← Nederland

Nota bodembeheer (Baarle-Nassau)

In het kort

Deze Nota bodembeheer beschrijft het beleid van deelnemende gemeenten in Midden- en West-Brabant voor het hergebruik en toepassen van grond en baggerspecie op landbodem, en dient als praktische richtlijn voor het omgaan met deze materialen. Het actualiseert bestaand beleid en voegt nieuwe regels toe, mede door de komst van de Omgevingswet.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Nota bodembeheerDeelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant Inleiding Voor u ligt de Nota bodembeheer van de regio Midden-West Brabant, waarin het beleid ten aanzien van het hergebruik en toepassen van grond en baggerspecie op landbodem is beschreven. De Nota bodembeheer is een praktische richtlijn voor het omgaan met vrijkomende grond en baggerspecie en geeft invulling aan het grondstromenbeleid. In de Nota bodembeheer staat het bodembeleid van de deelnemende gemeenten beschreven en de bijbehorende beleidsregels. De betrokken wet- en regelgeving voor het tijdelijk opslaan en toepassen van grond en baggerspecie is beschreven in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Wet bodembescherming (Wbb) en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). Aanleiding voor het opstellen van de Nota bodembeheer is tweeledig. Allereerst zullen in 2021/2022 twee regionale Nota’s binnen de regio verlopen. De grondslag voor gebiedsspecifiek beleid is het Besluit bodemkwaliteit. Hierin is opgenomen dat het bodembeleid minimaal eens in de 10 jaar wordt herzien. Ten tweede zal naar verwachting de Omgevingswet op 1 juli 2022 van kracht worden. Beide situaties vormen het uitgelezen moment om het lokale bodembeleid te actualiseren en nieuwe onderwerpen in het bodembeleid op te nemen. De Nota die voor u ligt is in eerste instantie gebaseerd op de voorgaande Nota’s die in de regio van kracht waren. Veel van het bestaande bodembeleid is overgenomen en samengevoegd. Daarnaast zijn de bestaande bodembeleidsregels tegen het licht gehouden en zijn voor actuele onderwerpen aanvullende regels opgenomen ter bescherming van de regionale bodemkwaliteit. Het gaat hierbij onder meer over het beleid omtrent de stofgroep PFAS (Poly- en perfluoralkylstoffen), het beschermen van gevoelige bestemmingen door uitsluitend ‘schone’ grond toe te laten en de regels omtrent toepassen van thermisch gereinigde grond. In het kader van eenduidigheid binnen de regio is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van het bodembeleid. Voorgaand bodembeleid is ook geregeld in regio-verband opgepakt. Door een regionale aanpak zijn de bodemregels duidelijk in het geval van gemeente-overstijgende initiatieven. Daarnaast hebben meerdere gemeenten een deel van hun bodemtaken bij de OMWB neergelegd. Op deze manier wordt voorkomen dat er een ‘lappendeken’ ontstaat aan lokale bodemregels waarop toegezien moet worden. Beheergebied Het regionale bodembeleid is tot stand gekomen in samenwerking met 23 gemeenten in de regio Midden-West Brabant en de Omgevingsdienst Midden-West Brabant. De deelnemende gemeenten zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 1: Deelnemende gemeenten aan de Nota bodembeheer Het bodembeleid dat in deze Nota is beschreven, is van toepassing op het beheergebied van de deelnemende gemeenten, zie figuur 1. Figuur 1: Beheergebied van de deelnemende gemeenten Reikwijdte Deze Nota bodembeheer is opgesteld als een uitvoeringsdocument waarin is beschreven op welke wijze moet worden omgegaan met grondstromen. In de Nota zijn de regels en procedures voor het binnen de deelnemende gemeenten toepassen van (licht verontreinigde) grond en baggerspecie als bodem nader toegelicht. Daarnaast is in de Nota beschreven wanneer gebruik kan worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem. Naast grondverzet binnen de gemeentegrenzen en binnen het beheergebied (zie figuur 1) is in deze Bodembeheernota ook beschreven hoe moet worden omgegaan met het toepassen van een partij grond of baggerspecie die afkomstig is van een locatie die buiten het beheergebied is gelegen (introduceren van grond en/of baggerspecie van buiten het beheergebied). Bij zowel de gebiedsspecifieke als de generieke toepassingseisen is uitgegaan van het op landbodem toepassen van grond en baggerspecie, inclusief het op aangrenzende percelen verspreiden van baggerspecie. Toepassingen in oppervlaktewater maken geen onderdeel uit van deze Bodembeheernota. De bodemkwaliteitskaarten geven een beeld van de algemene kwaliteit van de bodem in een gebied. De Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn niet van kracht op locaties die verdacht zijn op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen. Verdachte locaties zijn locaties waar in het verleden (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die mogelijk een negatieve invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit. Voor deze locaties dient altijd door middel van bodemonderzoek de milieuhygiënische kwaliteit te worden bepaald. De eindverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van een te ontgraven of toe te passen partij ligt altijd bij de initiatiefnemer. Het gemeentelijke gebiedsspecifieke beleid voor het toepassen van grond en baggerspecie, zoals beschreven in deze Nota, is daarentegen wel van toepassing op dit soort locaties. Met andere woorden, de kwaliteit grond die op deze locaties wordt toegepast, mag niet slechter zijn dan de kwaliteit zoals aangegeven op de gebiedsspecifieke toepassingskaart. Hiermee wordt invulling gegeven aan het stand-still principe hetgeen ervoor zorgt dat de bestaande bodemkwaliteit binnen het beheergebied van de Omgevingsdienst Midden en West-Brabant niet negatief wordt beïnvloed. Vaststelling en geldigheidsduur De herziene Nota bodembeheer moet voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgesteld zijn door de gemeenteraad van de afzonderlijke gemeenten en daarmee vigerend zijn op moment van inwerkingtreden van de Omgevingswet. Voor de vaststelling zijn de regels uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing Na inwerkingtreden van de Omgevingswet wordt deel 1 van de voorliggende Nota bodembeheer van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. In deel 2 van de Nota zijn de andere bodem-gerelateerde onderwerpen van de deelnemende gemeenten uitgewerkt als beleid en beleidsregels. Door de Nota bodembeheer en deze beleidsregels vast te stellen vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het huidige (lokale) bodembeleid op basis van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Zo wordt een beleidsneutrale overgang gewaarborgd. In deel 3 is vervolgens het huidige landelijke bodem-beleid tezamen met het toekomstige landelijke bodembeleid na inwerkintreding van de Omgevingswet beschreven. Omgevingswet Op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt, worden verschillende gemeentelijke regels en verordeningen onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente. De bruidsschatregels worden ook onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Tijdens de overgangsfase (tot eind 2029) heeft de gemeente de tijd om het tijdelijke deel van het omgevingsplan om te zetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het omgevingsplan omvat alle ruimtelijke regels, waaronder ook een deel van de regels voor onder andere grondverzet uit de Nota bodembeheer. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de lokale regels die zijn vastgesteld op basis van artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit (voor inwerkingtreding van de Omgevingswet) gelijkgesteld aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze regels, verwerkt in deel 1 van deze Nota, betreffen de vastgestelde Lokale Maximale Waarden én de vastgestelde afwijkende percentages bodemvreemde bijmengingen. De bodemkwaliteitskaarten als grondslag voor de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit worden geen onderdeel van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Deze kunnen evenwel ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet gebruikt blijven worden om de kwaliteit van de ontvangende bodem of de kwaliteit van binnen het beheersgebied toe te passen grond vast te stellen. De bodemfunctieklassekaart is bij inwerkingtreding van de Omgevingswet daarentegen wel gelijk gesteld aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Overig lokaal bodembeleid verliest onder de nieuwe regelgeving zijn grondslag, indien hier geen nieuwe regels voor opgesteld zijn. Om te voorkomen dat een deel van het lokale bodembeleid zijn grondslag verliest bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn in deze Nota de andere onderwerpen die de deelnemende gemeenten als lokaal bodembeleid willen hanteren, uitgewerkt als beleidsregels. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met de haar toegekende bevoegdheid omgaat. Deze regels kunnen mogelijkerwijs in de toekomst toch nog worden opgenomen in het gemeentelijke omgevingsplan als maatwerkregels of andere decentrale regels. Maatwerkregels worden opgenomen in het omgevingsplan en wijzigen de algemene regels binnen het beheergebied. Er kan uitsluitend maatwerk plaatsvinden zolang een hoger bestuursorgaan daar ruimte toe geeft. Naast maatwerkregels kan een gemeente decentrale regels in het omgevingsplan opnemen voor onderwerpen die niet door het Rijk geregeld zijn. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, hebben nog niet alle gemeenten het nieuwe deel van hun omgevingsplan paraat voor vaststelling. Door het bodembeleid nu vast te leggen in beleidsregels, wordt voorkomen dat er na inwerkingtreding van de Omgevingswet een beleidsvacuüm ontstaat. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wijzigt de wettelijke basis van het lokale bodem-beleid. Waar tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Wet bodembescherming en het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit het normenkader vormen voor lokaal bodembeleid, zijn onder de Omgevingswet nieuwe beleidskaders van kracht. Met betrekking tot bodembeleid worden de volgende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) relevant: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Tevens is een gewijzigd Besluit bodemkwaliteit en een nieuwe Regeling bodemkwaliteit 2021 van kracht. Het Bal is gericht aan burgers, bedrijven en bestuursorganen en omvat algemene regels over de leefomgeving, activiteiten, vergunningen en meldingsplichten. In het Bkl, welke gericht is aan bestuursorganen, worden regels opgenomen welke met name betrekking hebben op normen en instructies voor milieu en veiligheid. Bij het opstellen van dit document is gebruik gemaakt van de volgende wetsdocumenten en versienummers: Besluit activiteiten leefomgeving, Geconsolideerde Staatsblad-versie, versie 14-12-2021, beschikbaar via https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/overzicht-geconsolideerde-teksten-omgevingswet/ Besluit kwaliteit leefomgeving, Geconsolideerde Staatsblad-versie, versie 30-06-2021, beschikbaar via https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/overzicht-geconsolideerde-teksten-omgevingswet/ Besluit bouwwerken leefomgeving, Geconsolideerde Staatsblad-versie, versie 23-06-2021, beschikbaar via https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/overzicht-geconsolideerde-teksten-omgevingswet/ Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet en bijbehorende Nota van Toelichting, publicatiedatum 25-02-2021, beschikbaar via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-98.html. Hierin is onder meer de wijziging van het Besluit bodemkwaliteit opgenomen; Bruidsschat Omgevingsplan Artikelen, Geconsolideerde Staatsbladversie, versie 15-12-2021, beschikbaar via via https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/geconsolideerde-tekst-bruidsschat/ Leeswijzer In deel 1 van de Nota bodembeheer is het gebiedsspecifieke bodembeleid beschreven (maatwerk onder de Omgevingswet). Het betreft hierbij onderwerpen die volgen uit artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit. In deel 2 van de Nota zijn verschillende bodemthema’s uitgewerkt waarin de deelnemende gemeenten een standpunt hebben genomen. De bijbehorende beleidsregels geven aan hoe de gemeenten in bepaalde situaties handelen. Deel 3 van de Nota behandelt het huidige en toekomstige wettelijke kader voor grondverzet, wat de generieke toepassingseisen zijn in algemene en bijzondere gevallen, welke bewijsmiddelen de deelnemende gemeenten accepteren en hoe melding, procedures en toezicht zijn vormgegeven bij grondverzet. Deel 4 behandelt vervolgens hoe de bodemkwaliteitskaart geïnterpreteerd en gehanteerd dient te worden. Deel 1: Bodem in het tijdelijk deel van het omgevingsplan Het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit stelt normen met betrekking tot de toepassing van grond en baggerspecie op basis van een landelijk geldend normenkader, zoals beschreven in het wettelijk kader in deel 3. Op grond van het Besluit bodemkwaliteit artikel 44 heeft de gemeente de ruimte om af te wijken van dit generieke kader voor zover het lokale toepassingseisen, inclusief afwijkend percentage bijmengingen, betreft. De deelnemende gemeenten hebben ervoor gekozen om van deze mogelijkheid tot gebiedsspecifiek beleid gebruik te maken. Het belangrijkste uitgangspunt van dit beleid is dat de kwaliteit van de bodem wordt afgestemd op het gebruik van de bodem. De toepassingseisen worden in de volgende paragrafen nader uitgewerkt. De mogelijkheid tot gebiedsspecifiek beleid blijft na inwerkingtreding van de Omgevingswet bestaan. Dit is mogelijk door middel het opnemen van regels in het gemeentelijk omgevingsplan. Gebiedsspecifiek beleid wordt in het stelsel van de Omgevingswet maatwerkregels genoemd. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet is er overgangsrecht voor lokaal beleid dat op grond van artikel 12a, lid 5 Wet bodembescherming is vastgesteld. Het gaat hierbij om regels ten aanzien van de kwaliteit, waaronder de samenstelling en emissie, van grond of baggerspecie en de wijze van toetsing aan de kwaliteit en het gebruik van de bodem waarop of waarin grond of baggerspecie wordt toegepast (Wbb, artikel 12a, lid 3). Hieruit volgt dat er overgangsrecht is voor de bodemfunctieklassenkaart en gebiedsspecifiek beleid dat volgt uit artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit volgende gebiedsspecifieke kaarten (zoals de gebiedsspecifieke toepassings-kaart) vallen ook onder het overgangsrecht. Gedurende de overgangsperiode (tot 31 december 2029) heeft de gemeente de tijd om de onderwerpen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan over te zetten naar maatwerkregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan. 1Lokale Maximale Waarden bij toepassen van grond of baggerspecie 1.1Lokale maximale waarden PFAS 1.1.1Toelichting PFAS is een verzamelnaam van gefluoreerde koolwaterstoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. PFAS is sinds de jaren ’50 in Nederland veel gebruikt in diverse industriële toepassingen als blusschuim, coatings (o.a. teflon), verf, kleding en cosmetica. Het heeft de eigenschappen persistent, mobiel en niet tot nauwelijks biologisch afbreekbaar te zijn. Regionaal en landelijk wordt steeds meer kennis en inzicht verkregen over PFAS en de onderliggende perfluoralkylverbindingen. Zo staan PFOS (perfluoroctaansulfonzuur), PFOA (perfluoroctaanzuur) en GenX op de lijst van Zeer Zorgwekkend stoffen (ZZS). Een aantal andere stoffen uit de PFAS-groep staat op de lijst van potentiële ZZS. PFAS is niet opgenomen in bestaande regelgeving, aangezien de stof “nieuw” is ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In juli van 2019 is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ‘Tijdelijk Handelingskader PFAS’ uitgebracht, waarna verschillende actualisaties zijn gepubliceerd. In de handelingskaders zijn de kaders aangegeven om hergebruik van PFAS-houdende grond te stimuleren en tegelijkertijd voldaan wordt aan zorgplicht. Tot op heden zijn de volgende handelingskaders gepubliceerd: ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, 8 juli 2019; Geactualiseerde versie ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, 29 november 2019; Geactualiseerde versie ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, 2 juli 2020; Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, 13 december 2021. Voor een groot deel van het grondgebied van de provincie Noord-Brabant is in een bodemkwaliteitskaart ten behoeve van PFAS opgesteld en een Nota Bodembeheer PFAS. ‘Rapport Bodemkwaliteitskaart PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant’, kenmerk 0462683.100, d.d. 28 oktober 2020, door Antea Group 1 De gemeente Waalwijk heeft de achtergrondwaarden van PFAS in haar eigen grondgebied bepaald en op basis daarvan Lokale Maximale Waarden vastgesteld, zie ook paragraaf 1.1.4.; ‘Nota bodembeheer PFAS, Deelnemende gemeenten in Noord-Brabant’, kenmerk 0462683.100, d.d. 28 oktober 2020, door Antea Group. Voor het grondgebied van de gemeente Waalwijk is de volgende bodemkwaliteitskaart opgesteld (zie ook paragraaf 1.1.4): ‘Rapport Achtergrondwaarden PFAS Gemeente Waalwijk’, kenmerk 0459526.100, d.d. 18 december 2020, revisie 01, door Antea Group; Het doel van de bovengenoemde bodemkwaliteitskaart PFAS en de Nota Bodembeheer PFAS is om het grondverzet binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten te vereenvoudigen voor wat betreft de stofgroep PFAS. In Nota Bodembeheer PFAS is invulling gegeven aan het lokale beleid voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten binnen de provincie Noord-Brabant. Voor het toepassen van grond dient naast de toetsing op PFAS, separaat getoetst te worden aan de lokaal vastgestelde reguliere bodemkwaliteitskaart. In de onderhavige Nota bodembeheer worden Lokale Maximale Waarden zoals opgenomen in de Nota bodembeheer PFAS, op basis van de achtergrondwaarden zoals bepaald in de Bodemkwaliteitskaart PFAS, vastgelegd. Bij het vaststellen van deze Nota stelt de gemeente tevens de basis voor de Lokale Maximale Waarden vast, namelijk de Bodemkwaliteitskaart PFAS. 1.1.2Achtergrondwaarden PFAS Uit het rapport van de bodemkwaliteitskaart PFAS blijkt dat alle gemeten waarden (P80) van PFOS, PFOA, GenX en de overige PFAS lager zijn dan de normen voor de klasse landbouw/natuur uit het Handelingskader van december 2021. Hierbij is onderscheid gemaakt in bovengrond (0-0,5 m -maaiveld) en ondergrond (0,5-2,0 m -maaiveld). Tabel 2: Berekende ontgravingskwaliteit op basis van de P80, PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-

  1. mv)en ondergrond (0,5 - 2,0 m-
  2. mv)in µg/kg d.s. m-mv betekent meter onder maaiveld De deelnemende gemeenten aan de PFAS Bodemkwaliteitskaart hanteren derhalve de maximaal geldende toepassingsnorm voor de klasse landbouw/natuur als maximale toepassingskwaliteit voor PFAS-houdende grond, naar aanleiding van de oproep van de minister voor milieu en wonen. In de kamerbrief van 29 november 2019 (IenW/BSK-2019/251123) (laatste alinea pagina 2) roept de Minister van milieu en wonen, gemeenten op om de landelijke achtergrondwaarden als minimum waarden te hanteren, ook als lokaal lagere waarden zijn gemeten. Dit is ook benoemd in het Model Beleid toepassen PFAS houdende grond en baggerspecie voor gemeenten (kenmerk 1248710-044 C04). 1.1.3Lokale Maximale Waarden PFAS Aangezien de berekende P80-waarden lager zijn dan de landelijke maximale toepassingswaarden voor de klasse landbouw/natuur, hebben de samenwerkende omgevingsdiensten van de provincie Noord-Brabant ervoor gekozen om aan te sluiten bij de normen voor landbouw/natuur uit het vigerende landelijke beleid (Handelingskader PFAS, dan wel Regeling bodemkwaliteit) zolang deze een verruiming bieden ten opzichte van de berekende achtergrondwaarden. In tabel 3 zijn de huidig geldende toepassingsnormen uit het Handelingskader PFAS (versie december 2021) aangegeven. Indien op een later tijdstip nog nieuwe toepassingsnormen worden gepubliceerd welke boven de berekende achtergrondwaarden liggen, dan wel in een nieuw Handelingskader PFAS, dan wel als onderdeel van het generieke bodembeleid vanuit het rijk, worden deze toepassingsnormen gehanteerd. Tabel 3: Maximale toepassingsnormen voor PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-
  3. mv)en ondergrond (0,5 - 2,0 m-
  4. mv)in µg/kg d.s. boven en onder grondwaterniveau en buiten grondwaterbeschermingsgebieden* Kwaliteitsklasse PFOA Overige PFAS (inclusief PFOS en GenX) Landbouw/natuur 1,9 1,4 Wonen 7,0 3,0 Industrie 7,0 3,0 * Voor de toepassingseisen in de gemeente Waalwijk en binnen projectgebied GOL/Haven Acht in de gemeente Waalwijk wordt verwezen naar paragraaf 1.1.4. De kwaliteit van de toe te passen partij is afhankelijk van de strengste van de twee: de bodem-functie van de toepassingslocatie en de actuele ontgravingskwaliteit van de toepassingslocatie. Uit de bodemkwaliteitskaart PFAS van de deelnemende gemeenten in de provincie Noord-Brabant blijkt dat in het gehele beheergebied de ontgravingsklasse landbouw/natuur van toepassing is. De toepassingsnorm voor de klasse landbouw/natuur is derhalve de maximale toepassingskwaliteit. Dit geldt zowel voor de bovengrond als voor de ondergrond. Met het oog op het beschermen van de drinkwaterkwaliteit gelden binnen grondwaterbeschermingsgebieden afwijkende normen ten opzichte van tabel 3. Hiertoe dient de vigerende provinciale milieuverordening dan wel omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant gehanteerd te worden. Voor de actuele regels omtrent het toepassen van partijen grond met PFAS wordt verwezen naar de vigerende regelgeving van de provincie. Meer over toepassen van grond en baggerspecie binnen grondwaterbeschermingsgebieden is opgenomen in hoofdstuk 7 in deel 2 van deze Nota. 1.1.4PFAS in Waalwijk De gemeente Waalwijk heeft voor haar grondgebied de achtergrondwaarden voor de stofgroep PFAS bepaald en daarop Lokale Maximale Waarden gebaseerd. Daarnaast heeft de gemeente voor het projectgebied Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL)/Haven Acht een bodem-kwaliteitskaart opgesteld. De LMW’s (Lokale Maximale Waarde) van dit projectgebied zijn vastgelegd in het Addendum op de Nota bodembeheer. In dit Addendum is ook een Erratum opgenomen met betrekking tot volkstuincomplexen in de gemeente Waalwijk. De onderbouwing en het beleid omtrent PFAS in de gemeente Waalwijk is beschreven in de volgende documenten: ‘Rapport Achtergrondwaarden PFAS Gemeente Waalwijk’, kenmerk 0459526.100, d.d. 18 december 2020, revisie 01, door Antea Group; ‘Rapport Achtergrondwaarden PFAS Gol en Haven Acht te Waalwijk’, kenmerk 0471368.100, d.d. 18 augustus 2021, door Antea Group; ‘Addendum op de Nota bodembeheer, Gemeente Waalwijk’, kenmerk 0471368.100, d.d. 18 augustus 2021, door Antea Group. Naar verwachting worden het addendum en de bodemkwaliteitskaart voor het gebied GOL en Haven Acht in februari 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Waalwijk. Uit het rapport Achtergrondwaarden PFAS blijkt dat de ontgravingskwaliteit in de gemeente Waalwijk voldoet aan de klasse landbouw/natuur zoals beschreven in het Handelingskader PFAS (versie december 2021). De hieruit volgende LMW’s zijn beschreven in het Rapport Achter-grondwaarden PFAS en zijn hieronder in de tabel samengevat. Uitzondering op deze toepassings-eisen wordt gevormd door het projectgebied GOL/Haven Acht, zie onder. Tabel 4: Lokale Maximale Waarden en toepassingsnormen voor PFAS binnen het beheergebied van de gemeente Waalwijk in µg/kg d.s., conform het Handelingskader PFAS versie december 2021* Zonenaam Bodemfunctie PFOS PFOA Overige PFAS Grond en baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau 1 – Bovengrond Waalwijk landbouw/natuur 1,4 1,9 1,4 Wonen en industrie 3 7 3 2 - Ondergrond Waalwijk landbouw/natuur, Wonen en industrie 1,4 1,9 1,4 * Indien op een later tijdstip nieuwe toepassingsnormen voor de klasse landbouw/natuur worden gepubliceerd in een nieuw Tijdelijk of Definitief handelingskader PFAS dan wel door verankering in het Besluit bodemkwaliteit, dan worden deze nieuwe normen gehanteerd. In het rapport Achtergrondwaarden PFAS is aangegeven welke bodemfunctie is toebedeeld aan welke locaties in de gemeente Waalwijk. In gebieden met bodemfunctie wonen en industrie kan mag in principe uitsluitend grond worden toegepast dat afkomstig is uit de gemeente Waalwijk, tenzij anders bepaald door de gemeente. Lokale Maximale Waarden GOL/Haven Acht Binnen het beheergebied is het projectgebied GOL/Haven Acht uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart PFAS. Het betreft hierbij het gebied zoals weergegeven in figuur 2. Voor dit gebied zijn recentelijk de achtergrondwaarden van PFAS bepaald (‘Rapport Achtergrondwaarden PFAS GOL en Haven Acht te Waalwijk’, kenmerk 0471368.100, d.d. 18 augustus 2021, door Antea Group). Dit rapport dient als onderbouwing voor de Lokale Maximale Waarden binnen het projectgebied. Figuur 2: Projectgebied GOL/Haven Acht Aangezien berekende waarden voor de andere PFAS dan PFOS in de bovengrond lager zijn dan de landelijke maximale toepassingswaarden voor wonen/industrie, maar hoger dan de klasse landbouw/natuur, wordt aangesloten bij de normen uit het Handelingskader PFAS (versie december 2021). Voor PFOS worden Lokale Maximale Waarden vastgesteld die afwijken van de normen zoals in het Handelingskader PFAS (versie december 2021). Voor de ondergrond zijn de normen voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur van toepassing. De resulterende LMW’s zijn aangegeven in tabel 5. Er wordt onderscheid gemaakt in drie zones in de bovengrond (0-0,5 m -maaiveld) en één zone voor de ondergrond (0,5-2,0 m -maaiveld). De zonering van de bovengrond is weergegeven in figuur 3. Tabel 5: Lokale Maximale Waarden en toepassingsnormen voor PFAS binnen projectgebied GOL/Haven Acht in µg/kg d.s., conform het Handelingskader PFAS (versie december 2021)* Zonenaam PFOS PFOA Overige PFAS Grond en baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau 1 - Bovengrond GOL/Haven 8 10,1 7 3 2 - Bovengrond GOL/Haven 8 7,2 7 3 3 - Bovengrond GOL/Haven 8 3,8 7 3 4 - Ondergrond GOL/Haven 8 1,4 1,9 1,4 * Indien op een later tijdstip ruimere toepassingsnormen voor worden gepubliceerd in een nieuw Tijdelijk of Definitief handelingskader PFAS dan wel door verankering in het Besluit bodemkwaliteit, dan worden deze nieuwe normen gehanteerd. Figuur 3: Zone-indeling (geel = zone 1, roze = zone 2, blauw = zone 3, grijs = uitgesloten) 1.2Lokale maximale waarden PCB voor gemeente Heusden Met de introductie van het Besluit bodemkwaliteit in 2008 werden de regels voor grondverzet en het stoffenpakket gewijzigd. Stoffen als barium, kobalt, molybdeen en som PCB’s werden toegevoegd. Na het toevoegen van deze stoffen aan het stoffenpakket bleek uit de tussentijdse resultaten dat PCB bepalend is voor de kwaliteit van de zone. Oorzaken bleek de hoge rapportagegrens van de lab-resultaten en de rekenregels waarmee getoetst werd in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Het kwam hierdoor voor dat een relatief schone zone de klasse industrie toegewezen kreeg, terwijl er slechts geringe gehalten aan PCB’s aanwezig waren. Om dit probleem tegen te gaan, heeft de gemeente Heusden gebiedsspecifiek beleid opgesteld. De lokale achtergrondwaarde van PCB’s binnen de gemeente zijn 2,5 maal de kwaliteitseis behorende bij de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur, oftewel 0,05 mg/kg ds. De lokale achter-grondwaarde wordt gehanteerd bij de toepassing van de bodemkwaliteitskaart en bij partijkeuringen. De vrijkomende bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv.) kan worden toegepast als zijnde achtergrondwaardenkwaliteit op basis van de ontgravingskaart van 2016. Dit is mogelijk door de uitzonderingsregel die in lid 4 van artikel 4.2.2. van de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen: dit lid stelt dat de bodem, een partij grond of een partij baggerspecie nog in de klasse AW2000 valt indien slechts een beperkt aantal van de onderzochte stoffen de achtergrondwaarde overschrijdt. Vrijkomende ondergrond (traject 0,5 - 2,5 m -mv.) van kwaliteit achtergrondwaarden kan op basis van het gehalte PCB als klasse industrie worden toegepast. 2Afwijkend percentage bijmengingen 2.1Wettelijk kader In artikel 34 van het Besluit bodemkwaliteit en in het tweede lid van artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit (geldig voor inwerkingtreding van de Omgevingswet) en artikel 4.1271 van het Bal (geldig na inwerkingtreding van de Omgevingswet) is bepaald dat grond en baggerspecie niet meer dan 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal, bestaande uit stenige of houtige materialen zoals puin of boomwortels mogen bevatten, mits deze voorafgaand aan de ontgraving al in de bodem zaten en niet opzettelijk zijn toegevoegd. Andere soorten bodemvreemd materiaal zoals bijvoorbeeld plastic, glas of piepschuim mogen slechts sporadisch voorkomen. Een partij met dergelijke bijmengingen mag uitsluitend worden toegepast indien de bijmengingen sporadisch voorkomen én als de bijmengingen voorafgaand aan het ontgraven al in de grond of baggerspecie aanwezig waren, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat het uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat het wordt toegepast2 https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-bagger-alg/faq/zit-toegestane/ en https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toepassen-grond-baggerspecie/inhoudelijke-voorschriften/. Het bijmengen met bodemvreemde materialen voorafgaande aan de toepassing is niet toegestaan. Het is onder bepaalde omstandigheden, zoals in een woonwijk of voor verkoop van gronden vaak niet wenselijk dat er (veel) bijmengingen in de bovengrond aanwezig zijn. Dit percentage kan desgewenst door het bevoegd gezag om milieuhygiënische redenen lager worden vastgesteld. Ook mogen regels worden gesteld aan de soorten bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie. Het voornemen van de deelnemende gemeenten is om verslechtering van de algemene bodemkwaliteit in het gebied te voorkomen. Gemeente Altena hanteert een afwijkende regel voor het percentage bodemvreemd materiaal in toe te passen grond in gebieden met de functie landbouw, natuur en wonen. De gemeenten Gilze-Rijen, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Zundert Etten-Leur, Heusden, Goirle, en Rucphen hanteren voor de functie wonen een afwijkende regel. De overige deelnemende gemeenten hanteren het generieke beleid voor het percentage bijmengingen. 