← Nederland

Provinciale milieuverordening Drenthe (Drenthe)

Kort samengevat

Deze wet regelt het milieubeleid in de provincie Drenthe, met een focus op de organisatie van het omgevingsbeleid en de procedures voor inspraak bij belangrijke besluiten. Ook bevat het regels voor de omgang met huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Provinciale milieuverordening Drenthe5.

  1. PROVINCIALE MILIEUVERORDENING DRENTHE Hoofdstukken 1 t/m 3 HOOFDSTUK 1, ALGEMEEN Artikel 1.1 In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet milieubeheer; b. de commissie: de Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid, bedoeld in artikel 2.1; c. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Drenthe; d. Provinciaal Milieuprogramma: het Provinciaal Milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de wet; e. Groene lijst van afvalstoffen: bijlage II van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen; f. Afvalstoffencodelijst: de Afvalstoffencodelijst, die is opgenomen in de Handleiding afvalstofcode, 1995, dan wel de door het algemeen bestuur van het Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg aangewezen lijst die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; g. het meldingenpunt: de Stichting Landelijk Meldingenpunt Afvalstoffen; h. een landelijke lijst: een landelijke lijst van plichtgebieden voor de inzameling van gevaarlijke afvalstoffen, die is opgenomen in het geldende Meerjarenplan verwijdering gevaarlijke afvalstoffen; i. zuiveringsslib: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen; j. schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval verwacht kan worden dat deze de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen. Hiertoe behoren in elk geval stoffen als zodanig aangegeven in de bij bijlage 10 onder A.2 behorende lijst; k. saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; l. milieubeschermingsgebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1; m. de grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 15.34, tweede lid, van de wet; n. bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bodembescherming; o. Ammoniakreductieplan: het plan als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij. HOOFDSTUK 2, PROVINCIALE COMMISSIE VOOR HET OMGEVINGSBELEID Artikel 2.1
  2. Er is een Provinciale Commissie voor het Omgevingsbeleid.
  3. De commissie wordt vooraf door het provinciaal bestuur gehoord over maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor het provinciaal omgevingsbeleid.
  4. Tot de maatregelen en plannen, bedoeld in het tweede lid, behoren in ieder geval: a. het Provinciaal omgevingsplan, dat als zodanig de functie heeft van Provinciaal Milieubeleidsplan, Provinciaal waterhuishoudingsplan en Streekplan b. de Provinciale milieuverordening Drenthe c. het Provinciaal Milieuprogramma d. de Provinciale verordening waterhuishouding e. provinciale beheersplannen met betrekking tot de waterhuishouding f. het Provinciaal natuurbeleidsplan g. overige nota's met milieu-, ruimtelijke, water- en andere omgevingsaspecten
  5. De commissie is bevoegd het provinciaal bestuur uit eigen beweging van advies te dienen omtrent algemene vraagstukken betreffende het provinciaal omgevingsbeleid.
  6. De commissie is aangewezen als commissie op grond van artikel 2.41 Wet milieubeheer, artikel 8, tweede lid, van de Wet op de waterhuishouding en artikel 53 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Artikel 2.2
  7. In de commissie hebben naast de voorzitter zitting: a. de regionale inspecteur van de volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu, Regio Noord b. de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat, regionale directie Noord-Nederland c. de directeur landbouw, natuurbeheer en visserij, Directie Noord d. de inspecteur van de ruimtelijke ordening in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe e. het hoofd van Regio Noord van het Ministerie van Economische Zaken f. de eerstaanwezend ingenieur-directeur van de Directie Noordoost-Nederland van het Ministerie van Defensie g. de hoofddirecteur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg h. 2 vertegenwoordigers namens de Drentse gemeenten i. 2 leden op voordracht van de waterschappen j. 1 lid op voordracht van de Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie k. 1 lid op voordracht van de Kamer van Koophandel en Fabrieken l. 1 lid op voordracht van de Milieufederatie Drenthe m. 1 lid op voordracht van de erkende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties n. 1 lid op voordracht van de in Drenthe gevestigde waterleidingbedrijven o. de directeur van de Provinciale Vereniging voor Vreemdelingenverkeer p. 1 lid op voordracht van de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond (ANWB)
  8. Ambtenaren en arbeidscontractanten in dienst van de provincie Drenthe kunnen geen lid zijn van de commissie. Artikel 2.3
  9. Gedeputeerde staten benoemen een eerste, tweede en derde voorzitter.
  10. De leden van de commissie, bedoeld in artikel 2.2, onder a tot en met g, zijn ambtshalve lid van de commissie. De overige leden worden benoemd door gedeputeerde staten.
  11. De leden, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder h tot en met p, alsmede de voorzitter kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan gedeputeerde staten.
  12. De leden van de commissie kunnen zich, na toestemming van de voorzitter, laten vervangen in de commissie. Artikel 2.4 Gedeputeerde staten voorzien in het secretariaat van de commissie. Artikel 2.5
  13. Gedeputeerde staten kunnen voor de behandeling van bepaalde onderwerpen subcommissies instellen.
  14. De commissie en de ingestelde subcommissies kunnen zich doen bijstaan door deskundigen. Artikel 2.6 De commissie vergadert zo vaak als de voorzitter dat nodig oordeelt of ten minste 3 leden van de commissie hem daarom schriftelijk en met opgave van redenen hebben verzocht. Artikel 2.7 Een vergadering van de commissie vindt geen doorgang als op het openingstijdstip van de vergadering niet ten minste de helft van de leden aanwezig is. Artikel 2.8
  15. De vergaderingen van de commissie en de subcommissies zijn openbaar.
  16. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen waarin de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur genoemde belangen op de in dat artikel bedoelde wijze kunnen worden geschaad. Artikel 2.9
  17. De adviezen van de commissie worden schriftelijk uitgebracht binnen een bij de adviesaanvraag te stellen termijn.
  18. De adviezen van de commissie worden uitgebracht overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van de vergadering.
  19. De adviezen bevatten gronden waarop zij steunen.
  20. Op verzoek van de leden die ter vergadering een standpunt hebben ingebracht, dat afwijkt van het gevoelen van de meerderheid, wordt dat standpunt in het advies vermeld. Artikel 2.10
  21. Het secretariaat maakt van de vergaderingen van de commissie een verslag, dat binnen 3 weken aan de leden en aan het provinciaal bestuur wordt toegezonden.
  22. Vaststelling van het verslag van een vergadering vindt plaats in de daaropvolgende vergadering van de commissie. Artikel 2.11 De commissie stelt, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, nadere regelen betreffende haar werkwijze. HOOFDSTUK 3, INSPRAAK BIJ BESLUITEN VAN ALGEMENE STREKKING Artikel 3.1
  23. Op de voorbereiding van een Provinciaal Milieubeleidsplan is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. Het ontwerp ligt gedurende 8 weken ter inzage ten kantore van de provincie en ten kantore van de in de provincie gelegen gemeenten. Artikel 3:22, eerste lid, tweede en derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt tevens in de Staatscourant geplaatst.
  24. Gedurende de in het eerste lid genoemde termijn kan eenieder schriftelijk of mondeling zijn zienswijze omtrent het ontwerp naar voren brengen. Een zienswijze kan mondeling in ieder geval naar voren worden gebracht tijdens een openbare zitting, die uiterlijk een week voor de laatste dag van de terinzageligging wordt gehouden. Tijdens de zitting kan over het ontwerp met gedeputeerde staten van gedachten worden gewisseld.
  25. Gedeputeerde staten zenden zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn een exemplaar van het verslag aan degenen die mondeling op de hoorzitting hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
  26. Gedeputeerde staten stellen een overzicht op van de zienswijzen die overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en dit artikel naar voren zijn gebracht, alsmede van hun overwegingen daaromtrent. Zij zenden zo spoedig mogelijk een afschrift van het overzicht naar degenen die hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Artikel 3:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
  27. Gedeputeerde staten vragen de Provinciale Commissie Milieubeheer en Waterhuishouding advies over het overzicht als bedoeld in het vierde lid van dit artikel. Artikel 3.2
  28. De in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure is voorts van toepassing op de voorbereiding van een besluit tot: a. wijziging van een Provinciaal Milieubeleidsplan; b. vaststelling van een Provinciaal Milieuprogramma, voor zover dat betrekking heeft op gevallen als bedoeld in artikel 4.14, tweede lid, onder a, onder 1°, van de wet; c. wijziging van de Provinciale milieuverordening.
  29. Artikel 3.1, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat met betrekking tot een besluit bedoeld onder b en c de terinzagetermijn 4 weken bedraagt en een openbare zitting alleen behoeft te worden gehouden als gedeputeerde staten dit doelmatig achten. Van het vastgestelde besluit wordt tevens mededeling gedaan in de Staatscourant. Hoofdstuk 4 HOOFDSTUK 4, ALGEMEEN PROVINCIAAL MILIEUBELEID Titel 4.1, Milieukwaliteitseisen Titel 4.2, Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en voor lozingen op oppervlaktewateren Titel 4.3, Afvalstoffen 4.3.1, Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 4.3.1.1
  30. Bij gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 10.10 van de wet worden omtrent de verwijdering en de afzonderlijke inzameling van wit- en bruingoed afkomstig van particuliere huishoudens, waarop het Besluit verwijdering wit- en bruingoed van toepassing is, regels gesteld.
  31. Elke gemeente draagt, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor een plaats, waar een leverancier als bedoeld in het Besluit verwijdering wit- en bruingoed een van een particulier huishouden teruggenomen product als bedoeld in dit besluit kan achterlaten. Artikel 4.3.1.2
  32. Burgemeester en wethouders doen jaarlijks aan gedeputeerde staten of een door gedeputeerde staten aangewezen instantie een opgave van de huishoudelijke afvalstoffen die in het daaraan voorafgaande jaar door of namens de gemeente zijn ingezameld of aan de gemeente of een persoon die in opdracht van de gemeente werkt, zijn afgegeven. Zij geven daarbij aan of er plaatselijke omstandigheden zijn als gevolg waarvan een afwijkende opgave is te verwachten voor de daaropvolgende 4 jaar.
  33. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels geven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave. Tot deze regels kan behoren dat in de opgave onderscheid moet worden gemaakt naar de daarbij aangewezen bestanddelen van afvalstoffen. Artikel 4.3.1.3 Paragraaf 4.3.2 met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen is van toepassing op ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen. 4.3.2, Bedrijfsafvalstoffen Afdeling 1, Algemeen Artikel 4.3.2.1 In deze paragraaf wordt onder bedrijfsafvalstoffen mede verstaan ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 4.3.2.2 In deze paragraaf wordt onder inzamelen van bedrijfsafvalstoffen verstaan: het ophalen van bedrijfsafvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt. Artikel 4.3.2.3 Als categorieën van inrichtingen waarop de regels van deze paragraaf rechtstreeks van toepassing zijn, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlagen I en II van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Afdeling 2, Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen Artikel 4.3.2.4 [Vervallen.] Artikel 4.3.2.5 [Vervallen.] Artikel 4.3.2.6 Een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, van de wet, aan wie bedrijfsafvalstoffen gescheiden worden afgegeven die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel A, is ? indien die afvalstoffen hem gescheiden van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie zijn aangeboden - verplicht die afvalstoffen gescheiden te houden van andere stoffen en afvalstoffen die behoren tot een andere categorie en gescheiden af te geven wanneer hij zich daarvan ontdoet. Artikel 4.3.2.7 Degene die bedrijfsafvalstoffen vervoert die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel A, is verplicht die afvalstoffen van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie gescheiden te houden indien deze hem gescheiden zijn aangeboden. Artikel 4.3.2.8 Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in artikelen 4.3.2.6 en 4.3.2.7, indien het belang van de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet. Artikel 4.3.2.9 Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in artikelen 4.3.2.6 en 4.3.2.7, een beschikking op de aanvraag om ontheffing op grond van artikel 10.47 van de wet, dan wel de voorbereiding van een beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing. Artikel 4.3.2.10 Gedeputeerde staten kunnen categorieën van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die voor de toepassing van de artikelen 4.3.2.6 en 4.3.2.7 gelijk worden gesteld aan een categorie die in bijlage 4, onderdeel A, is genoemd, indien die afvalstoffen naar het oordeel van gedeputeerde staten gescheiden dienen te worden gehouden in het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen. Afdeling 3, Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen Artikel 4.3.2.11
  34. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen in te zamelen die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel B.
