrichten, waarvoor het college toestemming heeft verleend; deelnemen aan activiteiten in het kader van een re-integratietraject; een traject volgen in het kader van hulpverlening; zorgtaken verrichten als mantelzorger voor tenminste tien uur per week; arbeid in dienstbetrekking verrichten voor tenminste tien uur per week; voldoende solliciteren en anderszins voldoen aan de arbeidsverplichtingen.
  17. Wanneer één van de omstandigheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c of d zich voordoet, moet belanghebbende hiervan bewijsstukken overleggen.
  18. Het college kan een onafhankelijk advies inwinnen om te beoordelen of er redenen zijn af te zien van het opdragen van een tegenprestatie. Artikel2:22:Activiteiten zoeken
  19. Belanghebbende gaat, voordat het college hem een tegenprestatie opdraagt, gedurende maximaal één maand zelf op zoek naar onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die hij kan gaan verrichten. Het college kan, op basis van bijzondere omstandigheden, deze termijn met een maand verlengen.
  20. Als belanghebbende zelf onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten heeft gevonden, meldt hij dit bij het college. Het college beoordeelt of de door de belanghebbende gevonden activiteiten voldoen aan de criteria zoals genoemd in artikel 2:23 van deze beleidsregels.
  21. Als de belanghebbende na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, geen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten heeft gevonden, dan draagt het college een tegenprestatie op.
  22. Belanghebbende stelt, samen met de organisatie waarvoor hij activiteiten gaat verrichten, een overeenkomst op. In deze overeenkomst is in ieder geval vastgelegd: waaruit de activiteiten bestaan; voor hoeveel uren per week belanghebbende de activiteiten gaat uitvoeren; gedurende hoeveel weken of maanden belanghebbende de activiteiten gaat uitvoeren; of de organisatie een vergoeding toekent voor het verrichten van de activiteiten, alsmede de hoogte van de eventuele vergoeding.
  23. Het college voegt de overeenkomst, zoals bedoeld in het vierde lid, toe aan een beschikking. De overeenkomst maakt integraal onderdeel uit van de beschikking.
  24. Als belanghebbende, na het verrichten van de tegenprestatie, doorgaat met het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, legt het college dit vast in een beschikking. Artikel2:23:Voorwaarden activiteiten
  25. Het college verstrekt geen onkostenvergoeding voor de activiteiten.
  26. Als voor het verrichten van de activiteiten een verklaring omtrent het gedrag nodig is, vergoedt het college de kosten die aan de verkrijging van een dergelijke verklaring verbonden zijn. Hoofdstuk3:Verplichtingen Paragraaf3.1:Verplichtingen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling Artikel3:1:Het traject "Poort"
  27. Aan iedere belanghebbende die zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering wordt de voorziening traject "Poort" aangeboden. Gedurende dit traject wordt op een laagdrempelige wijze, samen met belanghebbende, onderzoek gedaan naar diens arbeidsmogelijkheden. Tevens wordt belanghebbende ondersteund in zijn zelf-zoek gedrag naar werk of onderzoek naar mogelijkheden tot scholing, of anderszins;
  28. Het college beoordeelt altijd of het traject "Poort" voor belanghebbende een passend traject is en levert hierbij maatwerk. Hierbij wordt rekening gehouden met dan bekend zijnde arbeids- en persoonlijke omstandigheden van een belanghebbende.
  29. Als het traject "Poort" voor belanghebbende geacht wordt passend te zijn, is belanghebbende verplicht zicht te houden aan de hierbij geldende afspraken;
  30. Aan belanghebbende wordt concreet kenbaar gemaakt waaruit het traject "Poort" bestaat, waarom deze voorziening is aangewezen gelet op de individuele feiten en omstandigheden, en welk tijdpad wordt gevolgd. Artikel3:2:Plan van Aanpak
  31. Het college stelt met iedere belanghebbende een Plan van Aanpak op.
  32. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een screenings- en diagnoseproces. Het Plan van Aanpak wordt afgestemd op de individuele omstandigheden van belanghebbende.
  33. In het Plan van Aanpak, zoals bedoeld in artikel 44a PW is in ieder geval opgenomen: de uitwerking van de ondersteuning, voor zover van toepassing; de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen. Artikel3:3:Uitsluiting op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, PW
  34. Geen recht op bijstand heeft een persoon, jonger dan 27 jaar, uit wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 PW niet wil nakomen.
  35. Hieronder verstaat het college in ieder geval: belanghebbende verricht geen sollicitaties tijdens de inspanningsperiode óf verricht geen sollicitaties gedurende de periode van één maand als het een lopende uitkering betreft; belanghebbende verschijnt meer dan één keer binnen een maand zonder afmelding niet op een afspraak, in het kader van een verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, of artikel 55 PW; belanghebbende is niet bereid een tegenprestatie naar vermogen te verrichten; belanghebbende is niet bereid deel te nemen aan een re-integratietraject;
  36. Als de jongere is vrijgesteld van één van de verplichtingen zoals beschreven onder het eerste lid, dan leidt het niet voldoen vanzelfsprekend niet tot toepassing van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, PW. Artikel3:4:Uitgangspunten scholingsverplichting
  37. Alle jongeren tot 27 jaar kunnen terug naar school, tenzij het college terugkeer naar school redelijkerwijs niet van een jongere kan verwachten.
  38. Het college kan terugkeer naar school redelijkerwijs niet van een jongere verwachten als: het een jongere betreft met een toereikende startkwalificatie met voldoende arbeidsmarktperspectief; het studieadvies uitwijst dat het voor de jongere niet haalbaar is om terug te gaan naar school; er in de individuele situatie van de jongere zeer bijzondere omstandigheden bestaan die een reële belemmering vormen om terug te gaan naar school.
  39. Een jongere kan pas terug naar school vanaf het moment dat de opleidingen ook daadwerkelijk starten.
  40. Het college leidt een jongere, die geen startkwalificatie heeft en wel het vermogen heeft om deze te halen, in beginsel niet terug naar school als deze jongere geen recht heeft op studiefinanciering. Artikel3:5:Informatieplicht jongere met betrekking tot scholing
  41. De jongere die aangeeft niet terug naar school te kunnen, dient met bewijsstukken aan te tonen dat het volgen van een uit 's rijkskas bekostigde opleiding niet mogelijk is.
  42. Als de jongere de benodigde bewijsstukken, zoals bedoeld in het eerste lid, niet kan overleggen en dit niet verwijtbaar is, dan kan het kan het college indien nodig een medisch of arbeidsdeskundig advies inwinnen in verband met de belemmeringen van de jongere. Paragraaf3.1.2:Ontheffingen, zorgtaken en vrijlating van inkomsten Artikel3:6:Verlenen van ontheffing wegens dringende redenen
  43. Het college ontheft een uitkeringsgerechtigde slechts van een of meer verplichtingen zoals genoemd in artikel 9, eerste lid sub a en/of c, PW, artikel 37, eerste lid, IOAW en artikel 37, eerste lid, IOAZ, wanneer hiervoor dringende redenen aanwezig zijn.
  44. Het college ontheft een uitkeringsgerechtigde van de verplichtingen over de periode waarover de belemmering zich voordoet, doch maximaal voor de periode van 1 jaar.
  45. Na de periode van maximaal 1 jaar vindt een herbeoordeling plaats, die in het geval van ongewijzigde omstandigheden administratief kan worden afgehandeld.
  46. Dringende redenen zoals bedoeld in het eerste lid kunnen voortkomen uit zorgtaken, psychische en medische belemmeringen.
  47. Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om, naar vermogen, de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen. Artikel3:7:Ontheffing wegens lichamelijke of psychische belemmering
  48. Als belanghebbende vanwege lichamelijke of psychische belemmering niet aan de verplichtingen kan voldoen, kan het college hem (gedeeltelijke) ontheffing verlenen.
  49. Het college ontheft belanghebbende alleen van die specifieke verplichting, waaraan hij vanwege zijn belemmering niet kan voldoen. Lichamelijke of psychische belemmeringen sluiten deelname aan het arbeidsproces vaak niet volledig uit.
  50. Bij het afstemmen van de plicht tot arbeidsinschakeling op de individuele omstandigheden van belanghebbende, kan het college een advies van een arbeids- dan wel medisch deskundige inwinnen.
  51. Als het college uit reeds beschikbare (recente) medische gegevens objectief kan vaststellen dat zij een ontheffing al dan niet kan verlenen, dan is een medisch onderzoek overbodig.
  52. Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om, naar vermogen, de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen. Artikel3:8:Ontheffing wegens intensieve zorgtaken
  53. Het college kan zorgtaken, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, PW, en artikel 37a, eerste lid, IOAW en artikel 37a, eerste lid, IOAZ in bepaalde gevallen als dringende redenen aanmerken op grond waarvan het college een ontheffing kan verlenen.
  54. De zorgtaak die het college aanmerkt als dringende reden moet voldoen aan de volgende voorwaarden: de betreffende zorgtaak is niet te combineren met de verplichting tot arbeidsinschakeling; belanghebbende kan voor de zorgtaak geen of slechts een gedeeltelijk een beroep doen op een voorliggende voorziening; het betreft bijzondere zorg voor een zieke of anderszins hulpbehoevende bloed- of aanverwant, en dus niet de reguliere opvoeding of zorg; het college stelt de duur van de ontheffing vast conform hetgeen gesteld in art. 9 en 9a PW, dan wel zoveel korter als dat belanghebbende de zorgtaak verleent.
