← Nederland

Beleidsregels voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder 2014 (Noordoostpolder)

Kort samengevat

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Noordoostpolder invulling geeft aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) om inwoners met beperkingen te helpen zelfredzaam te zijn en volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Het doel is om een samenhangend systeem van compenserende voorzieningen te bieden, waarbij de eigen kracht en verantwoordelijkheid van de inwoner centraal staan.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder 2014Inleiding In 2007 is de zorgwet (Wet Voorzieningen Gehandicapten - WVG) overgegaan in de brede participatiewet Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo): iedereen moet mee kunnen doen. De Wmo heeft een andere filosofie dan de WVG. De WVG ging uit van aanbod. In de participatiewet staat vooral de werkelijke vraag en de mogelijke eigen inbreng van inwoners centraal. Zelfredzaamheid en het volwaardig meedoen in de samenleving staan voorop. In 2007 kwam onder andere ook de hulp bij huishouden over naar gemeenten en mede hierdoor is de invoering van de Wmo destijds pragmatisch opgepakt en dichtbij de oude uitvoeringspraktijk gebleven. Wettelijk kader Op grond van artikel 4 van de Wmo heeft het college een compensatieplicht voor mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en voor mensen met een psychosociaal probleem. Dit betekent dat het college, ter compensatie van de beperkingen die deze personen ondervinden bij hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voorzieningen op de volgende vier domeinen moet treffen: voeren van een huishouden; zich te verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; ontmoeten van medemensen en op basis daarvan deelnemen aan sociale verbanden. De wet schrijft niet voor hoe gemeenten deze taak invullen, dat is de eigen verantwoordelijkheid van de gemeente. Wel moet het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Het resultaat staat centraal bij het invullen van de taak. Gemeente Noordoostpolder hanteert op de vier domeinen de volgende acht resultaten: Iedere inwoner kan wonen in een schoon huis; Iedere inwoner kan wonen in een voor hem/haar geschikt huis; Iedere inwoner kan beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften; Iedere inwoner kan beschikken over schone kleding; Iedere inwoner kan zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; Iedere inwoner kan zich verplaatsen in, om en nabij het huis; Iedere inwoner kan zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel; Iedere inwoner heeft de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Gemeente Noordoostpolder gaat uit van de eigen kracht en mogelijkheden, eigen verantwoordelijkheid en het eigen netwerk van inwoners. De regie voor het oplossen van beperkingen wordt in eerste instantie weer bij de inwoner zelf gelegd. Het verstrekken van voorzieningen is daarmee niet meer vanzelfsprekend. Deze visie is door de gemeenteraad vastgesteld in het Beleidsplan Wmo-Volksgezondheid Noordoostpolder 2012-2015 en in het Uitvoeringsprogramma Wmo-Volksgezondheid Noordoostpolder 2012-2015 is vastgelegd om een gekantelde manier van werken te implementeren. Met het beleid op compenseren wordt de kanteling gemaakt van claim- en aanbodgericht (voorzieningen en hulpmiddelen) naar vraag- en resultaatgericht werken (participatie en zelfredzaamheid). Onderdeel hiervan is een passend pakket algemene en individuele voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Vanaf 1 januari 2013 wordt “gekanteld” gewerkt. Op basis van het Regeerakkoord zullen per 1 januari 2013 geen nieuwe indicaties voor een Zorgzwaartepakket 1 en 2 worden afgegeven door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Dit betekent dat deze groep (vanaf 23 jaar) geen aanspraak meer heeft op verblijf in de AWBZ-instelling. Voor de Wmo kan dat tot gevolg hebben dat er meer hulp bij huishouden of woonvoorzieningen moeten worden verleend. De gemeenteraad heeft in de verordening een passend pakket algemene en individuele voorzieningen vastgesteld dat aansluit bij het beleidskader compenseren. Hierin zijn regels vastgelegd over de te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. Door het treffen van voorzieningen aan personen met beperkingen wordt aan hen een gelijkwaardige uitgangspositie verschaft zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie. Het uiteindelijke doel is krachtig participeren van inwoners in gemeente Noordoostpolder. Juridische status beleidsregels In de verordening is vastgesteld: op welke resultaten de compensatieplicht van het college is gericht; hoe tot een te bereiken resultaat wordt gekomen, waarbij in sommige gevallen is bepaald welke voorzieningen daarbij verstrekt zouden kunnen worden; welke beoordeling wordt gehanteerd bij het te bereiken resultaat; onder welke voorwaarden personen met beperkingen aanspraak kunnen maken; de vorm waarin de voorziening kan worden verleend. In het Besluit individuele voorziening Wmo zijn nadere regels vastgelegd en zijn de bedragen opgenomen die hierop van toepassing zijn. In deze beleidsregels voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder zijn de beleidsregels opgenomen. Deze beleidsregels strekken ertoe tot een goed samenhangend stelstel van compenserende voorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet met eigen kracht en mogelijkheden, eigen verantwoordelijkheid en het eigen netwerk maatschappelijk kunnen participeren en daarmee zelfredzaam te zijn. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, lid 1 Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.” Er bestaat de mogelijkheid om gemotiveerd ten gunste van de belanghebbende van de beleidsregel af te wijken indien door toepassing hiervan vanwege bijzondere omstandigheden tot een onevenredigheid zou leiden in verhouding tot het doel van de gedragslijn. Deze beleidsregels liggen in het verlengde van de Verordening voorzieningen Wmo en het Besluit voorzieningen Wmo. In de Verordening voorzieningen Wmo is bepaald dat het gemeentelijke beleid periodiek geëvalueerd wordt. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad neergelegd in de Verordening voorzieningen Wmo, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft leidt de evaluatie tot aanpassing van de Verordening voorzieningen Wmo of van de beleidsregels. Opbouw beleidsregels De beleidsregels volgen in principe de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop individuele voorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn het leveren van maatwerk, uitgaan van te bereiken resultaten en eigen verantwoordelijkheid. Bij de beoordeling van een aanvraag of tijdens het gesprek met de aanvrager komt het resultaat dat bereikt moet worden aan de orde en worden alle mogelijke oplossingen beoordeeld voordat een individuele voorziening in beeld komt. In de beleidsregels zijn per te bereiken resultaat de voorwaarden opgenomen die verbonden zijn aan een eventueel te verlenen individuele voorziening. De voorwaarden per mogelijke voorziening zijn een uitwerking van de artikelen inclusief toelichting zoals vermeld in de Verordening en het Besluit. Hoofdstuk1Voorwaarden voor verstrekking 1.1Weigeringsgronden en beperkende voorwaarden In de Verordening zijn een aantal beperkende voorwaarden en weigergronden op genomen. De voorziening moet langdurig noodzakelijk zijn Een voorziening kan slechts worden toegekend indien deze geschikt en langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op de acht resultaatgebieden op te heffen of te verminderen. Geschikt wil onder andere zeggen dat de voorziening de beperking wegneemt of vermindert. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat betrokkene voor langere tijd aangewezen moet zijn op het desbetreffende hulpmiddel of aanpassing. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkt is niet voor een voorziening in aanmerking komt. In gevallen de beperkingen van beperkte of onzekere duur zijn, kan mogelijk aanspraak bestaan op de uitleen van hulpmiddelen op grond van de Zorgverzekeringswet. Waarbinnen precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand en situaties van terugval elkaar opvolgen kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits het wisselende beeld permanent is. Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. Geen medische eindsituatie Ten tijde van het indienen van de aanvraag is niet altijd bekend wat de medische “eindsituatie” van de belanghebbende is of zal zijn als er bijvoorbeeld nog behandeling plaatsvindt in verband met revalidatie. Op dat moment kan mogelijk (nog) niet worden vastgesteld voor welke voorzieningen de belanghebbende in aanmerking moet komen. De aanvraag zal dan worden afgewezen, slechts gedeeltelijk of tijdelijk worden toegewezen. Er wordt een heronderzoek gepland op het moment dat naar verwachting de eindsituatie zal zijn bereikt. De voorziening moet, naar objectieve maatstaven gemeten, de goedkoopst compenserende voorziening zijn Het criterium goedkoopst-compenserend betekent dat een te verstreken voorziening allereerst compenserend dient te zijn. Zijn er twee of meer voorzieningen compenserend, dan mag gekozen worden voor de goedkoopste voorziening (CRvB 28-10-2009, nr. 08/1600 WMO). De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is een individuele aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief vervoer, er mag een uitzondering gemaakt worden als daardoor de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen. De voorziening moet in overwegende mate op het individu gericht zijn Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening gehouden met de belanghebbende (Rechtbank Arnhem 09-02-2010, nr. AWB 09/2537 en vergelijk CRvB 01-02-2006, nr. 03/2988 WVG). Aan een belanghebbende wordt alleen een woningaanpassing toegekend als deze noodzakelijk is om zijn individuele beperkingen op te heffen of te verminderen. Huisgenoten en andere personen vallen in beginsel buiten de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Ingeval een aanvraag voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten wordt gedaan kan alleen een gelimiteerd aantal voorzieningen worden toegekend indien er een individuele aanvrager is voor wie de voorziening noodzakelijk is om zijn woning te bereiken. Voorzieningen voor gemeenschappelijk gebruik zijn uitgesloten. Voorzieningen die individueel worden toegekend, maar die gezamenlijk worden gebruikt, kunnen wel worden toegekend. Het collectief vervoer is daar een voorbeeld van. Voorbeelden Bij een appartementengebouw wil de verhuurder graag automatische schuifdeuren voor de hoofdingang om het voor de bewoners en bezoekers wat comfortabeler te maken. Er is geen individuele aanvrager, de aanvraag wordt daarom afgewezen. Een gehandicaptensportvereniging wil graag vervoer geregeld hebben naar de wekelijkse training. Een aanvraag in dit kader is niet op het individu gericht en zal afgewezen worden. 1.2Algemeen gebruikelijke voorzieningen Is de gevraagde voorziening algemeen gebruikelijk voor de persoon van de aanvrager, dan wordt de aanvraag daartoe afgewezen De bepaling heeft als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan - gelet op de omstandigheden van de aanvrager met beperkingen - aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een handicap, zodat de voorziening ook op grote schaal door niet-gehandicapten wordt gebruikt; en gewoon in een normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels; en qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan vergelijkbare voorzieningen, met name producten; en naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de aanvrager. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat het college de hier bovengenoemde vragen moet beantwoorden in hun onderlinge samenhang. Het feit dat een voorziening normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het voor de persoon van de aanvrager past binnen zijn normale bestedingspatroon. Bij de toepassing van deze bepaling moet het primaire doel daarvan steeds in ogenschouw worden genomen. