Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2020 Inhoudsopgave Leeswijzer 5 1. Inleiding 6 1.1 Over de Jeugdwet 6 1.2 Over de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2020 7 1.3 Over de begrippen 7 2. Procedure (gemeentelijke) toegang tot jeugdhulp 8 2.1 De melding 8 2.1.1 Toegang via huisarts, jeugdarts en de medisch specialist 8 2.1.1.1 De Huisartsondersteuner (HAO’
(1986): 2178. of er een voordeel in zien. 21Wienen, A. W. Inclusive education: from individual to context. (Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2019), 94. Ook de Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving (RVS) stelt dit medische perspectief ter discussie. Een medisch perspectief heeft voordelen: er is sprake van een diagnose en de belofte van een behandeling. En niet zelden kan daarbij extra hulp en ondersteuning worden ingeschakeld. 22Raad voor Volkesgezondheid en Samenleving. “Recept voor maatschappelijk probleem. Medicalisering van levensfasen,” maart 2017, 9-10. Geraadpleegd 11 december 2019 via https://www.raadrvs.nl/documenten/publicaties/2017/04/04/recept-voor-maatschappelijk-probleem. De RVS onderscheidt verschillende factoren die een rol spelen bij de tendens om gedrag dat past in een bepaalde levensfase te medicaliseren. De samenleving heeft onrealistische verwachtingen en idealen: ‘mensen kunnen hun hele leven gelijkmatig functioneren’, ‘het leven is maakbaar’, ‘perfectie is mogelijk op alle fronten’, en dan is het ook nog ‘vanzelfsprekend om constant te genieten’. Wanneer deze verwachtingen tot knelpunten leiden, wordt de oorzaak bij het individu gezocht. Daarnaast dragen factoren in het zorgdomein bij aan medicalisering: de productieprikkels in het zorgstelsel die aanzetten tot behandelen en de actiemodus van zorgprofessionals. De RVS signaleert dat van mensen regelmatig andere zaken worden verwacht dan passend is op grond van de levensfase die ze op dat moment doormaken. De gangbare reactie hierop is om te proberen door middel van (medische) zorg het functioneren aan te passen aan de verwachtingen. Het uitgangspunt dat er altijd een medische oplossing voorhanden is, is echter een illusie volgens de RVS. 23Raad voor Volkesgezondheid en Samenleving. “Recept voor maatschappelijk probleem. Medicalisering van levensfasen,” 9. De regel bij de beoordeling van hulpvragen is daarom dat wanneer er in een situatie sprake is of zou kunnen zijn van een diagnose, of in de advisering een beroep gedaan wordt op een diagnose, er in het advies (tenminste) twee verklaringsmodellen in kaart worden gebracht en worden betrokken bij de conclusie over de in te zetten hulp. Hiervan is er in ieder geval één niet medisch (de diagnostiek is tussen haakjes geplaatst als het ware, dat wil zeggen: de diagnostiek is niet meegenomen in het verklaringsmodel). Bijvoorbeeld: hoe staat het met de voeding van het kind, of is er sprake van structurele onveiligheid of armoede in de opgroeisituatie? Het tweede, niet-medische, model is (dus) gericht op integraliteit, normaliseren en is een model dat er vanuit gaat dat de beste preventie van jeugdhulp is gericht op het investeren in de beschermende factoren van de jeugdige, het gezin, de school en de omgeving; kansen, erkenning, waardering, steun van belangrijke volwassenen, constructieve tijdsbesteding, competenties (sociaal, emotioneel en gedrag), cognitieve vaardigheden, positieve identiteit, sociale binding. Er wordt dus wat betreft het in kaart brengen van de twee verklaringsmodellen onderscheid gemaakt tussen het biomedisch en het pedagogisch perspectief. 4.(Boven)gebruikelijke hulp Bij een hulpvraag maakt de gemeente een beoordeling over of de hulp-op-maat wel of niet als bovengebruikelijk kan worden aangemerkt. De richtlijnen hiervoor zijn opgenomen in bijlage 1. Als er sprake is van bovengebruikelijke hulp kan er een individuele jeugdhulpvoorziening worden ingezet als: duidelijk is dat de draagkracht van het functioneren van het gezin wordt overschreden; het gezin niet in staat is de juiste hulp te organiseren. Er is sprake van bovengebruikelijke hulp in het geval van een beperking waardoor de noodzakelijke hulp en ondersteuning (in vergelijking tot kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel) structureel wordt overschreden. Eigen kracht bij jeugdhulp kan er ook uit bestaan dat bovengebruikelijke hulp verleend wordt door een van de ouders. Wanneer de beslissing door het gezin is genomen om met eigen kracht jeugdhulp te verlenen waarbij een van de ouders minder betaalde arbeid is gaan verrichten, en de draaglast van de zorgvraag en de draagkracht van het gezin zijn in met elkaar overeenstemming, dan bestaat niet vanzelfsprekend een aanspraak op een jeugdhulpvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget, behalve als het gezin door de inkomensdaling in financiële problemen komt die niet met door het gezin te nemen maatregelen zijn op te lossen binnen de bestaande woon- en leefsituatie. Van belang voor de vraag of jeugdhulp noodzakelijk is, is de uitspraak 24De Rechtspraak. “ECLI:NL:CRVB:2019:2362,” 19 juli 2019. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2362. van 17 juli 2019 door de Centrale Raad van Beroep. De CRvB concludeert, kort gezegd, dat geen jeugdhulpvoorziening toegekend hoeft te worden als de ouders en de jeugdige zelf in staat zijn de hulp te verlenen/op te lossen, ook niet als sprake is van bovengebruikelijke hulp. 5.Verstrekkingsvormen (of leveringsvormen) 5.1Inleiding Hulp-op-maat kan in natura (ook wel: zorg in natura of ZIN) of als persoonsgebonden budget (PGB) worden verstrekt. In dit hoofdstuk worden de verschillende verstrekkingsvormen en de criteria met betrekking tot de verstrekkingsvormen behandeld. Elke individuele jeugdhulpvoorziening die via de gemeentelijke toegang wordt ingezet, wordt in een beschikking aan de jeugdige en of de ouders meegedeeld. 5.2.Een voorziening in natura (ZIN) Een voorziening in natura is een daadwerkelijke levering van de individuele jeugdhulpvoorziening door een door de gemeente gecontracteerde Jeugdhulpaanbieder. De gemeente geeft aan de (al dan niet door de inwoner gekozen) jeugdhulpaanbieder of –leverancier de opdracht om de hulp-op-maat te leveren. 