← Nederland

Uitvoeringsbeleid evenementen Eersel 2019 (Eersel)

In het kort

Dit beleid beschrijft hoe de gemeente Eersel omgaat met evenementen, van aanvraag tot evaluatie, en welke regels en verwachtingen er zijn voor alle betrokken partijen. Het doel is om evenementen veilig en goed georganiseerd te laten verlopen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsbeleid evenementen Eersel 2019Hoofdstuk1Inleiding 1.1 Inleiding Eersel kent een levendig verenigingsleven en heeft hierdoor van oudsher een rijke traditie op het gebied van evenementen ontwikkeld. Bij evenementen gaat het dan om zowel grote, middelgrote als kleine evenementen, om eenmalige en jaarlijks terugkerende evenementen of om gemeente overstijgende evenementen. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld braderieën en jaarmarkten, wedstrijden en tochten, optochten, buurtfeesten, muziekfeesten en kermissen. Het is voor de leefbaarheid van de gemeente van belang de evenementen in stand te houden. Evenementen hebben een toeristische en recreatieve waarde, brengen plezier en vermaak en zorgen ook voor sociale samenhang. De sociale samenhang geldt niet alleen voor het evenement zelf, maar ook zeker voor de organisatie daarvan. Een gevarieerd aanbod aan evenementen die goed verlopen, is positief voor het recreatieve en toeristische imago van de gemeente. Evenementen kunnen echter ook risico’s met zich mee brengen. Om de risico’s vooraf in beeld te hebben, tijdens het evenement te kunnen beheersen en om de evenementen in het algemeen goed te laten verlopen is het van belang dat er gemeentelijk beleid is over hoe om te gaan met evenementen. In dit uitvoeringsbeleid evenementen staat uiteengezet hoe een procedure van een aanvraag/melding tot de evaluatie van het evenement er uit ziet, welke aspecten bij de beoordeling worden betrokken en wat partijen van elkaar mogen verwachten. 1.2 Aanleiding Het evenementenbeleid is voor het laatst vastgesteld op 1 mei 2012 (gewijzigd 7 februari 2017 en 22 december 2017). Voor en na de vaststelling zijn er diverse ontwikkelingen geweest die het noodzakelijk maken het uitvoeringsbeleid evenementen actueel te houden. Zo is de veiligheid bij evenementen de afgelopen jaren verschillende keren in het nieuws geweest. Daarbij kan gedacht worden aan: legionellabesmetting tijdens de Flora in Bovenkarspel

(1999); de uitbraak van het norovirus tijdens de Jamboree in Liempde (2004 en 2008); hittegolf tijdens de Nijmeegse vierdaagse
(2006); aanslag op de Koninklijke familie tijdens Koninginnedag
(2009); strandrellen tijdens een muziekevenement bij Hoek van Holland
(2009); Loveparade in Duisburg
(2010); noodweer tijdens muziekevenementen Dance Valley (zware regenval, 2001), Pinkpop (storm, 2014), Pukkelpop (zware regenval en storm, 2011), Intents festival (storm, 2015) en The Flying Dutch (onweer, 2016); dode bij ongeval rally in Amsterdam
(2013); monstertruck in Haaksbergen
(2014); omvallen verreiker in Oosterwolde
(2015); aanslagen door inrijden met voertuig in omgeving met veel mensen (2016 en 2017). Anderen reden voor actualisatie zijn: Wijzigingen in wet- en regelgeving; Aandacht voor verantwoordelijkheden bij evenementen; Stroomlijnen van het werkproces om te komen tot een evenementenvergunning/ melding, waardoor doorlooptijden kunnen worden verkort. Regulering toezicht op evenementen. 1.3 Doelstelling Om te zorgen voor goed georganiseerde evenementen is er behoefte aan een eenduidig en samenhangend uitvoeringsbeleid voor evenementen. Hoofddoel van het nieuwe uitvoeringsbeleid evenementen is dat burgers, ondernemers en organisatoren weten welke richtlijnen en voorschriften gehanteerd worden met betrekking tot het organiseren van evenementen. Ook wordt duidelijk wat partijen, zoals organisatoren, omwonenden, hulpdiensten en gemeenten, van elkaar kunnen en mogen verwachten. Dit leidt tot de volgende subdoelstellingen: De mogelijkheden en wet- en regelgeving omtrent vergunningverlening bij evenementen zijn inzichtelijk. Alle relevante procedures, voorschriften en afspraken zijn gebundeld en op elkaar afgestemd. Er wordt een heldere overleg- en adviesstructuur tussen gemeente en belanghebbenden bij evenementen tot stand gebracht en/of in stand gehouden. 1.4 Wijzigingen De voornaamste wijzigingen ten opzichte van de Nota Uitvoeringsbeleid evenementen Gemeente Eersel 2012 zijn de volgende: De categorieën van evenementen die vergunnings- en meldingsvrij zijn, zijn aangepast; Wijzigingen uit wet- en regelgeving zijn overgenomen; Toetsingskaders zijn geactualiseerd en bijbehorende voorschriften zijn aangepast; Het toezichts- en handhavingskader is verder uitgewerkt; Het vergunningen- en meldingenproces is beschreven. 1.5 Status en inwerkingtreding beleid Het uitvoeringsbeleid evenementen heeft de status van beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3 en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er moet volgens het beleid gehandeld worden, maar de burgemeester dan wel het college blijven bevoegd om af te wijken (artikel 4:84 Awb). Afwijken is mogelijk wanneer de gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Dit uitvoeringsbeleid evenementen treedt na bekendmaking in werking. Bekendmaking vindt plaats in het Gemeenteblad. Het vastgestelde beleid is ook op de gemeentelijke website te raadplegen. Zodra het beleid in werking is getreden worden alle nieuwe aanvragen en meldingen hieraan getoetst. De Nota Evenementenbeleid Gemeente Eersel 2012 moet worden ingetrokken door de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders. Hoofdstuk2Wet en regelgeving 2.1 Algemene Plaatselijke Verordening 2.1.1 Algemeen De basis voor een evenement is geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In hoofdstuk 2, afdeling 7 zijn in de artikelen 2:24, 2:25, 2:26 en 2:26a bepalingen opgenomen voor het organiseren van evenementen. Deze artikelen uit de APV vormen de basis voor dit uitvoeringsbeleid evenementen. Naast deze artikelen zijn in de APV nog enkele andere bepalingen opgenomen die een relatie hebben met evenementen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1, de sluitingstijden van horecagelegenheden uit hoofdstuk 2, afdeling 8 en het produceren van geluid uit hoofdstuk 4, afdeling 1. Op grond van deze artikelen kan het zijn dat er meerdere meldingen/vergunningen/ontheffingen ingediend of aangevraagd moeten worden. Dit gebeurt tegelijkertijd met de aanvraag of melding voor het evenement, met hetzelfde formulier. 2.1.2 Evenement In artikel 2:24 van de APV is een begripsbepaling opgenomen over wat een evenement is. Een evenement wordt omschreven als elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Deze begripsbepaling bevat meerdere elementen. Om een goede beoordeling van het begrip evenement mogelijk te maken is hierop een toelichting nodig. In bijlage 1 is deze nadere toelichting opgenomen. 2.1.3 Vergunning, melding of vergunningsvrij Vergunning of melding In artikel 2:25 APV is een onderscheid gemaakt tussen een evenement waarvoor een vergunning nodig is en een evenement waar volstaan kan worden met een melding. Met een melding kan worden volstaan als het evenement op basis van de regionale behandelscan van de VRBZO valt binnen de categorie A. In hoofdstuk 3 is de classificatie van de evenementen opgenomen, dus wanneer een vergunning of wanneer een melding nodig is. Vergunningsvrij Geen vergunning of melding In artikel 2:25 van de APV is opgenomen dat de burgemeester vrijstelling kan verlenen van de meldingsplicht voor door hem aan te wijzen categorieën van evenementen. Als uitvloeisel van dit uitvoeringsbeleid evenementen verleent de burgemeester vrijstelling voor door hem aangewezen soorten evenementen binnen de classificatie van A-evenementen. Besloten feest Een besloten feest is een feest dat: alleen toegankelijk is voor genodigden, de kring van personen staat daarbij in een verband met elkaar dat min of meer duurzaam is en niet berust op een toevallige gemeenschappelijkheid; niet commercieel is, maar een privékarakter heeft; waarvoor niet publiekelijk kaarten worden verkocht; waarvoor niet publiekelijk reclame, in welke vorm dan ook, wordt gemaakt; en geen structureel karakter krijgt op de betreffende locatie. Een besloten feest valt niet onder de definitie van evenement en is daardoor vergunningsvrij. Wel is toestemming nodig van de eigenaar van de plaats waar het feest gehouden wordt. Voor het organiseren van besloten feesten, al dan niet in een tent, op openbaar terrein geeft de gemeente als grondeigenaar geen toestemming. Ook wordt geen toestemming verleend voor besloten feesten tijdens evenementen, dus waarbij gebruik wordt gemaakt van de evenementeninrichting. Voor het plaatsen van een tent is mogelijk een gebruiksmelding op basis van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen nodig (paragraaf 4.1.5). Voor gebouwen is mogelijk een melding op basis van het Gebruiksbesluit nodig (paragraaf 4.1.5). Horecagelegenheden Evenementen in reguliere horecagelegenheden zijn ook vergunningsvrij, mits het evenement geheel in de inrichting, dus inclusief terras, plaatsvindt en behoort tot de normale bedrijfsvoering. Als het evenement geheel of gedeeltelijk buiten de inrichting plaatsvindt, moet wel een vergunning worden aangevraagd of een melding worden gedaan. Een vechtsportgala behoort nooit tot de normale bedrijfsvoering en is daarom altijd een evenement. Evenementen in paracommerciële horecagelegenheden zijn ook vergunningsvrij, mits het evenement gericht is op de doelstelling van de beherende stichting of vereniging. Voor het gebruiken van gebouwen met een omgevingsvergunning of gebruiksmelding voor brandveilig gebruik is geen melding op basis van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen nodig. 2.1.4 Verstoren openbare orde In artikel 2:26 van de APV is opgenomen dat het verboden is bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken of anderszins de orde te verstoren. In artikel 2:26a van de APV zijn mogelijkheden voor de burgemeester opgenomen om verstoren van de openbare orde bij een evenement tegen te gaan. Ook zijn in dat kader verplichtingen voor organisatoren en bezoekers opgenomen. 2.2 Andere wet- en regelgeving 2.2.1 Landelijke wet- en regelgeving Bij een evenement kan meerdere landelijke wet- en regelgeving van toepassing zijn. Zo kan onder andere de volgende wet- en regelgeving van toepassing zijn: Drank- en Horecawet (DHW) Wegenverkeerswet Wet geluidhinder Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit Wet natuurbescherming Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Bouwbesluit Gebruiksbesluit Zondagswet Wet op de kansspelen Gemeentewet Winkeltijdenwet Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen Bovenstaande lijst is niet uitputtend bedoeld. Op grond van wet- en regelgeving kan het zijn dat er meerdere meldingen/vergunningen/ontheffingen ingediend of aangevraagd moeten worden. Landelijke Handreiking Evenementenveiligheid Via een landelijke handreiking wordt in een zevental processtappen geadviseerd over hoe om te gaan met evenementenveiligheid. Hierbij is een hulpmiddel ontwikkeld voor het inventariseren en analyseren van de risico’s. Deze handreiking is gebruikt bij het opstellen van dit uitvoeringsbeleid evenementen. Keuzewijzer Evenementenveiligheid Op basis van de 7 thema’s uit de Landelijke Handreiking Evenementenveiligheid helpt de Keuzewijzer Evenementenveiligheid een gemeente in de organisatie van het proces rondom vergunningverlening. Deze keuzewijzer is gebruikt bij het opstellen van dit uitvoeringsbeleid evenementen. 2.2.2 Regionale wet- en regelgeving Regionale handreiking evenementenveiligheid Om de veiligheidsrisico’s bij met name grotere evenementen in kaart te brengen is in de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) de Regionale handreiking evenementenveiligheid opgesteld. Deze handreiking is de regionale doorvertaling van de Landelijke Handreiking Evenementenveiligheid en de Keuzewijzer Evenementenveiligheid. De handreiking is door de gemeente Eersel vastgesteld. Hierdoor moet vergunningverlening voor evenementen plaatsvinden volgens een behandelscan en –analyse. Bij de risicoanalyse wordt op basis van een publieksprofiel (omvang en samenstelling van het publiek), een activiteitenprofiel (activiteiten die plaatsvinden tijdens het evenement) en een ruimtelijk profiel (fysieke ruimte waarin het publiek zich beweegt en bevindt en waarbinnen de activiteiten zich afspelen, evenals de infrastructuur bij evenementen) een analyse van het evenement gemaakt. Aan de hand van deze analyse vindt onder andere een voorbespreking plaats tussen brandweer, politie, Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR), gemeente en de organisatie. Uiteindelijk worden specifieke veiligheidsvoorschriften voor het betreffende evenement voorgeschreven, zodat bezoekers kunnen genieten van een aangenaam en veilig evenement. Dienstverleningsconcept Kempengemeenten De komende jaren gaan de Kempengemeenten een ontwikkeling doormaken naar vraaggericht werken. Dit houdt in dat de klant centraler gesteld moet worden bij het verlenen van diensten. In het dienstverleningsconcept zijn doelen geformuleerd om dit doel te bewerkstelligen. Belangrijke punten die op het gebied van evenementen van toepassing kunnen worden verklaard zijn: Er worden geen onnodige gegevens aan de burgers gevraagd; De meest gevraagde producten worden gestandaardiseerd; Informatie wordt proactief overgedragen richting klanten; Bij elk evenement worden dezelfde kwaliteitsnormen gehanteerd. Integraal Veiligheidsplan De Kempen Het Integraal Veiligheidsplan voor basisteam de Kempen beschrijft de rol van de gemeente in het veiligheidsbeleid. Zo worden in de kadernota onder andere de visie, de bestuurlijke rollen en de uitgangspunten van de gemeente op het gebied van integrale veiligheid beschreven. Ook de vijf veiligheidsvelden veilige woon- en leefomgeving, bedrijvigheid en veiligheid, jeugd en veiligheid, fysieke en externe veiligheid en integriteit en veiligheid komen uitvoerig aan bod. Het IVP brengt beleid en uitvoering gestructureerd samen en kan gezien worden als het 'moederdocument' van het integraal veiligheidsbeleid. De jaarlijkse uitvoeringsprogramma's integraal veiligheidsbeleid moeten aansluiten op de kadernota. 