Verordening op de heffing en de invordering van leges 2014De raad van de gemeente Weesp; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2013; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet en artikel 1 van de Wet van 13 oktober 2011, houdende regeling van een grondslag voor de heffing van rechten voor de Nederlandse identiteitskaart (Stb. 2011, 440); besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van leges 2014 (Verordening leges 2014). Artikel1Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: ’dag’: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; ’week’: een aaneengesloten periode van zeven dagen; ’maand’: een tijdvak van 30 achtereenvolgende dagen; 'jaar’: een tijdvak van 365 achtereenvolgende dagen; 'kalenderjaar': de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel2Belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor: a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten; b. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een Nederlandseidentiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet; een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel3Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst of van de Nederlandse identiteitskaart, dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht. Artikel4Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor: diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald; diensten met betrekking tot een aanvraag tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning, voor zover die aanvraag betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het een activiteit betreft bedoeld in artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht (omgevingsvergunning beperkte milieutoets); het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent inkomen en vermogen; het in behandeling nemen van een aanvraag voor een dienstverlening zoals genoemd in de tarieventabel voor zover deze aanvraag is gedaan door een charitatieve of algemeen nut beogende instelling danwel een daaraan gelijk te stellen instelling. Artikel5Maatstaven van heffing en tarieven De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel6Wijze van heffing Met uitzondering van het bepaalde in het lid b worden de leges geheven bij wege van aanslag. De leges, die door de afdeling burgerzaken en interne zaken wegens directe dienstverlening aan de balie in rekening worden gebracht, worden geheven bij wege van een gedagtekende kassabon met omschrijving. Artikel7Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges met toepassing van het gestelde in artikel 6 onder b worden betaald op het moment van het uit¬rei¬ken van de kassabon. De leges die met toepassing van het gestelde in artikel 6 onder a worden geheven zijn verschuldigd binnen uiterlijk één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de onder de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel8Vermindering of teruggaaf Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst wordt verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in die tarieventabel opgenomen bepaling. Artikel9Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges. Artikel10Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1De ‘Verordening leges 2013’, vastgesteld bij raadsbesluit van 13 december 2012, wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van inwerkingtreding van deze verordening, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór die datum hebben voorgedaan. 2Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. 3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014. 44. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leges 2014. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad op 12 december 2013. de raad voornoemd, de griffier, de voorzitter, Mw. M. Walrave B. Horseling Tarieventabel1 Tarieventabel leges behorende bij de Legesverordening 2014 vastgesteld in de openbare vergadering van de raad op 12 december 2013 Indeling tarieventabel Titel 1 Algemene dienstverlening Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand Hoofdstuk 2 Reisdocumenten Hoofdstuk 3 Rijbewijzen Hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens Hoofdstuk 5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister Hoofdstuk 6 Verstrekkingen op grond van Wet bescherming persoonsgegevens Hoofdstuk 7 Bestuursstukken Hoofdstuk 8 Vastgoedinformatie Hoofdstuk 9 Overige publiekszaken Hoofdstuk 10 Gemeentearchief Hoofdstuk 11 Huisvestingswet Hoofdstuk 12 Leegstandwet Hoofdstuk 13 Gemeentegarantie Hoofdstuk 15 Winkeltijdenwet Hoofdstuk 16 Kansspelen Hoofdstuk 17 Telecommunicatie Hoofdstuk 18 Verkeer en vervoer Hoofdstuk 19 Diversen: - Standplaatsen - Exploitatie horecabedrijf - Woonarken - Geluidhinder - Lozing straatkolk - Verontreiniging van de weg en van terreinen - Afschriften van stukken - Info uit geautomatiseerd systeem - Opteren/naturaliseren Nederlanderschap - Uitstel tot begraven Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning Hoofdstuk 4 Vermindering Hoofdstuk 5 Teruggaaf Hoofdstuk 6 Intrekking omgevingsvergunning Hoofdstuk 7 Wijziging omgevingsvergunning als gevolg van wijziging project Hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteiten Hoofdstuk 10 In deze titel niet benoemde beschikking Titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn Hoofdstuk 1 Horeca Hoofdstuk 2 Organiseren evenementen of markten Hoofdstuk 3 Prostitutiebedrijven Hoofdstuk 5 Leefmilieuverordening Hoofdstuk 7 In deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking (was) Titel 1 Algemene dienstverlening Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand 1.1.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een huwelijksvoltrekking of registratie van een partnerschap (deze kosten van voorbereidende werkzaamheden worden verrekend met die van de huwelijksvoltrekking of geregistreerd partnerschap, tenzij dit een zogenaamd kosteloos huwelijk betreft, of de plechtigheid geen doorgang vindt) € 56,70 € 55,60 1.1.2 Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of registratie van een partnerschap op: 1.1.2.1 maandag van 11.00 tot 12.00 uur € 200,00 1.1.2.2 maandag tot en met vrijdag van 9.00 - 17.00 uur (met uitzondering van 1.1.2.1 en de aangewezen tijden voor kosteloze voltrekking): € 434,55 € 426,05 1.1.2.3 buiten de onder 1.1.2.1 en 1.1.2.2 genoemde uren (met uitzondering van de aangewezen uren voor kosteloze voltrekking en met uitzondering van de aangewezen tijden waarop geen voltrekking van een huwelijk of geregistreerd partnerschap mogelijk is): € 852,25 € 835,55 1.1.2.4 Het onder 1.1.2.2 en 1.1.2.3 genoemde tarief wordt verhoogd met € 215,40 € 211,20 indien gebruik wordt gemaakt van een incidenteel door de gemeente hiertoe aangewezen ruimte. 1.1.3 Het tarief bedraagt voor het omzetten van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk indien daarbij gebruik gemaakt wordt van de trouwzaal of een andere door de gemeente hiertoe aangewezen ruimte op: 1.1.3.1 maandag tot en met vrijdag van 9.00 - 17.00 uur: € 434,55 € 426,05 1.1.3.2 buiten de onder 1.1.3.1 genoemde uren: € 852,25 € 835,55 1.1.3.3 Het onder 1.1.3.1 en 1.1.3.2 genoemde tarief wordt verhoogd met € 215,40 € 211,20 indien gebruik wordt gemaakt van een incidenteel door de gemeente hiertoe aangewezen ruimte. 1.1.4 Het tarief bedraagt als getuigen beschikbaar worden gesteld voor van de onder 1.1.2.en 1.1.3 bedoelde dienstverleningen, per getuige: € 28,50 € 27,95 1.1.5 Het tarief bedraagt voor het verstrekken van een trouwboekje: € 22,50 € 16,85 1.1.6 Het tarief bedraagt voor het doen van naspeuringen in de registers van de burgerlijke stand, voor ieder daaraan besteed kwartier € 14,15 € 13,85 1.1.7 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een stuk als bedoeld in artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand wordt geheven: 1.1.7.1 voor elk afschrift van een akte van de burgerlijke stand: € 12,50 € 12,10 1.1.7.2 voor elk uittreksel van een akte van geboorte, van huwelijk, van registratie van een partnerschap, van omzetting van een huwelijk in een registratie van een partnerschap, van omzetting van een registratie van een partnerschap in een huwelijk of van overlijden: € 12,50 € 12,10 1.1.7.3 voor elke verklaring van huwelijksbevoegdheid als bedoeld in artikel 49a van Boek I van het Burgerlijk Wetboek (een Nederlander wenst buiten Nederland een huwelijk aan te gaan): € 22,30 € 21,70 (was) 1.1.7.4 voor elk meertalig uittreksel uit een akte van de burgerlijke stand: € 12,50 € 12,10 Hoofdstuk 2 Reisdocumenten 1.2.1 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstekken van een reisdocument geldt het tarief dat onderdeel uitmaakt van het 'Besluit paspoortgelden' of zoals dit laatstelijk is gewijzigd. Hoofdstuk 3 Rijbewijzen 1.3.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs (de inbegrepen rijksleges zijn € 9,70) € 41,30 € 40,70 1.3.2 Het tarief genoemd in onderdeel 1.3.1 wordt bij een spoedlevering vermeerderd met (= rijksleges) € 34,10 € 34,10 1.3.3 Het onder 1.3.1 genoemde tarief wordt verhoogd met 50% van de gemeentelijke kosten (dit is exclusief de rijksleges) voor zover het oude document niet overlegd kan worden. 1.3.4 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het afgeven van een formulier ' eigen verklaring' is gelijk aan het bedrag dat op voornoemd formulier is vermeld. Hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 1.4.1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van de onderdelen 1.4.3 en 1.4.4, wordt onder één verstrekking verstaan één of meer gegevens omtrent één persoon waarvoor de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens moet worden geraadpleegd. 1.4.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.4.2.1 tot het verstrekken van gegevens, per verstrekking € 7,30 € 7,15 1.4.2.2 tot het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van gegevens gedurende de periode van één jaar: 1.4.2.2.1 voor 100 verstrekkingen € 108,05 € 105,95 1.4.2.2.2 voor 500 verstrekkingen € 433,05 € 424,55 1.4.2.2.3 voor 1.000 verstrekkingen € 650,60 € 637,85 1.4.2.2.4 voor 5.000 verstrekkingen € 2.487,75 € 2.438,95 1.4.2.2.5 voor 10.000 verstrekkingen € 4.105,85 € 4.025,35 1.4.2.3 tot het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van een opgave van verhuizingen binnen de gemeente, vertrekken uit de gemeente en vestigingen in de gemeente gedurende de periode van één jaar € 2.552,15 € 2.502,10 1.4.3 Voor de toepassing van onderdeel 1.4.4 wordt onder één verstrekking verstaan één of meer gegevens omtrent één persoon die niet zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. 1.4.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.4.4.1 tot het verstrekken van gegevens; per verstrekking € 7,30 € 7,15 (was) 1.4.4.2 tot het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van gegevens gedurende de periode van één jaar: 1.4.4.2.1 voor 100 verstrekkingen € 108,05 € 105,95 1.4.4.2.2 voor 500 verstrekkingen € 433,05 € 424,55 1.4.4.2.3 voor 1.000 verstrekkingen € 650,60 € 637,85 1.4.4.2.4 voor 5.000 verstrekkingen € 2.487,75 € 2.438,95 1.4.4.2.5 voor 10.000 verstrekkingen € 4.105,85 € 4.025,35 1.4.5 In afwijking van de voorgaande onderdelen bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens € 2,27 € 2,27 1.4.6 Het tarief bedraagt voor het op verzoek doornemen van de gemeentelijke basisadministratie, voor ieder daaraan besteed kwartier € 14,20 € 13,90 1.4.7 Het onder 1.4.2.1 genoemde tarief wordt, als de aanvraag betrekking heeft op een internationaal uittreksel, verhoogd met € 3,75 € 3,70 Hoofdstuk 5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister 1.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een inlichting betreffende de registratie van de aanvrager als kiezer bedoeld in artikel D4 van de Kieswet € 5,45 € 5,34 Hoofdstuk 6 Verstrekkingen op grond van Wet bescherming persoonsgegevens 1.6.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bericht als bedoeld in artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens: 1.6.1.1 bij verstrekking op papier, indien het afschrift bestaat uit: 1.6.1.1.1 ten hoogste 100 pagina’s, per pagina € 0,23 € 0,23 met een maximum per bericht van € 5,00 € 5,00 1.6.1.1.2 meer dan 100 pagina’s € 22,50 € 22,50 1.6.1.2 bij verstrekking anders dan op papier € 5,00 € 5,00 1.6.1.3 dat bestaat uit een afschrift van een, vanwege de aard van de verwerking, moeilijk toegankelijke gegevensverwerking € 22,50 € 22,50 1.6.2 Indien voor hetzelfde bericht op grond van de onderdelen 1.6.1.1, 1.6.1.2 en 1.6.1.3 meerdere vergoedingen kunnen worden gevraagd, wordt slechts de hoogste gevraagd. 1.6.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een verzet als bedoeld in artikel 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens € 4,50 € 5,00 (was) Hoofdstuk 7 Bestuursstukken 1.7.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van: 1.7.1.1 een exemplaar van de programmabegroting € 40,39 € 39,60 1.7.1.2 een exemplaar van het jaarrapport (bestaande uit een beleidsrekening en jaarrekening) € 74,17 € 72,72 1.7.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van: 1.7.2.1 een exemplaar van de Algemene plaatselijke verordening € 26,94 € 26,41 1.7.2.2 een exemplaar van een andere dan de onder 1.7.5.1 genoemde verordening van de gemeente voor zover niet afzonderlijk en met name in de overige artikelen van deze tarieventabel, danwel in andere rechtsregels genoemd: per bladzijde of gedeelte daarvan € 0,61 € 0,60 tot een maximum per verordening van € 26,94 € 26,41 Hoofdstuk 8 Vastgoedinformatie 1.8.