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verlenen van de voorziening aan een persoon met beperkingen zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke voorziening door een vergelijkbaar persoon zonder beperkingen. Daarbij is de hoogte van het inkomen van de aanvrager in beginsel niet van belang. Verder wordt opgemerkt dat de beoordeling van de vier geformuleerde vragen niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de aanvrager niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke voorziening voor hem kan zijn. Fietsen - al dan niet hulpmotor - vallen binnen het kader van algemeen geldende maatschappelijke normen en zijn in principe algemeen gebruikelijk voor personen die ouder zijn dan 16 jaar. Het toepassen van de bepaling heeft daarom ook te maken met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke voorzieningen worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven. Daaruit kan worden afgeleid dat een onverwachtse noodzakelijke aanschaf of vervanging niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd (zie verder woningsanering). Privaatrechtelijke verbintenis In het kader van de beoordeling of een aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is, kan onder omstandigheden betekenis toekomen aan het gegeven dat op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt. Geen onverwachts optredende noodzaak Het zogenaamde calamiteitenprincipe kan een uitzondering vormen op de hoofdregel. Dit wil zeggen dat er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf (lees ook vervanging) van een voorziening (lees ook goederen). Daarbij wordt uitgegaan dat de plotseling opgetreden noodzaak in ieder geval zijn oorsprong moet vinden in de beperkingen van de aanvrager. Onder omstandigheden zou daar een onverwachts inko-mensdaling onder kunnen vallen of onverwachts noodzakelijke vervanging van diverse algemeen gebruikelijke voorzieningen. In dat laatste geval kan de hoogte van het inkomen een rol spelen. Het oordeel of een voorziening algemeen gebruikelijk is brengt mee dat als dat het geval is voor de aanvrager en alleen daarom al niet voor verlening in aanmerking komt, er geen onderzoeksplicht in het kader van artikel 4 Wmo rust op het college. Voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd: Woonvoorzieningen: Verhoogd toilet (zowel +6 als +10) Elektrische bediening van zonwering Losse toiletverhoger (zowel +6 als +10) Dakkapellen Douchecabine Centrale verwarming Douchekop op glijstang Luchtbevochtigers en luchtontvochtigers Beugels Stangen voor raambediening van hoge ramen Wasdroger Automatische deuropeners voor garagedeuren Mobiele telefoon Screens/zonneschermen (mits in normale hoeveelheden) Losse airco-units Vervoersvoorzieningen Tandems (ook met hulpmotor) Kosten halen rijbewijs, kosten APK Spartamet/elektrische fietsen Airconditioning in de auto Aankoppelfietsen voor kinderen Automatische transmissie in de auto Bakfietsen Trekhaken en aanhangers Fietskarretjes voor kinderen (zowel voor fiets als scootmobiel) Blindering in de auto (folie) Elektrische raambediening in de auto Door een bijzondere uitvoering kunnen bovenstaande voorzieningen weer niet algemeen gebruikelijk zijn. Voorbeelden daarvan zijn een een-hendelkraan met een extra lange hendel en een ééngreeps thermosstatische mengkraan. Renovatie Het vervangen van voorzieningen die zijn afgeschreven zijn algemeen gebruikelijk. Denk bijvoorbeeld aan een keuken, een badkamer of kranen (Rechtbank 's Gravenhage 07-03-2012, nr. AWB 11/4293 en Rechtbank 's-Hertogenbosch 05-11-2012, nr. AWB 12/496). Meerkosten Het begrip meerkosten hangt nauw samen met het begrip algemeen gebruikelijk. De meerkosten zijn de kosten die in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden beperkingen in de maatschappelijke participatie. Een met de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder beperkingen heeft deze meerkosten per definitie niet omdat daar in diens situatie geen noodzaak voor is. De noodzakelijke meerkosten van een voorziening die voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, kunnen voor compensatie in aanmerking komen. Aantoonbare meerkosten Naast de bepaling van algemeen gebruikelijk is in de Verordening ook opgenomen dat er sprake moet zijn van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperking(

  1. en)waarvoor de voorziening wordt gevraagd. In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen zoals een auto of een particuliere hulp bij het huishouden. Na het optreden van een beperking wordt een voorziening aangevraagd. In voorkomende gevallen kan de conclusie zijn dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt. 1.3Hoofdverblijf Belanghebbende moet woonachtig zijn in de gemeente Noordoostpolder Daaruit volgt ook dat de belanghebbende zijn vaste woon- en verblijfplaats moet hebben in een woning die bestemd en geschikt is voor permanente bewoning en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres indien de belanghebbende met een briefadres staat ingeschreven. De Wmo geeft de gemeente een compensatieplicht voor inwoners van de gemeente. In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde zorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen aanhouden. In dat geval heeft het college waar betrokkene daadwerkelijk verblijft de compensatieplicht. 1.4Kosten voorafgaand aan beschikken Heeft de aanvraag betrekking op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan het moment van aanvragen of het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of deze voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst-compenserend aan te merken valt. Is hiervan sprake dan wordt de voorziening geweigerd, tenzij de noodzaak, de adequaatheid en de passendheid nog kunnen worden vastgesteld (CRvB 15-02-2012, nr. 09/4037 WMO). Hierbij wordt gedoeld op de situatie dat de belanghebbende een voorziening aanvraagt nadat deze reeds is gerealiseerd of aangekocht. Als het college dan geen mogelijkheden meer heeft de noodzaak van de voorziening vast te stellen en conform het vastgestelde beleid te verstrekken, kan de voorziening worden geweigerd. Als de beoordeling ondanks het feit dat de kosten zijn gemaakt toch kan plaatsvinden, mag niet op grond van deze bepaling worden afgewezen. Door deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. 1.5Eerdere aanvraag Heeft de aanvraag betrekking op reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, dan wordt de aanvraag afgewezen, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan belanghebbende zijn toe te rekenen, of tenzij belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden. Als in een woning bijvoorbeeld een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering worden gedekt. Als bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan bestaat op dat moment geen aanspraak op een voorziening. Neemt de aanvrager een rolstoel of handbike mee op vakantie naar het buitenland, dan mag worden verwacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval van schade of verlies. Voor zover een reisorganisatie of vliegtuigmaatschappij verantwoordelijk kan worden geacht voor de schade, zal de aanvrager deze organisatie aansprakelijk moeten stellen. Dit klemt te meer omdat een voorziening in beginsel bestemd is voor het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Breda 10-01-2011, nr. 09/3902 WMO. Indien er een voorziening in natura is verstrekt in de vorm van bruikleen en er door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn, dient met betrokkene overleg plaats te vinden en zal duidelijk moeten worden gemaakt dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. 1.6Technisch niet afgeschreven Bij het verlenen van een voorziening zal doorgaans de looptijd daarvan bij beschikking worden vastgesteld. Daarmee wordt een implicatie gegeven van de levensduur van een voorziening (gemiddelde afschrijvingsperiode). Dit betekent echter niet dat het college verplicht is om een 'economisch' afgeschreven voorziening in te nemen en een nieuwe te verstrekken. De voorziening kan immers nog steeds compenserend zijn voor zover er niets mankeert aan de technische staat. Ook kan het in goede technische staat brengen van de voorziening de goedkoopst compenserende oplossing zijn. Hoofdstuk2Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking Bij het bepalen of er recht bestaat op een voorziening en welke voorziening het meest passend is om beperkingen te compenseren zal de gemeente rekening moeten houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager en de mogelijkheden van de aanvrager om zelf maatregelen te treffen. Doorgaans zullen alle belanghebbenden (eventueel de huisgenoten en/of mantelzorgers) een gesprek hebben gehad waarna een verslag is opgemaakt. In dat verslag wordt aandacht besteed aan: de probleemanalyse de resultaten waarop de compensatie moet zijn gericht mogelijke oplossingen die de belanghebbende (al dan niet met hulp in zijn omgeving) zelf kan oplossen Hieruit blijkt in ieder geval ook wat de goedkoopste compenserende voorzieningen kunnen zijn. Daarvoor wordt dan een indicatie afgegeven. Dat kan de gemeente zelf doen maar soms is externe expertise nodig. 2.1Onderzoek naar de beperkingen Hoewel de Wmo niet het criterium "medische noodzaak" kent, kan het toch zijn dat een extern medisch advies nodig is om de beperkingen vast te stellen en zo te komen tot een zorgvuldige afhandeling van de aanvraag. Daarbij geldt dat de gemeente uiteindelijk verantwoordelijk is voor het verlenen van de voorziening. Een extern indicatieadvies is niet bindend. Het is een instrument voor beoordeling van de aanvraag door de gemeente. Ook kan een second opinion worden aangevraagd bij bijvoorbeeld een transferverpleegkundige in het kader van huishoudelijke ondersteuning. Het extern advies is niet bindend, er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Dit geldt zowel voor een afwijzing als voor een positieve beschikking. De belanghebbende is verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek door een extern adviseur. Deze verplichting strekt zich ook uit tot de huisgenoten in het kader van gebruikelijke zorg. Wordt deze medewerking niet verleend en is dat wel noodzakelijk voor het kunnen vaststellen van het recht op de voorziening, dan kan de aanvraag worden afgewezen. Let wel moet altijd beoordeeld worden of op een andere wijze het recht op een voorziening vastgesteld kan worden (zie bijvoorbeeld CRvB 17-10-2012, nrs. 10/5275 WMO e.a.). Toestemming Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de belanghebbende (machtiging). Daarbij dient in de verklaring opgenomen te worden welke adviserende arts de gegevens opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel. Geen toestemming of geen medewerking Verleent de belanghebbende (of diens huisgenoot ingeval van gebruikelijke zorg) geen toestemming voor het uitwisselen van medische gegevens of medewerking aan een door het college opgedragen onderzoeken aan een adviseur, dan krijgt de belanghebbende schriftelijke termijn om dat alsnog te doen. De beslistermijn wordt gedurende die termijn opgeschort. Is het opvragen van medische gegevens of het verlenen van medewerking noodzakelijk dan kan het college de aanvraag afwijzen, tenzij het recht op een andere manier kan worden vastgesteld. 2.2Wanneer vraagt de gemeente extern advies? Op voorhand kan niet worden gezegd in welke gevallen extern advies wordt gevraagd. Dat is afhankelijk van geval tot geval, maar in ieder geval als het college zelf niet ter zake kundig is. Dat is bijvoorbeeld het geval als voor de belanghebbende (of diens huisgenoot) beperkingen op een van de vier domeinen moeten worden vastgesteld die het gevolg zijn van lichamelijke of geestelijke aandoeningen. Voorbeelden wanneer om extern advies kan worden gevraagd is als een aanvraag wordt afgewezen omdat er geen te objectiveren beperkingen (lijken
  2. te)zijn. Het zorgvuldig afhandelen van de aanvraag vereist een advies van (meestal) een arts. Andere voorbeelden zijn een progressief ziektebeeld of een medisch moeilijk te objectiveren aandoening zoals chronisch vermoeidheidssyndroom. Per situatie zal dit beoordeeld moeten worden. Een extern adviseur dient, afhankelijk van het soort aanvraag, te beschikken over medische kennis op het niveau van een arts, sociale kennis (in staat zijn om de socialesituatie van de aanvrager in te schatten), ergonomische kennis of technische kennis. 2.2.1Het begrippenkader van de ICF Bepaalt is dat bij de advisering de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden. “De ICF classificatie” is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een zinvolle ordening geplaatst (http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm). Van de zeer uitgebreide ICF zijn met name de lijsten met “functies” en “activiteiten en participatie” van belang. De adviseur dient van de ICF gebruik te maken op de volgende wijze. Door de adviseur wordt allereerst aangegeven om welke stoornissen het bij de aanvrager gaat (de ICF is gericht op functiestoornissen). Het gaat daarbij met name om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau, en dan met name in de vorm van de op het tweede niveau aangegeven functies. Een lijst van deze functies is opgenomen in bijlage 1 bij dit hoofdstuk. Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn voor de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Indien dat wel het geval is moeten ook niet direct relevante functies worden aangegeven. Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de Wmo plaats zal moeten vinden. Ook bij de vermelding van deze stoornissen in “activiteiten en participatie” zal gebruik gemaakt worden van het begrippenkader van de ICF. Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de aanvraag de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die beperkingen dient te vermelden, gerelateerd aan de mogelijke compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij het vocabulaire van de ICF wordt gebruikt. 2.2.2Beoordeling medisch advies De inhoud van het medische advies wordt beoordeeld aan de hand van de volgende indicatoren: Onderzoeksmethode en informatie Hieruit moet blijken op welke datum, manier en plaats door welke adviseur (naam en diens deskundigheid) onderzoek is verricht. Dat kan door een huisbezoek, een telefoongesprek, maar ook zonder de belanghebbende te spreken. In dat laatste geval heeft mogelijk alleen dossieronderzoek plaatsgevonden of heeft de adviseur contact gehad met de behandelende sector, bijvoorbeeld de huisarts of een andere behandelaar. Dat moet blijken uit het advies! Ook moet het advies vermelden of de adviseur zelf (lichamelijk) onderzoek heeft gedaan, en zo niet, wat daarvan de reden is. Is het advies alleen gebaseerd op een anamnese, dan is het in veel gevallen niet volledig. Uit het advies moet blijken hoe de anamnese zich verhoudt tot resultaten van het (eigen) onderzoek en/of de conclusies die daaraan worden verbonden. Uit advies moet blijken wat de deskundigheid is van de adviseur. Dat kan blijken uit de ondertekening van het advies. Is de belanghebbende onder behandeling en is zijn behandelaar niet geraadpleegd, dan moet het advies vermelden waarom de adviseur dat niet noodzakelijk acht. Het advies moet gebaseerd zijn op actuele feiten en gegevens. De term 'actueel' laat zich niet als standaard kwantificeren, maar is afhankelijk van de individuele situatie. Uit het advies moet blijken volgens welke maatstaven het onderzoek is verricht. Heeft de adviseur intercollegiaal overleg gevoerd, dan moet het advies vermelden waar dat overleg betrekking op had en wat de invloed is geweest op de inhoud en de conclusie(