  35. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. een persoon die: - staat vermeld op een door gedeputeerde staten vastgestelde lijst van inzamelbedrijven; - de binnen de provincie ingezamelde en niet voor hergebruik of nuttige toepassing in aanmerking komende afvalstoffen ter verwerking aan de daarvoor binnen Drenthe bestemde inrichtingen aanbiedt, behoudens het bepaalde in de artikelen 4.3.2.25 en 4.3.2.27, eerste lid; b. de inzameling van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen. Artikel 4.3.2.12
  36. Bij de plaatsing op de in artikel 4.3.2.11, tweede lid, onder a, bedoelde lijst kan worden bepaald dat deze slechts geldt voor een daarbij te bepalen termijn van maximaal 4 jaar.
  37. Gedeputeerde staten kunnen een persoon die op de lijst is geplaatst, van die lijst verwijderen indien de op grond van de wet of deze verordening geldende algemene regels en voorschriften niet worden nageleefd. Artikel 4.3.2.13
  38. Voor zover afvalstoffen worden ingezameld die tijdens het transport worden gemengd met van anderen afkomstige ingezamelde afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie, kent de persoon die die afvalstoffen inzamelt een afvalstroomnummer toe aan dat transport. In andere gevallen kent de persoon die de afvalstoffen inzamelt een afvalstroomnummer toe aan degene die zich van de afvalstoffen ontdoet.
  39. De persoon die bedrijfsafvalstoffen inzamelt, vermeldt het afvalstroomnummer op de factuur die hij verstrekt aan degene die zich van die afvalstoffen ontdoet.
  40. Het afvalstroomnummer geldt voor onbepaalde tijd, tenzij gedurende 18 maanden geen afgifte met gebruikmaking van dat nummer heeft plaatsgevonden.
  41. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen. Artikel 4.3.2.13a Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.3.2.11, eerste lid, en 4.3.2.13, eerste en tweede lid, indien het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet. Afdeling 4, De melding inzake de afgifte van bedrijfsafvalstoffen Artikel 4.3.2.14 Paragraaf 10.5.2 van de wet met betrekking tot de melding inzake de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de categorieën van bedrijfsafvalstoffen die in bijlage 4, onderdeel B, zijn aangewezen, met dien verstande dat: a. voor "persoon als bedoeld in artikel 10.30, tweede lid," wordt gelezen "persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder a tot en met d"; b. de datum van afgifte niet behoeft te worden gemeld. Artikel 4.3.2.15
  42. De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet om een omschrijving van de afvalstoffen aan de ontvanger te verstrekken, geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet: a. voor de afgifte aan een persoon die die afvalstoffen inzamelt; b. voor de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen; c. voor de afgifte van scheepsafvalstoffen vanaf zee- en binnenvaartschepen; d. voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen; e. voor de afgifte van afvalstoffen in een hoeveelheid van minder dan 50 kg of 100 l per afgifte; f. indien de afgifte geschiedt aan een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd.
  43. De in artikel 10.32, aanhef en onder b, van de wet om de vervoerder een begeleidingsbrief te verstrekken, geldt niet met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen indien die afvalstoffen: a. worden afgegeven aan een persoon die die afvalstoffen inzamelt; b. buiten Nederlands grondgebied worden gebracht en deze vergezeld gaan van een afschrift of een exemplaar van het begeleidend document als bedoeld in de EEG¿verordening Overbrenging van afvalstoffen; c. worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B; d. worden vervoerd in een hoeveelheid van niet meer dan 2.000 l op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B. Artikel 4.3.2.16
  44. Voor de in artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet bedoelde verstrekking van gegevens met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen wordt gebruikgemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door gedeputeerde staten of een door hen aangewezen instantie. De gegevens worden verstrekt voorafgaand aan de daadwerkelijke afgifte.
  45. De persoon aan wie de afvalstoffen worden afgegeven, verstrekt: a. voorafgaand aan de afgifte, een afvalstroomnummer voor de afgifte van die afvalstoffen aan degene die zich van de afvalstoffen ontdoet; b. de in het eerste lid bedoelde gegevens, alsmede het afvalstroomnummer aan een door gedeputeerde staten aan te wijzen instantie. De verstrekking van gegevens geldt met betrekking tot de afgiften van de omschreven afvalstoffen voor onbepaalde tijd, tenzij gedurende 18 maanden geen afgifte met gebruikmaking van dat nummer heeft plaatsgevonden. Artikel 4.3.2.17 De verplichting van artikel 10.31 van de wet tot het melden van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen geldt niet in het geval de afgifte geschiedt aan een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, van de wet. Artikel 4.3.2.18
  46. De verplichting van artikel 10.33 van de wet tot het melden van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen geldt niet: a. voor de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen; b. voor de afgifte van scheepsafvalstoffen vanaf zee- en binnenvaartschepen; c. voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen; d. voor de afgifte van afvalstoffen die tijdens het transport door degene die die afvalstoffen heeft ingezameld, zijn gevoegd bij van anderen afkomstige ingezamelde afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie; e. voor de afgifte van afvalstoffen in een hoeveelheid van minderd dan 50 kg of 100 l per afgifte; f. indien de afgifte geschiedt aan een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd.
  47. Een persoon die afvalstoffen in ontvangst neemt die behoren tot een categorie als bedoeld in het eerste lid, onder a, of op een wijze als bedoeld in dat lid, onder b, d of e, doet binnen 2 weken na afloop van elk kwartaal aan gedeputeerde staten of een door gedeputeerde staten aangewezen instantie een opgave van de aard en in kilogrammen uitgedrukte hoeveelheid afvalstoffen die hij in dat kwartaal heeft ontvangen.
  48. Een persoon die afvalstoffen in ontvangst neemt die behoren tot een categorie als bedoeld in het eerste lid, onder c, doet binnen 1 maand na een daartoe strekkend verzoek van gedeputeerde staten of een door gedeputeerde staten aangewezen instantie een opgave van de aard en de in kilogrammen uitgedrukte hoeveelheid van die afvalstoffen die hij heeft ontvangen in de periode die in het verzoek wordt genoemd. Artikel 4.3.2.19
  49. Een melding als bedoeld in artikel 10.33 van de wet met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen wordt gedaan aan een door gedeputeerde staten aan te wijzen instantie.
  50. De melding vindt plaats uiterlijk 2 weken na afloop van het kwartaal waarin de afgifte heeft plaatsgevonden.
  51. Voor de melding wordt gebruikgemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door gedeputeerde staten of een door hen aangewezen instantie. Artikel 4.3.2.20
  52. Personen die ingevolge de artikelen 4.3.2.17 en 4.3.2.18 vrijgesteld zijn van de verplichting de afgifte van bedrijfsafvalstoffen te melden, registreren de in de artikelen 10.31 en 10.33 van de wet bedoelde gegevens op een zodanige wijze dat controle daarvan door de krachtens artikel 18.4 van de wet aangewezen ambtenaren binnen een redelijke termijn mogelijk is.
  53. Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die zich van afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een persoon die die afvalstoffen inzamelt. Artikel 4.3.2.21 [Vervallen.] Artikel 4.3.2.22
  54. De verplichting van artikel 10.34 van de wet om een begeleidingsbrief bij de afvalstoffen aanwezig te hebben, geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet: a. voor degene die afvalstoffen binnen Nederlands grondgebied of buiten Nederlands grondgebied brengt en deze vergezeld laat gaan van een afschrift of een exemplaar van het begeleidend document als bedoeld in de EEG-verordening Overbrenging van afvalstoffen; b. afvalstoffen vervoert in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B; c. afvalstoffen vervoert in een hoeveelheid van niet meer dan 2.000 l op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B.
  55. Voor de begeleidingsbrief wordt gebruikgemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door gedeputeerde staten of een door hen aangewezen instantie. Goedkeuring is niet vereist voor het vervoer van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen. Artikel 4.3.2.23 Degene die uitvoering geeft aan de artikelen 4.3.2.16, 4.3.2.18, tweede lid, 4.3.2.19, 4.3.2.20 of 4.3.2.22, is verplicht: a. indien hij gegevens registreert, daarbij gebruik te maken van de Afvalstoffencodelijst; b. de daarop betrekking hebbende gegevensdragers ten minste gedurende 3 jaar te bewaren. Artikel 4.3.2.24
  56. In het belang van een goede uitvoering van deze afdeling kunnen door gedeputeerde staten of door een door hen aangewezen instantie nadere regels worden gesteld ten aanzien van de gegevens die ingevolge deze afdeling moeten worden gemeld of geregistreerd en de in deze afdeling genoemde gegevensdragers.
  57. Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in paragraaf 10.5.2 van de wet en in de artikelen 4.3.2.16, 4.3.2.18, tweede en derde lid, 4.3.2.19, 4.3.2.20 en 4.3.2.23, indien het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet. Afdeling 5, Provinciegrensoverschrijdend verkeer van bedrijfsafvalstoffen Artikel 4.3.2.25
  58. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel B, buiten de provincie te brengen.
  59. Het verbod geldt niet: a. voor uitvoer buiten Nederlands grondgebied; b. voor zover het afvalstoffen betreft die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen; c. voor het uitvoeren van afvalstoffen in een hoeveelheid van niet meer dan 50 kg of 100 l per transport; d. voor het uitvoeren van afvalstoffen die zijn ontstaan bij werkzaamheden die zijn uitgevoerd door degene die die afvalstoffen vervoert en worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B; e. voor het uitvoeren van afvalstoffen die zijn ontstaan bij werkzaamheden die zijn uitgevoerd door degene die die afvalstoffen vervoert en worden vervoerd in een hoeveelheid van niet meer dan 2.000 l op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B.
  60. Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod indien het belang van de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet. Artikel 4.3.2.26
  61. Een persoon die bedrijfsafvalstoffen binnen de provincie brengt, is verplicht bij het vervoer van afvalstoffen een begeleidingsbrief aanwezig te hebben, waarin worden vermeld: a. van wie die afvalstoffen afkomstig zijn; b. een omschrijving van die afvalstoffen; c. het afvalstroomnummer dat op de afgifte van die afvalstoffen betrekking heeft; d. de bestemming van die afvalstoffen.
  62. De verplichting om een begeleidingsbrief bij de afvalstoffen aanwezig te hebben, geldt niet voor degene die die afvalstoffen vervoert in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B, dan wel in een hoeveelheid van niet meer dan 2.000 l op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B. Artikel 4.3.2.27
  63. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 4.3.2.25 gestelde verbod. In de ontheffing wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste 3 jaar.
  64. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing. Gedeputeerde staten van de provincies die een belang hebben bij de beschikking, worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag, respectievelijk het voornemen tot wijziging of intrekking.
  65. De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt in 5-voud ingediend. Afdeling 6, Mobiele puinbrekers Artikel 4.3.2.28
  66. Het is verboden een mobiele puinbreekinstallatie te gebruiken.
  67. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien burgemeester en wethouders op basis van de verleende sloopvergunning het gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie toestaan.
  68. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
  69. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien: a. de afvalstoffen na bewerking ter plaatse worden gebruikt, dan wel in de directe nabijheid; b. daartegen uit een oogpunt van het voorkomen van gevaar, schade of hinder voor de omgeving geen overwegende bezwaren bestaan; c. de doelmatige verwijdering van afvalstoffen niet in het geding is.
