Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2025De Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 19 november 2024 (raadsvoorstel nr. 24bb008091/24bo008455); gelet op: de artikelen 2.1.3, eerste, tweede en vierde lid, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; artikel 5.4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; de artikelen 2.9, 2.11, tweede lid, en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet; artikel 2.3, eerste en derde lid, van het Besluit Jeugdwet; overwegende dat: het wenselijk is een verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp vast te stellen in verband met de ontwikkelingen in wet- en regelgeving, jurisprudentie, wijzigingen die voortvloeien uit de Bestuursopdracht Zorg, alsmede wijzigingen in de maatschappelijke ondersteuning in relatie tot de ingang van nieuwe contracten per 1 januari 2025, een nieuwe Verordening vast te stellen; besluit: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: andere voorziening: voorziening niet vallend onder de wet op grond waarvan de jeugdhulp wordt gevraagd, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. arrangement: op een cliënt gericht aanbod van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp binnen één of meer resultaatsgebieden; beperking: objectief vastgestelde stoornis of conditie in lichamelijke, zintuiglijke, geestelijke of verstandelijke zin, die een gezond maatschappelijk functioneren van de cliënt belemmert of nadelige sociale gevolgen met zich meebrengt; bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 of 2.1.4a van de Wmo 2015; CAV: Collectief Aanvullend Vervoer; cliënt: cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid van de Wmo 2015 of de jeugdige of ouders, bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet, die aanspraak maken op jeugdhulp; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam; dienstverlening: maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een cliënt, anders dan vervoer, een woonvoorziening of hulpmiddel; doelgroep (O)GGZ: doelgroep met beperkte zelfredzaamheid als gevolg van een verslavings-, psychisch of psychosociaal probleem, dan wel een combinatie van deze problemen, vaak gepaard gaand met problemen op meerdere leefgebieden; eigen kracht: de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders bij een geconstateerde ondersteuningsbehoefte van hun kind, dan wel het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen; ETF: Expertise team Financiën van de gemeente Rotterdam; financiële maatwerkvoorziening: maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming, die forfaitair wordt vastgesteld; formeel pgb-tarief: pgb-tarief voor professionele ondersteuning. hulp uit het sociaal netwerk: hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld artikel 2, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 dan wel in artikel 8, onderdeel b, van de Regeling Jeugdwet; hulpvraag: behoefte van een cliënt aan ondersteuning; individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet, door het college verstrekt in natura of pgb; informeel pgb tarief: pgb-tarief voor ondersteuning uit het sociaal netwerk; melding: melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo 2015 dan wel een signaal van een mogelijke behoefte aan jeugdhulp; ondersteuning: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015 dan wel jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; ondersteuner binnen het sociaal netwerk: persoon die behoort tot het sociaal netwerk van de cliënt en op basis van een zorgovereenkomst van opdracht, ondersteuning biedt; ondersteuningsverslag: het gespreksverslag, alsmede het ondersteuningsplan dat de weergave bevat van het onderzoek, de adviezen, verwijzingen en afspraken die met het college zijn gemaakt naar aanleiding van de melding van de cliënt op grond van de Wmo 2015 of de aanvraag voor hulpverlening zoals bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet; onderwijszorgarrangementen: laagdrempelige jeugdhulp in een schoolsetting; overige voorziening: vrij toegankelijke voorziening waarvoor geen beschikking van het college nodig is ; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 dan wel artikel 8.1.1 van de Jeugdwet; pgb-plan: zorg- en budgetplan inzake de wijze van aanwenden van het pgb; professioneel ondersteuner: professionele organisatie met meer dan twee hulpverleners in dienst, dan wel een hulpverlener werkzaam voor een cliënt op basis van een overeenkomst van opdracht, een schriftelijke arbeidsovereenkomst of een overeenkomst voor vervoer; sociaal en recreatief vervoer: lokaal vervoer in het kader van zelfredzaamheid en participatie ten behoeve van het bereiken van een bestemming, anders dan een locatie waar de cliënt op basis van een maatwerkvoorziening dagbesteding of dagbehandeling ontvangt; sporthulpmiddel: hulpmiddel dat specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking om mee te sporten; resultaatgebied: leefdomein waarbinnen sprake is van beperkingen of belemmeringen in de participatie of zelfredzaamheid, welke door middel van gebruikmaking van een voorziening met eventueel ondersteuningselementen moet worden ondersteund, waarbij de ondersteuning en de te behalen doelen en resultaten in intensiteitstreden worden gecompenseerd; tegemoetkoming: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2ab, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 dan wel in artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet; verklaring: verklaring als bedoeld in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 dan wel verklaring als bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet; vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens de cliënt mag handelen; VOG: verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens; voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015 dan wel overige voorziening of individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet; wijkteam: team van beroepskrachten dat onder verantwoordelijkheid van het college werkt en op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet basishulp, kortdurende ondersteuning, casusregie of toeleiding naar gespecialiseerde hulp, zorg en ondersteuning biedt. Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel1.2Reikwijdte verordening 1.Deze verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning ten behoeve van ingezetenen van de gemeente Rotterdam. 2.Deze verordening heeft tevens betrekking op jeugdhulp voor jeugdigen en hun ouders als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet wier woonplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, Rotterdam betreft en op jeugdigen en ouders binnen de regiogemeenten die onder de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond vallen. Artikel1.3Nadere regels Het college stelt nadere regels ten aanzien van: Het persoonsgebonden budget, waaronder in ieder geval: de tariefstelling en maximale pgb-bedragen; het vrij besteedbaar bedrag, bedoeld in artikel 3.4.6, vijfde lid; de tegemoetkoming; de financiële maatwerkvoorziening, waaronder in ieder geval de hoogte van de tegemoetkoming en de eventuele trede-indeling die wordt toegepast; de vergoeding aan de zorgaanbieder van algemeen gebruikelijke kosten, bedoeld in artikel 5.1.1 voor verblijf in crisisopvang huiselijk geweld; de blijk van waardering voor mantelzorgers. Hoofdstuk2Toegang tot voorzieningen Artikel2.1Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen 1.Degenen die een beroep wensen te doen op een algemene voorziening of een overige voorziening, kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze voorziening, tenzij het gaat om kortdurende ondersteuning door het wijkteam. 2.Algemene voorzieningen zijn: onafhankelijke cliëntondersteuning; mantelzorgondersteuning; dagbestedingsactiviteiten en andere activiteiten die worden aangeboden door de welzijnsaanbieders in de gemeente; kortdurende ondersteuning door het wijkteam; niet-individueel vervoer via het CAV voor personen van 75 jaar of ouder met een maximum van 50 ritten per jaar, waarbij de aanvullende faciliteiten, genoemd in artikel 3.2.17, niet van toepassing zijn; vervoer met de wijkbus. 3.Overige voorzieningen zijn: basishulp wijkteam, bestaande uit: ambulante opvoedhulp, al dan niet in een onderwijssetting; begeleiding van jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking; kortdurende generalistische basis-ggz-hulp bij enkelvoudige problematiek; jongerentrajecten en intensief casemanagement, mede met het oog op jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast; gezinsondersteuning waaronder gezinscoaching. informatie, trainingen en (opvoed)advies; jeugdgezondheidszorg; jongerencoaching en participatiebevordering; schoolmaatschappelijk werk; onderwijszorgarrangementen. Artikel2.2Melding behoefte aan ondersteuning of hulp Een melding van een behoefte aan ondersteuning kan door of namens degene worden gedaan: bij de Vraagwijzers in de gemeente; bij een centrum voor Jeugd en Gezin; bij het stedelijk loket Centraal Onthaal; bij Veilig Thuis Rotterdam-Rijnmond; telefonisch via het centrale informatienummer van de gemeente; schriftelijk; digitaal; en via een andere, door het college geopende mogelijkheid, waarbij het college voldoende kenbaar maakt hoe en waar deze melding kan worden gedaan. Artikel2.3Onderzoek naar aanleiding van melding 1.Naar aanleiding van de melding, bedoeld in artikel 2.2 voert het college zo spoedig mogelijk een onderzoek ter verheldering van de hulpvraag uit. Voor maatschappelijke ondersteuning maakt het college bij het onderzoek naar de hulpvraag en de ondersteuningsbehoefte gebruik van een gevalideerd vraagverhelderingsinstrument. 2.In het onderzoek komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: als er sprake is van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning: de onderwerpen uit artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo 2015, waarbij worden meegewogen de mogelijkheden om op eigen kracht, waaronder met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met gebruikelijke hulp, als bedoeld in artikel 2.3, diens zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang. of de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd zal zijn. als de ondersteuningsbehoefte zich (ook) richt op jeugdhulp: het vaststellen van hulpvraag; het vaststellen van de problemen, behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige; het vaststellen van de aard en omvang van de te verlenen hulp en de wijze waarop de jeugdhulp wordt afgestemd met andere voorzieningen; het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en diens ouders, om zelf een oplossing voor de hulpvraag te vinden; het indien nodig treffen van een voorziening jeugdhulp; het bepalen van de verstrekkingsvorm van in te zetten jeugdhulp. 3.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening voor zover in de ondersteuningsbehoefte van client kan worden voorzien door de inzet van gebruikelijke hulp. 4.Als sprake is van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, geldt bij de beoordeling van de gebruikelijke hulp het volgende; van huisgenoten tot wie gerekend worden, de partner, ouders, inwonende kinderen en anderen met wie cliënt duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont, wordt in het kader van gebruikelijke hulp verwacht dat zij in staat zijn tot in ieder geval: het overnemen van huishoudelijke taken; het bieden van begeleiding bij deelname in het maatschappelijke verkeer bij de beoordeling van gebruikelijke hulp wordt bij inwonende kinderen rekening gehouden met de volgende aspecten inzake het vermogen tot het verrichten van licht huishoudelijk werk: wat gelet op de leeftijd van het kind redelijkerwijs als bijdrage mag worden verwacht; de ontwikkelingsfase van het kind; en het feitelijke vermogen om een bijdrage te leveren. de inzet van inwonende kinderen gaat niet ten koste van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. 5.Van het vierde lid, onderdeel b en c, kan worden afgeweken, indien: de inzet van gebruikelijke hulp bij de huisgenoot leidt tot (dreigende) overbelasting; de huisgenoot belemmeringen of beperkingen heeft en de kennis of vaardigheden mist om gebruikelijke hulp uit te voeren en deze kennis niet kan vergaren of deze vaardigheden niet kan aanleren; de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft; de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is, vanwege verplichte activiteiten buitenshuis waarbij reorganisatie niet mogelijk is; of sprake is van overige zwaarwegende bijzondere omstandigheden. 6.Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken indien de benodigde ondersteuning de gebruikelijke hulp overschrijdt, tenzij sprake is van mantelzorg. 7.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening indien de benodigde ondersteuning kan worden geboden vanuit de eigen kracht waaronder mede wordt verstaan het aanspraak kunnen maken op de benodigde ondersteuning op grond van andere wetgeving. 8.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening indien in de hulpvraag kan worden voorzien met algemeen gebruikelijke voorzieningen. 9.Als cliënt een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd voor zijn ondersteuning, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 10.Het college kan in overleg met de cliënt besluiten het onderzoek geheel of gedeeltelijk achterwege te laten, als het college op basis van voorafgaand dossieronderzoek en bekendheid met de cliënt en diens actuele situatie, over voldoende inzicht beschikt in de ondersteuningsbehoefte. 11.Indien sprake is van een aanvraag om een voorziening in de vorm van een pgb en de cliënt een vertegenwoordiger heeft gemachtigd, betrekt het college de vertegenwoordiger in het onderzoek en vindt minstens eenmaal een gesprek plaats alvorens over te gaan tot besluitvorming. 