← Nederland

Richtlijnen WWB en overige wetten en regelingen 2008 (Ridderkerk)

Kort samengevat

Deze richtlijnen beschrijven hoe de gemeente Ridderkerk omgaat met cliënten die zich niet aan hun verplichtingen houden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB), met als uitgangspunt "Lik op stuk". Het doel is om snel en passend te reageren op overtredingen, waarbij de rechten van cliënten worden gewaarborgd door een zorgvuldige procedure.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Richtlijnen WWB en overige wetten en regelingen 2008 WWB ALGEMEEN Afstemming Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in de verordening. Het uitgangspunt is Lik op stuk. De cliënten moeten aan hun verplichtingen voldoen. Mocht een cliënt zich niet houden aan een verplichting dan volgt direct een passende maatregel. Mocht betrokkene volharden in het niet voldoen aan de verplichtingen dan wordt de maatregel verzwaard op een dusdanige wijze dat er sprake is van een snelle ophoging van de verlaging van de bijstand. Een volhardende recidivist kan zo snel uit de bijstand uitstromen. Echter bij het vaststellen van de verlaging van de uitkering moeten, om de rechten van de cliënten te waarborgen, telkens de volgende drie stappen zeer zorgvuldig worden doorlopen en goed gedocumenteerd: Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging: Wat heeft de cliënt gedaan of nagelaten en tot welke categorie hoort de gedraging. Er moet gekeken worden of er sprake is van recidive of samenloop. De gemeente heeft de verplichting om gemotiveerd aan te tonen wat de cliënt heeft nagelaten. Het is van belang dat alle stappen die zijn ondernomen op papier staan: in de beschikking staat expliciet aan welke verplichtingen betrokkene moet voldoen. Als betrokkene op een bepaald tijdstip, sollicitaties (of andere gegevens) moet inleveren, moet het tijdstip en het aantal sollicitaties gespecificeerd worden. Hetzelfde geldt voor het inschrijven bij uitzendbureaus. Als betrokkene naar een reïntegratiebureau wordt verwezen, krijgt betrokkene hier bericht van. Als betrokkene zich niet aan zijn verplichtingen tijdens het reïntegratie traject houdt, dan is ook de verslaglegging door het reïntegratiebureau van belang. Zij moeten alle brieven en afspraken bewaren en overleggen. Vroegtijdig c.q. regelmatig contact met de consulent van het reïntegratiebureau is van belang. Een driegesprek met de cliënt en de consulent van het reïntegratiebureau kan nuttig zijn om te voorkomen dat de gemeente en het reïntegratiebureau tegen elkaar worden uitgespeeld. Een goede verslaglegging van de gesprekken moet in het dossier zitten. Ook bij het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting is het van belang om alle stappen schriftelijk vast te leggen. Als er sprake is van mogelijke fraude, dan moet de sociaal rechercheur worden ingeschakeld. Hij heeft meer mogelijkheden om onderzoek te doen dan de consulent. Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid: Als er geen verwijtbaarheid is, kan er geen verlaging plaatsvinden. Hoe beter betrokkene op de hoogte is van zijn rechten en plichten, hoe geringer de kans dat een gedraging niet verwijtbaar is, doordat betrokkene niet wist dat hij/zij iets moest doen. Daarnaast kan er sprake zijn van ontbreken van verwijtbaarheid door psychische en verstandelijke beperkingen. Bij het opleggen van een verplichting moet hiermee rekening worden gehouden. Als met bovenstaande twee punten van te voren rekening is gehouden, dan zal het ontbreken van verwijtbaarheid zich alleen nog voordoen bij calamiteiten zoals ziekte, overlijden of natuurrampen. Van de cliënt kan verwacht worden dat hij de sociale dienst hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte brengt. Overleg met de consulent van het reïntegratiebureau is nodig, omdat betrokkene mogelijk daar wel relevante zaken heeft besproken. Als deze fenomenen zich elke maand voordoen, dan kan nader onderzoek geboden zijn. Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde: Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is. Ook sociale of gezinsomstandigheden kunnen een rol spelen. Het blote feit dat iemand een gezin heeft is echter geen reden om de verlaging te matigen. Betrokkene had zelf kunnen bedenken dat de maatregelwaardige gedraging ook gevolgen voor zijn gezin kon hebben. Er kan bijvoorbeeld bezien worden of de verlaging over meer maanden wordt uitgespreid, bijvoorbeeld 2 maanden 50% in plaats van 1 maand 100%. Het is ook mogelijk om de maatregel te verzwaren, als een zeer verwijtbare handeling heeft plaatsgevonden. Dit is het geval als alle arbeidsbemiddeling geweigerd wordt. Voor het vaststellen van de omstandigheden en de verwijtbaarheid dient de cliënt gehoord te worden. Een cliënt moet altijd de gelegenheid krijgen om mondeling of schriftelijk te reageren. Soms kan een telefoongesprek voldoende zijn. De voorkeur gaat uit naar een persoonlijk gesprek. Als er sprake is van recidive moet er altijd een gesprek plaatsvinden. Heroverweging binnen 3 maanden Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Als een maatregel voor een langere duur dan drie maanden wordt opgelegd, dan moet er binnen drie maanden een heroverweging plaatsvinden. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: de consulent moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. In dat geval zou de maatregel gematigd kunnen worden. Als de maatregel het gevolg was van het niet voldoen aan de arbeidsverplichtingen kan gevraagd worden om sollicitaties te overleggen. In dat geval is contact met de cliënt nodig. Is de maatregel het gevolg van het te snel interen van vermogen, dan heeft contact met cliënt geen meerwaarde, betrokkene kan de fout immers niet herstellen. De heroverweging is dan puur formeel. Betrokkene hoeft dan niet gehoord te worden. Lik op stuk Indien er binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag dan wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verhoging van het verlagingpercentage. Er moet dan wel sprake zijn van een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. Hierdoor kan er sneller worden gereageerd op recidive, dan als er sprake is van als er sprake is van verlenging van de periode. De verhoging gaat als volgt: De vorige verwijtbare gedraging behoorde tot De nieuwe verwijtbare gedraging behoort tot Tweede Maatregel Derde Maatregel categorie 1: 5% één maand categorie 1: 5% één maand 10% een maand 100% een maand categorie 1: 5% één maand categorie 2: 20% één maand 40% een maand 100% een maand categorie 2: 20% één maand categorie 2: 20% één maand 40% een maand 100% een maand categorie 2: 20% één maand categorie 3: 40% één maand 80% een maand 100% 3 maanden categorie 3: 40% één maand categorie 3: 40% één maand 80% een maand 100% 3 maanden categorie 3: 40% één maand categorie 4: 100% één maand 100% twee maanden 100% 6 maanden categorie 4: 100% één maand categorie 4: 100% één maand 100% twee maanden 100% 6 maanden Bovengenoemde gedragingen betreffen de recidive bij het schenden van de arbeidsverplichting. Als betrokkene voor de derde maal niet voldoet aan de arbeidsverplichtingen, dan zal de maatregel verzwaard worden tot 100%, waarbij het aantal maanden afhangt van de categorie waartoe de gedraging behoort. Als de derde maatregel niet geleid heeft tot een verbetering, kan de vierde maatregel worden afgestemd op de ernst van de gedraging. Afhankelijk hiervan kan de uitkering van betrokkene gedurende 12 maanden 100% worden verlaagd. Niet nakomen inlichtingenverplichting Als betrokkene zich niet houdt aan de inlichtingenverplichting kan de uitkering verlaagd worden als er sprake is van: Het niet tijdig verstrekken van inlichtingen; Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand; Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand. Als er gevolgen zijn voor de bijstand zal er sprake zijn van een terugvordering en moet gekeken worden of er sprake is van een relatie met de strafrechtelijke sanctie Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van fraude en het benadelingbedrag hoger is dan € 6.000,- (de aanwijzing sociale zekerheidsfraude). Het is de bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de WWB de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen van de inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen. Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een maatregel niet uit. Beide sancties kunnen samen gaan. Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de maatregel die is opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe van ‘aanrekening’. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan tot het opleggen van een maatregel, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’. Als er sprake is van recidive bij het schenden van de inlichtingenverplichting, dan wordt het percentage van de vorige verlaging verdubbeld. Bij volharding kan in dat geval afhankelijk van de situatie maatwerk worden geleverd. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel. In de verordening worden een aantal categorieën benoemd. Daarnaast kan er een grote variëteit aan gedragingen zijn, die niet onder een categorie te vangen zijn. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals: Een onverantwoorde besteding van vermogen; Geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening; Het maken van schulden. Dit kan samenhangen met punt 1; Vrijwillig ontslag of ontslag door eigen toedoen. In deze gevallen is er sprake van een vast kortingspercentage op de bijstand (10%) en wordt de ernst van de gedraging uitgedrukt in de duur van de verlaging. Bij de vaststelling van de duur van de verlaging wordt beoordeeld hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. Als er sprake is van ontslag, dan kan een maatregel van 100% gedurende 1 maand worden opgelegd. Zeer ernstige misdragingen Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. In het bijzonder wordt gekeken naar: De mate waarin de medewerkers worden belemmerd in een normaal functioneren; De mate waarin het recht op uitkering niet meer kan worden vastgesteld; De door de gedraging veroorzaakte (

  1. im)materiele schade. De verlaging kan worden opgelegd bij (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en zijn ambtenaren, inclusief medewerkers CWI. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie zoals bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf. Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. (artikel 9, derde lid, van deze verordening). Het opleggen van een maatregel is het sluitstuk van een reeks van andere maatregelen die de consulent ter beschikking staan. Bij verbaal geweld en discriminerende opmerkingen kan altijd gekozen worden voor het beëindigen van het gesprek. Dit kan zowel bij een telefonisch als een persoonlijk contact. Betrokkene wordt op zijn gedrag aangesproken en als betrokkene zijn uitlatingen niet aanpast wordt het gesprek beëindigd. Zonodig volgt een hersteltermijn, waarbij betrokkene alsnog in de gelegenheid wordt gesteld het gesprek voort te zetten en/of gegevens in te leveren. Bij een acute fysieke bedreiging of een weigering het pand te verlaten wordt (zonodig door collega’
  2. s)de politie gebeld. Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Als er sprake is van een zeer ernstige misdraging kan de betrokken medewerker aangifte doen, zoniet beslist het college c.q. het hoofd van de afdeling of er aangifte wordt gedaan. Het gemeentekantoor fungeert als domicilie adres. Het hoofd beslist verder of aanvullende maatregelen zoals een pandverbod nodig zijn. Als betrokkene een (tijdelijk) pandverbod heeft, volgt eerst een ordegesprek door het hoofd (eventueel in bijzijn van de politie) voor betrokkene weer persoonlijk te woord wordt gestaan. Co-ouderschap De WWB spreekt over alleenstaande, alleenstaande ouder en gezin. Er wordt niet over co –ouders gesproken. Om in het geval van gezamenlijke zorg voor de kinderen de juiste norm te bepalen voor de uitkeringsgerechtigde co-ouder, moet het individualiseringsbeginsel worden toegepast. De norm van de bijstandsontvanger wordt aangepast aan de feitelijke situatie. Voor de dagen dat het kind bij de bijstandsontvanger verblijft is er de norm alleenstaande ouder, voor de overige dagen de norm alleenstaande. (Artikel 4 en 18 lid 1 WWB). Krediethypotheek De Wet Werk en Bijstand kent geen regeling inzake de Krediethypotheek meer. Echter bijstandsverlening bij vermogen gebonden in een zelf bewoonde woning is niettemin mogelijk. In artikel 34 lid 2 onder d staat dat: niet als vermogen in aanmerking wordt genomen, het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50 lid 1, voor zover dit minder bedraagt dan een bepaalde grens die bij circulaire van het ministerie van SZW wordt vastgesteld. Dit geldt ook als het vermogen in de woonwagen of woonschip betreft. Deze vrijlating is onafhankelijk van het bescheiden vermogen. Het vaststellen van de hoogte van de vrijlating in twee trappen is dus afgeschaft. Er is sprake van 1 vermogensvrijlating in de woning. Hetgeen in artikel 34, lid 2 onder d wordt gesteld geldt ook voor vermogen dat gebonden is in een eigen woonschip en woonwagen (zie artikel 3, lid 6). In plaats van een krediethypotheek wordt in dat geval een pandovereenkomst afgesloten, aangezien het geen registergoed betreft. Voor het overige geldt hetgeen voor het vermogen in een woning geldt. In artikel 50 worden nadere regels gesteld betreffende vermogen in de eigen woning: als het vermogen in de woning boven de vrijlatinggrens komt, dan wordt de bijstand verstrekt in de vorm van een lening. Het is aan burgemeester en wethouders om te bepalen of de als lening verstrekte bijstand al dan niet wordt gezekerd door middel van een hypotheek. In artikel 50, lid 1 staat dat de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht heeft op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, anders dan ingevolge dit artikel, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. In lid 2 staat dat indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, die bijstand de vorm van een geldlening heeft: a. indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid en b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweedelid, onderdeel d. Onderstaande richtlijn (gebaseerd op het voormalige besluit krediethypotheek) moet toepast worden, als artikel 50 van toepassing is. Gemeentelijke regeling krediethypotheek 1 Indien bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek als bedoeld in artikel 50, lid 2 WWB wordt daartoe mede gerekend de eventuele bijstand in de kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, alsmede de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene bijstand, tenzij aan de belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand wordt verleend. 