2.2Lokaal alternatief percentage bijmengingen De gemeente Altena stelt het volgende vast: in gebieden binnen het beheergebied met de bodemfunctieklasse landbouw, natuur en wonen, mogen partijen worden toegepast met een maximaal percentage aan bijmengingen met steenachtig materiaal of hout van 5% (gewichtsprocent) indien dit materiaal vóór het ontgraven of bewerken al in de grond aanwezig was. De gemeenten Gilze-Rijen, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Halderberge, Etten-Leur, Heusden, Goirle, Zundert en Rucphen stellen vast dat voor toe te passen grond in gebieden met de functie wonen een maximaal percentage aan bijmengingen met steenachtig materiaal of hout aan van 5% (gewichtsprocent) indien dit materiaal vóór het ontgraven of bewerken al in de grond aanwezig was. Voor de overige functies wordt aangesloten op het maximumpercentage van 20 gewichtsprocent zoals opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit en artikel 4.1271 van het Bal. De overige deelnemende gemeenten hanteren het generieke beleid van 20% (gewichtsprocent) voor bijmengingen met steenachtig materiaal of hout voor alle bodemfuncties, indien dit materiaal vóór het ontgraven of bewerken al in de grond aanwezig was. Een partij met een hoger percentage bijmenging meer dan de hierboven genoemde gewichtspercentages, mag niet toegepast worden. Dit geldt dus ook voor andere initiatiefnemers dan de gemeente die grond in gebieden met een functie landbouw, natuur en wonen toepassen. Onder bodemvreemde materialen waar bovenstaande percentages voor gelden worden uitsluitend houtige en stenige bijmengingen verstaan. Plastics mogen slechts sporadisch voorkomen. De eigenaar van de toepassingslocatie kan aanvullende eisen aan de fysieke kwaliteit van toe te passen grond stellen. In dat geval dient dit privaatrechtelijk te worden vastgesteld. 3Erkenning bodemkwaliteitskaarten De vigerende bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten van het beheergebied (zie figuur 1) worden door alle deelnemende gemeenten geaccepteerd als bewijsmiddel, onder de geldende voorwaarden die zijn beschreven in deze Nota. In deze Nota zijn een nieuwe functiekaart en gebiedsspecifieke toepassingskaart opgenomen (bijlagen 2 en 3). 4Bodemfunctieklassenkaart 4.1Algemeen Iedere gemeente is verplicht om voor haar beheergebied een functiekaart vast te stellen. De bodemfunctiekaart is een weergave van het huidige, en eventueel toekomstige, gebruik van de landbodem. Bij het toekennen van een functieklasse wordt onderscheid gemaakt in: Gebieden met de bodemfunctieklasse wonen; Gebieden met de bodemfunctieklasse industrie; Gebieden met de bodemfunctieklasse landbouw/natuur (artikel 5.89p Bkl) Overige gebieden (deze gebieden zijn niet ingedeeld in de bodemfunctieklasse landbouw, natuur, wonen of industrie). Figuur 4: Functieklassen voor landbodem De bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie zijn een clustering van in totaal zeven verschillende bodemfuncties. Deze bodemfuncties zijn weergegeven in tabel 6. Tabel 6: Clustering bodemfuncties tot bodemfunctieklassen Bodemfuncties Bodemfunctieklassen 1. Moes- en volkstuinen 2. Natuur 3. Landbouw Landbouw/natuur 4. Wonen met tuin 5. Plaatsen waar kinderen spelen 6. Groen met natuurwaarden Wonen* 7. Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie Industrie** De functieklasse wonen omvat die bodemfuncties waarbij sprake kan zijn van veel bodemcontact en een beperkte gewasconsumptie. Hierbij moet worden gedacht aan een gewasconsumptie uit eigen tuin van rond de 10% van de totale gewasconsumptie. Wordt verwacht dat een grotere gewasconsumptie plaatsvindt, dan moet worden gekozen voor de functieklasse landbouw/natuur. Onder de functieklasse industrie vallen de minst kwetsbare bodemfuncties, met andere woorden die bodemfuncties waarbij sprake is van weinig bodemcontact en geen gewasconsumptie (bijvoorbeeld terreinen voor sport en recreatie). Uitgesloten gebieden Uitgesloten gebieden zijn aangegeven op de functiekaart en de ontgravingskaart. Wateren en waterbodems zijn in elk geval uitgesloten en zijn als water aangegeven op de kaart. Aan uitgesloten gebieden is geen functieklasse toegekend. Derhalve zijn deze gebieden als grijze vlek (‘overig’) op de functiekaart aangegeven. Omgang met tussentijdse functiewijzigingen Als gevolg van een wijziging in het bestemmingsplan in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), kan de functie van een locatie wijzigen. De Omgevingswet vervangt op het moment van intreden de Wro. Als gevolg van een functiewijziging kan het voorkomen dat de functieklasse, zoals aangegeven op de functieklassenkaart, niet meer correspondeert met de actuele functie van de locatie. Dit zou in theorie kunnen leiden tot verkeerde afwegingen bij het toepassen van grond (of baggerspecie) volgens het generieke kader. Kleine wijzigingen van het bestemmingsplan, zoals betreffende een enkel perceel, worden i.v.m. versnippering niet altijd doorgevoerd op de bodemfunctiekaart. In het bestemmingsplan dan wel omgevingsplan wordt in dat geval opgenomen wat de toepassingskwaliteit is voor die locatie. Door de gemeenten wordt éénmaal per vijf jaar nagegaan of het noodzakelijk is om de functiekaart aan te passen en opnieuw vast te stellen. Bij voorkeur wordt bij het wijzigen van de functie van een locatie in het omgevingsplan, deze wijziging ook direct doorgevoerd op de bodemfunctieklassenkaart. 4.2Omgevingswet Op grond van artikel 5.89p van het Bkl is een gemeente ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet verplicht over een bodemfunctieklassenkaart te beschikken. In artikel 3.5 van de Aanvullingswet bodem is bepaald dat een bodemfunctieklassenkaart die onder artikel 55 van het Besluit bodemkwaliteit (oud) door de gemeente is vastgesteld, van rechtswege in het tijdelijk deel van het omgevingsplan terecht komt. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen bodemfunctieklassenkaarten naar verwachting onder meer worden gebaseerd op de visiekaart(
  5. en)van de gemeente/regio. Een visiekaart is een samenvatting van de gewenste en geplande ontwikkelingen op een bepaald thema, weergegeven op een kaart, die later door vertaald worden naar doelen; die beschreven worden in het omgevingsprogramma. Functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen kunnen zo hun doorwerking vinden in de bodemfunctieklassenkaart. 4.3Lokaal beleid wegen en wegbermen buitengebied De deelnemende gemeenten hebben voor de wegen en wegbermen van doorgaande wegen in het buitengebied bepaald hoe van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de milieuverklaring bodemkwaliteit gebruik gemaakt kan worden. Dit beleid houdt in dat: De wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen worden apart worden gezoneerd; De wegen en wegbermen doorgaande wegen en spoorwegen krijgen de functie industrie toegewezen; De wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen krijgen voor de bovengrond (traject 0,0-0,5 m -mv.) de ontgravingskwaliteitskwaliteit industrie krijgen toegewezen. Met doorgaande wegen wordt bedoeld: wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u. 4.4Actualisatie van de bodemfunctieklassenkaart De bodemfunctieklassenkaart van de deelnemende gemeenten is, tezamen met de vernieuwing van het regionale bodembeleid zoals beschreven in deze Nota, geactualiseerd. Hierin is vooruitlopend op de Omgevingswet, naast de functieklassen wonen en industrie tevens onderscheid gemaakt in de functies ‘natuur’ en ‘landbouw’. Als bron voor het aanduiden van natuurgebieden is gebruik gemaakt van de beheergebieden van de verschillende natuurbeheerders in de regio, te weten Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Brabants Landschap. Functiewijzigingen naar aanleiding van (geplande) ontwikkelingen zijn ook direct doorgevoerd op de functiekaart. 5Gebiedsspecifieke toepassingseisen 5.1Onderbouwing Het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit stelt dat de kwaliteitsklasse van een toe te passen partij grond of baggerspecie wordt bepaald door zowel de kwaliteitsklasse als de bodem-functieklasse van de ontvangende bodem. Daar waar beide klassen niet met elkaar overeenkomen, kunnen knelpunten ontstaan voor grondverzet. Valt bijvoorbeeld in een bepaalde zone de vrijkomende grond in een slechtere klasse dan de functie die de zone bekleed, dan mag de grond niet opnieuw binnen dezelfde zone worden toegepast. Om extra ruimte te creëren voor grondverzet is door de deelnemende gemeenten gekozen om gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het belangrijkste uitgangspunt van dit beleid is dat de kwaliteit van de bodem wordt afgestemd op het gebruik van de bodem. Dit wil zeggen dat partijen grond op die plaats mogen worden toegepast waar deze de minste risico's opleveren voor de gebruiker. Het gebiedsspecifieke beleid is nader uitgewerkt in deel 3 van deze Nota. In verband met het 'standstill-principe' gelden de in deze paragraaf beschreven gebiedsspecifieke toepassingseisen alleen voor partijen grond die binnen het beheergebied (zie figuur 1) vrijkomen en opnieuw worden toegepast. Dit betekent dat bij het toepassen van partijen grond die van buiten het beheergebied worden aangevoerd, dan wel bij het toepassen van partijen baggerspecie, altijd van de generieke toepassingseisen (deel 3 van deze Nota) moet worden uitgegaan. Met het toepassen van partijen baggerspecie wordt hierin niet het verspreiden van baggerspecie op de kant (bij onderhoud van watergangen) of het verwerken in een weilanddepot bedoeld. 5.2Uitwerking gebiedsspecifiek beleid De deelnemende gemeenten hebben ervoor gekozen om gebiedsspecifiek beleid uit te werken. De volgende scenario’s zijn besproken: Scenario 1: functiekaart = toepassingskaart Scenario 2: functiekaart = toepassingskaart, maar max. 'wonen' Scenario 3a: aanwijzen gebieden die mogen aansluiten bij de functieklasse Scenario 3b: aanwijzen gebieden met maximaal functieklasse 'wonen' Scenario 4: hergebruik binnen dezelfde zone toestaan Scenario 1: functiekaart = toepassingskaart De kwaliteit van de ontvangende bodem wordt buiten beschouwing gelaten. Bij het beoordelen of een partij grond mag worden toegepast, wordt alleen naar de functieklasse van de toepassingslocatie gekeken. Dit betekent dat in gebieden met de functieklasse wonen, de kwaliteitsklasse wonen mag worden toegepast en in gebieden met functieklasse industrie, de kwaliteitsklasse industrie. Scenario 2: functiekaart = toepassingskaart, maar max. klasse wonen Net als bij scenario 1, wordt ook hier de kwaliteit van de ontvangende bodem buiten beschouwing gelaten. Het verschil is echter dat in zowel de gebieden met de functieklasse wonen als de functieklasse industrie een bovengrens wordt gesteld aan de kwaliteitsklasse grond die mag worden toegepast, namelijk de klasse wonen. Scenario 3a: aanwijzen gebieden die mogen aansluiten bij de functieklasse Dit scenario is een afgeleide van scenario 1, met dit verschil dat niet voor de gehele gemeente de functiekaart als toepassingskaart wordt aangehouden, maar dat bepaalde gebieden worden aangewezen waarvoor alleen naar de functieklasse van de toepassingslocatie hoeft te worden gekeken. Scenario 3b: aanwijzen gebieden met maximaal functieklasse wonen Dit scenario is een afgeleide van scenario 2, met dit verschil dat bepaalde gebieden worden aangewezen waarvoor kwaliteitsklasse wonen als bovengrens geldt voor de toe te passen partij grond. Scenario 4: hergebruik binnen dezelfde zone toestaan Op enkele locaties in de regio doet zich de situatie voor dat de grond die op een locatie vrijkomt, ter plaatse niet opnieuw mag worden toegepast. Dit omdat de functieklasse van de ontvangende bodem in een strengere klasse valt. Het behoort tot de mogelijkheden om het opnieuw in dezelfde zone toepassen van de grond toe te staan mits dit geen risico's oplevert voor de specifieke functie die de bodem vervult. Keuze van de regio: scenario 2, functiekaart = toepassingskaart, max. klasse wonen Bij het toepassen van grond wordt de kwaliteit van de ontvangende bodem buiten beschouwing gelaten. Bij het beoordelen of een partij grond mag worden toegepast, wordt alleen naar de functieklasse van de toepassingslocatie gekeken. Echter, in zowel de gebieden met de functieklasse wonen als de functieklasse industrie geldt een bovengrens aan de kwaliteitsklasse grond die mag worden toegepast, namelijk de klasse wonen. De wegen en wegbermen buiten de bebouwde kom zijn hiervan uitgezonderd. Hiervoor is namelijk apart beleid geformuleerd (zie hoofdstuk 5 in deel 1 van deze Nota). Het bovenstaande betekent dat bij het beoordelen of een partij grond mag worden toegepast, de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem buiten beschouwing wordt gelaten. Er wordt in dat geval alleen naar de functieklasse van de toepassingslocatie gekeken. Door het stellen van deze bovengrens wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit ter plaatse van industriegebieden in die mate afneemt, dat dit in de toekomst een belemmering zou kunnen vormen. Bijvoorbeeld wanneer één van deze gebieden wordt heringericht tot woonwijk of anderszins gevoeligere gebruiksfuncties. De deelnemende gemeenten creëren hierdoor meer afzetmogelijkheden voor partijen grond met de kwaliteitsklasse wonen. Dit geldt niet alleen voor partijen grond afkomstig uit de eigen gemeente maar ook voor partijen grond afkomstig uit het gehele beheergebied. Enkele gemeenten hebben in plaats van scenario 2 gekozen voor een ander scenario of hanteren een ander scenario voor een deel van het grondgebied. In de onderstaande tabel is weergegeven welke keuzes door de deelnemende gemeenten gemaakt zijn: Tabel 7: Gekozen scenario per gemeente Gemeente Gekozen scenario Uitzonderingen Alphen-Chaam 2 Altena 2 Baarle-Nassau 2 Breda 2 Uitzondering: kwaliteit industrie toepassen indien de functie industrie is en de ontvangende grond ook deze klasse heeft. Dongen 2 Drimmelen 2 Etten-Leur 2 en 3a Vosdonk en Zwartenberg Geertruidenberg 2 Gilze-Rijen 2 Goirle 2 Halderberge 2 Heusden 2 en 3a Industriegebied Groenewoud 1 & 2 Hilvarenbeek 2 Loon op zand 2 Moerdijk 2 en 3a Logistiek Park Moerdijk Oisterwijk 2 Oosterhout 2 Roosendaal 2 en 3a Borchwerf II veld B Rucphen 3b Nijverhei Waalwijk 2 3a, en 4 Op industriegebieden Maasoever, Scharlo, gebied GOL/Haven 8 en zone ‘industrie na 1970 