12.Het college draagt er zorg voor dat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek tijdig wordt geïnformeerd over de procedure van het onderzoek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure. Artikel2.4Ondersteuningsverslag naar aanleiding van het onderzoek 1.De cliënt ontvangt van het onderzoek een ondersteuningsverslag. 2.Indien het college vaststelt dat cliënt in aanmerking komt voor ondersteuning, maakt een ondersteuningsplan onderdeel uit van het ondersteuningsverslag, waarbij het college erop toeziet dat het gespreksverslag en ondersteuningsplan als afzonderlijk herkenbare onderdelen in het ondersteuningsverslag worden opgenomen. 3.De cliënt wordt in de gelegenheid gesteld om aanvullingen of correcties te plaatsen bij het ondersteuningsverslag en kan uiterlijk tot het moment van ondertekening dan wel mondelinge bevestiging, dit verslag inzien met het oog op correctie of verwijdering van feitelijke onjuistheden. 4.De cliënt ondertekent het ondersteuningsverslag voor gezien indien deze zich niet of niet geheel met de inhoud kan verenigen. Voor de Wmo 2015 kan de ondertekening in gevallen die zich daar naar het oordeel van het college voor lenen, vervangen worden door mondelinge bevestiging, waarvan aantekening wordt gemaakt in het ondersteuningsverslag. Artikel2.5Aanvraag maatwerkvoorziening of individuele voorziening 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening kan via een daartoe door het college ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend. 2.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan ook worden ingediend door middel van ondertekening dan wel de op het ondersteuningsverslag aangetekende mondelinge bevestiging van het ondersteuningsverslag, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. 4.De cliënt die zich niet kan verenigen met een beslissing voor jeugdhulp tot verwijzing naar basishulp door het wijkteam en dit tijdens het gesprek uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt, ontvangt alleen dan een beschikking. Artikel2.6Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp 1.Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieder. Het college bepaalt in afstemming met de aanbieder de aard en de omvang van de jeugdhulpvoorziening en verstuurt een beschikking aan de cliënt. 2.Het college zorgt voor inzet van de gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Artikel2.7Spoedeisende ondersteuning jeugdhulp Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet. Artikel2.8Garanderen deskundige toeleiding en advisering jeugdhulp Het college garandeert dat het in het kader van het onderzoek naar mogelijke inzet van jeugdhulp bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, sub b van deze verordening, in alle stadia gebruik wordt gemaakt van de hiervoor benodigde interne deskundigheid. De toeleiders en adviseurs dienen hiertoe te zijn ingeschreven in het landelijke Kwaliteitsregister Jeugd of het register Beroepen Individuele Gezondheidszorg. Tevens wint het college alvorens te besluiten over een ingediende jeugdhulpaanvraag, zo nodig deskundig extern advies in. Artikel2.9Waarborgen kwaliteit en vakbekwaamheid professionals jeugdhulp 1.Het college waarborgt de professionele kwaliteit van een voor jeugdhulp in te zetten hulpverlener die zelfstandig werkt of aan een organisatie verbonden is, door aangetoonde inschrijving in het landelijke Kwaliteitsregister Jeugd of het register Beroepen Individuele Gezondheidszorg. 2.Het college waarborgt de vakbekwaamheid van een hulpverlener die niet beschikt over een registratie zoals bedoeld in het eerste lid, op basis van; aangetoonde inschrijving in een landelijk erkend beroepsregister zoals bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit Jeugdhulp, of het professionele oordeel van een landelijk geregistreerde aanbieder dat de niet-geregistreerde hulpverlener over een zodanige bekwaamheid beschikt dat hem op verantwoorde wijze werk op het gebied van jeugdhulp kan worden toebedeeld. Art.2.10 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen bij vraag naar jeugdhulp 1.Onder eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt verstaan, het vermogen van de jeugdige en diens ouders om zelf, zo nodig met inzet van personen met wie zij binnen de kring van familie, vrienden of kennissen een sociale relatie onderhouden, of met ondersteuning van hulpverlenende instellingen de benodigde hulp te bieden. 2.Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdeel b, blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders, eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, toereikend zijn om de gevraagde jeugdhulp zelf te bieden. 3.Het college betrekt bij het onderzoek naar de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen de plicht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden als bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij het gezond en veilig opgroeien van het minderjarig kind primair tot de plicht en verantwoordelijkheid van de ouder behoort. 4.Onverminderd het bepaalde in het derde lid, houdt het college bij de beoordeling of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouders toereikend zijn om zelf de nodige hulp te bieden, in ieder geval rekening met de volgende factoren: de behoefte en de mogelijkheden van de jeugdige; de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; het belang van de ouders om betaalde arbeid te verrichten, waarbij niet de financiële draagkracht van het gezin wordt beoordeeld om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen; de mogelijkheden van personen binnen de sociale kring zoals bedoeld in het eerste lid, om de jeugdige en de ouders te ondersteunen; de mogelijkheid om gebruik te maken van een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet die voor de Jeugdwet gaat of overige voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid; overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid de benodigde hulp zelf te bieden. 5. Bij het onderzoeken van de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders, beoordeelt het college of sprake is van dreigende overbelasting of overbelasting en welke mogelijkheden ouders hebben om deze te voorkomen of op te heffen, waarbij verwacht mag worden dat ouders sociale of maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Artikel2.11Borgen gescheiden voorbereiding, besluitvorming en uitvoering jeugdhulp 1.Het college ziet erop toe dat de in artikel 2.8 bedoelde toeleiders en adviseurs uitsluitend worden belast met de toeleiding naar en advisering over individuele voorzieningen en niet met de besluitvorming of uitvoering hiervan; 2.Het college ziet erop toe dat aanbieders van de in artikel 3.1.1 genoemde individuele voorzieningen uitsluitend worden belast met de uitvoering van deze voorzieningen en niet met de voorafgaande toeleiding, advisering en besluitvorming naar aanleiding van de hieraan ten grondslag liggende ondersteuningsverzoeken. Hoofdstuk3Individuele voorzieningen jeugdhulp, maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning, gezinsarrangementen, pgb, verplichtingen en overige maatregelen Paragraaf3.1Individuele voorzieningen jeugdhulp Artikel3.1.1Beschikbare individuele voorzieningen jeugdhulp Het college stelt de volgende specialistische tweedelijns jeugdhulp beschikbaar: multidisciplinaire jeugd-ggz; wijkgerichte generalistische enkelvoudige basis-ggz; hulp bij ernstige enkelvoudige dyslexie; pleegzorg; opname in de vorm van bed en behandeling; ambulante hulp in de thuissituatie; hulp bij blijvende psychische problemen en beperkingen; crisishulp; daghulp voor het jonge kind, ontwikkelingsgerichte of schoolterugkeergerichte daghulp; forensische jeugdhulp opgelegd door de kinderrechter. Artikel3.1.2Verlening arrangementen individuele voorzieningen jeugdhulp 1.Het college verleent een individuele voorziening binnen een arrangement dat is opgebouwd uit één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: R1 ondersteuning; R2 behandeling; R3 begeleiding van ouders en omgeving. 2.Het college zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn voor de resultaatsgebieden: O1 vervangende opvoeding; O2 dagprogramma; O3 mantelzorgondersteuning. 3.Het college kan daarnaast een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening verstrekken voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 4.Het college stelt de omvang van de individuele voorziening, bedoeld in het eerste lid, en de ondersteuningselementen vast in intensiteitstreden, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. 5.Het college kan voor bepaalde arrangementen de omvang van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en de ondersteuningselementen, vaststellen in intensiteitstreden met een gemiddelde urenindicatie, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. Artikel3.1.3Vervoersvoorziening naar daghulp 1.De jeugdige kan pas in aanmerking komen voor vervoer van en naar daghulp als de eigen kracht niet toereikend is. Dit betekent dat de jeugdige gelet op zijn leeftijd, beperkingen of psychosociale problematiek niet in staat is om zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de locatie waar daghulp wordt geboden en dit ook niet mogelijk is met behulp van zijn ouders of inzet van het sociaal netwerk. 2.Een vervoersvoorziening van en naar daghulp is uitsluitend mogelijk als binnen het arrangement het ondersteuningselement dagprogramma is opgenomen en de duur van het arrangement niet korter is dan twaalf weken. 3.Vervoer van en naar daghulp is slechts mogelijk als de afstand van een enkele reis tussen het woon- of verblijfadres van de jeugdige en de locatie voor daghulp meer dan zes kilometer bedraagt. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt voor jeugdigen met een zware lichamelijke beperking of mobiliteitsproblemen. Artikel3.1.4Aanvullende criteria voor het resultaatgebied ondersteuning Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied ondersteuning als de jeugdige in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de eigen kracht door de ouders hier niet in kan voorzien: het krijgen of behouden van structuur of regie; het aanleren van praktische vaardigheden; het behoud of de vergroting van zelfstandigheid; het aanleren van sociale vaardigheden; het langdurig zelfstandig, dan wel gedeeltelijk zelfstandig functioneren; het leren omgaan met zijn beperkingen. Artikel3.1.5Aanvullende criteria voor het resultaatgebied behandeling Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied behandeling ten aanzien van één of meerdere van de volgende aspecten, indien er aanwijzingen zijn voor een tijdelijke dan wel blijvende stoornis of beperking, al dan niet resulterend in delictgedrag: het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling of opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de jeugdige in één of meerdere domeinen; het verlagen van recidiverisico. Artikel3.1.6Aanvullende criteria voor het resultaatgebied begeleiding ouders en omgeving Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied begeleiding van ouders en omgeving, als zijn ouders en omgeving, ten aanzien van aan één of meerdere van de volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben: het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de jeugdige; het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige; het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis of gedragsproblemen van de jeugdige; het kunnen aanpassen van het opvoedgedrag behorend bij de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige; het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de jeugdige; het kunnen zorgdragen voor deelname van de jeugdige aan onderwijs of vormen van daghulp; het kunnen ontwikkelen van een voor de jeugdige steunend netwerk. Artikel3.1.7Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als gedurende de inzet van het resultaatgebied behandeling de hulp niet in de thuissituatie kan worden geboden vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden: de opvoedsituatie is onvoldoende veilig voor de jeugdige; de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op. Artikel3.1.8Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagprogramma Het college zet een ondersteunend dagprogramma in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur. Artikel3.1.9Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement mantelzorgondersteuning Het college zet ondersteunende mantelzorg in als zich bij toepassing van het resultaatsgebied ondersteuning één of meer van de volgende omstandigheden voordoen: de jeugdige heeft een verstandelijke beperking zie gepaard gaat met beperkingen in het sociaal en persoonlijk functioneren; vanwege een lichamelijke of zintuigelijke beperking; de jeugdige heeft een meervoudige beperking bestaande uit een combinatie van een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap, al dan niet met moeilijk te reguleren gedragsproblematiek als gevolg van een ernstige psychiatrische stoornis; er is sprake van een chronische uitbehandelde psychiatrische aandoening of stoornis bij de jeugdige. Artikel3.1.10Waakvlamfunctie jeugdhulp De ondersteuning binnen de resultaatgebieden, bedoeld in de artikelen 3.1.4, 3.1.5 en 3.1.6, kan tevens de vorm hebben van een waakvlamfunctie, waarbij periodiek wordt beoordeeld of het behaalde resultaat nog steeds aanwezig is en of er aanvullende ondersteuning binnen een resultaatsgebied nodig is. Artikel3.1.11Zeventien jaar en zes maanden Het college kan aan een jeugdige die de leeftijd van zeventien jaar en zes maanden heeft bereikt, jeugdhulp ontvangt en naar verwachting een voortdurende behoefte aan ondersteuning zal hebben na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, een arrangement als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanbieden, mits dit arrangement de jeugdige in voldoende mate ondersteunt en de jeugdhulp niet uitsluitend bestaat uit ondersteuning die alleen in het kader van de Jeugdwet wordt geleverd. Artikel3.1.12Voortzetting jeugdhulp na achttien jaar Het college kan besluiten om de ondersteuning aan een jeugdige, als bedoeld in artikel 1.1 onder sub 3 en sub 4 van de Jeugdwet na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar als een arrangement jeugdhulp voort te zetten of te hervatten, indien de ondersteuning niet, niet adequaat of niet volledig in de vorm van een arrangement op grond van de Wmo 2015 kan worden verstrekt. Paragraaf3.2Maatwerkvoorzieningen Wmo 2015 Artikel3.2.1Maatschappelijke Ondersteuning binnen resultaatgebieden 1.Maatschappelijke ondersteuning in de vorm van dienstverlening vindt plaats in de vorm van één of meer van de volgende resultaatgebieden: sociaal en persoonlijk functioneren; huishoudelijke ondersteuning; financiën; dagbesteding; ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid; semimurale ondersteuning; intramurale ondersteuning; nachtelijke ondersteuning; verblijf; mantelzorgondersteuning met verblijf; gezinsondersteuning; duurzame veiligheid en herstel. 