  3. s)van het advies. De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is. Als de adviseur (namens het college) een expertiseonderzoek laat uitvoeren, dan mag aan die deskundige worden gevraagd beperkingen vast te stellen. In die gevallen worden zware eisen gesteld aan de deskundigheid van die adviseur. Probleemanalyse in het advies Hieruit moet inzichtelijk blijken of belanghebbende (langdurig) beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. En zo ja, welke dat zijn en of die beperkingen moeten leiden tot het verlenen van een voorziening waarmee belanghebbende in staat wordt gesteld tot normale deelname aan het maatschappelijk verkeer volgens (een van) de vier domeinen. In het advies moeten allereerst alle relevante feiten worden vermeld die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen en vervolgens moeten deze feiten zijn betrokken in de probleemanalyse en de conclusie(s). Het advies moet vermelden wat de stoornis (verlies van functies of anatomische eigenschappen) is en welke beperkingen (problemen bij uitvoeren van activiteiten) daar uit voorvloeien. Het advies zelf mag geen diagnose bevatten. Het is van belang dat het advies vermeld wat de prognose van de beperkingen is, zo mogelijk met een tijdpad. Een prognose kan progressief of stationair zijn. Inhoud, motivering en gegevens van het advies Het advies moet inzichtelijk en logisch zijn. De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is. Het advies moet zijn voorzien van een deugdelijke en voor derden kenbare schriftelijke motivering. Het college moet inzage hebben in de stukken die ten grondslag liggen aan het advies. Denk aan een verklaring van de specialist die door de adviseur is opgevraagd en ontvangen. Conclusie(
  4. s)en ondertekening van het advies De conclusie(
  5. s)van de adviseur moeten aansluiten op diens bevindingen en mogen daar zeker niet mee in tegenspraak zijn. Het advies wordt ondertekend door de adviseur zelf en eventueel (ook) door de adviseur (meestal een arts) onder wiens verantwoordelijkheid het advies tot stand is gekomen. Het advies moet vermelden dat de strekking ervan is verteld aan de belanghebbende en of deze zich daarin kan vinden. Artikel2.3Motivering van het besluit Op basis van artikel 26 lid 1 van de Wmo moet in de beschikking om een individuele worden aangegeven op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van betrokkene. Artikel 26 lid 1 van de Wmo luidt als volgt: "De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.” Dit artikel beoogt de rechtsbescherming van de aanvrager van voorzieningen op grond van de Wmo te versterken, door de algemene motiveringsplicht die op grond van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, toe te spitsen. Het college zal moeten aangeven of en in hoeverre het genomen besluit op een aanvraag bijdraagt aan de meest belangrijke doelstelling van de wet: het bevorderen dan wel behouden van de deelname aan het maatschappelijk verkeer van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. In de Verordening voorzieningen Wmo is deze wettelijke verplichting ook verwoord. Gaat het om een positieve beschikking, dan zal dit niet zo moeilijk zijn. Door in de beschikking aan te geven welke mogelijkheden belanghebbende krijgt door de toegekende voorziening(
  6. en)is in feite voldaan aan deze opdracht. 2.4Wijzigingen in de situatie Aan het verlenen van voorzieningen is onder meer de voorwaarde verbonden dat wijzigingen in de situatie verplicht moeten worden gemeld als die van invloed kunnen zijn op het recht op of de voortzetting van een voorziening. Meldt belanghebbende wijziging niet, dan schendt hij deze geformuleerde inlichtingenplicht. Dat kan tot gevolg hebben dat de toekenningsbeschikking wordt ingetrokken en het college overgaat tot terugvordering. Deze voorwaarde zal ook in de beschikking of in een bijlage bij de beschikking worden opgenomen zodat bij elke toekenning de aanvrager hierop attent gemaakt wordt. 2.4.1Intrekking Het college is bevoegd om een besluit te herzien of in te trekken indien: niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die gelden bij of krachtens de verordening; het college bekend is geworden met zodanig onjuiste gegevens die als deze bij de toekenning bekend waren er anders zou zijn beslist; als de eigen bijdrage niet is betaald; de belanghebbende alsnog een vergoeding krijgt voor een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling of privaatrechterlijke verbintenis. Verlening kan het college het toekenningsbesluit van een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget intrekken indien blijkt dat de voorziening binnen zes maanden na uitbetaling niet is besteed aan de compensatie binnen het betreffende resultaat. Ingeval van overlijden eindigt het recht op financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget op de dag gelegen na de dag waarop belanghebbende overlijdt. 2.4.2Terugvordering Nadat een besluit is herzien of ingetrokken heeft het college de bevoegdheid om een PGB financiële tegemoetkoming als deze ten onrechte is uitbetaald of een voorziening die ten onrechte is geleverd (voorziening in natura), geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval gebruik wordt gemaakt als dit het gevolg is van het verstrekken van valselijk gegevens, bijvoorbeeld over het hebben van huisgenoten. Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening binnen het resultaatgebied, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Dit artikel is dus niet van toepassing op woningaanpassingen. 2.5Heronderzoeken Het college is bevoegd om heronderzoeken uit te voeren om te bekijken of een belanghebbende nog steeds recht heeft op de verstrekte voorziening en/of deze nog voldoet. Bij een heronderzoek wordt als het ware de aanvraagprocedure opnieuw doorlopen. Er wordt gekeken of de omstandigheden van de belanghebbende in de loop van de tijd veranderd zijn en of deze omstandigheden een aanleiding vormen om de voorziening te wijzigen of in te trekken. Heronderzoeken vinden plaats als: de verwachting bestaat dat in de loop van de tijd de omstandigheden van de zorgvrager zullen wijzigen; een voorziening voorlopig wordt toegekend; na 15 maanden een zorgvrager niet is verhuisd naar een adequate woning, terwijl een verhuiskostenvergoeding is toegekend; dit vanwege een beleidswijziging noodzakelijk is; de eindsituatie bij een eerdere aanvraag nog niet duidelijk was. 2.6Samenhangende afstemming In artikel 5 lid 2 onder b Wmo is bepaald dat de raad in de Verordening voorzieningen Wmo bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit cliëntenperspectief, in samenhang te bezien. In de Verordening voorzieningen Wmo is de samenhangende afstemming vastgelegd in artikel 28: 'Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de belanghebbende of mantelzorger laat het college onderzoek verrichten naar diens situatie of mantelzorger'. Bij dit onderzoek wordt, indien van toepassing, aandacht besteed aan: de algemene gezondheidstoestand van de belanghebbende of mantelzorger; de beperkingen die de belanghebbende of mantelzorger in zijn functioneren ondervindt; de woning en de woonomgeving van de belanghebbende of mantelzorger; het psychisch en sociaal functioneren van de belanghebbende of mantelzorger; de sociale omstandigheden van de belanghebbende of mantelzorger. Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit wordt door het college bij deze bevindingen aangesloten. Hoofdstuk3Algemene uitgangspunten te bereiken resultaten 3.1De te bereiken resultaten Gemeente Noordoostpolder hanteert op de vier wettelijke domeinen de volgende acht resultaten: Iedere inwoner kan wonen in een schoon huis; Iedere inwoner kan wonen in een geschikt huis; Iedere inwoner kan beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften; Iedere inwoner kan beschikken over schone kleding; Iedere inwoner kan zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; Iedere inwoner kan zich verplaatsen in, om en nabij het huis; Iedere inwoner kan zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel; Iedere inwoner heeft de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Het college heeft op deze 8 terreinen een resultaatverplichting. Om een resultaat te bereiken kunnen algemene of individuele maatregelen van toepassing zijn. Uitgangspunt is dat de burger in staat wordt gesteld op eigen kracht te participeren. Hoofdstuk4Hoe te komen tot de te bereiken resultaten 4.1Scheiding aanmelding en aanvraag Er is een scheiding aangebracht tussen een aanmelding en een aanvraag. Daarbij geldt in principe dat voorafgaande aan een aanvraag eerst een gesprek wordt gevoerd. Daarbij wordt onderscheidt gemaakt in drie situaties: wanneer iemand zich voor het eerst meldt voor een individuele voorziening; wanneer iemand zich niet voor het eerst meldt maar wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een nieuw gesprek rechtvaardigen; indien ofwel belanghebbende ofwel de gemeente dat gewenst vindt, dient een aanvraag voorafgegaan te worden door het gesprek. Het staat de burger altijd vrij om direct een aanvraag te willen doen. Het gesprek zal tijdens de aanvraagprocedure plaats kunnen vinden in de vorm van het noodzakelijke gemeentelijke onderzoek. Globaal kan worden gesteld dat een aanvraag pas gedaan kan worden als op basis van een gesprek een uitgebreide inventarisatie heeft plaatsgevonden en alle mogelijke niet-individuele voorzieningen al zijn beoordeeld. Dat betekent dat het voor de gemeente duidelijk moet zijn dat er geen andere oplossingen zijn dan een individuele oplossing en dat de te bereiken resultaten en de manier waarop die resultaten bereikt kunnen worden vastgelegd zijn en beoordeeld. 4.2Aanmelding voor een gesprek Een gesprek wordt door de burger aangevraagd middels een aanmelding. Het gesprek leidt niet tot een beschikking. Dit betekent dat er is geen sprake van een aanvraag waar de regels van de Algemene wet bestuursrecht op van toepassing zijn. Daarom kan een aanmelding ook mondeling (telefonisch of op een andere manier) worden gedaan. Het is echter wel van belang te werken met een meldingsformulier, zodat dit voor het WWB/Wmo loket mogelijk maakt om te beoordelen op welk domein het hoofdprobleem van belanghebbende ligt en/of er sprake is van multiproblematiek. Door dit te weten kan een loketmedewerker direct juiste stappen in gang zetten en gericht doorverwijzen. Daarom is het gewenst dat belanghebbende bij de aanmelding gebruikt maakt van het door het college beschikbaar gestelde meldingsformulier. 