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor het verstrekken van een inlichting uit de gegevens die door Dienst van het Kadaster aan de gemeente ter beschikking zijn gesteld (Kadaster-on-line), een tarief gelijk aan het tarief zoals dat is genoemd in de laatstelijk gewijzigde Regeling tarieven kadaster (Stcrt.2003, nr.244, pag.17). 1.8.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een afschrift van of uittreksel uit: 1.8.2.1 de gemeentelijke basisregistratie adressen of de gemeentelijke basisreistratie gebouwen, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen € 11,25 1.8.2.5 het gemeentelijke beperkingenregister of de gemeentelijke beperkingenregistratie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen, dan wel tot het verstrekken van een aan die registratie ontleende verklaring, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen € 11,25 € 11,04 Hoofdstuk 9 Overige publiekszaken 1.9 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.9.1 tot het verstrekken van een verklaring omtrent het gedrag (de inbegrepen rijksleges zijn € 22,55) € 30,05 € 30,05 1.9.2 tot het verstrekken van een bewijs van in leven zijn (attestatie de vita), anders dan een internationaal bewijs als bedoeld in 1.1.7.1 € 7,30 € 7,15 1.9.3 tot het verstrekken van een legalisatie van een handtekening € 7,30 € 7,15 1.9.4 tot het verstrekken van een persoonslijst € 10,80 € 10,60 1.9.5 tot het waarmerken van een kopie van een rijbewijs ten behoeve van een chauffeurspas € 7,30 € 7,15 (was) Hoofdstuk 10 Gemeentearchief 1.10.1 Het tarief bedraagt voor het op verzoek doen van naspeuringen in de in het gemeentearchief berustende stukken, voor ieder daaraan besteed kwartier € 15,40 € 15,10 1.10.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het per e-mail verstrekken van een scan van een foto uit de fotoverzameling van het gemeentearchief: € 1,75 € 1,70 Hoofdstuk 11 Huisvestingswet 1.11 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.11.1 tot het verlenen van een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet € 33,78 € 33,12 1.11.2 tot het inschrijven in een register van woningzoekenden als bedoeld in artikel 14 van de Huisvestingswet € 13,61 € 13,61 1.11.3 tot het op grond van artikel 2.6.2 van de Huisvestingsverordening 1994 in behandeling nemen van een verzoek om toekenning van een urgentie aan woningzoekenden die wegens een noodsituatie met voorrang voor een woning in aanmerking wensen te komen. € 75,00 € 75,00 Hoofdstuk 12 Leegstandwet Leegstandwet 1.12 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.12.1 tot het verlenen van een vergunning tot tijdelijke verhuur van leegstaande woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet € 33,78 € 33,12 1.12.2 tot het verlengen van een vergunning tot tijdelijke verhuur van woonruimte als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Leegstandwet € 33,78 € 33,12 Hoofdstuk 13 Gemeentegarantie 1.13 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het instemmen met het wijzigen of omzetten van een door de gemeente gegarandeerde hypothecaire geldlening € 36,28 € 35,57 Hoofdstuk 15 Winkeltijdenwet 1.15 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.15.1 voor een ontheffing in het kader van de Winkeltijdenwet of het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet € 29,89 € 29,30 1.15.2 tot het verlenen van toestemming om een in onderdeel 1.15.1 bedoelde ontheffing over te dragen aan een ander € 14,93 € 14,64 1.15.3 tot het intrekken of wijzigen van een in onderdeel 1.15.1 bedoelde ontheffing € 14,93 € 14,64 Hoofdstuk 16 Kansspelen 1.16.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen: 1.16.1.1 voor onbepaalde tijd voor de eerste kansspelautomaat € 226,50 € 226,50 en voor iedere volgende kansspelautomaat € 136,00 € 136,00 (was) 1.16.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen (loterijvergunning) € 29,89 € 29,30 1.16.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot het exploiteren of doen exploiteren van een speelgelegenheid als bedoeld in artikel 2:41 van de Algemene plaatselijke verordening € 91,80 € 90,00 Hoofdstuk 17 Telecommunicatie 1.17.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een melding in verband met het verkrijgen van instemming omtrent plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet € 167,37 € 164,09 1.17.1.1 indien met betrekking tot een melding overleg moet plaatsvinden tussen gemeente, andere beheerders van openbare grond en de aanbieder van het netwerk, wordt het onder 1.17.1 genoemde bedrag verhoogd met € 83,69 € 82,05 1.17.1.2 indien met betrekking tot een melding onderzoek naar de status van de kabel plaatsvindt, verhoogd met het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de melding aan de melder meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. 1.17.2 Indien een begroting als bedoeld in 1.17.1.2 is uitgebracht, wordt een melding in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de melder ter kennis is gebracht, tenzij de melding voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. Hoofdstuk 18 Verkeer en vervoer 1.18.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een 1.18.1.1 aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 € 31,60 € 31,00 1.18.1.2 aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 9.1 van de Regeling voertuigen € 31,60 € 31,00 1.18.1.3 aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, anders dan bedoeld in onderdeel 1.18.1.1 en 1.18.1.2 € 29,89 € 29,30 1.18.1.4 aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 5 van de Wet personenvervoer € 29,89 € 29,30 Gehandicapten 1.18.1.5 eerste aanvraag tot het verlenen van een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer met medische keuring (BABW) € 282,50 1.18.1.6 aanvraag tot het verlengen van een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer zonder medische keuring (BABW) € 23,15 € 22,70 (was) 1.18.1.7 aanvraag tot het verlengen van een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in artikel 49 van eht Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer met medische keuring (BABW) € 167,93 1.18.1.8 aanvraag tot het aanleggen (incl. weghalen) van een gehandicaptenparkeerplaats € 240,00 € 118,89 Wet vervoer gevaarlijke stoffen 1.18.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 22 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen: 1.18.2.1 voor een eenmalige ontheffing € 68,62 € 67,27 1.18.2.2 voor een ontheffing met een geldigheidsduur van maximaal één jaar € 110,62 € 108,45 1.18.2.3 voor een verlenging van de onder 1.18.2.2 bedoelde ontheffing € 91,57 € 89,77 Hoofdstuk 19 Diversen Diversen 1.19.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: Standplaatsen 1.19.1.1 tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:18, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening € 87,01 € 85,30 Exploitatie horecabedrijf 1.19.1.2 tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:29, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening € 109,47 € 107,32 1.19.1.2.1 tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:29, zevende lid, van de Algemene plaatselijke verordening (terrasvergunning) € 29,89 € 29,30 Woonarken 1.19.1.3 tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:27 van de Algemene plaatselijke verordening € 243,93 € 239,15 Geluidhinder 1.19.1.4 voor het verrichten van een geluidsmeting en het opstellen van het daaraan gekoppelde gemeentelijke advies per half uur of gedeelte daarvan € 32,60 € 31,96 1.19.1.4.1 voor het verrichten van een geluidsmeting en het opstellen van het daaraan gekoppelde advies door derden, worden deze vooraf aan de aanvrager meegedeelde kosten berekend aan de hand van het begrote aantal daarmee gemoeide uren, tegen een uurtarief van € 108,82 € 106,69 Voor de toepassing hiervan wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting van de bedoelde kosten aan de aanvrager ter kennis zijn gebracht. 1.19.1.4.2 tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening € 74,36 € 72,90 Lozing straatkolk 1.19.1.5 tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening € 74,19 € 72,74 (was) 1.19.1.6 Verontreiniging van de weg en van terreinen tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:9, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening € 195,91 € 192,07 Afschriften van stukken 1.19.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van: gewaarmerkte afschriften van stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per pagina 1.19.2.1 op A3 formaat € 2,28 € 2,23 1.19.2.2 op A4 formaat € 1,13 € 1,11 afschriften, doorslagen of fotokopieën van stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per pagina 1.19.2.3 op A3 formaat € 0,58 € 0,57 1.19.2.4 op A4 formaat € 0,30 € 0,30 1.19.2.5 op A3 formaat in kleur € 1,73 € 1,70 1.19.2.6 op A4 formaat in kleur € 0,86 € 0,85 afschriften van exemplaren van door een reproductiemedewerker vervaardigde nota's, boekwerken, rapporten en dergelijke, welke meer dan 10 bladzijden tellen met een maximum van 25 bladzijden 1.19.2.7 op A3 formaat € 6,98 € 6,84 1.19.2.8 op A4 formaat € 3,51 € 3,44 1.19.2.9 meer dan 25 bladzijden, per pagina boven de 25 bladzijden: 1.19.2.10 op A3 formaat € 0,11 € 0,11 1.19.2.11 op A4 formaat € 0,05 € 0,05 1.19.2.12 afschriften van kaarten, tekeningen en lichtdrukken, al dan niet behorend bij de in de onderdelen 1.19.2.1 tot en met 1.19.2.6 genoemde stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per kaart, tekening of lichtdruk (standaard is A0 formaat) € 13,90 € 13,63 1.19.2.13 afdrukken van digitale kaarten: 1.19.2.14 op A0 formaat (841x1189
- mm)€ 38,36 € 37,61 1.19.2.15 op A1 formaat (594x841mm) € 25,07 € 24,58 1.19.2.16 op A2 formaat (420x594
- mm)€ 18,42 € 18,06 1.19.2.17 een plot van grafisch weergegeven kaarten 1.19.2.18 op A3 formaat € 9,72 € 9,53 1.19.2.19 op A4 formaat € 9,38 € 9,20 1.19.2.20 een beschikking op aanvraag, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen € 29,89 € 29,30 1.19.2.21 stukken of uittreksels, welke op aanvraag van de aanvrager moeten worden opgemaakt, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per pagina € 0,31 € 0,31 (was) Informatie uit geautomatiseerd systeem 1.19.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van inlichtingen of gegevens vanuit een bestand, waarbij gebruik dient te worden gemaakt van een geautomatiseerd systeem, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen 1.19.3.1 per inlichting of gegeven € 1,63 € 1,60 met een minimum van € 5,45 € 5,34 Opteren/naturaliseren Nederlanderschap 1.19.4 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot opteren en/of naturaliseren van het Nederlanderschap geldt het tarief dat onderdeel uitmaakt van het 'Besluit Optie- en Naturalisatiegelden 2002' of zoals dit laatstelijk is gewijzigd. Uitstel tot begraven 1.19.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van toestemming tot uitstel van begraven als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de lijkbezorging € 10,51 € 10,30 (was) Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/ omgevingsvergunning Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen 2.1.1 Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: 2.1.1.1 aanlegkosten: de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt, een raming van de aanlegkosten, de omzetbelasting niet inbegrepen. Indien de werken of werkzaamheden geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschieden wordt in deze titel onder aanlegkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor de werken of werkzaamheden waarop de aanvraag betrekking heeft; 2.1.1.2 bouwkosten: de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; 2.1.1.3 Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 2.1.2 In deze titel voorkomende begrippen die in de Wabo zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als bij of krachtens de Wabo bedoeld. 2.1.3 In deze titel voorkomende begrippen die niet nader in de Wabo zijn omschreven en die betrekking hebben op activiteiten waarvoor het toetsingskader in een ander wettelijk voorschrift is uitgewerkt, hebben dezelfde betekenis als in dat wettelijk voorschrift bedoeld. Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning 2.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd. (was) 2.3.1 Bouwactiviteiten 2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief: 2.3.1.1.1 2,9% van de bouwkosten met een minimum van € 208,10. Achteraf ingediende aanvraag (extra leges) 2.3.1.4 Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1.1 bedraagt het tarief, indien de in dat onderdeel bedoelde aanvraag wordt ingediend na aanvang of gereedkomen van de bouwactiviteit: 10% 10% extra, derhalve bovenop de op grond van dat onderdeel verschuldigde leges met een maximum van: € 1.077,13 € 1.056,01 2.3.2 Aanlegactiviteiten 2.3.2.