← Nederland

Legger van de boezemwateren (Hoogheemraadschap van Rijnland)

Kort samengevat

Deze wet beschrijft de "legger van de boezemwateren", een register van alle boezemwateren in het gebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, inclusief hun afmetingen, onderhoudsverantwoordelijkheden en -verplichtingen. Het doel is om goed en zorgvuldig onderhoud van deze wateren te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Legger van de boezemwaterenLegger van de boezemwateren 1. Toelichting De legger van de boezemwateren bestaat uit de volgende documenten: 1. Hoofddocument (deze nota)met hierin overzichtelijk weergegev

en alle noodzakelijke informatie van alle boezemwateren, inclusief overzichtskaarten. Het hoofddocument bestaat naast een toelichting uit de volgende drie katernen, te weten: Katern hoofdstelsel; Katern regionaalstelsel; Katern lokaalstelsel; 2. Achtergronddocumentwaarin staat hoe de nieuwe legger tot stand is gekomen en welke criteria en rekenmethodieken zijn gebruikt; Alle leggergegevens zijn tevens vastgelegd in het Rijnlandse Geografische Informatie Systeem (GIS). 1.1 De boezem Het hoogheemraadschap van Rijnland verzorgt het waterbeheer in een gebied van ca. 100.000 ha dat globaal wordt begrensd door de steden Haarlem, Amsterdam, Gouda en Den Haag. In het beheersgebied liggen ca. 170 polders met een totaal oppervlak van ca. 72.000 ha. Daarnaast is er ca. 15.000 ha vrijafstromend boezemland. De polders en het boezemland zijn voor de wateraanvoer, voornamelijk in de zomer, en de waterafvoer, voornamelijk in de winter, afhankelijk van het Rijnlandse boezemstelsel (oppervlak ca. 4.500 ha). De duinen ten slotte beslaan een oppervlak van ca. 8.000 ha. De Rijnlandse boezem bestaat uit een stelsel van meren, kanalen, watergangen en sloten die met elkaar in open verbinding staan. Rijnland handhaaft het peil in de boezem op ca. NAP –0,60 m. Verder dient het boezemstelsel voor de ontvangst van effluent van de rioolwaterzuiveringen en als afvoersysteem van het water uit de regio Woerden (beheersgebied van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden). 1.2 Wat is een legger Kort samengevat is de legger een register, waarin Rijnland alle boezemwateren beschrijft. Door aanslibben en de groei van waterplanten kan de wateraan- en afvoer in de boezemwateren worden belemmerd. Hiervoor is regelmatig onderhoud nodig. Om er voor te zorgen dat het onderhoud goed en zorgvuldig wordt uitgevoerd heeft Rijnland de legger opgesteld. Daarin staan: De afmetingen waaraan de boezemwateren moeten voldoen; Welke persoon of instantie verantwoordelijk is voor het onderhoud (de zogenaamde onderhoudsplichtigen); Wat de onderhoudsplichtigen precies voor onderhoud moeten uitvoeren (de zogenaamde onderhoudsverplichtingen); Zo een register wordt officieel een legger genoemd. Naast een legger voor de boezemwateren heeft Rijnland ook een legger voor de waterkeringen opgesteld. Bij het bepalen van de leggerafmetingen gaat Rijnland uit van de criteria en randvoorwaarden zoals deze zijn voorgeschreven in de nota “Beoordelingscriteria Watergangen” (BCW). Naast de waterkwantiteitscriteria, zoals het maximale toelaatbare verval, de maximale stroomsnelheid etc, spelen ook de waterkwaliteitscriteria een belangrijke rol. Verder houdt de legger rekening met diverse andere aspecten, zoals beheer & onderhoud en de stabiliteit van onderwatertaluds. 1.3 De procedure Rijnland is op grond van de Waterschapswet ook verplicht een legger van de boezemwateren op te stellen. Rijnland had al een legger van de boezemwateren (vastgesteld in 1988) maar aangezien deze legger verouderd en onvolledig is, is deze legger geactualiseerd. Een legger bestaat uit kaarten en een boekwerk waarin de onderhoudsverplichtingen en onderhoudsplichtigen gedetailleerd zijn weergegeven. Dit voorkomt dat meningsverschillen ontstaan. Als dat toch gebeurt, is de legger een bewijsmiddel dat een rol kan spelen bij juridische uitspraken. Daarom moet de vaststelling van een legger een inspraakprocedure doorlopen. Belanghebbenden krijgen dan de gelegenheid om te controleren of alle gegevens goed zijn opgenomen in de legger. Zonodig kunnen zij bezwaar indienen. 1.4 Reglement, keur en legger De regelgeving voor Rijnland is vastgelegd in verordeningen. In deze verordeningen zijn de procedures geregeld waaraan de burger en het hoogheemraadschap van Rijnland zich moeten houden. De verordeningen beschrijven wat wel en vooral niet mag. Voor de legger zijn het reglement en de keur van belang. In het reglement van Rijnland zijn de taken en verplichtingen van het waterschap beschreven. In de keur van Rijnland zijn deze taken en verplichtingen nader uitgewerkt in ge- en verbodsbepalingen ten aanzien van de waterhuishoudkundige infrastructuur. Op basis van de algemene omschrijvingen uit het reglement worden in de legger de onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen nader geconcretiseerd. Reglement, keur en legger liggen duidelijk in elkaars verlengde. Wijzigingen in normen en onderhoudsverplichtingen zullen dan ook in veel gevallen gevolgen hebben voor deze drie regelingen. 1.5 Belangrijkste aandachtspunten In het volgende overzicht staan de belangrijkste aanpassingen van de nieuwe legger ten opzichte van de 1988- legger weergegeven: Alle boezemwateren, van het grootste meer tot de kleinste sloot, zijn nu in de legger opgenomen; Van alle boezemwateren zijn op grond van de criteria en randvoorwaarden uit nota “Beoordelingscriteria Watergangen” opnieuw de leggerafmetingen bepaald; Voor het hoofdstelsel is in nauwe samenwerking met het ingenieursbureau HKV een wiskundige optimalisatietechniek ontwikkeld waarmee systematisch kon worden gezocht naar de meest optimale afmetingen voor de watergangen. Vanwege beperkte rekencapaciteit kon deze techniek niet voor het regionale- en lokale stelsel worden toegepast. Voor deze boezemwateren is een aparte pragmatische rekenmethodiek ontwikkeld; Naast waterkwantiteit speelt ook de waterkwaliteit een grote rol; De legger houdt rekening met diverse ontwikkelingen zoals, toename neerslag, uitbreiding capaciteit boezemgemaal Katwijk etc.; Nieuw in de legger is de zogenaamde ingreepmaat. Deze maat geeft de minimaal vereiste waterdiepte aan. Indien de baggerlaag op de ingreepmaat komt, moet er ingegrepen (gebaggerd) worden. In de praktijk zal dus gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat, om te voorkomen dat de minimale diepte wordt overschreden. De diepte tot waar gebaggerd moet worden, de zogenaamde onderhoudsmaat, wordt bepaald door bedrijfseconomische redenen en de snelheid waarmee een watergang verondiept. De huidige typering (volgens de 1988-legger) van de leggermaat als een diepste maat vervalt daarmee; Aangezien Rijnland geen vaarwegbeheerder is, is in de nieuwe legger expliciet geen rekening gehouden met de eisen en wensen van de scheepvaart. Die verantwoordelijkheid ligt bij de vaarwegbeheerder. Voor de recreatieve scheepvaart geldt dat deze kan meeliften op de leggerafmetingen van Rijnland, maar Rijnland is als waterstaatkundig beheerder niet verantwoordelijk voor het op diepte houden van wateren voor de (recreatieve) scheepvaart; In de 1988-legger berust de onderhoudsplicht van een aantal primaire boezemwateren bij derden. Vanwege het belang van deze wateren voor de waterhuishouding wil Rijnland het buiten gewoon onderhoud (baggeren) en het gewone onderhoud (maaien, schonen etc.) van alle primaire boezemwateren op zich nemen. Ten aanzien van de primaire boezemwateren behorende tot het hoofdstelsel zijn hierover met de betreffende instanties in het verleden al afspraken gemaakt. Ten aanzien van de primaire boezemwateren behorende tot het regionale stelsel zal hierover in de loop van 2004 contact worden gezocht met de betreffende instanties en Kadastrale Eigenaren; 1.6 Leeswijzer Het hoofddocument is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1: Algemene toelichting; Hoofdstuk 2: Korte omschrijving van de belangrijkste leggeronderdelen. Dit hoofdstuk kan worden beschouwd als een “quick reference guide”. Katern 1: Overzicht van alle primaire boezemwateren behorende tot het hoofdstelsel; Katern 2: Overzicht van alle primaire boezemwateren behorende tot het regionalestelsel; Katern 3: Overzicht van alle secundaire boezemwateren behorende tot het lokalestelsel; In deze nota worden veelvuldig de termen “1988-legger” en “nieuwe legger” toegepast. “1988-legger” duidt de legger aan die is vastgesteld in 1988 en van kracht blijft tot de vaststelling van de “nieuwe legger” in 2004. De nieuwe legger maakt gebruik van de nieuwe indeling in primaire- en secundaire boezemwateren, zoals is vastgesteld in het Reglement van 1995. De indeling in primaire-, secundaire- en tertiaire boezemwateren, zoals toegepast in de 1988-legger, komt hiermee dan ook te vervallen. Tevens wordt een nieuwe subcategorie geïntroduceerd te weten: hoofdstelsel, regionaalstelsel, lokaalstelsel, voor een toelichting zie hoofdstuk 2. 2. Leggergegevens 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt in het kort weergegeven welke gegevens in de legger van de boezemwateren zijn vastgelegd. Voor een uitgebreide onderbouwing wordt verwezen naar het achtergronddocument. In het hoofddocument liggen de volgende gegevens vast. Vastliggende gegevens in hoofddocumentLeggernummer naam boezemwater functie sub-catergorie referentiepeil t.o.v. NAP lengte m gemiddelde breedte m waterdiepte m bodemdiepte m t.o.v. NAP taluds diepte naast oever m onderhoudsplichtigen opmerkingen RL-1234 Voorbeeld watergang Primair regionaal stelsel -0.60 504 15.00 2.00 -2.60 1: 2 0.00 HH van Rijnland 2.2 Leggernummer Het identificatienummer van het betreffende boezemwater. In de 1988-legger kon aan de hand van het leggernummer worden geïdentificeerd wat voor functie een boezemwater had (primair, secundair of tertiair). Door de wijziging van de systematiek van primaire-, secundaire en tertiaire wateren, heeft het leggernummer in de nieuwe legger geen functie meer. Het leggernummer is in de nieuwe legger dan ook niets meer of minder dan een volgnummer. 2.3 Naam boezemwater Naam van het betreffende boezemwater. Deze gegevens zijn overgenomen uit de 1988-legger. Alle namen zijn gecontroleerd aan de hand van de topografische kaart en diverse andere bronnen. 2.4 Functie Op basis van het Reglement moet worden aangegeven of een boezemwater een primaire of secundaire functie heeft. Primaire boezemwateren Dit zijn alle grote boezemkanalen en meren die dienen als aan- en afvoerweg naar de boezemgemalen, de boezemwateren met een belangrijke transport en bergende functie en de boezemwateren met een regionale functie waarop een poldergemaal uitslaat of waar zich een belangrijke inlaat van een polder bevindt. De onderhoudsplicht van primaire boezemwateren berust in principe bij Rijnland. Secundaire boezemwateren Deze wateren hebben een lokale transportfunctie en/of dienen een zekere drooglegging te geven. De onderhoudsplicht van secundaire boezemwateren berust in principe bij de kadastrale eigenaren. 2.5 Subcategorie Om de boezemwateren, net als in de 1988-legger, ook in de nieuwe legger op hun waterstaatkundige belang te kunnen beoordelen is een subcategorie geïntroduceerd, te weten hoofdstelsel, regionaalstelsel en lokaalstelsel. Voorbeeld Het Spaarne is één van de hoofdaders (breedte 40 – 90

  1. m)van het boezemstelsel en draagt zorg voor de afvoer van het wateroverschot uit noord-west Rijnland naar het boezemgemaal Spaarndam. De voorboezem van polder Steekt is een smal boezemwater (breedte 7
  2. m)dat alleen zorg draagt voor de afvoer van water van een poldergemaal. Beide boezemwateren worden in de nieuwe legger als “primair” aangeduid, terwijl ze waterstaatkundig gezien verschillende functies vervullen. Hoofdstelsel Alle grote boezemkanalen en meren die dienen als aan- en afvoerweg naar de boezemgemalen en de boezemwateren met een belangrijke transport en bergende functie; Regionaalstelsel De boezemwateren met een regionale functie waarop een poldergemaal uitslaat of waar zich een belangrijke inlaat van een polder bevindt; Lokaalstelsel Deze boezemwateren hebben een lokale transportfunctie en ontwaterende functie en/of dienen een zekere drooglegging te geven; In de onderstaande tabel zijn de diverse verbanden weergegeven: Verbanden subcatergoriën stelselsFunctie indeling op basis van Reglement subcatergorie op basis van waterstaatkundig belang onderhoudsplicht Primaire boezemwateren Primaire boezemwateren secundaire boezemwateren hoofdstelsel regionaal stelsel lokaal stelsel Rijnland Rijnland derden 2.6 Referentiepeil Hoogte van het gemiddelde waterpeil, uitgedrukt in meters ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP). Voor de boezem is het referentiepeil over het algemeen NAP –0,60 m. Het referentiepeil is onder andere van belang om op basis van de vereiste waterdiepte de hoogteligging van de onderwaterbodem te kunnen bepalen. Er zijn echter boezemwateren waarvan het gemiddelde waterpeil op een ander niveau ligt, met name hoger gelegen boezemwateren, onderbemalingen en duinrellen. Het gemiddelde waterpeil of referentiepeil van deze boezemwateren is in een aantal gevallen nog niet bekend. Indien dit het geval is, is de term “UNSET” ingevoerd (verplichte GIS-code bij ontbrekende gegevens). De ontbrekende referentiepeilen zullen in het kader van het peilbesluit worden bepaald. Zodra deze gegevens bekend zijn, zullen ze in de legger worden opgenomen. 2.7 Lengte De lengte van het betreffende boezemwater, uitgedrukt in meters. De hartlijnen van alle boezemwateren zijn in het Rijnlandse GIS-systeem ingevoerd. Aan de hand van deze hartlijnen konden de exacte lengtes van de boezemwateren worden berekend. Bij de meren en plassen kon geen gebruik gemaakt worden van de hartlijnen, aangezien de hartlijnen langs de oevers zijn gelegd. Bij de meren en plassen is voor het bepalen van de lengtes gebruik gemaakt van de topografische kaart. 2.8 Breedte Gemiddelde breedte van het betreffende boezemwater op het referentiepeil, uitgedrukt in meters. Rijnland heeft in haar dempingenbeleid vastgelegd dat boezemwateren in principe niet mogen worden gedempt. De oorspronkelijke geometrie van de boezemwateren mag dus niet gewijzigd worden. Deze geometrie is vastgelegd in de legger. In het hoofddocument kan voor wat betreft de breedte van een boezemwater echter onvoldoende detail worden vastgelegd. De weergegeven breedtematen zijn dan ook geen “vereiste breedtes” of on twerp- parameters, maar slechts een weergave van de gemiddelde breedte. De gemiddelde breedte is in principe gebaseerd op de gemeten profielen uit het meetprogramma. In werkelijkheid varieert de breedte van een watergang altijd. Bij een aantal wateren is deze variatie beperkt (slechts enkele decimeters), terwijl bij andere wateren, zoals meren en plassen, de variatie groot kan zijn (tientallen meters). Voor de werkelijke breedte van een watergang op een bepaalde locatie wordt verwezen naar de leggerprofielen in het Rijnlandse GIS systeem. Bij het vaststellen van de nieuwe legger is een aantal boezemwateren, met name lokale boezemwateren, nog niet ingemeten. Totdat deze gegevens beschikbaar komen, is de gemiddelde breedte gebaseerd op de Grootschalige BasisKaart Nederland (GBKN). Uit een vergelijking tussen gemeten profielen en de GBKN blijkt dat de GBKNbreedte maximaal 5 % afwijkt van de gemeten profielen. 