2.Als onderdeel van dagbesteding kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. 3.Het college stelt de omvang van de ondersteuning en eventueel het vervoer, bedoeld in het tweede lid, vast in intensiteitstreden, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte en de problematiek van de cliënt. 4.In afwijking van het eerste lid wordt crisisopvang huiselijk geweld geboden in de vorm van een veilige verblijfplaats, bescherming en begeleiding. 5.In afwijking van het eerste lid wordt maatschappelijke opvang geboden in de vorm van dag- en nachtopvang en basis op orde begeleiding. Artikel3.2.2Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Indien meerdere maatwerkvoorzieningen in gelijke mate passend zijn, kiest het college voor de goedkoopste oplossing. 2.Het college kan een maatwerkvoorziening in natura zoals hulpmiddelen, woningaanpassingen en vervoersvoorzieningen anders dan voor dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken, waarvoor de client een bruikleenovereenkomst tekent. 3.Voor een maatwerkvoorziening die een cliënt in bruikleen ontvangt dan wel in eigendom heeft door aanschaf middels een pgb, geldt: dat geen wijzigingen worden aangebracht aan de maatwerkvoorziening; de verplichting om de maatwerkvoorziening die in bruikleen is verstrekt in de oorspronkelijke staat, in te leveren als deze niet meer wordt gebruikt; de maatwerkvoorziening zorgvuldig wordt gebruikt; de maatwerkvoorziening in eigendom zorgvuldig wordt onderhouden en wordt verzekerd tegen verlies, diefstal of beschadiging; dat de maatwerkvoorziening niet aan derden in gebruik wordt gegeven. 4.Het gebruik van een maatwerkvoorziening in het buitenland is uitsluitend toegestaan, voor zover dit naar het oordeel van het College aanvaardbaar is en hier uitdrukkelijke toestemming voor is gegeven. Artikel3.2.3Aanvullende criteria maatwerkvoorziening 1.In aanvulling op artikel 3.2.2 hanteert het college voor een maatwerkvoorziening, voor zover relevant en van toepassing gelet op de aard van de in te zetten ondersteuning, de volgende criteria: er is geen sprake van algemeen gebruikelijke kosten; de maatwerkvoorziening is veilig voor de cliënt en directe omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee; er is geen sprake van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening als deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening technisch niet is afgeschreven; op het moment van de aanvraag de maatwerkvoorziening, anders dan voor dienstverlening, met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie, nog niet is aangeschaft of gerealiseerd, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend, of een eerdere melding in verband met een noodsituatie niet mogelijk was; cliënt werkt binnen zijn vermogen in voldoende mate mee aan het opstellen van het ondersteuningsverslag; de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening is niet aan de cliënt te verwijten; er is geen voldoende passende behandeling mogelijk, gericht op de beperkingen of belemmeringen die leiden tot de hulpvraag. 2.Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, anders dan voor dienstverlening, met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. Artikel3.2.4Aanvullende criteria voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als deze ondersteuning nodig heeft in relatie tot: het ontvangen van praktische ondersteuning; het verbeteren van gedrag in sociale en thuissituaties; het aanleren van (praktische) vaardigheden; het ontvangen van pro-actieve ondersteuning tussen 7:00 uur en 23:00 uur; het verkrijgen van structuur en regie; het behouden van huisvesting. 2.De ondersteuning binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren kan tevens de vorm hebben van een waakvlamfunctie, waarbij periodiek wordt beoordeeld of de behaalde resultaten nog steeds aanwezig zijn en of er aanvullende ondersteuning nodig is. 3.Ondersteuning in de vorm van een waakvlamfunctie kan niet worden ingezet bij een indicatie voor semimurale- of intramurale ondersteuning. Artikel3.2.5Aanvullende criteria voor het resultaatgebied ondersteuning bij het voeren van een huishouden 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied ondersteuning bij het voeren van een huishouden als deze ondersteuning nodig heeft in relatie tot: het schoon en leefbaar houden van de woning; of het beschikken over schone kleding. 2.Een cliënt die in aanmerking komt voor de resultaatgebieden Intramurale ondersteuning en Verblijf, komt niet in aanmerking voor ondersteuning bij het voeren van een huishouden. Artikel3.2.6Aanvullende criteria voor het resultaatgebied financiën Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied financiën als deze ondersteuning nodig heeft op één of meerdere van de volgende aspecten: indien cliënt begeleiding ontvangt of wenst te ontvangen vanuit het ETF: het toeleiden naar het ETF in verband met schulden; het volgen van het traject met het ETF om te komen tot een passende schuldenaanpak; het leveren van de benodigde informatie voor het schuldhulpverleningstraject van het ETF; indien cliënt geen begeleiding ontvangt of wenst te ontvangen vanuit het ETF: het verzamelen van alle benodigde informatie voor het schuldhulpverleningstraject; het opstellen van de bij de cliënt passende schuldenaanpak; het inzetten van financiële dienstverleningsproducten. Artikel3.2.7Aanvullende criteria voor dagbesteding 1.Dagbesteding betreft begeleiding, waarbij in beginsel in een groep en door middel van activiteiten gewerkt wordt aan de individueel gestelde doelen uit het ondersteuningsverslag. Activiteiten met politieke en levensbeschouwelijks doelen worden hierbij uitgesloten. 2.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied dagbesteding indien: het noodzakelijk is de mensen die gebruikelijke hulp aan de cliënt en de mantelzorger(
- s)van cliënt te ontlasten; cliënt ondersteuning nodig heeft bij het vergroten van zijn sociaal netwerk, teneinde gevoelens van eenzaamheid te doorbreken en een sociaal isolement te voorkomen; cliënt belemmeringen ondervindt bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag; de cliënt structuur en veiligheid nodig heeft teneinde verlies aan regie en zelfredzaamheid te voorkomen; het noodzakelijk is om cliënt te activeren tot zingevende activiteiten, routine of structuur in de dag; of de cliënt ondersteuning behoeft bij het verkrijgen van werknemersvaardigheden; verwaarlozing of opname in een ziekenhuis of Wlz-instelling met de inzet van dagbesteding wordt voorkomen; de digitale vaardigheden aan de cliënt t.b.v. ondersteuning via Ehealth met de inzet van dagbesteding worden vergroot; dit leidt tot het bevorderen van zoveel mogelijk naar vermogen mee kunnen doen in de maatschappij door middel van activering, participatie, herstel en re-integratie; wordt gewerkt aan herstel en stimuleren van zelfredzaamheid en ook aan cognitieve, sociale en motorische capaciteiten en vaardigheden; met de inzet van dagbesteding (behoud) van niet-uitstelbare Algemeen Dagelijks Leven (ADL)-handelingen wordt gestimuleerd, zoals toiletgang, (toezien
- op)medicatie-inname en het nuttigen van een maaltijd; indien de cliënt hiermee wordt voorbereid op of gestimuleerd tot dagbesteding op locatie. 3.De dagbesteding vindt, al dan niet in groepsverband, plaats op een daartoe bestemde locatie buiten de eigen woning onder begeleiding van een beroepskracht van een aanbieder die aantoonbare ervaring heeft met de cliëntgroep. 4.Digitale dagbesteding kan in de eigen woning plaatsvinden en wordt online geleverd via een online cursus- en of kennisaanbod. 5.De cliënt die in aanmerking komt voor dagbesteding in het kader van de Participatiewet komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied dagbesteding 6.Als de situatie van cliënt of mantelzorgers dit toelaat, geldt niet-geïndiceerde dagbesteding als voorliggend op geïndiceerde dagbesteding. 7.Dagbesteding waarbij dierverzorging aan de orde is, is slechts toegestaan door zorgboerderijen met het keurmerk Kwaliteit Laat Je Zien. 8.De aanbieder is ook verantwoordelijk voor het trainen van de begeleiders van de ontvangende organisatie waar het vrijwilligerswerk plaatsvindt. Artikel3.2.8Aanvullende criteria voor vervoer van en naar dagbesteding 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer van en naar dagbesteding als cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich met gebruikmaking van diens eigen kracht te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbestedingslocatie. 2.Vervoer van en naar dagbesteding is slechts mogelijk als de afstand tussen het woon- of verblijfadres en de dagbesteding ten hoogste zes kilometer enkele reis bedraagt. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien binnen deze afstand geen passende dagbesteding beschikbaar is. Artikel3.2.9Aanvullende criteria voor het resultaatgebied ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid op één of meer van de volgende gebieden, voor zover dit niet onder de Zorgverzekeringswet valt; persoonlijke hygiëne en verzorging; juist gebruik van medicatie; het maken en nakomen van afspraken bij zorgprofessionals; het beschikken over en nuttigen van gezonde maaltijden; de zorg voor minderjarige kinderen tot negen jaar die tot het huishouden van cliënt behoren, waarbij de inzet van de ouders de gebruikelijke hulp overstijgt. 2.Ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan uitsluitend worden geboden indien sprake is van een onverwachte noodsituatie in het gezin en voor de duur van ten hoogste drie maanden. Artikel3.2.10Aanvullende criteria resultaatgebied semimurale ondersteuning 1.Onder semimurale ondersteuning wordt verstaan ondersteuning in de nabijheid van de cliënt die wordt geboden in een semimurale voorziening, waarbij in ieder geval de resultaatgebieden sociaal persoonlijk functioneren en ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid worden verstrekt. 2.Een cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening semimurale ondersteuning wanneer noodzaak bestaat tot een grote mate van nabijheid van de ondersteuning van de client tussen zeven uur s’ ochtends en elf uur s’ avonds. 3.Semimurale ondersteuning wordt verstrekt met een passende vorm van het resultaatgebied nachtelijke ondersteuning. Artikel3.2.11Aanvullende criteria resultaatgebied intramurale ondersteuning 1.Onder intramurale ondersteuning wordt verstaan ondersteuning die in een intramurale accommodatie in de directe nabijheid van de cliënt wordt georganiseerd tussen zeven uur s’ ochtends en elf uur s’ avonds en in elk geval de resultaatgebieden sociaal persoonlijk functioneren en ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid bevat. 2.Een cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening intramurale ondersteuning wanneer er een noodzaak bestaat tot grote mate van nabijheid van de ondersteuning alsmede een grote mate van zicht en toezicht op de client. 3.Het resultaatgebied intramurale ondersteuning wordt in combinatie met het resultaatgebied verblijf verstrekt. 4.Intramurale ondersteuning wordt verstrekt met een passende vorm van het resultaatgebied nachtelijke ondersteuning. Artikel3.2.12Aanvullende criteria resultaatgebied nachtelijke ondersteuning 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor nachtelijke ondersteuning, indien professioneel toezicht noodzakelijk is om gestructureerd of veilig te kunnen wonen, samenhangend met diens sociaal en persoonlijk functioneren en met diens zelfzorg. 2.Het nachtelijk toezicht vindt plaats tussen elf uur s’ avonds en zeven uur s ’ochtends en is gericht op: het voorkomen of de-escaleren van ongewenste situaties gedurende de nacht; het ondersteunen bij het hanteren van een gezond dag-nachtritme; het ingrijpen wanneer de cliënt te veel onder invloed staat van anderen waar dit een risico van achteruitgang met zich meebrengt; of de veiligheid en de leefbaarheid in en om de locatie waar de cliënt woont. 3.Nachtelijke ondersteuning wordt geboden in de vorm van een ambulante wacht, een slaapwacht of wakende ondersteuning waarbij geldt dat: intramurale ondersteuning wordt verstrekt in combinatie met een slaapwacht of wakende ondersteuning; semimurale ondersteuning wordt geboden in combinatie met een ambulante wacht of een slaapwacht, en extramurale ondersteuning kan worden geboden in combinatie met een ambulante wacht. Artikel3.2.13Aanvullende criteria resultaatgebied verblijf 1.Onder het resultaatgebied verblijf wordt verstaan het verstrekken van onzelfstandige woonruimte met hotelmatige voorzieningen in een accommodatie van de zorgaanbieder waarvoor geen huur is verschuldigd. 