Beleidsregels Participatiewet 2021 gemeente ScherpenzeelHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Scherpenzeel; gelet op de bepalingen in: de Algemene wet Bestuursrecht (i.h.b. artikel 4:81); het Burgerlijk Wetboek; het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; de Participatiewet; de Participatieverordening 2019 gemeente Scherpenzeel; de Paspoortwet (i.h.b. artikel 25); de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. gelezen het advies van de Adviesraad Sociaal Domein d.d. 18 februari 2021 en gelezen de regionale afspraken d.d. 11 november 2020; BESLUIT vast te stellen de “Beleidsregels Participatiewet 2021 gemeente Scherpenzeel ”. HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de PW, IOAW, IOAZ, het Bbz 2004, de Wgs, het Burgerlijk Wetboek en de Awb. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: aflossingscapaciteit: de financiële ruimte voor de aflossing van een lening of een vordering waarbij rekening is gehouden met de in acht te nemen beslagvrije voet, voor zover artikel 43 lid 2 Bbz 2004 niet van toepassing is; Awb: Algemene wet bestuursrecht; Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; bedrijfskapitaal: bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal als bedoeld in artikel 14 Bbz 2004; belanghebbende: degene die de inlichtingenverplichting heeft geschonden; benadelingsbedrag: het netto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen; bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, alsmede de vergoeding bedoeld in artikel 46 Zorgverzekeringswet, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de zorgverzekeraar; bijstandsnorm: de van toepassing zijnde norm als bedoeld in artikel 5 onder c van de PW die, als de algemene bijstand wordt verstrekt op grond van het Bbz 2004, wordt vermeerderd met de premie Arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) en eventueel verstrekte woonkostentoeslag; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Scherpenzeel; draagkracht: de middelen waarover beschikt kan worden om in de opgelegde bestuurlijke boete te kunnen voldoen; fraudevordering: vordering in verband met een ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht voor welke gedraging een onherroepelijke schriftelijke waarschuwing is gegeven dan wel een onherroepelijke bestuurlijke boete is opgelegd; grove schuld: het handelen of nalaten wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedraag aan bijstand is ontvangen waarbij sprake is van ernstige, aan opgzet grenzende mate van nalatigheid; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17 lid 1 PW, artikel 13 lid 1 IOAW, artikel 13 lid 1 IOAZ, artikel 30c, lid 2 en lid 3 Wet structuur uitvoeringsorganisatie en artikel 38 lid 2 Bbz 2004; INA: de rekenmodule die aan de hand van de trema-normen de onderhoudsbijdrage berekent; IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; jong minderjarig kind: het kind in de leeftijd van 0 tot en met 17 jaar; jong meerderjarig kind: het kind in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar; normale verwijtbaarheid: het handelen of nalaten waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen, maar waarbij geen sprake is van verzwarende of verlichtende omstandigheden waardoor belanghebbende niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan; opzet: het willens en wetens handelen of nalaten, wat er toe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen; PW: de Participatiewet; signaal: relevante informatie waardoor het redelijke vermoeden ontstaat dat het recht op, dan wel de hoogte van de uitkering onjuist is vastgesteld en derhalve een nader onderzoek noodzakelijk maakt; trema-normen: de normen zoals opgenomen in het rapport Alimentatienormen van de expergroep Alimentatie en gepubliceerd op de website van De Rechtspraak; uitkering: de door het college toegekende uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van de PW, het Bbz 2004, de IOAW of de IOAZ al dan niet in de vorm van een lening, dan wel de op grond van artikel 35 lid 1 PW toekende bijzondere bijstand al dan niet in de vorm van een lening; verhaalsbijdrage: kosten van bijstand die worden verhaald op een onderhoudsplichtige, zoals bedoeld in artikel 61 e.v. PW; verminderde verwijtbaarheid: handelen of nalaten waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen, maar waarbij sprake is van omstandigheden van sociale, psychische of medische aard, waardoor de overtreding van belanghebbende niet volledig is aan te rekenen, of waardoor belanghebbende feitelijk niet in staat was zijn verplichtingen na te komen; vordering: een teruggevorderd bedrag aan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering dan wel een teruggevorderd bedrag van als lening verstrekte uitkering die is opgezegd. Als de inhoud van een begrip bij de toepassing van deze regeling niet eenduidig blijkt te zijn, bepaalt het college de nadere invulling of uitleg van dit begrip. HOOFDSTUK2.RE-INTEGRATIEVOORZIENINGEN Artikel2.Scholing Het college betrekt bij de beoordeling of een in artikel 7 van de Participatieverordening bedoeld scholingstraject wordt aangeboden ook: indien van toepassing, het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de additionele werkzaamheden uitvoert; de scholingswens van de belanghebbende; de capaciteiten van de belanghebbende. Artikel3.Premie participatieplaats 1.Het college verstrekt aan de uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht conform artikel 10a, zesde lid van de PW, artikel 8, derde lid van de Participatieverordening en artikel 38a, zesde lid van de IOAW/IOAZ een premie. 2.De premie bedraagt per maand maximaal € 100,- op basis van een deelname van 32 uur per week. De minimale deelname aan een participatieplaats is 16 uur per week. 3.Indien de activiteiten minder dan 32 uur per week bedragen, wordt de hoogte van de premie naar rato vastgesteld. 4.De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden. 5.Het college verlangt van degene in opdracht van wie de uitkeringsgerechtigde onbeloonde additionele werkzaamheden verricht, na het eerste jaar halfjaarlijks, een vergoeding die overeenstemt met de hoogte van de premie als bedoeld in het derde lid. Artikel4.Beschut werk 1.Het college realiseert voor 2021/2022 2 beschutte werkplekken conform artikel 9 van de Participatieverordening. 2.Voordat Beschut werk wordt ingezet, wordt eerst beoordeeld of de inzet van andere voorzieningen en of het doen van vrijwilligerswerk mogelijk is. Artikel5.Persoonlijke ondersteuning / jobcoach 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 11 van de Participatieverordening, aanbieden in de vorm van een jobcoach op de werkplek. 2.De omvang van het aantal in te zetten uren van de jobcoach wordt op individuele basis bepaald en minimaal iedere 12 maanden wordt beoordeeld of voortzetting wenselijk is. 3.Het college betrekt de persoon voor wie de jobcoaching wordt ingezet en de werkgever bij de keuze voor een externe jobcoach. 4.Als de werkgever de begeleiding zelfstandig wil uitvoeren dan dient voor de aanvraag en de verantwoording gebruik te worden gemaakt van de door het college beschikbaar gestelde formulieren. 5.De jobcoaching kan zowel gericht zijn op coaching van de werknemer als op de werkgever. 6.Een jobcoach wordt niet langer ingezet dan voor de duur van de proefplaatsing of voor de duur van een arbeidsovereenkomst met een maximum van 3 jaar. 7.Een jobcoach kan worden ingezet bij een werkervaringsplaats mits er een intentie is uitgesproken door de werkgever om werknemer in dienst te nemen na het voorspoedig doorlopen van de werkervaringsplaats. Jobcoaching kan in dit geval maximaal 3 maanden worden ingezet met een mogelijkheid tot éénmalige verlenging van 3 maanden. 8.Indien de persoon als bedoeld in artikel 11 lid 1 van de Participatieverordening vanwege in de persoon gelegen factoren langdurig aangewezen is op jobcoaching, kan een jobcoach, in afwijking van het voorgaande lid, langer worden ingezet. 9.Het college kan, naar aanleiding van de aanvraag daartoe, besluiten dat jobcoaching door de werkgever zelf plaatsvindt als de persoonlijke ondersteuning wordt verzorgd door: iemand werkzaam bij die werkgever die: een training heeft gevolgd om personen met beperkingen te begeleiden op de werkplek; minimaal zes maanden aantoonbare ervaring heeft met het geven van werkinstructies; aantoonbare ervaring heeft met de werkzaamheden die de te coachen persoon uitvoert; is vrijgesteld voor een deel van de werkuren om de begeleiding te kunnen bieden. een jobcoach in dienst bij de werkgever die: ten minste hbo werk- en denkniveau heeft; een opleiding tot jobcoach heeft gevolgd waarvoor een certificaat is behaald. een jobcoach ingehuurd door de werkgever die: werkzaam is voor een jobcoachorganisatie waar de gemeente een contract mee heeft gesloten of die erkend is door het UWV op grond van het meest actuele ‘Erkenningskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV’ of een hbo werk- en denkniveau heeft en een opleiding tot jobcoach heeft waarvoor een certificaat is behaald. 10.Als de werkgever de begeleiding zelfstandig uitvoert dan komt de werkgever voor een door het college vastgestelde vergoeding in aanmerking die is gebaseerd op de bedragen zoals vastgelegd in de “normbedragen Voorzieningen 2018” (e.v.) van het UWV. 11.Als een jobcoach wordt ingezet op een werkervaringsplaats dient voor “werkgever” te worden gelezen: “organisatie die een werkervaringsplek heeft opengesteld” en voor “werkplek”: “werkervaringsplek”. Artikel6.Loonkostensubsidie als re-integratievoorziening 1.De loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 14 Participatieverordening bedraagt maximaal 50% van het brutoloon inclusief werkgeverslasten. 2.De hoogte, de duur en het percentage van de loonkosten is afhankelijk van de individuele situatie, omstandigheden en mogelijkheden van de medewerker voor wie de loonkostensubsidie wordt toegekend. Dit is ter beoordeling aan het college. 3.Minimaal eenmaal per twaalf maanden wordt beoordeeld of de loonkostensubsidie bedoeld in lid 1, nog steeds bijdraagt aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt van de medewerker waarvoor de loonkostensubsidie is toegekend. Artikel7.Overige vergoedingen 1.Voor de hieronder genoemde noodzakelijke kosten van re-integratie worden conform artikel 35 van de PW vergoedingen “om niet” verstrekt. Het gaat hierbij om de volgende kosten: kosten voor werkkleding; reiskosten; verwervingskosten; eigen bijdrage voor kinderopvang; studiekosten; individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de PW. 2.De vergoeding voor andere noodzakelijke kosten van re-integratie, die een maximumbedrag van € 250,00 overschrijden, wordt verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Voor zover de kosten onder dit bedrag blijven worden deze verstrekt “om niet”. 3.Een individuele studietoeslag bedraagt, conform de PW verordening 2019 Scherpenzeel, maximaal € 150,00 per maand en wordt slechts eenmaal binnen een periode van 6 maanden toegekend aan de persoon die hiervoor in aanmerking komt. Artikel8.Proefplaatsing 1.Een proefplaatsing betreft het verrichten van, reguliere werkzaamheden bij een werkgever met behoud van uitkering met als doel de inschakeling van de belanghebbende in reguliere arbeid te bevorderen. 2.Een proefplaatsing wordt toegekend voor maximaal 2 maanden. 3.De proefplaatsing als bedoeld in het voorgaande lid kan steeds met periodes van maximaal 2 maanden worden verlengd tot een maximumduur van in totaal 6 maanden als: in de persoon van de belanghebbende gelegen factoren een langere periode noodzaken belanghebbende deze periode langer dan een week ziek is geweest; de werkgever aan kan tonen dat verlengen in dit specifieke geval noodzakelijk is; meer tijd nodig is om de loonwaarde te bepalen. 4.Voorafgaand aan de proefplaatsing worden in een schriftelijke overeenkomst tussen college en de werkgever minimaal afspraken gemaakt over: het doel van de proefplaatsing; de duur van de proefplaatsing; dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 616b Burgerlijk 7 Wetboek, artikel 7 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; de werkgever tijdens de proefplaatsing geen salaris is verschuldigd; de wijze van begeleiding; 5.Een intentieverklaring dat de werkgever belanghebbende, bij gebleken geschiktheid, na de proefplaatsing een dienstverband van minimaal 6 maanden aanbiedt voor minimaal het aantal uren dat voor de proefplaatsing is overeengekomen, tenzij tijdens de proefplaatsing blijkt dat de uren in het belang van belanghebbende verlaagd moet worden. 6.Dat de werkgever tijdens de proefplaatsing voor de belanghebbende een ongevallen- en aansprakelijkheidsverzekering afsluit en de gemeente vrijwaart voor alle in- en buitengerechtelijke aanspraken op vergoeding van eventuele schades; 7.Het feit dat door de proefplaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 8.Dat belanghebbende de werkzaamheden zal verrichten conform de voor de betreffende functie en werkzaamheden geldende voorschriften en wettelijke bepalingen. Een proefplaatsing kan niet worden aangeboden indien belanghebbende eerder bij de betreffende werkgever, organisatie of inlener heeft gewerkt of stage heeft gelopen in dezelfde of vergelijkbare functie, tenzij er sprake is van gewijzigde omstandigheden die naar het oordeel van het college een proefplaatsing rechtvaardigen. Artikel9.Meeneembare voorzieningen 1.Definities: Meeneembare voorziening: een op een medewerker met een arbeidsbeperking toegesneden hulpmiddel dat noodzakelijk is om naar behoren de werkzaamheden te kunnen verrichten; het gaat om een voorziening die niet aard- en nagelvast is en; waarover een werkgever normaliter niet beschikt. Belanghebbende in de zin van dit artikel: de medewerker met een arbeidsbeperking die een meeneembare voorziening nodig heeft. 