2.9 Waterdiepte Vereiste minimale waterdiepte, uitgedrukt in meters. Bij het bepalen van de minimale waterdiepten is uitgegaan van de criteria en randvoorwaarden zoals deze zijn voorgeschreven in de nota “Beoordelingscriteria Watergangen” (BCW). Naast de waterkwantiteitscriteria, zoals het maximale toelaatbaar verval, de maximale stroomsnelheid etc, spelen ook de waterkwaliteitscriteria een belangrijke rol. Daarnaast wordt rekening gehouden met diverse andere aspecten, zoals beheer en onderhoud en stabiliteit onderwatertaluds. Voor een uitgebreide onderbouwing zie de hoofdstukken 5 en 6 van het achtergronddocument. Conform de nota BCW is de in de legger weergegeven waterdiepte een zogenaamde ingreepmaat. Deze maat geeft de minimaal vereiste waterdiepte aan. Indien de baggerlaag op de ingreepmaat komt, moet er ingegrepen (gebaggerd) worden. In de praktijk zal dus gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat, om te voorkomen dat de minimale diepte wordt overschreden. De diepte tot waar gebaggerd moet worden, de zogenaamde onderhoudsmaat, wordt bepaald door bedrijfseconomische redenen en de snelheid waarmee een watergang verondiept. De huidige typering (volgens de 1988-legger) van de leggermaat als een diepste maat vervalt daarmee. Duinrellen Een aparte groep vormen de duinrellen. Een duinrel is een natuurlijke afwatering van grond- en regenwater uit de duinen. Doordat deze wateren niet gestuwd zijn, maar onder vrij verval naar de rest van de boezem afstromen, is het niet zinvol hier een bepaalde minimale waterdiepte te eisen. De in de legger weergegeven waterdiepten bij duinrellen zijn dan ook slechts indicatief. Wel moet er voor worden gezorgd dat het bestaande profiel, dat in droge perioden (deels) droog kan komen te staan, gegarandeerd blijft, zodat de waterafvoer niet kan worden belemmerd. Voor de duinrellen geldt dat het gemeten profiel het leggerprofiel wordt. Momenteel is niet bekend welke boezemwateren duinrel zijn, deze zullen in het kader van het peilbesluit worden geïnventariseerd. Zodra de gegevens bekend zijn, zullen ze in de legger worden opgenomen. Als een boezemwater (deels) een duinrel is, dan wordt dit in de kolom “opmerkingen” aangegeven. Meren en plassen Ook de meren en plassen vormen een aparte groep. Meren zijn dermate complex dat het niet mogelijk is in de legger de gewenste minimale inrichtingscriteria vast te leggen. De weergegeven afmetingen zijn dan ook slechts indicatief. De gewenste inrichtingscriteria dienen in een gebiedsgericht project te worden bepaald. De weergegeven waterdiepte is de gemeten gemiddelde waterdiepte, lokaal kan de waterdiepte flink afwijken. Van het Valkenburgsemeer en de Vlietlanden zijn nog geen meetgegevens voorhanden. Aangezien hier nog regelmatig zand wordt gewonnen is het nog niet zinvol deze meren in te meten. Voor verdere toelichting zie paragraaf 5.4.3 van het achtergronddocument. Kabels en leidingen In een aantal gevallen wordt ten opzichte van de 1988-legger een diepere waterdiepte geëist. Dit kan gevolgen hebben voor kabels en leidingen. Als dit het geval is, is dit in de kolom “opmerkingen” vermeld. Voor nadere onderbouwing zie hoofdstuk 11 van het achtergronddocument. Minimale afmetingen Op basis van de diverse criteria zijn bij het opstellen van de leggerafmetingen de volgende minimale waterdieptematen gehanteerd. Indien een diepere waterdiepte is vereist, voor bijvoorbeeld de wateraan- en afvoer, dan is deze diepere waterdiepte in de legger opgenomen. minimale waterdieptematenStelsel minimale waterdiepte hoofdstelsel regionaalstelsel lokaalstelsel meren en plassen 1.00 m 1.00 m Indien breedte <5 m dan waterdiepte 0.50m. Anders 0.75m. werkelijke diepte Smalle boezemwateren kunnen, in verband met het vereiste talud, niet aan de bovenstaande minimale waterdiepten voldoen. Voor deze “smalle” wateren geldt het volge nde: breedte / dieptematen lokaalstelselbreedte in m diepte in m talud bodembreedte < 1.50 >1,50 - 3,00 > 3,00 - 5,00 > 5,00 1/3 breedte 0,50 0,50 0,75 1:1,5 1:1,5 - 1:3 1:3 1:3 0 0 >0 >0 breedte / dieptematen regionaalstelsel/ hoofdstelselBreedte in m diepte in m Talud bodembreedte < 1,50 > 1,50 - 3,00 > 3,00 - 3,75 > 3,75 - 5,00 > 5,00 - 6,00 > 6,00 1/3 breedte 0,50 0,75 0,75 1,00 1,00 1:1,5 1:1,5 - 1:3 1:2 1:2,5 1:2,5 1:3 0 0 >0 >0 >0 >0 2.10 Bodemdiepte (ingreepmaat) Hoogteligging van de onderwaterbodem, uitgedrukt in meters ten opzichte van NAP. Bodemdiepte = referentiepeil – waterdiepte. 2.11 Talud Helling van de onderwatertaluds, uitgedrukt in hoogte ten opzichte van de aanlegbreedte. In de legger zijn voor de verschillende typen boezemwateren de volgende taluds toegepast. taluds voor verschillende boezemwaterentaluds Hoofdstelsel Regionaalstelsel Lokaalstelsel Meren en plassen 1:2,5 1:3 1:3 1:20 Als uit berekeningen bleek dat de wateraan- en afvoer problemen op zou kunnen leveren en de waterdiepte inverband met de geringe breedte niet meer kon worden aangepast, is het talud aangepast tot minimaal 1:1,5. 2.12 Diepte naast de oever Vereiste waterdiepte naast de oever, uitgedrukt in meters ten opzichte van het referentiepeil. De 1988-legger schrijft voor verschillende boezemwateren een waterdiepte naast de oever voor, variërend van 0,25 m tot 1,00 m. Het doel van deze waterdiepte naast de oever is niet meer te achterhalen maar was waarschijnlijk tweeledig; Ten behoeve van de wateraan- en afvoer:Voor de wateraan- en afvoer is een bepaald nat oppervlak nodig. Door gebruik te maken van de aanwezig waterdiepte naast de oever kan de benodigde waterdiepte worden beperkt, zoals bij de beschoeide walkanten in grote vaarwegen (Oude Rijn, de Gouwe en ook de walkanten in Leiden en Haarlem); Ten behoeve van de scheepvaart: Dit is vooral te zien bij (voormalige)vaarsloten, waar voor de scheepvaart een bepaalde diepgang was vereist. Doordat deze vaarsloten niet al te breed zijn (10 tot 15 m), was het noodzakelijk dat er geen onderwatertaluds in de “weg” zaten. Vandaar dat een bepaalde diepte naast de o ever werd voorgeschreven. De nieuwe legger houdt geen rekening met de scheepvaart. Als op basis van de waterkwantiteit en de waterkwaliteit geen waterdiepte naast de oever vereist is, schrijft de nieuwe legger geen waterdiepte naast de oever meer voor; Uitwerking In de nieuwe legger is voor bijna alle boezemwateren met een regionale en lokale functie geen waterdiepte naast de oever meer voorgeschreven. Voor zowel de waterkwantiteit als de waterkwaliteit is dit niet noodzakelijk. In de nieuwe legger is voor een aantal boezemwateren behorende tot het hoofstelsel nog wel een waterdiepte naast de oever opgenomen. Dit betreft voornamelijk grote aan- en afvoerkanalen naar de boezemgemalen, zoals de Gouwe en de Oude Rijn. Deze boezemwateren hebben over het algemeen een vaarwegfunctie en zijn beschoeid, zodat gebruik kan worden gemaakt van de aanwezige waterdiepte naast de oever. De betreffende “diepte-maten naast de oever” zijn overgen omen uit de 1988-legger. 2.13 Onderhoudsplichtige Belangrijk onderdeel van de legger zijn de onderhoudsplichtigen van de boezemwateren en de onderhoudsverplichtingen die moeten worden uitgevoerd. 2.13.1 Onderhoudsplichtigen De onderhoudsplichtigen zijn de personen of instanties die op grond van de Keur en het Reglement verantwoordelijk zijn voor het onderhoud (onderhoudsplicht) van een (gedeelte van een) watergang. De onderhoudsplichtigen van de boezemwateren zijn op de volgende wijze bepaald: Op basis van het Reglement is Rijnland verantwoordelijk voor het onderhoud van alle primaire boezemwateren. Voorzover Rijnland op basis van de 1988-legger en de staten A en B behorende bij de Keur nog niet onderhoudsplichtige van deze primaire boezemwateren is, wordt door Rijnland de onderhoudsplicht van deze boezemwateren van de huidige onderhoudsplichtigen overgenomen. In de paragrafen 4.4.4 en 4.4.5 van het achtergronddocument is dit overname traject verder uitgewerkt; Op basis van de Keur berust de onderhoudsplicht van de overige boezemwateren (dit zijn dus de secundaire boezemwateren) bij de Kadastrale Eigenaren; Voor een aantal secundaire boezemwateren geldt dat de onderhoudsplicht momenteel (dus op basis van de 1988-legger en de staten A en B behorende bij de Keur) aan een aantal specifieke instanties is toegewezen, met name aan Rijnland (totaal 38) en enkele gemeenten (totaal 8). In de nieuwe legger zijn de onderhoudsplichtigen van deze secundaire boezemwateren ongewijzigd overgenomen; 2.13.2 Onderhoudsverplichtingen De onderhoudsplicht omvat: 1. Het schoonmaken van de boezemwateren: dit is het schonen en instandhouden van de bodem, de oevers en de taluds, zoals bijvoorbeeld maaien, verwijderen van drijfvuil en herstel van ingezakte taluds; 2. Het op afmetingen houden: dit is het onderhoud van het natte doorstroomprofiel, zoals bijvoorbeeld baggeren; Onderhoud aan kaden en oevers Voor de bescherming van het aan boezemwater grenzend land, bijvoorbeeld tegen oeverafkalving buiten hetwaterhuishoudkundig vereiste profiel, is ongeacht of het een primair of secundair boezemwater betreft, primairde zakelijk gerechtigde verantwoordelijk. Hetzelfde uitgangspunt geldt ook voor kademuren die voor de instandhoudingvan het langs een boezemwater gelegen weglichaam zijn aangebracht. In dat geval is de wegbeheerderals zodanig of als vergunninghouder voor het onderhoud en de instandhouding van de kademuur aansprakelijk. Onderhoud ter plaatse van kunstwerken In de Keur is vastgelegd dat het onderhoud van het stroomprofiel in kunstwerken, zoals duikers etc, bij de eigenaar ligt. Het onderhoud van het stroomprofiel van een watergang gelegen onder een brug ligt bij de onderhoudsplichtige van de watergang en niet bij de eigenaar van de brug. Wel moet de eigenaar van de brug extra verondiepingen als gevolg van de brug opruimen. Kunstwerken gelegen in boezemwateren zijn vergunningplichtig. De vergunning stelt nadere eisen aan de doorstroombaarheid. Handhaving onderhoudsplicht Rijnland controleert of de onderhoudsplichtigen hun onderhoudsplicht naar behoren hebben uitgevoerd. Dit is de zogenaamde schouw. Voor wat betreft de diepte schouw (controle of de watergangen voldoen aan de legger) geldt het volgende: In principe moeten alle boezemwateren aan de leggerafmetingen voldoen. Het is echter ondoenlijk alle boezemwateren in één slag op de vereiste diepte te brengen. Rijnland zal voor de boezemwateren waarvan zij onderhoudsplichtige is een baggerprogramma opstellen, waarin zal worden aangegeven wanneer welke boezemwateren worden gebaggerd. Gezien de enorme inspanningen die het baggerprogramma zal vereisen, zowel financieel als logistiek, zal het programma meerdere jaren in beslag nemen (5 tot 10 jaar); Indien zich acute waterhuishoudkundige knelpunten voordoen, zal direct worden ingegrepen; Ook van andere onderhoudsplichtigen zal een dergelijke werkwijze worden verwacht, met dien verstande dat geldt dat de watergangen die in onderhoud zijn van particulieren door Rijnland de eerste keer op diepte zullen worden gebracht. Hier zal in het baggerprogramma rekening mee worden gehouden; 2.14 Opmerkingen Indien van toepassing is in deze kolom voor een aantal boezemwateren nadere informatie weergegeven. Legger van de boezemwateren, achtergronddocument 1. Inleiding In dit document is beschreven op welke wijze de legger van de boezemwateren tot stand is gekomen, alsmede de overwegingen en keuzes die zijn gemaakt om de legger op te kunnen stellen. 1.1 De boezem Het hoogheemraadschap van Rijnland verzorgt het waterbeheer in een gebied van ca. 100.000 ha dat globaal wordt begrensd door de steden Haarlem, Amsterdam, Gouda en Den Haag. In het beheersgebied liggen ca. 170 polders met een totaal oppervlak van ca. 72.000 ha. Daarnaast is er ca. 15.000 ha vrijafstromend boezemland. De polders en het boezemland zijn voor de wateraanvoer, voornamelijk in de zomer, en de waterafvoer, voornamelijk in de winter, afhankelijk van het Rijnlandse boezemstelsel (oppervlak ca. 4.500 ha). De duinen tenslotte beslaan een oppervlak van ca. 8.000 ha. De Rijnlandse boezem bestaat uit een stelsel van meren, kanalen, watergangen en sloten die met elkaar in open verbinding staan. Rijnland handhaaft het peil in de boezem op ca. NAP –0,60 m. Verder dient het boezemstelsel voor de ontvangst van effluent van de rioolwaterzuiveringen en als afvoersysteem van het water uit de regio Woerden (beheersgebied van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden). 1.2 Wat is een legger Kort samengevat is de legger een register, waarin Rijnland alle boezemwateren beschrijft. Door aanslibben en de groei van waterplanten kan de wateraan- en afvoer in de boezemwateren worden belemmerd. Hiervoor is regelmatig onderhoud nodig. Om er voor te zorgen dat het onderhoud goed en zorgvuldig wordt uitgevoerd heeft Rijnland de legger opgesteld. Daarin staan: De afmetingen waaraan de boezemwateren moeten voldoen; Welke persoon of instantie verantwoordelijk is voor het onderhoud (de zogenaamde onderhoudsplichtigen); Wat de onderhoudsplichtigen precies voor onderhoud moeten uitvoeren (de zogenaamde onderhoudsverplichtingen); Zo een register wordt officieel een legger genoemd. Naast een legger voor de boezemwateren heeft Rijnland ook een legger voor de waterkeringen opgesteld. Bij het bepalen van de leggerafmetingen gaat Rijnland uit van de criteria en randvoorwaarden zoals deze zijn voorgeschreven in de nota “Beoordelingscriteria Watergangen” (BCW). Naast de waterkwantiteitscriteria, zoals het maximale toelaatbare verval, de maximale stroomsnelheid etc, spelen ook de waterkwaliteitscriteria een belangrijke rol. Verder houdt de legger rekening met diverse andere aspecten, zoals beheer & onderhoud en de stabiliteit van onderwatertaluds. 1.3 De procedure Rijnland is op grond van de Waterschapswet ook verplicht een legger van de boezemwateren op te stellen. Rijnland had al een legger van de boezemwateren (vastgesteld in 1988) maar aangezien deze legger verouderd en onvolledig is, is deze legger geactualiseerd. Een legger bestaat uit kaarten en een boekwerk waarin de onderhoudsverplichtingen en onderhoudsplichtigen gedetailleerd zijn weergegeven. Dit voorkomt dat meningsverschillen ontstaan. Als dat toch gebeurt, is de legger een bewijsmiddel dat een rol kan spelen bij juridische uitspraken. Daarom moet de vaststelling van een legger een inspraakprocedure doorlopen. Belanghebbenden krijgen dan de gelegenheid om te controleren of alle gegevens goed zijn opgenomen in de legger. Zonodig kunnen zij bezwaar indienen. 