  70. Aan een ontheffing worden voorschriften verbonden ter bescherming van het milieu. 4.3.3, Gevaarlijke afvalstoffen Afdeling 1, Algemeen Artikel 4.3.3.0 In deze paragraaf wordt onder inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen verstaan het ophalen van gevaarlijke afvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt. Artikel 4.3.3.0a Als categorieën van inrichtingen waarop de regels van deze paragraaf rechtstreeks van toepassing zijn, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in de bijlagen I en II van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Afdeling 2, De melding inzake de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen Artikel 4.3.3.1
  71. Voor de in artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet bedoelde verstrekking van gegevens wordt gebruikgemaakt van een door het meldingenpunt goedgekeurde gegevensdrager. De gegevens worden verstrekt voorafgaand aan de daadwerkelijke afgifte.
  72. De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet om een omschrijving van de afvalstoffen aan de ontvanger te verstrekken, geldt niet voor: a. de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen; b. de afgifte van scheepsafvalstoffen als bedoeld in bijlage 5, onderdeel B, onder 1 vanaf zee- en binnenvaartschepen. Artikel 4.3.3.2 Voor de begeleidingsbrief, bedoeld in artikel 10.34 van de wet, wordt gebruikgemaakt van een door het meldingenpunt goedgekeurde gegevensdrager. Artikel 4.3.3.3
  73. Een melding als bedoeld in artikel 10.31 respectievelijk artikel 10.33 van de wet wordt gedaan aan het meldingenpunt.
  74. De melding vindt plaats binnen 4 weken na de dag waarop de afgifte heeft plaatsgevonden.
  75. In afwijking van het vorige lid geschiedt de ontvangstmelding van scheepsafvalstoffen die worden afgegeven van een zee- of binnenvaartschip, binnen 8 dagen nadat de afgifte heeft plaatsgevonden.
  76. Voor de melding wordt gebruikgemaakt van een door het meldingenpunt goedgekeurde gegevensdrager.
  77. [Vervallen.] Artikel 4.3.3.4
  78. De verplichtingen van de artikelen 10.31 en 10.33 van de wet met betrekking tot het melden van de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen gelden niet voor de afgifte van afvalstoffen die zijn ontstaan in het kader van: a. het verschaffen van onderdak of verzorging alsook het verstrekken van maaltijden, spijzen of dranken voor verbruik ter plaatse; b. het verkopen van goederen aan particulieren of het verrichten van onderhouds- en herstelwerkzaamheden ten behoeve van particulieren, met uitzondering van: - het verkopen van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, drogisterij- en parfumeriewaren; - het verkopen van of het verrichten van onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan toestellen, alsmede onderdelen daarvan; - het verkopen van motorbrandstoffen; c. het verrichten van administratieve werkzaamheden, met uitzondering van het drukken, kopiëren en stencilen; d. bezigheden in culturele en sociaal-culturele instellingen, alsmede bezigheden van sportieve en recreatieve aard, met uitzondering van: - onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan toestellen; - het gebruik van diergeneesmiddelen en bestrijdingsmiddelen; e. het vervangen door particulieren van olie, gebruikt in door hen gebezigde toestellen.
  79. De verplichtingen van de artikelen 10.31 en 10.33 van de wet tot het melden van de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen gelden evenmin indien de afgifte geschiedt aan: a. een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd; b. een depot dat - voor zover het de opslag van gevaarlijke afvalstoffen betreft - uitsluitend bestemd is voor het bewaren van gevaarlijke afvalstoffen die:
  80. voor de ontvangst werden aangemerkt als afvalstoffen die ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen niet als gevaarlijke afvalstoffen worden aangemerkt (klein chemisch afval);
  81. in een hoeveelheid van ten hoogste 200 kg per afvalstof bij het depot worden afgegeven door degene die zich daarvan ontdoet. Artikel 4.3.3.5 De verplichting van artikel 10.31 van de wet tot het melden van de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen geldt niet in het geval de afgifte geschiedt door: a. een ander dan een persoon als bedoeld in artikel 10.30, tweede lid, van de wet; b. een depot als bedoeld in artikel 4.3.3.4, tweede lid, onder b. Artikel 4.3.3.6 De verplichting van artikel 10.33 van de wet tot het melden van de ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen geldt niet voor de afgifte van poetsdoeken door de persoon bij wie die poetsdoeken als gevaarlijke afvalstoffen zijn ontstaan, met het oog op de reiniging daarvan. Artikel 4.3.3.7 Personen als bedoeld in de artikelen 10.31, eerste lid, en 10.33, eerste lid, van de wet, die ingevolge de artikelen 4.3.3.4, 4.3.3.5 of 4.3.3.6 vrijgesteld zijn van de verplichting de afgifte, respectievelijk de ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen te melden, registreren de in die wetsartikelen bedoelde gegevens op een zodanige wijze dat controle daarvan door de krachtens artikel 18.4 van de wet aangewezen ambtenaren binnen een redelijke termijn mogelijk is. Artikel 4.3.3.8 Degene die uitvoering geeft aan de artikelen 10.31, 10.32, 10.33 of 10.34 van de wet of artikel 4.3.3.7 is verplicht: a. indien hij gegevens registreert, daarbij gebruik te maken van de Afvalstoffencodelijst; b. de daarop betrekking hebbende gegevensdragers ten minste gedurende 3 jaar te bewaren. Afdeling 3, Het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen Artikel 4.3.3.9
  82. Het is verboden de in bijlage 5 bij deze verordening aangewezen categorieën van gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen zonder vergunning van gedeputeerde staten.
  83. Het verbod geldt niet voor zover het betreft de inzameling door een persoon die behoort tot dezelfde rechtspersoon als de ontdoener. Artikel 4.3.3.10 [Vervallen.] Artikel 4.3.3.11
  84. Het verbod van artikel 4.3.3.9, eerste lid, geldt niet voor een persoon die beschikt over de vergunning of vergunningen voor het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen in de tot een plichtgebied behorende inzamelregio's als bedoeld in de landelijke lijst, voor zover: a. het de inzameling betreft van categorieën van afvalstoffen die in die vergunning respectievelijk vergunningen zijn genoemd, en b. de voorschriften die aan die vergunning respectievelijk vergunningen zijn verbonden, in acht worden genomen.
  85. Indien een persoon als bedoeld in het vorige lid beschikt over meer dan 1 vergunning in dat lid bedoeld, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden niet kunnen worden nageleefd zonder dat in strijd met de voorschriften die aan een andere vergunning zijn verbonden wordt gehandeld, dient hij dit ten minste 4 weken voordat met de inzameling wordt begonnen, aan gedeputeerde staten te melden. Gedeputeerde staten bepalen welke voorschriften bij het inzamelen in acht moeten worden genomen. Het handelen in strijd met deze voorschriften wordt gelijkgesteld aan het handelen zonder vergunning. Artikel 4.3.3.12 Indien in de landelijke lijst voor een categorie van gevaarlijke afvalstoffen geen plichtgebieden zijn aangewezen, geldt het verbod van artikel 4.3.3.9, eerste lid, niet voor een persoon die beschikt over een vergunning van gedeputeerde staten van de provincie waarin hij is gevestigd, voor het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot die categorie, voor zover: a. het de inzameling betreft van die afvalstoffen; b. de voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden in acht worden genomen. Artikel 4.3.3.13
  86. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4.3.3.9, eerste lid, wordt in 7-voud ingediend.
  87. De aanvraag bevat: a. de opgave van afvalstoffen die de aanvrager wil inzamelen; b. een opgave van de plaats vanwaar zal worden ingezameld en in geval de aanvrager de afvalstoffen niet zelf ophaalt: een opgave van naam - bij een niet-natuurlijke persoon tevens de rechtsvorm - en adres van degene die dit in zijn opdracht zal doen; c. een opgave van de tijdsduur waarvoor de vergunning wordt verlangd; d. een opgave van het gebied waarbinnen de aanvrager de afvalstoffen wil inzamelen; e. een opgave van het gebied of de gebieden in Nederland waarvoor de aanvrager bereid is de verplichting op zich te nemen om aan hem aangeboden afvalstoffen op te halen; f. indien de aanvrager niet voornemens is de afvalstoffen om niet op te halen: een opgave van het tarief dat hij voor het ophalen wil vaststellen, alsmede van de wijze waarop dat tarief is samengesteld; g. indien de aanvrager voornemens is voor het in ontvangst nemen van de afvalstoffen een bedrag te betalen: een opgave dat hij daarvoor wil vaststellen, alsmede een beschrijving van de wijze waarop dat tarief is samengesteld; h. een schatting van de hoeveelheid afvalstoffen, die de aanvrager per maand beoogt in te zamelen; i. een opgave van de eisen die door de aanvrager zullen worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop de afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden, en van de wijze waarop de naleving van deze eisen wordt gecontroleerd; j. een beschrijving van de vervoermiddelen en installaties die bij het inzamelen gebruikt zullen worden; k. een beschrijving van de voorzieningen die zullen worden getroffen opdat geen stagnatie bij het inzamelen optreedt; l. een beschrijving van de wijze waarop vervoermiddelen en installaties gereinigd zullen worden, alsmede een beschrijving van de wijze waarop daarbij vrijkomende stoffen, preparaten of andere producten verwijderd zullen worden; m. een opgave of de aanvrager in het verleden reeds afvalstoffen heeft ingezameld; n. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen die nodig zijn voor de bewaring, de bewerking en de verwerking van de ingezamelde afvalstoffen voor zover deze activiteiten door de aanvrager zelf zullen worden uitgevoerd; o. een vermelding van het tijdstip waarop de aanvrager van de vergunning gebruik wil gaan maken.
  88. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inzamelregio die deel uitmaakt van een plichtgebied dat gedeeltelijk in een andere provincie is gelegen, gaat die aanvraag vergezeld van een afschrift van de aanvraag om een vergunning in die andere provincie. Artikel 4.3.3.14 Gedeputeerde staten van de provincies die een belang hebben bij de beschikking op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4.3.3.9, eerste lid, worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning of tot wijziging van de vergunning. 4.3.4, Voorschriften voor inrichtingen Artikel 4.3.4.1 [Gereserveerd.] Artikel 4.3.4.2
  89. Een persoon aan wie afvalstoffen worden afgegeven en die voornemens is die afvalstoffen rechtstreeks en milieuhygiënisch verantwoord toe te passen in een werk als bedoeld in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, bijlage I, onderdeel 28.3, onder c, meldt dat voornemen uiterlijk 4 weken voor die toepassing aan gedeputeerde staten.
  90. De melding bevat: a. de naam en het adres van degene die voornemens is de afvalstoffen toe te passen; b. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het werk waarin de afvalstoffen zullen worden toegepast; c. de aard, de eigenschappen, de samenstelling en de hoeveelheid van de toe te passen afvalstoffen waarbij gebruik wordt gemaakt van de Afvalstoffencodelijst; d. de te nemen isolatiemaatregelen en de daarbijbehorende controle- en beheersmaatregelen; e. het tijdstip waarop de afvalstoffen zullen worden toegepast en de maatregelen zullen worden genomen.
  91. Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot daarbij aangegeven categorieën van afvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting dan wel een termijn vaststellen die in de plaats treedt voor de in dat lid bedoelde termijn, indien het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet. Titel 4.4, Overige algemene regels Artikel 4.4.1 Het is verboden op of in de bodem mechanische ingrepen dieper dan 2 m beneden het maaiveld te verrichten voor zover deze bestaan uit het doen van seismisch onderzoek onderscheidenlijk het verrichten van (proef)boringen met als doel de berging van radioactieve of gevaarlijke afvalstoffen in de diepe ondergrond. Artikel 4.4.2
  92. a. Het is verboden meststoffen waarvan het vervoer en het verhandelen op grond van de Meststoffenwet 1947 is toegestaan op of in de bodem te brengen indien niet wordt voldaan aan de eisen vermeld in het tweede lid. b. Het onder a vermelde verbod is niet van toepassing op meststoffen: - met een organisch stofgehalte kleiner dan 2,5% bepaald volgens NEN 6620 of indien sprake is van meststoffen waarin kalk of gips voorkomt NEN 5754; - die bestaan uit producten die zijn geteeld op tot het eigen bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond als bedoeld in de Meststoffenwet

(1986).