4.3Het gesprek Na de aanmelding wordt indien nodig een afspraak voor een gesprek gemaakt. Het gesprek is voor iedereen die voor het eerst een beroep doet op de compensatieplicht in het kader van de Wmo de logische start. Tijdens het gesprek wordt een complete inventarisatie gemaakt. Deze inventarisatie heeft nadrukkelijk het startpunt bij de belanghebbende en inventariseert: de beperking, het chronisch psychisch probleem of het psychosociaal probleem dat basis is van de behoefte aan compensatie; de mogelijkheden die de belanghebbende ondanks dit probleem heeft; de onmogelijkheden die de belanghebbende ondervindt als gevolg van het ondervonden probleem of de ondervonden problemen; de resultaten die belanghebbende wil bereiken op de verschillende in deze verordening weergegeven terreinen; hetgeen belanghebbende inmiddels zelf heeft gedaan om bestaande belemmeringen op te lossen; de mogelijkheden die belanghebbende heeft om deze resultaten via eigen oplossingen met hulp van mantelzorgers, familie, kennissen, vrienden, buren en vrijwilligers, via algemene voorzieningen, via algemeen gebruikelijke voorzieningen, via collectieve voorzieningen of (wettelijk) voorliggende voorzieningen te bereiken; de mogelijkheden die de gemeente in principe biedt om de problemen via een individuele voorziening op te lossen. Wordt de aanmelding gedaan door een mantelzorger, dan wordt met de mantelzorger en zo mogelijk met de belanghebbende geïnventariseerd welke belemmeringen de belanghebbende ondervindt bij de uitvoering van de mantelzorg. Het gesprek staat op zich los van een aanvraag voor een individuele voorziening. Op deze manier kan de gemeente het beste maatwerk leveren. Tijdens het gesprek wordt gezamenlijk bekeken welke oplossingen gevonden kunnen worden voor de beperkingen. Verder is het gesprek ook van belang met betrekking tot het verstrekken van informatie over het betalen van een eigen bijdrage of een eigen aandeel. Immers, kan de hoogte hiervan oplopen tot maximaal de kostprijs van de voorziening. Het is belangrijk voor burgers om daarvan kennis te hebben zodat men hun eigen afweging kan maken of wel een voorziening wordt aangevraagd. Het is overigens ook de plicht van het college de aanvrager voor te lichten over de keuze die de vorm van een voorziening met zich meebrengt. Verder kunnen ook weigeringsgronden en beperkende voorwaarden aan de orde zijn. Daarover kan desgewenst informatie aan de burger worden verstrekt. . Mocht er nadat een aanvraag is ingediend behoefte zijn aan een medisch advies of een onderzoek door een deskundige van een andere discipline, dan vindt dit na het gesprek plaats. Een dergelijk onderzoek past niet in een procedure als het gesprek waarbij belanghebbende en zijn wensen en persoonlijke kenmerken het uitgangspunt zijn en dat niet gericht is op een bepaalde individuele voorziening. Het gesprek wordt in principe bij de belanghebbende thuis gevoerd, tenzij deze aangeeft het gesprek liever elders te voeren. Dat zou kunnen bij een vertrouwenspersoon of een naast familielid. Het gesprek wordt gevoerd vanuit de belanghebbende en zijn behoeften en persoonlijke kenmerken. Het gesprek kan met een verslag worden afgesloten. Belanghebbende zal het gespreksverslag desgevraagd kunnen ontvangen. Indien van toepassing kunnen opmerkingen van belanghebbende over dit verslag als bijlage aan het verslag worden toegevoegd. Heeft de belanghebbende het verslag ondertekent en het verslag is voorzien van naam, adres en een dagtekening, dan kan het verslag functioneren als aanvraagformulier voor een aanvraag. Met die aanvraag wordt een formele procedure ingezet die gebonden is aan de regels van de Algemene wet bestuursrecht. 4.3.1Eigen verantwoordelijkheid Het belangrijkste oogmerk van de Wmo is samenhangend lokaal beleid om participatie van alle burgers mogelijk te maken en te bevorderen, uitgevoerd dicht bij de burger door een daarvoor goed toegeruste gemeente. Daarvoor is een krachtige sociale structuur nodig, waar zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid een belangrijke plaats in innemen, die voorliggend is aan professionele arrangementen van zorg, cultuur, ontspanning en welzijn. Met goede voorliggende voorzieningen en preventieve ondersteuning kan veel beter aan de wens tot sociale participatie van burgers, jong en oud, met en zonder beperkingen, worden voldaan. Met de Wmo wordt een aanzet gegeven voor een omslag in het denken en handelen van burgers, organisaties en overheden. De Wmo is nadrukkelijk bedoeld om mensen die dat kunnen te stimuleren om - meer dan het geval was onder de WVG en de AWBZ - zelf oplossingen te bedenken in de eigen sociale omgeving voor problemen die zich voordoen. Er wordt een groter beroep op de eigen draagkracht gedaan. Als burgers niet goed in staat zijn in bepaalde situaties zelf of samen met anderen oplossingen te realiseren of die door hen onmogelijk zelf kunnen worden geregeld, is de gemeente verantwoordelijkheid daarvoor te zorgen. 4.3.2De ICF De International Classification of Functions (ICF) bestaat uit een raamwerk van classificaties die tezamen een gestandaardiseerd begrippenkader vormen voor het beschrijven van menselijk functioneren en de problemen die daarin kunnen optreden. De ICF als hulpmiddel kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in het individuele geval vast te stellen. Let wel niet alle domeinen van de ICF vallen onder de reikwijdte van artikel 4 Wmo. 4.4De aanvraag van een individuele voorziening Hoofdregel is dat een aanvraag van een individuele voorziening altijd schriftelijk moet worden gedaan, waarbij elektronisch een vorm van schriftelijk is. Indien een aanvraag mondeling (via telefoon of op een andere manier) wordt ingediend dan moet de gemeente deze indiening schriftelijk bevestigen onder gelijktijdige toezending van het aanvraagformulier om deze aanvraag formeel te maken. Van belang is dat de termijn waarbinnen de aanvraag moet uitmonden in een beschikking (in principe 8 weken) pas begint te lopen vanaf het moment dat het aanvraagformulier, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bijlagen waaronder het eventuele verslag van het gesprek, bij de gemeente is binnengekomen. Het ondertekende verslag van het gesprek kan als aanvraagformulier beschouwd worden. Het kan nodig zijn dat het college de identiteit van de aanvrager moet vaststellen. De belanghebbende moet desgevraagd een identiteitsbewijs kunnen overleggen. Voor Wmo-aanvragen voldoen een rijbewijs, het paspoort, het identiteitsbewijs en een vreemdelingendocument. Hoofdstuk5Beoordeling van de te bereiken resultaten 5.1Het maken van een afweging Het college neemt het verslag van het gesprek tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag welke voorzieningen getroffen gaan worden. Daarbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende, zoals artikel 4 Wmo voorschrijft. “Rekening houden met" betekent dat het college die persoonskenmerken en behoeften als vertrekpunt van het onderzoek en de afweging neemt. Bij het onderzoek zal gekeken worden naar wat nodig is, wat mogelijk is en hoe maatwerk ten aanzien van de te bereiken resultaten mogelijk is. Het College kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden van belanghebbende om het resultaat zelf te bereiken, bijvoorbeeld met een bepaald hulpmiddel. Eerst wordt in alle gevallen (ook zonder gesprek) beoordeeld of er (wettelijk) voorliggende, algemeen gebruikelijke, algemene en collectieve voorzieningen, (vrijwilligers)organisaties en gebruikelijke zorg die voor betrokkene beschikbaar en in praktijk ook daadwerkelijk bruikbaar zijn. Als deze voorzieningen toch niet leiden tot het te bereiken resultaat zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden en komen individuele voorzieningen ter beoordeling in perspectief. Bij het maken van een afweging in de beoordeling wordt in ieder geval rekening gehouden met de punten van de inventarisatie zoals eerder genoemd. Wat hierbij belangrijk is dat belanghebbende keuzes maakt in het leven, waarbij verwacht mag worden dat die maatschappelijk gezien passend en verantwoord zijn gelet op zijn individuele situatie. Uiteraard blijft het wel maatwerk en moet er altijd gekeken worden naar de individuele situatie of er wel of niet wordt overgegaan tot het verstrekken van een individuele voorziening. Hoofdstuk6Te bereiken resultaat: Wonen in een schoon huis 6.1.Wonen in een schoon huis Het te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een schoon huis. Dit geldt ten aanzien van de essentiële gebruiksruimten. 6.2Beoordeling volgens de verantwoordelijkheidsladder Heeft belanghebbende geobjectiveerde beperkingen bij het wonen in een schoon huis? Welke mogelijkheden heeft de belanghebbende wel bij het wonen in een schoon huis? welke mogelijkheden heeft de belanghebbende niet bij het wonen in een schoon huis? Wat zijn de resultaten die belanghebbende wil bereiken bij het wonen in een schoon huis? Wat heeft belanghebbende zelf al gedaan om bestaande belemmeringen op te lossen? Welke mogelijkheden heeft belanghebbende om de gewenste resultaten te bereiken via eigen oplossingen al dan niet met zijn huisgenoten of sociale omgeving? Welke mogelijkheden heeft belanghebbende om de gewenste resultaten te bereiken via wettelijke voorliggende voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen? Welke mogelijkheden heeft belanghebbende om de gewenste resultaten te bereiken via algemene voorzieningen? Als bovenstaande mogelijkheden niet leiden tot een oplossing, komt een collectieve of individuele voorziening ter beoordeling aan de orde. Welke weigeringsgronden of beperkende voorwaarden zijn van toepassing volgens de Verordening? Welke mogelijkheden kan de gemeente bieden om de gewenste resultaten te bereiken via collectieve voorzieningen? Welke mogelijkheden kan de gemeente bieden om de gewenste resultaten te bereiken via individuele voorzieningen? Om de compensatieplicht met betrekking tot hulp bij het huishouden te vervullen, kan de compenserende maatregel zich richten op de dagelijkse huishoudelijke werkzaamheden (bijvoorbeeld een aantal uren voor zwaar huishoudelijk werk). 6.3Gebruikelijke zorg Er wordt geen individuele voorziening verstrekt indien en voor zover de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die in staat zijn huishoudelijke werkzaamheden over te nemen. 6.3.1Huisgenoten Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de belanghebbende een of meerdere huisgenoten heeft die in staat zijn om de huishoudelijke taken over te nemen wordt geen huishoudelijke voorziening verleend. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Van de overige leden van de leefeenheid wordt verondersteld dat zij de taken overnemen. Dit geldt in beginsel voor alle huishoudelijke taken. Is er sprake van (dreigende) overbelasting dan kan toch een huishoudelijke voorziening worden verleend, mits dat objectief door onderzoek is vastgesteld. 6.3.2Overbelasting Is sprake van overbelasting voor het uitvoeren van huishoudelijke taken of een dreiging daarvan, kan dat reden zijn om (tijdelijk) een huishoudelijke voorziening toe te kennen. Overbelasting kan worden veroorzaakt door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Factoren die van belang zijn voor de draagkracht zijn: lichamelijke conditie geestelijke conditie wijze van omgaan met problemen motivatie voor zorgtaak sociaal netwerk Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer: omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken ziektebeeld en prognose inzicht van de mantelzorger in het ziektebeeld van de zorgvrager de woonsituatie bijkomende sociale problemen bijkomende emotionele problemen bijkomende relationele problemen In geval een persoon binnen de leefeenheid een zeer korte levensverwachting heeft kan ter ontlasting van de leefeenheid afgeweken worden van de normering gebruikelijke zorg. 6.3.318 jaar en ouder Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. Daarbij wordt er geen rekening gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is om te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid geen huishoudelijke taken kunnen uitvoeren omdat zij nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taken worden dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren. 6.3.4Werk als afwijkende reden Bij werkenden wordt in beginsel geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. Een indicatiesteller dient altijd te onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. 6.3.5Kamerverhuur Personen die een kamer huren of in pension verblijven worden niet tot de leefeenheid gerekend. Het gaat doorgaans om personen die niet in familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een (huur)overeenkomst zijn. Dit betekent echter wel dat afhankelijk van de overeenkomst dat daar bij de indicatie wel rekening wordt gehouden. De huurder blijft bijvoorbeeld deels verantwoordelijk voor het schoonhouden van de gemeenschappelijk te gebruiken ruimten. In situaties dat de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder van beroepsmatige aard zijn wordt uiteraard niet geïndiceerd! 6.4Wettelijke voorliggende voorziening Voor zover belanghebbende gebruik kan maken van een voorliggende voorziening die in de individuele situatie kan leiden tot het te bereiken resultaat geen wordt voorziening verleend. Dat is bijvoorbeeld het geval als uit de beschikbare (para)medische informatie blijkt (fysiotherapeut, orthopedisch chirurg en revalidatiearts) dat er mogelijkheden zijn voor behandeling. Van belanghebbende mag worden verwacht dat daar gebruik wordt gemaakt van de behandelmogelijkheden en dat hij/zij zich ten volle inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen (CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Het (leren) structureren en organiseren van het huishouden kan onder de AWBZ-functie begeleiding vallen. Dat is het geval als de belanghebbende het huishouden zelf kan uitvoeren, maar daarbij ondersteuning nodig heeft (Rechtbank Arnhem 21-12-2010, nr. AWB 09/2362). 6.5Algemene en algemeen gebruikelijke voorziening In het kader van de resultaten gericht op het voeren van een huishouden (huishoudelijke voorzieningen) zijn de algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen van belang. Deze zijn voorliggend op het inzetten van een individuele voorziening. Bij het resultaat een schoon huis kunnen een boodschappendienst, de maaltijdservice of vrijwilligersorganisaties van belang zijn. Het spreekt voor zich dat deze wel beschikbaar en bruikbaar moeten zijn. Hiertoe is het nodig kennis te hebben van de sociale kaart van de gemeente Noordoostpolder. Wordt met deze voorzieningen voldoende compensatie geboden, dan is het niet relevant of belanghebbende hiervan gebruik wil maken. Voor wat betreft het ramen lappen aan de buitenkant geldt dat de glazenwasser een algemeen gebruikelijke voorziening is. 6.6Alleen essentiële gebruiksruimten Er wordt alleen een huishoudelijke voorziening wordt verleend voor de essentiële gebruiksruimten. Daaronder vallen bijvoorbeeld de woonkamer, de aanwezige en gebruikte slaapkamers, de keuken en sanitaire ruimten. Woont de belanghebbende in grotere ofmeer luxe woning, dan bestaat geen aanleiding tot een hogere indicatie. 