Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Ouder-AmstelHOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN INDEX ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VOOR DE GEMEENTE OUDER-AMSTEL Artikel1.
Artikel1
.2Beslistermijn Artikel1.3Indiening aanvraag Artikel1.4Schriftelijke mededeling Artikel1.5Voorschriften en beperkingen Artikel1.6Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel1.7Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel1.8Algemene weigeringsgronden HOOFDSTUK2OPENBARE ORDE AFDELING1BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN Artikel2.1Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomsten Artikel2.2Messen en steekwapens AFDELING2BETOGING Artikel2.3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen AFDELING3VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN Artikel2.4Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen AFDELING4VERTONINGEN E.D. OP DE WEG Artikel2.5Straatartiest AFDELING5BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG Artikel2.6Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg Artikel2.7Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel2.8Maken, veranderen van een uitweg AFDELING6VEILIGHEID OP DE WEG Artikel2.9Winkelwagentjes Artikel2.10Hinderlijke beplanting of voorwerp Artikel2.11Openen straatkolken e.d. Artikel2.12Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Artikel2.13Verbod om de weg te gebruiken als slaapplaats Artikel2.14Veiligheid op het ijs AFDELING7EVENEMENTEN Artikel2.15Begripsbepaling Artikel2.16Evenement Artikel2.17Ordeverstoring AFDELING8TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN Artikel2.18Begripsbepalingen Artikel2.19Exploitatievergunning horecabedrijf Artikel2.20Sluitingstijd Artikel2.21Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel2.22Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Artikel2.23Beperking verstrekking alcoholhoudende drank Artikel2.24Handel in horecabedrijven Artikel2.25Ordeverstoring Artikel2.26Het college als bevoegd bestuursorgaan AFDELING9TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN Artikel2.27Speelgelegenheden Artikel2.28Speelautomaten AFDELING10MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID Artikel2.29Betreden gesloten woning of lokaal Artikel2.30Plakken en kladden Artikel2.31Vervoer plakgereedschap e.d. Artikel2.32Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel2.33Betreden van plantsoenen e.d. Artikel2.34Rijden over bermen e.d Artikel2.35Hinderlijk gedrag op of aan de weg Artikel2.36Hinderlijk gebruik drank en softdrugs Artikel2.37Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen Artikel2.38Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel2.39Loslopende honden Artikel2.40Verontreiniging door honden Artikel2.41Gevaarlijke of hinderlijke honden Artikel2.42Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Artikel2.43Loslopend vee Artikel2.44Bijen Artikel2.45Bedelarij AFDELING11DRUGSOVERLAST Artikel2.46Drugshandel op straat AFDELING12BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN Artikel2.47Bestuurlijke ophouding Artikel2.48Veiligheidsrisicogebieden Artikel2.49Cameratoezicht op openbare plaatsen HOOFDSTUK3SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D. AFDELING1BEGRIPSBEPALINGEN Artikel3.
Artikel3
.2Bevoegd bestuursorgaan Artikel3.3Nadere regels AFDELING2SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D. Artikel3.4Seksinrichtingen en escortbedrijven Artikel3.5Gedragseisen exploitant en beheerder Artikel3.6Sluitingstijden Artikel3.7Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting Artikel3.8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Artikel3.9Straatprostitutie Artikel3.10Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. AFDELING3BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN Artikel3.11Beslissingstermijn Artikel3.12Weigeringsgronden AFDELING4BEEINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER Artikel3.13Beëindiging exploitatie Artikel3.14Wijziging beheer HOOFDSTUK4BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE AFDELING1GELUIDHINDER EN VERLICHTING Artikel4.
