Uitvoeringsbesluit bij de verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuningUitvoeringsbesluit WMO VERSTREKKINGEN deel Gemeente Nieuwegein 2009 Verklaring van de gebruikte afkortingen· AAW · AAF · ABP · ABW · ADL · AMP · AOV · ARBO · AWBZ · BBSH · CAK · CAK-bz · CIZ · CRB · EG · FvB · GAK · GG/GD · GMD · KB · KBO · KLOZ · MvT · NJ · O&W · PGB · RGSHG · RSV · RVV · SEV · SPF · Stb · Stcrt · SV · SVB · SZW · VNG · VNZ · VROM · VWS · WAO · WBO · WCPV · WFV · WMO · WSW · WVG · ZFR = Algemene Arbeidsongeschiktheidswet = Algemeen Arbeidongeschiktheidsfonds = Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds = Algemene Bijstandswet = Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen = Algemene Militaire Pensioenwet = Aanvullend Openbaar Vervoer = Arbeidsomstandighedenwet = Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten = Besluit Beheer Huurwoningen = Centraal Administratie Kantoor = Centraal Administratie Kantoor bijzondere zorgkosten = Centrum Indicatiestelling Zorg = Centrale Raad van Beroep = Europese Gemeenschap = Federatie van Bedrijfsverenigingen = Gemeenschappelijk Administratiekantoor = Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst = Gemeenschappelijke Medische Dienst = Koninklijk Besluit = Kwaliteits- en Bruikbaarheidsonderzoek = Kontaktorgaan Landelijke Organisaties van Ziektekostenverzekeraars = Memorie van toelichting = Nederlandse Jurisprudentie = Onderwijs en Wetenschappen (ministerie) = Persoonsgebonden Budget = Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten = Rechtspraak Sociale Verzekeringen = Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens = Stichting Experimentele Volkshuisvesting = Spoorweg Pensioenfonds = Staatsblad = Staatscourant = Sociale Verzekeringen = Sociale Verzekeringsbank = Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ministerie) = Vereniging van Nederlandse Gemeenten = Vereniging van Nederlandse Zorgverzekeraars = Verkeer Ruimtelijke Ordening en Milieu (ministerie) = Volksgezondheid, Welzijn en Samenleving = Wet op de Arbeidsongeschiktheid = Wet op de Bejaardenoorden = Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid = Wet Financiering Volksverzekeringen = Wet Maatschappelijke Ondersteuning = Wet Sociale Werkvoorziening = Wet Voorzieningen Gehandicapten = Ziekenfondsraad VoorwoordOp 1 januari 2006 treedt de Wet Maatschappelijke Ondersteuning in werking. De gemeenten krijgen dan de plicht om mensen met een lichamelijke ziekte of gebrek, mensen met chronische psychische problemen, mensen met een psychosociaal probleem en mantelzorgers door het treffen van algemene en individuele voorzieningen zodanig te compenseren dat zij een uitgangspositie verkrijgen die gelijkwaardig is aan de positie van iemand die de bedoelde voorzieningen niet nodig heeft. In de visienota Wet maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Nieuwegein is opgenomen dat het uitgangspunt is dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun welzijn en daar zonodig ondersteuning bij vragen uit het eigen netwerk. Als dit niet lukt, kan een beroep worden gedaan op de gemeentelijke voorzieningen. De Wmo is een zogenaamde raamwet, waarbij gemeenten beleidsvrijheid hebben om binnen de door de wet gestelde grenzen de omvang en de inhoud van het lokale voorzieningenpakket te bepalen. We kennen algemene en individuele voorzieningen. Op deze laatste zal hier nader worden ingegaan. Het gemeentelijke verstrekkingen- en voorzieningenbeleid is nader uitgewerkt in de gemeentelijke Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en het Uitvoeringsbesluit. Het Uitvoeringsbesluit bestaat uit een financieel deel en een verstrekkingendeel. Voor u ligt nu het verstrekkingendeel van het Uitvoeringsbesluit. Bij het maken van dit verstrekkingendeel is gebruikt gemaakt van het Verstrekkingenboek WVG 2004. Immers in de visienota Wmo van de gemeente Nieuwegein is opgenomen dat het huidige Wvg en welzijnspakket uitgangspunt is voor de eerste beleidsperiode. Daar er bij de wetswijziging wel wat veranderd is, “van zorgplicht naar compensatiebeginsel” zijn de hierbij behorende wijzigingen aangebracht. Verder is in dit nieuwe boek ook rekening gehouden met de jurisprudentie van de afgelopen jaren over de WVG en de AWBZ, welke voorlopig onder de Wmo zullen worden gebruikt, totdat er Wmo jurisprudentie is. Nieuwe taken uit de Wmo: “de hulp bij het huishouden” en “de keuzevrijheid van de burger tussen een persoonsgebonden budget of een voorziening in natura” zijn in aparte hoofdstukken uitgewerkt. Nieuwegein, december 2006.Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten gemeentelijk verstrekkingenbeleid§1. Het begrip compensatiebeginsel InleidingIn dit hoofdstuk zullen de hoofdlijnen van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning worden besproken. De compensatieplicht voor de gemeente wordt omschreven in een aantal vaste uitgangspunten. De voorziening die aan een cliënt wordt verstrekt moet onder meer adequaat, niet algemeen gebruikelijk, individueel gericht en (medisch) noodzakelijk zijn. In paragraaf 2 zal aandacht besteed worden aan de juridische status van dit verstrekkingenboek en in paragraaf 3 wordt ingegaan op de algemene uitgangspunten bij de beoordeling van aanspraken. Het compensatiebeginselMet de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning krijgen gemeenten de plicht om aan personen met aantoonbare beperkingen, door het treffen van algemene en/of individuele voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen ten opzichte van mensen zonder beperkingen in een vergelijkbare situatie, zodat zij, voor zover hun beperkingen dit toestaan, zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie. De gemeente dient voorzieningen te treffen voor personen die beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van: het voeren van een huishouden, of het normale gebruik van de woning, of het verplaatsen in en om de woning, of het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Het is aan de gemeente invulling aan deze compensatieplicht te geven. De wijze waarop de gemeente dat doet, is vastgelegd in een gemeentelijke verordening, waarin in ieder geval is aangegeven: de gevallen en de vorm waarin de voorzieningen kunnen worden verleend; de hoogte van de financiële tegemoetkomingen; de procedure m.b.t. toekenning, de herziening, de beëindiging en de terugvordering van voorzieningen, waaronder het inwinnen van deskundigenadvies; de gronden waarop een voorziening kan worden beëindigd, dan wel teruggevorderd. De WMO bevat dus geen recht of aanspraak van de gehandicapte op specifieke voorzieningen. Het spreekt voor zich dat de rechter altijd de bevoegdheid behoudt te beoordelen of dat wat in het algemeen als adequaat wordt beschouwd ook in een concreet individueel geval adequaat is. In die zin zal het beleid dat de gemeente formuleert in individuele gevallen door de rechter kunnen worden getoetst aan de in de wet opgenomen compensatieplicht. De gemeentelijke verordening is dus het kader waarbinnen de beroepsrechter zal beoordelen of de voorzieningen die in individuele gevallen worden toegekend als adequaat kunnen worden beschouwd. Met andere woorden: de vraag wat in algemene zin als adequate voorziening wordt beschouwd, wordt in de gemeentelijke verordening beantwoord, hetgeen natuurlijk onverlet laat dat de beroepsrechter in een individueel geval van oordeel kan zijn dat de aangeboden voorziening, hoewel verstrekt overeenkomstig hetgeen in de gemeentelijke verordening is bepaald, niet als een adequate voorziening kan worden aangemerkt. Er zijn vier vormen te onderscheiden waarin de gemeente de verlening van voorzieningen aan gehandicapten kan gieten. Vaak zal het gaan om een combinatie van deze verschillende opties: Het realiseren van algemene, voorliggende voorzieningen (met name het aanvullend vervoer). Het verlenen van voorzieningen in natura. Het verlenen van persoonsgebonden budgetten. Het PGB voor vervoerskostenvergoedingen, autoaanpassingen en sportrolstoelen. a. Voorliggende voorzieningenAlgemene voorzieningen zijn voorliggende voorzieningen voor individuele voorzieningen. Een voorbeeld van een algemene voorziening is het collectief vervoer. Het collectief vervoer kan al dan niet in combinatie met andere voorzieningen, een adequaat alternatief biedt voor het verstrekken van persoonsgebonden budget of forfaitaire vergoedingen voor vervoerskosten zoals in het verleden onder de AAW en de laatste jaren onder de WVG gebruikelijk was. Een zelfde benadering kan worden gekozen op het terrein van woonvoorzieningen. De maaltijdvoorziening van “tafeltje-dek-je” kan bijvoorbeeld als voorliggende voorziening worden gezien van keukenaanpassingen. Ook kan de gemeente door de gehandicapte een andere woning aan te bieden aanspraken beperken op individuele voorzieningen voor aanpassing van de woning waarin de gehandicapte op het moment van aanvraag woont. Als er geen voorliggende voorzieningen zijn die als goedkoopste, adequate oplossing kunnen worden beschouwd, of slechts gedeeltelijk als adequaat kunnen worden beschouwd, zal de gemeente aanvullende voorzieningen moeten treffen in de vorm van natura verstrekkingen of persoonsgebonden budgetten. b. Het verlenen van voorzieningen in naturaOnder verlening van voorzieningen in natura wordt verstaan het verstrekken van een hulp(middel) die/dat de beperkingen die de gehandicapte op de in de wet genoemde terreinen ondervindt, wegneemt dan wel vermindert. Bij de verlening van rolstoelen voor incidenteel gebruik is voor verstrekking in natura gekozen. Wanneer voorzieningen in bruikleen worden verstrekt, is herverstrekking van de voorziening mogelijk. c. Het verlenen van een persoonsgebonden budget voor voorzieningenMet uitzondering van de in hoofdstuk 3 onder 2.1 genoemde factoren verstrekt de gemeente op verzoek een PGB in plaats van een voorziening in natura. Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget zijn de werkelijke kosten van de voorzieningen uitgangspunt. d. De forfaitaire vergoeding voor een aantal individuele vervoersvoorzieningen , voorzieningen voor sportbeoefening en de verhuiskostenregelingOnder de Wvg zijn normbedragen ontstaan voor de vergoeding van kosten van verplaatsing, autoaanpassingen en sportrolstoelen. In de rechtspraak zijn deze eveneens bevestigd. Het is redelijk er van uit te gaan dat deze bedragen een adequate compensatie vormen. Uit bovenstaande wordt duidelijk dat gemeenten op zeer diverse wijze invulling kunnen geven aan de Compensatieplicht die de WMO hen oplegt. Bovendien zullen individuele omstandigheden in de beoordeling van aanvragen vaak dienen te worden meegewogen. Om die reden is niet in de gemeentelijke verordening aan te geven onder welke specifieke voorwaarden specifieke voorzieningen worden verstrekt. Zo zal bijvoorbeeld steeds in individuele gevallen moeten worden afgewogen of verhuizing dan wel aanpassing van de reeds bewoonde woning de goedkoopst, adequate oplossing biedt. §2. Juridische status verstrekkingendeel bij het uitvoeringsbesluit wet maatschappelijke ondersteuningBij het verstrekken van voorzieningen zal de gemeente voor gelijke gevallen een gelijk beleid moeten voeren. Om dit toetsbaar te maken voor een rechter dienen de regels volgens welke beslist wordt kenbaar te zijn voor de rechter. Zijn deze regels niet kenbaar dan zal de rechter op grond van door hemzelf aangelegde normen moeten beoordelen of een gemeente in redelijkheid tot het genomen besluit heeft kunnen komen. Over het algemeen worden de regels die gebruikt worden bij de concrete invulling van een verordening beleidsregels genoemd. De Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) bevat regels voor het gehele bestuursprocesrecht en besteedt ook aandacht aan het onderdeel beleidsregels. De gemeente is in het kader van haar Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning verplicht een vaste gedragslijn te volgen bij de afweging van belangen, het vaststellen van feiten, kortom bij de (voorbereiding van) besluitvorming. Omdat mensen er behoefte aan hebben kennis te (kunnen) nemen van deze gedragslijn, is de gemeente verplicht deze beleidsregels vast te leggen en openbaar te maken. De gemeente mag ter motivering van besluiten gebruik maken van verwijzing naar deze beleidsregels. De gemeente dient te allen tijde volgens deze beleidsregels te handelen, tenzij dit zou leiden tot onevenredig nadeel voor de gehandicapte. De gemeente hoeft alleen dan geen beleidsregels vast te stellen indien deze regels expliciet opgenomen zijn in de gemeentelijke Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. Het uitvoeringsbesluit kan worden gezien als verlengstuk van de verordening. §3. Algemene uitgangspunten bij beoordeling aanspraken 3.1. Individueel gerichtEen voorziening kan worden toegekend voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht. Als enige uitzondering hierop geldt daarbij het collectief vervoer. In het kader van de individuele gerichtheid dient onderscheid te worden gemaakt tussen individuele en algemene voorzieningen. Het spreekt uiteraard voor zich dat een algemene voorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht. Maar dat is de zorgplicht die de gemeente vervult via dat collectieve systeem wel. Gaat het om een individuele voorziening dan geldt duidelijk wel dat die op het individu gericht dient te zijn. Met het op het individu gericht zijn worden een aantal punten bedoeld: Een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Meer precies: er moet altijd één individuele cliënt zijn die de voorziening aanvraagt; de voorziening moet voor deze cliënt ook noodzakelijk zijn in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Die voorziening moet op die persoon gericht zijn. Voorbeelden: De eigenaar van een seniorencomplex wil bij een blokje aanleunwoningen de eerste verdieping ontsluiten via een lift. Een dergelijke aanvraag zal afgewezen worden. Bij een appartementengebouw wil men graag automatische schuifdeuren voor de hoofdingang om het voor bewoners en bezoekers wat comfortabeler te maken. Er is geen individuele cliënt, de aanvraag wordt derhalve afgewezen. Een gehandicaptensportvereniging wil graag vervoer geregeld hebben naar de wekelijkse training. Een aanvraag in dit kader is niet op het individu gericht en zal afgewezen worden. Een voorziening wordt alleen verstrekt voor zover het de gehandicapte betreft. De gehandicapte die bijvoorbeeld een vervoersvoorziening nodig heeft, kan die voorziening alleen ten eigen nutte aanvragen. Het kan dus niet zo zijn dat een gehandicapte een voorziening aanvraagt (mede) ten behoeve van zijn echtgenoot. Bijvoorbeeld: Indien een gehandicapte een bruikleenauto verstrekt krijgt met een kilometervergoeding zal bij die kilometervergoeding geen rekening gehouden worden met de ritten die de gehandicapte zal maken om zijn echtgenoot te vervoeren. 