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo, bedraagt het tarief: 2.3.2.2 1% van de aanlegkosten, met een minimum van: € 54,66 € 53,59 als de aanlegkosten niet meer bedragen dan € 10.000 2.3.2.3 0,8% van de aanlegkosten met een minimum van: € 109,32 € 107,18 als de aanlegkosten meer bedragen dan € 10.000 2.3.3 Planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake is van een bouwactiviteit Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1: 2.3.3.1 indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo wordt toegepast (binnenplanse afwijking), wordt het op grond van onderdeel 2.3.1.1 verschuldigde bedrag verhoogd met: € 382,65 € 375,15 2.3.3.2 indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo wordt toegepast (buitenplanse kleine afwijking) wordt het op grond van onderdeel 2.3.1.1 verschuldigde bedrag verhoogd met: € 382,65 € 375,15 2.3.3.3 indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo wordt toegepast (buitenplanse afwijking) wordt het op grond van onderdeel 2.3.1.1 verschuldigde bedrag verhoogd met: € 382,65 € 375,15 2.3.3.4 indien artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo wordt toegepast (tijdelijke afwijking) wordt het op grond van onderdeel 2.3.1.1 verschuldigde bedrag verhoogd met: € 382,65 € 375,15 2.3.3.5 indien artikel 2.12, eerste lid, onder b, van de Wabo wordt toegepast (afwijking van exploitatieplan) wordt het op grond van onderdeel 2.3.1.1 verschuldigde bedrag verhoogd met: € 302,03 € 296,11 2.3.3.6 indien de aanvraag een project van provinciaal belang betreft, de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt toegepast (afwijking van provinciale regelgeving) wordt het op grond van onderdeel 2.3.1.1 verschuldigde bedrag verhoogd met: € 382,65 € 375,15 (was) 2.3.3.7 indien de aanvraag een project van nationaal belang betreft, de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt toegepast (afwijking van nationale regelgeving) wordt het op grond van onderdeel 2.3.1.1 verschuldigde bedrag verhoogd met: € 382,65 € 375,15 2.3.3.8 indien artikel 2.12, eerste lid, onder d, van de Wabo wordt toegepast (afwijking van voorbereidingsbesluit) wordt het op grond van onderdeel 2.3.1.1 verschuldigde bedrag verhoogd met: € 382,65 € 375,15 Maximum leges bij relatief kleine bouwplannen 2.3.3.1.1 Voor zover de leges op grond van onderdeel 2.3.1 zijn verschuldigd over een bouwsom van minder dan € 3.500,00 is het in 2.3.3.2 tot en met 2.3.3.8 genoemde tarief niet van toepassing, maar bedraagt het tarief bij activiteiten als bedoeld onder 2.3.3, onverminderd het bepaalde bij onderdeel 2.3.1: 5% van de bouwkosten met een maximum van € 382,65. 2.3.4 Planologisch strijdig gebruik waarbij geen sprake is van een bouwactiviteit Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en niet tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief: 2.3.4.1 indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo wordt toegepast (binnenplanse afwijking): € 382,65 € 375,15 2.3.4.2 indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo wordt toegepast (buitenplanse kleine afwijking): € 382,65 € 375,15 2.3.4.3 indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo wordt toegepast (buitenplanse afwijking): € 382,65 € 375,15 2.3.4.4 indien artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo wordt toegepast (tijdelijke afwijking) € 382,65 € 375,15 2.3.4.5 indien artikel 2.12, eerste lid, onder b, van de Wabo wordt toegepast (afwijking van exploitatieplan): € 382,65 € 375,15 2.3.4.6 indien de aanvraag een project van provinciaal belang betreft, de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt toegepast (afwijking van provinciale regelgeving): € 382,65 € 375,15 2.3.4.7 indien de aanvraag een project van nationaal belang betreft, de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt toegepast (afwijking van nationale regelgeving): € 382,65 € 375,15 2.3.4.8 indien artikel 2.12, eerste lid, onder d, van de Wabo wordt toegepast (afwijking van voorbereidingsbesluit): € 302,03 € 296,11 (was) 2.3.5 In gebruik nemen of gebruiken bouwwerken in relatie tot brandveiligheid 2.3.5.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo, bedraagt het tarief: € 292,97 € 287,23 2.3.5.1.1 het tarief onder 2.3.5.1 wordt vermeerderd met de navolgende bedragen indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk of een gedeelte ervan 2.3.5.1.2 met een bruto vloeroppervlakte < 50 m2 € 366,22 € 359,04 2.3.5.1.3 met een bruto vloeroppervlakte van 50 tot 200 m2 € 805,75 € 789,95 2.3.5.1.4 met een bruto vloeroppervlakte van 200 tot 2.000 m2 € 1.684,73 € 1.651,70 2.3.5.1.5 met een bruto vloeroppervlakte > 2.000 m2 € 2.563,67 € 2.513,40 2.3.5.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van een verleende gebruiksvergunning € 186,62 € 182,96 2.3.6 Activiteiten met betrekking tot monumenten 2.3.6.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, of op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo met betrekking tot een krachtens provinciale verordening aangewezen monument, waarvoor op grond van die provinciale verordening een vergunning of ontheffing is vereist, bedraagt het tarief: 2.3.6.1.1 1% van de bouwkosten met een minimum van € 71,40 2.3.6.2 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de Wabo, op het slopen van een bouwwerk in een krachtens provinciale verordening of gemeentelijke verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder c, van de Wabo, waarvoor op grond van die provinciale verordening of van die gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, bedraagt het tarief: € 109,32 € 107,18 2.3.7 Sloopactiviteiten anders dan bij monumenten of in beschermd stads- of dorpsgezicht 2.3.7.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo, bedraagt het tarief: € 109,32 € 107,18 2.3.7.2 Asbesthoudende materialen Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.7.1 bedraagt het tarief, indien de in die onderdelen bedoelde aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk waarin asbest of een asbesthoudend product aanwezig is: € 54,66 € 53,59 (was) Aanleggen of veranderen weg 2.3.8 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het aanleggen van een weg of verandering brengen in de wijze van aanleg van een weg waarvoor op grond van een bepaling in een provinciale verordening of artikel 2:11 lid 1 van de Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, als bedoeld in artikel 2.2, aanhef en eerste lid, onder d, van de Wabo, bedraagt het tarief: € 58,03 € 56,89 2.3.10 Kappen Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het vellen of doen vellen van houtopstand, waarvoor op grond van een bepaling in een provinciale verordening of artikel 4:19 van de Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, bedraagt het tarief: € 36,28 € 35,57 2.3.12 Projecten of handelingen in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 2.3.12.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op handelingen in een beschermd natuurgebied die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor de dieren of planten, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 bedraagt het tarief: € 58,03 € 56,89 2.3.12.2 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het realiseren van projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats en soorten in een door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen gebied als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 € 58,03 € 56,89 2.3.13 Handelingen in het kader van de Flora- en Faunawet Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een handeling waarvoor op grond van artikel 75, derde lid, van de Flora- en Faunawet ontheffing nodig is, bedraagt het tarief € 58,03 € 56,89 2.3.14 Andere activiteiten Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het verrichten van een andere activiteit of handeling dan in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedoeld en die activiteit of handeling: 2.3.14.1 behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, bedraagt het tarief: € 127,35 € 124,85 2.3.14.2 behoort tot een bij provinciale verordening, gemeentelijke verordening of waterschapsverordening aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo, bedraagt het tarief: n.v.t. n.v.t. (was) 2.3.14.2.1 als het een gemeentelijke verordening betreft: het bedrag dat op grond van deze tarieventabel voor de betreffende vergunning of ontheffing verschuldigd is als de activiteit zou worden uitgevoerd zonder omgevingsvergunning. Als de activiteit in geen enkele geval kan worden uitgevoerd zonder omgevingsvergunning bedraagt het tarief: € 127,35 € 124,85 2.3.14.2.2 als het een provinciale of waterschapsverordening betreft: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. Indien een begroting als bedoeld in de eerste volzin is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. € 127,35 € 124,85 2.3.15 Omgevingsvergunning in twee fasen Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning op verzoek in twee fasen plaatsvindt, als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo, bedraagt het tarief: 2.3.15.1 voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een beschikking met betrekking tot de eerste fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de eerste fase betrekking heeft; 2.3.15.2 voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een beschikking met betrekking tot de tweede fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de tweede fase betrekking heeft. 2.3.15.3 In afwijking in zoverre van de uit artikel 2.3.15.1 en 2.3.15.2 voortvloeiende tarieven, bedraagt het tarief voor zover sprake is van bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3.1: 2.3.15.3.1 2,2% van de bouwkosten met een minimum van € 156,05 2.3.16 Beoordeling bodemrapport Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien krachtens wettelijk voorschrift voor de in dat onderdeel bedoelde aanvraag een bodemrapport wordt beoordeeld: 2.3.16.1 voor de beoordeling van een milieukundig bodemrapport € 62,58 € 61,35 2.3.16.2 voor de beoordeling van een archeologisch bodemrapport € 62,58 € 61,35 (was) 2.3.17 Advies 2.3.17.1 Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wettelijk voorschrift aangewezen bestuursorgaan of andere instantie advies moet uitbrengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. 2.3.17.2 Indien een begroting als bedoeld in 2.3.17.1 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. 2.3.18 Verklaring van geen bedenkingen 2.3.18.1 Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend, als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo: 2.3.18.1.1 indien de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven: € 382,65 € 375,15 2.3.18.1.2 indien een ander bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. 2.3.18.2 Indien een begroting als bedoeld in 2.3.18.1.2 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. Hoofdstuk 4 Vermindering 2.4.2 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op meer dan vijf activiteiten, bestaat aanspraak op vermindering van leges, met uitzondering van het legesdeel in verband met adviezen of verklaringen van geen bedenkingen als bedoeld in de onderdelen 2.3.17 en 2.3.18. De vermindering bedraagt: 2.4.2.1 bij 5 tot 10 activiteiten: 10% 10% van de voor die activiteiten verschuldigde leges; 2.4.2.2 bij 10 tot 15 activiteiten: 15% 15% van de voor die activiteiten verschuldigde leges; 2.4.2.3 bij 15 of meer activiteiten: 20% 20% van de voor die activiteiten verschuldigde leges. (was) Hoofdstuk 5 Teruggaaf 2.5.1 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten 2.5.1.1 Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten, als bedoeld in de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 en 2.3.15.3, intrekt terwijl deze reeds in behandeling is genomen door de gemeente, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: 75% 75% 2.5.2 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten Als de gemeente een verleende omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-,aanleg-of sloopactiviteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 en 2.3.15.3, intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges, mits van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt: 25% 25% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges. 2.5.3 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten 2.5.3.1 Als de gemeente een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 of 2.3.15.3 weigert, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: 50% 50% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges. 2.5.3.2 Onder een weigering bedoeld in onderdeel 2.5.3.1 wordt mede verstaan een vernietiging van de beschikking waarbij de vergunning is verleend bij rechterlijke uitspraak. 2.5.4 Minimumbedrag voor teruggaaf Een bedrag minder dan € 111,64 € 109,45 wordt niet teruggegeven 2.5.5 Geen teruggaaf legesdeel advies of verklaring van geen bedenkingen Van de leges verschuldigd op grond van de onderdelen 2.3.17 en 2.3.18 wordt geen teruggaaf verleend. Hoofdstuk 6 Intrekking omgevingsvergunning 2.6 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder b, van de Wabo, tenzij onderdeel 2.5.2 van toepassing is: € 58,03 € 56,89 (was) Hoofdstuk 7 Wijziging omgevingsvergunning als gevolg van wijziging project 2.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning als gevolg van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project: € 58,03 € 56,89 Hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteiten 2.8.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening: € 5.547,21 € 5.438,44 2.8.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,onder a, van de Wet ruimtelijke ordening: € 5.547,21 € 5.438,44 Hoofdstuk 1 In deze titel niet benoemde beschikking 2.11 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een andere, in deze titel niet benoemde beschikking: € 31,29 € 30,68 (was) Titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn Hoofdstuk 1 Horeca 3.