2 a. De geldlening, bedoeld in artikel 1, is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder d van de WWB. b. Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen of door een gemeentelijk taxateur. c. De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, alsmede de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene bijstand, tenzij aan de belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand wordt verleend. 3 a. Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in de artikelen 4 en 5. b. De in lid 3 a bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte. 4. a. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar. b. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats. c. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld. d. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de WWB dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 1, van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd. Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een uitkering op grond van de WIK ontvangt. e. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. f. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. g. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd. 5. a. Indien door toepassing van artikel 4, d tot en met g, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening. b. De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent. c. Indien belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. d. Indien belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. e. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd. 6. a. Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 5, c en d, bijgeschreven rente, terstond afgelost. b. Bij verkoop van de woning kunnen burgemeester en wethouders wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van a, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge a afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met volledig inzet voor de aankoop van de andere woning. c. Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. 7. Indien binnen een periode 12 maanden na beëindiging van de bijstandverlening onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek. 8. Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen. Toelichting De aflossingsperiode bedraagt maximaal 10 jaar. Dit komt er op neer dat jaarlijks in beginsel 10% van de schuld moet worden terugbetaald. Daarnaast eventueel 4% rente. Door de duur waarin een aflossing gevergd wordt beperkt te houden is deze voor zowel de belanghebbende als de gemeente overzienbaar. De periode van tien jaar waarin een aflossing wordt gevergd begint op het moment dat de bijstandverlening wordt beëindigd. Per maand zal dan in beginsel een aflossing plaatsvinden die gelijk is aan het bedrag dat zou volgen uit tien jaar aflossing, dus 1/120 van de geldlening. Het nieuwe inkomen kan echter zodanig zijn dat een hoger maandelijks aflossingsbedrag gevraagd zou kunnen worden. Daarom is aangegeven dat de aflossingsperiode ten hoogste tien jaar bedraagt. Belanghebbende dient echter ook de mogelijkheid te hebben om een lager maandelijks aflossingsbedrag te betalen dan het bedrag dat volgt uit hetzij de aflossingsperiode van tien jaar, hetzij uit een hoger vastgesteld bedrag. Het inkomen, of bepaalde noodzakelijke bijzondere bestaansuitgaven die belanghebbende voor eigen rekening moet nemen - zoals hoge woonlasten -, kunnen daartoe aanleiding geven. Ook de aflossing van een krediethypotheek is een kwestie van maatwerk, waarbij met de omstandigheden in het individuele geval rekening dient te worden gehouden. Een correcte toepassing van de bepaling daarover houdt in dat bij het bepalen van de aflossingscapaciteit in het inkomen, die noodzakelijke bijzondere kosten eerst op het inkomen in mindering worden gebracht. Daardoor wordt ervoor gezorgd dat belanghebbende die kosten kan betalen. Aangezien de hoogte van het inkomen en de noodzakelijke uitgaven geen vast gegeven hoeven te zijn, is bepaald dat het maandelijkse aflossingsbedrag telkens voor een jaar wordt vastgesteld. Het gaat hierbij om een aflossingsjaar dat dus niet noodzakelijkerwijs samenvalt met een kalenderjaar. Deze wijze van vastlegging betekent dat periodiek een controle op de financiële situatie van belanghebbende plaatsvindt. Tussentijds is bijstelling van het aflossingsbedrag ook mogelijk. Dit kan op initiatief van B en W en op verzoek van belanghebbende zelf. Wanneer belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is om de vastgestelde aflossing te voldoen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar. Bovendien is daarover de wettelijke rente verschuldigd. Het ligt in de rede om in zo'n situatie eerst met belanghebbende een regeling te treffen. Is dat niet haalbaar (vanwege een weigerachtige opstelling van belanghebbende), dan staan in het uiterste geval middelen zoals beslag op het inkomen en executoriale verkoop van de woning ter beschikking. Volgens het op 1 januari 1992 in werking getreden nieuw Burgerlijk Wetboek moet de wettelijke rente worden betaald over de tijd dat verzuimd is om aan de verplichting te voldoen. In dit besluit is aangegeven dat maandelijks een aflossing moet worden gedaan. Blijft die aflossing achterwege dan is vanaf dat moment sprake van verzuim en is derhalve de wettelijke rente verschuldigd. Geregeld is dat bij een inkomen op bijstandsniveau geen aflossing wordt gevergd. Dit niveau is de landelijk geregelde bijstandsnorm, vermeerderd met de eventuele gemeentelijke toeslag en andere toeslagen (voor woonkosten) op grond van de WWB, die zouden gelden als belanghebbende nog steeds bijstand zou ontvangen. Wanneer sprake is van lagere aflossingsbedragen die niet kunnen worden gecompenseerd door hogere aflossingsbedragen op andere tijdstippen binnen de gehele aflossingsperiode, is de periode van ten hoogste tien jaar niet voldoende om de totale geldlening af te lossen. Het restant wordt in ieder geval afgerekend bij verkoop van de woning en bij vererving. Dit komt er op neer dat voor het nog niet afgeloste deel van de geldlening uitstel van betaling wordt verleend. Aan belanghebbende wordt overgelaten of deze toch aflossingen wil verrichten. De renteverplichting werkt daarbij als stimulans. Het kan zich voordoen dat belanghebbende naar het oordeel van B en W de rente of een gedeelte daarvan kan opbrengen, maar dat belanghebbende daardoor niet aan aflossen toe kan komen. De renteverplichting belemmert dan het aflossen. Om dit te vermijden is aangegeven dat de betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de renteverplichting wordt aangemerkt als aflossing. Dit is in overeenstemming met het gegeven dat in de eerste tien jaar voorrang wordt gegeven aan het aflossen van de geldlening. De bij de schuld bij te schrijven rente die telkens niet betaalt kan worden zal, omdat er wordt afgelost, op termijn afnemen. Omdat over de bijgeschreven rentevordering geen rente is verschuldigd loopt de totale schuld niet oneindig op. Wanneer de geldlening geheel is afgelost zal de renteverplichting die op dat moment moet worden berekend nul gulden zijn. Het tot dat moment bijgeschreven totaalbedrag aan rentevorderingen wordt verder op de gebruikelijke wijze afgewikkeld. Voor zover dat bedrag niet betaald kan worden, wordt dat afgerekend bij verkoop van de woning zoals ook gebeurt als een deel van de geldlening niet kan worden afgelost. Is er naar het oordeel van B en W voor belanghebbende geen mogelijkheid om de rente te betalen dan wordt deze bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. Het is dan niet te vermijden dat de totale schuld blijft oplopen. De aflossingsperiode van ten hoogste tien jaar gaat in na beëindiging van de bijstand, ook al wordt er geen, of een lagere, aflossing opgelegd in verband met de hoogte van het inkomen of noodzakelijke bijzondere kosten van belanghebbende. Een beoordeling van betalingscapaciteit in het inkomen vindt na tien jaar eventueel alleen nog plaats ten aanzien van de dan in werking tredende renteverplichting. Het vervallen van de plicht tot rentebetaling gedurende de aflossingsperiode van tien jaar ontlast de uitvoering bovendien van het bijhouden van een rentestaat, tenzij sprake is van schuldige nalatigheid dan wel als de aflossingsperiode van tien jaar verstreken is en er nog een deel van de geldlening moet worden afgelost. Een verkoop van de woning hoeft niet terstond gepaard te gaan met een financiële afwikkeling van de krediethypotheek. Dit zal doorgaans plaatsvinden bij de overdracht van de woning. Vanaf het moment waarop belanghebbende over de opbrengst kan beschikken zal de resterende geldlening aan de gemeente in één keer moeten worden terugbetaald. Wanneer de woning wordt verkocht tegen een prijs die doelbewust beneden de geldende marktwaarde ligt, is er geen aanleiding om het resterende bedrag van de lening kwijt te schelden. Bij verkoop van de woning dient de geleende bijstand te worden terugbetaald, alsmede de eventueel bijgeschreven rentevorderingen. Dat geldt ook bij verkoop tijdens het ontvangen van bijstand wanneer er dringende redenen zijn om te verhuizen. Er zal dus eerst afgerekend moeten worden voordat een nieuwe hypotheek kan worden gevestigd. B en W kunnen een nieuwe lening onder verband van krediethypotheek ter beschikking stellen. Als voorwaarde hiervoor geldt dat belanghebbende het na afrekening vrijgekomen vermogen volledig inzet bij het kopen van een vervangende woning. Ook in de situatie dat de bijstandverlening kan worden beëindigd in verband met werkaanvaarding elders is er reden om het bedrag van de afgeloste krediethypotheek weer ter beschikking te stellen aan belanghebbende. Wanneer het aanvaarden van werk elders betekent dat de bestaande woning moet worden verkocht om in de nieuwe woonplaats een andere woning aan te kopen zal het aflossen van de krediethypotheek een drempel kunnen vormen. Immers, door de volledige aflossing zal belanghebbende voor het kopen van de nieuwe woning wellicht aangewezen zijn op een, ten opzichte van de krediethypotheek, duurdere hypotheek bij een bank. Om ervoor te zorgen dat de gehele aflossing van de krediethypotheek geen belemmering vormt voor het aanvaarden van werk in een andere woonplaats, is het ook in die situatie mogelijk het afgeloste bedrag van de krediethypotheek weer ter beschikking te stellen aan belanghebbende. Ook in dit geval is sprake van een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. In de praktijk blijkt het voor te komen dat iemand na beëindiging van de bijstandverlening in de vorm van een krediethypotheek opnieuw op bijstand aangewezen raakt. Bij gelegenheid van de nieuwe aanvraag behoort dan een nieuwe vaststelling van het maximaal te lenen bedrag. Ook wanneer de waarde van de woning niet is gestegen leidt dat tot een onevenredige verhoging van de in totaal te lenen (en dus terug te betalen) bijstand. Dat effect wordt veroorzaakt doordat de vordering van de vorige krediethypotheek als een op de woning drukkende schuld wordt meegenomen. Vervolgens wordt de geldlening berekend, op het dan resterende vermogen. Dat resterende vermogen is echter het vermogen dat bij de vorige krediethypotheek was vrijgelaten. In gevallen dat er geen sprake is van een duurzame onderbreking, zal de laatste berekening van het bedrag van de maximale geldlening worden gehanteerd. Daarbij wordt aangesloten op de bestaande praktijk. Voor zover het maximale bedrag van die geldlening nog niet is aangesproken, hetzij door een voortijdige beëindiging van de bijstand, hetzij door inmiddels verrichte aflossingen, wordt de te verlenen bijstand ten laste daarvan geboekt. Is het maximale bedrag wel volledig aangesproken dan wordt de bijstand verder om niet verleend. Van een niet duurzame onderbreking is sprake zolang er nog geen 1 maanden is verstreken. Langdurigheidtoeslag (LTS) De criteria waaraan iemand moet voldoen zijn in artikel 36 lid 1 benoemd. Doelgroep arbeidsongeschikten Tot de doelgroep behoren niet alleen WWB cliënten. De regeling is ook bedoeld voor met name Arbeidsongeschikten, die geen arbeidsmarktperspectief hebben: 1)Dit zijn personen met een WAO, WAZ of WAJONG (gedurende 5 jaar en uitkering op minimumniveau), die voor 80% tot 100% zijn afgekeurd en voor wie bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is afgezien van het arbeidsdeskundig onderzoek. Zij mogen in de laatste 5 jaar wel inkomsten in verband met arbeid hebben gehad. 2)Op 4 juli 2006 (05/6738 WWB) heeft de CRvB een uitspraak gedaan met betrekking tot het recht op langdurigheidstoeslag voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten zonder inkomsten uit arbeid. De CRvB oordeelt dat het onderscheid dat bij de langdurigheidstoeslag wordt gemaakt tussen bijstandsgerechtigden en personen met een gedeeltelijke WAO-uitkering geen stand houdt, omdat het voor een gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet makkelijker is om daadwerkelijk (betaalde) arbeid te verwerven dan voor personen ten aanzien van wie geen gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid is vastgesteld. De consequentie van deze uitspraak is dat iedere gedeeltelijk arbeidsgeschikte zonder inkomsten uit arbeiddie voldoet aan de overige voorwaarden recht heeft op langdurigheidstoeslag. 2)Voorbeeld 1 2)Jan is sinds 1 januari 2005 voor 50% afgekeurd. Voor de andere 50% ontvangt Jan een WW-uitkering van € 500,00. Hierdoor heeft Jan geen recht op een langdurigheidstoeslag. 