  55. Wanneer het college bij het aanbieden van een voorziening rekening kan houden met de betreffende zorgtaken, beoordeelt het college de zorgtaken voor dat gedeelte als niet dringend. Artikel3:9:Rekening houden met bepaalde zorgtaken
  56. Bij de invulling van de arbeidsverplichtingen houdt het college rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg.
  57. Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met volgende zorgtaken: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en de noodzaak van het verrichten van mantelzorg.
  58. Wanneer het college rekening houdt met de zorgtaak, dan richt het college een voorziening, met name qua tijdsindeling, zodanig in dat belanghebbende deze naast de zorgtaak uitvoeren. Artikel3:10:Ontheffing alleenstaande ouders
  59. Het college kan op verzoek een alleenstaande ouder met een zorgtaak voor een kind, jonger dan vijf jaar, op verzoek van belanghebbende eenmalig een ontheffing verlenen van de volgende verplichtingen: de arbeidsplicht; inschrijving als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf; de tegenprestatie.
  60. De re-integratieplicht en de scholingsverplichting blijven van kracht.
  61. De periode van vijf jaar hoeft geen aaneengesloten periode te zijn. Het college kan de periode tussentijds opschorten in de volgende gevallen: van rechtswege met ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt; van rechtswege indien er niet langer recht bestaat op bijstand; op verzoek van de belanghebbende.
  62. Het college stelt binnen zes maanden na het verzoek tot ontheffing door de alleenstaande ouder een Plan van Aanpak op, zoals bedoeld in artikel 9a, zevende lid, PW of artikel 38, zevende lid, IOAW of IOAZ.
  63. Na de periode van maximaal twaalf maanden vindt er een herbeoordeling plaats naar de in het Plan van Aanpak opgenomen voorziening en de naleving hiervan door de alleenstaande ouder.
  64. Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting voor belanghebbende om, naar vermogen, de omstandigheden die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen. Paragraaf3.1.3:Vrijlating van inkomsten Artikel3:11:Toepassing vrijlating inkomsten
  65. Het college verstaat onder inkomstenvrijlating de vrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, PW, artikel 8, tweede lid, IOAW en artikel 8, tweede lid, IOAZ.
  66. Het doel van de inkomstenvrijlating is belanghebbende te stimuleren meer uren te gaan werken, waardoor hij geheel of gedeeltelijk onafhankelijk van de uitkering zal zijn.
  67. Het college past de inkomstenvrijlating toe bij belanghebbende die regulier werk heeft aanvaard, maar nog niet (volledig) onafhankelijkis van de uitkering.
  68. Voor de toepassing van de inkomstenvrijlating gelden de volgende voorwaarden: belanghebbende is ouder dan 27 jaar, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd; belanghebbende zet zich gemotiveerd in om het aantal te werken uren per week uit te breiden met als doel zo veel mogelijk onafhankelijk te zijn van de uitkering; de consulent bepaalt, in overleg met belanghebbende, de periode waarin het college de inkomstenvrijlating toepast. Paragraaf3.2:Verplichtingen gericht op de rechtmatigheid Artikel3:12:Bewijsstukken
  69. Een belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het overleggen van zijn of haar gegevens.
  70. Wanneer deze gegevens niet meer in het bezit zijn, moet belanghebbende zorgen voor vervangende exemplaren.
  71. Als een belanghebbende geen vervangende exemplaren kan overleggen, beoordeelt het college of dat verwijtbaar is.
  72. Als het niet kunnen overleggen van gegevens niet verwijtbaar is, beoordeelt het college de aanvraag aan de hand van de wel aanwezige gegevens.
  73. In het kader van de Wet eenmalige uitvraag vraagt het college geen gegevens bij belanghebbende op, die ook vanuit de eigen systemen (real time) inzichtelijk zijn.
  74. Belanghebbende is op grond van artikel 17, eerste lid, PW, wel gehouden de gegevens zoals bedoeld in het vijfde lid, onverwijld en uit eigen beweging te verstrekken. Artikel3:13:Bankafschriften
  75. Bij onderzoeken naar de rechtmatigheid vraagt het college in bankafschriften op, in beginsel betreffende de laatste drie maanden.
  76. Het college kan bankafschriften opvragen over een langere periode dan drie maanden, wanneer dit nodig is om het recht op uitkering te beoordelen.
  77. Het college accepteert deels onleesbaar gemaakte bankafschriften, tenzij de onleesbaar gemaakte gegevens noodzakelijk zijn voor het de beoordeling van het recht op bijstand. Artikel3:14:Vaststelling van het vermogen
  78. Het college stelt bij aanvang van de bijstandsverlening het vermogen vast, conform het bepaalde in artikel 34, eerste en tweede lid, PW.
  79. Bij de bepaling van het vermogen laat het college de volgende zaken in ieder geval buiten beschouwing: auto's die ouder zijn dan 10 jaar, tenzij het een auto betreft met een bijzondere dagwaarde; aanhangers en caravans die ouder zijn dan 10 jaar; brom- en snorfietsen, niet zijnde brom- of snorscooters; brom- en snorscooters die ouder zijn dan 5 jaar; brommobielen die ouder zijn dan 5 jaar. Artikel3:15:Ingangsdatum en terugwerkende kracht
  80. Voor wat betreft de ingangsdatum van zowel de algemene bijstand als de bijzondere bijstand, als de uitkering op grond van de IOAW of IOAZ hanteert het college de hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 44, eerste lid, PW, respectievelijk artikel 16a, eerste lid, IOAW of IOAZ.
  81. Bij het toekennen van algemene bijstand, dan wel een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ is afwijking van het bepaalde in het eerste lid slechts mogelijk als: belanghebbende een aanvraag heeft ingediend voor een voorliggende voorziening, en deze is afgewezen, waarna de belanghebbende een bijstandsuitkering of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ aanvraagt; er sprake is van zeer dringende redenen. Artikel3:16:Heronderzoeken
  82. Het college voert heronderzoeken naar de rechtmatigheid van de uitkering uit volgens het bepaalde in het Beleidsplan handhaving
  83. Voor de bepaling van de frequentie waarin heronderzoeken moeten worden uitgevoerd, maakt het college gebruik van risicoprofielen. De frequentie van de heronderzoeken is afhankelijk van het voor de klant geldende risicoprofiel. Artikel3:17:Informatieverstrekking tijdens de uitkering
  84. Belanghebbende dient informatie, die relevant kan zijn voor het recht op uitkering in principe te verstrekken binnen vijf werkdagen gerekend vanaf het moment waarop het relevante feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan.
  85. Belanghebbende dient de informatie te verstrekken via het "wijzigingsformulier", dan wel per mail of telefonisch bij de consulent WIZ.
  86. Belanghebbende verstrekt gegevens over zijn inkomsten door het inleveren van een inkomstenformulier, voorzien van bewijsstuk(ken) omtrent de hoogte van de inkomsten. Paragraaf3.3:Beëindigingsonderzoek Artikel3:18:Beëindigingsonderzoek
  87. Het college rondt beëindigingsonderzoeken in beginsel af binnen 3 maanden na de datum van intrekking dan wel beëindiging van de uitkering.
  88. Door middel van een beëindigingsonderzoek zal het college een besluit nemen over de afwikkeling van eventueel openstaande wederzijdse verplichtingen tussen de gemeenten en belanghebbende, waaronder: openstaande verplichtingen van de gemeente jegens de klant. Dit betreft nog lopende trajecten en nog openstaande financiële rechten; openstaande verplichtingen van de klant jegens de gemeente. Dit betreft te verstrekken inlichtingen, in te leveren gegevens, openstaande vorderingen en dergelijke; openstaande verplichtingen van een onderhoudsplichtige jegens de gemeente.
  89. Als belanghebbende een nieuwe aanvraag indient wanneer het beëindigingsonderzoek nog niet is afgerond, dan: neemt het college het beëindigingsonderzoek mee in het aanvraagproces in geval van een toekenning van een nieuwe aanvraag; werkt het college het beëindigingsonderzoek verder af, bij een afwijzing dan wel een buiten behandeling stelling van de aanvraag. Hoofdstuk4:Maatregelen en bestuurlijke boete Paragraaf4.1:Algemene bepalingen Artikel4:1:Verwijtbaarheid
  90. Het college stemt zowel het opleggen van een maatregel als het opleggen van een bestuurlijke boete af, op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.
  91. Wanneer, als gevolg van een overtreding van de inlichtingenverplichting, sprake is van een benadelingsbedrag, stelt het college de hoogte van de bestuurlijke boete vast op de ernst van de gedraging en de mate waarin deze aan de overtreder is te verwijten, zoals opgenomen in artikel 4:9 van deze beleidsregels. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
  92. Het college stelt de boete vast op een verlaagd percentage van het benadelingsbedrag als sprake is van verminderde verwijtbaarheid, zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
  93. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel of een bestuurlijke boete als iedere verwijtbaarheid ontbreekt.
  94. Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake in de gevallen zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Artikel4:2:Dringende redenen
  95. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel of een bestuurlijke boete als sprake is van dringende redenen.
  96. Van dringende redenen is in ieder geval sprake als het opleggen van een maatregel of een bestuurlijke boete, in de individuele situatie, vanwege zeer uitzonderlijke en bijzondere omstandigheden onaanvaardbare consequenties zou hebben voor de belanghebbende en/of zijn gezin. Artikel4:3:Waarschuwing
  97. Voor de gedragingen, als genoemd in artikel 26, aanhef en onderdeel b, en artikel 27, aanhef en onderdeel b van de Verzamelverordening, legt het college in plaats van een maatregel, eerst een schriftelijke waarschuwing op, tenzij: belanghebbende zich in de 12 maanden voor de gedraging al eerder schuldig heeft gemaakt aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging uit dezelfde categorie belanghebbende door zijn houding en gedrag ondubbelzinnig laat zien niet aan de verplichting te willen voldoen.
