← Nederland

Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen (Waterschap Scheldestromen)

In het kort

Deze verordening regelt activiteiten die van invloed kunnen zijn op waterstaatswerken, waterkwantiteit en -kwaliteit, en wegen binnen het beheergebied van Waterschap Scheldestromen. Het doel is om de belangen van het waterschap te beschermen en nadelige gevolgen voor het watersysteem en wegen te voorkomen of te beperken.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst
Obsah (4)Artikel 1Artikel 2Artikel 4Artikel 3

act/waterschap/2023/CVDR704423 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0661/2023/000001 /join/id/stop/work_019 2023-11-24 2023-11-24 /akn/nl/act/waterschap/2023/CVDR704423/nld@2023-12-01 /join/id/proces/

Artikel 1

.2b Werking van deze verordening: het gebied dat is opgenomen in werkingsgebied Beheergebied dat als zodanig is aangegeven en vastgesteld door de algemene vergadering op 2 juni 2022 overeenkomstig bijlage III van deze verordening, is aangegeven als beheergebied; e. voormalige bepalingen met betrekking tot vispassages: het gebied dat is opgenomen in werkingsgebied Beschermingszone Vispassages dat als zodanig is aangegeven en vastgesteld door de algemene vergadering op 2 juni 2022 overeenkomstig bijlage III van deze verordening, is aangegeven als beschermingszone vispassages; f. voormalige bepalingen met betrekking tot bemalingsinstallaties: het gebied dat is opgenomen in werkingsgebied Beschermingszone bemalingsinstallaties dat als zodanig is aangegeven en vastgesteld door de algemene vergadering op 2 juni 2022 overeenkomstig bijlage III van deze verordening, is aangegeven als beschermingszone bemalingsinstallaties; en g. voormalige bepalingen over grondbewerkingen bij leggerwateren: het gebied dat is opgenomen in werkingsgebied Beschermingszone grondbewerking leggerwateren dat als zodanig is aangegeven en vastgesteld door de algemene vergadering op 2 juni 2022 overeenkomstig bijlage III van deze verordening, is aangegeven als beschermingszone grondbewerking leggerwateren. 4. Voormalige bepalingen Hoofdstuk 6 Activiteiten Wegen, Bijlage III Afdeling 6.2 Vergunningplichtige activiteiten: a. voormalige bepalingen met betrekking tot weg: het gebied dat is opgenomen in werkingsgebied Weg dat als zodanig is aangegeven en vastgesteld door de algemene vergadering op 2 juni 2022 overeenkomstig bijlage III van deze verordening, is aangegeven als weg; b. voormalige bepalingen met betrekking tot uitzichtstroken: het gebied dat is opgenomen in werkingsgebied Beschermingszone uitzichtstroken dat als zodanig is aangegeven en vastgesteld door de algemene vergadering op 2 juni 2022 overeenkomstig bijlage III van deze verordening, is aangegeven als uitzichtstroken; c. voormalige bepalingen met betrekking tot bebouwingsvrije stroken: het gebied dat isopgenomen in werkingsgebied Beschermingszone weg bebouwingsvrij dat als zodanig is aangegeven en vastgesteld door de algemene vergadering op 2 juni 2022 overeenkomstig bijlage III van deze verordening, is aangegeven als bebouwingsvrije stroken ; en d. voormalige bepalingen met betrekking tot beschermingszone verkeersbaan: het gebied datis opgenomen in werkingsgebied Beschermingszone verkeersbaan dat als zodanig is aangegeven en vastgesteld door de algemene vergadering op 2 juni 2022 overeenkomstig bijlage III van deze verordening, is aangegeven als Beschermingszone verkeersbaan . Artikel 1.4 Meet- en regelbepalingen Artikel 1.5 Werking De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing binnen het beheersgebied van het waterschap, tenzij anders is aangegeven. Artikel 1.6 Taakstelling De verboden in deze verordening gelden niet voor handelingen die plaats hebben door of in opdracht van het Dagelijks Bestuur. Artikel 1.7 Algemene regels Het dagelijks bestuur van het waterschap kan voor het verrichten van activiteiten als

de Hoofdstukken 2 tot en met Hoofdstuk 22 Toezicht en handhaving van deze verordening algemene regels vaststellen. Dit doet zij door het hoofdstuk aan te vullen met één of meerdere afdelingen. Deze algemene regels kunnen onder meer een vrijstelling van de vergunningplicht, een meldingsplicht, een informatieplicht, een meet- of registratieplicht of een algeheel verbod voor het verrichten van die activiteiten inhouden. Artikel 1.8 Zorgplicht algemeen

  1. Degene die een activiteit verricht met betrekking tot een weg, het watersysteem, of een onderdeel daarvan en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, moet: a. alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
  2. Degene die handelingen verricht als

het eerste lid en daarbij kennis neemt van een inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het dagelijks bestuur van het waterschap. 3. Het dagelijks bestuur van het waterschap kan aanwijzingen geven over die maatregelen. Artikel 1.9 Specifieke zorgplicht: concretisering kwantiteit Artikel 1.8 houdt in ieder geval in: a. het voorkomen, beperken, onmiddellijk ongedaan maken of achterwege laten van het beschadigen van een weg of een waterstaatswerk; b. het voorkomen, ongedaan maken of achterwege laten van het verondiepen, versmallen of belemmeren van de doorstroom van een oppervlaktewaterlichaam of van de afvoer van kwelwater of regenwater; c. het niet nadelig beïnvloeden van de stabiliteit van een waterkering, oeverconstructie of oever; d. het voorkomen van aantasting van het waterkerend vermogen van waterkeringen; e. het bereikbaar en toegankelijk houden van waterstaatswerken voor inspectie, onderhoud en beheer door of in opdracht van het waterschap of voor onderhoud door of in opdracht van een onderhoudsplichtige als

artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet; en f. het voorkomen van versnelde uitspoeling van de waterkering of het uitspoelen van grond of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 1.10 Toegangsverbod