Artikel4
.2Aanwijzing van collectieve festiviteiten Artikel4.3Kennisgeving incidentele festiviteiten Artikel4.4Verboden incidentele festiviteiten Artikel4.5Onversterkte muziek Artikel4.6Geluidhinder door toestellen of apparaten Artikel4.7Geluidhinder door dieren Artikel4.8Geluidhinder door bromfietsen e.d. Artikel4.9Geluidhinder door vrachtauto’s Artikel4.10Routering AFDELING2BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel4.11Natuurlijke behoefte doen Artikel4.12Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen AFDELING3MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel4.13Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Artikel4.14Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames Artikel4.15Vergunningplicht reclame Artikel4.16Vergunningplicht lichtreclame AFDELING4KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN Artikel4.17Begripsbepaling Artikel4.18Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel4.19Aanwijzing kampeerplaatsen HOOFDSTUK5ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE AFDELING1PARKEEREXCESSEN Artikel5.1Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. Artikel5.2Te koop aanbieden van voertuigen Artikel5.3Defecte voertuigen Artikel5.4Voertuigwrakken Artikel5.5Kampeermiddelen e.a. Artikel5.6Parkeren van reclamevoertuigen Artikel5.7Parkeren van grote voertuigen Artikel5.8Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Artikel5.9Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Artikel5.10Overlast van fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig AFDELING2COLLECTEREN Artikel5.11Inzameling van geld of goederen AFDELING3VENTEN Artikel5.12Begripsbepaling Artikel5.13Ventverbod Artikel5.14Vrijheid van meningsuiting AFDELING4STANDPLAATSEN Artikel5.15Begripsbepaling Artikel5.16Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Artikel5.17Toestemming rechthebbende Artikel5.18Afbakeningsbepalingen AFDELING5SNUFFELMARKTEN Artikel5.19Begripsbepaling Artikel5.20Organiseren van een snuffelmarkt AFDELING6OPENBAAR WATER Artikel5.21Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel5.22Ligplaats vaartuigen Artikel5.23Aanwijzingen ligplaats Artikel5.24Verbod innemen ligplaats Artikel5.25Beschadigen van waterstaatswerken Artikel5.26Reddingsmiddelen Artikel5.27Veiligheid op het water Artikel5.28Overlast aan vaartuigen AFDELING7CROSSTERREINEN Artikel5.29Crossterreinen AFDELING8VERBOD VUUR TE STOKEN Artikel5.30Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken HOOFDSTUK6STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel6.1Strafbepaling Artikel6.2Toezichthouders Artikel6.3Binnentreden woningen Artikel6.4Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening Artikel6.5Overgangsbepaling Artikel6.6Citeertitel TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENINGDe toelichting op deze algemene plaatselijke verordening is na hoofdstuk 6 gevoegd De raad van de gemeente Ouder-Amstel, gelezen het voorstel van het college van 3 november 2009, nr. 2009/55, gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, gezien het advies van de raadscommissie 3 december 2009, overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving van de openbare orde, s t e l t v a s t:De ‘algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Ouder-Amstel.’ HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGENArtikel 1.
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg: de voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten, alsmede de -al dan niet met enige beperking -voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en parkeergebouwen; de – al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke pleinen, open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten, veerponten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, liften, gangen, achterpaden, passages en galerijen die uitsluitend tot voor bewoning en/of bedrijf in gebruik zijnde ruimen toegang geven en niet afsluitbaar zijn; de andere voor publiek toegankelijke – al dan niet afsluitbare - stoepen, trappen, portieken, gangen, liften, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is zijn afgesloten; Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; Bebouwde kom: de bebouwde kom waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft vastgesteld; Rechthebbende: eenieder die over enige zaak of dier enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht of daar enige feitelijke macht over uitoefent; Zaak: ieder voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object; Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; Voertuigen: gelede en ongelede motorvoertuigen en alle rij- en voertuigen, met uitzondering van: treinen en trams; kruiwagens, kinderwagens e.d. kleine voertuigen; Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II, behorend bij artikel 18 van de Meststoffenwet; Woonwagen: een wagen die voortdurend of nagenoeg voortdurend als woning wordt gebezigd of daartoe is bestemd. Een woonwagen houdt niet op dit te zijn, indien aan of bij de woonwagen voorzieningen worden getroffen ten gevolge waarvan deze niet langer kan worden voortbewogen; Vaartuigen: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water, alsmede drijvende werktuigen zoals kranen, werkeilanden, baggermolens, pontons en ander materieel van soortgelijke aard;. Woonschepen: elk vaar- of drijftuig, dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als