2)Voorbeeld 2 2)Bert is voor 70% afgekeurd. Op 1 november 2006 vraagt Bert een langdurigheidstoeslag aan. Tot 2)1 januari 2002 ontving Bert een WW-uitkering van € 300,00 per maand en vervolgens een bijstandsuitkering. Bert solliciteert voldoende en werkt goed mee met het reïntegratiebureau. Bert heeft recht op een langdurigheidstoeslag, want zijn inkomsten in de laatste 60 maanden waren in totaal € 600,00 en dit is lager dan de vastgestelde inkomensgrens. 2)Geen recht 2)Personen met een gehele of gedeeltelijke WW uitkering komen niet in aanmerking, omdat zij wel een arbeidsperspectief hebben. Degenen die geheel of parttime werken en een uitkering hebben komen dus niet in aanmerking. 2)Personen die in de laatste 60 maanden als zelfstandige hebben gewerkt komen niet in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag, ongeacht hun inkomen. Voor deze personen geldt dat er sprake is arbeidsmarktperspectief. 2)Geringe inkomsten 2)Artikel 36 lid 1 onder b is per 1 januari 2006 gewijzigd. Deze wijziging is gepubliceerd in staatsblad 2006, 349 en geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2006. Voorheen mocht iemand in de laatste 60 maanden in het geheel geen inkomsten hebben gehad. Inmiddels is door de rijksoverheid bepaald dat personen die in de afgelopen 60 maanden slechts geringe inkomsten uit of in verband met arbeid hebben ontvangen ook recht kunnen hebben. Door het enkele feit dat de aanvrager of de partner bijvoorbeeld slechts een maand heeft gewerkt kan in redelijkheid niet worden beweerd dat deze personen een groter arbeidsmarktperspectief hebben dan personen die in het geheel geen inkomsten uit arbeid hebben verkregen. 2)De bepaling houdt in dat ook personen met zeer weinig inkomsten in de laatste 60 maanden recht kunnen hebben op de langdurigheidstoeslag. In feite gaat het erom dat in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief van de aanvrager. 2)De hoogte van de inkomensgrens is gelijk aan het dubbele van de premie die op jaarbasis verstrekt kan worden op grond van artikel 31 lid 2 onder o WWB. Wanneer de hoogte van de premievrijlating wijzigt, wordt ook de hoogte van de inkomensgrens voor de langdurigheidstoeslag gewijzigd. De inkomensgrens is voor elke gezinssituatie (alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden samenwonenden) gelijk. 2)Voorbeeld 1 2)Ed is getrouwd met Bep. Door omstandigheden ontvangen zij vanaf 1 januari 1990 een bijstandsuitkering. Diverse pogingen om aan het werk te komen en te blijven zijn op niets uitgelopen. Dit komt omdat Ed en Bep veel last hebben van hun rug en daardoor het werk niet vol kunnen houden. Op 1 november 2007 vragen zij de langdurigheidstoeslag aan. 2)Uit de administratie blijkt dat Ed in 2004 vier maanden bij een snackbar heeft gewerkt. In totaal heeft Ed hiermee € 1200,00 verdiend. In dezelfde periode heeft Bep bij dezelfde snackbar schoonmaakwerk verricht. Hiermee heeft Bep € 1040,00 verdiend. Er bestaat nu geen recht op een langdurigheidstoeslag. Want in de afgelopen 60 maanden hebben Ed en Bep € 2.240,00 verdiend. De aanvraag moet nu worden afgewezen. 2)Voorbeeld 2 2)Gerda vraagt op 1 november 2007 de langdurigheidstoeslag aan. Uit de administratie blijkt dat Gerda heeft gewerkt. In augustus 2003 heeft zij € 500,00 verdiend. In juli 2004 verdient zij € 400,00. In oktober 2006 heeft zij € 100,00 verdiend. Hierdoor heeft Gerda recht op de langdurigheidstoeslag. 2)De beoordeling van uitstroom activiteiten 2)Bij de beoordeling of iemand voor een LTS in aanmerking komt moet onder andere worden onderzocht of deze persoon voldoende heeft gedaan om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden. Uit dossier onderzoek bij klanten blijkt of zij aan dit vereiste hebben voldaan. Onderzocht dient te worden of aan de aanvrager een maatregel is opgelegd gedurende de 60 maanden voor de aanvraag. Indien een maatregel uit de 2e of een hogere categorie gedurende de 60 maanden periode is opgelegd wegens het niet voldoen aan de verplichtingen gericht op uitstroom dan komt de aanvrager niet in aanmerking voor een LTS (voor de categorie indeling zie de afstemmingsverordening). 2)Indien de LTS wordt geweigerd op grond van een opgelegde maatregel dan kan de aanvrager niet eerder dan 12 maanden na de peildatum een nieuwe aanvraag voor een LTS indienen. In de afwijzingsbeschikking dient opgenomen te worden dat niet eerder dan 12 maanden na peildatum een nieuwe aanvraag kan worden ingediend. 2)Bij een nieuwe aanvraag na 12 maanden kan de eerdere maatregel niet opnieuw van invloed zijn op het vast te stellen recht. Een maatregel kan dus maar één keer van invloed zijn bij de bepaling of de aanvrager in aanmerking komt voor de LTS. Opnieuw wordt bekeken of de aanvrager voldoet aan zijn uitstroomverplichtingen en alleen de eventueel nieuw opgelegde maatregelen kunnen zorgen voor afwijzing van de “nieuwe” aanvraag. 2)Voor personen met een WAO,WAJONG of WAZ uitkering dient voor het onderzoek informatie te worden aangevraagd bij het UWV/SVB. 2)Bij NUGGERS (niet uitkeringsgerechtigden) en Anw-ers is het veel moeilijker te beoordelen of zij voldoende inspanning hebben geleverd om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en behouden. Er wordt een eenvoudige gedragslijn gehanteerd teneinde te bepalen of deze groepen voldoende hebben gestreefd algemeen geaccepteerde arbeid te bemachtigen en aanvaarden. 2)Individuele beoordeling zal per aanvraag moeten plaats vinden en voldaan moet worden aan de minimum voorwaarden dat aanvrager(
  3. s)staan ingeschreven bij het CWI en sollicitatie activiteiten over een langere periode kunnen aantonen. 2)Een onderbreking van de 60 maanden periode 2)Om diverse redenen kan de periode van 60 maanden worden “onderbroken”. Niet in alle gevallen betekent dit dat er geen recht op een LTS bestaat. In aan aantal gevallen bepaalt de gemeente of de aanvrager al dan niet in aanmerking komt voor de toeslag. 2)Onderbreking Detentie 2)Ten aanzien van een onderbreking in verband met detentie moet worden bedacht dat een periode van detentie niet kan worden gerekend tot een periode waarin sociale verzekeringsrechten worden opgebouwd. De peildatum schuift op met de periode van detentie. Dit betekent dus dat iemand die gedurende de 60 maanden periode 6 maanden in detentie heeft verbleven pas recht heeft op de LTS na 60 + 6 maanden. 2)Onderbreking t.g.v. overschrijden van de maximale vakantieperiode 2)Indien klanten langer wegblijven dan de maximaal toegestane vakantietermijn dan betekent dit niet dat klanten daarmee automatisch hun recht op de LTS verspelen. Afhankelijk van de termijn van overschrijding van de vakantieduur schuift wel de peildatum op. Indien klanten langer dan één maand boven op de toegestane periode weg blijven dan schuift de peildatum op met de periode dat de toegestane vakantietermijn wordt overschreden (1 maand of meer). Indien klanten korter dan een maand, de toegestane vakantieperiode overschrijden dan heeft dit geen gevolgen voor het vaststellen van de peildatum. 2)Studie en een minimuminkomen 2)Indien een klant in de 60 maanden voor de aanvraag een deeltijd studie heeft doorlopen in het kader van een uitstroomtraject, dan heeft dit in principe geen gevolgen voor het recht op LTS. Overige aanvragers die een studie volgen of hebben gevolgd in de afgelopen 60 maanden waarvoor zij studiefinanciering dan wel een andere studiebeurs hebben ontvangen hebben geen recht op de LTS omdat zij tijdens de studie niet beschikbaar zijn geweest voor arbeid. 2)Vrijwilligerswerk 2)Vrijwilligerswerk is geen belemmering voor het recht op een LTS. De vrijwilligersvergoeding wordt niet beschouwd als inkomen uit of in verband met arbeid. Aanvrager komt daarom in aanmerking voor de LTS indien wordt voldaan aan alle voorwaarden. 2)Wijziging van leefvorm 2)Bij gehuwden dient voor beiden te worden onderzocht of er inkomsten uit of in verband met arbeid zijn ontvangen. Indien dit zo is bestaat er geen recht op een LTS. Indien de aanvrager gedurende de 60 maanden periode wijzigt van leefvorm. Bijvoorbeeld van alleenstaande naar gehuwde leefvorm dan zal ook gekeken moeten worden naar de partners recht op de LTS. Deze moet ook voldoen aan de gestelde voorwaarden. Indien de aanvrager van gehuwde naar alleenstaande leefvorm gaat zal ook de periode dat de partner nog aanwezig was voldaan moeten zijn aan de voorwaarden. 2)Dus indien de partner in die tijd inkomen uit of in verband met arbeid heeft gehad dan komt de aanvrager niet in aanmerking voor een LTS. 2)Terugvordering van de LTS 2)De terugvorderingbepalingen zoals opgenomen in de notitie terugvordering gebaseerd op de artikelen 58, 59, en 60 WWB zijn van toepassing op de LTS. 2)Beslag 2)De langdurigheidstoeslag is vatbaar voor beslag. Hiervoor geldt wel dat in de kennisgeving gericht aan de beslaglegger moet staan vermeld dat het gelegd beslag ook geldt voor een eventueel toe te kennen langdurigheidstoeslag. Zie ook de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2006, nr. 05/926 WWB. De cliënt moet hiervan tevens op de hoogte worden gebracht bij de beslaglegging. Is dit niet het geval, dan kan de langdurigheidstoeslag worden uitbetaald. Middelen Inkomen vaststellen over langere periode dan kalendermaand Artikel 45 van de WWB bepaalt dat de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld. Het college kan besluiten de algemene bijstand over een langere periode vast te stellen voorzover het patroon van de inkomstenverwerving en de hoogte daarvan daartoe aanleiding geeft. Dit is bijvoorbeeld het geval als er sprake is van inkomsten uit freelance werk, waarbij elke drie maanden een groter bedrag in eens wordt uitbetaald. De uitkering wordt dan niet 2 maanden uitbetaald en 1 maand beëindigd, maar de algemene bijstand wordt dan over drie maanden vastgesteld. Het moet wel duidelijk zijn dat betrokkene geen zelfstandige is en een beroep op de BBZ (als voorliggende voorziening) kan doen. Verder moeten de totale inkomsten lager zijn dan de uitkering. Het is mogelijk dat de uitkering wordt beëindigd. Als duidelijk is dat de uitkering over een langer periode dan een kalendermaand wordt vastgesteld, moet betrokkene hierover een beschikking krijgen. Betrokkene moet namelijk in de gelegenheid worden gesteld, zijn uitgavenpatroon aan te passen. Ook als betrokkene tussen twee bijstandsperiodes in gedurende een korte periode een relatief hoog inkomen heeft verworven, kan hiermee rekening worden gehouden. De bijstand kan dan geweigerd worden of op een later tijdstip worden toegekend. Een voorbeeld is de kerstbomenverkoper die in december in korte tijd een hoog inkomen verwerft, waarmee hij langere tijd in zijn levensonderhoud kan voorzien. Als deze in januari een aanvraag indient kan de ingangsdatum van de bijstand naar achteren worden geschoven, afhankelijk van de hoogte van de totale inkomsten. Inkomen uit verhuur, onderhuur en kostgangers Op grond van artikel 27 WWB leidt het delen van een woning met anderen tot een lagere toeslag voor een alleenstaande (ouder) of tot een verlaging voor gehuwden. Zijn er echter in totaal drie of meer kostgangers en/of kamerhuurders dan kan waarschijnlijk worden aangenomen dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten en dat er geen recht op reguliere bijstand bestaat. Mogelijk komt de betrokkene dan wel in aanmerking voor uitkering op grond van het Bbz 2004. NB: ondanks het feit dat er bij drie of meer kamerhuurders of kostgangers in de praktijk van kan worden uit gegaan dat er geen recht op bijstand bestaat wegens bedrijfsmatige activiteiten, moet een en ander wel onderzocht worden. Volgt hieruit dat er toch recht op bijstand bestaat dan kan er bijvoorbeeld voor gekozen worden om de belanghebbende bij wijze van individualisering de maximale toeslag toe te kennen en vervolgens (een deel van) de inkomsten uit het verhuren van kamers en/of het hebben van kostgangers te korten op de bijstand. Als er sprake is van één onderhuurder of kostganger dan moet er een onderzoek worden gedaan of er sprake is van samenwoning. Als er sprake is van verstrengeling van de financiën en/of de kostganger/onderhuurder verhuist mee naar een nieuwe woning dan is dat een aanwijzing voor samenwoning. Fictief inkomen De hoofdregel is dat alleen werkelijke inkomsten in aanmerking worden genomen. Er zijn echter een aantal gevallen waarin rekening kan worden gehouden met een fictief inkomen. De bekendste voorbeelden zijn, ´vrijwillig´ werken bij een familielid en de hennepkwekerij. Als duidelijk is dat er daadwerkelijk op geld waardeerbare werkzaamheden zijn verricht, moet worden bepaald hoe hoog het inkomen is geweest. Er wordt bij het bepalen van de hoogte van de inkomsten uitgegaan van het referentieloon (CAO loon dat hoort bij het soort werk dat is verricht). Als het referentieloon geen uitkomst biedt, kan gekeken worden naar het minimumloon of worden de inkomsten redelijkerwijs geschat. Zie voor een toelichting het handboek. Vermogensvaststelling Bij het vaststellen van het vermogen wordt rekening gehouden met alle vermogensbestanddelen die op naam van betrokkene staan en waar betrokkene dus redelijkerwijs over kan beschikken. Het is aan betrokkene zelf om het tegendeel te bewijzen. Het gaat dan om tegoeden op (gezamenlijke bankrekeningen en roerende zaken. Schulden Het bestaan van de schulden moet feitelijk aannemelijk worden gemaakt en er moet een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling te bestaan. Als de verplichting tot terugbetaling nog niet duidelijk vaststaat (zoals bij schuld studiefinanciering of bij niet officiële leningen/schulden) kan de schuld niet worden meegenomen bij de vermogensvaststelling. Uit jurisprudentie blijkt dat bij de volgende situaties de schuld niet aannemelijk is gemaakt: onmiddellijke opeisbaarheid CRvB 30 november 1999, nr. 98/2393 ABW, JABW 2000/34; aflossen schuld als de schuldnemer een mogelijkheid heeft tot aflossing (de aflossing is nog niet zeker) CRvB 7 maart 2000, nr. 98/3752, JABW 2000/65; studieschuld, de aflossing kan op nihil worden gezet bij onvoldoende draagkracht CRvB 2 mei 2000, nr. 98/3592 NABW USZ 2000/170; Interen vermogen Het uitgangspunt is om bij het bereken van een “verantwoorde” intering van het vermogen uit te gaan van een levensstandaard van 1,5 keer de bijstandsnorm, waarbij apart nog rekening kan worden gehouden met het ontbreken van de zorgtoeslag. Als er sprake is van intrekking van de uitkering wegens verzwegen vermogen, wordt er geen rekening gehouden met deze ruimere norm. Auto Als de waarde van een motorvoertuig lager is dan € 3.000,00 dan wordt de auto niet meegenomen in de vermogensberekening. Motorvoertuigen van 7 jaar en ouder worden geacht minder waard te zijn dan € 3.000,00. Is de waarde van het motorvoertuig hoger dan telt de gehele waarde van het motorvoertuig mee voor de vermogensvaststelling. Het is mogelijk dat een auto niet op naam van betrokkene staat en toch tot het vermogen kan worden gerekend, als betrokkene feitelijk over de auto beschikt. (artikel 34 WWB) Giften Giften worden bij het vaststellen van de bijstand buiten beschouwing gelaten, voor zover dit uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoordt kan worden geacht. Een éénmalige gift tot de voor betrokkene geldende uitkeringsnorm (maandnorm+ toeslag), kan vrijgelaten worden. Éénmalige giften boven de voor betrokkene geldende norm worden niet buiten beschouwing gelaten. Hierbij moet bezien worden of het vermogen moet worden aangepast. De bestemming van de gift kan er toe leiden dat er uitzonderingen mogelijk zijn. Als de gift bestemd is voor kosten die in de algemene bijstand begrepen zijn, dan kan dit niet vrijgelaten worden. (artikel 31 lid 2 onder