2.Het college beoordeelt in het kader van de landelijke toegankelijkheid voor de cliëntgroep (O)GGZ in hoeverre de gemeente Rotterdam de meest aangewezen centrumgemeente is om het intramurale verblijf te verlenen. 3.Het resultaatgebied verblijf is uitsluitend van toepassing wanneer er sprake is van een indicatie voor het resultaatgebied intramurale ondersteuning. 4.Het resultaatgebied verblijf wordt niet verstrekt in combinatie met de resultaatgebieden huishoudelijke ondersteuning, sociaal-persoonlijk functioneren, zelfzorg en gezondheid, semimurale ondersteuning of mantelzorgondersteuning met verblijf. 5.Het resultaatgebied verblijf heeft tevens betrekking op de bij client verblijvende kinderen. Artikel3.2.14Aanvullende criteria resultaatgebied mantelzorgondersteuning met verblijf 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening mantelzorgondersteuning met verblijf indien: de cliënt is aangewezen op ondersteuning met permanent toezicht; ontlasting van de mantelzorger die dit permanent toezicht levert noodzakelijk is; en de cliënt gedurende maximaal drie etmalen per week aangewezen is op deze maatwerkvoorziening. 2.Het resultaatgebied mantelzorgondersteuning met verblijf houdt in: maximaal gedurende 3 etmalen per week verblijf in de logeervoorziening; ondersteuning bij de ADL-taken. 3.In afwijking van het tweede lid, onder a, kan in overleg met de cliënt en diens mantelzorger mantelzorgondersteuning met verblijf worden geboden voor een langere periode tot maximaal 3 weken aaneengesloten, indien het totaal aantal etmalen, het aantal etmalen over de volledige looptijd van de indicatie niet overstijgt; 4.Een cliënt die in aanmerking komt voor ondersteuning binnen het resultaatgebied semimurale ondersteuning, intramurale ondersteuning of verblijf, kan niet in aanmerking komen voor ondersteuning voor het resultaatgebied mantelzorgondersteuning met verblijf. Artikel3.2.15Aanvullende criteria resultaatgebied gezinsondersteuning 1.Het resultaatgebied gezinsondersteuning kan gedurende maximaal een half jaar worden toegekend aan één ouder binnen het gezin waaraan een Wmo-arrangement wordt verstrekt. 2.Dit resultaatgebied richt zich op het integrale gezin en heeft als doel ontwikkelingsproblemen bij de kinderen in het gezin te voorkomen of te verminderen. 3.Het college draagt er zorg voor dat wanneer er zowel jeugdhulp als maatschappelijke ondersteuning wordt geleverd, de ondersteuning op elkaar wordt afgestemd, waarbij indien mogelijk één van de aanbieders de regie hiervoor krijgt toebedeeld. Artikel3.2.16Aanvullende criteria resultaatgebied duurzame veiligheid en herstel 1.Een cliënt die slachtoffer is van huiselijk geweld kan in aanmerking komen voor het resultaatgebied duurzame veiligheid en herstel in aanvulling op een reeds aan deze cliënt verstrekte maatwerkvoorziening voor de periode van maximaal zes maanden. 2.Dit resultaatgebied richt zich op het gehele gezinssysteem met als doel inzicht verkrijgen, dynamiek doorbreken, herstel en veiligheid bevorderen. Artikel3.2.17Aanvullende criteria maatwerkvoorziening sociaal en recreatief vervoer 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor sociaal/recreatief vervoer als deze als gevolg van zijn beperking, chronische psychische of psychosociale belemmering, problemen ondervindt bij het zich lokaal verplaatsen met algemeen gebruikelijk voorzieningen. 2.De maatwerkvoorziening voor sociaal en recreatief vervoer kan bestaan uit: een vervoerspas voor het groepsgewijze dan wel individuele gebruik van het CAV; begeleid gebruik van het openbaar vervoer; vervoer per eigen vervoermiddel; de kosten van een parkeervoorziening in de vorm van een financiële maatwerkvoorziening. 3.Het college legt het primaat bij het gebruik van het CAV, als het CAV de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie en zelfredzaamheid. 4.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een combinatie van de maatwerkvoorzieningen, bedoeld in het tweede lid, als dit voor diens participatie of zelfredzaamheid voor zowel de korte als de lange afstand noodzakelijk is. 5.Het college hanteert bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, een basisaantal van 20 ritten per jaar plus het te verwachten benodigde aantal ritten per jaar tot een maximum van 312 ritten per jaar. 6.De indicatie voor de maatwerkvoorzieningen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b wordt ingetrokken wanneer de vervoersvoorziening twee jaar niet door de cliënt wordt gebruikt. 7.Een cliënt die naar het oordeel van het college bij het vervoer met het CAV is aangewezen op persoonlijke ondersteuning en begeleiding, kan gratis een begeleider mee laten reizen die in staat is om in die ondersteuning en begeleiding te voorzien. 8.Een cliënt die gebruik maakt van het CAV kan tevens een rit boeken voor zijn kinderen jonger dan twaalf jaar die met hem meereizen, anders dan als begeleider. Cliënten van het CAV die jonger zijn dan twaalf jaar en die niet zijn aangewezen op begeleiding bij het vervoer kunnen eveneens na toestemming van het college een rit boeken voor een meereizende. 9.Een cliënt kan, als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is, bij de maatwerkvoorziening van het tweede lid, onderdeel a, aanspraak maken op een extra begeleidingsservice, bestaande uit het begeleiden tot in en vanuit de hal van de eigen woning alsmede het ophalen en afzetten in de hal van het bestemmingsadres. 10.Wanneer een cliënt een geboekte rit van het CAV niet uiterlijk 1 uur voor de geplande aanvang heeft geannuleerd bij de vervoerder: wordt de rit afgeboekt van het rittentegoed dat nog ter beschikking staat; en is de cliënt voor de geboekte rit en de eventuele meereizenden anders dan de begeleider, de ritprijs verschuldigd. 11.Het college kan met de vervoerder afspreken dat hij bij een cliënt een aanvullende redelijke bijdrage in rekening mag brengen, als deze regelmatig de rit niet tijdig annuleert. 12.Als het college van oordeel is dat het primaat ligt bij het CAV, maar cliënt hier geen gebruik van wenst te maken, dan kan de cliënt in aanmerking komen voor een pgb, mits de cliënt: voor een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van het besluit tot toekenning van het pgb, afziet van het gebruik van het CAV en van het begeleid gebruik van het openbaar vervoer; en het pgb gebruikt voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of de aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel. 13.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een financiële maatwerkvoorziening vervoer wanneer het college in aanvulling op het eerste lid van oordeel is dat de cliënt door zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden niet in staat is gebruik te maken van het CAV en de mogelijkheid van een pgb als bedoeld in het twaalfde lid. 14.Het college verstrekt uitsluitend een maatwerkvoorziening in de vorm van een open gehandicaptenvoertuig als de cliënt kan beschikken over een adequate stallingruimte voor dit voertuig. Artikel3.2.18Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel, als de cliënt als gevolg van zijn beperking belemmeringen ondervindt bij het zich verplaatsen in en om de woning. 2.Het college verstrekt uitsluitend een maatwerkvoorziening in de vorm van een elektrische rolstoel als de cliënt kan beschikken over een adequate stallingruimte voor de elektrische rolstoel binnen of buiten de woning. Artikel3.2.19Aanvullende criteria maatwerkvoorziening wonen 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening wonen voor een woning in Rotterdam voor: de aanpassing van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben en die geschikt is om het hele jaar te worden bewoond, voor zover er sprake is van belemmeringen in het normale gebruik van de woning en aanpassing van de woning de meest adequate oplossing hiervoor is; of het bezoekbaar maken van een woning waarin de cliënt die in een instelling verblijft, regelmatig komt, zodat de woonkamer en het toilet door de cliënt bereikt en gebruikt kunnen worden en er, onverlet bijzondere situaties, niet eerder in Rotterdam een woning voor de cliënt bezoekbaar is gemaakt. 2.Een maatwerkvoorziening voor de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex wordt niet verstrekt als het wooncomplex is bestemd voor de huisvesting van ouderen of personen met een beperking. 3.Het college weigert een maatwerkvoorziening indien de belemmeringen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de voor periodiek onderhoud geldende wettelijke vereisten. 4.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening wonen: als de cliënt een maatwerkvoorziening ontvangt voor het ondersteuningselement huisvesting als bedoeld in artikel 3.2.10; voor verblijf in een hotel, pension, trekkerswoonwagen, tweede woning of andere niet voor permanente bewoning bedoelde verblijven. 5.Het college kan een financiële maatwerkvoorziening verstrekken voor: de kosten van een verhuizing, voor zover de te verlaten woning in Rotterdam staat, de verhuizing het gevolg is van belemmeringen in het normale gebruik van de woning en een verhuizing de meest adequate oplossing is voor cliënt; de extra huurlasten als een cliënt tijdelijk genoodzaakt is een andere woonruimte te verblijven totdat de woning is aangepast als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. 6.In afwijking van het vierde lid kan het college een financiële maatwerkvoorziening verstrekken voor de kosten van een verhuizing indien: de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder of eigenaar van de woning te doen wegnemen; en er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijke termijn geen uitzicht is op de opheffing van de gebreken aan de woning. Artikel3.2.20Aanvullende criteria sporthulpmiddelen 1.Het college kan een financiële maatwerkvoorziening voor sporthulpmiddelen verstrekken als deze middelen in verband met de beperkingen van de cliënt noodzakelijk zijn om te kunnen sporten voor de beoefening van één sport. 2.Voordat het college een financiële maatwerkvoorziening verstrekt, kan het college de cliënt verzoeken om eerst een sporthulpmiddel te gebruiken van het Fonds Gehandicaptensport om te ontdekken: of de sport passend is; of welke eigenschappen van het sporthulpmiddel voor de cliënt van belang zijn. 3.Een financiële maatwerkvoorziening voor een sporthulpmiddel wordt alleen verstrekt als de cliënt het hulpmiddel: regelmatig en hoofdzakelijk in Nederland gebruikt; en niet inzet voor het beoefenen van topsport. 4.De financiële maatwerkvoorziening is uitsluitend bestemd voor: de aanschaf van een sporthulpmiddel dat iemand zonder beperking niet gebruikt, of; de meerkosten van een aangepast sporthulpmiddel in vergelijking met een niet aangepaste versie van dit sportmiddel; of de kosten van aanpassing van een sportmiddel zodat dit ook met de beperking van de cliënt kan worden gebruikt; en het onderhoud van het sporthulpmiddel. 5.Het college bepaalt de hoogte van de financiële maatwerkvoorziening middels de door de client ingediende offerte te vergelijken met de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperking maakt voor de aanschaf of het onderhoud van het sporthulpmiddel. Als sprake is van een sporthulpmiddel dat niet gebruikt wordt door iemand zonder beperking, bepaalt het college de hoogte van de financiële maatwerkvoorziening middels de door de client ingediende offerte. 6.Het college kan aanvullend onderzoek doen of laten doen om te bepalen of het door cliënt aangevraagde sporthulpmiddel het goedkoopst adequate sporthulpmiddel is. 7.Het college betaalt de financiële maatwerkvoorziening op verzoek van de cliënt aan cliënt zelf, na overlegging van een factuur of aan de leverancier, na overlegging van een offerte. Paragraaf3.3Persoonsgebonden budget Artikel3.3.1Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening en deze zelf wenst in te kopen middels een door het college te verstrekken pgb, dient de cliënt daartoe volgens een door het college ter beschikking gesteld format een aanvraag en pgb-plan in, waaruit blijkt: wat met het pgb wordt ingekocht; waarom de cliënt kiest voor een pgb als verzilveringsvorm; wie is gemachtigd om de belangen van de cliënt ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; hoe de cliënt de ondersteuning wil organiseren; op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; hoe de cliënt de voorziening volgens een puntsgewijze begroting dan wel een gespecificeerde offerte wenst te financieren. 2.Het pgb-plan wordt tevens voorzien van een schriftelijke machtiging en verklaring van de cliënt en zijn vertegenwoordiger, waaruit blijkt dat het beheer op verantwoorde wijze wordt doorgevoerd. 3.Een vertegenwoordiger niet zijnde de ouder van een jeugdige, wordt uitsluitend geacht de aan het pgb verbonden taken op kwalitatief verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren, indien: deze niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht; en deze niet behoort tot het sociaal netwerk van de uitvoerder van de ondersteuning; en deze geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning; deze voldoende nabijheid tot de cliënt heeft in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd; en deze minimaal achttien jaar is dan wel minimaal beschikt over een havo- of vwo-diploma of een mbo-diploma, niveau 2, 3 of 4. 