1.4 Leggerdocumenten De legger van de boezemwateren bestaat uit de volgende documenten: 1. Hoofddocument met hierin overzichtelijk weergegeven alle noodzakelijke informatie van alle boezemwateren, inclusief overzichtskaarten. Het hoofddocument bestaat naast een toelichting uit 3 katernen, te weten: Katern hoofdstelsel; Katern regionaalstelsel; Katern lokaalstelsel; 2. Achtergronddocument waarin staat hoe de nieuwe legger tot stand is gekomen en welke criteria en rekenmethodieken zijn gebruikt; Alle leggergegevens zijn tevens vastgelegd in het Rijnlandse Geografische Informatie Systeem (GIS). 1.5 Leeswijzer Het achtergronddocument is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2: Samenhang van de legger in relatie met andere projecten; Hoofdstuk 3: Korte omschrijving van de belangrijkste leggeronderdelen. Dit hoofdstuk kan worden beschouwd als een “quick reference guide”; Hoofdstuk 4: Weergave van de beleids- en juridische kaders; Hoofdstukken 5 t/m 10: Berekeningsgrondslagen, toepassing van criteria, consequenties; Hoofdstuk 11: Gevolgen verdiepen boezemwateren voor kabels en leidingen; Hoofdstuk 13: Financiële consequenties; Bijlagen: Nadere uitwerking van diverse aspecten; In deze nota worden veelvuldig de termen “1988-legger” en “nieuwe legger” toegepast. “1988-legger” duidt de legger aan die is vastgesteld in 1988 en van kracht blijft tot de vaststelling van de “nieuwe legger” in 2004. De nieuwe legger maakt gebruik van de nieuwe indeling in primaire- en secundaire boezemwateren, zoals is vastgesteld in het reglement van 1995. De indeling in primaire-, secundaire- en tertiaire boezemwateren, zoals toegepast in de 1988-legger, komt dan ook te vervallen. 2. Relatie met andere onderwerpen 2.1 Inleiding Het beheer en onderhoud van boezemwateren is een onderwerp dat in de vorm van diverse projecten binnen Rijnland aan de orde is of komt. Cruciaal voor deze verschillende onderwerpen is dat Rijnland beschikt over een actuele legger en een actueel beheerregister van de boezemwateren. Actuele meetgegevens van de boezemwateren spelen hierbij een grote rol. 2.2 Peilbesluit De wet op de waterhuishouding verplicht Rijnland een peilbesluit voor de boezemwateren vast te stellen. Het rechtskarakter van het peilbesluit bestaat uit een inspanningsverplichting voor Rijnland om de in het peilbesluit aangegeven peilen te handhaven. Gezien de grote consequenties van dit peilbesluit valt hij onder de Rijnlandse inspraakverordening. In het peilbesluit voor de boezem zijn de al jaren gehandhaafde oppervlaktewaterpeilen van NAP –0,62 m (winterpeil) en NAP –0,59 m (zomerpeil) officieel vastgesteld. 2.3 Beoordelingscriteria watergangen Bij het ontwerp, beheer en onderhoud van watergangen worden eisen gesteld aan de dimensies (legger) van de watergang, toelaatbare waterstanden (peilbesluit), stroomsnelheden en de wijze van onderhoud. Deze eisen zijn opgenomen in de legger en Keurvoorschriften. Onderhoudsbaggerwerk is meestal gebaseerd op het weer op leggerafmetingen brengen van watergangen. Vaak is niet duidelijk op grond waarvan (criteria) leggerafmetingen zijn vastgesteld en wanneer baggerwerk noodzakelijk is. Met behulp van de zogenaamde beoordelingscriteria wordt zo goed mogelijk een onderbouwing gelegd voor de dimensies en onderhoud van de watergangen. Uitgangspunt hierbij is dat de functie(
  3. s)van een watergang bepalend zijn. De beoordelingscriteria zijn een middel om de legger en het beheerregister op te stellen. Deze aspecten zijn nader uitgewerkt in de nota “Beoordeling scriteria Watergangen” (BCW). 2.4 Meetprogramma van de boezemwateren Om de legger van de boezemwateren en het beheerregister van de boezemwateren te kunnen opstellen is het belangrijk dat de ligging en de afmetingen van de boezemwatergangen en de bijbehorende kunstwerken bekend zijn. Deze meetgegevens, welke de basis vormen van beide registers, worden verzameld in het project “mee tprogramma van de boezemwateren”. Doel van dit project is, alle boezemwateren in het beheersgebied van Rijnland te laten inmeten en deze meetgegevens aansluitend in het Rijnlandse Geografische Informatie Systeem (GIS) op te nemen. Hierbij worden naast de situering van de boezemwateren, ook de actuele afmetingen van de boezemwateren bepaald. Tevens worden de kunstwerken en objecten gemeten, die een directe relatie met de taakuitvoering van Rijnland hebben. 2.5 Beheerregister Naast een legger wordt er ook een beheerregister van de boezemwateren opgesteld. In het beheerregister wordt de huidige toestand (uitkomsten van de metingen uitgevoerd in het kader van het meetprogramma van de boezemwateren) met betrekking tot het profiel vastgelegd en wordt de wijze van onderhoud beschreven. Het beheerregister kan pas worden opgesteld (of gevuld) indien het meetprogramma is uitgevoerd. Het beheerregister is geen juridisch maar een ondersteunend instrument en hoeft derhalve niet ter visie te worden gelegd. 2.6 Baggerprogramma Als de legger van de boezemwateren en het beheerregister van de boezemwateren zijn opgesteld is bekend hoe de actuele situatie er uitziet en wat de gewenste situatie zou moeten zijn. Het baggerprogramma is een middel om te komen van de actuele naar de gewenste situatie. 2.7 Bestek boezemwateren In het bestek van de boezemwateren (schoonmaken van de boezemwateren) staat omschreven welke boezemwateren wanneer en met welke frequentie door Rijnland dienen te worden geschoond (dagelijks onderhoud). De volgende aspecten spelen hierbij een rol: Beheervisie (op basis van bijvoorbeeld de functie-indeling per watergang), ecologische potenties etc; Bepalen wijze van onderhoud en gewenste uitvoering; Aangezien het huidige onderhoudsbestek

(2003)van de watergangen afloopt, wordt momenteel een nieuw onderhoudsbestek voorbereid (planning eind 2004). 3. Leggergegevens 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt in het kort weergegeven welke gegevens in de legger van de boezemwateren zijn vastgelegd. Voor een uitgebreide onderbouwing wordt verwezen naar de volgende hoofdstukken. In het hoofddocument liggen de volgende gegevens vast (fictief voorbeeld). Vastgestelde gegevens hoofddocumentLeggernummer naam boezemwater functie sub categorie referentiepeil t.o.v. NAP lengte gemiddelde breedte waterdiepte bodemdiepte m t.o.v. NAP taluds diepte maat oever onderhoudsplichtige(
  1. n)opmerkingen RL 1234 voorbeeld watergang primair regionaalstelsel -0.60 504 15.00 2.00 -2.60 1:2 0.00 HH van Rijnland 3.2 Leggernummer Het identificatienummer van het betreffende boezemwater. In de 1988-legger kon aan de hand van het leggernummer worden geïdentificeerd wat voor functie een boezemwater had (primair, secundair of tertiair). Door de wijziging van de systematiek van primaire-, secundaire en tertiaire wateren, heeft het leggernummer in de nieuwe legger geen functie meer. Het leggernummer is in de nieuwe legger dan ook niets meer of minder dan een volgnummer. 3.3 Naam boezemwater Naam van het betreffende boezemwater. Deze gegevens zijn overgenomen uit de 1988-legger. Alle namen zijn gecontroleerd aan de hand van de topografische kaart en diverse andere bronnen. 3.4 Functie Op basis van het reglement moet worden aangegeven of een boezemwater een primaire of secundaire functie heeft. Primaire boezemwateren Dit zijn alle grote boezemkanalen en meren die dienen als aan- en afvoerweg naar de boezemgemalen, de boezemwateren met een belangrijke transport en bergende functie en de boezemwateren met een regionale functie waarop een poldergemaal uitslaat of waar zich een belangrijke inlaat van een polder bevindt. De onderhoudsplicht van primaire boezemwateren berust in principe bij Rijnland. Secundaire boezemwateren Deze wateren hebben een lokale transportfunctie en/of dienen een zekere drooglegging te geven. De onderhoudsplicht van secundaire boezemwateren berust in principe bij derden. 3.5 Subcategorie Om de boezemwateren, net als in de 1988-legger, ook in de nieuwe legger op hun waterstaatkundige belang te kunnen beoordelen is een subcategorie geïntroduceerd, te weten hoofdstelsel, regionaalstelsel en lokaalstelsel, zie ook paragraaf 4.3. Voorbeeld Het Spaarne is één van de hoofdaders (breedte 40 – 90
  2. m)van het boezemstelsel en draagt zorg voor de afvoer van het wateroverschot uit noord-west Rijnland naar het boezemgemaal Spaarndam. De voorboezem van polder Steekt is een smal boezemwater (breedte 7
  3. m)dat alleen zorg draagt voor de afvoer van water van een poldergemaal. Beide boezemwateren worden in de nieuwe legger als “primair” aangeduid, terwijl ze waterstaatkundig gezien verschillende functies vervullen. Hoofdstelsel Alle grote boezemkanalen en meren die dienen als aan- en afvoerweg naar de boezemgemalen en de boezemwateren met een belangrijke transport en bergende functie; Regionaalstelsel De boezemwateren met een regionale functie waarop een poldergemaal uitslaat of waar zich een belangrijke inlaat van een polder bevindt; Lokaalstelsel Deze boezemwateren hebben een lokale transportfunctie en ontwaterende functie en/of dienen een zekere drooglegging te geven; In de onderstaande tabel zijn de diverse verbanden weergegeven: Diverse verbanden verschillende stelselsfunctie indeling op basis van reglement subcategorie op basis van waterstaatkundig belang onderhoudsplicht primaire boezemwateren primaire boezemwateren secundaire boezemwateren Hoofdstelsel regionaalstelsel lokaalstelsel Rijnland Rijnland derden 3.6 Referentiepeil Hoogte van het gemiddelde waterpeil, uitgedrukt in meters ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP). Het referentiepeil (of streefpeil) is onder andere van belang om, op basis van de vereiste waterdiepte de hoogteligging van de onderwaterbodem te kunnen bepalen. Voor het grootste gedeelte van de boezem bedraagt het referentiepeil NAP –0,60 m. In de stadsboezem te Gouda (streefpeil NAP –0,70
  4. m)en de peilvakken in de bollenstreek (streefpeilen variëren tussen de NAP –0,60 m en de NAP –0,85
  5. m)worden afwijkende referentiepeilen gehanteerd. Daarnaast zijn er nog zogenaamde hoger gelegen boezemwateren en duinrellen. Het gemiddelde waterpeil of referentiepeil van deze boezemwateren is in een aantal gevallen nog niet bekend. Indien dit het geval is, is de term “UNSET” ingevoerd (verplichte GIS-code bij ontbrekende gegevens). De ontbrekende referentiepeilen zullen in het kader van het peilbesluit worden bepaald. Zodra deze gegevens bekend zijn, zullen ze in de legger worden opgenomen. 3.7 Lengte De lengte van het betreffende boezemwater, uitgedrukt in meters. De hartlijnen van alle boezemwateren zijn in het Rijnlandse GIS-systeem ingevoerd. Aan de hand van deze hartlijnen konden de exacte lengtes van de boezemwateren worden berekend. Bij de meren en plassen kon geen gebruik gemaakt worden van de hartlijnen, aangezien de hartlijnen langs de oevers zijn gelegd. Bij de meren en plassen is voor het bepalen van de lengtes gebruik gemaakt van de topografische kaart. 3.8 Breedte Gemiddelde breedte van het betreffende boezemwater op het referentiepeil, uitgedrukt in meters. Rijnland heeft in haar dempingenbeleid vastgelegd dat boezemwateren in principe niet mogen worden gedempt. De oorspronkelijke geometrie van de boezemwateren mag dus niet gewijzigd worden. Deze geometrie is vastgelegd in de legger. In het hoofddocument kan voor wat betreft de breedte van een boezemwater echter onvoldoende detail worden vastgelegd. De weergegeven breedtematen zijn dan ook geen “vereiste breedtes” of ontwerp-parameters, maar slechts een weergave van de gemiddelde breedte. De gemiddelde breedte is in principe gebaseerd op de gemeten profielen uit het meetprogramma. In werkelijkheid varieert de breedte van een watergang altijd. Bij een aantal wateren is deze variatie beperkt (slechts enkele decimeters), terwijl bij andere wateren, zoals meren en plassen, de variatie groot kan zijn (tientallen meters). Voor de werkelijke breedte van een watergang op een bepaalde locatie wordt verwezen naar de leggerprofielen in het Rijnlandse GIS systeem. Bij het vaststellen van de nieuwe legger is een aantal boezemwateren, met name lokale boezemwateren, nog niet ingemeten. Totdat deze gegevens beschikbaar komen, is de gemiddelde breedte gebaseerd op de Grootschalige BasisKaart Nederland (GBKN). Uit een vergelijking tussen gemeten profielen en de GBKN blijkt dat de GBKNbreedte maximaal 5 % afwijkt van de gemeten profielen. 3.9 Waterdiepte Vereiste minimale waterdiepte, uitgedrukt in meters. Bij het bepalen van de minimale waterdiepten is uitgegaan van de criteria en randvoorwaarden zoals deze zijn voorgeschreven in de nota “Beoordelingscriteria Watergangen” (BCW). Naast de waterkwantiteitscriteria, zoals het maximale toelaatbaar verval, de maximale stroomsnelheid etc, spelen ook de waterkwaliteitscriteria een belangrijke rol. Daarnaast wordt rekening gehouden met diverse andere aspecten, zoals beheer en onderhoud en stabiliteit onderwatertaluds. Voor een uitgebreide onderbouwing, zie de hoofdstukken 5 en 6. Ingreepmaat Conform de nota BCW is de in de legger weergegeven waterdiepte een zogenaamde ingreepmaat. Deze maat geeft de minimaal vereiste waterdiepte aan. Indien de baggerlaag op de ingreepmaat komt, moet er ingegrepen (gebaggerd) worden. In de praktijk zal dus gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat, om te voorkomen dat de minimale diepte wordt overschreden. De diepte tot waar gebaggerd moet worden, de zogenaamde onderhoudsmaat, wordt bepaald door bedrijfseconomische redenen en de snelheid waarmee een watergang verondiept. De huidige typering (volgens de 1988-legger) van de leggermaat als een diepste maat vervalt daarmee. Duinrellen Een aparte groep vormen de duinrellen. Een duinrel is een natuurlijke afwatering van grond- en regenwater uit de duinen. Doordat deze wateren niet gestuwd zijn, maar onder vrij verval naar de rest van de boezem afstromen, is het niet zinvol hier een bepaalde minimale waterdiepte te eisen. De in de legger weergegeven waterdiepten bij duinrellen zijn dan ook slechts indicatief. Wel moet er voor worden gezorgd dat het bestaande profiel, dat in droge perioden (deels) droog kan komen te staan, gegarandeerd blijft, zodat de waterafvoer niet kan worden belemmerd. Voor de duinrellen geldt dat het gemeten profiel het leggerprofiel wordt. Momenteel is niet bekend welke boezemwateren duinrel zijn, deze zullen in het kader van het peilbesluit worden geïnventariseerd. Zodra de gegevens bekend zijn, zullen ze in de legger worden opgenomen. Als een boezemwater (deels) een duinrel is, dan wordt dit in de kolom “opmerkingen” aangegeven. Meren en plassen Ook de meren en plassen vormen een aparte groep. Meren zijn dermate complex dat het niet mogelijk is in de legger de gewenste minimale inrichtingscriteria vast te leggen. De weergegeven afmetingen zijn dan ook slechts indicatief. De gewenste inrichtingscriteria dienen in een gebiedsgericht-project te worden bepaald. De weergegeven waterdiepte is de gemeten gemiddelde waterdiepte, lokaal kan de waterdiepte flink afwijken. Van het Valkenburgsemeer en de Vlietlanden zijn nog geen meetgegevens voorhanden. Aangezien hier nog regelmatig zand wordt gewonnen is het nog niet zinvol deze meren in te meten. Voor verdere toelichting zie paragraaf 5.4.3. Kabels en leidingen In een aantal gevallen wordt ten opzichte van de 1988-legger een diepere waterdiepte geëist. Dit kan gevolgen hebben voor kabels en leidingen. Als dit het geval is, is dit in de kolom “opmerkingen” aangegeven. Voor nadere onderbouwing zie hoofdstuk 11. Minimale afmetingen Op basis van de diverse criteria zijn bij het opstellen van de leggerafmetingen de volgende minimale waterdieptematen gehanteerd. Indien een diepere waterdiepte is vereist, voor bijvoorbeeld de wateraan- en afvoer, dan is deze diepere waterdiepte in de legger opgenomen. minimale waterdieptenminimale waterdiepte hoofdstelsel regionaalstelsel lokaalstelsel meren en plassen 1.00m 1.00m Indien breedte < 5 m dan waterdiepte 0.50 m Anders 0.75 m werkelijke diepte Smalle boezemwateren kunnen, in verband met het vereiste talud, niet aan de bovenstaande minimale waterdiepten voldoen. Voor deze “smalle” wateren geldt het volgende: breedte / dieptematen lokaalstelselbreedte in m diepte in m talud bodembreedte < 1.50 > 1.50 - 3.00 > 3.00 - 5.00 > 5.00 1/3 breedte 0.50 0.50 0.75 1:1.5 1:1.5 - 1:3 1:3 1:3 0 0 >0 >0 breedte / dieptematen regionaalstelsel cq. hoofdstelselbreedte in m diepte in m talud bodembreedte < 1.50 > 1.50 - 3.00 > 3.00 - 3.75 > 3.75 - 5.00 > 5.00 - 6.00 > 6.00 1/3 breedte 0.50 0.75 0.75 1.00 1.00 1:1.5 1:1.5 -1:3 1:2 1:2.5 1:2.5 1:3 0 0 >0 >0 >0 >0 3.10 Bodemdiepte (ingreepmaat) Hoogteligging van de onderwaterbodem, uitgedrukt in meters ten opzichte van NAP. Bodemdiepte = referentiepeil – waterdiepte. 