3.2. Langdurig noodzakelijkEen voorziening kan slechts worden toegekend voor zover deze geschikt en langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van het wonen of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen. Geschikt wil onder andere zeggen dat het hulpmiddel of de aanpassing de beperking wegneemt of vermindert. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat betrokkene voor langere tijd aangewezen moet zijn op een desbetreffende aanpassing of een desbetreffend hulpmiddel. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk gehandicapt is, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de aard van de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan dan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van “het Kruiswerk” die opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Langdurig noodzakelijk geeft een dubbele afgrenzing. Enerzijds geeft het een afgrenzing in tijd. Langdurig noodzakelijk staat dan tegenover kortdurend noodzakelijk. De andere afgrenzing geeft het begrip ‘noodzakelijkheid’ aan. De gevraagde voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn, dus niet gewenst of gemakkelijk. LangdurigWaar de grens van langdurig gelegd moet worden is niet eenduidig aan te geven. Een afgrenzing die gemaakt kan worden is naar andere regelgeving, die voor kortdurend gebruik van verstrekkingen werkt. Men kan een beroep doen op de Kruisorganisatie voor het lenen van een hulpmiddel voor een termijn van 3 maanden, welke termijn éénmaal met nogmaals drie maanden verlengd kan worden. Indien deze regeling en de WMO op elkaar aan dienen te sluiten, zou langdurig beginnen aan het eind van 6 maanden. Een andere benadering gaat uit van de eventuele tijdelijkheid van een handicap. Wie na een skiongeluk tijdelijk in een rolstoel zit, kan misschien wel langer dan 6 maanden een rolstoel nodig hebben, maar het is duidelijk dat de rolstoel zo spoedig mogelijk aan de kant gezet gaat worden. Dat kan wellicht 8, 10 of 12 maanden zijn, maar er komt een eind aan het gebruik van de rolstoel, waarbij opgemerkt moet worden dat dit eind te voorzien is. De gemeente zal bij het verstrekken van rolstoelen bekijken of de verstrekking een redelijk definitief karakter heeft. Een leemte kan ontstaan tussen de maximaal 6 maanden leenmogelijkheid van het Kruiswerk en het moment dat de tijdelijke rolstoel niet meer noodzakelijk is. Overleg met Vitras uitleenservice heeft ertoe geleid dat de afgrenzing in beginsel is gesteld op 6 maanden. Afhankelijk van het (ziekte) geval kan hiervan in overleg worden afgeweken. 3.3. BeperkingenAan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem kunnen voorzieningen worden verstrekt. Het is evenwel niet altijd mogelijk een diagnose te stellen. Soms kunnen de aangegeven klachten en belemmeringen niet, of slechts zeer ten dele, worden verklaard door lichamelijke afwijkingen. Het gaat hier onder meer om de ziekten fibromyalgie, chronische vermoeidheid of ME, whiplash en bekkenpijnsyndroom. We spreken hier van een niet objectiveerbaar ziektebeeld. De algemene lijn voor het vaststellen van de medische indicatie voor een voorziening is dat er overeenstemming noodzakelijk is binnen de behandelende sector over de aard van de klachten en het feit dat er op korte termijn geen verbetering mag worden verwacht. De jurisprudentie is hierbij van belang. Daarnaast is bijvoorbeeld ouderdom op zich niet synoniem aan ziekte of gebrek. Toch kan een gebrek nauw samenhangen met het ouderdomsproces. Het gegeven dat men oud is, is op zich dus geen indicatie voor voorzieningen in het kader van de WMO. Wel kunnen gebreken die het gevolg zijn van slijtage processen, die onverbrekelijk verbonden zijn aan het ouder worden, aanleiding zijn om in het kader van de WMO voorzieningen te treffen. 3.4. Niet algemeen gebruikelijkGeen voorziening wordt toegekend indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Hier wordt aangegeven dat wanneer een voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is, geen voorziening wordt toegekend. Een voorbeeld hiervan is een (mobiele) telefoon. Dit soort voorziening wordt niet verstrekt omdat ze algemeen gebruikelijk is. Zo wordt inmiddels ook al jaren een automatische transmissie of stuurbekrachtiging in een auto als algemeen gebruikelijk gezien, evenals een wasdroger, een keramische of inductiekookplaat. Een voorziening kan in beginsel als algemeen gebruikelijk worden beschouwd indien de gevraagde voorziening bestaat in een op zich zelf als algemeen gebruikelijk te beschouwen zaak of goed. Algemeen gebruikelijke zaken hebben als kenmerk dat zij overal te koop zijn, niet als specifieke gehandicaptenvoorziening maar in de gewone winkels en dat zij niet duurder zijn dan vergelijkbare producten. Te denken valt hierbij aan thermosstatische mengkranen, eenhendelmengkranen, een douchekop met glijstang of een verhoogd toilet. Het begrip algemeen gebruikelijk is in beweging en zal voor aanzienlijk meer zaken kunnen gelden dan de hier boven genoemde. Toch zal bij elke zaak pas zekerheid bestaan als dit door een uitspraak van de beroepsrechter wordt ondersteund. Om te bepalen of een voorziening voor “een persoon als de aanvrager” algemeen gebruikelijk is, zal een individuele toets moeten plaats vinden. De hoogte van het inkomen van de aanvrager kan daarbij een rol spelen. Een voorbeeld hierbij: een inductiekookplaat, normaal in de handel te koop, is zo prijzig, dat niet te verwachten valt dat dit kookapparaat wordt aangeschaft door mensen met een laag inkomen. Een inductiekookplaat kan een goed hulpmiddel zijn voor bijvoorbeeld zeer slechtziende mensen of mensen die vanwege reuma de pannen niet goed kunnen verplaatsen en geen gevoel voor temperatuur meer hebben. Vergoeding van meerkostenBij de vergoeding van voorzieningen in het kader van de WMO zal het in het algemeen gaan om 'meerkosten'. Dit wil zeggen dat alleen in aanmerking komen de kosten die de gehandicapte 'meer' heeft dan de niet-gehandicapte. Dit speelt met name bij voorzieningen die op zich algemeen gebruikelijk zijn, maar die voor de gehandicapte duurder zijn omdat het gaat om een bijzondere (op de handicap aangepaste) uitvoering. Een goed voorbeeld daarvan zijn de driewielfietsen. Bij de vergoeding van een driewielfiets komen dus in aanmerking de meerkosten van de driewielfiets t.o.v. de gewone fiets. 3.5. Voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of enige privaatrechtelijke overeenkomst aanspraak op de voorziening bestaatDe verordening is niet van toepassing indien er een andere wettelijke regeling bestaat, op grond waarvan men aanspraak kan maken op een voorziening. Een voorbeeld daarvan is de aanspraak die gehandicapten op leefvervoer op grond van de Wet WIA kunnen maken (combinatie werk-leefvervoer). Voor privaatrechtelijke overeenkomsten (bijvoorbeeld aanvullende ziektekostenverzekeringen) zou een zelfde lijn kunnen worden gevolgd zij het dat het niet te verwachten is dat partijen privaatrechtelijk iets zullen willen regelen waarin wetgeving voorziet. 3.6. De goedkoopst adequate voorzieningDe voorziening moet, "naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening" kunnen worden aangemerkt. Primair betekent dit dat de voorziening adequaat moet zijn doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht. Uiteraard kunnen diverse voorzieningen adequaat zijn om een bepaalde beperking weg te nemen, dan wel zoveel mogelijk te verminderen. Als bijvoorbeeld een gehandicapte beperkingen ondervindt bij het vervoer buitenshuis, dan dient zich een breed scala van voorzieningen (bijvoorbeeld: bruikleenauto, vervoerskostenvergoeding, collectief vervoer, enz.) aan, die ieder voor zich, dan wel gecombineerd het predikaat "adequaat" kunnen hebben. Er kunnen dus discussies ontstaan over de vraag wat adequaat is. Juist op dit punt kunnen gehandicapte en gemeente met elkaar van mening verschillen. De beroepsrechter kan worden gevraagd een oordeel te geven over de vraag wat in het algemeen als adequaat wordt beschouwd. Op dit punt is het derhalve zaak de jurisprudentie te blijven volgen. 3.7. Integrale beoordeling van aanvragenIn de revalidatiegeneeskunde en ergotherapie wordt de visie breed gedragen dat bij de keus voor een bepaalde voorziening de totale situatie van de cliënt in ogenschouw genomen dient te worden. Een dergelijke integrale beoordeling betekent dat op grond van een (soms beperkte of concrete) vraag, de medische en sociale situatie van de gehandicapte bekeken wordt. Integraal wordt afgewogen welke voorzieningen van belang zijn voor de betrokken gehandicapte. Vooral bij progressiviteit van een ziektebeeld is een integrale beoordeling noodzakelijk om een adequate combinatie van voorzieningen te kunnen verstrekken. Zo kunnen (nadere) aanpassingen aan voorzieningen en vervanging van voorzieningen tot het noodzakelijke beperkt blijven. Gemeenten kunnen kiezen voor een voorziening die relatief gemakkelijk aan te passen is. Zo wordt voorkomen dat een voorziening na enkele maanden al niet meer adequaat is. Integrale beoordeling kan ook consequenties hebben voor de verschillende terreinen waarop de Wmo zich beweegt. Een woningaanpassing op een afgelegen plek brengt vervoersproblemen met zich mee. Verhuizing naar een situatie waar openbaar of aanvullend vervoer onder handbereik is, kan wellicht een grotere mobiliteit met zich meebrengen. Integrale beoordeling van aanvragen doet daarom over het algemeen meer recht aan de situatie van de gehandicapte. 3.8. De 'één-loket gedachte'Met de één-loket gedachte wordt bedoeld dat de gehandicapte op één adres terechtkan met zijn aanvraag en bijbehorende hulpvragen. Vanuit dat ene loket wordt de behandeling gecoördineerd. Bij de afhandeling van aanvragen en de uitvoering van de WMO kunnen meerdere gemeentelijke diensten betrokken zijn. Voorkomen moet worden dat de gehandicapte zelf zijn eigen weg moet vinden in het doolhof van diensten. In de gemeente Nieuwegein komt de één-loket gedachte neer op integrale behandeling en verstrekking van voorzieningen en coördinatie van de uitvoering binnen het loket, dat deel uitmaakt van afdeling Maatschappelijke Ondersteuning. Het loket is verantwoordelijk voor de gehele afhandeling van de aanvraag, inclusief de verstrekking van de toegekende voorziening. Van belang is dat bij de afhandeling van een aanvraag de cliënt zoveel mogelijk contact heeft met een vaste consulent. Indien de aanvraag meerdere voorzieningen betreft dan worden deze in relatie met elkaar behandeld. Indien de aanvraag een complexe woningaanpassing betreft ontvangt de cliënt op een nader te bepalen tijdstip de beschikking. Zoveel mogelijk wordt geprobeerd bij dreigende overschrijding van de wettelijke afhandelingtermijn de cliënt hiervan tijdig op de hoogte te stellen. Hoofdstuk 2: Intake en advisering§1. InleidingBij het vaststellen van de noodzaak van een aangevraagde voorziening en bij de keus van de goedkoopst, adequate voorziening zijn een professionele intake en in het verlengde daarvan, een deskundig adviseur van belang. In dit hoofdstuk wordt uitgebreid op beide aspecten ingegaan. Achtereenvolgens komen aan de orde het proces van de afhandeling van de aanvraag, de plaats van de hoogwaardige intake daarin en de plaats van het externe advies en indicatiestelling. Verder komen aan de orde het juridisch en algemeen kader waarbinnen advisering plaatsvindt, en de kwaliteit van de advisering. De gemeente Nieuwegein heeft een contract gesloten met Ausems en Kerkvliet als medisch adviseur. Het onderzoek dat de medisch adviseur van Ausems en Kerkvliet doet om een eventuele indicatie voor voorzieningen te stellen bestaat meestal uit een anamnese en lichamelijk onderzoek. Er vindt een intake plaats en zonodig zal aan de cliënt toestemming worden gevraagd om meer medische informatie op te vragen bij de huisarts of behandelend specialist. Met de verkregen informatie uit de intake en de eventueel ontvangen informatie maakt de arts zijn advies. In Nieuwegein is klantvriendelijkheid het belangrijkste uitgangspunt geweest voor de vormgeving en inrichting van het loket WMO . Daarbij is de wijze waarop de intake plaatsvindt van centraal belang en men spreekt van een hoogwaardige-intake. Onder hoogwaardige-intake wordt verstaan: het beoordelen door de consulenten van enkelvoudige aanvragen en/of aanvragen waarop geen medische indicatie is vereist; het optreden als contactpersoon en/of casemanager vanaf start aansluitend tot en met verstrekking. Het voordeel van een hoogwaardige intakeprocedure is dat het klantvriendelijk is, de proceduretijd bekort en kostenbesparend werkt. Absolute voorwaarde voor een hoogwaardige intake zijn deskundige intakers. De backoffice van loket WMO bestaat naast uit consulenten en administratief /financiële medewerkers. De consulenten zijn allen gekwalificeerd als intaker en beschikken over ergonomische- sociale- bouwkundige- en medische kennis. Als achtergrond is men paramedisch geschoold; fysiotherapie, ergotherapie, bewegingstechnologie of verpleegkundige. §2. Proces van afhandeling aanvragenDe Verordening Individuele Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning bepaalt in artikel 31 dat door B&W een extern advies kan worden opgevraagd indien: het handelt om een aanvraag van een persoon die nog niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening of de verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Nieuwegein heeft ingediend of het college het overigens gewenst vindt. Op basis van de administratieve organisatie WMO kan het proces van afhandeling van WMO aanvragen voor individuele voorzieningen onderverdeeld worden in een aantal fasen: Aanvraag /intake Advisering /medische beoordeling /selectie Keuze verstrekking in natura of PGB Passing/offerte Bemiddeling /toetsing /beschikking Gereedmelding /aflevering /uitbetaling Nazorg Onder de fase aanvraag /intake valt de melding van een aanvraag voor een individuele WMO-voorziening bij het loket van de gemeente. De aanvraag wordt geregistreerd en de consulent die is belast met het in behandeling nemen van aanvragen doet vervolgens een intake. Deze intake omvat in ieder geval de