4.Van artikel 3, aanhef en onderdeel a, b of c kan worden afgeweken indien gelet op de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, de inzet van de vertegenwoordiger verantwoord wordt bevonden. Artikel3.3.2 Categorieën professionele pgb-aanbieders Van een professionele pgb-aanbieder is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van cliënt en personen behorende tot het sociaal netwerk van de cliënt: personen die werkzaam zijn bij een organisatie met minimaal twee medewerkers in dienstverband, die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren werkzaamheden, zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en te beschikken over de benodigde diploma’s voor de uitvoering van de desbetreffende werkzaamheden; personen die door de Belastingdienst zijn aangemerkt als zelfstandig werkende hulpverlener die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren werkzaamheden zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en beschikken over de benodigde diploma’s voor de uitoefening van de desbetreffende werkzaamheden. personen die als hulpverlener een arbeidsovereenkomst hebben met de cliënt voor het leveren van ondersteuning binnen één of meerdere van de resultaatgebieden bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, ten aanzien van de uit te voeren werkzaamheden, ingeschreven in de wettelijk vereiste registers en beschikken over de benodigde diploma’s zijn voor de uitoefening van de desbetreffende werkzaamheden; personen die werkzaam zijn bij een organisatie die door de gemeente voor de betreffende ondersteuning ook is gesubsidieerd of gecontracteerd. Artikel3.3.3Eisen aan professionele pgb-aanbieders 1.Het college betrekt bij de beoordeling omtrent de kwaliteit van een individuele voorziening of maatwerkvoorziening die wordt ingekocht door middel van een pgb in ieder geval of de pgb-aanbieder: zorg draagt voor ondersteuning van goede kwaliteit die veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt; actief en integraal samenwerkt met andere hulpverleners en aanbieders; met een plan aan de doelen van het ondersteuningsplan werkt; beschikbaar en deskundig is, waarbij wordt betrokken: of de pgb-aanbieder beschikt over voldoende personeel of capaciteit en organisatievermogen om de zorgcontinuïteit te kunnen waarborgen en organiseert de uitvoering van de geboden zorg zodanig dat tijdig, doelmatig en deskundig in de ondersteuningsbehoeften van de cliënt wordt voorzien; of het personeel ervaring, kwalificaties, of opleidingen heeft die passend zijn bij de te verrichten werkzaamheden complexiteit en aard van de problematiek van de cliënt, blijkend uit een kopie van een relevant diploma van een erkende Nederlandse onderwijsinstelling of een registratie bij het Registerplein. 2.Het is een pgb-aanbieder niet toegestaan om ondersteuning via een pgb aan een cliënt te leveren als sprake is van een 1e of 2e graads familierelatie tussen de eigenaar of bestuurder van de pgb-aanbieder en de pgb-vertegenwoordiger dan wel de zorgmedewerkers van de pgb-aanbieder en de pgb-vertegenwoordiger. Deze beperking geldt ongeacht of de eigenaar, bestuurder of zorgmedewerkers direct betrokken zijn bij de zorgverlening aan het familielid. 3.De pgb-aanbieder en de hulpverlener mogen geen enkel ander voordeel aan de ondersteuningsrelatie ontlenen dan betaling uit het pgb. 4.Het is een zelfstandige zonder personeel, niet toegestaan om een onderaannemer in te schakelen. Artikel3.3.4Eisen aan pgb-aanbieders binnen het sociaal netwerk 1.Een cliënt heeft de mogelijkheid om ondersteuning te betrekken van een persoon behorende tot het sociaal netwerk als: de cliënt een gelijkwaardig of beter resultaat kan behalen dan iemand uit het sociaal netwerk de ondersteuning levert en; dit leidt tot volwaardige ondersteuning die tegemoetkomt aan de hulpvraag van de cliënt; blijkens het ingediende pgb-plan aan die persoon een vergoeding wordt verstrekt die past binnen de kaders van het maximale pgb-tarief dat het college ter beschikking stelt voor informele ondersteuning, zoals vermeld in artikel 3.4.7, tweede lid. 2.Indien de hulpverlener een ZZP’er is, die tevens een eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant is van degene aan wie hij ondersteuning biedt of van diens vertegenwoordiger, dan wordt deze hulpverlener beschouwd als pgb-aanbieder binnen het sociaal netwerk. 3.Een pgb voor hulp uit het sociaal netwerk wordt alleen verstrekt als de ondersteuner uit het eigen sociaal netwerk minimaal achttien jaar is, tenzij de ondersteuner beschikt over de door de gemeente Rotterdam gehanteerde startkwalificaties. Een startkwalificatie is een havo-, vwo-diploma of een diploma van het mbo op niveau 2, 3 of 4. Voor het resultaatgebied huishoudelijke ondersteuning geldt het leeftijdsvereiste niet. Artikel3.3.5Overige bepalingen pgb 1.Maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp binnen één resultaatgebied, kan in de vorm van een voorziening in natura of in de vorm van een pgb worden verstrekt. Uitsluitend bij de verstrekking van jeugdhulp waaraan het ondersteuningselement dagprogramma is verbonden, is een combinatie van een voorziening in natura en een vervoersvoorziening in de vorm van een pgb toegestaan. 2.Binnen een resultaatgebied wordt voor dienstverlening in het kader van maatschappelijke ondersteuning het tarief voor professionele ondersteuning dan wel het tarief voor ondersteuning binnen het sociaal netwerk gehanteerd. 3.In afwijking van het eerste lid kan geen informeel pgb-tarief worden verstrekt ten behoeve van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp die wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk op basis van een overeenkomst van opdracht, als sprake is van ondersteuning binnen de volgende, in artikel 3.1.2, eerste en tweede lid en artikel 3.2.1, eerste lid, bedoelde resultaatgebieden of ondersteuningselementen behandeling; begeleiding ouders en omgeving; vervangende opvoeding; dagprogramma of dagbesteding; mantelzorgondersteuning; mantelzorgondersteuning met verblijf. 4.Het college kan besluiten om een informeel pgb te verstrekken als cliënt op basis van een door het college goedgekeurde verklaring ten laste hiervan een tegemoetkoming verstrekt aan iemand binnen zijn sociaal netwerk ten behoeve van onverplicht verleende: jeugdhulp voor het ondersteuningselement mantelzorgondersteuning als bedoeld in artikel 3.1.2, tweede lid, onderdeel c; maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, voor: dagbesteding; mantelzorgondersteuning met verblijf. 5.Ten laste van het pgb voor een resultaatgebied wordt geen tegemoetkoming verstrekt als voor ditzelfde resultaatgebied een pgb wordt verstrekt voor professionele ondersteuning. 6.Een cliënt kan ondersteuning inkopen in geval van een 1e of 2e graads familierelatie tussen: de eigenaar, bestuurder of zorgmedewerkers van de zorgaanbieder en de cliënt; de zelfstandig werkende hulpverlener en de cliënt. Deze ondersteuning wordt alleen vergoed op basis van informele pgb-tarief. Artikel3.3.6Hoogte van het pgb en begroting 1.Het college stelt de hoogte van het pgb vast op basis van de door de cliënt ingediende begroting voor de benodigde ondersteuning, voor zover dit blijft binnen de toepasselijke grenzen van de maximale pgb-tarieven, waarbij het college het pgb-tarief kan afronden op hele euro’s. 2.Het college houdt bij de vaststelling van de hoogte van het pgb rekening met de inzet van professionele ondersteuning of ondersteuning in het sociaal netwerk. 3.Voor zover het pgb bestemd is voor een voorziening waardoor de cliënt kosten bespaart, kan het college met die kostenbesparing rekening houden bij de vaststelling van de hoogte van het pgb. 4.De kostprijs van een pgb wordt afgeleid van de kostprijs van een vergelijkbare maatwerkvoorziening of individuele voorziening of, bij ontbreken hiervan, van de marktprijs van de desbetreffende voorziening. 5.Het college kan bepalen dat van een pgb voor dienstverlening of jeugdhulp een bedrag vrij kan worden besteed binnen de kaders van deze ondersteuning of jeugdhulp. 6.Uitbetaling van een pgb voor ondersteuning vindt plaats door de Sociale Verzekeringsbank op basis van een zorgovereenkomst. Uitbetaling van een pgb voor een hulpmiddel, een vervoershulpmiddel of een woningaanpassing vindt plaats door het college op basis van leveranciersfacturen. 7.Het college verlaagt een pgb met inachtneming van een redelijke overgangstermijn. 8.In afwijking van het eerste lid stelt het college de hoogte van het pgb voor onverplicht verleende ondersteuning vanuit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 3.4.5, derde lid, vast op basis van de benodigde ondersteuning en een door het college goedgekeurde verklaring. Het pgb ten behoeve van een hulpverlener kan niet meer bedragen dan: het maximumtarief dat is opgenomen in artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet of artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015; of de maximale hoogte van het informele pgb dat wordt vastgesteld conform artikel 3.4.7, tweede lid. 9.Bij toepassing van het achtste lid, laatste volzin, geldt dat het laagste bedrag bepalend is voor de vaststelling van de maximale hoogte van het pgb. Artikel3.3.7Pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp 1.Voor zover het pgb bestemd is voor de inkoop van dienstverlening door een dienstverlener die in dienst is van of werkt voor een professionele organisatie die gericht is op de verlening van deze ondersteuning, of als professionele freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is voor de in te kopen dienstverlening, geldt het tarief voor formeel verleende ondersteuning waarbij tot maximaal de volgende percentages van de kostprijs van de goedkoopste voorziening in natura, of bij het ontbreken hiervan, van de laagste marktprijs, wordt betaald: maatschappelijke ondersteuning: sociaal en persoonlijk functioneren 90%; ondersteuning bij het voeren van een huishouden: 90%; financiën: 90%; dagbesteding: 90%; ondersteuning en zelfzorg en gezondheid: 90%; semimurale ondersteuning 90% intramurale ondersteuning 90% nachtelijke ondersteuning 90% verblijf (geen verstrekking in formeel pgb) mantelzorgondersteuning met verblijf 90% gezinsondersteuning 90% duurzame veiligheid en herstel 90% jeugdhulp: ondersteuning: 90%; vervangende opvoeding; 90%; mantelzorgondersteuning: 90%. 2.Indien het pgb bestemd is voor de betaling van dienstverlening van een hulpverlener uit het sociaal netwerk op basis van een overeenkomst tot opdracht of op onverplichte basis op grond van artikel 3.4.2, vierde lid, geldt het informele pgb-tarief waarbij tot maximaal de volgende percentages van de kostprijs van de goedkoopste voorziening in natura, of bij het ontbreken hiervan, van de laagste marktprijs, wordt betaald: maatschappelijke ondersteuning: sociaal en persoonlijk functioneren 48,3%; ondersteuning bij het voeren van een huishouden: 48,3%; financiën: 48,3%; dagbesteding: 50%; ondersteuning en zelfzorg en gezondheid: 48,3%; semimurale ondersteuning (geen verstrekking in informeel pgb) intramurale ondersteuning (geen verstrekking in informeel pgb) nachtelijke ondersteuning 51% verblijf (geen verstrekking in informeel pgb) mantelzorgondersteuning met verblijf 46,1% gezinsondersteuning 48,3% duurzame veiligheid en herstel 48,3% jeugdhulp: ondersteuning: 48,3%; mantelzorgondersteuning: 46,1%. 3.Voor zover de feitelijke dienstverlening om niet wordt verricht door aan de pgb-aanbieder verbonden vrijwilligers, geldt een nultarief. Artikel3.3.8Pgb voor vervoer van en naar dagbesteding en dagbehandeling Voor een pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding of locatie waar jeugdhulp wordt geboden, hanteert het college de volgende maximale tarieven: Indien er sprake is van een professionele aanbieder van vervoer: 90% van het zorg in natura tarief; Indien er sprake is van vervoer door iemand uit het eigen netwerk: € 0,38 per kilometer. Artikel3.3.9Pgb overige maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Het college stelt het pgb voor overige maatwerkvoorzieningen vast op maximaal de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, waarbij het college er zorg voor draagt dat de cliënt met het pgb in staat is kwalitatief goede ondersteuning in te kopen. Paragraaf3.4Verplichtingen aan maatwerk-, individuele voorzieningen en pgb Artikel3.4.1Verplichtingen aan maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen 1.Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen. 2.De voorwaarden en verplichtingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op: de medewerking aan de verduidelijking van de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp; de medewerking aan het opstellen en uitvoeren van het ondersteuningsarrangement, gericht op de daarin geformuleerde resultaten; het naleven van leef- en gedragsregels bij het gebruik van een voorziening; het ondertekenen en naleven van de gebruiksovereenkomst met de leverancier van de maatwerkvoorziening; het zorgvuldig gebruik van de voorziening. 3.Het niet nakomen van de aan de voorziening verbonden verplichtingen of voorwaarden kan leiden tot herziening, intrekking of beëindiging van de voorziening of vergoeding door de cliënt van de veroorzaakte schade. Artikel3.4.2Besteding en verantwoording van het pgb 1.De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde pgb-plan. 2.De cliënt voldoet aan de eisen die door de wetgever en het college aan het pgb worden gesteld. Artikel3.4.3Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Onder terugvordering op de in de Jeugdwet en Wmo 2015 opgenomen grond dat een pgb niet of voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor het is bestemd, wordt mede verstaan dat het pgb niet binnen een redelijke termijn na het beschikbaar zijn van het budget is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Paragraaf3.5Overige maatregelen in het kader van de Wmo 2015 Artikel3.5.1Blijk van waardering voor mantelzorgers 1.Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 2.1.6 Wmo2015 voor mantelzorgers van ingezetenen van Rotterdam in de vorm van: een jaarlijkse activiteit voor mantelzorgers; of een jaarlijkse attentie. 