3.11 Talud Helling van de onderwatertaluds, uitgedrukt in hoogte ten opzichte van de aanlegbreedte. In de legger zijn voor de verschillende typen boezemwateren de volgende taluds toegepast. taluds voor verschillende typen boezemwaterentaluds hoofdstelsel regionaalstelsel lokaalstelsel meren en plassen 1:2.5 1:3 1:3 1:20 Als uit berekeningen bleek dat de wateraan- en afvoer mogelijk problemen op zou kunnen leveren en de aterdiepte in verband met de geringe breedte niet meer kon worden aangepast, is het talud aangepast tot minimaal 1:1,5. 3.12 Diepte naast de oever Vereiste waterdiepte naast de oever, uitgedrukt in meters ten opzichte van het referentiepeil. De 1988-legger schrijft voor verschillende boezemwateren een waterdiepte naast de oever voor, variërend van 0,25 m tot 1,00 m. Het doel van deze waterdiepte naast de oever is niet meer te achterhalen maar was waarschijnlijk tweeledig; Ten behoeve van de wateraan- en afvoer. Hiervoor is een bepaald natoppervlak nodig. Door gebruik te maken van de aanwezig waterdiepte naast de oever kan de benodigde waterdiepte worden beperkt, zoals bij de beschoeide walkanten in grote vaarwegen (Oude Rijn, de Gouwe en ook de walkanten in Leiden en Haarlem); Ten behoeve van de scheepvaart. Dit is vooral te zien bij (voormalige)vaarsloten, waar voor de scheepvaart een bepaalde diepgang was vereist. Doordat deze vaarsloten niet al te breed zijn (10 tot 15 m), was het noodzakelijk dat er geen onderwatertaluds in de “weg” zaten. Vandaar dat een bepaalde diepte naast de oever werd voorgeschreven. De nieuwe legger houdt geen rekening met de scheepvaart. Als op basis van de waterkwantiteit en de waterkwaliteit geen waterdiepte naast de oever vereist is, schrijft de nieuwe legger geen waterdiepte naast de oever meer voor; Uitwerking In de nieuwe legger is voor bijna alle boezemwateren met een regionale en lokale functie geen waterdiepte naast de oever meer voorgeschreven. Voor zowel de waterkwantiteit als de waterkwaliteit is dit niet noodzakelijk. In de nieuwe legger is voor een aantal boezemwateren behorende tot het hoofstelsel nog wel een waterdiepte naast de oever opgenomen. Dit betreft voornamelijk grote aan- en afvoerkanalen naar de boezemgemalen, zoals de Gouwe en de Oude Rijn. Deze boezemwateren hebben over het algemeen een vaarwegfunctie en zijn beschoeid, zodat gebruik kan worden gemaakt van de aanwezige waterdiepte naast de oever. De betreffende “dieptematen naast de oever” zijn overgen omen uit de 1988-legger. 3.13 Onderhoudsplichtige Degene die zowel het dagelijks onderhoud(maaien en schonen) als het profielonderhoud (baggeren) moet uitvoeren, zie ook paragraaf 4.4. 3.14 Opmerkingen Indien van toepassing is in deze kolom nadere informatie weergegeven. 4. Beleids en juridisch kader De regelgeving voor Rijnland is vastgelegd in verordeningen. In deze verordeningen zijn de procedures geregeld waaraan de burger en het hoogheemraadschap van Rijnland zich moeten houden. Deze verordeningen beschrijven wat wel en niet mag. Voor de legger zijn met name het reglement en de keur van belang. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de diverse beleids- en juridische kaders van de legger. 4.1 Instrumentarium 4.1.1 Waterbeheersplan Deze nota is een uitwerking van het beleid dat in het Waterbeheersplan 2000 bij het thema “Inrichting en beheer van watergangen” staat weergegeven, zie onderstaand kader. Met de legger en het beheerregister worden de vereiste vormgeving, onderhoudstoestand en onderhoudsplicht van alle boezemwateren vastgelegd. De provincie heeft aan Rijnland het instellen van een legger Reglementair opgedragen. Aan het opstellen van een legger is een procedure verbonden waarmee belanghebbenden de legger ter inzage krijgen en zo nodig bezwaar kunnen aantekenen. 4.1.2 Waterschapswet Op grond van de volgende artikelen uit de Waterschapswet is Rijnland verplicht tot het opstellen van een legger. Artikel 78, lid 2 Tevens stelt het algemeen bestuur vast de legger waarin de onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen. Artikel 79 lid 1; Het algemeen bestuur stelt een verordening vast waarin wordt geregeld op welke wijze ingezetenen en in het gebied van het waterschap belanghebbende natuurlijke rechtspersonen bij de voorbereiding van de door dat bestuur te nemen besluiten worden betrokken. lid 2; Onder de werking van die verordening worden in elk geval gebracht de besluiten inzake:
  6. d)de legger; 4.1.3 Reglement In het reglement voor het Hoogheemraadschap van Rijnland (Ontwerp-reglement, vastgesteld in 2002) is nader uitgewerkt wat het opstellen van een legger precies inhoudt. In het volgende overzicht zijn de voor de legger van belangzijnde artikelen weergegeven. Artikel 1, lid b Wateren: Oppervlaktewateren die dienen voor de afvoer en/of aanvoer en/of berging van water, het bovenwaterprofiel, zoals dit is aangegeven in de legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet daaronder begrepen; deze worden onderscheiden in: 1. Primaire wateren: wateren en watergangen onder welke benaming ook, die als zodanig zijn aangegeven, respectievelijk vastgelegd in de legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet; 2. Secundaire wateren: overige wateren en watergangen onder welke benaming ook, die als zodanig zijn aangegeven, respectievelijk vastgelegd in de legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet; Artikel 3 1. Het hoogheemraadschap heeft tot taak de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet uitdrukkelijk aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen; 2. Deze taak omvat: b. de zorg voor de waterhuishouding, te onderscheiden in: - het kwantiteitsbeheer van oppervlaktewateren; - het kwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren, waaronder begrepen de bestrijding van de verzilting vanoppervlaktewateren; d. de zorg voor de vaargelegenheid in de wateren die zijn aangegeven op de kaart, bedoeld in artikel 2, eerste lid (opmerking, dit betreft het vaarwegbeheer dat door de provincie(
  7. s)voor een aantal polderwateren specifiek is toegewezen aan de voormalige inliggende waterschappen). 3. De taak van het hoogheemraadschap omvat mede de zorg voor de toepassing van de Scheepvaartverkeerswet, voor zover het wateren betreft waarvoor het hoogheemraadschap is aangewezen als bevoegd gezag. Artikel 4, lid 2 Het onderhoud van primaire wateren berust bij het hoogheemraadschap. Artikel 5 1. De onderhoudsplichtigen en de onderhoudsverplichtingen betreffende waterkeringen en wateren worden aangegeven respectievelijk vastgelegd in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet; 2. In de legger wordt vermeld wat de functie is van het desbetreffende waterstaatswerk, wie met het onderhoud is belast en wat het onderhoud omvat; 3. Ten aanzien van de vaststelling van de legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet zijn de artikelen 73 en 74 van de Waterschapswet van overeenkomstige toepassing; Artikel 6 1. Het dagelijks bestuur kan op schriftelijk verzoek van de onderhoudsplichtige het voldoen aan een krachtens de legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet bestaande onderhoudsplicht vervangen door betaling van een bijdrage; 2. Het dagelijks bestuur stelt de hoogte van de door de onderhoudsplichtige te betalen bijdrage vast; In het vorige reglement (vastgesteld in 1995) waren de volgende artikelen opgenomen die van belang zijn voor het opstellen van een legger. Artikel 1.7, Schadevergoeding 1. Indien een wijziging van de legger ten aanzien van een waterkering, een boezemwater of een ander werk ten dienste van het kwantiteitsbeheer voor een belanghebbende een onevenredige lastenverzwaring met zich meebrengt, die redelijkerwijs niet of geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het dagelijks bestuur hem, voor zover niet op andere wijze in een redelijke tegemoetkoming is of kan worden voorzien, op zijn schriftelijk verzoek een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming in die lastenverzwaring toe. De tegemoetkoming kan worden bepaald in geld of op andere wijze; 2. Het schriftelijk verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt bij het dagelijks bestuur ingediend binnen 4 weken, nadat het besluit tot wijziging van de legger ten aanzien van het desbetreffende werk onherroepelijk is geworden; Artikel 1.8, Verdieping van boezemwateren Het algemeen bestuur is bevoegd bij legger een zodanige verdieping van de boezemwateren, waarover het hoogheemraadschap het beheer heeft, voor te schrijven als overeenkomt met een verlaging van het peil van de waterstand krachtens een onherroepelijk goedgekeurd peilbesluit, of noodzakelijk is ten behoeve van vergroting van de waterdoorvoerende capaciteit. Artikel 1.9, Rangorde onderhoudsplichtigen 1. Indien een onroerende zaak is onderworpen aan het recht van erfpacht, van opstal of van vruchtgebruik, treedt voor de toepassing van dit hoofdstuk de genothebbende van het betrokken recht in plaats van de eigenaar; 2. Indien een onroerende zaak is onderworpen aan meer van die beperkte rechten, heeft voor de onderhoudsplicht de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als de erfpachter en heeft de opstaller voorrang boven de erfpachter; Artikel 6.3 onderhoudsverplichtingen Samengevat komt dit artikel er op neer dat de legger uiterlijk voor 1 januari 2005 moet zijn vastgesteld. 4.1.4 Keur In de keur zijn de bepalingen met betrekking tot de onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen opgenomen. Bij het vaststellen van de nieuwe legger worden een aantal keurartikelen overbodig, zie ook hoofdstuk 6. Artikel 25 1. De boezemwateren, voor zover niet vermeld op de bij deze keur behorende staten A en B, bedoeld in artikel 26, worden onderhouden door hen die kadastraal bekend staan als eigenaars van de kadastrale percelen: - Waarmee de wateren die een eigen kadastraal nummer hebben, zijn aangeduid, of - waarin de wateren die geen eigen kadastraal nummer hebben, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk gelegen zijn; in het laatste geval enkel voor zover dit gedeelte strekt; 2. In afwijking van het vorige lid worden de boezemwateren in de voormalige waterschappen de Zandsloot en Hillegom en de voormalige Zanderijpolder onderhouden door hen die kadastraal bekend staan als eigenaren van de kadastrale percelen langs die wateren, voor zover ieders zakelijk recht strekt en bij aan weerszijden door land begrensde wateren tot in het midden van die wateren; Het tweede lid kan komen te vervallen, zie paragraaf 4.4.3.2 Artikel 26 1. Staat A vermeldt de wateren die door Rijnland worden onderhouden, voor zover dit naar het oordeel van het college in het van belang van Rijnlands waterstaat noodzakelijk is; 2. Staat B vermeldt de wateren die worden onderhouden door de daarbij genoemde natuurlijke of rechtspersonen, die daartoe uit anderen hoofde dan op grond van artikel 25 verplicht zijn; 3. Voorzover de in het eerste lid en tweede lid bedoelde boezemwateren ook zijn vermeld in leggers, geldt de onderhoudsverplichting wat betreft het op diepte houden zoals aangegeven in die leggers; Artikel 26 kan na vaststelling van de legger komen te vervallen, zie paragraaf 4.4.3.1 Artikel 27 De onderhoudsplicht met betrekking tot de boezemwateren omvat: a. het schoonmaken zoals geregeld in artikel 28; b. het op afmetingen houden zoals geregeld in artikel 29; Artikel 28 1. Het schoonmaken omvat: a. het uit de wateren verwijderen van alle drijvende, gezonken of anderszins aanwezige voorwerpen, stoffen, kroos en andere planten, dit behoudens het derde lid; b. het afhakken, afmaaien en opzetten van de taluds en het zodanig afsteken en ophalen van de uitgegroeide, uitgezakte en uitgetrapte kanten, dat een regelmatige oeverlijn ontstaat; 2. Alles wat bij het schoonmaken als in het eerste lid bedoeld uit de boezemwateren wordt verwijderd, moet door de onderhoudsplichtige zodanig worden gedeponeerd, dat het niet opnieuw in het boezemwater kan geraken, …; 3. De onderhoudsplichtige mag de in het eerste lid, onder a., bedoelde planten laten staan: - in boezemwateren met een breedte van 8 tot 12 m: over een breedte van 0,50 m uit de waterlijn; - in de boezemwateren met een breedte van 12 tot 15 m: over een breedte van 1 m uit de waterlijn; - in boezemwateren met een breedte van 15 m of meer: over een breedte van 2 m uit de waterlijn; Artikel 29 1. De afmetingen van de boezemwateren zijn vermeld in een bij deze keur behorende legger en voor zover de legger daarin niet voorziet, gelden de afmetingen als genoemd in het tweede lid; 2. De wateren niet genoemd in de legger als bedoeld in het eerste lid, moeten tenminste de volgende afmetingen hebben: * breedte: de bij de inwerking van deze keur aanwezige breedte: * diepte beneden schouwpeil: - voor boezemwateren tot een breedte van 1,80 m: een derde van de breedte; - voor boezemwateren met een breedte van 1,80 m tot 3,00 m: 0,60 m; - voor boezemwateren met een breedte van 3,00 m tot 4,50 m: 0,75 m; - voor boezemwateren met een breedte van 4,50 m of meer: 1,00 m; De diepten moeten aanwezig zijn over een bodembreedte van tenminste een derde van de breedte van het boezemwater, met dien verstande dat de taluds in geen geval flauwer mogen zijn dan 1:4. 3. Bodemwateren die bij de inwerkingtreding van deze keur grotere afmetingen hebben dan hierboven voorgeschreven of nadien grotere afmetingen krijgen, moeten op deze grotere afmetingen worden gehouden. 