2.Aan een belanghebbende kan een meeneembare voorziening dan wel een vergoeding voor de aanschaf daarvan worden toegekend voor zover aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de meeneembare voorziening is naar verwachting gedurende minimaal zes maanden noodzakelijk om de belanghebbende zijn of haar werk te kunnen laten uitvoeren; er is sprake van een dienstverband voor de duur van tenminste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week; er kan voor de meeneembare voorziening geen beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening; de meeneembare voorziening behoort niet tot de standaarduitrusting van de belanghebbende en is evenmin algemeen gebruikelijk binnen de betreffende branche; de kosten van de mee te nemen voorziening dienen proportioneel te zijn. 3.In afwijking van artikel 2 van de PW onder b kan een meeneembare voorziening ook worden toegekend bij een proefplaatsing met behoud van uitkering. 4.Bij de keuze van een mee te nemen voorziening wordt gekozen voor de meest adequate en goedkoopste oplossing. 5.Een meeneembare voorziening die in natura wordt toegekend wordt in beginsel in bruikleen beschikbaar gesteld aan de belanghebbende tenzij sprake is van een individuele maatwerkvoorziening en /of dat bruikleen gezien de aard van de voorziening niet mogelijk of wenselijk is. HOOFDSTUK3.NORMTOEPASSING Artikel10.Inkomstenkorting bij ontvangst huur of kostgeld 1.De inkomsten uit verhuur, zoals bedoeld in artikel 33 lid 4 PW, worden op de uitkering in mindering gebracht onder aftrek van € 60,00 per maand. 2.De inkomsten van een kostganger, zoals bedoeld in artikel 33 lid 4 PW, worden op de uitkering in mindering gebracht onder aftrek van € 350,00 per maand. Artikel11.Verlaging norm wegens ontbreken woonkosten 1.De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27 PW bedraagt: het bedrag van de basishuur zoals omschreven in de artikelen 16 en 17 van de Wet op de huurtoeslag, als een woning wordt bewoond waarvoor de belanghebbende geen woonkosten verschuldigd is; 15% van de gehuwdennorm voor een dak- of thuisloze. 2.Woonkosten: bij een huurwoning, rekenhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag; bij een eigen woning, de verschuldigde hypotheekrente, de als eigenaar te betalen zakelijke lasten en een vast bedrag voor onderhoud. 3.Onder woonsituatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de situatie waarbij: een woning wordt bewoond waaraan geen woonkosten zijn verbonden (krakers); een woning wordt bewoond waarvan de woonkosten door derden worden voldaan; geen woning wordt bewoond (daklozen). Artikel12.Verlaging norm voor schoolverlaters 1.De verlaging voor een schoolverlater als bedoeld in artikel 28 van de PW bedraagt 20% van de gehuwdennorm van artikel 21 onder b van de PW. 2.Deze verlaging wordt toegepast gedurende zes maanden na het tijdstip van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding. 3.De verlaging wordt niet toegepast als de schoolverlater jonger is dan 21 jaar en de norm voor jongeren van 18 tot 21 jaar ontvangt op grond van artikel 20, lid 1 onder a en onder b of op grond van artikel 20, lid 2 onder a en onder b van de PW. 4.Wordt de algemene bijstand op grond van bijzondere bijstand aangevuld tot de norm voor 21 jaar of ouder op grond van artikel 21 van de PW of tot de kostendelersnorm op grond van artikel 22a van de PW dan wordt de verlaging toegepast tot maximaal de hoogte van de bijzondere bijstand. HOOFDSTUK4.TERUGVORDERING GEBRUIKMAKING BEVOEGDHEDEN Artikel13.Gebruikmaking bevoegdheid tot opschorting en intrekking na opschorting 1.Het college schort het recht op uitkering als bedoeld in artikel 54 lid 1 PW en artikel 17 lid 1 IOAW en artikel 17 lid 1 IOAZ op voor de duur van acht weken. 2.Het college maakt ten volle gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 54 lid 4 PW en artikel 17 lid 4 IOAW en artikel 17 lid 4 IOAZ om een toekenningsbesluit in te trekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort. 3.Het besluit tot intrekking van het toekenningsbesluit wordt binnen acht weken na de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort, aan belanghebbende bekend gemaakt. Artikel14.Gebruikmaking bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering en brutering 1.Het college maakt ten volle gebruik van de bevoegdheid tot herziening dan wel intrekking van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 54 lid 3, tweede volzin PW en artikel 17 lid 3, tweede volzin IOAW en artikel 17 lid 3 IOAZ. 2.Het college maakt ten volle gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering als bedoeld in artikel 58 PW, 59 PW, 60 PW, artikel 25 IOAW, artikel 25 IOAZ, artikel 26 IOAW en artikel 26 IOAZ; 3.Het college bruteert de vordering als bedoeld in artikel 58 lid 5 PW, artikel 25 lid 5 IOAW en artikel 25 lid 5 IOAZ, tenzij sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de vordering niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. 4.Het derde lid is niet van toepassing op algemene bijstand voor de noodzakelijke kosten van het bestaan verstrekt op grond van het Bbz 2004. Artikel15.Afzien van terugvordering wegens dringende redenen Er wordt gemotiveerd geheel of gedeeltelijk afgezien van terugvordering als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 58 lid 8 PW respectievelijk artikel 25 lid 7 IOAW en artikel 25 lid 7 IOAZ. Artikel16.Gebruikmaking specifieke bevoegdheden Bbz 2004 1.Als de verleende bijstand, vermeerderd met het in het betreffende boekjaar behaalde netto inkomen, meer is dan de jaarnorm, dan wordt, onder toepassing van artikel 12 lid 2 onder c Bbz 2004, de bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd voor zover artikel 13 Bbz niet van toepassing is. 2.Het college maakt ten volle gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 41 lid 4 Bbz 2004, om in de daarin beschreven gevallen een lening en de eventuele achterstallige rente terstond op te eisen en terug te vorderen. 3.Het college maakt ten volle gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 41 lid 5 Bbz 2004 om in de daarin beschreven situatie, de vanaf de vervaldatum achterstallige rente en aflossingsbedragen terstond terug te vorderen. 4.Onder toepassing van artikel 43 lid 2, eerste volzin Bbz 2004 wordt, in geval van niet verwijtbare beëindiging van het bedrijf of beroep, het resterende deel van de lening vanaf de beëindiging renteloos, tenzij: die lening onder hypothecair verband is verleend of sprake is van schuldig nalatig niet voldoen aan de aflossingsverplichting waardoor artikel 43a lid 5 Bbz 2004 toepassing vindt. 5.Wordt een op grond van het Bbz 2004 verstrekte rentedragende geldlening voor bedrijfskapitaal opgezegd, dan is vanaf het moment van opzegging over het resterende en teruggevorderde deel van de geldlening de rente als bedoeld in artikel 15 onder a Bbz 2004 verschuldigd, als de geldlening wordt opgezegd omdat: de daar aan verbonden betalingsverplichtingen niet worden nagekomen; zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 39 lid 2 Bbz 2004. 6.In afwijking van het eerste lid is na een opzegging van de geldlening op grond van artikel 43a lid 5 Bbz 2004 over het resterende deel van de geldlening wettelijke rente verschuldigd, ongeacht of sprake is van een al dan niet verwijtbare beëindiging van het bedrijf en ongeacht of het resterende deel van de geldlening al dan niet op grond van artikel 43 lid 2 Bbz 2004 renteloos is gemaakt. 7.In afwijking van het eerste lid is na de oorspronkelijke looptijd van de opgezegde geldlening, met een maximum van 10 jaar, vermeerderd met de periode dat eventueel uitstel van betaling is verleend, over het alsdan resterende deel van de vordering de wettelijke rente verschuldigd. 8.Als artikel 43b lid 1 Bbz 2004 toepassing vindt, wordt de in artikel 43b lid 2 bedoelde verschuldigde rente op nihil gesteld voor zover de wettelijke rente verminderd met drie procent negatief zou zijn. INVORDERING Artikel17.Verplichtingen met betrekking tot de invordering 1.Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 Awb genoemde betalingstermijn van zes weken. 2.Gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit neemt het college een invorderingsbesluit waarin wordt vermeld: de hoogte van (het saldo van) de vordering; de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen; de datum waarop de betalingsverplichting in gaat; de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4:87 Awb een betalingsregeling naar draagkracht te treffen; de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 Awb over aanmaning en invordering bij dwangbevel; dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden. 3.Voordat een betalingsregeling wordt getroffen kan het college onderzoek verrichten naar de aflossingscapaciteit en naar aanleiding van het onderzoek de betalingsverplichting op basis van draagkracht vaststellen. 4.Indien de belanghebbende geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, is de vordering dan wel het restant van de vordering volledig opeisbaar. Artikel18.Gebruikmaking verrekenbevoegdheden inzake vorderingen, vakantiegeld, middelen, voorschotten en leningen 1.Het college maakt, voor zover sprake is van recht op uitkering, ten volle gebruik van de bevoegdheid bedoeld in artikel 60 lid 3 PW, artikel 28 lid 3 IOAW en artikel 28 lid 3 IOAZ tot verrekening van de vordering met het recht op uitkering, zo mogelijk direct na afgifte van het besluit tot terugvordering en ongeacht de in artikel 4:87 Awb genoemde betalingstermijn van zes weken. 2.In geval van een uitkering op grond van de PW verrekent het college op grond van artikel 58 lid 4 PW de in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de uitkering. 3.In geval van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ verrekent het college op grond van artikel 25 lid 4 IOAW respectievelijk artikel 25 lid 4 IOAZ de in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met die uitkering. 4.Als op grond van de PW bijstand wordt verleend over een periode waarover een voorschot is verstrekt op grond van artikel 52 lid 1 PW, dan wordt deze bijstand onder toepassing van artikel 52 lid 4 PW zonder machtiging van de belanghebbende verrekend met dit voorschot. 5.In de gevallen bedoeld in artikel 60 lid 6 onder a PW, artikel 28 lid 6 onder a IOAW en artikel 28 lid 6 onder a IOAZ, verrekent het college, in afwijking van artikel 4:93 lid 4 Awb, voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn. 6.Als een uitkering is verleend in de vorm van een lening, dan wordt die lening verrekend met een eventuele uitkering voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van de PW, het Bbz 2004, de IOAW of de IOAZ. 7.Het college maakt ten volle gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 60a lid 4 PW om een vordering die een belanghebbende op het college heeft, voor zover anders dan een vordering tot betaling van uitkering, te verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 PW en 59 PW. Artikel19.Aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering Als een belanghebbende een uitkering ontvangt als bedoeld in deze regeling, bedraagt de maandelijkse aflossingscapaciteit, voor zowel leningen als vorderingen, dat deel van het maandelijkse inkomen dat meer bedraagt dan de wettelijke beslagvrije voet. Artikel20.Aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de uitkering en bij debiteuren die geen recht hebben op een uitkering 1.Na beëindiging van de uitkering blijft, in geval van een lening waarop al werd afgelost, de aflossingscapaciteit, zoals vastgesteld op grond van artikel 9, ongewijzigd. 2.Na beëindiging van de uitkering bedraagt in geval van een bestaande vordering waarop al werd afgelost, de aflossingscapaciteit met ingang van de eerste kalendermaand na de maand waarin de uitkering is beëindigd, de conform artikel 9 vastgestelde aflossingscapaciteit vermeerderd met: 75% van het in aanmerking te nemen meerinkomen inclusief vakantiegeld als sprake is van een fraudevordering of een vordering voortvloeiende uit een opgelegde bestuurlijke boete of maatregel; 50% van het in aanmerking te nemen meerinkomen inclusief vakantiegeld in geval van overige vorderingen. 3.Het in aanmerking te nemen meerinkomen als bedoeld in het voorgaande lid bedraagt: als een bijstandsnorm als vermeld in artikel 21 PW van toepassing is: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm; als een jongerennorm als bedoeld in artikel 22 PW van toepassing is: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan 100% van het maandinkomen als bedoeld in artikel 475da lid 4 Rv; als een kostendelersnorm als vermeld in artikel 22a PW van toepassing is: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan 100% van het maandinkomen als bedoeld in artikel 475da lid 4 Rv; als sprake is van een belanghebbende zonder vaste woon- en verblijfplaats: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan de berekende beslagvrije voet vermeerderd met 5% van de op belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm als vermeld in artikel 21PW; in geval van een belanghebbende die ter verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is opgenomen: dat gedeelte van het maandinkomen dat meer bedraagt dan de som van: de prijs die is verschuldigd voor de verzorging dan wel verpleging; het volledige bedrag van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 23 lid 1 PW; het volledige toepasselijke bedrag van de verhoging als bedoeld in artikel 23 lid 2 PW, voor zover het de berekende wettelijke beslagvrije overstijgt, waarbij de maximale beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475da lid 1 Rv in acht wordt genomen. 4.Als ten gevolge van de intrekking en/of beëindiging van de uitkering een vordering ontstaat, dan wordt de aflossingscapaciteit vastgesteld conform lid 2 en 3. 5.Als na de periode van uitkeringsverstrekking een vordering ontstaat en er nog geen aflossingscapaciteit vastgesteld is, dan wordt die vastgesteld conform lid 2 en lid 3. Artikel21.Besluit inzake vaststelling aflossingsverplichting In het besluit tot vaststelling van de aflossingsverplichting als bedoeld in artikelen 19 en 20, wordt in ieder geval vermeld: de hoogte van (het saldo van) de vordering; de datum waarop de betalingsverplichting in gaat; de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 Awb over aanmaning en invordering bij dwangbevel; dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden. Artikel22.Volgorde aflossing Als op meerdere leningen en/of vorderingen en/of boetes moet worden afgelost dan is de volgorde van aflossing als volgt: invorderingskosten; reeds verschenen rente; fraudevorderingen op grond van de PW, IOAW en IOAZ waarbij op een te bruteren vordering die lopende het boekjaar ontstaat, gedurende dat boekjaar bij voorrang wordt afgelost; vorderingen ontstaan door opzegging van als lening verstrekte uitkeringen op grond van de PW, IOAW en IOAZ; vorderingen ontstaan door opgezegde bedrijfskapitaalleningen verstrekt op grond van het Bbz 2004; overige vorderingen op grond van de PW, IOAW en IOAZ waarbij op een te bruteren vordering die lopende het boekjaar ontstaat, gedurende dat boekjaar bij voorrang wordt afgelost; bestuurlijke boeten op grond van de PW, IOAW en IOAZ; vorderingen in verband met afstemmingen (maatregelen) PW, IOAW en IOAZ; overige vorderingen; als lening verstrekt bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004; leningen verstrekt op grond van de PW. met dien verstande dat: bij gelijksoortige geldschulden binnen een categorie eerst wordt afgelost op de oudste schuld; zo lang verrekend kan worden met een lopende uitkering voor de kosten van levensonderhoud eerst wordt afgelost op opgelegde bestuurlijke boeten