  98. Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing als: het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag; het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,00; de belanghebbende een wijziging van omstandigheden niet onverwijld doorgeeft, maar binnen 60 dagen alsnog de juiste inlichtingen verstrekt, voordat de overtreding is begaan en deze inlichtingen niet zijn verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenplicht.
  99. In afwijking van het tweede lid legt het college wel een bestuurlijke boete op als: de schending van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen twee jaar nadat in verband met een eerdere schending van de inlichtingenplicht een bestuurlijke boete of een waarschuwing is opgelegd; het college het gegronde vermoeden heeft dat de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden.
  100. Als sprake is van een situatie zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel stelt het college de hoogte van de boete vast op: € 150,00 als de inlichtingenplicht opzettelijk is overtreden; € 40,00 als sprake is van grove schuld of normale, gemiddelde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting. In afwijking van het vierde lid van dit artikel verlaagt het college de hoogte van de boete als dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijk boete. Paragraaf4.2:Maatregelen Paragraaf4.2.1:Gedragingen Artikel4:4:Arbeidsverplichtingen
  101. Van schending van de arbeidsverplichting is naar de mening van het college in ieder geval sprake als belanghebbende:

geaccepteerde arbeid weigert, waardoor hij langer aangewezen blijft op uitkering, dan wel een hogere aanvullende uitkering nodig heeft; geen gebruik maakt van een hem aangeboden voorziening, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van deze beleidsregels; niet naar vermogen solliciteert, of zoveel minder als op individuele basis met de klant is afgesproken. Deze afspraken liggen vast in een beschikking en/of in een Plan van Aanpak; de inschakeling in het arbeidsproces belemmert door houding en/of gedrag.

  1. Wanneer belanghebbende de arbeidsverplichtingen schendt, overweegt het college een maatregel op grond paragraaf 3.2 van de Verzamelverordening.
  2. Het college ziet onder andere af van het opleggen van een maatregel wegens schending van de arbeidsverplichtingen als: belanghebbende in de periode gelegen tussen de gedraging en het moment van opleggen van de maatregel alsnog werk heeft gevonden en hierdoor volledig uitstroomt uit de uitkering; de uitkering van belanghebbende voor het opleggen van de maatregel is beëindigd. Artikel4:5:Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid op grond van de PW
  3. Van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is in ieder geval sprake in de volgende situaties: het versneld interen van een vermogensoverschot, waardoor belanghebbende eerder een beroep moet doen op een uitkering op grond van de PW; het door eigen toedoen geen beroep kunnen doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening; zich niet aanvullend hebben verzekerd voor ziektekosten; zich niet of niet afdoende hebben verzekerd tegen de gevolgen van inbraak of wettelijke aansprakelijkheid.
  4. Wanneer sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid overweegt het college eerst een maatregel op grond van artikel 32, tweede, vierde of vijfde lid van de Verzamelverordening.
  5. Wanneer de toepassing van het tweede lid van dit artikel leidt tot onbillijkheden, geeft het college toepassing aan artikel 32, zesde lid van de Verzamelverordening.
  6. Van onbillijkheden, zoals bedoeld in het vorige lid is in ieder geval sprake wanneer toepassing geven aan het derde lid leidt tot: onaanvaardbare financiële of sociale consequenties zoals een uithuiszetting of afsluiting van energie of water; levensbedreigend, dan wel blijvend letsel of invaliditeit, welke alleen is af te wenden door het verstrekken van bijstand. Artikel4:6:Ernstige misdragingen
  7. Van ernstige misdragingen is in ieder geval sprake in de volgende situaties: het gebruiken van of dreigen met fysiek geweld jegens ambtenaren, medewerkers van het UWV of medewerkers van een door de gemeente ingeschakeld (re-integratie)bedrijf; het gebruiken van of dreigen met fysiek geweld jegens eigendommen van de gemeente; het gebruiken van verbaal geweld jegens ambtenaren, daaronder begrepen schelden; het sturen van brieven, e-mails of andere berichten met een dreigende inhoud.
  8. Wanneer belanghebbende zich ernstig misdraagt, treedt eveneens het agressieprotocol in werking.
  9. Conform artikel 32 van de Verzamelverordening legt het college een maatregel op. Paragraaf4.2.2:Overige bepalingen maatregelen Artikel4:7:Verzoek tot herzien van een maatregel geüniformeerde arbeidsverplichting
  10. Als een maatregel van 100% van de bijstandsnorm is opgelegd wegens schending van één van de verplichtingen genoemd in artikel 18, vierde lid, PW, met een duur van twee maanden of langer, kan de belanghebbende een schriftelijk en gemotiveerd verzoek doen aan het college om deze maatregel te herzien.
  11. In dit verzoek dient in ieder geval opgenomen te zijn: een beschrijving van de geschonden verplichting; en een verklaring, eventueel met ondersteunende bewijsstukken, waarin de belanghebbende aantoont dat hij op het moment van indienen van het verzoek wél ondubbelzinnig aan de verplichting voldoet, dan wel de wijze waarop hij dit aan het college kan aantonen.
  12. Het college beoordeelt op basis van het verzoek of zij de maatregel herziet.
  13. Belanghebbende kan het verzoek niet eerder indienen dan dag waarop de effectuering van de maatregel start.
  14. Als belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een maatregel is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de maatregel vanaf die dag komt te vervallen.
  15. Een verzoek tot herziening van de maatregel heeft geen opschortende werking voor wat betreft het effectueren van de maatregel.
  16. Een belanghebbende kan voor ieder besluit dat heeft geleid tot oplegging van een maatregel slecht één maal een verzoek tot herziening indienen. Het college zal een tweede verzoek niet beoordelen.
  17. Een belanghebbende kan per kalenderjaar niet meer dan twee maal een verzoek tot herziening indienen. Het college zal een volgend verzoek niet beoordelen.
  18. Als daartoe aanleiding bestaat, kan het college ambtshalve besluiten over te gaan tot herziening van de maatregel.
  19. Het college geeft belanghebbende schriftelijke terugkoppeling op het verzoek. Artikel4:8:Spreiding maatregel 100% naar twee maanden 50%
  20. In artikel 30, tweede lid, van de Verzamelverordening is beschreven dat het college op basis van individuele omstandigheden kan besluiten om een maatregel van 100% te effectueren door gedurende 2 maanden de uitkering met 50% te verlagen. In de volgende situaties effectueert het college de maatregel met 50% gedurende 2 maanden: als sprake is van een gezin met ten laste komende kinderen; als sprake is van een minnelijk schuldhulpverleningstraject; in andere situaties als duidelijk is dat er grote problemen ontstaan, zoals bijv. huisuitzettingen.
  21. De opsomming zoals opgenomen in het eerste lid, is niet uitputtend. Ook andere individuele omstandigheden kunnen reden zijn om de maatregel te spreiden.
  22. Het college dient een afwijking op de hoofdregel, zoals bedoeld in het eerste en het tweede lid, altijd nadrukkelijk te motiveren Paragraaf4.3:Bestuurlijke boete Artikel4:9:Vaststellen hoogte bestuurlijke boete
  23. Het college stelt de hoogte van de bestuurlijke boete vast op: 100% van het benadelingsbedrag als de inlichtingenplicht opzettelijk is overschreden; 75% van het benadelingsbedrag als sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht; 50% van het benadelingsbedrag als er geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht; 10% van het benadelingsbedrag als sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht.
  24. Bij recidive past het college de percentages, genoemd in het eerste lid van dit artikel, toe op het benadelingsbedrag, vermenigvuldigd met 150% van dit bedrag.
  25. Bij toepassing van het eerste en tweede lid is de bestuurlijke boete in ieder geval niet hoger dan: 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 24 maanden, als de inlichtingenplicht opzettelijk is overtreden; 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 18 maanden, als sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht; 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 12 maanden, als er geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht; 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 6 maanden, als sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht.
  26. Als de hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete lager is dan € 40,00 ziet het college af van het opleggen van een bestuurlijke boete.
  27. Het college verlaagt de hoogte van de bestuurlijke boete als dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete.
  28. Het college geeft uitvoering aan artikel 2, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten over de afronding van de bestuurlijke boete, wanneer de boete lager is vastgesteld dan het benadelingsbedrag.
  29. Als de schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2013 en heeft voortgeduurd na 1 januari 2013, dan beoordeelt het college het gedeelte van de overtreding dat zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 2013, naar het recht dat vóór die datum gold.
  30. Bij cumulatie van boeten, legt het college de hoogste boete op. Artikel4:10:Procedure en zienswijze
  31. Als sprake is van een benadelingsbedrag hoger dan het bedrag zoals vermeld in artikel 5.53 Awb, dan nodigt het college de belanghebbende uit om zijn zienswijze mondeling, dan wel schriftelijk naar voren te brengen binnen een door het college gestelde termijn.
  32. Als de belanghebbende niet reageert op de uitnodiging om diens zienswijze naar voren te brengen, dan beoordeelt het college de boete vanuit de gegevens zoals die bij haar bekend zijn.
  33. In afwijking van het eerste lid kan een belanghebbende bij een benadelingsbedrag, lager dan het bedrag vermeld in artikel 5.53 Awb ook zijn zienswijzen geven, als hij hiertoe verzoekt of als de situatie daartoe aanleiding geeft. Artikel4:11:Strafrechtelijke afdoening
  34. Het college doet aangifte bij het Openbaar Ministerie bij een benadelingsbedrag hoger dan het bedrag genoemd in Categorie II van de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude.
