← Nederland

Besluit van Provinciale Staten van Utrecht van 12 december 2016, nummer PS2016RGW12 tot vaststelling van de Verordening Natuur en Landschap provincie

Kort samengevat

Deze verordening stelt nadere regels vast ter uitvoering van de Wet natuurbescherming in de provincie Utrecht, met als doel de bescherming van landschapskwaliteit, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Besluit van Provinciale Staten van Utrecht van 12 december 2016, nummer PS2016RGW12 tot vaststelling van de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht

  1. (Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017)Provinciale Staten van Utrecht; Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 1 november 2016, afdeling FLO, nummer 819E06E9; Gelet op artikel 145 van de Provinciewet; Gelet op de artikelen 2.9, derde lid, 3.3, tweede lid, 3.8, tweede lid, 3.9, tweede lid, 3.10, tweede lid, 3.12, negende lid, 3.14, tweede lid, 3.15, vierde lid, 3.25, eerste, tweede en vierde lid, 3.26, derde lid, 3.34, derde lid, 4.2, tweede lid, 4.3, derde lid en artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming; Overwegende dat het wenselijk is nadere regels te stellen ter uitvoering van de Wet natuurbescherming; Overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ter bescherming van de kwaliteit van het landschap, de natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden in de provincie Utrecht; Besluiten de volgende verordening vast te stellen: HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging het Interprovinciaal Overleg; b. boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een oppervlakte van ten minste 5 hectare; c. de wet: de Wet natuurbescherming; d. faunabeheereenheid: faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; e. faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; f. jacht: jacht als bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, van de wet; g. natuurlijke verjonging: het op natuurlijke wijze ontstaan van een bosbouwkundig verantwoorde houtopstand; h. taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12; i. wildbeheereenheid: wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet. HOOFDSTUK2NATURA 2000 GEBIEDEN Artikel2Vrijstelling beweiden en bemesten Het verbod bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op de volgende handelingen: het weiden van vee; het op of in de bodem brengen van meststoffen. HOOFDSTUK3FAUNABEHEER EN TEGEMOETKOMINGEN IN DE SCHADE Paragraaf3.1Faunabeheereenheid Artikel3.1.1.Eisen aan de faunabeheereenheid Er is één faunabeheereenheid waarvan het werkgebied zicht uitstrekt tot de provincie Utrecht. De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht vormen tenminste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid. Artikel3.1.2.Samenstelling bestuur In het bestuur van de faunabeheereenheid worden de bestuurszetels als volgt ingevuld: één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de landbouw; één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de jacht; één bestuurszetel, door een vertegenwoordiger vanuit het particulier grondbezit; één bestuurszetel door Staatsbosbeheer, en twee bestuurszetels door maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Utrecht. Tenminste één van de bestuurszetels als bedoeld in het eerste lid, laatste gedachtestreepje, wordt ingevuld door een organisatie die zich tot doel heeft gesteld het dierenwelzijn of het milieu te beschermen en te bevorderen. Elke organisatie, als bedoeld in het eerste lid, kan één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel. De organisaties als bedoeld in het eerste lid kunnen, in onderling overleg, een vertegenwoordiger voordragen die namens meerdere van deze organisaties deelneemt aan het bestuur van de faunabeheereenheid. Het bestuur van de faunabeheereenheid heeft een onafhankelijke voorzitter. De voorzitter als bedoeld in het vierde lid: heeft geen dienstverband bij één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen; is geen bestuurslid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen; en is niet in het bezit van een jachtakte. Artikel3.1.3Procedure uitbreiding bestuur De organisaties of jachthouders, als bedoeld in artikel 3.1.2, eerste lid, dragen op verzoek van de voorzitter schriftelijk een kandidaat voor, voor het bestuur van de faunabeheereenheid. Indien meer kandidaten worden voordragen dan er bestuurszetels zijn, selecteert de voorzitter de meest geschikte kandidaten. Artikel3.1.4Werkzaamheden De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor: de coördinatie van de uitvoering van het door haar vastgestelde faunabeheerplan; de informatievoorziening aan de leden van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over tenminste de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen en actuele ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer; en het opstellen van telprotocollen ten behoeve van trendtellingen als bedoeld in artikel 3.3.3, tweede lid, van deze regeling. De faunabeheereenheid adviseert Gedeputeerde Staten over aangelegenheden inzake faunabeheer. Besluitvorming door het bestuur geschiedt bij gewone meerderheid van stemmen, waarbij iedere in het bestuur vertegenwoordigde organisatie één stem heeft. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag. De faunabeheereenheid kan in haar statuten opnemen dat met betrekking tot bepaalde specifiek genoemde onderwerpen besluitvorming dient plaats te vinden bij een gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Artikel3.1.5Verslaglegging Het jaarlijkse verslag, als bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens: Cijfermatige rapportages over de uitvoering van de vrijstellingen, opdrachten en ontheffingen op basis van paragraaf 3.4 van de wet en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort, naar wildbeheereenheid; Rapportages van de toepassing van preventieve en alternatieve middelen ten aanzien van het voorkomen van schade; en Cijfermatige rapportages over de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen, het aantal gedode dieren, onderscheiden naar wildsoort. Het verslag als bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk op 1 mei van het daaropvolgende kalenderjaar aan Gedeputeerde Staten verstrekt. Het verslag als bedoeld in het eerste lid, wordt door de faunabeheereenheid tevens op een openbaar toegankelijke website geplaatst. Paragraaf3.2Faunabeheerplan Artikel3.2.1Faunabeheerplan, algemeen Voor het werkgebied van de faunabeheereenheid stelt de faunabeheereenheid één faunabeheerplan op. Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren. De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het tijdvak waarvoor het is vastgesteld. Een - gewijzigd - faunabeheerplan, als bedoeld in het eerste en derde lid, behoeft goedkeuring van Gedeputeerde Staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.12, zevende lid, van de wet. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal 1 jaar verlengen. Artikel3.2.2Faunabeheerplan, inhoud Het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.2.1, omvat minimaal de volgende gegevens: een topografische kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven; kwantitatieve gegevens over de in het wild levende dieren, binnen de provincie Utrecht, waarop het faunabeheerplan van toepassing is over een periode van minimaal 6 jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, alsmede een beschrijving van de trend van deze soorten over deze periode, binnen de provincie Utrecht alsmede landelijk; een beschrijving van de aanwezigheid van de betreffende diersoorten gedurende het jaar; een beschrijving van passende en doeltreffende maatregelen welke kunnen worden ingezet om schade aan de in de wet genoemde belangen te voorkomen; een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van de schade als bedoeld onder d is gewaarborgd; een overzicht per diersoort, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden, van de op basis van de toepasselijke vrijstellingen, ontheffingen, opdrachten en bij de uitoefening van de jacht gedode dieren en geraapte en onklaar gemaakte eieren in de periode van minimaal 6 jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft; een omschrijving van de wijze waarop geborgd wordt dat de te treffen maatregelen de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft niet negatief beïnvloeden; en Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in een faunabeheerplan op te nemen gegevens. Artikel3.2.3Beheer en schadebestrijding Onverminderd het bepaalde in artikel 3.2.2 van deze verordening, bevat het faunabeheerplan inzake beheer en schadebestrijding van diersoorten minimaal de volgende gegevens: per diersoort en gewas een beschrijving van de schade in, minimaal, de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden; per diersoort een beschrijving van de handelingen die in, minimaal, de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, zijn verricht om schade te voorkomen of beperken, alsmede, voorzover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van deze handelingen; per diersoort een topografische kaart waarop is aangegeven waar zich, in, minimaal, de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, gevallen van belangrijke schade hebben voorgedaan en waar in het kader van beheer- en schadebestrijding bestrijdingsacties hebben plaatsgevonden; per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van handelingen ter voorkoming of beperking van schade, alsmede een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin deze handelingen plaats dienen te vinden; een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen handelingen en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze handelingen zal worden bepaald; de gewenste stand van de diersoorten waarvoor populatiebeheer wordt voorgestaan; en voorzover het faunabeheerplan betrekking heeft op het populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen: een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen. Artikel3.2.4Jacht Het faunabeheerplan bevat inzake de jacht minimaal de volgende gegevens: een beschrijving van de samenhang tussen de jacht op de wildsoorten, het beheren van de populaties van deze soorten en het bestrijden van schade door deze soorten; een omschrijving van de redelijke wildstand, als bedoeld in artikel 3.20, derde lid, van de wet alsmede een onderbouwing van de wijze waarop de jacht hieraan zal bijdragen; en een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, per wildbeheereenheid, in de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft. Artikel3.2.5Eisen goedkeuring Om voor goedkeuring, als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de wet in aanmerking te komen voldoet het faunabeheerplan aan de eisen gesteld in de artikelen 3.2.1 tot en met 3.2.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.2.1, derde lid. Paragraaf3.3Wildbeheereenheden Artikel3.3.1Rechtsvorm Een wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Artikel3.3.2Oppervlakte en begrenzing Het werkgebied van de gezamenlijke wildbeheereenheden strekt zich uit tot de totale provincie Utrecht. Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een aaneengesloten oppervlakte van tenminste 5000 hectare; Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot het grondgebied van andere provincies; Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt; De begrenzing van een wildbeheereenheid wordt door de desbetreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een topografische kaart; Een wildbeheereenheid kan, in overeenstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen; De betrokken wildbeheereenheden informeren Gedeputeerde Staten schriftelijk indien sprake is van het wijzigen van een begrenzing zoals bedoeld in het vijfde lid; Door de faunabeheereenheid wordt de begrenzing van het werkgebied van de wildbeheereenheden bekendgemaakt op haar website. Artikel3.3.3Werkzaamheden Het secretariaat van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane handelingen, regelgevende en ecologische feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer. De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied de trendtellingen van diersoorten ten behoeve van het Faunabeheerplan. De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied de verstrekking van de resultaten van de trendtellingen als bedoeld in het tweede lid, alsmede van gegevens als bedoeld in artikel 3.2.4, onder c aan de faunabeheereenheid Artikel3.3.4Lidmaatschap Jachthouders in het bezit van een jachtakte met een jachtveld dat met het geweer of jachtvogel bejaagbaar is en is gelegen in het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, zijn aangesloten bij de betreffende wildbeheereenheid. Lidmaatschap van een wildbeheereenheid staat ook open voor grondgebruikers. Aan lidmaatschap van een wildbeheereenheid worden alleen eisen gesteld welke dienen aan de uitvoering van het Faunabeheerplan. De wildbeheereenheid houdt een actueel register bij van aangesloten leden. Artikel3.3.5Uitzondering lidmaatschap Het bepaalde in artikel 3.3.4, eerste lid, is niet van toepassing op medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten en de Stichting het Utrechts Landschap, voor zover de betreffende medewerkers uit hoofde van de genoemde organisaties uitvoering geven aan de bevoegdheden op basis van de wet. Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover de betreffende organisaties deel uitmaken van het bestuur van de faunabeheereenheid. Het bepaalde in artikel 3.3.4, eerste lid, is niet van toepassing op medewerkers van het Ganzenbeheerteam Utrecht en op medewerkers van, in opdracht van de faunabeheereenheid of Gedeputeerde Staten, handelende professionele schadebestrijders. Artikel3.3.6Geschillen lidmaatschap Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer het lid bij de uitvoering van handelingen als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, tweede volzin, van de wet handelt in strijd met de aan deze handelingen verbonden voorschriften, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid. In de statuten van de wildbeheereenheden wordt hiervoor een regeling getroffen. Door de gezamenlijke wildbeheereenheden wordt, in overeenstemming met het bestuur van de faunabeheereenheid en Gedeputeerde staten, een geschillenregeling vastgesteld voor geschillen die betrekking hebben op het lidmaatschap van een wildbeheereenheid. Geschillen als bedoeld in het tweede lid worden voorgelegd aan een geschillencommissie, welke bestaat uit een vertegenwoordiger namens: het bestuur van de desbetreffende wildbeheereenheid; het bestuur van de faunabeheereenheid; Gedeputeerde Staten. Paragraaf3.4Vrijstelling provinciale schadesoorten Artikel3.4.1 Als soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de wet worden aangewezen de soorten genoemd in bijlage I bij deze regeling. Artikel3.4.2 In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, eerste tot en met vijfde lid, van de wet is het aan grondgebruikers toegestaan om de in bijlage I genoemde schadeveroorzakende dieren opzettelijk te doden op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hen gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.5, tweede lid, van de wet is het aan grondgebruikers toegestaan om Brandganzen opzettelijk te verstoren op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hen gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de wet is het aan grondgebruikers toegestaan om Veldmuizen te vangen en opzettelijk te doden, alsmede de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van deze soort te beschadigen en vernielen, op de door hen gebruikte gronden, ter voorkoming van dreigende schade op deze gronden of in het omringende gebied. De in het eerste tot en met derde lid genoemde vrijstellingen gelden ten behoeve van de in bijlage I bij de betreffende soort genoemde belangen, voor het hierin genoemde gebied, onder gebruik van de hierin genoemde middelen en onder de hierin genoemde voorschriften en beperkingen. Handelingen als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden verricht overeenkomstig het Faunabeheerplan. De grondgebruiker die de vrijstelling, als bedoeld in het eerste en tweede lid, uitoefent, danwel in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de wet, door een ander laat uitoefenen, rapporteert de resultaten hiervan uiterlijk twee weken na uitvoering van een actie, middels een hiervoor door Gedeputeerde Staten aangewezen elektronisch registratiesysteem. De grondgebruiker die de vrijstelling, als bedoeld in het derde lid, uitoefent doet hiervan melding bij Gedeputeerde Staten middels het sturen van een email aan emailadres Wet.Natuurbescherming@provincie-utrecht.nl. Indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de wet de vrijstelling, als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, door een ander laat uitoefenen draagt deze persoon de schriftelijke en gedagtekende toestemming van de grondgebruiker bij zich en geeft deze op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage. Artikel3.4.3 Gedeputeerde Staten kunnen de werking van deze paragraaf opschorten indien weersomstandigheden daartoe naar hun oordeel aanleiding geven. Paragraaf3.5Overige vrijstellingen beschermde soorten Artikel3.5.1Vrijstelling overige beschermde soorten Onverminderd het bepaalde in artikel 3.10, derde lid, en 3.31, eerste lid, van de wet gelden de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, niet voor soorten genoemd in bijlage II bij deze regeling ten aanzien van handelingen genoemd in artikel 3.10, tweede lid van de wet, onderdelen a, d, e, f en g. De vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, geldt slechts voorzover er voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in redelijkheid alles wordt verricht of gelaten om te voorkomen dat de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, worden overtreden. Artikel3.5.2Vrijstelling bezit- en handelsverboden Onverminderd artikel 3.16 van de Regeling natuurbescherming gelden de verboden, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, en artikel 3.6, tweede lid, van de wet, niet indien hiervoor overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wet, een vrijstelling of ontheffing is verleend door een ander bevoegd gezag. Artikel3.5.3Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden De verboden, bedoeld in artikel 3.1, tweede tot en met vierde lid, van de wet, gelden niet ten behoeve van activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van vogels, hun nesten en eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee. Artikel3.5.4Veiligstelling amfibieën ter vrijstelling tegen verkeer De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid, van de wet, het verbod om dieren onder zich te hebben of te vervoeren, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van de wet, alsmede het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid van de wet, gelden niet ten aanzien van amfibieën indien de betrokken handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer. De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats. Artikel3.5.5Vangen amfibieën ten behoeve van onderzoek en onderwijs In afwijking vanhet bepaalde in artikel 3.5, eerste lid, en artikel 3.6, eerste en tweede lid, van de wet natuurbescherming, gelden de verboden op het vangen, onder zich hebben en vervoeren, alsmede het verbod op rapen van eieren niet ten aanzien de Poelkikker (Rana lessonae), voor zover dit geschiedt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de wet is, het vangen van de Meerkikker (Rana ridibunda), de Middelste groene kikker (Rana kl. esculenta), de Bruine kikker (Rana temporaria) en de Gewone pad (Bufo bufo) toegestaan voor zover dit geschiedt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs. De vrijstellingen in het eerste en tweede lid gelden niet ten aanzien van dieren waarvan de metamorfose is voltooid. Artikel3.5.6Vrijstelling bezits- en vervoersverbod braakballen, losse veren e.d. De verboden op het vervoeren en onder zich hebben, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid en artikel 3.6, tweede lid, van de wet gelden niet ten aanzien van keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot als het vervoer of het onder zich hebben geschiedt met het oog op gebruik van deze producten bij onderzoek of onderwijs. Artikel3.5.7Vrijstelling uitzetten diersoorten Voor zover, op basis van deze paragraaf soorten gevangen zijn wordt vrijstelling verleend van het bepaalde in artikel 3.34, eerste lid, van de wet. Het uitzetten van soorten of hun eieren vindt zo spoedig mogelijk plaats op een voor de soort geschikte locatie. Paragraaf3.6Tegemoetkomingen in de schade Artikel3.6.1Aanvraag om tegemoetkoming Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de wet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen, nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd. Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Artikel3.6.2Taxatie van de schade De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur. Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ
  3. HOOFDSTUK4HOUTOPSTANDEN Paragraaf4.1Melding Artikel4.1.1Het indienen van een melding Een melding van het vellen of doen vellen van houtopstanden, als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, wordt niet anders gedaan dan middels het door Gedeputeerde Staten daartoe beschikbaar gestelde formulier. Een melding wordt ten minste 4 weken en ten hoogste 1 jaar voorafgaand aan de velling gedaan. Ter voldoening aan de meldingsplicht als bedoeld in het eerste lid stelt de melder in ieder geval de volgende gegevens ter beschikking aan Gedeputeerde Staten: NAW-gegevens, contactgegevens en indien van toepassing bedrijfsgegevens van de melder, en, indien die niet tevens de eigenaar van de grond met de houtopstand is, ook van de eigenaar; gegevens over de te kappen houtopstand: locatie (waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 en de kadastrale gegevens), oppervlakte van de velling (in are), de boomsoort, de leeftijd, en, voor zover het rijbeplantingen betreft, het aantal bomen; en de reden van velling. Artikel4.1.2Vrijstelling meldingsplicht De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van de verplichting tot melden als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet: het maken van verjongingsgaten, indien: deze niet groter zijn dan anderhalf maal de gemiddelde boomhoogte per perceel, met een maximale oppervlakte van 10 are; deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel; dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt op dezelfde locatie, en dit plaatsvindt ten behoeve van duurzaam bosbeheer. het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurherstel, indien de te verwijderen houtopstand: ontstaan is als gevolg van spontane boomopslag op natuurterreinen of geregistreerde tijdelijke natuur; niet ouder dan 20 jaar is; en niet diende ter compensatie van een herbeplantingsverplichting. Paragraaf4.2Herbeplanting Artikel4.2.1Eisen aan herbeplantingen Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting, als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van de wet voldoet in elk geval aan de volgende eisen: De oppervlakte van de herplant is tenminste even groot als de gevelde oppervlakte; Herplant vindt plaats door het aanplanten van voldoende vitaal plantmateriaal of door natuurlijke verjonging; De nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand, gericht op houtproductie, natuur, landschap, cultuurhistorie of beleving; De nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 jaar een kronendak met een bedekkingsgraad van tenminste 60 % vormen; De herplant kan op termijn tenminste gelijkwaardige ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen; Naast boomsoorten zijn alleen inheemse struiksoorten toegestaan, en Herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade kunnen toebrengen aan de voor dit gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen. Artikel4.2.2Eisen aan herbeplanting op andere grond Herbeplanting op andere grond, zoals bedoeld in artikel 4.5, eerste en tweede lid, van de wet voldoet aan de volgende vereisten: de grond is vrij van houtopstand en van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de wet; het gebruik van de grond past binnen bestaand natuur- en landschapsbeleid van de provincie en de gemeenten binnen de provincie Utrecht; de grond is vrij van compensatieverplichtingen; er zijn geen wettelijke voorschriften die de herbeplanting in de weg staat; de aan te brengen herbeplanting binnen drie jaar wordt gedaan nadat de verplichting tot herbeplanting ontstaat; er is een beplantingsplan opgesteld en ingediend, en de herbeplanting voldoet aan het bepaalde in artikel 4.2.1 van deze regeling. Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting op andere grond, als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet kan bestaan uit een toeslag in oppervlakte die is afgeleid van de natuurkwaliteit, de hersteltijd van de gevelde houtopstand en de ruimtelijke samenhang. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid. Artikel 4.2.3 Vrijstelling herbeplantingsplicht Van de verplichting tot herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet is vrijgesteld, het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurherstel, als bedoeld in artikel 4.1.2, aanhef en onder b, van deze regeling. HOOFDSTUK5BESCHERMING VAN LANDSCHAPPELIJKE, NATUURWETENSCHAPPELIJKE, CULTUURHISTORISCHE EN ARCHEOLOGISCHE WAARDEN Paragraaf5.1Algemene bepalingen Artikel 5.1.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder agrarisch bedrijf: bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. bebouwde kom: gebied dat door Gedeputeerde Staten als zodanig is aangewezen op grond van artikel 27 van de Wegenwet. baggerspecie: materiaal, dat is vrijgekomen uit de bodem van een oppervlaktewater, of de voor dat water bestemde ruimten en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm, organische stof in een verhouding en met een structuur, zoals deze van nature in de bodem wordt aangetroffen, evenals van nature in de bodem aanwezige schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot en met 63 mm. bedrijfshaven: als zodanig in een onherroepelijk bestemmingsplan bestemde haven; beschermd klein landschapselement: onderdeel van een klein landschapselement dat als beschermwaardig is opgenomen op de waardenkaart kleine landschapselementen. boatsaver: drijvende of vaste constructie met geringe hoogte boven een wateroppervlak bestemd ter bescherming van een vaartuig tegen weersinvloeden. bord: opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of een combinatie daarvan, op of tegen een bouwwerk aangebracht, dan wel vrijstaand, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag-, bevestigings- en/of steunconstructies. bouwperceel: een aaneengesloten terreinoppervlak, waar krachtens het geldende bestemmingsplan een zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. dempen: geheel of gedeeltelijk dichtgooien en/of dichtgegooid houden van wateren of tijdelijk drooggevallen wateren, zoals sloten, greppels, slenken, wielen en sleuven. egaliseren: vlak of gelijk maken, nivelleren of vereffenen van de bodem. erf: tuin of onbebouwd terrein behorend bij een woning, bij de woningen op de begane grond van een wooncomplex, dan wel bij een overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften aanwezige zomerwoning, woonwagen, of woonschip. Tot het erf wordt in principe ook de ten opzichte van het erf meest nabije oever gerekend, die door een openbare weg en/of een ander perceel van dat erf gescheiden wordt, tenzij het aan de openbare weg, dan wel het aan het andere perceel grenzende deel van het erf het karakter van een uit-, of inrit, of oprijlaan heeft, of het scheidende perceel een agrarische, natuur- of industriële bestemming heeft. goothoogte: verticale afstand vanaf de waterspiegel tot de snijlijn tussen het dakvlak en een verticaal gevelvlak. informatiezuil: opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, aangebracht op, dan wel gedragen door een zuilvormige constructie. insteekhaven: kleine, in een particulier terrein uitgegraven haven, die bedoeld en geschikt is als ligplaats voor een vaartuig. jachthaven: als zodanig in een onherroepelijk bestemmingsplan bestemde haven; klein landschapselement: qua oppervlakte of volume beperkte groene component in het landschap, die bijdraagt aan de opbouw, structuur, invulling, identiteit en belevingswaarde van dat landschap, en die niet onder hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming valt. kunstuiting: object, dan wel een bord, informatiezuil, spandoek of vlag, dat zoals blijkt uit de plaatsingsgeschiedenis kennelijk bedoeld is als locatiegebonden artistiek expressiemiddel en niet als drager van een commerciële, of reclameboodschap. maaiveld: gemiddelde hoogte van de vaste bodem op een locatie, zoals vastgelegd in het Actueel hoogtebestand Nederland (AHN). object: ruimtelijk element of constructie, niet zijnde een bord, informatiezuil, spandoek of vlag. ophogen: storten ten behoeve van het tijdelijk of definitief ophogen van de bodem. partyschip: vaartuig gebruikt als commercieel passagierschip voor het houden van feesten en partijen, al dan niet in combinatie met rondvaarten gedurende meerdere uren. plat dak: dak met een verticale hellingshoek van het dakvlak van ten hoogste 3 graden. reclameobject: object, dat gebruikt wordt voor reclamedoeleinden. rode contour: begrenzing van het stedelijk gebied zoals deze is aangewezen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening, herijking 2016, en waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Wonen en werken. rommelterrein: een terrein dat zich buiten het erf of buiten een in het bestemmingsplan aangewezen bedrijfsbestemming bevindt, dat gebruikt wordt voor het al dan niet geordend bewaren of opslaan van voorwerpen, materieel, apparaten, goederen of, al dan niet los gestort, materiaal. spandoek: opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, enkel- of tweezijdig