← Nederland

Welstand Ridderkerk (Ridderkerk)

In het kort

Deze wet regelt de welstand in de gemeente Ridderkerk door criteria vast te stellen voor het uiterlijk van bouwwerken, om zo de ruimtelijke kwaliteit en aantrekkelijkheid van de leefomgeving te waarborgen. Het biedt burgers en architecten een leidraad bij het ontwikkelen van bouwplannen en dient als basis voor de beoordeling door de welstandscommissie.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Welstand Ridderkerk Artikel 0 Dit artikel moet nog worden gesplitst Onze Welstandsnota Nadenken over de ruimtelijke kwaliteit van onze gemeente is een boeiende aangelegenheid. Als er wordt gesproken over wat mooi is en wat lelijk, over wat gewenst is of juist niet, is iedereen "een deskundige", en terecht. Dit kwam onder meer tot uiting in het enthousiasme van de raadsleden om foto’s te maken van "mooie" of "minder mooie" bouwwerken in onze gemeente, en de daaropvolgende levendige discussie. Doordat iedereen een eigen mening heeft is het echter niet altijd duidelijk waarom een bouwplan wèl of juist nìet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daarom is in de nieuwe Woningwet opgenomen dat het welstandsbeleid helderder en inzichtelijker moet. Met het welstandsbeleid op de nieuwe leest wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het behoud en de ontwikkeling van een aantrekkelijke leefomgeving. Bij het opstellen van het welstandsbeleid is veel aandacht besteed aan het herkennen van cultuurhistorische waarden in onze regio. Deze bepalen voor een belangrijk deel de identiteit van onze gemeente. De nog steeds herkenbare linten langs de dijken, de kerk met de kerkring en het landgoed Huys ten Donck zijn zeer waardevol. Ook woningen, boerderijen en oude bedrijfsgebouwen zijn vaak beeldbepalend. Nieuwe ontwikkelingen kunnen worden ingepast in de bestaande omgeving of zelfs een verbetering van de bestaande omgeving tot stand brengen. Deze welstandsnota kan ons helpen de kwaliteit van de bestaande èn de toekomstige omgeving te waarborgen. Ook zal het een handig hulpmiddel zijn voor de burger en architect bij de ontwikkeling van bouwplannen. Het college zal jaarlijks een verslag uitbrengen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid en zonodig voorstellen doen om het beleid bij te stellen. Dit zal de betrokkenheid van de raad en de burgers bij de welstandsnota vergroten. Ik ben ervan overtuigd dat deze welstandsnota een welkome bijdrage zal leveren aan de inzichtelijkheid en helderheid van de besluitvorming rond welstandsaspecten van een bouwplan. Uiteindelijk zal deze welstandsnota ook een bijdrage leveren aan het karakter van onze gemeente en z’n herkenbare wijken. Maarten den Boef, wethouder Voorwoord 3 Inhoud 5 Artikel A: Beleidsregels 7

  1. Inleiding 9 Redelijke eisen van welstand 9 Doel en uitgangspunten van het welstandsbeleid 9 Welstandscommissie 10 Welstandsnota 10 Leeswijzer 10
  2. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid 13 De huidige welstandszorg 13 Ruimtelijk beleid 13 Conclusies voor de welstandsnota 15
  3. Algemene welstandscriteria 17 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie 17 Relatie tussen bouwwerk en omgeving 18 Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context 18 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit 19 Schaal en maatverhoudingen 19 Materiaal, textuur, kleur en licht 19
  4. Gebiedsgerichte welstandscriteria 21 Gebiedsindeling en welstandsniveau’s 22 Gebied 1 Historisch centrum Kerksingel/Sint Jorisstraat 24 Gebied 2 Lintbebouwing ringdijk 26 Gebied 3 Lintbebouwing Lagendijk 28 Gebied 4 Lintbebouwing Kerkweg/Kievitsweg 30 Gebied 5 Lintbebouwing Rijsoord/Oostendam 32 Gebied 6 Dorpskern Oostendam Ridderkerk 34 Gebied 7 Modern winkelcentrum 36 Gebied 8 Woonwijken jaren ‘20 - ‘30 38 Gebied 9 Woonwijken jaren ‘50 - ‘60 40 Gebied 10 Woonwijken jaren ‘70 - ‘80 42 Gebied 11 Woonwijken jaren ‘90 - ‘05 44 Gebied 12 Hoogbouw 46 Gebied 13 Individuele uitbreidingen 48 Gebied 14 Seriematige dorpsuitbreidingen 50 Gebied 15 Modern bedrijventerrein 52 Gebied 16 Traditioneel bedrijventerrein 54 Gebied 17 Havens 56 Gebied 18 Parken en sportcomplexen 58 Gebied 19 Buitengebied 60
  5. Objectgerichte welstandscriteria 63 Object 1 Boerderijen 64 Object 2 Agrarische bedrijfsgebouwen 66 Object 3 Dakopbouwen 68 Object 4 Reclamezuilen, zendmasten en windturbines 72
  6. Criteria voor de sneltoets 75 Klein plan 1 Aan- en uitbouwen (en aangebouwde bijgebouwen) 78 Klein plan 2 Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen 82 Klein plan 3 Dakkapellen 86 Klein plan 4 Gevelwijzigingen 92 Klein plan 5 Erfafscheidingen 94 Klein plan 6 Dakramen 96 Klein plan 7 Zonnepanelen en -collectoren 98 Klein plan 8 Spriet-, staaf- en schotelantennes 100 Klein plan 9 Rolhekken, luiken en rolluiken 102 Klein plan 10 Glazen kassen en warenhuizen 104 Klein plan 11 Reclame 106
  7. Welstandscriteria bij (her)ontwikkelingsprojecten 109 Procedure 109
  8. Welstandscriteria bij excessen 111 Toetsing achteraf 111 Artikel B: Overgangsbepaling 113 Bijlage 115
  9. Begrippenlijst 115
  10. Monumentenlijst 123
  11. Straatnamen en bijbehorende welstandsgebieden 125 Colofon 131 De raad der gemeente Ridderkerk gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. ………………, gelet op artikel 12a eerste lid van de Woningwet, besluit: een welstandsnota vast te stellen, inhoudende de volgende beleids- regels die burgemeester en wethouders toepassen: De Woningwet van 1 januari 2003 roept gemeenten op welstandsbeleid te voeren. De gemeente Ridderkerk heeft deze gelegenheid te baat genomen om te komen tot een samenhangend en inspirerend beleid. De samenhang in de eigenschappen van gebieden en objecten zijn vertaald in objectieve beoordelingscriteria, die de burger een houvast moeten bieden bij het opstellen en indienen van een bouwplan. De omschreven regels zijn niet alleen bedoeld om het oordeel te motiveren, maar zeer zeker ook om de burger met bouwplannen vooraf informatie over en inzicht te geven in de wijze waarop de commissie over bouwplannen adviseert. Naast het vastleggen van criteria in het kader van de wet, is deze beleidsnota bedoeld om het enthousiasme voor de ruimtelijke kwaliteit te vergroten. Redelijke eisen van welstand Welstandstoezicht heeft allereerst ten doel te voorkomen, dat bouwwerken de openbare ruimte ontsieren. Het welstandsbeleid van de gemeente is echter opgesteld vanuit de overtuiging, dat het belang van een goede leefomgeving tevens een rol speelt. Bij iedere aanvraag voor een bouwvergunning wordt bekeken of de plannen voldoen aan redelijke eisen van welstand, wat inhoudt dat de plaatsing en het uiterlijk van het beoogde gebouw wordt beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op artikel 12 van de Woningwet. Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen de aantrekkelijkheid van de leefomgeving als algemene waarde. Veel mensen zijn bereid mee te werken aan het instandhouden of zelfs bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van hun leefomgeving, maar willen wel graag van te voren op de hoogte zijn welke aspecten een rol spelen bij de welstandsbeoordeling na 1 juli
  12. De kaders waarbinnen deze plaatsvindt worden vastgesteld met een politieke keuze door de gemeenteraad, die moet zijn gebaseerd op inhoudelijk onderzoek en een maatschappelijke discussie. Modernisering en vermaatschappelijking van het welstandstoezicht is een belangrijke doelstelling van het voorstel tot wijziging van de Woningwet, die in januari 2003 van kracht is geworden. Artikel 12 van de Woningwet is in dit wijzigingsvoorstel uitgebreid met een nieuw artikel 12 A, dat bepaalt dat de welstandsbeoordeling alleen nog maar kan worden gebaseerd op door de gemeenteraad in een welstandsnota vastgestelde welstandscriteria. Doel en uitgangspunten voor het welstandsbeleid Met de verschijningsvorm van een bouwwerk wordt iedereen geconfronteerd. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte, dat welstand een bijdrage levert aan het tot stand komen en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden te benoemen en een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen, maar ook om gebieden aan te wijzen waar een bijzondere kwaliteit gewenst is. Met de gebiedsgerichte benadering wil de gemeente de waardevolle eigenschappen van ieder afzonderlijk gebied behouden. Doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. Opdrachtgevers, burgers en architecten kunnen in een vroeg stadium informeren welke criteria van toepassing zijn. Voor kleine veranderingen en aanpassingen aan bestaande gebouwen zijn objectieve criteria vastgesteld, die een ambtelijke toets mogelijk maken. Voor grotere bouwplannen in een bestaande omgeving geven de criteria een handreiking bij het maken van een ontwerp, dat binnen zijn context past. Met een jaarlijkse evaluatieronde zal het beleid worden besproken, beoordeeld en eventueel bijgesteld. De welstandscommissie Omdat de welstandsbeoordeling een complex gebeuren is, vragen burgemeester en wethouders bij de meeste bouwplannen een deskundig en onafhankelijk advies van de welstandscommissie. De werkwijze, samenstelling en taakomschrijving van de welstandscommissie is opgenomen in het ‘Welstandsreglement’ dat door de gemeenteraad is vastgesteld als bijlage bij de gemeentelijke bouwverordening. Het advies van de welstandscommissie is uiteindelijk één van de aspecten die een rol spelen bij de beslissing van burgemeester en wethouders om een bouwvergunning al dan niet te verlenen. Het welstandsadvies is voortaan gebonden aan democratisch vastgestelde welstandscriteria. De gemeenteraad stelt met de welstandsnota vast, waar de welstandscommissie op moet letten bij de beoordeling en advisering aan het college van burgemeester en wethouders. De welstandsnota In praktijk zal de welstandsnota niet als leesboek worden gebruikt. De gemiddelde burger met bouwplannen hoeft niet de hele nota te lezen. Wie wil weten welke criteria op een aanvraag van toepassing zijn, zal eerst kijken of het beoogde bouwwerk valt onder de veel voorkomende kleine plannen als dakkapellen en uitbouwen waarvoor in principe met ambtelijke toetsing kan worden volstaan. Is dit niet het geval, dan gelden de gebiedsgerichte criteria of de criteria voor specifieke bouwwerken. Deze zijn minder vast omlijnd dan die voor veel voorkomende kleine bouwplannen, omdat het meer relatieve criteria zijn. Ze laten meer ruimte over voor interpretatie. Indien gewenst kan met de welstandscommissie worden gesproken over de interpretatie in het licht van het beoogde plan. De welstandscriteria vormen een vangnet om plannen te weren, die niet in de gemeente passen. Dit is het primaire doel van welstandstoezicht. Beter zou het echter zijn als de criteria worden gebruikt om na te denken over het bouwwerk in zijn omgeving en als middel om de omgevingskwaliteit te verbeteren. Het kan voorkomen, dat de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn voor de beoordeling, maar dat het project wel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Burgemeester en Wethouders kunnen daarom na schriftelijk en gemotiveerd advies hiervan afwijken. Voor het geven van een advies over dergelijke gevallen zijn algemene criteria opgenomen, die ingaan op de kwaliteiten van goed vakmanschap en dienen om de bijzondere zeggenschap te beargumenteren. In de praktijk zal gelden, dat aan een plan hogere eisen worden gesteld naarmate het zich meer van zijn omgeving onderscheidt. De welstandsnota moet inhoudelijke kennis koppelen aan juridisch houdbare criteria en efficiënte procedures. Bovendien moet de nota leesbaar, begrijpelijk en stimulerend zijn voor verschillende ‘gebruikers’. Dit programma van eisen levert een gelaagde nota op waarin welstandscriteria in allerlei soorten en maten worden uitgewerkt. Daarbij is in ruime mate gebruik gemaakt van foto’s en voorbeelden. Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft het ruimtelijk beleid. Het omvat een beschrijving van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid als basis voor het gewenste welstandstoezicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de algemene welstandscriteria, die gelden als uitgangspunt voor iedere welstandsbeoordeling. Ze beschrijven het goede vakmanschap, dat de basis moet zijn van elk ontwerp. In hoofdstuk 4 en 5 wordt voor de gebieden en objecten in de gemeenten aangegeven op welke wijze dit vakmanschap zou moeten worden ingevuld. De beschrijvingen en criteria geven aan welke eigenschappen wenselijk zijn en dienen als agenda voor de beoordeling door de welstandscommissie. Hoofdstuk 6 bevat sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken als dakkapellen en bijgebouwen. De welstandscriteria voor deze kleine plannen zijn vrijwel objectief zodat een ambtelijke toets mogelijk is. Alleen als zo’n bouwplan van de criteria afwijkt of als in een bijzondere situatie de criteria niet van toepassing zijn, wordt het plan aan de welstandscommissie voorgelegd. In hoofdstuk 7 volgt een omschrijving van de te volgen procedure voor grotere projecten. Voor dergelijke projecten worden welstandscriteria opgesteld, die door de gemeenteraad dienen te worden vastgesteld. Hoofdstuk 8 tenslotte bestaat uit welstandscriteria voor vergunningsvrije bouwwerken. Deze zijn niet per definitie welstandsvrij, zodat er sprake kan zijn van excessen als zij in hun uiterlijk te sterk afwijken van de gewenste kwaliteit. Met behulp van deze criteria kan de gemeente achteraf optreden. De nota wordt afgesloten met bijlagen: een begrippenlijst en een register van straatnamen met een verwijzing naar de betreffende gebiedsbeschrijving(en). Tijdens het opstellen het welstandsbeleid is dit door de gemeente onder de aandacht van het publiek gebracht. Alvorens het beleid vast te stellen is de nota in de inspraak geweest om burgers de gelegenheid te geven hun inzichten kenbaar te maken en het draagvlak te vergroten. Na vaststelling van de welstandsnota zijn de welstandscriteria voor iedereen beschikbaar. Zowel de welstandscommissie als burgemeester en wethouders zullen in het vervolg jaarlijks aan de gemeenteraad rapporteren hoe zij met de uitvoering van het welstandsbeleid zijn omgegaan. In het ruimtelijk beleid van een gemeente is het welstandstoezicht het vangnet, waarmee de ondergrens van de visuele kwaliteit van gebouwen wordt bewaakt. Het niveau waarop dit net komt te hangen, is mede afhankelijk van het beleid van de gemeente. Voor het vaststellen van de regimes en beoordelingscriteria is het ruimtelijk kwaliteitsbeleid op gemeenteniveau geïnventariseerd en een analyse gemaakt van de consequenties voor het welstandsbeleid. Het ruimtelijk beleid wordt op hoofdpunten beschouwd. Verder wordt een aantal plannen samengevat en worden de mogelijke consequenties voor het welstandsbeleid belicht. De huidige welstandszorg Burgemeesters en wethouders laten zich bij de afgifte van bouwvergunningen adviseren door een adviescommissie die bestaat uit onafhankelijke deskundigen van de stichting Dorp, Stad & Land (DSL). Een keer per twee weken houdt de gemandateerde architect zitting in de aangesloten gemeente. Planindieners en ontwerpers kunnen desgewenst een toelichting geven op het plan. Alle kleine plannen, herhalingsplannen en plannen waarvan het advies van de regiocommissie als bekend mag worden verondersteld worden lokaal afgedaan. Alle overige aanvragen worden in dezelfde week in de bij deze gemeente behorende regiocommissie van DSL voorgelegd. Principiële plannen worden buiten de termijnen in de regiocommissie voor behandeling gereed gemaakt. De uitvoering van van het welstandstoezicht geschiedt onder verantwoordelijkheid van van Burgemeester en Wethouders. De plannen worden toegelicht aan de welstandscommissie, waarbij alle relevante informatie aan bod komt. Burgemeester en Wethouders volgen in het algemeen de adviezen van de welstandscommissie. Welstandsbeleid De gemeente voert sinds lange tijd welstandstoezicht uit. Hiervoor zijn algemene welstandscriteria opgenomen in de bouwverordening. Getoetst wordt onder andere op de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte en de stedenbouwkundige context. Verder wordt er beoordeeld op massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling mede in verband met de samenhang in het bouwwerk zelf. ruimtelijk beleid De basis voor het ruimtelijk beleid van de gemeente wordt vooral gevormd door bestemmingsplannen aangevuld met enkele structuurvisies en beeldkwaliteitsplannen. Bij het opstellen of wijzigen van stedenbouwkundige plannen of bestemmingsplannen wordt de welstandscommissie betrokken bij het schrijven van de beeldkwaliteitsparagraaf. Stedenbouw Stedenbouwkundige plannen in de gemeente worden opgesteld ten behoeve van de uitwerking van woon- en werkgebieden door wisselende externe bureau’s. In de stedenbouwkundige plannen wordt de toekomstige ruimtelijke kwaliteit beschreven. In Ridderkerk vormen het Beeldkwaliteitsplan Centrum, het ontwikkelingsprogramma Sterke wijken, vitale gemeente en Ridderkerk in groen perspectief momenteel de belangrijkste plannen. Het Beeldkwaliteitsplan voor het centrum van Ridderkerk is opgebouwd uit twee delen. Het eerste deel geeft een beeld van het nieuwe centrum van Ridderkerk. In het tweede deel worden in het kader van het beeldkwaliteitsplan criteria gepresenteerd die het voorgestane beeld van het centrum ondersteunen. Centraal in het plan is het ovale plein en de directe omgeving. De gekozen stijl voor de architectuur is 'modern klassiek'. Verder worden er richtlijnen gegeven voor rooilijnen, bouwhoogtes en materialen. Er zijn supervisors aangesteld die toezien op de beoogde beeldkwaliteit. De genoemde richtlijnen zullen worden verwerkt in de welstandsnota. In de nota Sterke wijken, vitale gemeente is in het kader van het Investeringsbudget Stedelijke vernieuwing een visie opgenomen die tevens als herijking van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie en het volkshuisvestingsbeleid dient. Deze visie is opgesteld aan de hand van een analyse van de verschillende beleidsvelden en het bepalen van gewenste ontwikkelingen. Vervolgens zijn er projecten benoemd die moeten worden opgepakt om de doelstellingen te bereiken. De visie geeft per deelgebied van de gemeente inzicht in de dynamiek. Dit inzicht zal haar weerslag hebben in de verschillende Welstandsniveau's. De nota Ridderkerk in groen perspectief is niet direct van invloed op het welstandsbeleid. Bestemmingsplannen In de gemeente gelden ongeveer 40 bestemmingsplannen. Een deel hiervan is ouder dan tien jaar. Enkele nieuwe bestemmingsplannen zijn momenteel in procedure. In verschillende bestemmingsplannen is een stedenbouwkundige paragraaf of een beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen. De welstandscommissie wordt altijd betrokken bij het opstellen van deze onderdelen van de bestemmingsplannen. Monumenten en cultuurhistorie Monumentale gebouwen en structuren in de gemeente zijn geïnventariseerd en in totaal tellen Ridderkerk, Slikkerveer, Rijsoord en Bolnes 43 rijksmonumenten en 28 gemeentelijke monumenten. De gemeente heeft in 1997 een subsidie verordening voor onderhoud van gemeentelijke monumenten vastgesteld met als doel het stimuleren van onderhoud en daarmee het behoud van waardevolle panden. De monumentencommissie heeft een adviserende rol ten opzichte van het college van burgemeester en wethouders. Openbare ruimte, landschap en beeldende kunst De gemeente voert geen expliciet kwaliteitsbeleid ten aanzien van de openbare ruimte met uitzondering van het gebied rondom de Kerksingel. Ingrepen worden dan ook niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Het beleid voor het buitengebied van de gemeente is vastgelegd in bestemmingsplannen. Er zijn geen gebieden met een bijzondere karakter die in dit beleid bijzondere aandacht krijgen. Voor beeldende kunst in de openbare ruimte voert de gemeente aankoopbeleid. De commissie Beeldende Kunst adviseert het college voor wat betreft de aankoop en plaatsing van kunst in de openbare ruimte. CONCLUSIES voor HET welstandsbeleid De basis voor het welstandsbeleid is vastgelegd in de Beeldkwaliteitsvisie Oost-IJsselmonde. Voor het bepalen van het ambitieniveau is een inventariserende analyse gemaakt van de aanwezige kwaliteiten van de gemeente. Op basis van de analyse is aangegeven wat de sterke danwel zwakke punten zijn in de ruimtelijke opbouw en welke kansen en bedreigingen daaruit voortvloeien. De aandacht is daarbij hoofdzakelijk uitgegaan naar structuren en verbanden in de opbouw van het landschap en de kernen. De analyse heeft geresulteerd in kaarten waarop de bijzondere structuren en bebouwing staan aangegeven. Samen met de bebouwingskaarten vormen deze de basis voor het te voeren welstandsbeleid. Aansluiting tussen de verschillende beleidsdocumenten Voor effectief en hanteerbaar kwaliteitsbeleid is het van belang zorg te dragen voor een goede afstemming en aansluiting tussen de verschillende instrumenten. Elk instrument heeft zijn eigen achtergrond en reikwijdte, maar daarnaast zijn ze ook met elkaar verweven omdat ze allemaal betrekking hebben op bebouwing. In het kader van het welstandsbeleid is vooral de relatie tussen bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en de welstandsnota van belang. Het bestemmingsplan is gericht op de ruimtelijke ordening en regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken. Datgene wat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. Dit houdt in, dat de grenzen van het bestemmingsplan bepalend zijn. De architectonische vormgeving van gebouwen valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt door de welstandsnota geregeld. Het welstandsadvies richt zich op de gekozen invulling. De welstandscriteria kunnen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit waar nodig invulling geven aan de ruimte die het bestemmingsplan biedt. Als een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan maar alternatieve invulling mogelijk is, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Uiteraard moet de welstandsnota de argumentatie voor een dergelijk advies leveren. De indiener kan dan worden gevraagd een andere invulling te geven binnen de bepalingen van het bestemmingsplan. Ook de afstemming tussen de welstandsnota en andere beleidsdocumenten zoals beeldkwaliteitsplannen is van belang. Deze worden in het algemeen ingezet om sturing te geven aan de uitwerking van stedenbouwkundige plannen en gaan in op de ruimtelijke en visuele aspecten van de openbare ruimte of gebouwen. Dit soort plannen dient te worden gehanteerd als inspiratiebron èn als toetsingskader. Dergelijke beleidsdocumenten worden door verwijzing danwel integrale opname geacht deel uit te maken van de welstandsnota. De welstandscommissie wordt geacht eveneens te toetsen aan de beeldkwaliteitsplannen. Vanzelfsprekend gelden voor deze documenten dezelfde eisen als voor de welstandsnota. Ze dienen als beleidsregel te zijn vastgesteld door de gemeenteraad met in achtneming van inspraak volgens de geldende gemeentelijke inspraakverordening. Ook dienen de in de beeldkwaliteitsplannen opgenomen criteria voor de vormgeving van bouwwerken ‘zo veel mogelijk’ te zijn toegespitst op het individuele bouwwerk en de gewenste specifieke aspecten. De aanwezige beeldkwaliteitsplannen vormen een onderdeel van het welstandsbeleid van de gemeente. De algemene welstandscriteria die in deze paragraaf worden genoemd richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. De algemene welstandscriteria liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan èlke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk zullen die uitwerkingen meestal voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wèl aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo’n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van ‘redelijke eisen van welstand’ ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. RELATIE TUSSEN VORM, GEBRUIK EN CONSTRUCTIE Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. RELATIE TUSSEN BOUWWERK EN OMGEVING Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen van en in bezit nemen van een deel van de algemene/open ruimte. Veelal vormen gevels en volumes zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een zelfstandig object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. BETEKENISSEN VAN VORMEN IN SOCIAAL-CULTURELE CONTEXT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. EVENWICHT TUSSEN HELDERHEID EN COMPLEXITEIT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. SCHAAL EN MAATVERHOUDINGEN Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. MATERIAAL, TEXTUUR, KLEUR EN LICHT Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Ridderkerk. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van de gemeente en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. Deze criteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving niet teveel uit de toon te vallen, en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. Gebiedsindeling In de gemeente Ridderkerk kunnen op basis van overeenkomsten in functionele, stedenbouwkundige en/of architectonische kenmerken 19 deelgebieden worden onderscheiden. Per welstandsgebied is een samenhangend beoordelingskader opgesteld, waarin de volgende onderdelen aan de orde komen: Een korte beschrijving van het gebied, waarbij aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving, een typering van de bouwwerken en het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering. Een samenvatting van het beleid, de te verwachten en/of gewenste ontwikkelingen en de waardering voor het gebied op grond van de belevingswaarde en eventuele bijzondere cultuurhistorische, stedenbouwkundige of architectonische werken. De aanvullende beleidsinstrumenten die de gemeente inzet in het gebied. Het voor het gebied geldende welstandsniveau. De welstandscriteria, steeds onderverdeeld in criteria betreffende de ligging van het bouwwerk in de omgeving, de massa, de architectonische uitwerking en het kleur- en materiaalgebruik. Welstandsniveau’s Het vaststellen van het welstandsniveau is cruciaal voor het opstellen van de welstandscriteria. Het welstandsniveau moet aansluiten bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. In theorie zijn drie welstandsniveau’s mogelijk: het bijzondere welstandsgebied waar extra inspanning ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is, het reguliere welstandsgebied waar de basiskwaliteit moet worden gehandhaafd, het welstandsvrije gebied. Voor 6 gebieden in Ridderkerk wordt het bijzondere welstandsniveau voorgesteld. Het gaat om gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht. Het welstandstoezicht moet een bijdrage leveren aan het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Voor 13 gebieden wordt een regulier welstandsniveau voorgesteld. Deze gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De gemeente stelt hier geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van de gebieden. In Ridderkerk wordt in deze beleidsnota geen welstandsvrij gebied aangewezen, omdat de gemeente het belangrijk vindt dat er gelet wordt op een goede architectonische kwaliteit van gebouwen in relatie met hun omgeving. Gebiedsbeschrijving Ridderkerk is ontstaan als een kerkring-voorstraatnederzetting. De dorpskern ligt dicht tegen de ringdijk en de kern ervan bestaat uit een omgracht kerkterrein met daaromheen bebouwing. Vanaf de ringdijk is ten zuiden van de kerkring de voorstraat aangelegd, de huidige Sint Jorisstraat. Via twee smalle straten is de Kerksingel verbonden met de Sint Jorisstraat. Ook de Schepenstraat en de Kerksteeg behoren tot de historische kern van het dorp. De vrijstaande bebouwing langs de Kerksingel bestaat uit woonhuizen en boerderijen en heeft een monumentaal karakter. Woningen met evenwijdig aan de weg lopende noklijnen liggen iets terug van de straat en hebben voortuinen. De boerderijen hebben over het algemeen een haaks op de weg staande noklijn. De gevels ervan sluiten direct aan op het straatprofiel. De gebouwen aan de Sint Jorisstraat zijn aaneen gebouwd en vormen een gesloten straatprofiel. De gevels sluiten direct aan op het straatprofiel. Langs de Schepenstraat en de Kerksteeg zijn korte rijtjes arbeiderswoningen gebouwd. De openbare ruimte en de overgang naar privéterrein zijn zorgvuldig vormgegeven. Met uitzondering van de arbeiderswoningen zijn de gebouwen individueel en afwisselend. Langs de Kerksingel verspringt de rooilijn. De arbeiderswoningen vormen korte rijtjes met rechte rooi- en noklijnen. De opbouw van de panden in het gebied bestaat uit van één tot twee lagen met een zadeldak. Bij boerderijen komt een enkele keer ook een wolfseind voor. Bij individuele panden varieert de nok- en goothoogte. Panden hebben over het algemeen een verticale geleding. De bovenbouw van de gevel is meestal symmetrisch opgebouwd, terwijl de onderbouw door een deur veelal a-symmetrisch is opgezet. Ramen zijn staand en meestal onderverdeeld door stijlen en regels. Aan de voorzijde komen geen aan- en uitbouwen voor. Dakkapellen zijn bescheiden van maat, staan meestal vlak boven of op de goot. Op-, aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt, staan achter de hoofdmassa en zijn in samenhang met de hoofdbebouwing vormgegeven. De detaillering van de panden is zorgvuldig en vooral bij de woningen en boerderijen langs de Kerksingel rijk. Dit komt tot uiting in een fijne uit-werking van kleine elementen als gootklossen, dak-, raam- en deur-lijsten. Ook in gemetselde gevelbeëindigingen, siermetselwerkpatronen en balkankers komt de rijke detaillering tot uiting. Het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel. Gevels zijn gemetseld in gele of rode baksteen of in sommige gevallen voorzien van in lichte tint gepleisterd stucwerk. Zijgevels kunnen ook betimmerd zijn met houten rabatdelen. De houten kozijnen hebben een traditioneel Hollandse profilering en zijn net als ramen, deuren en luiken geschilderd in crèmewit of donkergroen. Daken zijn gedekt met rode of donkere keramische pannen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De bebouwing in het gebied rondom de Kerksingel heeft grote cultuurhistorische waarde voor Ridderkerk. Samen met de lintbebouwing langs de ringdijk vormt het de oorsprong van het dorp. Door reclame uitingen aan de gevel van panden langs de Sint Jorisstraat is hier in tegenstelling tot de rest van het gebied een rommelig beeld ontstaan. De dynamiek van de bebouwing is laag en bestaat eventueel uit kleine wijzigingen. Grootschalige vernieuwing komt nauwelijks voor en veranderingen blijven meestal beperkt tot hooguit de vervanging van een enkel pand. Het beleid is gericht op het inpassen van ontwikkelingen in de bestaande situatie. Bijzonder welstandsregime Voor het gebied rondom de Kerksingel geldt een bijzonder welstandsregime, dat is gericht op het behoud van het monumentale karakter van de bebouwing. Bij wijzigingen dient het dorpse karakter, het afwisselende beeld en de individualiteit behouden te blijven. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het historisch centrum zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging per erf of kavel is er één hoofdmassa gebouwen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte de rooilijnen verspringen bij voorkeur enigszins ten opzichte van elkaar aan- en bijgebouwen liggen achter het hoofdgebouw Massa gebouwen zijn individueel en afwisselend gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm per erf of kavel is er één hoofdmassa in maat en schaal aangepast aan de omringende panden gebouwen zijn niet hoger dan twee lagen en voorzien van een kap de nok staat dwars op de weg of ligt daaraan parallel de hoeken van de gebouwen zijn gemetseld met penanten van tenminste 0,30 meter breed de gevel van de bovenbouw heeft een symmetrische opzet goothoogte en gevelbeëindigingen verschillen op- en aanbouwen zijn beperkt in maat en ondergeschikt de voet van de dakkapel staat op of vlak boven de goot of lijst geen erkers en andere uitbouwen aan de voorzijde van de panden Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig de detaillering is afgestemd op of sterk gerelateerd aan zijn omgeving gevels hebben een duidelijke geleding gevelopeningen zijn staand en onderverdeeld met stijlen en regels dakkapellen, lijsten en dergelijke zijn zelfstandige ondergeschikte elementen en in maatvoering en architectuur afgestemd op de hoofdmassa Materiaal- en kleurgebruik het kleurgebruik is terughoudend materialen zijn traditioneel gevels zijn overwegend uitgevoerd in rode danwel gele baksteen of voorzien van in witte tint gepleisterd stucwerk. daken zijn gedekt met rode of donkere keramische pannen traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt houtwerk is geschilderd in traditionele kleuren als crèmewit en donkergroen. Gebiedsbeschrijving Wanneer ringdijk zonder hoofdletter geschreven wordt, wordt hiermee de dijk als structurerend element door Oost-IJsselmonde bedoeld. Ringdijk geschreven met hoofdletter is de naam van het deel van de ringdijk tussen de kerkring en de Boelewerf in Bolnes. De bebouwing langs de ringdijk heeft voornamelijk een individueel karakter is nadruk-kelijk op de dijk georiënteerd. Hoewel er verschillen bestaan in massa en opbouw van de bebouwing, is de ligging aan de ringdijk het bindende principe. Aan de Westmolendijk en de Ringdijk tot de Rotterdamseweg bestaat de bebouwing uit min of meer aaneengeslo-ten dorpsachtige bebouwing. Ter hoogte van de kerkring heeft deze bebouwing door een klassieke opbouw en een fijnere detaillering een statiger uiterlijk. Langs de dijk ter hoogte van de kop van Slikkerveer, waar dijk en rivier elkaar bijna raken, staan nieuwere vrijstaande woningen waarbij meestal een erachterstaand bedrijfspand hoort. Op enkele plekken zijn doorzichten mogelijk naar achterliggende terreinen en de rivier. Langs de Middenmolendijk en de Oostmolendijk bestaat de bebouwing hoofdzakelijk uit vrijstaande traditionele dijkbebouwing. Langs het eerst genoemde deel van de ringdijk bestaat de bebouwing uit korte rijtjes traditionele dijkwoningen, afgewisseld met individuele panden. De rooilijn verspringt licht. De bebouwing langs de ringdijk na de Oranjestraat bestaat uit vrijstaande of geschakelde woningen die vrij op de kavel staan. De rooilijn van de individuele woningen verspringt. De opbouw van de panden bestaat uit een onderbouw van één of ten hoogste twee bouwlagen met zadeldak. Ook komen wolfseinden voor. De gevels zijn representatief met een traditionele opbouw. Doordat ramen aan de onder- en bovenzijde gelijk lopen, hebben de gevels een duidelijke geleding. Rooi- en noklijnen lopen meestal evenwijdig aan de dijk. De vrijstaande panden hebben een opbouw van twee lagen met kap. De hoofdmassa is samengesteld. Nokrichting staat haaks op de dijk. Door de staande ramen hebben de gevels een verticale geleding. De detaillering van de gebouwen is meestal eenvoudig maar zorgvuldig. Gevels van de traditionele dijkwoningen zijn meestal voorzien van eenvoudige versieringen als balkankers of siermetselwerk. Het houtwerk van de kozijnen, deuren, dakgoten en gevellijsten heeft een fijne detaillering. Ter hoogte van de Sint Jorisstraat staan enkele panden die door een duidelijke oriëntatie op de dijk, een klassieke gevelopbouw met een hogere begane grondlaag en rijke detaillering een statige uitstraling hebben. Ter hoogte van Slikkerveer hebben de panden en eenvoudiger detaillering, zonder versieringen. Het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel. De gevels zijn over het algemeen van rode baksteen of gele ijsselstenen soms in witte tint gestuct. Daken hebben in principe rode of donkere keramische pannen. Houten kozijnen, deuren en ramen zijn meestal geschilderd in traditionele kleuren als crèmewit en donkergroen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De afwisselende en soms kleinschalige bebouwing schept een samenhangend beeld. Het dijklint vormt een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke structuur van Ridderkerk. Doordat het ontstaan en de eerste groei van Ridderkerk onder andere af te lezen is van de bebouwing langs de dijk heeft het gebied bijzondere cultuurhistorische waarde. De dynamiek van de lintbebouwing is gemiddeld en bestaat vooral uit kleine wijzigingen. Grootschalige vernieuwing komt nauwelijks voor blijft meestal beperkt tot hooguit de vervanging van één pand. Het beleid is gericht op het inpassen van ontwikkelingen in de bestaande situatie. Bijzonder welstandsregime Voor de lintbebouwing langs de ringdijk geldt een bijzonder welstandsregime. Bij wijzigingen dient het dorpse karakter, het afwisselende beeld en de individualiteit van de bestaande bebouwing behouden te blijven. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het bebouwingslint langs de ringdijk zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging hoofdbebouwing staat vooraan de kavel gebouwen zijn met de voorgevel gericht op de ringdijk de voorgevelrooilijn ligt parallel aan de ringdijk en verspringen enigszins ten opzichte van elkaar aan- en bijgebouwen liggen achter de hoofdmassa de panden langs de ringdijk in Slikkerveer zijn vrijstaand, doorzichten op het achterterrein en de rivier dienen behouden te blijven Massa de gebouwen zijn individueel en afwisselend bebouwing voegt zich in maat en schaal naar omliggende bebouwing panden hebben een opbouw van één tot twee lagen en zijn voorzien van een zadeldak de noklijn staat dwars of loopt parallel aan de ringdijk op- en aanbouwen zijn beperkt in maat en ondergeschikt aan de hoofdmassa langs de dijk in Slikkerveer is er per erf of kavel één hoofdmassa in maat en schaal aangepast aan de omringende panden bij aanpassingen aan vrijstaande gebouwen moet de hoofdvorm van het gebouw duidelijk herkenbaar blijven Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is gevarieerd en zorgvuldig fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, belijning en siermetselwerk in het gevelvlak gevels zijn duidelijk geleed gevelopeningen zijn staand wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleurgebruik is terughoudend en traditioneel materialen zijn traditioneel gevels zijn overwegend gemetseld in rode en soms gele bakstenen, een enkele keer in lichte tint gestuct daken zijn gedekt met rode of donkere keramische pannen traditioneel Hollandse houten deuren en kozijnen en profilering vormen het uitgangspunt Gebiedsbeschrijving De Lagendijk is een belangrijk historisch element die de historische verbinding vormt tussen de kerkring en het bebouwingslint langs de Rijksstraatweg in Rijsoord. Langs de Lagendijk staan dorpsachtige korte rijtjes aaneen gebouwde en vrijstaande woningen, aan de centrum zijde een enkele winkel en richting de snelweg enkele oudere bedrijfsgebouwen. Aan de noordzijde van de weg is de bebouwing veel minder dicht, het beeld wordt beheerst door grote monumentale boerderijen. Hierdoor is het beeld afwisselend, er komt zowel traditionele als nieuwe en grootschalige als kleinschalige bebouwing voor. Door het open karakter van het lint, de voor- en zijtuinen van de woningen en de monumentale begraafplaats heeft het lint een groen karakter. De bebouwing is veelal gevarieerd en vrijstaand, met rooilijnen die de weg volgen en soms verspringen. De panden zijn met de top of langsgevel gericht naar de weg. De boerderijen staan verder van de weg en hebben een vrijere oriëntatie. Rooilijnen volgen hier niet altijd de weg. De meeste panden hebben een eenvoudige hoofdvorm tot twee lagen hoog, afgedekt met een zadeldak. De nokrichting loopt evenwijdig aan of haaks op de weg. Enkele panden hebben een plat dak. De gevels hebben veelal grotere horizontaal gelijnde raampartijen op de begane grond en kleinere op de verdieping. Een enkele woning heeft een erker of een aanbouw aan de zijgevel. Panden zijn overwegend zorgvuldig gedetailleerd. Bij traditionele panden komen onder andere fijn gedetailleerde dakgoten, gootklossen en windveren voor. Bij monumentale boerderijen komen veel rijke details als omlijstingen om de grote ramen en een windveer langs de dakrand of een gemetselde gevelbeëindiging voor. De woningen en bedrijfsgebouwen aan het einde van Lagendijk hebben veelal een sobere detaillering. Het materiaal- en kleurgebruik is in het algemeen traditioneel en terughoudend. De meeste gevels zijn van baksteen, een enkele keer gepleisterd of geschilderd in een lichte tint. Sommige panden hebben een plint van een ander materiaal en/of andere kleur. Kozijnen zijn in het algemeen van hout, geschilderd in traditionele kleuren. De hellende daken zijn afgedekt met donkere of rode pannen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De Lagendijk is een belangrijke historische structuur in Ridderkerk. De lintbebouwing heeft een gevarieerde structuur met vrijstaande woningen en boerderijen. Schaalvergroting langs het lint is een aantasting van de beeldkwaliteit evenals een afwijkende oriëntatie en een versobering van de architectonische uitwerking. De dynamiek in dit gebied is gemiddeld en betreft vooral kleine wijzigingen of hooguit het vervangen van een pand. Het beleid is gericht op behoud en versterking van het karakter, individualiteit en afwisseling vormen het uitgangspunt waarbinnen nieuwbouw en wijzigingen moeten passen. Bijzonder welstandsregime Voor de lintbebouwing langs de Lagendijk geldt een bijzonder welstandsregime. Bij wijzigingen dient het dorpse karakter, het afwisselende beeld en de individualiteit van de bestaande bebouwing behouden te blijven. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in langs de Lagendijk zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging het dorpse karakter van de lintbebouwing in principe behouden en versterken per erf of kavel is er één hoofdmassa schaalvergroting door bijvoorbeeld samenvoeging of grote aanbouwen is ongewenst gebouwen zijn met de voorgevel gericht naar de weg de voorgevelrooilijnen volgen de weg en verspringen ten opzichte van elkaar Massa de hoofdmassa en gevelopbouw harmoniëren met het dorpse karakter van het gebied bebouwing voegt zich in maat en schaal naar omliggende bebouwing de hoofdmassa’s zijn in principe individueel en afwisselend gebouwen hebben eenvoudige hoofdvorm gebouwen bestaan uit een opbouw van één tot twee lagen met hellende kap of plat dak de nokrichting van het hellende dak staat dwars op de weg of ligt daaraan parallel op- en aanbouwen zijn ondergeschikt Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, belijning en baksteenpatronen in het gevelvlak de hoofdmassa’s zijn duidelijk geleed wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume bijgebouwen zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als de hoofdmassa traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt Materiaal- en kleurgebruik materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel gevels zijn in hoofdzaak van rode of gele baksteen hellende daken zijn gedekt met rode of donkere pannen het houtwerk is geschilderd in traditionele kleuren traditioneel Hollandse houten deuren en kozijnen en profilering vormen het uitgangspunt Gebiedsbeschrijving De arbeiderswoningen langs de Kerkweg in Ridderkerk en de Kievitsweg in Slikkerveer vormden voor de Tweede Wereldoorlog de eerste uitbreidingen buiten de tot dan toe bestaande structuren van de kernen. De Kerkweg en de Kievitsweg lopen vanaf de ringdijk als rechte lijnen het voormalige kleinschalige polderlandschap in. De woningen langs beide wegen werden gebouwd tussen circa 1910 en
  13. Door de groeiende scheepsindustrie nam de bevolking van de twee dorpen snel toe. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit samenhangende korte rijtjes, twee-onder-één-kap woningen en een enkele vrijstaande woning. Op enkele plekken in het lint komen kleinschalige bedrijfjes voor. De rijwoningen hebben en rechte rooilijn en zijn gericht op de weg. Ze staan direct aan de straat of hebben kleine soms geheel verharde voortuinen. Overgang tussen de tuinen en de stoep is veelal zorgvuldig vormgegeven. Herhaling van de woning is uitgangspunt. De woningen hebben een eenvoudige opbouw bestaande uit één laag met een kap. De woningen zijn veelal voorzien van een zadeldak of mansardekap. De nokrichting loopt evenwijdig aan de straat. Binnen de rijen zijn er weinig accenten. Hoekwoningen zijn op een raam in de zijgevel na voor het merendeel gelijk aan de tussenwoningen. Dakkapellen komen veel voor. Aan de voorzijde zijn ze per rij meestal van hetzelfde model. De dakkapellen staan onderin het dakvlak en bijna altijd met de onderdorpel in de goot. Een enkele keer steken ze door de goot heen en zijn ze doorgetrokken in de voorgevel. Aan de achterzijde zijn de dakkapellen veelal individueel in plaatsing, maat, detaillering, materiaal en kleur. Aanbouwen en bijgebouwen komen veel voor. Deze zijn in het algemeen achter de voorgevelrooilijn geplaatst en niet overal per rij van hetzelfde model. Door individuele verbouwingen en individueel kleurgebruik is de samenhang deels verloren gegaan. De detaillering is zorgvuldig en eenvoudig. Gevelopeningen hebben gemetselde lateien. Hoge gemetselde schoorstenen vormen bij enkele rijen een accent. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel. De gevels zijn gemetseld in roodbruine of bruine baksteen. De daken zijn gedekt met oranje of donker grijze pannen. Kozijnen zijn in het algemeen van hout en net als ander houtwerk geschilderd in traditionele kleuren. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De linten met arbeiderswoningen hebben voor Ridderkerk een bijzondere cultuurhistorische waarde. De bebouwing vormt de eerste van een lange reeks uitbreidingen die buiten de negentiende eeuwse structuur van het dorp tot stand zijn gekomen. Hoewel het afzonderlijke beeld door particuliere verbouwingen op enkele plaatsen is aangetast, is de samenhang tussen de woningen nog grotendeels in tact. De dynamiek in deze gebieden is gemiddeld en betreft veelal kleine wijzigingen en uitbreidingen van de woning. Behoud en versterking van de samenhang van de panden en het kleinschalige dorpse karakter vormt het uitgangspunt voor het beleid. Bijzonder welstandsregime Voor de linten met arbeiderswoningen langs de Kerkweg en de Kievitsweg geldt een bijzonder welstandsregime. De beoordeling is gericht op behoud van een samenhangend beeld, de herhaling van de woning met accenten bij een stedenbouwkundige aanleiding, de gedifferentieerde opbouw met nadrukkelijke kap, zorgvuldige detaillering en het gebruik van traditionele materialen en kleuren. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen langs de Kerkweg en Kievitsweg zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging het dorpse karakter van het gebied behouden gebouwen zijn met de voorgevel gericht naar de weg bebouwing staat vooraan op de kavel de individuele woning binnen een rij is deel van het geheel de rooilijn volgt de weg en verspringt niet bestaande rooilijnen aan voorzijde van rijen behouden Massa de rijwoningen kennen een sterke onderlinge samenhang de woningen bestaan uit een onderbouw van één laag met een kap woningen hebben meestal een zadeldak of een mansardekap op- en aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element op-, aan- en uitbouwen zijn bij voorkeur per rij van hetzelfde model aantasting van dakvlakken door grote dakkapellen, dakramen en dakopbouwen voorkomen geen uitbouwen als erkers aan de voorzijde Architectonische uitwerking ontwerpaandacht voor alle details de detaillering is per rij in samenhang bij rijwoningen in de uitvoering de herhaling benadrukken wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op de rij overgang tussen privé en openbaar terrein is zorgvuldig vormgegeven Materiaal- en kleurgebruik het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel het materiaal- en kleurgebruik is per rij in samenhang gevels zijn van bruine of roodbruine baksteen daken zijn gedekt met oranje of donker grijze dakpannen kozijnen zijn bij voorkeur van hout Gebiedsbeschrijving De lintbebouwing door Rijsoord en Oostendam heeft voornamelijk een individueel karakter en is nadrukkelijk op de weg georiënteerd. Het zwaartepunt van de bebouwing in Rijsoord ligt langs de Rijksstraatweg bij de brug over de Waal. Het lint loopt vanaf hier verder richting de afslag van de A15 bij het bedrijventerrein Veren Ambacht, langs de Lagendijk, de Mauritsweg en de Noldijk. Het lint langs de Pruimendijk is minder dicht en loopt vanuit de dorpskern van Oostendam over de noordoever van de Waal richting Rijsoord. De lintbebouwing staat hoofdzakelijk tussen de weg en de Waal. De bebouwing bestaat uit min of meer aaneengesloten dorpsachtige panden. Korte rijtjes worden hier en daar afgewisseld door vrijstaande panden. Doordat de bebouwing over het algemeen direct aan de weg is gelegen, is er een kleinschalig en op enkele plekken smal profiel ontstaan. Tussen de panden door zijn er soms doorzichten mogelijk op achter liggende terreinen, het open landschap of de Waal. Tussen de traditionele bebouwing komt op vrij veel plekken nieuwbouw voor in de vorm van seriematige vrijstaande of geschakelde woningen en grote moderne villa’s. De grote villa’s liggen over het algemeen terug van de weg achter de traditionele bebouwing. De opbouw van de traditionele panden bestaat over het algemeen uit een onderbouw van één of ten hoogste twee bouwlagen met een kap. Er komen verschillende kapvormen voor zoals een zadeldak, mansardekap of samengestelde dakvlakken. Ook komen wolfseinden voor. De gevels zijn representatief en hebben een traditionele opbouw. Gevels hebben een duidelijke geleding. Bij rijtjes, geschakelde woningen en traditionele dijkwoningen lopen rooi- en noklijnen meestal evenwijdig aan de weg. De vrijstaande panden hebben een opbouw tot twee lagen met een kap, waarvan de nokrichting haaks op de weg staat. Grotere villa’s bestaan veelal uit samengestelde volumes en hebben verschillende kapvormen of een plat dak. De detaillering van de traditionele panden is meestal eenvoudig maar zorgvuldig. Gevels van de traditionele dijkwoningen zijn meestal voorzien van eenvoudige versieringen als balkankers of siermetselwerk. Het houtwerk van de kozijnen, deuren, dakgoten en gevellijsten heeft vaak een fijne detaillering. Bij nieuwbouw en grote villa’s is de detaillering over het algemeen eenvoudiger en seriematig van aard en heeft soms een uitgesproken modern karakter. Het kleur- en materiaalgebruik is terughoudend en traditioneel. De gevels zijn in het algemeen van rode baksteen of in witte tint gestuct. Daken hebben in principe rode of donkere keramische pannen. Houten Hollands geprofileerde kozijnen vormen het uitgangspunt. Houtwerk is meestal geschilderd in traditionele kleuren als crèmewit en donkergroen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De afwisselende en veelal kleinschalige bebouwing schept samen met de ligging en duidelijke oriëntatie op de weg een samenhangend beeld. Het lint vormt een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke structuur van de regio. Langs de Rijksstraatweg is het samenhangende beeld echter aangetast door de bouw van grote moderne villa’s. De dynamiek van de lintbebouwing is gemiddeld en bestaat vooral uit kleine wijzigingen. Grootschalige vernieuwing komt nauwelijks voor en blijf meestal beperkt tot hooguit de vervanging van één pand. Het beleid is vooral gericht op het inpassen van ontwikkelingen in de bestaande situatie. Bijzonder welstandsregime Voor de lintbebouwing langs de Noldijk, Rijksstraatweg, Waaldijk, Pruimendijk en de Mauritsweg geldt een bijzonder welstandsregime. Bij wijzigingen dient het kleinschalige karakter, het afwisselende beeld met doorzichten en de individualiteit van de bestaande bebouwing behouden te blijven. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het lint door Oostendam en Rijsoord zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging het dorpse karakter van de lintbebouwing in principe behouden en versterken bebouwing is met de voorgevel gericht op de weg voorgevelrooilijnen volgen de weg en verspringen enigszins ten opzichte van elkaar aan- en bijgebouwen liggen achter de hoofdmassa doorzichten naar achterterreinen, landschap of de Waal waar mogelijk behouden of versterken Massa gebouwen zijn individueel en afwisselend per erf of kavel is er één hoofdmassa hoofdmassa en gevelopbouw harmoniëren met het dorpse karakter van het lint gebouwen hebben een onderbouw van één tot twee lagen met een hellende kap noklijn staat dwars of loopt parallel aan de weg op- en aanbouwen zijn beperkt in maat en ondergeschikt aan de hoofdmassa bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd detaillering is zorgvuldig en eenvoudig fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, balkankers en of siermetselwerk in de gevels gevels hebben een verticale geleding daken hebben een houten overstek of een gemetselde beëindiging wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwijkingen afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel en terughoudend gevels zijn in rode baksteen gemetseld of een enkele keer voorzien van een in witte tint gepleisterde stuclaag hellende daken zijn gedekt met rode of donkere keramische pannen traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt Gebiedsbeschrijving Oostendam is ontstaan rond de uitwaterende sluis in de ringdijk op de plek waar door de ringdijk de Waal werd afgesloten van de Noord. Het deel van het dorp ten noorden van de Waal langs het Havenhoofd, de Damstraat en de Damweg behoort tot de gemeente Ridderkerk. De overig bebouwing behoort tot de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Ondanks de individualiteit van de bebouwing biedt de openbare ruimte van de kern overeenkomst in maat en schaal van de bebouwing over het algemeen een samenhangend beeld. De belangrijkste openbare ruimte wordt gevormd door het pleintje op de dam in de Waal. Hieraan staan een aantal monumentale panden die samen met enkele woningen en boerderijen de kern vormen van Oostendam. Aan de voorzijde van de gebouwen is geen sprake van privégebied. De stoep vormt de enige scheiding tussen de weg of het plein en de gevels van de panden sluiten hier direct op aan. De dorpsbebouwing is individueel en deels aaneen gebouwd met kleine rooilijnverspringingen. De bebouwing staat voor op de kavel en is georiënteerd op de belangrijkste openbare ruimte. De panden zijn opgebouwd uit een onderbouw van één of twee lagen met verschillende al dan niet samengestelde kapvormen. De gevels wisselen van eenvoudig tot representatief en hebben een traditionele opbouw met een hoge begane grondlaag, een duidelijke verticale geleding en soms een topgevel. Winkels of bedrijven hebben veelal een afwijkende begane grondgevel. Luifels, zonwering en etalages zorgen dan voor een duidelijke horizontale scheiding tussen plint en bovenbouw van de gevel. Dakkapellen zijn in maat en schaal bescheiden vormgegeven en aangepast aan de architectuur van het pand. Zij staan met hun voet vlak boven of op de goot of daklijst en op enige afstand van de rand van het dakvlak. Bijgebouwen staan achter het hoofdgebouw en zijn hier ondergeschikt aan. De detaillering van de panden varieert van eenvoudig tot zorgvuldig en rijk. Dit komt vaak tot uiting in fijn uitgewerkte balkankers of siermetselwerk in de gevels. Ook het houtwerk van kozijnen, deuren, dakgoten en gevellijsten heeft van oudsher een fijne detaillering. Het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel. De gevels zijn van gele of rode baksteen of voorzien van een in witte tint gepleisterde stuclaag. Daken zijn gedekt met rode of gesmoorde keramische pannen. De houten kozijnen, deuren en ramen zijn meestal geschilderd in traditionele kleuren als crèmewit en donkergroen. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De dynamiek in de kern van Oostendam is gemiddeld en bestaat vooral uit kleine aanpassingen. Grootschalige vernieuwing komt nauwelijks voor. Het beleid is erop gericht het kleinschalige en dorpse karakter van de kern te behouden. Vernieuwing moet zich voegen naar de maat en schaal van het bestaande beeld. Bijzonder welstandsregime Voor de dorpskern van Oostendam geldt een bijzonder welstandsregime. Bij wijzigingen zal beoordeeld worden op individualiteit van de panden binnen het samenhangende beeld van de kern, zorgvuldige detaillering en het gebruik van traditionele materialen en kleuren. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in de dorpskern zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging behouden en versterken dorpse karakter van het gebied bebouwing is gericht op de belangrijkste openbare ruimte hoofdmassa’s zijn in principe aaneengesloten rooilijnen verspringen enigszins ten opzichte van elkaar Massa gebouwen zijn individueel en afwisselend bebouwing voegt zich in maat en schaal naar omliggende bebouwing per erf of kavel is er één hoofdmassa bouwmassa’s en gevelopbouw harmoniëren met het dorpse karakter van het gebied gebouwen hebben een onderbouw van één tot twee lagen met een hellende kap aan-, op- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, balkankers en of siermetselwerk in de gevels gevels hebben een verticale geleding daken hebben een houten overstek of een gemetselde beëindiging dakkapellen, lijsten en dergelijke zijn zelfstandige ondergeschikte elementen en in maatvoering en architectuur afgestemd op de hoofdmassa Materiaal- en kleurgebruik materiaalgebruik is traditioneel gevels zijn in rode of gele baksteen gemetseld of een enkele keer voorzien van een in witte tint gepleisterde stuclaag hellende daken zijn gedekt met rode of gesmoorde keramische pannen traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt het kleurgebruik is traditioneel en terughoudend Gebiedsbeschrijving Moderne winkelcentra komen voor als uitbreiding van historische centra of als nieuw voorzieningencentrum. Deze multifunctionele complexen worden gekenmerkt door grootschalige geclusterde bebouwing die naast winkels ook woningen en kantoren kunnen bevatten. De centra zijn duidelijk te herkennen als aparte stedenbouwkundige eenheden binnen de stedelijke structuur. De panden worden ontsloten door overzichtelijk en soms overdekte of halfoverdekte winkelroutes. In de vormgeving van de openbare ruimte en de winkelpanden is geprobeerd een samenhangend beeld te scheppen. Dit wordt versterkt door architectonische accenten op bijzondere plekken in de route, als ingangen en kruispunten. Ook door middel van luifels aan de gevels wordt een samenhangend beeld gecreëerd. Rondom zijn deze complexen omgeven door parkeerterreinen, ook de laad- en losterreinen liggen vaak in het zicht. De bebouwing van deze complexen bestaat uit een aantal grotere gebouwen. Intern zijn deze gebouwen onderverdeeld in afzonderlijke winkelruimten of kantoren. De oriëntatie van de geclusterde gebouwen is hoofdzakelijk naar binnen gericht. Alleen op bijzondere punten, bijvoorbeeld bij ingangen of zichtlijnen op de omgeving, wordt deze oriëntatie doorbroken. Het grootschalige karakter wordt versterkt door de strakke rooilijnen en noklijnen, hoewel de bijzondere plekken ook hier aanleiding zijn dit te doorbreken. De opbouw van de gevels is eenvoudig en bestaat meestal uit drie tot vier bouwlagen. Hoewel accenten in de massa hoger kunnen zijn. De eerste laag bevat winkels en kantoorruimten, in de volgende lagen zijn de woningen ondergebracht. De detaillering van de bebouwing is eenvoudig en seriematig maar zorgvuldig van aard. Het moderne karakter van de bebouwing komt tot uiting in het materiaal- en kleurgebruik. De gevels zijn hoofdzakelijk opgebouwd uit baksteen, hoewel ook materialen als staal of kunststof worden toegepast. Het kleurgebruik is over het algemeen terughoudend, maar architectonische accenten komen ook in fellere kleuren tot uiting. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De dynamiek van deze moderne winkelcentra is gemiddeld. Veranderingen vinden pandsgewijs plaats, maar uitbreiding gebeurt veelal door het toevoegen van een geheel nieuw cluster en kan dus vrij ingrijpend zijn in het bestaande beeld. Aanvullend beleid Voor het gebied rond het Koningsplein geldt het Beeldkwaliteitsplan Centrum. Het beeldkwaliteitsplan geeft nadere randvoorwaarden voor de herinrichting van dit deel van het centrum van Ridderkerk. Deze hebben betrekking op het gewenste beeld, openbare ruimte en architectuur. Hierbij wordt veel gebruik gemaakt van referentiebeelden. Dit beeldkwaliteitsplan wordt gebruikt als referentie en uitgangspunt voor de ontwikkeling van het nieuwe deel van het centrum. Regulier welstandsregime Voor de moderne winkelcentra geldt een regulier welstandsregime. Wijzigingen en inpassingen zullen beoordeeld worden op het behoud van samenhang tussen de geclusterde bebouwing en de openbare ruimte, eenvoudige detaillering, modern materiaalgebruik en terughoudend kleurgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het moderne winkelcentrum zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging bebouwing en openbare ruimte vormen een samenhangend geheel gebouwen zijn gegroepeerd in zelfstandige naar binnen gerichte clusters rooilijnen van de hoofdmassa’s volgen de weg en verspringen ten opzichte van elkaar nieuwbouw afstemmen op centrum functie van het gebied Massa hoofdmassa’s zijn individueel en vrijstaand individuele pand maakt deel uit van het geheel bouwmassa’s zijn gevarieerd in opbouw entreepartijen zijn vormgegeven als accenten of zelfstandige volumes zo min mogelijk dichte gevels aan de straat Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is eenvoudig en seriematig maar zorgvuldig hoofdmassa is duidelijk geleed een blok of rij heeft en doorlopende gevelritmiek entreepartijen hebben een bijzondere ontwerpaandacht accenten en geleding ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk wijzigingen en toevoegingen zijn in stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleurgebruik is in samenhang en bij voorkeur terughoudend gevels zijn bij voorkeur van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen grote gevelvlakken kunnen worden ingevuld met elementen zoals gevouwen staalplaat aan- en uitbouwen in kleur en materiaal afstemmen op het hoofdgebouw Gebiedsbeschrijving De bebouwingsstructuur is gebaseerd op herhaling van de woning als basiseenheid, waarbij verbijzonderingen in de openbare ruimte soms worden vertaald in accenten in de massa en vormgeving van hoeken en kappen. De bebouwing kan uit zowel vrijstaande, twee onder één kap woningen als korte rijtjes bestaan, die samenhangende clusters vormen. De wijken uit deze periode hebben ondanks smalle straten een groen karakter door voortuinen en soms door de in de stedenbouwkundige structuur opgenomen groenvoorzieningen als gazons, parkjes en vijvers. Verspreid door de gebieden en vooral langs de randen kunnen kleinschalige bedrijvigheid voorkomen. De bebouwing vormt samenhangende clusters. De panden zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte. De rooilijn is per cluster in samenhang. Bij stedebouwkundige aanleidingen komen soms verschillen in hoogte van de massa, nokverdraaiingen en rooilijnverspringingen voor. De woningen zijn één tot twee lagen hoog met een nadrukkelijke kap. Met name grotere woningen en hoekwoningen hebben een gedifferentieerde opbouw met erkers, balkon, uitbouwen en serres. Opbouw en gevels hebben een horizontale geleding met verticale accenten. De overgang tussen privé en openbaar gebied is in het algemeen zorgvuldig vormgegeven door middel van bijvoorbeeld portieken, luifels en tuinmuurtjes. De voorgevel is representatief en de overige in het zicht staande gevels ook. De detaillering is zorgvuldig, uitgewerkt tot op het kleinste niveau en per cluster in samenhang. De rand van het dak is benadrukt door een uitkragende dakgoot. Grotere dakoverstekken zijn uitgetimmerd. Raamvlakken zijn veelal onderverdeeld met stijl en regels en soms roeden. Door individuele wijziging is het samenhangende beeld soms aangetast. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel en per cluster in samenhang. Gevels zijn grotendeels van baksteen met accenten en soms gestuct in lichte tinten. Hellende daken zijn in het algemeen gedekt met keramische pannen veelal in de kleur oranje. Kozijnen zijn van hout en in lichte tint geschilderd. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De stedebouwkundige opzet in samenhang met de zorgvuldig vormgegeven woningen levert een pittoresk beeld op. De groene voortuinen en de hier en daar in de structuur opgenomen groenvoorzieningen versterken dit beeld. De woningen hebben een gedifferentieerde opbouw met veelal nadrukkelijke kappen. Veel van deze woningen zijn in bezit van woningbouwverenigingen waardoor individuele wijzigingen beperkt zijn. De dynamiek in dit gebied is gemiddeld. Kleine wijzigingen kunnen een grote invloed hebben op het samenhangende beeld en moeten zorgvuldig worden ingepast. Regulier welstandsregime Voor de vooroorlogse woningbouw geldt een regulier welstandsregime. De beoordeling is gericht op behoud van een samenhangend beeld, de herhaling van de woning met accenten bij een stedebouwkundige aanleiding, de gedifferentieerde opbouw met nadrukkelijke kap, zorgvuldige detaillering en het gebruik van traditionele materialen en kleuren. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in woongebieden uit de jaren ‘20 en ‘30 zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon gebouwen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte de nokrichting is in hoofdzaak evenwijdig aan de weg, een haakse richting komt voor als accent accenten en verspringingen in de rooilijn hebben een stedenbouwkundige aanleiding de individuele woning maakt deel uit van de compositie van het cluster Massa bouwmassa's zijn gedifferentieerd en gevarieerd gebouwen hebben representatieve voor- en zijgevels woningen hebben per cluster een sterke onderlinge samenhang woningen bestaan uit een onderbouw met één tot twee bouwlagen en een nadrukkelijke kap woningen hebben een zadeldak of mansardekap accenten in hoogte en vormgeving hebben een stedebouwkundige aanleiding op- en aanbouwen zijn van hetzelfde model, materiaal en kleur in samenhang met de compositie van het woningblok aantasting van dakvlakken door grote dakkapellen, dakramen en dakopbouwen voorkomen bijgebouwen zijn ondergeschikt Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd de detaillering is per cluster in samenhang gevels hebben een horizontale geleding met verticale accenten traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt de overgang tussen privé en openbaar is zorgvuldig vormgegeven de oorspronkelijke erfafscheiding als gemetselde muurtjes, hekwerken en hagen zoveel mogelijk behouden Materiaal- en kleurgebruik het materiaal- en kleurgebruik is per cluster in samenhang gevels zijn in hoofdzaak van oranje of bruinachtige baksteen met hier en daar stuc- en siermetselwerkaccenten hellende daken van de woningen zijn voorzien van rode of oranje keramische dakpannen kozijnen en deuren zijn uitgevoerd in hout het kleurgebruik is traditioneel en afgestemd op de omringende bebouwing Gebiedsbeschrijving De woningbouw in woonwijken uit de jaren ‘50 - ‘60 wordt gekenmerkt door architectonische en stedenbouwkundige herhaling van rijen of blokken. Deze zorgen voor samenhangende composities die als zelfstandige eenheden in de ruimtelijke structuur van de kern liggen. Op enkele plekken komen vrijstaande woningen voor die door hun massa, opbouw en vorm een individuele uitstraling hebben. Naast woningen komen ook enkele geclusterde voorzieningen voor. Soms zijn deze ondergebracht in de begane grond laag van een blok gestapelde woningen en soms in een eigen gebouw dat een eigen compositie vormt in de structuur. Samen met groenstructuren in de wijk geven ruime voor- en achtertuinen van de woningen de wijk een groen karakter. Verspreid door de gebieden en vooral langs de randen kan kleinschalige bedrijvigheid voorkomen. De voorgevels zijn georiënteerd op de straat. De rechte rooi- en noklijnen zorgen per rij voor een samenhangend beeld en lopen evenwijdig met de straat. De woningen hebben een eenvoudige opbouw van twee lagen met een kap, meestal een zadeldak en soms een plat dak. Portiekflats hebben een gevelopbouw tot vier lagen met een flauw hellend zadeldak of plat dak. De noklijnen lopen overwegend evenwijdig aan de weg. Binnen de rijen zijn weinig accenten aangebracht. Herhaling in de gevelindeling, balkons en schoorstenen geven ritme aan het straatbeeld. Hoekwoningen zijn op een raam of deur in de zijgevel na grotendeels gelijk aan tussenwoningen. Hier en daar zijn dakvlakken voorzien van veelal individuele dakkapellen of dakramen. Met name enkele oudere rijen woningen hebben een erker in dezelfde stijl als het hoofdgebouw. De materialisering en detaillering is meestal eenvoudig en seriematig. Siermetselwerk en gootklossen als gevelaccenten komen voor. De gemetselde gevels zijn meestal voorzien van houten of kunststof puien, die een groot deel van de gevels beslaan en meestal net onder de dakgoot eindigen. De rand van de kap wordt meestal benadrukt door een uitkragende dakgoot. Daken zijn meestal voorzien van rode of donkere keramische pannen. Het kleurgebruik is terughoudend en meestal samenhangend per rij of blok. Oudere woningen zijn soms voorzien van bescheiden ornamenten als versierde dak-, deur- en raamlijsten. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De naoorlogse uitbreidingswijk uit de jaren ‘50 - ‘60 kenmerkt zich door zijn ruime opzet, met veel openbaar groen en herhaling van de woning als basiseenheid. In het algemeen hebben deze wijken geen bijzondere cultuurhistorische waarde. De dynamiek van deze woongebieden is gemiddeld en betreft veelal kleine wijzigingen als dakkapellen en uitbouwen. Voor hoekwoningen worden over het algemeen meer plannen ingediend, hier is de dynamiek dus hoger. Aanpassingen moeten worden ingepast in de op herhaling gebaseerde architectuur van de woningen. Bij mogelijke herstructurering kan de dynamiek door het per blok of rij vervangen van kozijnen of gehele panden hoog zijn. Het welstandsbeleid ten aanzien van deze woonwijken is terughoudend en gericht op het beheer van de bebouwing. Regulier welstandsregime Voor woongebieden uit de jaren ‘50 en ‘60 geldt een regulier welstandsregime. Bij wijzigingen zal het bouwplan beoordeeld worden op een evenwichtig en op herhaling gebaseerd gevelbeeld, de strakke rooilijnen, eenvoudige detailleringen en samenhang in het kleur- en materiaalgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in woongebieden uit de jaren ‘50 en ‘60 zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon gebouw zijn met hun voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte de individuele woning binnen een rij is een deel van het geheel strakke rooilijnen aan de voorzijde behouden Massa blokken, rijen en gestapelde woningen kennen een sterke onderlinge samenhang alleen vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling woonhuizen bestaan uit een onderbouw van twee lagen met bij voorkeur een zadeldak gestapelde woningen kunnen een onderbouw tot vier lagen hebben met een licht hellend zadeldak of plat dak op- en aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa op- en aanbouwen zijn bij voorkeur per woningtype van hetzelfde model bijzondere functies als voorzieningenclusters mogen afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw en vorm Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is eenvoudig en seriematig ontwerpaandacht voor alle details bij rijtjeswoningen in de uitvoering de herhaling benadrukken wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleur- en materiaalgebruik is per rij, blok of cluster in samenhang gevels zijn in hoofdzaak van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen, soms geschilderd of in lichte tint gestuct gevels zijn veelal voorzien van houten of kunststof puien plaatmateriaal alleen gebruiken als invulling van een kozijn of hekwerk hellende daken van woningen zijn voorzien van rode of donkere keramische pannen het kleurgebruik is terughoudend Gebiedsbeschrijving In deze planmatig opgezette woongebieden zijn de woningen gegroepeerd in clusters of rijen, waarbinnen hetzelfde woningtype telkens herhaald wordt. Een verzameling clusters of rijen vormt een woonerf, dat ontsloten wordt door een meanderend straten patroon dat gedeeltelijk autovrij kan zijn. Een ringstructuur verzorgt meestal de hoofdontsluiting van de wijk. Door het voorkomen van veel kleine groenelementen heeft een woonwijk uit deze periode over het algemeen een groen en kleinschalig uiterlijk. Centraal in de wijk komt meestal een bescheiden wijkcentrum voor. Ook komen, meestal langs de rand van de wijk vrijstaande woningen voor met een individueel karakter. Binnen de structuur van Ridderkerk vormen deze woongebieden vaak een besloten ruimtelijke eenheid. Binnen een erf komt over het algemeen één woningtype voor. Door een wisselende oriëntatie van de geschakelde woningen ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte ontstaat er een gedifferentieerd beeld, hoewel de hoofdoriëntatie van de meeste woningen gericht is op het centrale deel van het woonerf. Binnen dit gedifferentieerde beeld verspringen de rooi- en noklijnen. De opbouw van de woningen wisselt van eenvoudig tot gedifferentieerd, maar bestaat over het algemeen uit één tot twee lagen met een zadeldak. De hellingshoeken van de kap kunnen wisselen. De goot- en nokrichtingen van de kappen zijn afwisselend en vaak zijn de dakvlakken voorzien dakkapellen en dakramen. Verlengde daken, op- en aanbouwen komen vaak voor. Hellende daken zijn gedekt met dakpannen. De woningen zijn meestal gebouwd uit baksteen, waarbij een groot deel van de gevel ingevuld kan zijn met rabatdelen en puien van hout of kunststof. De detaillering van de woningen is meestal eenvoudig, met weinig accenten en seriematig van aard. De houten kozijnen, deuren en daklijsten zijn in overwegend terughoudende kleuren geschilderd en in samenhang, hoewel deze samenhang per rij of cluster wel eens verloren is gegaan. Het wijkcentrum heeft een afwijkende opbouw. Het zijn veelal samengestelde eenvoudige volumes tot drie bouwlagen met een plat of hellend dak. De detaillering is meestal sober. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Woonwijken uit de jaren ‘70 en ‘80 zijn planmatig opgezet, waarin de woningen gegroepeerd zijn in rijen of clusters langs meanderende straten of woonerven. Binnen de structuur van Ridderkerk hebben deze wijken geen bijzondere cultuurhistorische waarde. De dynamiek in deze woongebieden is gemiddeld. Wijzigingen betreffen veelal het plaatsen van een dakkapel of een aan- en uitbouw. Door de afwisseling in de ligging van de woningen en de gedifferentieerde opbouw hebben deze wijzigingen over het algemeen weinig invloed op het beeld. Individuele wijzigingen moeten echter ingepast worden in de op herhaling gebaseerde architectuur. Regulier welstandsregime Voor deze woongebieden geldt een regulier welstandsregime. Het beleid is terughoudend en gericht op beheer. Bij wijzigingen zal worden beoordeeld op herhaling van woningtypen, eenvoudige detaillering en samenhangend kleur- en materiaalgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in woongebieden uit de jaren ‘70 en ‘80 zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon de individuele woning binnen een rij of cluster is deel van het geheel en voegt zich hiernaar overige gebouwen kunnen vrij op de kavel staan hoofdmassa’s zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte rooilijnen zijn per rij of cluster in samenhang plaatsing van bijgebouwen en op-, aan- en uitbouwen zijn bij voorkeur per rij of cluster in samenhang Massa woningen hebben een eenvoudige tot gedifferentieerde opbouw rijen, clusters en gestapelde woningen kennen een sterke onderlinge samenhang alleen vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling woningen hebben in principe een onderbouw tot twee lagen met een zadeldak de nokrichting is per rij of cluster in samenhang op-, aan- en uitbouwen zijn bij voorkeur per rij of cluster van hetzelfde model bijzondere functies zoals voorzieningen mogen afwijken van gebruikelijke massa, opbouw en vorm Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is eenvoudig en seriematig herhaling in rij of cluster is leidraad voor het woningontwerp wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op de architectuur van het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleur- en materiaalgebruik is per rij of cluster in samenhang gevels bestaan in principe uit baksteen, eventueel ingevuld met puien of bekleed met houten rabatdelen of panelen hellende daken zijn bij voorkeur voorzien van dakpannen het kleurgebruik is terughoudend het kleur- en materiaalgebruik van op-, aan- en uitbouwen is aangepast aan het hoofdgebouw Gebiedsbeschrijving Woonwijken uit de jaren ‘90 - ‘05 hebben een heldere structuur en gevarieerde woningen die per rij of cluster worden herhaald. De wijk heeft een open karakter. Langs straten staan bomen en tussen stoep en parkeerplaatsen zijn groenstroken aangelegd. In de wijken zijn grote groenelementen aangelegd als waterlopen, parken en gazons. De vaak ruime tuinen zorgen mede voor een groen karakter in de wijk. De architectuur van de woningen is gebaseerd op herhaling in clusters of rijen met behoud van de individualiteit. Mede door variatie tussen rijen en clusters is het beeld afwisselend. Clusters hebben veelal hun eigen sfeer. Vaak liggen op centrale plekken in de wijk voorzieningen zoals bijvoorbeeld winkels en scholen. Appartementengebouwen vormen accenten in de wijken of benadrukken de randen ervan. De woningen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte. Per cluster is de rooilijn in samenhang en verspringt niet. De overgang tussen openbaar en privé is vaak zorgvuldig vormgegeven door luifels, lage tuinmuurtjes of een heg. Appartementengebouwen staan in het algemeen vrij op de kavel. De woningen zijn seriematig gebouwd. De architectuur is gebaseerd op herhaling en een afwisselend beeld. De opbouw is veelal gevarieerd en gedifferentieerd. De massa is veelal samengesteld uit rechthoekige volumes. De woningen hebben meestal een onderbouw van twee lagen met een zadeldak, lessenaarskap of plat dak. Sommige woningen hebben een terugliggende tweede laag of kap. Hoeken van rijen zijn vaak verbijzonderd met uitbouwen of hebben een extra laag. Het gevelbeeld is gevarieerd. Gevels hebben veelal accenten en een duidelijke horizontale of verticale geleding. Appartementengebouwen hebben in het algemeen een torenachtig volume waarvan de hoogte kan variëren. De architectuur van de woningen is verzorgd. De detaillering is zorgvuldig en eenvoudig. Accenten als uitstekende dakranden, luifels en structuur in het materiaal komen veel voor. Het materiaal- en kleurgebruik is samenhangend. Gevels zijn van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen, soms met houten delen of plaatmateriaal. Het metselwerk heeft vaak vlakken of banen van afwijkende kleur. Hellende daken zijn gedekt met pannen. Kozijnen zijn van hout of kunststof. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De recente woonwijken zijn planmatig opgezet en hebben herhaalde woningen in clusters in een heldere stedenbouwkundige structuur. Vaak is de ruimtelijk-visuele kwaliteit vastgelegd in een beeldkwaliteitsplan. In het algemeen zijn er geen bijzondere cultuurhistorische waarden in deze wijken. De dynamiek van deze uitbreidingen is gemiddeld. Hoewel de woningen nieuw zijn komen al veel uitbreidingen voor. Wijzigingen betreffen vooral dakkapellen en uitbouwen. De verwachting is dat in de komende jaren meer aanvragen zullen komen voor aanpassingen. Aanvullend beleid Voor het gebied rond de Blaak en de Klaas Katerstraat geldt het Beeldkwaliteitsplan Centrum. Het beeldkwaliteitsplan geeft nadere randvoorwaarden voor de herinrichting van dit deel van het centrum van Ridderkerk. Deze hebben betrekking op het gewenste beeld, openbare ruimte en architectuur. Hierbij wordt veel gebruik gemaakt van referentiebeelden. Dit beeldkwaliteitsplan wordt gebruikt als referentie en uitgangspunt voor de ontwikkeling van het nieuwe deel van het centrum. Regulier welstandsregime Het welstandsbeleid voor woonwijken uit de jaren ‘90 - ‘05 is regulier. Omdat het ontwerp van de woning in het algemeen samenhangt met naast gelegen woningen of clusters van woningen en dan vooral wat betreft materiaal- en kleurgebruik zal het welstandsoordeel zich vooral richten op het beheren van de herhaling in de architectuur. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in woongebieden uit de jaren ‘90 en ‘00 zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon de individuele woning binnen een cluster, rij of blok is een deel van het geheel en voegt zich hiernaar de woningen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte bestaande rooilijnen aan de voorzijde van rijen behouden bijgebouwen staan bij voorkeur achter het hoofdgebouw Massa bouwmassa’s zijn gedifferentieerd clusters, rijen en gestapelde woningen kennen een sterke onderlinge samenhang alleen vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling gebouwen hebben in het algemeen een onderbouw van twee lagen met een hellend of plat dak accenten in hoogte en vormgeving hebben een stedebouwkundige aanleiding op-, aan- en uitbouwen zijn bij voorkeur per rij of cluster van hetzelfde model bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en eenvoudig herhaling in de rij of het cluster is de leidraad voor het woningontwerp wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op de architectuur van het hoofdvolume de overgang tussen privé en openbaar is in het algemeen zorgvuldig vormgegeven Materiaal- en kleurgebruik het materiaal- en kleurgebruik is per rij, cluster of blok in samenhang gevels bestaan in principe uit baksteen of vergelijkbaar steenachtig materiaal, eventueel in combinatie met puien, houten beschot of panelen het kleurgebruik is in principe samenhangend en terughoudend op-, aan- en uitbouwen zijn in kleur en materiaal aangepast aan het hoofdgebouw Gebiedsbeschrijving Deze grootschalige bebouwing komt hoofdzakelijk voor langs randen van de uitbreidingswijken of langs uitvalswegen vanuit het centrum richting de snelweg, maar ook op andere belangrijke plekken in de stedenbouwkundige structuur van de stad. De belangrijkste karakteristiek wordt gevormd door de grote schaal van zowel de bebouwing als de omliggende openbare ruimte. De openbare ruimte wordt meestal gebruikt voor parkeren. De grote schaal maakt dat het eenvoudig te herkennen is in de structuur van de stad. Binnen de structuur van de wijk is er een duidelijke hoofdoriëntatie te herkennen, meestal komt deze voort uit de richting van een belangrijke infrastructurele lijn. De bebouwing volgt dan deze hoofdoriëntatie of staat hier haaks op. Deze oriëntatie komt ook tot uiting in strakke rooilijnen. Het karakter van de bebouwing wordt bepaald door zowel de herhaling van de woningen in de gebouwen als van de gebouwen zelf. De opbouw van de gevel is eenvoudig en heeft een sterke horizontale geleding. Deze geleding wordt doorbroken door de accentuering van ingangspartijen en trappenhuizen. De gebouwen bestaan uit tien tot twaalf bouwlagen, waarbij de onderste laag veelal wordt gebruikt als berging. Het aanzien van de gevels wordt bepaald door het materiaalgebruik van de balustrades van de balkons. De kopgevels zijn meestal opgetrokken uit baksteen, waarbij aan het beton van de vloeren het aantal verdiepingen is af te lezen. De gevels van de afzonderlijke woningen bestaan uit gevelvullende puien. De detaillering van de flatgebouwen, maar ook van de puien is eenvoudig en seriematig van aard, waarbij vooral de kopgevels nogal eens isolatieproblemen opleveren. Het kleur- en materiaalgebruik is terughoudend en veelal in samenhang. Als constructiemateriaal overheersen beton en baksteen, verder zijn de puien gemaakt uit hout of kunststof. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De dynamiek van deze gebieden is gemiddeld. Verandering of vernieuwing betreft vaak de entree, het trappenhuis, de dakopbouw of de kopgevel van de flat. Bij uitbreiding of sloop kan er sprake zijn van een hoge dynamiek omdat er dan sprake is van het bijbouwen of verdwijnen van een gehele flat. Het beleid is gericht op beheer van de bestaande bebouwing. Regulier welstandsregime Voor hoogbouw geldt een regulier welstandsregime. Wijzigingen en inpassingen zullen beoordeeld worden op herhaling van het woningtype waarbij de woning geldt als deel van het geheel, samenhang tussen woningen met betrekking tot kleur- en materiaalgebruik en een eenvoudige detaillering. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in hoogbouwwijken zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen hebben een duidelijke hoofdoriëntatie gebouwen zijn over het algemeen onderdeel van een stedenbouwkundig patroon Massa gebouwen hebben een sterke horizontale geleding gebouwen hebben een opbouw tot twaalf lagen met een plat dak gebouwen hebben strakke rooilijnen Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is eenvoudig ingangspartijen en trappenhuizen vormen accenten in de gevel herhaling van woningtype waarbij de woning geldt als deel van het geheel woningen hebben een sterke samenhang de overgang tussen privé en openbaar is in het algemeen zorgvuldig vormgegeven detaillering is eenvoudig en seriematig Materiaal- en kleurgebruik kleur- en materiaalgebruik is terughoudend puien zijn van hout of van kunststof Gebiedsbeschrijving Deze uitbreidingen komen voor langs randen van seriematige woongebieden in de grotere kernen, maar ook als uitbreiding van dijk- en dorpslinten. De ruimtelijke structuur bestaat meestal uit korte rechte of wat langere en enigszins meanderende straten. De bebouwing is over het algemeen gevarieerd en bestaat uit eenvoudige (semi)vrijstaande huizen tot grotere villa’s. Meestal hebben deze gebieden een planmatige opzet, maar zijn de woningen in een losser verband ten opzichte van elkaar gebouwd. De openbare ruimte is meestal beperkt tot de weg, waarlangs soms een trottoir is aangelegd. Direct aan de openbare ruimte grenzen de ruime tuinen die worden ontsloten door inritten. De woningen staan vrij, meestal midden op of iets achter op de kavel. De kleinschalige bebouwing is georiënteerd op de weg, waarbij de rooilijnen enigszins verspringen. De woningen zijn individueel en soms zeer gedifferentieerd vormgegeven en hebben een representatief uiterlijk. Soms echter komt ook beperkte herhaling van een woningtype voor. De opbouw van de woningen bestaat meestal uit één tot twee bouwlagen met een hellend of plat dak. Er komen verschillende kapvormen voor zoals zadel-, schild- en piramidedak. Bij hellende daken zijn de dakvlakken vaak voorzien van dakkapellen en -ramen. Veel woningen hebben mee-ontworpen op-, aan- en uitbouwen zoals erkers of carports. Balkons zijn meestal aan de achterzijden van de woningen geplaatst. De detaillering van de gebouwen is meestal van gemiddeld niveau, maar ook zeer zorgvuldig ontworpen en rijke details komen voor. De materialisering is vaak traditioneel met eigentijdse accenten en versieringen. Hellende daken zijn meestal voorzien van rode of donkere keramische pannen, een enkele keer komen met riet gedekte daken voor. Gevels bestaan over het algemeen uit metselwerk, grotere gevelopeningen zijn echter vaak ingevuld met houten of kunststoffen panelen. Ook komt het nogal eens voor dat gevels zijn betimmerd met houten rabatdelen. Het kleurgebruik is terughoudend, hoewel bij grotere villa’s ook minder terughoudende kleuren gebruikt worden. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Uitbreidingswijken met individuele woningen zijn planmatig opgezet. De woningen zijn in enigszins los verband gegroepeerd langs korte rechte straten of langere meanderende wegen. Deze wijken hebben geen bijzondere cultuurhistorische waarde. De dynamiek in deze woongebieden is gemiddeld. Wijzigingen betreffen veelal het plaatsen van een dakkapel of een aan- en uitbouw. Door de afwisseling in de ligging van de woningen en de gedifferentieerde opbouw hebben deze wijzigingen over het algemeen weinig invloed op het beeld. Individuele wijzigingen moeten echter passen bij de architectuur van de woning. Regulier welstandsregime Voor de individuele uitbreidingen geldt een regulier welstandsregime dat vooral gericht is op het beheer van de bestaande situatie. Bij wijzigingen zal er vooral beoordeeld worden op individualiteit, positionering van de hoofdmassa op de kavel en representativiteit van de gevels die tot uiting komt in een zorgvuldige en soms rijke detaillering en terughoudend kleur- en materiaalgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in individuele uitbreidingswijken zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging per erf of kavel is er één hoofdmassa (hoofd)gebouwen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte de rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar bijgebouwen staan achter de rooilijn van de hoofdmassa Massa gebouwen zijn in het algemeen individueel en afwisselend gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm gebouwen bestaan uit een onderbouw van één soms twee lagen met een zadel-, schild- of piramidedak de kaprichting is afwisselend zijgevels hebben vensters op-, aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa bijgebouwen hebben een eenvoudige vorm Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal zijn zorgvuldig afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel gevels zijn in hoofdzaak van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen eventueel met houten of kunststof puien of rabatdelen hellende daken zijn gedekt met rode of donkere pannen of riet kleuren zijn terughoudend Gebiedsbeschrijving De kleinere dorpen hebben vaak seriematige uitbreidingen van na de oorlog in een heldere stedenbouwkundige structuur in één tot twee lagen met kap. De opzet van deze uitbreidingen is in het algemeen ruim en heeft door de voor- en achtertuinen een groen karakter. Tussen de woningen staan grotere gebouwen op bijzondere plaatsen als scholen en voorzieningen. Wat de uitbreidingen bindt is vooral de herhaling van het woningtype. De eenvoudige woning met kap komt zowel vrijstaand, in twee onder één kapvorm als in rijen voor. Per straat volgt de bebouwing dezelfde aaneengesloten rooilijn en is ze gericht op de belangrijkste openbare ruimte. De architectuur is gebaseerd op herhaling van het woningtype. Hoekwoningen zijn op een enkel raam of enkele deur na gelijk aan de tussenwoning. De meeste woningen hebben een bakstenen onderbouw met een zadeldak. De nokrichting loopt evenwijdig aan de voorgevel. Schoorstenen geven gecombineerd met de herhaalde gevelelementen ritme aan het straatbeeld. Hier en daar zijn dakvlakken voorzien van dakkapellen, dakramen of dakopbouwen. De materialisering en detaillering is vaak eenvoudig. Daken zijn voorzien van rode of donkere pannen. De gemetselde gevels hebben soms een houten pui of betimmering. Raampartijen met houten of kunststof kozijnen beslaan meestal een groot deel van de gevel en zitten op de verdieping net onder de daklijst. De rand van de kap is veelal benadrukt door een uitkragende dakgoot. Het kleurgebruik is in principe per cluster in samenhang. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De seriematige dorpsuitbreidingen kenmerken zich door een heldere opzet en de herhaling van de woning als basiseenheid. Er zijn in het algemeen geen bijzondere cultuurhistorische waarden. De dynamiek van deze uitbreidingen is gemiddeld en betreft vooral kleine wijzigingen als dakkapellen en uitbouwen, hoewel bij hoekwoningen meer plannen worden ingediend en de dynamiek dus wat groter is. Het welstandsbeleid ten aanzien van de seriematige dorpsuitbreidingen is terughoudend en gericht op beheer. Regulier welstandsregime Voor de seriematige dorpsuitbreidingen geldt een regulier welstandsregime. Het beleid is terughoudend en gericht op beheer met behoud van strakke rooilijnen, herhaling in de architectuur en samenhang in materiaal en kleurgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in seriematige dorpsuitbreidingen zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging hoofdgebouwen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte de individuele woning binnen een cluster/rij is een deel van het geheel bij clusters/rijen aansluiten op oriëntatie en ontsluiting van het geheel de nokrichting is evenwijdig aan of haaks op de rooilijn rooilijnen zijn per cluster/rij in samenhang aan- en bijgebouwen liggen in principe achter het hoofdgebouw overige gebouwen (zoals voorzieningen) kunnen vrij op het kavel staan Massa clusters/rijen kennen een sterke onderlinge samenhang overige gebouwen afstemmen op naastgelegen panden woningen bestaan uit een onderbouw tot twee lagen met een zadeldak gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm op- en aanbouwen zijn bij voorkeur per cluster/rij van hetzelfde model aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa Architectonische uitwerking architectonische uitwerking is eenvoudig wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op het hoofdvolume of cluster/rij een cluster/rij heeft een doorlopende gevelritmiek traditionele Hollandse houten profileringen vormen het uitgangspunt voor kozijnen bij wijzigingen karakteristieke detaillering behouden op- en aanbouwen zijn per cluster/rij afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik het kleur- en materiaalgebruik is per cluster/rij in samenhang gevels bestaan in principe uit baksteen, eventueel met puien of houten beschot hellende daken van woningen zijn bij voorkeur van rode of donkere keramische pannen het kleurgebruik is terughoudend het materiaal- en kleurgebruik van op- en aanbouwen is aangepast aan het hoofdgebouw Gebiedsbeschrijving De bebouwing op moderne bedrijventerreinen bestaat uit representatieve bedrijfspanden die een samenhangend beeld scheppen. Het zijn monofunctionele gebieden waarbij de gebouwen de functie van het terrein weergeven. De terreinen hebben een heldere stedenbouwkundige opzet. De inrichting van de openbare ruimte is zorgvuldig, doelmatig en representatief. Groenelementen als bomen en groenstroken versterken de representativiteit. De gebouwen zijn vrijstaand. Ze zijn georiënteerd op de weg en hebben soms een verspringende rooilijn. Representatieve ruimten en kantoorachtige delen liggen in het algemeen aan de voorzijde. De bebouwing is in principe individueel en eenvoudig van opzet. De opbouw is veelal tot twee lagen hoog met een plat dak. Ze bestaat uit eenvoudige volumes waarbij entreepartijen en kantoorgedeelten veelal vormgegeven zijn als accenten. Ze heeft een grote variatie in maat en schaal. De opbouw is eenvoudig. Gevels zijn representatief en hebben een eenvoudige detaillering. Bij gesloten gevels vormen entrees, representatieve ruimten en kantoorachtige delen accenten. Het materiaalgebruik is overwegend modern. Gevels van plaatmateriaal, gevouwen staalplaat en steenachtige materialen komen veel voor. Het kleurgebruik is terughoudend en in onderlinge samenhang. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Voor moderne bedrijventerreinen zijn de openbare ruimte en de verschijningsvorm van de bebouwing, die onder meer dienst doet als blikvanger, van belang. De dynamiek van deze gebieden is gemiddeld, hoewel bij vernieuwing meestal hele gebouwen worden vervangen. Eventuele aanpassingen dienen zorgvuldig ingepast te worden in de bestaande architectuur. Regulier welstandsregime Voor moderne bedrijventerreinen geldt een regulier welstandsregime. Het beleid is terughoudend en gericht op het goed functioneren en beheer. De beoordeling is gericht op representativiteit en zorgvuldigheid van de architectuur. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in moderne bedrijventerreinen zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen staan vrij op het kavel per terrein is er één hoofdmassa gebouwen zijn met de voorgevel gericht op de ontsluitingsweg rooilijnen van de hoofdmassa’s zijn teruggelegen en volgen de weg opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats Massa gebouwen zijn overwegend vrijstaand, individueel en representatief gebouwen hebben een duidelijke vorm gebouwen hebben een onderbouw met bij voorkeur een plat dak en anders een zichtbaar hellend dak entreepartijen en kantoorgedeelten zijn vormgegeven als accenten of als zelfstandige volumes zo min mogelijk dichte gevels aan ontsluitingswegen Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is zorgvuldig accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk wijzigingen in stijl, maat en afwerking afstemmen op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat materiaal- en kleurgebruik van uitbreidingen is afgestemd op het hoofdvolume het kleurgebruik is terughoudend en in onderlinge samenhang Gebiedsbeschrijving Traditionele bedrijventerreinen zijn monofunctionele gebieden met grotere en kleinere bedrijfshallen en enkele kantoorachtige bebouwing. De terreinen hebben veelal een eenvoudige hoofdstructuur. Soms wordt er op deze bedrijventerreinen ook gewoond. De bedrijfswoningen zijn vaak vrijstaand, maar soms ook inpandig. De panden zijn vrijstaand of tegen elkaar aangebouwd. Gebouwen zijn georiënteerd op de weg. De rooilijn verspringt. Opslag vindt deels in het zicht plaats. De bedrijfshallen, kantoren en de bedrijfswoningen zijn in het algemeen individueel en afwisselend. Gebouwen zijn eenvoudig van opzet. De opbouw is veelal twee tot drie lagen hoog met een plat dak of flauw hellend zadeldak. Woningen hebben veelal een opbouw van één tot twee lagen met hellende kap of plat dak. Hallen een loodsen hebben een eenvoudige opbouw. Gevels van de bedrijfsgebouwen zijn veelal gesloten. Entreepartijen, woon- en kantoorgedeeltes zijn soms vormgegeven als accenten. De detaillering is in het algemeen sober. Het materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel. De gevels zijn van baksteen een enkele keer gepleisterd of van plaatmateriaal. Het kleurgebruik varieert van terughoudende tot felle kleuren. De inrichting van de openbare ruimte is doelmatig, eenvoudig en sober. Groenelementen komen nauwelijks voor. Opslag in het zicht geeft soms een onverzorgd beeld. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid Traditionele bedrijventerreinen hebben een heldere opzet en eenvoudige bebouwing. Het zijn monofunctionele terreinen waarbij de bebouwing hun functie weergeeft. Afhankelijk van de ouderdom van de bestaande bebouwing en de behoefte van de daarin gevestigde bedrijven zullen er veranderingen gewenst zijn. Daarbij zal het voornamelijk gaan om uitbreiding van bestaande gebouwen en de vervanging van oudere hallen door gebouwen die aan de huidige eisen voldoen. Het goed functioneren van de bedrijventerreinen is van belang. Regulier welstandsregime Voor de sobere bebouwing langs een eenvoudige hoofdstructuur geldt een regulier welstandsregime gericht op beheer van de openbare ruimte en het goed functioneren van het terrein. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in traditionele bedrijventerreinen zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen zijn georiënteerd op de weg representatieve, openbare en woonfuncties zijn naar de straat gericht de rooilijnen kunnen verspringen ten opzichte van elkaar opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats Massa gebouwen zijn in principe individueel en afwisselend gebouwen zijn eenvoudig van opbouw gebouwen bestaan bij voorkeur uit een ongedeelde hoofdmassa gebouwen hebben een onderbouw van twee lagen met een plat of hellend dak Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is soms sober maar in ieder geval zorgvuldig accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk wijzigingen in stijl, maat en afwerking afstemmen op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik gevels zijn van baksteen, een enkele keer gepleisterd of van plaatmateriaal onderlinge samenhang is uitgangspunt voor het kleurgebruik, waarbij terughoudende kleuren de voorkeur hebben maar bij zorgvuldige toepassing ook felle kleuren mogelijk zijn Gebiedsbeschrijving Het zijn gebieden zonder enige samenhang tussen bebouwing en omgeving. Door de ligging in de opgehoogde uiterwaarden langs de ringdijk vormen de havengebieden een barrière in de beleving tussen tussen de kern en de rivier. De terreinen hebben veelal een eenvoudige hoofdstructuur. De gebouwen weerspiegelen de functie van het gebied en kennen weinig verfraaiingen. Tussen de opslagterreinen en bedrijfshallen staan enkele kantoorgebouwen. De inrichting van de openbare ruimte is doelmatig en eenvoudig, op het sobere af. Geplande groenelementen komen nauwelijks voor, maar er zijn meestal wel ruime groene bermen en braakliggende terreinen. Op- en overslag van goederen vindt meestal in het zicht plaats. Hierdoor wordt het rommelige karakter van deze gebieden versterkt. Goederen worden ook opgeslagen in silo’s. Bedrijfshallen en kantoren zijn over het algemeen individueel, omdat ze vooral gebouwd zijn voor hun specifieke functie. Opslag- en productiegebouwen hebben een schijnbaar willekeurige oriëntatie en hebben zelden een duidelijke voorgevel. Rooi- en noklijnen verspringen. Gebouwen zijn eenvoudig van opzet en hebben veel variatie in vorm. De gevels van de opslag- en productiegebouwen zijn veelal gesloten. Entreepartijen en kantoorgedeeltes zijn soms vormgegeven als accenten. De detaillering van de gebouwen is over het algemeen erg sober. Meestal zijn de gevels opgebouwd uit gevouwen staalplaat of beton. Soms is ook baksteen als bouwmateriaal gebruikt. Het kleurgebruik varieert van terughoudend tot felle kleuren bij reclame. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De havengebieden vormen een belemmering in de beleving van de rivier vanaf de ringdijk en de rest van de kern. De beeldkwaliteitswaarde van bebouwing in havengebieden is over het algemeen niet groot. De vormgeving van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte is meestal eenvoudig en veelal toegespitst op het gebruik ervan. Doordat de op- en overslag van goederen meestal in het zicht gebeurt, wordt het sobere en rommelige beeld veelal versterkt. De dynamiek van deze gebieden is gemiddeld tot hoog en betreft zowel kleine aanpassingen als vervanging of nieuwbouw van gehele bedrijfspanden. Regulier welstandsregime Voor de havengebieden geldt een regulier welstandsregime, dat is gericht op het gebruik van de havens en het behouden van een basiskwaliteit. Bij wijzigingen zal worden beoordeeld op de individualiteit van de gebouwen, een basiskwaliteit in de detaillering en samenhang in kleur- en materiaalgebruik. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in havengebieden zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging gebouwen zijn georiënteerd op de weg representatieve functies zijn naar de straat gericht de rooilijnen kunnen verspringen ten opzichte van elkaar opslag vindt bij voorkeur uit het zicht plaats Massa gebouwen zijn in principe individueel en afwisselend gebouwen zijn eenvoudig van opbouw gebouwen bestaan bij voorkeur uit een ongedeelde hoofdmassa gebouwen hebben een onderbouw van maximaal drie lagen met een plat of flauw hellend dak Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is in het algemeen zorgvuldig en sober accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk wijzigingen in stijl, maat en afwerking afstemmen op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik gevels bestaan hoofdzakelijk uit gevouwen staalplaat of zijn van baksteen het kleurgebruik is bij voorkeur terughoudend en in onderlinge samenhang Gebiedsbeschrijving Dit zijn gebieden met een recreatieve of sportfunctie met overwegend eenvoudige bebouwing en een groen karakter. Naast recreatieterreinen en sportterreinen en -complexen vallen ook maneges, openluchtzwembaden, volkstuinen en begraafplaatsen in deze categorie. De terreinen zijn verschillend van grootte. Ook de bijbehorende bebouwing is verschillend in grootte en vormgeving. Daarnaast komen er grootschalige sportgebouwen als zwembaden en sportcomplexen voor. Veel sport- en recreatieterreinen zijn voorzien van een parkeerterrein. In het algemeen bestaat de bebouwing uit een hoofdgebouw met meerdere bijgebouwen, die meestal vrij op het terrein staan. Het hoofdgebouw heeft de functie van clubhuis, kantine, kantoor, kleedruimte of een functieoverkoepelende sporthal. De gebouwen staan vrij op het maaiveld. Gebouwen zijn meestal geclusterd waarbij het hoofdgebouw gericht is op de belangrijkste openbare ruimte of het hoofdsportveld. De entree is gericht op de weg en is veelal vormgegeven als accent. De gebouwen hebben een eenvoudige opbouw. Ze bestaan in hoofdzaak uit een onderbouw van één tot twee lagen met een flauw hellende kap of plat dak. Sporthallen en overdekte zwembaden hebben veelal een hogere bouwhoogte. Hoewel de gebouwen vaak verschillen van uiterlijk is de hoofdvorm vaak helder en de architectuur eenvoudig. Grote vlakken bestaan uit materiaal met een structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat. De gevels van de sporthallen en zwembaden zijn op het entreegedeelte na veelal gesloten. Het kleurgebruik is terughoudend. Waardebepalingen, ontwikkelingen en beleid De sport-, recreatieterreinen en parken zijn eenvoudig qua opzet en bebouwing en hebben een groen karakter. De architectuur is terughoudend. Er zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden. Er zijn geen grootschalige ontwikkelingen te verwachten. Het beleid is terughoudend en gericht op beheer. Sport- en recreatieterreinen moeten goed worden ingepast in het landschap of de ruimtelijke structuur van de kern. Regulier welstandsregime Voor sport- en recreatieterreinen met de veelal heldere indeling geldt een regulier welstandsregime. Bij beoordeling zal worden gelet op een terughoudende architectuur en landschappelijke inpassing. Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in sport- en recreatieterreinen zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging per terrein is er één hoofdmassa het hoofdgebouw is vrijstaand en individueel het individuele gebouw binnen een cluster is deel van het geheel en voegt zich hier naar het hoofdgebouw is met de voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte bijgebouwen zijn ondergeschikt grootschalige verharding van voorerven voor bijvoorbeeld parkeerplaatsen zoveel mogelijk beperken Massa gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm gebouwen bestaan uit een onderbouw van één tot twee lagen met flauw hellende kap of plat dak individuele gebouwen binnen een cluster zijn op elkaar afgestemd er zijn zo min mogelijk dichte gevels aan de straat aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw geledingen in massa zijn wenselijk Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking is in het algemeen eenvoudig accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk entreepartijen zijn vormgegeven als accent of als zelfstandig volume bijgebouwen zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als de hoofdmassa wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik gevels zijn bij voorkeur van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen grote vlakk

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.