  35. Het college doet aangifte bij het Openbaar Ministerie bij een benadelingsbedrag gelijk aan dan wel lager dan het bedrag genoemd in Categorie II van de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude als: er strafrechtelijke dwangmiddelen zijn toegepast; het wenselijk is om strafrechtelijke dwangmiddelen toe te passen; er sprake is van een combinatie met andere strafbare feiten; dit belangrijk is gelet op de status of voorbeeldfunctie van de belanghebbende; er sprake is van recidive met een totaal fraudebedrag hoger dan het bedrag als genoemd in Categorie II van de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude; fraude is gepleegd met medeweten van uitvoerende ambtenaren; fraude is gepleegd in georganiseerd verband, of; feiten en omstandigheden van de verdachte hiertoe aanleiding geven en op voorhand duidelijk is dat betrokkene de boete niet kan of gaat betalen wegens het ontbreken van aflossingsruimte voor de duur van een vooraf niet te voorziene periode. Hoofdstuk5:Handhaving, bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik Paragraaf5.1:

Artikel5

:1:Hoogwaardige handhaving Het beleid ten aanzien van het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude, dan wel van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, is ingericht naar het landelijk model voor hoogwaardig handhaven, waarbij het college inzet op: vroegtijdig informeren; optimaliseren van de dienstverlening; controleren op maat; daadwerkelijk sanctioneren. Paragraaf5.2:Preventie Artikel5:2:Vroegtijdig informeren en onderzoeken Het doel van vroegtijdig informeren is om spontane naleving van de aan de uitkering verbonden verplichtingen te bevorderen. Als klanten volledig zijn geïnformeerd, voorkomt dit onwetendheid. Het college informeert klanten en overige burgers voldoende en tijdig over de rechten en plichten die aan de uitkering zijn verbonden, en over voorliggende voorzieningen. Het college verstrekt de informatie mondeling, schriftelijk, digitaal en/of door middel van besluiten, steeds in begrijpelijke taal. Het college communiceert duidelijk naar de klant welke gegevens nodig zijn om het recht op uitkering te kunnen vaststellen, inclusief wanneer de klant die gegevens moet aanleveren. Verificatie vindt plaats met inachtneming van de wettelijke voorschriften die zijn vastgelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens en het college verifieert uitsluitend datgene wat nodig is voor de vaststelling van het recht op uitkering. Het college is bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en kan de aangeleverde documenten of bewijsstukken zowel bij aanvang als tijdens de lopende uitkering valideren bij externe instanties. Het college houdt hierbij altijd rekening met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. In voorkomende situaties geeft het college duidelijk uitleg over de achtergrond van het ingezette onderzoek en wat de consequenties daarvan zullen zijn als de klant niet naar behoren meewerkt. Er is continue aandacht voor interne deskundigheidsbevordering, omdat de rol van de medewerkers in de informatievoorziening cruciaal is. Het beleid is integraal opgenomen in een digitaal handboek dat toegankelijk is voor alle medewerkers. Het college maakt met haar (keten)partners afspraken over de wijze waarop deze moeten omgaan met (fraude)signalen, zowel in de richting van de klant als naar de gemeente. Het college neemt de bekendheid van klanten met de rechten en plichten mee in het klanttevredenheidsonderzoek, waarna zij het gevoerde beleid zo nodig bijstelt. Door middel van een managementrapportage maakt het college de van belang zijnde sturingsgegevens met betrekking tot handhaving, toegankelijk. Artikel5:3:Optimalisatie van de dienstverlening Het doel van het optimaliseren van de dienstverlening is om spontane naleving van de verplichtingen door de klanten te faciliteren en bevorderen. Het college draagt zorg voor een duidelijk, consequent, doeltreffend, klantgericht, toegankelijk beleid. Alle informatie die het college verstrekt heeft betrekking op organisatorische of inhoudelijke zaken. Het college maakt gebruik van duidelijke werkprocessen en formulieren. De klant hoeft in beginsel maar één keer een bepaald bewijsstuk te verstrekken, conform de Wet eenmalige gegevensuitvraag (WEU). Het college benadert de klant proactief om de juistheid van de bij het college bekende gegevens te controleren via het periodieke heronderzoek. Het college stelt de klant in de gelegenheid om op een laagdrempelige manier wijzigingen in zijn of haar situatie die van invloed kunnen zijn op (de hoogte van) de uitkering, tijdig te melden via het wijzigingsformulier, dan wel de inkomstenverklaring. Personen met (wisselende) inkomsten leveren maandelijks een inkomstenverklaring in. Alle andere personen geven wijzigingen door via het wijzigingsformulier. Het college wijst de klant op de gevolgen van het niet, te laat, onjuist of onvolledig doorgeven van relevante gegevens via de inkomstenverklaring of het wijzigingsformulier. Niet, te late, onjuiste of onvolledig ingevulde inkomstenverklaringen kunnen leiden tot het opschorten van het recht op uitkering of zelfs tot het beëindigen van de uitkering als hierdoor het recht op bijstand niet (langer) meer is vast te stellen. De procedure inkomstenverklaring is als volgt: de klant ontvangt maandelijks een inkomstenverklaring met hierop voorgedrukt de bekende n-a-w-gegevens; de klant moet de inkomstenverklaring volledig invullen en ondertekenen; op de inkomstenverklaring staat de inleverdatum vermeld. De klant moet de inkomstenverklaring uiterlijk op die dag (de inleverdatum) inleveren; als de inkomstenverklaring te laat binnen is gekomen, schort het college het recht op uitkering op, en ontvangt de belanghebbende een hersteltermijn van ten minste vijf werkdagen om de inkomstenverklaring alsnog in te leveren, of aan te vullen (bij onvolledigheid); als de klant de inkomstenverklaring, na een hersteltermijn, alsnog inlevert, dan betaalt het college de uitkering alsnog. Wel overweegt het college dan om de klant een boete op te leggen, op grond van artikel 18a PW; levert de klant de inkomstenverklaring niet in binnen de hersteltermijn, dan volgt een beëindigingsonderzoek. Paragraaf5.3:Repressie Artikel5:4:Vroegtijdige detectie en afhandeling Het doel is om fraudesignalen in een vroeg stadium te signaleren, zodat het college hierop direct adequaat kan reageren. Met vroegtijdig ingrijpen blijft de (financiële) schade voor zowel de klant als de gemeente zoveel mogelijk beperkt. In het kader van signaalsturing beoordeelt het college alle inkomende signalen op relevantie en onderzoekt zij de signalen zo nodig nader. Het college kan in haar onderzoek gebruik maken van verschillende instrumenten: consult; de combinatie van dossieranalyse, verificatie en validatie; waarneming ter plekke; confrontatie; huisbezoek. In eerste instantie kiest het college voor het instrument dat enerzijds adequaat is en daarnaast de minste inbreuk maakt op de levenssfeer van de klant. Alleen als dat nodig is, kan het college opschalen naar een zwaarder instrument. Als er uit een doelmatigheidsonderzoek een fraudesignaal naar voren komt, is dit reden om een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering op te starten. Het college bevordert de fraudealertheid van de medewerkers door regelmatig terugkerende activiteiten in het kader van deskundigheidsbevordering op dit gebeid. Het college maakt gebruik van de faciliteiten van Stichting Inlichtingenbureau voor bestandsvergelijkingen. Het college zet het instrument huisbezoek in wanneer dit noodzakelijk is voor het vaststellen van het (voortgezet) recht op bijstand. Het college kan een belanghebbende een huisbezoek aanbieden wanneer er onduidelijkheid is over de leefvorm van de belanghebbende. Paragraaf5.4:Controleren op maat Artikel5:5:Risicosturing Risicosturing hoort tot de pijler vroegtijdige detectie en afhandeling. Het college kan door middel van risicoanalyse vooraf bepalen welke groepen een verhoogd risico op fraude hebben. Het college kan op basis van de risicoanalyse gericht instrumenten inzetten voor bepaalde groepen met een hoger risicoprofiel. De risicoanalyse is nooit gebaseerd op etniciteit en is niet stigmatiserend. Het college voert een beperkte steekproef met het risicoprofiel uit alvorens het risicoprofiel breed toe te passen. De uitleg van risicoprofielen is onderdeel van het vroegtijdig informeren. Artikel5:6:Themacontroles Themacontroles behoren tot de pijler vroegtijdige detectie en afhandeling. Het college kan beslissen om themacontroles uit te voeren. De controles gebeuren op basis van een objectief thema en zijn onder te verdelen in een administratief en een feitelijk onderzoek. Themacontroles zijn altijd aan een bepaalde tijdsduur gebonden. Artikel5:7:Informatiegestuurd handhaven Informatiegestuurd handhaven behoort tot de pijler vroegtijdige detectie en afhandeling Het college kan met behulp van bestandskoppeling per uitkeringsgerechtigde een inschatting maken van het frauderisico. Het college maakt hierbij gebruik van een applicatie die digitale bestanden aan elkaar kan koppelen. Het college gebruikt hierbij alleen gegevens, waarover zij vanuit haar taak in het kader van de PW, IOAW en IOAZ kan en mag beschikken. Door de koppeling van bronbestanden kan het college wijzigingen in de woon- en leefsituatie van de klant direct en proactief signaleren, wat leidt tot een snelle en adequate toepassing van de uitkering aan de feitelijke situatie. Als een signaal van mogelijke fraude opkomt, dan is dat aanleiding om te bezien of het college een onderzoek gericht op de rechtmatige verstrekking van de uitkering moet opstarten. Voor wat betreft het bewaren dan wel verwerken van de gegevens die voortkomen uit het informatiegestuurd handhaven, werkt het college conform de regels zoals deze zijn opgesteld in de Wet bescherming persoonsgegevens (artikel 10 en 11 WBP). Paragraaf5.5:Daadwerkelijk sanctioneren Artikel5:8:Daadwerkelijk sanctioneren in geval van geconstateerde fraude Het sluitstuk van de handhavingsaanpak is de uiteindelijke sanctionering van de overtreder. Het doel hiervan is enerzijds misbruik te straffen en dus het draagvlak voor de sociale zekerheid te handhaven. Aan de andere kant beoogt het een gedragsverandering bij de overtreder te bewerkstelligen. Wanneer

bekend is dat het college zwaar straft, zal daar bovendien een preventieve werking uitgaan. Het college heeft in hoofdstuk 3 van de Verzamelverordening bepaald welke gedragingen van de klant, strijd met de wet opleveren en welke maatregel, dan wel boete, zij dientengevolge zal opleggen. Het college heeft in de voorliggende beleidsregels nadere regels gesteld aangaande daadwerkelijke sanctionering in geval van geconstateerde fraude, voor wat betreft het opleggen van de bestuurlijke boete. Het college vordert alle teveel of ten onrechte verstrekte uitkering terug. Als sprake is van terugvordering van ten onrechte verleende bijstand voor levensonderhoud en er is ook sprake van verstrekking van bijzondere bijstand in dezelfde periode, dan strekt de terugvordering zich ook uit over deze bijzondere bijstand. Het kan gaan om individuele bijzondere bijstand, maar ook om de individuele inkomenstoeslag. Hoofdstuk6:Terugvordering, invordering en verhaal Paragraaf6.1:

Artikel6:1:Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid 1.

