← Nederland

Integraal Omgevingsbeleidsplan VTH Vergunningverlening, Toezicht & Handhaving Wabo 2022 (Eijsden-Margraten)

In het kort

Dit beleidsplan beschrijft hoe de gemeente Eijsden-Margraten de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving uitvoert voor activiteiten die vallen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het plan zorgt ervoor dat de gemeente voldoet aan wettelijke kwaliteitseisen en transparant is over haar taken.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Integraal Omgevingsbeleidsplan VTH Vergunningverlening, Toezicht & Handhaving Wabo 2022Versie 02, december 2021 [De bij dit besluit behorende bijlagen 2, 3, 4 en 5, bestaande uit zeer complexe tabellen, worden bekendgemaakt via de bij dit Gemeenteblad bijhorende externe bijlage, conform artikel 7 lid 2 van de Bekendmakingswet.] Managementsamenvatting Het gewijzigde Besluit omgevingsrecht (BOR) dat op 1 juli 2017 in werking treedt, schrijft voor dat de kwaliteit van de activiteiten op het gebied van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dient te worden vastgelegd in beleidsplan. Hierbij zijn de Kwaliteitscriteria 2.1 het uitgangspunt. Met het voorliggende Integraal Omgevingsbeleidsplan, waarbij het principe van “comply or explain (pas toe of leg uit) “ is toegepast, voldoet de gemeente aan deze wetgeving. De basis van het voorliggende Integraal Omgevingsbeleidsplan is het op 31 maart 2015 vastgestelde Omgevingsbeleidsplan vergunningverlening 2015-2019. In deel 1 “Het kader” wordt de positionering en structuur van het omgevingsbeleidsplan toegelicht. Uitgangspunt is dat omgevingsbeleidsplan transparantie geeft aan de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Hierbij opereert de gemeente als beheersgemeente waarbij de beschikbare formatie het vertrekpunt is voor de keuzen. In deel 2 wordt achtereenvolgens het beleid voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving vastgelegd. Hierbij vormen de risicoanalyses opgenomen in bijlage 1 en 2 de basis. Ten aanzien van het beleid op het gebied van de vergunningverlening zijn de onderdelen zoals vastgelegd in het huidige beleidsplan overgenomen en geactualiseerd. Toegevoegd zijn de activiteiten “het slopen op basis van het planologisch kader”, “het realiseren van uitwegen” “het kappen van bomen”. Voor deze onderdelen zijn de bestemmingsplannen en reeds vastgestelde beleidsplannen (bomenverordening en beleidsnota uitwegenvergunningen) leidend. Op het gebied van toezicht is het beleid vastgelegd per activiteit van de Wabo analoog aan het beleid van de vergunningverlening. De toezichtsniveaus zijn gebaseerd op de risicoanalyses (bijlage 2) en sluiten aan op de vergunningverlening. Er zijn aparte risicoanalyses voor de realisatie- en de gebruiksfase. De nadruk van het toezicht in de realisatiefase ligt bij de monumenten, publiekstoegankelijke gebouwen en constructies bij evenementen. In de gebruiksfase ligt dit bij metaalbewerkings- en autobedrijven (milieu) en logies, campings en peuterspeelzalen (brandveiligheid). Naar aanleiding van meldingen vind altijd toezicht plaats. Gelet op de aanwezige capaciteit vindt geen actief toezicht plaats bij de activiteiten met een klein dan wel zeer klein risico, zoals het verwijderen van kleine hoeveelheden asbestplaten (<30 m2), kleine verbouwingen, niet meldingsplichtig bedrijven. Verder is opgenomen dat het toezicht zoveel mogelijk integraal wordt uitgevoerd, dat een goed naleefgedrag wordt beloond en dat gewerkt gaat worden met flexteams bij thema- en inventariserende controles. Worden tekortkomingen geconstateerd treedt het beleid op het gebied van de handhaving in werking. Hierbij is aangesloten bij de landelijk handhavingsstrategie (bijlage 5) waarbij de (mogelijke) gevolgen en het gedrag van de overtreder bepalend zijn bij de strategie van het optreden door het bevoegd gezag. Er zijn verschillende sanctiestrategieën vastgesteld afhankelijk van het soort toezicht dat plaatsvond, voor meldingen, handhavingsverzoeken en ongewone voorvallen (bijlage 6). Hierbij wordt niet alleen de overtreder maar vooral ook de belanghebbende niet uit het oog verloren, in analogie van de opmerkingen van de Ombudsman inzake de handhaving door gemeenten. Daarnaast is de gedoogstrategie opgenomen, het optreden tegen de eigen organisatie of andere overheden en het toepassen van bestuurs- en strafrechtelijke maatregelen. De gemeente maakt momenteel geen gebruik van het instrument bestuurlijke boete. De gemeente kan namelijk zelf boetes opleggen bij overtredingen, een taak die voorheen werd uitgevoerd door het OM. Hiervoor beschikt de gemeente op dit moment niet over de vereiste capaciteit zowel kwantitatief (extra werk) als kwalitatief (opleiding toezichthouders). Hierdoor verliest de handhaving aan kracht en effectiviteit. In deel 3 is de beschikbare capaciteit naast het uit te voeren beleid geplaatst. Uitgangspunt van het beleidsplan is de aanwezige capaciteit. Er moet echter worden geconstateerd dat door het aantrekken van de economie er meer aanvragen binnenkomen waardoor de capaciteit bij de vergunningverlening sterk onder druk staat. Daarnaast is in het kader van de het principe “comply or explain” een toets uitgevoerd van de huidige bezetting op het gebied van VTH aan de kwantitatieve en kwalitatieve eisen op de 26 deskundigheidsgebieden, zoals opgenomen in de kwaliteitscriteria 2.1 (bijlage 3). Geconcludeerd kan worden dat het noodzakelijk is dat bijscholing op het gebied van handhaving wordt aangepakt. Daarnaast is de gemeente kwetsbaar op gebieden waar maar één persoon de activiteiten uitvoert (o.a. bouwplantoets, cultuurhistorie, groen en ecologie, bouwfysica). Op 10 deskundigheidsgebieden voldoet de gemeente aan de gestelde eisen of is van mening dat de werkdruk een hoger bezetting niet toelaat (o.a. casemanagen, toezicht bodem, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit). In deel 4 is het organisatorisch kader weergegeven. Dit omvat een omschrijving van de strategische en operatieve cyclus (BIG-8). Verder is hier beschreven dat het voorliggende Omgevingsbeleidsplan voor een groot deel invulling geeft aan de gestelde procescriteria uit de Kwaliteitscriteria 2.1., waarbij nog enkele criteria nader worden beschreven, zoals verantwoording en monitoring, kwaliteitsborging, vergelijking en auditing en organisatorische condities. Tot slot is aangegeven dat in navolging van dit Integraal Omgevingsbeleidsplan een uitwerking dient plaats te vinden in protocollen en werkinstructies. Daarnaast dient het gehele proces van verlening, toezicht en handhaving te worden gedigitaliseerd en zal een reorganisatie van functies en taken moeten worden uitgevoerd om de werkdruk als gevolg van de economische opleving te reduceren. Hernieuwde vaststelling 2022 In 2017 is het Integraal Omgevingsbeleidsplan VTH vastgesteld voor de periode van 2017 t/m 2021. Hierbij is er destijds van uitgegaan dat de Omgevingswet in 2021 in werking zou treden. Nu dit laatste is verschoven en nieuw beleid in het kader van de Wabo niet meer van toepassing is zodra de Omgevingswet in werking treedt, wordt geadviseerd het bestaande beleid te continueren tot de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet (vooralsnog 1 juli 2022). Achtergrond Op 14 april 2016 is de Wet verbetering Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) in werking getreden. Deze Wet omvat een wijziging van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Wet verbetering VTH stelt eisen aan de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht. Volgens artikel 5.5 van deze Wet dient de gemeente zorg te dragen voor een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving voor de Wabo taken die zij zelf uitvoeren, de zogenaamde niet-basistaken of wel genoemd de thuistaken. Dit kan door het vaststellen van de kwaliteitscriteria in een verordening of door het vaststellen van deze kwaliteit in een beleidsplan. Eén en ander conform het Besluit van 21 april 2017 tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht (BOR) dat op 1 april 2017 in werking is getreden. Op grond van artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht (BOR) dient de gemeente een uitvoerings- en handhavingsbeleid vast waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen zij zichzelf stellen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten zij daartoe zullen uitvoeren. Onderhavig Integraal Omgevingsbeleidsplan geeft invulling aan deze wettelijke verplichting. Op 7 juni 2016 heeft het college besloten de kwaliteit van de uitvoering van de thuistaken vast te leggen in een beleidsplan. Uitgangspunt blijft het voldoen aan de (dynamische) kwaliteitscriteria 2.1. In dit beleidsplan wordt de taakuitvoering gespiegeld aan de kwaliteitscriteria, waarbij gewerkt wordt volgens de mogelijkheden van "comply or explain" (pas toe of leg uit). Momenteel zijn twee aparte beleidsdocumenten voor VTH van toepassing: het “Integraal Handhavingsbeleid 2012-2016 Eijsden-Margraten” vastgesteld 14 februari 2012 en het “Omgevingsbeleidsplan vergunningverlening 2015-2019”. Het Handhavingsbeleidsplan is gedateerd en is niet afgestemd op de Kwaliteitscriteria. Het Omgevingsbeleidsplan vergunningverlening is niet geheel compleet (artikel 2.2. Wabo ontbreekt) en voldoet aan de Kwaliteitscriteria. Beide taakvelden, de uitvoering en handhaving, zijn nauw met elkaar verbonden en het is daarom aan te bevelen een duidelijk beleidslijn te kiezen die als een rode draad door de activiteiten loopt. Gelet hierop is er voor gekozen een geheel nieuw integraal omgevingsbeleidsplan voor de Vergunningverlening , Toezicht en Handhaving op te stellen. Hierbij vormt het Omgevingsbeleidsplan vergunningverlening de basis. Het doel van het Omgevingsbeleidsplan is dat de klanten van de gemeente Eijsden-Margraten verzekerd zijn van kwaliteit en continuïteit op het gebied van VTH. Daarnaast dient het Omgevingsbeleidsplan een helder en transparant beeld weer te geven waardoor meer uniformiteit in werken tussen de medewerkers, een heldere prioriteitsstelling en duidelijke afspraken over de toetsniveaus ontstaat. Het beleidsplan wordt vastgesteld voor een periode van 4 jaar, te weten 2017-2021. Voor de basistaken (o.a. milieu, bodem, asbest) die door de Regionale Uitvoeringsdeienst Zuid Limburg worden uitgevoerd, geldt het volgende: Volgens het nieuwe artikel 5.4 van de gewijzigde Wabo is de gemeenteraad verplicht bij verordening regels te stellen over de uitvoering en handhaving van de zogenoemde basistaken die in opdracht van burgemeester en wethouders door de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid-Limburg (RUDZL) worden uitgevoerd. Dit om de kwaliteit van de uitvoering en handhaving te waarborgen. Deze verordening is door de raad vastgesteld op 12 juli 2016. Deel 1: Kader Het kaderstellend deel heeft als belangrijkste taak de positie, doelstellingen, uitgangspunten en opbouw van het Omgevingsbeleidsplan te bespreken. Hoofdstuk 1 pakt het Omgevingsbeleidsplan op. De positionering en structuur van het Omgevingsbeleidsplan worden toegelicht. Het Omgevingsbeleidsplan strekt zich uit over vrijwel alle VTH-activiteiten die vallen onder de werking van de Wabo en werkt het beleid en het uitvoeringsprogramma uit. Hoofdstuk 2 bespreekt de missie, visie en uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het Omgevingsbeleidsplan. Zij sturen het beleidsdeel aan. Het kaderstellend deel wordt afgesloten met het begrippen- en beleidskader 1.Positionering en structuur van het Omgevingsbeleidsplan VTH 1.1. Inleiding Het Omgevingsbeleidsplan VTH strekt zich uit over alle activiteiten tot artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo en hieraan gerelateerde wetgeving zoals het Bouwbesluit 2012 en het Activiteitenbesluit. Hierbij zijn de volgende taken te onderscheiden: De beoordeling van vergunningsaanvragen. De controles van uitvoerende werkzaamheden, die plaatsvinden op basis van de vergunning in de realisatiefase. De controles tijdens de beheer- of gebruiksfase. De handhaving bij tekortkomingen , meldingen handhavingsverzoeken en ongewone voorvallen Dit beleidskader heeft niet alleen betrekking op de omgevingsvergunning, die nodig is voor het uitvoeren van een bepaalde activiteit in de gemeente. Ook wanneer voor een bepaalde activiteit een melding moet worden gedaan, zal deze worden meegenomen. In dit beleidskader wordt tenslotte apart aandacht besteed aan het om gaan met tijdelijke omgevingsvergunningen, het intrekken van omgevingsvergunningen en het toezicht op evenementen, overige Wet- en regelgeving en thematisch toezicht. 1.2. Het realiseren van een integraal kader Het Omgevingsbeleidsplan VTH heeft tot doel om gemeentelijke taken met het aanwezige beleid op het gebied van de Wabo in beeld te brengen, te structureren en te vertalen naar een adequaat uitvoeringsniveau. Onder het begrip adequaat wordt verstaan het niveau dat is afgeleid van protocollen, vastgesteld beleid en de kennis en ervaring van de eigen medewerkers. 1.3. Het realiseren van transparantie De gemeente (college en/of burgemeester) als bevoegd gezag is op basis van wet- en regelgeving verplicht ten aanzien van de fysieke omgeving de vergunningverlening, toezicht en handhaving op haar grondgebied vorm en inhoud te geven. Aan bepaalde activiteiten in de fysieke omgeving zijn maatschappelijke risico’s verbonden. Het toezicht gebeurt in een aantal stadia, namelijk: bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag, bij uitvoerende werkzaamheden naar aanleiding van een afgegeven vergunning en tijdens het reguliere gebruik. De gemeente gaat na of burgers, ondernemers, beheerders en partijen die namens hen optreden (architecten, constructeurs, aannemers, uitvoerders) zich houden aan landelijke, provinciale en lokale wet- en regelgeving. De gemeente heeft als taak om na te gaan of deze partijen voldoende aannemelijk hebben gemaakt volgens de regels en voorschriften te handelen. Een belangrijk begrip in dit kader is transparantie: het zichtbaar maken van welke publieke taken de gemeente op welke wijze uitvoert, zodat voor burgers, ondernemers, beheerders, medewerkers, management en bestuur een eenduidig beeld en verwachtingspatroon ontstaat. Essentieel daarbij is dat bestuurlijke overeenstemming wordt bereikt over de reikwijdte van de taakopdracht en de afstemming met de beschikbare of nog beschikbaar te stellen middelen. Concreet betekent dit bezig zijn met het zoeken naar evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit. De taken van de gemeente kunnen op verschillende uitvoeringsniveaus worden gerealiseerd. Aan ieder uitvoeringsniveau hangt een prijskaartje. Dit prijskaartje wordt bepaald door de inzet van vooral capaciteit (personeel). Aan ieder uitvoeringsniveau hangt ook een risicoprofiel. Afhankelijk van het uitvoeringsniveau worden bepaalde risico’s wel of niet afgedekt. Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven. Het Omgevingsbeleidsplan VTH heeft uiteindelijk een sterk operationeel karakter. Het is gericht op uitvoeringsbeleid en maakt keuzen hoe de gemeente de aannemelijkheidstoets op aspecten in het kader van wet- en regelgeving gaat uitvoeren. Er moeten in relatie tot het Omgevingsbeleidsplan expliciete bestuurlijke keuzen worden gemaakt. Een nadere prioritering van taken moet plaatsvinden. De beschikbare formatie is het vertrekpunt voor de keuzen. 1.4. De structuur van het Omgevingsbeleidsplan Het Omgevingsbeleidsplan bestaat uit een 4-tal lagen. Deze sluiten aan bij de genoemde landelijke kwaliteitscriteria. De volgende lagen worden onderkend: De eerste laag bestaat uit de missie, visie en uitgangspunten. Deze laag vormt in wezen het kaderstellend deel. De tweede laag bestaat uit het beleid voor de gemeentelijke taken. Deze laag is terug te vinden in deel 2 van het Omgevingsbeleidsplan. Per taak wordt steeds dezelfde opbouw van de uitwerking aangehouden. Achtereenvolgens komen aan bod: Inleiding: toelichting op basis van het hoe en waarom van een taak of product. Centrale vraag: vraag die het beleidskader moet beantwoorden. Strategie: uitgangspunten voor het beleid én de uitwerking van de factoren op basis waarvan keuzen worden gemaakt. Beleid: de keuzen ten aanzien van prioriteiten en diepgang. In wezen vormt deze laag het inhoudelijke kwaliteitsdeel. De derde laag bevat het uitvoeringsprogramma op basis van de het werkaanbod. Het beleid wordt dan vertaald naar zogenaamde input- en prestatiedoelstellingen. De inputdoelstellingen geven aan welke inzet van uren en budget op onderdelen zal plaatsvinden, terwijl de prestatiedoelstellingen aangeven hoeveel aanvragen, zaken e.d. worden afgewikkeld. Het uitvoeringsprogramma komt tot stand door diverse kengetallen aan elkaar te koppelen. Dit heeft een directe relatie naar de discussie over de kritische massa in het kader van de Kwaliteitscriteria 2.1. In dit deel vindt uiteindelijk ook de bestuurlijke afweging plaats. De vierde en laatste laag bevat de organisatorische verankering. Deze laag heeft betrekking op de procescriteria en laat zien hoe de realisatie van het uitvoeringsprogramma in relatie tot de beleidscyclus is geborgd. Het uitvoeringsprogramma, genoemd als derde laag, is nog geen jaarprogramma. Het uitvoeringsprogramma geeft het kader aan van aantallen en uren op basis van het beleidsdeel. Nadat bestuurlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden wordt het uitvoeringsprogramma definitief gemaakt. Jaarlijks vindt vervolgens een vertaalslag plaats, zodat de gegevens kunnen worden verwerkt in een afdelingsplan. 2.Missie, visie en uitgangspunten 2.1. Inleiding De inhoud van het Omgevingsbeleidsplan VTH wordt gestuurd door de missie, visie en uitgangspunten. Zij bepalen de strategie en het beleid hoe de activiteiten worden benaderd. In de volgende paragrafen worden de relevante bouwstenen op een rij gezet. 2.2. Profielschets gemeente Gemeente Eijsden-Margraten is in 2011 ontstaan door de fusie van de voormalige gemeenten Eijsden en Margraten en heeft circa 25.000 inwoners. De gemeente bestaat uit 15 kernen en 21 buurtschappen gelegen in een landelijke, overwegend agrarische, omgeving. De gemeente heeft gekozen zich als “de bloesem van het zuiden” te profileren. Dit geeft aan dat fruitteelt hier nadrukkelijk aanwezig is. Tevens is de fruitveiling Zuid-Limburg in de gemeente gevestigd. Intensieve veehouderij en glastuinbouw komen vrijwel niet voor. Door ontwikkelingen binnen de agrarische sector is het buitengebied aan verandering onderhevig. Enerzijds is bij een aantal bedrijven sprake van schaalvergroting, terwijl andere bedrijven juist stoppen of andere activiteiten ontplooien. Zo is er een verschuiving te zien naar het houden van paarden. Veel (voormalige) agrarische bedrijven ondernemen niet-agrarische (neven)activiteiten. Industriële bedrijvigheid is slechts sporadisch aanwezig op enkele kleine bedrijventerreinen in Eijsden, Gronsveld en Margraten. De bedrijvigheid in de kernen beperkt zich in hoofdzaak tot dienstverlenende bedrijven, detailhandel, horecabedrijven en bedrijven met een ambachtelijk karakter. Grootschalige winkel- of uitgaanscentra komen niet voor. Het westelijk gedeelte van de gemeente ligt in het dal van de Maas. In Eijsden stroomt de Maas ons land binnen vanuit België. Daarnaast loopt door dit gedeelte van de gemeente de Rijksweg A2 en de spoorlijn die de Noord-Zuidverbinding vormen met België. Het oostelijk deel van de gemeente ligt in het stroomgebied van de Oermaas, genoemd het plateau van Margraten. Op dit plateau ligt ook het American Cemetery and Memorial, één van de grote begraafplaatsen voor Amerikaanse militairen die tijdens WO II zijn gevallen. Verder is de gemeente gelegen binnen het Nationaal Landschap Zuid Limburg dat een sterk toeristische aantrekkingskracht heeft op wandelaars en fietsers. Tel hier de ligging aan de Maas bij op en er is sprake van een gemeente die zeer aantrekkelijk is voor verblijfsrecreatie. Binnen de gemeente zijn dan ook tal van B&B’s, campings, hotels en andere overnachtingsmogelijkheden aanwezig. Toerisme is dan ook één van de speerpunten van de gemeente. Op 13 mei 2015 is de gemeente aangewezen als wandelgemeente van Nederland 2015. Op 25 juni 2016 heeft de gemeente Eijsden-Margraten het Cittaslow keurmerk ontvangen. Cittaslow is het internationale keurmerk voor gemeenten die op het gebied van leefomgeving, landschap, streekproducten, gastvrijheid, milieu, infrastructuur, cultuurhistorie en behoud van identiteit tot de top behoren. Verder is de gemeente de op één na grootste monumentengemeente van Limburg met 395 Rijksmonumenten en 5 rijksbeschermde dorpsgezichten. Het in stand houden hiervan is ook één van de gemeentelijke speerpunten. 2.3. Risico’s en adequaat niveau Ten behoeve van het opstellen van het Omgevingsbeleidsplan is een missie en visie ontwikkeld voor de taken op het gebied van fysieke omgeving. Essentieel hierbij is dat de inzet van de gemeente plaatsvindt op basis van risicomanagement. Op hoofdlijnen kunnen de volgende algemene risico’s worden onderscheiden: Fysieke onveiligheid leidend tot letsel en dood, omdat bijvoorbeeld sprake is van constructief en brandonveilige situaties. Gevaar voor de gezondheid, omdat sprake is van een slecht binnenklimaat van bouwwerken of het verwijderen van asbest. Aantasting van de kwaliteiten van de leefomgeving, omdat de inpassing van bouwwerken in hun omgeving niet of onvoldoende bijdraagt aan een prettige en duurzame omgeving, bedrijfsactiviteiten onveilig of niet duurzaam worden geëxploiteerd en invloed hebben op water, lucht, bodem e.d. Aantasting van de sociale kwaliteit van het leven tot uiting komend in bijvoorbeeld gevoelens van onveiligheid (onder meer brandonveilig gebruik, verkeersonveilige situaties), hinder/overlast en het uitsluiten van doelgroepen van maatschappelijke activiteiten door ontoegankelijke bouwwerken. De zojuist genoemde risico’s hebben als zij ontstaan bepaalde neveneffecten, die niet uit het oog mogen worden verloren. De belangrijkste neveneffecten zijn: Externe financiële schade: de gemeenschap wordt geconfronteerd met extra uitgaven ten gevolge van bijvoorbeeld een calamiteit. Deze kosten kunnen zowel een collectief als individueel karakter hebben. Maatschappelijke onrust: op verschillende geografische schaalniveaus kan onrust ontstaan wanneer niet adequaat wordt gehandeld; bijvoorbeeld ten gevolge van onveiligheid rond bouw- en sloopterreinen, het instorten van balkons, schade aan belendingen. Aantasting van het bestuurlijk imago: de betrouwbaarheid, daadkracht, integriteit van de overheid wordt in twijfel getrokken wanneer incidenten of calamiteiten zich voordoen. Er wordt vaak snel naar de gemeente gewezen als boosdoener. Het bestuur kan hierop worden afgerekend. Procesrisico’s: onjuiste uitvoering van werkzaamheden kan leiden tot bijvoorbeeld vergunningen van rechtswege, bezwaren, schadeclaims, ontevreden klanten, onjuist afgegeven vergunningen. Als systematiek voor het bepalen van de risico’s is gekozen voor de Risicomodule van de Antea Group (voormalig Oranjewoud). Deze wordt nader toegelicht in bijlage 1 en 2. Adequaat niveau Onder het begrip adequaat wordt verstaan het niveau dat is afgeleid van landelijke protocollen, vastgesteld beleid en de kennis en ervaring van de eigen medewerkers. Het niveau ‘adequaat’ of ‘representatief’ als uitgangspunt is feitelijk het gemiddelde erkende minimumniveau van toetsing waarbij voldaan wordt aan de zorgplicht van het bevoegde gezag. Kleine objecten zullen een lager niveau hebben en grotere en meer risicovolle objecten zullen minimaal representatief behandeld worden op het adequate niveau. 2.4. Missie en visie De missie, die achter het Omgevingsbeleidsplan ligt en als een rode draad door dit beleidsplan heenloopt, kan worden omschreven als: “De gemeente staat voor een duurzame en veilige leefomgeving waarin burgers en bedrijven goed kunnen wonen, werken en leven”. Visie De gemeente doet dit door kwalitatief goede producten te leveren, waarbij de kosten zo laag mogelijk worden gehouden. We werken risicogestuurd, klantgericht, zakelijk, efficiënt en transparant. 2.5. Uitgangspunten Het geformuleerde beleid is gebaseerd op bepaalde uitgangspunten. Deze uitgangspunten geven aan op welke wijze de gemeente Eijsden-Margraten de aannemelijkheidstoets tegemoet treedt. De uitgangspunten zijn afgeleid van landelijke kwaliteitssystemen op het gebied van VTH. De primaire verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van (ver)bouwen, slopen en gebruik ligt bij de burgers, bedrijven en instanties dan wel de partijen die namens hen optreden. De gemeente Eijsden-Margraten beziet of die verantwoordelijkheid voldoende wordt genomen en onderneemt acties op basis van geschat risico en wettelijke voorschriften. De gemeente Eijsden-Margraten heeft een vangnetfunctie op het gebied van de wet- en regelgeving fysieke omgeving. Dit wil zeggen: diegene die een activiteit uitvoert is verantwoordelijk voor het toepassen van de wet- en regelgeving. De gemeente kan ingrijpen als dit niet zodanig wordt uitgevoerd. De vangnetfunctie heeft een publiekrechtelijk karakter. De vangnetfunctie is gekoppeld aan kernbepalingen; onderdelen van wet- en regelgeving met een groot maatschappelijk belang. Deze kernbepalingen zijn bij de aannemelijkheidstoets (zie 3.1) leidend. De gemeente Eijsden-Margraten ziet hierop consequent, onafhankelijk en objectief toe. De gemeente Eijsden-Margraten hanteert bij de vorm en inhoud geven van de vangnetfunctie de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Dat wil zeggen dat burgers, bedrijven en instanties direct worden aangesproken op de geleverde kwaliteit. Communicatie en samenwerking spelen daarbij een zeer centrale rol. Er is sprake van een proactieve en preventieve benadering die probeert te voorkomen dat zaken achteraf tegen hoge kosten voor burgers, bedrijven en instanties en gemeente moeten worden rechtgezet. De kernbepalingen bepalen de wijze waarop wordt omgegaan met de indieningsvereisten voor vergunningaanvragen. Deze vereisten zijn verwoord in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Aan de hand van de kernbepalingen wordt bepaald wat de gemeente als bevoegd gezag echt nodig heeft voor de aannemelijkheidstoets. Hiermee wordt vorm en inhoud gegeven aan een klantgerichte benadering De gemeente Eijsden-Margraten stelt zich als doel het traject van vergunningverlening zo kort mogelijk te houden. De gemeente Eijsden-Margraten opereert op het gebied van VTH als een beheersgemeente. Genoemde uitgangspunten vinden grotendeels plaats vanuit dit perspectief. In de gemeente Eijsden-Margraten worden vooral veel kleinere bouwwerken opgericht met uitzondering van een paar inbreidingslocaties. 3.Begrippen- en beleidskader 3.1. Begrippenkader In het Omgevingsbeleidsplan worden de volgende begrippen gehanteerd: Vergunningverlening heeft betrekking op het in behandeling nemen van een vergunningsaanvraag, het beoordelen van deze aanvraag en het nemen van een beslissing op de aanvraag in de vorm van een beschikking. Onder vergunningverlening wordt ook het behandelen van een melding verstaan. In de sfeer van vergunningverlening is steeds meer sprake van meldingen (sloopmelding, gebruiksmelding en milieumelding). Toetsing van de compleetheid en de werkingssfeer van een melding wordt gezien als equivalent voor het proces van de vergunningverlening. Aan een melding kunnen nadere voorwaarden (maatwerkvoorschriften) worden verbonden. Het opstellen van dergelijke voorschriften maakt onderdeel uit van de vergunningverlening. Bij milieu kunnen deze voorschriften van belang zijn voor het mogelijk maken van een activiteit (verruiming van normen) en ter ondersteuning van toezicht en handhaving. Bij slopen zijn deze voorschriften vooral van belang in verband met het omgaan met gevaarlijke stoffen en hinder / overlast voor de omgeving. Onder toezicht wordt verstaan: Vergunning gerelateerde controles in de realisatiefase (zoals bij slopen, bouwen) en in de beheer- of gebruiksfase (zoals bij het exploiteren van een milieu-inrichting en brandveilig gebruik van bouwwerken). Controles op het uitvoeren van activiteiten zonder vergunning of melding naar aanleiding van eigen waarnemingen en meldingen van derden. Tevens valt hier de (thematische) gebiedscontrole onder zoals de controle van bedrijventerreinen en/of branches. Als in het kader van handhaving controles moeten worden uitgevoerd vallen deze ook onder het begrip toezicht. Handhaving is de (bestuurlijke) oordeelsvorming over bevindingen tijdens toezicht en het – waar nodig en bestuurlijk wenselijk geacht – plegen van interventies (maatregelen en sancties) met formeel juridische instrumenten, zoals het toepassen van bestuursdwang, het opleggen van dwangsommen, het opleggen van een bestuurlijke boete of het intrekken van een vergunning. Aannemelijkheidstoets is de toets waaruit blijkt dat waarschijnlijk wordt voldaan aan wet- en regelgeving. De systematiek is als volgt: het is de taak van de aanvrager om aannemelijk te maken dat één en ander aan wet- en regelgeving voldoet. Het is de taak van de gemeente om op basis van beleid selectief na te gaan of dit ook zo is. Kernbepalingen zijn onderdelen van wet- en regelgeving die een zodanig afbreukrisico hebben dat zij kunnen leiden tot maatschappelijk onacceptabele risico’s en hierdoor het speerpunt van de gemeente zijn bij het uitvoeren van de aannemelijkheidstoets. De kernbepalingen zijn gekoppeld aan de in het vorige hoofdstuk genoemde vier pijlers. 