  1. Het is verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een waterstaatswerk of van bijbehorende beschermingszones door zich daarop te bevinden als dit kenbaar is gemaakt door een daartoe strekkende bekendmaking, geplaatst bij het betrokken waterstaatswerk resp. bij de betrokken beschermingszone dan wel op een andere geschikte wijze.
  2. Het toegangsverbod is niet van toepassing op: a. het gebruik van openbare wegen als

artikel 4 van de Wegenwet; of b. het gebruik van rechthebbenden. Artikel 1.11 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie: 1°. een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat; 2°. een tekening met een aanduiding van de boorlijn; 3°. een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en 4°. gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en e. als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering. Artikel 1.12 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 1.11 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meter. Artikel 1.13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten

  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 1°. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
  2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt; b. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt; c. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt; d. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken. Artikel 1.14 Vergunning voorschriften
  3. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, waaronder een termijn waarbinnen werken, waarvoor de vergunning is verleend, moeten zijn voltooid en eventueel termijnen die betrekking hebben op de tijdsduur dat de vergunning van kracht zal zijn, dan wel verband houden met beslisgronden voor ambtshalve intrekking van de vergunning.
  4. Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
  5. Aan een vergunning verbonden voorschriften kunnen door het dagelijks bestuur van het waterschap worden gewijzigd of aangevuld. Artikel 1.15 Vergunning weigeren, wijzigen, intrekken of aanvullen
  6. Een aangevraagde vergunning kan door het dagelijks bestuur van het waterschap worden geweigerd.
  7. Een verleende vergunning kan door het dagelijks bestuur van het waterschap worden gewijzigd dan wel geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien: a. de van toepassing zijnde beoordelingsregels dat vorderen; b. de vergunning is verleend ten gevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; c. de voorschriften, als

artikel 1.14 Vergunning voorschriften niet worden nageleefd; en d. gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar geen gebruik is gemaakt van de vergunning of van de werken die daarin worden toegestaan. Artikel 1.16 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten

  1. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
  2. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, regionale waterprogramma's, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw- oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden,

de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn,

Artikel 2.18a, eerste lid, van dat besluit; b.

de doelstelling van een goed ecologisch potentieel,

Artikel 2

.12a, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn,

Artikel 2.18a, tweede lid, van dat besluit; en c.

een minder strenge doelstelling als

Artikel 2.17a, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.

3. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw- oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen,

Artikel 4.15a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

  1. In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op: 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; 2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of 3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw- oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling. b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. Artikel 1.17 Beoordelingsregels omgevingsvergunning activiteiten op of bij wegen Een omgevingsvergunning voor een activiteit op of bij wegen van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het verzekeren van de veiligheid van weggebruikers; b. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; c. het voorkomen of beperken van aantasting van op de weg aanwezige beplanting en andere vegetatie; en d. het verzekeren van mogelijkheden voor de uitvoering van onderhoud en voor uitbreiding of reconstructie van de weg. Artikel 1.18 Taakuitoefening waterschap De in de hoofdstukken over de activiteiten waterkeringen, activiteiten watersystemen en activiteiten van wegen van deze verordening opgenomen verbodsbepalingen gelden niet voor handelingen die plaats hebben door of in opdracht van het dagelijks bestuur van het waterschap ten behoeve van het aan het waterschap op grond van artikel 2 Waterschapswet opgedragen taken. Hoofdstuk 2 Regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving Artikel 2.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 2.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 2.3 Beschermingszone oppervlaktewater Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bestuur gebruik te maken van een beschermingszone oppervlaktewaterlichaam door daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten die de gebruikelijke wijze van uitvoering van het onderhoud aan een leggerwater kunnen belemmeren. Artikel 2.4 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  2. Voordat de naam of het adres,

artikel 3.5, wijzigt, worden de daardoor gewijzigdegegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  1. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Artikel 2.5 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap
  2. Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.
  3. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 2.6 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 15 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bestuur gebruik te maken van een beschermingszone oppervlaktewaterlichaam door daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten die de gebruikelijke wijze van uitvoering van het onderhoud aan een leggerwater kunnen belemmeren. Artikel 2.7 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 14 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap buitendijkse aan- en afvoergeulen van loop of richting te veranderen of iets te doen waardoor de door- en afvoer van het water wordt belemmerd. Artikel 2.8 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 16 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap de hoogteligging van de gronden in de beschermingszone oppervlaktewaterlichaam meer dan 0,25 meter beneden of boven het oorspronkelijke niveau te brengen. Hoofdstuk 3 Schoon en gezond water Afdeling 3.1 Algemeen Artikel 3.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een Oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap. Artikel 3.2 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; b. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en c. het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk. Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht
  4. Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen,

artikel 3.2 Oogmerken, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de beste beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan,

artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd. Artikel 3.4 Maatwerkvoorschriften

  1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen artikel 3.3 en artikel 3.8 tot en met artikel 3.59
  2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen artikel 3.8 tot en met artikel 3.
  3. Artikel 3.5 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschapworden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening. Artikel 3.6 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  4. Voordat de naam of het adres,

artikel 3.5, wijzigt, worden de daardoor gewijzigdegegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  1. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Artikel 3.7 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap
  2. Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.
  3. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 3.8 Informeren over een ongewoon voorval
  4. Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  5. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in H 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Artikel 3.9 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  6. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als

artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  1. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in H 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Afdeling 3.2 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering Artikel 3.10 Lozen van grondwater bij saneringen
  2. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam.
  3. Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden,

tabel 2.1, gemeten in een steekmonster. <strong>Table 2.1</strong> <strong>Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam</strong> Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 µg/l BTEX 50 µg/l Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor 20 µg/l Aromatische organohalogeenverbindingen 20 µg/l Minerale olie 500 µg/l Cadmium 4 µg/l Kwik 1 µg/l Koper 11 µg/l Nikkel 41 µg/l Lood 53 µg/l Zink 120 µg/l Chroom 24 µg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l 3. Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden,

tabel 2.2, gemeten in een steekmonster. Table 2.2 <strong>Emissiegrenswaarden</strong> Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 μg/l Minerale olie 50 µg/l Cadmium 0,4 µg/l Kwik 0,1 µg/l Koper 1,1 µg/l Nikkel 4,1 µg/l Lood 5,3 µg/l Zink 12 µg/l Chroom 2,4 µg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 µg/l Tolueen 7 µg/l Ethylbenzeen 4 µg/l Xyleen 4 µg/l Tetrachlooretheen 3 µg/l Trichlooretheen 20 µg/l 1,2-dichlooretheen 20 µg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 µg/l Vinylchloride 8 µg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20 μg/l Monochloorbenzeen 7 μg/l Dichloorbenzenen 3 μg/l Trichloorbenzenen 1 μg/l Artikel 3.11 Lozen van grondwater bij ontwatering 1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater: a. niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en b. geen drainagewater als

paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.