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten van het recht op een uitkering op grond van artikel 54, eerste en tweede lid, PW, dan wel artikel 17, eerste en tweede lid, IOAW of IOAZ.

  1. Het college maakt gebruik de bevoegdheid tot het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning of voortzetting van een uitkering op grond van artikel 54, derde en vierde lid, PW, dan wel artikel 17, derde en vierde lid, IOAW of IOAZ.
  2. Het college vordert de ten onrechte verleende uitkering terug, zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60a PW en de artikelen 25 tot en met 28, 30 en 31 IOAW of IOAZ.
  3. Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen op een onderhoudsplichtige, zoals bedoeld in paragraaf 6.5 PW. Artikel6:2:Dringende redenen
  4. Het college ziet af van herziening, intrekking, terugvordering, invordering of verhaal wanneer sprake is van dringende redenen.
  5. Van dringende redenen is in ieder geval sprake als het terugvorderen of invorderen van teveel betaalde bijstand leidt tot: onaanvaardbare financiële of sociale consequenties zoals uithuiszetting of afsluiting van energie of water; levensbedreigende situaties, dan wel blijvend letsel of invaliditeit, welke alleen zijn af te wenden door het verstrekken van bijstand.
  6. Van dringende redenen in het geval van verhaal van bijstand is in ieder geval sprake als: dit kan leiden tot geweld en/of mishandeling door de onderhoudsplichtige; belanghebbende slachtoffer is (geweest) van incest; er een gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het verhaalsonderzoek zal leiden tot geweld van de onderhoudsplichtige jegens de belanghebbende. Artikel6:3:Paspoortsignalering Als een persoon met een vordering of een bestuurlijke boete van meer dan € 5.000,00 nalatig is in het nakomen van zijn betalingsverplichting en het gegronde vermoeden bestaat dat hij in het buitenland woonachtig is, dient het college een verzoek tot opneming in het Register Paspoortsignalering in bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten, op grond van artikel 22 Paspoortwet. Paragraaf6.2:Terugvordering Artikel6:4:Terugvordering Behoudens de uitzonderingen die zijn vastgelegd in deze beleidsregels: vordert het college alle ten onrechte uitkering altijd terug; dient de belanghebbende alle ten onrechte verstrekte uitkering volledig terug te betalen. Artikel6:5:Inhoud terugvorderingsbeschikking Het college vermeldt in de beschikking, in aanvulling op hetgeen in artikel 4:86 Awb is gesteld, in ieder geval: de mogelijkheid voor de debiteur om voor het verstrijken van de betalingstermijn, een (alternatief) betalingsvoorstel te doen; dat, bij gebreke van tijdige betaling of het doen van een betalingsvoorstel, het college tot executoriale invordering kan overgaan, dan wel de vordering ter executie kan overdragen aan een derde; dat, in de situatie als bedoeld onder b, executie- en incassokosten voor rekening van de debiteur zijn. Paragraaf6.3:Invordering Artikel6:6:Volgorde van invordering
  7. Het college vordert de vorderingen op volgorde van ontstaansdatum in, zolang de belanghebbende geen verzoek heeft gedaan op grond van artikel 4:92, tweede lid, Awb.
  8. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, vindt de invordering van een bestuurlijke boete bij voorrang plaats.
  9. Het college wijkt af van het gestelde in het tweede lid: bij beslaglegging door een derde schuldeiser. In dat geval vordert het college eerst de openstaande vordering in; als het mogelijk is brutering van de vordering te voorkomen, door eerst de openstaande vordering in te vorderen. Artikel6:7:Verrekening en beslaglegging
  10. Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en/of het besluit tot boeteoplegging.
  11. Als belanghebbende een lopende uitkering voor levensonderhoud heeft op grond van de PW, IOAW of IOAZ, dan vordert het college de openstaande vordering of een opgelegde bestuurlijke boete in, door middel van verrekening met de uitkering, zoals bedoeld in artikel 60, derde en vierde lid, PW, dan wel artikel 20, tweede lid, IOAW of IOAZ, tenzij de belanghebbende - binnen een termijn van zes weken - een minnelijke betalingsregeling overeen wil komen.
  12. Als belanghebbende geen lopende uitkering voor levensonderhoud heeft op grond van de PW, IOAW of IOAZ, dan stelt het college hem in de gelegenheid om binnen zes weken een minnelijke betalingsregeling overeen te komen.
  13. Als de belanghebbende in de situatie als bedoeld in het tweede lid, niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet (meer) nakomt, legt het college het terugvorderingsbesluit, dan wel het boetebesluit ten uitvoer door middel van: verrekening met de maandelijks verleende uitkering, op grond van artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid; een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, met uitzondering van artikel 479e, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering; of beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.
  14. Eventuele kosten die verbonden zijn aan de invordering, komen ten laste van de debiteur. Artikel6:8:Brutering Als de debiteur de vordering niet binnen het lopende kalenderjaar heeft voldaan, vordert het college de teveel betaalde uitkering bruto terug, tenzij: het college ten onrechte betaalde belastingen en premies nog kan verrekenen met de afdrachten aan de Belastingdienst of het UWV; of de vordering buiten toedoen van de belanghebbende is ontstaan en hem niet is aan te rekenen dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald. Artikel6:9:Afzien van invordering bij niet verwijtbare vorderingen
  15. Op verzoek van belanghebbende kan het college van verdere invordering afzien als: het terug te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt, terwijl verrekening met de uitkering of het gereserveerde vakantiegeld niet (meer) mogelijk is; of de belanghebbende gedurende vijf jaar aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan, zijn gemiddeld inkomen in die periode de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan en de vordering voor minimaal 50% heeft voldaan; of de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht, en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of gedurende drie jaar - te berekenen vanaf het verzoek - niet volledig aan zijn vastgestelde betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddeld inkomen van belanghebbende in die periode de beslagvrije voet in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, maar het achterstallig bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald, en minimaal 50% van de nog openstaande schuld ineens heeft betaald; of de belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost, terwijl zijn gemiddeld inkomen in die periode de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan en het restant van de vordering daarna minder dan € 100,00 bedraagt; of er sprake is van dringende redenen.
  16. Het college verlengt de termijn genoemd in het eerste lid onder a en b met de periode: waarin de debiteur gedetineerd is geweest; en/of waarin een maatregel is opgelegd, waardoor het niet mogelijk was de aflossingsverplichting na te komen.
  17. Het college ziet niet af van (verdere) invordering als voor de vordering zekerheid is gesteld door een recht van pand of hypotheek, tenzij het niet mogelijk is de vordering op die goederen te verhalen. Artikel6:10:Afzien van (verdere) invordering bij schuldregeling
  18. Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de PW en artikel 29a van de IOAW en IOAZ, kan door het college medewerking verlenen aan een schuldregeling als: redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de belanghebbende de vordering van de gemeente ten minste naar evenredigheid zal voldoen met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang; en belanghebbende het verzoek tot medewerking aan een schuldsanering/bemiddeling zal indienen door een bij het NVVK aangesloten schuldbemiddelingsorganisatie; en door de schuldregeling voor de klant perspectief voor de toekomst ontstaat; en de klant de afgelopen periode van minimaal twee jaar een duidelijke gedragsverandering heeft getoond; en de klant zelf duidelijk initiatief heeft genomen.
  19. Het besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van terugvordering of het (gedeeltelijk) afzien van verdere terugvordering treedt in werking nadat voldaan is aan hetgeen dat benoemd is onder het eerste lid van dit artikel.
  20. Het college trekt het besluit tot het gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering in, of wijzigt dit ten nadele van de belanghebbende als: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen; of de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel6:11:Terugbetaling van leenbijstand
  21. Belanghebbende dient de bijstand, die is verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening, als bedoeld in artikel 48, tweede lid, PW, volledig terug te betalen, behalve in de gevallen zoals beschreven in de volgende leden.