6.7Overige situaties Er wordt geen huishoudelijke voorziening verleend als de aanvraag betrekking heeft op hotels-pensions, trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede woningen. 6.8Verblijf in AWBZ-instelling Er wordt geen huishoudelijke voorziening als de belanghebbende verblijft in een AWBZ/instelling. De huishoudelijke verzorging is in de functie Verblijf opgenomen en wordt niet geïndiceerd (artikel 2 Wmo). Dit geldt ook voor de door het tehuis te leveren maaltijdverzorging. Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar een huishoudelijke voorziening voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden, tenzij deze zorg niet al door belanghebbende wordt betaald. Dan gaat het immers om al aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. 6.9Compensatie huishoudelijke ondersteuning De huishoudelijke voorziening is gericht op: het lichte huishoudelijke werk het zware huishoudelijke werk het organiseren van het huishouden 6.10Geen langdurige noodzaak In afwijking van de hoofdregel is voor de huishoudelijke voorziening niet vereist dat deze langdurig noodzakelijk moet zijn. Er wordt geen PGB verstrekt indien behoefte is aan ondersteuning in de huishouding voor een periode korter dan drie maanden. Een voorbeeld hiervan is transferzorg na een ziekenhuisopname. Voor transferzorg gelden de regels voor een gewone individuele verstrekking. Hiervoor dient dus bijvoorbeeld ook een eigen bijdrage te worden betaald. Het gaat om geïndiceerde ondersteuning thuis na een ziekenhuisopname door de behandelende arts of transferverpleegkundige van het ziekenhuis Wel is er sprake van kortdurende, snel inzetbare ondersteuning en is er geen sprake van langdurige noodzaak. Kortdurende huishoudelijke ondersteuning kan ook aan de orde zijn bij reorganisatie van een huishouding (een acuut disfunctioneren van een huishouden). Herverdeling van de gebruikelijke zorg of inschakelen van algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen kan dan een dermate grote belasting zijn dat kortdurend huishoudelijke ondersteuning kan worden geïndiceerd. Redenen als ‘niet gewend zijn of niet willen’ zijn geen reden voor een voortzetting van de indicatie dan wel herindicatie. Vaak is het inzetten van voorziening gedurende een periode van zes weken voldoende. 6.11Mantelzorg Mantelzorg is geen gebruikelijke zorg maar het overstijgt de zorg die als gebruikelijk wordt geacht. Er is sprake van langdurig en intensief verlenen van zorg voor tenminste 8 uur per week gedurende drie maanden of meer. Gebruikelijke zorg beperkt zich tot huisgenoten. Mantelzorgers kunnen huisgenoten zijn, maar ook buren, familie, vrienden etc. Mantelzorg is in strikte zin vrijwillig, hoewel de mantelzorger dat niet als zodanig hoeft te ervaren. Mantelzorg is geen (wettelijk vastgestelde) voorliggende voorziening voor de Wmo of de AWBZ, maar bij het beoordelen van het recht op of de omvang van een voorziening wordt door het college wel rekening gehouden met de eventuele aanwezigheid van mantelzorg. Daarnaast kan ook huishoudelijke ondersteuning verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. Het is de verantwoordelijkheid van de mantelzorger om aan te geven wat de mantelzorg voor haar of hem inhoudt en wat hij/zij daarbij nodig heeft om dit te blijven doen. In situaties dat de problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van huishoudelijke ondersteuning is dat een reden voor toekenning aan de belanghebbende. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de huishoudelijke ondersteuning plaats vindt bij de persoon met beperkingen, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis. 6.11.1Mantelzorg en indicatiestelling Mantelzorgers worden betrokken bij het gesprek en eventueel bij de indicatiestelling. Het is immers belangrijk om na te gaan wat er al aan mantelzorg wordt verleend door huisgenoten en externe mantelzorgers. Doel van de inventarisatie is na te gaan of de mantelzorger de zorg kan blijven bieden. Het is de verantwoordelijkheid van de mantelzorger om aan te geven wat de mantelzorg voor haar of hem inhoudt en wat hij/zij daarbij nodig heeft om dit te blijven doen. De indicatiesteller brengt in kaart wat de fysieke, psychische en sociale belasting is voor de mantelzorger. Het is de verantwoordelijkheid van de indicatiesteller om aan te geven wat er aan voorzieningen mogelijk is in het kader van de Wmo en te toetsen of de belasting die de mantelzorger zichzelf oplegt reëel is. De indicatiesteller is alert op het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger(
  7. s)waardoor hun eigen leven en mogelijkheden tot maatschappelijk participeren in het gedrang komen. Uitgangspunt voor de indicatiesteller is de wijze waarop de persoon met beperkingen zijn/haar leven vorm wil geven en de wijze waarop de mantelzorger hieraan kan en wil bijdragen. Op het indicatiebesluit wordt aangegeven welke geïndiceerde zorg door de mantelzorg wordt geleverd. Valt de mantelzorg (tijdelijk) weg, dan is meteen duidelijk hoeveel (aanvullende) zorg door professionals geleverd moet worden. 6.12Omvang huishoudelijke ondersteuning Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de belanghebbende zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de Awbz gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. In de bijlage is aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn gebaseerd op het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten. Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in bijlage kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. De omvang van de huishoudelijke ondersteuning wordt vastgesteld in uren afgerond op kwartieren, die in de uitvoeringspraktijk op halve uren naar boven of beneden kunnen worden bijgesteld. Het voordeel hiervan is dat er een betere controle en dus sturing op het volume van productie mogelijk is. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Tenzij er overwegende bestaan kan een persoonsgebonden budget worden toegekend voor de inkoop van een huishoudelijke voorziening. Zie verder het besluit. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van toepassing. 6.13De duur van de indicatie bij huishoudelijke ondersteuning Indien er een indicatie wordt gesteld voor huishoudelijke ondersteuning, dan wordt de indicatie afgegeven voor een vastgestelde periode. De periode waarover de indicatie wordt afgegeven is afhankelijk van de aard van de voorziening en de situatie van de belanghebbende. Wanneer de geldigheidstermijn is verstreken en er nog een hulpvraag resteert, zal de belanghebbende de voorziening opnieuw moeten aanvragen. Er is dan sprake van een vervolgindicatie (ongewijzigd) of een herindicatie (nieuw onderzoek en indicatiestelling met een mogelijke wijziging). 6.14Keuze zorgaanbieders De huishoudelijke ondersteuning is opgedeeld in 2 categorieën van zorg: Categorie 1: Huishoudelijke werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld boodschappen doen, maaltijd(
  8. en)bereiden, licht en zwaar huishoudelijk werk, de was doen en het op orde houden van de huishoudelijke spullen. De hulpverlener heeft daarnaast een signalerings- en doorverwijsfunctie. Categorie 2: Categorie 1 aangevuld met organisatie van de huishouding. Het betreft hier o.a.: anderen helpen in huis met zelfverzorging, het bereiden van de maaltijd(en), de dagelijkse organisatie van het huishouden, advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden, sturing of stimulering bij het deels zelf uitvoeren van activiteiten en/of het verzorgen en opvangen van jonge kinderen in verband met uitval van de primaire verzorger(s). De aanvrager wordt door de gemeente de mogelijkheid geboden om te kiezen tussen de door de gemeente gecontracteerde aanbieders (zie bijlage 1). Met iedere zorgaanbieder die zorg in de gemeente Noordoostpolder wil verlenen onder de voorwaarden zoals gesteld in het convenant en die voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden, wordt een convenant afgesloten. Daarnaast kan de aanvrager in aanmerking komen voor een PGB waarmee hij ook kan kiezen voor een andere zorgaanbieder dan deze de gecontracteerde zorgaanbieders. De selectie van een zorgaanbieder door de gemeente vindt vervolgens plaats op basis van de volgende criteria: Keuze van zorgaanvrager; Indien de aanvrager geen voorkeur heeft, zal de opdracht per toerbeurt worden toegekend. Dit alles onder de voorwaarde van beschikbaarheid van de zorg bij de aanbieder. 6.15Het product Thuisbegeleiding Thuisbegeleiding bestaat uit tijdelijke hulpverlening van drie maanden met een mogelijke verlenging met nog eenmaal drie maanden. De invulling kan bestaan uit de volgende onderdelen: praktische opvoedingsondersteuning het in kaart brengen van de financiële situatie structuur aanbrengen in huishouding signaleren van problemen tussen partners en of kinderen zo nodig verwijzen naar het Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW) activeren richting werk of dagbesteding en oog hebben voor ieders rol binnen het gezin. Thuisbegeleiding wordt ingezet om mensen weer ‘op de rit te krijgen’. 6.16Vervuilde huishoudens Als er sprake is van een ernstige verontreiniging van een huishouden waarbij gevaar voor de volksgezondheid aanwezig is, kan in zeer uitzonderlijke situaties een oplossing op maat geboden worden. Uitgangspunt hierbij is dat de belanghebbende zelf de kosten van de schoonmaak betaalt. De volgende verstrekkingen vanuit de AWBZ hebben raakvlakken met de huishoudelijke ondersteuning: Persoonlijke verzorging (PV): Het ondersteunen of overnemen van activiteiten op het gebied van lichaamsgebonden zorg. (bijv: wassen, kleden, gebitsverzorging, toiletgang, hulp bij eten/drinken etc.) Begeleiding: De functie wordt toegekend als er een matige of zware zorg- of ondersteuningsbehoefte is op het gebied van zelfredzaamheid. Om in aanmerking te komen moet op onderstaande punten bij de indicatie een bepaalde score behaald worden: Sociale redzaamheid (mogelijkheid hebben om sociale contacten aan te gaan, eigen leven vorm te geven en te regisseren, inclusief financiën regelen) Bewegen en verplaatsen (zelfstandig voortbewegen binnen- en buitenshuis) Probleemgedrag (destructief, grensoverschrijdend, agressief, dwangmatig gedrag) Psychisch functioneren (stoornissen in denken, concentratie en waarneming) Geheugen- en oriëntatiestoornissen (problemen met oriëntatie in tijd, plaats en persoon). 6.17Bijzondere verstrekkingen 6.17.1Huishoudelijke ondersteuning bij CARA/COPD Een vraag naar huishoudelijke ondersteuning kan pas aan de orde zijn als de woning gesaneerd is. Immers het verstrekken van huishoudelijke ondersteuning in een niet gesaneerde woning is niet adequaat. Het geïndiceerde aantal uren is dan ook afgestemd op een gesaneerde woning. Eventueel kunnen er extra uren worden geïndiceerd voor het stofvrij houden van de woning. 6.17.2Huishoudelijke ondersteuning Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden gesteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, kan hulp voor de zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend. Dat kan aan de orde zijn bij ouderen op hoge leeftijd. Indien de betreffende persoon hiertoe wel in staat is, wordt slechts een kortdurende indicatie gesteld voor het aanleren van de huishoudelijke activiteiten. Het betreft dan instructie (categorie 2). Doorgaans is huishoudelijke ondersteuning gedurende een periode van zes weken voldoende. 6.17.3Huishoudelijke ondersteuning kortdurend bij revalidatie Het aanleren van huishoudelijke taken en stimuleren tot zelfzorg duurt doorgaans niet langer dan zes á acht weken. Wanneer de aandoening die de oorzaak vormt voor de beperkingen nog behandelmogelijkheden biedt, dan kan in de regel geen huishoudelijke ondersteuning alleen worden geïndiceerd. In dat geval kan de huishoudelijke ondersteuning invaliderend werken. Wel kan huishoudelijke ondersteuning naast een te volgen behandeling worden geïndiceerd. Afstemming met behandelaars kan noodzakelijk zijn. Voorbeeld: Iemand herstelt van een orthopedische operatie. Ter revalidatie krijgt hij fysiotherapie. Deze persoon heeft een indicatie voor huishoudelijke ondersteuning totdat zij de taken weer zelf kan uitvoeren. De persoon met beperkingen keert terug naar huis na te zijn gerevalideerd van bijvoorbeeld een hersenbloeding. De persoon kan een slecht ziekte-inzicht hebben en heeft geen indicatie voor huishoudelijke ondersteuning, maar voor Begeleiding en/of behandeling (Awbz). 