5.3. Een persoonsgebonden budget (PGB) Een PGB kan een geschikt instrument zijn voor de inwoner om zijn leven meer naar eigen wens en behoefte in te vullen. Hiermee kan de inwoner zelf hulp-op-maat inkopen. Het is een verstrekkingsvorm die alleen geschikt is voor mensen die zelf de regie over hun leven kunnen voeren. De gemeente vindt het van belang dat mensen eigen regie over hun leven kunnen voeren en dat zij, als zij dit willen, hiervoor een PGB inzetten. De gemeente verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet. De PGB-tarieven zijn vastgelegd in de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020. Dit laat onverlet dat een inwoner in staat moet zijn met het PGB adequate hulp te kunnen inkopen. 5.3.1.Wettelijk kader PGB Conform artikel 8.1.1. verstrekt de gemeente de jeugdige of zijn ouders een PGB dat hen in staat stelt de hulp-op-maat van derden te betrekken. Conform artikel 8.1.1.2. verstrekt de gemeente een PGB als: de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de gemeente op: eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, dan wel met hulp uit hun sociale netwerk, dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, GI, of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (dat wil zeggen: de inwoner moet in staat zijn een contract aan te gaan, moet een jeugdhulpaanbieder of -leverancier kunnen kiezen die aan de hulpvraag kan voldoen, deze kunnen aansturen, en moet de administratie met betrekking tot de verleende hulp-op-maat kunnen bijhouden), en; de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de hulp-op-maat die wordt geleverd door een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten, en; naar het oordeel van de gemeente is gewaarborgd dat de hulp-op-maat en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. Conform artikel 8.1.1.3. is in de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen 2020 vastgelegd onder welke voorwaarden de persoon aan wie een PGB wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Conform artikel 8.1.1.4. zal de gemeente PGB weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele jeugdhulpvoorziening, of als de gemeente eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4, eerste lid, onderdeel a, d of e van de wet (dat laatste wil zeggen dat de gemeente geen PGB verstrekt wanneer de gemeente vaststelt dat de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget, of; de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.) 5.3.2Cliëntgebonden overeenkomst De gemeente kan de benodigde hulp-op-maat ook leveren op grond van een zogenoemde cliëntgebonden overeenkomst. In feite is er dan sprake van ZIN. Van een cliëntgebonden overeenkomst is sprake wanneer de gemeente een PGB niet verstrekt en de benodigde hulp-op-maat niet door een gecontracteerde partij kan worden verzorgd. In beginsel wordt de cliëntgebonden overeenkomst gebaseerd op de in de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen opgenomen tarieven. 5.3.3.PGB-criteria Als er sprake is van ondersteuning door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk en die persoon is tevens de vertegenwoordiger van de cliënt bij het uitoefenen van de aan een PGB verbonden taken, zal nadrukkelijk worden onderzocht of er geen sprake is van belangenverstrengeling. De gemeente staat het niet toe dat de jeugdhulpaanbieder (anders dan de aanbieder van gesloten jeugdhulp; zie artikel 8.1.1.2. van de wet) het PGB beheert, of dat er sprake is van een zakelijke relatie tussen PGB-beheerder en jeugdhulpaanbieder, dan wel anderszins sprake is van mogelijke belangenverstrengeling De PGB-beheerder moet op een neutrale manier toezicht kunnen houden op de levering van de met het PGB ingekochte diensten. (Het gaat hierbij overigens niet om het kunnen beheren van het budget zelf. Dat gebeurt door de Sociale verzekeringsbank, SVB.) Degene aan wie het PGB is toegekend, blijft verantwoordelijk voor het budget en de besteding daarvan. Mocht er budget teruggevorderd worden, dan wordt dit teruggevorderd van de budgethouder en niet van de derde die het PGB beheert (dat wil zeggen: de naaste, de bewindvoerder, de curator, de GI, etc.). Wel kan de gemeente het PGB terugvorderen van de jeugdhulpaanbieder, nadat de vordering middels cessie is overgenomen van de budgethouder, wanneer de budgethouder ‘te goeder trouw’ is en te maken heeft met een zorgverlener die fraude heeft gepleegd. Het PGB is geen inkomensondersteuning, maar wordt ingezet in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner ontoereikend zijn. Dit sluit niet uit dat het soms in het belang is van de inwoner een PGB te verstrekken, of om een andere reden te kiezen voor een verstrekking in PGB. 5.3.4Bekwaamheid van de aanvrager Overwegende bezwaren zijn er als er een ernstig vermoeden is dat de inwoner problemen zal hebben met het omgaan met het PGB. De situaties waarbij het risico groot is dat het PGB niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel zijn bijvoorbeeld: de inwoner handelingsonbekwaam is; als iemand onder bewind staat is het geen automatisme dat er geen PGB vertrekt kan worden. Vanzelfsprekend mag er pas een PGB-overeenkomst aangegaan worden met de onder bewind gestelde met toestemming van de bewindvoerder. de inwoner heeft als gevolg van een verstandelijke aandoening of stoornis of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie; er sprake van schuld- en/of verslavingsproblematiek is; er eerder misbruik gemaakt is van het PGB; eerder sprake is geweest van fraude. Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin de gemeente van oordeel is dat het verstrekken van een PGB niet gewenst is. In deze situaties kan de een PGB worden geweigerd. Om een PGB af te wijzen op overwegende bezwaren, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan afgewezen kan worden. Dit kan een medische onderbouwing zijn, maar ook het aantonen van schulden of eerder misbruik. Een hulp middel bij het vaststellen of de aanvrager bekwaam is ten aanzien van het omgaan met het PGB is een zogenoemde PGB-vaardigheidstoets, bijvoorbeeld het 10-puntenkader van het ministerie van VWS 25Rijksoverheid. “Handreiking voor toetsing op (minimale) PGB-vaardigheid,” geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/zorg-en-ondersteuning-thuis/documenten/brochures/2019/06/26/handreiking-voor-toetsing-op-minimale-pgb-vaardigheid. of de test van Per Saldo. 