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van: 3.1.1 een aanvraag tot het verlenen van een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet € 181,01 € 177,46 3.1.2 een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot het exploiteren van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:29 van de Algemene plaatselijke verordening € 255,00 € 250,00 3.1.3 een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing van de sluitingstijd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:30, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening € 40,80 € 40,00 3.1.4 een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Drank- en Horecawet € 40,80 € 40,00 3.1.5 een melding als bedoeld in artikel 30 van de Drank- en Horecawet € 29,89 € 29,30 3.1.6 een aanvraag tot het wijzigen van het aanhangsel als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Drank- en Horecawet € 61,20 € 60,00 3.1.7 een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Drank- en Horecawet € 29,89 € 29,30 Hoofdstuk 2 Organiseren evenementen of markten 3.2.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning voor het organiseren van een evenement als bedoeld in artikel 2:26, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening, indien het betreft: 3.2.1.1 een grootschalig evenement of een evenement met verhoogd risicoprofiel € 112,61 € 110,40 3.2.1.2 een herdenkingsplechtigheid € 56,29 € 55,19 3.2.1.3 een braderie € 56,29 € 55,19 3.2.1.4 een optocht, niet zijnde een betoging, op de weg € 39,41 € 38,64 3.2.1.5 een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg € 56,29 € 55,19 3.2.1.6 een klein evenement (als bedoeld in artikel 2:25 lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening) dat niet voldoet aan de eisen tot vergunningvrijstelling als bedoeld in artikel 2:26, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening € 39,41 € 38,64 Hoofdstuk 3 Prostitutiebedrijven 3.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: 3.3.1 een exploitatievergunning of wijziging van een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening, anders dan een wijziging bedoeld in onderdeel 3.3.2 3.3.1.1 voor een seksinrichting € 382,65 € 375,15 3.3.1.2 voor een escortbedrijf € 382,65 € 375,15 3.3.2 wijziging van een exploitatievergunning in verband met uitsluitend een wijziging van het beheer in een seksinrichting of escortbedrijf, als bedoeld in atikel 3:15, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening € 58,03 € 56,89 (was) Hoofdstuk 5 Leefmilieuverordening 3.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een ontheffing of vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Leefmilieuverordening Weesp € 43,52 € 42,67 Hoofdstuk 7 In deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking 3.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een andere, in deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking € 58,03 € 56,89 Behorende bij raadsbesluit van 12 december 2013 Voor eensluidend afschrift. De griffier van Weesp, M.Walrave De ontbrekende hoofdstukken/nummers zjin in Weesp niet van toepassing. Toelichting tarieventabel 20142 Toelichting op de tarieventabel 2014 (behorende bij de 'Verordening leges 2014' vastgesteld door de raad op 12 december 2013) 1 Algemeen 1.1 Inleiding De tarieventabel maakt deel uit van de verordening. In de tarieventabel zijn diensten opgenomen waarvoor de meeste gemeenten leges heffen. De tarieventabel is afgeleid van het model van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 1.2 Indeling van de tarieventabel Gelet op artikel 229b van de Gemeentewet en de (on)mogelijkheden tot kruissubsidiëring als gevolg van de Europese Dienstenrichtlijn en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (zie de toelichting op artikel 5 van de verordening) is de tarieventabel in drie titels onderverdeeld: - titel 1 Algemene dienstverlening; - titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning; - titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn. De nummering van de onderdelen in de tarieventabel is als volgt: titel.hoofdstuk.onderdeel.subonderdeel.subsubonderdeel. Kruissubsidiëring Binnen titel 1 is kruissubsidiëring mogelijk tussen de verschillende hoofdstukken. Hetzelfde geldt voor titel 2. De wetgever gaat er bij de omgevingsvergunning van uit dat alleen binnen de omgevingsvergunning kruissubsidiëring kan worden toegepast en niet met dienstverlening daarbuiten. Overigens hebben wij in titel 2 ook een paar andere diensten opgenomen die verband houden met de fysieke leefomgeving of de omgevingsvergunning (hoofdstukken 2, 8 en 9). Op basis van artikel 13, tweede lid, van de Europese Dienstenrichtlijn geldt voor titel 3 dat slechts kruissubsidiëring binnen elk hoofdstuk mogelijk is. Een hoofdstuk in titel 3 betreft een individueel vergunningstelsel dan wel een cluster van samenhangende vergunningstelsels. Elk hoofdstuk van titel 3 dient de gemeente te controleren op kostendekkendheid. Indien uit controle blijkt dat er op het betreffende vergunningstelsel of samenhangende vergunningstelsels winst wordt gemaakt, dienen de tarieven te worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid. Een en ander betekent dat (ook) bij de leges een nauwkeurige, op controleerbare wijze vastgelegde kostentoerekening nodig is. Voor de tariefstelling moet de gemeente nagaan wat de kostprijs van de verschillende diensten is. Vervolgens kan de gemeente een beslissing nemen over de mate van kruissubsidiëring (voor zover mogelijk) tussen de verschillende diensten en de mate waarin zij het profijtbeginsel wil laten doorwerken in het tarief. Zie het model kostenonderbouwing leges omgevingsvergunning, te vinden op www.vng.nl. 1.3 Belastbare feit In de toelichting op artikel 2 van de modelverordening staat dat is gekozen voor het omschrijven van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’ en niet als ‘het afgeven van een vergunning’. Dit heeft namelijk als voordeel dat de leges al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag. Voor het overige verwijzen wij naar wat hierover is opgemerkt in de toelichting op artikel 2 van de modelverordening. 1.4 Hoogte van de tarieven In de tarieventabel zijn geen voorbeelden van tarieven opgenomen (zie het algemeen deel van de toelichting). In de toelichting op artikel 5 hebben wij aandacht besteed aan de tariefstelling, de kostendekkendheid van de leges, de mogelijkheid van kruissubsidiëring en toepassing van het profijtbeginsel. Voor een aantal diensten is de hoogte van het te heffen legesbedrag wettelijk geregeld. Dit geldt onder andere voor de diensten opgenomen in het Legesbesluit akten burgerlijke stand. Voor een aantal andere diensten is wettelijk geregeld dat de tarieven niet boven een bepaald bedrag uit mogen gaan (in de tabel onderstreept aangegeven). Gemeenten mogen wel een lager bedrag opnemen dan het in de wettelijke regeling genoemde maximum. Stukken die worden verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703) hoeven niet gratis of tegen een gelimiteerd bedrag verstrekt te worden. Voor het door het rijk verstrekken van fotokopieën van schriftelijke stukken kunnen op grond van artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur bij of krachtens algemene maatregel van bestuur tarieven vastgesteld worden. Deze tarieven binden gemeenten echter niet. Gemeenten moeten hiervoor dus zelf een regeling treffen, bijvoorbeeld in de legesverordening. Leges voor het in behandeling nemen van WOB-verzoeken Stukken die worden verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB; Stb. 1991, 703) hoeven niet gratis of tegen een gelimiteerd bedrag verstrekt te worden. Voor het door het rijk verstrekken van fotokopieën van schriftelijke stukken kunnen op grond van artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur bij of krachtens algemene maatregel van bestuur tarieven vastgesteld worden. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 31 mei 2011 aan de Tweede Kamer geschreven met nadere plannen over de WOB te komen (Kamerstukken II 2010/11, 32802, nr. 1). Een vervolg op deze brief heeft de minister op 13 januari 2012 aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2011/12, 32802, nr. 3). Er komt een uniforme kostenregeling waarbij – in lijn met het Verdrag van Tromsø – in de Wob wordt opgenomen dat ten hoogste de werkelijke kosten van reproductie en levering in rekening mogen worden gebracht (marginale verstrekkingskosten). Op 2 juli 2012 is een conceptwetsvoorstel tot aanpassing van de WOB voor consultatie op internet geplaatst (www.internetconsultatie.nl). Daarnaast is op 5 juli 2012 een initiatief wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken 33328). In afwachting van de nadere plannen zijn nog geen wijzigingen aangebracht in de modelverordening leges. 1.5 Te heffen bedrag moet blijken uit de verordening Een belastingplichtige moet uit de (leges)verordening de hoogte van het van hem te heffen bedrag kunnen afleiden. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 217 van de Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat de belastingverordening onder andere het tarief moet vermelden. Dit wil niet zeggen dat de verordening het bedrag van de belasting moet vermelden. In zijn arrest van 22 juli 1985 (nr. 22.780, BNB 1985/259, Belastingblad 1985, blz. 493, gemeente IJlst) overwoog de Hoge Raad namelijk dat de verordening niet het bedrag van de belasting behoeft te vermelden, maar dat ook op andere wijze kan worden aangegeven tot welke belastingverplichtingen het belastbare feit leidt, mits daarbij op voldoende duidelijke wijze aan de belastingplichtige inzicht wordt gegeven in het beloop van het van hem te heffen bedrag. De bepaling in de verordening van de gemeente IJlst op grond waarvan bepaalde legesbedragen konden worden verhoogd met de kosten van door de gemeente in te winnen externe adviezen, gaf de belastingplichtige naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende inzicht in het beloop van het van hem te heffen bedrag, en was zodoende onverbindend. Het komt bij gemeenten regelmatig voor dat voor het in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van een vergunning (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten) het advies van een extern bureau gevraagd wordt. Doorberekenen externe kosten Om de kosten van die externe adviesverlening toch te kunnen doorberekenen staat de gemeenten na het hiervoor genoemde arrest een aantal oplossingen ter beschikking: 1 verwerken in bestaande tarieven; 2 opnemen van een maximumtarief; 3 begrotingsconstructie. Ad 1 Verwerken in bestaande tarieven Allereerst kan de gemeente ervoor kiezen de externe advieskosten in de bestaande tarieven te verwerken. Nadeel hiervan is dat de kosten niet individueel aan de aanvragers van de dienst kunnen worden toegerekend. Ad 2 Opnemen van een maximumtarief Verder lijkt het opnemen van een maximumtarief voor het doorberekenen van externe advieskosten in bepaalde gevallen toelaatbaar te zijn. In het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 1989 (nr. 25.996, BNB 1989/127, Belastingblad 1989, blz. 320, gemeente Zoetermeer) wordt het vermelden van een maximum van ƒ 250.000,- niet toelaatbaar geacht omdat dit maximum zo hoog is dat het behoudens zeer uitzonderlijke gevallen geen wezenlijke functie vervult. Zodoende laat de bepaling naar het oordeel van de Hoge Raad de belastingplichtige in het onzekere over de omvang van het van hem te heffen bedrag. De formulering van de Hoge Raad geeft aanleiding te veronderstellen dat als een bepaling een maximumtarief bevat en de hoogte van dat tarief een wezenlijke functie vervult, de belastingplichtige op voldoende duidelijke wijze inzicht heeft in het beloop van het van hem te heffen bedrag. Toekomstige jurisprudentie zal nader invulling moeten geven over de vraag in welke gevallen er sprake is van een maximumtarief dat een wezenlijke functie vervult. Ad 3 Begrotingsconstructie Ten slotte bestaat de mogelijkheid in de verordening de zogenaamde ‘begrotingsconstructie’ op te nemen. De systematiek van deze constructie is als volgt. Is voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning een extern advies noodzakelijk dan wordt door de externe adviseur opgaaf aan de gemeente gedaan over de hoogte van de door hem voor de aanvraag in rekening te brengen kosten. Deze kosten worden voor het in behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager van de vergunning meegedeeld in een door of vanwege het college van burgemeester en wethouders opgestelde begroting. Gedurende een periode van vijf dagen na het overleggen van de begroting kan de aanvrager van de vergunning de aanvraag nog intrekken. Reageert de aanvrager niet binnen genoemde vijf dagen dan geldt als dag van het in behandeling nemen van de aanvraag de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht. De begrotingsconstructie is door het Hof ‘s-Gravenhage aanvaard in zijn uitspraak van 12 juli 1989, nr. 2995/88, Belastingblad 1990, blz. 307, (gemeente Zoetermeer) en door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 2 december 2005, nr. 40079, LJN: AR7769 (gemeente Heerde). De begrotingsconstructie kan worden gebruikt bij het doorberekenen van de externe advieskosten bij aanvragen tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning (zie de onderdelen 1.18, 2.3.17 en 2.3.18 van de tarieventabel). Voor de wijze van redigeren van een bepaling in de verordening verwijzen wij dan ook naar deze onderdelen. Ook bij het doorberekenen van publicatiekosten kan deze constructie gebruikt worden. Overigens heeft de minister van Binnenlandse Zaken zich in het kader van het (in 1996 afgeschafte) preventief toezicht op belastingverordeningen op het standpunt gesteld dat het hanteren van de begrotingsconstructie uitsluitend toelaatbaar is voor het doorberekenen van externe advieskosten, en niet voor het doorberekenen van interne advieskosten. Weesp maakt voor het doorberekenen van de kosten van interne dienstverlening alleen gebruik van de begrotingsconstructie, indien niet met een gemiddeld tarief kan worden gewerkt. Titel 1, Algemene dienstverlening (toelichting bij de tariefnummers) Algemeen Deze titel hebben wij ‘algemene dienstverlening’ genoemd ter onderscheiding van de twee andere titels. Binnen deze titel bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen. Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting In artikel 4 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld dat gemeenten gelegenheid moeten geven tot een kosteloze huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. De ambtenaar van de burgerlijke stand bepaalt de daarvoor bestemde dagen en uren. Sinds 1 maart 2009 is het niet meer mogelijk een huwelijk om te zetten in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Voor het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap is het voldoende als gelegenheid wordt gegeven tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap op het gemeentehuis. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap in een bijzonder huis. Onderdelen 1.1.1 en 1.1.2 Huwelijksvoltrekking, registratie partnerschap en omzetting Artikel 5, tweede lid, van de Wet rechten burgerlijke stand schept de mogelijkheid leges te heffen voor het voltrekken van een huwelijk, registratie van een partnerschap of omzetting van een partnerschap op andere dagen en uren dan waarop is bepaald dat dit kosteloos kan (zie Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting). De onderdelen 1.1.2 en 1.1.3 van de tarieventabel hebben dus betrekking op de huwelijken of registraties van partnerschappen, onderscheidenlijk omzettingen van partnerschappen die niet kosteloos geschieden. Daarbij is de mogelijkheid geboden de hoogte van de te heffen leges afhankelijk te stellen van de dag en het uur waarop het huwelijk of de registratie van het partnerschap wordt voltrokken of de omzetting van het geregistreerd partnerschap plaatsvindt. Ook andere vormen van differentiatie zijn denkbaar. Daarbij valt te denken aan het al of niet uitleggen van een loper, het gebruik maken van een grote of van een kleine zaal etc. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen (1 januari 1995) zijn tariefdifferentiaties anders dan op grond van de mate van dienstverlening mogelijk. In de memorie van toelichting van die wet wordt als voorbeeld gegeven het hanteren van een hoger tarief voor huwelijksvoltrekkingen van niet-ingezetenen van een gemeente, om te voorkomen dat het gemeentehuis wordt overstroomd met trouwlustigen die geen binding met de gemeente hebben. In afwijking van andere bepalingen in de tarieventabel is in de onderdelen 1.1.2 en 1.1.3 niet gekozen voor de omschrijving van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het sluiten van een huwelijk’. Reden hiervan is het volgende. Artikel 1 van de Wet rechten burgerlijke stand staat uitsluitend legesheffing toe in de gevallen waarin de wet voorziet. Artikel 5, tweede lid, bepaalt vervolgens dat legesheffing gerechtvaardigd is voor een ‘huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap’. Daarom is in de tarieventabel het belastbare feit het voltrekken van een huwelijk, de registratie van een partnerschap of de omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. Dit laat onverlet dat bij het vaststellen van de tarieven de kosten van voorbereidende werkzaamheden in aanmerking genomen kunnen worden. Hiervoor is een separaat tarief opgenomen. Deze kosten worden verrekend met de werkelijke kosten van huwelijksvoltrekking, tenzij de voltrekking niet doorgaat of er sprake is van een kosteloos huwelijk. Niet is in de tabel opgenomen een afzonderlijke regeling voor de gevallen waarin de huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of omzetting van een partnerschap in een huwelijk niet in het gemeentehuis maar in een andere ruimte plaatsvindt, anders dan op grond van artikel 64 van het Burgerlijk wetboek. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het voltrekken van een huwelijk, de registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een in de gemeente gelegen fraai kasteel. Daarvoor kan in de verordening uiteraard wel een afzonderlijke bepaling opgenomen worden, waarbij wederom een differentiatie naar dagen en uren mogelijk is, indien de dienstverlening op die dagen en uren anders is. De kosten die verband houden met het opstellen van een omzettingsakte kunnen op grond van het Besluit rechten burgerlijke stand niet in rekening worden gebracht bij de aanvragers. Indien aanvragers de omzetting willen laten geschieden door middel van een ceremonie (gelijk te stellen met een huwelijksvoltrekking) is het wel mogelijk om de kosten van gebruik van de zaal e.d. in rekening te brengen. Bij de tariefstelling kan dezelfde differentiatie worden toegepast als bij het sluiten van een huwelijk of registreren van een partnerschap is gebeurd. Incidenteel aanwijzen van een trouwlocatie. Het komt steeds vaker voor dat men zijn eigen trouwlocatie wil kiezen. Beoordeeld moet worden of deze locatie voor een ieder toegankelijk en geschikt is. Voorts moeten de vereiste vergunningen aanwezig zijn, bijvoorbeeld een veiligheidscertificaat van de scheepvaartinspectie en moet de brandweer inspecteren op het punt van de brandvoorschriften. Daarnaast moet er een extra collegebesluit komen. Een opslag als genoemd in de tabelnummers 1.1.2.3 en 1.1.3.3 is daarom reëel. Onderdeel 1.1.5 Trouwboekje of partnerschapsboekje In onderdeel 1.1.5 van de tarieventabel is een tarief opgenomen voor het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje. De leges genoemd in onderdeel 1.1.5 kunnen worden geheven naast de leges die ingevolge onderdeel 1.1.1 t/m 1.1.4 geheven worden. Ook in het geval van een kosteloos huwelijk of registreren van een partnerschap is legesheffing voor het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje toegestaan. Het betreft hier een dienst van de gemeente die wordt verleend naast het voltrekken van het huwelijk of de registratie van een partnerschap zelf. Een verplichting tot het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje bestaat immers niet. Onderdeel 1.1.6 Naspeuringen in registers burgerlijke stand In onderdeel 1.1.6 is een tarief opgenomen voor het op verzoek doen van naspeuringen in de registers van de burgerlijke stand. Gekozen is voor een tariefstelling per daaraan besteed kwartier. Onderdeel 1.1.7 Verrichtingen ambtenaren van de burgerlijke stand De mogelijkheden tot het heffen van leges voor verrichtingen van ambtenaren van de burgerlijke stand zijn geregeld in de Wet rechten burgerlijke stand (Stb. 1879, 72). Artikel 1 van deze wet luidt: ’Geene gelden mogen worden geheven ter zake van het opmaken van akten of andere verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, behalve in de gevallen en op de wijze bij of krachtens deze wet voorzien.’ In artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld voor welke verrichtingen leges geheven kunnen worden. De hoogte van die leges is vastgesteld in het Legesbesluit akten burgerlijke stand (Stb. 1969, 36). De daarin genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Een van de af te geven akten is een ‘attestatie de vita’. De naamgeving attestatie de vita is vervangen door ‘bewijs van in leven zijn’ in verband met een wetswijziging die op 1 juli 2011 in werking is getreden (Wet van 21 april 2011, Stb. 2011, 245). Bij deze wet is artikel 19k ingevoegd in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Sinds 1 juli 2011 wordt de attestatie de vita afgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand en is de Wet rechten burgerlijke stand en het daarop gebaseerde Legesbesluit akten burgerlijke stand van toepassing. Deze ‘internationale’ attestatie de vita is ingevoerd ter uitvoering van de op 10 september 1998 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de afgifte van een attestatie de vita (Trb. 2004, 283) en wordt afgegeven overeenkomstig het model dat bij de voormelde Overeenkomst werd vastgesteld. Hiermee kan de burger in het buitenland aantonen dat hij in leven is. Het in onderdeel 1.9.2 genoemde bewijs van in leven zijn is een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) waarin staat vermeld dat een bepaalde persoon in leven is. Het bewijs van in leven zijn is gratis als iemand kan aantonen dat het voor pensioen is. Hoofdstuk 2 - Reisdocumenten Op grond van de Paspoortwet (Stb. 1991, 498), laatstelijk gewijzigd bij Rijkswet van 28 juni 2009, Stb. 252, is vastgesteld het Besluit paspoortgelden. In het Besluit paspoortgelden zijn maxima gesteld aan de leges die gemeenten kunnen heffen voor alle reisdocumenten. Gemeenten kunnen ook minder dan de maximumtarieven van de leges berekenen. Een verhoging van de maximumleges door gemeenten is echter niet toegestaan. Aangezien gemeenten verplicht zijn voor geleverde reisdocumenten en voor spoedleveringen de vastgestelde bedragen aan het Rijk af te dragen, gaat een verlaging van de gemeentelijke leges vanzelfsprekend ten koste van de hoogte van het gemeentelijk deel in de leges. De maximumtarieven worden jaarlijks geïndexeerd. In hoofdstuk 2 verwijzen wij voor de tarieven naar het Besluit paspoortgelden of zoals dit laatstelijk is gewijzigd. Van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 gold een (wettelijke) vrijstelling van de leges voor een Nederlandse identiteitskaart voor een persoon die binnen acht weken 14 jaar werd of al 14 jaar was. Vanaf 1 januari 2010 geldt voor kinderen tot en met 13 jaar voor de Nederlandse identiteitskaart (NIK) een verlaagd tarief (jeugdtarief). Van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 brengt het Agentschap BPR geen rijkskosten bij de gemeente in rekening. Op de maandelijkse factuur voor de gemeenten wordt/is dit verrekend. De gemeente ontvangt per document het verschil tussen de maximumleges en het maximum gemeentelijke deel van de leges van het Agentschap BPR. Met ingang van 1 januari 2012 is de rijkskorting veel lager en wordt een deel van de rijkskosten bij de aanvrager in rekening gebracht. De gemeente draagt dit rijkskostendeel af. De korting ten opzichte van de ‘normale’ NIK komt dus volledig ten laste van het rijk. In verband met HR 9 september 2011, nr. 10/04967, LJN: BQ4105 en de Wet van 13 oktober 2011, Stb. 440, is voor de Nederlandse identiteitskaart gekozen voor een andere formulering van het belastbaar feit. Deze wet biedt een zelfstandige grondslag voor de legesheffing nu het hierbij niet gaat om dienstverlening als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. In verband met Europese regelgeving is vanaf 26 juni 2012 de mogelijkheid vervallen om kinderen in de paspoorten van de ouder(
- s)of voogd bij te schrijven. De geldigheid van alle bijschrijvingen en kinderstickers vervalt op 26 juni 2012. Het vervallen van de geldigheid van de bijschrijvingen op 26 juni 2012 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van het paspoort van de ouder(
- s)of voogd waarin ze staan bijgeschreven. Tariefdifferentiaties Gemeenten kunnen tariefdifferentiaties aanbrengen. Artikel 7, tweede lid, van de Paspoortwet luidt: ’Het tarief van de gemeentelijke rechten kan verschillen al naar gelang de leeftijd van de persoon op wiens naam het reisdocument wordt gesteld, het soort reisdocument en de geldigheidsduur van het reisdocument’. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat gemeenten lagere tarieven vaststellen voor reisdocumenten aan personen jonger dan 16 jaar. Wij wijzen erop dat de kosten die het rijk aan de gemeente in rekening brengt niet anders zijn dan voor de gevallen dat reisdocumenten worden verstrekt aan personen ouder dan 16 jaar. Hoofdstuk 3 - Rijbewijzen De bevoegdheid tot het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs berust bij de gemeente. Hiervoor kunnen leges in rekening gebracht worden. De regering heeft een maximum tarief aangekondigd voor een standaardaanvraag voor een rijbewijs. Naar prijspeil juni 2011 is dat € 37,05. Hat maximumtarief voor rijbewijzen wordt geregeld in de wegenverkeerswetgeving. In artikel 11, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 komt te staan dat bij algemene maatregel van bestuur een maximumtarief kan worden vastgesteld en dat dit tarief jaarlijks kan worden geïndexeerd. Deze wijziging is ten tijde van dit schrijven nog in behandeling bij de Tweede Kamer (Kamerstukken 32766). Het maximumtarief zelf wordt vervolgens geregeld in een nieuw artikel 49a van het Reglement rijbewijzen. Het is onduidelijk wanneer dit wetgevingstraject wordt afgerond. Pas dan vindt dus de officiële publicatie van het maximumtarief plaats. Voor bijzondere dienstverleningen worden verhoging mogelijk. Te denken valt hierbij aan spoedaanvragen, aanvragen of afgiften buiten de reguliere openingstijden (‘op afspraak’) en aan aanvragen in verband met (beschadiging