6.17.4Huishoudelijke ondersteuning bij de geboorte van een drie- of vierling Huishoudelijke ondersteuning kan worden geboden ter ontlasting van de ouders van wie meer dan een normale hoeveelheid gebruikelijke lichamelijke zorg voor de kinderen wordt verlangd door de aanwezigheid van veel kleine kinderen tegelijk (drie of vier of nog meer in verband met nog jonge broertjes en zusjes) in het huishouden. De zorg voor een tweeling kan mogelijk een zware taak zijn, maar wordt niet beschouwd als uitzonderlijk. Hoofdstuk7Te bereiken resultaat: Wonen in een geschikt huis 7.1Wonen in een geschikt huis Het te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar men over beschikt. Dit geldt ten aanzien van de essentiële gebruiksruimten waaronder ook de bereikbaarheid, bruikbaarheid, toegankelijkheid en doorgankelijkheid van de woning valt. Kan de belanghebbende verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning waarmee het resultaat wordt bereikt, zal deze mogelijkheid worden beoordeeld volgens de geldende regels. Dit resultaat is gericht op noodzakelijke aanpassingen aan een woning of als dat niet mogelijk is maar ook bij hogere kosten wordt voorrang gegeven aan verhuizen. De nadruk bij dit resultaat ligt bij het bewonen van een functioneel huis. Het gaat erom dat mensen zich in hun eigen woning kunnen bewegen en de verschillende gebruiksruimten kunnen bereiken. Het beschikbaar stellen van een woning valt niet onder de Wmo. Van een inwoner wordt een verantwoorde keuze voor een woning verwacht en hierbij anticipeert op voorzienbare omstandigheden die zich in de (nabije) toekomst voor kunnen doen, waaronder het ouder worden. Inwoners worden meer dan tot voorheen het geval was gewezen op mogelijkheden van het gebruik van bestaande algemene voorzieningen, zoals een vrijwillige hulpdienst waarmee een zelf aangeschafte voorziening door de vrijwillige hulpdienst kan worden geïnstalleerd. 7.2Beoordeling volgens de verantwoordelijkheidsladder Heeft belanghebbende geobjectiveerde beperkingen bij het wonen in een geschikt huis? Welke mogelijkheden heeft de belanghebbende wel bij het wonen in een geschikt huis? welke mogelijkheden heeft de belanghebbende niet bij het wonen in een geschikt huis? Wat zijn de resultaten die belanghebbende wil bereiken bij het wonen in een geschikt huis? Wat heeft belanghebbende zelf al gedaan om bestaande belemmeringen op te lossen? Welke mogelijkheden heeft belanghebbende om de gewenste resultaten te bereiken via eigen oplossingen al dan niet met zijn huisgenoten of sociale omgeving? Welke mogelijkheden heeft belanghebbende om de gewenste resultaten te bereiken via wettelijke voorliggende voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen? Welke mogelijkheden heeft belanghebbende om de gewenste resultaten te bereiken via algemene voorzieningen? Als bovenstaande mogelijkheden niet leiden tot een oplossing, komt een collectieve of individuele voorziening ter beoordeling aan de orde. Welke weigeringsgronden of beperkende voorwaarden zijn van toepassing volgens de Verordening? Welke mogelijkheden kan de gemeente bieden om de gewenste resultaten te bereiken via collectieve voorzieningen? Welke mogelijkheden kan de gemeente bieden om de gewenste resultaten te bereiken via individuele voorzieningen? 7.3Soorten woonvoorzieningen Artikel 8 lid 9 van de Verordening voorzieningen Wmo bepaalt dat er de volgende mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische voorziening; een niet bouwkundig of niet woontechnische woonvoorziening; een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie; een voorziening voor tijdelijke huisvesting; een voorziening voor huurderving; een voorziening voor het verwijderen van voorzieningen; een voorziening voor een uitraasruimte. 7.4Hoofdverblijf Uit de Verordening voorzieningen Wmo volgt dat een woonvoorziening slechts wordt verleend indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Onder het hoofdverblijf wordt de woonruimte verstaan die bestemd en geschikt is voor permanente bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. In uitzonderingssituaties kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. 7.5Verhuizen of aanpassen Het college kan het primaat van verhuizen hanteren in plaats van het verlenen van een voorziening indien de woningaanpassing een in het besluit bepaald bedrag te boven gaat. Uit de jurisprudentie blijkt dat het hanteren van het primaat van verhuizing niet in strijd is met de Wmo (TK 2005-2006, 30 131, nr. 29, p. 100 en CRvB 09-12-2009, nr. 08/3766 WMO). Voor zover de persoon met beperkingen kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning welke verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden. Dit betekent dat in beginsel het primaat ligt bij verhuizen. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie anders kan zijn. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van relevante factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat. Zwaarwegende redenen Er kunnen echter zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering wordt gemaakt op het verhuisprimaat. Strikt genomen is dat gebaseerd op het oordeel dat toepassing van het verhuisprimaat in strijd is met artikel 4 Wmo. Voorbeelden zijn: Er blijkt uit onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van belanghebbende zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maken het niet acceptabel dat belanghebbende verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de belanghebbende. Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorg professionele hulp overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend. Er is een aanzienlijke stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd. Woonlastenconsequenties huurwoning Een nieuwe huurwoning kan een aanzienlijke stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging de draagkracht van de aanvrager te boven gaat. Bij toewijzing van een woning wordt door de woningbouwcoöperaties rekening met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag. Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend: Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten) Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom Opstalverzekering Een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor groot onderhoud Onderhoudskosten eigen woning per jaar (geldend per 1 juli 2012) woning gebouwd voor 1945 € 590 woning gebouwd na 1945 € 504 toeslag installatie voor centrale verwarming € 79 toeslag liftinstallatie € 75 toeslag algemeen beheer en administratie € 144 Vergelijking aanpassingskosten huidige woonruimte versus nieuwe woonruimte Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; de kosten van een verhuis- en (her)inrichtingskostenvergoeding; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning; een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. 7.6Voorwaarden voor verstrekking Voor het verlenen van woonvoorzieningen gelden nog een aantal voorwaarden. De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien: a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was. Het kan dat de belanghebbende verhuist terwijl daar gelet op de beperkingen in de woning geen aanleiding voor was of als wordt verhuisd van een adequate naar een inadequate woning. Is hier sprake van, dan wordt het college de mogelijkheid ontnomen om nog te kunnen bepalen wat de goedkoopst-compenserende oplossing had kunnen zijn. Zonder belangrijke reden te verhuizen brengt de belanghebbende zich in een lastige bewijspositie. Is de verhuizing geen gevolg van het ondervinden van beperkingen in het normale gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om toch te verhuizen, dan weigert het college een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen bijvoorbeeld worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. Gelet op de wettekst van artikel 4 lid 2 Wmo (waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie) moet op basis van de individuele situatie worden beoordeeld of de woonvoorziening wordt geweigerd. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de belanghebbende maakt in welke woning men gaat samenwonen. Ook in dat geval moet een belangrijke reden zijn waarom naar de woning wordt verhuisd waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht (vergelijk Rechtbank 's-Hertogenbosch 22-03-2010, nr. AWB 09/1489). Na een echtscheiding kan er sprake zijn van co-ouderschap. In die gevallen kan het een van de ouders niet verweten worden dat wordt verhuisd vanuit een adequate woning. In CRvB 02-03-2011, nr. 09/3698 WMO oordeelt de Centrale Raad dat de wens een groot gezin te (willen) hebben geen belangrijke reden is. Voor zover geen belemmeringen worden ondervonden in het normale gebruik van de woning is het niet ongebruikelijk om met kinderen in een flat te wonen. In CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO oordeelt de Centrale Raad dat de verkoop van een woning om bedrijfsmatige reden geen belangrijke reden is om te verhuizen van een adequate woning naar een niet-adequate woning en daarmee een beroep te doen op een woonvoorziening op grond van de Wmo. In deze uitspraak wijst de Centrale Raad op de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende (TK 2004-2005, 30 131, nr. 3). Het had op de weg van belanghebbende gelegen om voor de aanpassingskosten van de woning een bedrag te verdisconteren in koopsom. b. de belanghebbende niet naar de meest geschikte beschikbare woning is verhuisd die is afgestemd op diens beperkingen, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college. Verhuist de belanghebbende niet naar de voor hem/haar beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de voorziening in beginsel afgewezen. Deze afwijzing leidt uitzondering als het college schriftelijk toestemming verleent om te verhuizen. Uit deze eis volgt dat de belanghebbende een aanvraag heeft ingediend voordat is verhuisd, door een woning of een kavel aan te kopen contact heeft (gehad) met het college. Door geen contact op te nemen met het college over de mogelijkheden, brengt een aanvrager zich in een lastige bewijspositie. Dit betekent dat de aantoonplicht dat er geen (andere) geschiktere beschikbare woningen waren bij de aanvrager ligt. Zonder dat aan te tonen kan de aanvraag om een woonvoorziening worden afgewezen (CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a.,CRvB 15-04-2009, nr. 07/682 WVG en Rechtbank Arnhem 20-09-2011, nr. AWB 11/1222). c. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: 1) het verbreden van toegangsdeuren; 2) het aanbrengen van elektrische deuropeners; 3) aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel); 4) het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; 5) het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning. Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten mogen gelimiteerd worden (CRvB 02-11-2011, nr. 10/6238 WMO-T). Een uitzondering kan dus worden gemaakt voor een gelimiteerd aantal voorzieningen aan gemeenschappelijke ruimten zonder welke de woning van de persoon met beperkingen onbereikbaar is. d. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud. Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud aan de woning voor problemen zorgen. Denk bijvoorbeeld aan de constructie van een houten vloer in de woning (CRvB 01-10-2003, nr. 02/2285 WVG) of een woning die niet voldoet aan de eisen van deze tijd waaronder ook achterstallig onderhoud en de belanghebbende belemmeringen ondervindt vanwege tocht en vocht of het ontbreken van centrale verwarming of douche (lavet). e. de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit 2012. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Voorzieningen die het uitrustingsniveau van sociale woningbouw te boven gaan behoren tot de eigen verantwoordelijkheid en is een afwijzingsgrond. Voldoet de woning niet aan het uitrustingsniveau van sociale woningbouw, dan is het in beginsel algemeen gebruikelijk dat de eigenaar zorg draagt dat de woning voldoet aan het niveau. f. de belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend voor zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft, verhuisd is vanuit of naar een woning die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; Een eerste verhuizing om zelfstandig te gaan wonen is in beginsel algemeen gebruikelijk omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen voor het eerst doorgaans vanuit de ouderlijke woning verhuisd (vergelijk CRvB 04-05-2011, nr. 09/4213 WMO). In die gevallen wordt geen verhuiskostenvergoeding verleend. De Wmo is onder meer gericht op het behoud c.q. het bevorderen van de zelfstandigheid en is als opvolger van de Wvg ook bedoeld voor mensen die nog zelfstandig kunnen blijven wonen. Op het moment dat men verhuist naar een AWBZ-instelling, valt men feitelijk buiten de Wmo-doelgroep, omdat het, ook met ondersteuning, niet meer mogelijk is zelfstandig een huishouden te voeren. De wmo is gebaseerd op maatwerk en er mogen geen groepen worden uitgesloten. Voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning wordt evenmin geen woonvoorziening verstrekt (zie bijvoorbeeld CRvB 02-08-2011, nr. 09/4366 WMO). g. er in de verlaten woning geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. Als er in de te verlaten woning geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen. De belanghebbende is verhuisd naar een inadequate woning waardoor geen aanspraak op woonvoorzieningen is. h. bij de aanvraag voor een verhuiskostenvergoeding geen sprake is van een onverwacht optredende beperking bij belanghebbende, maar sprake is van planbare en voorzienbare omstandigheden die zich in de (nabije) toekomst voor kunnen doen. Een verhuiskostenvergoeding kan worden verstrekt als er sprake is van een onvoorzienbare verhuizing voor een belanghebbende die onverwachts wordt getroffen door beperkingen in de woning. In geval van een voorzienbare verhuizing die dus planbaar is, komt iemand in principe niet in aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding. Of daarvan sprake is kan afhankelijk zijn van iemands