2.2.3 Gemeentelijke wet- en regelgeving Toekomstvisie 2030 Eersel is een toeristische gemeente. Kansen op het gebied van vrijetijdseconomie moeten aangegrepen worden. Binnen de Toekomstvisie wordt veel waarde gehecht aan een grote sociale cohesie. De gemeente ondersteunt evenementenorganisaties bij het organiseren van activiteiten in de dorpen. Daarnaast is duurzaamheid een speerpunt uit de Toekomstvisie. De gemeente stimuleert, ondersteunt en adviseert evenementenorganisaties bij het duurzaam organiseren van activiteiten in de dorpen. Ruimtelijke ordening Het organiseren van een evenement heeft altijd een relatie met ruimtelijke ordening, en wel in het bijzonder met een bestemmingsplan. In een bestemmingsplan is bepaald of de grond of een pand gebruikt mag worden voor evenementen. De bestemmingsplannen voorzien in de volgende evenementenlocaties: E3-strand aan Buivensedreef 10 in Eersel; Mortelveld in Eersel; Pleinen en markten in alle kernen; Gronden met de bestemming “Groen” in de bestemmingsplannen voor de kernen van Eersel, Duizel, Wintelre en Vessem (uitsluitend met de aanduiding plein); Gronden met de bestemming “Verkeer” in het bestemmingsplan voor de kern Eersel. Als een evenement niet op één van deze locaties wordt gehouden is er sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan dan niet voorziet in het houden van evenementen op de betreffende locatie. Een aanvraag voor een evenementenvergunning en een melding van een evenement worden echter niet getoetst aan het geldende bestemmingsplan. Dit omdat strijd met het bestemmingsplan geen weigeringsgrond is in de zin van de APV (Voorzieningenrechter van Rechtbank 06-09-2001, ECLI:NL:RBLEE:2001:AD3917). De evenementenvergunning/-melding zal in dit geval dan toch verleend worden, maar het evenement kan geen doorgang vinden vanwege strijd met het bestemmingsplan, tenzij er geen sprake is van planologische relevantie of een omgevingsvergunning wordt verleend. Om bij evenementen buiten de vastgestelde evenementenlocaties te beoordelen of sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan, moet per evenement beoordeeld worden of sprake is van planologische relevantie. Is sprake van planologische relevantie, dan moet voor het evenement een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan. De planologische relevantie met betrekking tot het houden van terugkerende, meerdaagse evenementen wordt bepaald door de omvang, de duur en de uitstraling van het evenement. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld (ABRS 13-04-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT3708 / 200405311/1, Schuttersfeest Diepenheim, Hof van Twente en ABRS 23-05-2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6361. Zie ook: Rechtbank Leeuwarden 27-07-2005, ECLI:NL:RBLEE:2005:AU0442, Veenhoopfestival Smallingerland). De gemeente wijst organisatoren erop als een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden. Evenementen die eenmalig plaatsvinden of in elk geval niet regelmatig worden herhaald en/of evenementen met een kleinschalige omvang, korte duur en weinig uitstraling, hebben geen of slechts geringe planologische relevantie. Gedacht kan dan worden aan buurtfeesten en een garageverkoop. Deze evenementen kunnen gewoon plaatsvinden, daarvoor is geen planologische regeling (omgevingsvergunning) vereist. Voor deze evenementen is wel een evenementenvergunning of -melding vereist op grond van de APV en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor muziek/geluidhinder, brandveiligheid enzovoort. Als op een niet voor evenementen bestemd terrein meerdere, al dan niet jaarlijks terugkerende, verschillende evenementen per jaar worden georganiseerd kan er sprake zijn van planologische relevantie. Het bestemmingsplan kan hierin voorzien, al dan niet met een omgevingsvergunning, of er kan van het bestemmingsplan worden afgeweken met een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Preventie- en handhavingsplan In het Preventie- en handhavingsplan is opgenomen hoe de gemeente omgaat met de 2 algemene hoofddoelstellingen daarvan en welke resultaten behaald moeten worden. De hoofddoelstellingen zijn: Afname (overmatig) alcoholgebruik en de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik bij jongeren onder de 18 jaar. Afname dronkenschap (met name tijdens uitgaansavonden) in het publieke domein. In het Preventie- en handhavingsplan is het Alcohol- en Horecasanctieplan opgenomen. In dit sanctieplan zijn zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke middelen beschreven. Naleven van de Drank- en Horecawet, de horeca-exploitatievergunning (artikel 2:28 APV) en het optreden bij geluidhinder, brandveiligheid, het overschrijden van sluitingstijden en het verstoren van de openbare orde worden in het stappenplan beschreven. Doel van het Alcohol- en Horecasanctieplan is enerzijds een leidraad te bieden voor functionarissen die betrokken zijn bij de handhaving van de wet- en regelgeving omtrent alcoholgebruik en horeca. Anderzijds biedt het Alcohol- en Horecasanctieplan ook voor derdebelanghebbenden meer inzicht in het bestuurlijk- en strafrechtelijk optreden. Uitvoeringsbeleid Kwaliteit VTH Het vastgestelde Uitvoeringsbeleid Kwaliteit Vergunningen, Toezicht en Handhaving is van toepassing op evenementen. In dit beleid zijn de uitgangspunten opgenomen over kwaliteit, verantwoordelijkheden, risico’s en de organisatie. Winkeltijdenverordening Evenementen kunnen gekoppeld zijn aan winkelactiviteiten. In de Winkeltijdenverordening zijn regelingen opgenomen voor het geopend hebben van winkels op zon- en feestdagen en op werkdagen tussen 22.00 uur en 06.00 uur. Hoofdstuk3De behandelscan en classificatie van de evenementen 3.1 De behandelscan In de vastgestelde Regionale handreiking evenementenveiligheid van de VRBZO is een methode opgenomen waarbij evenementen geclassificeerd kunnen worden. De classificatie vindt plaats op basis van de behandelscan (voorheen risicoscan, januari 2019 geactualiseerd naar Brabantbrede behandelscan). Met gebruikmaking van deze behandelscan vindt op gelijkluidende wijze informatieverstrekking plaats voor organisaties, gemeenten, hulpdiensten en meldkamer. Hiermee wordt ook het doel van de VRBZO om alle 21 gemeenten te laten komen tot één uniform beleid bevorderd. Op basis van de risico’s worden evenementen ingedeeld in de verschillende risicocategorieën. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de risico’s op het gebied van openbare orde en veiligheid, de impact op de omgeving en de eventuele gevolgen voor het verkeer. De behandelscan is gebaseerd op verschillende indicatoren die zijn gerubriceerd in de volgende drie profielen: activiteitenprofiel (bijv. popconcert, tijdstip, politieke gevoeligheid); publieksprofiel (bijv. aantal); ruimteprofiel (bijv. openbare/afgesloten ruimte, verkeersoverlast). De behandelscan wordt door de gemeente ingevuld op basis van de aanvraag en concrete plannen van de organisatie, ervaringsgegevens (van vergelijkbare evenementen) en specifieke informatie vanuit de diverse (hulp)diensten. De uitkomst van de behandelscan bepaalt onder andere welke actoren betrokken worden bij de behandeling van de aanvraag en welk adviestraject wordt doorlopen. Tijdens een vergunning/meldingsprocedure van een weinig risicovol evenement kan het nodig zijn op te schalen naar een meer risicovollere categorie, als de impact groter blijkt te zijn dan aanvankelijk is ingeschat. De meeste kleinschalige evenementen vormen weinig risico, veroorzaken weinig of geen geluids- en verkeersoverlast en vereisen nagenoeg geen politie-inzet. De van nature subjectieve inschatting van risico’s kan worden geobjectiveerd door standaardaspecten na te lopen. Voor elk van de aspecten moet worden ingeschat hoe groot de kans op calamiteiten is. Belangrijke criteria hierin zijn bovengenoemde profielen. De evenementen worden gerubriceerd volgens tabellen per profiel. Het risico wordt uitgedrukt in risicopunten. Hoe hoger het aantal punten, des te groter is de inschatting dat er een risicovolle situatie kan ontstaan. De hoogte van het aantal punten is gebaseerd op praktijkervaringen in de regio. Evenementen, die niet expliciet onder één van de genoemde categorieën vallen, krijgen uiteraard ook risicopunten. Het advies van de VRBZO is om in die gevallen voor de toekenning van risicopunten een vergelijking te maken met één van de wel genoemde evenementsoorten. De volledige behandelscan en de risicomatrix zijn terug te vinden in bijlage 2 van dit uitvoeringsbeleid evenementen. 3.2 Veiligheidsrisico’s en aanpak Met behulp van een risico-inventarisatie door het toepassen van de behandelscan kunnen de evenementen ingedeeld worden in categorie A, B of C. Evenementen met de grootste risico’s komen in categorie C terecht. Per categorie kunnen de juiste veiligheidsmaatregelen worden vastgesteld. Er zijn veel aspecten die een evenement een verhoogd risicoprofiel kunnen geven. Het kan zijn dat risico’s met een zeer grote kans en een beperkt effect of juist risico’s met een kleine kans maar een onacceptabel effect reden kunnen zijn om maatregelen te nemen. De mate van onveiligheid als gevolg van incidenten die weinig voorkomen, zoals rampen en ongevallen, kan niet bepaald worden op basis van incidenten in het verleden. Daarbij zijn deze erg onvoorspelbaar en valt dit daarom onder het geldende regionale crisisplan. Toch vergt veiligheidsbeleid dat een verantwoorde inschatting wordt gemaakt van de kans dat dergelijke incidenten zich voordoen en van de gevolgen in termen van het voorkomen van slachtoffers en schade. 3.3 Indeling naar categorie evenement De gemeente Eersel bepaalt met behulp van de behandelscan tot welke van de categorieën A, B of C het evenement wordt gerekend. Aan deze categorieën wordt een extra categorie toegevoegd, namelijk categorie 0. Categorie 0 komt voort uit een onderverdeling binnen categorie A uit de behandelscan. Binnen categorie 0 worden soorten evenementen aangewezen die vallen onder deze categorie. Afhankelijk van de categorie worden de hulpdiensten gevraagd om nader advies en/of aanvullende voorbereidende maatregelen voor het evenement uit te werken. Categorie Omschrijving Meldings- of vergunningsplichtig Advies hulpdiensten Categorie 0 (score < 6) Laag risico-evenement, met beperkte impact op de omgeving en beperkte gevolgen voor het verkeer Meldings- en vergunningsvrij Niet van toepassing Categorie A (score < 6) Laag risico-evenement, met beperkte impact op de omgeving en beperkte gevolgen voor het verkeer Meldingsplichtig Monodisciplinaire advisering Categorie B (score 6 - < 9) Gemiddeld risico-evenement, met grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer Vergunningsplichtig Monodisciplinaire of multidisciplinaire advisering Categorie C (score 9 of hoger) Hoog risico-evenement, met grote impact op de omgeving en/of (regionale) gevolgen voor het verkeer Vergunningsplichtig Multidisciplinaire advisering Evenementen worden binnen de categorieën uit bovenstaande tabel geclassificeerd als: evenement met laag risico (categorie 0 en A); evenement met verhoogde aandacht (categorie B); risico-evenement (categorie C). Wanneer de vergunningsaanvraag of melding is binnengekomen bij de gemeente, wordt op basis van de behandelscan bepaald tot welke categorie het evenement is geclassificeerd. Afhankelijk van de categorie worden de hulpverleningsdiensten al dan niet gevraagd om advies en/of om aanvullende voorbereidende maatregelen op het evenement, uit te werken. Voor de gemeente en de hulpdiensten is het van belang te weten welke risico’s bij een evenement aanwezig zijn en of het evenement dusdanig risicovol is dat bijvoorbeeld een multidisciplinaire afstemming noodzakelijk is in de vorm van een evenementenvergunning met maatwerkvoorschriften of maatwerkvoorschriften bij een meldingsplichtig evenement of dat volstaan kan worden met standaardvoorschriften, waarbij geen multidisciplinaire afstemming nodig is. 3.4 Indeling evenementen 3.4.1 Categorie 0 - evenement met laag risico Deze categorie wordt gevormd door bepaalde aangewezen soorten evenementen binnen categorie A. Categorie A-evenementen worden geclassificeerd als een laag risico evenement, omdat het zeer onwaarschijnlijk is dat het evenement leidt tot risico’s voor de openbare orde en veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. Ook is het zeer onwaarschijnlijk dat deze evenementen maatregelen of voorzieningen vergen om de dreiging hiertoe weg te nemen of om de schadelijke gevolgen te beperken. Specifiek aan te wijzen soorten evenementen binnen categorie A brengen dusdanig weinig risico’s met zich mee waardoor die evenementen door de burgemeester vrijgesteld kunnen worden van de meldingsplicht, zoals bedoeld in artikel 2:25 lid 6 van de APV. De burgemeester geeft vrijstelling van de vergunnings- en meldingsplicht voor de volgende soorten A-evenementen, mits geen wegen, paden of openbare parkeerplaatsen worden afgesloten voor welke duur dan ook, geen verkeersregelaars ingezet moeten worden, er niet meer dan maximaal 250 personen gelijktijdig aanwezig zijn en er sprake is van een eendaags evenement tussen 10.00 uur en 19.00 uur: Tochten (toertocht, wandeltocht), waarbij geen sprake is van een wedstrijdelement en het uitsluitend op openbare verharde wegen en openbare aanlegde paden plaatsvindt; Inritten- of garageverkoop; Tentoonstelling; Modeshow; Opening; Schoolevenement, waarbij het evenement wordt georganiseerd door een onderwijsinstelling en het evenement gericht is op onderwijs gerelateerde activiteiten. Het organiseren van deze evenementen hoeft niet aan de gemeente te worden meegedeeld. Hierbij wordt opgemerkt dat andere toestemmingen dan voor het evenement op zich nog wel vereist kunnen zijn. 3.4.2 Categorie A - evenement met laag risico Deze evenementen zijn geclassificeerd als een laag risico evenement, omdat het (zeer) onwaarschijnlijk is dat het evenement leidt tot risico’s voor de openbare orde en veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. Ook is het onwaarschijnlijk dat deze evenementen maatregelen of voorzieningen vergen om de dreiging hiertoe weg te nemen of om de schadelijke gevolgen te beperken. Deze evenementen brengen hierdoor weinig risico’s met zich mee en kunnen daarom worden vrijgesteld van de vergunningsplicht, zoals bedoeld in artikel 2:25 lid 1 van de APV. Deze evenementen zijn meldingsplichtig op grond van artikel 2:25 lid 3 van de APV. 3.4.3 Categorie B - Evenement met verhoogde aandacht Deze evenementen zijn geclassificeerd als evenementen met verhoogde aandacht, omdat het evenement mogelijk leidt tot risico’s voor de openbare orde en veiligheid, de volksgezondheid of het milieu of omdat het evenement maatregelen of voorzieningen vergt om die dreiging weg te nemen of om de schadelijke gevolgen te beperken. Voor deze categorie evenementen is een vergunning vereist. 3.4.4 Categorie C – Risicovol evenement Deze evenementen zijn geclassificeerd als risicovolle evenementen, omdat het (zeer) waarschijnlijk is dat het evenement leidt tot risico’s voor de openbare orde en veiligheid, de volksgezondheid of het milieu of omdat het evenement maatregelen of voorzieningen vergt om die dreiging weg te nemen of om de schadelijke gevolgen te beperken. Voor deze categorie evenementen is een vergunning vereist. Het E3-strand in Eersel is een particulier evenemententerrein met een regionale functie. Op deze locatie zijn categorie C-evenementen toegestaan. Buiten dit terrein wordt zeer terughoudend omgegaan met het toestaan van C-evenementen. Hoofdstuk4Aspecten bij evenementen De in dit hoofdstuk beschreven voorschriften worden opgenomen in de vast te stellen standaardvoorschriften. 4.1 Veiligheid 4.1.1 Algemeen De organisatie van een evenement is verantwoordelijk voor de veiligheid van de bezoekers van en/of deelnemers aan het evenement. Dit houdt in dat maatregelen getroffen moeten worden die de veiligheid zoveel mogelijk waarborgen. 