(7), vervolgens op vorderingen in verband met afstemmingen
(8)en daarna bovenstaande rangorde wordt aangehouden. Artikel23.Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college 1.Het college verricht telkens na 12 maanden een onderzoek naar het maandelijkse inkomen, de beslagvrije voet en de aflossingscapaciteit. 2.Bij een gegrond vermoeden dat het maandelijkse inkomen van belanghebbende aanzienlijk is gewijzigd, kan het college in afwijking van het eerste lid een tussentijds onderzoek verrichten als bedoeld in dat lid. 3.Dit artikel is niet van toepassing als een andere beslaglegger dan het college de rol van coördinerend deurwaarder vervult op grond van artikel 478 Rv en daardoor belast is met de vaststelling van en het heronderzoek naar de hoogte van de beslagvrije voet. Artikel24.Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende 1.Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot: wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting; of tijdelijke vermindering van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent niet aan de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting te kunnen voldoen. 2.Een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende kan achterwege blijven indien de belanghebbende: een betalingsvoorstel heeft gedaan aan het college op basis waarvan de vordering zal zijn voldaan binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf het moment van ingang van de aflossingsverplichting; en het aflossingsbedrag per maand minimaal gelijk is aan de aflossingscapaciteit als bedoeld in artikel 19 van deze regeling. 3.In geval van een fraudevordering dan wel dat de belanghebbende in het verleden herhaaldelijk zijn betalingsverplichting niet afdoende is nagekomen, kan het verzoek worden afgewezen. 4.Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen. Artikel25.Melden van vermogensontvangsten en inkomensverhoging Een belanghebbende dient onverwijld en uit eigen beweging vermogensontvangsten en/of een verhoging van zijn inkomen te melden. Als een belanghebbende dit nalaat en naderhand blijkt dat sprake is van een hogere aflossingscapaciteit, dan wordt de aflossingscapaciteit met terugwerkende kracht herzien vanaf het moment waarvan bij tijdige melding zou zijn uitgegaan. Artikel26.Uitstel van aflossing leningen en vorderingen 1.Het college kan aan de belanghebbende, op diens verzoek en onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, uitstel van betaling geven voor de duur van maximaal 1 jaar, indien de (financiële) omstandigheden daartoe aanleiding geven. 2.Betreft het een verzoek om uitstel van aflossings- en renteverplichtingen voortvloeiende uit een op grond van het Bbz verstrekt bedrijfskapitaal, dan is in afwijking van het voorgaande lid artikel 41 Bbz 2004 onverkort van toepassing. 3.Een verzoek tot uitstel van betaling wordt zonder onderzoek toegekend indien: aan de belanghebbende in de periode van 24 maanden voor het verzoek niet eerder een uitstel van betaling is toegekend; en het uitstel van betaling niet langer duurt dan drie maanden. 4.Het besluit tot uitstel van betaling wordt ingetrokken indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 5.Het college verleent geen uitstel van betaling als belanghebbende beschikt over in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 PW met dien verstande dat: de door het college als lening verstrekte uitkering(
- en)en eventuele teruggevorderde uitkering(
- en)buiten beschouwing worden gelaten; het bepaalde in artikel 34 lid 2 onderdeel c PW geen toepassing vindt. Artikel27.Wettelijke rente bij uitstel Voor de periode dat uitstel is verleend wordt geen wettelijke rente in rekening gebracht. Artikel28.In kennisstelling uitkomst draagkrachtonderzoek 1.Over de uitkomst van een draagkrachtonderzoek wordt belanghebbende in kennis gesteld bij beschikking: binnen 4 weken na afronding van een ambtshalve verricht draagkrachtonderzoek voor zover sprake is van een herziening van het aflossingsbedrag; binnen 8 weken na indiening van een verzoek tot het verrichten van een draagkrachtonderzoek. 2.Een eventuele herziening van het aflossingsbedrag vindt plaats met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het besluit tot herziening van het aflossingsbedrag aan de belanghebbende kenbaar is gemaakt. Artikel29.Verhoging vordering bij niet tijdige betaling 1.Bij gebreke van tijdige en volledige betaling wordt de (resterende) vordering door het college: vanaf de datum van aanmaning verhoogd met de wettelijke rente en op de invordering betrekking hebbende kosten, waaronder kosten van dwangbevel; en gebruteerd voor zover de gemeente ten aanzien van de (resterende) vordering loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding als bedoeld in artikel 46 Zorgverzekeringswet inhoudingsplichtig is en geen verrekening meer mogelijk is met de belastingdienst, het UWV en de zorgverzekeraar. 2.In afwijking van het eerste lid onder a wordt geen wettelijke rente in rekening gebracht, wanneer: (het restant van) de vordering minder dan € 35.000,00 bedraagt; de totale in rekening te brengen rente minder dan € 20,00 bedraagt. Artikel30.Aanmaning 1.Als een belanghebbende: de vordering niet terugbetaalt of; niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of; een opgelegde betalingsverplichting niet (meer) nakomt, ontvangt hij een aanmaning tot nakoming van zijn betalingsverplichting. 2.De betalingstermijn van de aanmaning wordt gesteld op 7 dagen, te rekenen vanaf de datum van verzending daarvan. 3.De belanghebbende wordt in de aanmaning gewezen op verplichting tot betaling van het achterstallig bedrag ineens en op de wettelijke rente die is verschuldigd vanaf de datum van aanmaning. 4.Voor de aanmaning wordt bij belanghebbende een vergoeding in rekening gebracht ter hoogte van het bedrag genoemd in artikel 4:113 van de Awb, welke pas daadwerkelijk in rekening wordt gebracht als een dwangbevel wordt verzonden. Artikel31.Ingebrekestelling en dwangbevel 1.Blijft een belanghebbende, na te zijn aangemaand, weigeren om aan de betalingsverplichting te voldoen, dan: ontvangt hij een ingebrekestelling als sprake is van een terugvorderingsbesluit van vóór 1 juli 2009; vordert het college de vordering bij dwangbevel in als bedoeld in artikel 60 lid 2 PW respectievelijk artikel 28 lid 1 IOAW en artikel 28 lid 1 IOAZ, als sprake is van een terugvorderingsbesluit op of ná 1 juli 2009. vordert het college de vordering bij dwangbevel in als bedoeld in artikel 5:10 lid 2 Awb als sprake is van een vordering voortvloeiende uit een opgelegde bestuurlijke boete. 2.Het dwangbevel bevat een bevel tot betaling binnen 7 dagen na het uitvaardigen ervan. 3.De kosten van het dwangbevel worden vastgesteld conform artikel 4:120 lid 2 Awb en bedragen: 15% over de eerste € 2.500,00 van de vordering; 10% over de volgende € 2.500,00 van de vordering; 5% over de volgende € 5.000,00 van de vordering; 1% over de volgende € 190.000,00 van de vordering; 0,5% over het meerdere; waarbij de totale kosten van het dwangbevel niet meer mogen bedragen dan € 6.775,00. 4.De in rekening gebrachte vergoeding voor aanmaning, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden eveneens bij dwangbevel ingevorderd. Artikel32.Beslaglegging 1.Wanneer de belanghebbende na het ontvangen van de ingebrekestelling of het dwangbevel weigerachtig blijft om zijn betalingsverplichting na te komen wordt een voor ‘eerste grosse’ afgegeven terugvorderingsbesluit van vóór 1 juli van het lopend jaar respectievelijk het dwangbevel tenuitvoergelegd door middel van: vereenvoudigd derdenbeslag door het college als bedoeld in artikel 60 lid 5 PW respectievelijk artikel 28 lid 5 IOAW en artikel 28 lid 5 IOAZ; een executoriaal of conservatoir beslag op roerende of onroerende zaken overeenkomstig het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering waartoe een gerechtsdeurwaarder wordt ingeschakeld; het uitwinnen van zekerheden als pand of hypotheek. 2.Als het college de vordering ter executie overdraagt aan een derde die beroepsmatig belast is met de invordering, worden de door de derde gemaakte kosten volledig doorberekend aan belanghebbende. 3.In alle gevallen wordt de op basis van de wettelijke bepalingen vastgestelde beslagvrije voet gerespecteerd. Artikel33.Paspoortsignalering 1.Het college maakt gebruik van de mogelijkheid die artikel 25 Paspoortwet biedt om bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in het bijzonder bij de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens, een verzoek in te dienen tot opneming in het Register Paspoortsignaleringen van de personalia van een debiteur met een Nederlands reisdocument. 2.Ingevolge artikel 22 Paspoortwet is een verzoek als bedoeld in het eerste lid alleen mogelijk als: sprake is van een (resterende) vordering van meer dan € 5.000,00 en de debiteur, ook na het treffen van invorderingsmaatregelen, nalatig is in het nakomen van zijn betalingsverplichting en het gegronde vermoeden bestaat dat hij zich door verblijf buiten de grenzen van de landen van het Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering zal onttrekken. 3.Als Nederlands reisdocument worden aangemerkt de in artikel 2 lid 1 Paspoortwet vermelde reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden. AFZIEN INVORDERING EN KWIJTSCHELDING Artikel34.Uitstel aflossingsverplichtingen schort termijnen niet op Een door het college op grond van artikel 26 van deze beleidsregels verleend uitstel van aflossing telt niet mee bij de bepaling van de termijnen als vermeld in dit hoofdstuk. Artikel35.Bij vermogen geen uitstel afzien van invordering of kwijtschelding Het college ziet niet af van (verdere) invordering en gaat evenmin over tot (gehele of gedeeltelijke) kwijtschelding als bedoeld in dit hoofdstuk als belanghebbende beschikt over in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 PW met dien verstande dat: de door het college als lening verstrekte uitkering(
- en)en eventuele teruggevorderde uitkering(
- en)buiten beschouwing worden gelaten; het bepaalde in artikel 34 lid 2 onderdeel c PW geen toepassing vindt. Artikel36.Afzien (verdere) invordering niet-fraudevorderingen en leningen 1.Het college ziet in individuele situaties af van (verdere) invordering en gaat over tot administratieve afboeking wanneer de (restant) vordering een bedrag van € 300,00 niet te boven gaat, voor zover geen verrekening met een uitkering mogelijk is en het treffen van (verdere) invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet (langer) doelmatig is. 2.Bij een (restant) vordering van € 300,00 en meer, kan het college ook omwille van doelmatigheidsredenen besluiten om van (verdere) invordering af te zien en tot administratieve afboeking over te gaan, indien incasso van de vordering gedurende vijf jaar onmogelijk is gebleken en het niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten. Artikel37.Afzien (verdere) invordering fraudevorderingen 1.Het college ziet in individuele situaties af van (verdere) invordering en gaat over tot administratieve afboeking wanneer de (restant) fraudevordering niet meer bedraagt dan € 300,00, voor zover geen verrekening met een uitkering mogelijk is en het treffen van (verdere) invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet (langer) doelmatig is. 2.Bij een (restant) fraudevordering tussen de € 300,00 en € 5.000,00 kan het college ook omwille van doelmatigheidsredenen besluiten om van (verdere) invordering van ten onrechte of teveel verstrekte uitkering af te zien en tot administratieve afboeking over te gaan, indien: incasso van de vordering gedurende tien jaar onmogelijk is gebleken en het niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten. 3.Bij een (restant) fraudevordering tussen € 5.000,00 en € 50.000,00 kan het college ook omwille van doelmatigheidsredenen besluiten om van (verdere) invordering van ten onrechte of teveel verstrekte uitkering af te zien en tot administratieve afboeking over te gaan, indien: incasso van de vordering gedurende vijftien jaar onmogelijk is gebleken en het niet aannemelijk is dat belanghebbende op enig moment betalingen zal gaan verrichten en een eventuele paspoortsignalering als bedoeld in artikel 22 Paspoortwet niet heeft geleid tot voldoening van de vordering. 4.Bij een (restant) fraudevordering van € 50.000,00 en meer moet voor de in het voorgaande lid onder a genoemde termijn van vijftien jaar gelezen worden: 20 jaar. Artikel38.Begrip “volledig aan zijn betalingsverplichtingen hebben voldaan” Een belanghebbende heeft volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan als bedoeld in deze paragraaf, als hij ten aanzien van de betreffende vordering of lening tot aan het moment van beoordeling en gedurende de van toepassing zijnde periode aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan conform de beschikking waarin de aflossingscapaciteit is vastgesteld. Artikel39.Kwijtschelding niet-fraudevorderingen 1.In afwijking van artikel 14 lid 2 van deze beleidsregels besluit het college ambtshalve dan wel op schriftelijk verzoek van een belanghebbende tot kwijtschelding van de (resterende) vordering, niet zijnde een fraudevordering, als de belanghebbende: gedurende 90 al dan niet aaneensloten maandtermijnen volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; of gedurende 90 aaneengesloten maanden niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de eventueel daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; of een bedrag, overeenkomend met ten minste 75% van de restsom, vermeerderd met de daarover eventueel verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, in één keer betaalt waarbij de betalingstermijn van zes weken als bedoeld in artikel 4:87 Awb moet zijn verstreken en reeds is aangevangen met aflossing conform de vastgestelde aflossingsverplichtingen. 