3.2. Wijziging wet- en regelgeving Wet- en regelgeving ten aanzien van activiteiten in de fysieke omgeving is continu in beweging. Zoals al aangegeven is per 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Per 1 april 2012 is het Bouwbesluit gewijzigd. Onderdelen van de gemeentelijke bouwverordening zijn in het Bouwbesluit opgenomen. Ook het Gebruiksbesluit (voor brandveilig gebruik van bouwwerken) is in het Bouwbesluit geïntegreerd. Op 1 november 2014 is de Wabo aangepast betreffende vergunningsvrij bouwen. Vervolgens is op 14 april 2016 de Wet verbetering Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) in werking getreden. Het Omgevingsbeleidsplan neemt de stand van zaken van wet- en regelgeving en beleid per 1 januari 2017 als vertrekpunt. Op 1 juli 2017 is het besluit wijziging BOR in werking getreden. De eisen voor een adequaat proces, ter optimalisering van de zogenaamde begrotingscyclus is vastgelegd in het Besluit Omgevingsrecht (BOR). De komende jaren zullen meer wijzigingen plaatsvinden, bijvoorbeeld door de Omgevingswet. Mogelijke consequenties van deze wijzigingen in wet- en regelgeving zullen bij de jaarlijkse evaluaties van het Omgevingsbeleidsplan betrokken worden. Wet private kwaliteitsborging in de bouw Op 16 februari 2017 is de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, ook wel private kwaliteitsborging door de Tweede Kamer aangenomen. Onder private kwaliteitsborging wordt verstaan dat de initiatiefnemer het bouwproces zodanig organiseert dat er voldoende waarborgen zijn die ervoor zorgen dat het eindresultaat voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Dit kan door gebruik te maken van toegelaten instrumenten. Als eerste zal dit voor bouwwerken die vallen in gevolgklasse 1 gaan gelden. In gevolgklasse 1 vallen grondgebonden woningen tot maximaal drie lagen en niet voor bewoning bestemde gebouwen tot maximaal twee bouwlagen, van maximaal 20 m hoogte. Er zijn in klasse 1 geen gelijkwaardige oplossingen toegestaan voor voorschriften die de veiligheid betreffen. De verbouwingen van deze gebouwen vallen ook automatisch hieronder. Private kwaliteitsborging ziet toe op het gehele traject van de bouw: van initiatiefnemer tot en met de oplevering. Voordelen hiervan zijn onder andere dat het bouwproces niet meer wordt doorkruist door het aanvragen van een omgevingsvergunning en dat in veel gevallen, door striktere toetsing en adequaat toezicht, een beter eindproduct ontstaat. Dit betekent dat vrijwel alle vergunningaanvragen voor bouwwerken, waarbij alleen artikel 2.1.1.a van de Wabo van toepassing is, binnen de gemeente Eijsden-Margraten niet meer getoetst worden door de gemeente zelf en dat ook het toezicht hierop komt te vervallen. De gevolgen van deze Wet voor de gemeente Eijsden-Margraten worden geanalyseerd in kwantitatieve zin (uren, fte, leges) als in kwalitatieve zin. De laatste stand van zaken is dat in april 2017 de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is gestart. Omgevingswet In 2014 is het wetsvoorstel Omgevingswet voorgelegd aan de Tweede kamer. Op 1 juli 2015 heeft een ruime meerderheid van de Tweede Kamer ingestemd met de Omgevingswet. Begin 2016 stemde ook de Eerste Kamer in met het wetsvoorstel. Daarna volgde direct de publicatie in het Staatsblad. Verder moet er een invoeringswet en een invoeringsbesluit komen. In 2017 en 2018 werkt het kabinet verder aan de Nationale Omgevingsvisie. De wet treedt in 2019 in werking (vooralsnog). Het omgevingsrecht bestaat momenteel uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Zij hebben allemaal hun eigen uitgangspunten, werkwijzen en eisen. De wetgeving is daardoor te ingewikkeld geworden voor de mensen die ermee werken. Daardoor duurt het bijvoorbeeld langer voordat een project kan starten. Veranderingen door Omgevingswet Het kabinet maakt het omgevingsrecht makkelijker en voegt alle regelingen samen in 1 Omgevingswet. Wat levert de Omgevingswet de Nederlander op? Een aantal feiten op een rij: Van 26 wetten naar 1. Van 5000 wetsartikelen naar 350. Van 120 ministeriële regelingen naar 10. Van 120 algemene maatregelen van bestuur naar 4. 1 wet voor de hele leefomgeving. De wet maakt het mogelijk om lokale problemen ook lokaal op te lossen. Van meerdere bestemmingsplannen naar 1 omgevingsplan. Uitgangspunten Omgevingswet Met de nieuwe Omgevingswet wil het kabinet: de verschillende plannen voor ruimtelijke ordening, milieu en natuur beter op elkaar afstemmen; duurzame projecten stimuleren; gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte geven. Zo kunnen zij hun omgevingsbeleid afstemmen op hun eigen behoeften en doelstellingen. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. ‘Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’ is het motto. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijke regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Verder biedt de wet meer ruimte voor particuliere ideeën. Dit komt doordat er meer algemene regels gelden, in plaats van gedetailleerde vergunningen. Het doel staat voorop en niet het middel om er te komen. De houding bij het beoordelen van plannen is ‘ja mits’ in plaats van ‘nee tenzij’. Zo ontstaat ruimte voor bijvoorbeeld bedrijven en organisaties om met ideeën te komen. Tevens zorgt dit voor een kortere procedureduur bij het aanvragen en wijzigen van bestemmingsplannen. Daarnaast houdt de wet rekening met regionale verschillen, wordt het gemakkelijker om vergunningen aan te vragen door middel van 1 (digitaal) loket en zijn er minder onderzoekslasten voor bedrijven. De Omgevingswet brengt een omvangrijke stelselherziening met zich mee, die niet van de ene op de andere dag ingevoerd kan worden. Het zal een aantal jaren duren voordat alle regelingen en instrumenten zodanig zijn ingericht dat er goed mee gewerkt kan worden. Deel 2: Beleid 1.Beleid uitvoering (vergunningverlening) In het beleidsdeel wordt voor de belangrijkste activiteiten het beleid uitgewerkt. Het beleid heeft betrekking op de wijze waarop de gemeente vorm en inhoud geeft aan de aannemelijkheidstoets. Per activiteit of onderdeel daarvan wordt de volgende opbouw van de uitwerking aangehouden: Inleiding: toelichting op basis van het hoe en waarom van een taak of product. Centrale vraag: vraag die het Omgevingsbeleidsplan moet beantwoorden. Strategie: uitgangspunten voor het beleid én de uitwerking van de factoren op basis waarvan keuzen worden gemaakt. Beleid: de keuzen ten aanzien van prioriteiten en diepgang. 1.1Preventiestrategie De gemeente Eijsden-Margraten hanteert, zoals aangegeven bij de uitgangspunten, de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Deze aanpak komt sterk naar voren bij de vergunningverlening. De gemeente stimuleert potentiële aanvragers actief na te gaan of aanvragen of meldingen nodig zijn en ten behoeve van de afhandeling te komen tot goed uitgewerkte aanvragen. Dit doet zij op twee manieren, namelijk via: Voorlichting en informatievoorziening, bijvoorbeeld in de vorm een loket met klantadviseurs en de website. Vooroverleg in de vorm van concept aanvragen, welstandaanvragen en principeverzoeken. Het overleg stelt een potentiële aanvrager in de gelegenheid om de haalbaarheid van een initiatief na te gaan zonder veel kosten te maken en het plan tot in detail uit te werken. De gemeente heeft als doelstelling de burger/ c.q. aanvrager optimaal te informeren. 1.2Toetsstrategie De toetsstrategie geeft op hoofdlijnen aan op welke wijze de gemeente vergunningsaanvragen en meldingen beoordeelt. Voor de meeste activiteiten heeft een risicoanalyse plaatsgevonden. De risicoanalyse heeft plaatsgevonden door vergunningsaanvragen en meldingen in logische categorieën te verdelen en deze te koppelen aan thema’s waarop volgens de gemeente wet- en regelgeving moet beoordelen. Per categorie per thema is nagegaan wat het risico is. Dit risico is vertaald naar de wijze van beoordelen. 1.2.1. Uitgangspunt toetsstrategie De toetsstrategie heeft een directe relatie met de toezichtstrategie vanwege het uitgangspunt: - ‘Wat we buiten (toezicht) belangrijk vinden, vinden we ook binnen (toets) belangrijk’. 1.2.2. Toetsniveaus De toetsniveaus worden bij de diverse activiteiten nader belicht. Toetsen op adequaat niveau is het algemene uitgangspunt bij vergunningverlening. Het adequate niveau is in de werkprogramma’s gelijk gesteld aan het representatieve niveau. Hierbij geldt een representatieve toets, waarbij een aantal representatieve onderdelen van tekeningen en berekeningen kritisch bekeken en eventueel rekenkundig gecontroleerd worden. Deze representatieve toets wordt uitgevoerd door een plantoetser die voldoet aan de Kwaliteitscriteria 2.1 en ruim voldoende kennis en ervaring heeft met de materie. Het toetsniveau ‘adequaat’ of ‘representatief’ als uitgangspunt is feitelijk het gemiddelde erkende minimumniveau van toetsing. Kleine objecten zullen een lager toetsniveau hebben en de grotere en meer risicovolle objecten zullen minimaal representatief getoetst worden. Tabel 1: Omschrijving toetsniveaus Niveau Werkniveau Omschrijving Aanvulling gemeente 4 Integraal toetsen Alles controleren. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd/nagerekend. Het betreft uitgangspunten ten aanzien van alle onderdelen die aan de hand van specifieke projecttekeningen berekeningen, rapportages worden gecontroleerd. 3 Representatief toetsen Controle van de belangrijkste onderdelen. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. De na te rekenen aspecten worden bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets. Het betreft uitgangspunten ten aanzien van de meest kritische onderdelen die aan de hand van specifieke projecttekeningen berekeningen, rapportages worden gecontroleerd 2 Visueel toetsen Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. Het betreft uitgangspunten die aan de hand van algemene projecttekeningen via meten en eenvoudige berekeningen zijn te controleren 1 Uitgangspunten toets Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken, die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergeven. Indien gegevens niet aanwezig zijn de ontvankelijkheidtermijn is verstreken zonder dat de gemeente hiervan melding heeft gegeven, dan kan de vergunning hier niet meer op worden aangehouden/geweigerd. Het betreft uitgangspunten die eenvoudig van de algemene projecttekening zijn af te lezen, bijvoorbeeld verwijzing naar een NEN norm en materiaalaanduidingen. 0 Geen Er vindt geen controle op het onderdeel plaats Het hanteren van toetsniveaus heeft vooral betrekking op aanvragen voor zogenaamde aflopende activiteiten als bouwen, slopen en uitvoeren van een werk. De vergunning wordt aangevraagd en afgegeven, hierna vindt de uitvoering plaats en de activiteit is gereed. Er is geen sprake van een beheer- of gebruiksfase. Voor het beoordelen van aanvragen aan de thema’s in wet- en regelgeving worden, afhankelijk van de risico’s verschillende werkniveaus gehanteerd. De werkniveaus geven de mate van diepgang aan waarop wordt beoordeeld. Deze methodiek is overgenomen van het project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunningen dat in het verleden door de grotere gemeenten in Nederland is geïnitieerd. Verder is gekeken naar de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van vergunningsvrije activiteiten. Activiteiten met een doorlopend karakter zijn activiteiten, die een beheer- of gebruiksfase kennen. Het betreft dan vooral de activiteiten: exploiteren van een milieu-inrichting en het brandveilige gebruik van bouwwerken. Daar waar dit niet mogelijk bleek te zijn is op basis van analyses een onderscheid gemaakt tussen aandachts- en niet-aandachts bedrijven. 