of te oordelen naar zijn constructie en/of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot dag- en/of nachtverblijf van een of meer personen; een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a. in aanbouw; een casco, dat tot een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a. kan worden opgebouwd; elk vaar- of drijftuig, waarin of waarop bedrijfsmatige of soortgelijke activiteiten worden uitgeoefend of dat daartoe is ingericht; een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a. tot en met d. dat is ingegraven, aangeaard, op de wal getrokken of door een andere oorzaak niet onmiddellijk kan varen of drijven; overblijfselen van een vaar- of drijftuig als bedoeld onder a. tot en met e.; Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; Raad: de gemeenteraad van de gemeente Ouder-Amstel; College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel; Burgemeester: de burgemeester van de gemeente Ouder-Amstel. Artikel 1.2 BeslistermijnHet bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. Artikel 1.3 Indiening aanvraagIndien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel 1.4 Schriftelijke mededelingAls bij of krachtens deze verordening van een voornemen of een handeling mededeling moet worden gedaan, geschiedt dat schriftelijk. Artikel 1.5 Voorschriften en beperkingenAan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.6 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingDe vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Artikel 1.7 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingDe vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Artikel 1.8 Algemene weigeringsgrondenDe vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de openbare veiligheid; de verkeersveiligheid; de zedelijkheid of de volksgezondheid; de bescherming van het milieu; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDEAFDELING 1 BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDENArtikel 2.1 Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomstenHet is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig deel te nemen aan een samenscholing of in groepsverband dan wel afzonderlijk onnodig op te dringen, anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren. Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een zaak bij zich te hebben waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de orde te verstoren dan wel schade aan zaken of letsel aan personen toe te brengen. Degene die op of aan de weg bij een gebeurtenis is die tot toeloop van publiek aanleiding geeft of bij enig voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan aanwezig is dan wel zich in de richting van die gebeurtenis of dat voorval begeeft, vervolgt op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg in de aangegeven richting. De verboden gelden niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2.2 Messen en steekwapens Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben. Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik. AFDELING 2 BETOGINGArtikel 2.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsenHij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en tenminste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties. De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. AFDELING 3 VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKENArtikel 2.4 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingenHet is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. AFDELING 4 VERTONINGEN E.D. OP DE WEGArtikel 2.5 Straatartiest Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. AFDELING 5 BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEGArtikel 2.6 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doelenden worden gebruikt; zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: geen onderdeel zich minder dan 2,5 meter boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,6 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; en geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; standplaatsen, mits vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5.16; evenementen mits vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.16; terrassen mits vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.19; Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet Milieubeheer, de Drank- en Horecawet, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Noord-Holland. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt. Artikel 2.7 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegHet is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Wetboek van Strafrecht, de Wegenverordening Noord-Holland, de Telecommunicatiewet en de Telecommunicatieverordening Ouder-Amstel. Artikel 2.8 Maken, veranderen van een uitwegHet is verboden zonder vergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van de bruikbaarheid van de weg; in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; vanwege de strijdigheid met een (ontwerp) bestemmingsplan. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien in de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Rijkswegenreglement of de Wegenverordening Noord-Holland. AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEGArtikel 2.9WinkelwagentjesDe rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2.10 Hinderlijke beplanting of voorwerpHet is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op een andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel 2.11 Openen straatkolken e.d.