2.Voor de in het voorgaande lid genoemde termijn van 90 maanden moet 60 maanden worden gelezen, als het gemiddelde inkomen van de belanghebbende in die periode de op grond van de wettelijke bepalingen vastgestelde beslagvrije voet niet te boven is gegaan. Artikel40.Kwijtschelding fraudevorderingen 1.In afwijking van artikel 58 lid 1 PW besluit het college ambtshalve dan wel op schriftelijk verzoek van een belanghebbende tot kwijtschelding van de (resterende) fraudevordering, voor zover de hoofdsom van de vordering minder dan € 50.000,00 bedraagt en belanghebbende: gedurende 180 al dan niet aaneengesloten maandtermijnen volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; gedurende 180 aaneengesloten maanden niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de eventueel daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald; een bedrag, overeenkomend met ten minste 75% van de restsom, vermeerderd met de daarover eventueel verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, in één keer betaalt; gedurende 180 aaneengesloten maanden geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. 2.Bij fraudevorderingen van € 50.000,00 en meer moet voor de in het voorgaande lid vermelde termijn van 180 maanden worden gelezen: 240 maanden. 3.Voor de in het eerste lid genoemde termijn van 180 maanden moet 120 maanden worden gelezen en voor de in het tweede lid genoemde termijn van 240 maanden moet 180 maanden worden gelezen, als het gemiddelde inkomen van de belanghebbende in die periode de op grond van de wettelijke bepalingen vastgestelde beslagvrije voet niet te boven is gegaan. Artikel41.Kwijtschelding van als lening verstrekte uitkering Het college besluit tot kwijtschelding van de (resterende) lening als belanghebbende: gedurende 48 al dan niet aaneengesloten maandtermijnen volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; gedurende 48 aaneengesloten maanden niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode alsnog heeft betaald; gedurende 48 maanden geen mogelijkheden tot aflossing zijn geweest en die mogelijkheid zich naar verwachting ook niet zal voordoen. Artikel42.Uitzonderingen gehele of gedeeltelijke kwijtschelding Kwijtschelding als bedoeld in deze paragraaf vindt niet plaats als sprake is van: fraudevorderingen ten gevolge van recidive; vorderingen voortvloeiende uit opgelegde boeten; vorderingen voortvloeiende uit afstemmingen (maatregelen); terugvorderingen krachtens het Burgerlijk Wetboek van onverschuldigde betalingen; op grond van het Bbz 2004 als lening verstrekt bedrijfskapitaal respectievelijk teruggevorderde kosten van verstrekt bedrijfskapitaal; vorderingen die in handen van een deurwaarder zijn gegeven of; vorderingen en leningen die door pand of hypotheek zijn gedekt. Artikel43.Intrekking besluit afzien invordering respectievelijk kwijtschelding Een besluit tot afzien van (verdere) invordering dan wel tot (gedeeltelijke) kwijtschelding op grond van deze paragraaf wordt ingetrokken, als op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel44.Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding bij schuldregeling 1.Het college verleent medewerking aan een minnelijke of wettelijke schuldregeling als aan onderstaande voorwaarden is voldaan: het is redelijkerwijs te voorzien dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; het is redelijkerwijs te voorzien dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering zal ten minste worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang; het verzoek tot medewerking aan een schuldsanering /-bemiddeling is ingediend door een bij het NVVK aangesloten schuldbemiddelingsorganisatie of een Nederlandse gemeente. 2.Het eerste lid is niet van toepassing als: de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende waardoor artikel 60c PW respectievelijk artikel 29a IOAW of artikel 29a IOAZ van toepassing is; de vordering wordt gedekt door een pand- of hypotheekrecht op een goed of goederen, tenzij de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. 3.Het besluit tot het afzien van (verdere) invordering treedt niet in werking voordat een stabilisatieperiode van kracht is geworden of een schuldregeling tot stand is gekomen. 4.Het besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding treedt niet in werking voordat een schuldregeling succesvol en met ‘schone lei’ is afgerond. 5.Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd als: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een minnelijke of wettelijke schuldregeling tot stand is gekomen; de vordering van de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling wordt voldaan; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. HOOFDSTUK5.VERHAAL Artikel45.Verplichtingen van de bijstandsgerechtigde tot het (op)eisen van alimentatie 1.Als de bijstandsgerechtigde een wettelijke aanspraak heeft op een onderhoudsbijdrage, dan is de bijstandsgerechtigde verplicht om deze onderhoudsbijdrage vast te (laten) stellen door de rechter en om de onderhoudsbijdrage te verkrijgen. 2.Als gewijzigde omstandigheden leiden tot een wijziging van € 25,00 of meer moet de onderhoudsbijdrage opnieuw worden vastgesteld. 3.De verplichtingen zoals bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval de eis: dat de onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld op basis van recente draagkrachtberekening aan de hand van de geldende trema-normen; dat het verzoek tot het verkrijgen van de onderhoudsbijdrage niet eerder aan de rechter wordt voorgelegd dan nadat dit is goedgekeurd door het college. 4.Als de bijstandsgerechtigde niet heeft voldaan aan de verplichting zoals bedoeld in het eerste lid of dit in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd, kan het college overgaan tot het zelfstandig verhalen van de onderhoudsbijdrage. Artikel46.Bevoegdheid tot verhaal 1.Het college verhaalt de kosten van bijstand voor zover de onderhoudsplichtige zijn onderhoudsplicht niet of niet volledig nakomt en daardoor aan de bijstandsgerechtigde meer bijstand verstrekt moet worden. 2.Het college verhaalt de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de aanvraag om bijstand met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden als de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van verlening van bijstand niet heeft kunnen voorzien; 3.Het college verhaalt de kosten van bijstand op de nalatenschap van de persoon als: aan de overleden persoon ten onrechte bijstand was verleend en voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden; bijstand is verleend in de vorm van een geldlening of als gevolg van borgtocht. Artikel47.Afzien van het nemen van een besluit tot verhaal 1.In afwijking van artikel 46 ziet het college af van (aanvullend) verhaal als: het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 25,00 per maand, tenzij er sprake is van een rechtelijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 62b van de wet; de onderhoudsplichtige in een minnelijke of wettelijke schuldsaneringstraject zit; de onderhoudsplichtige in het buitenland woont en geen inkomen ontvangt van een in Nederland gevestigde organisatie. de onderhoudsplichtige als niet-ingezetene is geregistreerd in de Basisregistratie personen en geen inkomen ontvangt van een in Nederland gevestigde organisatie; naar het oordeel van het college gelet op alle omstandigheden van de onderhoudsplichtige of de bijstandsgerechtigde daartoe dringende redenen aanwezig zijn. 2.In afwijking van het eerste lid verhaalt het college de kosten van bijstand alsnog als: de onderhoudsplichtige zich niet houdt aan niet houdt aan de voorwaarden van de schuldregeling waardoor deze niet slaagt; er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste en/of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel48.Ingangsdatum verhaalsbijdrage De verhaalbijdrage wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het besluit tot verhaal van de kosten van bijstand is verzonden. Artikel49.Berekening verhaalsbijdrage 1.De verhaalsbijdrage wordt berekend middels het berekeningsprogramma INA. 2.De berekening wordt gebaseerd op de draagkracht en de behoefte ten tijde van het aanvragen van de uitkering en niet het moment van verlating. Artikel50.Limitering hoogte van verhaalsbijdrage 1.De hoogte van de verhaalsbijdrage wordt in beginsel vastgesteld aan de hand van de maatstaven zoals bedoeld in artikel 397 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 2.Als de onderhoudsplichtige niet of onvoldoende voldoet aan de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid van de wet, wordt de hoogte van de verhaalsbijdrage maximaal vastgesteld op de bruto verleende of te verlenen bijstand. Artikel51.Indexering verhaalsbijdrage rechtelijke uitspraak In overeenstemming met artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek worden enkel de door de rechter, dan wel door partijen bij overeenkomst, vastgestelde verhaalsbijdragen jaarlijks geïndexeerd. Artikel52.Invordering van verhaalsbijdrage 1.Wanneer er geen uitvoerbare rechterlijke uitspraak is, in de zin van artikel 62b van de PW, en de onderhoudsplichtige op wie wordt verhaald, de vastgestelde verhaalsbijdrage niet of niet tijdig betaalt, verhaalt het college in rechte. 2.Als de onderhoudsplichtige zijn betalingsverplichting volgend uit lid 1 niet nakomt, vordert het college de vordering bij dwangbevel in. 3.De kosten van aanmaning, wettelijke rente en van het dwangbevel worden bij dwangbevel ingevorderd. 4.Het dwangbevel bevat een bevel tot betaling binnen 7 dagen na het uitvaardigen van het dwangbevel. Artikel53.(Her)onderzoek verhaalsbijdrage 1.Eén keer per 24 maanden verricht het college onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage. 2.Onverminderd het eerste lid onderzoekt het college op verzoek van de onderhoudsplichtige, dan wel ambtshalve als gevolg van gewijzigde omstandigheden van de onderhoudsplichtige, of de eerder opgelegde verhaalsbijdrage geheel of ten dele moet worden herzien. 3.Als wijziging in draagkracht minder is dan €25,00 per maand, wordt de verhaalsbijdrage niet aangepast), aan te bevelen om dat wel op te nemen. HOOFDSTUK6.BESTUURLIJKE BOETE Artikel54.Inlichtingenplicht Het college verstaat onder ‘onverwijld uit eigen beweging’ als bedoeld in artikel 17, eerste lid PW en artikel 13, eerste lid van de IOAW en IOAZ, dat belanghebbende zonder dat het college daar gericht naar moet vragen, alle wijzigingen die van belang zijn voor het recht op uitkering verstrekt. Belanghebbende dient de wijzingen door te geven middels inlevering van het daarvoor bedoelde wijzigingsformulier binnen de termijn van 1 week, te rekenen vanaf het moment waarop het te melden feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan dan wel kenbaar werd voor belanghebbende. Artikel55.Aangifte in plaats van een boete 1.Het college doet overeenkomstig de Richtlijn Sociale Zekerheidsfraude aangifte bij het Openbaar Ministerie bij een benadelingsbedrag van meer dan € 50.000,00. 2.Bovendien doet het college aangifte bij een benadelingsbedrag tot en met € 50.000,00 indien er sprake is van een uitzondering als genoemd in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude. 3.Indien het Openbaar Ministerie niet overgaat tot vervolging naar aanleiding van de aangifte als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt alsnog een boete beoordeeld. Artikel56.Waarschuwing in plaats van een boete 1.Het college volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien: de schending van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag; het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,00; de belanghebbende onjuiste, onvolledige of geen inlichtingen heeft verstrekt maar hij binnen een termijn van 60 dagen alsnog uit eigen beweging de inlichtingen verstrekt voor zover het college niet reeds zelf de overtreding heeft geconstateerd of belanghebbende inlichtingen verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenplicht; 2.In aanvulling op het eerste lid vindt er geen boeteonderzoek plaats en wordt er geen schriftelijke waarschuwing afgegeven indien er sprake is van een aanvraag krachtens de PW, IOAW en IOAZ welke wordt ingetrokken, of buiten behandeling wordt gesteld, of wordt afgewezen met reden dat niet voldaan is aan de inlichtingenplicht. 3.In afwijking van het eerste lid kan er niet worden volstaan met een waarschuwing als de schending van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing of een boete is opgelegd. Het college legt dan een bestuurlijke boete op van € 150,00 welke vervolgens definitief wordt vastgesteld onder toepassing van artikel 6 van deze beleidsregels. Artikel57.Benadelingsbedrag 1.De boete kan niet hoger worden vastgesteld dan het benadelingsbedrag dat ten gevolge van de schending inlichtingenplicht is ontstaan. 2.Onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. 3.Er is geen sprake van een benadelingsbedrag indien: onder toepassing van artikel 58 lid 4 PW en artikel 28 IOAW en IOAZ verzwegen inkomsten worden verrekend; een voorschot bij schending van de inlichtingenplicht wordt verrekend met de toegekende bijstand of wordt teruggevorderd bij een buiten behandeling stelling. Artikel58.Hoogte van de boete 1.In de beoordeling van de hoogte van de boete worden de mate van verwijtbaarheid, bijzondere omstandigheden en dringende redenen betrokken. 2.De mate van verwijtbaarheid volgt de volgende vier categorieën: Opzet. De boete bedraagt dan 100% van het benadelingsbedrag maar maximaal € 81.000,00. Grove schuld. De boete bedraagt dan 75% van het benadelingsbedrag maar maximaal € 8.100,00. Normale verwijtbaarheid. De boete bedraagt dan 50% van het benadelingsbedrag maar maximaal € 5.467,00. Verminderde verwijtbaarheid. De boete bedraagt dan 25% van het benadelingsbedrag maar maximaal € 2.734,00. 