  1. a. De navolgende parameters, bepaald volgens de daarachter vermelde analysevoorschriften, dienen te voldoen aan de samenstellingseisen voor zeer schone compost als bepaald in bijlage III van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen. Cadmium (Cd) NEN 5762 als Cd-gehalte > 2,5 mg/kg droge stof NEN 6458 als Cd-gehalte < 2,5 mg/kg droge stof Chroom (Cr) NEN 5767 als Cr-gehalte > 15% afwijkt van grenswaarde NEN 5763 als Cr-gehalte < 15% afwijkt van grenswaarde Koper (Cu) NEN 5758 Kwik (Hg) NEN 5764 Nikkel (Ni) NEN 5765 Lood (Pb) NEN 5761 Zink (Zn) NEN 5759 Arseen (As) NEN 5760 b. De navolgende parameters, bepaald volgens de daarachter vermelde analysevoorschriften, dienen te voldoen aan de streefwaarden als genoemd in de beleidsnotitie Integrale normstelling stoffen - milieukwaliteitsnormen bodem, water, lucht, waarbij voor organische microverontreinigingen wordt gecorrigeerd voor het organische stofgehalte. EOX (Cl) NEN 5735 Minerale olie (IR/GC) NEN 5733 Cyanide NEN 6655 ontw. PCA (10 Leidraad bodembescherming) NEN 5731 Vluchtige aromaten VPR C 85.10 Fenol(-index) NEN 6670 c. Indien de meststoffen parameters die niet zijn genoemd onder a en b bevatten die de streefwaarden genoemd in de beleidsnotitie Integrale normstelling stoffen - milieukwaliteitsnormen bodem, water, lucht te boven gaan, is toepassing slechts mogelijk indien naar het oordeel van gedeputeerde staten vanuit milieuhygiënisch gezichtspunt toepassing aanvaardbaar is. d. De meststof dient een zodanige stabiele samenstelling te hebben, dat er bij het op of in de bodem brengen geen onevenredige geurhinder wordt veroorzaakt. e. Het op of in de bodem brengen van de meststoffen wordt 21 dagen voorafgaande aan de voorgenomen toepassing gemeld aan gedeputeerde staten op een door hen vastgesteld formulier. De meststof wordt niet eerder toegepast dan nadat gedeputeerde staten schriftelijk hebben bericht dat tegen de toepassing van de desbetreffende meststof geen bezwaren bestaan.
  2. Gedeputeerde staten kunnen, op een daartoe schriftelijk verzoek, bij een ontheffing afwijkingen toestaan van de in het tweede lid, onder a en/of b, bedoelde waarden onder de voorwaarde dat: a. de in het tweede lid, onder a, genoemde parameters de streefwaarden genoemd in de beleidsnotitie Integrale normstelling stoffen - milieukwaliteitsnormen bodem, water, lucht niet te boven gaan; b. de in het tweede lid, onder b, genoemde parameters weliswaar de daarvoor geldende streefwaarden in de beleidsnotitie Integrale normstelling stoffen - milieukwaliteitsnormen bodem, water, lucht overschrijden, maar wetenschappelijk is vastgesteld dat de onderscheiden verbindingen niet schadelijk zijn voor de kwaliteit van de bodem.
  3. Gedeputeerde staten kunnen - op verzoek van een leverancier of producent van de in het eerste lid bedoelde meststoffen - voor zover de meststof(fen) voldoet/voldoen aan de in het tweede lid bepaalde kwaliteitseisen, dan wel voor zover niet wordt voldaan aan het in het tweede lid bepaalde, maar de waarden zich binnen de grenzen van het in het derde lid bepaalde bewegen, verklaren dat een melding als bedoeld in het tweede lid, onder d, of een ontheffing als bedoeld in het derde lid achterwege kan blijven.
  4. Aan een ontheffing op grond van het derde lid en een verklaring op grond van het vierde lid kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften hebben ten minste betrekking op: - de termijn van geldigheid van de ontheffing of de verklaring; - de maximale hoeveelheid meststof waarop de ontheffing of verklaring betrekking heeft; - het periodiek bemonsteren van deze meststoffen.
  5. Op de procedure voor de totstandkoming van een besluit krachtens het derde en vierde lid is afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 4.4.3
  6. In het Ammoniakreductieplan wordt in ieder geval aangegeven: a. de wijze waarop de in het Ammoniakreductieplan opgenomen voor verzuring gevoelige gebieden zijn geselecteerd. Bij deze selectie wordt een onderverdeling gemaakt op basis van de kwetsbaarheid voor verzuring van de gebieden; b. de huidige ammoniakemissie en -depositie binnen het gehele plangebied, bepaald op basis van: - de voor de inwerkingtreding van de Interimwet ammoniak en veehouderij verleende en ten tijde van het opstellen van het Ammoniakreductieplan nog vigerende vergunningen; - een inschatting van de gevolgen van het legaliseren van bedrijven op grond van de Interimwet ammoniak en veehouderij voor de totale ammoniakemissie en -depositie; c. een inschatting - zowel op basis van CBS-gegevens als op basis van de gemeentelijke vergunninggegevens - van de gevolgen die de autonome ontwikkeling in de landbouw heeft op de totale ammoniakemissie en -depositie in het gehele plangebied; d. in welke mate gebruik wordt gemaakt van de in de Interimwet ammoniak en veehouderij opgenomen gebiedsgerichte saldomethode en welke vermindering van de ammoniakemissie en -depositie daarmee wordt bereikt; e. op welke manier met periodieke voortgangscontrole en/of monitoring de effecten van het Ammoniakreductieplan op de ammoniakemissie en -depositie worden gevolgd; f. de afstemming met het Streekplan, het Provinciaal natuurbeleidsplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan en het gemeentelijk bestemmingsplan; g. op welke wijze er een toereikend draagvlak onder de meest belanghebbende organisaties is bereikt of wordt nagestreefd; h. of, en zo ja voor welke, van de voor verzuring gevoelige aangewezen gebieden lagere waarden zijn vastgesteld die bij de beslissing inzake de vergunning voor een veehouderij gelden in plaats van de ingevolge de artikelen 4, 5 en 7 van de Interimwet ammoniak en veehouderij geldende waarden; i. of, en zo ja tot welke hoogte, voor bestaande veehouderijen als bedoeld in artikel 5 van de Interimwet ammoniak en veehouderij een hogere waarde is vastgesteld dan de minimumwaarde aangegeven in bedoeld artikel
  7. In het Ammoniakreductieplan kan onder andere worden aangegeven: a. op welke wijze aandacht is besteed aan de melkrundveebedrijven, die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer; b. op welke wijze en in welke gevallen emissie-arme stalsystemen worden voorgeschreven; c. op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van een ammoniakbank; d. op welke wijze beleid wordt gevoerd met betrekking tot een signaleringswaarde. TITEL 4.5, VERORDENING GELUIDHINDERDIENST DRENTHE Artikel 4.5.1 In dit onderdeel wordt verstaan onder: a. geluidhinderdienst: een provinciale geluidhinderdienst als bedoeld in artikel 159 van de Wet geluidhinder; b. Productgroep Milieubeheer: de Productgroep Milieubeheer van de provincie Drenthe. Artikel 4.5.2 Er is een provinciale geluidhinderdienst die in elk geval een meetdienst en een klachtendienst omvat. De provinciale geluidhinderdienst is ondergebracht bij de Productgroep Milieubeheer en verricht zijn werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van het hoofd van deze productgroep. Artikel 4.5.3 Geluidhinderklachten, waarvan de behandeling en verwerking tot de bevoegdheid van een andere instantie dan de provincie behoren, worden zo spoedig mogelijk aan die instantie ter behandeling doorgegeven. Artikel 4.5.4
  8. De klachtendienst licht de indiener van een geluidhinderklacht zo spoedig mogelijk in over de behandeling en verwerking van de klacht.
  9. In het geval van artikel 4.5.3 bericht de klachtendienst de indiener van de geluidhinderklacht over het doorgeven van de klacht, met vermelding van de reden van het doorgeven. Het bericht vermeldt tevens aan welk bestuursorgaan de klacht is doorgegeven.
  10. Indien de klacht niet binnen 3 maanden is afgehandeld, verzoekt de klachtendienst het betrokken bestuursorgaan de indiener van de klacht over de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van de klacht te informeren.
  11. Indien de behandeling en verwerking van de klacht tot de bevoegdheden van gedeputeerde staten behoren en de klacht niet binnen 3 maanden is afgehandeld, informeert de klachtendienst de indiener over de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van de klacht. Artikel 4.5.5
  12. De klachtendienst brengt ten minste eenmaal per kalenderjaar van de ingekomen klachten en de behandeling daarvan verslag uit aan gedeputeerde staten.
  13. Het verslag bevat een overzicht van de ontvangen geluidhinderklachten, met inbegrip van de klachten in de zin van artikel 4.5.
  14. Het verslag vermeldt de wijze waarop de klachten zijn behandeld en verwerkt. Hoofdstukken 5 en 6 HOOFDSTUK 5, MILIEUBESCHERMINGSGEBIEDEN Titel 5.1, Aanwijzing van milieubeschermingsgebieden Artikel 5.1.1 Milieubeschermingsgebieden zijn gebieden, die als zodanig zijn aangewezen in bijlage
  15. De aanwijzing geschiedt ter bescherming van het milieu en in het bijzonder ter bescherming van de belangen die voor elk van die gebieden in die bijlage zijn aangeduid. Titel 5.2, Milieukwaliteitseisen voor milieubeschermingsgebieden Titel 5.3, Milieu-effectrapportage Titel 5.4, Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in milieubeschermingsgebieden Artikel 5.4.1
  16. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een inrichting verstaan een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage
  17. Voor zover in deze bijlage bij een categorie van inrichtingen categorieën van gevallen zijn aangewezen, zijn de volgende leden van dit artikel slechts in zodanige gevallen van toepassing.
  18. Indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet verleent voor een inrichting die is of zal zijn gelegen in een milieubeschermingsgebied, worden aan de vergunning in ieder geval de beperkingen aangebracht en de voorschriften verbonden waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, voor zover in die bijlage is aangegeven dat deze van toepassing zijn op de desbetreffende categorie van inrichtingen.
  19. Het bevoegd gezag kan, voor zover dit is aangegeven in bijlage 9, afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het tweede lid, dan wel nadere eisen stellen. Een nadere eis wordt gesteld als voorschrift dat aan de vergunning wordt verbonden.
  20. De in het tweede lid bedoelde beperkingen en de in dat lid bedoelde voorschriften worden door het bevoegd gezag binnen 10 jaar aan de op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel reeds verleende vergunningen voor inrichtingen aangebracht respectievelijk verbonden, tenzij in bijlage 9 daarvoor een ander tijdstip is aangegeven. Titel 5.5, Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in milieubeschermingsgebieden Artikel 5.5.1
  21. Ieder die in een milieubeschermingsgebied handelingen verricht en weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen in dat gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als beschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
  22. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op handelingen verricht in inrichtingen, waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt; b. op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet; c. voor zover artikel 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 13 van de Wet bodembescherming of artikel 10.3 van de wet van toepassing is. Artikel 5.5.2
  23. In een milieubeschermingsgebied gelden de in bijlage 10 omschreven regels voor zover deze regels in bijlage 6 voor dat gebied van toepassing zijn verklaard.