navolgende toetsingen: de toets of de aanvraag bij de gemeente moet worden ingediend dan wel doorverwezen naar een andere verstrekker (zorgverzekeraar of bedrijfsvereniging bijvoorbeeld); de toets of de cliënt daadwerkelijk in de gemeente woont waar de aanvraag wordt ingediend. inkomenstoets, indien voor de gewenste voorziening een inkomensgrens geldt. vaststellen of cliënt reeds voorzieningen verstekt heeft gekregen en of deze nog voldoen /adequaat te achten zijn. vaststellen of er naast de aangevraagde voorziening nog andere, niet aangevraagde voorzieningen indicatief zijn. De fase advisering/beoordeling/selectie vindt plaats bij de consulenten. Vastgelegd is dat een medisch advies zal worden gevraagd indien dit nog niet aanwezig is in het dossier van de cliënt of er onduidelijkheden zijn over de indicatie van de gevraagde voorziening. Mede op grond van het verkregen medisch advies wordt door de consulent de eventuele noodzakelijke voorziening geselecteerd. Cliënt heeft de keuze tussen een voorziening in natura, een pgb, een forfaitaire vergoeding of financiële tegemoetkoming. De fase passing/offerte volgt dan. Vervolgens wordt in de fase bemiddeling/toetsing de aanvraag mede aan de hand van het uitgebrachte advies beoordeeld, worden eventuele alternatieven in de beoordeling betrokken en wordt een eindoordeel opgesteld. Tenslotte wordt een beschikking afgegeven waarin de toe te kennen voorziening duidelijk gemotiveerd wordt vermeld. Bij afwijzing wordt de reden duidelijk gemotiveerd. In de fase gereedmelding gaat de gemeente na of aan alle gestelde voorwaarden is voldaan en wordt een beschikking tot verlening van de vergoeding gegeven. Bij woningaanpassingen, kan nadat de financiering rond is, gestart worden met het realiseren van de aanpassing. De fase uitbetaling omvat de uitbetaling van de tegemoetkoming aan de begunstigde, dan wel betaling van de nota aan de leverancier van het hulpmiddel. De fase nazorg betreft tot slot met name de periodieke beoordeling van de noodzaak van de voorziening, de rechtmatigheid van de verstrekking en eventuele bijstelling van de vergoeding. §3. Professionele intakeDe backoffice van het loket beschikt over een professionele intake-procedure. Alle consulenten zijn in het bezit van relevante opleiding en ervaring. Zij lichten cliënten voor omtrent de mogelijkheden zowel met betrekking tot de WMO als met voorzieningen op verwante terreinen. Aan de hand van het aanvraagformulier en checklisten lopen de intakers de situatie van de cliënt na en beoordelen wat er noodzakelijk is om de aanvraag af te handelen. Een belangrijke vraag is hierbij de wenselijkheid van huisbezoek. Op verzoek van de cliënt zijn de consulenten hiertoe al in het eerste stadium van de aanvraag bereid. Betreft het de aanvraag voor een voorziening dan nemen de consulenten ook zelf initiatief ten einde in overleg met de cliënt de aanvraag zo volledig mogelijk te formuleren. Als voordeel van deze handelwijze ziet men ook een zo gericht mogelijke advies- of indiceringsvraag aan de externe adviseur. Zowel voorlichting als huisbezoek worden door een brede groep cliënten op prijs gesteld. hoogwaardige, deskundige intakeOm samen met degene die een beroep doet op voorzieningen in het kader van de WMO, op hoofdlijnen te komen tot een consensus over de aanvraag, wordt door de WMO-consulent de volgende beslissystematiek toegepast: is het probleem van toepassing op de compensatieplicht van de gemeente en is er een individuele WMO-voorziening van toepassing en zijn er financiële consequenties aan verbonden De beslisboom inzake kent als insteek het verkennen van de ergonomische problemen en of mobiliteitsbeperkingen van de cliënt. Deel b heeft als insteek het bepalen van een op basis van de WMO mogelijke voorziening. Deel c heeft als insteek het bepalen van de inkomensgrens. a. de belemmering of het probleem betreffend:Is de cliënt inwoner van de gemeente? Is er een probleem op grond waarvan men een beroep doet op de WMO? Betreft dit een (ergonomische) belemmering en/of het niet kunnen bereiken en/of gebruiken van het openbaar vervoer en/of een probleem bij het voeren van de huishouding? Blijft er een probleem over die cliënt (binnen zijn sociale situatie) redelijkerwijs zelf niet kan oplossen? (Heeft de cliënt de eigen mogelijkheden om het probleem op te lossen redelijkerwijs benut?) Zijn er geen andere wettelijke regelingen of privaatrechtelijke aanspraken als voorliggende voorziening van toepassing? Indien alles positief is te beantwoorden, dan is er zodanig sprake van een voor de WMO relevant probleem of een beperking, dat de aanvraagprocedure kan worden voortgezet. b. het recht op, en de aard van een individuele WMO-voorziening betreffend:Is er een voorziening mogelijk in het kader van de WMO? Zo ja welke? Is deze op het individu gericht? Is deze langdurig noodzakelijk? Is deze niet algemeen gebruikelijk? Is deze noodzakelijk voor het zelfstandig leven en wonen? Is de voorziening niet primair gericht op het mogelijk maken van professionele ondersteuning en verpleging? Is de voorziening de goedkoopst adequate? c. het inkomen betreffend:Wat is de hoogte van het inkomen, verminderd met eventueel de door cliënt zelf te betalen particulieren ziektekostenpremie en/of eigen bijdrage AWBZ bij opname in een AWBZ-instelling? Indien alles positief is te beantwoorden, dan kan de rest van de procedure voor het vaststellen van zorgplicht van de gemeente en aard van de voorziening ingang gezet worden. Vaststellen van compensatieplicht van de gemeente en aard van de voorzieningDe WMO-consulent die de intake doet zal: een eigen advies formuleren inzake de aanvraag; een oordeel geven over de geëigende procedure en de cliënt hierover informeren; een indicatieopdracht formuleren voor aanvragen van voorzieningen die om redenen van extern advies voorzien dienen te worden. Door middel van de ICF, International Classification of Functioning, een classificatie voor het beschrijven van het functioneren van mensen inclusief factoren die op dat functioneren van invloed zijn, worden de aanvragen beoordeeld. Functies zijn de fysiologische en mentale eigenschappen van het menselijk organisme. In de ICF staan de functies ingedeeld in de volgende hoofdstukken: mentale functies; sensorische functies en pijn; stem en spraak; functies van hart- en bloedvatenstelstel; functies van spijsverteringsstelstel; functies van bewegingssysteem. 1. Inhoud indicatieopdracht:beschrijving van problemen van de cliënt; gewenste inhoud advies; beschrijving van beperkingen en belemmeringen (ergonomische en sociale aspecten); selectie van goedkoopst-adequate oplossing; motivering van afweging (financieel-technische aspecten en programma van eisen) + reactie van de cliënt; voortschrijden ziektebeeld? 2. Toetsing indicatie:De WMO-consulent dient, na terugontvangst van de medische indicatie te toetsen op: inzichtelijkheid en zorgvuldigheid, volledigheid; vertaling van belemmering naar beperking; motivatie van selectiefactoren; toetsing aan de verordening en verstrekkingenbeleid. Bij twijfel over het passend zijn van de gevraagde voorziening in relatie tot de gesignaleerde beperking (b.v. mogelijke snelle progressie van ziekte of stoornis) wordt altijd advies gevraagd aan de medisch adviseur van Ausems en Kerkvliet. §4. Proces van adviseringHet proces van advisering in het kader van de WMO is een fase in het proces van afhandeling van aanvragen. De advisering omvat in ieder geval het opvragen van relevante (sociaal)medische gegevens en/of het uitvoeren van (een nader) onderzoek en het opstellen van het advies. Daarnaast kan, in bijzondere gevallen, de voorziening/hulpmiddel geselecteerd worden door de adviseur. Het proces van advisering bestaat in feite uit meer fasen, zoals de registratie van een binnengekomen adviesaanvraag door de adviserende instantie. Uitsluitend op de fasen van het opvragen van gegevens/uitvoeren van onderzoek en het opstellen van een advies wordt nader ingegaan. Door middel van onderzoek moet de adviseur aan de hand van beschikbare sociaal-medische gegevens en eventueel nader onderzoek bepalen of degene voor wie de aangevraagde voorziening bestemd is aantoonbare beperkingen heeft en daardoor ergonomische belemmeringen ondervindt op het gebied van wonen en het zich binnen en buiten de woning verplaatsen of het voeren van de huishouding. Op basis van dit onderzoek stelt de adviserende instantie een advies op, dat aan de gemeente wordt voorgelegd. De reikwijdte van het advies kan uiteenlopen. 4.1. Reikwijdte en inhoud van het adviesAlvorens in te gaan op de inhoud en reikwijdte van het (externe) advies, wordt veelvuldig gehanteerde terminologie bij advisering gedefinieerd. Bij het hanteren van een uitgebracht advies is het van belang te realiseren dat de uiteindelijke toekenning of afwijzing van een voorziening de verantwoordelijkheid is van de gemeente. Indien tijdens een bezwaarschriften- of beroepschriftenprocedure zou blijken dat het advies niet deugdelijk was, doet dit niets af aan de verantwoordelijkheid van de gemeente. De status van het advies is niet bindend. Het is een instrument om de gemeente te helpen bij het vormen van een oordeel over de aanvraag en het motiveren van de beschikking. 4.2. Basisbegrippen: stoornis, beperking, handicapStoornisEen stoornis is iedere afwezigheid of afwijking van een psychologische, fysiologische of anatomische structuur of functie. Zodoende kunnen de invloeden van ziekten op het lichaam worden ondergebracht in negen categorieën, namelijk: cognitieve stoornissen; andere psychische stoornissen; taalstoornissen; oorstoornissen; oogstoornissen; inwendige stoornissen; stoornissen van het bewegingsapparaat; misvormingen; algemene, sensore en andere stoornissen (een restcategorie). Alle stoornissen kunnen worden teruggebracht tot de vier functievelden van het menselijk lichaam: het energetische; het locomotore; het perceptief-mentale; het psycho-sociale functieveld. BeperkingIn de Internationale Classificatie wordt onder beperking verstaan: iedere vermindering of afwezigheid (als gevolg van een stoornis) van de mogelijkheid tot een voor de mens normale activiteit, zowel wat de wijze als wat de reikwijdte van de uitvoering betreft. Beperkingen duiden op problemen bij het uitvoeren van individuele activiteiten, waarbij vooral wordt gelet op de dagelijkse bezigheden. Daaronder vallen onder meer beperkingen in communicatie, persoonlijke verzorging, voortbewegen, lichaamsbeheersing en vaardigheden. Dit zijn algemeen menselijke activiteiten en deze zullen niet zo sterk wisselen onder invloed van sociaal-culturele factoren. HandicapDe termen uit de ICF zijn geschikt voor beschrijving van het functioneren van alle mensen, niet alleen voor (chronische) zieken en gehandicapten personen. De aanduiding gehandicapten wordt bij voorkeur vervangen door “mensen met functioneringsproblemen” of indien gewenst mensen met een handicap. Daaronder vallen dan ook ouderen of personen met tijdelijke functioneringsproblemen. De handicap is het maatschappelijke aspect van een stoornis of beperking en weerspiegelt zodoende de culturele, sociale en economische gevolgen van een stoornis of een beperking voor een persoon. Wat wel en niet een handicap wordt genoemd, staat bloot aan culturele invloeden. De classificatie legt zo een verband: De wisselwerking tussen de verschillende aspecten van de gezondheidstoestand en externe en persoonlijke factoren. Beperkingen die in een persoon zijn gelegen leiden tot belemmeringen, wanneer de cliënt in zijn/haar omgeving barrières ontmoet. De omgeving kan dus bepalend zijn voor de handicap. In een goed aangepaste omgeving ondervindt de cliënt minder belemmeringen. De mate waarin de omgeving toegankelijk is bepaald de mate waarin de beperking als belemmering wordt ervaren en bepaalt dus ook mede de mate van het gehandicapt zijn. Bij de beoordeling van de noodzaak tot het treffen van voorzieningen voor mensen met een handicap moet naar een aantal aspecten worden gekeken. Het gaat hierbij om het psycho-sociale, het medische, het ergonomische, het technische en het economische aspect. Op deze aspecten en het keuzeproces dat aan het eventueel treffen van voorzieningen vooraf gaat wordt in de volgende paragraaf ingegaan. 4.3. Het keuzeproces/selectieZowel bij hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen als rolstoelen vereist het vinden van de meest adequate oplossing een doordacht keuzeproces. Dit keuzeproces kan in een aantal fasen worden onderscheiden: vraagstelling; analyse van het probleem; formuleren van eisen voor oplossing; specificatie van de (combinatie van) voorziening(en). a. VraagstellingDe vraagstelling voor één of meer voorzieningen komt bij de gemeente, omdat de belanghebbende zelf, iemand uit zijn directe omgeving of uit de behandelende sector een voorziening aanvraagt. Het is ook mogelijk dat de vraag naar voren komt vanuit een integrale advisering. b. Analyse van het probleemOm enige duidelijkheid in de woon- of mobiliteitsproblematiek te krijgen moeten de meest relevante aspecten van deze problemen aan de orde komen. Het gaat daarbij om een vijftal beoordelingsaspecten: medische, sociale, ergonomische, financiële en technische aspecten. Medische beoordelingsaspectenanalyse van (het verlies van/gebrek aan) lichamelijke functies en omschrijving van de aard van de lichamelijke of psychische stoornis. Het zal daarbij in het algemeen gaan om: locomotore stoornissen waardoor de mobiliteit, de kracht en de stabiliteit is gestoord; cardio-pulmonaire of vasculaire stoornissen waardoor de energetische belastbaarheid is verminderd; perceptief-mentale stoornissen waardoor bijvoorbeeld geheugen- en oriëntatiedefecten, bewustzijnsverlies, een gestoorde psychomotoriek (bijvoorbeeld coördinatiestoornissen) en perceptiestoornissen (zien, horen, voelen) kunnen optreden; psychosociale stoornissen (als gevolge van bijvoorbeeld misvorming) en ernstige gedragsstoornissen; inzicht in de prognose van het ziektebeeld. In verband met de continuïteit van de eventueel te treffen voorziening(