opgehoogd’ mag grond van kwaliteit industrie worden toegepast. Hergebruik binnen zone 'Bebouwing na 1945-opgehoogd' (bovengrond) is mogelijk. Woensdrecht 3b De Kooi en Driehoeven Zundert 2 en 4 (Voormalige) tuinderslocaties en boomkwekerijen Gemeenten Roosendaal, Heusden, Etten-Leur en Moerdijk De gemeenten Roosendaal, Heusden, Etten-Leur en Moerdijk hebben de keuze gemaakt om enkele industriegebieden die ‘altijd industriegebied blijven’ (Borchwerf II veld B, Groenewoud 1 & 2, Vosdonk, Zwartenberg en Logistiek Park Moerdijk) aan te wijzen als uitzondering. Op deze locaties mag conform de bodemfunctie worden toegepast. Dit betekent dat binnen deze industriegebieden grond tot en met de kwaliteitsklasse industrie mag worden toegepast (scenario 3a). De gemeente Heusden voegt aan het bovengenoemde toe dat grond van de kwaliteitsklasse Industrie dat wordt toegepast binnen industriegebied Groenewoud 1 & 2 afkomstig dient te zijn uit: Project Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL); of Het grondgebied van de gemeente Heusden. Gemeente Breda De gemeente Breda staat toe dat grond van de kwaliteitsklasse industrie afkomstig uit het beheer-gebied mag worden toegepast mits aan de beide volgende voorwaarden wordt voldaan: De ontvangende bodem van de toepassingslocatie heeft minimaal de kwaliteitsklasse industrie. Om dit aan te tonen is een bewijsmiddel zoals in hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota is beschreven, vereist; De toepassingslocatie is op de functiekaart aangewezen als functie industrie. Gemeenten Rucphen en Woensdrecht De gemeenten Rucphen en Woensdrecht hebben enkele industriegebieden aangewezen waar grond tot en met de kwaliteitsklasse wonen mag worden toegepast (ongeacht de actuele kwaliteit van de ontvangende bodem). Gemeente Waalwijk De gemeente Waalwijk heeft een aantal gebieden uitgezonderd van de regel ‘maximaal klasse wonen toepassen’. Dit betreft: Industrieterrein Maasoever; Industrieterrein Scharlo; Zone ‘industrie na 1970 opgehoogd’ (gebied tussen de Sluisweg en de industrieweg). Projectgebied GOL/Haven Acht. Ter plaatse van deze gebieden mogen partijen van de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast. Daarnaast is een uitzonderingsregel ingesteld voor de grond die vrijkomt uit de bodemlaag 0-0,5 m -mv. ter plaatse van de zone 'Bebouwing na 1945-opgehoogd'. Deze grond wordt geclassificeerd als industrie. Om de afzetmogelijkheden voor klasse industrie binnen de gemeente Waalwijk te verruimen, mag de in deze zone vrijkomende bovengrond opnieuw binnen dezelfde zone worden toegepast. Aan deze toepassing worden de volgende twee voorwaarden gesteld: De grond moet afkomstig zijn uit de bovengrond (0-0,5 m -mv.); en De vrijkomende grond mag alleen opnieuw binnen de zone worden toegepast in de openbare weg en/of in de groenstroken. Gemeente Zundert Voor de binnen de gemeente Zundert aangewezen voormalige intensief gebruikte tuinderslocaties en boomkwekerijen (scenario 4) is het uitgangspunt dat grond binnen deze zone c.q. locaties uitwisselbaar is met als bovengrens klasse industrie voor de specifiek in die zone voorkomende parameters (bestrijdingsmiddelen). Gebruiksrisico’s Het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat bij het opstellen van gebiedsspecifiek beleid een risicobeoordeling moet worden uitgevoerd. Dit om uit te sluiten dat de gekozen lokale maximale waarden, en de bijbehorende toegestane verslechtering van de bodemkwaliteit, geen belemmeringen oplevert voor het specifieke gebruik van de bodem ter plaatse. Deze risicobeoordeling moet worden uitgevoerd met de applicatie Risicotoolbox. Deze applicatie berekent voor de lokale maximale waarden de eventuele risico´s voor de verschillende vormen van bodemgebruik. Omdat de gemeenten er gemiddeld voor hebben gekozen voor het aansluiten bij de functieklas-sen, waarbij: De generieke maximale waarden als bovengrens worden gehanteerd en De functieklassen worden aangehouden zoals weergegeven op de functiekaart, wordt een dergelijke risicobeoordeling met de Risicotoolbox niet noodzakelijk geacht. De maximale waarden van de generieke functieklassen zijn namelijk al afgeleid van de meest gevoelige bodemfunctie. Door het aansluiten bij de functieklassen, worden derhalve geen gebruiksrisico´s verwacht. 5.3Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij het ontvangen van de melding voor het toepassen van grond afkomst in haar beheergebied of aan de volgende voorwaarden is voldaan: De partij is afkomstig uit het beheergebied als aangegeven in figuur 1 van deze Nota. De partij kan binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten uitsluitend worden toegepast op locatie als is voldaan aan de voorwaarden van het gekozen scenario van de gemeente als aangegeven in tabel 7 van deze Nota, waarbij de volgende scenario’s worden gehanteerd: scenario 1: functiekaart = toepassingskaart scenario 2: functiekaart = toepassingskaart, maar max. 'wonen' scenario 3a: aanwijzen gebieden die mogen aansluiten bij de functieklasse scenario 3b: aanwijzen gebieden met maximaal functieklasse 'wonen' scenario 4: hergebruik binnen dezelfde zone toestaan Aan de overige voorwaarden die gelden bij een melding van toepassen van grond moet worden voldaan. 6AW2000-grond toepassen op gevoelige bestemmingen 6.1Aanleiding Toepassing van grond of baggerspecie op gevoelige bestemmingen moet met de grootste zorgvuldigheid gebeuren. Lokaal kunnen binnen het beheergebied van de gemeente gevoelige bestemmingen voorkomen. Onder gevoelige bestemmingen vallen speelterreinen, scholen, kinderopvang, volkstuin, terreinen met park en plantsoen, natuurgebieden, sportterreinen, terreinen met verblijfsrecreatie en dagrecreatie en terreinen voor vrije tijd. In bijlage 6 zijn de verschillende gevoelige bestemmingen nader toegelicht. In deze bijlage zijn de bronnen aangegeven waarmee bepaald kan worden of er op een locatie sprake is van een gevoelige bestemming. De bronnen (zoals de Basisregistratie Grootschalige Topografie) zijn openbaar beschikbaar en opvraagbaar. De gemeente draagt geen verantwoordelijkheid voor de volledigheid van deze bronnen. Derhalve is het aan de initiatiefnemer om voorafgaande aan de toepassing op een mogelijke gevoelige bestemming altijd contact op te nemen met de gemeente voor inzicht in de huidige situatie. De gemeente toetst bij de melding van de voorgenomen toepassing of er sprake is van een van deze bovenstaande bestemmingen. Onafhankelijk van de toepassingseis op basis van de (gebieds-specifieke) toepassingskaart van het betreffende gebied waar toegepast gaat worden, mag er op deze gevoelige bestemmingen alleen worden toegepast indien deze partij voldoet aan de kwaliteitseisen van de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. Voor de gepaste bewijsmiddelen wordt verwezen naar hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota. 6.2Beleid De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij de melding toepassen van grond en baggerspecie ter plaatse van gevoelige bestemmingen binnen haar grondgebied of aan de volgende voorwaarden is voldaan: Bewijs dat de toe te passen partij voldoet aan de kwaliteitseisen voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur is aan de melding toegevoegd. Voor de gepaste bewijsmiddelen wordt verwezen naar hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota. Onder gevoelige bestemmingen vallen de in bijlage 6 genoemde bestemmingen. Deel 2: Beleidsregels bodem Het aanscherpen van de toepassingseisen is in principe een wijziging ten opzichte van de algemene regels van ofwel het Besluit bodemkwaliteit (oud) ofwel het Besluit bodemkwaliteit (nieuw) en het Bal (milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie). De algemene regels bieden een bepaald beschermingsniveau voor het milieu en kunnen derhalve tot op bepaalde hoogte versoepeld worden. De deelnemende gemeenten hebben over het algemeen de wens om de bodemkwaliteit binnen hun beheergebied aanvullend te beschermen. In de volgende hoofdstukken wordt beschreven hoe deze gemeenten gebruik maken van hun bevoegdheid om te versoepelen en om eventueel aanvullende eisen te stellen bij het toepassen van grond en baggerspecie. Binnen het stelsel van de Omgevingswet worden regels met betrekking tot toepassingseisen in principe verwerkt als maatwerkregels of decentrale regels in het omgevingsplan en als toepasbare regels in het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Echter, door het bodembeleid nu vast te leggen in beleidsregels, wordt voorkomen dat er na inwerkingtreding van de Omgevingswet een beleidsvacuüm ontstaat. 7Grondwaterbeschermingsgebieden 7.1Onderbouwing Binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten zijn een aantal grondwaterbeschermingsgebieden gelegen. Hoe met grondwaterbeschermingsgebieden dient te worden omgegaan door lokale overheden is heden beschreven in de provinciale (interim) omgevingsverordening (IOV). Omdat de omgevingsverordening aan wijzigingen onderhevig is, dient altijd de meest recente versie geraadpleegd te worden via de site van de provincie Noord-Brabant3 https://www.brabant.nl/onderwerpen/omgevingsbeleid. Daarnaast wordt naar verwachting in 2022 de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant onder het stelsel van de Omgevingswet van kracht4 https://www.omgevingswetinbrabant.nl/omgevingswet-in-brabant/brabantse-omgevingsverordening/. Op dat moment gelden de regels de vigerende Omgevingsverordening. Volgens de huidige omgevingsverordening5 https://www.brabant.nl/actueel/regelingen/cvdr628718_4 (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, versie 23 november 2021) is het niet toegestaan om in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen, behalve wanneer De kwaliteit van de grond of baggerspecie: De kwaliteitseis voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur niet overschrijdt; De maximale waarden van de kwaliteitseis voor de bodemkwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt en de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; Het baggerspecie betreft die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen en op het aangrenzend perceel wordt verspreid, met het oog op het herstellen of verbeteren van deze percelen; Wanneer het een grootschalige bodemtoepassing betreft en door middel van onderzoek wordt aangetoond dat door de toepassing de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt. Grondwaterbeschermingsgebieden onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet dienen provincies te beschikken over een omgevingsverordening. De omgevingsverordening vervangt onder meer de huidig vigerende IOV. Daar de Wet bodembescherming vervalt op het moment de Omgevingswet van kracht wordt, zijn in de omgevingsverordening aanvullende regels opgenomen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen. Voor gemeenten zijn in de omgevingsverordening instructieregels opgenomen, welke opgenomen dienen te worden in het omgevingsplan. Deze instructieregels zijn eenvoudig opvraagbaar via de viewer van de omgevingsverordening. Voor de actuele regels met betrekking tot grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden dient altijd de vigerende provinciale omgevings-verordening te worden gehanteerd. 7.2Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij de melding voor het toepassen van grond of baggerspecie of de voorgenomen toepassing plaatsvindt binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Voor de contouren van de grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden wordt aangesloten bij de contouren die door de provincie zijn aangegeven. Indien de toepassing plaatsvindt binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, toetst de gemeente dan wel de daartoe aangewezen instantie, of aan de eisen die gesteld zijn in de vigerende omgevingsverordening van de provincie. In de Interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant6 (versie 23 november 2021), geldig op moment van schrijven van deze Nota, is het volgende opgenomen: Toepassing van grond of baggerspecie in een waterwingebied is in principe niet toegestaan tenzij de kwaliteit van de partij voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur; Toepassing van grond of baggerspecie in een grondwaterbeschermingsgebied is toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende eisen: De toe te passen partij grond of baggerspecie bedraagt maximaal 5000 m3. Bij een toepassing groter dan 5000 m3 dient een melding te worden verricht conform artikel 6.10 van de omgevingsverordening5; De toe te passen grond of baggerspecie is van voldoende kwaliteit; De kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem is gelijk of slechter dan de toe te passen grond of baggerspecie. Er is sprake van grond of baggerspecie van voldoende kwaliteit als die: De achtergrondwaarde niet overschrijdt; of Afkomstig is uit het betreffende grondwaterbeschermingsgebied en voldoet aan: De maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen bij toepassing op of in de bodem; De maximale waarde van de kwaliteitsklasse A bij toepassing in oppervlaktewater. De hierboven genoemde regels zijn afkomstig van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, versie 23 november 20216 paragraaf 2.1.2 en 2.1.3, betreffende waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. In bijlage 4 zijn de betreffende regels uit de concept Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant7 Concept Omgevingsverordening Noord-Brabant (november, 2021). Beschikbaar via https://www.brabant.nl/-/media/114f34edb623480fa4fa0d0a455c9753.pdf opgenomen, welke naar verwachting van kracht zullen zijn op het moment dat de Omgevingswet tevens in werking treedt. De gemeente toetst altijd aan de eisen die gesteld zijn in de vigerende omgevingsverordening van de provincie. N.B.: met het toepassen van baggerspecie wordt niet bedoeld: het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen in het kader van onderhoud van de watergangen inclusief weilanddepots. Zie hiervoor de algemene regels die gelden voor het verspreiden van baggerspecie (hoofdstuk 17 in deel 3 van deze Nota). Indien aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan, kan de gemeente medewerking verlenen aan de voorgenomen toepassing. Dat wil in deze zeggen: als in afwijking van de regels uit de omgevingsverordening wordt gehandeld, kan handhavend worden opgetreden. 8Uitzonderingsregel bij opslag van partijen 8.1Onderbouwing In hoofdstuk 19 in deel 3 van deze Nota, zijn de voorwaarden, die worden gesteld aan de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie buiten inrichtingen, beschreven. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet valt deze activiteit onder de milieubelastende activiteit opslaan van grond en baggerspecie. De algemene regels hiervoor zijn opgenomen in het Bal. Eén van de voorwaarden bij tijdelijke opslag van grond en baggerspecie is onder het stelsel van de Wet bodembescherming is dat de kwaliteitsklasse van de partij grond of baggerspecie die in opslag wordt genomen, vergelijkbaar dan wel beter moet zijn dan de kwaliteitsklasse van de bodem waarop de opslag plaatsvindt (NB: dit geldt niet voor kortdurende opslag, dat wil zeggen: korter dan 6 maanden). Deze voorwaarde past prima binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader, en dus wanneer de betreffende partij grond van een locatie buiten de regio wordt aangevoerd of wanneer het baggerspecie betreft. Echter, bij grondverzet binnen het beheergebied, waar er bewust voor is gekozen dat lokaal verslechtering van de bestaande bodemkwaliteit mag optreden, leidt dit tot problemen. In die gevallen kan zich namelijk de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem bijvoorbeeld de kwaliteitsklasse landbouw/natuur heeft, wel partijen grond van de klasse wonen of klasse industrie mogen worden toegepast maar dat dezelfde partijen grond daar niet tijdelijk mogen worden opgeslagen, zonder te treffen maatregelen. Dit staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Om deze discrepantie onder het stelsel van de Wet bodembescherming te verhelpen staat de gemeente toe dat partijen grond die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen op een bepaalde locatie binnen de gemeente mogen worden toepast, eveneens, voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk in opslag mogen worden genomen. Deze tijdelijke opslag mag maximaal 6 maanden duren. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de bovengenoemde eis aan de kwaliteit van de partij die tijdelijk wordt opgeslagen, losgelaten. In het Bal komt voor de milieubelastende activiteit opslaan van grond of baggerspecie de toets aan de ontvangende bodem niet meer terug. De algemene regels voor het opslaan van grond en baggerspecie zijn opgenomen in paragraaf 4.122 van het Bal. Artikel 4.1250 van het Bal beschrijft in welke gevallen een eindonderzoek bodem vereist is na opslag van grond en baggerspecie. Een eindonderzoek bodem is niet vereist in het geval de opgeslagen grond of baggerspecie volgens artikel 4.1272 van het Bal op de plaats van opslaan tevens mag worden toegepast. In paragraaf 4.122 van het Bal worden enkele aanvullende eisen genoemd die van toepassing zijn op het opslaan van grond en baggerspecie. Indien gewenst is om af te wijken van de in het Bal gestelde regels, kan de gemeente onder voorwaarden een maatwerkvoorschrift uitschrijven. Initiatiefnemers kunnen hiervoor een verzoek doen bij de gemeente. 8.2Aanvullende eisen bij tijdelijke opslag Heusden De gemeente Heusden wenst de kwaliteit van de bodem aanvullend te beschermen bij het tijdelijk opslaan van grond, baggerspecie en bouwstoffen binnen haar grondgebied. De aanvullende eisen betreffen voortzetting van het voorheen bestaande beleid binnen de gemeente. Een deel van het voormalige vastgestelde beleid komt overeen met de nieuwe algemene regels uit het Bal (zie hiervoor art 4.1249 Bal) en zijn daarom hier niet opnieuw benoemd. 8.3Beleidsregel Voor de deelnemende gemeenten De onderstaande beleidsregel is uitsluitend van toepassing onder het stelsel van de Wet bodembescherming. Oftewel: de regel vervalt op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt. De gemeente staat toe dat een partij grond die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de gebiedsspecifieke toepassingskaart) op een bepaalde locatie binnen de gemeente mag worden toepast, eveneens, voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk in opslag mogen worden genomen. Deze tijdelijke opslag mag maximaal 6 maanden duren. Voor de gemeente Heusden Bij het ontvangen van de melding voor de milieubelastende activiteit opslaan van grond of baggerspecie houdt de gemeente Heusden zich voor om een maatwerkvoorschrift op te kunnen leggen. In dit maatwerkvoorschrift worden de volgende voorschriften opgelegd: De opslagplaats dient zo dicht mogelijk bij de plaats van ontgraven of eventueel toepassen te worden ingericht. Dit wordt door de initiatiefnemer afgestemd met de gemeente Heusden; De opslagplaats dient voldoende afgeschermd te worden, zodat het niet toegankelijk is voor onbevoegden (hekwerk dat op slot kan) en er geen hinder optreedt voor de omgeving (stofvorming). 9Grondverzet wegen en bermen van doorgaande wegen 9.1Onderbouwing De bodemkwaliteitskaart wordt in principe niet representatief geacht voor de wegen en wegbermen buiten de bebouwde kom, alsmede spoorbermen c.q. de spoorzone. Vanuit onder meer Rijkswaterstaat is in 2009 het verzoek naar gemeentes uit gegaan om via de bodemfunctiekaarten het mogelijk te maken om rijkswegen, spoorwegen en bijbehorende bermen de functieklasse industrie toe te kennen (consortium Rijkswaterstaat, SBNS en Prorail (kenmerk RWS/DVS-2009/1569, 30 juni 2009). Gezien de onvermijdelijke (verontreinigende) uitstoot naar de directe omgeving is het in veel situaties niet duurzaam om op dergelijke locaties ‘schone’ grond toe te passen. Ook blijkt uit de praktijk dat wegen en wegbermen van doorgaande wegen over het algemeen heterogeen verontreinigd zijn als gevolg van verkeersactiviteiten (o.a. olielekkages) en onderhoud (o.a. teerhoudende kleeflagen). De deelnemende gemeenten delen dit bovenstaande standpunt en bepalen daarom gemeentelijk beleid op dit thema. De deelnemende gemeenten willen duurzaam en efficiënt omgaan met de grondstromen van wegen en wegbermen van grote doorgaande wegen. Immers: de intensiteit van het gebruik van de weg bepaalt de verontreinigende uitstoot naar de directe omgeving. Het lokale beleid betekent in de praktijk dat grondverzet tussen rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen en de bijbehorende bermen wordt vergemakkelijkt. Voor de begrenzing van de bermen wordt aangesloten bij de volgende figuren. Deze figuren zijn afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009). Figuur 5: begrenzing wegbermen Voor overige wegen en wegbermen die niet hierboven zijn genoemd krijgen geen afwijkend beleid toegewezen. Uitgangspunt hierbij is de verwachting dat de kwaliteit van de overige bermen overeenkomen met de kwaliteit van het omringende gebied. Vrijkomende partijen uit overige bermen zijn toepasbaar conform het generieke beleid, op basis van de bodemkwaliteitskaart en in combinatie met de regels zoals zijn opgenomen in deze Nota. Gezien het bovenstaande hebben de deelnemende gemeenten voor de wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen bepaald hoe van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de milieuverklaring bodemkwaliteit gebruik gemaakt kan worden. Met doorgaande wegen wordt bedoeld: wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u. Voor de gemeenten Zundert wordt afgeweken van deze regel en worden alleen rijks- en provinciale-wegen aangewezen als doorgaande wegen. Dit beleid houdt in dat: De wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen worden apart worden gezoneerd; De wegen en wegbermen doorgaande wegen en spoorwegen krijgen de functie industrie toegewezen; De wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen krijgen voor de bovengrond (traject 0,0-0,5 m -mv.) de ontgravingskwaliteitskwaliteit industrie krijgen toegewezen. Met de bovenstaande uitgangspunten is het mogelijk om grond uit wegen en wegbermen doorgaande wegen en spoorwegen vrijkomt, ook weer binnen dergelijke wegen en wegbermen toe te passen op basis van de bodemkwaliteitskaart. Hieraan worden wel een aantal voorwaarden gesteld, namelijk: De vrijkomende grond (bovengrond (traject 0,0 - 0,5 m -mv.)) kan binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten uitsluitend in dezelfde toepassingszone (industrie) worden toegepast. In de praktijk betekent dit dat er voornamelijk ter plaatse van andere wegen en bermen van wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u en spoorwegen kan worden toegepast; Uit het vooronderzoek conform de NEN 5725 dan wel de Toets herkomst op basis van de NEN 5725 blijkt geen aanleiding tot verdachtmaking van de partij, anders dan de afspoeling van de weg. Onder de bovenstaande voorwaarden is grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart mogelijk in combinatie met een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725, zie voor bewijsmiddelen hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota. Naast weg- of bermgrond kunnen overige partijen die voldoen aan de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast ter plaatse van wegen en wegbermen van wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u en spoorwegen. Vrijkomende grond kan altijd conform het Besluit bodemkwaliteit worden hergebruikt binnen het project/op locatie. Bij verplaatsing van de vrijgekomen grond uit de berm of de weg binnen de gemeentegrenzen wordt door de gemeente geen verificatieonderzoek vereist. De bovengrond van geasfalteerde wegen en bijbehorende bermen in het buitengebied van de gemeenteZundert krijgen de ontgravingskwaliteit klasse wonen toegewezen. 9.2Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij het ontvangen van de melding voor het toepassen van grond ter plaatse van wegbermen van doorgaande wegen in het buitengebied of aan de volgende voorwaarden is voldaan: De partij voldoet aan één van de volgende eisen: De partij is afkomstig uit het beheergebied uit een weg of wegberm van een weg met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u of een spoorweg. Door middel van een verificatieonderzoek van de bovengrond (0,0 - 0,50 m -mv.) (bodemonderzoek conform de NEN 5740 met een gepaste strategie om de bodemkwaliteit aan te tonen dan wel een partijkeuring conform de BRL SIKB protocol 1001) is aangetoond dat de kwaliteit minimaal voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie; De partij is afkomstig uit het beheergebied en voldoet op basis van een NEN 5740-onderzoek met passende strategie dan wel een partijkeuring conform de BRL SIKB protocol 1001 aan de kwaliteitsklasse industrie. Deze vrijgekomen grond kan binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten uitsluitend worden toegepast op locaties die zijn aangewezen als toepassingskwaliteit industrie (gebiedsspecifieke toepassingskaart); Uit het vooronderzoek dan wel Toets herkomst conform de NEN 5725 blijkt geen aanleiding tot verdachtmaking van de vrijkomende bermgrond, anders dan de afspoeling van de naastgelegen weg. Voor het gemeentelijk beleid met betrekking tot het vooronderzoek wordt verwezen naar hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota; Voor de definitie van een berm van zowel de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie wordt aangesloten bij de brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009); Voor wegbermen gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) kan onder wegen en wegbermen van een weg met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u of een spoorweg tevens grond met de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast, tot maximaal 1,5 meter vanaf de verharding. Aan de overige voorwaarden die gelden bij een melding van grondverzet moet worden voldaan. Indien aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan, beschouwt de gemeente dat de toepassing in overeenstemming is met de regelgeving. Enkele uitzonderingen op de voorgaande regels zijn: Bij verplaatsing van grond van wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen over gemeentegrenzen heen is het wel verplicht om een verificatieonderzoek te verrichten. De gemeente toetst of dit onderzoek is uitgevoerd; Bij verplaatsing van grond van wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen binnen de gemeentegrenzen is geen verificatieonderzoek vereist. De bovengrond van geasfalteerde wegen en bijbehorende bermen in het buitengebied van de gemeente Zundert krijgen de ontgravingskwaliteit klasse wonen toegewezen. 10Niet gescheiden ontgraven bij tijdelijke uitname 10.1Onderbouwing Bij de aanleg, vervanging of reconstructie van kabels en leidingen is sprake van een tijdelijke uit-name van de grond. Volgens artikel 36 lid 3 van het Bbk is dit toegestaan indien de uitkomende grond vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Op of nabij dezelfde plaats is in het Besluit niet gedefinieerd als afstand. Aangezien lokale omstandigheden van invloed zijn, beoordeelt de gemeente per geval of sprake is van 'op of nabij'. Formeel betekent dit dat de vrijgekomen grond in dezelfde laag moet worden teruggebracht. Ook de afstand ten opzichte van bijvoorbeeld het grondwater moet voor en na de tijdelijke uit-name vergelijkbaar zijn. Reden hiervoor is dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond over het algemeen slechter is dan die van de ondergrond. Door het niet gescheiden houden van beide lagen, worden verschillende kwaliteitsklassen gemengd. Onder de Omgevingswet valt tijdelijke uitname onder de milieubelastende activiteit ‘graven in de bodem’. Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem. In dat geval gelden niet de regels voor het toepassen van grond en baggerspecie, maar alleen de regels voor deze activiteit. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal; Er is geen sprake van bodemverontreiniging boven de interventiewaarde; Het terugplaatsen vindt plaats in hetzelfde en onder dezelfde omstandigheden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van terugplaatsen “onder dezelfde omstandigheden” als grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd). Of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag). Uitzonderingssituatie Het gescheiden ontgraven en houden van de boven- en ondergrond is in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (inclusief riolering). De grond die bij dit soort werkzaamheden wordt ontgraven, wordt namelijk vaak in één depot geplaatst. Daarbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit de ondergrond, met als consequentie dat de grond geroerd in de sleuf wordt teruggebracht. Dit is met onderstaande figuur geïllustreerd. Figuur 6: Werkzaamheden bij kabels en leidingen Gezien de ervaringen uit de praktijk, maar ook om de werkbaarheid te vergroten, is door de deelnemende gemeenten besloten om bij de tijdelijke uitname van grond, specifiek bij werkzaamheden aan kabels en leidingen, het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond niet strikt te handhaven. Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het opmengen van verschillende kwaliteitsklassen. In een aantal zones binnen het beheergebied van de gemeente kan een verslechtering van de bodemkwaliteit in de ondergrond optreden. De risico’s voor het milieu zouden echter verwaarloosbaar klein zijn. Naar verwachting is de grond ter plaatse van de leidingentracés in het verleden al vermengd geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering) of zijn de kabelgoten destijds mogelijk aangevuld met schone grond. In een aantal zones binnen het beheergebied van de gemeente kan een verslechtering van de bodemkwaliteit in de ondergrond kan optreden. Dit wordt echter geaccepteerd omdat sprake is van verwaarloosbare risico's. De gemeente Goirle wenst het generieke beleid van gescheiden ontgraven te handhaven. Voor de gemeente Breda geldt dat wanneer de ontgraving zich in het wegcunet bevindt gescheiden ontgraven dient te worden. Namelijk bij het graafwerkzaamheden in het wegcunet is voldoende ruimte beschikbaar om grond gescheiden op te slaan. Dit in tegenstelling tot werkzaamheden op het trottoir. Gemeente Heusden: wenst bij graafwerkzaamheden de mogelijkheid te hebben om het vrijgekomen zand uit de ondergrond als bovengrond te kunnen gebruiken als cunetzand. 