aangebracht op doek, plastic of een ander als spandoek te gebruiken materiaal, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag- bevestigings- en/of steunconstructies. steiger: drijvende of boven water aangebrachte constructie waarop gelopen kan worden, bedoeld om vaartuigen aan af te meren. storten: op of in de bodem brengen van stoffen om ze daar langdurig of permanent te laten. stortplaats: locatie, waar gestort, gedempt, opgehoogd of geëgaliseerd wordt. takhout: takken en boomstammen met een grootste diameter van maximaal 8 cm, dat vrijkomt bij reguliere snoei- en dunningswerkzaamheden in houtopstanden. vaartuig: voorwerp of constructie, gereed of in aanbouw, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd of ingericht voor het vervoer over water van personen of goederen. vellen: kappen, rooien of verplanten van een houtopstand, met inbegrip van kandelaberen en snoeien voor zover dat meer dan 20 % van de kroon of het wortelgestel betreft, alsmede andere handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging en/of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. vlag: opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of combinatie daarvan, enkel- of tweezijdig aangebracht op doek, plastic of een ander als vlag te gebruiken materiaal, samen met de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag- bevestigings- en/of steunconstructies. voet: overgang van het maaiveld naar een op dat maaiveld geplaatste constructie, depot, wal of grondlichaam. waardenkaart: topografische kaart waarop de locaties van krachtens deze verordening beschermde elementen zijn ingetekend, met de bijbehorende beschrijving. waterscoutinglocatie: als zodanig in een onherroepelijk bestemmingsplan bestemde locatie. woonschip: vaartuig, dan wel in of op het water geplaatst voorwerp, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt als dag- of nachtverblijf van een of meer personen, dan wel, te oordelen naar zijn constructie, inrichting of getroffen voorzieningen daartoe uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is. Artikel5.1.2Toepassingsgebied bescherming landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Dit hoofdstuk is van toepassing op het grondgebied van de provincie Utrecht, voor zover dit zich bevindt: buiten een rode contour; dan wel een bebouwde kom op het moment van vaststelling van de verordening, die buiten een rode contour gelegen is zoals aangegeven op de kaart in bijlage III. Voor de toepassing van het voorgaande lid worden drijvende voorwerpen, vaartuigen en woonschepen binnen de provincie, waarvan de aanlegplaats of de afmeervoorziening zich geheel of gedeeltelijk bevindt op of aan een oever binnen de aangegeven grens, geacht zich binnen die grens te bevinden. Als de oever met de aanlegplaats of afmeervoorziening zich buiten de aangegeven grens bevindt, wordt ook het drijvende voorwerp, het vaartuig, dan wel het woonschip geacht zich buiten die grens te bevinden. Deze verordening is niet van toepassing op drijvende voorwerpen, vaartuigen en woonschepen, die zich geheel buiten de provinciegrens bevinden, ook niet als de bijbehorende aanlegplaats of afmeervoorziening geheel of gedeeltelijk binnen de provinciegrens ligt. In dat laatste geval is de verordening wel van toepassing op de aanlegplaats of afmeervoorzieningen. Artikel 5.1.3 Beleidsplan en waardenkaarten Provinciale Staten stellen ter bescherming van de kwaliteit van het landschap en de natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden in de provincie een of meer beleidsplannen op het gebied van natuur en landschap vast. Tenminste eenmaal in de vier jaar besluiten Provinciale Staten of een plan, of de plannen, worden herzien. Op de voorbereiding van het plan en wijzigingen daarvan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met betrekking tot de paragrafen 5.3 en 5.5 van deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten bij wijze van beleidsregel, of als onderdeel daarvan, waardenkaarten vaststellen en wijzigen. Artikel5.1.4Waardenkaart kleine landschapselementen Gedeputeerde Staten kunnen besluiten kleine landschapselementen op een waardenkaart te plaatsen; Een waardenkaart, met betrekking tot beschermde kleine landschapselementen bevat in ieder geval: een indeling op punt-, lijn-, of vlakelementen; een legenda met toelichting; een overzichtslijst, een foto en een redengevende omschrijving per element. In het geval van een zwaarwegend maatschappelijk belang kunnen Gedeputeerde Staten besluiten kleine landschapselementen van de kaart te verwijderen. Paragraaf5.2Borden, vlaggen, spandoeken en objecten Artikel5.2.1Verbod Het is verboden om borden, vlaggen, spandoeken, informatiezuilen en objecten, in welke vorm ook, te plaatsen, doen plaatsen, aan te brengen, of geplaatst, dan wel aangebracht te houden, of als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing op, aan of tegen die onroerende zaak toe te staan of te gedogen. Artikel5.2.2Algemene vrijstellingen Het verbod bedoeld in artikel 5.2.1, geldt niet voor: borden waarvoor in de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Utrecht algemene regels zijn opgenomen; borden, vlaggen, spandoeken, informatiezuilen of objecten, die niet zichtbaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats; borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen of objecten, die zich in het inwendige deel van een onroerende zaak bevinden en kunstuitingen. Artikel5.2.3Specifieke vrijstellingen Het in artikel 5.2.1 bedoelde verbod geldt niet: voor één of meer plat tegen de gevel geplaatste borden en spandoeken, dan wel één direct voor een gebouw geplaatst bord, die uitsluitend betrekking hebben op een beroep, bedrijf of dienst, niet zijnde de levering van motorbrandstoffen, uitgeoefend of verleend in het daarvoor als zodanig bestemde gebouw, mits zij: zich bevinden op het betreffende erf of bouwperceel niet boven de goot- of dakrand uitsteken, en het oppervlak van het direct voor het gebouw geplaatste bord maximaal 2 m2 bedraagt. voor maximaal vier vlaggen, die uitsluitend betrekking hebben op een beroep, bedrijf of dienst, niet zijnde de levering van motorbrandstoffen, uitgeoefend in een daarvoor als zodanig bestemd gebouw, mits de vlaggen: direct voor of tegen het gebouw zijn aangebracht, en ieder een oppervlak hebben van maximaal 6 m2, en een maximale hoogte boven maaiveld hebben van 6 m, maar niet boven de nokhoogte van het gebouw uitsteken. voor één enkel-, tweezijdig, of sandwichbord bij een inrit, dat uitsluitend betrekking heeft op de gezamenlijke beroepen, bedrijven of diensten, niet zijnde de levering van motorbrandstoffen, uitgeoefend of verleend in een als zodanig bestemd gebouw op het door de inrit ontsloten perceel, mits: reguliere bewegwijzering als bedoeld in lid 7 door de betrokken wegbeheerder is uitgesloten, en het bord is geplaatst binnen 5 m van de inrit, en een maximale hoogte boven maaiveld heeft van 1,50 m, en een maximaal oppervlak heeft van 2 m2 óf twee borden met ieder een maximaal oppervlak van 0,5m2 waarbij de maximale hoogte boven maaiveld 1 meter is. voor de volgende borden en vlaggen met betrekking tot activiteiten van een verkooppunt van motorbrandstoffen: één brandstofprijzenbord in de directe nabijheid van het verkooppunt, mits dit niet hoger is dan 7,50 meter boven het maaiveld en een maximale breedte heeft van 2 m; vier vlaggen in de directe nabijheid van het verkooppunt, mits deze: zijn aangebracht voor of tegen het gebouw; ieder een oppervlakte heeft van maximaal 6 m2; en een maximale hoogte boven het maaiveld hebben van 6 m, maar niet boven de nokhoogte van het gebouw uitsteken; borden en spandoeken op het gebouw van het verkooppunt, mits deze: plat zijn bevestigd tegen de gevel van het gebouw; niet boven de goot- of dakrand uitsteken; en in totaal een oppervlakte van maximaal 9 m2 hebben; dakrandborden rondom de overkapping van de brandstofpompen met het logo van de brandstofleverancier, mits deze niet hoger zijn dan 1,50 meter. voor borden en informatiezuilen, die educatieve en/of geografische informatie bevatten over een gebied of bezienswaardigheid, mits: langs iedere weg door of langs het betreffende gebied niet meer dan twee borden met ieder een oppervlak van maximaal 2 m2 geplaatst zijn, met een maximale hoogte van 1,50 m boven maaiveld; er bij de toegang van de bezienswaardigheid niet meer dan twee borden en één informatiezuil zijn geplaatst en bij de uitgang niet meer dan één bord, waarbij de borden ieder een maximaal oppervlak hebben van 2 m2 en een maximale hoogte van 2,50 m boven maaiveld bij een maximale afmeting in horizontale richting van 1,50 m, en een informatiezuil een maximaal informatie-dragend oppervlak heeft van 6 m2 bij een maximale hoogte van 2,50 m boven maaiveld; en tevens maximaal 5 % van het totale oppervlak van een bord of een informatiezuil bestaat uit handels–, dan wel bedrijfsreclame, de vermelding van eventuele sponsors inbegrepen. voor borden, die informatie bevatten over terreinen, die specifiek gebruikt worden voor het opwekken van duurzame energie, zoals zonnevelden: één vrijstaand informatiebord van maximaal 12 m2, als het terrein tenminste een oppervlakte heeft van 1 ha, of één inritbord van maximaal 2 m2 en een maximale hoogte boven maaiveld heeft van 1,50 m, en een bord, dat voldoet aan de in lid 1 gestelde voorwaarden, tegen de gevel van een gebouw, als het terrein een oppervlakte heeft van minder dan 1 ha, waarbij van ieder onder a. of b. genoemd bord maximaal 5 % van het totale oppervlak bestaat uit handels-, dan wel bedrijfsreclame. voor opschriften op windmolens geldt, dat alleen de gondel mag worden voorzien van een reclame-uiting. voor borden langs een provinciale of gemeentelijke weg, die verwijzen naar een toeristische bezienswaardigheid, een toeristisch overstappunt, dan wel een beroep, bedrijf of dienst, uitgeoefend in of op een onroerende zaak in de nabijheid van die borden, mits deze borden geplaatst zijn door en/of volgens de voorschriften van de betrokken wegbeheerder en voldoen aan het model, dat opgenomen is in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, of de Richtlijn toeristische bewegwijzering, of de Richtlijn bewegwijzering. voor borden, die geplaatst zijn ten behoeve van recreatieve en toeristische bewegwijzering, mits de oppervlakte van een route-overzichtsbord maximaal 1,50 m2 bedraagt en van een andersoortig bord maximaal 0,20 m2, en de hoogte boven maaiveld maximaal 2,50 m bedraagt; maximaal 5 % van de zichtzijde bestaat uit handels-, dan wel bedrijfsreclame, de vermelding van eventuele sponsors inbegrepen, en zij feitelijk onderdeel uitmaken van de route. voor verkeersborden als bedoeld in artikel 4 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) en overige dynamische of statische informatie op borden, die een wegbeheerder op of aan de weg plaatst vanuit zijn zorgplicht voor de weg op basis van artikel 2 van de Wegenverkeerswet. voor borden behorend tot de verkeerstekens en verkeersaanwijzingen als bedoeld in de Scheepvaartverkeerswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten. voor aankondigingsborden met maximale afmetingen van 0,50 m bij 0,30 m geplaatst door de wegbeheerder aan of in de directe nabijheid van het gemeentebord ter aanduiding van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. voor maximaal twee borden op rotondes, geplaatst door de wegbeheerder om aan te geven dat het onderhoud van de rotonde gesponsord wordt, mits deze: een maximale lengte hebben van 0,50 meter, een maximale breedte van 0,30 meter en een maximale hoogte van 0,70 meter vanaf het maaiveld; of een maximale lengte hebben van 1,00 meter, een maximale breedte van 0,70 meter en een maximale hoogte van 0,70 meter vanaf het maaiveld mits de borden naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende landschappelijk zijn ingepast. voor borden, die zijn aangebracht ter voldoening aan een wettelijk voorschrift, mits de wettelijk voorgeschreven maten niet worden overschreden, dan wel, als er geen voorgeschreven maten zijn, het oppervlak ten hoogste 0,50 m2 bedraagt bij een maximale afmeting in één richting van 1,00 m. voor maximaal één bord of spandoek op of in de onmiddellijke nabijheid van een onroerende zaak, zijnde een woning of bedrijfspand, waarbij deze zaak te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden, mits het bord of spandoek een oppervlak heeft van maximaal 4 m2, een maximale lengte in één richting van 2 m en een maximale hoogte boven het maaiveld van 2,50 m. voor maximaal één bord per rijrichting en maximaal twee borden per wegwerk, die uitsluitend betrekking hebben op wegwerkzaamheden op de betrokken locatie, mits deze borden: niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt; bij autosnelwegen elk een oppervlak hebben van maximaal 12 m2 bij een maximale lengte in één richting van 4 m en een maximale hoogte boven maaiveld van 6 m; bij overige wegen elk een oppervlak hebben van maximaal 6 m2 bij een maximale lengte in één richting van 3 m en een maximale hoogte boven maaiveld van 5 m. voor maximaal één bord of spandoek, dat uitsluitend betrekking heeft op een in uitvoering zijnd bouwwerk, waterwerk of natuurontwikkelingsproject, mits het bord of spandoek: direct voor deze werklocatie of nabij op het betreffende terrein aanwezige bebouwing is geplaatst, en een oppervlak heeft van maximaal 6 m2 met een maximale afmeting in één richting van 3 m en een maximale hoogte boven maaiveld van 5 m, en niet gericht is op een autosnelweg. voor twee informatieborden langs en gericht op een autosnelweg bij een grote woningbouwlocatie, die alleen betrekking hebben op deze woningbouwlocatie, waarbij het oppervlak per bord maximaal 28 m2 bedraagt bij een maximale lengte in één richting van 7 m en een maximale hoogte boven maaiveld van 6 m. voor vlaggen, die zijn aangewezen als officiële binnenlandse en/of buitenlandse vlaggen, tenzij een van de vrijstellingen als bedoeld in de leden 2 en 4 van dit artikel al is benut. voor borden, spandoeken en objecten langs sportvelden en sportterreinen, die als zodanig zijn bestemd in het geldende bestemmingsplan, mits: het opschrift of de afbeelding naar het sportveld of sportterrein is gericht en een maximale hoogte heeft van 2 m boven maaiveld, en het sportterrein is omgeven door een afschermende beplantingsstrook, en overige borden, spandoeken en vlaggen in de nabijheid van een clubgebouw voldoen aan de eisen van de leden 1 en 2 van dit artikel. voor één bord inzake de verkoop van agrarische producten, mits: Het bord geplaatst is in de directe omgeving van het gebouw waar de producten verkocht worden, en Het bord een oppervlak heeft van maximaal 1 m2 bij een maximale lengte in één richting van 1,50 m en een maximale hoogte boven maaiveld van 2,50 m. voor seizoen- en perceelsgebonden borden, spandoeken en vlaggen inzake de tijdelijke verkoop van agrarische vollegrondsproducten op het oogstperceel, mits: de borden, spandoeken en vlaggen niet eerder zijn geplaatst dan één week voor de aanvang van de oogst en uiterlijk één week na afloop weer zijn verwijderd, en geplaatst zijn op het perceel van de verkoop in de onmiddellijke nabijheid van het onderkomen waar de productverkoop plaatsvindt, en het aantal niet groter is dan twee borden of spandoeken, dan wel één bord en één spandoek met ieder een oppervlakte van maximaal 2,50 m2 bij een maximale lengte in één richting van 1,50 m en een maximale hoogte boven maaiveld van 2,50 m, en maximaal twee vlaggen met ieder oppervlakte van 2 m