- en)moet worden aangegeven of de lichamelijke/psychische conditie van de cliënt (vanwege zijn handicap) gelijk zal blijven dan wel dat verandering redelijkerwijs te verwachten is. Sociale beoordelingsaspectenHet is noodzakelijk het sociale verband waarin de cliënt functioneert te inventariseren en in kaart te brengen. Belangrijke aandachtspunten daarbij kunnen zijn: verplaatsingsgedrag (motief, bestemming, frequentie, wijze); wensen van de belanghebbende, voor zover deze in de vraagstelling niet of onvoldoende duidelijk naar voren komen; samenstelling huishouden en taakverdeling in huishouden; mogelijkheden van hulpverlening door huisgenoten of derden; bereidheid tot verhuizen in relatie tot noodzaak verhuizen; sociale relaties in huidige woonomgeving (beschikbaarheid van hulp); omgevingsfactoren, zoals aanwezigheid/ontbreken van (toegankelijk) openbaar vervoer in de directe omgeving, stallingsmogelijkheden; acceptatie gebruik hulpmiddelen. Bij de analyse van het probleem is het van belang dat alle relevante factoren gecheckt worden. De in de analyse genoemde factoren, zoals wensen van de belanghebbende, zijn niet per definitie bepalend voor de uiteindelijke verstrekking. De gemeente bepaalt welke factoren doorslaggevend zijn en of een bepaalde voorziening verstrekt wordt. Ergonomische beoordelingsaspectenIn de ergonomie gaat het om het afstemmen op elkaar van de mens met zijn fysieke mogelijkheden/antropometrische gegevens (lichaamsmaten) en de activiteiten die door hem worden verricht, het te gebruiken gereedschap en de omgeving waarin het wordt gebruikt. Bij het wonen richt zich de ergonomie op het wegnemen of beperken van belemmeringen in en aan de woonruimte veroorzaakt door de lichamelijke functionele beperkingen en dan met name op het kunnen bereiken, betreden en gebruiken van een woning in zijn eenvoudigste vorm. Het onderzoek van de ergonomische aspecten dient inzicht te geven in: adequaatheid ten aanzien van bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de voorziening; antropometrische gegevens; welke handelingen worden verricht en hoe worden deze handelingen verricht; op welke wijze spelen hulpmiddelen en motivatie daarbij een rol; bij woonvoorzieningen: objectgegevens (voor zover van toepassing), soort en ligging woning, huurder/eigenaar-bewoner, bestemmingsplan en continuïteit van het object. Technische aspectenbouwvoorschriften/-constructies; materiaalkeuze; normen van belichting/verwarming; bediening voorziening. Bij de afweging van technische aspecten zoals materiaalkeuze zal ook het financiële aspect in de gaten gehouden moeten worden. De voorziening zal immers niet alleen adequaat maar ook de goedkoopste moeten zijn. Financiële aspectenDe goedkoopst adequate oplossing (kosten-batenanalyse). De voorziening of oplossing voor het geconstateerde probleem zal altijd een adequate voorziening of oplossing moeten zijn. Indien er meerdere adequate voorzieningen/oplossingen mogelijk zijn, zal de adviseur een kosten-batenanalyse moeten maken. Op grond van deze kosten-batenanalyse kan de goedkoopst adequate oplossing of voorziening worden geadviseerd. c. Formuleren van eisen voor oplossingIndien het probleem voldoende geanalyseerd is, kunnen de eisen waaraan de oplossing moet voldoen, opgesteld worden. Om tot een juiste formulering van deze eisen te komen is een gedegen inventarisatie van de woonactiviteiten, respectievelijk het verplaatsingsgedrag noodzakelijk. d. Specificatie van de (combinatie van) voorziening(en).Aan de hand van het opgestelde programma van eisen kan een (combinatie van) voorziening(
- en)gekozen worden en bij vervoermiddelen het type voorziening geselecteerd worden. 4.4. De reikwijdte van een adviesIndien beperkingen worden geconstateerd geeft de adviseur aan welke ergonomische belemmeringen hieruit voortvloeien voor de cliënt. De adviseur beoordeelt tevens of geconstateerde belemmeringen zodanig zijn dat zij de verstrekking van een voorziening in het kader van de WMO rechtvaardigen. Een voorbeeld ter verduidelijking. Is het enkele feit dat iemand niet meer dan 750 meter kan lopen reden om een vervoersvoorziening of rolstoel te verstrekken of ligt de grens bij 900 meter? Een ander uitgangspunt kan zijn dat dit aantal meters altijd in samenhang gezien moet worden met de nabijheid van een openbaar vervoerhalte binnen de afstand die betrokkene nog op eigen kracht kan afleggen. Op basis van een analyse van de beperking van lichamelijke functies en eventueel het inzicht in de prognose van het ziektebeeld, de sociale omstandigheden van de cliënt en het gemeentelijk verstrekkingenbeleid zal de adviseur derhalve een uitspraak doen of in het kader van de Wmo een voorziening noodzakelijk is. Vervolgens verlangt de gemeente van de adviseur dat zij adviseert over de noodzaak van een voorziening (hulp bij het huishouden, woonvoorziening, rolstoel of vervoersvoorziening) en ook een uitspraak doet over de soort voorziening die een cliënt nodig heeft (bij een vervoersvoorziening bijvoorbeeld een scootmobiel, collectief aanvullend openbaar vervoer of een taxikostenvergoeding). Wel zal daarbij sprake moeten zijn van een integrale afweging. Bijvoorbeeld indien de keus voor een bepaald soort voorziening (scootmobiel) tot gevolg heeft dat de woning aangepast moet worden (in verband met de stalling van de scootermobiel). Ook de selectie van het type voorziening is aan de adviseur overgelaten. In dit geval vraag de gemeente de adviseur niet alleen de soort voorziening aan te geven die de adviseur noodzakelijk acht, maar tevens de meest goedkope, nog adequate voorziening, inclusief eventuele individuele aanpassingen, te selecteren voor het probleem waarmee de cliënt geconfronteerd wordt. De mate van integraliteit speelt bij advisering eveneens een rol. Bij een groot aantal cliënten zal er sprake zijn van aanvragen die op meerdere gebieden betrekking hebben. Als een rolstoel wordt verstrekt, is vaak ook een woonvoorziening noodzakelijk en ligt het voor de hand dat de cliënt een vervoersvoorziening nodig heeft. Wat in een dergelijk geval de meest goedkope, nog adequate oplossing is, wordt bepaald door de combinatie van verstrekkingen. Een integraal advies, waarbij ook naar de vervoersbehoefte van de cliënt wordt gekeken, kan een ander beeld geven dan wanneer alleen naar de ondervonden ergonomische beperkingen in de woonruimte wordt gekeken. Bij integrale advisering zullen ook mogelijkheden om verschillende voorzieningen te bereiken of afstanden naar openbaar vervoerhaltes te overbruggen een rol spelen. Een aantal samenhangende factoren bepaalt of een (combinatie van) voorziening(
- en)adequaat is en ook de goedkoopste oplossing is. Om tot een verantwoorde keuze te komen moeten al die factoren in hun onderlinge samenhang bezien worden. 4.5. Inhoud van het adviesHet advies zal in ieder geval de navolgende gegevens moeten bevatten: datum waarop verzoek om advies is ontvangen; door gemeente aangegeven cliëntnummer en/of registratienummer; persoonsgegevens cliënt; gevraagde voorziening; eventueel gebruikte (medische) dossiers; eventueel nader onderzoek; medische, ergonomische, sociale, technische en financiële aspecten; uitspraak over noodzaak van voorziening; programma van eisen waaraan voorziening moet voldoen; selectie soort en type voorziening. 4.6. Toetsing van een adviesEen eerste toets is of het advies volledig is, dat wil zeggen de gegevens bevat die tussen gemeente en adviseur afgesproken zijn. Vervolgens kan het advies meer inhoudelijk beoordeeld worden. Medische gegevens, zoals de diagnosecode of de stoornis van de betreffende cliënt, mogen niet in het advies worden opgenomen. Toetsing van het medische oordeel is dus niet mogelijk. Bovendien zal degene die het advies toetst in het algemeen geen medische kennis hebben. Het aangeven van de beperkingen op grond waarvan al dan niet een bepaalde individuele WMO-voorziening noodzakelijk wordt geacht door de adviseur valt niet onder het medisch geheim. De adviseur kan dus in zijn advies in lekentaal de geconstateerde beperkingen opsommen. Daarbij kunnen de navolgende beperkingen onderscheiden worden: motorisch, lichaamshouding, organisch, communicatie en geestelijk. Deze beperkingen kunnen nader toegelicht worden. Van de adviseur mag verwacht worden dat hij/zij is staat is de stoornis te vertalen in beperkingen en deze beperkingen beknopt te benoemen in lekentaal. De toetsend ambtenaar kan vervolgens toetsen of het programma van eisen waaraan een voorziening moet voldoen en de voorgestelde voorziening logischerwijs voortvloeien uit de geconstateerde beperkingen en de daaraan gekoppelde belemmeringen. Indien een bepaald soort rolstoel wordt geadviseerd, kan getoetst worden of de selectiefactoren die voor de keus van een rolstoel relevant zijn, nagelopen zijn. Tot slot toetst de betreffende ambtenaar of het advies in overeenstemming is met de bepalingen in de gemeentelijke verordening en de daarbij horende beleidsregels. Met name bij afwijzende adviezen dan wel adviezen waarin een andere voorziening wordt voorgesteld dan is aangevraagd is het van belang na te gaan of een arts bij de advisering betrokken is geweest. Medische adviezen mogen immers slechts door artsen gegeven worden en niet door verpleegkundigen of (ergo)therapeuten. Uitsluitend artsen mogen een diagnose stellen, respectievelijk stoornis constateren. §5. Geïntegreerde indicatiestelling ouderen- en gehandicaptenvoorzieningenAlvorens in te gaan op geïntegreerde indicatiestelling wordt aangegeven wat onder de begrippen advisering en indicatiestelling wordt verstaan. De betekenis die aan deze begrippen wordt toegekend varieert. Om onduidelijkheid te voorkomen worden in dit verstrekkingenboek de begrippen indicatiestelling en advisering als volgt omschreven en gehanteerd. Onder indicatiestelling wordt uitsluitend verstaan het objectief vaststellen van (lichamelijke) beperkingen van een cliënt en de daaruit voortvloeiende belemmeringen. Deze indicatiestelling wordt vervolgens vastgelegd in een advies. Het advies kan uitsluitend de indicatie weergeven, maar ook uitspraken doen over de noodzaak van de gevraagde voorziening of over de selectie van een nodig geachte voorziening. De advisering kan dus een breder proces zijn dan de indicatiestelling. Geïntegreerde indicatiestelling biedt de cliënt grote voordelen, omdat dubbele indicatieonderzoeken voorkomen worden. Het vormt verder een stap op weg naar een centraal meldpunt (één loket), waar gehandicapten en ouderen voor uiteenlopende voorzieningen terecht kunnen. Het streven is om uiteindelijk een geïntegreerd voorzieningenpakket te verstrekken, waarbij het de bedoeling is dat het medisch advies hierin integraal wordt opgenomen. §6. Juridisch kader6.1. De Wet Maatschappelijke OndersteuningHet kader dat de WMO biedt voor advisering is minimaal. De gemeente heeft in haar verordening aangegeven wanneer zij in ieder geval advies dient te vragen. De WMO vereist niet dat in de verordening wordt opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meerdere adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. 6.2. Algemene Wet BestuursrechtDe Algemene Wet Bestuursrecht stelt normen voor het inwinnen van advies. Deze normen zijn van toepassing indien: de adviseur bij of krachtens wettelijk voorschrift is belast met advisering; het gaat om een zogenaamde externe adviseur, dat wil zeggen dat de adviseur niet onder verantwoordelijkheid van het adviesvragend bestuursorgaan werkzaam is; het niet gaat om (algemene) beleidsadvisering. Afdeling 3.3 AWB Advisering omvat een vijftal artikelen over advisering. Artikel 3:5 geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: "een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan." Indien een gemeente een externe adviseur inschakelt voor advisering in het kader van de WMO, gelden dus de bepalingen die in afdeling 3.3 van de AWB zijn opgenomen. Op een interne adviseur is afdeling 3.3 AWB niet van toepassing. Gemeentelijke gezondheidsdiensten en gemeentelijke indicatiecommissies zijn in de termen van de AWB interne adviseur. De gemeente Nieuwegein is immers het direct verantwoordelijke bestuursorgaan. Voor het stellen van kwaliteitseisen aan de adviseur is de vraag of deze de status van interne dan wel externe adviseur heeft overigens niet relevant. Ongeacht de status moet de gekozen adviseur aan de in de Wmo vastgelegde eisen en aan eventuele door de gemeente gestelde nadere eisen voldoen. §7. Algemeen kaderEen onderverdeling valt te maken in: adviseringsprocedure: cliëntgericht en overzichtelijk; beleidskader waarbinnen advisering dient plaats te vinden. a. Adviseringsprocedure: cliëntgericht en overzichtelijkEen cliëntgerichte en overzichtelijke adviesprocedure is van belang. Bij cliëntgericht wordt in eerste instantie gedacht aan de bejegening van de cliënt en het verstrekken van informatie over de procedure. Verder kan men zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande (medische) gegevens en dossiers en onnodig (medisch) onderzoek voorkomen. Hieruit vloeit voort dat adviseurs uitsluitend aanvullend medische onderzoek verrichten, indien de beschikbare gegevens onvoldoende zijn om een gefundeerd advies uit te brengen. b. beleidskader waarbinnen advisering dient plaats te vinden.Bij advisering wordt vaak uitgegaan van strikte onafhankelijkheid van de adviseur. Met onafhankelijkheid wordt dan in het algemeen onafhankelijkheid van de financier van de voorziening bedoeld. De behoefte wordt vastgesteld en vervolgens wordt er naar een oplossing gezocht die past op die 'geobjectiveerde' behoefte. Ook bij de WMO gaat het erom objectief vast te stellen of degene voor wie de voorziening bestemd aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van het voeren van de huishouding, wonen, het ontmoeten van mede mensen en op het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden en het zich binnen en buiten de woning verplaatsen. Het is echter de vraag of vervolgens ook gesproken kan worden van een 'geobjectiveerde behoefte' aan een specifieke voorziening. Het gaat om een globale behoefte aan ondersteuning bij het verplaatsen en bij het wonen. Aan die behoefte kan tegemoetgekomen worden door diverse (combinaties van) voorzieningen. Welke (combinatie van) voorzieningen het best tegemoet komt aan de objectief vastgestelde behoefte van de gehandicapte is afhankelijk van twee factoren: de vraag/wens van betrokkene enerzijds en de mogelijkheden die het gemeentelijk verstrekkingenbeleid biedt anderzijds. In het verlengde hiervan is een opmerking over het inschakelen van de behandelende sector bij de advisering en eventueel selectie op zijn plaats. De adviseur heeft niet alleen te maken met de behoefte van de cliënt, maar tevens met het gemeentelijke verstrekkingenbeleid. De adviseur zal de meest goedkope adequate oplossing moeten aangeven voor de geobjectiveerde behoefte van de gehandicapte. De situatie kan zich