  1. Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  2. Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen. Artikel 3.12 Meet- en rekenbepalingen
  3. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  4. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  5. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NENEN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN
  6. Artikel 3.13 Gegevens en bescheiden
  7. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,

artikel 3.10 en artikel 3.11, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit

  1. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  2. Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen.
  3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken. Afdeling 3.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening Artikel 3.14 Lozen van afvloeiend hemelwater
  4. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als

paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als

paragraaf 4.78 van dat besluit is.

  1. In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
  2. In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 3.15 Gegevens en bescheiden
  3. Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
  4. Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap Afdeling 3.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater Artikel 3.16 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  5. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een Oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a. 40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b. 100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c. 600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d. 1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e. 3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.
  6. De afstand,

het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  1. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
  2. In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als

artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.17 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

  1. Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
  2. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden,

tabel 2.

  1. <strong>Table 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam</strong> Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l
  2. Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden,

tabel 2.

  1. <strong>Table 2.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam</strong> Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l 200 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Fosfor totaal 3 mg/l 6 mg/l
  2. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
  3. Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als

artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Artikel 3.18 Meet- en rekenbepalingen

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO11885 of NEN-EN-ISO 17294-
  4. Artikel 3.19 Gegevens en bescheiden
  5. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,

artikel 3.16, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  1. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  2. Het tweede en derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. vanuit een spoorvoertuig als

artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. Afdeling 3.5 Lozen van koelwater Artikel 3.20 Koelwater

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in H 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam.
  2. Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
  3. De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
  4. De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.21 Gegevens en bescheiden
  5. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,

artikel 3.20, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  1. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 3.6 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken Artikel 3.22 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om: a. afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of b. afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Artikel 3.23 Werkinstructie bij reinigen en conserveren
  2. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
  3. In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt.
  4. Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s. Artikel 3.24 Werkinstructie bij bouwen en slopen Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Artikel 3.25 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting. Artikel 3.26 Meet- en rekenbepalingen Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing. Artikel 3.27 Gegevens en bescheiden Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als

paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als

paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Afdeling 3.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen Artikel 3.28 Inerte goederen Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als

paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als

paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas. Artikel 3.29 Lozen bij opslaan van inerte goederen Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.30 Lozen bij overslaan van inerte goederen

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  2. Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
  3. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.
  4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen. Afdeling 3.8 Lozen bij opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen Artikel 3.31 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen
  5. In aanvulling op Artikel 4.1058a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen Oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
  6. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden,

tabel 2.5, gemeten in een steekmonster. <strong>Table 2.5 Emissiegrenswaarden</strong> Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/ Artikel 3.32 Meet- en rekenbepalingen

  1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-
  4. Artikel 3.33 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen
  5. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij: a. het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; b. het overslaan van zout voor het strooien op wegen; c. het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en d. het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
  6. Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
  7. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als: a. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of b. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep. Artikel 3.34 Gegevens en bescheiden
  8. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,

de artikelen artikel 3.31 en artikel 3.33, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  1. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  2. Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en c. niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk. Afdeling 3.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater Artikel 3.35 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als

Artikel 2

.16a, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Artikel 3.36 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als

Artikel 2

.16a, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. Afdeling 3.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam Artikel 3.37 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een Oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.38 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd',

artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze. Artikel 3.39 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan

artikel 3.37 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.40 Lozen van algen en bacteriën Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.41 Gegevens en bescheiden 1. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,

artikel 3.37, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd',

artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie,

artikel 3.38; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  1. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap
  2. Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als

artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. Afdeling 3.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen Artikel 3.42 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen 1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als

artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als

artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een Oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. 2. Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd. Afdeling 3.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen Artikel 3.43 Lozen bij calamiteitenoefeningen Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als

Artikel 3

.259a van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een Oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Artikel 3.44 Gegevens en bescheiden Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,

artikel 3.43, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en b. welke stoffen dat blusschuim bevat. Afdeling 3.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen Artikel 3.45 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas

  1. In aanvulling op Artikel 4.795a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een Oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
  2. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden,

tabel 2.6, gemeten in een steekmonster. <strong>Table 2.6 Emissiegrenswaarden</strong> Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l 3. De afstand,

het eerste lid wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  1. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt Artikel 3.46 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  2. In aanvulling op Artikel 4.761a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
  3. Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  4. De afstand,

het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  1. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 3.47 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen
  2. In aanvulling op Artikel 4.773a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
  3. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden,

tabel 2.7, gemeten in een steekmonster. <strong>Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden</strong> Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l Artikel 3.48 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
  2. Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden,

tabel 2.8, gemeten in een steekmonster. Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Chloride 200 mg/l IJzer 2 mg/l

  1. De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing. Artikel 3.49 Lozen bij ontijzeren grondwater
  2. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
  3. Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
  4. De afstand,

het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  1. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt. Artikel 3.50 Meet- en rekenbepalingen
  2. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
  3. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
  4. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-
  5. Artikel 3.51 Gegevens en bescheiden
  6. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,

de artikel 3.45 tot en met artikel 3.49, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 3.14 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton Artikel 3.52 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater,

die artikelen, geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam of via die andere route. Afdeling 3.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding Artikel 3.53 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving Deze artikel 3.53 tot en met artikel 3.55 zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie,

Artikel 3

.128a van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Artikel 3.54 Lozen bereiden van voedingsmiddelen