leeftijd, gezinssituatie of gezondheidssituatie. Iedereen kan van te voren weten dat door ouderdom een bijvoorbeeld niet-gelijkvloerse woning op termijn niet meer geschikt is omdat men geen trap meer kan lopen. Ook bij het diagnosticeren van een aandoening die zal leiden tot beperkingen, kan het voorzienbaar zijn dat de huidige woning niet meer geschikt is. In het individuele geval blijft het altijd maatwerk. Er wordt steeds meer van mensen zelf verwacht om te anticiperen op woonproblemen en op voorzienbare omstandigheden die zich in de (nabije) toekomst voor kunnen doen. In een aantal gevallen gebeurt dat al door zich bijvoorbeeld tijdig in te schrijven voor andere woonruimte. Het is dan ook van belang dat er voldoende geschikte woningen zijn. De eigen verantwoordelijkheid van belanghebbenden wordt meegenomen bij het vaststellen van de indicatie. Van belang is dat gemeente Noordoostpolder inwoners wijst op hun eigen verantwoordelijkheid om te anticiperen op woonproblemen en hun hierover te informeren via het gemeentenieuws e.d. 7.7Woningsanering Een uitzondering is als de belanghebbende bekend is met allergie, astma of chronische bronchitis (CARA) en sanering van de woning als gevolg daarvan noodzakelijk is (vastgesteld door de huisarts of de longarts). De hoogte van de tegemoetkoming is gemaximeerd en afhankelijk van een reguliere afschrijftermijn van 8 jaar (zie verder hierna). In de regel kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt indien: de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen financiële tegemoetkoming wordt verstrekt indien: het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de belanghebbende leidt; de belanghebbende bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert. Bij een noodzakelijke vervanging in verband met CARA komt zowel de vervanging van vloerbedekking als gordijnen in aanmerking voor een vergoeding. De woningsanering in verband met CARA beperkt zich tot de ruimten die door de belanghebbende het meest worden gebruikt en waarvan de CARA-verpleegkundige de noodzaak tot sanering heeft vastgesteld. In het algemeen gaat het dan om de slaap- en woonkamer. De keuken en slaapkamers van huisgenoten (inclusief kinderen) komen daarom niet voor sanering in aanmerking. Bij vervanging door rolstoeltapijt wordt de vloerbedekking in alle kamers, die door de belanghebbende moeten worden gebruikt, vervangen. Een voorwaarde is verder dat de overige gezinsleden maatregelen moeten nemen om schadelijke effecten te voorkomen (bijvoorbeeld niet roken in de kamer in het bijzijn van het kind). Doen zij dit niet, dan wordt de woonkamer niet gesaneerd. Bovendien wordt van een belanghebbende verwacht dat hij/zij bij de inrichting van de woning rekening houdt met de aard van de beperking en de problemen die hiermee gepaard gaan. Concreet betekent dit dat wanneer een verhuizing plaatsvindt nadat een beperking zich heeft gemanifesteerd, er geen financiële tegemoetkoming meer wordt verstrekt voor woningsanering. Problemen die dan ontstaan, zijn het gevolg van de aard van de in de woning gebruikte materialen en de problemen hadden door de belanghebbende kunnen worden voorzien. Afschrijftermijn Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt rekening gehouden met de een reguliere afschrijftermijn van 8 jaar op de bestaande stoffering. Als de bestaande stoffering volgens deze afschrijftermijn aan vervanging toe zou zijn (dus ouder dan 8 jaar), dan wordt er geen vergoeding verstrekt. Het vervangen van de stoffering kan na 8 jaar immers als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Indien de bestaande stoffering niet ouder is dan 8 jaar, kunnen de kosten (gedeeltelijk) worden vergoed volgens onderstaand schema: 1-2 jaar : 100% 2-4 jaar : 75% 4-6 jaar : 50% 6-8 jaar : 25% In het kader van de Wmo komen alleen vloerbedekking en gordijnen voor sanering in aanmerking. Voor de vergoeding van deze zaken wordt aangesloten bij de normbedragen van het NIBUD. 7.8Uitsluitingen De volgende woonruimte zijn uitgesloten van het treffen van voorzieningen: hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Enerzijds zijn alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van gemeenschappelijke ruimten zonder welke de woning van de persoon met beperkingen onbereikbaar is. 7.9Bezoekbaar maken van de woning In afwijking van de eis dat belanghebbende hoofdverblijf moet hebben of zal hebben bestaat een uitzondering op deze hoofdregel. Wanneer de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een Awbz instelling, kan een woonvoorziening worden verstrekt aan één andere woonruimte. Deze woonvoorziening is dan bedoeld om de woonruimte bezoekbaar te maken. Dit bezoekbaar maken houdt in dat de belanghebbende de woonruimte, de woonkamer en het toilet moet kunnen bereiken. De aanvraag voor het bezoekbaar maken van een woonruimte moet worden ingediend in de gemeente waar de aan te passen woonruimte staat. 7.10Primaat losse woonunit Kan geen toepassing worden gegeven aan het primaat van verhuizen, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de Verordening voorzieningen Wmo nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit. Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van belanghebbende een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Is een losse unit niet mogelijk of geen bruikbare oplossing, dan kan een al dan niet bouwkundige aanpassing worden verleend. 7.11Overige voorwaarden tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten Allereerst is van belang dat de gemeente waar de woning staat van waar uit de belanghebbende verhuisd gehouden is te compenseren in de vorm van bijvoorbeeld een verhuiskostenvergoeding. Een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding (verhuiskostenvergoeding) kan verstrekt worden aan een belanghebbende die verhuist naar een aangepaste of een goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning. Als de verhuizing medisch geïndiceerd is voor meerdere belanghebbenden die wonen in dezelfde woning, en die gezamenlijk gaan verhuizen naar een adequate woning, wordt slechts eenmaal een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten toegekend. Indien een belanghebbende verhuist ten gevolge van gezinsuitbreiding wordt slechts een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten toegekend als de gezinsuitbreiding heeft geleid tot beperkingen in de woning. Hierbij geldt in het algemeen dat kinderen afhankelijk van de leeftijd een slaapkamer kunnen delen. Een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten voor het vrijmaken van een reeds aangepaste woning wordt verstrekt, indien hiermee wordt voorkomen dat een relatief dure woningaanpassing moet plaatsvinden (zie Besluit). Met belanghebbenden die voor een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten in aanmerking komen wordt niet afgerekend op declaratiebasis. Binnen 15 maanden nadat de tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten is toegekend dient de belanghebbende verhuisd te zijn naar een adequate woning. Het hierboven genoemde gereedmeldingsformulier dient men naar het college toe te sturen om aan te tonen dat men verhuisd is naar een voor hen adequate woning, overeenkomstig het advies. Hierna kan worden overgegaan tot uitbetaling. Is men binnen deze termijn niet verhuisd, dan wordt via een heronderzoek bekeken wat de reden is waarom men niet is verhuisd. Individueel wordt dan bekeken, afhankelijk van de reden, of de termijn van de beschikking verlengd moet worden of niet. Een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte is vastgelegd in het Besluit. 7.12De procedure bouwkundige of woontechnische woonvoorziening Als een indicatie is gesteld wordt een programma van eisen opgesteld voor de goedkoopst compenserende woningaanpassing. De woningeigenaar vraagt op basis van dat programma van eisen enkele offertes bij een aannemer op. In geval van een huurwoning vraagt het college zelf offertes aan bij bouwbedrijven. Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst compenserende oplossing biedt en welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming. Het is mogelijk om een financiële tegemoetkoming te krijgen voor het verwerven van extra grond ten behoeven van een aanbouw of uitbreiding van een bepaald vertrek in een zelfstandige woning indien dit op grond van beperkingen noodzakelijk zou zijn. Het aantal m2 dat voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt is per vertrek in beginsel gemaximaliseerd volgens onderstaande tabel. Soort vertrek Aantal m² bij aanbouw Aantal m² bij uitbreiding Woonkamer 30 6 Keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 10 4 2 persoonsslaapkamer 18 4 Toiletruimte 2 1 Badkamer -wastafelruimte 2 1 -doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 Berging 6 4 Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden deze maxima aangehouden, tenzij het normale gebruik van de woning, onderbouwd, een ander maximum vergt. Het aantal m² verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20 m². Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk, tenzij deze kosten zonder meerkosten kunnen worden meegenomen in de bouw of er sprake is van renovatie. Wel kan van de belanghebbende en zijn partner en/of huisgenoten mogelijk worden gevergd dat de taakverdeling kan worden aangepast. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer activiteiten ook door andere gezinsleden kunnen worden gedaan zoals het in- en uitladen van de wasmachine, er geen compensatieplicht voor het college hoeft te zijn (vergelijk CRvB 15-10-1999, nrs. 98/3698 WVG e.a.). Alleen met de door het college verleende toestemming kan worden begonnen met de werkzaamheden. Het spreekt voor zich dat de woningaanpassing binnen het programma van eisen wordt uitgevoerd. Nadat de werkzaamheden zijn voltooid controleert het college aan de hand van bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing. Na de voltooiing van de werkzaamheden dient de woningeigenaar of huurder binnen 15 maanden een gereedmeldingsformulier met facturen betreffende de werkzaamheden in te leveren en wordt de definitieve financiële tegemoetkoming bepaald. Bij de gereedmelding dient een verklaring te zijn bijgevoegd waaruit blijkt dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. De gereedmelding wordt tevens beschouwd als een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. De tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing wordt uitbetaald aan de eigenaar van de woning, de huurder of het bedrijf dat de kosten heeft gemaakt. Gedurende een periode van vijf jaar moeten alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle bewaard worden. 7.13Aard van verstrekking en meerkosten Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De financiële tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van het programma van eisen, waarbij de goedkoopst compenserende voorzieningen voor vergoeding in aanmerking komen. Kostenverhogende materialen voor een hoger kwaliteitsniveau, zoals luxe tegels of sanitair in kleur, evenals niet noodzakelijke extra werkzaamheden, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze meerkosten komen voor rekening van de huurder of woningeigenaar. Voor het kwaliteitsniveau van de aanpassing kan aangesloten worden bij de eisen zoals deze in het Bouwbesluit 2012 zijn geformuleerd. Aan de hand van dit niveau wordt vastgesteld hoe hoog de financiële tegemoetkoming is. De hoogte van de financiële tegemoetkoming bedraagt 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten. 7.14Opstalverzekering Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. 7.15Terugbetaling bij verkoop Het aanpassen kan leiden tot een waardevermeerdering van de eigen woning. De eventuele meerwaarde komt ten goede aan de gemeente als het huis wordt verkocht. In het algemeen zal een waardevermeerdering zich uitsluitend voordoen bij een aan- of uitbouw van de woning. Het toepassen van het anti-speculatiebeding beperkt zich daarom tot dergelijke aanpassingen. In de verordening en Besluit zijn de regels neergelegd over de terugbetaling van de investering in de woning in de vorm van de woningaanpassing. De meerwaarde wordt bepaald op grond van taxatie door een onafhankelijk taxateur. Deze taxatie vindt plaats na de gereedmelding van de aanpassing. De taxatiekosten komen voor rekening van de gemeente. 7.16Een niet bouwkundig of niet woontechnische woonvoorziening Het gaat hierbij om voorzieningen die niet aard- en nagelvast zijn en niet specifiek behoren tot een woning zoals een keuken of een aanbouw. Voorbeelden van niet bouwkundig of niet woontechnische woonvoorziening zijn: mobiele patiëntenliften; douche-hulpmiddelen, toilethulpmiddelen, zoals een losse douchestoel of toiletstoel zonder of met wielen, een douchebrancard, glijplank, badplank; Aangepaste box en aankleedtafels voor kinderen. 7.16.1Patiëntenliften Er zijn zowel mobiele als vaste (onroerende) patiëntenliften. Een vaste patiëntenlift is een niet-bouwkundige woontechnische woonvoorziening. Voor het maken van een keus wordt gelet op de volgende factoren: de te verwachten transfers en hun bestemming; de mogelijkheden van de belanghebbende; de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen; de beschikbare ruimte; de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de belanghebbende. De adviseur doet hierover een uitspraak. Indien wordt overgegaan tot verstrekking van een patiëntenlift wordt deze in bruikleen verstrekt door het college of in de vorm van een PGB. Indien een vaste patiëntenlift aan de eigenaar, niet de bewoner, van de woning wordt verstrekt wordt deze middels een financiële tegemoetkoming verstrekt. 