26Per Saldo. “PGB-test,” geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.pgb.nl/pgb/wat-is-een-pgb/. Een dergelijk kader geeft mensen een helder advies of het PGB een geschikt instrument voor hen is. 5.3.5Gemotiveerd plan Hulp-op-maat in de vorm van een PGB wordt alleen verstrekt als de inwoner dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld plan vraagt. Uit het PGB-plan dat een de inwoner opstelt, moet tenminste blijken: waarom de inwoner een PGB wil (motivering waarom het aanbod van de gemeente niet toereikend is voor de hulp die gewenst is); hoe de jeugdhulp veilig, doeltreffend en klantgericht wordt ingericht (kwaliteit); van wie hij de jeugdhulp wil inkopen (professionals of mensen uit het eigen netwerk); hoe de cliënt de achtervang bij vakantie en ziekte regelt (bij inzet sociaal netwerk); wie toeziet op de geleverde zorg en het verantwoord besteden van het budget en, indien van toepassing, op basis waarvan (machtiging, beschikking van de rechtbank over curatele, etc.). Het PGB-plan maakt de kwalitatieve verantwoording van het PGB inzichtelijk, als concreet vastgelegd is bij wie er zorg ingekocht gaat worden. Door het opstellen van een PGB-plan wordt de inwoner gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren, en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. 5.3.6Kwaliteit van dienstverlening De kwaliteit van de dienstverlening die ingezet wordt door een PGB moet van vergelijkbare kwaliteit zijn als de dienstverlening van zorg in natura, zie “Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2018”. In het gemotiveerd plan dient aangetoond te worden op welke wijze deze kwaliteit geborgd is. Concreet kan de gemeente in stemmen met de leveringsvorm PGB als aan alle voorwaarden is voldaan, terwijl zij niet akkoord gaat met de besteding daarvan bij een specifieke jeugdhulpaanbieder als deze niet de vereiste kwaliteit kan leveren. Dit betrekt zich ook op huisvesting van de beoogde jeugdhulpverlener, vergunningen, etc. Voor specifiek PGB die wordt voorgesteld in een jeugdhulpbepaling die is afgegeven door GI, geldt wettelijk dat de GI inhoudelijk gaat over de in te zetten jeugdhulp, maar dat de gemeente gaat over de leveringsvorm. Concreet betekent dit als de gemeente niet akkoord gaat met de leveringsvorm, de GI een alternatief zal moeten formuleren. 5.4Trekkingsrecht In de Jeugdwet is de verplichting opgenomen dat gemeenten PGB’s uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het PGB niet op de bankrekening van de inwoner stort, maar op rekening van het servicecentrum PGB van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De inwoner moet aan de SVB een zogenoemde zorgovereenkomst overleggen en deze moet zijn geaccordeerd door de gemeente. De inwoner laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. De niet bestede PGB-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. Het is voor gemeenten mogelijk om een zogenoemd verantwoordingsvrij bedrag te hanteren en een feestdagenuitkering. Emmen kent noch een verantwoordingsvrij bedrag noch een feestdagenuitkering. 5.5Inzetten sociaal netwerk of mantelzorgers In het gemotiveerde plan van de inwoner kan hij of zij de wens uitspreken om zijn sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten. In navolging van de regering 27Rijksoverheid. “Memorie van toelichting bij de Jeugdwet:” 82. is de gemeente van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan zorg in natura. 5.6Hoogte van een PGB Met een PGB krijgt een budgethouder een budget toegekend waarmee hij vervolgens de vrijheid heeft om – binnen de gemaakte afspraken – zelf de benodigde zorg te organiseren. Dat kan bij zorginstellingen, maar ook bij een vrijgevestigde of niet-professionele zorgverleners, al dan niet uit het netwerk van de cliënt. 5.6.1.Tariefsystematiek De gemeente maakt onderscheid in het tarief gemaakt tussen PGB voor beroepsmatige betrokken jeugdhulpverleners, die zijn gebaseerd op het inkoopmodel jeugdhulp, en PGB voor het sociaal netwerk. PGB voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk is uitsluitend mogelijk voor ambulante begeleiding (inclusief persoonlijke verzorging en vervoer) en het betreft geen specialistische intensieve jeugdhulp, en kortdurend verblijf/logeren. 5.6.2.Criteria PGB jeugdhulpaanbieders De gemeente stemt slechts in met een PGB bij een specifieke jeugdhulpaanbieder wanneer hij of zij: niet door toezichthouders zijn gesignaleerd wegens het verlenen van ondeskundige zorg, handelen in strijd met de wet, misleiding, fraude of uitbuiting van het personeel; zijn geregistreerd in het beroepsregister jeugd (SKJ) of BIG of werkt volgens de criteria zoals opgenomen in de Norm Verantwoorde Werktoedeling; een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) volgens het screeningsprofiel “(Gezins)voogd bij voogdijinstellingen, reclasseringswerker, raadsonderzoeker en maatschappelijk werker” kunnen overleggen 28Gemeenten en gemeentelijke toegangen mogen geen (kopieën van) VOG’s van zorgverleners in hun systemen opslaan. Er moet worden volstaan met een notitie dat de VOG gezien is en akkoord is bevonden., niet ouder dan 3 maanden; een duidelijke regeling voor hulpverlening in periode van ziekte of vakantie hanteren; beschikken over een inschrijving in de Kamer van Koophandel als zorgaanbieder gericht op jeugdhulp; in afdoende mate verzekerd zijn voor beroepsaansprakelijkheid/bedrijfsaansprakelijkheid; voldoen aan specifieke opleidingseisen gericht op het verlenen van jeugdhulp; beschikken over een adequate klachtenregistratie; zich richting de belastingdienst gedragen als een zelfstandig ondernemer. 