4.1.2 Draaiboek In een draaiboek worden gepaste maatregelen vermeld die de risico’s voorkomen of beperken. Een draaiboek met daarin in ieder geval een veiligheids- en calamiteitenplan is verplicht bij C-evenementen. Bij B-evenementen kan het noodzakelijk zijn een draaiboek, of onderdelen daarvan, op te stellen. Bij vergunningsplichtige B-evenementen wordt in ieder geval een draaiboek met daarin een in ieder geval een veiligheidsplan verplicht gesteld. Welke andere onderdelen bij B-evenementen verplicht worden gesteld wordt per evenement beoordeeld. Dit is onder andere afhankelijk van de aard en omvang van het evenement. Voor elk afzonderlijk deel moet zoveel als mogelijk gebruik worden gemaakt van vaste formats. Het is zaak om in een vroeg stadium af te spreken welke inhoudselementen een draaiboek moet bevatten en hoe deze uitgewerkt moeten zijn. Dit draaiboek moet onder verantwoordelijkheid van de organisatie gemaakt worden en voor externe partijen toegankelijk zijn. Vanzelfsprekend is het daarbij van belang om een eenduidige terminologie te hanteren. De inhoud van een draaiboek ziet er als volgt uit: veiligheidsplan (= reguliere bedrijfsvoering) met de onderdelen: algemene beschrijving van het evenement; risicoanalyse; calamiteitenplan (= beschrijving van noodscenario’s); ontruimingsplan; verkeersplan (= beschrijving verkeersstromen); medisch plan. Algemeen De organisatie is in elk geval verantwoordelijk voor basisinformatie over: het evenement, de locatie en de bezoekers; de organisatie en de medewerkers; openbare orde (inclusief risicoanalyse) en beveiliging; communicatie en instructies; brandveiligheid; medische zorg en hygiëne; milieuzorg, geluid en leefbaarheid; vervoer, verkeer en parkeren; beveiliging; bijbehorende bijlagen (een op schaal weergegeven plattegrond van het evenemententerrein op een kadastrale ondergrond, hulpdiensten, verkeer en parkeren), telefoonlijst en programma. Veiligheidsplan In een veiligheidsplan, dat is gebaseerd op de risicoanalyse van o.a. de gemeente, politie, brandweer en/of organisatie, staat hoe de diverse voorzienbare incidenten worden bestreden. Bij het opstellen van het plan kunnen de hulpdiensten adviseren. In het plan is, indien van toepassing, aandacht voor: identificatie van de risico’s (bijvoorbeeld vechtpartijen, paniek in de menigte, overbevolking van de evenementlocatie, aan- en afvoerproblemen, overmatig alcohol- of drugsgebruik, massale ordeverstoring, onwel worden in de massa, vuurwerk) en de invloed van deze incidenten op de publieksstromen; maatregelen en acties die deze risico’s beperken of uitsluiten, zoals juiste programmering, voorlichting, mobiliteitsplan, beveiliging, alcohol- of drugsregime en voorzieningen voor geneeskundige hulpverlening; publieksmanagement, publiekscontrole en beëindiging van het evenement (zie Publieksmanagement en publiekscontrole in deze paragraaf); uitwijkalternatieven vanwege weersomstandigheden; evacuatie- en ontruimingsplan; het publieke bejegeningsprofiel; afspraken tussen organisatie en hulpdiensten over o.a. calamiteitenroutes die zowel op het terrein zelf als de relevante gebieden daarbuiten moeten worden aangebracht. De routes moeten bekend zijn bij de medewerkers op het terrein en de daarbuiten aanwezige medewerkers. Het veiligheidsplan voorziet ook in de maatregelen die de organisatie neemt bij het voorkomen en afhandelen van kleine incidenten. Bij grotere incidenten, waarbij de inzet van de hulpdiensten noodzakelijk is, treden de daarvoor bestemde plannen en procedures in werking en krijgt één van de hulpdiensten de leiding over het afhandelen van het incident. In het uiterste geval kan het regionale crisisplan worden opgestart, waarbij de burgemeester het opperbevel voert. Risicoanalyse Op basis van de behandelscan en –matrix van de VRBZO wordt een eventuele risicoanalyse uitgevoerd. Calamiteitenplan Het calamiteitenplan is een beschrijving van noodscenario’s. Het calamiteitenplan is gebaseerd op de risicoanalyse en geeft aan op welke wijze verschillende typen voorzienbare incidenten worden bestreden. Bijzonder is dat altijd nagedacht moet worden over de invloed van (de reactie
  1. op)incidenten op de publieksstromen. Daarbij wordt tevens de structuur van leiding en coördinatie beschreven. Aanbevolen wordt om in het calamiteitenplan per incidentscenario de omslagpunten (in omvang of bij escalatie) te identificeren, alsmede de procedure of regeling, waarbij de leiding en coördinatie overgaan van de organisatie naar een openbare hulpverleningsdienst of van de ene naar de andere hulpverleningsorganisatie. Ook de bestuurlijke coördinatie kan in het calamiteitenplan geregeld worden. Verder wordt aanbevolen om het calamiteitenplan af te stemmen op het regionale crisisplan. Ten slotte is het belangrijk dat personeel/vrijwilligers op de hoogte is van de inhoud van het calamiteitenplan en weet wat hun rol is hierin. De VRBZO heeft richtlijnen opgesteld voor organisatoren van evenementen om een calamiteitenplan op te stellen. Geadviseerd wordt bij het bovenstaande zoveel als mogelijk aan te sluiten bij die richtlijnen. Ontruimingsplan Een ontruimingsplan bevat afspraken en procedures over hoe te handelen bij een ontruiming. Ook omschrijft het ontruimingsplan wat er verwacht wordt van de bedrijfshulpverlening bij een calamiteit (brand, bommelding, stroomuitval enz.). Verkeersplan Dit wordt aan de hand van de aard van het betreffende evenement bepaald. Dezelfde vereiste gegevens voor een draaiboek en een mobiliteitsplan hoeven maar eenmaal te worden vermeld c.q. aangeleverd. Uitgangspunt van het plan is dat de overlast voor bewoners en bedrijven en overige verkeersgebruikers zo veel mogelijk beperkt blijft. In een mobiliteitsplan wordt aandacht besteed aan de: diverse vervoersstromen (openbaar vervoer, taxi’s, particulier vervoer, georganiseerd vervoer (pendelbussen, ontheffingen), fietsers en voetgangers); routes (incl. calamiteitenroutes, omleidingen, afsluitingen); parkeerfaciliteiten (ook fietsenrekken); bebording. Het mobiliteitsplan wordt opgesteld door de organisatie van een evenement, eventueel in overleg met de gemeente, de politie, de brandweer en indien van toepassing met provincie Noord-Brabant of Rijkswaterstaat. Het plan moet de volgende onderwerpen bevatten: Wegafsluitingen Welke weg(
  2. en)moet(
  3. en)worden afgesloten voor het verkeer en gedurende welke tijden (ook voorafgaand aan het evenement, ten behoeve van de opbouw)? Aangegeven moet worden of de weg geheel autovrij (inclusief parkeren) moet zijn of dat er beperkt verkeer (met ontheffing) mogelijk is. Voor wie geldt de ontheffing (taxi, gehandicapten) en hoe ziet die eruit? Hoe is de bereikbaarheid van de hulpdiensten (brandweer, politie en ambulance) geregeld? Rijdt er openbaar vervoer over de afgesloten wegen en kan dat blijven rijden? Zo nee, gedurende welke tijden? Vervoerswijze Uit welke delen van het land of omliggende landen komen de bezoekers/deelnemers van het evenement en met welk vervoermiddel? Wordt het gebruik van openbaar vervoer gestimuleerd en op welke wijze? Parkeren Op welke weg(
  4. en)mogen gedurende welke tijden geen geparkeerde auto’s staan? Zijn er gereserveerde parkeerplaatsen nodig voor specifieke voertuigen (materialenauto, tv-auto etc.)? Waar worden auto’s en bussen van bezoekers/deelnemers geparkeerd? Afzetmateriaal Wordt er afzetmateriaal gebruikt om plaatsen vrij van publiek/verkeer te houden? Zo ja, welk materiaal en waar (aangeven op tekening)? Verkeersregelaars Zijn er verkeersregelaars die de politie kunnen assisteren bij het afsluiten van wegen voor verkeer? Zo ja, hoeveel? Verkeersvoorlichting Hoe worden bewoners/bedrijven en bezoekers voorgelicht over de afsluitingen en andere verkeersmaatregelen? Medisch plan Het medisch plan is een beschrijving van het medisch en geneeskundig plan met in ieder geval contactpersonen, coördinatie en beschikbare mensen/middelen en de wijze waarop het plan wordt uitgevoerd. 4.1.3 Publieksmanagement en publiekscontrole Een te hoge publieksdichtheid bij een evenement brengt een verhoogde kans op incidenten met zich mee. Daarom moet er in de voorbereiding van het evenement een schatting gemaakt worden van het verwachte aantal bezoekers, aan de hand waarvan de organisator maatregelen kan treffen. Ook is het van belang een publieksprofiel te maken, om de risico’s in te schatten. Daarbij wordt bijvoorbeeld aandacht besteed aan het soort mensen (relschoppers, ouderen of theaterpubliek), leeftijd, percentage mannen en vrouwen en animositeit. Ook moet rekening worden gehouden met of bezoekers verspreid over het evenemententerrein aanwezig zijn of voornamelijk op hetzelfde gedeelte van het terrein. De politie heeft veel kennis en ervaring in de omgang met grote mensenmassa’s en verkeersstromen en adviseert op dit vlak daarom bij evenementen. Publieksmanagement (crowdmanagement) Publieksmanagement is de systematische planning voor en supervisie over de ordelijke verplaatsing en verzameling van personen. Hiervoor moet duidelijkheid bestaan over de toegankelijkheid van het evenement (is het afgeschermd of niet?), de mate van planning (wat is vooraf georganiseerd?), de focus (één evenement of meerdere tegelijk op verschillende locaties?), de locatie (aan de rand van de stad, bij een woonkern etc.?), de gesteldheid van het terrein (verharde of onverharde grond?) en de aard van het publieksmanagement (gaat het om management van een grote mensenmassa of het potentiële management waarbij een grote mensenmassa is betrokken?). Bij publieksmanagement wordt onder andere aandacht besteed aan onderstaande punten: Toevoer van de bezoekers: het is van belang dat de bezoekers gespreid naar het evenement komen, om te voorkomen dat er grote opstoppingen rondom het evenemententerrein ontstaan. De spreiding wordt bevorderd als er voorafgaand aan het evenement al vermaak is, bijvoorbeeld door een voorprogramma of de mogelijkheid er tevoren te kunnen eten of drinken. Wel kunnen de ‘aanvullende evenementen’ extra bezoekersstromen op gang brengen. Afvoer van de bezoekers: om opstoppingen bij de uitgang of in het (openbaar) vervoer te voorkomen, moet natuurlijk ook aandacht besteed worden aan het gespreide vertrek van de bezoekers. Dit kan men bereiken door niet ineens alle activiteiten te stoppen, maar het entertainment geleidelijk af te bouwen, bijvoorbeeld door enkele bars open te laten, en nog korte tijd muziek te spelen. Spreiding van de bezoekers over het terrein: door van tevoren een goede indeling te maken van de diverse activiteiten op het evenemententerrein (bv. spreiding podia, bars, toiletten etc.) en duidelijk aan te geven hoe de bezoekers overal kunnen komen, kunnen zich verdringende mensenmassa’s goeddeels voorkomen worden. Als er geen routeaanwijzingen zijn gegeven, zullen mensen naar de menigte toe trekken. Voorkomen van overbevolking: overbevolking en daarmee het gevaar van verdrukking en vertrapping zijn gerelateerd aan de dichtheid van de menigte op een (deel van
  5. de)locatie. Het is daarom van belang per locatie een maximaal gewenste publieksdichtheid te benoemen. Dit percentage zal (o.m.) afhangen van het soort evenement, de grootte en de aard van de locatie (een hellend terrein moet bv. minder dichtbevolkt worden dan een vlak terrein) en van het aantal toegangswegen. Rekening moet ook worden gehouden met concentraties van de menigte op deellocaties van het terrein. Om overbevolking te voorkomen kun je maatregelen nemen om minder mensen tot het gebied toe te laten, de stromen binnen het gebied te managen, en de uitstroom te bevorderen. Vanaf elke plaats op het terrein moet het voor het publiek duidelijk zijn hoe ze het terrein kunnen verlaten. Creëren van loop- en noodroutes: de routes naar de diverse activiteiten moeten zo ingericht zijn, zodat er naast grote stromen bezoekers ook hulp- en nooddiensten langs kunnen. Het spreekt voor zich dat deze goed bewegwijzerd moeten zijn en er op de looproutes geen obstakels zoals podia of tappunten staan. Op looproutes mag de publieksdichtheid niet meer zijn dan 70%. Het werkt de-escalerend als de massa kan blijven lopen: het geeft een geruststellend idee ‘weg te kunnen’. Met videoregistratie kan de publieksdichtheid vastgesteld worden. Communicatie aan bezoekers: communicatie met de bezoekers is van essentieel belang voor het slagen van het evenement. Door de makkelijkste vervoerswijze naar het evenement, de programmering, de locaties en de makkelijkste manier deze locaties te bereiken duidelijk kenbaar te maken, voorkom je dat er grote ongecontroleerde (en onverwachte) mensenmassa’s op gang komen. Dat kan voorafgaand aan het evenement op tickets of in een folder, maar ook op het terrein zelf door spandoeken, een plattegrond van het terrein uit te delen, posters te maken, informatieborden, een informatiebalie, radio/tv of andere media, of door boodschappen te laten omroepen. Daarnaast is het raadzaam afspraken te maken tussen stagemanagers en politie over het gebruik van geluidsapparatuur van het evenement in geval van nood om het publiek toe te spreken. Als het merendeel van de bezoekers niet of niet goed over het evenemententerrein verspreid kunnen worden kan de gemeente besluiten het toegestane bezoekersaantal te verminderen. Dit om overbevolking te voorkomen. Publiekscontrole Publiekscontrole is het beperken van collectief gedrag met repressieve maatregelen, zoals het leiden van bezoekers met afzettingen/hekken, lik op stuk beleid (boetes op vernielingen en ander ongewenst gedrag van tevoren vaststellen en publiceren en meteen uitdelen), verbod op crowdsurfen. Bij evenementen waar een grote toeloop van het publiek te verwachten valt, bijvoorbeeld voor het podium, bij de kaartverkoop of vlak voor de opening van het evenement, bestaat kans op drang. In dat geval kan in de voorschriften worden opgenomen dat de betreffende ruimte gecompartimenteerd moet worden met behulp van dranghekken. De voorschriften hieromtrent geeft de brandweer, in samenwerking met de GHOR. Bij grote menigten is het wenselijk een toezichthouder aan te wijzen, die tijdig kan signaleren wanneer mensen in de verdrukking komen. Huisregels of publiekscontroleregels moeten zichtbaar gehandhaafd worden om te voorkomen dat mensen de regels overtreden en de veiligheid van de menigte niet meer gegarandeerd kan worden. 4.1.4 Veiligheidsorganisatie Om te voorkomen dat de organisator (of productieleider) twee-petten op heeft, gastheer/-vrouw en verantwoordelijke voor de veiligheid, moet hier in de veiligheidsorganisatie van het evenement rekening mee worden gehouden. Dit geldt zowel voor grote als kleine evenementen. Gelet hierop is het raadzaam om de rollen directeur of gastheer/-vrouw, productie-/organisatieleider en veiligheidscoördinator te verdelen over 3 personen. De productie-/organisatieleider en de veiligheidscoördinator moeten vooraf besluiten nemen over de plaatsing van objecten, het moment en de staat van het terrein bij opening en sluiting voor bezoekers en de beschikbaarheid van faciliteiten voor het veiligheidsteam. 