4. Boezemwateren waarvan de afmetingen bij de inwerkingtreding van deze keur niet aan de hierboven gestelde eisen voldoen, moeten zolang zij nog niet op de hierboven voorgeschreven afmetingen zijn gebracht, tenminste op de bestaande afmetingen worden gehouden. 5. Boezemwateren waarvan de afmetingen bij de inwerkingtreding van deze keur niet aan de hierboven gestelde eisen voldoen, worden door en op kosten van Rijnland op de voorgeschreven afmetingen gebracht en dienen vervolgens door de onderhoudsplichtige op die afmetingen te worden gehouden. Na vaststelling van de legger dienen lid 1 tot en met 4 van artikel 29 te vervallen. In de keur van 1995 staan een aantal belangrijke artikelen vermeld, welke niet in de keur van 2000 zijn opgenomen. Toch worden in deze artikelen een aantal belangrijke zaken geregeld, welke voor de inrichting en het beheer en onderhoud van boezemwateren en kunstwerken nog steeds van toepassing zijn. Artikel 32 Als onderhoudsplichtige van een kunstwerk, niet vermeld op de in artikel 41 bedoelde staat C, alsmede van de kant van een boezemwater wordt aangemerkt hij, die kadastraal bekend staat als eigenaar, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van het kadastraal perceel of gedeelte daarvan, waarin het kunstwerk of de kant is gelegen, tenzij hij bewijst geen onderhoudsplichtige te zijn. Artikel 33 De onderhoudsplichtige van een kunstwerk, bedoeld in artikel 32, is verplicht dit kunstwerk in goede staat, op de voorgeschreven afmetingen of de bij de inwerkingtreding van deze keur bestaande afmetingen te houden en zodanig schoon en open te houden dat de doorstroming in de boezemwateren niet wordt of kan worden belemmerd. Artikel 34 Indien de kant van een boezemwater is uitgetrapt of afgekalfd, is de onderhoudsplichtige verplicht, wanneer dit naar het oordeel van het college voor de instandhouding en het onderhoud van het betrokken boezemwater nodig is, hierin door beschoeiing of op andere wijze te voorzien. 4.1.5 Relatie tussen reglement, keur en legger In het reglement zijn de taken en verplichtingen van het waterschap beschreven. In de keur zijn deze taken en verplichtingen nader uitgewerkt in ge- en verbodsbepalingen ten aanzien van de waterhuishoudkundige infrastructuur. Op basis van de algemene omschrijvingen uit het reglement worden in de legger de onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen nader geconcretiseerd. Zolang geen legger beschikbaar is, zoals van de huidige tertiaire boezemwateren, moet worden voldaan aan de normen uit de keur. Reglement, keur en legger liggen duidelijk in elkaars verlengde. Wijzigingen in normen en onderhoudsverplichtingen zullen dan ook in veel gevallen gevolgen hebben voor deze drie regelingen. 4.1.6 Procedure vaststelling en herziening van de legger Voor de legger op grond van de Waterschapswet geldt het volgende: 1. Het ontwerp van de legger: 1. ligt (op grond van de Inspraakverordening Rijnland) ten minste 4 weken ter inzage bij Rijnland, de inliggende waterschappen en de gemeenten; 2. vooraf vindt daarvan publicatie plaats in dag- week- en/of huis aan huisbladen; 3. belanghebbenden kunnen hun mening over het ontwerp-besluit kenbaar maken; 2. Definitieve vaststelling legger: 1. voorstel aan VV, waarin opgenomen de wijze waarop met zienswijzen en bedenkingen van derden moet worden omgegaan; 2. (art. 73, 2e lid Waterschapswet): bekendmaking besluit door tegen betaling verkrijgbare publicatie (de legger zelf) en door het doen van mededeling (bekendmaking) in een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad; 3. (art. 73, 4e lid Waterschapswet): ter inzage legging besluit tot vaststelling op secretarie waterschap of een andere door het waterschapsbestuur te bepalen plaats gedurende 6 weken; 4. in die bekendmaking moet ook aangegeven worden, dat er op grond van art. 153, lid 1 sub b van de Waterschapswet beroep kan worden ingesteld bij Gedeputeerde Staten; 5. de legger van onderhoudsplichten en onderhoudsplichtigen treedt in werking op het moment dat deze is bekendgemaakt (zie 2.2); De legger zal vijfjaarlijks worden geactualiseerd tenzij ontwikkelingen ingrijpende gevolgen hebben die aanleiding geven tot eerdere vaststelling. 4.2 Legger van kunstwerken In principe dient naast een legger van de boezemwateren ook een legger van de kunstwerken te worden opgesteld waarvan de instandhouding in het kader van de waterhuishouding van essentieel belang is (toelichting op het reglement van 1995). In principe zijn dit alleen de peilregulerende kunstwerken, zoals gemalen en stuwen. Kunstwerken die alleen een particulier belang (zoals bruggen en duikers) dienen hoeven volgens het reglement niet in de legger te worden opgenomen. Deze kunstwerken zijn wel vergunningplichtig, zodat Rijnland het belang van de waterbeheersing in voldoende mate kan verzekeren. Bijna alle kunstwerken in de boezem van Rijnland dienen een particulier belang. Slechts de boezemgemalen en enkele kunstwerken ten behoeve van de waterbeheersing in de hoger gelegen gebieden zijn van belang voor de waterhuishouding. In het kader van het peilbesluit van de boezem wordt onderzoek verricht naar de hoger gelegen boezemwateren, te weten: Inventarisatie gebieden; Inventarisatie kunstwerken; Vaststellen streefpeilen; Indien dit onderzoek is afgerond zal worden beoordeeld of het noodzakelijk is naast de legger van de boezemwateren een aparte legger van de kunstwerken op te stellen. Wel zullen de gegevens van de kunstwerken, zodra de meetgegevens beschikbaar komen, worden opgenomen in het beheerregister. 4.3.1 Oude indeling boezemwateren In de 1988-legger worden de boezemwateren ingedeeld in 3 typen boezemwateren te weten: Primaire boezemwateren: Alle grote boezemkanalen en meren die dienen als aan- en afvoerweg naar de boezemgemalen en de boezemwateren met een belangrijke transport en bergende functie; Secundaire boezemwateren: De boezemwateren met een regionale functie waarop een poldergemaal uitslaat of waar zich een belangrijke inlaat van een polder bevindt; Tertiaire boezemwateren: Deze boezemwateren hebben een lokale transportfunctie en ontwaterende functie en/of dienen een zekere drooglegging te geven; 4.3.2 Nieuwe indeling boezemwateren Bovenstaande, op zich logische, waterstaatkundige indeling is in het reglement van 1995 gewijzigd. Er worden nu nog slechts twee hoofdtypen wateren onderscheiden, te weten: Primaire boezemwateren: Dit zijn alle grote boezemkanalen en meren die dienen als aan- en afvoerweg naar de boezemgemalen en de boezemwateren met een belangrijke transport en bergende functie en de boezemwateren met een regionale functie waarop een poldergemaal uitslaat of waar zich een belangrijke inlaat van een polder bevindt. Deze laatste wateren zijn de huidige categorie secundaire wateren (van de nu nog vigerende legger) uit het vorige reglement; Secundaire boezemwateren: Deze wateren hebben een lokale transportfunctie en ontwaterende functie en/of dienen een zekere drooglegging te geven. Dit zijn de huidige tertiaire wateren uit het vorige reglement en waarvan de dimensies en onderhoudsplicht geregeld zijn in de keur; De onderhoudsplicht van de primaire boezemwateren berust bij Rijnland. De onderhoudsplicht van de secundaire boezemwateren berust bij derden. 4.3.3 Subcategorie Het belang van een goede waterstaatkundige indeling wordt geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld: Het Spaarne is één van de hoofdaders (breedte 40 – 90
  8. m)van het boezemstelsel en draagt zorg voor de afvoer van het wateroverschot uit noord-west Rijnland naar het boezemgemaal Spaarndam. De voorboezem van polder Steekt is een smal boezemwater (breedte 7
  9. m)dat alleen zorg draagt voor de afvoer van water van een poldergemaal. Beide boezemwateren worden in de nieuwe legger als “primair” aangeduid, terwijl ze waterstaatkundig gezien totaal verschillende functies vervullen. In alle facetten van het waterbeheer, van waterkwantiteit tot waterkwaliteit, is de waterstaatkundige indeling onmisbaar. Onderstaand zijn een aantal voorbeelden weergegeven: Waterkwaliteits en ecologische beoordelingen; Prioriteitennota (baggerplan); Beoordeling vergunningenaanvragen; Beoordelingscriteria watergangen; Etc; De tientallen jaren aan kennis en ervaring die is gaan zitten in de opbouw van dit waterstaatkundige systeem mag niet verloren gaan. Om de boezemwateren ook in de nieuwe legger op hun waterstaatkundige belang te kunnen onderscheiden wordt in de Legger de volgende subcategorie op te nemen: Hoofdstelsel Alle grote boezemkanalen en meren die dienen als aan- en afvoerweg naar de boezemgemalen en de boezemwateren met een belangrijke transport en bergende functie; Regionaalstelsel De boezemwateren met een regionale functie waarop een poldergemaal uitslaat of waar zich een belangrijke inlaat van een polder bevindt; Lokaal stelsel Deze boezemwateren hebben een lokale transportfunctie en ontwaterende functie en/of dienen een zekere drooglegging te geven; Indeling boezemwateren Hoofdindeling op basis van reglement subcategorie op basis van waterstaatkundig belang onderhoudsplicht Primaire boezemwateren Primaire boezemwateren secundaire boezemwateren Hoofdstelsel regionaalstelsel lokaalstelsel Rijnland Rijnland derden 4.4 Uitwerking onderhoudsplicht 4.4.1 Inleiding Belangrijk onderdeel van de legger zijn de onderhoudsplichtigen en de onderhoudsverplichtingen. De onderhoudsplichtigen zijn de personen of instanties die op grond van de keur verantwoordelijk zijn voor het onderhoud (de zogenaamde onderhoudsplicht) van een (gedeelte van een) watergang. In deze paragraaf wordt nader toegelicht op welke wijze de onderhoudsplichtigen zijn bepaald en wat deze onderhoudsplicht precies inhoudt. 4.4.2 Onderhoudsplicht Keurartikelen De onderhoudsplicht omvat (artikel 27): 1. Het schoonmaken van de boezemwateren (geregeld in artikel 28): dit is het schonen en instandhouden van de bodem, de oevers en de taluds, zoals bijvoorbeeld maaien, verwijderen van drijfvuil en herstel van ingezakte taluds; 2. Het op afmetingen houden (geregeld in artikel 29): dit is het onderhoud van het natte doorstroomprofiel, zoals bijvoorbeeld baggeren; Onderhoud aan kaden en oevers Voor de bescherming van het aan boezemwater grenzend land, bijvoorbeeld tegen oeverafkalving buiten het waterhuishoudkundig vereiste profiel, is ongeacht of het een primair of secundair boezemwater betreft, primair de zakelijk gerechtigde verantwoordelijk. Hetzelfde uitgangspunt geldt ook voor kademuren die voor de instandhouding van het langs een boezemwater gelegen weglichaam zijn aangebracht. In dat geval is de wegbeheerder als zodanig of als vergunninghouder voor het onderhoud en de instandhouding van de kademuur aansprakelijk. (Toelichting artikel 1.4 reglement 1995) Onderhoud ter plaatse van kunstwerken In artikel 33 van de keur is vastgelegd dat het onderhoud van het stroomprofiel in kunstwerken, zoals duikers etc, bij de eigenaar ligt. Het onderhoud van het stroomprofiel van een watergang gelegen onder een brug ligt bij de onderhoudsplichtige van de watergang en niet bij de eigenaar van de brug. Wel moet de eigenaar van de brug extra verondiepingen als gevolg van de brug opruimen. Kunstwerken gelegen in boezemwateren zijn vergunningplichtig. De vergunning stelt nadere eisen aan de doorstroombaarheid. Eerste keer op diepte brengen Van belang is op te merken dat op basis van keurartikel 29, lid 5 Rijnland verantwoordelijk is voor het voor de eerste keer op diepte brengen van boezemwateren waarvan de onderhoudsplicht bij particulieren berust. In de notitie “onderhoudsplicht, mei 2000” is dit aspect nader uitgewerkt. Op welke wijze de onderhoudsplicht na het vaststellen van de nieuwe legger zal worden geëffectueerd, zal worden uitgewerkt in het baggerprogramma. artikel 29, lid 5: Boezemwateren waarvan de afmetingen bij inwerkingtreding van deze keur niet aan de hierboven gestelde eisen voldoen, worden door en op kosten van Rijnland op de voorgeschreven afmetingen gebracht en dienen vervolgens door de onderhoudsplichtige op die afmetingen te worden gehouden. Ingreepmaat Conform de nota BCW is de in de legger weergegeven dieptemaat een zogenaamde ingreepmaat. Deze maat geeft de minimaal vereiste waterdiepte aan. Indien de baggerlaag op de ingreepmaat komt, moet er ingegrepen (gebaggerd) worden. In de praktijk zal dus gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat, om te voorkomen dat de minimale diepte wordt overschreden. De diepte tot waar gebaggerd moet worden, de zogenaamde onderhoudsmaat, wordt bepaald door bedrijfseconomische redenen en de snelheid waarmee een watergang verondiept. De huidige typering (volgens de 1988-legger) van de leggermaat als een diepste maat vervalt daarmee. Handhaving onderhoudsplicht Rijnland controleert of de onderhoudsplichtigen hun onderhoudsplicht naar behoren hebben uitgevoerd. Dit is de zogenaamde schouw. Voor wat betreft de diepte schouw (controle of de watergangen voldoen aan de legger) geldt het volgende: In principe moeten alle boezemwateren aan de leggerafmetingen voldoen. Het is echter ondoenlijk alle boezemwateren in één slag op de vereiste diepte te brengen. Rijnland zal voor de boezemwateren waarvan zij onderhoudsplichtige is een baggerprogramma opstellen, waarin zal worden aangegeven wanneer welke boezemwateren worden gebaggerd. Gezien de enorme inspanningen die het baggerprogramma zal vereisen, zowel financieel als logistiek, zal het programma meerdere jaren in beslag nemen (5 tot 10 jaar); Indien zich acute waterhuishoudkundige knelpunten voordoen, zal direct worden ingegrepen; Ook van andere onderhoudsplichtigen zal een dergelijke werkwijze worden verwacht, met dien verstande dat geldt dat de watergangen die in onderhoud zijn van particulieren door Rijnland de eerste keer op diepte zullen worden gebracht. Hier zal in het baggerprogramma rekening mee worden gehouden; 4.4.3 Onderhoudsplichtigen Werkwijze bepalen onderhoudsplichtigen De onderhoudsplichtigen van de boezemwateren zijn op de volgende wijze bepaald: Op basis van het reglement is Rijnland verantwoordelijk voor het onderhoud van alle primaire boezemwateren. Voorzover Rijnland op basis van de 1988-legger en de staten A en B behorende bij de keur nog niet onderhoudsplichtige van deze primaire boezemwateren is, wordt door Rijnland de onderhoudsplicht van deze boezemwateren van de huidige onderhoudsplichtigen overgenomen. In de paragrafen 4.4.4 en 4.4.5 is dit overname traject verder uitgewerkt; Op basis van artikel 25 van de keur berust de onderhoudsplicht van de overige boezemwateren (dit zijn dus de secundaire boezemwateren) bij de Kadastrale Eigenaren; Voor een aantal secundaire boezemwateren geldt (in totaal 46 stuks) dat de onderhoudsplicht momenteel (dus op basis van de 1988-legger en de staten A en B behorende bij de keur) aan een aantal specifieke instanties is toegewezen, met name aan Rijnland (totaal 38) en enkele gemeenten (totaal 8). In de nieuwe legger zijn