  4. voor borden, spandoeken en vlaggen, die uitsluitend betrekking hebben op de verkiezing van een openbaar bestuur, mits: deze niet eerder zijn geplaatst dan drie weken voor de verkiezingsdatum en uiterlijk drie dagen na die datum weer zijn verwijderd, en geen handelsreclame bevatten. voor maximaal twee borden op een erf in de nabijheid van een gebouw, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in van artikel 7 van de Grondwet, mits: deze borden geen bedrijfsreclame bevatten, en elk bord maximaal een oppervlak heeft van 1 m2 bij een maximale afmeting in één richting van 1 m en een maximale hoogte boven maaiveld van 2,50 m. voor borden, spandoeken en vlaggen, die zijn geplaatst in verband met een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling, mits: de borden, spandoeken en vlaggen niet behoren bij de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst; zij niet eerder dan drie weken voorafgaande aan de wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling zijn geplaatst en uiterlijk drie dagen na afloop worden verwijderd, en op de betreffende locatie niet meer dan twee borden of spandoeken en maximaal vier vlaggen zijn aangebracht, en niet meer dan twee borden of spandoeken zijn geplaatst bij invalswegen, met in acht name van de voorschriften van de betrokken wegbeheerder. Artikel5.2.4Algemene voorwaarden bij vrijstellingen De vrijstellingen in deze paragraaf gelden slechts voor zover de aanduidingen op de betreffende borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en objecten een feitelijke betekenis hebben; met uitzondering van kunstuitingen. De borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en objecten met inbegrip van hun dragende, ondersteunende en hulpconstructies dienen in goede staat van onderhoud te verkeren. De op grond van 5.2.2, onder a of d, vrijgestelde borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en objecten mogen niet verlicht zijn, tenzij de Provinciale Ruimtelijke Verordening anders bepaalt. De op grond van artikel 5.2.3 vrijgestelde borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en objecten mogen niet verlicht zijn, met uitzondering van die bedoeld in de leden 1, 2, 3, 4, 9, 10, 13, en 17 van dat artikel. Voor zover in het voorgaande lid verlichting is toegestaan, geldt dat: bij de borden, spandoeken en vlaggen, genoemd in de leden 1, 2, 3 en 4 de toestemming niet geldt tussen 23.00 u en 06.00 u, tenzij verlichting in die periode gelet op de openingstijden functioneel vereist is; er geen gebruik gemaakt mag worden van knipperende verlichting of continu bewegende belettering of beelden; er geen gebruik gemaakt mag worden van led-, of soortgelijke schermen, tenzij voldaan wordt aan de eisen van de richtlijn lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSV). Artikel5.2.5Wijze van meten De afmetingen van een bord of spandoek worden bepaald door de buitenomtrek met inbegrip van de onder- of achtergrond, dan wel draag- of steunconstructie, die kennelijk tot het bord behoort. Het oppervlak van een vlag en een informatiezuil wordt bepaald door de projectie van het totale oppervlak op een plat vlak. De hoogte boven het maaiveld wordt gemeten vanaf het hoogste punt van het bord, spandoek, vlag, informatiezuil of object tot aan het maaiveld. Dubbelzijdige borden gelden als één bord, tenzij elders in deze verordening anders bepaald is. Paragraaf5.3Storten, dempen, ophogen en rommelterreinen Artikel5.3.1Verboden Het is de eigenaar, of andere zakelijk gerechtigde, dan wel gebruiker van enige onroerende zaak verboden om buiten de inrichting, die als zodanig is bestemd in een geldend bestemmingsplan, op die onroerende zaak te storten, op te hogen, te egaliseren, een stortplaats in te richten, te hebben of te houden, dan wel wateren geheel of gedeeltelijk te dempen of gedempt te houden, alsmede dergelijke handelingen en de gevolgen daarvan toe te staan of te gedogen. Het is de eigenaar, of andere zakelijk gerechtigde, dan wel gebruiker van enige onroerende zaak verboden om buiten de inrichting, die als zodanig is bestemd in een geldend bestemmingsplan, op die onroerende zaak een rommelterrein in te richten, te hebben of te houden, dan wel de aanwezigheid daarvan te gedogen, tenzij dat rommelterrein in alle seizoenen niet zichtbaar is vanaf een voor het publiek zichtbare plaats. Artikel5.3.2Vrijstelling dempen De verboden gesteld in artikel 5.3.1 gelden niet voor dempen van wateren in de in bijlage IV aangegeven gebieden. Artikel5.3.3Overige vrijstellingen De verboden gesteld in artikel 5.3.1 gelden niet voor: Het storten, dempen, ophogen en egaliseren ten behoeve van de uitvoering of het onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang, mits de handelingen: plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek, of zijn aangewezen in een bestemmingsplan, en niet langer duren dan voor de uitvoering of het onderhoud noodzakelijk is. Het storten, dempen, ophogen of egaliseren op een in het bestemmingsplan aangewezen bouwperceel ten behoeve van onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden, voor zo lang als deze handelingen duren en de vrijgestelde activiteiten noodzakelijk zijn. Stortplaatsen, die als zodanig zijn aangewezen in een bestemmingsplan, of zich bevinden in gebouwen in de zin van de Woningwet. Het storten, ophogen en dempen in agrarische weide- en akkerpercelen, ten behoeve van rijpaden door die percelen. Daarnaast mag de onderlinge verbinding tussen deze percelen door middel van dammen met duikers ingericht worden, mits deze verbinding maximaal 5m breed is, gemeten in de lengterichting van het afgedamde water tussen de aansluitingen van de dam op de oorspronkelijke oever. Een stortplaats of rommelterrein op, of onmiddellijk grenzend aan een agrarisch bouwperceel, voor zover aantoonbaar noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering, mits het te storten of opgeslagen materiaal voortkomt uit het eigen agrarische productieproces, of bestemd is voor de verwerking in dat productieproces, en voor zover het materieel in dat proces benodigd is, waarbij rijkuilen, sleufsilo’s en hooi-/kuilgrasbalen moeten zijn afgedekt met, of gewikkeld in, plasticfolie. er niet meer dan één hoop grond van maximaal 50 m3 op het terrein ligt. Het storten, ophogen, dempen en egaliseren op basis van een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden op het perceel, waarop de vergunning betrekking heeft. Het storten van, ophogen met, en egaliseren van baggerspecie, vrijkomend uit normaal onderhoud van watergangen, mits: de baggerspecie gelijkmatig over de oever van een naast de watergang gelegen perceel wordt verspreid, waarbij aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen in stand worden gelaten; losse plantenresten boven aan het talud van de watergang worden neergelegd; het oorspronkelijke maaiveld met niet meer dan 10 cm wordt verhoogd, en de baggerspecie niet wordt gestort op slootkanten, die in agrarisch natuurbeheer zijn. Het storten van grond, heideplagsel en bosstrooisel ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk ophogen en egaliseren van agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen buiten het Natuurnetwerk Nederland en de groene contour, mits: de werkzaamheden tenminste 2 weken voor aanvang worden gemeld bij Gedeputeerde Staten door middel van een (digitaal) beschikbaar gesteld meldingsformulier en na aanvang binnen vier weken zijn afgerond, waarbij grond gestort wordt volgens het principe zand op zand, klei op klei en veen op veen, en bij het verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten, en tevens de opgehoogde percelen na inklinking van de opgebrachte laag niet meer dan 10 cm hoger liggen ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen. Het storten van bagger in een baggerdepot gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland en de groene contour, mits: het depot niet is, of wordt aangelegd op een locatie, die in de kwaliteitsgidsen landschap van de provincie Utrecht als open of extreem open is aangeduid; het depot voor inklinken maximaal 1,50 m hoog is ten opzichte van het laagste naastgelegen maaiveld; na inklinken de bagger en de om het depot opgeworpen kaden gelijkmatig worden verspreid tot 1 m uit de slootkant, waarbij de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen in stand worden gelaten; de kaden tenminste 2 m uit de slootkant worden aangelegd en zowel eind juni als in november gemaaid worden; en het perceel of de percelen, waarop het baggerdepot zich bevond, na ophogen, inklinken, verspreiden en egalisatie niet meer dan 10 cm hoger liggen dan het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen. Het storten van takhout ten behoeve van takkenwallen en takkenrillen, mits: de wallen en rillen worden aangelegd tegen de buitenrand van een houtopstand; het gebruikte takhout afkomstig is van die nabije houtopstand; daarmee aanwezige of potentiële natuurwaarden worden versterkt; de wallen en rillen aan de voet maximaal 1 m breed zijn en een maximale hoogte van 1,50 m hebben ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld en geen stobben of boomstronken bevatten. Het storten van grond en bagger, met inbegrip van blad, takken, stobben en boomstronken, ten behoeve van een takkenril, stobbewal en/of broeihoop met een maximale hoogte boven maaiveld van 1 m nabij een viaduct, ecoduct of faunapassage, dan wel de planmatige inrichting en ontwikkeling van natuurterreinen, of ecologische zones, onder verantwoordelijkheid van en met de gedocumenteerde instemming van de beheerder van het betrokken natuurterrein, dan wel de ecologische zone, mits: de ecologische meerwaarde vanuit provinciaal en/of gemeentelijk beleid kan worden aangetoond; het gestorte element onderdeel uitmaakt van een ecologische zone of daarbij aansluit; uitsluitend gebiedseigen materiaal wordt gebruikt. Het storten van grond ten behoeve van een wal of grondlichaam in tuinen, parken, landgoederen, of sportaccommodaties, mits: een aan de stortlocatie grenzend landschapstype daardoor niet wordt doorkruist of onderbroken, tenzij dit aanvaardbaar is vanuit cultuurhistorische overwegingen, bepaald door beleidsdocumenten; aanwezige bomen niet in het grondlichaam komen te staan; de wal of het grondlichaam wordt ingeplant met een gebiedseigen beplantingsmengsel, en de wal of het grondlichaam aan de voet maximaal 2 m breed is en een maximale hoogte heeft van 1m ten opzichte van het maaiveld. Paragraaf5.4Wateren Artikel5.4.1Toepassingsgebied wateren Onverminderd het bepaalde in artikel 5.1.2, eerste lid, is deze paragraaf 5.4 niet van toepassing op de gebieden die zijn aangegeven op de kaarten in Bijlage V, zijnde; in de gebieden, die in beheer zijn bij het Recreatieschap Vinkeveense Plassen, respectievelijk het Plassenschap Loosdrecht, en op woonschepen met een ligplaats in de woonarkenparken: De Dotterbloem aan de Bovendijk te Wilnis; De Waterlelie aan de Bovendijk te Wilnis; De Watertuin aan de Bovendijk te Wilnis; Bestevaer aan de A. Janssenweg te Baarn; De Horn aan de Horn te Baambrugge; De Vinkenslag aan de Schattekerkerweg te De Hoef; Mur aan de Demmerik 94 te Vinkeveen. AfdelingAWoonschepen Artikel5.4.2.Verboden Het is de eigenaar, bezitter, houder, gebruiker of zakelijk gerechtigde, van een woonschip verboden dat woonschip ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren of anderszins in het water te plaatsen, dan wel te hebben of te houden. Het is verboden om bij een woonschip een aanlegplaats en daarmee verband houdende oever- en afmeervoorzieningen te maken of te hebben, indien dit woonschip: in strijd met het verbod in het voorgaande lid is afgemeerd; is afgemeerd bij een ligplaats, die als knelpunt is aangemerkt; onderwerp is van een ontheffing, die met oeverbeleid is afgegeven, of aangewezen is op grond van 5.5.4, tweede lid. Artikel5.4.3Vrijstellingen Het in artikel 5.4.2, eerste lid, bedoelde verbod geldt niet voor: woonschepen bij lig- en aanlegplaatsen, die als zodanig in een bestemmingsplan zijn aangewezen, mits: de algemene regels ten aanzien van woonschepen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening in dat bestemmingsplan zijn verwerkt, dan wel, de woonschepen voldoen aan 5.5.4, zesde lid, onder a en b; één woonschip in een jacht- of bedrijfshaven, dat daar in gebruik is als verenigingsaccommodatie. De vrijstelling in het eerste lid geldt niet voor woonschepen, waarvoor een ontheffing is verleend op basis van een typen- of oeverbeleid, of waarvoor een ontheffing geldt met een verplaatsingsclausule, en voor woonschepen aan wisselligplaatsen. Artikel5.4.4Ontheffingen Ontheffingen van het verbod in artikel 5.4.2, eerste lid, kunnen alleen verleend worden voor woonschepen op ligplaatsen, waarvoor op de datum van het inwerking treden van deze verordening al een ontheffing geldt krachtens de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 of de landschapsverordening provincie Utrecht 2011 en voor woonschepen op ligplaatsen, die als zodanig in een bestemmingsplan zijn aangewezen. Gedeputeerde Staten kunnen ligplaatsen aanwijzen, waarvoor na afloop van een geldende ontheffing geen nieuwe ontheffing meer zal worden verleend aan dezelfde of een andere ontheffingshouder, dan wel met betrekking tot hetzelfde of een ander woonschip. Onverlet het bepaalde in het eerste lid kunnen ontheffingen worden verleend met toepassing van een typen- of oeverbeleid, voor wisselligplaatsen, of met toevoeging van een verplaatsingsclausule. De houder van een ontheffing kan Gedeputeerde Staten verzoeken om de ontheffing op naam van een ander te stellen, dan wel ontheffing te verlenen voor een vervangend woonschip op dezelfde locatie. Het besluit over de ontheffingsverlening wordt genomen gehoord het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, of een andere toepasselijke waterbeheerder, tenzij de ontheffingsaanvraag betrekking heeft op eigendomsoverdracht van een bestaande ontheffing of verlenging van de ontheffingsperiode. Voor zover de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Utrecht daar niet in voorziet, neemt de ontheffing tenminste de volgende criteria in acht: De lengte, breedte en hoogte van een woonschip zijn met inbegrip van een eventueel bij het schip aangelegd terras, respectievelijk ten hoogste 18,00 m, 6 m en 3,50 m, tenzij het gaat om een woonschip met historische waarde; in dat geval mag de lengte ten hoogste 30 m zijn. Bij een dak, niet zijnde een plat dak, is een nokhoogte van ten hoogste 4 m toegestaan, mits de goothoogte ten hoogste 3,50 m bedraagt en het dak in de lengterichting slechts één knik bevat, die zich in horizontale richting tenminste 1 m van de snijlijn van het dak met de buitenwand van het woonschip bevindt. De onderlinge afstand tussen twee woonschepen bedraagt tenminste 5 m. Bij woonschepen in een uiterwaard mag de aanlegplaats op de oever geen voorzieningen hebben en dient het woonschip het uiterlijk te hebben van een varend voormalig binnenvaartschip met historische waarde. De maten bedoeld in het voorgaande lid worden vastgesteld waar zij, met inbegrip van al hetgeen vast aan het woonschip verbonden is, boven of onder water het grootst zijn; de hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn. Bij het vaststellen van de maten blijven buiten beschouwing: Masten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte onderdelen; Dakoverstekken, voor zover zij niet meer dan 30 cm buiten de gevel uitsteken; Loopranden met een maximale breedte van 80 cm, voor zover de betreffende zijde van het woonschip niet op andere wijze bereikbaar is. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de criteria in het zesde lid. AfdelingBAndere vaartuigen en voorwerpen Artikel5.4.6Verbod Het is de zakelijk gerechtigde tot, en de bezitter, houder of gebruiker van een vaartuig of voorwerp, niet zijnde een woonschip, verboden om dat vaartuig of voorwerp ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen, aanwezig te hebben of te houden. Artikel5.4.7Algemene vrijstelling Het in artikel 5.4.6 bedoelde verbod is niet van toepassing op vaartuigen en drijvende voorwerpen aangemeerd op plaatsen waarbij een van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het binnenvaartpolitiereglement en bijlage 7 van het Rijnvaartpolitiereglement zijn geplaatst. Artikel5.4.8Specifieke vrijstellingen Het in artikel 5.4.6 bedoelde verbod geldt niet voor: Vaartuigen in jacht-, of bedrijfshavens en waterscoutinglocaties. Vaartuigen, die worden gebruikt bij het vervoer van uitsluitend bedrijfsmiddelen, voor zover zij tijdelijk voor het laden en lossen van die bedrijfsmiddelen worden of zijn afgemeerd. Eén open vaartuig met een maximale lengte van 7 m bij een direct aan het water gelegen erf, mits er geen gebruik wordt gemaakt van de vrijstelling in het vierde lid van dit artikel. Eén vaartuig, of één boatsaver met inliggend vaartuig, in een insteekhaven, indien voor de insteekhaven een ontheffing op grond van deze verordening geldt en mits het vaartuig of de boatsaver met inliggend vaartuig volledig binnen de begrenzing van de insteekhaven past. Eén vaartuig bij een direct aan het water gelegen erf in de periode 1 april tot en met 30 september, voor zover het aanmeren dient voor het zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is in- of uitladen, dan wel vaarklaar maken van het vaartuig ten behoeve van recreatief gebruik. Het tijdelijk afmeren van vaartuigen voor het laten in- of uitstappen van passagiers bij horecagelegenheden, die als zodanig in een bestemmingsplan zijn aangewezen. Eén partyschip bij een als zodanig in het bestemmingsplan opgenomen horecagelegenheid, mits het vaartuig voldoet aan een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd landschappelijk inpassingsplan, waarin zowel het partyschip als de aanlegplaats op landschappelijke aspecten positief zijn beoordeeld. Historische schepen, die hetzij als varend monument, hetzij als historisch casco zijn ingeschreven in het register van de Federatie Varend Erfgoed Nederland en naar het oordeel van Gedeputeerde staten in goede staat van onderhoud verkeren, bij aanlegplaatsen, die als zodanig in een bestemmingsplan zijn aangewezen. AfdelingBHavens en aanlegplaatsen bij andere vaartuigen en voorwerpen Artikel5.4.9Verbod Het is verboden (insteek)havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen, zoals steigers, meerpalen en vlonders, te maken, te hebben dan wel in stand te laten, of als zakelijk gerechtigde dan wel gebruiker van een oever toe te laten of te gedogen dat (insteek)havens, aanlegplaatsen of dergelijke voorzieningen op of aan de desbetreffende oever worden aangelegd. Artikel5.4.10Vrijstellingen Het in artikel 5.4.9 bedoelde verbod geldt niet voor: Aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen in jacht-, bedrijfshavens en waterscoutinglocaties. Eén aanlegsteiger per direct aan het water gelegen erf, mits deze steiger: geen grotere oppervlakte heeft dan 7,20 m2; geen afbreuk doet aan het karakter van een eventueel aanwezige natuurlijke of natuurvriendelijke oever. Artikel5.4.11Bepalingen in geval van ontheffing Bij een ontheffing als bedoeld in artikel 5.6.1 voor een insteekhaven geldt in elk geval het volgende: De haven is of wordt uitgegraven in een erf; Een dubbele insteekhaven kan alleen worden aangelegd op de grens van twee naast elkaar gelegen erven; De haven dwars op de vaarweg is/wordt aangelegd en/of aansluit op de cultuurhistorische verkavelingsrichting van sloten en waterwegen in het achterliggende landschap. Lengte en breedte van een enkele insteekhaven zijn respectievelijk ten hoogste 8 m en 3,25 m. Lengte en breedte van een dubbele insteekhaven zijn respectievelijk ten hoogste 8 m en 6 m. Indien door het gestelde in lid 3 de haven niet loodrecht op de vaarweg kan worden aangelegd, kan een geringe afwijking van de lengtemaat worden toegestaan. Paragraaf5.5Beschermde kleine landschapselementen Artikel5.5.1Toepassingsgebied kleine landschapselementen De bepalingen uit deze paragraaf zijn van toepassing op kleine landschapselementen welke overeenkomstig artikel 5.1.3, tweede lid en artikel 5.1.4 door Gedeputeerde Staten op een waardenkaart voor kleine landschapselementen zijn geplaatst (zie Bijlage VI). Artikel5.5.2Verboden Het is verboden: Een beschermd klein landschapselement, hetzij boven-, hetzij ondergronds te beschadigen, te vernielen of te vernietigen, dan wel in zodanig geringe mate te onderhouden dat daardoor de instandhouding van het element gevaar loopt. Een beschermd klein landschapselement te bewerken, te laten bewerken of te gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of het voortbestaan in gevaar wordt gebracht. Houtopstanden, die een beschermd klein landschapselement vormen of daar onderdeel van zijn, te vellen of te doen vellen. Artikel5.5.3Vrijstellingen De in artikel 5.5.2 bedoelde verboden gelden niet: indien vellen noodzakelijk is krachtens de Plantenziektenwet en ter bestrijding van boomziekten, mits het voornemen tot het vellen op deze grond aan Gedeputeerde Staten ter kennis is gebracht voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden; voor het periodieke vellen ten behoeve van onderhoud van griend- en hakhout; voor het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud gericht op kwaliteitsverbetering of duurzame instandhouding; indien het bepaalde in artikel 4.6 van de wet van toepassing is. Artikel5.5.4Opheffing verbod om dringende redenen De zakelijk gerechtigde, bezitter of gebruiker, die om dringende redenen, die niet voorzien zijn in artikel 5.5.3, een van de handelingen bedoeld in 5.5.2 wenst te verrichten, doen verrichten of toe te laten, doet hiervan tenminste 6 weken en ten hoogste 24 weken voorafgaand aan de beoogde uitvoering van de handelingen melding bij Gedeputeerde Staten door middel van een meldingsformulier. De melding geldt als een verzoek om de beschermde status van het landschapselement geheel of gedeeltelijk op te heffen. Gedeputeerde Staten besluiten uiterlijk 6 weken na ontvangst van de melding. Deze termijn kan een keer met 6 weken verlengd worden. Indien Gedeputeerde Staten besluiten om de beschermde status geheel of gedeeltelijk op te heffen, kunnen zij daar voorschriften, beperkingen en compenserende maatregelen aan verbinden. Voor zover de beschermde status wordt opgeheven, mogen de handelingen, bedoeld in artikel 5.5.2, niet worden verricht tot na afloop van de bezwaar- en beroepstermijnen het opheffingsbesluit onherroepelijk is geworden. Artikel5.5.5Herstel- en herplantplicht In geval dat een of meer van de verboden van artikel 5.5.2 overtreden zijn zonder vrijstellingsgrond, is de zakelijk gerechtigde van de grond, dan wel degene, die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, verplicht om binnen een jaar na de overtreding het beschermde kleine landschapselement op dezelfde locatie zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat te herstellen of te herbeplanten. Onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.3, moeten niet aangeslagen herbeplantingen of andere mislukte herstelmaatregelen voor 1 april van het opvolgende jaar worden vervangen of hersteld. Artikel5.5.6Zorgplicht De zakelijk gerechtigde tot, of de gebruiker van een beschermd klein landschapselement is verplicht onomkeerbare handelingen, waarbij dit landschapselement geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan, direct te melden bij Gedeputeerde Staten. Het is de zakelijk gerechtigde tot, of de gebruiker van een beschermd klein landschapselement verboden toe te laten of te gedogen, dat zich in of rond dat landschapselement handelingen worden verricht, die het voortbestaan van dat element in gevaar kunnen brengen. Paragraaf5.6Ontheffingen Artikel5.6.1Aanvragen Gedeputeerde Staten kunnen, tenzij in artikel 5.6.2 anders is bepaald, desgevraagd ontheffing verlenen van de in dit hoofdstuk gestelde verboden en verplichtingen. Ontheffingen worden verleend, voor zover daardoor de betrokken natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of archeologische waarden niet onaanvaardbaar worden geschaad. Aan een ontheffing kunnen voorschriften, beperkingen en compensatieverplichtingen worden verbonden met het oog op de in het voorgaande lid genoemde waarden en/of rapportageverplichtingen met het oog op de handhaving. Een ontheffing geldt voor een periode van ten hoogste tien jaar, gerekend vanaf de besluitdatum. Voor de aanvragen kunnen Gedeputeerde Staten een formulier voorschrijven. Tenzij elders in dit hoofdstuk een afwijkende termijn vermeld staat, wordt op een aanvraag binnen dertien weken beslist. Gedeputeerde Staten kunnen de beslissing eenmaal met ten hoogste de vermelde beslistermijn verdagen. Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien: bij de aanvraag, ongeacht de verwijtbaarheid daarvan, onjuiste gegevens zijn verstrekt en de ontheffing op basis van de juiste gegevens anders, of niet zou zijn verleend; de voorschriften, beperkingen of compensatieverplichtingen niet of onvoldoende worden nageleefd; veranderingen worden aangebracht in de feiten of gegevens op basis waarvan de ontheffing is verleend; de ontheffing gedurende een jaar niet is gebruikt; gewijzigde inzichten of omstandigheden dat vergen. Artikel5.6.2Ontheffingsverbod Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing van de verboden gesteld in: Artikel 5.2.1; Artikel 5.3.1, tweede lid; Artikel 5.4.6 met betrekking tot voorwerpen, tenzij het gaat om boatsavers in een natuurlijke inham op eigen terrein; Paragraaf 5.
  5. HOOFDSTUK6OVERIGE BEPALINGEN Artikel6.1Delegatie Gedeputeerde Staten kunnen de bijlagen bij deze verordening wijzigen. Artikel6.2Schadevergoeding Ten aanzien van de aanvrager van een ontheffing, als bedoeld in artikel 5.6.1 van deze verordening, die als gevolg van de beslissing op zijn aanvraag schade lijdt, is artikel 15.20 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK7STRAFBAARHEID EN HANDHAVING Artikel7.1Strafbaarheid Overtreding van de in hoofdstuk 5 van deze verordening gestelde verboden, van de krachtens dit hoofdstuk verleende ontheffingen en de daaraan verbonden voorschriften, beperkingen en compensatievoorschriften zijn strafbaar en worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. Bij de strafmaatbepaling kan rekening gehouden worden met het mogelijk genoten economisch voordeel. Artikel7.2Handhaving Ten aanzien van voor de inwerkingtreding van deze verordening genomen handhavingsbesluiten tot toepassing van een last onder dwangsom of de toepassing van een last onder bestuursdwang, blijft de ten tijde van die besluiten geldende verordening van kracht tenzij het verbod niet langer van kracht is. Met het toezicht op de naleving van deze verordening zijn, naast de bij of krachtens de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, mede belast de daarvoor door Gedeputeerde Staten aan te wijzen personen. Met betrekking tot de in deze verordening gegeven afmetingen en aantallen, wordt bij de handhaving uitgegaan van de getalwaarde in twee decimalen. HOOFDSTUK8OVERGANGSRECHT Artikel8.1Overgangsrecht, algemeen Ontheffingen verleend op grond van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996, de Landschapsverordening provincie Utrecht 2011 en Landschapsverordening provincie Utrecht 2016 gelden als ontheffingen op basis van hoofdstuk 5 van deze verordening. Een ontheffing, verleend op grond van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996, de Landschapsverordening provincie Utrecht 2011 en de Landschapsverordening provincie Utrecht 2016, zonder een daarin vermelde einddatum, blijft van kracht tot 10 jaar na de datum van bekendmaking van het ontheffingsbesluit, tenzij door Gedeputeerde Staten aan de ontheffingshouder een andere einddatum is, of wordt, meegedeeld. Een aanvraag voor een ontheffing, ingediend tijdens de werkingsduur van de in het eerste lid genoemde verordeningen, op basis van hoofdstuk 5 van deze verordening, wordt behandeld met toepassing van de betreffende verordeningen, tenzij de bepalingen in deze verordening gunstiger zijn voor de aanvrager. Op een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang op grond van de Landschapsverordening provincie Utrecht 2011 of de Landschapsverordening provincie Utrecht 2016 blijft die verordening van toepassing. Artikel8.2Overgangsrecht Borden, vlaggen, spandoeken en objecten Ontheffingen voor borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en objecten op grond van artikel 2 van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 blijven gelden gedurende hun resterende geldigheidsduur. Na afloop van deze termijn geldt het verbod van artikel 5.2.1, tenzij de vrijstellingsbepalingen in artikel 5.2.5 of 5.2.3 van toepassing zijn. Voor borden, spandoeken, vlaggen en objecten, die aanwezig zijn in overeenstemming met wettelijke voorschriften, treedt het verbod van artikel 5.2.1 pas in werking 13 weken na het vervallen van dat wettelijke voorschrift. Het bepaalde in lid 2 is van overeenkomstige toepassing, indien een verandering optreedt in de algemene regels op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Artikel8.3Overgangsrecht woonschepen Indien ontheffing is verleend voor een of meer grotere maten dan bepaald is in artikel 5.4.4, zesde lid, vervalt die ontheffing bij wijziging of vervanging van het woonschip. Woonschepen, die sinds 1 januari 1989 of eerder onafgebroken dezelfde ligplaats hebben ingenomen en vanaf die datum voortdurend in gebruik geweest zijn als hoofdverblijf, en die op die ligplaats in strijd zijn met artikel 5.4.2, eerste lid, worden op die locatie gedoogd. Bij woonschepen, die vanaf een datum na 1 januari 1989 onafgebroken dezelfde ligplaats hebben ingenomen en vanaf die datum voortdurend in gebruik geweest zijn als hoofdverblijf, en die op die ligplaats in strijd zijn met artikel 5.4.2, eerste lid, geldt bij bestuurlijke handhaving ter verwijdering de volgende begunstigingstermijn vanaf de datum van het handhavingsbesluit: Jaar van inname ligplaats Begunstigingstermijn 1989- 1997 drie jaar 1998- 2002 achttien maanden 2003 drie maanden 2004- heden de kortste redelijke termijn Een gedoogsituatie kan worden beëindigd en een begunstigingstermijn kan worden verkort, indien voor het betreffende woonschip een wisselligplaats, dan wel een reguliere ligplaats in overeenstemming met deze verordening beschikbaar komt. Indien een aanlegplaats aanwezig is in strijd met artikel 5.4.3, tweede lid, en aan die aanlegplaats een woonschip ligplaats heeft conform het tweede lid van dit artikel, geldt voor de aanlegplaats dezelfde gedoog- of begunstigingstermijn als voor het woonschip. De bedoelde besluiten worden op hetzelfde moment bekendgemaakt. Artikel8.4Overgangsrecht aanlegplaatsen en insteekhavens Voor een aanlegplaats, die aantoonbaar al voor 1 januari 2004 aanwezig was en in strijd is met het verbod bedoeld in artikel 5.4.9, en die de maatvoering in artikel 5.4.10, tweede lid, sub a, met meer dan 50 % overschrijdt, kan de provincie de kosten van het aanpassen aan de geldende regelgeving geheel of gedeeltelijk voor haar rekening nemen of vergoeden. Een verzoek hiertoe wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten, Insteekhavens, die aantoonbaar al voor 1 januari 2004 aanwezig waren en die niet voldoen aan de criteria, genoemd in artikel 5.4.11 worden geacht aanwezig te zijn met een ontheffing krachtens deze verordening. Dit geldt ook voor een binnen deze insteekhaven passend vaartuig. HOOFDSTUK9SLOTBEPALINGEN Artikel9.1Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2017, met uitzondering van paragraaf 3.3 welke in werking treedt op 1 januari