4.1.5 Brandveiligheid Algemeen Afhankelijk van het evenement en los van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen kunnen (maatwerk)voorschriften op het gebied van openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en bescherming van het milieu aan de vergunning of melding worden verbonden. Hierbij kan ook gedacht worden aan voorschriften in het kader van brandveiligheid. Deze voorschriften mogen niet regelen wat het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen al regelt. Tenten, overkappingen en parasols Bij het organiseren van een feest, worden vaak tenten, overkappingen en parasols geplaatst. Ook worden bij een evenement vaak attributen, zoals tribunes, podia, stellages en lichtinstallaties, gebruikt. Langer dan 31 dagen: als tenten, overkappingen en andere attributen langer dan 31 dagen geplaatst worden, moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Bij een kortere duur is geen omgevingsvergunning vereist. Bij plaatsing op of aan de weg is op grond van artikel 2:10 van de APV wel een ontheffing op basis van dat artikel nodig. Brandveiligheidsvoorschriften: alle tenten, overkappingen en attributen, die er maximaal 3 maanden staan, moeten voldoen aan het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Deze eisen zijn altijd van toepassing, ongeacht of een melding brandveilig gebruik gedaan moet worden. Het is verboden om zonder een melding brandveilig gebruik op basis van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen een plaats of een gedeelte daarvan in gebruik te nemen of te gebruiken als: een verblijfsruimte op die plaats bestemd is voor meer dan 150 gelijktijdig aanwezige personen; in een verblijfsruimte op die plaats aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf wordt verschaft; in een verblijfsruimte op die plaats aan meer dan 10 kinderen jonger dan 12 jaar of meer dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehandicapte personen verzorging wordt verschaft. Aan de melding brandveilig gebruik kunnen maatwerkvoorschriften worden verbonden. Gebouwen Wordt een evenement in een gebouw gehouden waar meer dan 50 personen aanwezig kunnen zijn, dan is een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een gebruiksmelding op grond van het Gebruiksbesluit nodig. Het toestaan van evenementen in bedrijfshallen, schuren, sporthallen, verenigingsgebouwen en dergelijke wordt tot een minimum beperkt. Gebruik van deze gebouwen is enkel toegestaan als de VRBZO (brandweer) van oordeel is dat het pand, via het treffen van voorzieningen of organisatorische maatregelen, brandveilig te gebruiken is. De voorzieningen die getroffen moeten worden, worden in de evenementenvergunning of als maatwerkvoorschriften bij een melding opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan de opstelling van objecten in het pand, de aanwezigheid van blusmiddelen, de bereikbaarheid voor hulpdiensten en vluchtroutes. 4.1.6 Constructieve veiligheid Bij tenten en overkappingen, podia, stellages, lichtinstallaties en tribunes moet aandacht besteed worden aan constructieve veiligheid. Rekening moet worden gehouden met de “Richtlijn voor constructieve toetsingscriteria bij een aanvraag voor een evenementenvergunning” (COBc-richtlijn). Voldaan moet worden aan de verschillende NEN- of NPR-normen voor toeschouwersaccommodaties, tijdelijke constructies (tenten) en podiumconstructies. De organisatie is zelf verantwoordelijk voor de opbouw en de constructies van de podia en tenten. Constructieve veiligheid wordt niet van gemeentewege getoetst in het kader van de vergunningverlening. Er wordt dus ook niet gekeken of voldaan wordt aan de COBc-richtlijn. Ook voor de wagens in carnavalsoptochten ligt de verantwoordelijkheid bij de organisatie en de deelnemers. Opbouwen en afbreken Als een terrein openbaar toegankelijk is tijdens het opbouwen en afbreken van een evenement kan dit veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Personen die over het terrein lopen zijn niet beschermd, waar de personen die de werkzaamheden uitvoeren dat wel zijn. De organisatie moet iedereen die niet bij de organisatie hoort (zichtbaar) wijzen op de gevaren en zoveel als mogelijk het terrein of de plekken waar werkzaamheden plaats vinden afschermen. 4.1.7 Opstelling zitplaatsen en verdere inrichting Om een ruimte veilig in te kunnen richten moet een inrichting voldoen aan de voorschriften, zoals opgenomen in het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4.1.8 Attractietoestellen Een attractietoestel is een toestel waarmee mensen motorisch worden voortbewogen. Attractietoestellen die op een evenemententerrein worden geplaatst moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Dit betekent onder andere dat de attractietoestellen jaarlijks gekeurd moeten worden en moeten beschikken over een certificaat. 4.1.9 Huisregels Indien sprake is van huisregels, of een huisreglement, worden deze op voor alle bezoekers zichtbare locaties opgehangen. In ieder geval worden de huisregels bij of nabij elke toegang van het evenemententerrein en bij elk tap- of schenkpunt voor alcohol kenbaar gemaakt. Huisregels kunnen ook worden opgenomen in een eventueel programmaboekje. De huisregels worden ook vooraf kenbaar gemaakt aan potentiele bezoekers, bijvoorbeeld bij de verkoop van toegangskaarten, op de website van het evenement, via sociale media of via een briefing een paar dagen voor het evenement. Huisregels kunnen bijvoorbeeld informatie bevatten over hoe de organisatie omgaat met de kaartverkoop, de toegangsleeftijd en de controle daarop, het schenken van alcoholhoudende drank, het gebruik van drugs en roken. Bij evenementen waar kaartenverkoop aan de orde is, waar alcohol wordt geschonken of waar drugsgebruik te verwachten is, is de organisatie verplicht huisregels op te stellen en deze te communiceren. Voor kaartverkoop moet de koper akkoord gaan met de huisregels voordat overgegaan kan worden tot de aankoop. In bijlage 3 zijn voorbeeld huisregels opgenomen. Er staan verplichte huisregels in voor het schenken van alcoholgebruik en te verwachten drugsgebruik, maar ook mogelijke aanvullende huisregels. 4.1.10 Bejegeningsprofiel In de Lokale Driehoek kan een bejegeningsprofiel worden vastgelegd in verband met te verwachten risico’s bij een evenement (categorie C). Een bejegeningsprofiel kan er bijvoorbeeld als volgt uitzien: professioneel en eenduidig; zichtbaar en aanspreekbaar; communicatie(
  6. f)en dienstverlenend; kennen en gekend worden; daadkrachtig en veilig werken; samenwerkend met partners (gemeente, horeca en organisatoren). Als een bejegeningsprofiel wordt vastgelegd voor een specifiek evenement geeft de politie de hiervoor nodig geachte aanwijzingen aan de organisator, verkeersregelaars en toezichthouders en ziet er op toe, dat deze daadwerkelijk in acht worden genomen. 4.1.11 Beveiliging De organisatie is primair verantwoordelijk voor de orde en de veiligheid van de bezoekers op het evenemententerrein. De organisatie moet daarom zorgen voor voldoende toezicht. Met toezicht wordt bedoeld: het in de gaten houden van de aanwezigen en de activiteiten. Afhankelijk van de aard van het evenement kunnen vrijwilligers dit toezicht uitoefenen of moet de organisatie een professioneel beveiligingsbedrijf in huren. Algemeen uitgangspunt is de norm dat er 1 toezichthouder op 250 gelijktijdig aanwezige personen moet zijn. Er kunnen omstandigheden zijn die een ander aantal toezichthouders rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de verdeling van taken en bevoegdheden tussen organisatie, toezichthouders en betrokken hulpdiensten, het evenementenprofiel en de opzet, inrichting en kwaliteit van een ingehuurd beveiligingsbedrijf. De hier bedoelde toezichthouders moeten duidelijk herkenbaar zijn, ook als dat vrijwilligers zijn. Beveiligingstaken mogen uitsluitend worden uitgevoerd door een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkend professioneel beveiligingsbedrijf, die voldoet aan de regels van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties. De gecertificeerde beveiligers moeten contact opnemen met de politie voor nadere afspraken over verdovende middelen. De beveiligingsmedewerkers moeten duidelijk herkenbaar zijn, middels een goedgekeurd uniform. Daarnaast moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden: Er moet een duidelijke taakscheiding tussen gecertificeerde beveiligers en vrijwilligers worden gewaarborgd. Beveiligers mogen wel service gerichte taken uitvoeren, maar vrijwilligers moeten zich onthouden van werkzaamheden die vallen onder de Wet particuliere beveiligingsorganisaties. Voor aanvang van het evenement instrueert de organisatie haar medewerkers en beveiliging over: de inhoud van het Veiligheidsplan; noodprocedures; alcohol schenken/verstrekken aan onder invloed verkerende bezoekers en minderjarigen. 4.2 Drankverstrekking en genotsmiddelen 4.2.1 Drankverstrekking Alcoholvrije dranken Alcoholvrije dranken, sappen en fris mogen overal geschonken worden. Daarvoor is geen toestemming vereist. Onder alcoholvrije dranken vallen ook dranken tot 0,5 vol%. Deze dranken mogen aan personen van alle leeftijden worden geschonken, maar het is gewenst deze niet te verstrekken aan personen jonger dan 18 jaar. Alcoholhoudende dranken Wanneer sprake is van een evenement in een inrichting die beschikt over een drank- en horecavergunning mag op basis daarvan alcoholische dranken geschonken worden binnen de grenzen van de inrichting. Een terras hoort bij de inrichting. Er mag zowel sterke drank als zwak-alcoholische dranken geschonken worden. Voor evenementen buiten inrichtingen met een drank- en horecavergunning kan de burgemeester een ontheffing op grond van artikel 35 DHW verlenen. Met een ontheffing is het mogelijk om tijdens de duur van het evenement alcoholische dranken te schenken. Met een ontheffing mogen uitsluitend zwak-alcoholische dranken (dranken met 15 vol% of minder, inclusief port, sherry en vermout) worden geschonken. De ontheffing kan voor een aaneengesloten periode van maximaal 12 dagen worden verleend. In de ontheffing worden 1 of meerdere leidinggevenden vermeld. De leidinggevende op de ontheffing moet minimaal 21 jaar oud zijn en mag niet van slecht levensgedrag zijn. Hij moet, net als het geval is bij een inrichting met een drank- en horecavergunning, toezien op een goede verstrekking van alcohol, zoals het niet schenken aan jongeren onder de 18 jaar, wederverstrekking en schenken aan personen die zichtbaar onder invloed zijn van alcohol. Ook moet hij toezien dat de leeftijdsgrens van 18 jaar aangeduid is op de plaats waar de alcohol wordt verstrekt. Als niet onomstotelijk vast is gesteld dat een persoon 18 jaar of ouder is moet de organisatie in alle gevallen vragen om een legitimatiebewijs. Voor een evenement dat hoofdzakelijk of in belangrijke mate gericht is op jongeren onder de 18 jaar, wordt geen ontheffing op grond van artikel 35 DHW verleend. Voor een evenement dat hoofdzakelijk of in belangrijke mate gericht is op volwassenen, wordt de volgende werkwijze gehanteerd: Als voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals die zijn gesteld in de DHW, wordt een ontheffing op grond van artikel 35 DHW voor het schenken van alcohol verleend. Uitgangspunt daarbij is dat de alcoholverstrekking een primaire verantwoordelijkheid van de organisatie van een evenement is. Alcoholgebruik De organisator moet in het aanvraagformulier aangeven welke maatregelen worden genomen ter voorkoming van alcoholgebruik door jongeren onder de 18 jaar en alcoholmisbruik of overmatig drankgebruik voor personen ouder dan 18 jaar. Hierdoor wordt de organisator gedwongen na te denken over te nemen maatregelen. Maatregelen moeten worden afgestemd op de risico’s die samenhangen met het te verwachten publiek en het soort evenement. In de Handreiking Alcoholmaatregelen voor evenementenorganisaties staan tips voor maatregelen die organisatoren kunnen nemen (bijlage 4). Voor de bezoekers van een evenement is het van belang om op de hoogte te zijn van de maatregelen die worden genomen. De organisatie moet hiervoor voorafgaand en tijdens het evenement zichtbaar en actief aandacht schenken aan verantwoord alcoholgebruik. Hiervoor kunnen verschillende communicatiemiddelen gebruikt worden, zoals social media, een website, communicatie op het evenemententerrein (bijvoorbeeld posters, schermen, informatieboekjes en signs bij de toegang en de bar) en de regels in het huisreglement. Medewerkers, zowel betaald als onbetaald, moeten over voldoende kennis beschikken om risico’s rond alcoholgebruik goed in te schatten. Dit kan door middel van diverse cursussen en trainingen waarin horecapersoneel, beveiliging en/ of vrijwilligers geschoold kunnen worden rondom het thema alcohol en jongeren, zoals de Instructie Verantwoord Alcohol Schenken of de Verklaring Sociale Hygiëne. Bij zowel een reguliere als een speciale bar (bijvoorbeeld speciale bierenbar) moeten altijd alcoholvrije alternatieven aanwezig zijn. Als voorwaarde bij een ontheffing op grond van artikel 35 DHW kan worden gesteld dat bij elke bar of verkooppunt van alcohol een persoon aanwezig is die specifiek toezicht houdt op verantwoorde alcohol verstrekking. Bij evenementen met een verhoogd risico op overmatig alcoholgebruik kan als voorwaarde worden opgenomen dat uitsluitend bier met een lager alcoholpercentage geschonken mag worden. Als de organisatie alleen publiek ouder dan 18 jaar toelaat, moet de organisatie ervoor zorgen dat ook alleen die doelgroep op het evenemententerrein kan komen. Alleen als dat gegarandeerd kan worden kunnen maatregelen tegen het schenken onder de 18 jaar achterwege blijven. Horecagelegenheden Het plaatsen van buitenbars/tapeilanden op terrassen bij horecagelegenheden is uitsluitend toegestaan tijdens de kermis in het betreffende kerkdorp en tijdens evenementen of incidentele festiviteiten waarvoor toestemming is verleend. 