3.Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin belanghebbende verkeert op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen. Artikel59.Opzet Het college acht in ieder geval in de volgende gevallen opzet aanwezig: belanghebbende heeft al dan niet in het kader van een handhavingsonderzoek, zelf aangegeven en toegegeven dat hij de inlichtingenverplichting niet is nagekomen om te voorkomen dat hij een lagere uitkering zou ontvangen of de uitkering zou verliezen; het verzwijgen van werkzaamheden of uitbreiding van de werkzaamheden en daarmee gemoeide inkomsten, of het verzwijgen van de gezinssamenstelling of van bezit van vermogen of goederen van waarde. Artikel60.Grove schuld Het college acht in ieder geval in de volgende gevallen grove schuld aanwezig: belanghebbende heeft bij herhaling geen of onjuiste informatie verstrekt, terwijl ten aanzien van deze overtredingen ten minste sprake is geweest van een normale verwijtbaarheid, of er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich normale verwijtbaarheid opleveren, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot grove schuld. Artikel61.Verminderde verwijtbaarheid Het college acht in ieder geval in de volgende gevallen verminderde verwijtbaarheid aanwezig: de belanghebbende verkeerde op het moment dat hij aan zijn verplichting moest voldoen in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren, en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan zijn verplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de informatie niet tijdig of volledig aan het college is verstrekt. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. de overtreding van de inlichtingenplicht of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het college dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen. Artikel62.Geen verwijtbaarheid Het college acht in ieder geval in de volgende situaties geen verwijtbaarheid aanwezig: als een belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie verstrekt of een wijziging van omstandigheden niet onverwijld meldt, maar uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt voordat het college de overtreding constateert is er geen sprake van verwijtbaarheid. als er bij een belanghebbende sprake is van een zodanige psychische stoornis dat hij niet (op tijd) aan de inlichtingenplicht kan voldoen, of hij door zijn geestelijke vermogens feitelijk handelingsonbekwaam is en er (nog) geen sprake is van een adequate begeleiding en/of hulpverlening; Artikel63.Geen sprake van verminderde of ontbreken van verwijtbaarheid Er is in ieder geval geen sprake van verminderde of ontbreken van verwijtbaarheid in de volgende gevallen: een belanghebbende begrijpt de inhoud van de correspondentie van het college niet, bijvoorbeeld omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. een belanghebbende is langere tijd niet in staat zijn belangen te behartigen. Artikel64.Afzien van het opleggen van een boete wegens dringende redenen Van het opleggen van een bestuurlijke boete kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Artikel65.Berekening van de fictieve draagkracht 1.Het college beoordeelt de financiële draagkracht van belanghebbende als onderdeel voor het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete, overeenkomstig de richtlijnen van de Centrale Raad van Beroep. 2.Uitgangspunt is dat de boete door belanghebbende met de beschikbare draagkracht binnen redelijke termijn kan worden voldaan: opzet: binnen 24 maanden; grove schuld: binnen 18 maanden; normale verwijtbaarheid: binnen 12 maanden; verminderde verwijtbaarheid: binnen 6 maanden. 3.Als fictief beschikbare draagkracht zoals bedoeld in eerste lid wordt aangemerkt: 100% van het meerinkomen boven de 90% van de toepasselijke bijstandsnorm; een bedrag van € 45,00 op maandbasis als geen sprake is van inkomen, een inkomen dat minder bedraagt dan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm of als sprake is van een toepasselijke kostendelersnorm. 4.De vast te stellen boete kan niet meer bedragen dan het aantal maanden van de toepasselijke redelijke termijn als bedoeld in lid 2 vermenigvuldigd met de fictief beschikbare draagkracht als bedoeld in lid 3. 5.Indien de belanghebbende een IOAW of IOAZ uitkering ontvangt of géén uitkering meer ontvangt, wordt de fictieve draagkracht vastgesteld op basis van de informatie die de belanghebbende dient te verstrekken op een door het college vastgesteld inlichtingenformulier. 6.Indien de belanghebbende als bedoeld in het voorgaande artikel is gehuwd, geldt deze informatieplicht tevens voor de echtgenoot. 7.Indien de belanghebbende respectievelijk de echtgenoot als bedoeld in lid 5 en lid 6 de inlichtingen die nodig zijn voor de vaststelling van de fictieve draagkracht niet of niet tijdig verstrekt, wordt bij de vaststelling van de hoogte van de boete geen rekening gehouden met de fictieve draagkracht. 8.Eventueel aanwezig vermogen wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van de fictieve draagkracht. Artikel66.Recidive 1.Er is sprake van recidive als: de schending van de inlichtingenplicht heeft geleid tot een benadelingsbedrag; en binnen een tijdvak van 5 jaar voorafgaand aan de dag van de schending van de inlichtingenplicht een eerdere boete is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit dezelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden. 2.In het geval van recidive wordt 150% van het benadelingsbedrag als uitgangspunt bij bepaling van de hoogte van de boete genomen alvorens deze wordt getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als benoemd in artikel 6 lid 2 van deze beleidsregels. Artikel67.Afronding De op basis van deze beleidsregels berekende hoogte van de op te leggen boete wordt naar beneden afgerond op hele euro’s. Artikel68.Invordering van de boete 1.Onder toepassing van artikel 60 en 60a PW en met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht verrekent het college indien er sprake is van een lopende uitkering de bestuurlijke boete verplicht met de uitkering. 2.De regels van de beslagvrije voet dienen in acht te worden genomen. 3.Er wordt afgezien van verrekening als: de verrekening onaanvaardbare consequenties heeft voor de eventuele minderjarige leden van het gezin van belanghebbende(n); dan wel de gezondheidstoestand van (een van
- de)belanghebbende(
- n)of gezinsleden naar het oordeel van het college ernstig wordt bedreigd doordat mogelijkheden ontbreken om de noodzakelijke medicatie of behandeling(
- en)te bekostigen. Artikel69.Kwijtschelding van de boete 1.Op verzoek van degene aan wie de boete is opgelegd kan de boete overeenkomstig artikel 18a lid 13 PW en artikel 20a IOAW geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden bij medewerking aan een schuldregeling mits geen sprake is geweest van opzet of grove schuld en belanghebbende niet binnen één jaar te rekenen nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging heeft begaan. 2.Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de boete op grond van het voorgaande lid is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid van de gedraging waarvoor een boete is opgelegd: bij normale verwijtbaarheid: 50% kwijtschelding; bij verminderde verwijtbaarheid: 100% kwijtschelding. HOOFDSTUK7.BIJZONDERE BIJSTAND Artikel70.Bijzondere bijstand 1.Bijzondere bijstand wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan. 2.Bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die noodzakelijk zijn hetzij als gevolg van de bijzondere aard van de kosten, hetzij als gevolg van de bijzondere omstandigheden van betrokkene, waarbij geen (toereikende) voorliggende voorziening aanwezig is en welke kosten niet voortvloeien uit de eigen keuzen of voorkeuren van de betrokkene. Artikel71.Drempelbedrag Het college hanteert bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand geen drempelbedrag als bedoel in artikel 35, tweede lid, van de PW. Artikel72.Draagkracht 1.Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht uit inkomen en/of vermogen van de belanghebbende en zijn gezin. 2.Er is geen draagkracht uit inkomen en vermogen aanwezig bij: personen met een uitkering op grond van de PW; personen die in het kader van de Wgs een minnelijke of wettelijke schuldregeling hebben. 3.Het inkomen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de PW wordt als draagkracht in aanmerking genomen voor zover het meer bedraagt dan 130% van de voor belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm. 4.Voor personen met een inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag wordt 100% van het inkomen boven deze norm als draagkracht aangemerkt in het geval van: buitengewone verwervingskosten, met uitzondering van de kosten voor kinderopvang; woonkostentoeslagen; extra kledingkosten in verband met onvoorziene omstandigheden; begrafeniskosten voor nabestaanden. 5.Bij de bepaling van de draagkracht wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de PW buiten beschouwing gelaten. 6.De draagkracht uit inkomen wordt bij een stabiel inkomen gebaseerd op het inkomen op het moment van aanvraag. In de volgende situaties wordt hiervan afgeweken: bij een onregelmatig inkomen wordt de draagkracht berekend op basis van het gemiddelde inkomen over de drie voorafgaande maanden; bij inkomen uit zelfstandig bedrijf of beroep, wordt de draagkracht berekend op basis van het inkomen over het kalenderjaar voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag. Basis hiervoor is primair de (voorlopige) aanslag over dat jaar en secundair de aangifte, ingevolge de Belastingwet. 7.Voor personen met een vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid van de PW wordt 100% van het vermogen boven de grens als draagkracht aangemerkt. 8.Voor de inkomensvaststelling en de vaststelling van het vermogen wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de algemene bijstand. 9.De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de aanvraag is gedaan en heeft de duur van één jaar. 10.Bij een wijziging van het netto-inkomen van 20% of meer kan de draagkracht in de eerder vastgestelde draagkrachtperiode tussentijds worden aangepast. 11.De waarde van duurzame gebruiksgoederen zoals vervoermiddelen (brommers, motor, auto of caravan) worden niet in beschouwing genomen indien de levensduur minimaal 10 jaar of ouder is. Artikel73.Bijstand om niet of geldlening 1.Tenzij deze beleidsregels anders bepalen, wordt de bijzondere bijstand verstrekt als een uitkering om niet. 2.De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt in de gevallen die worden genoemd in artikel 48, tweede lid van de PW en indien de bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen betreft als bedoeld in artikel 51 van de PW, tenzij maatwerk wordt toegepast. 3.Aan de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf waarvan de waarde op grond van de Wet Waardering onroerende zaken (WOZ) de hypothecaire schulden overtreft, verleent het college de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening als de bijzondere bijstand over de periode van één jaar naar verwachting meer bedraagt dan het netto wettelijk minimumloon over één maand, als bedoeld in artikel 37 van de PW. Artikel74.Aanvraag 1.Bijzondere bijstand wordt slechts op aanvraag verstrekt. 2.De aanvrager dient gebruik te maken van de beschikbaar gestelde aanvraagformulieren. 3.Een aanvraag om bijzondere bijstand moet in beginsel worden ingediend voordat de kosten zijn gemaakt of in ieder geval binnen drie maanden na het opkomen van de kosten. 4.In geval van bijzondere bijstand voor periodieke kosten wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de hoogte van deze kosten op jaarbasis. 5.Indien een aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend nadat de drie maanden als genoemd in het derde lid van dit artikel zijn verstreken, kan bijzondere bijstand toch worden toegekend onder voorwaarde dat de aanvraag is ingediend binnen uiterlijk 12 maanden nadat de kosten zijn opgekomen en de volgende situatie van toepassing is: het op basis van individuele omstandigheden niet mogelijk was op een vroeger moment de bijzondere bijstand aan te vragen, én er geen enkele twijfel bestaat over de noodzaak van de kosten, de bijzondere omstandigheden waaruit de kosten zijn ontstaan en de hoogte van het inkomen en vermogen op het moment dat de kosten werden gemaakt. Artikel75.Periodieke bijzondere bijstand en mogelijkheid tot maatwerk 1.Periodieke bijzondere bijstand wordt toegekend voor de duur van maximaal één jaar. 2.Op aanvraag kan de periodieke bijstand telkens voor maximaal één jaar worden voortgezet mits door uitzonderlijke of specifieke situaties hiervan moet worden afgeweken en de toekenning, na beoordeling van de omstandigheden, langer dan de toegekende termijnen kan worden verstrekt of verlengd tot maximaal 3 jaar. Dit is van toepassing op bijdragen gericht op de kosten voor bewindvoering, reiskosten statushouders voor de inburgering of tegemoetkoming collectieve zorgverzekering. 3.Tenzij deze beleidsregels anders bepalen, wordt periodieke bijzondere bijstand maandelijks uitbetaald. 4.De berekende jaarlijkse draagkracht wordt voor de periodieke bijzondere bijstand maandelijks verrekend. TOESLAGEN Artikel76.Jongerentoeslag 1.Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van zelfstandig wonende jongeren van 18 tot 21 jaar is mogelijk als en voor zover: de noodzakelijke kosten van bestaan uitgaan boven de geldende bijstandsnorm en in de hogere bestaanskosten niet kan worden voorzien door het delen van deze kosten met (een) ander(en); voor de kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat: de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken. 2.De jongere bedoelt in het eerste lid van dit artikel wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als: de ouder(