6.Meedoen en zelfredzaamheid 6.1Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging betreft de ondersteuning aan de jeugdige bij algemene dagelijkse levensverrichtingen en zelfverzorging wanneer zij daar zelf niet of onvoldoende toe in staat zijn. Persoonlijke verzorging omvat: reguliere activiteiten in het kader van de algemene dagelijkse levensverrichtingen; reguliere activiteiten in het kader van zelfverzorging; advies, instructie en voorlichting aan de jeugdigen en zijn of haar ouders/verzorgers over persoonlijke verzorging en het aanleren van de jeugdige van het (deels) zelf uitvoeren van de activiteiten. Persoonlijke verzorging is gericht op: het ondersteunen of overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging; het (gedeeltelijk) begeleiden van deze activiteiten gericht op het opheffen van het tekort aan zelfredzaamheid op het gebied van persoonlijke verzorging; ouders/verzorgers, informele verzorgers en het sociaal netwerk van de jeugdige worden – indien mogelijk – ingezet en/of opgebouwd en geadviseerd en/of voorgelicht over persoonlijke verzorging; indien noodzakelijk verzorging op afroep, buiten vaste afgesproken tijden. De jeugdige komt in aanmerking voor persoonlijke verzorging wanneer: sprake is van een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of van een verstandelijke beperking; de jeugdige als gevolg daarvan een tekort heeft aan zelfredzaamheid bij persoonlijke zorg; een hulpverlener de algemene dagelijkse lichamelijke activiteiten geheel of gedeeltelijk dient over te nemen. Afbakening Persoonlijke verzorging Jeugdwet – Zvw. Wanneer er sprake is van zorg, die verband houdt met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, is valt persoonlijke verzorging onder de Zvw. 29Deze zorg viel in de periode 2015 – 2018 onder de Jeugdwet en is per 1 januari 2018 verlegd naar de Zvw. Kinderen met zwaar complexe somatische problematiek of een lichamelijke beperking, die als gevolg daarvan verpleging en verzorging nodig hebben waarbij permanent toezicht noodzakelijk is, kunnen terecht bij de zorgverzekeraar voor zorg. 30Deze zorg werd tot 2018 geduid met de term ‘intensieve kindzorg’ (IKZ). Het criterium voor IKZ is per 1 januari 2018 afgeschaft. Hieronder wordt verstaan dat onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende de gehele dag nodig is met betrekking tot fysieke functies, zodat tijdig ingrijpen mogelijk is. Doordat het kind zorg nodig heeft op zowel te plannen dagen en tijdstippen als op ongeplande tijden, vaak ook in de nachtelijke uren, volstaat toezicht op afstand of een meer passieve observatie niet. Bij de kinderen die een behoefte aan permanent toezicht hebben, kan elk moment iets ernstig mis gaan. Het kan ook gaan om kinderen met lichtere complexe problematiek of een lichamelijke handicap, waarbij een of meer specifieke verpleegkundige handelingen nodig zijn en waarbij zorg voortdurend in de nabijheid nodig is. Bij deze kinderen moet de zorg weliswaar gedurende de gehele dag in de nabijheid beschikbaar zijn, maar daarbij is geen permanente actieve observatie nodig. Het gaat dus om een vorm van beschikbaarheid van zorg die voor een groot deel bestaat uit meer passief toezicht. De zorg is echter wel nodig op zowel geplande als ongeplande zorgmomenten. Bij de specifieke verpleegkundig handelingen gaat het om handelingen als het toedienen van zuurstof, aan- en afkoppelen beademingsapparatuur, toediening van intraveneuze medicatie toediening of parenterale voeding, verwisselen van canules en openhouden en doorspoelen van katheters en dergelijke. 31BVIKZ. “Wanneer is er sprake van IKZ,” geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.bvikz.nl/downloads/ewExternalFiles/IKZ%20en%20wetgeving.pdf.32Per Saldo. ”Kinderen met een intensieve zorgvraag en MSVT,” geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.pgb.nl/pgb/zvw/voor-wie-welke-zorg/intensieve-kindzorg/. 6.2Individuele begeleiding Individuele begeleiding is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de jeugdige. De begeleiding is bedoeld voor jeugdigen die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een instelling of zouden stagneren in hun ontwikkeling. Bij zelfredzaamheid in relatie tot begeleiding gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de jeugdige in staat stelt om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. Begeleiding kan aangewezen zijn vanwege het handhaven of bevorderen van de zelfredzaamheid van de jeugdige. Hierbij kan gedacht worden aan het volgende: In de eerste plaats kan het gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de jeugdige, waardoor deze onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, het regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De grens tussen de persoonsgebonden sociale omgeving en participatie is niet altijd scherp te trekken. Daarom is voor de jeugdige met matige en zware beperkingen binnen de functie Begeleiding ook ondersteuning mogelijk in de vorm van stimuleren tot deelnemen van activiteiten en het voorbereiden van gesprekken met instanties op het terrein van wonen, school, werk etc. In de tweede plaats kan het gaan om begeleiding in de vorm van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren dan wel het eventueel ondersteunen bij oefenen van handelingen/ vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. Je kunt hierbij denken aan ingrijpen in de vorm van correctie van het gedrag bij gedragsstoornissen die hun oorsprong vinden in één van de grondslagen: een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke beperking. Dit ingrijpen kan ook het stimuleren zijn om bepaalde activiteiten te ondernemen of sociale contacten te onderhouden. In de derde plaats kan het bij Begeleiding gaan om het bieden van permanent toezicht. Begeleiding kan zich (in tijdelijke vorm) ook richten op zorg in de directe omgeving van de jeugdige, zoals de ouders/opvoeders, als dit ten goede komt aan de jeugdige. De begeleiding is dan gericht op het oefenen van de ouders/opvoeders hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de jeugdige. Desalniettemin is de beschikking gesteld op naam van de jeugdige en niet op naam van degene op wie de oefening zich direct richt. Om in aanmerking te komen voor begeleiding moet worden vastgesteld dat de jeugdige matige en/of zware beperkingen heeft als gevolg van een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of van een verstandelijke beperking op tenminste één van de vijf beperkingenschalen: sociale redzaamheid (mogelijkheid hebben om sociale contacten aan te gaan, eigen leven vorm te geven en te regisseren, inclusief financiën regelen); bewegen en verplaatsen (zelfstandig voortbewegen binnen- en buitenshuis); probleemgedrag (destructief, grensoverschrijdend, agressief, dwangmatig gedrag); psychisch functioneren (stoornissen in denken, concentratie en waarneming); geheugen- en oriëntatiestoornissen (problemen met oriëntatie in tijd, plaats en persoon). 6.3Daghulp (of groepsbegeleiding) Daghulp gaat in grote lijnen om dezelfde inhoud als individuele begeleiding. 