10.2Beleidsregel De deelnemende gemeenten, met uitzondering van de gemeente Goirle en Breda, zullen niet strikt handhaven op het gescheiden en separaat terugplaatsen van de boven- en ondergrond bij tijdelijk uitname binnen de bebouwde kom. De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst hiervoor of bij de melding voor het graven in de bodem is voldaan aan de volgende voorwaarden: De werkzaamheden worden verricht in het kader van werkzaamheden aan kabels- en/of leidingen. Hieronder valt tevens werkzaamheden aan het riool; De werkzaamheden bevinden zich op een locatie die op de bodemfunctiekaart is aangeduid als functie wonen of functie industrie; In het gehele verticale dieptetraject is er reeds sprake van geroerde grond. Indien er (deels) sprake is van ongeroerde grond, dient deze ongeroerde grond gescheiden te worden ontgraven, opgeslagen en teruggeplaatst in het originele dieptetraject. Uitsluitend grond uit het traject maaiveld tot onderzijde van het onderste dieptetraject zoals op de ontgravingskaart in de bodemkwaliteitskaart is aangegeven, mag geroerd worden teruggeplaatst in de sleuf; Bij het terugplaatsen van uitgekomen grond, dient altijd de zorgplicht in acht te worden genomen. De gemeente Heusden houdt zich voor om in bovenstaande situaties wel het vrijgekomen zand uit de ondergrond als bovengrond te kunnen gebruiken als cunetzand. De gemeente Breda houdt zich voor om in het geval van een kabeltrace onder een wegverharding in het kader van de draagkracht van de bodem te eisen dat de bodemopbouw in stand wordt gehouden. 11Toepassen van thermisch gereinigde grond 11.1Onderbouwing De deelnemende gemeenten hebben zich tot doel gesteld hergebruik van grond zoveel mogelijk te stimuleren zonder daarmee de duurzame eigenschappen van de bodem te belemmeren. Het toepassen van gereinigde grond past in beginsel binnen dit kader. Door bij toepassing van thermisch gereinigde grond (TGG), aanvullend op de Rijksregels maatregelen mee te geven waarbij wordt voldaan aan de zorgplicht, kan op een duurzame en verantwoorde manier worden omgegaan met grondstromen. Op dit moment speelt er een landelijke discussie en zijn er onderzoeken gaande betreffende de bijzondere eigenschappen van TGG. In het recente verleden zijn milieuproblemen ontstaan bij toepassing van TGG. Voorbeelden van voorgaande grootschalige toepassingen waar de toepassing van TGG tot ophef heeft geleid zijn de Westdijk in Bunschoten en een zeedijk in de Perkpolder in Zeeland. Er zijn dan ook aanwijzingen dat in het huidige wettelijke kader voor het toepassen van grond, onvoldoende rekening wordt gehouden met deze eigenschappen van TGG, bijvoorbeeld het uitlooggedrag. Met het verhitten van verontreinigde grond zouden de verontreinigingen verwijderd worden en zou de grond veilig en duurzaam kunnen worden toegepast. Het RIVM erkent echter dat er in de praktijk problemen ontstaan waarbij zware metalen en zouten in het grond- en oppervlaktewater terecht kunnen komen die op hun beurt weer het ecosysteem verstoren8 Kamerbrief 4-11-2021 (IenW/BSK-2021/287238) en Rapport RIVM

(2021): Toepassing van thermisch gereinigde grond. Een evaluatie en opties voor een toepassingskader (rivm.nl). In TGG zijn (ondanks de hoge verbrandingstemperatuur) bepaalde organische verontreinigingen in verhoogde concentraties aangetroffen en was er sprake van uitloging van zware metalen en zouten naar het grondwater en het naastgelegen oppervlaktewater. TGG heeft andere eigenschappen dan ’natuurlijke’ grond die bij ontgravingen vrijkomt vanwege het reinigingsproces die de grond heeft ondergaan. Zo heeft TGG een hoge pH (pH ≈9-11,5) en zijn organische stof en bodemorganismen afwezig. Het toepassen van TGG blijkt door deze eigenschappen niet onder alle omstandigheden probleemloos en duurzaam te kunnen verlopen, aldus het RIVM in haar rapport over de toepassing van thermisch gereinigde grond
  1. Het RIVM concludeert onder meer dat het huidige toetsingskader niet of onvoldoende toereikend is voor het bepalen van de uitloging van metalen en zouten in TGG. De staatssecretaris geeft aan de wetgeving op dit punt aan te gaan passen. Tevens is onlangs gestart met de herziening van de beoordelingsrichtlijn voor het bewerken en reinigen van grond
  2. Het RIVM geeft verder aan dat voor zouten (chloride, sulfaat en bromide) in de regelgeving voor grootschalige bodemtoepassingen (GBT) geen nadere eisen worden gesteld waardoor deze stoffen niet worden getoetst. In gebieden met zoet grond- en oppervlaktewater kunnen hierdoor schadelijke effecten optreden voor plant en dier omdat deze van nature niet gewend zijn aan de hoge zoutgehaltes. Daarom heeft het Ministerie van IenW inmiddels besloten dat oude partijen TGG vanwege de uitloging van zouten alleen nog in gebieden met brak grondwater mogen worden toegepast9 Kamerbrief 14-04-2020 (RWS-2020/24717). De grondreinigers leveren hierover nu op grond van de zorgplicht de benodigde informatie aan bij afnemers. Tevens geven de reinigers aan dat de nieuw geproduceerde TGG aan hogere kwaliteitseisen voldoet. In hoeverre deze nieuw geproduceerde TGG ook zonder schadelijke effecten in gebieden met zoet grond- en oppervlaktewater toepasbaar is, is vooralsnog onvoldoende duidelijk. Over het algemeen kan gereinigde grond nuttig worden toegepast in werken zoals geluidswallen, wegenbouw, verwerking in de beton- en asfaltindustrie of als afdeklaag op stortplaatsen. Om hergebruik van gereinigde grond verder te bevorderen mag gereinigde grond met de maximale kwaliteitsklasse industrie worden toegepast. In 2020 hebben sessies plaatsgevonden met de gemeenten in de OMWB-regio om na te gaan wat de mogelijkheden zijn om TGG toe te passen in deze regio. Uit de sessies en reacties per mail zijn o.a. de volgende bijzonderheden naar voren gekomen: De deelnemende gemeenten willen de kwaliteit van de bodem binnen hun beheergebied beschermen en wensen daarom voorafgaande aan de toepassing van TGG aanvullend bewijs voor de kwaliteit. Verder wensen de gemeente een beperking van de mogelijkheden voor toepassing van TGG tot locaties waarvan verwacht wordt dat deze weinig tot geen risico’s voor het milieu kunnen opleveren; Toepassing van TGG in gemeente-eigen werken wordt beperkt tot grootschalige bodem-toepassingen (GBT), om de herkenbaarheid te garanderen. Bij toepassing in een GBT geldt altijd een minimale hoeveelheid van 5.000 m3 en is sprake van een afdeklaag; Het bevoegd gezag moet de toepassingen van TGG registreren, om te garanderen dat deze werken in beeld zijn en blijven. Verder zag men niet veel mogelijkheden. Toepassing in provinciale wegen wordt lastig geacht omdat die vaak langs natuurgebieden lopen (geen toepassing in een gevoelig gebied). Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond de wettelijke zorgplicht bodem (art. 13 Wbb) en de zorgplicht oppervlaktewater (art. 7 Bbk) in acht worden genomen. In de Kamer-brief en het rapport van het RIVM8 wordt aangegeven dat het bestaande normeringskader voor TGG niet voldoet en ook dat aanpassingen in het toepassingskader en kwaliteitsverbetering van het product noodzakelijk zijn. Hiermee valt de toepassing van TGG onder de zorgplicht. Dit betekent dat toepassing van TGG niet mag leiden tot kwaliteitsvermindering van onderliggende bodem, grondwater en oppervlaktewater. Gemeenten zijn bevoegd voor handhaving van de zorgplicht oppervlaktewater en voor handhaving van de zorgplicht bodem bij toepassing van TGG binnen hun beheergebied. In afwachting van aanpassingen binnen het bestaande normeringskader, aanpassingen in het toe-passingskader en kwaliteitsverbetering van TGG, stellen de deelnemende gemeenten vanuit bovengenoemde zorgplicht een beleidsregel vast waarin zij aangeven onder welke voorwaarden zij toepassing van TGG in lijn met de zorgplicht achten. Het omgaan met en dus invulling van de zorgplicht bij toepassing van TGG is in de eerste plaats primair de verantwoordelijkheid van de toepas-ser – i.c. degene die de activiteit uitvoert, dus de opdrachtgever/initiatiefnemer c.q. de uitvoerend aannemer - en is maatwerk waarbij afstemming tussen de initiatiefnemer, bevoegd gezag landbodem en in voorkomende gevallen waterkwaliteitsbeheerder een belangrijk element is. Zo is van belang dat het grond- en oppervlaktewater in het beheergebied van de deelnemende gemeenten zoet is. In de beheerfase van een toepassing kunnen naast de toepasser ook de eigenaar en beheerder worden aangesproken op het voldoen aan de toepassingsbeperkingen en -voorwaarden, voor zover degene die de TGG heeft toegepast de eigenaar/beheerder hierover heeft geïnformeerd en die zijn akkoord heeft gegeven. Voor de gemeenten Altena, Oosterhout, Breda, Zundert, Woensdrecht, Rucphen en Gilze-Rijen geldt dat TGG in het geheel niet mag worden toegepast in gemeente-eigen werken die binnen het beheergebied van de gemeente worden gerealiseerd. Dit is een privaatrechtelijke aangelegenheid. Daarom leggen deze gemeenten dit aanvullend contractueel vast bij gemeente-eigen werken. In het verleden is in de Noordwaardpolder in de gemeente Altena grootschalig thermisch gereinigde grond toegepast. Wegens de ervaringen met het materiaal en zorgen bij bewoners en de gemeente wordt er hier gekozen om thermisch gereinigde grond niet verder toe te passen in gemeente-eigen werken binnen het grondgebied. De gemeente Oosterhout hanteert tot op heden het beleid dat zij TGG in de beoordeling gelijkstellen aan avi-bodemassen. Avi-bodemassen zijn als IBC-bouwstoffen uitgefaseerd tussen juli 2021 en januari 2022 10 https://www.bodemplus.nl/actueel/nieuwsberichten/2021/einde-toepassing-avi-bodemassen-ibc-bouwstof/. De mogelijkheid van toepassen van IBC-bouwstoffen wordt beëindigd. Om deze reden wordt het toepassen van TGG niet toegestaan in gemeente-eigen werken binnen de gemeentegrenzen van Oosterhout. Het bestaande bodembeleid van de gemeente Breda (Nota Bodembeheer Gemeente Breda, kenmerk 0412322.00, revisie 03, d.d. 22 mei 2017) laat uitsluitend de toepassing van extractief gereinigde grond toe. Toepassing van thermisch gereinigde grond in gemeente-eigen werken is niet toegestaan. De gemeente Breda zet dit beleid voort. Derhalve wordt de toepassing van TGG niet toegestaan in gemeente-eigen werken binnen het grondgebied van de gemeente Breda. Verder stelt Breda net als Oosterhout, TGG in de beoordeling gelijk aan het gebruik van AVI-bodemassen. Daarmee zijn in het verleden (HSL lijn) en recent (Rijksweg A16) veel negatieve ervaringen opgedaan, zorgen van bewoners geuit en raadsvragen gesteld. Om die reden is Breda extra kritisch op toepassing van TGG binnen Bredaas grondgebied. De gemeente Zundert staat het gebruik van thermisch gereinigde grond in gemeente-eigen werken binnen zijn gemeentegrenzen niet toe, omdat de bedoeling van grondreiniging is de grond juist geschikt maken voor gebruik zonder nazorgverplichtingen. Met het toepassen van thermisch gereinigde grond worden nieuwe, versnipperde plekken gecreëerd die eeuwigdurende nazorg behoeven. De gemeente Woensdrecht heeft bijna alle grond op ‘schoon’ staan. Hierdoor staat de gemeente het gebruik van thermisch gereinigde grond in gemeente-eigen werken binnen haar gemeentegrenzen niet toe. Ook zijn er binnen de gemeentegrenzen twee grote waterwingebieden die de gemeente kosten wat kost wil beschermen en is de Brabantse Wal aardkundig waardevol met zijn bijbehorende waterhuishouding. Het risico op uitloog naar de ondergrond door gebruik van TGG is daarbij te groot. De gemeente Rucphen staat het gebruik van thermisch gereinigde grond in gemeente-eigen werken binnen het grondgebied van de gemeente Rucphen niet toe. Over de gehele gemeente wordt de bodem schoon geacht en dit zou de gemeente Rucphen graag zo houden. De gemeente Gilze en Rijen staat het gebruik van thermisch gereinigde grond in gemeen-te-eigen werken binnen zijn gemeentegrenzen niet toe vanwege zorgen bij de gemeente over mogelijke risico’s van het materiaal voor het milieu. NB: Voor grond van grondbanken en extractief gereinigde grond van grondreinigers moet de kwaliteit van grond, waarvan de herkomst buiten het bodembeheergebied gelegen is, voldoen aan de generieke toepassingseisen die gelden op de locatie waar de grond wordt toegepast. 11.2Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, veronderstelt dat in beginsel in overeenstemming met de zorgplicht bodem (art. 13 Wbb) en de zorgplicht oppervlaktewater (art. 7 Bbk) wordt gehandeld indien bij toepassing van thermisch gereinigde grond (TGG) binnen haar grondgebied tenminste onderstaande maatregelen in acht worden genomen: Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met de OMWB over de voorgenomen toepassing. De OMWB zal de toepasser vragen om de uitwerking van de voorgenomen toepassing vast te leggen in een plan van aanpak dat aan de OMWB wordt voorgelegd. Daarbij zal er afstemming tussen toepasser en de OMWB en tussen OMWB en gemeente – en afhankelijk van de toepassingslocatie: het waterschap – plaatsvinden. Dat zal dan met name gaan om toestemming van de eigenaar en eventueel de toekomstige eigenaar voor de toepassing, vastlegging van het eigenaarschap in de beheerfase, nadere uitwerking van de zorgplicht-aspecten, borging van de drooglegging (zetting). Het plan van aanpak met een advies van de OMWB zal worden voorgelegd aan de gemeente. De gemeente heeft daarbij altijd de mogelijkheid om handhavend op te treden als aantoonbaar niet aan zorgplicht wordt voldaan; De toepassing voldoet aan de zorgplicht. Bij de keuring van de TGG wordt de onderzoeksopzet en het uitgebreidere stoffenpakket gehanteerd uit de ‘Algemene onderzoeks-richtlijn thermisch gereinigde grond in het kader van de zorgplicht’ die is opgesteld door de DCMR Milieudienst Rijnmond. Het verplicht bepalen van de maximale emissie zoals vermeld in de Kamerbrief8 maakt onderdeel uit van deze richtlijn. De gemeente of de daartoe aangewezen instantie registreert de toepassingen van TGG om te garanderen dat deze werken in beeld zijn en blijven en registreert tevens de datum van productie van de toegepaste TGG, i.v.m. de herleidbaarheid van de toegepaste partijen. 12Gebruik Toets herkomst NEN 5725 12.1Onderbouwing Teneinde uit te sluiten dat de locatie van herkomst als 'verdacht' ten aanzien van bodemverontreiniging moet worden bestempeld, dient voorafgaand aan grondverzet altijd een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725, zoals beschreven in de Regeling bodemkwaliteit paragraaf 4.