  22. Is leenbijstand verstrekt voor duurzame gebruiksgoederen, dan dient belanghebbende deze binnen een periode van 36 maanden terug te betalen. Na 36 maanden vindt kwijtschelding van de restsom plaats, als de belanghebbende de terugbetalingsverplichting steeds is nagekomen. De betalingscapaciteit is als volgt berekend: voor belanghebbenden met een inkomen op bijstandsniveau: 6% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld per maand; voor belanghebbenden met een inkomen hoger dan de bijstandsnorm: 6% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld per maand, plus het meerinkomen.
  23. Als leenbijstand is verstrekt omdat sprake is geweest van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan, dan geldt een terugbetalingsregeling van 10% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld per maand. In beginsel is dan na 36 maanden geen kwijtschelding mogelijk. Artikel6:12:Samenloop met een maatregel Als het college een vordering tot terugbetaling van de uitkering of een bestuurlijke boete verrekent met de uitkering, is het ten uitvoer leggen van een maatregel nog slechts mogelijk voor zover de maatregel het gedeelte van de uitkering boven de beslagvrije voet niet te boven gaat. Als er door het opleggen van een maatregel geen ruimte meer is voor verrekening of beslaglegging, dan schort het college de invordering voor de duur van de maatregel op. Paragraaf6.4:Verhaal Artikel6:13:Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid
  24. Het college verhaalt de kosten van bijstand tot aan de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot maximaal de totale kosten van bijstand: op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, geregistreerd partner, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt; op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt; op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk of geregistreerd partnerschap, dan wel na scheiding van tafel en bed, niet of niet behoorlijk nakomt; op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend; bij een schenking aan een derde door de bijstandsgerechtigde, tenzij aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van de bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien; ingeval er een vordering is die valt in de nalatenschap; bij het ontstaan van een vordering wegens toepassing van de Wet op de Lijkbezorging.
  25. Buiten de gevallen aangegeven in deze beleidsregels vindt geen verhaal plaats.
  26. Het college volgt de bij rechterlijke beschikking op grond van artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek vastgestelde jaarlijkse indexering van de in rechte opgelegde onderhoudsbijdragen.
  27. Het college gaat bij het uitblijven van (tijdige) betaling van de opgelegde onderhoudsbijdrage direct over tot het indienen van een verzoekschrift tot vaststelling verhaalsbijdrage bij de rechtbank (VIR-procedure).
  28. Anders dan in het vierde lid is bepaald, ziet het college af van verhaal in rechte als er sprake is van een afgesloten vordering en de vordering minder dan € 600,00 bedraagt. Artikel6:14:Afzien van verhaal
  29. Het college kan geheel of gedeeltelijk van verhaal afzien als daarvoor verifieerbare dringende redenen aanwezig zijn, in de zin dat het opleggen van een verhaalsbijdrage leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene(n).
  30. Als het college inschat dat de dringende redenen slechts van tijdelijke aard zijn, kan het college gedurende een 'afkoelingsperiode' van drie maanden afzien van verhaal, waarna het college door middel van een heronderzoek beziet of zij kan overgaan tot verhaal.
  31. Wanneer er sprake is van opname in een blijf-van-mijn-lijfhuis onder geheimhouding, ziet het college af van verhaal.
  32. Als de onderhoudsplichtige een buitenlandse nationaliteit heeft en buiten Nederland woont, dan kan het college afzien van verhaal.
  33. Als het te verhalen bedrag lager is dan € 50,00 per maand, kan het college afzien van verhaal. Na drie jaar houdt het college dan een heronderzoek om de mogelijkheden van verhaal opnieuw te bezien. Artikel6:15:Vaststelling verhaalsbijdrage
  34. Het college verhaalt de kosten van de bijstand overeenkomstig de rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 62b PW, als de onderhoudsplichtige niet aan zijn verplichtingen van de uitvoerbare rechterlijke uitspraak voldoet.
  35. Bij het ontbreken van een uitvoerbare rechterlijke uitspraak stelt het college de verhaalsbijdrage vast aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, waarbij de laatste van deze twee bedragen leidend is.
  36. Het college stelt de draagkracht van de onderhoudsplichtige vast conform de zogeheten TREMA-normen, zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor Rechterlijke Macht.
  37. Het college stelt de draagkracht vast op basis van door de onderhoudsplichtige ingediende bewijsstukken over de financiële situatie.
  38. Het college hoeft eerdere afspraken die zijn gemaakt tussen de onderhoudsgerechtigde(n) en de onderhoudsplichtige(n) - zoals een convenant - niet mee te wegen in het besluit. Artikel6:16:Debiteuren heronderzoek verhaal
  39. De volgende termijnen gelden voor het starten van een heronderzoek verhaal: als op voorhand duidelijk is dat de onderhoudsplichtige geen draagkracht heeft, start het college na drie jaar een heronderzoek op; als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd en uit de berekening blijkt dat er geen draagkracht is, dan start het college na drie jaar een heronderzoek op; als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd, en er is een onderhoudsbijdrage opgelegd, dan start het college na drie jaar een heronderzoek op; als het college kan aannemen dat de omstandigheden van de onderhoudsplichtige op korte termijn wijzigen of reeds gewijzigd zijn, start zij direct een heronderzoek op.
  40. Als de onderhoudsplichtige daartoe aanleiding ziet vanwege gewijzigde omstandigheden, kan deze verzoeken om een heronderzoek over zijn of haar financiële draagkracht. Het college onderzoekt of de omstandigheden aanleiding geven tot gewijzigde vaststelling van het verhaalsbedrag en kan besluiten tot gewijzigde vaststelling van het verhaalsbedrag.
  41. De omstandigheden, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel d en het tweede lid, dienen van wezenlijke invloed te zijn op de reeds opgelegde verhaalsbijdrage, in die zin dat er aanwijzing moet zijn dat het college de onderhoudsbijdrage per maand omhoog of omlaag zou moeten bijstellen.
  42. Als er een rechterlijke uitspraak is, waarin de onderhoudsverplichting is opgenomen dan: herziet het college de onderhoudsbijdrage bij het aantoonbaar ontbreken van draagkracht; vraagt de onderhoudsplichtige de rechter om een herbeoordeling van zijn onderhoudsbijdrage, wanneer er aantoonbaar draagkracht aanwezig is. Hoofdstuk7:Commerciële kostendelers Paragraaf7.1:

Artikel7

:1:Toepasselijkheid De bepalingen van dit hoofdstuk gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Paragraaf7.2:Criteria voor het verlagen van de norm Artikel7.2:Criteria voor het verlagen van de norm 1. De verlaging van de uitkering in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 PW bedraagt: 10% van de gehuwdennorm, als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten of woonlasten verschuldigd is; 20% van de gehuwdennorm als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten en geen woonlasten verschuldigd is. 2. Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op belanghebbenden waarop de kostendelersnorm van toepassing is. 3. Het college verlaagt de uitkering niet als er sprake is van commerciële kamerbewoner of een commerciële kostganger. 4. Als er sprake is van een niet-commerciële kamerbewoner of een niet-commerciële kostganger, dan telt deze persoon mee voor de kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a PW Artikel7:3:Inkomsten uit commerciële verhuur 1. Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(

  1. s)of commerciële kostganger(
  2. s)dan brengt het college de ontvangen huur, minus de gemiste huurtoeslag als inkomen in mindering op de uitkering. 2. Belanghebbende toont het in het eerste lid van dit artikel genoemde aan door navolgende gegevens in te leveren: een huurovereenkomst of kostgangersovereenkomst; en bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de huurder of kostganger de gevraagde prijs daadwerkelijk betaalt; en een beschikking huurtoeslag. Hoofdstuk8:Taaleis Artikel8:1:Aantonen kennis Nederlandse taal 1. Wanneer belanghebbende in de leerplichtige leeftijd (van 5 tot 16 jaar) tenminste acht jaren in Nederland heeft gewoond, wordt ervan uitgegaan dat door belanghebbende gedurende acht jaar Nederlandstalig onderwijs is gevolgd. 2. Met rapporten of diploma’s van erkende Nederlandse onderwijsinstellingen toont belanghebbende het volgen van Nederlandstalig onderwijs aan (zowel basis- als voortgezet/beroepsonderwijs). Dat kan ook particulier of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland zijn. 3. Een diploma inburgering of gelijkwaardig geldt als bewijs dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst en aan de taaleis voldoet. 4. Belanghebbende toont aan voldoende kennis te hebben van de Nederlandse taal indien hij, tijdens een vorige uitkeringsperiode en/of bij een andere gemeente, een taaltoets in verband met de Wet taaleis met goed gevolg heeft afgerond, of anderszins door een college is vastgesteld dat hij de Nederlandse taal op referentieniveau 1F beheerst. 5. Wanneer belanghebbende niet beschikt over de in dit artikel genoemde bewijsstukken, kan belanghebbende middels een eigen verklaring aantonen te voldoen aan het referentieniveau. Bij twijfel over de deze verklaring kan het college ervoor kiezen een taaltoets af te (laten) nemen. 