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2.12 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerpHet is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,5 meter boven dat gedeelte van de weg. Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,60 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- Artikel 2.13 Verbod om de weg te gebruiken als slaapplaatsHet is verboden om de weg als slaapplaats te gebruiken en verder op of aan de weg een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, keetwagen, tent, aanhangwagen of auto als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, verontreiniging, voorkoming van besmettelijke ziekten en brandgevaar. Artikel 2.14 Veiligheid op het ijsHet is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening. AFDELING 7 EVENEMENTENArtikel 2.15 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.20 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2.5 en 2.27 van deze verordening. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg. Artikel 2.16 EvenementHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. De aanvraag voor een vergunning wordt ingediend uiterlijk acht weken voor de datum van aanvang van het evenement. De burgemeester kan in verband met de voorbereidingstijd van het evenement van deze termijn afwijken of voor bijzondere, periodiek terugkerende evenementen afzonderlijk bepalen op welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde is geen vergunning vereist voor de bij besluit van de burgemeester aangewezen evenementen, onder voorwaarde dat het voornemen tot het organiseren van dergelijke evenementen tenminste drie weken voor de aanvang van het evenement door de organisator ervan bij de burgemeester is gemeld. De burgemeester kan voorschriften stellen met het oog op een ordelijk en veilig verloop van een evenement als bedoeld in lid 4 en met het oog op het voorkomen van hinder voor derden. De burgemeester kan besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt of in geval van uitvoering van werkzaamheden in de openbare ruimte. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
- Artikel 2.17 OrdeverstoringHet is verboden bij een evenement de orde te verstoren. AFDELING 8 TOEZICHT OP HORECABEDRIJVENArtikel 2.18 BegripsbepalingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden; terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt; exploitant: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd; natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een bedrijf alsmede de bestuurder van de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd. Artikel 2.19 Exploitatievergunning horecabedrijf Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Een vergunning als bedoeld in lid 1 vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding tenzij door de burgemeester een andere looptijd is vastgesteld. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. In afwijking van artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. Voorts geldt het eerste lid niet voor: een horecabedrijf in zorginstellingen; een horecabedrijf in musea; stationsrestauraties; bedrijfskantines. Artikel 2.20 SluitingstijdHet is de exploitant verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven van 24.00 tot 07.00 uur. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 2.21 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluitingDe burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.20 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. Artikel 2.22 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijfHet is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2.20 of ingevolge een op grond van artikel 2.21 genomen besluit gesloten dient te zijn. Artikel 2.23 Beperking verstrekking alcoholhoudende drankHet is verboden sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een bedrijf of een onderdeel daarvan: waar uitsluitend of in hoofdzaak kleine eetwaren worden verkocht; dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een jeugdorganisatie of -instelling; dat uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sportorganisatie of -instelling; dat in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoerbedrijf of waar onderwijs wordt gegeven. De burgemeester kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 2.24 Handel in horecabedrijvenIn dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel 2.25 OrdeverstoringHet is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel 2.26 Het college als bevoegd bestuursorgaanIndien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2.19 tot en met 2.
- AFDELING 9 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDENArtikel 2.27 SpeelgelegenhedenDit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. De burgemeester weigert de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Artikel 2.28 SpeelautomatenIn dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. AFDELING 10 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEIDArtikel 2.29 Betreden gesloten woning of lokaalHet is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2.30 Plakken en kladdenHet is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2.31 Vervoer plakgereedschap e.d.Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.