voordoen dat de geboden oplossing niet geheel overeenstemt met de door de gehandicapte gewenste oplossing. Dit brengt met zich mee dat de positie van de adviseur een fundamenteel andere is dan de positie van de behandelend arts ten opzichte van de gehandicapte. De behandelend arts stelt immers in de allereerste plaats de belangen van de cliënt centraal. Adviseurs zijn gehouden te adviseren binnen het kader van het gemeentelijke verstrekkingenbeleid. Zij kunnen niet strikt onafhankelijk opereren. Dit neemt niet weg dat binnen dit kader de adviseur op basis van haar deskundigheid de vastgelegde criteria objectief toepast. Het adviseren binnen een bepaald kader doet derhalve niets af aan de professionaliteit en objectiviteit van een advies. §8. Taken adviseurHet uitgangspunt is dat de adviseur een bredere taak krijgt. Daarbij kan gedacht worden aan de volgende taken: het verstrekken van informatie aan cliënten in het kader van het medisch onderzoek. Niet alleen vanuit de gemeente, maar ook vanuit de adviesorganisatie kan informatie verstrekt worden over voorzieningen die in het kader van de WMO kunnen worden aangevraagd en over het gemeentelijke WMO-beleid; het verzamelen en analyseren van beleidsrelevante gegevens. Tijdens de advisering komen veel gegevens naar voren die door middel van bijvoorbeeld epidemiologisch onderzoek geanalyseerd kunnen worden. De gemeente vraagt haar adviseur dergelijk onderzoek en analyses te verrichten en aan de gemeente voor te leggen met als doel het, indien noodzakelijk, tijdig bijstellen van het WMO-beleid; het signaleren van nieuwe ontwikkelingen en van knelpunten in het voorzieningenpakket. Uit de genoemde analyses en het epidemiologisch onderzoek kunnen bepaalde ontwikkelingen in het gezondheidsbeeld naar voren komen en kunnen andere ontwikkelingen en eventuele knelpunten gesignaleerd worden. Door middel van periodieke rapportage kunnen gemeenten hiervan op de hoogte worden gebracht. §9. Kwaliteit van de adviseringDe gemeente moet ervan op aan kunnen dat de advisering kwalitatief goed is. Het meten en controleren van de kwaliteit van een advies is geen eenvoudige zaak. In deze paragraaf worden suggesties gedaan en indicatoren aangereikt om de kwaliteit van een advies te toetsen. Om de kwaliteit van een advies te kunnen beoordelen kan worden gekeken naar de organisatie die de adviezen verstrekt, de adviseur die het advies opstelt en de inhoud en vorm van het advies zelf. 9.1. Kwaliteit van de adviesorganisatieDe structuur van een organisatie en de aanwezigheid en het functioneren van een kwaliteitssysteem zijn indicatoren voor de kwaliteit van het product, c.q. advies, dat die organisatie levert. Onderstaand is een aantal aspecten op een rij gezet, dat aanwijzingen vormt voor de kwaliteit van een organisatie en derhalve voor de producten en dienstverlening van die organisatie. Door te informeren of de onderstaande zaken aanwezig en van recente datum zijn, kan de gemeente zich een beeld vormen van de kwaliteit van de adviesorganisatie: een duidelijke, schriftelijk vastgelegde verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen de organisatie; een schriftelijk vastgelegd kwaliteitsbeleid en kwaliteitssysteem dat periodiek wordt geëvalueerd; een klachtenprocedure; een privacyreglement; een registratiesysteem om de doorlooptijd en de termijn waarbinnen een advies moet worden uitgebracht te bewaken; een interdisciplinaire werkwijze/multidisciplinaire aanpak; intercollegiale toetsing; de mogelijkheid van supervisie (toezicht en ondersteuning) voor de adviseurs; protocollen waarin beschreven wordt hoe een advies moet worden opgesteld; de mogelijkheid van periodieke na- en bijscholing voor de adviseurs. Verder kan gekeken worden naar: telefonische bereikbaarheid van de organisatie; frequentie spreekuren van de adviseurs; bereikbaarheid en toegankelijkheid accommodatie(
- s)waar spreekuur gehouden wordt; beschikbaarheid van geautomatiseerde informatiesystemen en van (actuele) documentatie. 9.2. Kwaliteit van de adviseurDe kennis/deskundigheid die de adviseur dient te hebben wordt mede bepaald door het soort advies dat moet worden uitgebracht. Zo kan een onderscheid gemaakt worden tussen voorzieningen die wel of geen medische indicatie behoeven, tussen eenvoudige en gecompliceerde voorzieningen en tussen enkelvoudige en meervoudige adviezen. Het is niet noodzakelijk dat één adviseur alle onderstaande kennis en deskundigheid in huis heeft. Van belang is of de adviseur collega's of derden kan raadplegen om de benodigde specifieke kennis/deskundigheid te verwerven (multidisciplinaire aanpak). Voor het opstellen van een advies dient de navolgende kennis en deskundigheid beschikbaar te zijn bij een adviseur of een team van adviseurs. Het is ook mogelijk dat een adviseur voor gecompliceerde adviezen waarvoor specifieke deskundigheid nodig is derden inhuurt. Voor het kunnen opstellen van adequate adviezen moet, afhankelijk van de soort voorziening, onderstaande kennis voor handen zijn of ingehuurd kunnen worden. De opgesomde lijst van noodzakelijke kennisgebieden hoeft overigens niet geconcentreerd te zijn in één adviesfunctie: medische kennis op het niveau van een arts; sociale kennis; ergonomische kennis; technische kennis. Deze eisen zijn ontleend aan de eisen, zoals geformuleerd in de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten die per 1 april 1994 is vervallen. Daarbij kan het volgende worden aangetekend: 1. Medische kennis op het niveau van een artsOnder medische kennis dient verstaan te worden het beoordelen/interpreteren van de medische situatie en de vertaling van ziekte/stoornis naar beperking. 2. Sociale kennisOnder sociale kennis wordt begrepen het inzicht in de gevolgen van de afwezigheid van functies (aanwezigheid van beperkingen). De ervaring van de beperking in de leef-, woon- en werksituatie wordt met handicap aangeduid. De adviseur moet het vermogen hebben om de beperkingen in de individuele situatie te vertalen naar handicaps. Door kennis te hebben van het individu, zijn omgeving en de rol van het individu hierin, is het mogelijk inzicht te krijgen in de aard en de mate van het probleem. Tevens is het dan mogelijk om een globale vertaalslag te maken naar mogelijke oplossingen. 3. Ergonomische kennis Onder ergonomische kennis wordt het volgende verstaan. De adviseur dient inzicht te hebben in de aanpassingsmogelijkheden van hulpmiddelen aan de mens. Dit vereist kennis over anatomie en fysiologie en over technische eigenschappen van hulpmiddelen. 4. technische kennisDe technische kennis betekent dat een adviseur 'weet' moet hebben van onder andere bouwkundige (on)mogelijkheden. De aanwezigheid van bovenstaande kennisgebieden kan blijken uit de gevolgde en voltooide opleidingen en werkervaring, zoals sociaal geneeskundige AGZ of verzekeringsgeneeskundige en revalidatiearts of in samenwerking met een arts voor het medisch advies wijkverpleegkundige, districtsverpleegkundige revalidatie, ergotherapeut en arbeidsdeskundige(technici). 9.3. Kwaliteit van het adviesOm de kwaliteit van het advies zelf te toetsen kan een aantal indicatoren worden gehanteerd: het aantal beroepszaken waaruit blijkt dat het advies onvoldoende was; klachten van cliënten; logische en heldere opbouw van het advies en consistente argumentatie. Uit jurisprudentie blijkt dat de rechter kan oordelen dat slechts een arts in staat mag worden geacht een deskundig oordeel te kunnen vellen over de medische situatie van degene over wie een advies moet worden uitgebracht. Het enkele feit dat een niet-medisch geschoolde adviseur, bijvoorbeeld ergotherapeuten, een sociaal-medisch advies heeft gegeven dat vervolgens ten grondslag ligt en als motivatie dient voor een afwijzende, respectievelijk van de aanvraag afwijkende beschikking door de gemeente kan voor de rechter voldoende zijn om de gemeentelijke beschikking nietig te verklaren en degene die beroep heeft aangetekend in het gelijk te stellen. Bij negatieve adviezen, die op sociaal-medische gegevens gebaseerd zijn, is het met het oog op eventuele beroepszaken derhalve noodzakelijk dat een arts de betreffende cliënt gezien en zonodig onderzocht heeft. Een arts moet verantwoordelijkheid nemen voor het advies. Bij positieve adviezen is het vanzelfsprekend ook van belang dat een adequaat medisch oordeel wordt gevormd. Om de kwaliteit van adviezen te bewaken is het zaak regelmatig met de adviseur te overleggen over de gang van zaken en eventuele knelpunten. Met name het eerste jaar van samenwerking is een goede communicatie van groot belang om misverstanden, onduidelijkheden en dergelijke te voorkomen of op te lossen. Hoofdstuk 3: Persoonsgebonden Budget of Zorg In Natura§1. Wat zegt de Wet maatschappelijke ondersteuning hieroverArtikel 6 van de WMO bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze moet bieden tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Er zijn ook een aantal voorzieningen die in de vorm van een forfaitaire vergoeding of financiële tegemoetkoming verstrekt worden. Het gaat dan om een aantal individuele vervoersvoorzieningen, voorzieningen voor sportbeoefening en de verhuiskostenregeling. Dit hoofdstuk gaat verder in op het persoonsgebonden budget en zorg in natura. §2. Beleid van de gemeente Nieuwegein2.1. KeuzevrijheidIn principe heeft iedereen die aanspraak kan maken op een individuele voorziening de keuze tussen een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget. Van bovenstaande regel kan worden afgeweken wanneer er overwegende bezwaren zijn. We onderscheiden twee soorten bezwaren: In de persoon gelegen factoren en In de voorziening gelegen factoren. In de persoon gelegen factorenEen overwegend bezwaar is de situatie dat een persoon niet in staat is om het persoonsgebonden budget te beheren. In de voorziening gelegen factorenEen voorziening die af en toe of voor een periode minder dan 8 maanden gebruikt wordt, kan bij verstrekking in natura meermalen gebruikt worden. Bij een persoonsgebonden budget kan dit niet. Er zijn voorzieningen die zich niet lenen voor een voorziening in natura. Een voorbeeld hiervan is een sportrolstoel, omdat het soort sport hierbij van belang is. 2.2 De hoogte van het persoonsgebonden budget en de voorziening in naturaDe hoogte van het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op het bedrag dat de gemeente voor de goedkoopst adequate voorziening in natura zou betalen. Voor het PGB en de voorziening in natura geldt dat de compensatieplicht van de gemeente gaat tot de goedkoopst adequate voorziening. §3. Toepassing van het PGB en verstrekking in naturaVoor de toepassing onderscheiden we de volgende groepen voorzieningen: Hulp bij het huishouden Woonvoorzieningen Rolstoelvoorzieningen Vervoersvoorzieningen §4. Zelf de keuze maken tussen PGB en zorg in naturaAls de indicatie is gesteld en men weet op welke zorg of voorziening men recht heeft kan men kiezen tussen: zorg in natura of een persoonsgebonden budget. 1. Zorg in natura:men krijgt de voorziening geleverd door een leverancier waar de gemeente zaken mee doet, of de zorg wordt geleverd door een thuiszorgorganisatie waar de gemeente een raamovereenkomst mee heeft. 2. Een persoonsgebonden budget: men krijgt een bepaald bedrag toegekend, waarmee zelf de voorziening of zorg moet worden ingekocht. §5. De kenmerken van een Persoonsgebonden Budget en zorg in natura5.1. Kenmerken van een PGBZelf bepalen door wie, wanneer, waar en hoe de benodigde zorg wordt verleend of de voorziening wordt geleverd Zelf voor de toegekende voorziening een leverancier uitzoeken of iemand werven voor de huishoudelijke zorgtaken Zelf afspraken maken Zelf de zorgverlener of leverancier betalen Zelf de administratie voeren Verantwoording afleggen aan de gemeente 5.2. Kenmerken van zorg in naturaVrijwel geen administratie voor de cliënt De leverancier van voorzieningen wordt door gemeente bepaald Kans op wisselende verleners van huishoudelijke zorg De momenten waarop de huishoudelijke zorg wordt verleend kan wisselen §6. PGB in de praktijk: van aanvraag, toekenning tot en met verantwoordingAanvraag indienen bij de gemeente De indicatiestelling door de gemeente De hoogte van het PGB Betaling van het PGB Een voorziening of zorg (in)kopen Verantwoording afleggen aan de gemeente Terugbetalen PGB aan de gemeente 6.1. Aanvraag indienen bij de gemeenteDe gemeente heeft speciale aanvraagformulieren die dienen te worden ingevuld. 6.2. De indicatiestelling door de gemeenteDe gemeente stelt een indicatie voor de gevraagde voorziening of hulp. Zie hiervoor ook hoofdstuk 2. De gemeente geeft u een indicatiebesluit, waarin staat vermeld op welke voorziening u aanspraak kunt maken, een pakket van eisen voor deze voorziening of hulp, het soort hulp, de hoeveelheidhulp/klasse waar u recht op heeft en voor welke periode. Aan het einde van de toegekende periode dient u zelf zo nodig opnieuw tijdig een aanvraag in te dienen. 6.3. De hoogte van het PGBDe gemeente stelt de hoogte vast van het PGB dat wordt toegekend. Voor voorzieningen, zoals rolstoelen, woonvoorzieningen of vervoersvoorzieningen is de waarde van het PGB gelijk aan het bedrag wat de gemeente kwijt zou zijn aan een voorziening in natura. Bij hulp bij het huishouden geldt een eigen bijdrage afhankelijk van het inkomen en de gezinssamenstelling. De hoogte van de eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor. We spreken van een bruto PGB en een netto PGB. Van een netto PGB is de eigen bijdrage reeds ingehouden. 6.4. PGB6.4.1. Betaling van het PGBDe betaling van het toegekende PGB gebeurt in de vorm van voorschotten. Afhankelijk van de hoogte van het PGB en het soort voorziening wordt het PGB in één termijn, per maand, per kwartaal, per half jaar of per jaar uitbetaald. PGB tot € 2.500 op jaarbasis: in eens volledig PGB tussen € 2.500 en € 5.000 op jaarbasis: per half jaar, de helft van het PGB PGB tussen € 5.000 en € 25.000 op jaarbasis: per kwartaal, een kwart van het PGB PGB boven € 25.000 op jaarbasis: maandelijks, in twaalf maandelijkse termijnen van het PGB. N.B. Een uitzondering vormen de vergoedingen voor de vervoerskosten, deze worden vooraf per maand uitbetaald. Voor zover van toepassing worden de PGB’s voor onderhouds- en verzekeringskosten van de voorzieningen 1 x per jaar uitbetaald. Bank- of girorekeningU mag zelf bepalen op welke bank- of girorekening de gemeente het PGB uitbetaald. Voor het beheer van met name uw PGB voor hulp bij het huishouden is een aparte rekening aan te raden. 