  6. Artikel 9.2 Intrekken oude regelingen De Verordening schadebestrijding dieren provincie Utrecht 2014, de Verordening Veehouderij, stikstof en Natura 2000 provincie Utrecht 2012 en de Landschapsverordening provincie Utrecht 2016 worden ingetrokken. Artikel9.3Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht
  7. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van Provinciale Staten van Utrecht van 12 december 2016.Provinciale Staten van Utecht,VoorzitterGriffier Bijlage Ials bedoeld in artikel 3.4.1 Grauwe gans, Kolgans en Brandgans: Verjaging met ondersteunend afschot van Grauwe gans, Kolgans en Brandgans is toegestaan ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, in de periode van 1 november tot 1 maart tussen een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang op percelen met nog oogstbare akker- en tuinbouwgewassen en grasland, alsmede de direct daaraan grenzende percelen; In afwijking van onderdeel a, is verjaging met ondersteunend afschot van Grauwe gans, Kolgans en Brandgans niet toegestaan: in de door Gedeputeerde Staten aangewezen ganzenrustgebieden; op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid voor 1 augustus voorafgaand aan de betreffendewinterperiode; op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid na 1 augustus voorafgaand aan de betreffende winterperiode met een oppervlakte kleiner dan 1 hectare en op percelen die zijn ingezaaid als afvanggewas op geoogste percelen Verjagen met afschot op kwetsbare gewassen mag alleen plaatsvinden indien er tevens een akoestisch middel en een visueel middel zijn ingezet conform de voorwaarden met betrekking tot effectief gebruik die zijn opgenomen in de Faunaschade Preventie Kit, module ganzen. Het jachtgeweer wordt niet beschouwd als preventief akoestisch middel. Het doden van de soorten Grauwe gans, Kolgans en Brandgans is toegestaan met zowel hagel-als kogelgeweer. Verjaging met ondersteunend afschot is alleen toegestaan indien er sprake is van een groep van meer dan vijf ganzen welke zich op het schadeperceel, danwel op een direct hieraan grenzend perceel, bevindt of hier invalt. Per verjaagactie mogen maximaal twee ganzen worden gedood. Het gebruik van het geweer is niet toegestaan op zondagen, eerste en tweede kerstdag en nieuwjaarsdag. Gedeputeerde Staten kunnen, zonodig in afwijking van de bepalingen uit deze bijlage, bij ontheffing, afschot van paarvormende Grauwe ganzen en Brandganzen toestaan in de periode van 1 februari tot 1 maart. Gebruik van lokmiddelen is verboden. Worden de gedode Grauwe ganzen, Kolganzen en Brandganzen niet voor consumptie- of handelsdoeleinden gebruikt, dan worden zij ter voorkoming van verspreiding van ziekten, zo spoedig mogelijk op een wettelijk toegestane en vereiste wijze geruimd. Metalen ringen die zich aan gedode vogels bevinden worden binnen 48 uur naar het Vogeltrek-station, Postbus 40, 6666 ZG Heteren gezonden onder vermelding van plaats en datum van het afschot, of worden gemeld via het daarvoor bedoelde elektronische systeem. Kleurringen en halsbanden dienen doorgegeven te worden via de website www.geese.org Veldmuis Het vangen en doden van Veldmuizen, evenals het beschadigen en vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van deze soort, is toegestaan ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid. Onderdeel a is van toepassing op schadepercelen, evenals de direct daaraan grenzende percelen, in de gehele provincie. Ter uitvoering mag gebruik gemaakt worden van de volgende middelen en methoden: inundatie, middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld. Toelichting bij bijlage I: Grauwe gans, Kolgans en Brandgans:Aanhef en onderdelen a en bEr mag alleen verjaging met ondersteunend afschot plaatsvinden indien er sprake is van een kwetsbaar gewas. In het geval de gewassen geoogst zijn is dit dus niet meer toegestaan. Overjarig grasland (grasland dat is ingezaaid, of doorgezaaid, voor 1 augustus voorafgaand aan de betreffende winterperiode) wordt niet beschouwd als kwetsbaar gewas. Hetzelfde geld voor percelenkleiner dan 1,0 ha welke zijn ingezaaid of doorgezaaid na 1 augustus. Tevens worden niet als kwetsbaar beschouwd: graslandpercelen die zijn ingezaaid als afvanggewas op geoogste maispercelen alsmede groenbemesters. Onderdeel cNaast verjaging (bijvoorbeeld door mensen in het veld of honden) zijn, voor zover effectief, ook andere akoestische en visuele middelen toegestaan zoals vlaggen, linten, vogelverschrikkers en gaskanon. De keuze van de middelen wordt in beginsel overgelaten aan de grondgebruiker. Het dient wel te gaan om middelen welke genoemd worden in de Faunaschade Preventie Kit, module ganzen. Deze dienen zo effectief mogelijk ingezet te worden. In dat verband wordt opgemerkt dat ganzen kunnen wennen aan akoestische en visuele middelen. Het is daarom van groot belang dat middelen afwisselend worden toegepast. Visuele middelen dienen voor een optimale werking regelmatig verplaatst te worden en bij voorkeur worden gecombineerd met akoestische middelen of verjaging in het veld. Het middel geweer wordt hier niet als akoestisch middel beschouwd. De reden hiervoor is dat er in het veld onduidelijkheid kan ontstaan of dit middel wordt gebruikt als preventief middel of ten behoeve van ondersteunend afschot, bijvoorbeeld indien er wordt geschoten richting een groep van maximaalvijf ganzen. Dit kan een effectieve handhaving van de bepalingen uit deze bijlage belemmeren. Onderdeel eEr mag alleen worden geschoten op vogels welke op schadepercelen of direct daaraan grenzende percelen aanwezig zijn of invallen. Wanneer ganzen invallen is objectief vast te stellen doordat zij niet meer in formatie vliegen, vrijwel stil gaan hangen en de poten uitstrekken. Er mag daarom niet geschoten worden op groepen die alleen maar overvliegen en bovenstaand gedrag niet vertonen. Ondersteunend afschot is niet toegestaan bij een groep van vijf of minder ganzen. Van groepjes van maximaal vijf ganzen gaat onvoldoende schadedreiging uit om ondersteunend afschot toe te staan. Weliswaar kan een dergelijk groepje ook andere ganzen aantrekken maar dit hoeft de schadebestrijding niet te belemmeren. Indien er meer ganzen invallen is ondersteunend afschot alsnog mogelijk. Onderdeel fUitgangspunt is dat er in de periode 1 november tot 1 maart alleen verjaging met ondersteunend afschot en geen populatiereductie plaatsvindt. Hierbij past niet dat er meer ganzen worden geschoten dan strikt noodzakelijk is om de verjaging effectiever te maken. Gelet hierop is er een maximum gesteld aan het aantal ganzen dat per actie mag worden gedood. Onder actie wordt verstaan: elke individuele verjaagactie van een groep ganzen groter dan vijf exemplaren. Indien de betreffende ganzen zijn verjaagd is de actie afgelopen. Als er later opnieuw een groep ganzen invalt en deze wordt verjaagd is er sprake van een nieuwe actie. Onderdeel hEen doelstelling van het akkoord was winterrust gedurende de periode 1 november tot 1 maart. Vanaf1 februari zijn er, naast de trekkende ganzen, ook al broedparen aanwezig. Om een effectieve bestrijding mogelijk te maken en uitvoering te kunnen geven aan gemaakte afspraken is een uitzondering opgenomen op basis waarvan het mogelijk is een ontheffing te verlenen voor het doden van paarvormende Grauwe ganzen en Brandganzen. Onderdeel iZoals hierboven onder d aangegeven heeft de vrijstelling tot doel om de ganzen te verjagen op kwetsbare gewassen. Hierbij past niet dat de ganzen met lokmiddelen naar de schadegevoelige percelen worden gelokt. Om deze reden wordt het gebruik van lokmiddelen gedurende de periode 1 november tot 1 maart niet toegestaan. Onder lokmiddelen kunnen worden verstaan: lokganzen (levend, dood of kunstmatig), lokfluiten, elektronische middelen voor geluidnabootsing, etc. Onderdeel jVoor de Grauwe gans en de Kolgans geldt een vrijstelling van het bezits- en handelsverbod van de wet (artikel 3.2, derde lid), voor de Brandgans echter niet. Voor deze soort is voor deze handelingen een ontheffing dus noodzakelijk. Onderdeel kGelet op het belang van de van ringen en halsbanden voorziene vogels voor verder onderzoek heeft het de voorkeur deze dieren niet te doden. In het geval een dergelijke vogel toch is gedood dienen de gegevens gemeld te worden. De gegevens kunnen ook via elektronische weg worden doorgegeven. Voor meer informatie hierover kan de website van het Vogeltrekstation(www.vogeltrekstation.nl) geraadpleegd worden. Kleurringen en halsbanden bij ganzen dienen doorgegeven te worden via de website www.geese.org. Veldmuis:Onderdelen a en bPopulaties van Veldmuizen vertonen grote fluctuaties in aantallen, die vooral samenhangen met verschillen in reproductie tussen de seizoenen. Naast seizoensfluctuaties zijn er ook jaarlijkse verschillen met een cyclisch verloop. Af en toe is er sprake van zeer hoge dichtheden en kan er gesproken worden van een uitbraak of plaag. Onder dergelijke omstandigheden kan deze soort ernstige schade aanrichten aan, bijvoorbeeld, agrarische percelen en waterkeringen. Bijlage IIals bedoeld in artikel 3.5.1 Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker of Bastaardkikker Bijlage IIIals bedoeld in artikel 5.1.2, toepassingsgebied bescherming landschappelijke waarden Bijlage IVals bedoeld in artikel 5.3.2, vrijstellingenkaart dempingen Bijlage Vals bedoeld in artikel 5.4.1, uitzondering toepassingsgebied Bijlage VIals bedoeld in artikel 5.5.1, Toepassingsgebied kleine landschapselementen Bijlage VIIIndicatieve kaart toepassingsgebied hoofdstuk 4 Vnl Houtopstanden Toelichting AlgemeenOp 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn drie oude wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet geïntegreerd. Deze wet vormt tevens een implementatie van de afspraken uit het Bestuursakkoord natuur. De provincie krijgt met deze wet in belangrijke mate de regie over het natuurbeleid. Verschillende taken en verantwoordelijkheden gaan hiermee over van het Rijk naar de provincie. Op grond hiervan is het noodzakelijk om, bij verordening, voor verschillende onderwerpen nadere regels te stellen. Deels verplicht de wet om deze regels te stellen, bijvoorbeeld betreffende faunabeheereenheden en faunabeheerplannen, deels zijn nadere regels wenselijk om op een efficiënte manier de uit de wet voortvloeiende taken en verantwoordelijkheden uit te kunnen voeren. De onderhavige regeling voorziet hierin. In de toelichting bij de verschillende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de achtergrond van deze regels. De wet regelt niet alleen de bescherming van soorten en gebieden maar biedt ook een handvat om regels te stellen met betrekking tot de bescherming van landschappen. In Utrecht kennen we hiervoor al een specifieke verordening, de Landschapsverordening provincie Utrecht 2016 (Lsv). Deze verordening ziet mede op de bescherming van natuurwaarden. Gelet op het feit dat het deels dezelfde onderwerpen betreft is ervoor gekozen om de Lsv integraal op te nemen in deze regeling. Een nadere toelichting voor het onderdeel ‘bescherming van landschappen’ is te vinden onder hoofdstuk
  8. Artikelsgewijs:HOOFDSTUK 2 NATURA 2000 GEBIEDEN Artikel 2 Vrijstelling beweiden en bemesten Op grond van artikel 2.9, derde lid van de Wet natuurbescherming hebben Provinciale Staten de bevoegdheid om een verordening vast te stellen op grond waarvan het verbod om zonder vergunning handelingen te verrichten die de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren, niet van toepassing is op aangewezen categorieën van handelingen. Op basis van deze vrijstelling geldt er voor beweiden en bemesten geen vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming. De vrijstelling van de vergunningplicht voor beweiden en bemesten is een voortzetting van de bestaande landelijke vrijstelling, zoals die was neergelegd in artikel 3a van het Besluit Vergunningen Natuurbeschermingswet
  9. De vrijstelling heeft betrekking op het weiden van alle soorten vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen: dierlijke meststoffen, overige organische meststoffen en kunstmest. Verwacht wordt dat de kwaliteit van habitats door beweiding of bemesting niet zal verslechteren. In het kader van de Meststoffenwet zijn de normen voor bemesten de afgelopen jaren al aanzienlijk aangescherpt. Zo kan er minder mest per hectare worden uitgereden en zijn de stikstofgebruiksnormen verlaagd. In het programma aanpak stikstof 2015–2021 is bovendien rekening gehouden met de stikstofdepositie als gevolg van bestaande beweiding en bemesting en vastgesteld dat deze depositie in het licht van de voorziene maatregelen in het programma niet leidt tot verslechtering van de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen. HOOFDSTUK 3 FAUNABEHEER EN TEGEMOETKOMINGEN IN DE SCHADEParagrafen 3.1 en 3.2 Faunabeheereenheid en faunabeheerplanArtikel 3.12, negende lid van de Wet natuurbescherming geeft aan Provinciale Staten de bevoegdheid om bij verordening regels stellen waaraan de in hun provincie werkzame faunabeheereenheden en de door hen vastgestelde faunabeheerplannen moeten voldoen. Deze regels zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.