33Zie H6.2 van deze beleidsregels. Daghulp is voorliggend op individuele begeleiding als dezelfde doelen worden beoogd, behalve als er contra-indicaties zijn voor Groepsbegeleiding. Onderdeel van de daghulp kan ook zijn het vervoer naar en van een jeugdhulpaanbieder als dit noodzakelijk is in verband met de zelfredzaamheid van de jeugdige. Zie voor H8.2 ‘Vervoer bij daghulp’ voor het afwegingskader. Om in aanmerking te komen voor daghulp moet, vergelijkbaar met het afwegingskader voor individuele begeleiding, worden vastgesteld dat de jeugdige matige en/of zware beperkingen heeft als gevolg van een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of van een verstandelijke beperking op tenminste één van de vijf beperkingenschalen: sociale redzaamheid (mogelijkheid hebben om sociale contacten aan te gaan, eigen leven vorm te geven en te regisseren, inclusief financiën regelen); bewegen en verplaatsen (zelfstandig voortbewegen binnen- en buitenshuis); probleemgedrag (destructief, grensoverschrijdend, agressief, dwangmatig gedrag); psychisch functioneren (stoornissen in denken, concentratie en waarneming); geheugen- en oriëntatiestoornissen (problemen met oriëntatie in tijd, plaats en persoon). 6.4Kortdurend verblijf (logeren) Kortdurend verblijf (logeren) heeft als doel het overnemen van (semi-)permanent toezicht op de jeugdige ter ontlasting van de ouder/verzorger. Het overnemen van (semi-)permanent toezicht kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn bij (dreigende) overbelasting van de ouder/verzorger. Het verblijf is hier te karakteriseren als logeren als aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. De noodzaak tot eventuele behandeling wordt buiten de etmalen verblijf apart gewogen. Zie H7 ‘Gezond zijn en Gezond opgroeien’ van deze beleidsregels voor het afwegingskader. Bij verblijf gaat het om logeren in een instelling, als de zorg voor de jeugdige noodzakelijkerwijs gepaard gaat met permanent toezicht. Logeeropvang in een zorginstelling valt ook onder de wet. Een kind kan dan maximaal drie etmalen per week in een zorginstelling logeren. Dit geeft de mantelzorger(
- s)gelegenheid om even op adem te komen, zaken te regelen of aandacht te besteden aan eventuele andere kinderen. Inwoners die een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) hebben en inwoners met een tijdelijke behoefte aan medisch noodzakelijk verblijf komen niet voor logeren ingevolge de Jeugdwet in aanmerking, zij kunnen hiervoor een indicatie bij de Wlz of in geval van medisch noodzakelijk verblijf bij de Zorgverzekeringswet (Zvw) aanvragen. 6.5Wonen Onder ‘Wonen’ vallen alle vormen van wonen met begeleiding bij een jeugdhulpaanbieder. Binnen woongroepen kunnen er verschillen in de mate en intensiteit van begeleiding zijn. De behandelcomponent valt niet onder wonen met begeleiding. Als behandeling nodig is wordt hier een aparte indicatie voor afgegeven (ambulant). De gemeente gaat er hierbij vanuit dat er sprake is van een osmotische relatie, c.q. semipermeabele scheiding, tussen behandeling en begeleiding en dat er altijd sprake moet zijn van integrale samenwerking tussen de jeugdhulpaanbieders die het wonen met begeleiding en de ambulante behandeling bieden aan de jeugdige. Voor het tot stand komen van deze samenwerking is elke betrokken aanbieder verantwoordelijk. We onderscheiden drie verschillende vormen van Wonen (dat wil zeggen: wonen met begeleiding): Wonen met begeleiding (H6.5.1) Begeleid kamerwonen (H6.5.2) Ouder-/kindhuis (H6.5.3) 6.5.1Wonen met begeleiding Bij wonen met begeleiding dient er een stabiele plek te zijn met het perspectief om hier meerjarig te kunnen wonen. Dit om te voorkomen dat de jeugdige in een korte periode in (veel) verschillende woonvoorzieningen wordt geplaatst. Pleegzorg en gezinshuizen 34Zie H7.3.3 van deze beleidsregels. zijn voorliggend op de woonvormen, met de kanttekening dat afhankelijk van de jeugdige, de situatie en/of zwaarte van de problematiek, steeds moet worden gezocht naar de meest passende hulp. Onder Wonen met begeleiding wordt verstaan: wonen inclusief begeleiding van een jeugdige binnen een woongroep. Het gaat om jeugdigen met ontwikkelingsproblemen, cognitieve, psychische en/of gedragsproblemen die (nog) niet zelfstandig kunnen wonen en 24 uurs- toezicht nodig hebben. Dat wil zeggen dat er altijd begeleiders aanwezig zijn. Vaak zijn er vaardigheidsproblemen. Dit in combinatie met een onveilige of instabiele opvoed- en opgroei-omgeving en/of een verstoord evenwicht in draagkracht en draagvlak in de thuissituatie van de jeugdige. Het doel is om de jeugdige zo normaal mogelijk op te voeden en daarnaast professionele begeleiding te bieden met een systeemgerichte aanpak waar mogelijk. Onder Wonen met begeleiding valt het bieden van onderdak, de verzorging, een veilige pedagogische leefomgeving, de begeleiding en eventueel vervoer gedurende de etmalen dat de jeugdige op de groep verblijft (bijv. naar en van huisarts of vrijetijdsbesteding), en het zorgen voor structuur en regelmaat. Gezamenlijk met ouders en eventuele medehulpverleners stelt de jeugdhulp aanbieder een begeleidingsplan op waarin een helder toekomstperspectief is opgenomen, n voert deze uit. 6.5.2.Begeleid kamerwonen en ouder-/kindhuis Bij het begeleid kamer wonen en het ouder-/kindhuis gaat het om een kortere periode (doorgaans maximaal 2 jaar), waarbij het doel met name gericht is op het begeleiden van het gezin, en de jeugdige naar zelfstandigheid. Wanneer een jeugdige ook wordt behandeld, werkt de aanbieder samen met de betreffende behandelaar/therapeut. 35Zie H6.5 van deze beleidsregels. Een zinvolle dag invulling is essentieel in het leven van de jeugdige, en het werken hieraan is altijd onderdeel van het wonen. Het uitgangspunt is dat jongeren gewoon naar school gaan. Uitsluitend in de situaties waar dagbesteding in plaats van het onderwijs noodzakelijk is wordt hier een aparte module voor afgegeven. 36Zie H2.15.3 van deze beleidsregels. 