6.4.2. PGB is geen inkomen, maar wel “gewoon” geldHet PGB is bestemd voor het inkopen van zorg of het kopen van een voorziening. Het PGB wordt daarom niet beschouwd als inkomen. PGB heeft dan ook geen invloed op een eventuele uitkering of de te betalen inkomstenbelasting. Let op: als het PGB gebruikt wordt om salaris uit te betalen aan de partner, dan is dat voor de partner wel inkomen. Het PGB is “gewoon” geld. Als iemand schulden heeft kan het PGB opgeëist worden door schuldeisers. Het is dus niet verstandig om aan iemand met schulden een PGB te verstrekken. 6.5. Een voorziening of zorg (in)kopen6.5.1. Een voorziening kopenDe gemeente heeft een pakket van eisen opgesteld waaraan de geïndiceerde voorziening moet voldoen. Met dit pakket van eisen kan bij een leverancier de voorziening worden gekocht. In het financiële deel van dit uitvoeringsbesluit staan de criteria waaraan de voorziening moet voldoen. 6.5.2. Zorg inkopenDe gemeente heeft een beschikking afgegeven met de hoeveelheid/klasse hulp die nodig is en de periode hoelang de hulp is toegekend. Met deze beschikking, “indicatiebesluit” kan bij een zorgaanbieder de noodzakelijke zorg worden ingekocht. De hulp wordt geïndiceerd voor maximaal 3 jaar. In het financiële deel van dit uitvoeringsbesluit staan de criteria waaraan moet worden voldaan door de zorgaanbieder. Men kan zelf een zorgaanbieder kiezen. Met deze zorgaanbieder moet een zorgovereenkomst worden gesloten, waarin staat vermeldt welke zorg er is afgesproken en de prijs die daarvoor moet worden betaald. Bij de toekenningsbeschikking wordt een voorbeeld van een modelovereenkomst bijgesloten. Modelovereenkomsten kunnen worden gedownload via: www.svb.nl/servicecentrumpgb Er moeten met de zorgverlener afspraken gemaakt worden. Op de eerste plaats moet worden afgesproken dat declaraties binnen zes weken na de maand waarin de zorg is verleend zijn ingediend door de zorgverlener. Dit omdat er anders mogelijk problemen ontstaan bij het op tijd verantwoorden aan de gemeente. Verder moeten op de declaraties de volgende gegevens staan: De dagen waarop is gewerkt Het aantal te betalen uren De naam en het adres van de zorgverlener Het BTW-nummer, het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel of het sofinummer van de zorgverlener. 6.6. Verantwoording afleggen aan de gemeenteEen PGB mag alleen gebruikt worden voor de inkoop van de voorziening waarvoor het PGB is toegekend, dus voor hulp bij het huishouden, een rolstoelvoorziening, een vervoersvoorziening of een woonvoorziening. Na de aankoop van de woon- rolstoel- of vervoersvoorziening dient men binnen 6 weken verantwoording af te leggen over de uitgaven. Bij hulp bij huishouden t/m klasse 2 hoeft geen periodieke verantwoording te worden afgelegd. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het doorgeven van wijzigingen. Bij hulp bij huishouden van klasse 3 t/m 6 dient men binnen 6 weken na afloop van het kalenderjaar of 6 weken na beëindiging van het toegekende pgb verantwoording af te leggen. De gemeente kan steekproefsgewijs bij cliënten toetsen of de pgb-administratie overeenstemt met de gemaakte uitgaven. De wijze van verantwoorden wordt bij de beschikking aangegeven. Op grond van de belastingwetgeving dient de klant de PGB-administratie zeven jaar te bewaren. 6.7. Terugbetalen PGB aan de gemeenteHet PGB is gemeenschapsgeld dat bestemd is voor de aankoop van voorzieningen of inkoop van zorg. Het PGB dat niet voor de aankoop van voorzieningen of de inkoop van hulp is uitgegeven moet worden terugbetaald. Over 1,5% van het netto PGB (=bruto PGB minus eigen bijdrage) hoeft geen verantwoording te worden afgelegd. Hierbij geldt een minimum van € 250 per jaar en een maximum van € 1.250 per jaar. Dit bedrag heet het “vrij besteedbare bedrag”. Het vrij besteedbare bedrag is bestemd voor kleine uitgaven, zoals bijvoorbeeld een cadeautje voor de hulp met verjaardagen of feestdagen of de kosten voor onderzoek naar de beste voorziening, eventuele reiskosten, etc. Als het PGB niet volledig voor de aankoop van een voorziening is besteed moet het overgebleven bedrag worden terugbetaald aan de gemeente. Hoofdstuk 4: Compensatie van de beperkingen bij het voeren van een huishouden; de hulp bij het huishouden§1. Wat houdt hulp bij het huishouden inHulp bij het huishouden omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden voor mensen met een lichamelijke ziekte of gebrek, mensen met een chronisch psychisch probleem, mensen met een psychosociaal probleem of mantelzorgers. We kennen twee vormen bij hulp bij het huishouden naar de aard van de activiteiten: Huishoudelijke werkzaamheden (HH1) HH1 + Organisatie van het huishouden (HH2) Categorie 1: Huishoudelijke werkzaamheden (HH1)Veel cliënten hebben hulp nodig in de huishouding voor het schoonmaken van het huis. Voor deze categorie cliënten gelden de volgende functies: Lichte en zware schoonmaakwerkzaamheden Verzorging kleding en linnengoed Boodschappen doen voor dagelijks leven Maaltijdverzorging Categorie 2: Huishoudelijke werkzaamheden, aangevuld met organisatie vanhet huishouden en hulp bij een ontregeld huishouden (HH2)Een deel van de cliënten heeft additionele hulp nodig bij het organiseren van het huishouden. Deze wordt vastgesteld op basis van de indicatiestelling en kunnen onder meer (tijdelijk) bestaan uit de volgende functies: Opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten Helpen met maaltijdbereiding Dagelijkse organisatie van het huishouden Instructie, advies en voorlichting gericht op het huishouden Psychosociale begeleiding, tevens observeren §2. Indicatiestelling door de gemeenteDe gemeente moet bepalen wie, waarvoor, in welke mate, in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden voor hulp bij het huishouden in aanmerking komt. De gemeente maakt bij de indicatiestelling voor hulp bij het huishouden naast de ICF gebruik van het protocol Gebruikelijke Zorg en het protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging. Beide protocollen zijn als bijlagen bij dit uitvoeringsbesluit gevoegd. De indicatie voor de uren zorg wordt afgegeven in klassen. Iemand wordt “ingeschaald” in een bepaalde klasse. Mensen die kiezen voor zorg in natura krijgen het aantal uren zorg geleverd dat past binnen de klasse waarin de cliënt is geïndiceerd afhankelijk van de zorgbehoefte op dat moment. Cliënten die kiezen voor een PGB krijgen het bedrag uitgekeerd op het midden van de klasse waarvoor ze zijn geïndiceerd. §3. Indeling in klasseDe omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren kunnen worden toegekend: Klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week; Klasse 2: 2 tot en met 3,9 uur per week; Klasse 3: 4 tot en met 6,9 uur per week; Klasse 4: 7 tot en met 9,9 uur per week; Klasse 5: 10 tot en met 12,9 uur per week; Klasse 6: 13 tot en met 15,9 uur per week. Hoofdstuk 5: Compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning; de woonvoorzieningen §1. InleidingDe woonvoorzieningen kunnen niet los worden gezien van het beleid op het terrein van de volkshuisvesting zoals dat in Nieuwegein wordt gevoerd. De relatie die tussen beiden bestaat wordt verduidelijkt in paragraaf 2. In dat kader wordt aandacht besteed aan het (aanpasbaar) bouwen en de verdeling van woningen. Ook de woonlastenproblematiek komt aan de orde. Vervolgens wordt ingegaan op de afspraken over de gemeente die met de woningcorporaties zijn gemaakt. Tenslotte wordt stilgestaan bij de relevante wet- en regelgeving op dit terrein. In paragraaf 3 worden de woonvoorzieningen uitvoerig besproken. Ter introductie wordt eerst een algemene omschrijving van het type woonvoorzieningen gegeven. Vervolgens worden de algemene voorwaarden behandeld die in acht worden genomen bij de verstrekking van woonvoorzieningen. Hierna wordt stilgestaan bij het primaat van de verhuizing. Tenslotte worden alle zes soorten woonvoorzieningen afzonderlijk en uitvoerig doorgenomen. In paragraaf 4. wordt een overzicht gegeven van ergonomische belemmeringen. Aan de hand van deze belemmeringen wordt in beeld gebracht welke woningaanpassingen en roerende woonvoorzieningen mogelijk een oplossing kunnen bieden voor deze belemmeringen. §2. Beleid Volkshuisvesting NieuwegeinHet gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid wordt veelal onderverdeeld in drie deelterreinen, te weten woningbouw, woningvoorraad en woonruimteverdeling. Alle drie zijn van belang voor gehandicapten. De gemeente Nieuwegein voert een specifiek beleid voor mensen met een handicap. 2.1. Aanpasbaar bouwenDe definitie van aanpasbaar bouwen luidt als volgt: "het realiseren van woonruimte die niet op voorhand is aangepast en bestemd voor gehandicapten, maar die zodanig is ontworpen dat een latere aanpassing eenvoudig en daardoor relatief goedkoop kan plaatsvinden wanneer een bewoner gehandicapt raakt". Het ontwerp van de woning is niet alleen aanpasbaar; ook de bezoekbaarheid voor gehandicapten is gegarandeerd. In verband met de WMO leidt aanpasbaar bouwen tot een aanzienlijke kostenreductie. Als zodanig is een aanpasbare woning aan te merken als een collectieve voorziening, die (op termijn) een belangrijke bijdrage levert aan de budgetbeheersing van de WMO. Uit onderzoek blijkt dat eenzelfde individuele woningaanpassing in een aanpasbare woning 30 tot 60 % goedkoper is dan in een traditionele woning. In 1991 heeft de gemeenteraad besloten om alle nieuwbouwwoningen in Nieuwegein ongeacht het woningtype en de financieringscategorie, volgens een basisprogramma van aanpasbaar bouwen te realiseren. Sedert 1992 worden alle woningen in Nieuwegein aanpasbaar gebouwd. In de bestaande woningvoorraad richt de aandacht zich vooral op flatwoningen. In het kader van verbetering en renovatie zijn en worden meergezinswoningen toegankelijk gemaakt door de in- en aanbouw van lift-installaties. 2.2. Registratie en verdeling aangepaste woningenEen eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst weer aan andere gehandicapten toegewezen worden. De gemeente Nieuwegein heeft daarom de aangepaste woningen opgenomen in haar woningregistratiesysteem, voorzover deze door de gemeente kunnen worden verdeeld. Dit woningregistratiesysteem wordt door afdeling Volkshuisvesting bijgehouden. Indien een aangepaste woning vrijkomt of een gehandicapte kandidaat is voor een aangepaste woning, kan op deze wijze in het kader van de woonruimteverdeling een koppeling tussen vraag en aanbod tot stand worden gebracht. De gemeente Nieuwegein werkt in het RBU samen met een 23 regiogemeenten aan een regionaal systeem van woningtoewijzing. Het is voor woningzoekenden mogelijk om te reageren op woningen die in de regiogemeenten worden aangeboden. De gemeente kan voor die gevallen waarin een adequate woning in een andere gemeente wordt geaccepteerd ook een verhuiskostenvergoeding verstrekken. De aanbieding aan een gehandicapte van een aangepaste woning in een andere gemeente is geheel vrijblijvend. De gehandicapte kan dit aanbod op basis van vrijwilligheid accepteren of naast zich neerleggen. 2.3. WoonlastenDe woonlasten in Nieuwegein zijn hoog. Voor woonvoorzieningen is daarom het verstrekkingenbeleid zodanig geformuleerd dat geen verhoging van woonlasten plaatsvindt. 2.4. Afspraken met woningcorporatiesTussen de gemeente en de in Nieuwegein werkzame woningcorporaties vindt geregeld overleg plaats. 2.5. Relevante wet- en regelgevingDe wet- en regelgeving op het terrein van de volkshuisvesting komt hier aan de orde voor zover daarin regelingen zijn opgenomen die behulpzaam zijn bij de realisering van woonvoorzieningen. Voor het aanpassen van een woning is toestemming nodig van de eigenaar. Er kunnen twee eigendomsverhoudingen worden onderscheiden; de eigenaar-bewoner en de verhuurder. In het geval van een eigenaar-bewoner zullen zich geen problemen voordoen. De bewoner en eigenaar zijn verenigd in één persoon, zodat geen sprake is van een mogelijke belangentegenstelling tussen eigenaar en bewoner. In het kader van het Besluit Beheer Sociale Huurwoningen (BBSH) leggen woningcorporaties jaarlijks achteraf verantwoording af aan de gemeente over onder meer hun inspanningen om gehandicapten te huisvesten. De gemeente kan zich in het kader van het BBSH in het uiterste geval tot het Ministerie van VROM wenden indien door een corporatie onvoldoende inspanningen op dit vlak zouden worden geleverd. De gemeente beschikt over nog twee volkshuisvestingsinstrumenten om aan haar zorgplicht te kunnen voldoen. In het geval van de aanpassing van een reeds door de gehandicapte bewoonde woning, kan onder bepaalde voorwaarden de Woningwet worden toegepast. De wet voorziet er in dat burgemeester en wethouders een eigenaar van een woning kunnen aanschrijven bouwkundige of woontechnische ingrepen te verrichten. Een afzonderlijk artikel in de wet betreft het verrichten van woningaanpassingen, teneinde "ergonomische beperkingen die een gehandicapte ondervindt bij het normale gebruik van een door hem bewoonde woning op te heffen of te verminderen". Een toekomstige verhuurder kan op grond van de Woningwet niet aangeschreven worden. Het instrument kan alleen ingezet worden voor de woning waarin de gehandicapte reeds woont. Het uiterste middel dat voorziet in het beschikbaar krijgen van nieuwe woonruimte voor gehandicapten is neergelegd in de Huisvestingswet. De wet biedt de gemeente de mogelijkheid leegstaande woningen of gebouwen te vorderen. Het recht tot vorderen is alleen mogelijk indien dit voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is. Het vorderen van woningen moet als een uiterste instrument gezien worden, indien overleg geen effect heeft. Aanpassingen in ADL-clusterwoningenDe subsidiëring van aanpassingen in ADL-woningen (“focus-woningen”) in bestaande ADL-clusters is geregeld in de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring aanpassingen bestaande ADL-clusters 2000. Aanvragen voor woningaanpassingen in deze woningen gaan dus niet via de gemeente, maar via de Stichting Focus. Niet alle aanpassingen kunnen via deze bovengenoemde regeling in aanmerking komen. Er bestaat hiervoor een limitatieve opsomming. Alleen onderstaande aanpassingen komen zo mogelijk voor subsidiëring in aanmerking (Nastellingen in de ADL-woning): hoger of lager monteren van het keukenblok; het wisselen van wastafel en douche; het verplaatsen van de frontkraan; het leveren, aanbrengen en verplaatsen van een wand-douchezitje; het leveren, aanbrengen en verplaatsen van toiletsteunen; het aanbrengen van extra