  10. Artikel 3.1.
  11. Eisen aan de faunabeheereenheid In het eerste lid wordt aangegeven dat er binnen de provincie Utrecht slechts één faunabeheereenheid actief kan zijn. Wij achten het actief zijn van meerdere faunabeheereenheden niet wenselijk vanwege de extra administratieve belasting en afstemmingsproblemen die dit met zich mee zou kunnen brengen. Het sluit aan bij de huidige situatie waarbij er ook sprake is van één faunabeheereenheid. Gebleken is dat deze op een goede manier functioneert. In het tweede lid wordt aangegeven dat het werkgebied van een faunabeheereenheid zich niet uitstrekt tot het grondgebied van andere provincies. Deze eis is overgenomen uit het Besluit faunabeheer. Het beleid van de provincies kan verschillen. Provinciegrensoverschrijdende faunabeheereenheden zouden daarom afstemmingsproblemen en een extra administratieve belasting met zich mee kunnen brengen, wat onwenselijk wordt geacht. Op grond van het derde lid dienen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht, tenminste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid te bedragen. Ook deze eis is overgenomen uit het Besluit faunabeheer. Het geeft de garantie dat voldoende jachthouders vertegenwoordigd zijn om zorg te kunnen dragen voor een effectief (gecoördineerd) beheer en voor voldoende draagvlak bij de grondgebruikers. Artikel 3.1.
  12. Samenstelling bestuur In artikel 3.12, tweede lid, van de wet is bepaald dat, naast de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid, welke nu al in het bestuur van de faunabeheereenheid vertegenwoordigd zijn, ook maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio, vertegenwoordigd moeten zijn. De reden hiervoor was onder andere om meer draagvlak in de maatschappij te creëren voor haar werkzaamheden. Gelet op de formulering gaat het om minimaal twee maatschappelijke organisaties. Welke organisaties dit zouden moeten zijn blijkt niet uit de wetsgeschiedenis. Wel is aangegeven dat het niet om organisaties kan gaan die principieel tegen jacht of populatiebeheer zijn. De grote terreinbeherende organisaties (Natuurmonumenten en Het Utrechts Landschap) beschouwen wij in dit verband primair als maatschappelijke organisaties. Hoewel zij vanuit hun eigendom van terreinen ook jachthouder zijn, zijn hun doelstellingen vooral gericht op de bescherming van de natuur. Staatsbosbeheer heeft een aparte positie aangezien het een zelfstandig bestuursorgaan betreft. Zij kan dan ook niet als een maatschappelijke organisatie worden beschouwd. Gelet op het feit dat de organisatie het beheer voert over verschillende Utrechtse gebieden achten wij het wel wenselijk dat zij zitting heeft in het bestuur van de Faunabeheereenheid. Daarom is deze organisatie expliciet benoemd. Voor het overige is ervoor gekozen om geen specifieke organisaties te benoemden maar de samenstelling van het bestuur over te laten aan de (huidige) voorzitter van de Faunabeheereenheid waarbij we er vanuit gaan dat er wel conform de bedoeling van de wetgever wordt gehandeld. Mocht blijken dat hier niet aan wordt voldaan gedaan, kan dit gevolgen hebben voor de goedkeuring door Gedeputeerde Staten van het door het bestuur vastgestelde Faunabeheerplan. Het is wenselijk dat de faunabeheereenheid evenwichtig is samengesteld en dat er minimaal één dierenwelzijnsorganisatie, zoals de Dierenbescherming, zitting heeft in het bestuur. Wij vinden hierin steun bij de in de Eerste Kamer aangenomen motie Verheijen waarin wordt overwogen dat ook (landelijke) dierenbeschermingsorganisaties een plek moeten krijgen in de regionale faunabeheereenheden. In het vierde lid is geregeld dat de verschillende in het bestuur zitting hebbende organisaties zich kunnen laten vertegenwoordigen door één persoon. Deze heeft dan wel een stem namens elk der vertegenwoordigde organisaties. Gelet op de doelstelling van de wetgever om meer draagvlak in de maatschappij te creëren voor de werkzaamheden van de Faunabeheereenheid achten wij het van belang dat de faunabeheereenheid een onafhankelijk voorzitter kent. Dit betekent dat deze geen dienstverband heeft bij één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen, geen bestuurslid is van één van deze partijen en ook niet in het bezit is van een jachtakte. Hiermee wordt ook de schijn van belangenverstrengeling voorkomen. Artikel 3.1.
  13. Procedure uitbreiding bestuur Zoals aangegeven is de samenstelling van het bestuur de verantwoordelijkheid van de voorzitter van de faunabeheereenheid. Het initiatief hierbij ligt bij de huidige voorzitter. Deze vraagt de organisaties als bedoeld in artikel 3.1.2 schriftelijk een kandidaat voor te dragen. Opgemerkt wordt dat het niet noodzakelijk is dat het bestuur geheel nieuw wordt ingericht. De huidige bestuursleden kunnen hun functie blijven vervullen indien de betreffende organisaties aan de voorzitter aangeven dit te wensen. Artikel 3.1.4 Werkzaamheden In dit artikel zijn een aantal eisen gesteld aan de werkzaamheden en activiteiten van een faunabeheereenheid. Hierbij wordt in eerste instantie opgemerkt dat de uitvoering van het beheer en de schadebestrijding in beginsel geen provinciale taak of verantwoordelijkheid betreft. Het betreft een private taak welke de wetgever bij de grondgebruikers heeft neergelegd. Wel kan er soms sprake zijn van bepaalde overstijgende publieke belangen, bijvoorbeeld veiligheid, openbare orde of natuur waarbij de provincie meer verantwoordelijkheid op zich zal nemen. De grondgebruikers hebben dus zelf een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om het voorkomen van schade door diersoorten. De grondgebruikers kunnen zich verenigen in een faunabeheereenheid om zo gezamenlijk tot een effectief planmatig faunabeheer te komen en zodoende hun belangen te behartigen. In de wet is ook bepaald dat, vanwege de maatschappelijke belangen welke spelen en om draagvlak in de maatschappij te creëren voor haar werkzaamheden, ook andere maatschappelijke organisaties hun plek in de faunabeheereenheid moeten krijgen. Een faunabeheereenheid is dus uitdrukkelijk geen uitvoeringsorganisatie van de provincie maar een privaat samenwerkingsverband. Dat neemt niet weg dat er regelmatig overleg plaatsvindt tussen de faunabeheereenheid en de provincie om te voorkomen dat het door de faunabeheereenheid voorgestane beheer teveel afwijkt van de beleidsdoelstellingen van de provincie (en vice versa). Daarnaast bestaat er een financiële relatie tussen de provincie en de fbe in die zin dat de provincie een jaarlijkse exploitatiesubsidie verstrekt. De provincie stelt in dat kaderde beleidsprioriteiten in overleg met de Fbe vast, en de Fbe legt deze vast in haar activiteitplan, op basis waarvan de middelen worden ingezet en op basis waarvan prestaties worden afgerekend. Gelet op deze verhouding is er in de verordening slechts een beperkt aantal werkzaamheden opgenomen. Voor het overige is het aan het bestuur van de faunabeheereenheid te bepalen hoe zij haar werkzaamheden inricht waarbij het overigens wel zo kan zijn dat, waar de provincie financieel bijdraagt aan de uitvoering van de werkzaamheden, er door de provincie specifieke eisen gesteld kunnen worden aan de wijze waarop deze bijdrage wordt besteed. Als eerste wordt duidelijk gemaakt dat de faunabeheereenheid verantwoordelijk is voor de coördinatie van de uitvoering van de door haar vastgestelde faunabeheerplannen. Dit volgt, zoals gezegd, al uit het stelsel van de wet maar is, voor de duidelijkheid, uitgeschreven in het eerste lid, onder a. Voor een efficiënte uitvoering van haar taken is het van belang dat er sprake is van een uitwisseling van kennis en informatie met de achterban van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties. Dit is opgenomen in het tweede lid. Overigens denken wij ook dat het, vanwege het creëren van een breed maatschappelijk draagvlak, wenselijk is dat de faunabeheereenheid ook breder communiceert over haar werkzaamheden. Wij achten het van groot belang dat de trendtellingen van diersoorten ten behoeve van het faunabeheerplan op een gestandaardiseerde manier plaatsvinden. Om dit te bewerkstelligen worden door de faunabeheereenheid telprotocollen opgesteld. Dit is opgenomen in het eerste lid, onder c. Met de inwerkingtreding van de wet is de (wettelijke) adviesrol van het Faunafonds komen te vervallen. Gelet hierop achten wij het van belang dat de faunabeheereenheid Gedeputeerde Staten, zowel gevraagd als ongevraagd, adviseert over aangelegenheden inzake faunabeheer. Dit is opgenomen in het tweede lid. Het is van belang dat de partijen in het bestuur op een effectieve en constructieve wijze samenwerken. Hoewel het de voorkeur heeft dat besluiten bij consensus genomen worden, kan het voorkomen dat deze niet wordt bereikt. Het is van belang dat er ook in een dergelijk geval besluitvorming kan plaatsvinden. Om deze reden wordt bepaald dat besluitvorming door het bestuur geschiedt bij gewone meerderheid van stemmen. De faunabeheereenheid kan in haar statuten opnemen dat, met betrekking tot bepaalde specifiek benoemde onderwerpen, bijvoorbeeld organisatorische, een gekwalificeerde meerderheid van stemmen noodzakelijk is. Artikel 3.1.5 Verslaglegging Artikel 3.12, achtste lid van de wet stelt dat een faunabeheereenheid jaarlijks verslag uitbrengt van de uitvoering van het faunabeheerplan aan Gedeputeerde Staten waarin de faunabeheereenheid werkzaam is. Artikel 3.13 van de wet stelt voorts dat een faunabeheereenheid in dit verslag ook afschotgegevens verstrekt over de aantallen dieren die alle jachtaktehouders in het kader van de jacht hebben gedood. In het eerste lid van artikel 3.1.5 van de verordening zijn nadere regels beschreven waaraan dit jaarlijks verslag moet voldoen. Deze gegevens zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de populaties van diersoorten en van de schade. Voor de ontheffingverlening is het ook van belang om over de meest actuele informatie te beschikken. Verder is deze informatie nodig, gelet op de verplichting voor Gedeputeerde Staten uit artikel 1.8, derde lid, van de wet om gegevens te verstrekken aan de minister. Artikel 3.2.1 Faunabeheerplan In het eerste lid wordt aangegeven dat er binnen de provincie Utrecht slechts één faunabeheerplan kan worden opgesteld. Wij achten dit van belang vanwege de overzichtelijkheid en om extra administratieve belasting te voorkomen. Dit is overigens in overeenstemming met de huidige praktijk. Hierdoor hoeft de bepaling uit het Besluit faunabeheer, op basis waarvan het plan betrekking heeft op een oppervlakte van tenminste 5000 hectare, niet overgenomen te worden. Het plan is gericht op het duurzaam beheer en moet daarom inzicht geven in het voorgestelde beheer gedurende een langere termijn. In het voorheen geldende Besluit faunabeheer was aangegeven dat het faunabeheerplan een geldigheidsduur had van maximaal vijf jaar. Deze wordt nu zes jaar. Hiermee wordt aangesloten bij de looptijd van andere plannen zoals Natura 2000-beheerplannen zodat, indien wenselijk, het faunabeheerplan hierop afgestemd kan worden. Hiermee wordt ook aangesloten bij de planperiode zoals andere provincies die hanteren. De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan ook tussentijds wijzigen, bijvoorbeeld als ontwikkelingen in dierenpopulaties of ontwikkelingen in schade daartoe aanleiding geven. Een dergelijk gewijzigd plan dient wel (opnieuw) goedgekeurd te worden door Gedeputeerde Staten. In uitzonderlijke gevallen kunnen Gedeputeerde Staten de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen. Een dergelijke verlenging is alleen aan de orde indien er een concreet zicht bestaat op de vaststelling van een nieuw plan. Artikel 3.2.2 Faunabeheerplan, inhoud Artikel 3.12, negende lid, van de wet stelt dat Provinciale Staten bij verordening regels stellen waaraan in hun provincie werkzame faunabeheereenheden en hun faunabeheerplannen voldoen. In dit artikel zijn enkele algemene bepalingen opgenomen die zowel betrekking hebben op de jacht, de uitvoering van de landelijke en provinciale vrijstelling als op beheer en schadebestrijding in het kader van artikel 3.17 van de wet. Deze regels zijn vergelijkbaar met de regels uit het Besluit faunabeheer. In het faunabeheerplan wordt de relatie tussen de specifieke diersoorten en de door deze soorten veroorzaakte schade danwel dreiging van schade aannemelijk gemaakt. Hiervoor is het ondermeer noodzakelijk om te beschikken over gegevens over de aanwezigheid van betreffende diersoorten, de trend (zowel landelijk als provinciaal) van deze soorten, de verspreiding en de aanwezigheid over het jaar. Deze informatie is ook nodig om een oordeel te kunnen vellen over de staat van instandhouding van de betreffende diersoorten. Dit is één van de toetsingscriteria bij een afwijking van de algemene beschermingsbepalingen bij beschermde diersoorten. Opgemerkt wordt dat er, bijvoorbeeld ten aanzien van de landelijk vrijgestelde soorten, vaak minder informatie beschikbaar zal zijn. Bij de gegevens die gevraagd worden gaat het om gegevens die redelijkerwijs beschikbaar