  4. m)Smartengeld en schadevergoeding Een uitkering in verband met geleden materiële/immateriële schade wordt voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is, niet gerekend tot de middelen. Het is niet redelijk om een uitkering voor geleden materiële /immateriële schade geheel als middelen in aanmerking te nemen. Dit zou betekenen dat betrokkene geen compensatie zou kunnen krijgen voor geleden schade. Echter de hoogte kan dusdanig zijn dat het niet meer in overeenstemming is met de bijstandswet als minimumvoorziening. Het dient onomstotelijk vast te staan dat het een vergoeding voor materiële/immateriële schade betreft ( het mag geen materiële schadevergoeding voor gederfde inkomsten zijn). Er dient gedegen onderzoek te worden gedaan naar het doel van de vergoeding. (Artikel 31, lid 2 sub l en sub m WWB en Regeling WWB, artikel 7 en Jurisprudentie: CRvB 16 januari 2001, 99/ 4815 NABW, JABW 2001/41, CRvB 6 juli 1999 97/5510 ABW USZ 1999/253) Psychiatrisch ziekenhuis of een andere inrichting op grond van artikel 8 AWBZ Voorschot Aan cliënten van die in een inrichting, zoals “t Ronde Sant, Delta, Filadelfia, en Philadelphia Portland kan in de eerste vier weken na de aanvraag geen voorschot verstrekt worden. Er is immers geen sprake van broodnood. Een voorschot kan dan alleen verstrekt worden als de cliënt niet de beschikking heeft over een geldig legitimatiebewijs. Het voorschot moet gebruikt worden om een geldig legitimatiebewijs aan te schaffen. In overleg met en op verzoek van de maatschappelijk werker is een klein voorschot van maximaal € 50,00 mogelijk om de cliënt “rustig” te houden. op verzoek van het maatschappelijk werk in Delta psychiatrisch ziekenhuis is er voor gekozen om een extra voorschot te geven omdat in de praktijk het kunnen kopen van een pakje sigaretten kalmerend werkt voor deze categorie cliënten. Aanvraag De bijstandsaanvraag komt schriftelijk binnen: de cliënt, de maatschappelijk werker of de Stichting patiëntengelden (specifiek voor Delta) stuurt de aanvraag naar het Gemeentelijk Service Centrum. De volgende gegevens moeten in ieder geval overlegd worden: ·Inschrijving in het bevolkingsregister; Het is van groot belang dat betrokkene op het juiste adres en in de juiste gemeente staat ingeschreven in de GBA. De wetgever is hier zeer strikt in. Gezien het feit dat het hier een doelgroep betreft die zelf moeilijk in staat is dit te regelen, is afgesproken dat betrokkene via een medewerker van de inrichting op het adres van de inrichting wordt ingeschreven. De inschrijvingsdatum van de uitkering kan in principe niet voor de datum van inschrijving in de gemeente liggen; Nota Bene: als betrokkene elders nog huisvesting heeft en dus in de desbetreffende gemeente staat ingeschreven, heeft betrokkene mogelijk in het geheel geen recht op uitkering. Ook kan het geval zich voordoen dat betrokkene 4 dagen in een andere gemeente woont en 3 dagen in de inrichting. In dat geval kan de gemeente van inschrijving betrokkene een aangepaste norm verstrekken. De bijstandsaanvraag wordt dan doorgezonden naar de desbetreffende gemeente Aanvraagformulier (met handtekening, bij hoge uitzondering ambtshalve); Inlichtingenformulier (met handtekening, bij hoge uitzondering ambtshalve); Geldig legitimatiebewijs; Bij het aanvragen van een uitkering is de Wet op de Identificatieplicht van toepassing. De cliënt en eventuele partner dienen een geldig legitimatiebewijs te overhandigen. Als betrokkene geen geldig legitimatiebewijs heeft, krijgt hij nog 2 maanden na ingangsdatum van de uitkering gelegenheid alsnog een legitimatiebewijs aan te schaffen. Mocht betrokkene niet mee willen werken, dan is contact tussen de maatschappelijk werker en de consulent nodig. Het is mogelijk voor de aanschaf van een identiteitsbewijs een voorschot te verstrekken. BSN nummer (indien vermeld op legitimatiebewijs is dit voldoende); Beëindiging beschikking vorige gemeente; In ieder geval is telefonische verificatie van de beëindiging datum noodzakelijk. Zomogelijk bankafschriften vorige 3 maanden, in ieder geval het laatste bankafschrift; Bewijs overige inkomsten (indien van toepassing); Het gaat hier vooral om inkomsten uit WAO, Wajong, ZW, loondoorbetaling door werkgever, alimentatie. Bij inkomsten uit WAO en Wajong en ZW navragen of er recht is op Toeslagenwet. In ieder geval controle via Suwinet nodig. Ontslag bewijs detentie (indien van toepassing); Gegevens zelfstandige woonruimte; Het is van groot belang te weten of betrokkene elders nog over woonruimte beschikt. Als betrokkene in een andere gemeente over woonruimte beschikt, moet bezien worden of betrokkene wel in aanmerking komt voor een uitkering in de gemeente. Betrokkene komt alleen in aanmerking als er sprake is van domicilie (daar waar je woonstede zich bevindt) in de gemeente. Dit hoeft niet te betekenen dat betrokkene ook in de gemeente woont. Het verblijf in de inrichting betekent niet automatisch dat er sprake is van domicilie. Het begrip domicilie (of woonstede) komt uit het Burgerlijk Wetboek en brengt onder andere tot uitdrukking dat het moet gaan om een bestendig en vooropgezet verblijf in de gemeente. Het enkel vertoeven in de gemeente valt daar niet onder. Iemand verliest zijn domicilie pas indien zijn wil daartoe uit daden blijkt. Voor wijziging van domicilie zijn aanvullende daden nodig, zoals het opzeggen van de woonruimte in een gemeente en het zich laten uitschrijven uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA, bevolkingsregister) van die gemeente. Cliënten die tijdelijk in de inrichting verblijven, moeten in de eigen gemeente een aanvraag indienen. Pas als duidelijk is dat betrokkene definitief in de inrichting zal gaan verblijven, kan een uitkering worden verstrekt. Als betrokkene een alleenstaande zwervende was of langere tijd in detentie heeft gezeten, voor opname in de inrichting, kan een uitkering worden verstrekt, aangezien het dan niet aannemelijk is dat betrokkene nog huisvesting elders heeft. Mocht het zo zijn dat betrokkene een WWB uitkering, een andere uitkering of inkomsten had voor opname in de inrichting, dan moet altijd in de vorige gemeente worden nagevraagd of betrokkene daar nog huisvesting heeft. ·Achtergrond gegevens van cliënt; Het is van belang iets te weten over de achtergrond van de cliënt. Vooral is van belang waar hij vandaan komt, wat voor inkomsten er waren en hoe lang hij, bij benadering, in de inrichting moet verblijven. Daarnaast kan een korte globale ziektegeschiedenis van belang zijn. Dit is van belang als de maatschappelijk werker een verzoek doet voor een afwijkende ingangsdatum. Dit moet gemotiveerd worden. Het simpele feit dat betrokkene in de inrichting verblijft, is dan niet voldoende. De consulent moet proberen te achterhalen of de aanvraag voor een afwijkende ingangsdatum het gevolg is van de ziekte van de cliënt of een ontoereikende begeleiding door de inrichting. In het laatste geval wordt de ingangsdatum niet aangepast. Hoogte uitkering bij deelverlof Indien iemand is opgenomen in een inrichting wordt er een zak- en kleedgeld vergoeding verstrekt. Er wordt naar gestreefd zo dicht mogelijk bij de daadwerkelijke situatie aan te sluiten waarin betrokkene verkeert. Het komt voor dat betrokkene, als onderdeel van de therapie, een aantal dagen (meestal 2 dagen van het weekend) per week elders verblijft. Bij verblijf van 4 dagen of meer buiten de gemeente wordt de uitkering beëindigd en overgedragen aan de andere gemeente. Het is verstandig contact op te nemen met deze gemeente om het dossier toe te lichten en over te dragen; Bij verblijf van 1,2 of 3 dagen buiten de inrichting, dit kan zowel binnen als buiten de gemeente zijn, wordt de norm aangepast. bv 5 dagen in inrichting, 2 dagen geheel zelfstandig wonend 5/7 WWB zak- en kleedgeld 2/7 norm WWB 2/7 toeslag 20% bv 5 dagen in inrichting, 2 dagen inwonend of met meerdere mensen de kosten delend 5/7 WWB zak- en kleedgeld 2/7 norm WWB 2/7 toeslag 10% Bijzondere Bijstand voor reguliere huisvesting in het kader van het resocialisatie proces Als betrokkene tijdelijk een woning huurt middels een woningbouwvereniging met recht op huurtoeslag, bestaat de mogelijkheid om betrokkene bijzondere bijstand om niet te verstrekken. De bijzondere bijstand wordt verstrekt naar rato van het aantal dagen dat betrokkene in de woning verblijft. Dit kan tijdelijk als betrokkene buiten de gemeente een huis huurt. De bijzondere bijstand wordt dan verstrekt voor: De huur (minus huurtoeslag); Vastrecht energiekosten; Water. De overige kosten (zoals verzekering, voorschot energiekosten) dient betrokkene uit de norm te betalen. Aangezien het resocialisatieproces een tijdelijk karakter heeft, wordt de bijzondere bijstand maximaal 6 maanden verstrekt (met een verlenging van 6 maanden bij uiterste noodzaak). Als er sprake is van kamerhuur wordt de bijzondere bijstand individueel bezien. Er moet sprake zijn van een gelijkwaardige situatie met degene die een woning huurt via de woningbouwvereniging. Verlofkostenvergoeding Om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de daadwerkelijke situatie van de cliënt, is het mogelijk een verlofkostenvergoeding te verstrekken in gevolge de WWB. De verlofkostenvergoeding wordt over het algemeen verstrekt aan cliënten die af ten toe met verlof gaan. Dit kan een weekendverlof zijn, maar ook 1 of twee dagen gedurende de week. Deze cliënten ontvangen over het algemeen een WAO uitkering. Dit kan ook een andere uitkering betreffen bijvoorbeeld de Wajong. De WAO bedraagt over het algemeen meer dan de zak- en kleedgeld vergoeding. Hiermee moet dus rekening worden gehouden. Het meer inkomen dient als eerste (100%) aangewend te worden. Indien er sprake is van een zak- en kleedgeldvergoeding wordt het verschil genomen tussen de dagnorm zak- en kleedgeld en de van toepassing zijnde norm waarin iemand op dat moment recht zou hebben. De verlofkostenvergoeding wordt inclusief vakantietoeslag berekend en uitgekeerd. De verlofdagen worden achteraf overhandigd door de Stichting patiëntengelden (per kwartaal). Pas op dat moment kan er tot uitbetaling worden overgegaan. Een mogelijk verschil in zorgtoeslag wordt op de inkomsten uit WAO in mindering gebracht. Voorbeeld WAO uitkering inclusief vakantiegeld € 300,00 WWB zak- en kleedgeld inclusief vakantiegeld € 241,63 - Meerinkomen uit WAO € 58,37 Minus verschil zorgtoeslag € 14,90 - Aan te wenden meerinkomen € 43,47 per maand Alleenstaande die gedurende de dagen dat deze buiten Delta verblijft de kosten kan delen. WWB norm per dag (maand: 30,5) € 18,03 Toeslag 10% per dag € 7,21 + € 25,24 Zak- en kleedgeld per dag € 7,92 - Verlofkostenvergoeding € 17,32 per dag Betrokkene heeft 4 dagen in de maand verlof, dan is de verlofkostenvergoeding: 4 x € 17,32 = € 69,28 - € 43,47 meerinkomen = € 25,81. Tijdelijk verblijf in de inrichting Als betrokkene een normale WWB uitkering krijgt en tijdelijk in een inrichting verblijft, hoeft de bijstand niet beëindigd te worden. Een verblijf van 6 maanden kan als tijdelijk beschouwd worden. Daarna moet bezien worden, wat de intentie van betrokkene is. Hierbij moet gekeken worden naar eventueel opzeggen huur enz. ·Normaanpassing Wordt bijstand verleend in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dan wordt bij opneming in een ziekenhuis of andere soortgelijke inrichting niet onmiddellijk tot aanpassing (verlaging) van de bijstandsnorm overgegaan. De volgende richtlijnen gelden terzake: Is er sprake van een eigen huishouding/huisvesting, dan wordt tot en met de laatste dag van de 2e maand volgend op de maand van opneming, de voordien uitbetaalde bijstandsuitkering gehandhaafd. Is er geen sprake van een eigen huishouding/huisvesting, dan vindt de onder 1. bedoelde handhaving plaats tot en met de laatste dag van de 1e maand na die van de opneming; Na afloop van de onder 1. en 2. bedoelde perioden komt betrokkene in principe in aanmerking voor de norm zak- en kleedgeld. Indien noodzakelijk kan gedurende in beginsel een periode van zes maanden, daarnaast bijzondere bijstand worden verleend in de vaste woonlasten. Het gaat hier om de kosten voor huur, gas/licht en water. Het is ook mogelijk dat betrokkene een aantal dagen per week thuis en een aantal dagen per week in een ziekenhuis of inrichting verblijft. De bijstandsnorm wordt dan naar rato vastgesteld uitgaande van de gewone bijstandsnorm en de norm zak- en kleedgeld. Mocht betrokkene dan definitief worden opgenomen in het ziekenhuis of inrichting, dan wordt alleen de norm zak- en kleedgeld verstrekt. Bij andere vormen van afwezigheid dient individueel de noodzaak van (verdere) bijstandsverlening te worden bepaald. Project Woon Zorg Werk (Laurenshof) Rotterdam fungeert als centrumgemeente voor de Maatschappelijke Opvang voor de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk, Capelle en Krimpen en Rotterdam zelf. Een van de projecten voor maatschappelijke opvang is