- of)vermissing van een eerder afgegeven rijbewijs. Deze verhogingen zijn nu ook al mogelijk. De procedure is een beetje vergelijkbaar met die voor reisdocumenten. Het rijbewijs wordt aangevraagd bij de gemeente en, net zoals al het geval is bij paspoort en identiteitskaart, centraal geproduceerd en gepersonaliseerd. De kosten bestaan uit een rijksdeel en een gemeentelijk deel. De rijkskosten bestaan onder andere uit: - de kosten voor de te vervaardigen gepersonaliseerde rijbewijzen; - de voor rekening van de RDW in te richten backofficecomputer bij de gemeente; - het beheer van de bij de RDW aanwezige registers. De rijkscomponent voor reguliere rijbewijzen bedraagt voor 2013 € 9,70 (laatst bekende gegeven). De gemeenten moeten zelf de eigen kostprijs berekenen. De gemeentelijke kosten bestaan onder andere uit de tijd die nodig is voor: - het innemen van de aanvraag van het rijbewijs aan het loket; - het scannen van het aanvraagformulier; - het ontvangen en inklaren van het gepersonaliseerde rijbewijs; - het uitreiken van het rijbewijs aan het loket. Daarnaast kunnen de indirecte kosten worden doorberekend voor zover deze kosten nog wel in enig verband met de behandeling van aanvragen voor een rijbewijs staan, zoals de kosten van: - huisvesting; - het beheer van het GBA; - de opslag en het beheer van de ingeklaarde rijbewijzen; - de maandelijkse controle van de fysieke voorraad; - het onttrekken van rijbewijzen aan de voorraad; - andere ondersteunende diensten. Het rijks- en gemeentelijk deel vormen samen het legestarief (onderdeel 1.3.1). Daarnaast is een spoedlevering mogelijk. Het spoedtarief betreft alleen een rijkskostendeel en bedraagt vanaf 1 januari 2013 € 34,10 (laatst bekende gegeven). Daarnaast is voor een spoedlevering het normale tarief verschuldigd. Wij hebben daarom in onderdeel 1.3.2 het spoedtarief als verhoging op het normale tarief opgenomen. Het rijkskostendeel voor de spoedlevering bedraagt in totaal € 43,80 (€ 9,70 rijkskostendeel en € 34,10 spoedtarief). De gemeente moet het rijkskostendeel en in voorkomend geval het spoedtarief afdragen aan de Dienst Wegverkeer (RDW). Zie voor de wettelijke regeling artikel 111, vijfde lid, en artikel 121 van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 1 van de Regeling vergoeding afdracht afgifte rijbewijzen en artikel 123 van het Reglement Rijbewijzen. In onderdeel 1.3.4 is een tarief opgenomen voor het afgeven van een formulier ‘Eigen verklaring’. Het formulier kent alleen een (vast) bedrag aan rijksleges. De gemeente fungeert slechts als doorgeefluik en maakt geen kosten. Aangezien niet steeds voortijdig bekend is wat de rijksleges zijn is in de legesverordening opgenomen dat het tarief gelijk is aan het tarief dat is vermeld op het formulier ‘eigen verklaring’. Hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens De bevoegdheid tot het heffen van leges voor het verstrekken van persoonsgegevens uit de gemeentelijke basisadministratie is geregeld in de artikelen 98, 100 en 101 van de Wet Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA). De Wet GBA onderscheidt drie groepen waaraan een gemeente gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie verstrekt: a Afnemers Hieronder wordt verstaan een orgaan van het rijk, een provincie, een gemeente of een ander openbaar lichaam met inbegrip van daaronder ressorterende diensten, instellingen en bedrijven, alsmede een orgaan van een bij AMvB aangewezen instelling die met de uitvoering van publiekrechtelijke taken is belast. Een gemeente kan van afnemers geen leges heffen, ongeacht de wijze waarop de gegevensverstrekking plaatsvindt, systematisch via het netwerk of incidenteel (artikel 95 van de Wet GBA). Voor de levering van gegevens op papier aan afnemers: zie de toelichting op onderdeel 1.4.5. b Ingeschrevenen Dit zijn personen van wie gegevens in de administratie zijn opgenomen. Een gemeente kan voor het verstrekken van gegevens aan de ingeschrevene zelf in beginsel leges heffen. Een uitzondering geldt voor het toezenden van de gegevens bij de eerste inschrijving in een gemeentelijke basisadministratie (artikel 78 van de Wet GBA). Ook het op verzoek inzien van de eigen gegevens door een ingeschrevene dient kosteloos te geschieden (artikel 79 van de Wet GBA). c Derden Een derde is elke andere persoon of instelling dan een afnemer of een ingeschrevene. Van derden kunnen in beginsel leges worden geheven voor het verstrekken van persoonsgegevens. Uitzonderingen gelden voor zogenaamde bijzondere derden die op basis van een AMvB systematisch via het netwerk of alternatieve media gegevens ontvangen. De systematische verstrekking van gegevens aan deze aangewezen instellingen moet eveneens kosteloos plaatsvinden. Zie echter onderdeel 1.4.5. Als de gegevens op verzoek op een andere manier worden verstrekt, kan een gemeente in beginsel wel leges heffen, tenzij de bijzondere derden in een andere wettelijke regeling worden vrijgesteld van het betalen van leges. Onderdelen 1.4.1 en 1.4.2 Verstrekkingen aan derden; abonnementen In onderdeel 1.4.1 van de tarieventabel is geregeld wat voor de toepassing van hoofdstuk 4 onder één verstrekking moet worden verstaan. Doel hiervan is problemen omtrent de invulling van dat begrip te voorkomen. Van belang hierbij is dat tot één verstrekking wordt gerekend alle verstrekte gegevens omtrent één persoon. In onderdeel 1.4.2.1 is voor het verstrekken van gegevens een tarief opgenomen per verstrekking. Ook zouden nog tarieven opgenomen kunnen worden voor het doen van meer dan één verstrekking. Daarbij kan dan een degressief tarief gelden. In de modelverordening hebben wij geen afzonderlijke tarieven opgenomen voor het doen van meer dan één verstrekking. Reden hiervan is dat in die situatie de aanvrager vermoedelijk toch gebruik zal maken van de mogelijkheid van het afsluiten van abonnement, nu een abonnement betrekking heeft op de periode van een jaar. Naar onze mening ligt het voor de hand dat de betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de mogelijkheid van het afsluiten van een abonnement indien dit voor hem goedkoper is. In onderdeel 1.4.2.2 zijn tarieven opgenomen voor het afsluiten van een abonnement tot het doen van verstrekkingen gedurende een bepaalde periode. Het ligt voor de hand daarbij degressieve tarieven op te nemen. Daaraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat het doen van verstrekkingen in die gevallen minder kosten met zich mee kan brengen dan bij incidentele verzoeken om verstrekkingen. Een gemeente kan zelf bepalen op hoeveel verstrekkingen een abonnement betrekking heeft. In zoverre moeten de aantallen die in de onderdelen 1.4.2.2.1 tot en met 1.4.2.2.5 zijn opgenomen als voorbeelden worden gezien. Uitgaande van de verordening zal iemand die 400 verstrekkingen vraagt kunnen kiezen of hij vier abonnementen van 100 verstrekkingen afsluit of één van 500. Ook hier ligt het voor de hand dat de betrokken ambtenaar de aanvrager wijst op de voordeligste constructie. In onderdeel 1.4.2.3 is een tarief opgenomen voor het afsluiten van een abonnement tot het periodiek verstrekken van opgave van verhuizingen binnen de gemeente, vertrekken uit de gemeente en vestigingen in de gemeente. In hoofdstuk 4 is geen regeling opgenomen voor een teruggaaf van een deel van het voor het abonnement verschuldigde bedrag, indien in de desbetreffende periode minder verstrekkingen zijn gedaan dan waarop het abonnement ziet. Reden hiervan is dat bij het opnemen van een dergelijke teruggaafbepaling vermoedelijk in de meeste gevallen een abonnement zal worden afgesloten voor het hoogste aantal verstrekkingen omdat bij een degressief tarief het tarief per inlichting dan het laagst is. Een dergelijke regeling is weliswaar denkbaar, maar daarbij zal dan het legesbedrag beperkt moeten worden tot het bedrag dat verschuldigd is voor een abonnement voor het aantal verstrekkingen dat in feite is gedaan. Men kan zich echter ook op het standpunt stellen dat het niet afnemen van het aantal verstrekkingen waarvoor het abonnement is afgesloten voor risico komt van degene die het abonnement heeft afgesloten. Onderdelen 1.4.3 en 1.4.4 Verstrekken van aangehaakte gegevens In onderdeel 1.4.4 zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van persoonsgegevens die niet zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zelf. Het betreft de zogenaamde aangehaakte gegevens. In onderdeel 1.4.3 is aangegeven wat in dit verband onder één verstrekking moet worden verstaan. Een gemeente kan voor het op verzoek verstrekken van aangehaakte gegevens leges heffen, tenzij de aanvrager op grond van bijzondere wetgeving recht heeft op kosteloze inlichtingen. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor de Belastingdienst op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Onderdeel 1.4.5 Verstrekkingen op papier aan afnemers en bijzondere derden In onderdeel 1.4.5 zijn leges opgenomen voor het verstrekken van gegevens op papier aan afnemers en bijzondere derden. Sinds 1 oktober 2000 kan hiervoor een bedrag van € 2,27 in rekening worden gebracht (zie artikel 4, onderdeel f en artikel 10, tweede lid, van het Besluit GBA en artikel 37a, tweede lid, van de Regeling GBA). De vergoeding ziet slechts op de transportkosten die gemeenten maken om verstrekking op papier mogelijk te maken. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit tarief moet wijken voor de vrijstelling van artikel 41 van de Wet Uitkeringen vervolgingsslachtoffers en artikel 52 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, waarin staat dat de gevraagde inlichtingen kosteloos moeten worden verstrekt. In dat geval kunnen deze leges dus niet worden geheven (Hoge Raad 10 juni 2005, nr. 39814, LJN: AT7214). In de toelichting op het Besluit GBA staat dat kan worden bepaald dat voor bepaalde arbeidsintensieve zoekactiviteiten in het GBA of andere gemeentelijke administraties aanvullende leges verschuldigd zijn. Dit wordt ondervangen door onderdeel 1.4.6. Zie voor de wijzigingen in de GBA-regelgeving onze ledenbrief van 28 augustus 2000, nr. Lbr. 00/129, BJZ/2000003418. De in onderdeel 1.4.6 opgenomen regeling is bedoeld voor gevallen waarin aan de gemeente wordt verzocht de gemeentelijke basisadministratie, inclusief de aangehaakte gegevens, door te nemen voor het verkrijgen van bepaalde inlichtingen, bijvoorbeeld hoeveel geregistreerde honden er in de gemeente zijn. Deze bepaling geeft de mogelijkheid leges te heffen naar rato van de tijd die met het doornemen is gemoeid, ongeacht of dit leidt tot het daadwerkelijk verschaffen van de gevraagde inlichtingen. Naast een bedrag voor het doornemen van de basisadministratie is de verzoeker eventueel een bedrag verschuldigd ingevolge onderdeel 1.4.2, 1.4.4 of 1.4.5 als vervolgens persoonsgegevens worden verstrekt. Dit vloeit voort uit het feit dat onderdeel 1.4.6 een afzonderlijk belastbaar feit vormt. Onder het doornemen van de basisadministratie wordt niet verstaan het verrichten van uitzoekwerk ter verhoging van de kwaliteit van de persoonsgegevens. Bijvoorbeeld het op verzoek controleren van een adresgegeven dat wellicht onjuist of onvolledig is. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt zich op het standpunt dat het heffen van leges voor het doornemen van de basisadministratie slechts in bepaalde gevallen mogelijk is. Als een legesvrijstelling geldt voor het verstrekken van persoonsgegevens kan een gemeente volgens het ministerie voor het doornemen van de basisadministratie alleen leges heffen als dit leidt tot het verstrekken van statistische informatie of aangehaakte gegevens, bijvoorbeeld hoeveel 65- plussers er in een gemeente wonen. Leidt het doornemen tot het verstrekken van GBA- gegevens, dan is legesheffing niet mogelijk. Op het moment dat de Wet basisregistratie personen (Kamerstukken II 2011/12, 33219) in werking treedt, moet dit hoofdstuk worden aangepast. Hoofdstuk 5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister Op grond van de Kieswet (Stb. 1989, 423) is het niet toegestaan inlichtingen over de kiesgerechtigdheid van bepaalde ingezetenen aan derden ter beschikking te stellen. De gemeente kan op grond van artikel D 4 van de Kieswet alleen inlichtingen verstrekken over de kiesgerechtigdheid van de aanvrager zelf. Daarvoor kunnen leges geheven worden. Hoofdstuk 6 Verstrekkingen op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens Hoofdstuk 6 heeft betrekking op het verstrekken van gegevens op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Stb. 2000, 302; hierna: Wbp). Op grond van artikel 35 Wbp is het mogelijk gegevens te verstrekken. Artikel 39 Wbp voorziet in de mogelijkheid om voor een verstrekking op grond van artikel 35 een vergoeding te vragen. Het bedrag is sinds 26 maart 2008 gesteld op maximaal € 5,00. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in bijzondere gevallen andere bedragen worden gesteld. Dat is gebeurd in het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Besluit van 13 juni 2001, Stb. 305). Voor een verstrekking op papier is de vergoeding vastgesteld op € 0,23 per pagina, met een maximum van € 5,00 (onderdeel 1.6.1.1). Voor een verstrekking van meer dan 100 pagina’s of een afschrift uit een moeilijk toegankelijke gegevensverwerking mag de in rekening te brengen vergoeding ten hoogste € 22,50 bedragen (onderdelen 1.6.1.1.2 en 1.6.1.3). Voor een verstrekking anders dan op papier mag ten hoogste € 5,00 worden gerekend (onderdeel 1.6.1.2). Het maximumbedrag van € 5,00 geldt sinds 1 juli 2012 (Stb. 2012, 90 en 169). Het maximumtarief van € 22,50 geldt vanaf 1 juli 2012 ook voor een mededeling die bestaat uit afdrukken van één of meer röntgenfoto’s, maar dat zal in de gemeentelijke dienstverleningspraktijk niet voorkomen. In onderdeel 1.6.2 is bepaald dat indien meerdere tarieven tegelijk kunnen worden toegepast, het hoogste tarief geldt. Als gegevens het voorwerp zijn van verwerking omdat deze noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van de publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan of voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, kunnen betrokkenen vanwege hun bijzondere persoonlijke omstandigheden verzet tegen de verwerking aantekenen bij de verantwoordelijke (artikel 40 Wbp). Voor de behandeling van een verzet mogen leges worden geheven. Onderdeel 1.6.3 voorziet hierin. De leges mogen ten hoogste € 4,50 bedragen (artikel 4 Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp). De in het kader van de Wbp geheven leges moeten worden teruggegeven indien verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming plaatsvindt, dan wel het verzet gegrond wordt bevonden (artikel 39, tweede lid, en artikel 40, derde lid, Wbp). Hoofdstuk 7 Bestuursstukken In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het verstrekken van de volgende stukken: – de programmabegroting en het jaarrapport van de gemeente; – gemeentelijke verordeningen. Op grond van de Gemeentewet dienen de programmabegrotingen en de daarbij behorende stukken (artikel 189 van de Gemeentewet) en de jaarrapporten met de daarbij behorende stukken en toelichtingen (artikel 197 van de Gemeentewet) verstrekt te worden. De hiervoor genoemde stukken moeten ter inzage worden gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar worden gesteld. De stukken worden tegen kostprijs afgege¬ven. Overigens is er weinig belangstel¬ling voor deze stukken. Hoofdstuk 8 – Vastgoedinformatie Gemeentelijke kadastrale balie: tarieven centraal vastgesteld (1.8.1) Op grond van artikel 105 van de Kadasterwet (laatstelijk integraal gepubliceerd in Stb. 1996, 473; daarna gewijzigd) is het voor gemeenten mogelijk, onder gebruikmaking van een permanente aansluiting op de basisregistratie kadaster (‘Kadaster-on-line), een loketfunctie namens het Kadaster te vervullen (gemeentelijke kadastrale balie). De door de gemeenten namens het Kadaster te verstrekken kadastrale informatie valt onder de vigeur van de Kadasterwet. Het door gemeenten aan derden in rekening te brengen tarief voor het verstrekken van informatie namens het Kadaster is het tarief genoemd in de Regeling tarieven Kadaster (Stcrt. 2003, nr. 244, pag. 17). In de overeenkomst met het Kadaster zal zijn opgenomen dat een deel van het voor de informatie verschuldigde kadastraal tarief door de gemeente kan worden behouden. Onderdeel 1.8.2.1 Verstrekkingen uit gemeentelijke basisadministratie adressen en gebouwen (BAG) De in onderdeel 1.8.2.1 genoemde basisregistratie adressen en gebouwen omvatten het gemeentelijk adressenregister, de gemeentelijke adressenregistratie, het gemeentelijk gebouwenregister en de gemeentelijke gebouwenregistratie (artikel 2 Wet basisregistratie adressen en gebouwen (BAG), Stb. 2008, 39). In de wet staan hiervan de volgende definities: - adressenregister: gemeentelijk register dat brondocumenten met betrekking tot woonplaatsen, openbare ruimten en nummeraanduidingen bevat (artikel 1, onderdeel b, Wet BAG); - adressenregistratie: gemeentelijke registratie van alle woonplaatsen, openbare ruimten en nummeraanduidingen op het grondgebied van de gemeente (artikel 1, onderdeel c, Wet BAG); - gebouwenregister: gemeentelijk register dat brondocumenten met betrekking tot panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen bevat (artikel 1, onderdeel h, Wet BAG); - gebouwenregistratie: gemeentelijke registratie van alle panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen op het grondgebied van de gemeente (artikel 1, onderdeel i, Wet BAG). Afschriften uit deze registraties kunnen tegen verstrekkingskosten beschikbaar worden gesteld. Daarvoor is in onderdeel 1.8.2.1 een tariefbepaling opgenomen. Onderdeel 1.8.2.5 Verstrekkingen uit gemeentelijk beperkingenregister of -registratie In onderdeel 1.8.2.5 is een tarief opgenomen voor informatie uit de gemeentelijke beperkingenregistratie en het gemeentelijke beperkingenregister. Volgens de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb; Stb. 2004, 331) is de inzage van de gemeentelijke beperkingenregistratie en van documenten uit het gemeentelijke beperkingenregister kosteloos. Alleen voor het verstrekken van een afschrift, uittreksel of verklaring als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wkpb mag de gemeente kostendekkende leges heffen (artikel 9, derde lid, Wkpb). Het gaat dan om: a een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van een in het gemeentelijke beperkingenregister ingeschreven beperkingenbesluit, beslissing in administratief beroep of rechterlijke uitspraak, dan wel vervallenverklaring van een publiekrechtelijke beperking; b een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van in de gemeentelijke beperkingenregistratie opgenomen gegevens, of; c een schriftelijke verklaring dat er blijkens de in de gemeentelijke beperkingenregistratie opgenomen gegevens geen publiekrechtelijke beperking van kracht is ten aanzien van de daarbij aangegeven onroerende zaak of zaken. Overigens kan een gemeente, als of zolang zij geen afzonderlijke bepaling in de legesverordening heeft staan, de tariefbepalingen van onderdeel 1.20.2 (Diversen) toepassen. Hoofdstuk 9 Overige publiekszaken Op grond van hoofdstuk 9 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van een verklaring omtrent het gedrag, een attestatie de vita of een legalisatie van een handtekening. Desgewenst kan de gemeente hoofdstuk 9 aanvullen met andere dienstverlening die niet in deze tarieventabel zijn genoemd en tot de overige publiekszaken kunnen worden gerekend. Onderdeel 1.9.1 Verklaring omtrent het gedrag Sinds 1 april 2004 beslist niet langer de burgemeester, maar de minister van Justitie over het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag. De maximale hoogte van de hiervoor te heffen leges wordt door het Rijk vastgesteld. Vanaf 1 januari 2006 bedraagt die maximale vergoeding € 30,05. De gemeente moet hiervan € 22,55 aan het Rijk afdragen. Het verschil is een vergoeding die de gemeente krijgt voor de werkzaamheden die zij voor de behandeling van een dergelijke aanvraag moet uitvoeren (Regeling leges en afdracht vergoeding afgifte verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen en rechtspersonen; Stcrt. 2005, 242, pag. 23, en Stcrt. 2008, 23, pag. 12. Lbr. 06/170 – nabetaling Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) (22-11-2006)). Aangezien het Rijk een maximaal te heffen bedrag vaststelt, is het noodzakelijk dat de gemeente een tarief in de legesverordening opneemt. Onderdeel 1.9.2 Bewijs van in leven zijn Wij hebben de naamgeving attestatie de vita vervangen door ‘bewijs van in leven zijn’ in verband met een wetswijziging die op 1 juli 2011 in werking is getreden (Wet van 21 april 2011, Stb. 2011, 245). Bij deze wet is artikel 19k ingevoegd in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Sinds 1 juli 2011 wordt de attestatie de vita afgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand en is de Wet rechten burgerlijke stand en eht daarop gebaseerde Legesbesluit akten burgerlijke stand van toepassing (zie onderdeel 1.1.9). Deze ‘internationale’ attestatie de vita is ingevoerd ter uitvoering van de op 10 september 1998 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de afgifte van een attestatie de vita (Trb. 2004, 283) en wordt afgegeven overeenkomstig het model dat bij de voormelde Overeenkomst werd vastgesteld. Hiermee kan de burger in het buitenland aantonen dat hij in leven is. Het in onderdeel 1.9.2 genoemde bewijs van in leven zijn is een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) waarin staat vermeld dat een bepaalde persoon in leven is. Het bewijs van in leven zijn is gratis als iemand kan aantonen dat het voor pensioen is. Onderdeel 1.9.3 Legalisatie van een handtekening Bij legalisatie van een handtekening verklaart de burgemeester dat een handtekening op een bepaald document 'echt' is. Dat wil zeggen dat deze overeenkomt met de handtekening op uw legitimatiebewijs. De handtekening moet aan de balie gezet worden. Legalisatie van een handtekening kan bijvoorbeeld nodig zijn als iemand een persoon in het buitenland schriftelijk wil machtigen. Voor de legalisatie kunnen leges worden geheven. Onderdeel 1.9.3 voorziet hierin. Onderdeel 1.9.5 Aanvragen chauffeurspas Per 1 januari 2000 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het gewijzigd wetsvoor¬stel ‘Deregulering taxivervoer’. Dit betekent dat de taxichauffeur thans verplicht zijn een zogenaamde chauf¬feurspas bij zich te dragen. Deze pas wordt weliswaar door de Rijksverkeersinspectie afgegeven, maar daar¬voor is benodigd een verklaring omtrent het gedrag en een gewaarmerkte kopie van hun rijbewijs B, af te halen bij het team Burgerzaken. Met name het waarmerken van de kopie is voor burgerzaken een nieuwe taak. Deze extra werkzaamheden komen overeen met de werkzaamheden die nodig zijn voor het legaliseren van een handtekening (zie 1.9.3 van de tarieventabel). Voor het waarmerken is daarom eenzelfde tarief opgenomen. Hoofdstuk 10 Gemeentearchief Gemeentearchieven kunnen worden onderscheiden in archiefbewaarplaatsen in de zin van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) en andere archieven. Op grond van artikel 14 van de Archiefwet 1995 zijn de archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten openbaar (behoudens het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17), en kunnen deze archiefbescheiden kosteloos geraadpleegd worden. Als iemand zelf de archiefbescheiden raadpleegt, kunnen dus geen leges geheven worden. Met betrekking tot andere archieven dan archiefbewaarplaatsen is in de Archiefwet 1995 niet geregeld dat deze openbaar zijn en dat deze kosteloos geraadpleegd kunnen worden. In beginsel zou daarvoor, indien raadpleging wordt toegestaan, dus legesheffing mogelijk zijn. In de modelverordening zijn hiervoor geen tarieven opgenomen. Als iemand zelf de archieven raadpleegt, zullen er immers nauwelijks kosten voor de gemeente zijn. Onderdeel 1.10.1 Doen van naspeuringen In onderdeel 1.10.1 een tarief opgenomen voor het doen van naspeuringen in het gemeentearchief. Het gaat hierbij dus uitsluitend om het van gemeentewege doen van naspeuringen. Het tarief is afhankelijk gesteld van de tijd die de ambtenaar van het gemeentearchief aan het doen van de naspeuringen heeft besteed. Ook indien het doen van de naspeuringen niet heeft geleid tot het gewenste resultaat zijn de leges verschuldigd. Onderdeel 1.10.2 Verstrekken van kopieën of uittreksels uit gemeentearchief In onderdeel 1.10.2 zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van kopieën of uittreksels uit de in het gemeentearchief berustende stukken. Ook met betrekking tot archiefbewaarplaatsen is een dergelijk tarief toelaatbaar. Dit blijkt uit het bepaalde in artikel 14 van de Archiefwet 1995. De onderdelen 1.10.1 en 1.10.2 kunnen cumuleren. Hoofdstuk 11 Huisvestingswet De Huisvestingswet geeft in artikel 5 aan gemeenten de mogelijkheid, niet de verplichting, een huisvestingsverordening vast te stellen waarin de (soorten) woonruimten worden aangewezen waarvoor het vergunningvereiste geldt. Het gaat hierbij om een vergunning in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet (huisvestingsvergunning). Een gemeente die gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 5 van de Huisvestingswet kan voor het verhaal van de met de vergunningprocedure samenhangende kosten een tarief in de legesverordening opnemen. Onderdeel 1.11.1 van de tarieventabel bevat daarvoor een bepaling. De gemeenteraad kan in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in de huisvestingsverordening bepalen dat het college van burgemeester en wethouders een register van woningzoekenden bijhoudt (artikel 14 van de Huisvestingswet). Aan het inschrijven van woningzoekenden zijn voor de gemeente kosten verbonden. Verhaal kan plaatsvinden door het heffen van leges. In uw vergadering van september 2001 is de huisvestingsverordening gewijzigd, waarbij is bepaald dat de uitvoering van het register van woningzoekenden bij de corporatie komt te liggen. Om enige tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen, vragen de corporaties € 13,61 inschrijfgeld per twee jaar. De afspraak was dat het bedrag tot en met 2005 niet zou worden aangepast. Inmiddels (oktober 2013) is het bedrag nog steeds ongewijzigd. Onderdeel 1.11.2 van de tarieventabel bevat daarvoor een bepaling. Ten slotte is de toekenning van een urgentie gedelegeerd aan het Gewest (1.11.3). Hoofdstuk 12 Leegstandwet Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kan het college van burgemeester en wethouders de eigenaar van een woning of een gebouw vergunning verlenen tot tijdelijke verhuur van woonruimte. De verwachting is dat in verband met de economische crisis meer van de mogelijkheid van tijdelijke verhuur gebruik zal worden gemaakt. Met ingang van 1 juli 2013 zijn de mogelijkheden tot tijdelijke verhuur vergemakkelijkt en verruimd (Kamerstukken 33436). Hierdoor kan tijdelijke verhuur vaker een oplossing vormen in situaties waarin bewoning, reguliere verhuur dan wel verkoop van een woonruimte op afzienbare termijn niet tot de mogelijkheden behoort. Op grond van het gewijzigde artikel 15 Leegstandwet gelden de volgende regels: - Voor woonruimten in een gebouw (zoals kantoren of scholen): - indien een omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan is verleend: vergunning tijdelijke verhuur voor de duur van die omgevingsvergunning tot maximaal 10 jaar (artikel 15, lid 4a); - indien geen omgevingsvergunning: vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar, met mogelijkheid van jaarlijkse verlenging tot maximaal 10 jaar (artikel 15, lid 5). - Voor woonruimten in een voor verkoop bestemde verkoop: vergunning tijdelijke verhuur voor 5 jaar; geen