  24. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet; b. handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan, tenzij in bijlage 10 anders is bepaald. HOOFDSTUK 6, BODEMSANERING Afdeling 1, Landbodemsanering Artikel 6.1
  25. Op de voorbereiding van een beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
  26. De indiening van het rapport van het nader onderzoek, of indien de beschikking wordt gegeven naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming: het doen van die melding, wordt voor de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit.
  27. Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.
  28. Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het derde lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van de Wet bodembescherming. Artikel 6.2
  29. Voor de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt gebruikgemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier waarop in aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 28, tweede lid, van die wet, in ieder geval worden vermeld: a. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; b. de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder a, alsmede van de gebruiker daarvan; c. de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst.
  30. Het meldingsformulier, het rapport van het nader onderzoek en het saneringsplan worden in 5-voud bij gedeputeerde staten ingediend. Artikel 6.3
  31. In het saneringsplan worden de volgende gegevens vermeld. A. Algemene gegevens
  32. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;
  33. een kadastrale kaart, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven;
  34. het gebruik van de bodem;
  35. de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder 1, alsmede van de gebruiker daarvan;
  36. de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden;
  37. een tijdschema met een eventuele fasering, waarbij in ieder geval de datum waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen, en de datum waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond, zijn aangegeven;
  38. een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het saneringsplan bekend zijn;
  39. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren;
  40. de wijze van evaluatie en rapportage van de uitvoering van de sanering, met inbegrip van de voorgenomen eindbemonsteringen (evaluatierapport);
  41. de wijze waarop burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het geval zich voordoet, alsmede de ingezetenen van die gemeente en andere belanghebbenden bij de uitvoering van de sanering zullen worden betrokken. B. Keuze saneringsvariant
  42. de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel;
  43. indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd: de voorgenomen fasering, alsmede het verzoek om een besluit als bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de Wet bodembescherming;
  44. indien slechts een gering gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst: het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming;
  45. indien de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, niet worden hersteld: de argumentatie op grond waarvan dat niet gebeurt. C. De te nemen maatregelen
  46. een beschrijving van de wijze waarop de gekozen saneringsvariant zal worden uitgevoerd;
  47. een beschrijving van de effecten die met de te treffen saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de sanering zal worden bereikt;
  48. een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken;
  49. een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving;
  50. een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten;
  51. een beschrijving van maatregelen die overlast als gevolg van de sanering en milieuhygiënisch ongewenste effecten zoals verspreiding voorkomen of zoveel mogelijk beperken;
  52. gegevens over de kwaliteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond;
  53. gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering;
  54. indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft: een nazorgplan met de technische, juridische, financiële en organisatorische aspecten van: - de wijze waarop de instandhouding van de isolerende voorzieningen wordt gewaarborgd en gecontroleerd; - de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het isoleren van die verontreiniging zal worden beheerd; - de maatregelen die zullen worden genomen in verband met beperkingen die de verontreiniging voor het gebruik van de bodem met zich brengt;
  55. indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken: - de te verwachten hoeveelheid af te graven grond dan wel te onttrekken hoeveelheid grondwater; - een omschrijving van de bestemming van die grond of dat grondwater waarbij wordt ingegaan op de mogelijkheden om op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze de grond of het grondwater te verwerken; - indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd: de redenen daarvoor;
  56. een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd;
  57. een beschrijving van de werkzaamheden op grond waarvan gedeputeerde staten nadien bij het evaluatierapport kunnen beoordelen of de sanering volgens plan is uitgevoerd, tot welke werkzaamheden in ieder geval behoren: - een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding plaatsvindt; - een schriftelijke mededeling op het daarvoor bestemde formulier aan gedeputeerde staten van het tijdstip van de feitelijke aanvang van de saneringswerkzaamheden, te verzenden uiterlijk 1 week voor dat tijdstip; - het opstellen van een ontgravingskaart en een grondwateronttrekkingskaart; - het aanbieden van 2 exemplaren van het evaluatierapport uiterlijk 3 maanden na beëindiging van de saneringswerkzaamheden, waarbij zo nodig afzonderlijk wordt gerapporteerd over de sanering van de grond en - op een later tijdstip - over de sanering van het grondwater. D. Financiële gegevens
  58. een begroting van de kosten van de sanering;
  59. een overzicht van de financiële middelen ter dekking van de saneringskosten.
  60. Het saneringsplan gaat vergezeld van: a. de adviesaanvraag als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet bodembescherming, tenzij die adviesaanvraag achterwege kan blijven op grond van het tweede lid van dat artikel, juncto artikel 28, derde lid, van de Wet bodembescherming of op grond van de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond bodemsanering; b. het advies van het servicecentrum indien dit is uitgebracht.
  61. Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: a. bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken; b. daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken; c. die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.
  62. Het eerste lid is niet van toepassing op een saneringsplan dat betrekking heeft op een sanering van de bodem ten aanzien waarvan artikel 9, vijfde lid, van het Besluit tankstations milieubeheer van toepassing is. Artikel 6.4
  63. Op de voorbereiding van een besluit over de goedkeuring van een saneringsplan is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
  64. Het saneringsplan wordt voor de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit.
  65. Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.
  66. Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het derde lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van de Wet bodembescherming. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 39, vierde lid, van die wet, doen zij van een besluit als bedoeld in het derde lid mededeling in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Artikel 6.4a
  67. Voordat gedeputeerde staten overgaan tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging stellen zij een saneringsplan vast.
  68. Met betrekking tot de inhoud van het plan is artikel 6.3 van overeenkomstige toepassing. Op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan is de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
  69. Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.
  70. Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het derde lid, doen zij hiervan mededeling in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Artikel 6.5
  71. Indien gedeputeerde staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
  72. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid bevorderen gedeputeerde staten dat degene die een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering laat uitvoeren, ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep instelt, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Artikel 6.6
  73. Een projectgroep heeft tot taak degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren, haar zienswijze te geven over de uitvoering van dat onderzoek respectievelijk die sanering.
  74. Een projectgroep bestaat ten minste uit: a. een vertegenwoordiger van degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren; b. voor zover mogelijk een vertegenwoordiger van de ingezetenen van die gemeente en andere, bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval, belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen.
  75. Indien gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente niet het onderzoek respectievelijk de sanering laten uitvoeren, worden zij in de gelegenheid gesteld een vertegenwoordiger aan te wijzen die aan de vergaderingen van de projectgroep kan deelnemen. Artikel 6.7 Gedeputeerde staten brengen jaarlijks in het Provinciaal Milieuprogramma verslag uit over de uitvoering van de artikelen 6.5 en 6.
  76. Afdeling 2, Waterbodemsanering Artikel 6.8
  77. Het saneringsplan als bedoeld in artikel 63e van de Wet bodembescherming bevat de gegevens bedoeld in artikel 6.3, alsmede de volgende gegevens: a. bij A. Algemene gegevens
  78. de naam en de functie van het oppervlaktewater;
  79. de wijze waarop de waterkwantiteitsbeheerder van het beheersgebied waarin zich de verontreiniging bevindt, en - voor zover deze niet zelf met de sanering is belast - de betrokken waterkwaliteitsbeheerder bij de uitvoering van de sanering worden betrokken; b. bij C. De te nemen maatregelen
  80. de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringsbaggerspecie.
  81. Artikel 6.3, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 6.9 Met betrekking tot de goedkeuring van het saneringsplan is artikel 6.4 van overeenkomstige toepassing. Artikel 6.10 De waterkwaliteitsbeheerder verschaft gedeputeerde staten de informatie omtrent de resultaten van de door hem uitgevoerde saneringen en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die gedeputeerde staten stellen bij het verlenen van een bijdrage. Artikel 6.11 In de aanvraag om ontheffing zoals genoemd in artikel 63i, eerste lid, onder c, van de Wet bodembescherming worden vermeld: a. de risico's ten aanzien van verspreiding van de achterblijvende ernstige verontreinigingen, alsmede de wijze waarop deze risico's worden geminimaliseerd; b. de bestemming van de vrijkomende baggerspecie en de eventuele fracties daarvan. Hoofdstukken 7, 8, 9, 10 en 11 HOOFDSTUK 7, ONTHEFFINGEN Artikel 7.1
  82. De ontheffing wordt geweigerd indien door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoetgekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.
  83. Een ontheffing kan in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt verleend, onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden, die ter bescherming van dat belang nodig zijn.
  84. Met betrekking tot de ontheffing, de beperkingen waaronder de ontheffing wordt verleend en de aan de ontheffing te verbinden voorschriften zijn de artikelen 8.11, eerste en vierde lid, 8.12, 8.13 en 8.16 van de wet van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.2
  85. Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.
  86. In afwijking van het eerste lid geldt een ontheffing die betrekking heeft op de verwijdering van afvalstoffen slechts voor degene aan wie zij is verleend. Artikel 7.3
  87. Op aanvraag van de houder van een ontheffing kan het bestuursorgaan beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan die ontheffing verbinden.
  88. Het bestuursorgaan kan - anders dan op aanvraag van de houder - beperkingen waaronder een ontheffing is verleend en voorschriften die aan een ontheffing zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een ontheffing verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend. Artikel 7.4
  89. Het bestuursorgaan kan een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken op aanvraag van de houder van de ontheffing, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, zich daartegen niet verzet.
  90. Het bestuursorgaan kan - anders dan op aanvraag van de houder - een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien: a. het gebruikmaken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, en toepassing van artikel 7.3 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt; b. gedurende 3 jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing; c. artikel 7.2, tweede lid, van toepassing is, of bij de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend: de houder van de ontheffing niet meer degene is die de gedraging waarvoor ontheffing is verleend, uitvoert. Artikel 7.5 Met betrekking tot een besluit op grond van artikel 7.3 of 7.4 zijn de artikelen 7.1 en 7.2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.6
  91. Een aanvraag om een ontheffing wordt in 7-voud ingediend bij het bestuursorgaan.
  92. Een aanvraag bevat ten minste: a. een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken; b. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden; c. een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies. Artikel 7.7
  93. Indien afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een ontheffing, stelt het bestuursorgaan: a. de inspecteur; b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, in gevallen waarin zij niet het bestuursorgaan zijn; c. gedeputeerden staten in gevallen waarin ontheffing wordt gevraagd voor een gedraging die plaats vindt of zal plaatsvinden in milieubeschermingsgebied en zij niet het bestuursorgaan zijn; in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag.
  94. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het voornemen een beschikking te nemen als bedoeld in artikel 7.3 of 7.
  95. In het geval een aanvraag als bedoeld in het eerste lid of een voornemen als bedoeld in het tweede lid betrekking heeft op een gedraging waarop regels van onderdeel A van bijlage 10 van toepassing zijn, wordt de grondwateronttrekker als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 3:15, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, betrokken bij de totstandkoming van de beschikking. HOOFDSTUK 8, VERGOEDING VAN KOSTEN EN SCHADE Artikel 8.1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van gedeputeerde staten met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening. De bepalingen in dit hoofdstuk betrekking hebbende op "de grondwateronttrekker in wiens belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd" zijn slechts van toepassing voor zover het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op bepalingen op grond van bijlage 9 of onderdeel A van bijlage 10 van deze verordening. Artikel 8.2 De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens: a. de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; b. de aard en omvang van de kosten dan wel de schade; c. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 8.3
  96. Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 8.
  97. Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het gestelde in het eerste lid, brengen deze deskundigen advies uit inzake: a. de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; b. de omvang van de kosten dan wel de schade; c. de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; d. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; e. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; f. de hoogte van de toe te kennen vergoeding.
  98. Alvorens een advies aan gedeputeerde staten uit te brengen horen de aangewezen deskundigen de aanvrager. Tevens stellen de aangewezen deskundigen de grondwateronttrekker in wiens belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd in de gelegenheid zijn opvattingen over de voorliggende aanvraag aan hen kenbaar te maken. Artikel 8.4
  99. Gedeputeerde staten tekenen de datum van ontvangst van de aanvraag aan op de ingediende aanvraag en zenden een bevestiging van ontvangst aan de aanvrager binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag.