- s)is (zijn) overleden; de jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is geplaatst; de jongere op de datum van de aanvraag 12 maanden of langer zelfstandig woont; er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de minderjarige zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Hiervoor is onderzoek naar de hoogte van de noodzakelijke kosten van het bestaan vereist. 4.Met inachtneming van het gestelde in het derde lid van dit artikel, bedraagt de bijzondere bijstand maximaal een aanvulling tot het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud van een uitwonende student in het hoger onderwijs zoals deze is vastgesteld in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. 5.In uitzondering op het gestelde onder het vierde lid van dit artikel kan aan zelfstandig wonende gehuwden, waarvan een of beide echtgeno(o)t(
- en)18, 19 of 20 jaar zijn, een toeslag worden verleend tot maximaal de normuitkering voor een gezin indien zich omstandigheden voordoen als bedoeld in het tweede lid. 6.In uitzondering op het gestelde in het vierde lid van dit artikel kan aan een zelfstandig wonende alleenstaande ouder van 18, 19 of 20 jaar een toeslag worden verleend tot maximaal de normuitkering van een alleenstaande ouder, indien zich omstandigheden voordoen als genoemd in het tweede lid van dit artikel. Artikel77.Woonkostentoeslag 1.Onder woonkosten wordt in deze beleidsregels verstaan: indien een woning in huur wordt bewoond: de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5, van de Wet op de huurtoeslag; indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de hypotheekrente minus de voorlopige teruggave belastingen (de hypotheekrente aftrek) en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten. 2.Woonkostentoeslag voor een huurwoning: indien belanghebbende een woning bewoont, waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geen belemmering vormt voor toekenning van de huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld nog geen aanspraak kan maken op deze toeslag, wordt een woonkostentoeslag verstrekt tot de datum waarop belanghebbende wel in aanmerking komt voor huurtoeslag. De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag voor de woonkosten per maand zou ontvangen. indien belanghebbende een woning bewoont waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag een belemmering vormt voor toekenning van de huurtoeslag wordt, mits er geen sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, een woonkostentoeslag verstrekt. De hoogte van de woonkostentoeslag wordt vastgesteld op de woonkosten minus de huurlasten zoals deze zouden gelden als belanghebbende in een woning zou wonen waarvan de huur gelijk is aan de maximale huurgrens als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag en belanghebbende wel huurtoeslag zou hebben ontvangen. 3.Woonkostentoeslag bij een woning in eigendom: indien belanghebbende een eigen woning bezit, waar hij tevens woont, kan woonkostentoeslag worden verstrekt. bij bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag wordt aangesloten bij de regels voor woonkostentoeslag aan huurders. De hoogte van de woonkostentoeslag wordt vastgesteld op de woonkosten minus de huurlasten zoals deze zouden gelden als belanghebbende in een huurwoning met gelijke woonkosten zou wonen en huurtoeslag zou ontvangen. indien belanghebbende een woning bewoont waarbij de woonkosten het bedrag genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag (de maximale huurgrens) overschrijden, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag vastgesteld op de woonkosten minus de huurlasten zoals deze zouden gelden als belanghebbende in een huurwoning zou wonen waarvan de huur gelijk is aan de maximale huurgrens en belanghebbende wel huurtoeslag zou hebben ontvangen. aan de belanghebbende wordt de woonkostentoeslag verstrekt onder de voorwaarde dat vooraf om voorlopige teruggave van belastingen wordt verzocht. 4.Aan de woonkostentoeslag is de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende naar vermogen tracht goedkopere woonruimte te vinden. Dit is de zogenoemde verhuisplicht. 5.De woonkostentoeslag wordt toegekend voor de periode van maximaal één jaar. 6.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college naar vermogen heeft getracht goedkopere woonruimte te vinden, maar dit niet is gelukt, dan kan de woonkostentoeslag worden verlengd met maximaal één jaar. 7.De verhuisplicht wordt niet opgelegd aan personen (in huurwoning of woning in eigendom) met een beperking, als de hoge huur wordt veroorzaakt door voorzieningen die in de woning zijn aangebracht vanwege de beperking, als de hoofdbewoner die woning nodig heeft voor het uitoefenen van zijn/haar beroep, of voor een korte tijd beroep doet op de bijstand, tenzij er sprake is van bedrijfsbeëindiging. Artikel78.Toeslag alleenstaande ouder 1.Bijzondere bijstand in de vorm van een toeslag alleenstaande ouder is mogelijk indien de alleenstaande ouder geen aanspraak kan maken op het volledige kindgebonden budget als gevolg van het afwijkende partnerbegrip in de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (Awir). 2.De hoogte van de toeslag alleenstaande ouder wordt vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm voor een echtpaar als bedoeld in artikel 21 onder b van de wet. 3.Aan de toeslag is de verplichting verbonden dat de alleenstaande ouder de duur van de bijstandsverlening zo veel mogelijk beperkt door waar mogelijk het Awir-partnerschap bij de Belastingdienst ongedaan te laten maken. 4.Een toeslag alleenstaande ouder kan ook worden verstrekt als er geen sprake is van een afwijkend partnerbegrip, maar geen kindgebonden budget wordt ontvangen, omdat deze pas wordt verstrekt per de eerste dag van de maand volgend op de datum van een wijziging in de situatie van de alleenstaande ouder. INDIVIDUELE VERSTREKKINGEN BIJZONDERE BIJSTAND Artikel79.(Para)medische kosten 1.De Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn passende en toereikende voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15 van de PW. Kosten die onder deze regelingen vallen, maar waarvoor geen (volledige) vergoeding wordt gegeven, komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. 2.Personen die zich niet aanvullend kunnen verzekeren als gevolg van opname in het wanbetalersregime zorgpremie kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als vergoeding van noodzakelijke medische kosten niet vallen onder de basisverzekering. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de vergoedingen zoals deze worden gegeven bij deelname aan het uitgebreide pakket van de collectieve zorgverzekering. Artikel80.Extra stookkosten, waskosten (bewassing) en kledingslijtage – chronisch zieken en gehandicapten 1.Bijzondere bijstand voor extra stookkosten, extra waskosten (bewassing) en extra kosten in verband met kledingslijtage is mogelijk als en voor zover: er een medische noodzaak is voor het maken van deze extra kosten, én de medische noodzaak van extra kosten middels een medisch advies is vastgesteld én het gaat om kosten die uitkomen boven de gemiddelde kosten zoals vermeld in de Nibud-prijzengids. 2.Bijzondere bijstand voor extra stookkosten wordt eenmaal per jaar verleend en wordt vastgesteld op 14% van de gemiddelde stookkosten zoals vermeld in de Nibud-prijzengids, tot een maximum van € 435,00 per jaar, waarbij het type woning van de aanvrager uitgangspunt is. 3.De hoogte van de bijzondere bijstand voor extra waskosten en extra kosten in verband met kledingslijtage wordt vastgesteld op het verschil tussen het totaal aan te verwachte kosten en de gemiddelde kosten zoals vermeld in de Nibud-prijzengids. Artikel81.Uitvaartkosten 1.Indien de nalatenschap van de overledene onvoldoende opbrengt en er geen sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van bijvoorbeeld een uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering, kan in de kosten van de begrafenis of crematie aan de nabestaanden, ieder voor het eigen aandeel in deze kosten, bijzondere bijstand worden verleend. 2.Bijzondere bijstand ten behoeve van uitvaartkosten kan verleend worden aan erfgenamen en bloed- en aanverwanten die krachtens de artikelen 392 tot en met 396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, voor zover de erfgenaam of bloed- en aanverwante niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel
- in)de uitvaartkosten te voldoen. 3.Voor bijstandsverlening komen slechts de strikt noodzakelijke kosten in aanmerking, waaronder wordt verstaan: legeskosten overlijdensakte; werkzaamheden uitvaartverzorger; eenvoudige kist; grafrechten of crematiekosten; rouwauto met maximaal één volgauto; rouwkaarten; overbrengen van overledene naar rouwcentrum of woonhuis; laatste verzorging overledene; opbaren in rouwcentrum of thuis; dragers; eenvoudige grafzerk of urn. 4.Voor de volgende kosten wordt geen bijzondere bijstand verstrekt: rouwadvertentie; kosten eredienst en/of kosten die voortvloeien uit culturele en religieuze achtergrond; koffietafel; een begrafenis of crematie in het buitenland. 5.De hoogte van de bijzondere bijstand voor uitvaartkosten is gekoppeld aan de maximale bedragen zoals opgenomen in de bijlage, waarbij ervan uit gegaan wordt dat ieder van de erfgenamen en bloed- en aanverwanten, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, een gelijk aandeel draagt in de kosten. 6.De bijzondere bijstand wordt verleend “om niet”, tenzij aannemelijk is te achten dat er achteraf voldoende middelen zijn. Artikel82.Reiskosten 1.Voor het bezoeken van een in het ziekenhuis verpleegde partner dan wel bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, kan voor zover de kosten niet uit anderen hoofde worden vergoed, bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal één keer per dag. 2.Voor het bezoeken van een gedetineerde partner dan wel bloed- of aanverwant in de eerste graad, kan voor zover de kosten niet uit anderen hoofde worden vergoed, bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal eenmaal per twee weken. Bijzondere bijstand is alleen mogelijk indien de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting binnen Nederland en geen recht heeft op verlof. 3.Voor het bezoeken van een uit huis geplaatst kind door de ouder(
- s)dan wel bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad, of omgekeerd bezoek van het opgenomen kind onder de 18 jaar aan het ouderlijk huis, kan bijzondere bijstand worden verleend in de reiskosten. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de bezoekregeling die is opgesteld door de hulpverlenende instantie, voor zover de bezoekfrequentie niet meer bedraagt dan eenmaal per week. 4.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt berekend op basis van het tarief voor openbaar vervoer, voordeligste mogelijkheid, voor maximaal twee personen, dan wel bij eigen vervoer tegen een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer, kortste route volgens de ANWB-routeplanner. 5.Wanneer de enkele reisafstand minder dan 10 kilometer bedraagt, wordt geen vergoeding verstrekt. Artikel82a.Reiskosten schoolgaande kinderen In tegenstelling tot het genoemde in artikel 82, vijfde lid wordt de hoogte van de bijzondere bijstand ten behoeve van reiskosten voor schoolgaande kinderen tot en met 17 jaar gebaseerd op de kosten van de goedkoopste manier van reizen per openbaar vervoer naar de dichtstbijzijnde school van het gewenste onderwijstype voor zover deze buiten de straal van 10 km ligt. Artikel82b.Reiskosten statushouders 1.In aanvulling op artikel 82 komen de volgende statushouders ook in aanmerking voor bijzondere bijstand voor hun reiskosten: statushouders met een uitkering op grond van de PW of; statushouders met een inkomen tot 130% van de toepasselijke bijstandsnorm waarbij rekening wordt gehouden met aanwezige draagkracht, én; die een inburgeringscursus volgen bij een officieel erkende onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling is gelegen binnen een straal van 20 km van Scherpenzeel. gezinsleden van een statushouder die extra taalonderwijs volgen, voor zover er geen sprake is van een voorliggende voorziening. 2.In uitzondering op het eerste lid komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand voor hun reiskosten: belanghebbenden die een BOL-opleiding volgen; overige inburgeringsplichtigen. 3.Wanneer de statushouder die in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor reiskosten in deeltijd taalscholing volgt, dan worden de reiskosten vastgesteld op het gemiddeld aantal dagen per week. 4.De reiskosten worden maandelijks uitbetaald. 5.De reiskosten worden vergoed op basis van de goedkoopste wijze van reizen met het openbaar vervoer, tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling. 6.De statushouder die in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor reiskosten is zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van de reiskosten en moet op verzoek een overzicht van deze kosten overleggen. De controle op de ingediende declaraties kan steekproefsgewijs geschieden. Artikel83.Kosten beschermingsbewind, curatele en mentorschap 1.Bijzondere bijstand is op basis van een rechterlijke beschikking mogelijk in de kosten van beschermingsbewind, curatele of mentorschap. 2.De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op basis van de richtlijnen van de Regeling Beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. 3.Bijzondere bijstand kan ook worden verleend indien de bewindvoerder aan de belanghebbende vooruitlopend op de rechterlijke beschikking voorschotten in rekening brengt. 4.In het geval bijzondere bijstand wordt gevraagd voor een hoger bedrag dan de bedragen overeenkomstig de Regeling Beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren dient om vaststelling en goedkeuring van de toezichthoudende kantonrechter te worden gevraagd, waaruit blijkt dat de rechter deze hogere beloning heeft vastgesteld. 5.Voor de kosten van extra werkzaamheden is alleen bijzondere bijstand mogelijk indien hiervoor goedkeuring is gegeven door de toezichthoudende kantonrechter. 6.Geen bijzondere bijstand is mogelijk voor bewindvoering in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering en het Besluit salaris bewindvoerder schuldsanering gelden bij de uitvoering van de WSNP als toereikende voorliggende voorzieningen. 7.Extra bankkosten voor het uitvoeren van de bewindvoerderstaken over 2020 kunnen eenmalig door de gemeente worden vergoed. Er is door CBM een tijdelijke regeling goedgekeurd waaruit volgt dat vanaf 2020 per rechthebbende per jaar (dus niet per bankrekening) € 6,- exclusief BTW in rekening gebracht mag worden. Deze tijdelijke regeling houdt op zodra een wijziging van de regeling beloning in werking treedt. Artikel84.Eigen bijdrage rechtsbijstand 1.Bijzondere bijstand kan worden verstrekt in de eigen bijdrage van rechtshulp of mediation, indien op basis van een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) rechtsbijstand of mediation wordt verleend en de kosten niet op andere wijze vergoed kunnen worden. 