6. Indien een belanghebbende inburgeringsplichtig is en een inburgeringstraject volgt, dan wel op korte termijn (< 3 maanden) gaat starten met een dergelijk traject, stelt het college dat gelijk aan een waarborg, dat de belanghebbende binnen afzienbare tijd voldoet aan het referentieniveau en wordt, weliswaar onder voorbehoud, vastgesteld dat de belanghebbende voldoet aan het referentieniveau, mits belanghebbende halfjaarlijks de voldoende voortgang van het inburgeringstraject aantoont aan het college. Artikel8:2:De taaltoets 1. De taaltoets wordt uitgevoerd door ROC. 2. Naast het oordeel over de taalvaardigheid, zal de onder lid 1 van dit artikel genoemde organisatie ook een oordeel geven over de meest geschikte taaltraining voor belanghebbende, hierbij uitgaande van de goedkoopst adequate voorziening. Artikel8:3:Geen verplichting tot taaltoets Wanneer de taalvaardigheid op referentieniveau 1F niet is aangetoond, wordt toch geen taaltoets afgenomen indien: het college vaststelt dat er in de individuele situatie van belanghebbende duurzame of langdurige belemmeringen zijn richting de arbeidsmarkt; of tijdens een vorige uitkeringsperiode door een college is vastgesteld dat belanghebbende door in de persoon gelegen factoren niet in staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; of diverse malen een taalcursus of ander taalonderwijs gevolgd is en door een educatie-instelling vastgesteld is, dat belanghebbende vanwege in de persoon gelegen factoren niet is staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; of aan belanghebbende een ontheffing is verleend van de arbeidsplicht vanwege psychische, fysieke of sociale problematiek(en), waarbij de aard van de beperking waarvoor de ontheffing is afgegeven ertoe leidt dat het bereiken van referentieniveau 1F niet haalbaar is. Indien de ontheffing op enig moment niet wordt verlengd, dan dient de belanghebbende -indien van toepassing- alsnog de taaltoets af te leggen; of bij aanvang van de uitkering duidelijk is dat er is sprake van kortdurende bijstand, waarbij kortdurend een periode van maximaal 4 maanden betreft. Artikel8:4:Kennisgeving en bereidverklaring Als na afname van de taaltoets blijkt dat belanghebbende niet aan referentieniveau 1F voldoet, dan wordt de volgende procedure gevolgd: Belanghebbende ontvangt binnen acht weken na het afleggen van de taaltoets de kennisgeving met de uitslag van de taaltoets. Tijdens een gesprek wordt de uitslag van de toets en het redelijke vermoeden gecommuniceerd en krijgt belanghebbende, indien van toepassing, een passend taaltraject aangeboden dat wordt vastgelegd in een taalplan. Als belanghebbende akkoord gaat, dan wordt het taalplan, indien van toepassing, opgenomen in het plan van aanpak. Het geaccordeerde taalplan staat gelijk aan de bereidverklaring om te starten met de inspanningsverplichting zoals bedoeld in artikel 18b lid 6 Participatiewet. Artikel8:5:Aanbod taaltraject Belanghebbende krijgt een taaltraject aangeboden door de gemeente Dongen. Dit is maatwerk waarbij altijd uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening. Artikel8:6:De voortgang van het taaltraject 1. Indien deze informatie voorhanden is, wordt in het taalplan opgenomen: het startniveau van belanghebbende; en het (eind)niveau dat voor belanghebbende redelijkerwijs haalbaar is; en het aantal maanden dat belanghebbende bij benadering nodig heeft om dit niveau te bereiken. 2. De inspanning en vorderingen worden gevolgd conform het hercontroleplan. 3. Om blijk te geven van diens inspanningen, overlegt belanghebbende hiervan bewijsstukken. Artikel8:7:Het ontbreken van verwijtbaarheid 1. Indien belanghebbende zich bereid heeft verklaard en zich naar oordeel van het college voldoende heeft ingespannen, maar de voortgang achterblijft, dan wordt geoordeeld dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, indien een omstandigheid zoals beschreven in artikel 4, lid b tot en met d PW aan de orde is, dan wel anderszins een individuele omstandigheid aanwezig is die maakt dat het gebrek aan voorgang niet verwijtbaar is. 2. Wanneer belanghebbende er niet in slaagt binnen de gestelde termijn het referentieniveau te bereiken, dan wel de gewenste vorderingen te maken, en er wordt door het college vastgesteld dat dit niet verwijtbaar is, kan het college besluiten het taaltraject te stoppen; 3. Voor de situatie zoals beschreven onder lid 2 van dit artikel hanteren we een termijn van maximaal 3 jaar. Artikel8:8Herzien en afstemmen verlaging Het college stemt de opgelegde verlaging op grond van artikel 18 b lid 7 PW in beginsel af op de omstandigheden van belanghebbende, op de wijze die is opgenomen onder a tot en met e. Indien het college de bijstand verlaagt conform artikel 18b lid 9,10 of 11 PW, dan kan de verlaging worden stopgezet, indien belanghebbende aantoont dat hij zichzelf op een bepaald moment weer voldoende inspant en hij zich (opnieuw) bereid verklaart. Indien de bepaling zoals onder a van toepassing is, dan stopt de verlaging vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum dat belanghebbende zich heeft gemeld om aan te geven dat hij wederom gestart is met zichzelf in te spannen en hij dit ook heeft kunnen aantonen. Dit wordt bekrachtigd door middel van het taalplan. Wanneer belanghebbende op enig moment, nadat hij zich bereid heeft verklaard om zich in te spannen, stopt met de inspanning, dan dient de belanghebbende opnieuw mee te werken aan een taaltoets. Onderdeel c is in beginsel niet van toepassing, indien belanghebbende binnen drie maanden na de bereidverklaring stopt met de inspanning. In dat geval wordt aangenomen dat het niveau van belanghebbende niet in die mate kan zijn verbeterd, dat het afnemen van de toets een significant beter resultaat oplevert. Afstemming gebeurt conform artikel 18b lid 9,10 of 11 PW, met dien verstande dat voor de hoogte/het percentage van de afstemming wordt aangesloten bij het aantal maanden waarover reeds een afstemming voor deze gedraging is toegepast op de uitkering, in plaats van het aantal maanden dat is verstreken tussen de bereidverklaring en de gedraging. De afstemming wordt dus pas verhoogd als de afstemming over in totaal zes dan wel twaalf maanden heeft plaatsgevonden. Artikel8:9:Relatie met de Wet inburgering Wanneer belanghebbende is begonnen met een leertraject in het kader van de Wet inburgering, kan het college dit aanmerken als 'voldoende inspanning' van de kant van de belanghebbende, zoals bedoeld in de Wet taaleis. Artikel8:10:Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien Wanneer zich situaties voordoen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college. Hoofdstuk9:Slotbepaling Artikel9:1:Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Verzamelbesluit beleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2017', en vervangen de beleidsregels zoals opgenomen in het 'Verzamelbesluit beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016'. Artikel9:2:Overgangsrecht Voor wat betreft het bepaalde in hoofdstuk 2 geldt dateen persoon, die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van eerdere beleidsregels, die het college zou moeten beëindigen op grond van het 'Verzamelbesluit PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2017', deze voorziening behoudt voor zover hij heeft voldaan aan de voorwaarden en voor de duur dat deze voorziening is toegekend. Artikel9:3:Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking de dag nadat zij zijn bekend gemaakt. Toelichting bij de beleidsregels In regionaal verband is de 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017' opgesteld. Hierin zijn bijna alle verordeningen, die de raad moet vaststellen op grond van de PW, samengevoegd. De raad heeft de Verzamelverordening vastgesteld in haar vergadering van 13 juli 2017. Op een aantal onderdelen heeft de raad bepaald dat het college beleidsregels moet vaststellen. Deze beleidsregels zijn - evenals (bijna) alle verordeningen - gebundeld. Het resultaat is het 'Verzamelbesluit beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017' (hierna: Verzamelbesluit). Het Verzamelbesluit is ook in regionaal verband opgesteld. Het Verzamelbesluit is qua indeling gelijk aan de Verzamelverordening. Hiermee ontstaat uniformiteit, en het bevordert de 'vindbaarheid' van bepalingen. Hieronder staat een artikelsgewijze toelichting op de beleidsregels. Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen In hoofdstuk 1 van deze beleidsregels zijn de algemene bepalingen opgenomen. Het gaat hierbij om omschrijvingen van begrippen die elders in de beleidsregels voorkomen. Hoofdstuk 2: Re-integratie Bij het opstellen van de beleidsregels op het gebied van re-integratie is nadrukkelijk gekeken naar de 'Regionale menukaart', waarin de instrumenten voor de werkgeversdienstverlening zijn vastgelegd. Het doel van de 'Regionale menukaart', en daarmee ook van deze beleidsregels, is dat alle gemeenten in de regio Midden-Brabant dezelfde instrumenten op het gebied van re-integratie kunnen inzetten. Dit schept duidelijkheid voor (potentiële) werkgevers en gaat onderlinge concurrentie binnen de regionale werkgeversdienstverlening van WSP (Werkgeversservicepunt) Werkhart tegen. In hoofdstuk 2 van dit Verzamelbesluit zijn de beleidsregels opgenomen op het gebied van re-integratie. Daarin is een indeling gemaakt in uitgangspunten, voorzieningen ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde, voorzieningen ten behoeve van een werkgever, overige voorzieningen, individuele studietoeslag en tegenprestatie. Hieronder volgt de artikelsgewijze toelichting. Paragraaf 2.1: Uitgangspunten Artikel 2:1: Uitgangspunten De uitgangspunten, die het college hanteert bij het bepalen van de noodzaak voor het inzetten van een voorziening zijn afkomstig uit de keuzenota 3T, door de raad vastgesteld in september 2014. Artikel 2:1 geeft aan dat het college de re-integratiemiddelen zo efficiënt mogelijk wil inzetten, om een zo groot mogelijk deel van de doelgroep te kunnen bedienen Artikel 2:2: Aanbod van voorzieningen In dit artikel staan de voorzieningen opgenomen die het college kan inzetten. Bij de inzet van een voorziening zal het college steeds een afweging maken welke voorziening het meest passend is in de situatie van de belanghebbende. Uitgangspunt is en blijft het leveren van maatwerk. In hoofdstuk 2 zijn alle individuele voorzieningen opgenomen, die het college kan inzetten in het kader van de re-integratie. De Verzamelverordening bevat al een opsomming van de categorieën waaronder de verschillende voorzieningen vallen. Het betreffen de volgende categorieën: (laten) bemiddelen naar