6.5.2.1Begeleid kamer wonen (zelfstandigheidstraining) Hieronder wordt verstaan: het wonen op locatie van de jeugdhulpaanbieder of in woonruimte gefinancierd door de aanbieder, inclusief begeleiding van jeugdigen richting zelfstandigheid, c.q. zelfstandig wonen. Binnen de zelfstandigheidstraining wordt gericht gewerkt aan doelen die bijdragen aan de zelfstandigheid van de jeugdige. Startvoorwaarde voor de inzet van deze module is dat de jeugdige leerbaar is. En er vaardigheidsproblemen zijn die het zelfstandig wonen tijdelijk in de weg staan. Dit in combinatie met een onveilige of instabiele opvoed- en opgroei-omgeving en/of een verstoord evenwicht in draagkracht en draagvlak in de thuissituatie van de jeugdige. Als er sprake is van multiproblematiek, is de adressering overeenkomstig. De jeugdigen wonen in een appartement of kamer van de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder biedt het onderdak, de verzorging, een veilige leefomgeving en de begeleiding en eventueel vervoer gedurende de etmalen dat de jeugdige op de groep verblijft (bijv. naar en van huisarts of vrijetijdsbesteding). Deze jeugdhulpaanbieder biedt de begeleiding en is 24 uur per dag bereikbaar. Afhankelijk van het zelfstandigheidsniveau is er gedeeltelijk toezicht; 24 uurs-toezicht is niet altijd noodzakelijk. Wel moet er sprake zijn van een achtervang door een pedagogisch medewerker. Startvoorwaarde voor de inzet van de module is dat de jeugdige overdag zijn eigen dag invulling heeft (school, werk of dagbesteding). Er wordt door de jeugdhulpaanbieder gewerkt met een plan waaruit een helder toekomstperspectief voor de jeugdige blijkt, waaronder het vinden van zelfstandige huisvesting. Het perspectief van de jeugdige is dat hij/zij niet (weer) thuis gaat wonen. Zelfstandigheidstraining in de thuissituatie valt onder de module begeleiding. De duur van de trajecten kan variëren; dit is mede afhankelijk van de vaardigheidsproblemen van de jeugdige, het perspectief en de te bereiken doelen. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat de looptijd maximaal 2 jaar is en dat de minimale leeftijd normaal gesproken 16 jaar is. Voor alle trajecten geldt dat de aanbieder op tijd anticipeert op het bereiken van de 18-jarige leeftijd van de jeugdige. 6.5.2.2Ouder-/kindhuis (OKH) Het verblijf van de ouder en ondersteuning aan de ouder wordt in beginsel vergoed vanuit een Wet langdurige zorg (Wlz)-, of Beschermd wonen (Bw)- indicatie vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Indien de ouder jonger is dan 18 jaar, kan een beschikking op grond van de wet worden afgegeven voor wonen met begeleiding. 37Zie H6.5.1 van deze beleidsregels. Het krijgt alleen een beschikking voor verblijf (‘bed-bad-brood’), indien dit kind in het OKH beschikt over een zelfstandige woonruimte, en deze niet vergoed wordt vanuit een Wmo Bw- of Wlz-beschikking van de ouder. De jeugdhulpaanbieder biedt het onderdak van het kind, de verzorging en een veilige pedagogische leefomgeving. Belangrijk is het werken aan een helder toekomstperspectief voor ouder(
- s)en kind (het gezin). Een OKH is een woning waarin ouder(
- s)met kind(eren) met behulp van begeleiding zelfstandig kunnen wonen. Doel van een OKH is het versterken van de opvoedingsvaardigheden van ouder(s), zodat de veiligheid en de ontwikkeling van het kind geborgd is. De professionals die het gezin ondersteunen en/of een taak hebben de veiligheid van de kinderen te monitoren werken met het gezin aan een gezamenlijk perspectief. De ouder(
- s)worden ondersteund bij het aanleren van praktische vaardigheden en bij de opvoeding van hun kind(eren). Er wordt in de begeleiding gewerkt aan het leren omgaan met de eigen problematiek of beperking van de ouder(
- s)en het vergroten van hun zelfstandigheid. Mogelijke kenmerken van de situatie van de ouder zijn: Tienermoeders zonder netwerk of een kwetsbaar netwerk. Verwijzingen vanuit gemeente/voogd als de situatie thuis voor ouder en kind niet veilig is. Het is hiermee een onderdeel van het drang-/dwangtraject. Lukt het niet in het OKH dan kunnen de kind(eren) naar een pleeggezin gaan. Moeders met onverwerkte trauma’s. Moeders met LVB-problematiek. De moeder is dusdanig beperkt en/of getraumatiseerd, dat zij (tijdelijk) niet zelfstandig voor zichzelf en haar kinderen kan zorgen. Moeders met multiproblematiek. De duur van de trajecten kan variëren; dit is mede afhankelijk van het perspectief en de doelen. Verblijf in een OKH duurt gemiddeld tussen de 6 maanden en maximaal 2 jaar. 7.Gezond zijn en Gezond opgroeien 7.1Inleiding (Gezins)behandeling omvat door een jeugdhulpaanbieder te verlenen behandeling van specifiek medische, gedragswetenschappelijke of paramedische aard, gericht op het herstel of de voorkoming van verergering van een psychische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke beperking, waaronder het voorkoming van verergering van gedragsproblemen. De behandeling is gericht op herstel of het voorkomen van verergering van gevolgen/complicaties van de aandoening of het ontstaan van een met de aandoening gerelateerde stoornis, al dan niet door het aanleren van vaardigheden/gedrag. Om in aanmerking te komen voor behandeling moet op basis van informatie van de behandelaar zijn vastgesteld, dat er een noodzaak is voor: continue, systematische, langdurige en multidisciplinaire zorg (CSLM), of; behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van vaardigheden of gedrag met een specifieke aanpak, of; aanvullende functionele diagnostiek, of; consultatie door een behandelaar, of; medebehandeling door een behandelaar op verzoek van een huisarts of medisch specialist. Behandeling kan binnen de wet alleen plaatsvinden voor psychische of psychiatrische aandoeningen of beperkingen, of voor verstandelijke beperkingen en niet voor somatische aandoeningen. Behandeling wordt niet toegewezen als de opvoedsituatie structureel onveilig is. Nadat behandeling 2 maal is ingezet (dat wil zeggen: 1 maal verlengd) en er wordt opnieuw verzocht om verlenging, zal de gemeente behandeling alleen toewijzen wanneer hierover het advies van De Toegang of de regiegroep 38Zie H2.15.1 van deze beleidsregels. is betrokken. 7.2.1Basis GGZ en Specialistische GGZ (Gezond zijn) Ambulante generalistische basis Geestelijke gezondheidszorg en specialistische Geestelijke gezondheidszorg is er vanuit de wet voor jeugdigen tot 18 jaar. In deze module gaat het om jeugdhulp die door de gemeente is ingekocht (al dan niet met een cliëntgebonden overeenkomst), dan wel conform artikel 8.1.1 van de wet met een PGB bij derden kunnen worden ingekocht bij vrijgevestigde aanbieders (met een vastgesteld kwaliteitsstatuut voor vrijgevestigden) en instellingen (met een vastgesteld kwaliteitsstatuut voor instellingen). 