1.3Activiteit (ver) bouwen van een bouwwerk Inleiding Artikel 2.1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Vervolgens stelt artikel 2.10: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het bouwen niet voldoet aan het Bouwbesluit, de gemeentelijke bouwverordening, het bestemmingsplan, de beheersverordening, algemene ruimtelijke regels die door de provincie of het Rijk zijn gesteld, redelijke eisen van welstand, een advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid, of het exploitatieplan. Het (ver)bouwen van een bouwwerk is één van de activiteiten die valt onder de Wabo en waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Aanvragen voor deze activiteit worden naast de genoemde toetsingskaders beoordeeld op ontvankelijkheid. Op grond van artikel 2.1 van de Wabo is het verboden om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning). Hierop is echter een aantal uitzonderingen van toepassing. Deze staan genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor). De meeste toetsingskaders voor aanvragen voor het (ver)bouwen van een bouwwerk liggen vooraf vast. Dit geldt in ieder geval voor het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand (welstandsnota). Toetsing vindt altijd aan de hand van deze kaders plaats. Er is geen keuze in het kader van het omgevingsbeleidsplan om bijvoorbeeld de toets aan het bestemmingsplan voor bepaalde type bouwwerken uit te sluiten of de welstandstoets over te slaan. Wanneer hierover ideeën of suggesties bestaan zullen de toetsingskaders moeten worden aangepast. Ten aanzien van de technische voorschriften is eveneens een formeel kader aanwezig in de vorm van het Bouwbesluit en bepaalde onderdelen van de bouwverordening. Het is echter onmogelijk om 100% aan deze kaders te toetsen. Vanuit de gedachte van de aannemelijkheidstoets is dit ook niet noodzakelijk. Voor de technische toetsing van aanvragen voor het (ver)bouwen van een bouwwerk is het daarom noodzakelijk tot een lokaal toetsingskader te komen dat aangeeft hoe de gemeente Eijsden-Margraten aannemelijk maakt of aan wet- en regelgeving wordt voldaan. Dit toetsingskader komt tot stand door de volgende vraag te beantwoorden. Centrale vraag Welke bouwwerken worden met welke diepgang technisch beoordeeld? Strategie De gemeente Eijsden-Margraten sluit aan bij de visie van het landelijke project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunning (CKB) op het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen. Dit project is een initiatief van de afdelingen bouw- en woningtoezicht van 27 grote gemeenten, voorheen verenigd in het Platform Bouw en Woningtoezicht Grote Gemeenten, en nu onderdeel vormend van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. Onder het motto ‘100% toetsen kunnen we niet’ ontwikkelden deze gemeenten een systeem dat laat zien hoe en wat er wel getoetst wordt. Het beleidsplan maakt gebruik van onderdelen van de ontwikkelde methodiek. Daarnaast is ook gekeken naar het vergunningsvrij bouwen. Met de laatste wijziging van de Wabo in november 2014 is dit aspect gewijzigd. Vergunningsvrije bouwwerken worden in geheel niet getoetst. De verantwoording dat deze voldoen aan het Bouwbesluit ligt geheel bij de uitvoerder. Vaak komt het voor dat dit soort bouwwerken toch vergunningplichtig zijn in verband met de ligging buiten het achtererfgebied. In het kader van de deregulering zal de gemeente ook in dergelijke gevallen de verantwoording bij de uitvoerder/aanvrager leggen en de toetsing minimaliseren. Bouwwerktypologie De intensiteit van toetsing wordt allereerst afhankelijk gesteld van het type bouwwerk. Het type bouwwerk is op dit moment al geen onbekende factor binnen het taakveld van de fysieke omgeving. Op grond van de kenmerken van een bouwwerk wordt bijvoorbeeld bepaald of een aanvraag om omgevingsvergunning nodig is. Een ander voorbeeld zijn de technische eisen waaraan bouwwerken moeten voldoen. Bij deze eisen wordt onderscheid gemaakt naar soort bouwwerk. Bij het te ontwikkelen beleid kan dan ook niet om deze factor heen. Immers een tuinhuisje vraagt bijvoorbeeld een andere benadering dan een appartementengebouw. Op basis van het handhavingsbeleid en -uitvoeringsprogramma is gekozen voor de indeling zoals weergegeven in tabel A. Per type bouwwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de technische toetsing van de aanvraag omgevingsvergunning. Thema’s wet- en regelgeving De intensiteit van toetsing wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk ( thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. In tabel B zijn de technische onderdelen / thema’s weergegeven. In combinatie met vooral het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. Werkniveaus De intensiteit of zwaarte van toetsing wordt afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type bouwwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus. Deze zijn afgeleid van het landelijke project CKB. Zie tabel 1. Risicoanalyse en conversie naar werkniveau De risicoanalyse van bouwwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden in bijlage 1. Tabel A: bouwwerkcategorieën Nr. Naam type / categorie Omschrijving 1 Vrijstaande bijgebouwen bij een woonfunctie Berging, tuinhuisje, schuur, garage, container, dierenverblijf/ duiventil 2 Aan-, uit- en verbouwen bij een woonfunctie en bedrijfsfunctie. Aan-/uitbouwen en kleine verbouwingen bij woonfunctie en bedrijfsfunctie met 1 bouwlaag van niet-ingrijpende aard 3 Nieuwbouw en verbouw woongebouw Nieuwbouw appartementen, nieuwbouw vakantieappartementen, ingrijpend vergroten, veranderen of vernieuwen woongebouw; projectmatige bouw vanaf 4 woningen, logiesgebouwen, bejaardencentra 4 Nieuwbouw grondgebonden woningen / aan-, uit- en verbouwingen bij woonfunctie met verhoogd risico Klasse 1: Nieuwbouw t/m 3 woningen gelijktijdig uitgevoerd; verbouw niet-woning tot woning; splitsen woning bij niet woonfunctie Klasse 2: Projectmatig vanaf 4 woningen in veelvoud controles 5 Nieuwbouw en verbouw industrie en bedrijfsgebouwen Klasse 1: Verbouwen bedrijfsgebouw in totaal 1000 m2 (werkzaamheden van minder ingrijpende aard ), aan /uitbouwen en verbouwingen bij woonfunctie met een “verhoogd risico” Klasse 2: Nieuwbouw en verbouw industrie met “verhoogd” risico bijvoorbeeld gelijkwaardigheid 6 Nieuwbouw en verbouw publiektoegankelijke bouwwerken Keerpunt (paviljoens), gemeenschapshuis, kerkgebouw, ontmoetingsruimten, school/ leslokaal, winkels, showroom, café, horecabedrijf/gebouw 7 Bouwwerken geen gebouw zijnde Overkapping, erfafscheiding/ hekwerk, carport, privé zwembad, lichtreclame, reclamebord/ zuil, mast, zend- en ontvangstinstallatie Tabel B: thema’s wet- en regelgeving B. Thema wet- en regelgeving Toelichting 1. Ruimtelijke inpassing Bebouwings- en gebruiksvoorschriften uit het bestemmingsplan, monumentenwet en stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening 2. Esthetische inpassing Redelijke eisen van welstand (welstandsnota, erfgoedverordening) 3. Constructieve veiligheid Algemene sterkte van de constructie, sterkte bij brand en vloerafscheidingen (afdeling 2.1 t/m 2.3 Bb2012) 4. Gebruiksveiligheid Overbrugging van hoogteverschillen, trappen, hellingbaan, draairichting van ramen en deuren (afdeling 2.4 t/m 2.7 Bb2012) 5. Brandveiligheid Ontstaan van brand, ontwikkeling en uitbreiding van brand, ontstaan en verspreiding van rook, vluchtroutes, ontruimingsalarm, brandmelding, bestrijding van brand, ontstaan en beperking van ongevallen (afdeling 2.8 t/m 2.14, 2.16, 2.17, 6.5 t/m 6.8 Bb2012) 6. Sociale veiligheid Toegang tot bouwwerk en inbraakpreventie (afdeling 2.15 en 6.11 Bb2012) 7, Geluid Geluid van buiten, geluid van installaties, geluid tussen ruimten en galm (afdeling 3.1 t/m 3.4 Bb2012) 8. Vocht Wering van vocht van buiten en binnen, gebrek aan hygiëne (afdeling 3.5) 9. Ventilatie Luchtverversing, spuivoorziening, afvoer van rook en toevoer van verbrandingslucht (afdeling 3.6 t/m 3.8 Bb2012) 10. Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren Toepassing schadelijke materialen en binnendringen schadelijke stoffen uit de grond. Bescherming tegen muizen en ratten. Bij het formuleren van het beleid is dit thema opgevat als het controleren van de aanlegdiepte (afdeling 3.10 Bb2012) 12. Daglicht Toetreding van daglicht (afdeling 3.11 Bb2012) 13. Toegankelijkheid Toegankelijkheid en bereikbaarheid voor rolstoelgebruikers, vrije doorgang, verkeersroutes, bereikbaarheid bouwwerken, bereikbaarheid gebouwen voor gehandicapten (afdeling 4.4 en 6.10 Bb2012) 14. Ruimten Aanwezigheid en omvang van ruimten in een gebouw (afdeling 4.1 t/m 4.3, 4.5 t/m 4.6 Bb2012) 15. Opstelplaatsen Aanwezigheid en plaats van aanrecht en waar apparaten zoals kooktoestel en warmwatertoestel worden opgesteld (afdeling 4.7 Bb2012) 16, Energiezuinigheid Isolatie, luchtdoorlatendheid en andere (installatie)voorzieningen die de energieprestatie positief beïnvloeden (afdeling 5.1 en 5.2 Bb2012) 17. Gas, water, elektra en riolering Voorzieningen voor verlichting, gas, water, elektra en afvoer van huishoudelijk afvalwater / hemelwater (afdeling 6.1 t/m 6.4 Bb2012) 18. Omgevingsveiligheid en afvalscheiding Voorkomen onveilige situaties, hinder / overlast tijdens uitvoering en scheiden van afval (afdeling 8.1 en 8.2 Bb2012) Beleid Op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type bouwwerk de diepgang van toetsing bepaald. Deze is terug te vinden in de toetsprotocollen en samengevat in de volgende tabel. Het werkniveau van toetsing betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’. De gemeente Eijsden-Margraten inventariseert bij een aangegeven thema de risico-elementen en gaat hierbij na wat van een plan de cruciale secties zijn. Voorbeelden van secties zijn een bouwlaag, een woningtype, een gebouwvleugel, een trappenhuis, een galerij of een specifieke ruimte. De elementen van de cruciale secties worden op het afgesproken werkniveau getoetst. Afhankelijk van het vertrouwen dat hieruit blijkt kan voor repeterende elementen het werkniveau worden opgeschaald. De tabel is gesorteerd naar type bouwwerken en thema’s met de hoogste score. Het hanteren van het ‘principe van vertrouwen’ betekent dat een bouwwerk in wezen nooit 100% wordt getoetst, tenzij uitwerking en presentatie van het plan daartoe echt aanleiding geeft. De gemeente Eijsden-Margraten besteedt niet aan alle technische onderdelen / thema’s, die volgens wet- en regelgeving van toepassing zijn, aandacht. Er is een duidelijk verschil in aandacht waar te nemen tussen de verschillende bouwwerkcategorieën: Bij nieuw- en verbouw van woongebouwen, publiekstoegankelijke bouwwerken en grondgebonden woningen worden zo goed als alle thema’s beoordeeld. Bij industrie- en bedrijfsgebouwen en aan-, uit- en verbouwen wordt een twee- à drietal thema’s niet beoordeeld. Bij de overige bouwwerkcategorieën (1, 2 en 7) vindt in principe alleen een uitgangspuntentoets plaats. Vaak zijn dit bouwwerken die indien gelegen binnen het achtererfgebied, als vergunningsvrij zijn aan te merken. De verantwoordelijkheid dat deze gebouwen voldoen aan het Bouwbesluit wordt in dit geval dan ook gelegd bij de aanvrager. Dit zijn de rood aangegeven werkniveaus. Indien er sprake is van een afwijkend bouwwerk dat nooit vergunningsvrij zal zijn gelet op afmetingen en dergelijke, gelden de werkniveaus aangegeven in zwart. Eén en ander is ter beoordeling door de behandelaar van de aanvraag. De toetsstrategie per bouwwerkcategorie is opgenomen in bijlage 4 van dit Beleidsplan. Ten aanzien van de thema’s kan worden geconcludeerd dat de kernbepalingen bestaan uit: Omgevingsveiligheid, brandveiligheid, gebruiksveiligheid, voorzieningen gas/water/elektra/riolering, ventilatie, ruimten en daglicht: zij worden bij minimaal 5 bouwwerkcategorieën minimaal op niveau 2 beoordeeld. Energiezuinigheid, toegankelijkheid en vocht: zij worden bij minimaal 4 bouwwerkcategorieën minimaal op niveau 2 beoordeeld. Het toetsbeleid wordt geflankeerd door aanvullend beleid. In dit verband wordt in het bijzonder gewezen op enkele aspecten: Het toetsbeleid betekent dat een aanscherping heeft plaatsgevonden van de ontvankelijkheidseisen voor de technische voorschriften. Er is een landelijke Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) die aangeeft welke bescheiden aanwezig moeten zijn op het moment van indiening van een aanvraag. In relatie tot het beleid voor toetsing is nagegaan hoe per bouwwerkcategorie moet worden omgegaan met de landelijke vereisten. Dit heeft er toe geleid dat er voor de verschillende bouwwerkcategorieën verschillende minimale indieningsvereisten zijn samengesteld in zogenaamde checklijsten. De indieningsvereisten per bouwwerkcategorie zijn opgenomen in bijlage 4 van dit Beleidsplan. Op basis van het toetsbeleid is nadrukkelijker geformuleerd dat uitwerking van de thema’s met een werkniveau van 1 of hoger correct op de vergunningstekening moet staan. Het stellen van voorwaarden in de beschikking op deze thema’s wordt aan banden gelegd. Dit betekent dat aanvragers nadrukkelijker gevraagd zullen worden om tekeningen en berekeningen voordat vergunningverlening plaatsvindt aan te passen. Hiervoor zal voor zover noodzakelijk het instrument van verdaging van het besluit worden ingezet. Met deze beleidslijn wordt aangesloten bij de jurisprudentie dat in de vergunning alleen voorschriften van ondergeschikte aard mogen worden opgenomen. Bovendien wordt voorkomen dat nog niet geregelde vraagstukken worden doorgeschoven naar de volgende fase, namelijk de controle op de uitvoering van de werkzaamheden. Zowel de vergunninghouder als toezichthouder van de gemeente krijgen op die manier te maken met minder verrassingen. Zoals aangegeven wordt in het toetsbeleid tevens gekeken naar de mogelijkheid op vergunningsvrij zijn van een bouwwerk, indien het zou zijn gelegen in een achtererfgebied. Dan vindt enkel een uitganspuntentoets (werkniveau 1) plaats en wordt de verantwoordelijkheid bij de uitvoerder neergelegd. In navolging hierop zullenook in de voorschriften geen nadere eisen worden opgenomen ten aanzien van het melden van stappen binnen het bouwproces als het indienen van nadere bescheiden achteraf. Wel zal een service aan de aanvrager worden aangeboden om op zijn verzoek het bouwwerk te komen controleren. Certificering De toetsing van de technische voorschriften van het Bouwbesluit kan ook plaatsvinden door externe partijen volgens een beoordelingsrichtlijn (BRL/BN 5019). Dit is de zogenaamde gecertificeerde bouwbesluittoets. Zodra bij een aanvraag een rapportage is bijgevoegd van een gecertificeerde toets wordt het in deze notitie geformuleerde beleid niet meer uitgevoerd door de gemeente. In de plaats daarvan zal de gemeente een controle uitvoeren op de geldigheid van het certificaat dat ten grondslag ligt aan het rapport. Er wordt dan gecontroleerd op de datum van het certificaat en de toepassingsgebieden waarvoor het certificaat is afgegeven. Wanneer sprake is van een positief resultaat wordt aangenomen dat de aanvrager voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag voldoet aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit. Indien sprake is van een gecertificeerde bouwbesluittoets, die voldoet aan de voorwaarden, wordt een korting van 10% op de leges verleend. 