- Artikel 2.32 Vervoer inbrekerswerktuigenHet is verboden op de weg inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. Artikel 2.33 Betreden van plantsoenen e.d.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. Artikel 2.34 Rijden over bermen e.d.Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Noord-Holland. Artikel 2.35 Hinderlijk gedrag op of aan de wegHet is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- Artikel 2.36 Hinderlijk gebruik drank en softdrugsHet is verboden op of aan de weg, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt. Het is verboden op of aan de weg, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben, als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten alcoholhoudende drank te nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke. In dit artikel wordt verstaan onder softdrugs: de middelen als bedoeld in lijst II, onderdeel b. behorende bij de Opiumwet. Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor : een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2.37 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwenHet is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. Artikel 2.38 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimtenHet is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel 2.39 Loslopende hondenHet is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op of aan de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a. niet geldt. Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 2.40 Verontreiniging door hondenDe eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op of aan de weg. Het college kan wegen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet geldt. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. De eigenaar of houder van een hond dient te allen tijde een geschikt opruimmiddel bij zich te hebben, bij het betreden van de weg samen met de hond. Artikel 2.41 Gevaarlijke of hinderlijke hondenHet is de eigenaar of houder van een hond verboden deze te laten lopen of te laten verblijven op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd als het college aan hem heeft bekend gemaakt dat het de hond gevaarlijk of hinderlijk acht en het in verband met het gedrag van de hond noodzakelijk acht dat deze kort is aangelijnd of anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf als het college aan hem heeft bekendgemaakt dat het de hond gevaarlijk of hinderlijk acht en het in verband met het gedrag van de hond noodzakelijk acht dat deze kort is aangelijnd en een muilkorf draagt. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Artikel 2.42 Houden van hinderlijke of schadelijke dierenHet college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben,of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 2.43 Loslopend veeDe rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2.44 BijenHet is verboden bijen te houden: binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van dertig meter van de weg. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. Het in het eerste lid, aanhef en onder b., gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening Noord-Holland. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 2.45 BedelarijHet is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. AFDELING 11 DRUGSOVERLASTArtikel 2.46Drugshandel op straatOnverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. AFDELING 12 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSENArtikel 2.47 Bestuurlijke ophoudingDe burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door haar/hem aangewezen groepen van personen op een door haar/hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1 (samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomsten), artikel 2.2 (messen en steekwapens), artikel 2.6 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg), artikel 2.7 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg), artikel 2.11 (openen straatkolken e.d.), artikel 2.12 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp), artikel 2.35 (hinderlijk gedrag op of aan de weg), artikel 2.36 (hinderlijk gebruik drank en softdrugs), artikel 2.37 (hinderlijk gedrag bij of in gebouwen), artikel 2.38 (hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten) of artikel 5.30 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken) van deze verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 2.48 VeiligheidsrisicogebiedenDe burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2.49 Cameratoezicht op openbare plaatsenDe burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van parkeerterreinen. HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.AFDELING 1 BEGRIPSBEPALINGENArtikel 3.1 BegripsbepalingenIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze - verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaanIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3.3 Nadere regelsMet het oog op de in artikel 3.12 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. AFDELING 2 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.Artikel 3.4 Seksinrichtingen en escortbedrijvenHet is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. Een vergunning als bedoeld in lid 1 vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding tenzij door de burgemeester een andere looptijd is vastgesteld. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning worden in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder en de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerderDe exploitant en de beheerder: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor tenminste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel 3.6 SluitingstijdenHet is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven van 24.00 tot 07.00 uur. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een vergunning voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste lid, gesloten dient te zijn. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluitingMet het oog op de in artikel 3.12, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerderHet is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3.9 StraatprostitutieHet is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel 3.10Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. AFDELING 3 BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDENArtikel 3.11BeslissingstermijnHet bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3.12 WeigeringsgrondenDe vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. In afwijking van artikel 1.8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee. AFDELING 4 BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEERArtikel 3.13 Beëindiging exploitatieDe vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3.14 Wijziging beheerIndien een beheerder als bedoeld in artikel 3.1, onder f., het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder a., is van overeenkomstige toepassing. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTEAFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTINGArtikel 4.1 BegripsbepalingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; inrichting: een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4.2 Aanwijzing van collectieve festiviteitenDe geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening gelden niet voor de door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente en voor bepaalde tijden. Het college maakt de aanwijzing bekend. Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,Lt), veroorzaakt door de inrichting, mag niet meer dan 75 dB(A) bedragen, gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen (waaronder woningen) op een hoogte van 1,5 meter als invallend geluid. Gemeten waarden worden niet gecorrigeerd met een muziektoeslag. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid geldt ook voor onversterkte muziek. Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteitenHet is een inrichting toegestaan gedurende een jaarlijks vast te stellen maximum aantal dagen incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting tenminste zes weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. Na de vaststelling van het aantal collectieve festiviteiten op grond van artikel 4.2 van deze verordening bepaalt het college het maximum aantal dagen waarvoor overeenkomstig het eerste lid een kennisgeving gedaan kan worden (incidentele festiviteiten). Het gezamenlijk totaal van collectieve en incidentele festiviteiten bedraagt jaarlijks maximaal
- Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting tenminste 6 weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving als bedoeld in het eerste en derde lid. Een kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, is ingeleverd binnen de termijn gesteld in het eerste en derde lid bij de op het formulier aangegeven plaats. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,Lt), veroorzaakt door de inrichting, mag niet meer dan 75 dB(A) bedragen, gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen (waaronder woningen) op een hoogte van 1,5 meter als invallend geluid. Gemeten waarden worden niet gecorrigeerd met een muziektoeslag. De geluidsnorm als bedoeld in het zevende lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. Artikel 4.4 Verboden incidentele festiviteitenHet is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel 4.5 Artikel 4.5 Onversterkte muziekBij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f. en lid 5 van het Besluit, binnen inrichtingen is de hieronder opgenomen tabel 1 van toepassing. de in tabel 1 aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen gelden niet indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uit-voeren van geluidsmetingen; de in tabel 1 aangegeven waarden op de gevel gelden ook bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voorzover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in tabel
- wordt geen bedrijfsduur-correctie toegepast. Tabel
- Tijdstip (uur) 07:00–19:00 19:00–23:00 23:00–07:00 LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmMAX op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAr,MAX in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Voor de duur van twee uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. Het eerste lid geldt niet indien artikel 4.2 of artikel 4.3 van deze verordening van toepassing zijn. Artikel 4.6 Geluidhinder door toestellen of apparatenHet is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit een (recreatie)toestel, (bouw)machine of geluidsapparaat in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. Het verbod geldt niet, voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Bouwbesluit, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voorzover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. Aan de in het tweede lid bedoelde ontheffing kunnen ter voorkoming of beperking van geluidhinder door het college voorschriften worden verbonden die onder meer kunnen betreffen: het maximale geluidsniveau dat mag worden veroorzaakt; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik. Artikel 4.7 Geluidhinder door dierenDegene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel 4.8 Geluidhinder door bromfietsen e.d.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 4.9 Geluidhinder door vrachtauto’sHet is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder ao, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. Artikel 4.10 RouteringHet is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer met een vrachtauto, als bedoeld in artikel 4.9, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kg of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2 meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college bij openbaar bekend te maken besluit aangewezen weg te rijden. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGINGArtikel 4.11Natuurlijke behoefte doenHet is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4.12 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. AFDELING 3 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLASTArtikel 4.13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4.17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b., van de Wegenverkeerswet
- Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale milieuverordening van toepassing is. Artikel 4.14 Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclamesHet is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ontsierende of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Artikel 4.15 Vergunningplicht reclame Onverminderd het in artikel 4.14 bepaalde is het verboden zonder vergunning van het college, op enigerlei wijze, in het openbaar handelsreclame te maken. Het college kan plaatsen aanwijzen of nadere regels stellen voor het aanbrengen van handelsreclame. Artikel 4.16Vergunningplicht lichtreclameOnverminderd het bepaalde in artikel 4.14 is het verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak verlichte handelsreclame te maken of te voeren die vanaf de weg zichtbaar is. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak; indien de openbare orde en openbare veiligheid in het geding zijn. De weigeringsgrond van het tweede lid onder b geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. AFDELING 4 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINENArtikel 4.17BegripsbepalingIn deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4.18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinenHet is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een stadsgezicht. Artikel 4.19 Aanwijzing kampeerplaatsenHet college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4.18, eerste lid niet geldt. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4.18, vierde lid. HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTEAFDELING 1 PARKEEREXCESSENArtikel 5.1 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5.2 Te koop aanbieden van voertuigenHet is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5.3 Defecte voertuigenHet is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan twee weken op de weg te parkeren. Artikel 5.4 VoertuigwrakkenHet is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.5 Kampeermiddelen e.a.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op vier achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening Noord-Holland of de Landschapsverordening Noord-Holland. Artikel 5.6 Parkeren van reclamevoertuigenHet is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.7 Parkeren van grote voertuigenHet is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 5.8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigenHet is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5.9 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigenHet is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.10 Overlast van fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuigHet is verboden een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te parkeren als daardoor: schade ontstaat of voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of het gehandicaptenvoertuig staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. AFDELING 2 COLLECTERENArtikel 5.11Inzameling van geld of goederenHet is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. AFDELING 3 VENTENArtikel 5.12 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op of aan de weg, aan huis dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats. Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.19; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5.