  1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.
  2. Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten. Artikel 3.55 Gegevens en bescheiden
  3. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,

artikel 3.54, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  1. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 3.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Artikel 3.56 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een Oppervlaktewaterlichaam. Artikel 3.57 Gegevens en bescheiden
  2. Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit,

artikel 3.56, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2. Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Afdeling 3.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind Artikel 3.58 Lozen van spoelwater Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een Oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind. Afdeling 3.18 Asverstrooing Artikel 3.59 Asverstrooing Het op een Oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft,

artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan. Afdeling 3.19 Andere lozingen Artikel 3.60 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 8 Het is verboden zonder vergunning van het bestuur werktuigen, werken, wateren, greppels, buizen of andere middelen te hebben, te leggen, aan te brengen of te wijzigen in de Beschermingszone oppervlaktewater dan wel Beschermingszone leggerwateren, waardoor water of andere vloeistoffen op een leggerwater kunnen worden gebracht. Artikel 3.61 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.
  2. Het verbod geldt niet voor: a. het lozen van stoffen of warmte op een Oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in Artikel 3.1a van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen,

artikel 3.10 tot en met artikel 3.59; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen. Artikel 3.62 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.
  2. Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in Artikel 3.1a van het Besluit activiteiten leefomgeving. Afdeling 3.20 Aanvraagvereisten, beoordelingsregels en voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Artikel 3.63 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een Oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater; b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. een riooltekening; e. de locaties van de lozingspunten; f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; g. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; h. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; i. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; j. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek,

bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; k. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets,

bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en l. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd. Artikel 3.64 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is Artikel 8.88a van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.65 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 4 Voorkomen van waterschaarste en wateroverlast Afdeling 4.1 Vergunningplichtige activiteiten Artikel 4.1 Oogmerk De volgende regels zijn bedoeld om te voorkomen dat er wateroverlast of waterschaarste optreedt. Artikel 4.2 Af- en aanvoeren Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap water af te voeren naar of aan te voeren uit Oppervlaktewaterlichamen. Artikel 4.3 Lozen en onttrekken

  1. Het is verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap water te lozen in een oppervlaktewaterlichaam, indien de hoeveelheid te lozen water meer kan bedragen dan 15 kubieke meter per etmaal dan wel 1 kubieke meter per uur.
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam, indien de hoeveelheid te onttrekken water meer kan bedragen dan 15 kubieke meter per etmaal. Artikel 4.4 Onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem
  3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap grondwater te onttrekken.
  4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap water te infiltreren. Artikel 4.5 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap oppervlaktewaterlichamen te dempen, van afmetingen te veranderen, hun onderlinge verbinding of scheiding te veranderen. Artikel 4.6 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 3 Het is verboden zonder vergunning van het bestuur een activiteit te verrichten waardoor de door- en afvoer en/of berging van water wordt belemmerd in een leggerwater of berging wordt verminderd in een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 4.7 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 4 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap werken over, in of onder een leggerwater te hebben, te leggen, aan te brengen, te veranderen of op te ruimen. Artikel 4.8 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 6 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap in leggerwateren aanwezige beplantingen of materialen, dienende tot verdediging van oevers, taluds of de waterbodem te beschadigen, te vernietigen, te verplaatsen of te ontnemen. Artikel 4.9 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 7 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap de waterstand van een leggerwater op een peil te brengen of te houden, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden. Afdeling 4.2 Vergunningsvrije activiteiten Artikel 4.10 Lozen bronneringswater Geen omgevingsvergunning krachtens artikel 4.3 Lozen en onttrekken. Dit artikel is vereist voor het lozen van bronneringswater mits de te lozen hoeveelheid maximaal 100 kubieke meter per uur bedraagt en niet langer dan een periode van 6 maanden wordt geloosd. Artikel 4.11 Lozen en onttrekken water bij calamiteuze situaties Geen vergunning krachtens artikel 4.3 Lozen en onttrekken en artikel 4.4 Onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem is vereist voor het lozen en onttrekken van water ten behoeve van brandbestrijding in calamiteuze situaties. Artikel 4.12 Noodvoorzieningen Geen omgevingsvergunning krachtens artikel 4.3 Lozen en onttrekken en artikel 4.4 Onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem is vereist indien het onttrekken van water uitsluitend gebeurt ten behoeve van noodvoorzieningen, waaronder worden verstaan brandputten, sprinklerinstallaties, noodstroomaggregaten en nooddrinkwatervoorzieningen, voor zover deze worden gebruikt in buitengewone omstandigheden. Artikel 4.13 Onttrekking grondwater zoetwatergebied Geen omgevingsvergunning krachtens artikel 4.4 Onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem is vereist voor onttrekkingen van grondwater, in de gebieden die in de kaart zoetwatervoorkomens met kwetsbare gebieden zijn aangegeven (op te vragen bij het waterschap), waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 10 kubieke meter per uur en/of 1.000 kubieke meter per maand en/of 8.000 kubieke meter per jaar. Artikel 4.14 Onttrekking grondwater buiten zoetwatergebied Geen omgevingsvergunning krachtens artikel 4.4 Onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem is vereist voor onttrekkingen van grondwater, in de gebieden die op Kaart zoetwatervoorkomens met kwetsbare gebieden niet als zoetwatervoorkomen of als kwetsbaar gebied de kaart zoetwatervoorkomens met kwetsbare gebieden zijn aangegeven (op te vragen bij het waterschap) zijn aangegeven, waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 10 kubieke meter per uur en/of 30.000 kubieke meter per jaar. Artikel 4.15 Onttrekking van grondwater Geen omgevingsvergunning krachtens artikel 4.4 Onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem is vereist voor onttrekkingen van grondwater in de kaart zoetwatervoorkomens met kwetsbare gebieden zijn aangegeven (op te vragen bij het waterschap) : a. als kwetsbaar staan aangegeven, waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 100 kubieke meter per uur, niet meer dan 1.000 kubieke meter per maand, de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden en deze onttrekking uitsluitend dient voor: 1°. bronbemaling; 2°. het uitvoeren van grondsaneringen en/of grondwatersaneringen; 3°. het bij wijze van proef onttrekken van water aan de bodem; 4°. het droog houden van sleuven ten behoeve van de aanleg van kabels en/of leidingen. b. Als zoetwatervoorkomen, niet tevens zijnde kwetsbare gebieden, staan aangegeven, waarbij de te onttrekken hoeveelheid meer bedraagt dan 10 kubieke meter per uur en de onttrekking uitsluitend dient voor: 1°. de in artikel 4.15, aanhef onder a genoemde doeleinden, mits de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 100 kubieke meter per uur, niet meer dan 3.000 kubieke meter per kwartaal en de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden; 2°. beregenings- en/of bevloeiingsdoeleinden, mits de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 60 kubieke meter per uur, 3.000 kubieke meter per kwartaal en 8.000 kubieke meter per jaar. c. Niet als kwetsbaar en niet als zoetwatervoorkomen staan aangegeven waarbij de te onttrekken hoeveelheid meer bedraagt dan 10 kubieke meter per uur en de onttrekking uitsluitend dient voor: 1°. de onder artikel 4.15, aanhef, onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, genoemde doeleinden, mits de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 100 kubieke meter per uur, niet meer dan 15.000 kubieke meter per maand, niet meer dan 30.000 kubieke meter per 6 maanden en de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden; 2°. het droog houden van sleuven ten behoeve van de aanleg van kabels en/of leidingen, mits de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 100 kubieke meter per uur, niet meer dan 15.000 kubieke meter per maand en de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden. Artikel 4.16 Meldingsplicht, gegevens en bescheiden omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten
  5. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 1°. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
  6. Het artikel 4.16 geldt niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als