4.2.2 Kunststof bekers, flessen en servies In het belang van de openbare orde en openbare veiligheid wordt het gebruik van kunststof drinkgerei en -flessen en servies in principe verplicht gesteld bij evenementen in de buitenlucht of in tenten/overkappingen. Kunststof mag worden vervangen door papieren drinkgerei en -flessen en servies. Het gebruik van glazen en flessen van glas wordt alleen toegestaan bij evenementen die uitsluitend in gebouwen plaatsvinden of bij festivals in de buitenlucht waar hoofdzakelijk speciale alcoholhoudend dranken worden verkocht en waarbij voor het glaswerk een borg of aankoopbedrag betaald moet worden (zoals speciaal bierenfestivals). Ook achter de bar mogen glazen flessen en grootverpakkingen worden gebruikt. Nabijgelegen horecabedrijven Als een evenement in de (directe) nabijheid van een horecabedrijf (natte en droge horeca) plaatsvindt, ook zonder directe relatie tussen het evenement en het horecabedrijf, kan aan het horecabedrijf de verplichting tot het gebruik van kunststof drinkgerei en -flessen en servies opgelegd worden. Dan moet het betreffende horecabedrijf ook gebruik maken van kunststof drinkgerei en -flessen en servies. Voordat de gemeente overgaat tot het stellen van deze verplichting bij een horecabedrijf wat geen relatie heeft met het evenement overlegt de gemeente met betreffend horecabedrijf over het voornemen tot het stellen van de verplichting. Als de verplichting wordt opgelegd communiceert de gemeente dit richting het horecabedrijf. Het begrip “(directe) nabijheid” wordt als volgt gedefinieerd: het horecabedrijf (al dan niet met terras) grenst direct aan de locatie waar het evenement plaatsvindt en/of is zichtbaar vanaf de locatie en heeft daardoor een uitstraling richting het evenemententerrein. Kunststof mag worden vervangen door papieren drinkgerei en -flessen en servies. Voor restaurants of andere horecabedrijven die voornamelijk gericht zijn op eten wordt de verplichting tot het gebruiken van kunststof drinkgerei en -flessen niet opgelegd, mits het gebruik van het servies en glaswerk uitsluitend inpandig en/of op het bij de inrichting horende terras plaatsvindt. 4.2.3 Drugs Bij een evenement hoort geen drugsgebruik. Organisatoren moeten dit uitgangspunt onderschrijven en daar ook naar handelen. Organisaties moeten daarom streven naar drugsvrije evenementen en hier preventieve maatregelingen voor nemen. Organisaties moeten bezoekers laten weten dat drugsbezit en – handel op het evenement verboden zijn. Ondanks het streven naar drugsvrije evenementen kunnen er toch evenementen zijn waar drugsgebruik aan de orde kan zijn. Op evenementen waar drugsgebruik aan de orde kan zijn, moeten de maatregelen worden afgestemd op de risico’s die samenhangen met het te verwachten publiek en het soort evenement. Organisaties dienen huisregels op te nemen over drugsgebruik. De huisregels moeten bij de kaartverkoop bekend worden gemaakt. Verder moet de organisatie bezoekers informeren over de gezondheidsrisico’s van drugsgebruik. De insteek hierbij is niet het juridisch kader (zoals bij communicatie over wetten en huisregels), maar het gezondheidskader. Het doel van deze vorm van communicatie is om gezondheidsrisico’s terug te dringen bij het gebruik van drugs. Dat kan door bezoekers te ontmoedigen om (overmatig) drugs te gebruiken, maar ook om hen handvatten mee te geven die de kans op gezondheidsincidenten verkleint op het moment dat ze, ondanks wetten en ontmoediging, toch (overmatig) drugs gebruiken. Maatwerkvoorschriften die geadviseerd worden door GHOR in het kader van drugs worden altijd overgenomen. Maatwerkvoorschriften kunnen bijvoorbeeld gaan over een goede visitatie door gekwalificeerde beveiligers, medische hulpverlening met kennis van drugsgerelateerde problemen, duidelijke communicatie over huisregels, voorlichting over gezondheidsrisico’s voor en tijdens het evenement, het gebruik van een drugskluis en het verstrekken van gratis drinkwater. Novadic-Kentron Preventie kan de gemeente adviseren over beleid, handhaving en preventie van drugs rondom evenementen. Advies en overleg gebeurt via de lokale preventiewerker die ook participeert in de werkgroep alcohol en drugs van de gemeente. 4.2.4 Roken In openbare gelegenheden mag binnen niet gerookt worden. Als een tent op een evenement een vergelijkbare functie heeft als een vaste horecalocatie en er een bar of keuken in de tent aanwezig is geldt ook voor de tent dat daarin niet gerookt mag worden. Dit geldt tevens voor een overkapping die aan meer dan 1 zijde dicht is. De organisatie moet actief beleid voeren om te voorkomen dat dit rookverbod geschonden wordt. Aan jongeren onder de 18 jaar mogen geen tabaksproducten of aanverwante artikelen worden verstrekt. 4.2.5 Lachgas Het inademen van lachgas zorgt voor een korte sterke roes. Het effect treedt al snel op na inademing en houdt een aantal minuten aan. Inademen kan vanuit een ballon of rechtstreeks vanuit een patroon of cilinder. Het innemen van lachgas is wettelijk toegestaan. Ook de verkoop van en handel in lachgas is wettelijk toegestaan. Vanuit gezondheidsoogpunt wil de gemeente het gebruik echter wel beperken. Op evenementen mag er daarom: geen lachgas worden verkocht aan minderjarigen; bij de verkoop van lachgas geen aanbiedingen worden gedaan of korting wordt gegeven; geen reclame voor lachgas worden gemaakt. En de verkoper moet bij de verkoop van lachgas wijzen op de (gezondheids)risico’s die aan het gebruik zijn verbonden. Ook moet uitleg worden gegeven over een zo veilig mogelijk gebruik. 4.3 Gezondheid en hygiëne 4.3.1 GHOR en GGD Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) en de GGD vormen samen 1 vereniging. Er zijn echter van beide onderdelen aparte regiokantoren. Beide hebben een regionaal kantoor in Brabant-Zuidoost. Het regiokantoor van de GHOR maakt onderdeel uit van de VRBZO. GHOR als adviseur De GHOR adviseert over de geneeskundige risico’s van evenementen en de benodigde maatregelen om evenementen vanuit het gezondheidsperspectief goed te laten verlopen. Mede op basis van de “Landelijke handreiking geneeskundige advisering publieksevenementen” adviseert de GHOR aan gemeenten. De geneeskundige inzet bij evenementen is afhankelijk van onder andere de activiteiten die plaatsvinden, het aantal bezoekers, de aard van het publiek, de bereikbaarheid voor hulpdiensten, de plaats en het tijdstip. De GHOR brengt aan de hand van een risicoanalysemodel de risico’s in kaart, op basis waarvan zij een advies afgeeft over de in de voorschriften op te nemen maatregelen. Die maatregelen hebben betrekking op de dagelijkse zorg, technisch-hygiënische aspecten en de calamiteitenbestrijding. Het advies wordt gemaakt op basis van de verwachte reguliere zorgvragen en een inschatting van de zorg gerelateerde veiligheidsaspecten, waarna gerichte maatregelen kunnen worden getroffen voor de geneeskundige zorg tijdens evenementen. Op het formulier voor het organiseren van een evenement worden vragen opgenomen die een indicatie kunnen geven voor mogelijke gezondheids- en hygiënerisico’s. Bij een gelijktijdig bezoekersaantal van minder dan 5.000 wordt verwezen naar de standaardvoorschriften van de GHOR, die worden overgenomen in de standaardvoorschriften evenementenvergunningen- en meldingen, tenzij er verzwarende factoren zijn. Vanaf een bezoekersaantal van 5.000 of wanneer er sprake is van verzwarende factoren vindt maatadvisering door de GHOR plaats. Van een verzwarende factor is bijvoorbeeld sprake wanneer een excessief gebruik van alcohol of drugs te verwachten is. GHOR als coördinator van geneeskundige hulpverlening Bij grotere evenementen kan de organisatie de GHOR inzetten om de coördinatie van de medische hulpverlening op zich nemen. Reden om hiervoor te kiezen is dat de complexiteit van een evenement en/of de te leveren zorg extra aandacht en afstemming behoeft. Het betreft hier niet de aansturing van de eerstehulpverlening, maar de afstemming tussen de diverse zorgverlenende partijen tijdens een evenement. GGD De GGD is verantwoordelijk voor de advisering over technische hygiënezorg in het kader van preventie van gezondheidsproblemen. De GHOR betrekt de GGD bij hun advisering over evenementen. Er komt 1 gezamenlijk advies. 4.3.2 EHBO De organisatie van een evenement moet zelf de geneeskundige inzet regelen. Dit kan via een vereniging voor Eerste Hulp Bij Ongevallen (EHBO), Rode Kruis of via bedrijven die medische hulpverleningsondersteuning kunnen leveren bij evenementen. Een EHBO-taak kan niet worden opgedragen aan bedrijfshulpverleners of beveiligers. Een EHBO-er mag geen dubbelfunctie vervullen. De eerstehulpverlening op een evenemententerrein is geen taak voor de GHOR. Inzet Afhankelijk van de aard en omvang van het evenement wordt de hoeveelheid EHBO-ers bepaald. Bij een evenement vanaf 1.000 gelijktijdig aanwezige bezoekers moet uit worden gegaan van de indicatie van 1 EHBO-er per 1.000 gelijktijdig aanwezige bezoekers. Bij een evenement tot 1.000 gelijktijdig aanwezige bezoekers moet de organisatie zelf een inschatting maken of de preventieve aanwezigheid van EHBO gewenst is. Als bij het evenement sportieve inspanningen worden geleverd door de deelnemers is de aanwezigheid van EHBO wel gewenst. Bij wandeltochten, marsen en loopwedstrijden kan als richtlijn worden uitgegaan van 2 EHBO-ers bij zowel de start als de finish en 2 EHBO-ers per 2,5 km parcours. De burgemeester kan als voorwaarde stellen dat hulpverleners met specifieke expertise aanwezig zijn (bijvoorbeeld bekend met de gevaren van drugsgebruik bij een dance event) of dat gezorgd moet worden voor Advanced Life Support (ALS) op het niveau van een ambulance-, Spoedeisende Eerste Hulp of intensive care verpleegkundige. Per ALS-er mag 1 EHBO-er komen te vervallen. ALS-ers mogen geen taak hebben bij het vervoer van zieken of gewonden. Voorziening De EHBO-voorziening is duidelijk herkenbaar en bevindt zich op een centraal punt op de evenementlocatie. De voorziening is voor bezoekers en hulpdiensten goed bereikbaar en is permanent bemand. Hulpverleners zijn als zodanig duidelijk herkenbaar en beschikken over een geldig EHBO-diploma (inclusief aantekening reanimatie en AED-bediening). De inrichting van de EHBO-voorziening voldoet aan de volgende criteria: Er is een duidelijk zichtbare verwijzing vanuit het hele terrein, met bij voorkeur internationale symbolen; De ruimte betreft een wind- en waterdichte ruimte van minimaal 25 m² (bij voorkeur afsluitbaar), heeft een 220V-aansluiting, is voorzien van licht en er is stromend water en een toilet in de directe omgeving beschikbaar; De ruimte is uitgerust met een EHBO-koffer met een standaard uitrusting volgens het Oranje Kruis (bij sportevenementen ook met materialen om te koelen); De ruimte is uitgerust met ten minste een tafel, stoelen, brancard , communicatiemiddelen en een plattegrond van het evenemententerrein. Verslaglegging Voor evenementen waar een hulpverlener op ALS-niveau is ingezet moet binnen 14 dagen na afloop van het evenement door de organisatie verslag worden uitgebracht aan de GHOR over de inzet van hulpverleners via het formulier “Verslaglegging geneeskundige inzet hulpverleners EHBO/NRK”. 4.3.3 Voedselverstrekking De Warenwet verplicht de organisatie tot maatregelen die de kans verkleinen dat medewerkers en bezoekers ziek worden van besmet of bedorven eten en drinken. Er moet gewerkt worden volgens een goedgekeurde hygiënecode om te voldoen aan de wettelijke voorschriften van voedselveiligheid. In de hygiënecode staan eisen die worden gesteld aan de temperatuur van het voedsel, de persoonlijke hygiëne van mensen die werken met voeding en regels gericht op de schoonmaak van materialen en werkruimten. De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) kan adviseren over het verstrekken van eet- en drinkwaren. Bij grote evenementen kan hierover vooroverleg plaatsvinden. Bedrijfsruimten Voor sommige eisen met betrekking tot hygiëne en inrichting wordt onderscheid gemaakt tussen mobiele en/of tijdelijke bedrijfsruimten (marktkramen, feesttenten etc.) en “vaste” bedrijfsruimten (er is sprake van een “vast” gebouw). Dit in tegenstelling tot de eisen met betrekking tot voedselveiligheid en eisen voor de temperatuur van levensmiddelen. Deze zijn voor de verschillende soorten bedrijfsruimten identiek. 4.3.4 Drinkwatervoorziening Bij sommige evenementen (dance-, pop-, en sportevenementen) leveren mensen in relatief korte tijd een grote inspanning in een soms zeer prikkelende omgeving, waardoor een verhoogd gevaar voor uitputting en uitdroging ontstaat. Ook bij evenementen bij temperaturen hoger dan 25° kan dit risico zich voordoen. De organisatie van een dergelijk evenement kan dan verplicht worden gesteld te zorgen voor voldoende waterpunten waar gratis drinkwater beschikbaar is. Dit kan door tappunten te plaatsen of drinkwater in flesjes/bekers te verstrekken. Nevelinstallaties mogen hiervoor niet worden gebruikt. Een waterinstallatie moet voldoen aan de algemene NEN-voorschriften (NEN 1006) voor drinkwaterinstallaties en aan de aansluitvoorwaarden van het waterleidingbedrijf. Aandachtspunt hierbij is te zorgen dat het drinkwater uit het tappunt van drinkwaterkwaliteit is (niet te warm). 4.3.5 Toiletten Op het evenemententerrein moeten voldoende toiletten aanwezig zijn. Als richtlijn wordt de volgende norm gehanteerd: één toilet per 150 gelijktijdig aanwezige bezoekers, waarbij een minimum van twee toiletten geldt; herentoiletten mogen vervangen worden door urinoirs, plaszuilen (zijnde 4 urinoirs) of plasgoten (50 cm geldt als 1 urinoir), met dien verstande dat maximaal 75% van de herentoiletten vervangen mag worden. Nagedacht moet worden of voorzien moet worden in één of meerdere gehandicaptentoiletten. Bij het bepalen van het benodigde aantal toiletvoorzieningen moeten rekening worden gehouden met: het verwachte aantal bezoekers en de verwachte piekdrukte (denk aan pauzes bij voorstellingen); de publiekssamenstelling (mannen/vrouwen/kinderen; urinoirs zijn minder geschikt voor kleine kinderen); het type toiletten (bijvoorbeeld dixies of toiletwagens); de gemiddelde verblijfstijd (dagevenement of meerdaags evenement); consumptiegedrag (wordt er veel gedronken?). Toiletten die aangesloten kunnen worden op bestaande voorzieningen zijn hygiënischer en hebben daarom de voorkeur. Toiletten moeten beschikken over goede verlichting, ventilatie openingen, toiletpapier en sanitair containers. Bij de toiletten moet een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en een manier om handen te drogen aanwezig zijn (voorkeur wegwerphanddoekjes). Bij of nabij de toiletruimte is een afvalbak aanwezig. De toiletten moeten minimaal twee keer per dag en zo nodig vaker gereinigd worden. 4.3.6 Kleedruimte en douches Voor sportevenementen gelden richtlijnen voor (tijdelijke) kleedruimtes en douches. Uitgegaan moet worden van 1 m² verkleedruimte per persoon. Per 10 m² (10 verkleedplaatsen die tegelijkertijd worden gebruikt) moet een douche beschikbaar zijn. De ruimtes moeten minimaal twee keer per dag en zo nodig vaker gereinigd worden. 4.3.7 Relaxruimte Bij bepaalde evenementen, zoals dans- en popevenementen, wordt de aanwezigheid van een “Relax”-ruimte door Novadic-Kentron geadviseerd. Een “Relax”- ruimte is een rustige koele ruimte waar personen die onwel zijn geworden bij kunnen komen en eventueel behandeld kunnen worden. De “Relax”- ruimte is meestal naast de EHBO-post gelegen. Als een dergelijk ruimte wordt ingericht moet aandacht worden besteed aan de omvang, temperatuur, geluids-, en lichtniveau. 