1.3.1Beoordeling constructieve aspecten Inleiding Beoordeling van het constructief hoofdprincipe van een aanvraag omgevingsvergunning activiteit verbouwen. Constructieve veiligheid is naast brandveiligheid een belangrijk thema. In het vorige hoofdstuk is dit onderdeel slechts samengevat. In de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) wordt aangegeven dat vooraf inzicht moet worden gegeven in het hoofdprincipe van de constructie. Detailtekeningen en berekeningen mogen na afgifte van de vergunning worden ingediend. De genoemde regeling biedt interpretatieruimte, die gezien het belang van het thema, niet wenselijk is. Centrale vraag Hoe wordt omgegaan met de toets van het constructieve hoofdprincipe bij de aanvraag om vergunning? Strategie Als uitgangspunt is geformuleerd dat, afhankelijk van het bouwwerk, vooraf gegevens moeten worden ingediend die aannemelijk maken, dat wordt voldaan aan de eisen van constructieve veiligheid. De gegevens moeten worden beoordeeld door een ter zake deskundig persoon, waarbij de diepgang van beoordeling vooraf is afgesproken. Beleid Het beleid is terug te vinden in de tabellen op de volgende pagina. De eerste tabel is voor een belangrijk gedeelte gebaseerd op het landelijke plan van aanpak constructieve veiligheid. De bouwwerkcategorieën voor de activiteit verbouwen zijn teruggebracht tot een tweetal categorieën. Aangegeven is welke bescheiden voor de ontvankelijkheid moeten worden ingediend en wie verantwoordelijk is voor de beoordeling. In de tweede tabel is aangegeven op welk niveau de gegevens inhoudelijk worden beoordeeld. In deze tabel is aangesloten bij de indeling in gebruiksfuncties zoals opgenomen in het Bouwbesluit en de werkniveaus zoals al eerder toegelicht. De werkniveaus zijn per gebruiksfunctie per constructief onderwerp weergegeven. In te dienen constructieve bescheiden Type bouwwerk Te overleggen gegevens Uitvoerder Categorie 1: Bouwwerkcategorie 1, 2 en 7 Geen verdere vereisten op constructief gebied. Aan de hand van goede bouwkundige tekeningen en toetsingsrichtlijnen vindt de beoordeling plaats. Er wordt naar gestreefd de beoordeling zoveel mogelijk vooraf te laten plaatsvinden, met andere woorden er worden geen aanvullende voorwaarden meer in de vergunning opgenomen. Bij twijfel moet worden opgeschaald naar categorie 2. Plantoetser / Constructeur Categorie 2: Overige bouwwerkcategorieën Bij aan-/uitbouwen ook hoofdgebouw weergeven Plantoetser / Constructeur 1. Tekeningen van de definitieve hoofdopzet van de constructie van alle verdiepingen inclusief een globale maatvoering. 2. Sonderingen met voorlopig funderingsadvies. 3. Schematisch funderingsoverzicht met gekozen aanlegniveaus of palenplan met globale plaatsing, aantallen en paalpuntniveaus. 4. Plattegronden van vloeren en daken, inclusief globale maatvoering. 5. Overzichtstekeningen (1:100) van constructies in staal, beton geprefabriceerd beton, hout, inclusief stabiliteitsvoorzieningen en dilataties. 6. Principe details van karakteristieke constructieonderdelen (1:20/1:10/1:5) inclusief maatvoering. 7. Schriftelijke toelichting op het Definitief ontwerp van de constructies waaruit met name blijkt: Constructie methoden en materialen; De aangehouden belastingen en belastingtypen; Het stabiliteitsprincipe; Omschrijving van de hoofddraagconstructie met bij voorkeur een beschrijving van de robuustheid/redundantie daarvan (2e draagweg); Toelichting op de integratie van brandwerendheidseisen in het ontwerp; De constructieve samenhang binnen soortgelijke en tussen verschillende soorten constructies. 1.4Activiteit het slopen van een bouwwerk Inleiding Artikel 2.1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald, het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Vervolgens stelt artikel 2.18: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het slopen niet voldoet aan de gronden gesteld in de desbetreffende verordening. In paragraaf 1.7 van het Bouwbesluit 2012 wordt gesteld dat een voornemen tot slopen waarbij naar redelijke inschatting de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m³zal bedragen of asbest wordt verwijderd, ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden schriftelijk wordtgemeld aan het bevoegd gezag. Er wordt in dergelijke situatie niet meer gesproken over een omgevingsvergunning voor de activiteit slopen van een bouwwerk, maar van een sloopmelding. Deze sloopmelding moet afhankelijk van het type sloopwerk vijf dagen, respectievelijk vier weken voor aanvang worden gedaan. Het Bouwbesluit geeft aan welke bescheiden bij een melding moeten worden ingediend en op welke onderdelen door de gemeente aanvullende voorwaarden mogen worden gesteld. Daarnaast is op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in een aantal gevallen een omgevingsvergunning voor het slopen nodig. Dit is het geval als sprake is van het slopen van een monument, het slopen in geval van een planologisch verbod of het slopen in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Het slopen van een monument, voor zover vergunningplichtig, wordt meegenomen bij de activiteit “het wijzigen van een monument”. Centrale vraag Welke vergunningen/meldingen om te slopen worden met welke diepgang beoordeeld? Strategie Er is een methodiek toegepast naar analogie van de aanvraag omgevingsvergunning activiteit verbouwen, waarbij beleid wordt ontwikkeld per thema per type sloopwerk. Typologie sloopwerk Op basis van drie factoren is een indeling in type sloopwerken gemaakt. De leidende factoren zijn: (

  1. a)de samenstelling van het aanbod aan sloopwerkzaamheden, (
  2. b)de risico’s die aan bepaalde type sloopwerken zijn verbonden en (
  3. c)het kwaliteitsbeeld dat van toepassing is op bepaalde type sloopwerken. De onderscheiden categorieën zijn terug te vinden in tabel A. Per type sloopwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de beoordeling van de melding. Wel of geen risicovol werk Het onderscheid tussen een risicovol en niet risicovol sloopwerk wordt als volgt bepaald: Analyse risicofactoren J N asbest gemeenschappelijke draagconstructie risicovolle of aandacht locatie gevaar belendingen (tabel) gevoelige omgeving ten aanzien van hinder en overlast (tabel) verdachte bodemlocatie in relatie tot milieugevaarlijke stoffen bodemlocatie in relatie tot archeologie aanwezigheid van gebruikers in resterende delen van bouwwerk verwerking op eigen terrein Wanneer één of meer keren ‘ja’ is aangekruist is sprake van een risicovol sloopwerk. Gevoeligheid belendingen Aan de hand van de tabel gevoeligheid belendingen kan op basis van de sloopmethode en enkele kenmerken van de omliggende bouwwerken de mate van gevoeligheid worden bepaald. Hinder en overlast Aan de hand van de tabel hinder en overlast kan worden bepaald of sprake is van een hoge, gemiddelde of lage gevoeligheid van de omgeving. Dit wordt alleen bepaald door het gebruik in de omgeving. Soort functie omgeving Hoge gevoeligheid Wonen Gezondheidszorg x Onderwijs x Sport Industrie Bijeenkomst x Cel Kantoor Logies Winkel Bouwwerk geen gebouw zijnde Overig Thema’s wet- en regelgeving In het beleid wordt de intensiteit van toetsing afhankelijk gesteld van de onderdelen van het sloopwerk (thema’s uit wet- en regelgeving) die in het geding zijn. In tabel B zijn de onderdelen / thema’s weergegeven. In combinatie met het type sloopwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. Werkniveaus. De intensiteit of zwaarte van toetsing wordt, zoals al aangegeven, afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type sloopwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus. Deze zijn gelijk aan de werkniveaus gehanteerd bij de activiteit (ver)bouwen. Risicoanalyse en conversie naar werkniveau De risicoanalyse van sloopwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden in bijlage 1. A. Naam type / categorie Omschrijving 1 Particulier sloopwerk asbest Het door een particulier slopen van: Geschroefde, hechtgebonden asbesthoudende platen met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel; Asbesthoudende vloertegels met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel; Niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel. 2 Niet particulier sloopwerk asbest Het uitsluitend verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk door een bedrijf. 3 Niet risicovol sloopwerk Het afbreken van een gebouw of gedeelte daarvan, waarbij de hoeveelheid sloopafval minimaal 10 m3 bedraagt zonder asbest / gevaarlijke stoffen en niet op een locatie met gevaar voor de omgeving. 4 Risicovol sloopwerk Het afbreken van een gebouw of gedeelte daarvan, waarbij de hoeveelheid sloopafval minimaal 10 m3 bedraagt met asbest / gevaarlijke stoffen en / of op een locatie met gevaar voor de omgeving. B. Thema Toelichting 1. Samenloop omgevingsvergunning Nagaan of sprake is van een samenloop met een omgevingsvergunning 2. Omgevingsveiligheid Externe veiligheid conform afdeling 8.1 Bb2012 3. Belendingen Beschadiging, toegankelijkheid / bereikbaarheid, hinder en overlast 4. Asbest Aanwezigheid, verwijderen, asbestvrij verklaren, afvoer / stort 5. Overige vrijkomende stoffen Scheiding, opslag, verwerking 6. Mobiel puinbreken Op eigen terrein steenachtig terrein breken Beleid Op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type sloopwerk de diepgang van toetsing bepaald. Deze is terug te vinden in de toetsprotocollen en samengevat in de volgende tabel. Het werkniveau van toetsing betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’ zoals eerder uiteengezet. Uit de toetsingsmatrix kan worden afgeleid dat bij een sloopmelding, met uitzondering van het risicovol sloopwerk, geen inhoudelijke beoordelingen plaatsvinden. Er is een controle op het compleet indienen van de melding en op de eventuele samenloop met een omgevingsvergunning. Er worden geen nadere voorwaarden gesteld. Er is dus sprake van een administratief product. Zoals aangegeven geldt dit niet voor een risicovol sloopwerk. Bij een risicovol sloopwerk zal op basis van de melding nagegaan worden in hoeverre aan het slopen aanvullende voorwaarden voor het waarborgen van veiligheid en scheiden van afval nodig is. Hier is met andere woorden sprake van maatwerk. Daartoe worden alle thema’s inhoudelijk beoordeeld op het representatieve niveau. Voor deze beoordeling kan het noodzakelijk zijn dat ter plaatse een schouw wordt uitgevoerd of vooroverleg plaatsvindt. 1.5Activiteit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk met het oog op brandveiligheid Inleiding Artikel 2.1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd zo stelt artikel 2.13 als de brandveiligheid voor het voorziene gebruik niet voldoende is verzekerd. Tevens stelt de Wabo dat in sommige gevallen geen vergunning nodig is, maar dat gelijktijdig met een aanvraag voor een andere activiteit een melding met het oog op brandveiligheid kan worden gedaan. De zogenaamde gebruiksmelding is opgenomen in paragraaf 1.7 van het Bouwbesluit 2012. Deze melding kan overigens ook geheel los van een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden gedaan. Naast het regime van de omgevingsvergunning voor het brandveilig gebruik van bouwwerken is sprake van gebruiksmeldingen. Een vergunning is nodig als sprake is van: dagverblijf van meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, dagverblijf van meer dan 10 personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking of wanneer sprake is van nachtverblijf van meer dan 10 personen. Een gebruiksmelding wordt gevraagd als: zich meer dan 50 personen in een bouwwerk kunnen bevinden, er sprake is van een woonfunctie die kamergewijs wordt verhuurd of er sprake is van gelijkwaardigheid op basis van het Bouwbesluit. Wanneer voor een inrichting geen gebruiksvergunning of –melding nodig is gelden algemene regels met een zorgplicht. Centrale vraag Hoe vindt de beoordeling op brandveilig gebruik van een bouwwerk plaats? Strategie Beoordeling vindt plaats op basis van wat gesteld is in hoofdstuk 3 van de handreiking implementatie Gebruiksbesluit van de NVBR met enkele aanvullende beleidsregels. Type bouwwerk Voor het beleidsplan wordt ten aanzien van de bouwwerktypologie aangesloten bij de bouwwerkcategorieën, die worden onderscheiden in de genoemde implementatiewijzer Gebruiksbesluit van de NVBR. Dit besluit kent een viertal risicoklassen, namelijk: A – Direct noodzakelijk B – Noodzakelijk C – Zeer gewenst D – Niet direct noodzakelijk Deze indeling is overgenomen van het Prevap (Preventie actieplan). In tabel A zijn de risicoklassen uitgewerkt. Thema’s wet- en regelgeving In het beleid wordt de intensiteit van toetsing afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk (thema’s uit wet- en regelgeving) die in het geding zijn. In tabel B zijn de onderdelen / thema’s weergegeven. De thema’s betreffen een combinatie van drie factoren: bouwkundige kwaliteit, het gebruik en de organisatorische hulpverleningsorganisatie. In combinatie met het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. Werkniveaus. De intensiteit of zwaarte van toetsing wordt, zoals al aangegeven, afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type bouwwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus. Deze zijn gelijk aan de werkniveaus gehanteerd bij de activiteit (ver)bouwen. Risicoanalyse en conversie naar werkniveau De risicoanalyse van bouwwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden in bijlage 2 en 4. A. Naam type / categorie Omschrijving A Direct noodzakelijk Kamerverhuur > 10 personen Onderwijsfunctie > 12 jaar ; >500 personen Kantoorfunctie >500 personen Industriefunctie >500 personen Bijeenkomstfunctie >500 personen Sportfunctie >1000 personen Winkelfunctie >1000 personen B Noodzakelijk Kamerverhuur 5-10 personen Onderwijsfunctie > 12 jaar 250-500 personen Kantoorfunctie 250-500 personen Industriefunctie 250-500 personen Bijeenkomstfunctie 250-500 personen Sportfunctie 250-1000 personen Winkelfunctie 500-1000 personen C Zeer gewenst Onderwijsfunctie > 12 jaar 50-250 personen Gezondheidszorgfunctie met zelfredzame gebruikers (gezondheidsdiensten) Kantoorfunctie 50-250 personen Industriefunctie 50-250personen Bijeenkomstfunctie hoge bezetting 50-250 personen Sportfunctie 50-250 personen Winkelfunctie 250-500 personen D Niet direct noodzakelijk Woongebouw met zelfredzame bewoners Bijeenkomstfunctie lage bezetting 50-250 personen Sportfunctie lage bezetting 50-250 personen Winkelfunctie 50-250 personen Industriefunctie < 50 personen en gebruikmaking van beheersbaarheid van brand B. Thema Toelichting 1. Verlichting Noodverlichting (afdeling 6.1 Bb2012) 2. Tijdig vaststellen brand Aanwezigheid en functioneren van brandmeldinstallatie en rookmelders (afdeling 6.5 Bb2012) 3. Vluchten bij brand Voorzieningen en maatregelen ter bevordering van het eenvoudig en snel ontvluchten van een bouwwerk en een beoordeling van het gebruik in hoeverre voorzieningen en maatregelen ook daadwerkelijk effectief kunnen werken (afdeling 6.6 Bb2012) 4. Bestrijden van brand Aanwezigheid en aanduiding van brandslanghaspels, blusmiddelen en –toestellen, automatische brandblusinstallatie, brandkranen en bluswaterwinplaats (afdeling 6.7 Bb2012) 5. Bereikbaarheid hulpverleningsdiensten Bereikbaarheid bouwwerk voor brandweer, aanwezigheid en kwaliteit brandweeringang, aanwezigheid brandweerlift, aanwezigheid van opstelplaats brandweervoertuig (afdeling 6.8 Bb2012) 6. Voorkomen van brandgevaar / ontwikkeling van brand Voorzieningen en maatregelen ter voorkoming en snelle verspreiding van brand en beoordeling van het gebruik in hoeverre voorzieningen en maatregelen ook daadwerkelijk effectief kunnen werken (afdeling 7.1 Bb2012) 