artikel 6.34, eerste lid, onder b en c, en artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen melding van de wateronttrekkingsactiviteit hoeft te worden gedaan. Afdeling 4.3 Meldplicht, meet- en registratieplicht Artikel 4.17 Geen meldingsplicht onttrekken grondwater De meldingsplicht als

artikel 4.16 Meldingsplicht, gegevens en bescheiden omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten geldt niet voor onttrekkingen van grondwater, in de gebieden die op de Kaart zoetwatervoorkomens met kwetsbare gebieden niet als kwetsbaar zijn aangegeven, met een onttrekkingsinrichting waarvan de pompcapaciteit niet groter is dan 5 kubieke meter per uur of waarmee, per jaar of in totaal, niet meer dan 12.000 kubieke meter grondwater wordt onttrokken of water wordt geïnfiltreerd. Artikel 4.18 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water

  1. Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
  2. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
  3. Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in artikel 4.19 in de tabel opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie. Artikel 4.19 Geen meet- en registratieplicht onttrekken grondwater en voorschriften infiltratie van water
  4. De meet- en registratieplicht als

artikel 4.18 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water geldt niet voor onttrekkingen van grondwater, in de gebieden die op de Kaart zoetwatervoorkomens met kwetsbare gebieden niet als kwetsbaar staan aangegeven, met een onttrekkingsinrichting waarvan de pompcapaciteit kleiner is dan 5 kubieke meter per uur en waarmee, per jaar of in totaal, niet meer dan 12.000 kubieke meter grondwater wordt onttrokken. 2. De meet- en registratieplicht als

artikel 4.18 geldt niet voor onttrekkingen van grondwater ten behoeve van noodvoorzieningen, waaronder worden verstaan brandputten, sprinklerinstallaties, noodstroomaggregaten en nooddrinkwatervoorzieningen, voor zover deze worden gebruikt in buitengewone omstandigheden. 3. De meetverplichting als

artikel 4.18 geldt niet voor infiltraties van water in de gebieden die op de bij Kaart zoetwatervoorkomens met kwetsbare gebieden niet als kwetsbaar staan aangegeven, met een infiltratie-inrichting waarbij maximaal 150.000 kubieke meter water per jaar wordt geïnfiltreerd ten behoeve van zoetwatervoorziening. <strong>Tabel 4.1 Parameters en meetfrequentie&nbsp;<sub>,,</sub></strong> Parameter Afkorting Frequentie bacteriën van de coligroep vierwekelijks Kleur vierwekelijks zwevende stof SS vierwekelijks geleidingsvermogen voor elektriciteit vierwekelijks temperatuur T vierwekelijks zuurgraad pH vierwekelijks opgelost zuurstof O2 vierwekelijks totaal organisch koolstof TOC vierwekelijks bicarbonaat HCO3 vierwekelijks Nitriet NO2 vierwekelijks Nitraat NO3 vierwekelijks Ammonium NH4 vierwekelijks totaal fosfaat Totaal P vierwekelijks Fluoride F driemaandelijks Chloride Cl vierwekelijks Sulfaat SO4 driemaandelijks Natrium Na driemaandelijks IJzer Fe driemaandelijks Mangaan Mn driemaandelijks Chroom Cr driemaandelijks Lood Pb driemaandelijks Koper Cu driemaandelijks Zink Zn driemaandelijks Cadmium Ca driemaandelijks Arseen As driemaandelijks Cyanide CN driemaandelijks minerale olie vierwekelijks adsorbeerbaar organisch halogeen AOX vierwekelijks vluchtig organisch gebonden chloor VOC vierwekelijks vluchtige aromaten vierwekelijks polycyclische aromaten PAK driemaandelijks fenolen driemaandelijks 4. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. 5. De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling. 6. Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als

artikel 6.34, eerste lid, onder b en c en artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht. Afdeling 4.4 Artikelen uit de BSS Artikel 4.20 Gegevens en bescheiden vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten

  1. Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en i. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.
  2. Het eerste lid geldt niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als

de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover het bepaalde in dat lid in strijd is met regels in het tijdelijke deel van deze waterschapverordening,

Artikel 4.7a, onder a, onder 1°, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Artikel 4.21 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en i. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken Artikel 4.22 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit

  1. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is Artikel 8.89a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
  2. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is Artikel 8.89a, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.23 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is Artikel 8.94a van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.24 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water
  3. Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
  4. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
  5. Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 3.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie. Tabel 3.1 Parameters en meetfrequentie Parameter Afkorting Frequentie bacteriën van de coligroep vierwekelijks Kleur vierwekelijks zwevende stof SS vierwekelijks geleidingsvermogen voor elektriciteit vierwekelijks temperatuur T vierwekelijks zuurgraad pH vierwekelijks opgelost zuurstof O2 vierwekelijks totaal organisch koolstof TOC vierwekelijks bicarbonaat HCO3 vierwekelijks nitriet NO2 vierwekelijks nitraat NO3 vierwekelijks ammonium NH4 vierwekelijks totaal fosfaat Totaal P vierwekelijks fluoride F driemaandelijks chloride Cl vierwekelijks sulfaat SO4 driemaandelijks natrium Na driemaandelijks ijzer Fe driemaandelijks mangaan Mn driemaandelijks chroom Cr driemaandelijks lood Pb driemaandelijks koper Cu driemaandelijks zink Zn driemaandelijks cadmium Ca driemaandelijks arseen As driemaandelijks cyanide CN driemaandelijks minerale olie vierwekelijks adsorbeerbaar organisch halogeen AOX vierwekelijks vluchtig organisch gebonden chloor VOC vierwekelijks vluchtige aromaten vierwekelijks polycyclische aromaten PAK driemaandelijks fenolen driemaandelijks
  6. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.
  7. De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.
  8. Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als

de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht. Artikel 4.25 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt; b. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt; c. de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt; d. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken. Hoofdstuk 5 Nieuw algemeen hoofdstuk voor Bescherming Veiligheid Waterstaatswerk Beschermingszone Afdeling 5.1 Vergunningplichtige activiteiten Artikel 5.1 Vergunning gebruik waterstaatswerk

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een waterstaatswerk, welke aanwezig in de geometrie van Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen of Waterstaatswerk Legger Watersystemen, Waterstaatswerk Waterkeringen, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten.
  2. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken of opgaande (hout)beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel te verwijderen.
  3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben of te (be)houden.
  4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een waterstaatswerk door daarop evenementen te houden.
  5. Het is verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een waterstaatswerk door anders dan op openbare wegen als

artikel 4 van de Wegenwet met motorvoertuigen te rijden en motorvoertuigen te parkeren, dan wel met een dier te rijden of vee te drijven.

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een waterstaatswerk door organische mest toe te passen, mest te injecteren dan wel een kunstmestgift toe te passen van meer dan 80 kilogram stikstof per hectare. Artikel 5.2 Vergunning gebruik beschermingszone A
  2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van de beschermingszone A door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten.
  3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van de beschermingszone A door werken of opgaande (hout)beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel te verwijderen. Artikel 5.3 Vergunning gebruik beschermingszone B
  4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van de beschermingszone B door anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder afgravingen met een diepte van meer dan 5 meter te verrichten, waarbij een lijn onder 1:6 getrokken uit de grens van de beschermingszone A wordt doorsneden.
  5. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van de beschermingszone B door daarin boringen en seismisch onderzoek te verrichten.
  6. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van de beschermingszone B door werken met een overdruk van 10 bar of meer te plaatsen of te hebben.
  7. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van de beschermingszone B door explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben.
  8. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van de beschermingszone B door windturbines met een masthoogte hoger dan 25 meter te plaatsen of te behouden dan wel te verwijderen. Hoofdstuk 6 Beplanting Artikel 6.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 6.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 6.3 Beplantingen Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een beschermingszone oppervlaktewaterlichaam door daarop opgaande (hout)beplantingen te plaatsen of te behouden. Dit verbod geldt in een Beschermingszone oppervlaktewaterlichaam behorend bij de langs openbare wegen gelegen leggerwateren aan de wegzijde enkel binnen een afstand van 1 meter uit de insteek, mits de beschermingszone aan de landzijde obstakelvrij is. Artikel 6.4 Meerjarige gewassen Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een beschermingszone oppervlaktewaterlichaam door daarop meerjarige gewassen, met uitzondering van luzerne en graszaad, te zaaien, te planten of te hebben. Artikel 6.5 Aanbrengen, snoeien of verwijderen van beplanting
  9. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op een weg beplanting aan te brengen, dan wel aanwezige beplanting - anders dan bij gewoon onderhoud - te snoeien of te verwijderen.
  10. Het bepaalde geldt niet voor zover dit verbod in strijd is met bevoegdheden van zakelijk gerechtigden ten aanzien van de beplanting en het onderhoud van de beplanting voldoet aan artikel 6.6 Onderhoud beplanting.
  11. Het voornemen om krachtens een zakelijk recht beplanting op een weg aan te brengen of aanwezige beplanting te snoeien of te verwijderen, wordt door de zakelijk gerechtigde ten minste vier weken voordat deze daartoe overgaat, meegedeeld aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
  12. Het dagelijks bestuur van het waterschap kan, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik ervan, voorschriften geven waaraan de zakelijk gerechtigde zich bij de uitvoering van het voornemen dient te houden. Artikel 6.6 Onderhoud beplanting Onder onderhoud verstaan dat de beplanting op een Weg ten minste zodanig wordt onderhouden: a. dat zich tot 4,60 meter boven het hoogste punt van de verkeersbaan of verkeersbanen, niet zijnde fietspaden of andere paden: 1°. geen uitstekende delen van de beplanting bevinden boven de verkeersbaan of verkeersbanen; en 2°. geen uitstekende delen van de beplanting bevinden binnen een afstand van 1,80 meter uit die verkeersbaan of verkeersbanen; b. dat zich tot 3 meter boven het hoogste punt van fietspaden of andere paden: 1°. geen uitstekende delen van de beplanting bevinden boven de fietspaden of ander paden; en 2°. geen uitstekende delen van de beplanting bevinden binnen een afstand van 0,60 meter uit die paden; c. dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 14.3 Uitzichtstroken; en d. delen van beplanting die door de slechte staat waarin ze verkeren of anderszins het veilige gebruik van de weg bedreigen, direct worden verwijderd. Artikel 6.7 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 5 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap te spuiten met alle gewasdodende middelen binnen een afstand van 0,30 meter uit de insteek van een leggerwater. Artikel 6.8 Gebruik van en activiteiten op wegen Lid 5 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap beplantingen en andere vegetatie op een weg te bemesten of met chemische stoffen te behandelen, dan wel de vegetatie op bermen en in bermsloten te maaien. Artikel 6.9 Zaken en activiteiten langs wegen Lid 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op terreinen langs een weg binnen een afstand van 7 meter uit de buiteninsteek van bermsloten die niet staan aangegeven in een legger als