verlening mogelijk (artikel 15, lid 5a). - Voor woonruimte in een voor verhuur bestemde woning (in afwachting van sloop of renovatie: vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar, met mogelijkheid van jaarlijkse verlenging tot maximaal 7 jaar (artikel 15, lid 5). Voor de vergunningaanvraag hebben wij in subonderdeel 1.12.1 en voor een aanvraag tot vergunningverlenging hebben wij in subonderdeel 1.12.2 een tariefbepaling opgenomen. Hoofdstuk 13 Gemeentegarantie Op grond van hoofdstuk 13 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van een gemeentegarantie. Overigens verstrekken de meeste gemeenten sinds 1 januari 1995 geen gemeentegaranties meer als borgstelling voor hypotheken van huiseigenaren. In veel gemeenten is per die datum de gemeentegarantie volledig vervangen door de Nationale hypotheekgarantie (NHG) die wordt verstrekt door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW). Uiterlijk 1 januari 2011 hebben gemeenten hun achtervangovereenkomsten met de WEW beëindigd. Gemeentegaranties kunnen echter op grond van gemeentelijk beleid nog in andere gevallen worden verstrekt, bijvoorbeeld aan instellingen die, zonder winstoogmerk, uitsluitend een publieke taak of ideëel doel dienen. Voor het wijzigen of omzetten van een door de gemeente (in het verleden) gegarandeerde hypothecaire geldlening is eveneens legesheffing mogelijk. Onderdeel 1.13.voorziet hierin. Het gaat daarbij onder andere om het omzetten van de financieringsvorm (bijvoorbeeld het omzetten van een lineaire hypotheek in een spaarhypotheek. Hoofdstuk 15 Winkeltijdenwet Op grond van de Winkeltijdenwet (Stb. 1996, 182) is opening van winkels op werkdagen toegestaan tussen 06.00 en 22.00 uur. Daaraan kunnen gemeenten geen beperkingen stellen. De Winkeltijdenwet biedt de mogelijkheid om ook buiten de wettelijke tijden winkelopening toe te staan. Daarvoor kunnen bij verordening vrijstellingen van bepaalde in de Winkeltijdenwet opgenomen verboden worden verleend. Het is ook mogelijk dat de raad bij verordening bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling of ontheffing van bepaalde verboden kan verlenen. In de modelverordening winkeltijden is zoveel mogelijk gekozen voor een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Daarbij verdient opmerking dat de Winkeltijdenwet en het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet (Stb. 1996, 183) spreken over vrijstellingen, indien een regeling bij of krachtens een verordening (de verordening winkeltijden) is of zal worden getroffen voor de hele gemeente, een deel van de gemeente of groepen van gevallen. Van een ontheffing wordt gesproken indien een aanvraag wordt gedaan om ‘individuele vrijstelling’ van een verbod. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd ontheffing te verlenen. In onderdeel 1.15.1 hebben wij een tariefbepaling voor deze ontheffingen opgenomen. Wij zijn er daarbij van uit gegaan dat de met de aanvragen voor de verschillende ontheffingen gepaard gaande werkzaamheden ongeveer gelijk zijn. De modelverordening winkeltijden voorziet in artikel 3 in de mogelijkheid de ontheffing na verkregen toestemming van het college van burgemeester en wethouders over te dragen aan een ander. Onderdeel 1.15.2 maakt het mogelijk daarvoor leges te heffen. Op grond van artikel 4 van de modelverordening winkeltijden is het mogelijk in bepaalde gevallen een verleende ontheffing in te trekken of te wijzigen. Onderdeel 1.15.3 voorziet erin daarvoor leges te heffen. Hoofdstuk 16 Kansspelen Onderdeel 1.16.1 Aanwezigheidsvergunning Voor de aanwezigheid van kansspelautomaten als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483) is een aanwezigheidsvergunning vereist, af te geven door de burgemeester. De aanwezigheidsvergunning kan op grond van artikel 30d, tweede lid, voor bepaalde of onbepaalde tijd worden afgegeven. In artikel 30d, derde lid, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld betreffende de hoogte van de voor het afgeven van deze vergunningen te hanteren tarieven. Deze nadere regels zijn opgenomen in artikel 3 van het Speelautomatenbesluit 2000 (Stb. 2000, 223). De in dat artikel opgenomen bedragen vormen voor gemeenten maximum te heffen legesbedragen. De tarieven zijn afhankelijk gesteld van de periode waarvoor de vergunning wordt afgegeven en het aantal speelautomaten. In Weesp gold de vergunning maximaal één jaar, maar vanaf 1 januari 2011 is in het kader van de lastenverlichting gekozen voor onbepaalde tijd. In hoofdstuk 16 is geen tarief opgenomen voor het wijzigen van een vergunning zodat een aan te brengen wijziging alleen via de afgifte van een nieuwe vergunning mogelijk is. Door de wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven (Stb. 2010, 2005 en 206), is er sinds 1 juli 2010 alleen nog een aanwezigheidsvergunning nodig voor kansspelautomaten. Voor behendigheidsautomaten is de vergunningplicht vervallen. Ook de prijsvraagvergunning van artikel 28 van de Wet op de kansspelen is vervallen.. Onderdeel 1.16.2 Loterijvergunning In onderdeel 1.16.2 is een tarief opgenomen voor zogenaamde ‘loterijvergunningen’. Op grond van artikel 3 van de Wet op de kansspelen kan het college van burgemeester en wethouders een vergunning verlenen tot het geven van gelegenheid om mede te dingen naar prijzen of premies uitsluitend om met de opbrengst daarvan enig algemeen belang te dienen. Het college van burgemeester en wethouders kan uitsluitend de vergunning verlenen als de gezamenlijke waarde van de prijzen minder bedraagt dan € 4.500. In andere gevallen verleent de minister van Justitie de vergunning. Indien het gezamenlijke bedrag van de prijzen en premies geen hogere waarde heeft dan € 4.500 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot verlening van de loterijvergunning (artikel 3 Wet op de kansspelen). Bij hogere waarden is de minister van Justitie bevoegd. Voor de gevallen waarin de minister van Justitie bevoegd is, zijn de tarieven voor het behandelen van de vergunningaanvragen opgenomen in artikel 3a van het Kansspelenbesluit (Stb. 1997, 616). Dit besluit bevat geen tariefbepalingen voor de gevallen dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is voor het behandelen van de aanvraag om een loterijvergunning. Dat betekent dat de gemeente zelf de hoogte van het legestarief kan vaststellen. Onderdeel 1.16.3 Vergunning speelgelegenheid Op grond van artikel 2:41, tweede lid, van de APV geldt een vergunningplicht voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. In onderdeel 1.16.3 is hiervoor een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2:41 verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Artikel 2:41 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan. Hoofdstuk 17 Telecommunicatie Hoofdstuk 17 ziet op de gevallen dat graafwerkzaamheden in openbare grond nodig zijn voor het leggen of verleggen van telecomleidingen door aanbieders van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in het kader van de Telecommunicatiewet. Deze wet geeft aan het college van burgemeester en wethouders een coördinerende rol met betrekking tot deze graafwerkzaamheden teneinde deze wat betreft plaats, tijdstip en wijze van uitvoering op elkaar af te stemmen. In verband hiermee is in artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet geregeld dat genoemde aanbieders het voornemen tot het verrichten van werkzaamheden melden aan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente en niet overgaan tot uitvoering dan nadat zij van het college instemming hebben verkregen over plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Bij gelegenheid van de herziening van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet die 1 februari 2007 in werking is getreden, is opgemerkt dat de melding kan worden gezien als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht om in te stemmen met het voorstel van de aanbieder met betrekking tot de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden (Kamerstukken II 2004– 2005, 29834, nr. 3, blz. 52), Het verdient aanbeveling de tariefbepalingen af te stemmen op de Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden. Zie Ledenbrief 04/26 - Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden telecom (29 maart 2004). Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd (bekendmaking via nieuwsbericht op www.vng.nl, beleidsveld Ruimte). In deze richtlijn is onder meer een beheerkostenvergoeding geregeld. Onder beheerkosten worden verstaan de kosten van toezicht op de uitvoering van het herstel, ongeacht of de uitvoering van dit herstel is gedaan door de telecomaanbieder of de gemeente. Werkzaamheden die vallen onder de beheerkosten zijn: - toezicht op de verkeersveiligheid bij herstel; - toezicht op kwaliteit van aanleg, verdichting en bestrating van herstel; - monitoring onderhoud inclusief klachtenafhandeling tijdens de onderhoudsperiode; - administratiekosten die niet bij de leges in rekening zijn gebracht; - eerste en tweede oplevering van herstelwerkzaamheden. De werkzaamheden die de gemeente verricht en waarvoor bij het verlenen van het instemmingbesluit leges worden geheven, vallen niet onder de berekening van de beheerkosten in deze richtlijn. De berekening van de beheerkosten is gebaseerd op een strikte scheiding van werkzaamheden die onder de leges vallen en werkzaamheden die onder de beheerkosten vallen. De richtlijn geldt niet voor gesloten verhardingen zoals asfalt en cementbeton, grootschalige en kleinschalige verhardingselementen, gefundeerde verharding, plantsoenen en bomen. Dit betekent dat hiervoor geen tarieven zijn opgenomen in de richtlijn. Over een en ander dienen tussen de gemeente en de aanbieder op projectniveau, of indien mogelijk generiek, afspraken gemaakt te worden, waarbij wordt afgestemd met de tariefbepaling in de legesverordening. Bovengenoemde beheerkosten dienen dus niet in de leges te worden verdisconteerd. De kosten van de volgende activiteiten zouden onder de legesheffing kunnen worden gebracht: - overleg met aanvrager over tijd, plaats en werkwijze van de werkzaamheden; - opstellen (verkeerskundige) adviezen; - (technisch) beoordelen van het werk; - beoordelen overige (bovengrondse of maaiveld) voorzieningen; - eventueel overleg met andere grondeigenaren en toets van de bereikte overeenstemming met die grondeigenaren door de aanvrager; - onderzoek naar de status van het werk; - aanwijzen van de plaats van de aan te leggen (ondergrondse) infrastructuur; - indien eigen gemeentelijk registratiesysteem van kabels en leidingen, verstrekken gegevens aan de aanvrager, beoordelen van het grondgebruik, afstemming met andere kabel- en leidingbeheerders, maken van revisietekeningen en updaten van digitale of analoge bestanden; - coördinatie en afstemming met overige werken in de openbare ruimte; - beoordelen en sturen van het werk uit oogpunt van stedelijke bereikbaarheid; - publiceren van meldingen en/of (concept-)instemmingsbesluiten; - administratieve handelingen van de gemeente en overige kosten (vergaderkosten, reiskosten, personele kosten, kosten van bijhouden van (geautomatiseerde) bestanden, uitwerken alternatieve plannen e.d.). In onderdeel 1.17.1 hebben wij gekozen voor een vast bedrag dat wordt vermeerderd met een bedrag per strekkende meter sleuflengte. Meer sleuflengte betekent meer meters kabels of leidingen, wat de complexiteit van de coördinatie zal verhogen. Er is geen tariefonderscheid gemaakt tussen graafwerkzaamheden in verhard oppervlak (tegel-, klinker- en sierbestratingen, gesloten verhardingen) en onverhard oppervlak (bermen, groenstroken en dergelijke). Het tarief van onderdeel 1.17.1 kan eventueel ook worden gedifferentieerd naar gebied waarbinnen de graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Deze differentiatie gaat ervan uit dat in bijvoorbeeld het centrum de coördinerende taak meer kosten oproept, dan wel dat de kosten toenemen naarmate het graaftraject groter is. Onderdeel 1.17.1.1 ziet op de gevallen dat er andere beheerders van het openbaar gebied in het geding zijn. Voor de mededeling van deze, bij het indienen van de melding vaak nog onbekende kosten, hebben wij gekozen voor de zogenaamde begrotingsconstructie. De melder dient op de hoogte te worden gesteld van deze kosten en gelegenheid te krijgen zijn aanvraag in te trekken voordat de aanvraag in behandeling wordt genomen. Onderdeel 1.17.2 voorziet daarin. De Hoge Raad heeft de begrotingsconstructie aanvaard in zijn uitspraak van 2 december 2005, nr. 40079, LJN: AR7769. De Hoge Raad oordeelt daarin bovendien dat als de meerdaagse bedenktijd in de verordening ontbreekt, dit niet leidt tot onverbindendheid. In voorkomend geval kan de belastingplichtige de heffing bestrijden op de grond dat de gemeente de aanvraag in behandeling neemt (waarmee het belastbare feit plaatsvindt) zonder voldoende zeker te zijn of de kostenopgaaf de aanvrager al dan niet aanleiding geeft de aanvraag in te trekken. Hoofdstuk 18 Verkeer en vervoer Onderdeel 1.18.1.1 Op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990, Stb. 459) kan het bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in een aantal in artikel 87 genoemde artikelen. Het college van burgemeester en wethouders, de door hem ingestelde bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een deelgemeente, is het bevoegde gezag voor het verkeer op wegen die niet in beheer zijn bij het rijk, de provincie of het waterschap (artikel 1, onder h, RVV 1990 in samenhang met artikel 18, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994). Onderdee