  100. Gedeputeerde staten beoordelen binnen 4 weken na ontvangst van de aanvraag of de aanvraag voldoende gegevens bevat om een oordeel te kunnen geven over de aanvraag.
  101. Indien de aanvraag niet de noodzakelijke gegevens bevat, stellen gedeputeerde staten de aanvrager in de gelegenheid binnen 2 weken na melding hiervan aan de aanvrager de ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren.
  102. Indien de in het tweede lid bedoelde gegevens niet of niet in voldoende mate worden aangeleverd, kunnen gedeputeerde staten de aanvrager buiten behandeling laten.
  103. Gedeputeerde staten zenden binnen 5 weken na ontvangst van de aanvraag deze aanvraag aan de grondwateronttrekker, in wiens belang de bescherming van het desbetreffende beschermingsgebied is gerealiseerd, en stellen deze grondwateronttrekker in de gelegenheid een regeling met betrekking tot de in de aanvraag neergelegde schadeclaim te treffen met de aanvrager.
  104. De grondwateronttrekker bericht binnen 6 weken na de in het vierde lid bedoelde toezending schriftelijk aan gedeputeerde staten of een in het vierde lid bedoelde regeling tot stand is gekomen.
  105. Indien een regeling met betrekking tot de afhandeling van de schadeaanvraag tussen de grondwateronttrekker en de aanvrager om schadevergoeding niet tot stand is gekomen, winnen gedeputeerde staten zo nodig het advies in van de in artikel 8.3 bedoelde deskundigen.
  106. Indien toepassing wordt gegeven aan het zesde lid, zenden gedeputeerde staten de aanvraag om schadevergoeding binnen 11 weken na ontvangst toe aan de in artikel 8.3 bedoelde deskundigen.
  107. De in het zevende lid bedoelde deskundigen brengen advies uit aan gedeputeerde staten binnen 10 weken na ontvangst van de aanvraag om advies.
  108. Gedeputeerde staten zenden het in het achtste lid bedoelde advies onverwijld toe aan de aanvrager en de betrokken grondwateronttrekker en stellen hen in de gelegenheid om binnen 4 weken na ontvangst van dit advies hun opvattingen omtrent het advies aan gedeputeerde staten kenbaar te maken.
  109. Gedeputeerde staten beslissen binnen 4 weken na het verstrijken van de in het negende lid genoemde termijn. Zij zenden onverwijld een af schrift van het genomen besluit aan de aanvrager en de desbetreffende grondwateronttrekker.
  110. Indien geen toepassing wordt gegeven aan het zesde lid, beslissen gedeputeerde staten binnen 8 weken na het verstrijken van de in het vijfde lid genoemde termijn. Alvorens zij beslissen horen gedeputeerde staten de aanvrager en stellen de grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn opvattingen over de voorliggende aanvraag kenbaar te maken. Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van het genomen besluit aan de aanvrager en de desbetreffende grondwateronttrekker. Artikel 8.5 Indien gedeputeerde staten gebruikmaken van de in artikel 8.4, derde lid, geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kunnen gedeputeerde staten besluiten de procedure als bedoeld in artikel 8.4 niet te volgen en beslissen zij binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag. Artikel 8.6 Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de wet gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van bijlage 10, onderdeel A, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van: a. indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken; b. een afschrift van de schriftelijke opvattingen die de grondwateronttrekker over het verzoek of het voornemen een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt aan het bestuursorgaan; c. indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid, van de wet heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; d. het ontwerp van de beschikking houdende een toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking. HOOFDSTUK 9, HANDHAVING Artikel 9.1 Een gedraging in strijd met: a. artikel 4.3.2.6, 4.3.2.7, 4.3.2.11, eerste lid, 4.3.2.13, tweede lid, 4.3.2.14, 4.3.2.16, eerste en tweede lid, 4.3.2.18, tweede en derde lid, 4.3.2.19, 4.3.2.20, eerste lid, 4.3.2.22, tweede lid, 4.3.2.23, 4.3.2.25, eerste lid, 4.3.2.26, eerste lid, 4.3.2.28, 4.3.3.1, eerste lid, 4.3.3.2, 4.3.3.3, 4.3.3.7, 4.3.3.8, 4.3.3.9, eerste lid, 4.3.3.11, tweede lid, 4.3.4.2, eerste lid, 4.4.1, 4.4.2 of 5.5.1, of b. een op grond van artikel 5.5.2 geldende verbodsregel uit bijlage 10 is een strafbaar feit. HOOFDSTUK 10, BEKLAG Artikel 10.1
  111. Eenieder kan schriftelijk en gemotiveerd zijn beklag doen over de uitvoering van de artikelen 6.5, 6.6 en 6.7 van deze verordening.
  112. Het beklag wordt gericht aan gedeputeerde staten.
  113. De indiener van het beklag wordt gehoord door de Externe Commissie van Advies voor de Bezwaarschriften van de Provincie Drenthe. Deze commissie adviseert gedeputeerde staten over het beklag.
  114. Gedeputeerde staten geven binnen 10 weken schriftelijk en gemotiveerd hun oordeel over het beklag. Zij vermelden daarbij welke gevolgen zij daaraan zullen verbinden.
  115. Gedeputeerde staten zenden een exemplaar van hun beslissing aan degene die het beklag heeft ingediend. Indien een beklag door meer dan 5 personen is ingediend, is artikel 3:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Artikel 10.2
  116. Eenieder kan zijn beklag doen over de uitvoering van hoofdstuk 3 van de verordening.
  117. Op het beklag is artikel 10, tweede tot en met vierde lid, van de Algemene inspraakverordening provincie Drenthe 1995 van toepassing. HOOFDSTUK 11, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 11.1 [Vervallen.] Artikel 11.2 De landelijke lijst van inzamelbedrijven chemisch afval van 1 mei 1993, uitgave VROM, nummer 93092/H/693, wordt voor de toepassing van de artikelen 4.3.3.11, 4.3.3.12 en 4.3.3.14 gelijkgesteld met een lijst als bedoeld in artikel 4.3.3.
  118. Artikel 11.3 Indien de aanvraag tot het geven van een ontheffing van het bepaalde in een verordening die is genoemd in artikel 11.1 is ingediend voor het tijdstip waarop dat artikel ten aanzien van die verordening in werking treedt, blijft die verordening op de aanvraag van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden. Artikel 11.4 Een ontheffing op grond van de Verordening bodem- en grondwaterbescherming Drenthe 1989 die geen betrekking heeft op een inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wet, wordt gelijkgesteld aan een ontheffing van het bepaalde in de bijlage 10 onder A. Artikel 11.5 De verboden gesteld in de bepalingen 2.1 tot en met 2.4 van bijlage 10, onderdeel B, gelden niet ten aanzien van een gedraging die is toegestaan voor het tijdstip, waarop die bepalingen ten aanzien van het gebied waarbinnen de gedraging plaatsvindt in werking treden, gedurende 6 maanden na dat tijdstip en, indien binnen die termijn een aanvraag om ontheffing als bedoeld in bepaling 4.1 van bijlage 10, onderdeel B, is ingediend, vervolgens tot 6 weken nadat het besluit op aanvraag is bekendgemaakt, dan wel, indien binnen die termijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend, tot op dat verzoek is beslist. Artikel 11.6 De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet juncto de artikelen 4.3.2.14 en 4.3.2.16, tot het verstrekken van gegevens met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen, geldt niet gedurende 1 jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 4.3.2.14 en 4.3.2.16, indien degene die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een ander, voor het tijdstip waarop die artikelen in werking treden, aan die ander een omschrijving van die afvalstoffen heeft verstrekt. Artikel 11.7 Het verbod gesteld in artikel 4.3.2.25 geldt niet ten aanzien van het buiten de provincie brengen van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen, dat voor het tijdstip waarop die artikelen in werking treden, is toegestaan ingevolge een provinciale verordening, een provinciaal plan of een besluit van gedeputeerde staten gedurende 3 maanden na het tijdstip waarop dat artikel in werking treedt en, indien binnen die termijn een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 4.3.2.27 is ingediend, vervolgens tot 6 weken nadat de beschikking op de aanvraag is bekendgemaakt, dan wel indien binnen die termijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend tot op dat verzoek is beslist. Artikel 11.8
  119. Deze verordening treedt in werking op een nader door gedeputeerde staten te bepalen tijdstip, dat voor onderdelen van de verordening verschillend kan zijn.
  120. Deze wijziging van artikel 11.8 heeft geen gevolgen voor onderdelen van de verordening, die op een eerder tijdstip in werking zijn getreden. Artikel 11.9 Deze verordening kan worden aangehaald als: Provinciale milieuverordening Drenthe. Bijlagen 1 t/m 8 BIJLAGE 1, MILIEUKWALITEITSEISEN [Gereserveerd] BIJLAGE 2, INSTRUCTIES VOOR VERGUNNINGEN VOOR INRICHTINGEN EN VOOR LOZINGEN OP OPPERVLAKTEWATEREN [Gereserveerd] BIJLAGE 3, HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN Bepaling
  121. [Vervallen.] BIJLAGE 4, AANWIJZING VAN CATEGORIEËN VAN AFVALSTOFFEN A. Categorieën van afvalstoffen die op grond van artikel 4.3.2.5, eerste lid, gescheiden moeten worden gehouden [Vervallen.] B. Categorieën van afvalstoffen als bedoeld in de artikelen 4.3.2.11 (Inzamelregeling), 4.3.2.14 (meldings- of registratieplichtig) en 4.3.2.25 (exportverbod) A. GEMEENTELIJK AFVAL A.
  122. Huishoudelijk afval A.
  123. Grof huishoudelijk afval A.
  124. Reinigingsdienstenafval B. BEDRIJFSAFVAL, KANTOOR-, WINKEL- EN DIENSTENAFVAL (KDWA) EN NIET-PROCESGERELATEERD INDUSTRIEEL AFVAL B.
  125. Bedrijfsafval, KDWA en niet-procesgerelateerd industrieel afval B.
  126. Intramuraal afval (niet specifiek) B.
  127. Agrarisch, tuinbouw- en veilingafval C. BOUW- EN SLOOPAFVAL, AFVAL VAN AANNEMERS C.
  128. Bouw- en sloopafval C.
  129. Grond en baggerslib/specie D. RESTSTOFFEN UIT DE BE- EN VERWERKING VAN AFVAL(WATER) D.
  130. Reststoffen na drinkwaterbereiding en (afval)waterzuivering D.
  131. Reststoffen na verbranding D.
  132. Reststoffen na composteren/vergisten D.
  133. Reststoffen na sorteren (bouw- en sloopafval en bedrijfsafval) D.
  134. Reststoffen na sorteren en scheiding (huishoudelijk afval en niet-procesgerelateerd bedrijfsafval) D.
  135. Reststoffen na demontage en shredderen van autowrakken (exclusief specifieke kunststofproducten) D.
  136. Reststoffen na voorbereiding tot recycling E. MATERIALEN, MET NAME PROCESGERELATEERD E.
  137. Papier en karton E.
  138. Kunststoffen E.
  139. Rubber E.
  140. Leder E.
  141. Textiel E.
  142. Hout E.
  143. Ferrometalen E.
  144. Non-ferrometalen E.
  145. Glas E.
  146. Straalgrit E.
  147. Oxiden, hydroxiden en zouten E.
  148. Dierlijk afval en slachtafval E.
  149. Dierlijke/plantaardige oliën/vetten E.
  150. Voedings- en genotmiddelen E.
  151. Organische processlibben E.
  152. Vaste minerale afvalstoffen E.
  153. Minerale slibben C. Categorieën van afvalstoffen waarvoor vrijstellingen gelden op grond van de artikelen 4.3.2.11 (Inzamelregeling), 4.3.2.13 (afvalstroomnummer), 4.3.2.15 (omschrijvingsformulier), 4.3.2.18 (meldingsregeling) en 4.3.2.25 (exportverbod)
  154. Afvalstoffen genoemd in de Groene lijst van afvalstoffen
  155. Lederwaren en lederen voorwerpen
  156. Steenwol
  157. Droge toners, tonercassettes en printerlinten
  158. Gevaarlijke afvalstoffen BIJLAGE 5, CATEGORIEËN VAN GEVAARLIJKE AFVALSTOFFEN DIE INGEVOLGE ARTIKEL 4.3.3.9 UITSLUITEND MOGEN WORDEN INGEZAMELD MET EEN VERGUNNING VAN GEDEPUTEERDE STATEN
  159. Gevaarlijke afvalstoffen afkomstig uit de scheepvaart, bestaande uit afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, olie- en chemicaliënladingrestanten, olie- en chemicaliënhoudende mengsels, olie- en chemicaliënhoudende watermengsels, sludges en wasvloeistoffen.