handvatten op deuren of van dichttrektouwtjes; het leveren en aanbrengen van diverse voorzieningen aan het alarm-intercom-systeem, te weten blaas-zuigbediening of stemalarm; het vervangen, aanbrengen of verwijderen van drempels; het leveren en aanbrengen van schopplaten en hoeklijnen. Losse woonvoorzieningen voor mensen in een ADL-clusterwoning gaan wel via de WMO. §3. Woonvoorzieningen3.1. Primaat verhuizing Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen. Als hulpmiddel hierbij worden aangepaste woningen bij de gemeente geregistreerd. Om zo doelmatig mogelijk de aangepaste voorraad woningen te kunnen benutten kan het wenselijk zijn dat, indien de band tussen gehandicapte en woning is verbroken (bijvoorbeeld door overlijden van de gehandicapte) deze woning opnieuw aan een andere gehandicapte wordt toegewezen. In dat geval is het wenselijk dat de achterblijvende huurders naar een andere woonruimte verhuizen. Het verlenen van een verhuiskostenvergoeding moet dan als stimuleringsmaatregel worden gezien. Burgemeester en wethouders beoordelen of het wenselijk is om een financiële tegemoetkoming te verstrekken ten behoeve van het vrijmaken van een aangepaste woning. Burgemeester en wethouders kunnen de achterblijvende gezinsleden verzoeken om de woning vrij te maken. Ook de betrokkenen zelf kunnen het college verzoeken om op deze grond in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten. De woonvoorzieningen zijn zodanig gegroepeerd, dat een rangorde is aangegeven. Primair zal gekeken worden of verhuizing mogelijk en zinvol is. Dat wil zeggen dat een geschikte woning beschikbaar is of op korte termijn beschikbaar komt. Onder geschikte woning dient hier begrepen te worden een woning die met betrekkelijk lage investeringen volledig aangepast kan worden. Is of komt op termijn geen geschikte woning beschikbaar dan kan de gemeente besluiten één van de andere woonvoorzieningen te verstrekken. Indien de gemeente, nadat alle factoren in de overweging zijn genomen, tot de conclusie komt dat verhuizing de goedkoopst, adequate oplossing is, dan heeft bij het verstrekken van de woonvoorziening de vergoeding voor verhuis- en (her)-inrichtingskosten het primaat. Het moge duidelijk zijn dat het hanteren van dit "primaat van de verhuizing" efficiënter benut kan worden indien een voldoende voorraad aangepaste woningen is gerealiseerd, welke is opgenomen in een goed registratiesysteem en er ook een beroep gedaan kan worden op een aanzienlijke voorraad aanpasbare woningen. In Nieuwegein is de laatste jaren op alle drie de genoemde terreinen aanzienlijke vooruitgang geboekt. Dit wil echter niet zeggen dat nu aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan. De keuze tussen "verhuizen of aanpassen" is een afweging waarbij vele factoren een rol spelen. Deze afweging zal altijd door de gemeente gemaakt moeten worden. Het primaat voor verhuizen wil zeker niet zeggen dat de keuze dan ook op verhuizing zal vallen. Naarmate de eventuele aanpassingskosten hoger zijn, wordt het alternatief van verhuizing belangrijker. Gaat het bij voorbeeld om een beperkte woningaanpassing, tot een bedrag van maximaal € 8.000,00, zonder dat sprake is van een progressief ziektebeeld, dan is de afweging ten gunste van de woningaanpassing snel gemaakt. Een dergelijk kostenniveau vormt geen beletsel als men ze afzet tegen de kosten en de rompslomp die een verhuizing met zich meebrengt. Anderzijds kunnen de ergonomische beperkingen binnen de huidige woning onoplosbaar zijn, zodat een snelle afweging ten gunste van een onontkoombare verhuizing wordt gemaakt. De genoemde afweging wordt in vergaande mate bepaald door de individuele omstandigheden van de aanvrager. Met inachtneming van deze individuele omstandigheden kan het afwegingsproces dat zal plaatsvinden in grote lijnen als volgt worden beschreven: afweging woonvoorzieningen. Betreft met name een kostenafweging tussen enerzijds de kosten van aanpassing in de bestaande woning en anderzijds de verhuiskostenvergoeding en de aanpassingskosten in de nieuwe woning. Voor deze afweging kan het praktisch gezien veel uitmaken of sprake is van een huur- dan wel koopwoning; afweging sociale omstandigheden. Sociale omstandigheden kunnen een rol spelen bij de afweging. Hierbij kan gedacht worden aan de binding die de gehandicapte met de buurt heeft. Deze binding kan blijken uit de tijd dat de gehandicapte in die buurt woont, de aanwezigheid van vrienden/familie, de mantelzorg die door verhuizing wegvalt en bij voorbeeld de nabijheid van winkel- en overige voorzieningen. afweging en integratie met overige voorzieningen zoals vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Hierbij valt te denken aan de relatie tussen de locatie van de woning en het vervoer, alsmede de nabijheid van (vervoers)voorzieningen afweging met voorzieningen niet behorend tot de WMO. Een voorbeeld hiervan is de wijkverpleging. 3.2 Verhuis- en inrichtingskostenBurgemeester en wethouders kunnen een forfaitaire vergoeding in de verhuis- en inrichtingskosten verstrekken aan een gehandicapte die naar een geschikte (aangepaste) of een goedkoper dan de huidige woonruimte aan te passen woonruimte verhuist. Zij kunnen ook aan een niet gehandicapte persoon een financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten verstrekken indien op deze wijze een aangepaste of geschikte woonruimte vrij komt voor een gehandicapte. De gemeente maakt de afweging of zij een tegemoetkoming in de verhuiskosten wil geven of dat de woning van gehandicapte aangepast moet worden. Indien aangepaste of aanpasbare woningen beschikbaar zijn kan uit doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur gegeven worden aan verhuizen boven aanpassen van de huidige woonruimte van de gehandicapte. Pas na het verkrijgen van de beschikking en de gemeente dus een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is, kan de gehandicapte tot verhuizen overgaan. Via de hardheidsclausule kunnen burgemeester en wethouders alsnog besluiten een financiële tegemoetkoming te verlenen indien, naar de mening van de gemeente, in urgente gevallen naar een geschikte woning is verhuisd voordat de beschikking door de gemeente is verleend, rekening houdend met de eisen van zorgvuldigheid. De zorgvuldigheid houdt in dat het advies wel ingewonnen moet zijn. Conform de verordening worden in het algemeen geen woningaanpassingen vergoed indien op niet-ergonomische gronden verhuisd wordt. Wegens dringende reden van kan worden afgeweken, bijvoorbeeld wegens het aanvaarden van een andere werkkring. Een dringende reden tot verhuizen kan ook een huwelijk, samenwonen, scheiden of overlijden van de partner zijn. Uitgangspunt is dat een dergelijke ingrijpende situatie zich niet vaker dan eenmaal in de 7 jaar voordoet. Is dit wel het geval, dan kan middels de hardheidsclausule afgeweken worden van deze 7 jaarstermijn. 3.3. WoningaanpassingHet gaat hierbij om bouwkundige (onroerende) woningaanpassingen die de ergonomische beperkingen van de gehandicapte wegnemen of zo veel mogelijk wegnemen. Met de woningbouwcorporaties is overeengekomen dat kleine woningaanpassingen als bijvoorbeeld handgrepen, het aanleggen van een stopcontact, wegnemen van een binnendrempel, c.q. ophogen van een buitendrempel, etc., tegen kostprijs zullen worden uitgevoerd. Van een tegemoetkoming in de woningaanpassingskosten wordt elders een volledige specificatie gegeven. Indien de kosten van woningaanpassing naar verwachting meer zullen bedragen dan circa € 8.500 worden in eerste aanleg twee offertes gevraagd. Deze werkwijze kan achterwege blijven indien één bedrijf zich (op een bepaald terrein) onderscheidt door offertes met een gunstige prijs-kwaliteitverhouding. 3.3.1. Toestemming eigenaarVooraleer een woningaanpassing kan plaatsvinden zal eerst de toestemming en medewerking van de eigenaar van de woning verkregen moeten worden. Een woningaanpassing betekent per definitie een ingreep in de woning, omdat deze woonvoorziening "aard- en nagelvast" is. Op het verkrijgen van de medewerking van de eigenaar is hiervoor uitvoerig ingegaan in de paragraaf "Relevante wet- en regelgeving". 3.3.2. Anti-speculatieTeneinde de bepaling van de meerwaarde van de woning, welke als gevolg van het realiseren van een woningaanpassing op kan treden, te vereenvoudigen is de toepassing in Nieuwegein beperkt tot die woningaanpassingen die een evidente waardestijging van de woning tot gevolg hebben. In concreto betreft het slechts die woningaanpassingen waarbij het noodzakelijk is om extra grond bij de woning te verwerven en waarbij uitbreiding van de woning aan de orde is, al dan niet op de bestaande kavel van de woning. In geval dat een eigen woning wordt aangepast en hierdoor de waarde van het huis stijgt, kan door middel van dit anti-speculatie-beding in de verordening voorkomen worden dat de meerwaarde die het huis door deze aanpassing heeft gekregen bij verkoop ten goede komt aan de gehandicapte. Als de gehandicapte binnen tien jaar nadat de woning is aangepast de woning verkoopt moet de extra opbrengst (deels) aan de gemeente worden teruggestort. De meerwaarde bij verkoop van de woning wordt bepaald aan de hand van een taxatierapport dat bij verkoop van de woning wordt opgemaakt. In dit rapport is de boven omschreven meerwaarde van de uitbouw en verworven grond gespecificeerd. Bij verkoop van de woning vindt er bij belanghebbende een terugvordering plaats van het percentage van de meerwaarde. 3.3.3. Aanpassingen van aanpasbare woningenAlle nieuwbouwwoningen in Nieuwegein worden aanpasbaar gebouwd. Voor het aanpasbaar bouwen in Nieuwegein is het "Basisprogramma Aanpasbaar Bouwen Nieuwegein" ontwikkeld en integraal toegepast sedert 1991. Het basisprogramma omvat eisen met betrekking tot de bezoekbaarheid en aanpasbaarheid van de woning. In relatie tot gehandicapten en tot deze verordening is het belang van aanpasbaar bouwen tweeledig: de bewoner van een aanpasbare woning die gehandicapt raakt zal in veel gevallen niet behoeven te verhuizen, omdat de woning zich beter leent voor een individuele woningaanpassing; in een aanpasbare woning kunnen de kosten van een individuele woningaanpassing relatief laag zijn. Dit artikel in de verordening legt de normen vast ten aanzien van bezoekbaarheid en aanpasbaarheid, zoals deze op het moment van de verlening van de bouwvergunning op de individuele aanpasbare woning van toepassing zijn. Het kan voorkomen dat latere wijzigingen en verbouwingen in de woning afbreuk doen aan de bezoekbaarheid en aanpasbaarheid. De eventuele kosten die hieruit voortvloeien en die moeten worden gemaakt om het oorspronkelijk niveau van bezoekbaarheid en aanpasbaarheid van de woning te herstellen, zijn uitgesloten van een financiële vergoeding. 3.3.4. Kosten van woningaanpassingTot de kosten van woningaanpassing worden uitsluitend gerekend: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen; de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; renteverlies, i.v.m. het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, gemaximeerd aan hetgeen gesteld is in artikel 3.3.8. de door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; de administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de kosten onder 1 t/m 10 meer dan € 1.000,00,- bedragen, 5% van die kosten, met een maximum van € 400,00. 3.3.5. Bezoekbaarheid woning vanuit AWBZ-inrichtingIndien een gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, is het mogelijk dat eenmalig een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt ten behoeve van het aanpassen van één woonruimte waar de gehandicapte vaak verblijft, uiteraard met toestemming van de eigenaar van die woonruimte. De financiële tegemoetkoming beperkt zich slechts tot het bezoekbaar maken van die woning omdat de gehandicapte daar slechts geringe tijd verblijft. Uit doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen volledige maar een gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt in deze verordening verstaan dat de gehandicapte de woonruimte, de woonkamer en één toilet kan bereiken. De aanvraag moet worden ingediend in de gemeente waar de bezoekbaar te maken woning staat. Dat is zo geregeld, omdat de gehandicapte anders in de gemeente waar hij zijn hoofdverblijf heeft de aanvraag zou indienen. Bijzondere individuele omstandigheden kunnen een uitzondering vormen (denk b.v. aan logeerbaarheid). Tevens is bepaald dat de gemeente waar de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten behoeve van de gehandicapte reeds eerder een woning bezoekbaar is gemaakt. Deze verklaring van de gemeente waar de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft (de gemeente waar de AWBZ-instelling staat), heeft tot doel te voorkomen dat de gehandicapte in meerdere gemeenten een aanvraag indient voor het bezoekbaar maken van een woonruimte. Voor maximaal één woonruimte in één gemeente wordt een financiële tegemoetkoming verleend voor het bezoekbaar maken. Uitzondering hierop vormen aanvragers die te maken hebben met co-ouderschap. 3.3.6. Woonwagen, woonschip en binnenschipIn het volkshuisvestingsbeleid wordt ernaar gestreefd geen onderscheid meer te maken in de regels die gelden voor woningen enerzijds en woonwagens dan wel woonschepen anderzijds. Voor deze categorieën worden echter wel aanvullende regels gesteld. De uitgangspunten en de gevallen waarin een voorziening aan een woonwagen, woonschip of het verblijf van een binnenschip kan worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Toch zijn er gezien de kenmerken van deze woonruimten redenen om nadere voorwaarden te stellen. De verschillende artikelen in deze paragraaf geven deze weer. 3.3.7. Gemeenschappelijke ruimtenDe subsidie voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten wordt alleen dan verstrekt als door het realiseren van deze woningaanpassing de woning van de gehandicapte bewoner bereikbaar wordt. De gemeenschappelijke ruimten zullen voornamelijk entrees en portieken van woongebouwen betreffen. Het aanpassen van hobby- en recreatieruimten komen niet in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming, tenzij uitsluitend via deze ruimte(