7. Veilig vluchten bij brand Voorzieningen en maatregelen voor het snel en veilig vluchten bij brand en het voorkomen van letsel bij het vluchten (afdeling 7.2 Bb2012) Beleid Op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per risicoklasse de diepgang van toetsing bepaald. Deze is terug te vinden in de toetsprotocollen en samengevat in de volgende tabel. Het werkniveau van toetsing betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’ zoals eerder uiteengezet. Het onderzoek naar de brandveiligheid voor zowel de melding als de vergunning vraagt om een integrale benadering. In de regel zal bij een beoordeling van het brandveilig gebruik sprake zijn van een inventarisatie en vaststelling van de situatie, waarna beoordeeld wordt op welke wijze tegemoet wordt gekomen aan het gewenste niveau van brandveiligheid. Er worden tekeningen beoordeeld en er vindt een controle ter plekke plaats. Ten aanzien van het laatste volgt de gemeente Eijsden-Margraten het beleid voorgesteld in de handreiking implementatie Gebruiksbesluit: Risicoklasse A en B: beoordeling ter plekke 4 weken voor ingebruikname; Risicoklasse C: beoordeling ter plekke kort voor of na de ingebruikname; Risicoklasse D: beoordeling tijdens periodieke controle in gebruiksfase. Het wel of niet ter plekke controleren heeft direct consequenties voor de thema’s die wel en niet kunnen worden beoordeeld. Dit is duidelijk te zien bij risicoklasse D. Alleen de onderdelen die vanaf tekening zijn te beoordelen worden getoetst en wel op een relatief laag niveau. Vanaf tekening wordt gekeken of voorzieningen en maatregelen aanwezig zijn. Bij de risicoklassen A t/m C kunnen door de controle ter plaatse (meer) onderdelen (in meer detail) worden bekeken. Aangezien het gebruik in de meeste gevallen nog niet is begonnen kent ook deze controle beperkingen. Bouwkundige en installatietechnische zaken kunnen worden gecontroleerd, zaken gerelateerd aan het gebruik echter niet. Te allen tijde moet in het achterhoofd worden gehouden dat het om een momentsituatie gaat bij aanvang of voor aanvang van het gebruik. Periodieke controles moeten uitwijzen of tijdens het gebruik nog steeds sprake is van een brandveilig gebruik. Deze controles maken onderdeel uit van het handhavingsbeleid en –uitvoeringsprogramma. Naast de toetsingsmatrix spelen nog een tweetal aanvullende aspecten een rol: Toetsingsniveau bestaande bouw/nieuwbouw Gebleken is dat er in de praktijk een verschil van inzicht bestaat over het niveau van brandveiligheid. Dit is het gevolg van een verschil van interpretatie van regelgeving. Om te zorgen dat uniform wordt omgegaan met het toetsingsniveau bestaande bouw en nieuwbouw zijn uitgangspunten geformuleerd. Wanneer wordt nieuwbouw bestaande bouw? Met de vraag “Wanneer wordt nieuwbouw bestaande bouw” wordt bedoeld wanneer na ingebruikname van een bouwwerk nog verlangd mag worden dat het bouwwerk aan de eisen voldoet zoals opgenomen in de bouw- of omgevingsvergunning. Tot 1 jaar na ingebruikname van het pand, dient het pand te voldoen aan nieuwbouw-/kwaliteitsniveau van de afgegeven bouw- of omgevingsvergunning. Het gaat dan om nieuwbouwvoorschriften van het Bouwbesluit dat op het moment van vergunningverlening geldend is. Dit is dan het rechtens verkregen niveau. Voorwaarde hierbij is dat binnen maximaal 3 maanden na ingebruikname een aanvang is gemaakt met de oplevering. Wanneer is een deel van een object nieuwbouw en een deel bestaande bouw? In principe moet datgene dat nieuw gebouwd wordt, voldoen aan het Bouwbesluit Nieuwbouw, Bouwbesluit Verbouw of het bestaande aan Bouwbesluit Bestaande Bouw. Echter, indien het nieuwe deel dusdanig invloed heeft op bijvoorbeeld loopafstanden of compartimentering, dan kan het zijn dat het gehele pand op dat specifieke onderdeel aangepast moet worden aan nieuwbouw. Wil je bij bestaande bouw bepaalde onderdelen blijven toetsen op het rechtens verkregen niveau? In het Bouwbesluit wordt er een onderscheid gemaakt tussen regels voor bestaande bouw, regels voor verbouw en regels voor nieuwbouw. Juridisch gezien moet een bestaand pand dus voldoen aan deze regels. Echter, als een bestaand pand “slechts” aan de regels voor bestaande bouw hoeft te voldoen, dan levert dit niet in alle gevallen een (brand)veilig bouwwerk op. Voor onderdelen die erop gericht zijn om schade in geval van een calamiteit te beperken kan gewoon het Bouwbesluit bestaande bouw blijven gelden. Voor de onderdelen die betrekking hebben op de ontvluchting van personen in geval van een calamiteit, dient het betreffende pand te blijven voldoen aan het rechtens verkregen niveau. Dit is het niveau dat gold ten tijde van het afgeven van de bouw- of omgevingsvergunning. Dit levert een grotere mate van veiligheid op. Indien hier niet aan wordt voldaan kan via een bestuursrechtelijke maatregel ofwel een beperking van het gebruik worden opgelegd ofwel het treffen van bouwkundige maatregelen worden afgedwongen, zodat het gebruik kan worden voortgezet. Regelgeving met betrekking tot brandmeldinstallaties Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt in een kwaliteitsniveau bestaande bouw, verbouw en nieuwbouw. Voor het merendeel van de gebruiksvoorschriften geldt dan ook dat hier te allen tijde aan moet worden voldaan. Vooral ten aanzien van de aanwezigheid en kwaliteit van een brandmeldinstallatie dient wel beleid te worden geformuleerd. Hoofdregel is dat ten aanzien van een in het pand aanwezige brandmeldinstallatie het normblad blijft gelden dat bij het aanbrengen van de installatie in het bouwwerk van toepassing was. Deze regel kan, vooral bij oudere installaties, soms tot een te laag, dus ongewenst veiligheidsniveau leiden. Wanneer die hoofdregel bij wijziging van een norm tot een zodanig (onacceptabel) laag veiligheidsniveau zou leiden dat in redelijkheid een hoger niveau kan worden verlangd, kan dat meebrengen dat de aanwezige installatie niet (meer) als gelijkwaardig kan worden beschouwd. In dat geval kan de gemeente aanvullende eisen aan de installatie stellen. Een dergelijk te laag veiligheidsniveau kan zich voordoen in de volgende situaties: In het bouwwerk is conform het Bouwbesluit een brandmeldinstallatie vereist, doch niet aanwezig. De aanwezige brandmeldinstallatie voldoet niet aan de regelgeving die op het moment van installeren van kracht was. De aanwezige brandmeldinstallatie is niet onderhouden conform het gestelde in het Bouwbesluit. Het beheer van de installatie is niet uitgevoerd conform het gestelde in het Bouwbesluit. In dergelijke situaties is het noodzakelijk alsnog een brandmeldinstallatie te realiseren, dan wel de bestaande installaties aan te passen of uit te breiden. 1.6Activiteit het wijzigen van een monument Inleiding Artikel 2.1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. In artikel 2.15 van de Wabo is aangegeven dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel 2.2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning of ontheffing een project uit te voeren, waarbij: een monument als bedoeld in een zodanige verordening: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, Gelijktijdig met de wijziging van het Bouwbesluit 2012 is de Wabo aangepast en zijn enkele zaken met betrekking tot het slopen van een beschermd monument meldingplichtig geworden. Naast de Wabo vormen de Erfgoedwet en de gemeentelijke erfgoedverordening de kaders om activiteiten aan een monument te beoordelen. Aangezien monumenten op zich uniek zijn vindt steeds een specifieke afweging plaats. Hiervoor is geen algemeen toetsingskader te ontwikkelen. Bij ingrijpende herbestemmingen, ingrijpende reconstructies of sloop moet de aanvrager een historisch onderzoek indienen. Het vereiste bouwhistorisch- of cultuurhistorisch onderzoek moet voldoen aan de Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek 2009 en dient toegespitst te zijn op de voorgenomen wijzigingen van het monument en bestaat uit: Een overzicht van de bouw- en gebruiksgeschiedenis Beschrijving van de bestaande situatie De waardestelling. Op basis van artikel 6.4 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) moet in specifieke situaties dan ook advies gevraagd worden aan de rijksdienst of provincie. De gemeente beschikt over de wettelijk verplichte monumentencommissie. Er is wel een vijftal algemene beleidspunten geformuleerd die kunnen worden beschouwd als toetspunten voor een aanvraag en als uitgangspunt dienen voor het vooroverleg met aanvragers. Het wordt nodig geacht ten aanzien van de activiteiten in relatie tot monumenten expliciet aandacht te besteden aan één aspect dat nog om beleid vraagt, namelijk de situaties waarbij cultuurhistorische waarden en bouwvoorschriften zoals opgenomen in het Bouwbesluit elkaar niet verdragen. Gezien de noodzaak bij de Wabo om te komen tot afstemming van voorschriften is het van belang voor deze afstemming een helder beleidskader te hebben. Er moet gekomen worden tot een kader hoe afwegingen op dit terrein het beste kunnen plaatsvinden. Centrale vraag Hoe vindt afweging plaats tussen cultuurhistorische waarden en technische bouwvoorschriften? Strategie De activiteit wijzigen van een monument vindt vaak tegelijk plaats met de activiteit verbouwen van een bouwwerk. Eén van de zaken die bij deze samenloop regelmatig speelt is de afstemming i.c. inpassing van de technische vereisten uit het Bouwbesluit in relatie tot de monumentale waarden van een bouwwerk. Het realiseren van technische eisen bij monumenten vraagt met andere woorden dus regelmatig om de nodige afwegingen: enerzijds moet het pand voldoen aan de technische eisen; anderzijds mag er weinig tot geen afbreuk aan het monumentale karakter worden gedaan. Het beleidskader bestaat uit een soort afwegingsmodel waarin geschetst wordt hoe te werk moet worden gegaan bij afstemming van het monumentale karakter met de technische voorschriften Bouwbesluit. Beleid Nadat de technische norm op basis van het Bouwbesluit is bepaald, wordt nagegaan of zonder aantasting van het monumentaal karakter de norm kan worden gerealiseerd. Hierbij zijn bepalend: de redengevende omschrijving (reden waarom het bouwwerk is aangewezen als monument), het resultaat van een eventueel bouwhistorisch onderzoek en het advies van de monumentencommissie, rijksdienst of Provincie. Wanneer zonder problemen aan de technische norm kan worden voldaan is er geen probleem. Wanneer er wel problemen zijn moet het risico dat verbonden is aan de technische norm worden bepaald. Het risico wordt afgeleid van het al eerder besproken beleid voor de toetsing van bouwwerken aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit. Bij een toetsniveau 1 is sprake van een laag risico. Er is sprake van een hoog risico als het toetsniveau 2 of hoger is. De juistheid van het toetsniveau moet daarbij overigens wel gekoppeld worden aan het aanwezige knelpunt: "Passen de risico's behorende bij het niet voldoen aan de norm bij het toetsniveau?". Bij een hoog risico wordt uitgegaan van nieuwbouw criteria. Achtereenvolgens worden de volgende opties nagegaan: Is een gelijkwaardige oplossing mogelijk (artikel 1.5 Bouwbesluit)? Kunnen bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die omkeerbaar zijn, met andere woorden niet leiden tot permanente aantasting van het karakter? Kan aan de norm worden voldaan door het gebruik te beperken? Kunnen acceptabele bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die onomkeerbaar zijn, met andere woorden leiden tot permanente aantasting van het karakter? Is ontheffing van de norm mogelijk (per artikel geregeld)? Door verlaging tot het technische niveau bestaand Van enig voorschrift, dat wil zeggen de norm helemaal loslaten. - Ontheffing op gebied van brandveiligheid en constructieve veiligheid is nooit toelaatbaar – Wanneer optie 4 leidt tot ongewenste oplossingen of bij optie 5 ontheffing -vanwege risico's- niet mogelijk is, moet het gewenste gebruik worden uitgesloten (als de andere opties niet reëel zijn). De cultuurhistorische waarden zijn dan leidend. Het plan kan dan niet in de gevraagde vorm worden gerealiseerd. Bij een laag risico worden alleen de opties 1 en 5 bekeken. Een essentiële voorwaarde voor toepassing van het afwegingsmodel is dat in een vroeg stadium van het vergunningverleningsproces gekeken wordt naar de inpassing van technische voorschriften. Ten behoeve van een principe beslissing bij functiewijzigingen van monumenten moet een quickscan op bovenstaande wijze plaatsvinden. Door dit te doen, wordt op een relatief vroeg tijdstip inzicht verworven of sturing vanuit gemeentewege noodzakelijk is. Met andere woorden, wanneer sprake is van een monument moet in een vroeg stadium gekeken worden naar de afstemming met de technische voorschriften. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het integrale niveau. Bij de beoordeling wordt regelmatig een beroep gedaan op specifieke (externe) deskundigheid. Bij het uitzetten van een adviesaanvraag wordt expliciet aangegeven of er voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden en welke. 1.7Activiteit het slopen op basis van planologisch kader Inleiding Artikel 2.1. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stellen dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen als hiervoor in het bestemmingsplan regels zijn opgenomen. In artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is aangegeven dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als bijvoorbeeld niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd of dat blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de beeldbepalende cultuurhistorische waarden van het bouwwerk. In diverse bestemmingsplannen binnen de gemeente zijn ‘sloopregels’ opgenomen. Deze sloopregels zijn gekoppeld aan bepaalde bestemmingen of waarden. De meeste sloopregels moeten worden opgevat als bouwregels en vallen onder de activiteit (ver)bouwen van een bouwwerk. Centrale vragen Op welke wijze en met welke intensiteit vindt toetsing van de activiteit slopen plaats aan het planologisch kader? Strategie Aan het opstellen van de regels in het bestemmingsplan ligt een gebiedsanalyse ten grondslag, die kan worden beschouwd als risicoanalyse. Beleid Er wordt per aanvraag nagegaan of deze voldoet aan hetgeen gesteld is in de regels. Gezien het karakter van de regels zal dit steeds maatwerk zijn. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het integrale niveau. Bij de beoordeling wordt regelmatig een beroep gedaan op specifieke (externe) deskundigheid. Bij het uitzetten van een adviesaanvraag wordt expliciet aangegeven of er voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden en welke. 1.8Activiteit het uitvoeren van een werk Inleiding Artikel 2.1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald. In artikel 2.11 van de Wabo is aangegeven dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de werkzaamheden niet in strijd zijn met de bepalingen of met de ruimtelijke regels. Voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden kan een vergunning op basis van het bestemmingsplan of een beheersverordening c.s. nodig zijn. Wanneer een dergelijke (deel)vergunning nodig is wordt dat in het bestemmingsplan (per functie), beheersverordening c.s. geregeld. Het bestemmingsplan, verordening c.s. vormt met andere woorden voor aanvragen het toetsingskader. Hierin staan ook de criteria, uitsluiting(