4.3.8 Weersomstandigheden Als tijdens het evenement sprake is van “extreme” weersomstandigheden kan extra aandacht voor gezondheid en hygiëne nodig zijn. Tijdens een hittegolf zal het bijvoorbeeld lastiger zijn om eet- en drinkwaren op de juiste temperatuur te houden. Bij extreme kou kunnen waterleidingen bevriezen en bestaat de kans op onderkoeling voor bezoekers. De organisatie moet het weerbeeld monitoren en registreren in de week voorafgaand aan het evenement tot en met de evenementendag(en). Dit kan via de website van het KNMI (www.knmi.nl). Op www.noodweercentrale.nl wordt inzicht gegeven in weerextremen per postcodegebied. Het KNMI geeft weersverwachtingen af. Bij weersverwachtingen moet als volgt worden gehandeld door de organisatie: code groen: de organisatie hoeft geen specifieke maatregelen te nemen; code geel: de organisatie moet alert zijn op de weersverwachtingen; code oranje: de organisatie moet risico’s beperken door niet slechts alert te zijn, maar ook voorzorgsmaatregelen te nemen die passen bij de voorspelde weerssituatie; code rood: alle activiteiten moeten aangepast worden aan de voorspelde weersituatie. In principe betekent dit dat het evenement (deels) moet worden afgelast of dat moet worden uitgeweken naar een locatie die bestand is tegen de voorspelde weerssituatie. De organisatie is verantwoordelijk voor beslissingen over te nemen maatregelen of het al dan niet aflassen of verzetten van een evenement. Ter ondersteuning van de keuze kan contact op worden genomen met de calamiteitenlijn van de VRBZO of de meldkamer (geen spoed). Voor maatregelen die een organisatie kan nemen tijdens warme, extreem warme of koude weersomstandigheden zijn binnen de VRBZO factsheets ontwikkeld. Deze factsheets kan de organisatie betrekken bij het maken van keuzes over welke maatregelen worden genomen. De organisatie moet de communicatie naar de bezoekers toe afstemmen op de weersomstandigheden (bijvoorbeeld een “kledingadvies”). De nadruk in de communicatie ligt wel op de eigen verantwoordelijkheid van de bezoekers. De organisatie moet ook uitwijkalternatieven vanwege weersomstandigheden opnemen in het draaiboek voor het evenement. Dit is in ieder geval van toepassing op klasse C-evenementen. Bij klasse B-evenementen kan dit van toepassing zijn, als de uitkomst van de risicoanalyse op de vergunning dit vergt. In het calamiteitenplan moeten voor de codes oranje en rood een aantal scenario’s worden opgenomen met betrekking tot extreme weersomstandigheden. Voor verdere uitleg over dit onderwerp, zie paragraaf 4.1.2 onder Veiligheidsplan en paragraaf 7.2.4. 4.3.9 Besmettelijke ziekte De organisatie stelt de GGD altijd op de hoogte als er tijdens of door het evenement een ongewoon aantal bezoekers of medewerkers is met acute maag- en darmaandoeningen, geelzucht, huidaandoeningen of andere ernstige aandoeningen van vermoedelijk infectieuze aard. De GGD bepaalt in dat geval samen met de organisatie welke maatregelen genomen moeten worden. 4.3.10 Legionella Ter voorkoming van legionellabesmetting moeten bij evenementen waar risicovolle waterinstallaties worden gebruikt preventieve maatregelen worden uitgevoerd. Risicovolle waterinstallaties zijn: tijdelijke (drink)waterinstallaties met vernevelende tappunten of apparatuur; fonteinen, spray park-installaties en vergelijkbare watersproeiers in of onder een (deels) overdekte of overkapte omgeving; mobiele of tijdelijke whirlpools of andere vernevelende baden op een locatie waar normaal geen (semi)openbare baden aanwezig zijn; mistsystemen; mobiele koelers; mobiele of tijdelijke natte koeltorens die niet van een inrichting zijn In “Hygiënerichtlijn voor Evenementen” van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) staat hoe en welke maatregelen genomen kunnen worden. Vanwege gevaar voor legionellabesmetting is het ongewenst om bezoekers af te koelen door water te vernevelen. Wordt dit toch gedaan, dan moet rekening worden gehouden met het volgende: Neem vooraf contact op met de GGD om de legionellapreventie te bespreken. In geval van een sportief evenement, win advies in bij de betreffende sportbond. Voor sommige sporten heeft vernevelen een negatief effect. Zorg er voor dat bezoekers die niet door de verneveling willen lopen een andere route kunnen volgen. 4.3.11 Specifieke hygiënevoorschriften Voor specifieke activiteiten op een evenement, zoals een schuimparty, het verrichten van seksuele of erotische handelingen en tatoeëren en piercen, kunnen aanvullende hygiënevoorschriften van toepassing zijn. De GHOR adviseert hierover. 4.4 Openbaar gebied en verkeer en vervoer 4.4.1 Locatie Geschiktheid De locaties waar evenementen plaatsvinden moeten met zorg gekozen en gebruikt worden. De geschiktheid van een locatie hangt nauw samen met de aard, omvang en het karakter van het evenement en de aanwezigheid van omwonenden. Dit betekent dat een verzoek om op een bepaalde (bestaande of nieuwe) locatie een evenement te mogen organiseren op zijn geschiktheid moet worden beoordeeld. Beoordeling vindt plaats op volgende uitgangspunten: Er is sprake van een spreiding van evenementen over diverse locaties. Dit om een te grote belasting van een bepaalde straat of wijk te voorkomen. Bij regelmatig gebruik van een locatie voor een evenement kan een maximum worden gesteld aan het aantal evenementen op die locatie. Als een locatie wordt gebruikt voor een luidruchtig (muziek)evenement mag in de week voor en na dit evenement geen soortgelijk evenement plaatsvinden op die locatie. Aan het gebruik van gemeentelijke terreinen kunnen voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de dagelijkse functies van deze terreinen en in het belang van de openbare orde en veiligheid. De locatie is (infrastructureel) goed bereikbaar en indien vereist zijn er voldoende parkeerplekken beschikbaar. Er zijn nutsvoorzieningen aanwezig op of nabij de evenementenlocatie. Kleinschalige buurt of straatgebonden evenementen kunnen op vele locaties worden gehouden, omdat daarbij doorgaans geen bijzondere voorzieningen nodig zijn en ze zelden leiden tot overlast. Er wordt geen maximum gesteld aan het aantal kleinschalige buurt- of straatgebonden evenementen. Wijkoverstijgende evenementen of evenementen op kernniveau worden bij voorkeur gehouden op (meer) centraal gelegen locaties, zoals de evenemententerreinen en de markt- en dorpspleinen. Er wordt geen maximum gesteld aan het aantal wijkoverstijgende evenementen of evenementen op kernniveau. Vanwege het herstellen van de ondergrond moet er minimaal 3 weken tussen 2 evenementen op het onverharde gedeelte van het Mortelveld in Eersel zitten. Vanwege de overlast voor de omgeving moet bij grootschalige muziekevenementen op het E3-strand in Eersel minimaal 2 vrije weekenden tussen deze evenementen zitten. Gelet op de aanwezigheid van het E3-strand en de evenementendrukte daar zijn evenementen op terreinen binnen een straal van 500 meter van de inrichting van het E3-strand niet toegestaan. Ook evenementen die op afzonderlijke delen van de inrichting van het E3-strand, zoals de parkeerplaats, worden georganiseerd zijn niet toegestaan. De burgemeester kan eenmaal per jaar van dit verbod afwijken voor afzonderlijke delen van de inrichting van het E3-strand als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er is sprake van maximaal 10.000 bezoekers; vooraf wordt een dialoog gevoerd met de dorpsraden van Knegsel en Duizel en omwonenden binnen een straal van 1000 meter vanaf het evenemententerrein. Van de dialoog wordt een verslag gemaakt; het evenement wordt georganiseerd door een lokale organisatie en is gericht op een regionale doelgroep; er wordt voldaan aan de algemene geluidsnormen voor niet-inrichtingen, dat wil zeggen dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L ArLT) tijdens het evenement tussen 10.00 uur en 23.00 uur op 1,5 meter meethoogte, ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde gelegen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen of aangegeven rekenpunten, niet hoger mag zijn dan 70 dB(A) en 85 dB(C) en tussen 23.00 uur en 0.00 uur respectievelijk 01.00 uur niet hoger zijn dan 65 dB(A) en 85 dB(C) (paragraaf 4.6.1.1); Tussen dit extra evenement en andere evenementen op het E3-strand zijn tenminste twee vrije weekenden; Belangen van derden worden niet onevenredig geschaad. Markt/dorpspleinen Diverse evenementen vinden plaats op de markt- en dorpspleinen in de kernen. Het parkeervrije deel van de Markt in Eersel (tussen de Kiosk en het kerkje) is tijdens de kermis en Music on Payday niet beschikbaar voor de terrassen van de horecagelegenheden aan Markt 3 en 7 in Eersel. Deze horecagelegenheden moeten voor deze evenementen hun terrassen opruimen. Voor overige evenementen die plaats vinden op het parkeervrije deel van de Markt moet de organisatie van het evenement voor het indienen van de aanvraag/melding overeenstemming hebben met de betreffende horecagelegenheden over de inrichting van het evenemententerrein. Dat er overeenstemming is moet blijken uit de aanvraag/melding. De overeenkomst moet bij de aanvraag/melding worden bijgevoegd. Toestemming De organisatie van het evenement moet altijd toestemming hebben van de eigenaar van het pand of de grond waar het evenement gehouden wordt. Als het evenement op gemeente-eigendom wordt georganiseerd is de evenementenvergunning of -melding tevens de toestemming voor het gebruiken van de grond. Aan het in gebruik mogen nemen van gemeente-eigendommen kunnen voorwaarden worden verbonden of kosten worden doorberekend. Voor het gebruik van de kiosk op het Smitsplein in Duizel bepaalt Stichting Kiosk Duizel hoe, wanneer en door wie de kiosk gebruikt mag worden. De Stichting mag voorschriften koppelen aan het gebruik van de kiosk. Op openbaar gebied geeft de gemeente geen toestemming voor besloten feesten (geen evenement). 4.4.2 Bos-, natuur- en watergebieden Er zijn evenementen die (eventueel gemeentegrensoverschrijdend) in bos- en natuurgebieden plaatsvinden. Hieraan kunnen gevolgen verbonden zijn, zoals verstoring van de flora en fauna en de rust, vernieling van de houtopstanden en het natuurgebied. Natuurwetgeving is hierbij leidend. De organisator moet ten alle tijden zorgvuldig handelen, dat wil zeggen dat er geen “wezenlijke invloed” uit mag gaan op beschermde soorten en schade aan soorten voorkomen moet worden. Zorgvuldig handelen gaat verder dan de algemeen geldende zorgplicht, wat betekent dat actief moet worden opgetreden om schade aan soorten te voorkomen. Ook de gevolgen voor de integrale veiligheid van deelnemers en publiek in bos- en natuurgebieden kunnen verstrekkend zijn. Bij dit laatste speelt vooral het onbereikbaar zijn van de evenementen voor de gealarmeerde hulpdiensten, zoals politie, brandweer en ambulance. Zandwegen zijn soms slecht begaanbaar/berijdbaar voor de voertuigen van de hulpdiensten. Ook speelt extreme droogte (code rood) in verband met brandveiligheid een rol bij evenementen in bos- en natuurgebieden. Bij de beoordeling van het evenement moet hier dan ook rekening mee worden gehouden. Aan bomen mogen geen borden, richtingspijlen, afzetlinten e.d. worden gespijkerd of op een andere manier duurzaam worden verbonden. Voorschriften Algemene voorschriften Bij evenementen in bos- en natuurgebieden worden geen aanvullende voorschriften gesteld op het gebied van bescherming van natuur als: bij het evenement enkel sprake is van wandelen of fietsen; geen gemotoriseerde voertuigen worden gebruikt bij het evenement zelf, tijdens de voorbereiding of de afbouw; geen sprake is van gemotoriseerde recreatieluchtvaart (ultra light, incl. drones); geen activiteiten plaatsvinden tussen zonsondergang en zonsopgang; geen sprake is van versterkt geluid (inclusief het gebruik van een megafoon); men niet van de gebaande bospaden en -dreven afwijkt; geen gebruik worden gemaakt van dieren, zoals honden en/of paarden; geen sprake is van varen op of zwemmen in oppervlaktewateren in de bos-, natuur- en watergebieden; geen gebruik wordt gemaakt van oppervlaktewateren en oevers; de onderhoudsstaat van de bospaden ongewijzigd blijft/blijven; geen afval of andere sporen van het evenement achter blijft; aanwijzingen, markeringen, afzettingen, hindernissen en dergelijke maximaal 24 uur voor aanvang van het evenement worden aangebracht en dezelfde dag worden verwijderd; geen sprake is van open vuur, zoals fakkels, kampvuren of vergelijkbare vuurbronnen; geen sprake is van overnachten in gebieden waar de bestemming bos en/of natuur van toepassing is; geen sprake is van lasergamen, paintballen, bushcraft en vergelijkbare activiteiten; geen sprake is van het afsteken van vuurwerk of andere knallende activiteiten (bijvoorbeeld carbid schieten). Noch door consumenten, noch door professionals, noch tijdens de jaarwisseling; geen sprake is van roken in de bos-, natuur- en watergebieden; geen sprake is van meer dan 150 deelnemers; de veiligheid van andere recreanten niet in het geding komt; men zich houdt aan de geldende openstellingsregels. Aanvullende voorschriften Van bovengenoemde algemene voorschriften kan worden afgeweken. Ter bescherming van de natuur worden bij het afwijken van de algemene voorschriften onderstaande uitgangspunten gehanteerd. Wanneer niet voldaan kan worden aan deze uitgangspunten is een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming vereist. Bij evenementen waar gebruik gemaakt wordt van gemotoriseerde voertuigen: mogen gemotoriseerde voertuigen enkel gebruikt worden ter ondersteuning van het evenement, bijvoorbeeld voor consumpties, het klaarzetten van elementen of het uitzetten van routes; moet vooraf worden aangegeven om hoeveel voertuigen het gaat en wanneer zij in het gebied aanwezig zijn; mogen geen afsluitingen worden gepasseerd zonder dat hiervoor vooraf toestemming is gegeven en – eventueel – een sleutel is verstrekt; mag niet worden gereden met gemotoriseerde voertuigen buiten de (zand)wegen. Bij evenementen die plaatsvinden tussen zonsondergang en zonsopgang: mag dit evenement alleen plaatsvinden in de hiervoor aangewezen gebieden binnen de aangegeven perioden; mag geen sprake zijn van versterkt geluid en versterkt licht en mogen geen immobiele lichtbronnen bij het evenement worden gebruikt. De geluidssterkte mag niet hoger zijn dan 60 dB(A) en de lichtsterkte mag niet meer dan 1.000 Lumen bedragen; mogen geen bospaden worden geblokkeerd. Bij evenementen waarbij van de gebaande bospaden wordt afgeweken: mag dit alleen op de hiervoor aangewezen locaties, binnen de aangegeven perioden. Bij evenementen waarbij gebruik gemaakt wordt van dieren, zoals paarden of honden: mag geen sprake zijn van slipjacht, drijfjacht of andere vormen van jacht waar paarden en/of honden bij zijn betrokken; zijn onaangelijnde honden niet toegestaan; mag geen sprake zijn van wedstrijden, toernooien of concours. Stiltegebieden In de gemeente ligt een deel van een door Provincie Noord-Brabant aangewezen stiltegebied, namelijk stiltegebied Witrijt. Stiltegebied Witrijt ligt aan de zuidwestzijde van de gemeente, nabij Natuurgebied Cartierheide en Recreatiepark Ter Spegelt. In een stiltegebied mag op een rustige manier gerecreëerd worden, zoals wandelen en fietsen. Het gebruik van radio’s, sirenes, modelvliegtuigen, vuurwerk, omroepinstallaties, muziekinstrumenten en andere lawaaimakende apparaten is niet toegestaan. Auto’s, motoren en (brom)fietsen mogen alleen op de openbare weg rijden, dus niet ‘off the road’. Bij Provincie Noord-Brabant kan een tijdelijke ontheffing worden aangevraagd voor het maken van lawaai in een stiltegebied. Deze ontheffing is uitsluitend nodig voor het maken van lawaai in een stiltegebied, niet voor het maken van lawaai in de nabijheid van een stiltegebied. Grondwaterbeschermingsgebied Tussen Vessem en Wintelre is Beschermingszone Vessem gelegen. Hierin is een waterwingebied gelegen met daarom heen een 25-jaarszone.. Evenementen waarbij met welk gemotoriseerd voertuig dan ook geparkeerd wordt op niet reeds aanwezige aaneengesloten verhardingen zijn in principe niet toegestaan in een beschermingszone. In het waterwingebied zelf is het in ieder geval niet toegestaan. In de zone daarom heen is parkeren met gemotoriseerde voertuigen ten behoeve van een evenement mogelijk, mits het parkeren plaats vindt op reeds aanwezige aangesloten verhardingen, buiten het beschermingsgebied of als er aanvullende maatregelen getroffen worden waarmee wordt gewaarborgd dat de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning doelmatig wordt beschermd. In het waterwingebied zelf is het ook niet toegestaan constructies op te richten op of in de bodem, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van beschermde werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan. Evenementen waarbij geparkeerd wordt op onverhard terrein binnen een beschermingszone moeten door de organisator gemeld worden bij Provincie Noord-Brabant (uitvoerder is Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB)). De gemeente stelt de ODZOB in kennis van ingekomen aanvragen/meldingen in het een beschermingszone. Natura 2000-gebieden In onder andere de gemeenten Bladel, Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden is het Natura 2000-gebied Kempenland-West gelegen. De beschermde soorten en habitatten in dit gebied zijn gevoelig voor verstoring door mechanische effecten, trilling en licht, optische verstoring en verontreiniging. Evenementen die deze verstoring of verontreiniging veroorzaken mogen daarom niet plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. 