  160. Gevaarlijke afvalstoffen waarvan een bedrijf waar de hierna vermelde gevaarlijke afvalstoffen vrijkomen, zich ontdoet door afgifte in een hoeveelheid van ten hoogste 200 kg per afvalstof per afgifte: a. restanten van laboratoriumchemicaliën; b. restanten van de toepassing van amalgaam in de tandheelkunde; c. afvalstoffen afkomstig van de toepassing van verven, lakken, beitsen en andere soortgelijke vloeibare en pasteuze middelen die ter kleuring of bescherming op hout, steen, metaal, textiel en dergelijke materialen worden aangebracht; d. afvalstoffen van fotografisch-chemische bewerkingen; e. zuren, logen, galvanische en etsbaden, die zijn gebruikt voor de reiniging of bewerking van metaaloppervlakken, voor het opbrengen van een beschermende metaallaag op producten en halffabrikaten of voor het ontlakken van geverfde producten.
  161. Mengsels van olie, water en slib afkomstig uit olie- of slibafscheiders, waarvan een inrichting waar onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan voertuigen en machines worden verricht, zich door afgifte ontdoet.
  162. Afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzameling afgewerkte olie, in verpakking met een inhoud kleiner dan 200 liter.
  163. Andere gevaarlijke afvalstoffen waarvan een inrichting als bedoeld onder 3 zich ontdoet in een hoeveelheid van ten hoogste 200 kg per afvalstof per afgifte.
  164. Gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij medische handelingen in intra- en extramurale instellingen voor de gezondheidszorg. BIJLAGE 6, AANWIJZING MILIEUBESCHERMINGSGEBIEDEN Bepaling 1 Als milieubeschermingsgebied I worden ter bijzondere bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning aangewezen de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op de bij deze bijlage behorende kaarten 1 tot en met
  165. In milieubeschermingsgebied I gelden de in bijlage 10, onderdelen A en D, opgenomen verbodsregels met dien verstande dat: - in de op de kaarten 1 tot en met 10 als "gebieden tegen fysische bodemaantasting" aangeduide gebieden de in bijlage 10, onderdelen C en D, opgenomen verbodsregels gelden; - in de op de kaarten 1 tot en met 10 als "verbodszone diepe boringen" aangeduide gebieden de in bijlage 10, onderdeel A, voor die gebieden opgenomen verbodsregels gelden. Bepaling 2 Als milieubeschermingsgebied II worden ter bijzondere bescherming van de kwaliteit van de bodem en ter voorkoming of beperking van de geluidhinder aangewezen de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op de bij deze bijlage behorende kaarten. In milieubeschermingsgebied II gelden de in bijlage 10, onderdelen B, C en D, opgenomen verbodsregels. Bepaling 3 Als milieubeschermingsgebied III worden ter bijzondere bescherming van de kwaliteit van de bodem aangewezen de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op de bij deze bijlage behorende kaarten. In milieubeschermingsgebied III gelden de in bijlage 10, onderdelen C en D, opgenomen verbodsregels. Bepaling 4 In milieubeschermingsgebied I gelden in de waterlopen van het gedeelte dat is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa, met uitzondering van de waterlopen ten zuiden van het wegvak Assen-Rolde van de provinciale weg N376, ter bijzondere bescherming van natuur en landschap, de in bijlage 10, onderdeel E, opgenomen verbodsregels. BIJLAGE 7, DOORWERKING GEBIEDSGERICHTE MILIEUKWALITEITSEISEN [Gereserveerd.] BIJLAGE 8, MILIEU-EFFECTRAPPORTAGE [Gereserveerd.] Bijlage 9 BIJLAGE 9, INSTRUCTIES VOOR VERGUNNINGEN VOOR INRICHTINGEN IN MILIEUBESCHERMINGSGEBIEDEN A. Begripsomschrijvingen In deze bijlage wordt verstaan onder: - CPR 9-1: richtlijn CPR 9-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Vloeibare aardolieproducten, ondergrondse opslag in stalen tanks en afleverinstallaties voor motorbrandstof", vijfde druk 1993, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - CPR 9-6: concept-richtlijn CPR 9-6 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Vloeibare aardolieproducten, Buitenopslag van K3-producten in bovengrondse stalen tanks (0,2 tot 150 m3)", tweede druk 1999, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - CPR 15-1: richtlijn CPR 15-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage", voor opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton), tweede druk 1990, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - CPR 15-2: richtlijn CPR 15-2 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag van grote hoeveelheden", voor: - opslag van bestrijdingsmiddelen bij producenten, synthese- en formuleringsbedrijven; - opslag van gevaarlijke stoffen vanaf 10 ton; - opslag van chemische afvalstoffen vanaf 10 ton; eerste druk 1991, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - CPR 15-3: richtlijn CPR 15-3 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag bestrijdingsmiddelen in emballage", voor opslag van bestrijdingsmiddelen in distributiebedrijven en aanverwante bedrijven (vanaf 400 kg), eerste druk 1990, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - KIWA: KIWA NV, instituut voor certificatie, keuringen en advisering integrale kwaliteitszorg voor bouw-, water- en milieusector, gevestigd te Rijswijk; - REIS-'87: een erkenning van KIWA op grond van beoordelingsrichtlijn (BRL-K 903) inzake het saneren van huisbrandolie- en dieselolietanks, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen erkenning van die instelling, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - NPR 3218: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering onder vrij verval "Aanleg en onderhoud", eerste druk, juli 1984, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - NPR 3220: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering "Beheer", tweede druk 1994, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - NPR 3221: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering onder over- en onderdruk "Ontwerp-criteria, aanleg en onderhoud" eerste druk, juni 1986, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - NPR 3398: Nederlandse praktijkrichtlijn van Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering "Inspectie en toestandsbeoordeling", eerste druk, april 1992, dan wel de door gedeputeerde staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is; - NEN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm; - NVN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven voornorm; - VPR: Voorlopige praktijkrichtlijn, zoals beschreven in de reeks "Bodembescherming" deel SSB, Ministerie van VROM. B. Aanwijzing van categorieën van inrichtingen (artikel 5.4.1, eerste lid) Aanwijzing van categorieën van inrichtingen (artikel 5.4.1, eerste lid)Categorieën van inrichtingen Ligging Activiteit Volg- nummer 1 t/m 29 als bedoeld in bijlage I, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (IVB) Ligging in waterwingebied, grondwaterbescher-mingsgebied, met uitzondering van het grondwaterbescher-mingsgebied Drentsche Aa Het op- en overslaan van vloeibare aardolieproducten in emballage Het op- en overslaan van vloeibare aardolieproducten in ondergrondse tanks Het op- en overslaan van vloeibare aardolieproducten in bovengrondse tanks Het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aardolieproducten, en vloeibare afvalstoffen in emballage Het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aardolieproducten, en vloeibare afvalstoffen in ondergrondse tanks Het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aardolieproducten, en vloeibare afvalstoffen in bovengrondse tanks Het op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen in emballage Het op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen anders dan in emballage Het op- en overslaan van meststoffen A1 A2 A3 A4 A5 A6 A7 A8 A10 Het opslaan van vaar-, vlieg- of motorvoertuigen of onderdelen daarvan Het gebruiken ten behoeve van het productieproces (in ruime zin) van vloeibare aardolieproducten en andere schadelijke stoffen Het tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen ten behoeve van het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde afvalwater (productleidingen Het tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen ten behoeve van het transport van afvalwater (zoals bedrijfsriolering) Het tot stand brengen, hebben of gebruiken van niet eerdergenoemde werken om schadelijke stoffen te vervoeren, te bergen, over te slaan of te storten Het tot stand brengen, hebben of gebruiken van wegen, parkeerterreinen of terreinen voor zover die - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan Het uitvoeren van bouw- en aanlegwerkzaamheden Het toepassen van bouwstoffen Het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 2 m A12 A13 A14 A15 A16 A17 A19 A20 A21 Ligging in de verbodszone diepe boringen Het uitvoeren of laten uitvoeren van boringen die verder gaan dan de voor die zone geldende en op kaart aangegeven maximale diepte A22 C. Omschrijving van beperkingen en voorschriften (artikel 5.4.1, tweede lid) Omschrijving van beperkingen en voorschriften (artikel 5.4.1, tweede lid)Voorschriften te verbinden aan de milieuvergunning Volgnummer Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in hoofdstuk 9 van de CPR-richtlijn 9-1 zijn aangegeven. B1 Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in hoofdstuk 5, paragraaf 5.7 van de CPR-richtlijn 9-6 zijn aangegeven. B2 Voorschriften inhoudende de verplichting de bodem te monitoren op de aanwezigheid van de stoffen die zijn opgeslagen, door het nemen van grondwatermonsters volgens de NEN- en VPR-richtlijnen die daarop van toepassing zijn; de artikelen 2.27 en 2.28 van bijlage 1 behorende bij het Besluit opslaan in ondergrondse tanks zijn van overeenkomstige toepassing. B4 Voorschriften inhoudende de verplichting dat het onklaar maken of verwijderen van de tank dient te worden uitgevoerd door een door KIWA erkend tanksaneringsbedrijf (REIS-'87). B5 Voorschriften inhoudende de verplichting: - indien aan de tank een afleverinstallatie met een doorzet van meer dan 10.000 l per jaar is verbonden, de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in hoofdstuk 8.28, onder artikel 8.28.5 van de CPR-richtlijn 9-1 zijn aangegeven; - indien aan de tank een afleverinstallatie met een doorzet van 10.000 l of minder per jaar is verbonden, de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in hoofdstuk 5.3, artikel 5.3.11 van de CPR-richtlijn 9-6 zijn aangegeven; indien daar sprake is van "aaneengesloten verharding" moet daarvoor worden gelezen "vloeistofdichte verharding". B6 Voorschriften inhoudende de verplichting de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen zoals weergegeven in de CPR-richtlijn 9-
  166. B7 Voorschriften inhoudende de verplichting bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in hoofdstuk 5, artikelen 5.7.2 en 5.7.3 van de CPR-richtlijn 9-6 zijn aangegeven. B8 Voorschriften inhoudende de verplichting de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen als bedoeld in de CPR-richtlijnen 15-1, 15-2 of 15-
  167. B9 Voorschriften inhoudende de verplichting dat voorzieningen dienen te zijn of te worden aangebracht die duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen, alsmede voorschriften inhoudende de verplichting een regelmatige controle uit te voeren ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen. B12 Voorschriften inhoudende de verplichting leidingen ten behoeve van het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde aardolieproducten en afvalwater, zodanig aan te leggen en te onderhouden dat het gehele stelsel duurzaam vloeistofdicht is, alsmede voorschriften inhoudende de verplichting leidingen voor de ingebruikname en vervolgens om de 5 jaar te inspecteren op vloeistofdichtheid. B13 Voorschriften inhoudende de verplichting dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van leidingen c.a. ten behoeve van het transport van afvalwater plaatsvinden overeenkomstig de van toepassing zijnde praktijkrichtlijnen NPR 3218, NPR 3220, NPR 3221 en NPR