2.Bij het vaststellen van de noodzakelijke kosten wordt het kortingsbedrag dat wordt verkregen bij een procedure via het Juridisch Loket altijd in mindering gebracht. 3.Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor de proceskosten van de tegenpartij in het geval dat de aanvrager wordt veroordeeld om deze kosten te betalen. Artikel85.Inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen 1.De kosten van de aanschaf van algemene duurzame gebruiksgoederen behoren tot de algemene kosten van bestaan, waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk is. 2.Indien belanghebbende vanuit een niet verwijtbare situatie beschikt over onvoldoende draagkracht voor de betaling van inrichtingskosten of duurzame gebruiksgoederen en redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten en er geen geldlening mogelijk is waarmee volledig in de kosten kan worden voorzien, kan bijzondere bijstand ingevolge artikel 51 van de PW worden verleend. 3.De in het tweede lid van dit artikel genoemde categorie belanghebbenden zijn in ieder geval zij die (recentelijk) de opvang in een asielzoekerscentrum (hebben) verlaten om zich in de gemeente te huisvesten. 4.Voor de draagkrachtbepaling voor bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt uitgegaan van het in aanmerking te nemen vermogen voor zover dit meer bedraagt dan € 1.500,00, waarbij in deze situaties een andere vermogensgrens geldt dan in artikel 34 derde lid van de PW. 5.De bijzondere bijstand voor inrichtingskosten of duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een geldlening. 6.Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is het mogelijk om de bijzondere bijstand “om niet” te verstrekken. Van een zeer bijzondere situatie is in ieder geval sprake als de aanvrager al drie jaar een inkomen op bijstandsniveau heeft én tevens in een (minnelijke of wettelijke) schuldregeling zit. 7.De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de richtprijzen van het Nibud en bedraagt maximaal 75% van de nieuwprijs van de Nibud-prijzengids. 8.Bij een complete woninginrichting wordt de te verstrekken bijzondere bijstand echter in afwijking van het zevende lid van dit artikel bepaald aan de hand van de bedragen die zijn opgenomen in de bijlage, die onlosmakelijk deel uitmaakt van deze beleidsregels. 9.De toegekende bijzondere bijstand wordt indien mogelijk direct aan de leverancier van de goederen overgemaakt op basis van (proforma) nota’s. Artikel86.Eerste maand huurlasten, administratiekosten, kosten opknappen woning en verhuistransport 1.De kosten van de eerste huur over de lopende maand en de daarmee verband houdende administratiekosten, transportkosten verband houdende met een verhuizing en de kosten voor het opknappen van de woning behoren tot de algemene kosten van bestaan, waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk is. 2.Indien belanghebbende vanuit een niet verwijtbare situatie beschikt over onvoldoende draagkracht voor de betaling van de eerste huur over de lopende maand; administratiekosten; transportkosten; of de kosten voor het opknappen van de woning en redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten en er geen geldlening mogelijk is waarmee volledig in de kosten kan worden voorzien, kan bijzondere bijstand worden verleend. 3.De in het tweede lid van dit artikel genoemde categorie belanghebbenden zijn in ieder geval zij die (recentelijk) de opvang in een asielzoekerscentrum (hebben) verlaten om zich in de gemeente te huisvesten. Artikel87.Overbruggingsuitkering 1.De financiële overbrugging van de periode van het wegvallen van de inkomsten tot de eerste betaling van de periodieke uitkering behoort tot de eigen verantwoordelijkheid waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk is. 2.Bijzondere bijstand in de vorm van een overbruggingsuitkering kan, na aanvraag van de bijstandsuitkering, slechts worden toegekend indien: belanghebbende in de problemen dreigt te raken doordat de algemene bijstand voor levensonderhoud achteraf betaald wordt; en belanghebbende tot de ingangsdatum van het recht op algemene bijstand, geen andere uitkering of inkomsten ontving. 3.De in lid 2 genoemde categorie belanghebbenden zijn in ieder geval zij die (recentelijk) de opvang in een asielzoekerscentrum (hebben) verlaten om zich in de gemeente te huisvesten. 4.De hoogte van de overbruggingsuitkering is gelijk aan de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm, afgestemd op de periode die moet worden overbrugd. 5.Met inachtneming van het gestelde in het vierde lid van dit artikel wordt de periode van overbrugging maximaal vastgesteld op één maand. 6.Indien belanghebbende beschikt over contant geld en/of een positief saldo van meer dan € 500,00 op een of meer bankrekening(
- en)dan wordt dit in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering. Ook vermogen onder de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 derde lid van de PW dient te worden aangewend ter overbrugging en zal op de overbruggingsuitkering in mindering worden gebracht. Artikel88.Bijdrage maatschappelijke participatie 1.Bijzondere bijstand is mogelijk voor het meedoen aan culturele, educatieve, recreatieve, sociale of sportieve activiteiten. Hieronder vallen onder meer de kosten voor verenigingsactiviteiten, de kosten van het lidmaatschap van de Openbare Bibliotheek Scherpenzeel of de speel-o-theek, de kosten van een museumjaarkaart, de kosten voor een zwemabonnement voor het zwembaden Scherpenzeel, muziekles, zwemles, recreatief zwemmen of losbezoek zwembad, krantenabonnement en bijdrage in kosten dierenarts. 2.Wanneer bijzondere bijstand wordt verleend op basis van dit artikel wordt de bijzondere bijstand gemaximeerd op: € 200,00 per volwassene per jaar. € 300,00 per kind per jaar. 3.Bijdrage in de kosten van de dierenarts valt alleen onder de bijdrage maatschappelijke participatie van volwassenen. 4.Voor het ontvangen van de bijdrage in de kosten moet bewijsstukken worden overlegd en het bedrag wordt achteraf aan de aanvrager verstrekt. CATEGORIALE BIJZONDERE BIJSTAND Artikel89.Collectieve zorgverzekering minima 1.Bijzondere bijstand in de vorm van een gemeentelijke bijdrage in de kosten van een collectieve aanvullende zorgverzekering is mogelijk. 2.Aan de collectieve verzekering kunnen deelnemen: personen die van de gemeente Scherpenzeel een uitkering ter voorziening in de algemene bestaanskosten ontvangen op grond van de PW, de IOAW of de IOAZ; overige inwoners van de gemeente Scherpenzeel met een minimum inkomen, hieronder wordt verstaan personen met een inkomen (exclusief vakantiegeld en het kindgebonden budget) tot 130% van de bijstandsnorm zoals bepaald in artikel 21, lid b en artikel 22, lid b van de PW en een vermogen hebben dat de grens genoemd in artikel 34, derde lid van de PW niet overschrijdt. 3.De collectieve zorgverzekering bestaat altijd uit: een zorgverzekering op grond van de Zvw (de basisverzekering); een aanvullende verzekering die niet valt onder de onder a genoemde verzekering. 4.De hoogte van de gemeentelijke bijdragen in de premies van de basis- en aanvullende verzekering genoemd in het eerste lid van dit artikel zijn opgenomen in de bijlage, die onlosmakelijk deel uitmaakt van deze beleidsregels. De tegemoetkoming bedraagt € 10,00, €15,00 en €25,00. De gemeente betaalt deze bijdrage rechtstreeks aan de zorgverzekeraar. 5.In de berekening van het vermogen wordt de door de aanvrager zelf bewoonde eigen woning buiten beschouwing gelaten. 6.De aanvraag voor de gemeentelijke bijdrage en deelname aan de collectieve zorgverzekering kan aangevraagd worden door middel van het aanvraagformulier bijzondere bijstand alsook via www.gezondverzekerd.nl. 7.De persoon die (nog) geen zorgverzekering heeft kan op elk moment een aanvraag voor deelname aan de CZM indienen. De deelname start per eerstvolgende mogelijkheid na acceptatie door de zorgverzekeraar. 8.De gemeentelijke bijdrage kan op basis van uitzonderlijke of specifieke situaties, na beoordeling van de omstandigheden, met een maximum van 3 jaar worden verlengd en verstrekt. 9.De inwoner die al een zorgverzekering heeft bij zilveren kruis, maar nog niet deelneemt aan de collectieve zorgverzekering kan op elk moment een aanvraag voor deelname indienen. Deelname aan de collectieve zorgverzekering start per eerstvolgende mogelijkheid. 10.Voor de persoon als genoemd in het tweede lid van dit artikel, onder b, wordt op basis van het inkomen en het vermogen over de maand voorafgaand aan deelname vastgesteld of hij in aanmerking komt voor deelname aan de collectieve verzekering met ingang van 1 januari van het volgende jaar. 11.Voor de persoon als bedoeld in het tweede lid van dit artikel onder a wordt de premie ingehouden op de uitkering, mits de uitkering voldoende hoog is om het bedrag in te houden. Als dit niet het geval is, dient de premie door aanvrager zelf via automatische incasso aan de zorgverzekeraar betaald te worden. 12.De persoon als bedoeld in tweede lid van dit artikel onder b dient de premie aan de zorgverzekeraar te betalen via automatisch incasso. 13.Voor de beëindiging van de verzekering gelden dezelfde bepalingen als in de Zvw. 14.Naast het gestelde in twaalfde lid van dit artikel wordt de verzekering beëindigd indien de deelnemer niet meer behoort tot de doelgroep. 15.Beëindiging van deelname moet tijdig worden doorgegeven en betekent dat de tegemoetkoming in de premiekosten per direct komt te vervallen. Bedragen die eventueel teveel zijn uitbetaald worden teruggevorderd. Artikel90.Tegemoetkoming Eigen Risico 1.Op grond van artikel 35 Participatiewet is individuele bijzondere bijstand mogelijk in de vorm van een vergoeding van het jaarlijkse wettelijke eigen risico van de ziektekostenverzekering voor personen die: een inkomen hebben tot maximaal 130% van het geldende bijstandsinkomen; minimaal € 175,00 van het wettelijk eigen risico voor dat kalenderjaar hebben opgemaakt; aan de overige voorwaarden van bijstandsverlening, mede conform artikel 89, vierde en vijfde lid van deze beleidsregels voldoet. 2.De hoogte van de tegemoetkoming eigen risico is maximaal € 210,00 per persoon per kalenderjaar. 3.Een aanvraag voor de tegemoetkoming eigen risico wordt ingediend middels het vastgestelde aanvraagformulier tegemoetkoming eigen risico. 4.Een aanvraag voor de tegemoetkoming eigen risico kan tot 31 december van het opvolgende jaar worden ingediend. Artikel91.Schoolkostenregeling 1.Bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de PW, in de vorm van een tegemoetkoming voor indirecte schoolkosten voor schoolgaande kinderen is mogelijk voor ten laste komende schoolgaande kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 17 jaar. 2.Voor ten laste komende schoolkinderen wordt een tegemoetkoming verstrekt voor de indirecte schoolkosten. Indirecte schoolkosten zijn kosten voor schrijfgerei en schriften, schooltas, vrijwillige ouderbijdrage, schoolreisje en excursie, materiaalkosten, huur kluisje, fiets of gymkleding. 3.De hoogte van de tegemoetkoming voor ten laste komende kinderen in het basis- en voortgezet onderwijs is: voor een kind op de basisschool maximaal € 75,00 per schooljaar. voor een kind op het voortgezet onderwijs of een mbo-school maximaal € 300,00 per schooljaar. gaat het kind voor de eerste keer naar het voortgezet onderwijs of een mbo-school, dan wordt eenmalig een extra vergoeding van € 500,00 verstrekt. Artikel92.Computerregeling 1.Bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de PW, is eenmaal per vijf jaar mogelijk voor de aanschaf van een computer of laptop. 2.Wanneer bijzondere bijstand wordt verleend op basis van dit artikel wordt de bijstand gemaximeerd op € 500,00. 3.Bijzondere bijstand in het kader van deze computerregeling wordt verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Artikel93.Kinderopvang sociaal-medische indicatie 1.Bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de PW, is mogelijk in de kosten van kinderopvang indien er sprake is van een sociaal-medische indicatie. 2.Van een sociaal medische indicatie is sprake als de ouder of ouder met partner: een lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke of psychische beperking heeft, waardoor de ouder niet in staat is de (volledige) verzorging van het kind op zich te nemen of; een kind heeft dat op grond van sociaal medische problematiek kinderopvang nodig heeft om zich goed en gezond te ontwikkelen. 3.Bij het beoordelen of sprake is van een sociaal medische indicatie zoals bedoeld in dit artikel, wordt voorafgaande aan een eventuele toekenning van enige tegemoetkoming advies ingewonnen over de noodzaak, alsmede de duur en de omvang van de kinderopvang bij een onafhankelijke en voldoende professionele organisatie met voldoende adequate deskundigheid zoals de GGD of een gelijkwaardige instantie. 4.Een aanvraag voor een tegemoetkoming wordt afgewezen indien: de ouder of ouder met partner niet voldoet aan het gestelde in lid 2 van dit artikel; de ouder of partner aanspraak kan maken op of gebruikt maakt van een voorliggende voorziening; het kind op een medisch kinderdagverblijf wordt opgevangen; de tegemoetkoming ingezet wordt voor zorgverlof. 5.Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval: de geldigheidsduur van de indicatie; de omvang en de duur van de kinderopvang die noodzakelijk wordt geacht; de hoogte van de voorziening. 6.De hoogte van de voorziening wordt bepaald door: het aantal uren kinderopvang per kind per berekeningsjaar en; de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van de maximum uurprijs en het maximaal aantal opvanguren als bedoeld in lid zeven en acht van dit artikel en; het soort kinderopvang. 7.De maximum uurprijs is het uurtarief zoals beschreven in het Besluit kinderopvangtoeslag en wordt gehanteerd door de Belastingdienst. 8.Het maximum aantal uren kinderopvang waarvoor een tegemoetkoming SMI wordt verstrekt, bedraagt niet meer dan het maximum aantal uren zoals gehanteerd wordt door de Belastingdienst en beschreven staat in het Besluit kinderopvangtoeslag. Artikel93a.Omvang en duur van de tegemoetkoming Kinderopvang SMI 1.De tegemoetkoming wordt slechts verleend voor het aantal uren per week waarvoor de inzet van de kinderopvang op sociaal medische gronden noodzakelijk is. 2.De tegemoetkoming wordt vastgesteld voor maximaal 6 maanden. 3.Indien het dagelijks bestuur dit noodzakelijk acht vindt verlenging van de tegemoetkoming plaats. Verlenging vindt alleen plaats indien de ouder(