de onderhoudsplichtigen van deze secundaire boezemwateren ongewijzigd overgenomen; Staten A en B van de keur In de keur staan sinds oudsher zogenaamde staat A en staat B boezemwateren vermeld. In staat A staan de boezemwateren weergegeven die door Rijnland moeten worden onderhouden en in staat B staan de boezemwateren weergegeven die door de daarbij aangegeven natuurlijk rechtspersonen moeten worden onderhouden. De staten A en B kunnen worden beschouwd als de voorlopers van de legger van 1988. In principe zouden deze staten A en B na vaststelling van de 1988-legger geen betekenis meer moeten hebben, maar omdat de 1988- legger onvolledig is hebben de staten A en B, totdat nieuwe legger is vastgesteld, nog steeds een functie. Na vaststelling van de nieuwe legger hebben de staten A en B geen betekenis meer en komen dan ook te vervallen. Om de juiste onderhoudsplichtigen te achterhalen was het noodzakelijk naast de 1988-legger gebruik te maken van de staten A en B. Deze staten moesten eerste geactualiseerd worden aangezien ze de laatste 25 jaar niet meer waren bijgewerkt. Zo waren de volgende ontwikkelingen niet verwerkt: In de staten A en B staan enkele boezemwateren vermeld die niet meer bestaan (geheel of gedeeltelijk gedempt) of polderwater zijn geworden; De afgelopen jaren is de onderhoudsplicht van een groot aantal boezemwateren door Rijnland overgenomen, zie paragraaf 4.4.4 en 4.4.5; Verwijderen artikel 25 lid 2 uit de keur In artikel 25 wordt geregeld dat in principe de kadastrale eigenaren verantwoordelijk zijn voor het onderhoud. Voorzover in de staten A en B geen andere eigenaren zijn aangewezen. In het tweede lid staat dat in een aantal boezemwateren echter een ander onderhoudsregiem geldt. Namelijk dat hier altijd de eigenaren van de kadastrale percelen langs die wateren verantwoordelijk zijn voor het onderhoud. Ook als de watergang een eigen kadastraalnummer en dus eigenaar heeft. Vanwege onderstaande redenen wordt in de nieuwe legger geen rekening meer gehouden met deze regel. Dit keurartikel dient dan ook bij een volgende keurwijziging verwijderd te worden: Het is onbekend waar de in artikel 25 lid 2 aangegeven watergangen liggen; Vanwege de eenduidigheid is het niet gewenst dat er afwijkende onderhoudsbepalingen bestaan; Project overname onderhoudsplicht primaire boezemwateren In het Rijnlandse Waterbeheersplan 1992 is de intentie uitgesproken om de onderhoudsplicht van de primaire boezemwateren (primair volgens de definitie van de 1988-legger), die nog bij derden in onderhoud zijn, bij Rijnland onder te brengen. In de nota “overname onderhoudsplicht primaire boezemwateren” is uitgewerkt welke wateren onder welke voorwaarden door Rijnland moeten worden overgenomen. Inmiddels zijn bijna alle betreffende boezemwateren in onderhoud bij Rijnland. Met uitzondering van de Veen- en Zijlwatering welke nog door de gemeente Wassenaar gebaggerd moeten worden en Kanaal Halfweg welke door de gemeente Amsterdam gebaggerd moet worden. Ook de gemeente Leiden dient een deel van de Veenwatering te baggeren. Over het baggeren zijn met de betreffende gemeente afspraken gemaakt. Uitvoering laat om verschillende redenen nog op zich wachten. In de nieuwe legger zijn voor deze boezemwateren bij het aspect “onderhoudsplichtigen” de volgende tekstuele opmerking gemaakt: Zijlwatering: Gemeente Wassenaar totdat de Zijlwatering door die gemeente op de vereiste leggerafmetingen is gebracht, daarna Rijnland. Veenwatering: Gemeenten Wassenaar/Leiden totdat de Veenwatering door deze gemeenten op de vereiste leggerafmetingen is gebracht, daarna Rijnland. Gemeente Leiden voor het binnen deze gemeente gelegen gedeelte, Gemeente Wassenaar voor het overige gedeelte. Kanaal Halfweg: Gemeente Amsterdam totdat Kanaal Halfweg door die gemeente op de vereiste leggerafmetingen is gebracht, daarna Rijnland. 4.4.5 Project overname onderhoudsplicht boezemwateren met een regionale functie Probleemstelling In de 1988-legger hebben alle grote boezemkanalen en meren die dienen als aan- en afvoerweg naar de boezemgemalen en/of een belangrijke bergende functie een primaire status (onderhoudsplicht Rijnland). De boezemwateren met een regionale functie hebben een secundaire status en de boezemwateren met een lokale functie hebben een tertiaire status. De onderhoudsplicht van de secundaire en tertiaire boezemwateren berust bij gemeenten, provincies, NS, kadastrale eigenaren en deels ook bij Rijnland. Volgens het reglement van 1995 moeten ook alle boezemwateren met een regionale functie een primaire status krijgen. Aangezien de onderhoudsplicht van de primaire boezemwateren bij Rijnland berust, heeft dit tot gevolg dat Rijnland in principe ook verantwoordelijk is voor de onderhoudsplicht van de regionale boezemwateren. Op basis van een aantal criteria is bepaald welke boezemwateren in aanmerking komen voor een regionale functie. Consequentie van de nieuwe indeling is dat Rijnland in principe de onderhoudsplicht van 133 km boezemwateren met een regionale functie moet overnemen. In de notitie “Overname onderhoudsplicht boezemwateren met een regionale functie” wordt uitvoerig ingegaan op de achtergronden en de consequenties. Overname boezemwateren met een regionale functie De Verenigde Vergadering heeft in oktober 2002 ingestemd met het voorstel om de onderhoudsplicht van de regionale boezemwateren, welke nu nog bij derden berust, over te nemen door Rijnland. Hierbij zijn de volgende voorwaarden gesteld: Boezemwateren die nu in onderhoud zijn bij particulieren, worden zonder nadere voorwaarden en verrekening van kosten van de particulieren overgenomen; Na de fusie wordt het nieuwe waterschap automatisch onderhoudsplichtige van de boezemwateren die nu nog in onderhoud zijn bij de inliggende waterschappen. De onderhoudsplicht van deze boezemwateren hoeft dan nu ook niet te worden overgenomen; Boezemwateren in onderhoud bij gemeenten, provincies en NS welke vermeld staan in staat-B moeten door de onderhoudsplichtigen “schoon” worden opgeleverd (wateren moeten voldoen aan de 1988-leggerafmetingen); Boezemwateren in onderhoud overheden welke niet vermeld staan in staat-B: Voor de onderhoudsplichtigen komt voor rekening de baggeraanwas vanaf 1988 tot en met het tijdstip waarop gebaggerd wordt. De overige baggerkosten zijn voor rekening van Rijnland. Bij de overname zijn 3 fases te onderscheiden, te weten: fase 1, informatie en maken van afspraken: 2003-2005 Voordat de onderhoudsplicht van de betreffende boezemwateren kan worden overgenomen moet eerst inzicht worden gekregen in de aanwezige baggerhoeveelheden. Deze meetgegevens komen in de periode 2004-2005 beschikbaar. De periode 2003 – 2004 zal gebruikt worden om de betreffende instanties en kadastrale eigenaren te informeren en om nadere afspraken te maken; fase 2, 1e overname: 2005 In 2005 kan dan gestart worden met de daadwerkelijke overname van de onderhoudsplicht van de boezemwateren die aan de leggerafmetingen voldoen en de onderhoudsplicht van de boezemwateren waarvan het onderhoud bij de particulieren berust; fase 3, 2e overname: 2005-2010 Verwacht wordt dat de doorlooptijd van het overnemen van de onderhoudplicht van boezemwateren die nog door derden gebaggerd moeten worden enkele jaren in beslag kan nemen. Aansluiting zal worden gezocht bij het baggerprogramma en het project overname stedelijk water; Uitwerking overname regionale boezemwateren versus nieuwe legger In deze paragraaf is beschreven op welke wijze te werk wordt gegaan bij de overname van de onderhoudsplicht van de regionale boezemwateren. De volgende situaties zijn te onderscheiden. Regionale boezemwateren waarvan de onderhoudsplicht: al bij Rijnland berust: 106 stuks; bij gemeenten en/of provincies berust: 35 stuks; volledige bij particulieren berust: 69 stuks; niet (volledig) bij particulieren berust: 44 stuks; De betreffende boezemwateren zijn in bijlage 4 weergegeven. Onderhoudsplicht berust al bij Rijnland Op basis van de 1988-legger berust van 106 boezemwateren met een regionale functie de onderhoudsplicht al bij Rijnland. Deze onderhoudsplicht wordt zondermeer in de nieuwe legger overgenomen. Onderhoudsplicht berust bij overheden: Op basis van de 1988-legger berust van 35 boezemwateren de onderhoudsplicht bij overheden. Metingen moeten uitwijzen in hoeverre deze wateren aan de nieuwe leggerafmetingen voldoen. Er kunnen zich dan twee situaties voordoen: 1. De watergang is verondiept: De betreffende instanties dienen deze wateren eerst op diepte te brengen voordat Rijnland de onderhoudsplicht zal overnemen. In de legger zal bij het aspect onderhoudsplichtige de volgende melding worden opgenomen: “Gemeente xxxxx totdat de xxxxwatering door die gemeente op de vereiste leggerafmetingen is gebracht, daarna Rijnland”; 2. De watergang voldoet aan de legger: Rijnland neemt de onderhoudsplicht zondermeer van de betreffende onderhoudsplichtige over; Onderhoudsplicht berust bij Kadastrale eigenaren Van de boezemwateren waarvan volgens de 1988-legger de onderhoudsplicht bij Kadastrale Eigenaren berust, is met behulp van het Rijnlandse GIS achterhaald welke kadastrale percelen van “particulieren” zijn en welke kadastrale percelen van overheden zijn. Er kunnen zich dan 2 situaties voordoen: 1. Indien de onderhoudsplicht volledig bij particulieren berust neemt Rijnland zondermeer de onderhoudsplicht van de particulieren over; 2. Kadastrale eigendom berust (deels) bij overheden: Met de betreffende overheden worden nadere afspraken gemaakt, voordat Rijnland de onderhoudsplicht zal overnemen. Rijnland hanteert hierbij, conform de nota overname onderhoudsplicht boezemwateren met een regionale functie, het uitgangspunt dat voor deze onderhoudsplichtigen de baggeraanwas voor rekening komt vanaf 1988 tot en met het tijdstip waarop gebaggerd wordt. De overige baggerkosten zijn voor rekening van Rijnland. In de legger wordt bij deze boezemwateren bij het aspect onderhoudsplichtige de volgende melding opgenomen: “Kadastraal eigendom is grotendeels in handen van overheden. Totdat met deze instanties een regeling is getroffen berust de onderhoudsplicht bij de Kadastrale Eigenaren, daarna bij Rijnland”. Uit onderzoek blijkt echter dat in elk van de over te nemen boezemwateren vele (soms tientallen) kadastrale percelen liggen. Het merendeel van deze percelen is in eigendom van particulieren. Maar ook overheden zijn soms kadastraal eigenaar van enkele percelen. Conform de vastgestelde nota “overname onderhoudsplicht” moeten overheden een bepaalde bijdrage betalen, voordat Rijnland de onderhoudsplicht van overheden overneemt; Als van een boezemwater de onderhoudsplicht voor een zeer klein gedeelte bij overheden berust (het merendeel berust dus bij particulieren), dan weegt over het algemeen de totale bijdrage niet op tegen de inspanningen (ambtelijke inzet, onderhandelingen, briefwisselingen, etc.) die door Rijnland moeten worden gemaakt om deze bijdrage te kunnen incasseren. Door Rijnland is in dit geval besloten, dat als de totale bijdrage van overheden per boezemwater kleiner is dan 5000,-, de onderhoudsplicht zonder nadere voorwaarden en verrekeningen van de betreffende overheden wordt overgenomen. In het kader van het peilbesluit “peilvakken De Zilk” wordt Rijnland zondermeer onderhoudsplichtige van alle in deze peilvakken gelegen regionale boezemwateren. Om de baggeraanwas van 1988 tot en met 2004 te kunnen berekenen dienen in principe de meetgegevens van 1988 te worden vergeleken met de uitkomsten van het meetprogramma dat in 2004 wordt afgerond. Probleem hierbij is dat van 1988 onvoldoende meetgegevens beschikbaar zijn om de baggeraanwas te kunnen bepalen. Er moet dan ook gewerkt worden met globale baggeraanwas cijfers. Uit de nota “zwevende stofbalans” blijkt dat de baggeraanwas per jaar ca. 1 cm bedraagt. De baggeraanwas over de periode 1988 – 2004 bedraagt dan globaal 14 cm. 4.4.6 Verdieping van boezemwateren Indien in de nieuwe legger ten opzichte van de 1988-legger een watergang een diepere bodemligging krijgt, dan zijn de meerkosten van deze verdieping voor Rijnland, conform de artikelen 1.7 en 1.8 uit het vorige reglement. In de praktijk komt het er op neer dat alle boezemwateren die volgens de nieuwe legger verdiept moeten worden in beheer en onderhoud van Rijnland zijn (hoofdstelsel) of komen (regionaal stelsel). In de lokale boezemwateren speelt deze problematiek niet, omdat ze een gelijke of ondiepere bodemligging krijgen. 4.4.7 Boezemwateren in onderhoud bij de (voormalige) inliggende waterschappen De (voormalige) inliggende waterschappen zijn op grond van hun leggers en de 1988-legger van Rijnland verantwoordelijk voor de onderhoudsplicht van een aantal boezemwateren. I.v.m. de fusie vervalt de onderhoudsplicht van deze wateren aan Rijnland. Het betreft hier de volgende boezemwateren: Waterschap Wilck&Wiericke RL-2200 Oostvaart (Wilck&Wiericke heeft in 2001 de onderhoudsplicht van de Oostvaart van de gemeente Hazerswoude overgenomen); RL-2209 voorboezem polder Reeuwijk; RL-2205 voorboezem polder Steekt; RL-2211 voorboezem polder de Noordplas; In de 1988-legger stond hier als onderhoudsplichtige de kadastrale eigenaar vermeld. Terwijl het inliggende waterschap op basis van hun legger verantwoordelijk was voor de onderhoudsplicht. RL-2201 voorboezem polder Alpherhoorn; RL-2198 Hoogeveense Vaart; In de 1988-legger stond hier als onderhoudsplichtige de kadastrale eigenaar vermeld. Terwijl het inliggende waterschap op basis van hun legger verantwoordelijk was voor de onderhoudsplicht RL-4394 voorboezem Polder Westbroek; RL-4082 voorboezem Zwet- en Grote Blankaartpolder; RL-2221 voorboezem Drooggemaakte Grote Polder; RL-2222 voorboezem Nieuwe Driemanspolder; RL-2192 voorboezem Hofpolder; In de 1988-legger stond hier als onderhoudsplichtige de kadastrale eigenaar vermeld. Terwijl het inliggende waterschap op basis van hun legger verantwoordelijk was voor de onderhoudsplicht Waterschap Groot Haarlemmermeer: Niet van toepassing. Waterschap De Oude Rijnstromen: Geen gegevens voorhanden. 4.5 Legger versus vaarwegbeheer en overige functies 4.5.1 Inleiding De boezemwateren in Rijnland vervullen verschillende functies, zoals: Waterstaatkundige functie (zowel kwantiteit als kwaliteit); Vaarwegfunctie; Recreatiefunctie; Ontvangen van lozingen; Viswater; etc.; De functies komen in veel gevallen in combinatie voor. Iedere functie stelt specifieke eisen aan de kwaliteit en het beheer van het watersysteem. Een aantal primaire boezemwateren in het beheersgebied van Rijnland heeft bijvoorbeeld zowel een waterstaatkundige- als een vaarwegfunctie. Het waterstaatkundige beheer is in handen van Rijnland en het vaarwegbeheer is in handen van de provincies Noord- en Zuid-Holland en enkele gemeenten. Voor beide functies is een bepaald minimaal profiel noodzakelijk. Dit betekent dat in de boezemwateren met zowel een vaarweg- als een waterstaatkundige functie er twee beheerders verantwoordelijk zijn voor het profiel onderhoud. In dit hoofdstuk worden de aspecten die samenhangen met het vaarweg- en het waterstaatkundigbeheer en hoe hier in de legger mee wordt omgegaan, nader beschouwd. 