2.Het college kan steekproefsgewijs controleren of de attentie rechtmatig is verstrekt. 3.Als het college heeft vastgesteld dat de attentie niet rechtmatig is verstrekt, kan het college besluiten de persoon voor één of meerdere jaren uit te sluiten van het recht op een attentie. 4.Het college kan nadere regels stellen over in ieder geval: de vorm en waarde van de attentie; de wijze waarop de mantelzorger in aanmerking kan komen voor de attentie; het totaal aantal attenties dat het college per jaar beschikbaar stelt. Hoofdstuk4Opvang Artikel4.1Criteria voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang 1.Het recht op maatschappelijke opvang wordt namens het college vastgesteld door Centraal Onthaal. 2.Een ingezetene van Nederland komt in aanmerking voor maatschappelijke opvang wanneer deze dakloos is, dan wel de thuissituatie heeft verlaten en voor zover de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen te handhaven in de samenleving en zijn problemen te verminderen. 3.De maatschappelijke opvang bestaat uit onderdak en basis op orde begeleiding. 4.De verblijfsduur in de maatschappelijke opvang bedraagt maximaal drie maanden. 5.In afwijking van het vierde lid is verlenging van de verblijfsduur mogelijk wanneer uitstroom nog niet mogelijk is. Artikel4.2Vormen van maatschappelijke opvang 1.Maatschappelijke opvang wordt geboden in de vorm van: nachtopvang voor volwassenen vanaf 23 jaar; gezinsopvang gedurende het gehele etmaal voor een of twee volwassen ouders dan wel verzorgers van 23 jaar en ouder, met één of meerdere inwonende minderjarige kinderen; nachtopvang voor jongeren tussen de 17,5 en 23 jaar oud. 2.Aanvullend op de nachtopvang kan voor jongeren en volwassenen worden voorzien in dagopvang alsmede dag-openstelling als onderdeel van de maatschappelijke opvang. Artikel4.3Criteria voor de maatwerkvoorziening crisisopvang slachtoffers huiselijk geweld 1.Het recht op crisisopvang huiselijk geweld wordt namens het college vastgesteld door Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor crisisopvang slachtoffers huiselijk geweld als er sprake is van acuut gevaar, dan wel een onveilige, levensbedreigende situatie en cliënt daarom de thuissituatie heeft verlaten in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen netwerk of door interventie van derden, een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien. 3.Crisisopvang kan tevens worden geboden aan meekomende kinderen. 4.De verblijfsduur in de crisisopvang huiselijk geweld bedraagt maximaal drie maanden. 5.De verblijfsduur kan door het college worden verlengd wanneer een veilige uitstroom niet binnen de termijn, genoemd in het vierde lid mogelijk is. Artikel4.4Landelijke toegankelijkheid 1.Op een aanvraag voor opvang als bedoeld in artikel 4.1 of voor het resultaatgebied verblijf bedoeld in artikel 3.2.13 wordt de landelijke toegankelijkheid betrokken in het onderzoek. 2.In het onderzoek ten behoeve van de aanvraag wordt onderzocht in welke gemeente de client de grootste kans van slagen heeft op duurzaam herstel. 3.Indien wordt vastgesteld dat de client, voor het ontstaan van dakloosheid, woonachtig was in een gemeente in een andere regio, kan de uitvoering van het onderzoek worden overgedragen aan deze gemeente. Artikel4.5Crisisopvang 1.Crisisopvang kan onverwijld worden geboden wanneer er sprake is van spoedeisendheid als bedoeld in artikel 2.7. 2.Plaatsing op een crisisopvangplek creëert geen recht op maatschappelijke opvang. 3.Het onderzoek naar de noodzaak van maatschappelijke opvang wordt binnen twee werkdagen na de plaatsing in de crisisopvang afgerond. Hoofdstuk5Bijdragen en kostprijs maatwerkvoorzieningen en pgb Wmo 2015 Paragraaf5.1vergoeding algemeen gebruikelijke kosten Artikel5.1.1vergoeding algemeen gebruikelijke kosten 1.De aanbieder van een voorziening kan aan de cliënt een vergoeding vragen ter gehele of gedeeltelijke compensatie van de algemeen gebruikelijke kosten die onderdeel uitmaken van de algemene of maatwerkvoorziening, voor zover dat tussen het college en de aanbieder vooraf schriftelijk is overeengekomen. Het gaat hierbij in ieder geval om algemeen gebruikelijke kosten voor: uitstapjes en het gebruik van consumpties en maaltijden bij inloop, dag- en nachtopvang; het gebruik van materialen bij dagbesteding; het gebruik van maaltijden bij dagbesteding; het gebruik van woonruimte. 2.De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op basis van objectieve criteria en bedragen niet meer dan de kostprijs voor de aanbieder van de voorziening. 3.De aanbieder brengt de verschuldigdheid en hoogte van de vergoeding vooraf duidelijk bij de cliënt onder de aandacht. Artikel5.1.2Algemeen gebruikelijke kosten vervoer 1.Een cliënt is een bijdrage verschuldigd ter hoogte van het volle tarief openbaar vervoer voor: het gebruik van het CAV, anders dan in de vorm van een maatwerkvoorziening; het gebruik van de wijkbus; 2.De bijdrage wordt geïnd door de aanbieder van het vervoer. Artikel5.1.3Verschuldigdheid eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb Wmo 2015 1.Een cliënt is voor een maatwerkvoorziening of pgb een eigen bijdrage verschuldigd, voor zover dat bij of krachtens de Wmo 2015 mogelijk is. 2.Geen eigen bijdrage verschuldigd voor: opvang; de eerste acht weken crisisopvang slachtoffers huiselijk geweld; de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex; een maatwerkvoorziening die is verstrekt ten behoeve van een jeugdige die op dat moment minderjarig was; een maatwerkvoorziening die in het kader van een gezinsarrangement ten behoeve van een jeugdige is verstrekt, tot het moment dat de jeugdige 18 jaar is geworden; ondersteuning die ambtshalve is verstrekt als bedoeld in artikel 2.5, derde lid; spoedeisende ondersteuning; een financiële maatwerkvoorziening; een tegemoetkoming. 3.De eigen bijdrage wordt in rekening gebracht: voor een maatwerkvoorziening: zolang de cliënt gebruik maakt van de voorziening en, voor zover van toepassing, de bijdrage de kostprijs niet overstijgt; voor een pgb: zolang de cliënt gebruik maakt van het pgb onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verleend en, voor zover van toepassing, de bijdrage de kostprijs niet overstijgt 4.Een cliënt wordt geacht gebruik te maken van de maatwerkvoorziening of het pgb zolang het besluit tot verlening van de maatwerkvoorziening of pgb niet is ingetrokken. 5.Indien een cliënt een maatwerkvoorziening ontvangt waar het resultaatgebied verblijf onderdeel van uitmaakt, is de bijdrage voor beschermd wonen van toepassing. 6.Een cliënt is voor crisisopvang voor slachtoffers van huiselijk geweld vanaf de negende week van de opvang een bijdrage verschuldigd ter hoogte van het laagste bedrag, genoemd in artikel 3.12, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 7.De bijdrage voor de maatwerkvoorziening CAV is gelijk aan de kosten van het toepasselijke tarief met het openbaar vervoer en wordt vastgesteld en geïnd door de vervoerder. Artikel5.1.4Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb Wmo 2015 1.De eigen bijdrage wordt berekend conform hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en bedraagt maximaal de kostprijs van de maatwerkvoorziening. 2.De eigen bijdrage wordt in rekening gebracht: voor dienstverlening: zolang de indicatie niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden; voor een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening: zolang de cliënt in bezit is van de voorziening en uiterlijk totdat de niet per periode vastgestelde kostprijs van de eenmalig verstrekte voorziening is voldaan; voor een maatwerkvoorziening, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, waarvan de kostprijs per periode wordt vastgesteld: zolang de indicatie voor de voorziening niet is ingetrokken; voor een eenmalig verstrekt pgb: over de op basis van het pgb uitbetaalde aanschafkosten van de maatwerkvoorziening; bij een periodieke pgb-verstrekking over iedere periode waarover pgb is verstrekt. 3.Als een persoon over een periode voor meerdere voorzieningen een eigen bijdrage is verschuldigd, dan wordt de betaalde eigen bijdrage in de eerste plaats gebruikt voor de bekostiging van de voorziening die eenmalig is verstrekt en waarvoor het college geen huur verschuldigd is. Artikel5.1.5Eigen bijdrage maatwerkvoorziening verblijf 1.Een cliënt is in afwijking van artikel 5.1.3 een eigen bijdrage verschuldigd indien sprake is van een maatwerkvoorziening ten behoeve van het resultaatgebied verblijf, als bedoeld in artikel 3.2.13, als er sprake is van een indicatie voor het ondersteuningselement verblijf. 2.De eigen bijdrage wordt vastgesteld conform hoofdstuk 3, paragraaf 3, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, voor beschermd wonen. 3.Cliënt is de eigen bijdrage verschuldigd zolang de maatwerkvoorziening voor het resultaatgebied verblijf niet is ingetrokken en de huisvesting voor cliënt beschikbaar is. 4.De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het CAK. Paragraaf5.2Vaststelling kostprijs maatwerkvoorzieningen en pgb Wmo 2015 Artikel5.2.1Vaststelling kostprijs pgb 1.De kostprijs van een eenmalig pgb is gelijk aan de hoogte van het toegekende pgb. 2.De kostprijs van een periodiek verstrekt pgb is per periode gelijk aan de hoogte van het pgb dat per periode is toegekend. Artikel5.2.2Vaststelling kostprijs maatwerkvoorziening en algemene voorziening CAV 1.De kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening, wordt als volgt vastgesteld: als sprake is van een maatwerkvoorziening die door de gemeente wordt gehuurd, wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is die gelijk aan 65% van de huurkosten die de gemeente voor de voorziening over die periode verschuldigd is aan de verhuurder van de maatwerkvoorziening; als sprake is van een maatwerkvoorziening die door de gemeente wordt of zou worden ingekocht, wordt de kostprijs vastgesteld op de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is of zou zijn als zij deze had ingekocht. 2.De kostprijs van een rit met het CAV wordt vastgesteld op de gemiddelde vergoeding die de gemeente per rit verschuldigd is aan de aanbieder van het CAV. Hoofdstuk6Kwaliteit, klachten, inspraak en misbruik Artikel6.1.1Kwaliteitseisen algemeen 1.De aanbieders van een voorziening en de voorziening zelf voldoen aan de kwaliteitseisen die daaraan op grond van de wet en in hun branche worden gesteld. 2.Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 3.Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 4.het college draagt er zorg voor dat de aanbieder medewerkers en vrijwilligers inschakelt, die voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. 5.Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning. 6.Voor aanbieders die werken op basis van een pgb gelden in aanvulling op het eerste tot en met het vierde lid de kwaliteitseisen die zijn opgenomen in de artikelen 3.3.3 en 3.3.4. Artikel6.1.2Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van ondersteuning als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015, of artikel 2.12, van de Jeugdwet en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de ondersteuning, stelt het college vast: een vaste prijs of tarief, toegepast bij een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of een reële prijs of tarief, geldend als ondergrens voor: het doen van een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijs of het tarief, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de ondersteuning, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015 en 12.4, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet, tussen degenen aan wie de ondersteuning wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs ten minste op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten, voor zover de prijs betrekking heeft op ondersteuning als bedoeld artikel 2.12, van de Jeugdwet; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis- en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders. 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel c, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs of tarief voor de ondersteuning te hanteren die gebaseerd is op wat gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij activiteiten op het gebied van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het derde lid. 6.Het derde en vijfde lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. Artikel6.1.3Klachtbehandeling 1.Het college behandelt klachten van cliënten, onder wie jeugdigen, ouders of pleegouders die betrekking hebben op meldingen en afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van het Concernkader Klachtbehandeling. 2.Het college neemt in de contracten en subsidieafspraken met aanbieders op dat de aanbieders verplicht zijn een effectieve en laagdrempelige klachtregeling te hebben voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. Artikel6.1.4Medezeggenschap 1.De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2.Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4, van de Jeugdwet zijn verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet. 3.De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap voldoende kenbaar is voor de cliënten van zijn organisatie. Artikel6.1.5Incidenten, calamiteiten en geweld 1.De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening of van een aanbod aan jeugdhulp, handelt conform de regels en afspraken die gelden in het kader van: de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Rotterdam-Rijnmond; en het Samenwerkingsverband SISA, verwijsindex risico’s jeugdigen Rotterdam. 2.Aanbieders melden calamiteiten en geweld actief aan de daarvoor aangewezen toezichthouder. 