← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Tilburg 2005 (Tilburg)

Kort samengevat

Deze wet regelt diverse aspecten van de openbare orde en veiligheid in de gemeente Tilburg, met een focus op het gebruik van de openbare weg en het organiseren van evenementen. Het definieert belangrijke begrippen en stelt regels voor vergunningen en ontheffingen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Tilburg 2005Hoofdstuk1.Algemene bepalingen. Artikel1. Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder a 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van: a. treinen en trams; b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Gebouw: elke bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. Artikel2. Te late indiening aanvraag. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan tien weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen, indien het van mening is, dat de aard van de gevraagde vergunning of ontheffing zodanig is, dat voor een verantwoorde beoordeling van de aanvraag onvoldoende tijd aanwezig is. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt het daarin gestelde voor vergunningen als bedoeld in artikel 26 van deze verordening, indien deze niet minmaal twaalf weken voor het tijdstip, waarop het evenement plaatsvindt, zijn aangevraagd. Artikel3. Voorschriften en beperkingen. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel4. Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. Artikel5. Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel6. Termijnen. Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden die termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Hoofdstuk2.Openbare orde. Afdeling1.Orde en veiligheid op de weg. Artikel7. Samenscholing en ongeregeldheden. Het is verboden op de weg zich tezamen met anderen te begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel8. Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in artikel 7, 10, 13, 14, 19, 23, 27, 61, 62, 63, 69, 71, 72, 73, 93 en 134 overtreden. Artikel9. Preventief fouilleren De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel9a Cameratoezicht De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van de volgende andere voor een ieder toegankelijke plaatsen: Parkeerplaatsen, die niet zijn aan te merken als openbare plaatsen als bedoeld in de Wet Openbare Manifestaties. Artikel10. Optocht. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een optocht, niet zijnde een openbare manifestatie als bedoeld in artikel 11, op de weg te doen plaatsvinden. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Artikel11. Openbare manifestaties. Degene, die het voornemen heeft op een openbare plaats een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging dan wel een vergadering of betoging te houden moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 48 uur voordat deze gehouden zal worden schriftelijk kennisgeven aan de burgemeester. Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden met een melding op een kortere termijn dan de in het eerste lid genoemde genoegen nemen. Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: naam en adres van degene die de samenkomst, vergadering of betoging houdt; het doel van de samenkomst, vergadering of betoging; de datum waarop de samenkomst, vergadering of betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de samenkomst, vergadering of betoging houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Artikel12. Beperking aanbieden gedrukte of geschreven stukken e.d. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken, leden of donateurs te werven, producten of monsters daarvan uit te delen dan wel personen staande te houden ten behoeve van het uitvoeren van een enquête of een onderzoek op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel13. Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg. Het is verboden zonder vergunning van het college of wanneer het gaat om het gebruik van de weg of weggedeelte ten behoeve van een terras bij een horeca-inrichting, van de burgemeester, de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen met uitzondering van voertuigen bestemd voor bewoning; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; standplaatsen als bedoeld in de Staanplaatsenverordening; evenementen als bedoeld in artikel 25. Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor het houden van buurtfeesten, straatspeeldagen en/of het plaatsen van objecten in het kader van een buurtactiviteit. Degene, die het voornemen heeft activiteiten als bedoeld in het zesde lid te organiseren, dient daarvan minstens vier weken voordat de activiteit zal plaatsvinden kennis te geven aan het college. Het college kan de activiteiten verbieden dan wel daaraan voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op de in het vijfde lid genoemde belangen. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor : bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m² en de plaatsing van gedenktekens. zonneschermen, stoepborden dan wel uitstallingen . reclameborden, voorzover deze niet op of in de weg worden geplaatst. automaten. De in het negende lid onder a. bedoelde activiteiten dienen uiterlijk vier weken voordat deze zullen plaatsvinden gemeld te worden bij het college. Het college kan aan de uitvoering van die activiteiten voorschriften verbinden dan wel de activiteiten verbieden, indien dit noodzakelijk is met het oog op de in het elfde lid van dit artikel beschreven belangen. Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken ten behoeve van de in het negende lid onder b.,c. of d. bedoelde zaken : indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. het beoogde gebruik strijdig is met door het college met het oog op de onder

  1. a)en
  2. b)genoemde belangen vastgestelde algemene regels. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Noord Brabant. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder a. geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 Wegenverkeerswet. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder b. geldt niet voor bouwwerken. d. De weigeringsgrond van het vijfde lid onder c. geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer. De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een aanvraag om een terrasvergunning. De in het dertiende lid bedoelde vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is." Artikel14. Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werkzaamheden, die in opdracht van het rijk, de provincie, de gemeente, het waterschap of een openbaar nutsbedrijf in het kader van het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak worden uitgevoerd. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Brabant , de Waterschapskeur of de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Tilburg. Artikel15. Maken en veranderen van een uitweg. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken of te laten maken naar de weg of verandering te brengen of te laten brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan, wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat. Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overlegd. Het college kan aan de aanleg c.q. verandering van de uitweg voorschriften verbinden. Het college kan de aanleg c.q. verandering van de uitweg verbieden, indien er een gevaarlijke situatie voor het verkeer zou ontstaan dan wel het belang van de bescherming van groenvoorzieningen of de bruikbaarheid van de weg dit vordert en hieraan niet voldoende tegemoet gekomen kan worden door het stellen van voorschriften. Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of van het verbod bedoeld in het vijfde lid. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of de Wegenverordening Noord Brabant Artikel16. Veroorzaken gladheid. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Het college kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid opgenomen verbod. Artikel17. Winkelwagentjes. De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel18. Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op ander wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel19. Openen straatkolken en dergelijke. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel20. Rookverbod in natuurgebieden. Het is verboden te roken in bossen, op heide- en veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door burgemeester aangewezen periode. Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven. Artikel21. Sneeuwruimen. De hoofdbewoner of hoofdgebruiker, en bij gebreke van deze, de eigenaar van een binnen de bebouwde kom gelegen gebouw of grondstuk - een erf daaronder begrepen - is verplicht de sneeuw en het ijs weg te ruimen van het openbaar voetpad, gelegen langs het bij hem in gebruik zijnde of aan hem toebehorende gebouw of grondstuk, binnen twee dagen nadat die sneeuw en/of dat ijs zich op het voetpad bevinden, alsmede dat weggedeelte op voldoende en doelmatige wijze bestrooid te hebben en te houden met een middel, dat geschikt is voor een doelmatige bestrijding van gladheid. Artikel22. Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid e.d. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting en/of de openbare orde en veiligheid dan wel brandkraanbordjes worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het college maakt tevoren aan de rechthebbenden als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel23. Verwijdering en dergelijke voorzieningen voor verkeer en verlichting. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting en/of de openbare orde en veiligheid, brandkraanbordjes dan wel met toepassing van artikel 6 van de Verordening straatnaamgeving en huisnummering aangebrachte aanduidingen te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Het in het eerste bepaalde geldt voorts niet voor de rechthebbende op een bouwwerk, die met inachtneming van het door college vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Het college kan ter zake nadere regels stellen. Artikel24. Veiligheid op het ijs. Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Eenieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling2.Toezicht op evenementen. Artikel25. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen als bedoeld in de Wet op de filmvertoningen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid sub h. van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; activiteiten welke plaatsvinden in de besloten ruimte van een inrichting als bedoeld in de Drank- en Horecawet; de jaarlijkse kermis als bedoeld in de Verordening houdende vaststelling van de plaatsen en tijden van de kermis. Onder evenement wordt mede verstaan een herdenkingsplechtigheid. Artikel26. Evenementen. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. De vergunning kan geweigerd worden in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid De in het eerste lid genoemde vergunningsplicht geldt niet voor rommelmarkten, waar uitsluitend tweeden hands goederen worden verkocht. De in het derde lid bedoelde activiteiten dienen uiterlijk zes weken, voordat deze zullen plaatsvinden, te worden gemeld bij de burgemeester. De burgemeester kan de rommelmarkt verbieden dan wel daaraan voorschriften verbinden met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen of gezondheid. Artikel27. Ordeverstoring. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. Het is verboden bij evenementen, messen, knuppels en slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid stipt en terstond op te volgen. Artikel 28. Meldingsplicht. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder organisator verstaan: de betaald voetbalorganisatie Willem II, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie Willem II als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateur voetbalorganisatie; de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Tilburg, waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken en indien het betreft een A-interland; degene die buiten de gevallen, genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken. a. De organisator is verplicht ten minste dertig dagen voor de vastgestelde speeldag van een voetbalwedstrijd als bedoeld in het eerste lid daarvan schriftelijk kennisgeving te doen aan de burgemeester. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de onder a bepaalde termijn. De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving. De voorgeschreven kennisgeving wordt geacht eerst dan gedaan te zijn wanneer het in het derde lid bedoelde formulier volledig en naar waarheid ingevuld, ingeleverd is ter plaatse op dat formulier vermeld. De kennisgeving bedoeld in het tweede lid kan meerdere wedstrijden betreffen. De burgemeester kan met betrekking tot een voetbalwedstrijd aan de organisator voorschriften opleggen in het belang van de openbare orde en veiligheid. De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden: uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde; indien de krachtens het zesde lid opgelegde voorschriften niet worden nageleefd; indien geen of niet tijdig schriftelijke kennisgeving is gedaan als bedoeld in het tweede lid. Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een verbod, als bedoeld in het zevende lid, is uitgevaardigd. De burgemeester kan, onverminderd zijn bevoegdheid ingevolge het zesde lid, een voetbalwedstrijd aanwijzen als een risicowedstrijd, indien daaraan naar zijn oordeel een verhoogd risico is verbonden voor de openbare orde en veiligheid. Het is verboden op de dag waarop een voetbalwedstrijd zal worden gespeeld, die door de burgemeester ingevolge het negende lid als risicowedstrijd is aangewezen, ongeacht het eventueel daarbij te bezigen middel van vervoer, zich te begeven, respectievelijk zich te bevinden buiten de door de politie aangewezen routes, indien men zich blijkens feiten en/of omstandigheden als voetbalsupporter manifesteert; Artikel29. Omgevingsverbod. De burgemeester kan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf 2 uur voor het vastgestelde begin tot 2 uur na afloop van de voetbalwedstrijden van de organisator. De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het vorige lid bedoelde verbod, nadat vast is komen te staan dat de persoon de openbare orde in de omgeving van het stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de organisator werd gespeeld. Artikel30. Verwijderingsbevel Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel ten aanzien van wie het vermoeden bestaat, dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven. Afdeling3.Toezicht op openbare inrichtingen. Paragraaf1.Toezicht op de horeca Artikel31. Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte: waarin enig horecabedrijf, tot de uitoefening waarvan in ieder geval behoort het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, wordt uitgeoefend; waar al dan niet bedrijfsmatig, eetwaren, alcoholvrije dranken of dat voor gebruik ter plaatse worden verstrekt; houder: degene die een inrichting exploiteert of daarin de feitelijke leiding heeft; horecaconcentratiegebied: het gebied dat als zodanig door de gemeenteraad is aangewezen. In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan: de gezinsleden van de houder alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; dienstdoend personeel van de houder van de inrichting; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel32. Sluitingsuur. Onverminderd het bepaalde in lid 5 is het de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a, sub 1, verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en met donderdag van 02.00 tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en zondag van 03.00 tot 06.00 uur. Onverminderd het bepaalde in lid 5 is het de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a, sub 1, welke inrichting geheel is gelegen in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder c, verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en met donderdag van 02.00 tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en zondag van 04.00 tot 06.00 uur. Op laatstgenoemde drie dagen is het verboden om na 03.00 uur nog bezoekers binnen te laten. Onverminderd het bepaalde in lid 5 is het de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a sub 2, verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en met donderdag van 02.00 tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en zondag van 03.00 tot 06.00 uur. Onverminderd het bepaalde in lid 5 is het de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a sub 2, welke inrichting geheel is gelegen in het horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder c, verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en met donderdag van 02.00 tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en zondag van 04.00 tot 06.00 uur. Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a, welke uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sport- of jeugdorganisatie of -instelling, dan wel in gebruik is als buurt- of wijkhuis, verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en met donderdag van 00.00 tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en zondag van 01.00 tot 06.00 uur. De burgemeester is bevoegd in bijzondere gevallen dan wel bij bijzondere gebeurtenissen van tijdelijke aard onder door hem te bepalen voorschriften, ontheffing te verlenen van de verboden ingevolge het eerste tot en met het vijfde lid. Het in het eerste tot en met vierde lid gestelde geldt niet: voor de nacht van 31 december op 1 januari; tot 04.00 uur : op de zondag tot en met de dinsdag waarop de openbare carnavalsviering plaatsvindt; op tweede paasdag; op Koninginnedag en de dag daarna; op Hemelvaartsdag; op tweede Pinksterdag en op de dag na tweede Kerstdag. ingeval bij verlening van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer een voorschrift is opgenomen krachtens welk het gedurende een bepaalde tijdsperiode niet toegestaan is de inrichting voor het publiek geopend te hebben. Het in het eerste tot en met vierde lid gestelde geldt voorts niet tot 04.00 uur voor de periode van zondag tot en met de daaropvolgende zondag waarin de jaarlijkse kermisviering plaatsvindt. Artikel33. Toegang ambtenaren van politie. De houder van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de openbare weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn inrichting: a. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel b. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn. Artikel34. Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 32 geldende sluitingsuren vaststellen. De burgemeester kan de tijdelijke sluiting bevelen van een horecabedrijf, indien: daar is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de Kansspelen. daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden zijn, of worden overgedragen dan wel bewaard of verborgen. daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn, waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof is verleend. zich in de inrichting een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan en de exploitant van de inrichting daarvan geen melding heeft gemaakt dan wel het opsporingsonderzoek heeft belemmerd. zich daar andere feiten hebben voorgedaan, die de verwachting wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid. Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet voorzover artikel 13b Opiumwet van toepassing is. Artikel35. Aanwezigheid in gesloten inrichting. Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge artikel 32 of krachtens een op grond van artikel 34 door de burgemeester genomen besluit voor publiek gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar als bezoeker te bevinden. Artikel36. Ordeverstoring. Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren. Paragraaf2:Exploitatievergunning Artikel37. Begripsomschrijvingen. In deze paragraaf wordt verstaan onder: inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid sub a van deze verordening. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de rechtspersoon of personen, die een inrichting exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of personen bevoegde natuurlijke persoon of personen; leidinggevende: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen, die algemene of onmiddellijke leiding geven aan een inrichting. Artikel38. Vergunning. Het is de exploitant verboden om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een of meer afzonderlijke inrichtingen andere sluitingstijden vaststellen dan de in artikel 32 genoemde. De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een vergunningaanvraag. Artikel39. Gedragseisen. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, moet worden voldaan aan het in het volgende lid bepaalde. De leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen : zij dienen te voldoen aan de eisen gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag; zij dienen niet onder curatele te staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet te zijn; zij dienen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; zij dienen de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt te hebben. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde onder d van het tweede lid. Bij uitbreiding van het aantal leidinggevenden alsook bij wijziging van de persoon van de leidinggevende dient de exploitant hiervan melding te doen aan de burgemeester. Voor de nieuwe leidinggevende(
  3. n)geldt het bepaalde in het tweede lid. Artikel40. Inrichtingseisen. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, dient te worden voldaan aan de inrichtingseisen zoals opgenomen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag, met uitzondering van de eis met betrekking tot de vloeroppervlakte van de horecalokaliteit. Ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in het eerste lid geldt, dat tenminste één horecalokaliteit een vloeroppervlakte dient te hebben van 25 m². De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Artikel41. Weigering vergunning. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 38, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 38, voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als niet voldaan is aan één of meer van de in artikel 39 en 40 genoemde eisen. De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens als de leidinggevende van het horecabedrijf niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Drank- en Horecawet. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 eveneens weigeren, indien één of meer leidinggevenden van een inrichting binnen drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een horeca-inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. Artikel42 Opheffing vergunningplicht De burgemeester kan bepalen, dat het bepaalde in artikel 38 niet geldt voor één of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in één of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente. De exploitatie van een horecabedrijf, waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden, dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Artikel43. Intrekking vergunning. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 kan een eenmaal verleende vergunning voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt worden ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan één of meer van de in de artikelen 39 en 40 gestelde eisen of het bepaalde in artikel 44 APV niet in acht wordt genomen. De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien: aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet of bij activiteiten als bedoeld in artikel 34 van deze verordening dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon-en leefklimaat daaronder begrepen. Indien de vergunning ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor dezelfde inrichting gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd. Artikel44. Aanwezigheid leidinggevende. Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende in de inrichting aanwezig is. Artikel45. Wijziging vergunning. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging in de vergunning dient te komen, dient de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag in te dienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is. Paragraaf2a:Exploitatievergunning growshops en smartshops Artikel45a Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder : inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet handelingen en werkzaamheden worden verricht, die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een growshop en / of smartshop; het gaat hier zowel om groothandels- als om detailhandelszaken. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de rechtspersoon of personen, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of personen bevoegde natuurlijke personen. leidinggevende : de exploitant alsmede andere natuurlijke personen, die algemene of onmiddellijke leiding geven aan een inrichting. Artikel45b Vergunning Het is de exploitant verboden om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden. De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een vergunningaanvraag. Artikel45c Maximumstelsel Vergunning kan worden verleend voor een beperkt aantal inrichtingen, waarbij het maximum wordt bepaald door het aantal inrichtingen, grow- dan wel smartshops, dat op het moment van inwerkingtreding van deze verordening daadwerkelijk wordt geëxploiteerd. Indien de exploitatie van een inrichting, al dan niet gedwongen, wordt beëindigd, neemt het in het eerste lid genoemde maximum dienovereenkomstig af. Artikel45d Gedragseisen Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 45b moet worden voldaan aan het in het volgende lid bepaalde. Leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen: zij dienen niet onder curatele te staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij te zijn ontzet. zij dienen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn. zij dienen de leeftijd van éénentwintig jaren bereikt te hebben. Artikel 45e Weigering vergunning De burgemeester weigert de vergunning, indien het in artikel 45 c bedoelde maximum voor growshops respectievelijk smartshops is bereikt. De burgemeester weigert de vergunning, indien de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met het geldende bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting. De burgemeester weigert de vergunning indien de leidinggevenden niet voldoen aan de in artikel 45d opgenomen eisen. De burgemeester kan de vergunning eveneens weigeren, indien de exploitant van een inrichting na inwerkingtreding van dit artikel binnen drie jaar voor indiening van de vergunningaanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, dan wel op basis van artikel 13 b Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. Artikel45f Verplaatsing inrichting Indien een exploitant zijn inrichting wenst te verplaatsen, dient hij hiervoor een nieuwe vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent deze vergunning alleen, indien het algemeen belang dat naar zijn oordeel vordert en zich overigens geen van de in artikel 45 e, tweede tot en met vijfde lid genoemde weigeringsgronden voordoet. Artikel 45g Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 4 wordt een eenmaal verleende vergunning ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan de in artikel 45d gestelde eisen. De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien: aannemelijk is dat de exploitant of andere leidinggevenden betrokken zijn bij of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 3 Opiumwet. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen. Artikel 45h Aanwezigheid leidinggevende Het is verboden de inrichting geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende aanwezig is. Artikel45i Wijziging vergunning Wanneer er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging in de vergunning dient te komen, dient de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag in te dienen. Indien de aanvraag niet is ingediend binnen een maand na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Paragraaf3.Overige inrichtingen Artikel46t/m50. Vervallen. Artikel51. Speelautomaten. In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,onder a, van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30 onder d. van de Wet. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30 onder e. van de Wet; In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande, dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Artikel52. Innemen standplaats kermis. Het is verboden anders dan overeenkomstig de aanwijzingen van de burgemeester een standplaats in te nemen op een kermis. Artikel53. Openstelling inrichting. Het is verboden kermisinrichtingen open te stellen op andere tijden dan waarop zulks door de burgemeester bij middels openbare kennisgeving bekend gemaakt besluit is toegestaan. Afdeling4.Maatregelen tegen overlast en baldadigheid. Artikel54. Betreden gesloten woning of lokaal. Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen. Artikel55. Plakken en kladden. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te laten aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Artikel56. Vervoer plakgereedschap. Het is verboden tussen des avonds 10 uur en des morgens 6 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 55. Artikel57. Vervoer inbrekerswerktuigen. Het is verboden tussen des avonds 10 uur en des morgens 6 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel58. Bedelverbod. Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen. Artikel59. Geprepareerde tassen. Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels een tas of ander voorwerp bij zich te hebben, die er kennelijk toe uitgerust zijn om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. Artikel60. Betreden van plantsoenen en dergelijke. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel61. Schieten. In andere gevallen dan die, waarin het bepaalde in een der artikelen 424 of 431 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is, is het verboden, zonder daartoe bevoegd te zijn, aan de weg met een luchtgeweer of een dergelijk voorwerp te schieten. Artikel62. Hinderlijk gedrag op of aan de weg. Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, voertuig, hekheining of andere afsluiting, straat- of verkeersmeubilair, indien daardoor overlast kan worden veroorzaakt; zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel63. Afwijking route Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel64. Nachtverblijf in voertuig. Het is verboden nachtverblijf in een voertuig te houden op of aan de openbare weg, buiten een kampeerterrein, indien daardoor overlast kan worden veroorzaakt. Artikel65. Hinder in verband met harddrugs dan wel een andere bedreiging van de openbare orde. Het is verboden op of aan wegen, die door de burgemeester zijn aangewezen omdat het belang van de bescherming van de openbare orde dit naar zijn oordeel nodig maakt in verband met het gebruik van en/of de handel in harddrugs, of herhaaldelijk aangetoonde overlast, deel te nemen aan een verzameling van meer dan drie personen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze verzameling een bedreiging van de openbare orde met zich meebrengt. De aanwijzing van wegen, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven voor ten hoogste zes maanden, welke termijn telkenmale kan worden verlengd. Degene die zich bevindt in een verzameling als in het eerste lid bedoeld is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangegeven richting te verwijderen. Artikel66. Gebruik harddrugs Het is verboden op of aan de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen of vaartuigen harddrugs te gebruiken of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voor handen te hebben. Artikel67 Voorbereidingshandelingen (ver)koop drugs Het is verboden zich op of aan de weg op te houden, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te kopen of te koop aan te bieden. Artikel68 Weggooien van spuiten Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand te doen van het voorwerp. Artikel69. Hinderlijk gebruik van genotmiddelen. Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende dranken of andere genotsmiddelen, die het bewustzijn kunnen beïnvloeden, te gebruiken, aanwezig te hebben en/of te verhandelen, indien dit gepaard gaat met gedragingen, die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Het is verboden op of aan de weg, die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende dranken of andere genotsmiddelen, zoals aangegeven in het besluit van het college, die het bewustzijn kunnen beïnvloeden, te gebruiken, aanwezig te hebben en/of te verhandelen. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor: een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 31, lid 1, onder a; de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 38, tweede lid, van de Drank- en Horecawet. Het is verboden op de weg die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied gedurende een in het aanwijzingsbesluit bepaalde periode drinkglazen of flessen bij zich te hebben, die kennelijk bestemd zijn voor het nuttigen van drank op de weg. Het bepaalde in het derde lid is van overeenkomstige toepassing. Het college kan ontheffing verlenen van een krachtens het vierde lid opgelegd verbod. Artikel70. Verblijfsontzegging. Een ieder is verplicht op een daartoe strekkend bevel, schriftelijk gegeven door of namens de burgemeester in het belang van de openbare orde, zich te verwijderen en verwijderd te houden uit een door de burgemeester aangewezen gebied gedurende de tijd in het bevel genoemd. Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing op personen, die in het aangewezen gebied: zich bevinden in een middel van openbaar vervoer; Een bevel als bedoeld in het eerste lid is slechts geldig gedurende een in het bevel genoemde periode van ten hoogste acht weken. In het in het eerste lid bedoelde bevel kan de burgemeester wegen aanwijzen, waarvoor het verbod niet geldt, in verband met het feit, dat degene tot wie het bevel gericht is, in het gebied woonachtig of werkzaam is. Artikel71. Meevoeren wapens Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorie I, II, III en IV Wet Wapens en Munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel72. Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen. Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; in, op of tegen een gevel, inclusief daarin aanwezige deuren, ramen en andere voorzieningen te hangen, zitten of liggen voor zover daardoor overlast kan worden veroorzaakt. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. Artikel73. Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten. Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel74. Straatartiesten. Het is verboden op de openbare weg als straatartiest overlast te veroorzaken voor voorbijgangers, omwonenden of bezoekers van een terras. Een ieder, die overlast veroorzaakt als bedoeld in het eerste lid dient zich op daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie in een door deze aangegeven richting te verwijderen. Artikel75. Spelen om geld. Het is verboden op de openbare weg gelegenheid te geven tot het deelnemen aan spelen om geld of geldwaarden, niet zijnde spelen in de zin van de Wet op de Kansspelen. Artikel76. Neerzetten van fietsen en dergelijke. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan, indien daardoor overlast veroorzaakt kan worden. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan. Artikel77. Bespieden van personen. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel78. Loslopende honden. Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond alsmede hij die een hond onder zijn hoede heeft, verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen binnen de bebouwde kom op de weg en op door college aangewezen uitlaatstroken zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide, adoptieveld of op een andere door college als zodanig aangewezen plaats. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder a mag een hond onaangelijnd worden uitgelaten op door college aangewezen renvelden. Artikel79. Verontreiniging door honden. De eigenaar, houder of verzorger van een hond alsmede degene die een hond onder zijn hoede heeft, is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijk en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of adoptieveld; op een andere door het college als zodanig aangewezen plaats. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar, houder of verzorger van de hond alsmede degene die de hond onder zijn hoede heeft, er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel80. Gevaarlijke honden. Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond alsmede hij die een hond onder zijn hoede heeft, verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat het college de eigenaar, houder of verzorger van een hond dan wel hem, die een hond onder zijn hoede heeft schriftelijk heeft meegedeeld, dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en het een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college de eigenaar, houder of verzorger van een hond dan wel hem, die een hond onder zijn hoede heeft, schriftelijk heeft meegedeeld, dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en het een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. Artikel81. Loslopend vee en pluimvee. De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel82. Schade door duiven. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak gelegen tussen 1 maart en 1 juni. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Verordening ophokplicht duiven Noord-Brabant. Artikel83. Voederverbod Het is verboden om duiven of watervogels te voederen of voor hen etensresten achter te laten op plaatsen, die het college ter voorkoming van overlast, heeft aangewezen. Artikel84. Bijen. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag- en invliegen van bijen te voorkomen. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. Het in het eerste lid, aanhef en onder b gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening Noord-Brabant. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Afdeling5.Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen. Artikel85. Begripsomschrijvingen. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht; Verkoopregister:het aantekening houden van het verkopen of op andere wijzen overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel86. Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister. De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. Artikel87. Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; b. de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(
  4. s)onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; c. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt; d. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris; e. wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van opkoper niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. Artikel88. Vervreemding van door opkoop verkregen goederen. Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel89. Handel in horeca-inrichtingen. Het is de houder van een inrichting verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen. In dit artikel wordt verstaan onder: a. inrichting: de inrichting als bedoeld in artikel 31,eerste lid, onder a, sub 1, 2 en 3; b. houder: de houder als bedoeld in artikel 31, eerste lid , onder b. Afdeling 6. Gevaarlijke stoffen Artikel90. Plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen. Het is de eigenaar, houder of bestuurder van een voertuig, dat in gebruik is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, genoemd in artikel 1, lid 1, onder b, van de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen, verboden dit voertuig te parkeren op andere plaatsen dan die welke bij besluit van het college zijn aangewezen. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet: a. gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen; b. buiten de bebouwde kom gedurende een periode van ten hoogste een half uur; c. voor gevallen, waarin de Wet milieubeheer of de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen van toepassing is. Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen. Afdeling7.Vuurwerk. Begripsomschrijving. Artikel91. In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel92. Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden zonder vergunning van het college. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en veiligheid en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. Artikel93. Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats te bezigen, indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Hoofdstuk3.Seksinrichtingen en dergelijke. Artikel94. Begripsomschrijvingen. In deze afdeling wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee : degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 138 ; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel95. Bevoegd bestuursorgaan. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel96. Nadere regels. Met het oog op de in artikel 104, tweede lid, genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Artikel97. Seksinrichtingen en dergelijke. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. Artikel98. Gedragseisen exploitant en beheerder. De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of, tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 197 a t/m c, 240b, 242 tot en met 249, 273a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j* artikel 8 of j* artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning, bedoeld in artikel 97, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel99. Sluitingsuur. Het bepaalde omtrent het sluitingsuur, de toegang van politieambtenaren en de mogelijkheid om een afwijkend sluitingsuur vast te stellen dan wel tot tijdelijke sluiting over te gaan van een of meer horeca-inrichtingen zoals opgenomen in de artikelen 32, 33 en 34 APV is van overeenkomstige toepassing op seksinrichtingen. Artikel100. Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 97 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel101. Straatprostitutie. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken dan wel op deze uitnodiging in te gaan. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel102. Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Artikel103. Beslissingstermijn. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, binnen dertien weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel104. Weigeringsgronden c.a. De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 98 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van woon- en leefklimaat; d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen; e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. De vergunning kan worden geweigerd indien een eerdere vergunning voor de exploitatie van de seksinrichting is ingetrokken dan wel de seksinrichting met toepassing van artikel 99 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten”. De vergunning kan onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze verordening worden ingetrokken, indien: niet langer wordt voldaan aan de op basis van artikel 96 c.q. in artikel 98 gestelde eisen. in de inrichting strafbare feiten plaatsvinden c.q. plaatsgevonden hebben, die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in de inrichting. aldaar een minderjarige prostituee dan wel een prostituee zonder geldige verblijfstitel wordt aangetroffen. de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de inrichting wordt verstoord of bedreigd. personen tegen hun wil in de inrichting worden vastgehouden. Artikel105. Beëindiging exploitatie. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 97 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escort bedrijf feitelijk heeft beëindigd. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel106. Wijziging beheer. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 97, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 104 eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Hoofdstuk4. Bescherming van het milieu en het uiterlijk aanzien van de gemeente. Afdeling1.Geluid- en lichthinder. Artikel107. Begripsomschrijving. In deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan een of een klein aantal inrichtingen. Artikel108. Aanwijzing collectieve festiviteiten. De waarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Artikel 4.113, eerste lid van het Besluit geldt niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer in de aanwijzing genoemde delen van de gemeente. Wanneer een collectieve festiviteit van maatschappelijk belang redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college deze festiviteit terstond aanwijzen als een collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid. Artikel109. Aanwijzing incidentele festiviteiten. Het is een inrichting toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de waarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van een inrichting tenminste vier weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het is een inrichting toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij artikel 4.113, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van een inrichting tenminste vier weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college kan gebieden aanwijzen, waarbinnen de in het eerste en tweede lid bedoelde activiteiten niet door iedere inrichting afzonderlijk mogen worden gehouden, maar slechts door de in het gebied gevestigde ondernemers gezamenlijk. Alsdan geldt voor het gehele gebied een maximum van 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar. De kennisgeving geschiedt schriftelijk en bevat tenminste de volgende gegevens: naam en adres van de inrichting, datum, tijdstip en aard van de festiviteit, contactpersoon tijdens de activiteit. Inrichtingen waar een geluidsbegrenzer verplicht is, dienen tevens te melden of de geluidsbegrenzer tijdens de festiviteit buiten werking wordt gesteld. Het college kan een incidentele festiviteit verbieden, wanneer er sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder of een ontoelaatbare samenloop met festiviteiten die gelijktijdig plaatsvinden. Artikel109a Geluidhinder door vroege oproepen tot gebed Het is verboden om van 23.00 uur tot 07.30 uur door middel van klokgelui dan wel op andere wijze op te roepen tot gebed, in de zin van artikel 10 Wet Openbare Manifestaties, met een geluidsniveau dat meer dan 10dB(A) ligt boven de normen uit het Besluit en meer dan 10 dB(A) boven het referentieniveau van de omgeving. Artikel110. Overige geluidhinder Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Degene, die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen, dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet of het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit van toepassing zijn. Afdeling2.Verontreiniging van de weg. Natuurlijke behoefte doen. Artikel111. Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen. Afdeling3.Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast. Artikel112. Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ongebruikte landbouwproducten en dergelijke. Het college kan, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het gestelde regels: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. Het is verboden op een door college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of stof: a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Ruimtelijke Ordening of de Wegenverordening Noord-Brabant. Artikel113. Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen. Dit artikel verstaat onder: a. dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet; b. emissiearm aanwenden: gebruiken van dierlijke meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: “tijdens het uitrijden van de dierlijke mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt”; c. grond: bouwland, maïsland en grasland. Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 is het verboden op gronden dierlijke meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op de volgende feest- en gedenkdagen: Nieuwjaarsdag, Pasen, Koninginnedag, 5 mei, Hemelvaartsdag, Pinksteren en Kerstmis. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de dierlijke mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend. Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden. Vervoer van dierlijke meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren. Artikel114. Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en dergelijke. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding, waardoor het verkeer in gevaar gebracht wordt, ernstige hinder voor de omgeving ontstaat of wanneer zulks in strijd is met redelijke eisen van welstand dan wel in afwijking van door het college met het oog op die belangen vastgestelde algemene regels. Artikel115. Vervallen. Hoofdstuk5.Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente. Afdeling1.Parkeerexcessen. Artikel116. Begripsomschrijvingen. In deze afdeling wordt verstaan onder: weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: treinen en trams; tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen; invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen; parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Artikel117. Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel118. Defecte voertuigen. Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel119. Voertuigwrakken. Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel120. Caravans en dergelijke. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, keetwagen, aanhangwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een weg. b. op een door het college aangewezen en vanaf de openbare weg zichtbare plaats te parkeren, waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening of de Landschapsverordening Noord Brabant. Artikel121. Parkeren van reclamevoertuigen. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel122. Parkeren van grote voertuigen. Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen, dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen, dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel123. Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen. Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen, dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel124. Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel125. Aantasting van groenvoorzieningen door voertuigen. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: a. op wegen, zoals bedoeld in artikel 116 onder a; b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Afdeling2.Collecteren, venten en uitstallingen. Artikel126. Inzameling van geld of goed. Het is verboden zonder vergunning van college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. Het college kan onder door het te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen. Artikel127. Venten en dergelijke. Het is verboden in de uitoefening van de handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren of diensten aan te bieden, indien daardoor de openbare orde, de veiligheid of de volksgezondheid in gevaar komt. Het college kan gebieden aanwijzen, waar de in het eerste lid bedoelde handel, zonder meer verboden is. Artikel128. Uitstallingen op de weg. Vervallen. Afdeling3.Lijkbezorging. Artikel129. Tijdvak voor begraven en dergelijke. Het is verboden te begraven of asbussen bij te zetten buiten het tijdvak van 08.00 uur tot 16.00 uur. Artikel130. Onbetamelijk gedrag op een begraafplaats. Het is verboden op een begraafplaats nodeloos rumoer te maken of zich anderszins onbetamelijk te gedragen. Artikel131. Aanwijzingen. Eenieder is verplicht de aanwijzingen op te volgen, die door of namens de rechthebbende op een begraafplaats gegeven worden met betrekking tot het uitvoeren van werkzaamheden of in het belang van de orde en rust op de begraafplaats. Afdeling4.Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden. Crossterreinen. Artikel132. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Beperking verkeer in natuurgebieden. Artikel133. Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan het verklaart, dat het rijden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden. Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: a. zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel b. zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening “Stiltegebieden” aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorvoertuigen, die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als “toestel”. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Afdeling5.Verbod vuur te stoken. Artikel134. Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet Milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en dergelijke en vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving. De in het eerste lid bedoelde melding dient uiterlijk zes weken, voordat de voorgenomen activiteit plaats zal vinden te worden gedaan bij het college. Het college kan de activiteit verbieden dan wel daaraan voorschriften verbinden met het oog op de openbare orde en veiligheid, de bescherming van het woon- en leefklimaat dan wel de bescherming van flora en fauna. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429 aanhef en onder 1. of 3 van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Milieuverordening Noord Brabant. Afdeling6.Overig Artikel135. Het aanbrengen van tatoeages. Degene die er een beroep van maakt handelingen te verrichten, waarbij de huid van degene die zich tot hem wenden, wordt gepenetreerd, is verplicht ervoor te zorg te dragen dat deze handelingen op een zodanige wijze plaatsvinden dat overdracht van ziektekiemen daarbij wordt voorkomen. De in lid 1 genoemde verplichting geldt ook voor de exploitant van een inrichting, waar bedoelde handelingen verricht worden. De in lid 2 bedoelde exploitant alsook de in lid 1 genoemde persoon is verplicht om aan personen die door het college zijn belast met het toezicht op de naleving van het in lid 1 bepaalde, toegang te verlenen. Het college kan terzake van de in lid 1 bedoelde handelingen aanwijzingen geven ten aanzien van het voorkomen van overdracht van ziektekiemen. Deze aanwijzingen worden schriftelijk gegeven en dienen te worden opgevolgd. Artikel136. Openbaar water. Het is de bestuurder, eigenaar of houder van een motorvaartuig verboden dit aanwezig te hebben dan wel er mee te varen op een door het college bij openbare kennisgeving aangewezen waterplas. Het is de eigenaar of houder tevens verboden het motorvaartuig te plaatsen of geplaatst te houden binnen een afstand van tien meter van een krachtens het bepaalde in het eerste lid aangewezen waterplas. Onder motorvaartuig wordt verstaan een vaartuig, dat bestemd is om te worden voortbewogen uitsluitend of mede door mechanische kracht op of aan het vaartuig zelf aanwezig. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor vaartuigen, die worden gebruikt voor baggerwerkzaamheden of ten behoeve van de openbare dienst. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Hoofdstuk6.Straf-, overgangs- en slotbepalingen. Artikel137. Strafbepaling. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde alsmede van de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Artikel138. Toezichthouders. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de ambtenaren van de dienst Gebiedsontwikkeling, ieder voor zover het betreft zaken, die aan hun toezicht zijn toevertrouwd. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij het besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel139. Binnentreden woningen. Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel140. Inwerkingtreding. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van haar bekendmaking. Met ingang van die dag vervalt de Algemene Plaatselijke Verordening Tilburg zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Tilburg bij besluit van 27 januari 1997 met inbegrip van nadien doorgevoerde wijzigingen. Artikel141. Overgangsbepaling. Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens verordeningen bedoeld in artikel 140, tweede lid blijven indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken, van kracht tot de tijd waarvoor zij werden verleend is verstreken of totdat zij worden ingetrokken. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld in artikel 140, tweede lid, blijven, indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken van kracht. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 140, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvrage is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 140, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 140, tweede lid. Artikel142. Aanhalingstitel. Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Tilburg 2005. Toelichting bij de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Tilburg 2005.Hoofdstuk 1 Algemene BepalingenArtikel 1BegripsomschrijvingenA. WegEen aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen, heeft betrekking op (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De omschrijving van "weg" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg": De "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte; de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg, in te grijpen; de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige "voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput. Het begrip “weg” in de APV komt het meest overeen met het hiervoor onder c beschreven begrip, zij het dat het nog iets ruimer is. Daaronder vallen ook voor het publiek toegankelijke trappen, portieken e.d. die toegang geven tot voor bewoning bestemde ruimten, voorzover deze trappen etc. niet afsluitbaar zijn. Andere trappen, portieken, galerijen e.d. vallen ook onder het begrip weg, ongeacht of deze afsluitbaar zijn, maar alleen op het moment dat ze niet afgesloten zijn. Daarbij moet b.v. gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. Gedurende de tijd, dat deze niet daadwerkelijk afgesloten zijn, maken zij deel uit van de weg als bedoeld in de APV en zijn dus tal van bepalingen uit de APV van toepassing. B.Rechthebbende Het gaat hier om de rechthebbende naar burgerlijk recht. Veelal is dat de eigenaar en/of huurder van een goed. C. VoertuigenIn artikel 1 onder a en onder a 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, aanhangwagens, trams en wagens. De APV zondert van deze voertuigen uit a. treinen en trams en b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. E. BouwwerkDeze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model)Bouwverordening. F. GebouwDeze omschrijving is ontleend aan artikel 1, onder c, van de Woningwet. I. HandelsreclameDit begrip is van belang, omdat artikel 7 van de Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert, niet van toepassing is op handelsreclame. Met andere woorden het is mogelijk een vergunningstelsel in het leven te roepen voor handelsreclame. Het begrip komt o.a. terug in artikel 114 APV. Artikel 2Te late indiening aanvraagDit artikel geeft de bevoegdheid om aanvragen, die later zijn ingediend dan tien weken (voor evenementen twaalf weken) voor het tijdstip, waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, niet in behandeling te nemen. Bedoeling is dat van deze bevoegdheid alleen gebruik gemaakt wordt, als de beoordeling van de aanvraag redelijkerwijs niet meer mogelijk is binnen de resterende termijn. Artikel 3Voorschriften en beperkingenOfschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt verleend. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 4 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. Artikel 4Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingDe in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter, blijkende uit het woord "kan". Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, zal het veelal gehouden zijn om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te dienen conform het bepaalde in artikel 4:8 Awb. Artikel 5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingDe beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Uitgangspunt in de APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning. Overigens kan een vergunning wel degelijk een zakelijk karakter hebben, ook al staat de vergunning op naam van een persoon. Artikel 6Termijnen In artikel 145 van de Gemeentewet is bepaald dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Voorzover de APV termijnen bevat die in uren worden uitgedrukt, bepaald door terugrekening vanaf een tijdstip of een gebeurtenis, is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. Artikel 6 bevat daartoe een terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken. Hoofdstuk 2 Openbare ordeAfdeling 1 Orde en veiligheid op de wegArtikel 7Samenscholing en ongeregeldhedenOnder “samenscholing” is in dit verband te verstaan “het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen, die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben” (Van Dale). Met andere woorden: dit begrip heeft een negatieve betekenis. Het is uiteraard niet de bedoeling op te treden tegen een verzameling van personen, die niets kwaads in de zin heeft (samenscholing in de neutrale betekenis). Toepassing van dit artikel zal dan ook slechts in het uiterste geval, ter voorkoming van ongeregeldheden, plaats mogen vinden. Artikel 8Bestuurlijke ophoudingArtikel 154a Gemeentewet geeft de burgemeester onder bepaalde voorwaarden de bevoegdheid om groepen van personen wat genoemd wordt “bestuurlijk op te houden”. Hieronder wordt verstaan, dat deze naar een daartoe aangewezen plaats kunnen worden overgebracht en gedurende maximaal 12 uur aldaar kunnen worden vastgehouden. De plaats dient te voldoen aan een aantal in een algemene maatregel van bestuur opgenomen eisen (Besluit plaatsen bestuurlijke ophouding van 28 april 2000). Deze bevoegdheid mag de burgemeester gebruiken, indien er sprake is van een groepsgewijze overtreding van lokale regels, die ter handhaving van de openbare orde zijn gesteld, en deze overtreding tot gevolg heeft, dat er ernstige wanordelijkheden ontstaan c.q. dat er ernstige vrees bestaat, dat die zullen ontstaan. Te denken is daarbij aan situaties als relletjes rond voetbalwedstrijden of uit de hand lopende betogingen. Voordat wordt overgegaan tot effectuering van de ophouding moeten de personen uit de groep in de gelegenheid worden gesteld de ophouding te voorkomen door alsnog de overtreding van de voorschriften te staken. In concreto betekent dit, dat de ophouding eerst kan worden toegepast, nadat de personen zijn gewaarschuwd en zij hun gedrag niet hebben aangepast. Het bestuurlijk ophouden heeft ten doel in dat soort situaties relschoppers gedurende enige tijd te kunnen vasthouden en van de plek des onheils vandaan te kunnen halen en houden. Daarbij hoeft niet vastgesteld te worden, dat de individuele persoon zich schuldig heeft gemaakt aan bepaalde strafbare feiten, maar is het voldoende, dat deze persoon van een groep deel uitmaakt, die zich daaraan schuldig maakt. Het besluit tot ophouding is een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, Awb. Tegen de beschikking kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de rechtbank en tevens kan een voorlopige voorziening worden gevraagd. De Gemeentewet bevat aangepaste procedurevoorschriften voor deze rechtsgang, gericht op een snelle behandeling. De bevoegdheid dient aan de burgemeester gegeven te zijn in een expliciete bepaling in een verordening, in dit geval de APV. Tevens dient deze bepaling een opsomming te bevatten van de artikelen uit de APV, die, bij groepsgewijze overtreding daarvan, aanleiding kunnen vormen tot het toepassen van het middel van bestuurlijke ophouding. In artikel 8 is dit nader uitgewerkt. Voorbeelden van artikelen, bij overtreding waarvan bestuurlijke ophouding aan de orde kan zijn, zijn het artikel, dat het beschadigen van de weg verbiedt (gooien met stoeptegels) of het artikel dat verbiedt met messen, knuppels e.d. rond te lopen. Bestuurlijke ophouding kan ook worden toegepast bij overtreding van noodbevelen of van een noodverordening. Dit hoeft niet in de APV te worden geregeld, maar vloeit rechtstreeks voort uit artikel 176 a Gemeentewet. Artikel 9Preventief fouillerenArtikel 151b Gemeentewet bepaalt, dat de raad de burgemeester de bevoegdheid kan geven “veiligheidsrisicogebieden” aan te wijzen bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens in dat gebied dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. In zo’n gebied kan de Officier van Justitie vervolgens de politie gelasten over te gaan tot het preventief fouilleren op het bezit van wapens. De aanwijzing van het gebied kan slechts geschieden voor beperkte duur en moet ingetrokken worden zodra de (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde niet meer aanwezig is. Vooraf dient de burgemeester te overleggen met de Officier van Justitie. De beslissing tot aanwijzing van zo’n gebied dient op schrift te worden gesteld en zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad gebracht te worden. Een dergelijk besluit is niet vatbaar voor bezwaar en beroep, in die zin, dat krachtens de jurisprudentie niemand als belanghebbende bij zo’n besluit kan worden aangemerkt. Het besluit van de burgemeester heeft formeel namelijk nog geen gevolgen, het heeft pas effect als vervolgens de Officier van Justitie besluit ook daadwerkelijk tot preventieve fouillering over te gaan. Artikel 9 verleent de burgemeester de hierboven toegelichte bevoegdheid. Van deze is al een aantal malen gebruik gemaakt. Artikel 9 aCameratoezichtDoor vaststelling van dit artikel wordt de burgemeester de bevoegdheid verleend te besluiten tot het plaatsen van camera’s op openbaar toegankelijke plaatsen. Artikel 151 c Gemeentewet bevat de verdere eisen, waaraan het cameratoezicht moet voldoen. Zo is bepaald, dat daadwerkelijke plaatsing geschiedt in overleg met de officier van justitie en dat voor het publiek kenbaar moet zijn dat er op een bepaalde plaats sprake is van cameratoezicht. Het cameratoezicht mag uitsluitend ingesteld worden als dit noodzakelijk is ter handhaving van de openbare orde. Dat neemt niet weg, dat de beelden wel gebruikt mogen worden, als dat nodig is voor de opsporing van strafbare feiten. Het begrip openbare plaatsen is verder omschreven in artikel WOM. De eigendomssituatie is niet doorslaggevend voor de vraag of een plaats openbaar is, maar uitsluitend de mate van feitelijke openbare toegankelijkheid van de plaats, dus ook in particuliere eigendom zijnde plaatsen kunnen onder omstandigheden openbaar zijn (b.v. winkelpassages). Tot slot zij er op gewezen, dat de bepaling de plaatsing van vaste camera’s regelt. De plaatsing van mobiele camera’s valt niet onder deze bepaling en ook niet onder artikel 151 c Gemeentewet. Plaatsing van dat soort camera’s kan geschieden op basis van artikel 2 Politiewet. In aanvulling op de regels in wet en APV kan de burgemeester beleidsregels vaststellen. Van belang hierbij is artikel 4:81 Algemene Wet Bestuursrecht: " … een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.