7.16.2Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen, met uitzondering van transferhulpmiddelen, voor gebruik in de "natte cel" en het toilet vallen onder de verantwoordelijkheid van het college in het kader van de Wmo. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletverhoger, toiletstoelen. Mogelijk kan aanspraak bestaan op hulpmiddelen op grond van de Zorgverzekeringswet. In geval een medisch advies wordt opgevraagd moet de adviseur aangeven welke voorziening het goedkoopst compenserend is: bijvoorbeeld een douchezitje of een losse douchestoel. Losse hulpmiddelen worden in natura of in de vorm van een PGB verstrekt. Bij verstrekking in natura geldt dan ook dat deze in eigendom worden verstrekt. Losse hulpmiddelen die buiten het kernassortiment vallen en een netto waarde hebben gelijk aan of minder dan € 300,-, zoals bijvoorbeeld een badplank, worden eveneens in eigendom verstrekt. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. 7.16.3Aangepaste box en aankleedtafels voor kinderen Het betreft hier aankleedvoorzieningen voor belanghebbende kinderen en/of voor belanghebbende verzorgers van (niet belanghebbende) kinderen. Er geldt een maximum leeftijd van vier jaar om voor de voorziening in aanmerking te komen. Voor een kind dat ouder is dan 4 jaar wordt een aankleedtafel als niet-bouwkundige of niet-woontechnische aanpassing beschouwd. De verstrekking vindt plaats in de vorm van een PGB of in natura middels een bruikleenovereenkomst. 7.16.4Een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie Ook de kosten van onderhoud, controle en reparatie van bepaalde woningaanpassingen kunnen voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komen. In het Besluit is een overzicht opgenomen van de bedragen. De kosten worden voor 100% vergoed op declaratiebasis. De eigenaar van de woning, of de gemeente in geval van bruikleenverstrekking, draagt zorg voor het onderhoud, de keuring en de reparatie. Ook zelf geplaatste trapliften (dus niet geplaatst in het kader van de Wmo) kunnen in aanmerking komen voor vergoeding van deze kosten. Het spreekt voor zich dat belanghebbende moet zijn aangewezen op een traplift en niet is verhuist van adequaat naar inadequaat of niet naar de niet meest geschikte beschikbare woning. Er worden altijd afspraken gemaakt met de leverancier voor het onderhoud van de trapliften die in bruikleen zijn verstrekt. Voor de eerste vijf jaren geldt een all-in garantie die eenmalig bij aanschaf van de nieuwe lift in rekening wordt gebracht door de leverancier bij de gemeente. Hierin zijn de jaarlijkse servicebeurt, arbeid, materiaal en voorrijkosten opgenomen. Voor liften die over meerdere verdiepingen lopen of zijn voorzien van een inschuifbare uitloop geldt een toeslag. Wordt de lift in depot van een leverancier opgeslagen, dan wordt gedurende de opslag de garantietijd stopgezet. Na herplaatsing loopt het all-in contract weer verder tot de eerste vijf jaren zijn verstreken. Na afloop van de all-in garantie treedt een onderhoudscontract in werking. Reparatiekosten voor elektrische deuropeners vallen onder de verantwoordelijkheid van de Wmo. Er worden echter geen nieuwe onderhoudscontracten meer afgesloten voor elektrische deuropeners. De voorziening kan worden verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van reparatie van een woonvoorziening wordt bepaald aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten. 7.16.5Een voorziening voor tijdelijke huisvesting In de gevallen waarin de aanvrager tijdens het aanbrengen van de voorzieningen niet in de woning kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere woning moet uitwijken, kan voor de periode dat dit noodzakelijk is, een vergoeding in de dubbele woonlasten worden verstrekt. Deze vergoeding wordt slechts verstrekt als het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de aanvrager ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten worden. De voorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming in tijdelijke huisvesting als het gaat om het tijdelijk betrekken van niet-zelfstandige woonruimte wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten met een bepaald maximum. Er gelden aanvullende regels indien de te verlaten woning langer moet worden aangehouden. Zie verder het Besluit. 7.16.6Een voorziening voor huurderving De huurdervingsregeling geldt zowel voor sociale als particuliere verhuurders en wordt op aanvraag verleend. De voorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte is afhankelijk van de kosten van de aanpassingen en de regels van de Wet op de huurtoeslag. De tegemoetkoming kan worden verstrekt voor: een periode van maximaal zes maanden, waarbij de eerste maand niet voor vergoeding in aanmerking komt; of een periode van maximaal één jaar, waarbij de eerste maand niet voor vergoeding in aanmerking komt. 7.16.7Een voorziening voor het verwijderen van voorzieningen Voor huurwoningen van een verhuurder waarmee een overeenkomst woonvoorzieningen is afgesloten, is het uitgangspunt dat zo min mogelijk aangebrachte woonvoorzieningen worden verwijderd. Met deze verhuurder zijn afspraken gemaakt over het verhuren van de woning aan huurders waarvoor de aanpassingen geschikt zijn. De verhuurder kan daarom, in geval van woningaanpassing, van de belanghebbende niet eisen dat bij het verlaten van de woning alles in de oorspronkelijke staat hersteld moet worden. In geval de gemeente toestemming geeft tot verwijderen van de woonvoorziening, kan het college daarom een voorziening verstrekken voor het verwijderen en herstellen. De voorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming aan de verhuurder. Voor koopwoningen en voor huurwoningen van een verhuurder waarmee geen overeenkomst woonvoorzieningen is afgesloten, heeft de gemeente niet de mogelijkheid om de voorzieningen in de woning te laten voor mogelijk toekomstige gebruikers. Het uitgangspunt hiervoor is daarom dat de kosten voor herstel, in geval van een koopwoning voor rekening van de voormalige eigenaar en in geval van een huurwoning voor de verhuurder zijn. Voorwaarden voor het verstrekken van de financiële tegemoetkoming zijn: - de band tussen de woning en de persoon met een beperking of probleem is verbroken; - het is aannemelijk dat de woning niet binnen zes maanden opnieuw verhuurd kan worden aan een persoon met een beperking of probleem die is aangewezen op een woning met de betreffende voorzieningen; - door de aanwezigheid van de betreffende voorzieningen kan de woning niet verhuurd worden aan een persoon zonder beperking of probleem. In de Verordening en het Besluit zijn de regels bepaald voor het vaststellen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming. Voor het verwijderen van een in bruikleen geplaatste traplift zijn afspraken gemaakt met de firma Ooms. Voor het demonteren van de lift en het in opslag nemen wordt door de leverancier een vast bedrag in rekening gebracht. 7.16.8Een voorziening voor een uitraasruimte In tegenstelling tot de Wvg kent de Wmo geen definitie van een uitraasruimte. Een dergelijke voorziening kan wel in aanmerking komen onder de Wmo. Een uitraasruimte is een kamer (verblijfsruimte) waarin een belanghebbende met gedragsproblemen zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Er moet sprake zijn ernstige beperkingen die doorgaans het gevolg zijn van een psychische of psychiatrische aandoening die tot gedragsproblemen kunnen leiden, zoals zelfverwonding, vernielzucht ongeconcentreerde driftbuien of apathie. Het gaat doorgaans om een periode van korte duur waardoor geen aparte sanitaire voorzieningen hoeven te worden verleend. De uitraasruimte heeft als doel de belanghebbende tegen zichzelf te beschermen, alsmede om ouders/verzorgers in staat te stellen om beter toezicht uit te oefenen. De uitraasruimte moet primair het belang van de belanghebbende dienen. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen om de belangen van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor die anderen, dan wordt geen voorziening als uitraasruimte verleend. Hoe zo’n ruimte er precies uit moet zien hangt af van de individuele situatie. Het is belangrijk dat de uitraasruimte prikkelarm is, dus met zo min mogelijke losse voorwerpen en gebruikte materialen zonder uitstekende delen. Inrichtingselementen en zaken voor zorg- of oppas (bijvoorbeeld en camerasysteem) vallen niet onder de compensatieplicht Dit kan worden opgelost door een raam in de deur van de ruimte te zetten. Ook geluidsisolatie om huisgenoten of buren tegen lawaai te beschermen valt niet onder de compensatieplicht. Een arts en ergonomisch adviseur bepalen de noodzaak en de eisen voor een uitraasruimte. In het algemeen zal sprake zijn van het aanpassen van een bestaande slaapkamer. Criteria: Het is van belang om allereerst te beoordelen of het gaat om een persoon met beperkingen in de zin van de Wmo. Een kind met ADHD valt hier in het algemeen niet onder, tenzij er sprake is van ernstige gedragsproblematiek; Is er sprake van een gedragsstoornis (niet corrigeerbaar, onhanteerbaar gedrag); Is er sprake van ontremd gedrag. De voorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming bedraagt 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Hoofdstuk8Te bereiken resultaat: Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften 8.1Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften Het te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een huishouden bestaat uit het voorzien zijn van de dagelijks benodigde hoeveelheid etenswaren en drinken, evenals toiletartikelen en schoonmaakartikelen. Ook de noodzakelijke bereiding van maaltijden kan hieronder vallen. In deze beleidsregels wordt dit resultaat verkort aangeduid met "beschikken over goederen". 8.2Beoordeling volgens de verantwoordelijkheidsladder Heeft belanghebbende geobjectiveerde beperkingen bij het beschikken over goederen? Welke mogelijkheden heeft de belanghebbende wel bij het beschikken over goederen? Welke mogelijkheden heeft de belanghebbende niet bij het beschikken over goederen? Wat zijn de resultaten die belanghebbende wil bereiken bij het beschikken over goederen? Wat heeft belanghebbende zelf al gedaan om bestaande belemmeringen op te lossen? Welke mogelijkheden heeft belanghebbende om de gewenste resultaten te bereiken via eigen oplossingen al dan niet met zijn huisgenoten of sociale omgeving? Welke mogelijkheden heeft belanghebbende om de gewenste resultaten te bereiken via wettelijke voorliggende voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen? Welke mogelijkheden heeft belanghebbende om de gewenste resultaten te bereiken via algemene voorzieningen? Als bovenstaande mogelijkheden niet leiden tot een oplossing, komt een collectieve of individuele voorziening ter beoordeling aan de orde. Welke weigeringsgronden of beperkende voorwaarden zijn van toepassing volgens de Verordening? Welke mogelijkheden kan de gemeente bieden om de gewenste resultaten te bereiken via collectieve voorzieningen? Welke mogelijkheden kan de gemeente bieden om de gewenste resultaten te bereiken via individuele voorzieningen? 8.3Algemene en algemeen gebruikelijke voorziening In het kader van de resultaten gericht op het voeren van een huishouden (huishoudelijke voorzieningen) zijn de algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen van belang. Deze zijn voorliggend op het inzetten van een individuele voorziening. Bij het resultaat beschikken over goederen kunnen maaltijddiensten, het gebruik maken van gezamenlijke maaltijden, boodschappendiensten of vrijwilligersorganisaties voor het bijvoorbeeld het bereiden van maaltijden van belang zijn. Hiertoe is het nodig kennis te hebben van de sociale kaart van de gemeente Noordoostpolder. Het college moet zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat de voorziening: beschikbaar is; en door belanghebbende financieel kan worden gedragen; en zich als voldoende compensatie laat kwalificeren. Wordt aan de genoemde voorwaarden gedaan, dan wordt geen huishoudelijke ondersteuning verleend. In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De compensatieplicht beperkt zich tot de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Hieronder vallen niet de grotere inkopen zoals kleding en duurzame gebruiksgoederen, zoals apparaten. Het is doorgaans mogelijk en wordt als gangbaar beschouwd dat mensen boodschappen geclusterd doen door bijvoorbeeld eens per week of tweewekelijks een voorraad in huis te halen. Voor zover het gaat om de zware boodschappen kan daar in ieder geval van worden uitgegaan. Bij de boodschappendienst wordt er van uitgegaan dat iemand de boodschappen via de telefoon of via de PC kan bestellen. Het gebruik maken van boodschappendiensten wordt daarom in beginsel als 'voorliggend' aangemerkt. Supermarkten hebben doorgaans een dergelijke service. Het is ook mogelijk dat vanuit de gemeente een boodschappendienst wordt opgezet. Ook kan het zijn dat de persoon met beperkingen zelf nog in st

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.