4.5.2 Waterstaatkundigbeheerder Rijnland is op grond van de Waterschapswet verantwoordelijk voor onder andere de zorg voor de waterhuishouding (wateraan- en afvoer) en het waterkwaliteitsbeheer. Om deze taken naar behoren te kunnen uitoefenen is Rijnland op grond van de Waterschapswet verplicht tot het opstellen van een legger van de boezemwateren. Deze legger dient alleen het waterstaatkundig belang. M.a.w. woorden, in de legger worden alleen die gegevens vermeld die van belang zijn voor de waterhuishouding. Aan de legger kunnen dan ook geen rechten worden ontleend ten behoeve van: Scheepvaart; Recreatieve belangen (inrichting oevers etc); Woonboten; Overige functies en belangen; Het vaarwegbeheer behoort niet tot de Rijnlandse taken. In de nieuwe legger van de boezemwateren wordt dan ook expliciet geen rekening gehouden met de eisen die de scheepvaart en ook andere functies stellen aan de waterdiepte. 4.5.3 Nautisch beheer Rijnland is op grond van het reglement verantwoordelijk voor het nautisch beheer van een aantal boezemwateren. Deze taak omvat mede de zorg voor de toepassing van de scheepvaartverkeerswet voorzover het boezemwateren betreft waarvoor het hoogheemraadschap is aangewezen als bevoegd gezag. De scheepvaartverkeerswet bevat bepalingen over de ordening van het scheepvaartverkeer en draagt aan de nautisch beheerder de zorg op voor een vlotte en veilige afwikkeling van dit verkeer, door vooral het treffen van verkeersmaatregelen te water. Het nautisch beheer omvat niet het vaarwegbeheer. 4.5.4 Vaarwegbeheerder Ten aanzien van vaarwegen kan onderscheid worden gemaakt in: Scheepvaartwegen van belang voor de beroepsscheepvaart, zoals vastgelegd in de provinciale scheepvaartverordeningen, de zogenaamde provinciale vaarwegen; Vaarwegen met alleen een recreatieve functie; Provinciale vaarwegen Het vaarwegbeheer houdt in het ten behoeve van de scheepvaart in stand houden van de scheepvaartwegen, de daartoe behorende kunstwerken en de daarlangs gelegen oevers en oeverwerken, zoals geregeld in de betreffende scheepvaartwegenverordeningen van de provincies Zuid- en Noord-Holland. De provincies en enkele gemeenten zijn verantwoordelijk voor het vaarwegbeheer en het op diepte houden van de provinciale vaarwegen. In het kader van deze verantwoordelijkheid moeten de vaarwegbeheerders zogenaamde profielbesluiten vaststellen, waarin de afmetingen worden vastgelegd waaraan de vaarwegen moeten voldoen. Deze profielbesluiten zijn vergelijkbaar met de legger van de boezemwateren. Deze profielbesluiten zijn nog niet door de provincies vastgesteld (planning 2004). M.a.w. het is momenteel nog niet exact bekend aan welke eisen de vaarwegen moeten voldoen. Wel hebben de provincies in voorbereiding op de profielbesluiten de maximale afmetingen vastgelegd waaraan de scheepvaart moet voldoen, dit zijn de zogenaamde “afmetingen besluiten”. Bij het opstellen van de profielbesluiten wordt met de volgende uitgangspunten rekening gehouden: De provinciale vaarwegen zijn over het algemeen zo smal dat de hele breedte nodig is voor de scheepvaart en moeten over de hele breedte dus ook voldoende diep zijn; Voor het goed functioneren van de vaarwegen is een bepaalde minimale diepte noodzakelijk. Doordat er op diverse plaatsen beperkingen zijn, die min of meer als een gegeven beschouwd moeten worden, bijvoorbeeld de diepte van een sluisdrempel of de breedte van een brug, kunnen niet overal grote schepen komen. Voor het merendeel van de provinciale vaarwegen geldt een maximale diepgang van 2,50 m; Voor een goed functioneren is een bepaalde overdiepte onder de kiel noodzakelijk. De zogenaamde “kie lclearance”. Deze maat is o.a. afhankelijk van de scheepvaartklasse, drukte, vaarsnelheid e.d. en bedraagt globaal 0,80 m; Op basis van bovenstaande uitgangspunten kan de globale vaarwegdiepte worden berekend. Vaarwegdiepte = maximale diepgang + overdiepte = 2,50 + 0,80 = 3,30 m (bodemdiepte NAP –3,90 m); Een aantal boezemwateren welke ook provinciale vaarweg zijn krijgen in de nieuwe legger, ten opzichte van de 1988-legger, een ondiepere bodemligging. Dit heeft in principe nadelige gevolgen voor de scheepvaartbeheerder. Hier staat tegenover dat in de nieuwe legger een aantal boezemwateren ook een diepere bodemligging krijgt, wat weer positieve gevolgen heeft voor de scheepvaartbeheerder. In het algemeen kan worden gesteld dat de nieuwe legger van de boezemwateren voor de provinciale vaarwegen geen grote gevolgen heeft. In het onderstaande overzicht is weergegeven welke boezemwateren ook een provinciale vaarwegfunctie hebben: Overzicht welke boezemwateren hebben tevens een provinciale vaarwegfunctieBoezemwater Beheerder Aarkanaal Additionele kanaal Gouwe Heimanswetering Katwijkskanaal Korte Vlietkanaal Oude Rijn Oude Wetering Paddegat Rijn Rijn-Schiekanaal Ringvaart v.d. Haarlemmermeerpolder Spaarne Vaargeul Braassememeer Vaargeul Kagerplassen Zijl Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Noord-Holland Gemeente Haarlem Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Recreatieve vaarwegen Het vaarwegbeheer ten aanzien van de recreatieve scheepvaart is niet goed geregeld. Er zijn geen officiële vaarwegbeheerders aangewezen en meestal ontbreken specifieke dieptematen. Wel hebben diverse instantie en gemeenten belang bij een bepaalde waterdiepte. De recreatieve scheepvaart kan meeliften op de leggerafmetingen van Rijnland, maar Rijnland is als waterstaatkundig beheerder niet verantwoordelijk voor het op diepte houden van wateren voor de (recreatieve) scheepvaart. In de nieuwe legger krijgen een aantal boezemwateren, ten opzichte van de 1988-legger, een ondiepere bodemligging. Dit kan nadelige gevolgen hebben voor de recreatieve scheepvaart. Het is niet zo dat op basis van bijvoorbeeld “gewoonte recht” Rijnland toch verplicht is te zorgen voor voldoende waterdiepte voor de scheepvaart, omdat de legger namelijk alleen het waterstaatkundige belang dient. Daarnaast geldt dat de onderhoudsplicht van de lokale boezemwateren is toegewezen aan de direct belanghebbenden (de kadastrale eigenaren) en niet aan Rijnland. Deze kadastrale eigenaren kunnen niet worden verplicht de problemen van de recreatieve scheepvaart op te lossen. 4.5.5 De provinciale vaarweg als onderdeel van het waterstaatkundigbeheer De provinciale vaarwegen maken onderdeel uit van het boezemstelsel van Rijnland. Dit betekent dat in de wateren met zowel een vaarweg- als een waterstaatkundige functie er twee beheerders verantwoordelijk zijn voor (en belang hebben bij) het profielonderhoud. In de concept nota “kostenverdeling vaarwegbeheer en baggeren” zijn voorstellen gedaan hoe met deze gedeelde verantwoordelijkheid efficiënt kan worden omgegaan, zoals: Voorstellen voor een kostenverdeling; Voorstellen voor de aanpak van baggeren; In het kader van het baggerprogramma zullen deze voorstellen met de vaarwegbeheerders nader worden uitgewerkt. 4.5.6 Uitwerking in de legger Het vaarwegbeheer behoort niet tot de Rijnlandse taken. Op grond van de Waterschapswet moeten in de legger van de boezemwateren alleen die afmetingen worden opgenomen die het waterstaatkundige belang dienen. In de nieuwe legger van de boezemwateren wordt dan ook expliciet geen rekening gehouden met de eisen die de scheepvaart stelt aan de waterdiepte. Hiervoor is de vaarwegbeheerder zelf verantwoordelijk. Het is vooralsnog niet mogelijk als extra informatie in de legger aan te geven welke waterdieptes voor de scheepvaart zijn vereist, aangezien er door de provincies nog geen officiële profielbesluiten zijn vastgesteld. Zodra deze zijn vastgesteld zullen ze in de toelichting op de legger worden opgenomen. 5. Ontwerpgrondslagen watergangen 5.1 Inleiding 5.1.1 Beoordelingscriteria In het ontwerp, beheer en onderhoud van watergangen worden eisen gesteld aan de dimensies van de watergang (legger), toelaatbare waterstanden (peilbesluit), stroomsnelheden en de wijze van onderhoud. Vaak is niet duidelijk op grond waarvan (criteria) leggerafmetingen zijn vastgesteld en wanneer baggerwerk noodzakelijk is. Met behulp van zogenaamde “beoordelingscriteria” wordt een onderbouwing gelegd voor de dimensies en onderhoud van de watergangen. Uitgangspunt hierbij is dat de functie(
  10. s)van een watergang bepalend zijn. Deze beoordelingscriteria zijn door Rijnland voor de boezemwateren vastgelegd in de nota “Beoordelingscriteria watergangen” (nota BCW), vastgesteld door de VV in februari 2001. Met de beoordelingscriteria worden niet de dimensies, het beheer en onderhoud van een bepaalde watergang vastgelegd. Hiervoor dient de legger. De beoordelingscriteria zijn een middel om de legger op te stellen. Het is beter te spreken van “Ontwerpgrondslagen en richtlijnen beheer en onderhoud van watergangen”, dan van “Beoordelingscriteria”. 5.1.2 Herijking Beoordelingscriteria Nadere analyse van de nota BCW leerde dat een aantal criteria niet concreet genoeg waren om direct te kunnen worden toegepast. Ook bleken een aantal criteria voor het ontwerp van de legger niet relevant te zijn. Voorts bleek dat op basis van voortschrijdend inzicht een aantal criteria, met name waterkwaliteitscriteria, moest worden aangepast. Er heeft derhalve een herijking van de beoordelingscriteria plaatsgevonden. 5.1.3 Leeswijzer Voor uitgebreide onderbouwing van de beoordelingscriteria wordt verwezen naar de nota BCW. In de volgende paragrafen staat alleen weergegeven op welke wijze de BCW zijn toegepast en, indien van toepassing, welke wijzigingen zijn doorgevoerd. Voor een aantal onderwerpen was het noodzakelijk dieper op de materie in te gaan, omdat er nog geen criteria waren ontwikkeld of omdat op belangrijke punten van de oorspronkelijke criteria is afgeweken. Vanwege de omvang van de onderbouwing is het onderwerp “minimale waterstand boezemgemaal Katwijk” in een apart hoofdstuk behandeld. Hetzelfde geldt ook voor de berekeningsmethodieken. De waterkwaliteits- en ecologische criteria zijn in de nota BCW vrij summier behandeld. Dit belangrijke onderdeel is dan ook volledig herzien. De volledig nieuwe tekst is in bijlage 1 opgenomen. Conform de nota BCW worden de volgende onderwerpen behandeld: Scheepvaart Beheer en onderhoud Waterkwaliteit Waterkwantiteit In de volgende tabel is een overzicht gegeven welke criteria uit de nota BCW zijn “herijkt” en welke zonder meer zijn overgenomen. CriteriaCritieria volgens nota BCW Herrijkte criteria Achtergrond document Scheepvaart Waterdiepte afhankelijk v.d. scheepvaartklasse RLD is geen vaarwegbeheerder. in de legger is dan ook geen rekening gehouden met de eisen die de scheepvaart stelt aan de waterdiepte. 4.5 Dwars- / langstromingen scheepvaart < 0.30 - < 0,50 m/s Zijn impliciet meegenomen aangezien op basis van de waterkwantiteit de maximale stroomsnelheid 0.30 m/s bedraagt. Beheer en onderhoud Stabiele taluds 1:2.5 - 1:3 Conform nota BCW 5.3 Bodembreedte minimaal 0,50 m Conform nota BCW Waterkwaliteit en ecologie 20% van de watergangen 1 m diep Stedelijk water minimaal 1 m diep Deze 3 criteria zijn nader onderbouwd en vervangen door het criterium dat de minimale waterdiepte in het lokale stelsel 0,50 - 0,75 m (afhankelijk van de breedte) en in het regionale- en hoofdstelsel 1m dient te zijn. 5.4 Lokaal verdiepingen van 1,5 - 2 m Conform nota BCW 5.4.2 Rekening houden met lozingen overstorten Conform nota BCW, waterdiepte minimaal 0.75 m 5.4.5 T.a.v. slibopwerveling / dikte sliblaag zijn geen criteria opgenomen Nieuw aandacht: slibopwerveling door scheepvaart / dikte baggerlaag 5.4.6 Ontvangen puntlozingen 2.5 m Criterium onvoldoende uitwerkt. Na afweging is dit criterium dan ook niet meegenomen 5.4.4 Waterkwantiteit Windbelasting T = 25 storm Te forse afwaaiing. Profielen dienen te fors te worden verdiept. Op basis van expert judgement gekozen voor een T= 1 storm 5.5.2 Maatgegevende neerslag T=100 (rekening houdend met toename van 10%) Conform nota BCW 5.5.2 Maximale stroomsnelheid 0.20 - 0.30 m/s Conform nota BCW 5.5.1 Minimale waterstanden t.p.v. de boezemgemalen Conform nota BCW, voor Katwijk heeft een nadere uitwerking plaatsgevonden 5.5.4 + 6 Maximaal verhang van 0.05 cm Conform nota BCW 5.5.4 5.2 Scheepvaart 5.2.1 Criteria volgens nota BCW Waterdiepte afhankelijk van de scheepvaartklasse. Tevens is een maximale stroomsnelheid opgenomen van 0,50 m/s in verband met manoeuvreerbaarheid. 5.2.2 Uitwerking Zoals in paragraaf 4.5 staat weergegeven behoort het vaarwegbeheer niet tot de Rijnlandse taken. In de nieuwe legger van de boezemwateren wordt dan ook expliciet geen rekening gehouden met de eisen die de scheepvaart stelt aan waterdiepte. 5.3 Beheer en onderhoud 5.3.1 Talud Criteria volgens nota BCW Onderwatertalud afhankelijk van de grondsoort (stabiliteit van het onderwatertalud), variërend van 1:1,5 tot 1:4 . Uitwerking Voor het hoofdstelsel is het van belang dat er voor een goede aan- en afvoer voldoende natoppervlak aanwezig is. Beperkende factor is de breedte, aangezien de breedte van een watergang nagenoeg planologisch vastligt en wijziging zowel financieel als planologisch moeilijk realiseerbaar is. Door te variëren met het talud binnen de gestelde marges kan voorkomen worden dat onnodig diep moet worden gebaggerd. Voor het hoofdstelsel wordt dan ook, indien mogelijk, een onderwatertalud van 1:2,5 voorgeschreven dat enerzijds stabiel is maar anderzijds zo steil als mogelijk is om voldoende natoppervlak te kunnen creëren. Voor meren en plassen wordt, indien voldoende ruimte aanwezig, is een talud van 1:20 geadviseerd, anders 1:5, zie ook de volgende paragraaf. Voor regionale en lokale boezemwateren zijn met name de waterdiepte eisen ten behoeve van de waterkwaliteit van belang. Het natprofiel van het merendeel van deze wateren is, als aan de legger wordt voldaan, over het algemeen voldoende ruim om de water aan- en afvoer te kunnen garanderen. In deze wateren kan dan ook een iets minder steil talud worden toegepast, namelijk 1:3. Als uit berekeningen bleek dat wateraan- en afvoer mogelijk problemen op zou kunnen leveren en de waterdiepte in verband met de geringe breedte niet meer kon worden aangepast, is het talud aangepast tot minimaal 1:1,5. 5.4 Waterkwaliteit 5.4.1 Waterkwaliteit versus lokaalstelsel Criteria volgens nota “Legger - waterkwaliteit en ecologie” Criteria volgens nota legger waterkwaliteit en ecologieParameter Waterdiepte sloot Nutriënten Zuurstofhuishouding Fytoplankton Zoöplankton Oeverplanten/waterplanten Macrofauna Vis Zo diep mogelijk Zo diep mogelijk, minimaal 0.50 m bijvoorkeur 0.75m - - Optimum 0.50 - 0.60 m midden sloot, flauw talud tenminste 1:3 Optimum 0.50 - 0.60 m midden sloot, flauw talud tenminste 1:3 Ondiepe oeverzone, midden minimaal 0.50 m Baggerdikte Zo klein mogelijk, baggeren tot op harde bodem Uitwerking in legger Om kroosdominantie te voorkomen en daarmee een gezonde zuurstofhuishouding mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat de minimale waterdiepte in smalle sloten 0,50 m bedraagt. Dit is echter een kritische ondergrens, een grotere waterdiepte van 0,75 m biedt meer garantie voor de zuurstofhuishouding in kleine wateren. Waar mogelijk (dus vooral in de iets bredere sloten) wordt een dieptemaat van 0,75 m geadviseerd. Deze waarde is pragmatisch gekozen tussen de minimale dieptemaat voor smalle sloten (0,50