een voorziening voor wonen, zorg en werk in Delta. De voorziening is bedoeld voor cliënten die langdurig ( een jaar of langer) zorg en een woonvoorziening nodig hebben ivm psychische en/of verslavingsproblematiek. Het doel is de cliënten in eerste instantie te stabiliseren betreffende hun inkomen, woonruimte, schuldhulpverlening en verslaving. Daarna wordt bezien of ze alsnog geactiveerd kunnen worden. Mogelijk op termijn ook naar “werk”, bijvoorbeeld plantsoenendienst. Voor alle cliënten zal per persoon bekeken worden wat het hoogst haalbare is, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de meerderheid permanent in Delta zal blijven, maar uitstroom naar de maatschappij zal wel het streven zijn. De cliënten hebben een AWBZ indicatie en worden in Rotterdam gescreend door de Traject Toewijzing Commissie (TTC). Voorwaarden voor toelating zijn: legale status; 23 jaar of ouder; regiobinding. Cliënten doen in principe vrijwillig mee aan het project (er is geen sprake van gedwongen opname) echter er is wel sprake van bemoeizorg. Cliënten worden wel gevolgd en zonodig weer terugbezorgd. In principe heeft ongeveer 90% een uitkering via SWZ Rotterdam. Mogelijk zijn er nog mensen met een WIA/Wajong uitkering of personen die net uit detentie komen. Voorwaarden uitkering Inschrijving op het adres van Delta; Traject duurt 12 maanden of langer (geldt in principe voor deze doelgroep); Bewijsstuk dat ze tot deze specifieke doelgroep behoren; Normale eisen betreffende hoogte voorliggende voorziening, inkomen en vermogen; Geldig legitimatiebewijs (eventueel voorschot na aanvraag mogelijk); Aanvraagprocedure De aanvragen volgen de normale schriftelijke procedure via het maatschappelijk werk van Delta. De maatschappelijk werker in Delta meldt de cliënt aan bij de afdeling Publiekszaken in Albrandswaard voor inschrijving bij de gemeente Albrandswaard op het adres van Delta. De maatschappelijk werker in Delta stuurt het inlichtingenformulier voor het vragen van de uitkering op naar de consulent in de gemeente Ridderkerk. De maatschappelijk werker in Delta geeft op het formulier aan dat het een cliënt voor de WZW betreft en een contactpersoon bij SZW Rotterdam (voor zover deze een gestructureerde uitkering in Rotterdam heeft). SZW zorgt nadat er met hen contact op is genomen voor overdracht van het dossier (zo mogelijk kopie legitimatiebewijs en bankafschriften) naar het samenwerkingsverband Ridderkerk Albrandswaard. SZW zorgt ervoor dat eventueel restant van de uitkering via Delta gefaseerd wordt uitbetaald, ter overbrugging tot eerste uitbetaling door Albrandswaard Het samenwerkingsverband Ridderkerk Albrandswaard zorgt ervoor dat de uitkering zo spoedig mogelijk wordt toegekend. Inmiddels is een voorschot na 4 weken wettelijk verplicht. Betrokkene kan bij aanvraag zonodig een voorschot van € 50,00 krijgen. Het doel hiervan is de motivatie van de cliënt voor het project zo hoog mogelijk te maken en overlast in en voor de beide gemeenten zoveel mogelijk te beperken. De schuldhulpverlening wordt door de GKB te Rotterdam uitgevoerd en wordt door de gemeente Rotterdam betaald. ISD trajecten (Delta of Filadelfia) In het kader van hetBesluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid (ISD maatregel met traject) kan iemand die in detentie verblijft, onder bepaalde omstandigheden een deel van het traject buiten de Penitentiaire inrichting (PI) volgen. Als betrokkene buiten de PI verblijft, bestaat er recht op bijstand. De PI in Hoogvliet (Rotterdam) heeft een aantal “cliënten” die voor dit traject in aanmerking komen. Deze worden geplaatst in de psychiatrische instelling in de gemeente Albrandswaard voor een verslavingszorg traject. De duur van de trajecten in de gemeente Albrandswaard varieert van 6 tot 12 maanden afhankelijk van de vooruitgang van de cliënt. Het kan echter ook 1 week zijn, als de cliënt recidiveert en direct weer bij de PI wordt afgeleverd. Op grond van artikel 40 WWB bestaat het recht op bijstand jegens de gemeente waar belanghebbende zijn woonplaats heeft, zoals gedefinieerd in artikel 10 en 11 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In het BW wordt woonplaats gedefinieerd als de woonstede en bij ontbreken van een woonstede het daadwerkelijke verblijf. De woonstede wijzigt als betrokkene een wilsuiting doet, om zijn woonstede te wijzigen. Op grond van artikel 40 WWB dient betrokkene de inschrijving in het GBA aan te passen aan zijn daadwerkelijk verblijf. Voor bovengenoemde cliënten is dit niet mogelijk, omdat zij op grond van een strafrechtelijke maatregel ingeschreven moeten staan op het adres van de gevangenis. De woonstede is de gemeente van herkomst, tenzij betrokkene al langere tijd zwervende was. In dat geval is er geen sprake van een woonstede. De werkelijke verblijfplaats is dan het criterium. Als betrokkene beschouwd moet worden als iemand zonder vaste woon en verblijfplaats is de gemeente Albrandswaard verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag, omdat dan uitgegaan moet worden van de feitelijke verblijfplaats. Met de gemeente Rotterdam zijn aparte afspraken gemaakt. Rotterdamse gedetineerden blijven onder verantwoordelijkheid van de gemeente Rotterdam vallen voor zowel uitkering als schuldhulpverlening. Cliënten uit andere gemeenten die aan de voorwaarden voldoen kunnen wel een uitkering aanvragen. De Nok en Filadelfia De bewoners van pension de Nok in Rotterdam die tijdelijk in Albrandswaard bij Filadelfia (locatie Dorpsdijk) worden opgevangen, kunnen geen aanspraak maken op een uitkering in de gemeente Albrandswaard. Met de gemeente Rotterdam is afgesproken dat deze cliënten daar een uitkering kunnen aanvragen. (artikel 18 lid 1 norm afstemmen op situatie, artikel 40 en 42 WWB betreffen domicilie, artikel 43 WWB vaststellen op aanvraag) Reïntegratie Verplichtingen van de cliënt Arbeidsverplichting In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht op een uitkering. De belangrijkste verplichting is aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Snelle duurzame uitstroom uit de uitkering blijft het hoofddoel, maar de gemeente kan bij de invulling van het begrip “algemeen geaccepteerde arbeid” op individueel niveau rekening houden met de persoonlijke situatie van betrokkene. Er zijn bij verschillende reïntegratiebedrijven trajecten ingekocht, waardoor voor elke cliënt een gepast traject mogelijk is. Betrokkene is verplicht van een aangeboden voorziening gebruik te maken. Onder een voorziening die betrokkene als verplichting kan worden opgelegd wordt in ieder geval verstaan: Begeleiding door een reïntegratiebureau; Scholing; Werkstage of werkervaringsplaats; Betaalde arbeid waarvoor loonkostensubsidie wordt verstrekt; Begeleiding (op advies van het IMK) in het kader van BBZ traject; Sociale activering als er (ook op lange) termijn uitzicht is op werk. Als er helemaal geen uitzicht op werk is c.q. betrokkene is volledig vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen, kan sociale activering niet verplicht worden opgelegd. Workfirst instrumenten Participatieplaatsen Schuldhulpverlening Een verlaging van de uitkering is voor personen zonder uitkering, ANW-ers en personen in gesubsidieerde arbeid niet van toepassing. Daarom is de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de gemeente (een deel van) de kosten die gemaakt zijn, kan terugvorderen op grond van het Burgerlijk Wetboek. Het college heeft de bevoegdheid om aan een voorziening nadere verplichtingen te verbinden. De consulent kan de volgende zaken, naast of ter verduidelijking van de al in de reïntegratie - en afstemmingsverordening genoemde verplichtingen, als verplichting opleggen: De cliënt wordt gedurende het traject op gezette tijden opgeroepen om de voortgang van het traject te bespreken; De cliënt moet zich inschrijven bij diverse uitzendbureaus; De cliënt moet op gezette tijden een specifiek aantal sollicitaties overleggen; De cliënt tekent een trajectplan. Deze kan opgesteld worden door het reïntegratie bedrijf of door de consulent; De cliënt, die een NUG of ANW traject volgt, moet een overeenkomst tekenen die het de gemeente mogelijk maakt om de kosten terug te vorderen als betrokkene in gebreke blijft. De verplichtingen aan de WI verbonden, kunnen ook verplichtingen in het kader van het reïntegratie traject zijn; De cliënt moet zich zonodig laten behandelen of begeleiden door een arts, psycholoog of maatschappelijk werker; De cliënt moet meewerken aan een schuldhulpverleningstraject; Bovengenoemde verplichtingen kunnen ook worden opgelegd, in samenhang met een traject bij het reïntegratie bureau. Het is van groot belang om deze verplichtingen in de beschikking te vermelden, in verband met een verlaging van de uitkering. Ontheffing van de arbeidsverplichting Alleen als daarvoor zeer dringende redenen aanwezig zijn, kan er in individuele gevallen tijdelijk ontheffing worden gegeven van de arbeidsverplichting. De ontheffing van de arbeidsverplichting wordt jaarlijks opnieuw bezien. Cliënten waarvan duidelijk is dat ze echt nooit meer, in welke vorm dan ook, een verplichting opgelegd zullen krijgen, kunnen voor 5 jaar worden ontheven van de arbeidsverplichting. Cliënten die in een psychiatrisch ziekenhuis of gezinsvervangend tehuis wonen kunnen voor 10 jaar worden vrijgesteld van de arbeidsverplichting. ·Mantelzorg Bij het verrichten van mantelzorg zal er een individuele beoordeling gemaakt moeten worden in hoeverre de zorg redelijk is. Bij twijfel is er een medisch advies mogelijk waarbij wordt vastgesteld of er inderdaad sprake is van een “zorgbehoefte”, waarbij het niet mogelijk is om de zorg door een professionele instantie te laten verzorgen. Betrokkene moet gestimuleerd worden om de verstrekte zorg als arbeid uitbetaald te laten worden uit een persoongebonden budget. Met professionele instantie wordt bedoeld een verzorgingtehuis, een verpleegtehuis, een psychiatrische inrichting of tehuis voor personen met een verstandelijke beperking. Bij mantelzorg kan het gaan om kortdurende of langdurende zorg. Hiervoor kan op individuele basis worden bezien of een tijdelijke (gedeeltelijke) vrijstelling nodig is. Bij korte, acute, mantelzorg kan een vrijstelling van drie maanden worden gegeven. ·Medische belemmeringen Indien de klant aangeeft niet te kunnen werken i.v.m. medische/psychische omstandigheden moet er een medisch advies moeten worden opgevraagd. Bij de vraagstelling is het van belang om te laten onderzoeken wat de klant nog wel kan, wat er nodig is om weer arbeidsgeschikt te worden, de duur en de mate van arbeidsongeschiktheid. Ook als er belemmeringen zijn, kan cliënt naar de daarvoor geschikte reïntegratiebureaus worden verwezen, om te bepalen wat de mogelijkheden op uitstroom zijn. Als er een ontheffing van de arbeidsverplichting wordt gegeven zal dit altijd tijdelijk zijn. Afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en het medisch advies wordt er een termijn van ontheffing in de beschikking vastgelegd en indien van toepassing de voorwaarden die aan de klant zijn opgelegd ten einde belemmeringen weg te nemen. Indien mogelijk moet er gedacht worden aan een indicatie WSW. De indicatie WSW wordt afgegeven door het CWI. Doelgroepen Eén oudergezin met kind onder de 5 jaar of met een gehandicapt kind tot 18 jaar Het uitgangspunt is de trajectverplichting. Betrokkene moet zich gaan voorbereiden op het aanvaarden van werk, maar heeft nog geen verplichting om werk te aanvaarden. De cliënt moet aangemeld worden bij een reïntegratiebureau. Cliënt moet meewerken aan trainingen en scholing. Het kan gaan om kortdurende cursussen zoals o.a. leren solliciteren, arbeidsmarkt benadering, beroepen oriëntatie, computercursussen etc. Ook een langer durende opleiding (2 jaar) om een startkwalificatie te halen (MBO niveau 2) is mogelijk. De opleiding moet wel toe leiden naar een beroep waarmee betrokkene de arbeidskansen vergroot. Deze uitzondering op de arbeidsverplichting geldt ook voor de ouder met een gehandicapt kind tot 18 jaar. Er moet in dat geval wel sprake zijn van een handicap waardoor de ouder daadwerkelijk niet geheel aan de arbeidsverplichtingen kan voldoen. Het kind moet dan thuis dusdanige verzorging nodig hebben, dat een ouder voorlopig niet buitenshuis kan werken. Veel gehandicapte kinderen gaan naar school of dagopvang. In die gevallen kan er wel een (eventueel aangepaste) arbeidsverplichting worden opgelegd. Betrokkene wordt altijd aangemeld bij het reïntegratiebureau. Tijdens het traject kan er op beperkingen die cliënt aangeeft ingespeeld worden en zoveel mogelijk creatief uit de weg worden geruimd. Hiervoor kunnen ruimhartig voorzieningen verstrekt worden op het gebied van scholing, reiskosten in ruime zin en overige individuele voorzieningen zoals bijvoorbeeld een fiets. Eén ouder gezin met kind tussen 5 en 12 jaar Het uitgangspunt is begeleiding naar regulier werk, uitgaande van de mogelijkheden die de kandidaten hebben. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van passende kinderopvang (inclusief tussenschoolse en buitenschoolse opvang), de toepassing van voldoende scholing (zodat ook met een deeltijdbaan uitstroom uit de bijstand gerealiseerd kan worden) en de belastbaarheid van betrokkene. Bij het opleggen van de arbeidsverplichting wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van betrokkene. Dit kan er nooit toe leiden dat betrokkene op grond van de verzorging van het kind geheel wordt vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen. Een “deeltijd” arbeidsverplichting kan wel, als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet individueel bepaald worden. Het vertrekpunt blijft het opleggen van de arbeidsverplichtingen. Betrokkene wordt altijd aangemeld bij het reïntegratiebureau. Tijdens het traject kan er op beperkingen die cliënt aangeeft ingespeeld worden en zoveel mogelijk creatief uit de weg worden geruimd. Hiervoor kunnen ruimhartig voorzieningen verstrekt worden op het gebied van scholing, reiskosten in ruime zin en overige individuele voorzieningen zoals bijvoorbeeld een fiets. Cliënten van 45 jaar en ouder Uitstroom naar werk staat altijd voorop. Een traject moet er altijd eerst op gericht zijn om uitstroom naar reguliere of gesubsidieerde arbeid te bevorderen. Als na een traject blijkt dat, dat niet mogelijk is worden de mogelijkheden voorstructureel vrijwilligerswerk bezien. Als de mogelijkheden voor uitstroom naar werk gering zijn, maar betrokkene wel een arbeidsverplichting heeft, kan besloten worden om sociale activering als verplichting op te leggen en betrokkene een traject gericht op vrijwilligerswerk aan te bieden. Nugger/ANW (verplichte doelgroep) Voor deze groep worden afwijkende voorwaarden gesteld aan het traject. Bij de reïntegratie van Nuggers en ANW-ers is de gemeente vrij om het eigen beleid te bepalen. Wanneer het traject, om verwijtbare redenen niet wordt volbracht, zullen de kosten worden teruggevorderd. Hiervoor wordt een overeenkomst getekend. Het doel van het traject is uitstroom naar werk, gedurende minimaal 20 uur per week. Scholing is alleen bij zeer hoge uitzondering mogelijk. Het doel is immers zelfstandig (met eventuele inkomsten van de partner) in de eigen kosten van levensonderhoud te voorzien. Alle soorten werk zijn daarom als passend te beschouwen. Als er scholing wordt aangeboden, dan betreft het scholing op maximaal MBO niveau. Een voorziening wordt alleen aangeboden wanneer er sprake is van een gezinsinkomen van maximaal 1,5 x het wettelijk minimumloom per huishouden. Met betrokkene wordt een contract aangegaan, waarin de verplichtingen worden vastgelegd. Bij verwijtbaar handelen dat leidt tot beëindiging van de opleiding, zullen de door de gemeente gemaakte kosten worden teruggevorderd. Voor een jongere onder de 18 jaar is ook een Nugger traject mogelijk. Deze jongeren volgen een zorg/werktraject. De leerplichtambtenaar kan een jongere aanmelden bij de afdeling om schooluitval te voorkomen. In deze trajecten zal de nadruk eerder op terugkeer naar school liggen, dan op uitstroom naar werk. Een duaal (leer/werk) traject behoort ook tot de mogelijkheden. Als betrokkene niet meer naar school terug te motiveren is, dan volgt een traject richting werk. Voor deze groep geldt geen inkomenseis. Een cliënt die zich aanmeldt voor een Nugger/ANW traject moet zich bij het CWI melden. Betrokkene wordt daarna door de 2e lijnsgeneralist werk uitgenodigd om het contract te tekenen. Daarna kan betrokkene worden aangemeld bij het reintegratiebureau. Voorzieningen Een cliënt met een WWB, IOAW, IOAZ, uitkering heeft recht op: Begeleiding naar werk; Een voorziening gericht op uitstroom naar werk. Een voorziening kan ook in de vorm van scholing, reiskosten, kinderopvang worden aangeboden. Schuldhulpverlening De cliënt heeft niet het recht ondersteuning naar eigen keuze af te dwingen. Bij het opstellen van een traject kan de gemeente bepalen wat de meest doelmatige weg is om uitstroom te realiseren. Als een cliënt deels een WIA/WW/Wajong/WAZ/WAO uitkering heeft is in eerste instantie het UWV verantwoordelijk voor het reïntegratie traject. In overleg met het UWV kan besloten worden dat het reïntegratie traject door de afdeling Werk Inkomen en Zorg wordt uitgevoerd. Dit kan alleen als het een cliënt zonder arbeidskansen (fase 4 traject sociale activering). De UWV is in dit geval een voorliggende voorziening. Voorzieningen in de vorm van Trajecten ·Participatieplaats (sociale activering) Cliënten van wie verwacht wordt dat zij mogelijk op lange termijn weer aan het reguliere arbeidsproces kunnen deelnemen, maar daar nu nog niet aan toe zijn door psychische en of lichamelijke beperkingen kan een participatieplaats worden aangeboden. Betrokkene kan gedurende 2 jaar met behoud van uitkering werken. Het gaat dan wel om additioneel werk, waarbij begeleiding wordt geboden. Er is geen sprake van een arbeidsverhouding. Het moet een duidelijke reïntegratie karakter hebben. Er moet tijdens het traject een diagnose worden gesteld wat iemands mogelijkheden zijn en wat er moet gebeuren om de belemmeringen uit de weg te ruimen. Tijdens de 2 jaar worden de problemen dan opgepakt en opgelost. Hiervoor is het ook mogelijk om werken te combineren met scholing of andere voorzieningen. Elke 9 maanden moet een heronderzoek worden gedaan om te beoordelen of betrokkene inmiddels klaar is voor een traject gericht op werk. Het uitgangspunt is betrokkene zo snel mogelijk naar een traject gericht op werk te begeleiden. Het is niet noodzakelijk dat de 2 jaar worden vol gemaakt. Na 2 jaar is een verlenging mogelijk van 2 x 1 jaar op een andere werkplek. Na deelname aan een participatieplaats zijn er verschillende vervolgstappen mogelijk: Traject naar werk (perceel 3); Een werkstage van 6 maanden. Beide werkplekken moeten wel substantieel van elkaar verschillen. Andersom kan ook. Als na 6 maanden blijkt dat de werkstage te hoog gegrepen is, kan betrokkene voor een participatieplaats worden aangemeld. Hij kan dan echter na verloop van tijd niet meer voor een werkstage in aanmerking komen, omdat dat maximaal 6 maanden is; Beschermde baan als er geen uitstroom naar reguliere arbeid mogelijk is. Werkstage/Werken met behoud van uitkering Werken met behoud van uitkering wordt door de gemeente gezien als een mogelijkheid om mensen te activeren. De inzet van dit instrument zal variëren aan de hand van de situatie van een klant. Voor klanten die binnen redelijke termijn, 6 maanden, plaatsbaar zijn op betaalde arbeid, kan het werken met behoud van uitkering worden gebruikt voor een proefplaatsing bij een werkgever of werkcenter. Deze voorziening valt onder perceel 2. De cliënt kan gedurende 6 maanden bij het werkcenter in Papendrecht te werk gesteld worden. Betrokkene wordt ook aangemeld als het Workfirst traject niet direct werk oplevert. Betrokkene behoudt dan werkritme. Ook bij een particuliere werkgever kan een werkstage (met behoud van uitkering) plaatsvinden gedurende een periode van maximaal 3 maanden. De werkgever kan dan beoordelen of de werknemer geschikt is. Bij gebleken geschiktheid na de stage, is de werkgever verplicht de werknemer een contract voor 6 maanden aan te bieden. Traject met behulp van Loonkostensubsidies gericht op reïntegratie Het instrument loonkostensubsidies gericht op reïntegratie is vormvrij. Artikel 13 van de verordening geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij expliciet wordt aangegeven dat het primair gaat om een reïntegratievoorziening, waarbij uitstroom voorop staat. Bij de inzet van dit instrument dient de Europese regelgeving in acht te worden genomen. Er wordt gewerkt met verschillende soorten banen die als doel hebben de verstrekking van loonkostensubsidie te stroomlijnen. Er is sprake van beschermde banen, doorstroombanen en opstapbanen. Bij alle vormen van loonkostensubsidie is uitstroom naar regulier werk het einddoel, echter niet in alle gevallen mogelijk. Naast deze richtlijnen kan er incidenteel, voor zover het budget toereikend is, loonkostensubsidie afwijkend worden vastgesteld en verstrekt. Beschermde baan De beschermde baan is bedoeld voor werkloos werkzoekenden, met een WWB uitkering, met een zeer grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt, af te leiden uit een werkloosheidsduur van langer dan één jaar. De bedoeling is deze functies te realiseren in de publieke sector. Redenen om deze banen te realiseren en in stand te houden zijn de maatschappelijke relevantie van deze functies en de wens om het niveau van de dienstverlening in deze sectoren te waarborgen. Daarnaast speelt het feit dat er ook in de toekomst een groep werkzoekenden zal blijven bestaan die, al dan niet tijdelijk, aangewezen is op deze vorm van arbeidsinpassing een rol. Bij de beschermde baan wordt ingezet op doorstroom naar regulier werk, zonder daar een vooraf vastgestelde termijn voor te benoemen. Bij de inzet van beschermde banen zullen met de werkgever en de werknemer concrete afspraken worden gemaakt over de activiteiten gericht op doorstroom. Deze afspraken moeten worden vastgelegd in de beschikking die ten grondslag ligt aan het ter beschikking stellen van de gesubsidieerde functie aan de werkgever en de beschikking die de klant ontvangt uit hoofde van de WWB waarin de rechten, plichten en voorzieningen ten behoeve van de klant worden vastgelegd. De werkzaamheden in een beschermde baan zijn ondersteunend van aard en worden altijd verricht onder verantwoordelijkheid van een ander. Te denken valt aan de assistent-beheerder of de assistent- ziekenverzorgende. Voor de beschermde banen is de duur van de subsidie in principe tijdelijk, slechts wanneer door- of uitstroom werkelijk niet mogelijk is, kan sprake zijn van een structurele subsidie. Wanneer de beschermde baan vrijkomt, als gevolg van ontslag of vertrek van de zittende werknemer, vervalt het recht op subsidie. De werkgever is verplicht het vrijkomen van de functie te melden. Zodra wordt gemeld dat de functie vrijkomt wordt de voor het jaar waar in de functie vrijkomt verstrekte subsidie onmiddellijk afgerekend. Bij werkgevers die over meerdere beschermde banen beschikken kunnen afspraken worden gemaakt betreffende een garantie voor een minimaal aantal beschermde functies waarover de werkgever gedurende een aantal jaren over kan beschikken. Hier moet dan tegenover staan dat de werkgever concrete activiteiten onderneemt gericht op doorstroom van de werknemers op de beschermde banen, de afspraken hierover moeten schriftelijk worden vastgelegd. Eventueel zou een reïntegratiebedrijf kunnen worden ingeschakeld om het uitvoeren van dergelijke activiteiten te begeleiden. De loonkostensubsidie bedraagt 90% van het netto wettelijk minimumloon. Doorgroeibaan Bij de doorgroeibaan wordt ingezet op doorstroom naar regulier werk binnen 6 tot 9 maanden. Bij de inzet van de doorgroeibanen zullen met de werkgever (het reïntegratiebedrijf) concrete afspraken worden gemaakt over de activiteiten gericht op doorstroom. Deze afspraken moeten worden vastgelegd in de overeenkomst met het reïntegratiebedrijf. De werkzaamheden in een doorgroeibaan zijn ondersteunend van aard en worden altijd verricht onder verantwoordelijkheid van een ander. Voor de doorgroeibaan is de duur van de subsidie tijdelijk. Detachering bij andere werkgevers is mogelijk. Opstapbaan De “opstap” baan is er op gericht de kandidaat binnen een vooraf gestelde maximale termijn door te laten stromen naar regulier gefinancierd werk, hetzij in de publieke, hetzij in de private sector. Het is de bedoeling deze banen in de private sector te realiseren. De “opstap” baan is bedoeld voor werkloos werkzoekenden die aan een reïntegratietraject deelnemen dat is gericht op uitstroom naar een reguliere baan. De werkzaamheden in een “opstap” baan kunnen zelfstandig door de medewerker worden uitgevoerd, wel dient er een duidelijke aansturing en begeleiding te zijn. De loonkostensubsidie, bedraagt per uitgestroomde cliënt in totaal maximaal € 5.000,00. De loonkostensubsidie wordt binnen 1 jaar uitbetaald. Met de werkgever kunnen per cliënt afspraken gemaakt worden over de periodiciteit van de betaling en de duur van het arbeidscontract. De afspraken worden in een beschikking vastgelegd. Als de werkgever zich niet aan de afspraken houdt kan de loonkostensubsidie deels worden ingetrokken. De loonkostensubsidie wordt betaald aan de werkgever, als een uitkeringsgerechtigde, een voormalige cliënt met een beschermde baan of een jongere niet uitkeringsgerechtigde onder de 27 jaar, volledig naar regulier werk uitstroomt. Deze loonkostensubsidie kan ook ten bate van cliënten verstrekt worden die korter dan 1 jaar werkloos zijn, maar toch moeite hebben om uit te stromen. De Loonkostensubsidie is niet bedoeld voor direct bemiddelbare cliënten, zoals bijvoorbeeld jonge schoolverlaters die snel aan werk kunnen komen. Wel komen jongeren die net uit detentie zijn gekomen of die aantoonbare beperkingen hebben in aanmerking. Beschermde banen Doorgroeibanen Opstapbanen Doelgroep Werkloos werkzoekenden > 1 jaar werkloos met WWB-uitkering Vooralsnog niet plaatsbaar op de reguliere arbeidsmarkt Werkloos werkzoekenden met langer durende ondersteuning plaatsbaar op de reguliere arbeidsmarkt Werkloos werkzoekenden Met ondersteuning plaatsbaar op de reguliere arbeidsmarkt Duur Subsidie In principe tijdelijk, maar onbepaalde tijd is mogelijk. Elk jaar wordt getoetst of werkgever en werknemer de afspraken betreffende doorstroom en begeleiding nakomen. Tijdelijk gedurende 6 tot 9 maanden Eenmalig per cliënt max. 1 jaar Beloning 100% WML – 130% WML Minimaal 100% WML minimaal100% WML Financiële bijdrage gemeente 90% wettelijk minimumloon naar rato van het aantal uren, met een maximale arbeidsduur van 36 uur per week. 90% wettelijk minimumloon naar rato van het aantal uren, met een maximale arbeidsduur van 36 uur per week. Maximaal € 5.000,= voor één jaar, per kwartaal af te rekenen. Sectoren Onderwijs, welzijn, sport, cultuur, ouderen, toezicht Via detachering of bij reïntegratiebedrijf Private sector Begeleiding medewerkers Werkgever waar beschermde baan is ondergebracht doet begeleiding op de werkplek, zonodig doet reïntegratiebedrijf activiteiten gericht op door- en uit- stroom. Het reïntegratiebedrijf waar doorstroombaan is ondergebracht doet begeleiding op de werkplek en verzorgt activiteiten gericht op door- en uit- stroom. Reïntegratiebedrijf waar werkzoekende in traject zit is verantwoordelijk voor activiteiten gericht op door- en uit- stroom en maakt met de werkgever afspraken over de begeleiding op de werkplek Aard werkzaamheden Ondersteunende werkzaamheden waarbij de verantwoordelijkheid bij leidinggevende of werkbegeleider ligt. Ondersteunende werkzaamheden waarbij de verantwoordelijkheid bij leidinggevende of werkbegeleider ligt. Zelfstandige werkzaamheden, met een duidelijke aansturing en begeleiding Aard dienstverband Tijdelijk of vast bij werkgever waar werkzaamheden worden verricht. Tijdelijk bij werkgever waar werkzaamheden worden verricht of detachering vanuit de werkgever gedurende 6 tot 9 maanden. Tijdelijk, maximaal 1 jaar bij de werkgever waar werkzaamheden worden verricht. Detachering, maximaal 1 jaar, vanuit een formele werkgever (evt. een reïntegratiebedrijf) Beloningsgrenzen gesubsidieerde arbeid Voor beschermde banen en de doorgroeibanen is de maximale beloning, die de werkgever verstrekt, 130% van het minimumloon. Voor de opstapbanen is er geen maximale beloning. Ten aanzien van de bepaling betreffende het aanvangssalaris geldt dat het aanvangssalaris in elk geval voldoende moet zijn voor de kandidaat om volledig uit te stromen uit de uitkering. Financiële bijdrage gemeente gesubsidieerde arbeid De financiering van de beschermde, doorgroei en opstapbanen zal bestaan uit een loonkostensubsidie van de gemeente en een eigen bijdrage van de werkgever waar de werknemer in dienst is. Voor de doorgroei en beschermde banen zal de gemeentelijke loonkostensubsidie 90% van het wettelijk minimumloon zijn, naar rato van het aantal uren van de dienstbetrekking met een maximale werkweek van 36 uur. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast door middel van een besluit van het college. De bijdrage blijft voor de beschermde banen gedurende 5 jaren van de subsidieverstrekking gelijk. Daarna wordt bezien of er sprake is van een hogere toegevoegde waard van de werknemer en kan het bedrag lager worden vastgesteld. Als argumentatie hiervoor geldt dat de toegevoegde waarde van een werknemer toeneemt naarmate de werknemer langer binnen een organisatie actief is. Het ligt dan voor de hand dat de eigen bijdrage van de werknemer toeneemt, naarmate een werknemer langer binnen de organisatie werkzaam is. Voor de doorgroei en opstapbanen geldt dat de gemeentelijke loonkostensubsidie een tijdelijke bijdrage zal zijn voor de duur van maximaal 1 jaar. De bijdrage zal gemaximeerd worden zonder dat de verplichting bestaat de maximale subsidie te verstrekken. Sectoren gesubsidieerde arbeid Zoals al gesteld wil de gemeente vooral beschermde banen realiseren in sectoren met een hoge maatschappelijke relevantie. De gemeente wil daarmee het niveau van de dienstverlening in deze sectoren stimuleren en garanderen. Als voornaamste sectoren wordt gedacht aan toezicht, onderwijs, welzijn, sport, cultuur, kinderopvang en ouderenzorg. Voor de opstapbanen geldt dat deze uitsluitend kunnen worden gerealiseerd in de private sector. Begeleiding gesubsidieerde arbeid De werknemers worden begeleid richting uitstroom. Deze begeleiding is gericht op het realiseren van mogelijkheden tot uitstroom en is bedoeld om een algemeen beeld van het sociale welbevinden van de werknemers te hebben. De begeleiding van werknemers op beschermde banen zal in de toekomst een verantwoordelijkheid zijn van de werkgevers van deze werknemers. Dit omdat de werkgever zelf baat heeft bij een optimaal functionerende medewerker en er dus ook bij is gebaat dat het sociale welbevinden van de werknemer optimaal is. Voor de activiteiten gericht op door- of uit- stroom kan een reïntegratiebedrijf worden ingeschakeld. De werknemers in een doorgroeibaan worden door de werkgever begeleid naar uitstroom, als onderdeel van het totale traject. Voor werknemers op opstapbanen ligt het anders. Deze functies zullen vaak onderdeel zijn van een reïntegratietraject, gericht op uitstroom naar regulier werk. In dat geval wordt de begeleiding door het reïntegratiebedrijf verzorgd en de financiering komt voor rekening van de gemeente. Over de begeleiding op de werkplek van de werknemers in een “opstap”-baan kan het reïntegratiebedrijf afspraken maken met de betreffende werkgever. Voor zowel de beschermde banen als de opstapbanen geldt dat het functies zijn voor mensen die een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, wat inhoudt dat de werkzaamheden laagdrempelig moeten zijn en dat de begeleiding op de werkplek goed geregeld moet zijn. Onderscheidend verschil tussen de beschermde banen en de opstapbanen is dat bij de beschermde banen de te verrichten werkzaamheden in principe ondersteunend van karakter zijn. Daarmee wordt bedoeld dat de werkzaamheden worden uitgevoerd in opdracht van en onder directe verantwoordelijkheid van de functionaris die wordt ondersteund. Hierbij moet worden gedacht aan de assistent-beheerders van club- en buurthuizen en conciërges bij scholen. Bij de opstapbanen kunnen de te verrichten werkzaamheden een zelfstandig karakter hebben, waarbij de aansturing voldoende gewaarborgd moet zijn. Te denken valt aan medewerkers van een klussendienst, die zelfstandig klussen doen maar aangestuurd worden door een voorman/ werkbegeleider. Voor zowel werknemers op beschermde banen als op opstapbanen geldt dat zij rechtstreeks in dienst kunnen zijn van de werkgever waar de werkzaamheden worden verricht. Het dienstverband kan een tijdelijk karakter hebben. Bij de beschermde banen is een vast dienstverband mogelijk, echter niet noodzakelijk. Het opheffen van het detacheringverbod van werknemers op een In- en Doorstroombaan schept de mogelijkheid een detacheringconstructie te ontwerpen, waarmee medewerkers op beschermde banen en opstapbanen kunnen worden gedetacheerd bij opdrachtgevers. Voordeel van een dergelijke constructie is dat de mogelijkheid wordt geschapen beschermde banen en/of opstapbanen te realiseren bij werkgevers die zelf niet in staat zijn de werkgeversrol en de begeleiding te bieden die de werknemers nodig hebben. Het is mogelijk een dergelijke detacheringconstructie aan te haken bij een reïntegratiebedrijf. Voordeel hiervan is dat het de afstemming tussen het reïntegratietraject en het dienstverband van de betreffende werknemer vergemakkelijkt. Nadeel is dat het reïntegratiebedrijf dat de detacheringconstructie uitvoert er baat bij kan hebben om de werknemer niet te laten uitstromen op het moment dat het reïntegratiebedrijf aan de detacheringconstructie verdient. Overige Voorzieningen ·Kosten van kinderopvang Met de invoering van de Wet Kinderopvang (WKO), behoort een vergoeding voor kinderopvang in het kader van het traject tot de uitzonderingen. De WKO is een voorliggende voorziening, waar betrokkene gebruik van kan maken. Zowel voor opvang via een gastouder als voor opvang via een kinderdagverblijf is een beroep op de WKO mogelijk. Als door lange wachtlijsten of andere factoren geen beroep op de WKO kan worden gedaan, is een vergoeding voor kinderopvang mogelijk uit het Werkdeel van de WWB. Dit geldt voor overblijfkosten en opvang door particulieren als betrokkene een trajectplan heeft getekend. Het uurtarief zal dan moeten aansluiten bij het tarief van het gastouderbureau. ·Scholing Scholing kan een belangrijk instrument zijn om reïntegratie te bevorderen. Dit geldt zowel voor cliënten met een uitkering als wel werknemers met een beschermde of doorgroeibaan. De kosten van een noodzakelijke scholing worden vergoed. Vooral alleenstaande ouders met een kind onder de 5 jaar moet scholing worden gestimuleerd. De soort scholing is wel aan bepaalde voorwaarden verbonden: Scholing moet gericht zijn op uitstroom naar de arbeidsmarkt. Langer durende scholing is mogelijk als die gericht is op het verwerven van een startkwalificatie. Dit betekent dat niveau 2 van het MBO/HAVO niveau. In beginsel wordt enkel scholing ingezet die opleidt naar beroepssectoren waarin direct werk gevonden kan worden. Bij een jongere onder de 18 jaar kan een duaal traject van leren en werken voorrang krijgen, als dit er toe leidt dat betrokkene weer naar school gaat. Kort durende scholing bv in de vorm van sollicitatietraining, assertiviteitstraining en computercursussen of andere direct op uitstroom gerichte cursussen zijn altijd mogelijk en vaak aan te raden. Het principe van de goedkoopst adequate oplossing geldt. De prijs van de scholing moet in verhouding staan tot de kwaliteit van het aanbod. Er kan ook een vergoeding worden gegeven voor reiskosten, examenkosten, boeken en leermiddelen. Aanvragen voor scholingskosten of bijkomende kosten worden vergoed uit het werkdeel van de WWB. ·Schuldhulpverlening Als het hebben van schulden een belemmering vormt voor uitstroom, dan kan deelname aan een schuldhulpverlening traject als verplichting worden opgelegd. Dit kan in het trajectplan worden opgenomen. De kosten die hier aan verbonden zijn kunnen uit het werkdeel worden betaald. ·Computer Als het ontbreken van een computer een belemmering vormt voor uitstroom, kan eenmalig een computer worden verstrekt tot een maximum van € 500,00. Betrokkene moet volledig meewerken aan het traject. Het bedrag wordt op vertoon van een pro forma nota overgemaakt op rekening van het bedrijf of op vertoon van een recent betalingsbewijs op rekening van betrokkene. Als er meer leden in een gezin een traject volgen, kan er maximaal 1 computer worden verstrekt. ·Kleding De kosten voor het aanschaffen van kleding behoren tot de algemene bestaanskosten. Bij werkaanvaarding is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk om voor beroepskleding en schoeisel bijzondere bijstand te verlenen. Dit is alleen mogelijk als de cliënt en/of werkgever hiervoor geen voldoende oplossing hebben (bijv. een onkostenvergoeding of lening door werkgever). Onder beroepskleding wordt niet de zogenaamde gewone kleding verstaan. Alleen specifiek voor een bepaald beroep aan te schaffen kleding (zoals overall, uniform, stofjas) kan voor bijstandsverlening in aanmerking komen. ·Sollicitatiekosten De kosten van het solliciteren behoren tot de algemene bestaanskosten. Indien er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan op grond van een individuele beoordeling bijzondere bijstand worden verleend. De kosten van telefoneren en brieven (porti) behoren in ieder geval tot de algemene bestaanskosten, waarin de bijzondere bijstand niet voorziet. De vervoerskosten binnen een straal van 35 kilometer (enkele reis) gemeten vanaf het woonadres behoren in het algemeen eveneens tot de algemene bestaanskosten. Noodzakelijke reiskosten voor een sollicitatiegesprek die deze straal van 35 kilometer te boven gaan, komen geheel voor bijstandsverlening in aanmerking. De noodzaak van deze kosten is ter beoordeling van burgemeester en wethouders. ·Reiskosten i.v.m. werk In principe wordt er geen vergoeding gegeven voor reiskosten in verband met woon werk verkeer. Reiskosten behoren tot de normale kosten van het bestaan, die uit het inkomen c.q. uitkering dienen te worden betaald. In eerste instantie wordt betrokkene geacht de werkgever om een reiskostenvergoeding te vragen. Een reiskostenvergoeding door de werkgever hoeft niet dekkend te zijn. Mocht het zo zijn dat betrokkene inderdaad extreme hoge reiskosten heeft (meer dan 5% van het nettoloon), waarin de werkgever niet voorziet, dan kan als overbrugging een vergoeding uit het werkdeel worden verstrekt gedurende maximaal 6 maanden. Na 6 maanden wordt betrokkene geacht te verhuizen, om dichter bij de werkkring te gaan wonen. Activeringspremie Doel Bevorderen van uitstroom uit de uitkering door stimuleren van het aanvaarden van reguliere of gesubsidieerde arbeid of het voorzien in eigen levensonderhoud als zelfstandige; Bevorderen van participatie als volledige uitstroom door werk nog niet tot de mogelijkheden behoort. Bevorderen van reïntegratie activiteiten van cliënten behorend tot de doelgroep alleenstaande ouder met een kind onder de 5 jaar of een gehandicapt kind tot 18 jaar of cliënten van 45 jaar en ouder. Uitgangspunten De peildatum voor start van de richtlijnen is 1 januari 2007; De premie kan slechts eenmaal per kalenderjaar worden verstrekt; De premie dient in één bedrag uitgekeerd te worden (en dus niet in termijnen). Door de eenmalige verstrekking is de premie onbelast, waardoor de premieverstrekking geen effect heeft op inkomensafhankelijke regelingen zoals huurtoeslag of zorgtoeslag; Het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de premie een duurzaam karakter draagt (dus er moet jaarlijks een nieuwe beslissing worden genomen); Beide laatste punten zijn mede van belang voor de fiscale behandeling van de premie. Afwijking van een of beide punten leidt tot belastbaarheid van de premie; Een combinatie van premies is niet mogelijk, daar er maar 1 keer per jaar een premie mag worden toegekend. De cliënt dient zelf aan te geven voor welke premie hij/zij in aanmerking wil komen, (mits betrokkene aan de voorwaarden voldoet); De aanvraag moet voor het einde van het kalenderjaar waarin betrokkene in aanmerking komt worden aangevraagd, met een uitloop van 2 maanden; Mocht betrokkene direct na ontvangst van een eenmalige premie de arbeid, scholing of sociale activering beëindigen, dan kan de premie niet worden teruggevorderd. Echter een passende verlaging van de uitkering op grond van de afstemmingsverordening is uiteraard wel mogelijk; Er bestaat geen recht op een premie indien met betrekking tot de aanvaarde arbeid ten aanzien van de ontvangen inkomsten dan wel de werkaanvaarding niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB of als bedoeld in artikel 13 van de IOAW of de IOAZ. Voor het bepalen van het inkomen is wat op de loonstrook staat het uitgangspunt. Voor de berekening wordt aangesloten bij de systematiek die bij de oude inkomstenvrijlating werd gebruikt. De berekening wordt gemaakt aan de hand van het netto inkomen exclusief vakantiegeld, zoals vermeld op de loonstrook. Eventuele inkomenskortingen worden niet meegenomen, aangezien die in de oude systematiek ook pas na de toepassing van de vrijlating werden meegenomen; Met ononderbroken wordt bedoeld dat betrokkene maandelijks inkomsten heeft. Er mag geen onderbreking inzitten. Als iemand via een uitzendbureau werkt en de ene maand wel en de andere maand geen inkomsten heeft, dan bestaat er geen recht. Als betrokkene tussentijds in detentie heeft gezeten, bestaat er geen recht. Is betrokkene door een uitzendbureau 6 maanden gedetacheerd bij 1 bedrijf, dan bestaat er wel recht. De rechthebbende moet de activeringspremie zelf aanvragen. Bij de aanvraag dient de aanvrager een bij de premie passend bewijsstuk te overleggen. Bij werkaanvaarding betekent dit een arbeidscontract en loonstroken, bij sociale activering een vrijwilligerscontract, bij scholing een diploma of bewijs inschrijving c.q. aanwezigheidslijst, bij arbeid als zelfstandige een deugdelijke boekhouding en inschrijving bij de Kamer van Koophandel. De hoogte van de premie wijzigt 2 jaarlijks afhankelijk van de vrijlatinggrens genoemd in artikel 31 WWB lid 2 j en o. Beleidregels Artikel 1 Algemeen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: WWB: de Wet werk en bijstand (Staatsblad 2003, nummer 375); IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen; Uitkeringsgerechtigde: degene die een periodieke uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de WWB, de IOAW of de IOAZ; dienstbetrekking: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de in artikel 14, lid 1 van de Invoeringswet genoemde dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst; gesubsidieerde arbeid: de in artikel 14, lid 1 van de Invoeringswet genoemde dienstbetrekkingen of arbeidsovereenkomst; premie: een voorziening zoals bedoeld in artikel 7 en 8 van de wet.