7.2.2Specialistische GGZ-instellingen (Gezond zijn) Specialistische Geestelijke gezondheidszorg wordt op grond van de wet geleverd door instellingen voor jeugdigen tot 18 jaar en hun ouders met ernstige of zeldzame psychische problematiek die zich meestal uit op meerdere levensgebieden en heeft geleid tot een stagnatie in de ontwikkeling van de jeugdige. In de meeste situaties leiden deze problemen ook tot opvoedingsproblemen of tot een verstoring van de relatie tussen de jeugdige en de gezinsleden. Het gaat om forse psychiatrische problemen bij de jeugdigen. Er worden meer dan 2 professionals en meerdere disciplines binnen één instelling ingezet bij de jeugdigen. De gemeente heeft contracten met de instellingen die als aanbieder van zeer specialistische GGZ worden aangemerkt. Deze vorm van zorg kan ook door de gemeente worden ingekocht met een zogenoemde cliëntgebonden overeenkomst, of conform artikel 8.1.1 van de wet door middel van een PGB bij derden. 7.2.3Vaktherapie (Gezond zijn) Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de vaktherapeutische disciplines; beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie. Vaktherapie is een behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Het non-verbale en ervaringsgerichte karakter van vaktherapie maakt het bijzonder geschikt voor kinderen en jeugdigen, die nog onvoldoende vaardigheden tot hun beschikking hebben om uiting te kunnen geven aan hun problemen of niet over hun problemen willen praten. Het doel van vaktherapie is enerzijds klachtgericht, namelijk om cliënten te ondersteunen om lichamelijke, verstandelijke, psychische, psychosomatische, psychosociale of psychiatrische problematiek op te heffen, te verminderen of te accepteren en om terugval en hernieuwde klachten zoveel mogelijk te voorkomen. Anderzijds is het doel van vaktherapie persoonsgericht, namelijk om het welbevinden en de kwaliteit van leven en de persoonlijke ontwikkeling van de cliënt te bevorderen. Bij vaktherapie worden (bewezen) effectieve interventies ingezet. Soms is vaktherapie onderdeel van een multidisciplinaire behandeling. Indien dat het geval is kan de vaktherapie ook onderdeel uit maken van andere modules. Vaktherapeuten bieden vroegonderkenning, preventie, training, ondersteuning, observatie, behandeling en een bijdrage aan diagnostiek. Door de inzet van vaktherapie wordt naar verwachting specialistische zorg beperkt of voorkomen. De gemeente heeft contracten met de instellingen die als aanbieder van vaktherapie worden aangemerkt. Deze vorm van zorg kan ook door de gemeente worden ingekocht met een zogenoemde cliëntgebonden overeenkomst, of conform artikel 8.1.1 van de wet door middel van een PGB bij derden. Afbakening met de Zvw. Vaktherapie kan mogelijk vergoed worden uit de aanvullende ziektekostenverzekering. De aanvullende verzekering hoeven ouders niet af te sluiten. Maar op het moment dat ouders deze verzekering hebben, is dit voorliggend. Als enkel daaruit de therapie kan worden vergoed, dan vallen de overige behandelingen onder de jeugdhulp, uitgevoerd door de (gecontracteerde) jeugdhulpaanbieders. 7.2.4Kinderdienstencentrum (KDC) (Gezond zijn) Het KDC biedt dagbehandeling aan kinderen met een achterstand in hun ontwikkeling en aan kinderen met een verstandelijke of meervoudige beperking. De kinderen die van de inzet van de module KDC gebruik maken hebben een ontwikkelachterstand en zullen in sommige gevallen geen perspectief hebben op een volledig zelfstandig leven. De grondslag voor de inzet van de module KDC is (een sterk vermoeden van) cognitieve problematiek. De module KDC die op basis van de wet (anders dan de Wet langdurige zorg) wordt ingezet is er voor kinderen: die (nog) niet naar school kunnen; waarbij er, naast een ontwikkelingsachterstand meestal een vermoeden is van bijkomende problematiek (DSM-5, psychosomatisch en/of medisch); waarbij er nog veel geobserveerd, onderzocht, en geprobeerd moet worden; waarbij de focus ligt op schoolvoorbereiding; waarbij er intensief gewerkt wordt, in kleine groepjes; waarbij op maat individuele begeleiding en behandeling (door (gedragswetenschapper, jeugdarts, logopedist, fysiotherapeut, muziektherapeut, speltherapeut en/of andere therapeuten) ingezet wordt om tot ontwikkeling te komen; waarbij voortdurend oog is voor de veiligheid van het kind en het gezin; waarvan de ouders vaak ondersteuning nodig hebben om thuis aan de ontwikkeling en gedragsverandering te werken. Dagbehandeling op het KDC duurt vaak 2 tot 3 jaar. Hierna kunnen kinderen naar school, meestal naar een vorm van Speciaal Onderwijs. Wanneer kinderen niet naar school kunnen en op het KDC blijven, wordt zo spoedig mogelijk een aanvraag gedaan in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). De Wlz is voorliggend aan de wet. De jeugdhulpaanbieder draagt zorg voor goed onderbouwd dossier bij de aanvraag van Wlz. De jeugdhulpaanbieder begeleidt in het aanvraagtraject Wlz ook de ouders. Wanneer het kind leerplichtig is of de leerplichtige leeftijd bereikt, moet altijd de leerplichtambtenaar betrokken te zijn of worden. Begeleiding/behandeling door het KDC betrekt zich op maximaal 2 dagdelen per dag. Onder dagdelen wordt in dit verband verstaan: de opvang onder reguliere schooltijden, die bestaat uit een (dagelijks) ochtendprogramma en een middagprogramma. Begeleiding/behandeling in de thuissituatie wordt ingezet vanuit deze module, als dit nodig is voor het bereiken van de doelen. Het gaat dan om het vertalen van de behandeling/begeleiding in de thuissituatie. Over de voor- en naschoolse opvang moeten in dit verband andere afspraken gemaakt worden. In beginsel is dit opvang die ouders zelf moeten organiseren en financieren. Als dit niet mogelijk is gelet op de problematiek van het kind, kan dit vanuit de module KDC ingezet worden. Als er geen sprake is van een (ernstig vermoeden van) cognitieve beperking, dan moet er doorverwezen worden naar het samenwerkingsverband passend (primair) onderwijs. En in ieder geval dient bij een jeugdhulpoplossing het samenwerkingsverband te zijn betrokken. 