- s)heeft meegewerkt of in voldoende mate meewerkt aan hulpverlening om de situatie te verbeteren en de noodzaak van kinderopvang weg te nemen. De verlenging van de tegemoetkoming kan eenmalig worden verleend voor ten hoogste 6 maanden. 4.Alleen bij een nieuwe, andere oorzaak die ten grondslag ligt aan de noodzaak, kan nogmaals een tegemoetkoming worden verleend voor maximaal 6 maanden, met een mogelijkheid tot verlenging voor ten hoogste 6 maanden. HOOFDSTUK8.GEMEENTELIJKE SCHULDHULPVERLENING Artikel94.Doelgroep gemeentelijke schuldhulpverlening [Vervallen per 1 oktober 2021] Alle inwoners van de gemeente Scherpenzeel ouder dan 18 jaar met problematische schulden kunnen op grond van de Wgs in aanmerking komen voor schuldhulpverlening. In afwijking van het eerste lid, vallen niet onder de doelgroep voor het traject schuldhulpverlening: zelfstandige ondernemers; inwoners die studiefinanciering ontvangen, op grond van de Wet studiefinanciering 2015. Artikel95.Aanbod schuldhulpverlening [Vervallen per 1 oktober 2021] Het college verleent aan verzoeker op grond van de Wgs een schuldhulpverleningstraject indien het college de schuldsituatie problematisch acht. De volgende factoren spelen een rol bij het bepalen of een schuldsituatie problematisch is: dreigende schuld in de categorieën woonlasten en premie ziektekostenverzekering; bereidheid van schuldeisers om een betalingsregeling te treffen; de geëiste maandelijkse aflossing is hoger dan de door de ReCoFa vastgestelde maximale aflossingscapaciteit; zwaarte en omvang van de schulden; psychosociale situatie van verzoeker; houding en gedrag van verzoeker; de belangen van de overige gezinsleden; een eventueel eerder gebruik van schuldhulpverlening. Artikel96.Verplichtingen [Vervallen per 1 oktober 2021] De medewerking van verzoeker als bedoeld in artikel 7 van de Wgs kan onder andere bestaan uit: het voorkomen en niet aangaan van nieuwe schulden; het iedere maand op tijd betalen van de lopende vaste lasten; het gedurende het schuldhulpverleningstraject, benutten van alle financiële ruimte in het inkomen voor het aflossen van de schulden en het bereid zijn om gedurende het traject deze financiële ruimte te vergroten; het geven van toestemming aan betrokken organisaties die een rol kunnen spelen in het traject schuldhulpverlening, voor het gebruik van en de controle op de verstrekte informatie; het deelnemen aan een begeleidingstraject aangeboden door een erkende hulpverleningsinstelling; het meewerken aan budgetcoaching of budgetbeheer. Het college kan in bijzondere gevallen extra verplichtingen opleggen. Artikel97.Weigeren en beëindigen [Vervallen per 1 oktober 2021] Indien verzoeker niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt die voortvloeien uit artikelen 6 en 7 van de Wgs, kan het college besluiten de schuldhulpverlening te weigeren dan wel te beëindigen. Alvorens over te gaan tot weigering of beëindiging, wordt verzoeker eenmaal een redelijke termijn geboden om alsnog de gevraagde medewerking te verlenen of de informatie te verstrekken. Artikel98.Beëindigingsgronden [Vervallen per 1 oktober 2021] Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels kan het college besluiten tot beëindiging van het schuldhulpverleningstraject, indien: de belanghebbende niet langer voldoet aan het bepaalde onder artikel 56, dan wel een van de factoren genoemd in artikel 57, lid 2 onder a tot en met f; het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond; belanghebbende zijn beschikbare aflossingscapaciteit niet langer wil gebruiken voor de aflossing van schulden; op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan verzoeker is toegekend terwijl, indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen; belanghebbende zich ten opzichte van de medewerker(s), belast met werkzaamheden die voortkomen uit de schuldhulpverlening, ernstig misdraagt; belanghebbende in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren; de geboden schuldhulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, niet langer passend is; schuldeiser(
- s)hun medewerking aan een minnelijke schuldregeling weigeren of opzeggen; faillissement van belanghebbende; er een WSNP-verklaring is afgegeven; belanghebbende voor de tweede keer niet is verschenen op een afspraak zonder hierover vooraf te berichten; belanghebbende zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen; de schuldhulpverlening door het college niet langer noodzakelijk wordt geacht; belanghebbende niet langer woonachtig is in de gemeente Scherpenzeel. Artikel99.Recidive – hernieuwde aanvraag [Vervallen per 1 oktober 2021] Het college doet geen aanbod schuldhulpverlening indien minder dan zes maanden voorafgaande aan het verzoek: schuldhulpverlening voortijdig is beëindigd; een verzoek om schuldhulpverlening is afgewezen, buiten behandeling is gesteld of door verzoeker is ingetrokken. Het college doet geen aanbod schuldhulpverlening indien minder dan twee jaar voorafgaande aan het verzoek een schuldregeling voortijdig is afgebroken. Het college doet geen aanbod schuldhulpverlening indien minder dan vijf jaar voorafgaande aan het verzoek een schuldbemiddeling of WSNP voortijdig is beëindigd of een saneringskrediet binnen zijn looptijd niet volledig is afgelost. Het college doet geen aanbod schuldhulpverlening indien minder dan tien jaar voorafgaande aan het verzoek: een schuldregeling vanwege fraude tijdens het traject voortijdig is beëindigd; achteraf fraude is vastgesteld binnen de looptijd van de schuldhulpverlening; door verzoeker een schuldregeling succesvol is afgerond (zowel minnelijk als wettelijk). HOOFDSTUK9.SLOTBEPALINGEN Artikel100.Hardheidsclausule Het college kan op grond van artikel 4:84 Awb in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels als toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel101.Misbruik Indien de bijstand niet besteed wordt aan het doel waarvoor deze is verstrekt kan de gemeente besluiten de bijstand terug te vorderen. Artikel102.Inwerkingtreding, citeertitel en overgangsbepaling 1.De Beleidsregels Participatiewet 2021 gemeente Scherpenzeel worden met ingang van 1 oktober 2021 ingetrokken. 2.Deze beleidsregels treden in werking op 1 oktober 2021. 3.Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Participatiewet 2021’. 4.Op besluiten, de daaruit voortvloeiende (betalings)afspraken en eventuele invorderingsmaatregelen die dateren van voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijven de Beleidsregels Participatiewet 2017 gemeente Scherpenzeel onverkort van kracht. Aldus vastgesteld door het college op 5 oktober 2021R.J. ter Horst secretaris E. KleinburgemeesterTOELICHTING Deze Participatiebeleidsregels zijn een nadere uitwerking van de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de Participatieverordening 2019 van gemeente Scherpenzeel. In deze regelingen is ruimte gelaten aan het college om de invulling te laten aansluiten op de gemeentelijke praktijk. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen In dit artikel is een aantal begripsbepalingen opgenomen. De bepalingen behoeven geen nadere toelichting. HOOFDSTUK 2. RE-INTEGRATIEVOORZIENINGEN Artikel 2. Scholing In beginsel wordt enkel scholing (Wet Educatie beroepsonderwijs) ingezet die opleidt naar beroepssectoren waarin gelijk werk gevonden kan worden of in een zogenaamd duaal traject waarbij de ontwikkeling op de (lokale) arbeidsmarkt mede bepalend is. Bij de inzet van scholing kan de toepassing van de WEB worden ingezet. Gekozen wordt voor die scholing die het snelst leidt tot het beoogde doel. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de wensen en capaciteiten van de belanghebbende. Verricht de belanghebbende additionele werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a van de PW en artikel 38a van de IOAW/IOAZ, dan wordt het oordeel van de werkgever ook betrokken bij keuze van het scholingsaanbod. Artikel 3. Premie participatieplaats In artikel 10a, zesde lid van de PW en artikel 38a, zesde lid van de IOAW/IOAZ is bepaald dat het college aan belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie (berekend per maand) van maximaal € 100 verstrekt, indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces. De uitkeringsgerechtigde die onbetaalde additionele werkzaamheden verricht, kan daarom iedere zes maanden in aanmerking komen voor een premie. De premie wordt per maand berekend (maximaal € 100 per maand). Hiervoor moet hij wel voldoende meewerken aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces. Doet hij dat niet, dan wordt de premie geweigerd. Het minimum aantal uren is vastgesteld op 16 uur per week en het maximum aantal uren is vastgesteld op 32 uur per week. De premie wordt naar rato vastgesteld als minder dan 32 uur per week wordt gewerkt. De premie aan de belanghebbende wordt ieder half jaar uitbetaald. Bij tussentijdse beëindiging van de uitkering wordt de premie gelijk uitbetaald. De premie wordt uitbetaald tot het moment van beëindiging naar rato van het aantal gewerkte uren. De uitkeringsgerechtigde doet maandelijks opgave van de werkzaamheden/activiteiten onder vermelding van het aantal uren. De regering acht het vanzelfsprekend dat degene in opdracht van wie de additionele werkzaamheden worden verricht (derde) na het eerste jaar een vergoeding betaalt aan het college die overeenstemt met de hoogte van de premie. Immers het college heeft dan beoordeeld dat betrokkene vooruitgang heeft laten zien en het is niet meer dan vanzelfsprekend dat de derde -die daarvan profijt heeft- een financiële bijdrage daarvoor levert. Artikel 4. Beschut Werk Met de PW hebben gemeenten de vrijheid om te bepalen welke ondersteuning mensen nodig hebben. Daarmee kan worden voorkomen dat er wachtlijsten ontstaan. Eén van de instrumenten die door de gemeenten kan worden ingezet is de voorziening Beschut werk. Begin 2017 is een wet in werking getreden met consequenties voor de uitvoering van de PW en aanverwante regelingen. Het betreft de ‘Wet met betrekking tot het verplichten van beschut werk’ en het openstellen van de Praktijkroute. Met deze wet wordt beoogd om mensen die wel arbeidsvermogen hebben, maar voor wie een beschutte werkomgeving de enige manier is om te participeren op de arbeidsmarkt, een kans op werk te bieden in een beschutte werkomgeving. Geconstateerd is, dat gemeenten vanaf 1 januari 2015 slechts een beperkt aantal beschutte werkplekken hebben gerealiseerd. Deze wet verplicht gemeenten jaarlijks een minimumaantal beschut werkplekken te realiseren. Scherpenzeel dient 2 werkplekken te realiseren voor eind 2022. Daarnaast voert laatstgenoemde wet de Praktijkroute in. De Praktijkroute is een extra toegangsroute tot het doelgroepregister van de banenafspraak, naast de reguliere beoordeling door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Mensen met een arbeidsbeperking uit de doelgroep van de PW, van wie de gemeenten op de werkplek via een gevalideerde loonwaardemethodiek hebben vastgesteld dat zij een loonwaarde hebben onder het wettelijk minimumloon (WML), worden zonder beoordeling door UWV opgenomen in het doelgroepregister. Per 1 januari 2017 zijn alle gemeenten verplicht om beschut werkplekken te realiseren. Deze verplichting is verankerd in artikel 10b, eerste lid, van de PW. Met deze verplichtstelling wordt gerealiseerd, dat mensen met arbeidsvermogen die uitsluitend in beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden de mogelijkheid hebben om aan het arbeidsproces deel te nemen, een betaalde dienstbetrekking krijgen waarmee zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien. In 2015 en 2016 hebben gemeenten alternatieven als dagbesteding of vrijwilligerswerk ingezet. Beiden vormen echter geen adequate vorm van beschut werk omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking Als er in een jaar minder positieve adviezen beschut werk door UWV worden afgegeven dan waarmee in de ramingen rekening is gehouden, mag ervan uitgegaan worden dat de behoefte lager is. In dat geval hoeven in dat jaar door het college minder beschut werkplekken te worden gerealiseerd dan waar in de ramingen vanuit is gegaan. Anderzijds, als er meer positieve adviezen beschut werk door UWV worden afgegeven dan waarmee in de ramingen rekening is gehouden, is het college in dat jaar niet verplicht om meer beschut werkplekken aan te bieden dan waarmee in de ramingen rekening is gehouden. Artikel 5. Persoonlijke ondersteuning/jobcoach Persoonlijke ondersteuning kan op verschillende manieren worden aangeboden. De in dit artikel geregelde ondersteuning betreft de jobcoach. Het college hanteert bij de inzet van een jobcoach het uitgangspunt dat zowel de werknemer als de werkgever gecoacht worden. De werkgever wordt gecoacht, zodat hij uiteindelijk in staat is de begeleiding over te nemen. Afhankelijk van de zwaarte van de begeleiding kan het college de coaching ook zelf aanbieden. In dat geval zal een ambtenaar de werknemer begeleiden. Als het college de coaching niet zelf aanbiedt, zal in overleg met de werkgever een geschikte jobcoach gezocht worden. Als de werkgever de begeleiding op de werkvloer zelf (intern) kan en wil organiseren, dan komt hij in aanmerking voor een vergoeding. De inzet van de jobcoach is een tijdelijke voorziening en is bij voorkeur ook aflopend in intensiteit. Het aantal in te zetten uren wordt in goed overleg bepaald en afgestemd met de betrokkenen. Artikel 6. Loonkostensubsidie als re-integratievoorziening Het inzetten van gesubsidieerde arbeid is in de PW en de IOAW/IOAZ mogelijk. Een dergelijke subsidie wordt aangeboden voor maximaal één jaar. De hoogte van de subsidie is maximaal 50 procent van de loonkosten. Deze re-integratievoorziening dient met terughoudendheid te wo