4.4.3 Natuurijs en vissen Natuurijs Het betreden van natuurijs is op voor eigen rekening en op eigen risico. De gemeente doet geen uitspraken over de betrouwbaarheid van het natuurijs. Visevenementen De leden met een VISpas, Kleine VISpas en JeugdVISpas mogen in de hiervoor aangewezen wateren vissen zonder daarvoor expliciete toestemming van de rechthebbende op het viswater te moeten hebben. Specifieke visevenementen moeten per geval door de gemeente beoordeeld worden. Voor meer informatie wordt doorverwezen naar www.sportvisserijnederland.nl. 4.4.4 Bereikbaarheid hulpdiensten In verband met de bereikbaarheid van hulpdiensten stelt de gemeente eisen aan het evenemententerrein. De gemeente stelt in ieder geval de volgende eisen aan een evenemententerrein: De locatie moet bereikt kunnen worden via een route met een minimale breedte van 3,5 meter en een vrije hoogte van 4,20 meter. De hulpdiensten moeten te allen tijden vrije doorgang hebben. De bluswatervoorzieningen moeten vrijgehouden worden en voor onmiddellijk gebruik bereikbaar zijn voor de brandweer (minimaal een straal van 50 centimeter, gemeten vanuit de brandkraan). Toegangen of uitgangen van naastgelegen gebouwen mogen niet worden versperd of belemmerd. Een tijdelijk bouwwerk moet op minimaal 5 meter afstand van opslag en gebouwen worden geplaatst en minimaal 3,5 meter van erfafscheidingen. Bij wegafsluitingen op de aanrijroute van hulpdiensten met hekken moeten personen beschikbaar zijn bij de afsluiting om hulpdiensten doorgang te kunnen bieden. Daarnaast kan het zo zijn dat de VRBZO eist dat er rijplaten worden neergelegd als het terrein in slechte staat verkeert. Naast deze eisen kan de VRBZO aanvullende eisen stellen over wegafsluitingen en calamiteitenroutes. 4.4.5 Nooduitgangen en vluchtwegen Bij de inrichting van het evenemententerrein moet de organisatie zorgen dat het publiek ingeval van een incident het terrein (
  7. zo)snel en veilig (mogelijk) kan verlaten. Daarom moeten er voldoende en duidelijk gemarkeerde nooduitgangen en vluchtwegen zijn, die vooraf zijn besproken met de vergunningverlener. De aanwezige medewerkers moeten bovendien goede instructies krijgen over de vluchtroutes. De VRBZO adviseert waar nodig over de nooduitgangen en vluchtwegen. Nooduitgangen en vluchtwegen voldoen aan de eisen uit het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4.4.6 Vervoer algemeen Het vervoer voor en vooral na evenementen moet goed geregeld zijn, zowel in aard als in omvang. Aan het einde kunnen gemakkelijk incidenten ontstaan, vooral op evenementen met een verhoogde risicoverwachting voor alcohol- en drugsgebruik. Mensen zijn moe, niet meer nuchter en een klein ongemak kan dan snel aanleiding zijn voor escalatie. Bezoekers moeten snel bij hun voertuig kunnen komen en het terrein kunnen verlaten. Daarom moeten organisatoren van grote evenementen goed naar onderstaande zaken kijken en worden, indien nodig, hier met hen nog aanvullende afspraken over gemaakt: de bereikbaarheid, beschikbaarheid van openbaar vervoer en zo nodig aanvullend vervoer, zoals pendeldiensten naar aparte parkeerterreinen; goede bewegwijzering en logistiek op en rond parkeerplaatsen en de opstappunten voor openbaar vervoer; eventueel wegleiden van publiek na het evenement, zodat niet doorgedronken wordt in de horeca; toezicht op hoe mensen achter het stuur gaan zitten, gericht op het voorkomen van rijden onder invloed; informatie voor en tijdens het evenement over vervoersmogelijkheden, veilig verkeer en rijden onder invloed (ook in het kader van de Brabantse campagne “nul verkeersdoden”); het al dan niet inzetten van verkeersregelaars. De organisatie moet stimuleren om de fiets te gebruiken als vervoermiddel naar het evenement toe. 4.4.7 Parkeergelegenheid Parkeerdruk en parkeeroverlast behoren tot de meest voorkomende klachten van bewoners. De mate waarin de overlast wordt ervaren verschilt per wijk, buurt of zelfs per straat. De hinder is van grote invloed op de leefbaarheid in de buurt en leidt regelmatig tot gespannen verhoudingen tussen buurtbewoners. Het uitgangspunt bij evenementen is dat evenementen bij voorkeur gehouden moeten worden op plaatsen waar in ruime mate parkeervoorzieningen zijn of kunnen worden gecreëerd. Met parkeermogelijkheden, voor zowel auto’s als (brom)fietsen, moet bij de organisatie van het evenement rekening gehouden worden. Om deze reden moeten op de situatietekening behorende bij het aanvraagformulier voor het organiseren van een evenement de parkeervoorzieningen (ruimte per parkeerplaats bij voorkeur minimaal 2,5 bij 5 meter) zijn opgenomen en zijn afgestemd op het aantal te verwachten aanwezigen (bezoekers, deelnemers, organisatie enzovoorts). De organisator moet het parkeren van auto’s en fietsen, evenals eventuele omleidingsroutes, regelen via een duidelijke bewegwijzering. 4.4.8 Verkeersregelaars De Regeling Verkeersregelaars 2009 bevat regelgeving met betrekking tot het aanstellen van evenementenverkeersregelaars. Degenen die de verplichte e-instructie hebben gevolgd kunnen voor een periode van maximaal 12 maanden na het volgen van de e-instructie worden aangesteld als evenementenverkeersregelaar. Binnen de periode van aanstelling kan voor 1, maar ook voor meerdere evenementen per jaar worden opgetreden als evenementenverkeersregelaar. Evenementenverkeersregelaars zijn nodig als voor een evenement verkeersregelend opgetreden moet worden en daarvoor met het toepassen van andere verkeersmaatregelen de veiligheid onvoldoende kan worden gegarandeerd. De gemeente en de politie beoordelen het evenement hierop bij de aanvraag of melding voor het evenement. Voor elke specifieke inzet bij een evenement moeten de evenementenverkeersregelaars een specifiek daarop toegesneden instructie volgen. Evenementenverkeersregelaars oefenen hun taak uit onder direct toezicht van de politie. Jas/hes Tijdens de uitoefening van hun taak dragen evenementenverkeersregelaars voor de duur van hun werkzaamheden een jas of hes. Deze jas of hes moet voldoen aan de omschrijving uit bijlage 2 van de Regeling Verkeersregelaars 2009. Leeftijd verkeersregelaar Om voor aanstelling als evenementenverkeersregelaar in aanmerking te komen moet de betreffende persoon minimaal 16 jaar oud zijn. Evenementenverkeersregelaars die jonger zijn dan 18 jaar mogen bij de uitoefening van hun taak slechts ingezet worden op wegen waar niet sneller wordt gereden dan 50 km per uur en als ter plaatse bij duisternis of slecht zicht voldoende openbare straatverlichting aanwezig is. Verzekering Zowel in de gemeente Eersel woonachtige vrijwilligers van de organisatie van het evenement als daar woonachtige vrijwillige verkeersregelaars vallen onder de collectiviteitverzekering van de gemeente (paragraaf 4.14.4). Aanstellingsprocedure Organisaties moeten zelf een lijst met namen van evenementenverkeersregelaars die bij hun evenement op gaan treden aandragen bij de gemeente. Dit mogen alleen personen zijn die de e-instructie hebben gevolgd. Voor elke evenementenverkeersregelaar moet een bewijs van de gevolgde e-instructie aan de gemeente worden overlegd. Als de e-instructie is gevolgd wijst de burgemeester de evenementenverkeersregelaar aan. Elke aanstelling gebeurt voor de maximaal mogelijke periode (maximaal 12 maanden na het volgen van de e-instructie) en meteen voor de gemeenten Bladel, Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden, ook al vindt het evenement waarvoor de evenementenverkeersregelaar is aangemeld maar in één van deze gemeenten plaats. De aanstellingsperiode wordt vastgelegd in het aanstellingsbesluit. Als een organisatie gebruik maakt van verkeersregelaars die al zijn aangesteld voor de periode waarbinnen het evenement plaatsvindt hoeven deze personen niet nogmaals aangesteld te worden. Wel moet aan de gemeente worden doorgeven welke personen optreden tijdens het evenement als verkeersregelaar. 4.4.9 Busverbindingen Uitgangspunt is dat evenementen niet plaatsvinden op de route van lijnbussen. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken. Als een evenement toch plaatsvindt op de route van de lijnbussen en de lijnbussen hierdoor niet de vastgestelde route kunnen rijden informeert de gemeente de busmaatschappij hierover. De busmaatschappij zoekt een alternatieve route en maakt deze route bekend in een van gemeentewege uitgegeven blad. 4.4.10 Verkeersmaatregelen Voor tijdelijke wegafsluitingen en andere tijdelijke verkeersmaatregelen bij evenementen moeten (in principe) verkeersbesluiten genomen worden. Vanwege tijdelijke (korter dan 4 maanden) dringende omstandigheden kan een verkeersbesluit achterwege worden gelaten. In jurisprudentie is bepaald dat een evenement mede onder een dringende omstandigheid geschaard kan worden, waardoor daarvoor het nemen van een verkeersbesluit niet nodig is. De organisatie van een evenement geeft op het meldings- en aanvraagformulier aan welke verkeersmaatregelen nodig zijn en geeft op een situatietekening aan waar welke maatregelen, inclusief bebording (afzettingsborden en verkeerstekens), worden uitgevoerd. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat doorgaande wegen en gebiedsontsluitingswegen zo min mogelijk worden afgesloten en dat voldaan wordt aan CROW richtlijn 96b. De gemeente beoordeelt of de aangegeven verkeersmaatregelen voldoende zijn om de (verkeers)veiligheid te garanderen. Mocht er toch sprake zijn van een afsluiting van een doorgaande weg of gebiedsontsluitingsweg, dan worden daar eisen aan gesteld door de gemeente. In de vergunning of melding geeft de gemeente aan of de juiste afzettingsborden en verkeertekens geplaatst worden conform het meldings- en aanvraagformulier of waar welke andere maatregelen getroffen moeten worden. De organisatie is verplicht deze te verwerken en te plaatsen, zoals door de gemeente is aangegeven. De organisator is ook verantwoordelijk voor een goede bewegwijzering voor het verkeer naar de locatie toe. Provinciale wegen en Rijkswegen Als tijdelijke verkeersmaatregelen, zoals het plaatsen van borden voor omleidingsroutes, nodig zijn op Provinciale of Rijkswegen dan is voor die maatregelen een akkoord nodig van Provincie Noord-Brabant/Rijkswaterstraat. De organisatie of de door hen ingehuurde zelfstandige hulppersoon moet hiervoor aan eisen voldoen en moet akkoord vragen aan de Provincie/Rijkswaterstaat. De Provincie en Rijkswaterstaat stellen eisen aan de uit te voeren verkeersmaatregelen. Markt-Hint-Nieuwstraat Het aantal dagen waarop de wegen in het gebied rondom de Markt-Hint-Nieuwstraat in Eersel afgezet mogen worden ten behoeve van evenementen is gemaximaliseerd op 16 dagen per kalenderjaar voor Markt, Hint en Nieuwstraat afzonderlijk. Deze dagen worden ingezet voor de volgende evenementen: Eersel-Postelrally: 1 zondag; Kerstmarkt: 1 zondag; Kermis: 5 dagen (exclusief op- en afbouw); Toeristendagen: 3 dagen; Koningsdag: 1 dag; Music on Payday: 1 dag (exclusief op- en afbouw); Jaarmarkt EFC: 1 dag; Wandelvierdaagse: 1 dag; Eersel Beweegt: 1 dag; Wielerstimuleringsdagen: 1 dag. In principe kan pas bij het vervallen van één van deze evenementen de wegafsluiting voor een ander evenement worden ingezet, maar in gevallen waarbij Stichting Promotie Eersel akkoord is met een wegafsluiting kan de gemeente overwegen een extra wegafsluiting toe te staan. 4.4.11 Mortelveld Eersel De gemeente is eigenaar van het Mortelveld in Eersel. Dit terrein is afgesloten. Op het gebruik van het Mortelveld zijn de volgende voorschriften van toepassing: de toegang van het Mortelveld via de ingang aan de Kuilenhurk is afgesloten met een poort met slot. Dit geldt ook voor de slagboom die meer zuidelijk aan de zijde van de Kuilenhurk aanwezig is; voertuigen mogen niet over het onverharde gedeelte van het Mortelveld rijden; eventuele tenten/overkappingen mogen niet worden bevestigd aan lantaarnpalen, bomen etc. Hiervoor moeten aparte pinnen in de grond worden geslagen. Het is niet toegestaan om hiervoor stenen uit de verharding te halen; het is niet toegestaan de beplanting op het Mortelveld te snoeien; eventueel regenwater op het Mortelveld kan via het oppervlak worden afgevoerd naar de uitstroomvoorzieningen aan de zijkanten van het Mortelveld. Aan de zuidoostzijde is een waterbassin aangelegd, waar het hemelwater kan infiltreren in de ondergrond; als de wens bestaat gebruik te maken van de afvoerputjes voor het ondergrondse rioleringssysteem van het Mortelveld, moet dit geregeld worden met de teamcoördinator Buitendienst. Het is niet toegestaan de inhoud van chemische toiletten te lozen via deze afvoerputjes; als de wens bestaat te verlichten via de lantaarnpalen die aanwezig zijn bij het verharde gedeelte, kan de sleutel van het aansluitkastje verkregen worden bij de teamcoördinator Buitendienst. Bij het aansluitkastje moet een aggregaat met voldoende vermogen worden geplaatst om van de lantaarnpalen gebruik te kunnen maken. Het is niet toegestaan om elektriciteit af te tappen van de lantaarnpalen. 