  11. m)en de dieptemaat voor kanalen (1 m). Het toepassen van een talud van 1:3 is, voorzover de breedte dit toelaat, geen probleem aangezien dit ook uit het oogpunt van de stabiliteit noodzakelijk is. Op basis van bovenstaande uitgangspunten worden in lokale boezemwateren de volgende ingreepmaten gehanteerd. Indien de lokale boezemwateren smaller zijn dan 5 m, dient de minimale waterdiepte 0,50 m te bedragen; Als de lokale boezemwateren gelijk aan of breder zijn dan 5 m, dient de minimale waterdiepte 0,75 m te bedragen; De minimale waterdiepte in boezemwateren smaller dan 5 m bedraagt 0,75 m als in betreffende wateren overstorten lozen, zie ook paragraaf 5.4.5; Bij boezemwateren smaller dan 1,5 m kan, i.v.m. het vereist talud niet aan deze ingreepmaat worden voldaan, hier gelden afwijkende maten. breedte / dieptematen lokaalstelselBreedte in m diepte in m Talud Bodembreedt < 1.50 > 1.50 - 3.00 > 3.00 - 5.00 > 5.00 1/3 breedte 0.50 0.50 0.75 1:1.5 1:1.5 - 1:3 1:3 1:3 0 0 >0 >0 Resumé Voor de lokale wateren geldt dat in de nieuwe legger ten opzichte van de 1988-legger geen noemenswaardige wijzigingen worden doorgevoerd. Wel werd er in de 1988-legger een iets diepere waterdiepte voorgeschreven (maximaal 1 m), maar rekeninghoudend met de ingreepmaat komt deze waterdiepte vrijwel overeen met de in de nieuwe legger gehanteerde waterdiepte. Dit heeft tot gevolg dat als er gebaggerd wordt, alle bagger tot op de harde bodem zal worden weggehaald. Hiermee wordt dus automatisch ook voldaan aan de wens om te baggeren tot op de harde bodem. Criteria volgens nota Legger waterkwaliteit- en ecologieVariabele Waterdiepte Nutriënten Zuurstofhuishouding Oeverplanten Waterplanten Fytoplankton Macrofauna Vissen Grote waterdiepte Grote waterdiepte Oeverzone, talud 1:20 tot diepte van 1 meter Talud 1:20 tot maximale diepte 4-6 meter Voorkomen van overmatige draadalgen groei: diepte groter dan 3 meter Voorkomen van drijfalgenvorming: geen stratificatie, ondieper dan 4 meter Aanwezigheid oeverzone/waterplantenzone, maximale diepte 6 meter Aanwezigheid oeverzone, aanwezigheid diepe plekken van minimaal 1,5 tot 2 meter diep Baggerdikte Zo klein mogelijk, baggeren tot op harde bodem Uitwerking in legger Het toepassen van een talud van 1:3 is, voorzover de breedte dit toelaat, in regionale boezemwateren geen probleem aangezien dit ook uit het oogpunt van de stabiliteit noodzakelijk is. In het hoofdstelsel wordt een iets steiler talud gehanteerd (1:2,5, zie paragraaf 5.3), aangenomen wordt dat de gevolgen hiervan op de waterkwaliteit te verwaarlozen zijn. Op basis van de waterkwantiteit moet het merendeel van de wateren behorende tot het hoofd- en het regionale stelsel, dieper zijn dan 1m (gemiddeld 2 tot 3 m). Hiermee wordt dus automatisch ook voldaan aan de minimale waterkwaliteitseisen. Indien deze boezemwateren smaller zijn dan 6 m kan niet voldaan worden aan de minimale waterdiepte eis, hiermee wordt als volgt omgegaan. breedte / dieptematen regionaalstelsel cq hoofdstelselbreedte in m diepte in m talud bodembreedte < 1.50 > 1.50 - 3.00 >3.00 - 3.75 > 3.75 - 5.00 > 5.00 - 6.00 > 6.00 1/3 breedte 0.50 0.75 0.75 1.00 1.00 1:1.5 1:1.5 - 1:3 1:2 1:2.5 1:2.5 1:3 0 0 >0 >0 >0 >0 Ten opzichte van de 1988-legger kunnen een aantal wateren op basis van de waterkwantiteit en op basis van de waterkwaliteit (m.u.v. de dikte van de baggerlaag) een hogere bodemligging krijgen. Dit betekent in de praktijk dat in deze wateren minder gebaggerd hoeft te worden en dus een reductie van de baggerkosten. Een globale rekensom laat zien dat er ± 1 miljoen m3 minder gebaggerd hoeft te worden, een reductie van de baggerkosten van +/- € 35 - 40 miljoen. Op basis van de waterkwalilteit is dit verondiepen echter niet wenselijk, in verband met invloed van bagger op het zuurstof- en nutriëntengehalte, vestiging waterplanten etc. Er zijn echter nog te veel vragen te beantwoorden voordat met dit aspect in de legger rekening kan worden gehouden, zoals: Wat is de milieuwinst van het baggeren tot op de vaste bodem ten opzichte van het laten zitten van een bepaalde baggerlaag en is deze milieuwinst dermate groot dat een investering van vele tientallen miljoenen euro´s verantwoord is; Wat is de minimaal toelaatbare baggerdikte; Waar bevindt de vaste bodem zich exact; Wil Rijnland in alle boezemwateren waterplanten. Waterplanten hebben weer gevolgen voor de hydraulische weerstand etc.; etc.; Er is dan ook nog aanvullend onderzoek noodzakelijk om antwoord op alle vragen te krijgen. Dit onderzoek wordt geïnitieerd in het kader van het roulerend meetnet. Vooralsnog wordt in de legger dan ook nog geen rekening gehouden met de wens te baggeren tot de vaste bodem. Mocht uit nader onderzoek blijken dat het baggeren tot de vaste bodem opweegt tegen de kosten dan kan bij een volgende wijziging van de legger hiermee rekening worden gehouden. 5.4.3 Waterkwaliteit versus meren en plassen Criteria volgens nota “Legger - waterkwaliteit- en ecologie” Criteria volgens nota “Legger - waterkwaliteit- en ecologie”Variabele Waterdiepte Nutriënten Zuurstofhuishouding Oeverplanten Waterplanten Fytoplanton Macrofauna Vissen Grote waterdiepte Grote waterdiepte Oeverzone, talud 1:20 tot diepte van 1 meter Talud 1:20 tot maximale diepte 4 - 6 meter Voorkomen van overmatige draadalgen groei: diepte groter dan 3 meter Voorkomen van drijflagenvorming: geen stratificatie, ondieper dan 4 meter Aanwezigheid oeverzone/waterplantenzone, maximale diepte 6 meter Aanwezigheid oeverzone, aanwezigheid diepe plekken van minimaal 1,5 tot 2 meter diep Baggerdikte Zo klein mogelijk, baggeren tot op harde bodem Uitwerking In de 1988-legger zijn de volgende afmetingen opgenomen. Uitwerking leggernr. naam waterdiepte in m talud RL - 1008 RL - 1032 RL - 1057 RL - 1058 RL - 1061 RL - 1071 RL - 1098 RL - 1103 RL - 1107 RL - 1108 Kagerplassen Braasemermeer T Joppe Molenplas Mooi Nel Nieuwe meer Oosterduinmeer Vlietland Westeinderplassen Valkenburgsemeer Zegerplas 3.00 3.50 7.50 7.50 3.40 3.00 7.50 7.50 2.90 7.50 7.50 Variabel Variabel Variabel Variabel Variabel Variabel Variabel Variabel Variabel Variabel Variabel Op basis van welke gegevens en uitgangspunten de dimensies van de meren en plassen in de 1988-legger zijn vastgesteld, is niet meer te achterhalen. Waarschijnlijk zijn de dimensies vrij arbitrair bepaald aangezien de betreffende meren en plassen pas later uitgebreid zijn ingemeten. De baggernoodzaak in meren en plassen zal over het algemeen klein zijn. Lokale verondiepingen schaden de waterkwantiteit en de waterkwaliteit over het algemeen niet. Met uitzondering van slibopwerveling enz. denk aan project de Geerplas. Meren en plassen zijn dermate complex dat het niet mogelijk is in de legger de gewenste minimale inrichtingscriteria/streefbeelden vast te leggen. De gewenste inrichtingscriteria dienen in een gebiedsgerichtproject te worden bepaald. De in de legger weergegeven waterdiepten van de meren zijn dan ook slechts indicatief. De in de legger weergegeven waterdiepten zijn de gemeten gemiddelde waterdiepten, lokaal kan de waterdiepte flink afwijken. Van het Valkenburgsemeer en de Vlietlanden zijn nog geen meetgegevens voorhanden. Aangezien hier nog regelmatig zand wordt gewonnen is het nog niet zinvol deze meren in te meten. In de legger wordt voor de meren en plassen uitgegaan van een talud van 1:20. Voor de wat smallere meren en plassen wordt uitgegaan van een talud van 1:5, in verband de beschikbare ruimte. Ook hier geldt dat deze taluds slechts indicatief zijn en alleen de gewenste situatie weergegeven. Van belang is dat in verband met de stabiliteit van de onderwatertaluds in ieder geval een onderwatertalud van 1:2,5 aanwezig is. 5.4.4 Ontvangen puntlozingen Criteria volgens nota BCW Aan het ontvangende water worden eisen gesteld opdat de lozing goed opgenomen kan worden (mengen), zodat de concentraties niet te hoog oplopen. Dit stelt eisen aan de diepte en de breedte van het ontvangende water. Het effluent dient daarnaast gemakkelijk afgevoerd te kunnen worden. In de watersysteembeschrijving (onderdeel van het WBP) is de volgende maatlat opgenomen: CriteriaVoldoende bijna voldoende matig slecht zeer slecht diepte water breedte water > 2.50 m >30 m 2 - 2.5 m 20 - 30 m 1.5 - 2 m 10 - 20 m 1 - 1,5 m 5 - 10 m < 1 m < 5 m Uitwerking Op basis van bovenstaande tabel kan voor elke puntlozing worden beoordeeld of de puntlozing op een goede of mindere goede locatie loost. Het is echter niet de bedoeling dat als een puntlozing op een te smalle en/of te ondiepe watergang loost de dimensies van die watergang (voor zover dat al mogelijk
  12. is)ten behoeve van die lozing worden aangepast. Beoordeeld zal dan moeten worden in hoeverre het mogelijk is het lozingspunt te verleggen. Bij het opstellen van de leggerafmetingen is dit criterium dan ook niet meegenomen. 5.4.5 Overstorten Criteria volgens nota BCW Waterdiepte afhankelijk van het overstort volume. Uitwerking Verspreid over Rijnland bevinden zich vele overstorten. Per overstort vindt een bepaalde vuiluitworp plaats. Rijnland toetst de toelaatbaarheid van de vuiluitworp op het ontvangende oppervlakte water. Bij deze toetsing worden de waterkwaliteitsaspecten (met name de zuurstofhuishouding) betrokken. Aan het ontvangende water worden eisen (breedte en diepte) gesteld, opdat de lozing goed opgenomen kan worden (mengen). De lozing dient daarnaast gemakkelijk afgevoerd te kunnen worden. Een eis voor een algemene waterdiepte van het ontvangende water is niet aan te geven. In principe hebben primaire boezemwateren voldoende ontvangstcapaciteit om de vuiluitworp van overstorten te kunnen verwerken. Overstorten die lozen op secundaire boezemwateren zijn vaak een knelpunt. De consequenties van de nieuwe leggerafmetingen voor de beoordeling van de riooloverstorten (zogenaamd waterkwaliteitsspoor) zijn gecontroleerd met behulp van modelberekeningen. De resultaten van deze modelberekeningen zijn vergeleken met de uitkomsten van de berekeningen die in het verleden zijn uitgevoerd op basis van de 1988-leggergegevens. Uit de controleberekeningen blijkt dat met de nieuwe leggergegevens de invloed van de overstortlozingen op de zuurstofhuishouding bij alle onderzochte wateren acceptabel zijn. De nieuwe leggerafmetingen leveren dan ook geen problemen op voor de overstorten. Om problemen met overstorten te voorkomen is in alle lokale boezemwateren met overstorten, dus ook de lokale boezemwateren smaller dan 5 m, een minimale waterdiepte van 0,75 m vereist (volgt uit het waterkwaliteitsspoor). Het betreft hier de volgende boezemwateren: Gemeente Lisse: RL-7695 + RL-7633; Gemeente Voorschoten: RL-3314 + RL-3316 + RL-3317 + RL-3502; Gemeente Wassenaar: RL-3408; Gemeente Noordwijkerhout: RL-5914; Gemeente Sassenheim: RL-7847; Gemeente Voorhout: RL-6173; 5.4.6 Slibopwerveling door scheepvaart Criteria volgens nota BCW In de nota BCW is dit aspect niet opgenomen. Uitwerking In het merendeel van de boezemwateren kan worden gevaren. Het varen door te ondiepe wateren kan voor opwerveling van slib zorgen, waardoor de waterkwaliteit in principe negatief kan worden beïnvloed. In hoeverre deze problematiek reëel is, of het probleem zich werkelijk voordoet en op welke wijze deze problematiek dan moet worden aangepakt is nog onderwerp van discussie. Praktische overweging is in hoeverre het verdiepen van een watergang het opwervelprobleem kan opheffen. Gesteld wordt dat als een watergang dieper wordt gemaakt om het opwervelprobleem op te lossen, deze watergang waarschijnlijk boten met een nog grotere diepgang zal aantrekken, waardoor het opwervelprobleem zich wederom zal voordoen. Op basis van bovenstaande overwegingen wordt in de nieuwe legger nog geen rekening gehouden met de slibopwervel problematiek. Nader onderzoek is noodzakelijk voordat er conclusies kunnen worden getrokken en er eventueel criteria en maatregelen kunnen worden gedefinieerd. Noodzakelijke wijzigingen kunnen dan eventueel in een volgende versie van de legger worden doorgevoerd. 5.5 Waterkwantiteit 5.5.1 Stroomsnelheid Criteria volgens nota BCW Maximale stroomsnelheid 0,20 – 0,30 m/s. Uitwerking De kritische stroomsnelheid bedraagt ± 0,35 m/s (gebaseerd op onderzoek door TAUW in het kader van uitbreiding gemaal Katwijk), zie ook paragraaf 6.8. Dit is de stroomsnelheid vanaf waar er ongewenste uitschuring van het onderwaterprofiel kan ontstaan met mogelijke instabiliteit van het onderwaterprofiel tot gevolg. Daarnaast is van belang dat stroomsnelheid en verhang sterk aan elkaar gerelateerd zijn. Hoe groter de stroomsnelheid hoe groter het verhang en het verhang heeft weer invloed op de minimale waterstanden bij de boezemgemalen en de maximale waterstand te Nieuwe Wetering. Voorkomen moet dus worden dat te hoge stroomsnelheden optreden. Hiervoor is in de nota BCW een maximale stroomsnelheid gedefinieerd van 0,20 – 0,30 m/s. In de leggerberekeningen is dit criterium als volgt toegepast: Maximale stroomsnelheid in principe 0,20 m/s; Op locaties waar hogere stroomsnelheden voorkomen (uitgaande van de leggerprofielen van 1988) worden hogere stroomsnelheden toegestaan, tot 0,30 m/s; Op enkele locaties (aanvoerkanalen van de gemalen Katwijk en Gouda) worden in incidentele gevallen nog hogere stroomsnelheden toegestaan (tot zelfs 0,45 m/
  13. s)omdat anders de profielen zeer fors zouden moeten worden verdiept; Het toestaan van hoge stroomsnelheden boven de 0,40 m/s heeft zeker erosie van het onderwaterprofiel tot gevolg. Zolang deze stroomsnelheden slechts incidenteel optreden, zullen de problemen waarschijnlijk beperkt blijven. Om problemen te voorkomen is periodieke monitoring van het onderwaterprofiel op plaatsen waar hoge stroomsnelheden optreden noodzakelijk. Aandachtspunt is de stroomsnelheid ter plaatse van bruggen. Als gevolg van profielvernauwingen treden hier over het algemeen nog hogere stroomsnelheden op. Bescherming van het onderwaterprofiel kan hier dan ook al snel noodzakelijk zijn. 5.5.2 Maatgevende belasting Criteria volgens nota BCW Uitgangspunt van de berekeningen is dat een boezemstelsel wordt ontworpen dat onder “maatgevende” omstandigheden zonder problemen het wateroverschot naar de boezemgemalen kan afvoeren. Maatgevend is gedefinieerd als die situatie waarin de poldergemalen op maximale capaciteit lozen en de boezemgemalen op maximale capaciteit afvoeren in combinatie met een storm die een kans van voorkomen heeft van eens in de 25 jaar. Uitwerking Voor het regionale en lokale stelsel is een rekenmethodiek ontwikkeld gebaseerd op een maatgevende neerslagsituatie van eens in de 100

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.