3.Aanbieders van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening of van een aanbod van jeugdhulp rapporteren incidenten aan het incidentenloket van de gemeente dan wel volgens de afspraken in het Incidentenprotocol en het bepaalde in artikel 4.1.8, lid 2, van de Jeugdwet. Artikel6.1.6Cliëntenbetrokkenheid Het college geeft vorm aan het betrekken van cliënten of hun vertegenwoordigers bij de uitvoering van de Wmo2015 en de Jeugdwet overeenkomstig het bepaalde in de Verordening cliëntenparticipatie Sociaal Domein Rotterdam 2017. Artikel6.1.7Rechtmatigheid en doelmatigheid Het college treft de nodige maatrelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorzieningen en pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; het college verricht zo nodig, al dan niet met tussenkomst van derden, onderzoek bij aanbieders van die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Rotterdam onderhouden en voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Rotterdam onderhouden en die verplicht zijn om kosteloos hun medewerking te verlenen; het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, declaratie, wijze van (prestatie)verantwoording, resultaatsturing, en accountantscontroles of andere vormen van verantwoording, zodat vastgesteld kan worden dat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; het college beperkt waar nodig de looptijd van de indicaties en voert periodiek controles uit bij indicaties; het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op: de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen conform artikel 3.3.1; de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt te overleggen pgb-plan, mede met het oog op de te bereiken resultaten; de kwaliteit van de door de cliënt in te schakelen hulpverlener het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen; het college kan cliënten en locaties bezoeken, waarbij door middel van een schouw een feitelijk onderzoek gedaan wordt naar de ervaringen met en de uitvoering van de geboden ondersteuning; het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de Wmo 2015 en Jeugdwet; het college wijst toezichthouders aan die belast zijn met het uitoefenen van toezicht als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015, waaronder mede begrepen het uitoefenen van toezicht op de rechtmatigheid in het kader van deze wet en toezicht op de rechtmatigheid in het kader van de Jeugdwet; Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e van de Wmo 2015 of artikel 8.1.4, eerste lid, onderdelen a, d of e van de Jeugdwet, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Hoofdstuk7Slot- en overgangsbepalingen Artikel7.1Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van deze verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel7.2Intrekking en overgangsbepalingen De Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018 wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op: een maatwerkvoorziening of individuele voorziening die is toegekend op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018, waarvan de geldigheidsduur nog niet is verlopen en welke niet door een nieuw besluit zijn vervangen; bezwaar- en beroepschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel7.3Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Artikel7.4Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2025. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 19 december 2024.De griffier,I.C.M. Broeders De voorzitter,C.J. SchoutenToelichting Algemene toelichting De verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam regelt de wijze waarop voor de Rotterdammer de maatschappelijke ondersteuning en de jeugdhulp in het sociale domein wordt vormgegeven. Zoals voorgeschreven in artikel 2.1.2.lid 1 van de Wmo 2015 stelt de gemeenteraad periodiek een plan vast met betrekking tot het te voeren beleid voor de maatschappelijke ondersteuning. Op 30 mei 2024 heeft de gemeenteraad het Rotterdamse plan “Passende zorg voor Heel de Stad” vastgesteld, als aanscherping op het beleidsplan “Heel de Stad". In dit plan is de noodzaak voor de transformatie van zorg weergegeven. Binnen het huidige stelsel zijn maatregelen ontwikkeld om op korte termijn de groeiende vraag naar hulp en ondersteuning en bijbehorende groei van kosten te remmen. In “Passende zorg voor Heel de Stad” is weergegeven hoe deze maatregelen passen binnen de visie op toekomstbestendige zorg. Ook is de uitwerking van het integraal plan Bestuuropdracht Zorg meegenomen in het plan. Verder is in 2024 een aanbestedingsprocedure gehouden voor de inkoop van maatwerkondersteuning Wmo 2015. Op basis van artikel 2.2 van de Jeugdwet stelt de gemeenteraad periodiek een plan vast dat richting geeft aan de door de gemeenteraad en het college te nemen beslissingen betreffende preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Ten opzichte van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018, zijn de meest in het oog springende wijzigingen: Wmo 2015 Er zijn nieuwe resultaatgebieden toegevoegd, zoals het resultaatgebied semimurale ondersteuning, gezinsondersteuning alsmede het resultaatgebied duurzame veiligheid en herstel. Daarnaast zijn diverse resultaatgebieden gewijzigd, waaronder dagbesteding, waarin (behalve voor ouderen en somatiek) het uitgangspunt voor de cliëntgroepen wordt dat werk de beste zorg is. De focus wordt daarom gelegd op activering richting werk en indien dit niet haalbaar is op vrijwilligerswerk; Ook is de (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht binnen de Wmo 2015 nader vastgelegd in deze verordening. Met betrekking tot de kwaliteitseisen aan de professionele pgb-aanbieder en voorwaarden aan hulp door het sociaal netwerk zijn nieuwe artikelen toegevoegd, met hierin reeds bestaande eisen en nieuwe eisen gebundeld en deels overgeheveld uit de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam. Ter codificatie van de basisbepalingen over de maatschappelijke opvang en de crisisopvang slachtoffers huiselijk geweld is een nieuw hoofdstuk in de verordening toegevoegd. Jeugdwet Ook voor de Jeugdwet zijn artikelen opgenomen om een duidelijke hoofdrichting voor de betekenis van ‘eigen kracht’ in de zin van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders vast te leggen in de verordening. Ook wordt thans gewaarborgd in het kader van zorgvuldige voorbereiding van besluiten dat de advisering over besluitvorming, de besluitvorming zelf en uitvoering van besluitvorming niet in één hand liggen en is de noodzakelijke deskundigheid van een adviseur wat betreft de fase van beoordeling en toekenning van een jeugdhulpvoorziening vastgelegd. Wmo 2025 en Jeugdwet Het duidelijker onderscheiden van de tarieven voor de verschillende groepen ondersteuners (professionele ondersteuners en ondersteuners binnen het sociaal netwerk) door toevoeging van de definities ‘formeel pgb-tarief' en ‘informeel pgb tarief'. Binnen dit laatste kan desgewenst gedifferentieerd worden. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Definities Een aantal definities behoeft nadere toelichting: In de Jeugdwet worden drie typen voorzieningen onderscheiden: overige voorzieningen; individuele voorzieningen; andere voorzieningen. Deze verordening ziet vooral op de maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen. De definitie van ‘andere voorziening’ betreft de voorziening als bedoeld in artikel 2.9, onder b, van de Jeugdwet. Het gaat om voorzieningen op grond van andere wetten dan de Jeugdwet. Bijvoorbeeld de jeugdgezondheidszorg die door jeugdartsen en verpleegkundigen wordt geboden op scholen en vestigingen van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in het kader van de Wet publieke gezondheid. In de Wmo 2015 wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen voorzieningen: algemene voorzieningen; maatwerkvoorzieningen. Arrangement Zowel de individuele voorzieningen jeugdhulp als de maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening in het kader van de Wmo 2015 geschieden in de vorm van een arrangement. Een arrangement omvat het geheel van aan de cliënt te leveren ondersteuning op één of meerdere resultaatgebieden. Voor de jeugdhulp kunnen aan dergelijke resultaatgebieden eventueel ook ondersteuningselementen worden gekoppeld. Een arrangement in het kader van de Wmo 2015 kan bijvoorbeeld bestaan uit alleen “ondersteuning bij het voeren van een huishouden” of een samenstelling, zoals bijvoorbeeld “ondersteuning bij het voeren van het huishouden, dagbesteding, en mantelzorgondersteuning met verblijf”. Hierbij wordt één aanbieder verantwoordelijk gesteld om het totale arrangement integraal te leveren aan de cliënt. Een arrangement voor jeugdhulp kan bijvoorbeeld bestaan uit alleen het resultaatgebied “steunen van het sociaal en persoonlijk functioneren” of uit een combinatie van bijvoorbeeld “steunen van het sociaal en persoonlijk functioneren” en het ondersteuningselement “dagbehandeling of dagbesteding”. Beperking In artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat de maatschappelijke ondersteuning zich onder andere richt op de ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen. Aangezien het begrip “beperking” noch in de Wmo 2015 noch in de Jeugdwet verder is gedefinieerd of toegelicht, is hiervan een eigen definitie geformuleerd, om aan te geven dat het hier gaat om een lichamelijke, zintuigelijke of verstandelijke stoornis of conditie. Crisisopvang slachtoffers huiselijk geweld Het college is gehouden opvang te bieden, waaronder opvang ten behoeve van personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven. In sommige situaties, als er sprake is van acuut gevaar dan wel onveilige, levensbedreigende situaties, is spoedeisende ondersteuning in de vorm van crisisopvang noodzakelijk waarbij direct bescherming en veiligheid kan worden geboden en waarbij tevens kan worden gewerkt aan het op orde brengen van de basis en de situatie na de crisisopvang. In deze verordening is opgenomen op welke wijze en onder welke voorwaarden een persoon in aanmerking kan komen voor deze crisisopvang. Bijdrage Het begrip “bijdrage” is in deze verordening gerelateerd aan de bijdrage die het college kan vragen voor geleverde algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen of een pgb o.g.v de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo 2015. De bijdrage is iets anders dan de bijdrage die aanbieders van algemene of maatwerkvoorzieningen kunnen vragen voor kosten die algemeen gebruikelijk zijn. Voorbeelden zijn een bijdrage voor een maaltijd op de dagbesteding of een bijdrage voor het gebruik van materialen. Financiële maatwerkvoorziening Op 12 februari 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2018:396 bevestigd dat een maatwerkvoorziening, behalve in natura ook in de vorm van een financiële maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Bij een financiële maatwerkvoorziening kan het, anders dan bij een pgb, ook gaan om een forfaitaire vergoeding. Wel moet sprake zijn van een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Een financiële maatwerkvoorziening is niet aan de orde bij ondersteuning in de vorm van dienstverlening, doch alleen in de situaties die in deze verordening zijn opgenomen. Het betreft voorzieningen die zich niet lenen om in natura te verstrekken. Anders dan een pgb wordt de financiële maatwerkvoorziening niet uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank aan de aanbieder van de maatwerkvoorziening, maar betaalt het college deze rechtstreeks aan de cliënt. Waar in deze verordening gesproken wordt over ‘maatwerkvoorziening’ wordt een maatwerkvoorziening in natura bedoeld, tenzij er specifiek wordt gesproken over ‘financiële maatwerkvoorziening’. Melding De melding is noch in de Wmo 2015, noch in de Jeugdwet gedefinieerd, terwijl het vooral voor de Wmo 2015 wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Met de melding maakt een persoon of zijn vertegenwoordiger de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar. Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is naar zijn aard geen melding. De melding markeert het begin van een onderzoek op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. De Jeugdwet kent een dergelijke in de wet opgenomen onderzoeksfase niet, maar de melding en het onderzoek zijn wel in deze verordening opgenomen en markeren het begin van de aanvraagfase. Ondersteuning De Wmo 2015 en de Jeugdwet kennen 2 verschillende begrippen voor de hulp die aan een cliënt geboden wordt: maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) en jeugdhulp (Jeugdwet), Waar in deze verordening beide vormen worden bedoeld, wordt gesproken over ondersteuning. Ondersteuningsverslag Zowel in het kader van de Jeugdwet als in het kader van de Wmo 2015 vindt een onderzoek plaats naar onder meer de behoefte aan ondersteuning. Dit onderzoek dat bij jeugdhulp bijvoorbeeld de vorm van screening of triage kan hebben, heeft zijn weerslag in het ondersteuningsverslag. Het ondersteuningsplan, welk onderdeel uitmaakt van het ondersteuningsverslag, is in het kader van deze verordening niet hetzelfde als het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, maar betreft het plan dat hieraan voorafgaand door het college wordt opgesteld. In het hulpverleningsplan geeft de zorgaanbieder concreet invulling aan wat door het college is bepaald in het ondersteuningsplan en (indien van toepassing) in de verleningsbeschikking. In het geval van een maatwerkvoorziening maakt de zorgaanbieder, wanneer het gaat om zorg in natura, een leveringsplan waarin de in het ondersteuningsplan gestelde doelen en resultaatgebieden nader worden uitgewerkt naar de concreet te leveren hulp. Overige voorziening Het begrip “overige voorziening” is in de Jeugdwet niet gedefinieerd. Het begrip overige voorziening is vergelijkbaar met de algemene voorziening in de Wmo 2015. Een overige voorziening is evenals de algemene voorziening zonder verwijzing of met een globale toegangstoets toegankelijk. Sociaal-recreatief vervoer De definitie sociaal-recreatief bepaalt dat dit vervoer gericht kan zijn op het bereiken van een bestemming, anders dan dagbehandeling of dagbesteding. Te denken valt aan het bezoeken van een winkel, familie, vrienden of een ziekenhuis. Hiermee onderscheidt sociaal-recreatief vervoer zich ook van bewegen in het kader van sporten. Bij sporten staat de prestatie voorop. Sporthulpmiddel Aan een sporthulpmiddel worden eisen gesteld die voor andere hulpmiddelen niet gelden (bijv. zo hard mogelijk fietsen i.p.v. recreatief fietsen). Een sporthulpmiddel is hiervoor gemaakt. Daarmee is het sporthulpmiddel niet of nauwelijks geschikt om te gebruiken voor andere doeleinden, zoals bijvoorbeeld het doen van boodschappen of recreëren. Vertegenwoordiger In de Wmo 2015 is in art. 1.1.1 de vertegenwoordiger gedefinieerd als een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In de Jeugdwet is dit begrip meer gericht op een andere persoon die namens de ouders of de jeugdige moet optreden. Dit kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn door de leeftijd van de cliënt. Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget. Er zijn in de praktijk en in het spraakgebruik diverse soorten vertegenwoordigers. Deze zijn niet automatisch gelijk aan de vertegenwoordiger die handelt namens de cliënt in het kader van de Wmo 2015 of de Jeugdwet. In het maatschappelijk verkeer zijn er diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, de bewindvoerder, de mentor, de ouders en de voogd. Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen. De wettelijk en persoonlijk vertegenwoordigers zijn niet per definitie de vertegenwoordiger in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Wanneer er sprake is van een (aanvraag voor een) pgb, zowel binnen de Wmo 2015 als de Jeugdwet, zijn er in de Rotterdamse regelgeving nadere eisen en voorwaarden gesteld aan degene die de rol van pgb-vertegenwoordiger op zich neemt. In de Jeugdwet is het begrip vertegenwoordiger niet gedefinieerd. In het kader van de Jeugdwet zal veelal sprake zijn van een wettelijk vertegenwoordiger in de zin van een bij gerechtelijke beschikking aangestelde vertegenwoordiger c.q. een door cliënt zelf aangewezen gevolmachtigde. Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag. Het college zal erop toezien dat de vertegenwoordiger ook daadwerkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger vaak gelijkgesteld wordt) weigeren als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan. Wijkteam In de gemeente Rotterdam functioneert een aantal wijkteams, die vanuit de domeinen jeugdhulp, maatschappelijk werk, maatschappelijke ondersteuning en eerstelijns zorg, basishulp en kortdurende zorg en ondersteuning bieden bij vraagstukken en problematiek op sociaal gebied. Voor deze basishulp is geen eigen bijdrage verschuldigd in het kader van de Wmo 2015. Hulp uit het sociaal netwerk, tegemoetkoming en verklaring Deze drie begrippen verwijzen naar de Regeling Jeugdwet en Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Bij hulp uit het sociaal netwerk is sprake van een natuurlijk persoon die ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij deze ondersteuning beroepsmatig wordt verleend. In beide regelingen is opgenomen dat als ondersteuning vanuit het sociaal netwerk is verstrekt, het college een verklaring kan goedkeuren op basis waarvan de cliënt een tegemoetkoming kan uitkeren aan een hulp uit het sociaal netwerk. Deze verklaring wordt ingediend bij de Sociale verzekeringsbank. Er kan sprake zijn van twee soorten tegemoetkomingen: een vast bedrag, tot een in de regelingen genoemd maximum; of een vergoeding voor bepaalde kosten, zoals reiskosten. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening Om in aanmerking te kunnen komen voor maatschappelijke ondersteuning op grond van deze verordening, moet iemand ingezetene zijn van Rotterdam. Iemand is ingezetene als hij zijn woonplaats heeft in de gemeente Rotterdam. Het gaat hierbij blijkens vaste jurisprudentie om de feitelijke verblijfplaats, waarbij de inschrijving in de basisregistratie personen van de gemeente belangrijk is, maar niet doorslaggevend. In het tweede lid wordt het begrip ingezeten voor de doelgroep jonger dan 18 jaar (jeugdigen) nader uitgewerkt. Hierbij is het woonplaatsbeginsel bepalend voor de vraag welke gemeente voor de jeugdhulp aan een specifieke jeugdige verantwoordelijk is. Artikel 1.3 Nadere regels Dit artikel biedt een grondslag voor het college om ten aanzien van de hier benoemde onderwerpen nadere regels te stellen ter uitvoering van deze verordening. Hoofdstuk 2 Toegang tot voorzieningen Artikel 2.1 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) en overige voorzieningen (Jeugdwet) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De bedoelde voorzieningen worden zowel in het kader van de Wmo 2015 als in het kader van de Jeugdwet aangeboden door enerzijds de gemeentelijke wijkteams en anderzijds de (welzijns)partijen in de stad. In het derde lid staat naast de basishulp die door het gemeentelijke wijkteam wordt verleend, ook het aanbod van andere partijen opgesomd, zoals het schoolmaatschappelijk werk. Alle in dit lid bedoelde voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Uit de omschrijving van onderdeel a, subonderdeel 1o, volgt, dat ook ambulante opvoedhulp in een onderwijssetting als overige voorziening wordt aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de in het derde lid vermelde algemene voorzieningen in het kader van de Wmo 2015. Ook hiervoor wordt voor de toegang geen beschikking verstrekt en kunnen ingezetenen zonder tussenkomst van de gemeente hiervan gebruik maken. De welzijnsaanbieders bieden in de Huizen van de Wijk of op andere locaties waar de doelgroep graag komt laagdrempelige ondersteuning aan, zoals cursussen (bijvoorbeeld valpreventie), dagbesteding voor ouderen en gezamenlijke maaltijden voor ouderen in ouderencomplexen. Voor de kortdurende ondersteuning door het wijkteam kan de cliënt zich niet direct tot het wijkteam wenden. Tijdens het onderzoek wordt globaal getoetst of cliënt (eerst) voor deze algemene voorziening in aanmerking kan komen. Een inwoner van Rotterdam van 75 jaar of ouder kan gebruik maken van het CAV. De achterliggende gedachte is dat veel ouderen zich vaak niet veilig voelen in het openbaar vervoer, waardoor hun participatiemogelijkheden worden beperkt. Behalve de leeftijd van de bewoner zijn er verder geen aanvullende, individuele toegangscriteria. Voor deze algemene voorziening gelden niet de aanvullende faciliteiten die opgesomd zijn in artikel 3.2.17, zevende t/m negende lid, zoals het recht op een meereizende begeleider of speciale begeleiding. Omdat het een algemene voorziening betreft, kan niet gekozen worden voor een pgb. Ook bestaat er geen recht op individueel vervoer. Als cliënt individueel vervoer nodig heeft, moet een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden ingediend. Artikel 2.2 Melding behoefte aan ondersteuning De melding is in de Wmo 2015 niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is in artikel 1.1 een verwijzing naar artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 opgenomen. Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, is dus niet een melding in de zin van deze verordening. Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is in dit kader evenmin een melding. De melding markeert het begin van een onderzoek, zoals beschreven in artikel 2.3 van de Wmo 2015. Binnen de gemeente zijn diverse locaties waar een melding kan plaatsvinden. Deze staan opgenomen in het eerste lid. Daarnaast kan de melding ook telefonisch, digitaal of schriftelijk plaatsvinden. Omdat de toegangsprocedure zich nog verder kan ontwikkelen, is bij onderdeel g. opgenomen dat er nog andere mogelijkheden voor het doen van een melding kunnen worden opengesteld. Voor de doelgroep van de opvang en beschermd wonen is een melding bij het stedelijk loket de aangewezen weg. Mocht een melding voor opvang of beschermd wonen bij de Vraagwijzer of de wijkteams binnenkomen, dan wordt deze doorgestuurd naar het ‘Jongerenloket’. Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond is het advies- en meldpunt inzake huiselijk geweld en kindermishandeling. Degene bij wie de melding binnenkomt, draagt er zorg voor dat deze wordt doorgeleid naar de Wmo-adviseur die deze verder in behandeling neemt. De melding hoeft niet door de cliënt zelf te geschieden, maar kan ook plaatsvinden door iemand die betrokken is bij de cliënt, zoals een professionele hulpverlener, een familielid of vriend, of de betrokken ouder(
- s)als wettelijk vertegenwoordiger. De Jeugdwet kent geen aparte meldingsfase. Een melding is bij jeugdhulp dan ook niet meer dan een feitelijk signaal dat mogelijkerwijs een aanvraag voor jeugdhulp zal worden ingediend. Artikel 2.3 Onderzoek naar aanleiding van melding Naar aanleiding van de melding wordt een onderzoek gestart in het kader van de vraagverheldering middels een gevalideerd vraagverhelderingsinstrument. Als de melding is gedaan namens de cliënt, kan degene die de melding gedaan heeft door het college betrokken worden bij het onderzoek. Ook als er sprake is van een vertegenwoordiger of mantelzorger worden deze bij het onderzoek betrokken. Op deze manier ontstaat een zo volledig en waarheidsgetrouw beeld van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, maar ook van de cliënt zelf, zijn eigen mogelijkheden en mogelijkheden vanuit het netwerk. Dit laat onverlet de mogelijkheid de cliënt, in het kader van het onderzoek, alleen te spreken om een objectief beeld te kunnen krijgen van zijn ondersteuningsbehoefte, zonder dat er sprake is van mogelijke druk door derden, bijvoorbeeld vanwege hun aanwezigheid. De cliënt kan zich, indien hij dat wenst, tijdens het onderzoek laten bijstaan door een onafhankelijk cliëntondersteuner. Een aanbieder of hulpverlener die in het kader van een pgb ondersteuning wenst te verlenen aan de cliënt, is in beginsel niet betrokken bij het onderzoek. Pas nadat de juiste indicatie ten aanzien van de cliënt is gesteld, wordt bekeken op welke wijze de ondersteuning kan plaats vinden. In het tweede lid, onderdeel a, staat dat onderzocht wordt wat de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt zijn. Tevens wordt gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening of het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, maar ook kortdurende ondersteuning door het wijkteam of een verwijzing naar een algemene voorziening. Daarnaast wordt gekeken naar wat de cliënt zelf kan doen om in zijn ondersteuningsbehoefte te voorzien, al dan niet met inzet van zijn huisgenoten (gebruikelijke zorg), mantelzorgers, hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk of vrijwilligers. Voor een cliënt is niet altijd een maatwerkvoorziening nodig om te voorzien in zijn behoefte aan opvang, participatie of bevordering van de zelfredzaamheid. In veel gevallen kan een cliënt op andere wijze gestimuleerd worden, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk te doen of deel te nemen aan activiteiten bij een algemene voorziening zoals een wijkaccommodatie of het welzijnswerk. In andere gevallen kan een cliënt gewezen worden op programma’s van een zorgverzekeraar, sportbeoefening of de mogelijkheden om tijdelijk hulpmiddelen te huren of te kopen bij een thuiszorgwinkel. Mocht tijdens het onderzoek blijken dat een cliënt op een maatwerkvoorziening aangewezen is, dan informeert het college de cliënt over de mogelijkheid deze in natura of in de vorm van een pgb te ontvangen, waarbij de cliënt geïnformeerd wordt over de consequentie van zijn keuze. Als de cliënt aangeeft interesse te hebben voor verstrekking in de vorm van een pgb, zal al zoveel mogelijk bekeken worden in hoeverre de cliënt de regie kan (laten) voeren over dit pgb en wordt hem verteld dat hij in dat geval een pgb-plan moet indienen volgens een door het college vastgesteld format. Ook ontvangt de cliënt informatie over de eventuele eigen bijdragen die in het geval van een maatwerkvoorziening of pgb verschuldigd zijn. Aangezien de verantwoordelijkheid tot het vaststellen en innen van de eigen bijdrage berust bij het CAK, kan de cliënt daarover niet tot in detail worden geïnformeerd, maar de medewerker zal de cliënt zoveel mogelijk informatie verstrekken, zodat hij een idee heeft wat de eigen bijdrage ongeveer zal worden en hoe deze wordt berekend. Hoe uitgebreid alle punten worden besproken, is onder andere afhankelijk van de vraag of het om een nieuwe cliënt gaat of over een cliënt die al bekend is bij de gemeente in het kader van de Wmo 2015 of Jeugdwet. Ook de aard van de ondersteuningsbehoefte zal hierbij een rol spelen. Als de cliënt lopende het onderzoek aangeeft dat hij voldoende informatie heeft om in zijn hulpvraag te voorzien of afziet van verdere ondersteuning, kan het onderzoek op dat moment worden afgesloten, ook al zijn niet alle punten doorlopen. In het tweede lid, onder b, wordt beschreven welke onderwerpen er in het kader van een melding voor jeugdhulp in ieder geval moeten worden besproken. In het tweede lid, onder b, wordt beschreven welke onderwerpen er in het kader van een melding voor jeugdhulp in ieder geval moeten worden besproken. De onderwerpen zijn ontleend aan het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak ‘Steenwijkerland’ van 1 mei 2017, (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Op grond van de Wmo 2015 dient het onderzoek naar de vraagverheldering zo snel mogelijk te worden afgerond, maar in ieder geval binnen zes weken. De Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 stelt dat in het geval het college het onderzoek niet in zes weken kan