  168. B14 Voorschriften inhoudende de verplichting dat: - tijdens de mechanische ingreep geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden; - de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan daarvoor; - zodanige voorzieningen moeten worden getroffen dat tijdens het gebruik van het boorgat geen verontreinigende stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen; - bij de beëindiging van een boring het ontstane boorgat volledig afsluitend wordt opgevuld. B16 Voorschriften inhoudende de verplichting dat bij de plaatsing van een bouwkeet: - het afvalwater van de bouwkeet op de riolering dient te worden geloosd; - geen andere verwarming van de bouwkeet dan met gasgestookte of elektrische verwarmingsapparatuur is toegestaan. B17 Voorschriften inhoudende de verplichting dat het te gebruiken materieel (graaf-, transport-, etc.) zodanig dient te zijn uitgerust en te worden gebruikt dat verontreiniging van de bodem met schadelijke stoffen niet kan optreden. B18 Voorschriften inhoudende de verplichting dat bij het beëindigen van de werkzaamheden de bouwkeet met toebehoren en de voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigde en de ten gevolge van de uitvoering van de werkzaamheden ontstane schadelijke stoffen op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze moeten worden verwijderd. B19 Voorschriften inhoudende de verplichting dat de op of onder het maaiveld toe te passen bouwstoffen slechts mogen bestaan uit niet-verontreinigde grond, zand of steenmaterialen. Steenmaterialen moeten terugneembaar worden toegepast en mogen niet met de bodem worden vermengd. B20 D. Instructiebepalingen D. InstructiebepalingenActiviteit De van toepassing zijnde voorschriften Mogelijkheden voor afwijkingen/nadere eisen Termijn waarbinnen bestaande vergunningen moeten worden aangepast A1 B9 A2 B1, B6 B6 alleen opnemen indien van toepassing. A3 B2, B5, B6 A4 B9 A5 B4, B5, B7 Bij B7 gelden de artikelen 9.2.1 en 9.2.3 van de CPR-richtlijn 9-1 alleen voor nieuw te installeren tanks. Bij B7, de artikelen 9.3.1.1 t/m 9.3.1.4 van de CPR-richtlijn 9-1, kan de controle op water achterwege worden gelaten bij opslag van waterhoudende schadelijke stoffen. A6 B6, B8 A7 B9 A8 B12 A10 B12 Indien de opslag 250 kg of minder is, hoeven B12 en B15 niet te worden opgenomen. A12 B12 A13 B12 A14 B13 Indien het minder risicovolle leidingen betreft kan met betrekking tot de inspectie ook een periode van 10 jaar worden opgenomen. A15 B14 A16 B12 B12 en B15 alleen opnemen indien van toepassing. A17 B12 Indien de totale oppervlakte 150 m2 of minder is, dan wel indien het gaat om een bestaande situatie kan worden volstaan met een aaneengesloten verharding. A19 B17, B18, B19 Met betrekking tot B17: indien aansluiting op de riolering niet mogelijk is, moet het afvalwater worden opgevangen in een vloeistofdichte bak en worden afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. A20 B20 A21 B16 A22 B16 Bijlage 10 BIJLAGE 10, REGELS VOOR GEDRAGINGEN IN MILIEUBESCHERMINGSGEBIEDEN A, REGELS INZAKE DE BESCHERMING VAN GRONDWATER MET HET OOG OP DE WATERWINNING Titel 1, Algemene bepalingen Bepaling 1.1 In dit onderdeel van de bijlage wordt verstaan onder: a. waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, verbodszone diepe boringen en gebieden tegen fysische bodemaantastingen: zones van milieubeschermingsgebied I, die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6; b. dierlijke of andere meststoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan bij of krachtens de Meststoffenwet, de Meststoffenwet 1947 of de Wet bodembescherming; c. compost, zwarte grond en zuiveringsslib: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen; d. bestrijdingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962; e. reconstrueren: het aanbrengen van wijzigingen op of aan een aanwezige weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico's voor de grondwaterkwaliteit; onder reconstrueren wordt niet verstaan het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden; f. bodemlozing: het definitief op of in de bodem brengen van vloeistoffen met het oog op de verwijdering daarvan; g. huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens en ander afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden. Bepaling 1.2 De verboden in dit onderdeel van deze bijlage gelden niet met betrekking tot inrichtingen en gedragingen: a. ten behoeve van aldaar winnende waterwinbedrijven mits redelijkerwijs noodzakelijk in het kader van de normale uitoefening van het bedrijf; b. verband houdende met (geologisch en/of hydrologisch) onderzoek ten behoeve van de grondwaterwinning voor de drinkwatervoorziening en de waterhuishouding; c. ten behoeve van het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht, goedkeuring of bevel hebben gegeven, dan wel een gedoogplicht hebben opgelegd. Titel 2, Waterwingebieden Paragraaf 2.1, Inrichtingen Bepaling 2.1.1 Het is verboden in waterwingebieden een inrichting als bedoeld in de bijlagen I, II en III, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, op te richten. Het is verboden in waterwingebieden een inrichting als bedoeld in het eerste lid te wijzigen of de werking daarvan te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering wat betreft aard en omvang nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Paragraaf 2.2, Gedragingen buiten inrichtingen Bepaling 2.2.1
  169. Het is verboden in waterwingebieden buiten inrichtingen: a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen; b. dierlijke of andere meststoffen op of in de bodem te brengen; c. constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken; d. begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging, alsmede dierenbegraafplaatsen of terreinen voor de uitstrooiing van as van gecremeerde dieren op te richten, te hebben of te gebruiken; e. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; f. de grond dieper te roeren dan 2 m onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de bodem kunnen aantasten; g. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen of te reconstrueren; h. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; i. een bouwwerk tot stand te brengen; j. een bodemlozing uit te voeren; k. ondergrondse, niet meer in gebruik zijnde tanks voor de opslag van aardolieproducten te hebben.
  170. Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden. Bepaling 2.2.2
  171. Het in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor: a. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; b. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; c. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen; d. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat.
  172. De in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder a, b, g, h en i gestelde verboden gelden niet voor zover deze gedragingen plaatsvinden in het kader van een door de desbetreffende waterleidingmaatschappij voor dat waterwingebied opgesteld en door gedeputeerde staten vastgesteld beheersplan.
  173. Het in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder c, gestelde verbod geldt niet voor openbare riolering. Bepaling 2.2.3 Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder a, c, f, g en i, gestelde verboden. Titel 3, Grondwaterbeschermingsgebieden Paragraaf 3.1, Inrichtingen Bepaling 3.1.1
  174. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage 10.A.1 van deze verordening opgenomen lijst.
  175. Gedeputeerde staten kunnen, op verzoek van burgemeester en wethouders, ten behoeve van experimenten gericht op het vergroten van kennis en inzicht, vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, voor zover aan de volgende onderdelen wordt voldaan: a. het experiment is nog niet eerder binnen de provincie Drenthe uitgevoerd; b. het experiment is zodanig onderbouwd en wordt zodanig uitgevoerd dat: - het risico van de inrichting, gelet op het beschermingsdoel, zoveel als mogelijk wordt beperkt, waarbij ten minste gebruik wordt gemaakt van de laatste wetenschappelijke inzichten, de beste technische (hulp)middelen en van voorzieningen van bewezen kwaliteit; - een adequate inspectie, monitoring en evaluatie worden uitgevoerd en de daarbij onder meer beschikbaar komende gegevens om niet ter beschikking worden gesteld aan gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders; - garanties worden gegeven dat de eventueel bij het experiment ontstane verontreiniging of aantasting ongedaan wordt gemaakt; c. de extra kosten als gevolg van het bepaalde in dit artikellid niet ten laste worden gebracht van de provincie of de desbetreffende gemeente. Bepaling 3.1.2 Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden de werking van: a. een inrichting als bedoeld in categorie 5 van bijlage I behorend bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, waarin de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen ondergronds plaatsvindt; b. een inrichting als bedoeld in de categorieën 1 tot en met 4 of 6 tot en met 29 van bijlage I behorend bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, waarbinnen zich een of meer ondergrondse tanks voor de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen bevinden; c. een inrichting als bedoeld in categorie 7 van bijlage I behorend bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, voor de opslag van dierlijke mest; d. een inrichting als bedoeld in de categorieën 1 tot en met 6 of 8 tot en met 29 van bijlage I behorend bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, waarbinnen zich een of meer opslagen van dierlijke mest bevinden; voor wat betreft de hiervoor genoemde opslagen te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering wat betreft aard of omvang nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Bepaling 3.1.3
  176. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt in werking te hebben, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage 10.A.1 van deze verordening opgenomen lijst.
  177. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt in werking te hebben, indien zich binnen die inrichting een of meer ondergrondse tanks voor de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen bevinden.
  178. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 6.1 door gedeputeerde staten zijn vastgesteld. Paragraaf 3.2, Gedragingen buiten inrichtingen Bepaling 3.2.1
  179. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden buiten inrichtingen: a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen; b. dierlijke of andere meststoffen op of in de bodem te brengen; c. constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken; d. begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging, alsmede dierenbegraafplaatsen of terreinen voor de uitstrooiing van as van gecremeerde dieren op te richten, te hebben of te gebruiken; e. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; f. de grond dieper te roeren dan 2 m onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de bodem kunnen aantasten; g. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover dit - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; h. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; i. een bouwwerk tot stand te brengen; j. een bodemlozing uit te voeren; k. ondergrondse, niet meer in gebruik zijnde tanks voor de opslag van aardolieproducten te hebben.
  180. Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden. Bepaling 3.2.2
  181. Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor: a. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; b. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; c. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen; d. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; e. het gebruik van krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 toegestane bestrijdingsmiddelen met uitzondering van: - die bestrijdingsmiddelen waarbij in de voor die bestrijdingsmiddelen afgegeven toelatingsbeschikking als bedoeld in artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen: "Het is verboden dit middel in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, te gebruiken"; - die bestrijdingsmiddelen waarbij in de voor die bestrijdingsmiddelen afgegeven toelatingsbeschikking als bedoeld in artikel 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 als wettelijk gebruiksvoorschrift is opgenomen dat het gebruik in bepaalde perioden, op bepaalde gronden of in bepaalde gewassen verboden is binnen grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in de Wet bodembescherming, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden, waar het gaat om toepassingen in die bepaalde perioden, op die bepaalde gronden of in die bepaalde gewassen.
  182. Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet: a. voor het normaal landbouwkundig gebruik van kunstmest; b. voor het gebruik van dierlijke meststoffen indien:
  183. de dierlijke meststoffen worden gebruikt in de periode van 1 februari tot 1 september daaropvolgend;
  184. niet meer wordt gebruikt dan overeenkomt met een hoeveelheid fosfaat uitgedrukt in P2O5 van 75 kg per ha per jaar op bouwland; c. voor meststoffen waarvoor een ontheffing dan wel een verklaring is afgegeven als bedoeld in artikel 4.4.
  185. De in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder g, gestelde verboden zijn voor wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover dit - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterwegen of spoorwegen, die op 1 januari 1989 bestonden of in aanleg waren, niet van toepassing voor zover het de toestand betreft waarin zij op die datum verkeerden.
  186. De in bepaling 3.2.1, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 6.1 door gedeputeerde staten zijn vastgesteld. Bepaling 3.2.3
  187. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder a, b, c, e, f, g, h, i en k gestelde verboden.
  188. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in bepaling 3.2.1., eerste lid, onder j, gestelde verbod indien het gaat om een bodemlozing van gezuiverd huishoudelijk afvalwater voor een perceel waarvoor burgemeester en wethouders ontheffing van de zorgplicht afvalwater, als bedoeld in artikel 10.1

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.