  4. en)van werken of werkzaamheden aangegeven. Het vergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk is vooral bedoeld ter bescherming van landschappelijke en natuurlijke waarden. Het gebruik komt dan ook vooral voor binnen de bestemmingen agrarisch, agrarisch met waarden, natuur en recreatie. In alle recent ontwikkelde en vastgestelde bestemmingsplannen voor de kernen, alsook de nog in ontwikkeling zijnde bestemmingsplannen is een vergelijkbare systematiek aangehouden als opgenomen in de bestemmingsplannen voor het Buitengebied. Centrale vraag Welke werkzaamheden worden op welk niveau beoordeeld? Strategie Aan het opstellen van de regels in het bestemmingsplan ligt een gebiedsanalyse ten grondslag, die kan worden beschouwd als risicoanalyse. Bovendien is er in de meeste gevallen een directe relatie van de regels met het beleid van Provincie en Waterschap. Hierbij is in het algemeen geen keuzevrijheid voor de gemeente. Bij het beoordelen van de activiteit uitvoeren van een werk wordt altijd nagegaan of regels zijn geformuleerd. Zo ja, dan vindt altijd een toets plaats aan de regels van het bestemmingsplan. Beleid De werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden of door de gevolgen die hieruit ontstaan, de waarden en doeleinden van de gronden niet onevenredig worden aangetast. Daarnaast dient te worden beoordeeld of de mogelijkheden voor herstel niet wezenlijk worden verkleind. Het beoordelen van deze regels vraagt bij ieder werk in de gebieden waar het stelsel van toepassing is maatwerk. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het integrale niveau. Bij de beoordeling wordt regelmatig een beroep gedaan op specifieke (externe) deskundigheid. Bij het uitzetten van een adviesaanvraag wordt expliciet aangegeven of er voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden en welke. 1.9Activiteit in strijd met regels van het planologisch kader Inleiding Artikel 2.1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet. In artikel 2.12 van de Wabo is aangegeven dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking; indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan; indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking. In de gemeente Eijsden-Margraten worden alle gebieden afgedekt door een bestemmingsplan. Voor veel vergunningsaanvragen zijn de bestemmingsplannen de eerste toetsingskaders. Mocht een activiteit in strijd zijn met de ruimtelijke regels dan is voor een groot aantal gevallen specifiek beleid aanwezig (zie ‘beleid’) om na te gaan of een afwijking van de regels mogelijk is. Centrale vragen Op welke wijze is het afwijkingsbeleid vorm en inhoud gegeven? Strategie Indien een project strijdig is met het vigerende bestemmingsplan, wordt eerst beoordeeld of met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels een afwijking i.c. ontheffing van de regels mogelijk is (Wabo art. 2.12 lid 1 sub a onder 1). Als dat niet het geval is wordt op basis van de “beleidsregels artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2 van de Wabo, planologische afwijkingsmogelijkheden” nagegaan of ontheffing mogelijk is (zogenaamde kruimelgevallen). Bij grotere afwijkingen wordt zowel met een bestemmingsplanwijziging als een projectafwijkingsbesluit (Wabo art. 2.12 lid 2 sub a onder 3) gewerkt. Hier is sprake van maatwerk, dat in nauw overleg met de aanvrager, vorm en inhoud wordt gegeven. Bij projectafwijkingsbesluiten is een Verklaring van geen bedenkingen vereist van de gemeenteraad. Er is echter een lijst van uitzonderingen vastgesteld waarbij dit is gemandateerd aan het college (12in007947 en 13IN000623). Beleid Voor een groot aantal gevallen is specifiek beleid opgesteld waaraan getoetst dient te worden: notitie spuitcirkels (13IN004604) verordening wet geurhinder en veehouderij Eijsden-Margraten (13IN002087) beleidsnotitie bijbehorende bouwwerken 2012 (12IN007577) beleidsnotitie Bed & Breakfast 2012 (12IN007574) beleidsnotitie paardenbakken (hobbymatig) 2012 (12IN007579) beleidsnotitie veldschuren/schuilgelegenheden 2012 (12IN007581) beleidsnotitie antenne-installaties 2012 (12IN007582) beleidsvisie externe veiligheid Eijsden-Margraten (13IN005647) gemeentelijk kwaliteitsmenu (13in003515) Het beoordelen van het planologisch kader vraagt bij iedere activiteit waarvoor het relevant is maatwerk. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het integrale niveau. Bij de beoordeling wordt regelmatig een beroep gedaan op specifieke (externe) deskundigheid. Bij het uitzetten van een adviesaanvraag wordt expliciet aangegeven of er voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden en welke. 1.10Activiteit het exploiteren van een milieu-inrichting Inleiding Artikel 2.1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk. De omgevingsvergunning moet zo stelt artikel 2.14 worden geweigerd als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de bescherming van het milieu. Tevens stelt de Wabo, in het verlengde van de Wet milieubeheer dat in sommige gevallen geen vergunning nodig is, maar dat gelijktijdig met een aanvraag voor een andere activiteit een melding met het oog op bescherming van het milieu moet worden gedaan (Activiteitenbesluit). Een dergelijke melding kan overigens ook geheel los van een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden gedaan. De activiteiten met betrekking tot een milieuvergunning en/of een melding Activiteitenbesluit OBM behoren tot de basistaken en maken geen onderdeel uit van dit beleid. Voor het in werking hebben van een inrichting is het vaak noodzakelijk om een melding in te dienen of om een vergunning aan te vragen. Het Activiteitenbesluit of de vergunning stelt voorschriften aan de activiteiten die in de inrichting plaatsvinden om schade, hinder en overlast voor de directe omgeving te voorkomen. Deze voorschriften zijn vooral gericht op de bescherming van de kwaliteit van de bodem, het water, de lucht en dergelijke tegen schadelijke invloeden van de activiteiten. Daarnaast hebben ze betrekking op het stimuleren van maatregelen ter verbetering van die kwaliteit (milieuwinst). Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat naast de melding Activiteitenbesluit een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) noodzakelijk is. Deze toets is in hoofdzaak bestemd voor de agrarische bedrijven en beoordeeld of een activiteit toelaatbaar is. Hieraan kunnen geen voorschriften worden verbonden. In het kader van de vergunningverlening kan ook sprake zijn van een milieu neutrale verandering. Hierbij wordt de verandering gedekt door de vigerende vergunning en verandert het bedrijf niet aanzienlijk of zonder milieuconsequenties. Centrale vraag Hoe wordt vormgegeven aan het beleid voor meldingen voor het exploiteren van een milieu-inrichting? Strategie Door de oprichting van de Regionale omgevingsdienst Zuid Limburg (RUDZL) per 1 april 2013 vinden een aantal beoordelingen daar plaats. Het betreft de uitvoering van de zogenaamde basistaken. Dit houdt in dat de aanvragen voor omgevingsvergunningen, milieu neutrale veranderingen en OBM door deze dienst moeten worden uitgevoerd. Hierbij geeft de RUDZL een advies over de zaak aan de gemeente die dit vervolgens verwerkt in de omgevingsvergunning. Vaak is sprake van een samengestelde vergunning. Voor de wijze waarop de RUD deze taken dient uit te voeren is op 12 juli 2016 een Verordening vastgesteld door de Raad. De behandeling van de meldingen en hiermee samenhangende zaken zoals het vaststellen van maatwerkvoorschriften wordt uitgevoerd binnen de gemeente. Het niveau van beoordeling vindt bij elke melding op hetzelfde niveau plaats. De melding wordt getoetst aan de indieningsvereisten van het Activiteitenbesluit. Daarnaast wordt wel per melding nagegaan of specifieke zaken, zoals een gedetailleerde rioleringstekening, noodzakelijk zijn. Beleid Ten aanzien van de meldingen vindt een beoordeling plaats aan de wet- en regelgeving, zijnde het Activiteitenbesluit. Het betreft vooral een beoordeling op ontvankelijkheid, met als vraag of de melding compleet is. Als tevens een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, wordt, in het kader van deregulering, de bijbehorende tekening meegenomen bij de melding Activiteitenbesluit zodat extra tekeningen niet altijd noodzakelijk zijn. Tevens wordt nagegaan of maatwerkvoorschriften noodzakelijk zijn. Hierbij vindt altijd een beoordeling van toezicht & Handhaving plaats zodat e.e.a. gecoördineerd wordt uitgevoerd. Verdere inhoudelijke beoordeling of een controle ter plekke vindt niet plaats aangezien dit wettelijk niet noodzakelijk is. 1.11Activiteit het kappen van bomen Inleiding Artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat het kappen of vellen van houtopstand betreft zoals vastgelegd in een provinciale of gemeentelijke verordening. Vervolgens stelt artikel 2.18: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het kappen of vellen niet voldoet aan de gronden gesteld in de desbetreffende verordening. Centrale vraag Hoe worden aanvragen voor het vellen van houtopstanden beoordeeld? Strategie Bij de beoordeling van deze activiteit wordt getoetst aan de Bomenverordening. Op 17 februari 2015 is de Bomenverordening Eijsden-Margraten vastgesteld. Deze verordening is opgesteld naar aanleiding van de wens tot deregulering en vereenvoudiging van het vergunningstelsel en de bescherming van waardevolle en monumentale bomen. Behorende bij deze verordening is een bomenlijst vastgesteld. Deze lijst bevat de bomen voorkomende in het landelijke Register van Monumentale Bomen van de landelijke Bomenstichting aangevuld met lokale waardevolle en/of toekomstige monumentale bomen en houtopstanden. Voordat tot vergunningverlening wordt overgegaan dient te worden aangetoond dat sprake is van onherstelbare schade en/of erg gevaarlijke situatie Verder is toetsing aan het bestemmingsplan aan de orde, omdat betreffende boom of houtopstand kan zijn aangewezen als beschermd landschapselement. Beleid Alle aanvragen voor deze activiteit worden getoetst aan de Bomenverordening en het van toepassing zijnde bestemmingsplan. Daarnaast is het noodzakelijk dat dient te worden aangetoond dat sprake is van onherstelbare schade en/of erg gevaarlijke situatie. 1.12Activiteit het aanleggen van een uitweg Inleiding Artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een uitweg te maken, te hebben of te veranderen zoals vastgelegd in een provinciale of gemeentelijke verordening. Vervolgens stelt artikel 2.18: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het project niet voldoet aan de gronden gesteld in de desbetreffende verordening. In artikel 2:12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Eijsden-Margraten (APV) het kader is bepaald voor het maken en veranderen van een uitweg; Dat in het belang van het waarborgen van de openbare veiligheid, bruikbaarheid van de weg, veilig en doelmatig gebruik van de weg, uiterlijk aanzien van de omgeving en de groenvoorziening in de gemeente, de regels omtrent het aanleggen van een uitweg in een beleidsregel worden opgenomen. Centrale vraag Hoe worden aanvragen voor het aanleggen en veranderen van een uitweg beoordeeld? Strategie Bij de beoordeling van deze activiteit wordt getoetst aan de Beleidsnota uitwegenvergunningen Eijsden-Margraten. Op 29 oktober 2013 is zijn “Beleidsregels Vergunningverlening Uitweg” Eijsden-Margraten vastgesteld. Dit beleid is opgesteld om de veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente te reguleren bij veranderingen aan de weg. Beleid Alle aanvragen voor deze activiteit worden getoetst aan de “Beleidsregels Vergunningverlening Uitweg”. 1.13Het intrekken van omgevingsvergunningen Inleiding In artikel 2.33 Wabo zijn de mogelijkheden genoemd voor het bevoegd gezag om een omgevingsvergunning in te trekken. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in de Wabo de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken. Centrale vraag Wanneer wordt omgegaan met het intrekken van vergunningen? Strategie De Wabo kent een aantal gronden om een vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken, namelijk als: Een verdrag dat vereist. Het niet aannemelijk is dat de voorschriften worden gerealiseerd om de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving voldoende te kunnen beperken. Hiertoe een verzoek is ontvangen van een instantie. Sprake is van ontoelaatbare nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, die onvoldoende door wijziging van de voorschriften kunnen worden beperkt. De vergunning van rechtswege is verleend en de activiteit ernstige nadelige gevolgen heeft of dreigt te hebben voor de fysieke leefomgeving, die door wijziging van de voorschriften onvoldoende kunnen worden beperkt. De vergunning (onder meer) betrekking heeft op een stortplaats of afvalvoorziening die gesloten is verklaard. De afgelopen drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning (activiteit exploiteren milieu-inrichting). De activiteiten langer hebben stilgelegen dan zes maanden (activiteit (ver)bouwen). Het niet mogelijk blijkt door wijziging van voorschriften de brandveiligheid met het oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk voldoende te beschermen. Dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen nodig is. De inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest. De omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat het belang van de monumentenzorg zwaarder moet wegen dan het belang van de eigenaar / gebruiker. De vergunninghouder dat op eigen verzoek doet. De procedure waarbij een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken moet rekening houden met de procedure waarmee de vergunning tot stand is gekomen. De intrekkingsprocedure moet namelijk gelijk zijn aan de procedure waarmee de omgevingsvergunning tot stand is gekomen. De gemeente Eijsden-Margraten zal altijd (tenzij de intrekking op eigen verzoek gebeurd), voorafgaand aan de procedure, eerst een brief waarin het voornemen tot intrekken wordt toegelicht aan de vergunninghouder sturen. Beleid De procedures zoals opgenomen in de Wabo zijn leidend voor de gemeente. Hierbij kan globaal een aantal situaties voorkomen: Er wordt een verzoek tot intrekking gedaan. De gemeente zal dit verzoek in behandeling nemen conform wat is gesteld in de Wabo. Het intrekken is onvermijdelijk gezien verdragen of calamiteiten. De gemeente zal overgaan tot intrekking conform wat is gesteld in de Wabo. De intrekking is een gevolg van toezicht en wordt ingezet als sanctiemiddel. Het intrekken is onderdeel van de afweging om geconstateerde overtredingen op een zo efficiënte en effectieve wijze aan te pakken teneinde het achterliggende belang te kunnen beschermen. Het intrekken is het gevolg van het niet handelen van de vergunninghouder. De gemeente zal actief toezicht houden op relevante termijnen en bij overschrijding van deze termijnen in beginsel overgaan tot intrekken conform het gestelde in de Wabo. Ten aanzien van de activiteit bouwen zijn de `beleidsregels intrekken omgevingsvergunningen bouwen` op 15-05-2012 vastgesteld waarin het actief intrekkingsbeleid wordt omschreven. Concreet zal de gemeente tegen deze achtergrond jaarlijks nagaan met welke vergunningen gedurende een bepaalde periode geen handelingen zijn verricht respectievelijk bij welke vergunningen activiteiten langer dan een bepaalde periode stilliggen. Ten aanzien van milieu-inrichtingen voert de gemeente geen actief intrekkingsbeleid om te voorkomen dat bij de agrarische bedrijven ammoniakrechten verloren gaan waardoor levensvatbare bedrijven in de knel komen doordat deze rechten zijn ingetrokken. 2.Beleid Toezicht 2.1Preventiestrategie De preventiestrategie richt zich op het vergroten van de bewustwording bij burgers en bedrijven. Het doel is om de betrokkenheid en het draagvlak voor spontane naleving van wet- en regelgeving te vergroten. Vanuit de gedachte dat burgers en bedrijven zelf primair verantwoordelijk zijn voor het naleven van wet- en regelgeving en dat de gemeente onmogelijk op alle wet- en regelgeving kan toezien speelt de preventiestrategie een belangrijke rol. Voor de preventiestrategie wordt een aantal trajecten onderscheiden, waaruit lokale keuzen gemaakt kunnen worden. Deregulering (ZORRO principe). Handhaafbaarheid van regelgeving wordt alom gezien als kritische succesfactor voor een adequate handhaving. Binnen dit traject valt ook de deregulering. Als geconstateerd wordt dat een regel uit een verordening of beleidsregel niet meer nodig is of voldoet, moet bekeken worden of zij kan worden afgeschaft of bijgesteld. ZORRO= Zoek Onnodige Regels Op en Ruim ze Op. Het team T&H vervult hierbij een signaleringsrol voor het bijstellen van het beleid. Communicatie en voorlichting. Door de inzet van communicatie en voorlichting wordt een meer effectieve en efficiënte handhaving nagestreefd. De ervaring leert dat bij juist gebruik van een communicatievorm (professioneel, tijdig, herkenbaar etc.) een aanzienlijk deel van de potentiële overtreders zich alsnog en blijvend houdt aan geldende regelgeving. Tevens kan bij communicatie bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van vooraankondigingen van controles en de publicatie van de controleresultaten,. Samenwerking met derden. Bij een actieve programmatische benadering van inspectie en handhaving is samenwerking met externen noodzakelijk. Samenwerking is een must om te komen tot een optimaal en integraal resultaat, waarbij de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en informatie van verschillende partijen over en weer worden benut. Drempelverlaging om burgers en bedrijven eerder overtredingen te laten melden. Financiële prikkels. Het niet in aanmerking komen van korting op de leges bij legalisatie kan een bijdrage leveren aan het verhogen van de spontane naleving van wet- en regelgeving. Mediation. Vaak komen handhavingsdossiers voort uit intermenselijke problemen. De onderlinge verhoudingen zijn verstoord en vervolgens worden ruzies uitgevochten via wettelijke procedures. De gemeente wordt dan "gebruikt" om het pleit in iemands voordeel te beslechten. Voor de gemeente betekent dit veel inzet en langdurige juridische procedures terwijl de kern van het probleem daarmee niet wordt opgelost. Wanneer blijkt dat sprake is van dergelijke verstoorde verhoudingen kan de gemeente overwegen om het instrument van mediation in te zetten. Via bemiddeling door de gemeente zelf of door een externe mediator zal dan worden getracht het geschil tussen de partijen bij te leggen. De preventiestrategie zal jaarlijks door de gemeente vorm en inhoud worden gegeven op basis van de evaluaties van de uitvoering van het Omgevingsbeleidsplan. De gemeente hanteert daarbij vier doelgroepen binnen de preventiestrategie: Spontane en bewuste nalever: kent de regels en leeft die ook spontaan of bewust na ongeacht wel of geen toezicht en handhaving. Onbewuste overtreder: burger of bedrijf overtreedt per ongeluk de regels. Afgedwongen nalever (handhavingafgeschrikte): leeft de regels na, omdat hij afgeschrikt wordt door controles en sancties. Bewuste overtreder: iemand die willens en wetens overtreedt en daarbij bewust het risico neemt om gepakt te worden. Bij alle doelgroepen gaat de gemeente uit van de eigen verantwoordelijkheid van de doelgroepen. Daarnaast hanteert de gemeente daar waar mogelijk een klantvriendelijke en positieve benadering. Dat betekent dat de benadering zich richt op de voordelen van naleven, benadrukken van het nut van de regels, voorbeeldgedrag en sociale norm en voorkomen van overtredingen. 2.2Toezichtstrategie Onder toezicht wordt verstaan het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd. Doel hiervan is de (vrijwillige) naleving van wet- en regelgeving. Toezicht vindt plaats op basis van verleende vergunningen en ontheffingen, in het kader van projecten, naar aanleiding van meldingen, klachten en calamiteiten en door opname van de activiteit in een uitvoeringsprogramma. Om effectief en doelmatig te werk te gaan is het nodig om verschillende vormen van toezicht te hanteren. Er wordt ten aanzien van de toezichtstrategie onderscheid gemaakt tussen de realisatie- en beheer- of gebruiksfase. De realisatiefase heeft met name te maken activiteiten als bouwen, wijzigen monument, brandveiligheid, slopen, uitvoeren van een werk, strijdig gebruik, aanleg uitwegen en kappen van bomen. De beheer- of gebruiksfase is toezicht op activiteiten zoals gebruik van onroerend goed, exploiteren milieu-inrichting en brandveiligheid, themacontroles, inventariserende controles, meldingen van derden . 2.2.1.Prioriteitenstelling toezicht Het toezicht van de verschillende onderwerpen is opgenomen in een risicoanalyse. Hierbij is een verschil gemaakt voor de milieu/inrichtingen, het brandveilig gebruik en de overige activiteiten op het gebied van de Wabo en overige wet- en regelgeving zoals APV, Wet kinderopvang, Drank- en Horecawetgeving, e.d.. De risicoanalyses zijn weergegeven in bijlage 2. In de risicoanalyse komt naar voren welke activiteiten de meeste prioriteit hebben. Dit zijn de onderwerpen met de grootste risico´s op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het woon- en leefklimaat. Daarnaast zijn in de risicoanalyse de bestuurlijke aandachtspunten meegenomen zoals het toezicht op het wijzigen van monumenten. Landelijk en regionaal kunnen ook prioriteiten worden aangedragen waarbij de gemeente wordt gevraagd medewerking te verlenen aan de uitvoering hiervan. Deze zullen, indien de gemeente deze prioriteiten onderschrijft, worden opgenomen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma VTH,. Indien dit niet mogelijk is zal een bestuurlijke beslissing moeten worden genomen deze prioriteiten uit te voeren ten koste van het eerder vastgesteld uitvoeringsprogramma. Om dan niet in de knel te komen dient in het uitvoeringsprogramma rekening te worden gehouden met bestuurlijke opdrachten. Idealiter wordt toezicht gehouden op alle onderwerpen. Dit is echter niet mogelijk omdat daartoe de capaciteit niet toereikend is. Gelet hierop zijn keuzes gemaakt en zal het toezicht op sommige onderwerpen niet worden uitgevoerd. Dit zogenaamde restrisico wordt erkend door het college. Op meldingen van burgers en bedrijven zal altijd worden gereageerd. Hierbij wordt ook verwezen naar punt 3.1 “de kunst van het handhaven”. 2.2.2Toezicht tijdens de realisatiefase Tijdens de realisatiefase kan sprake zijn van de volgende type controles: (hierbij is aansluiting gezocht met het programma Squit XO): TYPE CONTROLE TOELICHTING Oplevercontrole Controle ter plekke tijdens de uitvoering. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen controles met en zonder wachtmoment (waarbij de uitvoerder niet verder kan nadat de controle is uitgevoerd) Administratieve controle Controle tijdens of aan het einde van de realisatiefase op basis van gegevens aangeleverd door de vergunninghouder Tijdens de realisatiefase vindt toezicht plaats door toezichthouders die voldoen aan de Kwaliteitscriteria 2.1. Dit vindt plaats op een werkniveau 3, hetgeen representatief is en voldoet aan het algemeen geaccepteerde adequate niveau. Beoordeling kan plaatsvinden op de volgende niveaus: Werkniveau Omschrijving 0 Geen Er vindt geen toezicht plaats 1 Beperkt Visuele controle, een vluchtige beoordeling op het oog op basis van kennis en ervaring zonder projectspecifieke tekeningen of details te raadplegen en of hulpmiddelen (bijvoorbeeld meetlat) te gebruiken. 2 Basis Beoordeling op hoofdlijnen, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Er worden alleen algemene projectspecifieke tekeningen geraadpleegd. Bij twijfel vindt raadpleging van detailtekeningen plaats. 3 Representatief uitgangspunt Beoordeling op hoofdlijnen en kenmerkende details, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Daarnaast worden enkele kritische detailleringen diepgaander gecontroleerd. Er worden algemene projectspecifieke tekeningen geraadpleegd en detailtekeningen van kritische detailleringen. 4 Integraal Beoordeling van alle onderdelen op detailniveau. Op het oog en met de benodigde hulpmiddelen worden controles tot op detailniveau uitgevoerd. Alle projectspecifieke tekeningen en detailtekeningen worden geraadpleegd. Op deze niveaus zijn dezelfde principes van toepassing als op de werkniveaus zoals beschreven bij het hoofdstuk vergunningverlening. 2.2.3. Toezicht tijdens de beheer- of gebruiksfase Bij de beheer- of gebruiksfase is allereerst sprake van planmatige (on)aangekondigde controles. Deze controles kunnen wat betreft diepgang en reikwijdte verschillen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende type controles en hierbij behorende werkniveaus. TYPE CONTROLE TOELICHTING werkniveau Periodieke controle Controle op de naleving van regels/voorschriften zonder concrete aanwijzing dat van een strijdigheid sprake is. 3 Administratieve controle Controle op de naleving van regels/voorschriften zonder concrete aanwijzing dat van een strijdigheid sprake is, zonder fysieke bezoek, zogenaamde zelfcontroles 2 Themacontroles Controle naar aanleiding van een bepaald vastgesteld thema of branche 3 Inventariserende controles Controle uitgevoerd die gebiedsgericht zijn zoals o.a. controles bij bedrijventerreinen, woonkernen, buitengebied, e.d. 2 Klacht/melding Controle op basis van een in- of externe melding waarbij nog geen concrete strijdigheid ambtelijk is vastgesteld 3 Handhavingsverzoek Controle naar aanleiding van een verzoek tot handhaving 3 Ongewoon Voorval Controle naar aanleiding van een calamiteit c.q. ongewoon voorval 4 De routinematige controles, gebaseerd op een handhavingsprogramma, zijnde periodieke, administratieve, thema en inventariserende controles worden vooraf gepland en zijn gebaseerd op het uitvoeringsprogramma. De overige controles, zijnde klacht/melding, handhavingsverzoek en ongewoon voorval vinden ad hoc plaats. Deze zijn niet te plannen en zijn meestal het gevolg van bijzondere omstandigheden waaraan de nodige aandacht aan geschonken moet worden. De werkniveaus van de verschillende type controles verschillen van elkaar gelet op de aard van de controlediepgang. Hierbij wordt verwezen naar de werkniveaus zoals aangegeven bij de toezichtniveaus in de realisatiefase. 2.2.4.Integraliteit van het toezicht Om de administratieve lastendruk van burgers en ondernemers zoveel mogelijk te beperken is het noodzakelijk om de verschillende soorten controles, zoals oplevercontroles en periodieke controles, integraal uit te voeren waardoor sprake is van één controlemoment. Dit geeft daarnaast ook een besparing op de capaciteit door efficiency. Hierbij dient ook andere wetgeving te worden meegenomen zoals de drank- en horecavergunning, de terrasvergunning en de speelautomatenvergunning. Integraal toezicht kan op verschillende manieren worden opgevat. Bij de eerste manier wordt integraal opgevat als één toezichthouder, die vanuit verschillende disciplines en instanties controle en handhaving oppakt. Afhankelijk van de benodigde kennis en ervaring kunnen vervolgens modellen worden toegepast als “controleren voor elkaar”, “controleren achter elkaar” en “controleren met elkaar”. Bij de tweede manier wordt integraal opgevat als het afstemmen van handhavingsactiviteiten vanuit verschillende disciplines in planning en uitvoering. Handelingsplannen van twee of meer partijen worden geïntegreerd zodat een eenheid of samenhangend geheel ontstaat. 2.2.5.Naleefgedrag Bedrijven met een goed naleefgedrag zullen worden beloond door deze minder frequent te controleren. Bedrijven die constant in de fout gaan zullen vaker worden gecontroleerd. Op die manier wordt getracht duidelijk te maken dat naleving van de regels zich loont en hierdoor administratieve lasten minder zijn. 2.2.6.Inzet flexteams Een nieuwe manier van toezicht en handhaving is de inzet van een flexteam. Dit

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.