7.2.5Verblijf met behandeling (Gezond zijn) Verblijf met behandeling kan gaan om vormen van gezinsbehandeling, behandelgroepen, maar ook om zogenoemde 3-milieuvoorzieningen. Het behandeltraject moet worden afgestemd op de persoonlijke situatie en mogelijkheden van de jeugdige en het netwerk (dat in bredere termen moet worden begrepen dan breder dan alleen de ouders). Het uitgangspunt is dat wat thuis kan, daar ook gedaan wordt. Dus ambulant wat kan, residentieel wat nodig is. Het perspectief voor de jeugdige wordt evident, waarbij problematiek en levensfase wordt onderscheden. Als na afloop van de behandeling terugkeer naar huis (of het netwerk) niet mogelijk is, zijn een pleeggezin of een gezinshuis met verblijf de meest voor de hand liggende alternatieven. Motivatie, probleembesef, draaglast en –kracht, en behandelplafond zijn onderdeel van het traject. Ook schoolloopbaan en perspectief duidelijk zijn. De gemeente zet alleen verblijf met behandeling in als dit naar verwachting een meerwaarde heeft voor de jeugdige. Dat wil zeggen: na de behandeling is er een beter en helderder perspectief voor de jeugdige (dan bij de start van het verblijf met de behandeling), bijvoorbeeld om weer deel te kunnen nemen aan onderwijs. Er moet altijd regie ingezet worden vanuit de gemeentelijke toegang of de GI als er sprake is van verblijf met behandeling. 39Zie ook H2.1; 2.1.2 van deze beleidsregels. 7.3.1Ambulante gezinsbehandeling (inclusief echtscheidingsproblematiek) Deze zorg heeft onder andere betrekking op opvoedvaardigheden van ouders, gedragsproblematiek als gevolg van omgevingsfactoren en de consequenties van (v)echtscheidingen. De interventie op grond van dit resultaatgebied wordt altijd gepleegd vanuit het gezinsperspectief. Deze interventie heeft zowel betrekking op de ondersteuning van ouders als de jeugdige zelf. Soms zijn jeugdigen nog zo jong dat niet vastgesteld kan worden of ze een beperking hebben. In sommige situaties hebben ouders een beperking, waardoor ze belemmeringen ondervinden bij het opvoeden. Het kan echter ook gaan om ouders zonder beperking. Ook dan kan deze interventie ingezet worden voor de ondersteuning van ouders en/of de jeugdige. Het gaat bij ambulante gezinsbehandeling (inclusief echtscheidingsproblematiek) altijd om systemische opvoedondersteuning in de vorm van behandeling. Als het een systemische begeleidingsvraag betreft valt het niet onder ambulante gezinsbehandeling, maar onder ambulante begeleiding. 40Zie H6.1–3 van deze beleidsregels Het gaat om milde enkelvoudige problematiek, ernstig enkelvoudige problematiek of milde meervoudige problematiek waarbij de ondersteuning niet multidisciplinair hoeft te worden aangeboden. Waar nodig is er wel afstemming/overleg met andere betrokkenen rondom het gezin/ jeugdige. De behandelaar richt zich afhankelijk van de hulpvraag op: hulp en behandeling bij het verminderen dan wel stabiliseren van problematiek en verbeteren van het functioneren van de jeugdige en het gezin; versterken vaardigheden opvoeders; het in kaart brengen en waarborgen van de veiligheid; het beïnvloeden van kindfactoren zodat de jeugdige zich zo leeftijdsadequaat mogelijk ontwikkelt en functioneert; het verminderen van de lijdensdruk van de jeugdige; het vergroten van het inzicht van opvoeders en betrokkenen in de kindfactoren van de jeugdige, het eigen gedrag en de manieren om het gedrag te hanteren, en de ontwikkeling optimaal te stimuleren; het mobiliseren van steun uit het netwerk De gemeenten heeft een aantal partijen gecontracteerd die intensieve ambulante gezinsbehandeling kunnen bieden. Deze vorm van zorg kan ook door de gemeente worden ingekocht met een zogenoemde cliëntgebonden overeenkomst, of conform artikel 8.1.1 van de wet door middel van een PGB bij derden. Als de rechtbank een uitspraak doet over echtscheidingsproblematiek, is dit meestal niet vanuit het strafrecht. In dat geval hoeft de gemeente de uitspraak van de rechtbank niet op te volgen wat betreft jeugdhulpaanbieder. De gemeente mag in dat geval het besluit opvragen bij de zorgaanbieder of de ouders, en aan de hand daarvan beslissen of de uitspraak wordt gevolgd voor zover het de jeugdhulpaanbieder betreft of dat de gemeente nader onderzoek doet of wil laten doen. Slechts wanneer de rechtbank een uitspraak doet vanuit het (jeugd)strafrecht of een In alle andere gevallen spreekt de rechtbank vaak de wens of het advies uit dat ouders een traject in gaan, en bij een specifieke aanbieder, echter is dit niet bindend. 7.3.2Intensieve ambulante gezinsbehandeling Intensieve ambulante gezinsbehandeling is er voor jeugdigen met ernstige meervoudige problematiek die een multidisciplinaire inzet vraagt. Deze module heeft onder andere betrekking op opvoedvaardigheden van ouders, gedragsproblematiek als gevolg van omgevingsfactoren en de consequenties van (v)echtscheidingen. Deze interventie wordt altijd ingezet vanuit het gezinsperspectief. Het gaat hierbij om systemische opvoedondersteuning in de vorm van behandeling (als het een systemische begeleidingsvraag betreft valt het niet onder ambulante gezinsbehandeling, maar onder ambulante begeleiding). De gemeenten heeft een aantal partijen gecontracteerd die intensieve ambulante gezinsbehandeling kunnen bieden. Deze vorm van zorg kan ook door de gemeente worden ingekocht met een zogenoemde cliëntgebonden overeenkomst, of conform artikel 8.1.1 van de wet door middel van een PGB bij derden. 7.3.3Gezinshuizen Gezinshuizen betreft ook een vorm van Wonen. 41Zie H6.5 van deze beleidsregels. Binnen elke gemeente zijn er kinderen en jongeren die om verschillende redenen niet thuis kunnen blijven wonen. Voor sommige van hen is er meer nodig dan een pleeggezin: er is professionele begeleiding nodig. Over het algemeen zijn jeugdigen het beste af als zij binnen een gezinsverband kunnen opgroeien. Plaatsing in een gezinshuis biedt dan een oplossing. De jeugdige wordt opgevangen in een gezin waar hij of zij 24-uurs professionele jeugdhulp ontvangen. Soms voor korte, soms voor langere tijd. Zo kan de jeugdige in de vertrouwde omgeving blijven wonen en naar school blijven gaan. In een gezinshuis wonen gemiddeld 3 tot 6 uithuisgeplaatste jeugdigen samen met de gezinshuisouders (en hun eigen kinderen), in een normaal huis in een gewone buurt. Deze ouders zijn de vaste opvoeders en vormen de vaste basis. Zij bieden naast veiligheid en rust ook professionele begeleiding en t