4.5 Begin- en eindtijden 4.5.1 Evenement Evenementen belasten de omgeving, gewenst dan wel ongewenst. Om deze reden wordt een beperking in tijd aan evenementen gesteld. De begintijd voor buitenevenementen (openlucht, tent e.d.) is gesteld op 10.00 uur. Bij uitzondering kan hiervan worden afgeweken. Voor evenementen op zondag is dit tijdstip (voor 13.00 uur) in strijd met de Zondagswet. Voor dergelijke evenementen moet een ontheffing op basis van de Zondagswet worden aangevraagd bij de burgemeester. De burgemeester beoordeelt per geval of ontheffing wordt verleend. Wanneer er sprake is van een eendaags buitenevenement op vrijdag of zaterdag is de maximale eindtijd 01.00 uur (vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag). Wanneer sprake is van een eendaags buitenevenement op zondag tot en met donderdag is de maximale eindtijd van het evenement op alle dagen 0.00 uur (zondag op maandag tot en met donderdag op vrijdag). Bij een meerdaags buitenevenement is slechts op 1 dag in het weekend (vrijdag of zaterdag) de eindtijd 01.00 uur. De andere dag is de eindtijd maximaal 0.00 uur. Als een evenement wordt georganiseerd op een dag voor een nationale feestdag mag de eindtijd ook op zondag tot en met donderdag 01.00 uur bedragen, mits wanneer er sprake is van een meerdaags evenement de dag ervoor of erna de eindtijd maximaal 0.00 uur bedraagt. Bij uitzondering kan van de gestelde eindtijden worden afgeweken. Voor evenementen in (reguliere) openbare inrichtingen gelden de reguliere sluitingstijden (eventueel met ontheffing daarop) van het bedrijf als begin- en eindtijd. Evenementen die worden georganiseerd op of aangrenzend aan het terras van een openbare inrichting moeten eindigen op de algemene eindtijden die gelden voor buitenevenementen, 01.00 uur respectievelijk 0.00 uur. Voor evenementen in overige gebouwen wordt aangesloten bij de begin- en eindtijden van buitenevenementen. Opbouwen en afbreken Het opbouwen van een buitenevenement (in de openlucht, tent e.d.) kan overlast geven voor de omliggende omgeving. Om deze reden mag het opbouwen van een buitenevenement uiterlijk 5 dagen voorafgaande aan het evenement tussen 07.00 uur en 19.00 uur plaatsvinden. Het buitenevenement moet uiterlijk op de 2e dag na afloop van het evenement om 19.00 uur afgebroken zijn. Afbreken moet plaatsvinden tussen 7.00 uur en 19.00 uur. Met de op- en afbouwtijden wordt aangesloten bij de tijden in het Activiteitenbesluit en de circulaire Bouwlawaai, omdat deze regelgeving als uitgangspunt heeft om geluidsoverlast te voorkomen en te beperken. Genoemde termijnen zijn uiterlijke termijnen. De definitieve termijn voor het betreffende evenement is afhankelijk van de aard van het evenement (o.a. grootte) en de mogelijkheden tot het gebruik van het openbaar gebied en het afsluiten van wegen. Hoe korter de termijn voor opbouwen en afbreken, hoe minder overlast voor de omliggende omgeving. Aan het opbouwen en afbreken van inpandige evenementen zijn geen termijnen en tijden verbonden. 4.5.2 Geluid Voor de eindtijden van geluid wordt verwezen naar paragraaf 4.6. 4.5.3 Schenken Met het schenken van drank mag gedurende alle dagen van de week worden begonnen om 10.00 uur. Drank mag worden geschonken tot een kwartier voor de eindtijd van het evenement. Bij uitzondering kan van deze tijden worden afgeweken. Voor evenementen in (reguliere) openbare inrichtingen, inclusief een eventueel bijbehorende terras, gelden de reguliere schenktijden van het bedrijf (bijvoorbeeld horecabedrijf of paracommerciële inrichting), met eventueel ontheffing daarop, als eindtijd. 4.6 Geluid 4.6.1 Geluidproductie Tijdens evenementen ontstaat in meer of mindere mate geluidshinder voor de omgeving. Dit is onvermijdelijk en tot op een zekere hoogte aanvaardbaar, omdat festiviteiten bij het dorpsleven en de leefbaarheid horen en de geluidshinder beperkt is tot een aantal dagen per jaar. De basis hiervoor is artikel 4:6 van de APV. Om de overlast binnen de perken te houden worden geluidsnormen opgelegd. Gedurende het evenement moet de organisator alles in het werk stellen om geluidsoverlast tot een minimum te beperken. Bij geluidsproductie wordt onderscheid gemaakt tussen inpandige activiteiten en buitenactiviteiten. Een buitenactiviteit vindt plaats in de openlucht, in een tent, onder een overkapping of een ander bouwsel wat niet of nauwelijks geluid absorbeert. Als evenementen tegelijkertijd zowel inpandig als buiten gevierd worden gaan de geluidsnormen voor buitenactiviteiten boven de geluidsnormen voor inpandige activiteiten. De metingen moeten uitgevoerd worden conform de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”. Bij de beoordeling wordt geen strafcorrectie voor muziekgeluid, bedrijfsduurcorrectie en meteocorrectie toegepast. Metingen worden verricht op het gemiddelde geluidsniveau, het equivalente geluidsniveau (LAeq), over 1 tot 5 minuten (LAeq,T). Metingen op de gevel worden in principe uitgevoerd op de gevel van de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige objecten. Als er binnen een afstand van 50 meter van een podium (openlucht) of tent geen geluidsgevoelige objecten zijn gesitueerd dan worden de metingen verricht op een afstand van 50 meter. De GGD Brabant-Zuidoost heeft geadviseerd om lokaal beleid te ontwikkelen om gehoorschade bij bezoekers van evenementen te voorkomen. De GGD maakt hierbij een verschil in drie geluidsnormen, te meten op een afstand vanaf een geluidproducerende voorziening, namelijk 88 dB(A), 92 dB(A) en 103 dB(A). Aan deze normen conformeert de gemeente zich. Afhankelijk van welke norm van toepassing is moet een organisatie maatregelen nemen om gehoorschade te voorkomen. 4.6.1.1 Evenementen buiten een inrichting Op grond van artikel 4.6. van de APV is het verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer op een zodanige wijze toestellen te gebruiken of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder ontstaat of een ernstig risico bestaat op letsel en/of andere vormen van gehoorschade. Van het verbod in artikel 4:6 van de APV kan ontheffing worden verleend. Aan die ontheffing worden geluidsnormen gekoppeld. Deze geluidsnormen gelden zowel voor buitenevenementen als evenementen in een gebouw die niet tot een inrichting behoort. Algemeen Binnen de gemeente worden op verschillende locaties evenementen gehouden. Daarbij gelden de volgende geluidsvoorschriften: • Het equivalente geluidsniveau (LAeq,T) tijdens het evenement mag op 1,5 meter meethoogte, ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde gelegen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen of aangegeven rekenpunten, niet hoger zijn dan 70 dB(A) en 85 dB(C). Aanvullingen Aanvullend op de algemene geluidsvoorschriften kan één van onderstaande aanvullingen van toepassing zijn. Meldingsplichtige A-evenementen Aanvullend op de algemene geluidsnormen geldt voor evenementen waarvoor het evenement afgedaan kan worden met een melding het volgende: Het LAeq,T mag tijdens het evenement op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte niet hoger zijn dan 92 dB(A). Meldingsplichtige B-evenementen en vergunningsplichtige B- en C-evenementen Aanvullend op de algemene geluidsnormen geldt voor evenementen waarvoor een evenementenvergunning vereist is het volgende: Het LAeq,T mag tijdens het evenement op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte niet hoger zijn dan 103 dB(A). Evenementen voor 18- Aanvullend op de algemene geluidsnormen en in afwijking van het niveau voor meldingsplichtige of vergunningsplichtige evenementen geldt voor evenementen die (voornamelijk) gericht zijn op personen jonger dan 18 jaar het volgende: Het LAeq,T mag tijdens het evenement op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte niet hoger zijn dan 88 dB(A). Uitzonderingen In principe gelden de algemene geluidsvoorschriften, tenzij één of meerdere van onderstaande uitzonderingen van toepassing is. Dan gelden ook de geluidsvoorschriften van de uitzondering in plaats daarvan. Aangewezen evenemententerreinen In de gemeente zijn in bestemmingsplannen locaties aangewezen als evenemententerrein. Deze terreinen zijn aangewezen, omdat meerdere keren per jaar hier evenementen (kunnen) worden gehouden. In principe gelden hiervoor de algemene geluidsnormen, zoals hierboven vermeld, maar omdat op de aangewezen terreinen veelal de grotere (muziek)evenementen worden georganiseerd en deze terreinen veelal zijn gelegen tussen geluidsgevoelige objecten, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten andere geluidnormen toe te staan. De geluidsnorm voor aangewezen evenemententerreinen ligt binnen een bandbreedte tussen de 70 dB(A) en 85 dB(A). Aan het krijgen van deze hogere normen worden strikte voorwaarden gekoppeld. Zo kan de organisator gevraagd worden om via een akoestisch rapport aan te tonen dat niet volstaan kan worden met de bovengenoemde geluidsnormen en te berekenen wat de benodigde geluidbelasting is op de gevels van omliggende woningen of andere geluidgevoelige objecten. Kermisterreinen De attracties op een kermis, wat ook een evenement is, produceren geluid. In afwijking van de algemene geluidsvoorschriften moeten de attracties aan de volgende geluidsvoorschriften voldoen: Het LAeq,T op 1,5 meter meethoogte, ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde gelegen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen of aangegeven rekenpunten, mag niet hoger zijn dan 85 dB(A) en 90 dB(C). Het LAeq,T mag per attractie niet hoger zijn dan 88 dB(A), gemeten op een afstand van 2 meter rondom de attractie op 1,5 meter meethoogte. Horeca tijdens kermis Voor evenementen (deels) buiten de grenzen van de inrichtingen van horecagelegenheden op of direct aansluitend aan het kermisterrein (tijdens een kermis in betreffende kern) mag het LAeq,T tijdens de kermisdagen in de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag tot 0.45 uur en de overige dagen tot 23.45 uur niet meer bedragen dan 85 dB(A) en 90 dB(C) op 1,5 meter meethoogte, ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde gelegen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen of aangegeven rekenpunten. Carnavalsoptochten Deelnemende wagens en groepen aan een carnavalsoptocht of een andere vergelijkbare optocht produceren geluid. In afwijking van bovengenoemde geluidsnormen moeten de deelnemers aan een dergelijke optocht aan de volgende geluidsnormen voldoen: Het LAeq,T mag op 1,5 meter meethoogte, ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde gelegen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen of aangegeven rekenpunten, niet hoger zijn dan 70 dB(A) en 85 dB(C). Het bronvermogen een geluidproducerende voorziening mag per deelnemer niet hoger zijn dan 88 dB(A). 4.6.1.2 Evenementen in een inrichting Voor inrichtingen die vallen onder de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit gelden de daarin opgenomen geluidsnormen voor het ten gehore brengen van versterkte muziek. Op basis van artikel 4:3 van de APV kunnen 4 keer per jaar incidentele festiviteiten worden georganiseerd, waarbij andere geluidsnormen gelden voor het ten gehore brengen van versterkte muziek binnen de grenzen van de inrichting, mits een kennisgeving van de incidentele festiviteit is gedaan. In de APV zijn de afwijkende geluidsnormen opgenomen, met daarbij de maximale eindtijd. Hierbij mag zowel inpandig als op het buitenterrein van de inrichting versterkte muziek ten gehore worden gebracht. Bij collectieve festiviteiten op basis van artikel 4:2 van de APV gelden ook andere geluidsnormen voor het ten gehore brengen van versterkte muziek, dan opgenomen in de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit. In de APV zijn ook hiervoor de afwijkende geluidsnormen en eindtijd opgenomen, die zowel voor inpandig als het buitenterrein gelden. Voor onversterkte muziek gelden de normen, zoals die zijn opgenomen in artikel 4:5 van de APV. Voor evenementen binnen de grenzen van een inrichting, dus niet de normale bedrijfsvoering of incidentele of collectieve festiviteiten, gelden dezelfde geluidsvoorschriften inclusief de aanvullingen en uitzonderingen daarop als bij niet-inrichtingen. Uitzonderingen Voor onderstaande situatie wordt afgeweken van de geluidsvoorschriften. In deze situatie geldt dus de uitzondering. Evenementen E3-strand Voor evenementen binnen de inrichting van het E3-strand mag op 4 dagen per kalenderjaar het LAeq,T tijdens het evenement tussen 11.00 en 23.00 uur op 1,5 meter meethoogte op de dansvloer niet hoger zijn dan 103 dB(A) en 113 dB(C), gemeten over 1 tot 5 minuten. Op door de gemeente nader te bepalen rekenpunten mag het LAeq,T tussen 11.00 en 23.00 uur op 1,5 meter meethoogte niet hoger zijn dan 70 dB(A) en 95 dB(C). Maatwerkvoorschriften Als bij een inrichting het organiseren van evenementen (buiten gebouwen) tot de normale bedrijfsvoering hoort kan het zijn dat de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit te laag zijn. In dat geval kunnen maatwerkvoorschriften voor die inrichting worden vastgesteld. Er kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen voor de bedrijfsduurcorrectie, een ander LAeq,T en maximaal geluidsniveau LAmax (eventueel voor een bepaalde activiteit), plaats waar de geluidsnormen gelden en technische voorzieningen en gedragsregels om aan de geluidsvoorschriften te voldoen. 4.6.2 Eindtijden Het ten gehore brengen van versterkte en onversterkte muziek mag gebeuren vanaf 10.00 uur. In de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag mag dit tot maximaal 0.45 uur en in de nachten van zondag op maandag tot en met donderdag op vrijdag tot maximaal 23.45 uur, zijnde een kwartier voor de eindtijd van het evenement. Als een evenement wordt georganiseerd op een dag voor een nationale feestdag mag de eindtijd ook in de nachten van zondag op maandag tot en met donderdag op vrijdag maximaal 0.45 uur bedragen. Bij uitzondering kan van de gestelde tijden worden afgeweken. Voor evenementen in (reguliere) openbare inrichtingen mag (on)versterkt geluid worden geproduceerd binnen de reguliere openingstijden (eventueel met ontheffing daarop) van het bedrijf (bijvoorbeeld horecabedrijf of paracommerciële inrichting). Voor evenementen buiten de inrichting, ook als het evenement slechts deels buiten de inrichting plaatsvindt, gelden de algemene eindtijden van 0.45 uur, respectievelijk 23.45 uur. Voor collectieve festiviteiten of gemelde incidentele festiviteiten gelden de eindtijden zoals die zijn opgenomen in de APV, zijnde uiterlijk 01.00 uur. 4.6.3 Gehoorschade en -bescherming Beperken geluidsvolume Om gehoorschade bij kinderen/jongeren te voorkomen mag bij evenementen die voornamelijk gericht zijn op personen jonger dan 18 jaar het gemiddelde geluidsniveau op de dansvloer op 1,5 meter meethoogte maximaal 88 dB(A) bedragen. Dit is inclusief stem- en omgevingsgeluid. Van kinderen kan namelijk niet verwacht worden dat zij hun eigen gehoor beschermen. Waarschuwingen en gehoorbescherming zijn dan niet nodig. Bij meldingsplichtige A-evenementen mag het gemiddelde geluidsniveau op de dansvloer op 1,5 meter m

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.