zijn. Wij verwachten dat de in de faunabeheereenheid vertegenwoordigde partijen zich zullen inspannen om, ten behoeve van een volgend faunabeheerplan, zoveel mogelijk aanvullende informatie te verzamelen. Het Faunabeheerplan onder de Flora- en faunawet was primair bedoeld als onderbouwing van ontheffingaanvragen. Met de Wet natuurbescherming is dit verbreed. Op grond van artikel 3.12, eerste lid, dient ook de jacht en het beheer op basis van de landelijke vrijstelling te worden uitgevoerd overeenkomstig het Faunabeheerplan. In de wet worden geen aanvullende regels gesteld aan de wijze waarop dit dient te gebeuren. Artikel 3.2.3 Beheer en schadebestrijding Dit artikel bevat enkele specifieke bepalingen ten aanzien van soorten waarvoor een landelijke en provinciale vrijstelling geldt of waarvoor, in het kader van artikel 3.17 van de wet, een ontheffing kan worden aangevraagd. Gelet op de eisen van de wet en de intrinsieke waarde van de dieren dient de noodzaak van de handelingen te worden onderbouwd. Dit betekent ook dat, als er maatregelen getroffen dienen te worden, als eerste gekeken dient te worden naar de minst ingrijpende maatregelen. Dit volgt ook uit de wettelijke eis dat er geen sprake mag zijn van een andere bevredigende oplossing. Zo heeft het weren van diersoorten of het verjagen de voorkeur boven het doden. De maatregelen dienen ook efficiënt te zijn. Het verstoren en doden van dieren, zonder dat dit bijdraagt aan het voorkomen van schade, is onwenselijk. De gestelde regels zijn vergelijkbaar met de regels uit het Besluit faunabeheer. Gelet op de eisen die in de jurisprudentie worden gesteld aan ontheffingen voor het aantonen van de dreiging van belangrijke schade wordt aanvullend vereist dat de schade wordt vermeld op het niveau van wildbeheereenheden. Artikel 3.2.4 Jacht Artikel 3.12, eerste lid, van de wet stelt dat de uitoefening van de jacht dient te geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan. Dit betekent dat het faunabeheerplan hiertoe een regeling dient te bevatten. Wij hebben er voor gekozen om geen specifieke voorschriften op te nemen over de wijze waarop de jacht dient plaats te vinden. Dit wordt overgelaten aan de faunabeheereenheid. Tijdens de parlementaire behandeling van de wet is aangegeven dat het faunabeheerplan voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebeheer, de uitoefening van de jacht en de schadebestrijding door grondgebruikers. Op deze manier wordt de samenhang tussen de verschillende regimes bevorderd en wordt de uitvoering van het totale faunabeheer vooraf transparant. Om deze reden is opgenomen dat in het Faunabeheerplan de samenhang tussen jacht, het gebruik van landelijke vrijstelling en de provinciale vrijstelling, ontheffingen en opdrachten duidelijk gemaakt moet worden. Het doel van de jacht is blijkens de wetsgeschiedenis de handhaving van een redelijke wildstand in het jachtveld en het voorkomen van schade. In het faunabeheerplan zal onderbouwd moeten worden dat er sprake is van een redelijke wildstand en op welke wijze deze geborgd wordt. Dit betekent niet dat in het plan, per wildsoort, exact moet worden omschreven bij welke aantallen er sprake is van een redelijke wildstand. Een meer globale omschrijving kan voldoende zijn. Paragraaf 3.3 WildbeheereenhedenIn artikel 3.14, eerste lid van de wet wordt de aard en organisatievorm van wildbeheereenheden beschreven. In artikel 3.14, tweede lid van de wet is bepaald dat provincies regels kunnen stellen waaraan de in hun provincie werkzame wildbeheereenheden moeten voldoen. Gelet op de centrale rol die de wildbeheereenheden hebben bij de uitvoering van het faunabeheer achten wij het van belang te borgen dat het faunabeheer op een doelmatige wijze kan plaatsvinden. Hiertoe zijn in deze paragraaf enkele specifieke voorschriften opgenomen. Artikel 3.3.1 Rechtsvorm De wet stelt slechts dat een wildbeheereenheid de rechtsvorm van een vereniging heeft maar geeft niet aan of het een vereniging met beperkte of met volledige rechtsbevoegdheid dient te zijn. Gelet op de rol de centrale rol die de wildbeheereenheden hebben bij de uitvoering van het faunabeheer achten wij het wenselijk dat de vereniging een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is. Artikel 3.3.2 Oppervlakte en begrenzing Op dit moment bevat de provincie een aantal, vooral stedelijke, gebieden welke niet zijn ondergebracht bij een wildbeheereenheid (‘witte vlekken’). Gelet op de centrale rol die de wildbeheereenheden hebben bij de uitvoering van het faunabeheer, alsmede het feit dat ook in deze gebieden een gecoördineerd beheer noodzakelijk kan zijn, is in het eerste lid opgenomen dat het werkgebied van de gezamenlijke wildbeheereenheden zich uitstrekt tot de totale provincie Utrecht. De huidige witte vlekken zullen dus onder het werkgebied van een wildbeheereenheid gebracht moeten worden. Om haar werkzaamheden op een adequate en gecoördineerde wijze uit te voeren is het van belang dat een wildbeheereenheid zowel qua ledenaantal als werkgebied van substantiële omvang is. Om dit te borgen wordt vereist dat het werkgebied van een wildbeheereenheid een oppervlakte bedraagt van minimaal 5000 hectare. De meeste Utrechtse wildbeheereenheden voldoen hier al aan. Een aantal, vooral provinciegrensoverschrijdende, wildbeheereenheden niet. Gelet op het feit dat door verschillende provincies ook verschillende eisen aan wildbeheereenheden kunnen worden gesteld, de faunabeheereenheid en het faunabeheerplan zijn gebonden aan het grondgebied van de provincie en ook de verstrekte ontheffingen betrekking hebben op de betreffende provincie, achten wij het van belang dat er geen sprake is van provinciegrensoverschrijdende wildbeheereenheden. Dit neemt niet weg dat het, om de doelstellingen uit het faunabeheerplan te kunnen behalen, het wenselijk kan zijn om bij de uitvoering de samenwerking te zoeken met wildbeheereenheden uit de naburige provincies. De gestelde eisen hebben tot gevolg dat de begrenzingen van de wildbeheereenheden deels aangepast moeten worden. Omdat hier enige tijd mee gemoeid zal zijn, zullen deze eisen op een later moment in werking treden. Artikel 3.3.3 Werkzaamheden In artikel 3.14, eerste lid van de wet is een taakomschrijving gegeven van de wildbeheereenheden. Op basis van het tweede lid van dit artikel kunnen Provinciale Staten aanvullende regels stellen. Gezien de belangrijke verantwoordelijkheid in de uitvoering van faunabeheerplannen die wildbeheereenheden met de wet hebben gekregen, is het van belang dat sprake is van professionele secretariaten die zorg dragen voor optimale coördinatie op lokaal niveau. Een belangrijk aspect hierbij is de informatieoverdracht naar de leden van de wildbeheereenheid. Dit artikel verplicht daarom het secretariaat om haar leden op adequate wijze te informeren over relevante feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer. Verder coördineren de wildbeheereenheid tellingen van diersoorten ten behoeve van het faunabeheerplan, verstrekken zij de resultaten hiervan aan de faunabeheereenheid en coördineren zij de verstrekking van de gegevens over de aantallen in het kader van de jacht gedode dieren. Artikel 3.3.4 Lidmaatschap Op grond van artikel 3.14 van de wet zijn jachthouders met een jachtakte verplicht om zich te organiseren in een wildbeheereenheid. Hier wordt duidelijk gemaakt dat de jachthouder verplicht is zich aan te sluiten bij de wildbeheereenheid waar hun jachtveld zich bevindt. Het weigeren van het lidmaatschap van de wildbeheereenheid heeft verstrekkende gevolgen voor een jachtaktehouder omdat dit tot gevolg kan hebben dat deze geen jachtakte kan verkrijgen. Om te waarborgen dat er ten aanzien van het lidmaatschap geen onnodige belemmeringen worden opgeworpen is in het derde lid, aangegeven dat aan het lidmaatschap van een wildbeheereenheid alleen eisen gesteld kunnen worden welke relevant zijn voor de uitvoering van het Faunabeheerplan. Dit betekent, bijvoorbeeld, dat niet vereist kan worden dat de jachthouder lid is van een belangenvereniging of dat jachtveldgrenzen worden aangepast. Het lidmaatschap kan ook niet geweigerd of beëindigd worden indien de jachtaktehouder zich, bij de uitvoering van het beheer en de schadebestrijding, houdt aan het bepaalde in de vrijstelling of ontheffing en de eisen van de wet en het faunabeheerplan. Redenen die geen direct verband houden met deze activiteiten, zoals het niet voldoen van de contributie, kunnen wel gevolgen hebben voor het lidmaatschap. Artikel 3.3.5 Uitzondering lidmaatschap Medewerkers van terreinbeherende organisaties kunnen jachthouders met een jachtakte zijn. In dat geval is deze medewerker van een terreinbeherende organisatie op grond van artikel 3.14 van de wet verplicht zich bij een wildbeheereenheid aan te sluiten. Er is voor gekozen om deze personen hiervan vrij te stellen. De terreinen van deze organisaties zijn veelal verspreid over meerdere wildbeheereenheden wat zou betekenen dat hun medewerkers lid zouden moeten worden van al deze wildbeheereenheden. Bovendien is bij deze organisaties, gelet op de aard van de organisatie en de omvang van hun terreinen, al sprake van een samenhangend beheer. Deze vrijstelling geldt slechts voorzover de betreffende medewerkers uit hoofde van de genoemde organisaties uitvoering geven aan de bevoegdheden op basis van de wet. Indien zij deze bevoegdheden uit anderen hoofde uitoefenen, dienen zij zich hiervoor wel aan te sluiten bij een wildbeheereenheid. Om zeker te stellen dat dit beheer wel plaatsvindt in het kader van het faunabeheerplan geldt er als voorwaarde dat de betrokken organisaties wel deel uitmaken van het bestuur van de faunabeheereenheid. Ook voor medewerkers van het, door de faunabeheereenheid ingestelde en aangestuurde, Ganzenbeheerteam Utrecht en medewerkers van, in opdracht van de faunabeheereenheid of Gedeputeerde Staten, handelende professionele schadebestrijders wordt een uitzondering gemaakt omdat deze hun activiteiten over de gehele provincie kunnen uitoefenen. Artikel 3.3.6 Geschillen lidmaatschap Het weigeren of het beëindigen van het lidmaatschap kan verstrekkende gevolgen hebben voor een jachtaktehouder. Gelet hierop achten wij het van belang dat eventuele conflicten over het lidmaatschap kunnen worden voorgelegd aan een geschillencommissie. Om enige afstand van de betrokken wildbeheereenheid te borgen is opgenomen dat in de geschillencommissie, naast een vertegenwoordiger namens de betreffende wildbeheereenheid ook een vertegenwoordiger namens het bestuur van de faunabeheereenheid en namens Gedeputeerde Staten zitting hebben. Paragraaf 3.4 Vrijstelling provinciale schadesoortenArtikel 3.4.1 Op grond van artikel 3.15, derde lid, van de wet kan er ten behoeve van beheer en schadebestrijding, bij provinciale verordening een vrijstelling worden verleend van een aantal verbodsbepalingen uit de wet. Het gaat hierbij onder andere om de verboden om beschermde diersoorten te verstoren, opzettelijk te storen of te doden. In deze paragraaf is de betreffende vrijstelling opgenomen. Bijlage I bij deze verordening bevat de soorten waarvoor de vrijstelling geldt en de hierbij geldende voorschriften. Dit is een voortzetting van de regeling welke was opgenomen in bijlage II bij de Verordening schadebestrijding dieren provincie Utrecht
  14. Hieraan is toegevoegd een vrijstelling voor het bestrijden van de Veldmuis. Af en toe is er bij deze soort sprake van zeer hoge dichtheden en kan er gesproken worden van een uitbraak of plaag. Onder dergelijke omstandigheden kan deze soort ernstige schade aanrichten aan, bijvoorbeeld, agrarische percelen en waterkeringen. In het verleden is er ook in Utrecht verschillende malen sprake geweest van dergelijke plagen. Artikel 3.16, derde lid, van de wet maakt het mogelijk om soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt voor de bestrijding van overlast binnen gemeenten. Het vierde lid maakt het mogelijk om ten aanzien van deze soorten vrijstellingen te verlenen. Hierbij is relevant dat bestrijding van ‘overlast’ door vogels of soorten als bedoeld in paragraaf 3.2 van de wet alleen mogelijk is indien er sprake is van één van de in artikel 3.16, vijfde lid, van de wet genoemde belangen. Aangezien er slechts incidenteel sprake is van dergelijke situaties achten wij het niet opportuun om hier een vrijstelling voor te verlenen. Indien er sprake is van overlast, als bedoeld in de wet, kan er een ontheffing op basis van artikel 3.17 van de wet worden aangevraagd. Artikel 3.4.2 Eerste t/m derde lid: Het eerste lid van de Verordening schadebestrijding dieren provincie Utrecht 2014 komt niet meer terug. Dit is een gevolg van het feit dat het beschermingsregime in de wet is gewijzigd. Zo is opzettelijke verstoring van soorten genoemd in de bijlage van de wet niet langer verboden. Hiervoor hoeft dan ook geen vrijstelling meer verleend te worden. Het verstoren van vogels is in beginsel, op grond van artikel 3.1, eerste lid, verboden. Dit verbod geldt, op basis van het vij

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.