  3. Dit kan de vorm hebben van een vooronderzoek conform de NEN 5725 dat door een bodemadvies-bureau is opgesteld, dan wel een compleet ingevuld formulier Toets herkomst waarin alle onderzoeksvragen zoals in de NEN 5725 zijn opgenomen zijn verwerkt. In de bijlage 5 is een formulier voor de Toets herkomst conform de NEN 5725 opgenomen. Om gebruik te kunnen maken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel dient dit volledig ingevulde formulier bij de melding te worden gevoegd. Tevens moet uit de beantwoording van de vragen blijken dat op de ontgravingslocatie geen op activiteiten hebben plaatsgevonden die de bodemkwaliteit mogelijkerwijs negatief hebben beïnvloed. Het formulier dient ingevuld en ondertekend te worden door de initiatiefnemer. Het Toets herkomst formulier conform de NEN 5725 is alleen geldig indien dit ondertekend is door de initiatiefnemer en alle vragen zijn beantwoord. Door een volledig ingevuld formulier Toets herkomst conform NEN 5725 gecombineerd met de bodemkwaliteitskaart is vrij grondverzet binnen de kaders van het lokale bodembeleid en binnen het beheergebied mogelijk. Er hoeft hierdoor niet altijd een bodemadviesbureau ingeschakeld te worden. Het toets herkomst formulier wordt als onderdeel van de melding getoetst. Indien de melding op basis van de gegevens van de gemeenten (dan wel OMWB) discrepanties blijkt te bevatten, kan grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart niet plaatsvinden. De bodemkwaliteitskaart kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt als: De toe te passen partij grond afkomstig is van een verdachte locatie; Sprake is van bijzondere omstandigheden of De grond zintuiglijk opvallende afwijkingen vertoont (onverwachte situaties). Formulier Toets herkomst NEN 5725 niet volledig en correct is ingevuld en/of niet ondertekend door initiatiefnemer en/of de gemeente Zie voor meer informatie over het gebruik van de Toets herkomst NEN 5725 in combinatie met de bodemkwaliteitskaart en over de bovengenoemde uitzonderingssituaties hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota. Volgt uit de historische toets dat sprake is van een situatie als hierboven beschreven, dan kan de betreffende bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond (en/of de ontvangende bodem). In dat geval dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van één van de bewijsmiddelen zoals beschreven in deel 3, hoofdstuk
  4. 12.2Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij de melding toepassen van grond of baggerspecie op basis van de kwaliteitskaart of het bijgevoegde NEN 5725-vooronderzoek dan wel de Toets herkomst op basis van de NEN 5725 correct en compleet is. Het onderzoek/de toets is bijgevoegd als onderdeel van bij de melding. In het geval de toets is aangeleverd als zijnde vooronderzoek, controleert de gemeente: Het formulier is door de initiatiefnemer correct en volledig ingevuld; Het formulier is door de initiatiefnemer ondertekend; Aan de overige voorwaarden voor het toepassen op grond van de bodemkwaliteitskaart wordt voldaan. Als aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan kan worden ingestemd met de toepassing. Het formulier Toets herkomst NEN 5725 is tezamen met de bodemkwaliteitskaart te gebruiken als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen partij en de ontvangende bodem. 13Terugsaneerbeleid 13.1Onderbouwing Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was in de Circulaire bodemsanering
(2013)vastgelegd dat de bodemfunctieklasse (of de vastgestelde Lokale Maximale Waarde) leidend is bij het bepalen van de terugsaneerwaarde in geval van verwijderen, herschikken en/of bewerken (zoals zeven) op de saneringslocatie. Op het gebied van terugsaneerwaarden geldt er in de huidige situatie (situatie vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) binnen de regio Midden- en West-Brabant gebiedsspecifiek beleid. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de saneringsregels opgenomen als algemene regels in het Bal (onder meer artikel 4.1242). Bij de milieubelastende activiteit saneren van de bodem bepaalt in principe de bodemfunctieklasse die hoort bij het gebied waar de saneringslocatie is gelegen de terugsaneerwaarde. Dit komt overeen met het huidige saneringsbeleid voor immobiele verontreinigingen in de Circulaire bodemsanering en de Regeling uniforme saneringen (stelsel Wet bodembescherming). De gemeente heeft ook onder de Omgevingswet de ruimte om (lokaal afwijkende) waarden die voor het toepassen van grond of baggerspecie, ook als terugsaneerwaarden te laten gelden. De deelnemende gemeenten willen na inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestaande beleid voortzetten. Het gebiedsspecifieke beleid leidt ertoe dat er teruggesaneerd dient te worden tot de gebieds-specifieke toepassingswaarde, zie ook hoofdstuk 5 in deel 1 van deze Nota. Voor gebieden waar geen gebiedsspecifiek beleid voor is opgesteld, is de kwaliteitsklasse die volgt uit de bodemfunctieklassekaart van toepassing als terugsaneerwaarde. Dit is tevens aangegeven op de gebiedsspecifieke toepassingskaart opgenomen in bijlage
  1. Er dient ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de terugsaneerwaarden te worden uitgegaan van de gebiedsspecifieke toepassingswaarden zoals die voor het betreffende gebied vastgesteld zijn (zie hoofdstuk 5). 13.2Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij het ontvangen van de melding voor de milieubelastende activiteit saneren van de bodem met de standaardaanpak verwijderen binnen haar grondgebied of er sprake is van een situatie waarin niet de generieke maar de gebieds-specifieke toepassingskaart gevolgd dient te worden voor de terugsaneerwaarden. De gemeente houdt zich voor om in deze gevallen een maatwerkvoorschrift op te kunnen leggen. In dit maat-werkvoorschrift worden de volgende voorschriften opgelegd: Er wordt teruggesaneerd tot minimaal de maximale waarden behorende tot de bodem-kwaliteitsklasse zoals aangegeven op de gebiedsspecifieke toepassingskaart (bijlage 3). 14Bescherming van natuurgebieden 14.1Onderbouwing In het beheergebied van de deelnemende gemeenten bevinden zich een aantal gebieden met de functie natuur. In deze gebieden worden andere doelen nagestreefd. Deze gebieden zijn vanwege hun gevoeligheid voor bodemverontreiniging/ vermesting ingedeeld onder de bodemfunctie-klasse natuur, zie hiervoor de bodemfunctieklassenkaart in bijlage
  2. Alvorens een partij grond of baggerspecie kan worden toegepast binnen een gebied met de functie natuur van een deelnemende gemeente dient voor de toepassing in deze gebieden afstemming te zijn gezocht met de terreineigenaar door de gemeente over de toe te passen kwaliteit. Voor het verspreiden van onderhoudsbagger op naastgelegen percelen of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie is vrijgekomen, worden volgens artikel 4.1278 van het Bal geen aanvullende eisen gesteld. 14.2Beperking grondverzet Natte Natuurparel van Waalwijk Een natte natuurparel (NNP) is een belangrijk nat natuurgebied met bijzondere natuur die afhankelijk is van voldoende grondwater en een goede waterkwaliteit. Deze natuur kent verschillende kleine ecosystemen, ook wel verschillende habitattypen genoemd. Met een aantal daarvan gaat het niet goed. De meeste gebieden hebben last van verdroging. Het herstel van een goede waterhuishouding door méér en langer water vast te houden, is een belangrijke voorwaarde om de gewenste natuur te behouden of terug te laten keren. De provincie heeft natte natuurparels aangewezen als gebieden met bijzondere natuurwaarden. Natte natuurparels moeten op grond van de Europese regelgeving zodanig worden hersteld dat de oorspronkelijke vegetatie zich optimaal kan ontwikkelen. Binnen de gemeente Waalwijk ligt een Natte natuurparel, namelijk De Westelijke Langstraat. Aan het in dit gebied toepassen van grond worden specifieke eisen gesteld (zowel milieuhygiënisch als civieltechnisch). Voorafgaand aan de toepassing dient daarom in overleg te worden getreden met de gemeente Waalwijk. 14.3Beleidsregel Voor de deelnemende gemeenten De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, zal bij het ontvangen van de melding voor het toepassen van grond of baggerspecie in natuurgebieden binnen haar grondgebied (zie hiervoor de bodemfunctieklassenkaart) toetsen of de eigenaar toestemming geeft voor de voorgenomen toepassing. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het aanleveren van het bewijs van de instemming van de toestemming tot toepassen en voegt bewijs hiervan bij de melding. De gemeente of de daartoe aangewezen instantie vraagt de eigenaar om instemming met de kwaliteit van de toe te passen partij. Voor de gemeente Waalwijk De gemeente Waalwijk houdt zich voor om bij het ontvangen van de melding van het toepassen van grond of baggerspecie binnen de Natte Natuurparel van Waalwijk de toepasser een maat-werkvoorschrift op te leggen. In het maatwerkvoorschrift worden de volgende voorwaarden aan de toepassing gesteld: Er heeft overleg plaatsgevonden met de gemeente Waalwijk over het toepassen van grond of baggerspecie binnen de Natte Natuurparel; De toepassing mag geen negatief effect hebben op de waterhuishouding binnen het gebied. Er wordt voldaan aan de door de gemeente specifieke gestelde eisen (zowel milieuhygiënisch als civieltechnisch) waarbij de waterhuishouding niet negatief beïnvloed wordt. 15Volkstuincomplexen van Waalwijk 15.1Onderbouwing In de bestaande bodemkwaliteitskaart van Waalwijk en in de PFAS-bodemkwaliteitskaart van Waalwijk is geen onderscheid gemaakt in de bodemfunctie/ -kwaliteit of toepassingseis tussen bestaande volkstuincomplexen ten opzichte van het omringende gebied. De gemeente Waalwijk wenst de bodemkwaliteit van volkstuincomplexen wegens het gevoelig gebruik aanvullend te beschermen. Om deze reden is de keuze gemaakt geen grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart plaats te laten vinden. Volkstuinencomplexen binnen het beheergebied van de gemeente Waalwijk worden uitgesloten van de bodemfunctieklassenkaart. Dit betekent dat deze volkstuincomplexen worden uitgesloten van de ontgravingskaarten en toepassingskaarten voor het reguliere stoffenpakket én de kaarten die voor de stofgroep PFAS zijn opgesteld. Het betreft de volgende volkstuincomplexen: Weteringweg, Waalwijk; Besoyensestraat (binnenterrein), Waalwijk; Bevrijdingsweg, Sprang Capelle; Schrevelstraat, Sprang Capelle; Oudestraat, Waspik. In de aangepaste bodemfunctieklassenkaart (20220106 ODMWB-FK) zijn de volkstuincomplexen uitgesloten. 15.2Beleidsregel De gemeente Waalwijk toetst bij de melding van toepassen van grond of baggerspecie vanuit of naar de bovengenoemde volkstuincomplexen in haar beheergebied of aan de volgende eisen is voldaan: Voor het toepassen van grond binnen een van de bovengenoemde volkstuincomplexen wordt een dubbele onderzoeksinspanning verlangd: Van zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem moet met een onderzoek de kwaliteit worden vastgesteld, zie ook het hoofdstuk betreffende bewijsmiddelen (deel 3) van dit document. De reguliere bodemkwaliteitskaart en de bodemkwaliteitskaart voor de stofgroep PFAS is niet een erkend bewijsmiddel voor de milieuverklaring bodemkwaliteit. De milieuverklaring bodemkwaliteit dient naast reguliere parameters minimaal aangevuld te zijn met analyses op de stofgroep PFAS; In het geval er sprake is van verplaatsing van grond binnen hetzelfde volkstuincomplex, kan de grond zonder aanvullende eisen worden hergebruikt. De gemeente handhaaft niet bij hergebruik van grond binnen hetzelfde volkstuincomplex indien er geen verdachtmaking is. Deel 3: Toelichting en uitleg In de volgende hoofdstukken worden onderwerpen beschreven die wel bij het thema bodem horen, maar geen directe impact hebben op het lokale beleid. Het gaat hierbij om een uitleg of beschrijving van het generieke beleid, begrippen en procedures die geen plaats hebben in het omgevingsplan, maar bijvoorbeeld wel in een Omgevingsprogramma. Naast deze toelichting op het generieke beleid (Wbb, Bbk) van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is er ook een uitwerking opgenomen over het generieke beleid onder de Omgevingswet (Bal, Bkl, Bbk). 16Het wettelijk kader 16.1Huidige generieke kader 16.1.1Wet bodembescherming Hoe in Nederland de bodem en het grondwater beschermd wordt, is beschreven in de Wet bodembescherming (Wbb). Zo is in de Wbb beschreven wanneer en hoe sanering van (ernstig) verontreinigde bodem en grondwater dient te worden verricht of wanneer bijvoorbeeld voor beheer van de verontreiniging moet worden gekozen. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet. Essentieel onderdeel van de bodembescherming in Nederland is de zorgplicht, welke is beschreven in artikel 13 van de Wbb. Deze bepaling verplicht ieder die handelingen uitvoert die effect kunnen hebben op de bodem, om ervoor te zorgen dat door die handelingen de bodem niet verontreinigd raakt. Indien er een verontreiniging is ontstaan, dient de veroorzaker op grond van deze zorgplicht de verontreiniging voor zo ver als redelijkerwijs mogelijk is, ongedaan te maken. Gedeputeerde Staten zijn conform de Wbb bevoegd gezag voor alle nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. In het geval de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, is het bevoegd gezag afhankelijk van de omvang van de verontreiniging. Tot 25 m3 grond/100 m3 grondwater niet-ernstige bodemverontreiniging is de betreffende gemeente het bevoegd gezag. Bij verontreinigingen met een grotere omvang, is de provincie het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bij nieuwe bodemverontreinigingen binnen een inrichting is vaak het bevoegd gezag Wet milieubeheer. Zie voor meer informatie Bodemplus.nl 11 https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/wbb/vragen/wbb-algemeen/faq/bevoegd-gezag/ De noodzaak voor sanering en de aard van de te nemen saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. Of een verontreiniging als spoedeisend wordt beschouwd, is afhankelijk van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. De Wet bodembescherming is daarnaast de grondslag voor een aantal besluiten en bepalingen die inhaken op het gebruik van de bodem. Voorbeeld hiervan is het voorgenoemde Besluit Uniform Saneren in het geval er sprake is van verontreinigingen in de bodem. Voor het hergebruik van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie en voor hergebruik van bouwstoffen is het Besluit bodemkwaliteit in 2008 in werking getreden. Dit besluit wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht. 16.1.2Besluit bodemkwaliteit In juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Uitgangspunt bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie is dat deze definitief onderdeel gaan uitmaken van de bodem (een zogenoemde bodemtoepassing). Er wordt ook wel gesproken over het 'beheer van grondstromen', oftewel het op die plaats toepassen van grond (of baggerspecie) waar dit geen risico's oplevert voor enerzijds de actuele bodemkwaliteit ter plaatse (standstill-principe) en anderzijds de functie die de bodem heeft. Met de actuele bodemkwaliteit wordt de diffuse bodemkwaliteit bedoeld, ook wel achtergrond-kwaliteit. Deze diffuse bodemkwaliteit is kenmerkend voor een bepaald gebied en is niet gerelateerd aan een specifieke en herkenbare bron zoals in het geval van puntverontreinigingen. Voor deze laatste vorm van verontreinigingen is het saneringsbeleid van kracht (Wet bodembescherming voor de landbodem en de Waterwet voor de waterbodem) tot het inwerking treden van de Omgevingswet. Bij het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen is het Bbk met name gericht op het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging. In figuur 7 is de positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid aangegeven. Figuur 7: Positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid Relatie met saneringsbeleid In figuur 7 is aangegeven dat het Bbk niet van toepassing is op het saneren van bodemverontreinigingen. Dit is immers geregeld in de Wet bodembescherming. Echter, wanneer wordt gekozen voor functiegericht saneren, heeft het saneringsbeleid wél een koppeling met het Besluit bodemkwaliteit. De in de bodemkwaliteitskaart bepaalde toepassingskaart bepaalt namelijk de concentratie tot waar minimaal dient te worden gesaneerd (de terugsaneerwaarde). Het gaat hierbij om de maximale waarden voor de functieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie. Indien door de gemeente Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, gelden deze als terugsaneerwaarde. Het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming zal derhalve voor de terugsaneerwaarden, maar ook voor de milieuhygiënische kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond, in eerste instantie uitgaan van de maximale waarden voor de functieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie. Het hanteren van de functiekaart als leidraad voor de terugsaneerwaarde was reeds bestaand beleid binnen de meeste gemeenten in de regio Midden en West Brabant. 16.2Toekomstige generieke kader 16.2.1Intrekken Wet bodembescherming Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Wet bodembescherming ingetrokken. Voor sommige locaties is sprake van overgangsrecht, waarbij de Wet bodembescherming nog wel van toepassing blijft. Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor bodem zorgt ervoor dat bodem en ondergrond een integraal onderdeel worden van de Omgevingswet en heeft 3 pijlers: Preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting. Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als het gaat om de kwaliteit van de leefomgeving, in relatie tot het gebruik hiervan. Beheer historische verontreinigingen: het op een duurzame en doelmatige manier beheren van historische verontreinigingen. Elke pijler gebruikt instrumenten uit de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van de bodemkwaliteit. Zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen (BUS). Pijler 1: Preventie Het niveau van zorgplicht wijzigt niet met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Wel is de zorgplicht op een andere manier ingericht. Namelijk, na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de algemene zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet en de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor milieubelastende activiteiten. Deze zorg-plichtbepalingen zijn van toepassing op situaties waarbij bodemverontreiniging na inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontstaan. Artikel 13 Wet bodembescherming blijft van toepassing op situaties die tussen 1 januari 1987 en de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt. Gemeentelijke overheden mogen in het gemeentelijk omgevingsplan aanvullende zorgplichten opnemen. De specifieke zorgplicht stelt de ondernemer verantwoordelijk voor het voorkomen van bodemverontreiniging. En de specifieke zorgplicht vervangt regels die vanzelfsprekend zijn voor een goede bedrijfsvoering. De specifieke zorgplicht beperkt zich niet tot de voorschriften die in artikel 2.11 van het Bal zijn genoemd, maar is een open norm. Meer informatie over wat onder de specifieke zorgplicht valt, is te vinden via de betreffende pagina op iplo.nl 12 https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/rijksregels-mba/specifieke-zorgplicht-milieubelastende-activiteit/bronnen-handhavers-specifieke-zorgplicht/. Verontreiniging of aantasting van de bodem kan ook ontstaan door een ongewoon voorval (calamiteit). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen de betrokken regels inhoudelijk niet. Onder de Wet bodembescherming was dit geregeld in artikel 30 van de Wet bodembescherming. In de Omgevingswet komen deze regels terug in hoofdstuk 19 van de Omgevingswet. Wel is het mogelijk dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bevoegd gezag is gewijzigd. Pijler 2: Toedeling van functies De tweede pijler gaat over bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Regels over het meenemen van bodemkwaliteit in de afweging worden via het aanvullingsbesluit bodem opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Eventuele andere regels over het meenemen van de bodemkwaliteit in afwegingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden door de gemeente opgesteld en vastgelegd in het omgevingsplan. Pijler 3: Beheer van historische verontreinigingen Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen er nog locaties ontdekt worden waar historische bodemverontreiniging aanwezig is en waar de veroorzaker vaak niet meer bekend is. Bestaande regelingen uit de Wet bodembescherming zullen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer gelden. In de Omgevingswet is een bepaling over "toevalsvondsten" (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) opgenomen. Het gaat hier om (voor de gezondheid) risicovolle situaties. De toevalsvondstregeling houdt geen saneringsplicht in en ook het toetsingskader is aanzienlijk beperkter dan de Wet bodembescherming. Voortaan dient de gemeente in de omgevingsvisie en in het omgevingsplan of het omgevingsprogramma aan te geven welke eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit binnen de gemeentegrenzen. De wijze waarop met historische verontreinigingen wordt omgegaan, is bepaald voor een groot deel bepaald in het Bal. De gemeente kan hierover ook regels opnemen in het omgevingsplan. Overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb) Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er sprake van overgangsrecht van de Wbb (hoofdstuk 3 van Aanvullingswet bodem Omgevingswet) voor wanneer er bijvoorbeeld een locatie eerder onder de Wbb is beschikt als ernstig en spoedeisend of voor locaties waar vóór de inwerkingtreding nog een (deel)saneringsplan of BUS melding is ingediend. De Wbb blijft gelden totdat het besluit tot instemming met een evaluatieverslag of een nazorgplan onherroepelijk is geworden. Ook blijft de Wbb gelden voor de maatregelen of beperkingen, die in het evaluatie-verslag of in het nazorgplan staan. De locatie valt dan (gedeeltelijk) onder het bevoegd gezag van de Wbb. In sommige situaties kunnen provincies hun bevoegdheid mandateren aan gemeenten. Voor locaties waarop het overgangsrecht niet van toepassing is, gelden onder de Ow de regels uit het Bal te weten milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120) en het saneren van de bodem (paragraaf 4.121), eventueel aangevuld met maatwerkregels en/of regels die gaan over grondwaterkwaliteit uit de omgevingsverordening van de provincie. De provincie behoudt taken op het gebied van grondwaterkwaliteit, overgangsrechtlocaties en bevoegd gezag taken bodemkwaliteit op complexe bedrijven. De beschikte spoedgevallen vallen onder het overgangsrecht. Ook voorschriften en beheersmaatregelen van Niet-spoed beschikkingen blijven van kracht. Hoe om te gaan met toevalsvondsten/nog niet eerder aangetroffen grondwaterverontreinigingen met een bodemcomponent is vooralsnog onduidelijk. Toetsingscriteria (met name voor freatisch grondwater) zijn nog niet vastgesteld. BKL voorziet wel in signaalwaarden (vergelijkbaar met de huidige interventiewaarden voor grondwater), echter deze dienen vastgelegd te worden in de omgevingsverordening van de provincie. Bevoegde gezagen Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is volgens artikel 2.3 van het Bal de gemeente bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten die met de bodem te maken hebben (zoals graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie). Voor de gemeente zijn dit voor een deel nieuwe taken aangezien onder de huidige regelgeving graven en saneren valt onder de Wet bodembescherming waarvoor de provincies en 29 grotere gemeenten het bevoegd gezag zijn. In deze regio zijn dat Breda en Tilburg. 16.2.2Besluit bodemkwaliteit (Bbk) onder de Omgevingswet Wanneer de Omgevingswet ingaat, komen een aantal onderdelen van het Besluit bodemkwaliteit (van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) in het Bal. Dit zijn regels voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie (plaatsgebonden regels) die zijn ingebouwd in regelgeving onder de Omgevingswet. In de paragrafen 3.2.25 en 3.2.26 van het Bal zijn deze activiteiten omschreven en gedefinieerd en in paragraaf 4.123 (toepassen bouwstoffen) en 4.124 (toepassen van grond of baggerspecie) staan de betreffende regels en eisen. De andere bepalingen uit het Besluit bodemkwaliteit van vóór de Omgevingswet, de zogenaamde niet- plaatsgebonden regels, blijven – in een sterk uitgeklede versie - in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet. Het gaat om regels die zich richten tot de producent, importeur, transporteur, handelaar van bouwstoffen en de regels die zich richten tot degene die onderzoeken verrichten en milieuverklaringen afgeven voor bouwstoffen, grond en baggerspecie). Ook blijven de regels voor de kwaliteitsborging (voorheen kwalibo-regels genoemd) in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet. 17Generieke toepassingseisen 17.1Het generieke toepassingskader Bij het op landbodem toepassen van grond en baggerspecie is het uitgangspunt dat de bodem zijn functie duurzaam kan blijven vervullen. Vandaar ook dat in het Besluit bodemkwaliteit (en artikel 4.1272 van het Bal) de milieuhygiënische kwaliteit, van zowel een toe te passen partij grond (of baggerspecie) als van de ontvangende bodem, is gekoppeld aan de gebruiksfuncties van de bodem. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de functies c.q. klassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Het Besluit bodemkwaliteit bevat landelijk geldende generieke regels voor het toepassen van grond en baggerspecie: Generieke bodemtoepassing; Verspreiden van baggerspecie; Tijdelijke uitname; Grootschalige bodemtoepassing; Tijdelijke opslag. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt tijdelijke uitname in het Bal onder de milieubelastende activiteit ‘graven in de bodem’ en valt tijdelijke opslag onder de milieubelastende activiteit ‘opslaan van grond of baggerspecie’. Generieke toepassingskader onder de Omgevingswet Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was het generieke toepassingskader beschreven in hoofdstuk 4 van het Besluit bodemkwaliteit. Met de ingang van de Omgevingswet gelden voor het toepassen van grond of baggerspecie algemene rijksregels en is het generieke toepassingskader niet meer beschreven in het Besluit bodemkwaliteit maar in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal, paragraaf 3.2.26 en 2.124). Functionele en nuttige toepassing Het toepassen van grond en baggerspecie als bodem is alleen toegestaan indien sprake is van een functionele en nuttige toepassing zoals bedoeld in respectievelijk artikel 5 en artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee wordt bedoeld dat het om een toepassing moet gaan in een hoedanigheid en hoeveelheid die nodig is voor het functioneren van de betreffende toepassing. In artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit worden voorbeelden genoemd van wat onder een nuttige toepassing wordt verstaan. Aangezien een deel van deze toepassingen betrekking heeft op het toepassen in oppervlaktewater, zijn hieronder alleen de nuttige toepassingen weergegeven die zich binnen de regio (op landbodem) kunnen voordoen: Bouw- en wegconstructies (wegen, spoorwegen en geluidswallen); Ophoging van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden; Afdekken van saneringslocaties; Verspreiden van baggerspecie op het aan de watergang grenzende perceel; Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie (voorafgaand aan het toepassen hiervan). Functionele toepassing onder de Omgevingswet Met inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het toepassen van grond of baggerspecie, net als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, alleen toegestaan in een functionele toepassing. Deze functionele toepassingen staan in het tweede en derde lid van artikel 4.1269 van het Bal. Grond of baggerspecie wordt, voor zover de grond of baggerspecie een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Niet alleen de aanleg van een functionele toepassing, maar ook de instandhouding, het herstel, de verandering en de uitbreiding daarvan valt onder het toepassen van grond en baggerspecie. Toepassen van sterk verontreinigde grond Hergebruik van sterk verontreinigde grond is onder het Bbk niet zondermeer toegestaan. Wanneer sprake is van een gebiedseigen diffuse verontreiniging, waarbij de gehalten boven de interventiewaarden liggen, maar er geen sprake is van het overschrijden van het saneringscriterium, kan de gemeente het herschikken van deze grond binnen het geval van bodemverontreiniging namelijk toestaan door hiervoor gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het herschikken binnen het saneringsgeval moet daarnaast in een saneringsplan worden beschreven. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Wet bodembescherming en bij het desbetreffende bevoegde gezag. Toepassen van sterk verontreinigde grond onder de Omgevingswet Voor het toepassen van sterk verontreinigde grond geldt dat dit alleen mag plaatsvinden voor zover de grond of baggerspecie afkomstig is van een diffuus sterk verontreinigde locatie en deze grond of baggerspecie ook weer wordt toegepast op een diffuus sterk verontreinigde locatie binnen het bodembeheergebied (artikel 4.1273 van het Bal). In paragraaf 4.124 van het Bal zi

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.