de wetbeplanting, grondwallen of andere zaken aan te brengen die het onderhouden van die sloot met machines vanaf de landzijde belemmeren, indien op de wegberm aanwezige beplanting of andere obstakels verhinderen zulk onderhoud vanaf de weg uit te voeren. Hoofdstuk 7 Beschoeiing en antiworteldoek - oeververdediging Artikel 7.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is ter voorbereiding voor toekomstige artikelen ter bescherming van de Beschermingszone leggerwateren, Waterstaatswerk Legger Watersystemen, Waterstaatswerk Waterkeringen. Hoofdstuk 8 Bouwwerken Afdeling 8.1 Afrasteringen Artikel 8.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 8.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 8.3 Werken en afrasteringen Het is verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een Beschermingszone oppervlaktewaterlichaam en Waterstaatswerk Legger Watersystemen door daarop, daarboven, daarover of daaronder werken te plaatsen of te behouden, uitgezonderd afrasteringen mits deze een maximale hoogte heeft van 1,00 meter en op een minimale afstand van 0,50 meter uit de insteek wordt geplaatst. Afdeling 8.2 Bouwen Artikel 8.4 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen voor Weg, Beschermingszone weg bebouwingsvrij, Bebouwingscontouren en Waterstaatswerk Waterkeringen. Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen en Beschermingszone B. Artikel 8.5 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 8.6 Bebouwingsvrije stroken Lid 1 Het is verboden in bebouwingsvrije stroken zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap bouwwerken te maken of te hebben. Artikel 8.7 Bebouwingsvrije stroken Lid 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap bestaande bouwwerken binnen de in artikel 8.6 Bebouwingsvrije stroken Lid 1 stroken te vernieuwen, te wijzigen of uit te breiden. Dit verbod geldt niet voor interne verbouwingen en vernieuwingen van ondergeschikte betekenis waardoor de bebouwde oppervlakte niet wordt vergroot. Hoofdstuk 9 Dam Artikel 9.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is ter voorbereiding voor toekomstige artikelen voor bescherming Oppervlaktewaterlichamen. Hoofdstuk 10 Evenementen houden of standplaats innemen Artikel 10.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen op de Weg, Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Waterstaatswerk Waterkeringen. Artikel 10.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 10.3 Gebruik van en activiteiten op wegen Lid 6 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op een Weg een standplaats in te nemen of in te richten voor het aanbieden en leveren van producten. Hoofdstuk 11 Graven in bodem of waterbodem Artikel 11.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen voor Weg en Waterstaatswerk Legger Watersystemen, Beschermingszone leggerwateren, Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Beschermingszone B, Waterstaatswerk Waterkeringen. Artikel 11.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 11.3 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap oppervlaktewaterlichamen te graven. Artikel 11.4 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 10 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap grondbewerkingen uit te voeren binnen een afstand van 0,30 meter uit de insteek van leggerwateren. Hoofdstuk 12 Kabels en leidingen Afdeling 12.1 Algemeen voor Kabels en Leidingen Artikel 12.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen in Weg en Waterstaatswerk Legger Watersystemen, Beschermingszone leggerwateren, Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Beschermingszone B, Waterstaatswerk Waterkeringen. Afdeling 12.2 Kabels Afdeling 12.3 Leidingen Hoofdstuk 13 Stoffen, voorwerpen en materialen Artikel 13.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen voor oppervlaktewaterlichamen en beschermingszone wegen Artikel 13.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen voor Weg en Waterstaatswerk Legger Watersystemen, Beschermingszone leggerwateren, Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Waterstaatswerk Waterkeringen. Artikel 13.3 Landbouwproducten-voorwerpen-materialen-stoffen Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap landbouwproducten en/of voorwerpen, materialen of stoffen op hopen te leggen of te hebben binnen de beschermingszone oppervlaktewaterlichaam, anders dan voor zover dit voor oogstwerkzaamheden of voor het onderhoud van de leggerwateren noodzakelijk is en mits deze op een afstand van 0,50 meter uit de insteek worden geplaatst. Artikel 13.4 Gebruik van en activiteiten op wegen Lid 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op wegen waar een snelheidsregime geldt van 80 km per uur of meer, (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben. Artikel 13.5 Gebruik van en activiteiten op wegen Lid 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op wegen waar een snelheidsregime geldt van minder dan 80 km per uur (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben, anders dan voor korte tijd op toegangsdammen buiten de berm en op geen kleinere afstand dan 2,00 meter uit de dichtst bij gelegen verkeersbaan of weg. Artikel 13.6 Gebruik van en activiteiten op wegen Lid 3 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op een weg stoffen of voorwerpen te deponeren die de weg verontreinigen of de afwatering van de weg belemmeren, dan wel gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg en de veiligheid van het verkeer op de weg. Hoofdstuk 14 Uitzicht belemmerende voorwerpen Artikel 14.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 14.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 14.3 Uitzichtstroken Het is verboden in Beschermingszone uitzichtstroken zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap bouwwerken, wallen, beplanting, gewassen, terreinafscheidingen en andere uitzicht belemmerende voorwerpen te hebben dan wel te maken, respectievelijk aan te brengen. a. geen omgevingsvergunning krachtens artikel 6.5 Aanbrengen, snoeien of verwijderen van beplanting is vereist voor beplanting langs wegen die conform artikel 6.6 Onderhoud beplanting, eerste lid is onderhouden en waar een maximum snelheid geldt van 60 kilometer per uur of minder; en b. geen omgevingsvergunning is vereist voor uitzichtbelemmerende voorwerpen die niet hoger zijn dan 0,75 meter. Hoofdstuk 15 Vee Artikel 15.1 toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen voor Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Waterstaatswerk Waterkeringen. Artikel 15.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 15.3 Zaken en activiteiten langs wegen Lid 3 Het is verboden op terreinen langs een Weg loslopende dieren te houden indien geen deugdelijke maatregelen zijn genomen om te verhinderen dat die dieren op de weg kunnen komen. Hoofdstuk 16 Vissen Artikel 16.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 16.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen voor Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Waterstaatswerk Legger Watersystemen, Beschermingszone leggerwateren, Waterstaatswerk Waterkeringen en Beschermingszone Vispassages. Artikel 16.3 Visbeheer 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap vis uit te zetten in Oppervlaktewaterlichamen. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap vaste vistuigen te plaatsen in oppervlaktewaterlichamen. Artikel 16.4 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 9 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap in of binnen een straal van 100 meter van een vispassage te vissen. Hoofdstuk 17 Wegen Artikel 17.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen ten aanzien van de Weg, Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Waterstaatswerk Waterkeringen. Artikel 17.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 17.3 Wijzigen en aantasten van wegen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap een weg op een bestaande weg aan te sluiten. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap naar een weg een uitweg te maken of te hebben of een bestaande uitweg te wijzigen. 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap de aard en de afmetingen van een weg te wijzigen. 4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap in een weg te graven of deze op een andere wijze aan te tasten. 5. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur enig ander werk uit te voeren waardoor in de toestand van een weg verandering wordt gebracht. Artikel 17.4 Zaken op, in en boven wegen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op, respectievelijk in wegen, masten, palen, afrasteringen en andere terreinafscheidingen, borden, spandoeken, vlaggen of andere voorwerpen te plaatsen of te hebben. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op, respectievelijk in wegen, kabels en leidingen te leggen of te hebben. 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap delen van bouwwerken die tot boven een weg reiken, te maken of te hebben. 4. Het is verboden zonder omgevingsvergunning aan bouwwerken langs een weg, voorwerpen te bevestigen of te hebben, die tot boven de weg reiken. 5. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap touwen, draden of kabels over een weg te spannen of te hebben. 6. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap uitstekende delen van buiten een weg aanwezige beplanting tot boven of in de weg te laten reiken, tenzij die beplanting wordt onderhouden overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.6. 7. Het bepaalde geldt niet voor middelen, gebruikt voor het openbaren van gedachten of gevoelens,