\ Inkomsten als zelfstandige: inkomsten als zelfstandige genoten, waarbij geen beroep wordt gedaan op de Bbz. Artikel 2 lid 1 Uitstroompremie De uitkeringsgerechtigde die arbeid in dienstbetrekking of als zelfstandige verricht ten gevolge waarvan hij volledig in de kosten van bestaan kan voorzien en die onmiddellijk voorafgaand aan zijn indiensttreding ten minste een jaar ononderbroken uitkering voor levensonderhoud heeft ontvangen op grond van de WWB, de IOAW, IOAZ of de Bbz ontvangt een éénmalige premie van maximaal € 2.133,00. De premie wordt slechts verstrekt indien de arbeid wordt verricht gedurende een ononderbroken periode van minimaal 6 maanden. Toelichting De premie wordt toegekend aan personen die langer dan 12 maanden een uitkering hebben ontvangen. Achtergrond hiervan is dat de kansen om tot de arbeidsmarkt toe te treden afnemen naarmate iemand langer werkloos is en daarmee de inspanningen om weer aan het werk te komen toenemen. De activeringspremie moet gezien worden als een stimulans om deze inspanningen te leveren. De premie wordt ook verstrekt voor het aanvaarden van gesubsidieerde arbeid of arbeid als zelfstandige, als betrokkene daarmee volledig uit de uitkering uitstroomt. Voor de zelfstandige geldt dat deze, via een deugdelijke boekhouding moet aantonen dat hij 6 maanden ononderbroken (legaal) als zelfstandige aan de slag is geweest. De premie wordt verstrekt indien iemand langer dan 6 maanden ononderbroken werkt omdat na 6 maanden gesproken kan worden van een perspectief op duurzame uitstroom. De betaling van de uitstroompremie vindt plaats direct nadat het recht is vastgesteld. De betaling vindt in één keer plaats. De hoogte van de premie wordt vastgesteld op de datum dat recht bestaat, te weten 6 maanden na beëindiging uitkering. Artikel 2 lid 2 Premie deeltijdarbeid De uitkeringsgerechtigde die arbeid in dienstbetrekking verricht waarmee niet volledig in de kosten van het bestaan kan worden voorzien en onmiddellijk voorafgaand aan zijn indiensttreding ten minste zes maanden ononderbroken een uitkering voor levensonderhoud heeft ontvangen op grond van de WWB, de IOAW en de IOAZ, ontvangt éénmalig een premie ter hoogte van 25% van de met die arbeid verkregen inkomsten, met een maximum van € 1.074,=. De premie wordt slechts verstrekt indien de arbeid wordt verricht gedurende een ononderbroken periode van minimaal 6 maanden. Als na 6 maanden het maximumbedrag niet is bereikt, heeft betrokkene gedurende nog eens 6 maanden (ononderbroken arbeid) de mogelijkheid om het maximale bedrag te bereiken. Toelichting De premie wordt eenmalig verstrekt om betrokkene te stimuleren volledig aan het werk te gaan. Voor de periode van 6 maanden is gekozen om enerzijds de duurzaamheid van de arbeidsinschakeling te stimuleren en anderzijds uitkeringsgerechtigden te stimuleren naar volledige arbeidsinschakeling te blijven streven. De peildatum is de datum van de start van de inkomsten, nadat betrokkene 6 maanden een uitkering heeft gehad. BV Iemand heeft een uitkering vanaf 1 maart 2007. Vanaf 1 september 2007 kunnen zijn werkzaamheden aanleiding zijn voor een premie. Hij moet 6 maanden gewerkt hebben, dus vanaf 1 maart 2008 kan hij een aanvraag indienen. De inkomsten in de periode 1 september 2007 tot 1 september 2008 worden in aanmerking genomen. Mocht betrokkene op 1 maart 2008 zoveel inkomsten gehad hebben, dat de maximale premie is bereikt, dan kan de premie direct worden uitbetaald. Hierbij wordt het bedrag van 1 januari 2008 als uitgangspunt genomen. Mocht betrokkene op 1 maart 2008 nog geen recht op de maximumpremie hebben, dan wordt in september 2008 een onderzoek gepland zodat de ondersteunend medewerker het uiteindelijke bedrag kan vaststellen en uitbetalen. In dat geval is het bedrag van 1 juli 2008 bepalend voor de uitbetaling. Artikel 3 Premie Participatieplaats De uitkering wordt toegekend als het college heeft vastgesteld dat uitstroom uit een WWB, IOAW of IOAZ uitkering naar reguliere of gesubsidieerde arbeid op dit moment (nog) niet reëel is en het reïntegratietraject zich vooralsnog richt op sociale activering. Betrokkene verricht minimaal 24 uur per week gedurende 10 maanden per jaar een activiteit in het kader van een reïntegratietraject. Een activiteit is in ieder geval werken met behoud van uitkering op een participatieplaats. Ook met een combinatie van scholing en werken met behoud van uitkering voor minimaal 24 uur per week kan betrokkene aan de voorwaarden voldoen. De premie wordt gedurende maximaal 4 jaar verstrekt, zolang betrokkene nog niet bemiddelbaar is naar regulier werk. Dit moet elke 12 maanden opnieuw worden vastgesteld. De hoogte van de uitkering bedraagt € 2.133,00 per jaar in het eerste en tweede jaar en € 1.074,00 (50% van het maximale bedrag) per jaar in het derde of vierde jaar. Toelichting Het college kan uitkeringsgerechtigden, voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt, de verplichting opleggen gedurende maximaal 24 maanden onbeloonde additionele arbeid te verrichten, met behoud van uitkering; De participatieplaats is gekoppeld aan een traject gericht op arbeidsinschakeling en een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. De periode kan maximaal 2 keer met 12 maanden worden verlengd (waarbij een andere participatieplaats moet worden geboden). Om te voorkomen dat betrokkene er geen belang bij heeft om aan het werk te gaan en de participatieplaats alleen bij uitzondering langer dan 2 jaar duurt, is het bedrag voor het derde en vierde jaar lager vastgesteld. De hoogte van de premie wordt aan het einde van het jaar vastgesteld en uitbetaald. Artikel 4 lid 1Premie deeltijdarbeid oudere uitkeringsgerechtigden De uitkeringsgerechtigde van 45 jaar en ouder, die arbeid in dienstbetrekking verricht waarmee niet volledig in de kosten van het bestaan kan worden voorzien en ten minste vijf jaar ononderbroken een uitkering voor levensonderhoud heeft ontvangen op grond van de WWB, de IOAW en de IOAZ, ontvangt jaarlijks een premie ter hoogte van 25% van de in het betreffende kalenderjaar met die arbeid verkregen inkomsten, met een maximum van € 1.074,=. De premie wordt slechts verstrekt indien de arbeid ononderbroken wordt verricht. Toelichting Naar mate mensen ouder worden en langdurig op een uitkering zijn aangewezen neemt de kans op volledige en duurzame uitstroom af. Gestimuleerd moet worden dat ook deze groep uitkeringsgerechtigden zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud voorziet. Ook uit sociaal oogpunt is het wenselijk dat deze groep zoveel mogelijk actief is. Om deze redenen is er voor gekozen om uitkeringsgerechtigden van 45 jaar en ouder, die langer dan 5 jaar een uitkering ontvangen, jaarlijks voor de activeringspremie in aanmerking te laten komen. De hoogte van de premie wordt bij de deeltijdpremie 45+ jaarlijks vastgesteld op basis van de inkomsten uit het kalenderjaar. Begin december moet aan alle betrokken cliënten een aanvraagformulier worden gestuurd, waarna wordt bepaald of er recht bestaat (dit moet verplicht jaarlijks) en hoe hoog de premie is over de genoten inkomsten van het afgelopen jaar. De inkomsten worden in het eerst jaar gerekend vanaf datum recht (5 jaar uitkering) en in de vervolgjaren over een heel kalenderjaar. Als betrokkene eerder dan het einde van het jaar zijn maximum premie bereikt kan de premie eerder worden uitbetaald. De cliënt moet dit zelf bijhouden en de aanvraag dan eerder indienen. De hoogte van de premie wordt aan het einde van het jaar vastgesteld en uitbetaald, tenzij betrokkene eerder uitbetaald wenst te worden. Er kan maar één betaling per jaar plaatsvinden. Artikel 4 lid 2 Premiealleenstaande ouder met kind onder de 5 jaar of gehandicapt kind onder de 18 jaar Als betrokkene behoort tot de doelgroep alleenstaande ouders met een kind onder de 5 jaar of gehandicapt kind onder de 18 jaar en gedurende minimaal 6 maanden op positieve wijze aan een reïntegratietraject (met getekend trajectplan) heeft deelgenomen bedraagt de premie eenmalig € 537,00 (50% van de maximale vrijlating). Vervolgens kan betrokkene gedurende maximaal 4 jaar (tot het kind 5 jaar
  5. is)een premie van € 537,00 per jaar krijgen als betrokkene extra activiteiten onderneemt, zoals deelname aan sociale activering of scholing. Deze premie is ook mogelijk als betrokkene een gehandicapt kind onder 18 jaar heeft en op grond daarvan alleen een trajectverplichting heeft. De premie kan maximaal 5 jaar worden verstrekt. Toelichting Alleenstaande ouders met een kind onder 5 jaar krijgen een reïntegratieverplichting opgelegd. Deze doelgroep heeft een extra stimulans nodig om een reïntegratietraject te starten en daaraan deel te blijven nemen. De 6 maanden termijn begint vanaf de eerste afspraak bij het reïntegratiebureau. Het trajectplan kan in de loop van de 6 maanden voordat de aanvraag wordt ingediend, worden ondertekend. Betrokkene kan maximaal 5 jaar een premie krijgen als betrokkene start met het traject als het kind 0 jaar is. Het maximaal aantal jaren neemt af als het kind ouder is bij de start van het traject. Voor de hoogte is de dag van het ontstaan van het recht van toepassing. Artikel 4 lid 3 Sociale activering oudere uitkeringsgerechtigden Als betrokkene behoort tot de doelgroep 45 jaar en ouder en het college van B en W heeft vastgesteld dat uitstroom uit een WWB, IOAW of IOAZ uitkering naar reguliere arbeid niet meer reëel is en is vastgesteld dat betrokkene geen arbeidskansen heeft, kan betrokkene een premie krijgen van € 537,00 (50% van de maximale vrijlating) per jaar als betrokkene werkzaamheden verricht in het kader van sociale activering gedurende minimaal 10 uur per week. Toelichting Het uitgangspunt van het college is de volledige arbeidsverplichting tot 65 jaar. Mocht uitstroom naar reguliere arbeid niet mogelijk zijn, maar er nog wel een beperkte arbeidsverplichting aanwezig is, kan de verplichting voor sociale activering worden opgelegd. Om sociale activering in die gevallen te stimuleren, is het toekennen van een activeringspremie mogelijk. Betrokkene moet een ondertekend vrijwilligerscontract overleggen. Terugvordering Algemeen 1 Algemeen Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot: het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit ingevolge of artikel 54 lid 3 van de Wet werk en bijstand (WWB); het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de WWB. Aflossing Leenbijstand 2 Aflossing leenbijstand (bijzondere) bijstand die als leenbijstand is verstrekt, wordt afgelost vanaf de datum verstrekking. de aflossingscapaciteit bedraagt 6% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm (dat is dus inclusief de volledige toeslag en vakantiegeld). Het bedrag wordt twee keer per jaar aan de nieuwe norm aangepast. de aflossingcapaciteit voor een fraudeschuld bedraagt 10% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm inclusief de volledige toeslag en vakantiegeld. aflossing leenbijstand vindt plaats conform regels beslag op de uitkering in de volgende gevallen: als leenbijstand bij beëindiging van de uitkering kan worden verrekend; terugvordering het gevolg is van herziening op grond van artikel 54 lid 3 sub a. de aflossing van leenbijstand, als er sprake is van bijzondere bijstand, vindt gedurende maximaal 36 maanden plaats, als de volledige aflossingscapaciteit gedurende die periode is ingezet voor de aflossing en de aflossing gedurende 36 maanden aaneengesloten heeft plaatsgevonden. terugvordering van bedrijfskrediet of leenbijstand levensonderhoud voor ondernemers vindt plaats conform Bbz 2004: de aflossing van een lening voor bijzondere bijstand vindt gedurende maximaal 36 maanden plaats als de volledige aflossingscapaciteit gedurende die periode is ingezet voor de aflossing en de aflossing gedurende 36 maanden aaneengesloten heeft plaatsgevonden; de hoogte van de aflossing wordt afgestemd op de financiële positie van de zelfstandige. Herziening en intrekking Herziening of intrekking van het toekenningbesluit: een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken indien: 1.het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1 WWB, of de artikelen 28 lid 2 en 29 lid 1 van de Wet Suwi, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand; 2.anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. van het nemen van een herzienings- of intrekkingbesluit kan op grond van dringende redenen worden afgezien. Terugvordering 4.Terugvordering Bijstand wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze beleidsregels. 5.Ten onrechte verleende bijstand Burgemeester en wethouders vorderen bijstand terug van de belanghebbende voor zover deze bijstand: a.ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; b.in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; c.voortvloeit uit gestelde borgtocht; d.ingevolge artikel 52 WWB bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat; e.anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of, f.anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: 1.de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken; 2.bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming. g.terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering. 6.Terugvordering van gezinsleden a.onverminderd het bepaalde onder beleidsregel nummer 5 worden kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden teruggevorderd. b.indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat belanghebbende de verplichting bedoeld in artikel 17 WWB, of de artikelen 28 lid 2 en 29 lid 1 van de Wet Suwi, niet of niet behoorlijk is nagekomen, ku

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.