geaccepteerde arbeid; begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid; ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, waaronder begeleiding op en aanpassingen van de werkplek en scholing; verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke participatie; anderszins een voorziening verstrekken in verband met bepaalde specifieke re-integratieactiviteiten, nader te bepalen in de beleidsregels zoals vermeld in lid 3 van de verordening. Ook zijn in de Verzamelverordening de voorwaarden gesteld die gelden bij de aanspraak op en het inzetten van een voorziening. Een van de voorwaarden is opgenomen in artikel 3, vijfde lid. Het betreft de bepaling waarin is geregeld onder welke voorwaarden niet-uitkeringsgerechtigden aanspraak kunnen maken op een voorziening. De criteria zijn gericht op het inkomen, vermogen en de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling van de niet- uitkeringsgerechtigden. Deze bepalingen zoals die zijn opgenomen in artikel 3, vijfde lid, van de Verzamelverordening zijn op een specifieke groep niet van toepassing. Dat is de groep van personen, die structureel niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Hieronder vallen veelal de personen die voorheen recht zouden hebben gehad op een uitkering in het kader van de Wajong. Deze bepaling is opgenomen, zodat deze mensen niet tussen wal en schip vallen wanneer zij bijvoorbeeld een werkende partner hebben. In deze beleidsregels zijn verschillende voorzieningen aangewezen waarop de bedoelde doelgroep ook aanspraak kan maken wanneer zij niet binnen de criteria van artikel 3, vijfde lid, van de Verzamelverordening vallen. We willen hiermee mogelijk maken dat ook mensen met verminderd arbeidsvermogen aan het werk kunnen gaan, ongeacht de hoogte van het gezinsinkomen. In hoofdstuk 2 zijn de individuele voorzieningen benoemd. De voorzieningen die zijn opgenomen betreffen individuele voorzieningen, wat betekent dat het college de noodzaak tot inzetten ervan per individu beoordeelt. De beoordeling voor wat betreft welke voorzieningen het college in een specifiek geval inzet, vindt veelal plaats in overleg met de werkgever die zijn bedrijf open stelt voor personen die behoren tot de doelgroep re-integratie. In bepaalde gevallen zal het nodig zijn om niet één voorziening maar een samengesteld pakket van voorzieningen in te zetten. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand aan de slag gaat met behulp van loonkostensubsidie; niet zelden zal dan ook (tijdelijk) een jobcoach noodzakelijk zijn, om te zorgen dat de werknemer zijn werk goed kan uitvoeren. In voorkomende gevallen zal de werkgever niet een enkele werknemer nodig hebben, maar zal hij geïnteresseerd zijn in een groep werknemers. In dat geval zal werkgeversdienstverlening in gesprek gaan met de werkgever om een arrangement samen te stellen. Op deze manier is het mogelijk meerdere personen tegelijk te plaatsen bij de werkgever. De samenstelling van een arrangement is maatwerk. Artikel 2:3: Instelling budgetplafonds Het college streeft ernaar de middelen uit het Participatiebudget zo efficiënt mogelijk in te zetten. Daarnaast wil het college met de beschikbare middelen een zo groot mogelijk groep belanghebbenden bedienen. Dit doet het college door het stellen van prioriteiten (artikel 2:4) en de mogelijkheid van het inzetten van budgetplafonds. Hiermee heeft het college de ruimte om te voorkomen dat we de beschikbare ruimte in het Participatiebudget overschrijden. Het college kan budgetplafonds instellen voor alle in deze beleidsregels genoemde voorzieningen, met uitzondering van het instrument loonkostensubsidie. Het instellen van een budgetplafond voor loonkostensubsidie is niet mogelijk, dit is geregeld in de wet. Artikel 2:4: Prioriteiten op het gebied van re-integratie De raad heeft in de Keuzenota aangegeven prioriteiten te stellen op het gebied van re-integratie. De door de raad gestelde prioriteiten zijn opgenomen in de beleidsregels. Doel van het stellen van prioriteiten is om te bewerkstelligen de beschikbare middelen uit het Participatiebudget zo efficiënt mogelijk in te zetten. Artikel 2:5: Indeling op de participatieladder De participatieladder is een meetinstrument waarmee je kunt vaststellen in hoeverre een klant meedoet in de samenleving. De ladder is onderverdeeld in zes treden: van sociaal geïsoleerd tot werkend zonder ondersteuning. Door dit periodiek te meten is zichtbaar te maken of de mate van participatie is verhoogd. Hiermee maken we de resultaten van het participatiebeleid transparant. De participatieladder is ontwikkeld om twee redenen: het spreken van één taal: de participatieladder is ontwikkeld voor en door gemeenten. Dankzij de participatieladder kunnen de gemeenten over de drie beleidsonderdelen (re-integratie, inburgering en educatie) in één taal spreken; er ontstaat inzicht in klanten en effecten: de participatieladder meet niet alleen hoeveel mensen er in slagen betaald werk te vinden, maar ook andere resultaten. Zoals werk met behoud van uitkering, vrijwilligerswerk, het volgen van een cursus enzovoort. Klantmanagers krijgen hierdoor een duidelijk beeld van hun caseload en kunnen vorderingen van hun klanten eenvoudig bijhouden. De doelstellingen van de participatieladder zijn vierledig: ten aanzien van de klantmanagers: een heldere focus op participatie (als hoofddoel) met inzet van voorzieningen op het gebied van re-integratie, inburgering en educatie (als middel); alle klanten beter in beeld en realisatie van een adequate aanpak (op maat); er ontstaat inzicht in de resultaten van trajecten en diensten op klantniveau in termen van beweging of stabilisatie op de lader; ondersteunend aan het integraal werken, de goede taal en visie op de ontwikkeling van de klant; het ondersteunt de collegiale intervisie ten aanzien van het beleid: de witte vlekken in het gebruik van het aanbod zijn in beeld; het is een basis voor nieuwe samenwerkingsafspraken met partners op het gebied van werk, inkomen, inburgering, educatie en zorg; ht is mogelijk een integraal participatiebeleid te formuleren; input voor de beleidsontwikkeling en het inkoopbeleid; er is een nauwe relatie met de Verzamelverordening, onderdeel re-integratie. ten aanzien van de verantwoording: met de participatieladder is het mogelijk rapportages aan de leidinggevende, het college en de gemeenteraad te genereren; de participatieladder is een basis voor het aantonen van effecten van de inzet van instrumenten. ten aanzien van de automatisering: de participatieladder is afgestemd op de re-integratiepositie Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG). De participatieladder bestaat in totaal uit zes niveaus: Trede 6: betaald werk; Trede 5: betaald werk met ondersteuning; Trede 4: onbetaald werk; Trede 3: deelname aan georganiseerde activiteiten zoals een cursus of een vereniging; Trede 2: alleen sociale contacten buitenshuis (dus geen werk of activering); Trede 1: geïsoleerd levend. De participatieladder is verdeeld in twee delen: trede één tot en met vier voor mensen zonder arbeidscontract en trede vijf en zes voor iedereen met een arbeidscontract met als hoogste trede regulier werk zonder ondersteuning. Elk participatieniveau kent een precieze afbakening. Aan de hand van een aantal vragen bepaalt het college op welke trede zij de belanghebbende indeelt. Dit gebeurt door de klantmanager, op basis van gesprekken met belanghebbende. Naast het bepalen van de trede legt het college een aantal klantkenmerken vast. Gemeenten zijn vrij om, naast deze basisset, aanvullende kenmerken op te nemen. Bij ieder periodiek heronderzoek, of eerder als daartoe aanleiding bestaat, legt het college vast op welk niveau van de participatieladder iemand zich bevindt. Daarbij beoordeelt het college ook direct of dat het maximaal haalbare niveau is, of dat de persoon in kwestie nog kan stijgen op de participatieladder. Meer informatie over de participatieladder is opgenomen in bijlage 1. Paragraaf 2.2: Voorzieningen ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde De doelstelling van de PW is om zo veel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Daarnaast is de PW bedoeld om de kansen op arbeidsparticipatie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of een arbeidsbeperking op de lange termijn te verbeteren. Gemeenten krijgen met de PW de ruimte om zelf, op lokaal niveau, te bepalen of zij ondersteuning aanbieden en zo ja, welke ondersteuning. De PW biedt gemeenten de mogelijkheid om zowel bestaande als nieuwe re-integratievoorzieningen in te zetten. In de paragraaf voorzieningen zijn alle voorzieningen opgenomen, die het college kan inzetten in het kader van de re-integratie. Deze voorzieningen zijn onderverdeeld in drie categorieën: voorzieningen ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde (paragraaf 2.2); voorzieningen ten behoeve van een werkgever (paragraaf 2.3); overige voorzieningen (paragraaf 2.4). In paragraaf 2.5 volgen de bepalingen over de 'individuele studietoeslag' en in paragraaf 2.6 de 'tegenprestatie'. In de Verzamelverordening zijn de voorwaarden gesteld die gelden bij de aanspraak op en het inzetten van een van een voorziening. Eén van de voorwaarden is opgenomen in artikel 3, vijfde lid, van de Verzamelverordening. Het gaat om de bepaling waarin is geregeld onder welke voorwaarden nuggers aanspraak kunnen maken op een voorziening. Deze criteria z

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.