- n)de woning bereikt kan worden. 3.3.8. Verwerven van grondAls de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning of het groter bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft kan de gemeente een financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten van het verwerven van extra grond die noodzakelijk is om de woningaanpassing te realiseren. Uiteraard wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt indien de extra te verwerven grond als tuin o.i.d. wordt benut. Alleen de grond die noodzakelijk is voor de woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming, waarbij een maximum aantal m² wordt gehanteerd voor de verschillende vertrekken. Eén en ander is per vertrek in de volgende tabel weergegeven: Aantal m² waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt verleend in geval van uitbreiding van een vertrek Aantal m² waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt verleend in geval van aanbouw van een reeds aanwezig vertrek Soort vertrek: Woonkamer 30 6 Keuken 10 4 eenpersoonsslaapkamer 10 4 Tweepersoonsslaapkamer 18 4 Toiletruimte 2 1 badkamer: · wastafelruimte · doucheruimte 2 3 1 2 entree/gang/hal 5 2 Berging 6 4 Het aantal m² verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20 m². 3.3.9. GereedmeldingDe woningaanpassing moet binnen een bepaalde termijn worden gereed gemeld. De gereedmelding vindt plaats door degene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald en niet door de gehandicapte. Hiervoor is gekozen omdat degene die de financiële tegemoetkoming ontvangt niet altijd de gehandicapte is. Wanneer dat het geval is heeft de gehandicapte, of zijn gemachtigde, geen belang bij de gereed melding en zou de begunstigde de dupe kunnen worden. De gereedmelding dient binnen 15 maanden na het verlenen van de financiële tegemoetkoming plaats te vinden, dit om te voorkomen dat het treffen van de voorziening te lang op zich laat wachten. Een andere reden voor het opnemen van een gereedmeldingstermijn is om te voorkomen dat onnodig lang een verplichting tot uitbetaling van subsidie blijft openstaan. De gemeente controleert of aan de voorwaarden bij het verlenen van de subsidie is voldaan. Om te voorkomen dat iedere voorwaarde daadwerkelijk moet worden gecontroleerd, is er voor gekozen om een verklaring te vragen. Indien later alsnog zou blijken dat niet aan alle voorwaarden is voldaan kan de subsidie alsnog worden ingetrokken en eventueel worden teruggevorderd. Op grond van deze gegevens kan de financiële tegemoetkoming worden vastgesteld en vervolgens worden uitbetaald. De termijn voor het bewaren van alle rekeningen en betalingsbewijzen is gesteld op vijf jaar. Deze termijn sluit aan op de normaal geldende verjaringstermijn. 3.3.10. Frequentie woningaanpassingDe gemiddelde periode waarbinnen een huishouden in Nederland verhuist is zeven jaar. In het geval dat een gehandicapte verhuist zonder dat op grond van ergonomische belemmeringen hier aanleiding voor is, ontbreekt in principe de grondslag voor toekenning van een woonvoorziening. Om ten aanzien van de verhuisgeneigdheid enigszins tegemoet te komen aan de positie van gehandicapten, is onder een aantal voorwaarden de mogelijkheid geopend om ook in dit geval een woonvoorziening toe te kennen: de voorziening wordt maximaal één maal in de zeven jaar verstrekt. Als een gehandicapte vanuit een andere gemeente een (aangepaste) woning in de gemeente Nieuwegein zoekt, moet de gehandicapte aantonen dat hij de laatste zeven jaar niet verhuisd is (brengplicht). de financiële tegemoetkoming betreft de kosten van woningaanpassing. De overige woonvoorzieningen zijn uitgesloten. bij verhuizing rekening houden met handicap. (Voorbeeld: een traplift zal in principe maar 1 keer worden verstrekt.) 3.4. Roerende woonvoorzieningen van niet-bouwkundige en woontechnische aardNaast woningaanpassingen kan een gehandicapte ook in aanmerking worden gebracht voor niet-onroerende woonvoorzieningen. Hieronder vallen onder meer de volgende voorzieningen: woningsanering i.v.m. CARA en allergie. Het betreft o.a. de vervanging van vloerbedekking en gordijnen. De eveneens medisch/ergonomisch gezien noodzakelijke aanschaf van rolstoelvaste vloerbedekking wordt hiertoe ook gerekend; patiëntenliften; douchehulpmiddelen en hulpmiddelen voor toiletgebruik. 3.4.1. WoningsaneringBij personen met luchtwegaandoeningen kan het medisch aangewezen zijn schadelijke vezels in de woning te vervangen door onschadelijke. Deze vervanging wordt woningsanering genoemd. Een gehandicapte kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen die als gevolg van astma of chronische bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn. Bij de beoordeling van aanvragen voor vergoeding is de urgentie van de vervanging van artikelen bepalend. Het kan bijvoorbeeld medisch gewenst zijn om het hele huis stofvrij te maken, terwijl alleen de vervanging van bijvoorbeeld dekens, of sanering van de slaapkamer, urgent is. De rest zou geleidelijk aan, passend binnen het normale uitgavenpatroon vervangen kunnen worden. Sanering in relatie tot een aandoening beperkt zich tot de ruimten waarvan het gebruik in het kader van het leven van alle dag noodzakelijk is. Woningsanering i.v.m.CARA/allergie gebeurt alleen onder de voorwaarde dat betrokkenen bereid zijn zelf ook maatregelen te treffen, die de gevolgen van de aandoening beperken. Wanneer er huisdieren zijn of rokende inwoners kunnen vraagtekens worden gezet bij het nut van saneren en zal dit dan ook in principe niet worden vergoed. Voorts is een voorwaarde dat betrokkene bij de aanschaf van het artikel/vloerbedekking niet van de overgevoeligheid voor (de bepaalde) stof wist. Indien de gehandicapte bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert, wordt ook geen vergoeding verleend. Er bestaat een afstemmingsvraagstuk met de AWBZ omdat op grond van de AWBZ voorzieningen kunnen worden getroffen die noodzakelijk zijn als gevolg van luchtwegallergieën. Ook onder de kosten van woningsanering valt rolstoelvast tapijt. Het kan voor de gebruiker van een rolstoel noodzakelijk zijn dat de gewone vloerbedekking wordt vervangen door rolstoelvast tapijt. In het geval van een rolstoelvast tapijt wordt de voorziening slechts verstrekt voor de woonvertrekken waar de toegang voor de gehandicapte noodzakelijk is voor de dagelijkse levensbehoeften en waar deze ruimten zijn voorzien van een voor een rolstoel slecht of ontoegankelijke vloerbedekking. Voor zover de noodzaak tot het treffen van voorzieningen ontstaat vanuit de aard van de gebruikte materialen, wordt geen vergoeding verstrekt. Daar vloerbedekking een algemeen gebruikelijke voorziening is, betreft de vergoeding slechts de meerkosten. Daarom wordt rekening gehouden met een afschrijvingstermijn van 8 jaar van de bestaande vloerbedekking. Dit houdt in, dat indien dit artikel volledig is afgeschreven, geen financiële tegemoetkoming wordt verleend in de aanschaf/vervanging van de vloerbedekking. In de tussenliggende periode wordt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode en wordt naar rato daarvan het percentage van de financiële vergoeding bepaald. Leeftijd artikel: Vergoeding: 0-2 jaar 100% 2-4 jaar 75% 4-6 jaar 50% 6-8 jaar 25% ouder dan 8 jaar geen vergoeding Bovendien wordt gewerkt met normbedragen (zie het financiële deel van dit uitvoeringsbesluit). 3.4.2. PatiëntenliftenHet verticale transport van een gehandicapte vanuit bed naar de rolstoel kan in een aantal gevallen problemen opleveren. Niet in alle gevallen kan een hoog-laag bed (AWBZ) het probleem oplossen. Een patiëntenlift kan dan soms wel een oplossing bieden. Een patiëntenlift wordt in een aantal gevallen ook gebruikt voor het verplaatsen van bijvoorbeeld bed naar de douche of het bad. Patiëntenliften zijn hulpmiddelen voor het boven en buiten de inrichtingselementen brengen van personen, die niet zelf voor de duur van dit transport, de totale lichaamsondersteuningskracht kunnen leveren. Er zijn zowel vaste (deze vallen onder de onroerende woonvoorzieningen) als mobiele patiëntenliften. Patiëntenliften, tilliften, vallen als roerende woonvoorziening onder de WMO. Voorwaarde voor verstrekking is dat de partner, gezinsleden of mantelzorgers met de lift werken en niet alleen de thuiszorgmedewerkers. Indien alleen de thuiszorgmedewerkers met de lift werken, zou de werkgever, bijvoorbeeld Vitras, moeten zorgen voor een lift. Uitzondering betreffen de liften die aangevraagd worden door bewoners van een focuswoning. Deze mensen kunnen wel ingevolge de WMO een lift krijgen, aldus de jurisprudentie in de WVG. De keuze voor een bepaalde patiëntenlift is afhankelijk van een tweetal factoren: de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare ruimte; de noodzakelijke lichaamsondersteuning. De keuze voor een bepaald type patiëntenlift wordt voor een groot deel bepaald door de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare ruimte. Indien er voldoende ruimte is dan kan de keus vallen op een mobiele patiëntenlift. Als de situatie het niet toelaat dan kan een vaste patiëntenlift worden verstrekt. Daarnaast spelen bij deze keuze natuurlijk ook de eisen die aan de lift moeten worden gesteld een rol, uitgaande van de functiebeperkingen van betrokkene. Doordat een bepaalde vorm van lichaamsondersteuning gebonden is aan een bepaalde uitvoering van een patiëntenlift is het niet uit te sluiten dat bij de keuze voor een bepaald type patiëntenlift beide afwegingen leiden tot een niet te combineren oplossing. In dat geval moet worden bepaald welke factor doorslaggevend moet zijn. Ook kan in de afweging meespelen of bijvoorbeeld verhuizing een adequate oplossing biedt. Er zijn verschillende typen patiëntenliften op de markt verkrijgbaar. Een grove indeling is als volgt te maken: Patiëntenliften vast opgesteld met: handbediende hefbeweging; elektrisch bediende hefbeweging; de verplaatsingsbeweging vindt met de hand plaats. Patiëntenliften, over de vloer verrijdbaar: handbediende hefbeweging; elektrisch bediende hefbeweging; de verplaatsingsbeweging, rijden of draaien, vindt met de hand plaats. Patiëntenliften, via een bovenrail geleiding verrijdbaar voor een bepaalde transfer: handbediende rij beweging; elektrisch bediende rij beweging; de hefbeweging wordt elektrisch bediend. Patiëntenliften, via een bovenrail geleiding verrijdbaar over een bepaald traject: handbediende rij beweging; elektrisch bediende rij beweging; de hefbeweging wordt elektrisch bediend. Patiëntenliften, via een railgeleiding verrijdbaar over een willekeurig traject: handbediende rij beweging; elektrisch bediende rij beweging; de hefbeweging wordt elektrisch bediend. Afhankelijk van de te verwachten transfers en hun bestemming, de mogelijkheden van de gehandicapte en van de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen kan een keus voor een van de typen patiëntenliften gemaakt worden. In eerste instantie moet duidelijk zijn aan welke transfers behoefte is. Aan de hand hiervan wordt bekeken welke ruimten bereikt moet worden en welke obstakels men daarbij tegenkomt, drempels etc. Factoren die van invloed kunnen zijn betreffen: het moeten overbruggen van drempels (van invloed op de verrijdbaarheid van de patiëntenlift), de noodzaak/wenselijkheid de lift mee te nemen naar en voor gebruik in een andere woonomgeving en de afweging van kosten tussen de aanschaf van een patiëntenlift en/of aanpassing van de woning en/of verhuizing. Indien een tillift ook moet voorzien in het gebruik kunnen maken van de natte cel is extra aandacht geboden. In dit geval is er sprake van meerdere transfers, waarbij de gehandicapte bijvoorbeeld vanuit bed in lift en vervolgens van lift in bad of douche moet worden verplaatst. De gehandicapte wordt de ene keer droog en de andere keer nat getild. Doordat de gehandicapte in contact blijft met de zit- of ligondersteuning, wordt ook de ondersteuning nat. Voor dit probleem kunnen verschillende oplossingen gevonden worden. Er kan een keuze gemaakt worden tussen een combinatie van patiëntenlift met speciaal voor douche-/badbehandelingen te gebruiken ondersteuningen, zoals douchestoelen of -stretchers of afdroogtafels. Praktisch is het indien er twee lichaamsondersteuningen aanwezig zijn: één die nat mag worden en een droge. Een andere oplossing kan zijn een samenstel van patiëntenliften: één voor de natte en een voor de droge transfer. Bij de uiteindelijke keuze moet uiteraard rekening worden gehouden met eventueel reeds aanwezige voorzieningen of andere oplossingen die mogelijk goedkoper kunnen uitvallen. De adviseur moet een uitspraken doen over welke voorzieningen in ieder geval getroffen moeten worden. Hierbij speelt bijvoorbeeld de vraag of een gehandicapte alleen kan baden of juist beter zelfstandig kan douchen. Een ander belangrijk onderdeel van de patiëntenlift betreft de lichaamsondersteuning. Dit onderdeel van de lift vormt de aansluiting van het lichaam met de lift. De lichaamsondersteuning dient op de functiebeperkingen van de gehandicapte te zijn afgestemd, zodat deze veilig gebruik kan maken van de lift. Een onderscheid kan gemaakt worden in vormvaste lichaamsondersteuningen, niet vormvaste lichaamsondersteuningen en overige lichaamsondersteuningen. Onder de vormvaste ondersteuningen vallen de gepolsterde, hard- of zacht- kunststof ondersteuningen, de ondersteuningen van voorgespannen textielmateriaal, waarbij de ondersteuning in onbelaste vorm zijn vorm behoudt. Niet-voorgespannen textielmateriaal valt onder de niet vormvaste lichaamsondersteuningen. Bij de overige lichaamsondersteuningen wordt gedacht aan ondersteuningen met specifieke eigenschappen t.a.v. de ondersteuning van de gebruiker, een tilvest (niet zelfstandig door gehandicapte te gebruiken) of een handi-move (wel zelfstandig door de gehandicapte te gebruiken, echter hier is een redelijke arm/schouderfunctie voor noodzakelijk). In alle gevallen zal een patiëntenlift minstens een rompondersteuning en een bovenbeen- en/of zitvlakondersteuning hebben. Afhankelijk van de handicap kan het nodig zijn om ook andere lichaamsdelen te ondersteunen. 3.4.3. Douchehulpmiddelen en hulpmiddelen voor toiletgebruikEvenals de patiëntenliften vallen ook de douchehulpmiddelen en hulpmiddelen voor het toiletgebruik, als roerende woonvoorzieningen onder de WMO. In het algemeen kan tussen de AWBZ en WMO betreffende ADL-hulpmiddelen de volgende scheiding worden aangehouden: hulpmiddelen voor gebruik in de 'natte cel' vallen onder verantwoordelijkheid van de WMO (het gaat daarbij om badzitjes, badplanken, douche-toiletstoel op wielen, douchewagens en douchebrancards). De overige ADL-hulpmiddelen (voor het aan- en uitkleden, slapen, eten en drinken en zitten) vallen onder de verantwoordelijkheid van de AWBZ. Eventueel kan de adviseur worden gevraagd aan te geven welke voorziening van