artikel 7 van de Grondwet. Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels stellen, waaraan de middelen als

dit lid moeten voldoen. Artikel 17.5 Gedoogplicht voor eigenaren en gebruikers van gronden Eigenaren en gebruikers van erven of gronden die grenzen aan wegen zijn verplicht personen en werktuigen op hun erf of grond toe te laten voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden ingevolge de Wegenwet of deze verordening, door of namens het bestuur, indien die werkzaamheden in redelijkheid niet vanaf de weg zijn uit te voeren. Schade die daarbij aan erven of gronden ontstaat wordt door het dagelijks bestuur van het waterschap vergoed. Artikel 17.6 Gebruik van en activiteiten op wegen Lid 4 Het is verboden een weg zodanig te gebruiken dat daardoor schade aan die weg ontstaat. Artikel 17.7 Gebruik van en activiteiten op wegen Lid 7 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap zich met een voertuig op een weg te begeven, anders dan via een weg, een uitweg of werken die tot uitweg dienen. Artikel 17.8 Gebruik van en activiteiten op wegen Lid 8 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap een uitweg of werken die tot uitweg dienen, voor een ander doel te gebruiken dan tijdens het maken daarvan gebruikelijk was in verband met de bestemming van het terrein waarvoor de uitweg dient. Artikel 17.9 Zaken en activiteiten langs wegen Lid 2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op terreinen langs een weg handelingen te verrichten binnen een afstand van 7 meter uit de zijkant van de verkeersbaan of verkeersbanen van de weg, die de hoogteligging van die terreinen meer dan 0,50 meter beneden het oorspronkelijke niveau brengt. Hoofdstuk 18 Zwemmen en varen Artikel 18.1 Toepassingsbereik Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen ter bescherming van het Oppervlaktewaterlichaam. Artikel 18.2 Oogmerken Dit artikel is gereserveerd voor toekomstige aanvullingen. Artikel 18.3 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 12 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap te zwemmen en/of te duiken binnen de Beschermingszone van de bemalingsinstallatie. Artikel 18.4 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 11 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap met motorvaartuigen te varen of vaartuigen te laten liggen, af te meren, te laden of te lossen, in leggerwateren die geen vaarweg zijn als

de Omgevingsverordening Zeeland. Artikel 18.5 Gebruik van waterstaatswerken en beschermingszones Lid 13 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap met een vaartuig te varen binnen de beschermingszone van de bemalingsinstallatie, indien het geen vaarweg betreft als

de Provinciale Omgevingsverordening. Hoofdstuk 19 Toezicht en handhaving nader uit te zoeken Artikel 19.1 Toezicht en opsporing

  1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de daartoe door het dagelijks bestuur van het waterschap aangewezen ambtenaren of andere personen.
  2. Onverminderd de bevoegdheid van de bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen zijn met de opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze keur belast de daartoe door het dagelijks bestuur van het waterschap aangewezen ambtenaren. Hoofdstuk 20 Overgangs- en slotbepalingen Afdeling 20.1 Overgangsbepalingen Artikel 20.1 Overgangsbepalingen
  3. Een omgevingsvergunning verleend vóór de inwerkingtreding van deze verordening, voor een ingevolge deze verordening vergunningplichtig handelen, wordt geacht ingevolge deze verordening te zijn verleend.
  4. Voor al hetgeen vóór de inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht een omgevingsvergunning ingevolge deze verordening te zijn verleend.
  5. Werken of toestanden als

het tweede lid worden door de gebruiker of eigenaar daarvan zodanig onderhouden, dat de veiligheid van gebruikers is verzekerd en de instandhouding en bruikbaarheid van de weg en/of het waterstaatswerk is gewaarborgd.

  1. Voor waterstaatswerken die op grond van een projectplan of omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, wordt voor de ligging van het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing, aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.
  2. Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de volgende grenzen van het waterstaatswerk en de beschermingszon

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.