- Artikel 5.13 VentverbodHet is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het is verboden te venten op zondagen, op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19.00 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19.00 uur, op eerste en tweede Kerstdag, op 4 mei na 19.00 uur, en maandag t/m zaterdag voor 06.00 uur en na 22.00 uur. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. Artikel 5.14 Vrijheid van meningsuitingHet verbod als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen: op door het college aangewezen openbare plaatsen, of voor bepaalde dagen en uren. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. AFDELING 4 STANDPLAATSENArtikel 5.15BegripsbepalingIn deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.
- Artikel 5.16 Standplaatsvergunning en weigeringsgrondenHet is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Artikel 5.17 Toestemming rechthebbendeHet is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5.18 AfbakeningsbepalingenHet verbod van artikel 5.16, eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Noord-Holland. De weigeringsgrond van artikel 5.16, derde lid, onder a., geldt niet voor bouwwerken. AFDELING 5 SNUFFELMARKTENArtikel 5.19 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2.
- Artikel 5.20 Organiseren van een snuffelmarktHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan AFDELING 6 OPENBAAR WATERArtikel 5.21 Voorwerpen op, in of boven openbaar waterHet is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten en gevoelens worden geopenbaard. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Ouder-Amstel. Artikel 5.22 Ligplaats vaartuigenHet is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen; beperkingen stellen naar de tijdsduur. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Landschapsverordening Noord-Holland. Artikel 5.23 Aanwijzingen ligplaatsOnverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.22 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Ligplaatsenregeling vaarwegen in nautisch beheer bij de provincie Noord-Holland of de Landschapsverordening Noord-Holland. Artikel 5.24 Artikel 5.24 Verbod innemen ligplaatsHet is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.22 en 5.23 bepaalde. Artikel 5.25 Beschadigen van waterstaatswerkenHet is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. Artikel 5.26 ReddingsmiddelenHet is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5.27 Veiligheid op het waterHet is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. Artikel 5.28 Overlast aan vaartuigenHet is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. AFDELING 7 CROSSTERREINEN Artikel 5.29 CrossterreinenHet is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. AFDELING 8 VERBOD VUUR TE STOKEN Artikel 5.30 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stokenHet is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voorzover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels e.d.; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening Noord-Holland. HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGENArtikel 6.1 Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, en de op grond van artikel 1.5 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede categorie. Artikel 6.2 ToezichthoudersMet het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de opsporingsambtenaren van de afdeling Ruimtelijke ontwikkeling en vergunningverlening. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de burgemeester aangewezen personen. Artikel 6.3 Binnentreden woningenZij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6.4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordeningDe Algemene Politieverordening voor de gemeente Ouder-Amstel wordt ingetrokken. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is bekendgemaakt. Artikel 6.5 Artikel 6.5 OvergangsbepalingBesluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 6.6 CiteertitelDeze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Ouder-Amstel. Ouder-Amstel, 17 december 2009 De raad voornoemd, de raadsgriffier, de voorzitter, L.J. Heijlman M.T.J. Blankers-Kasbergen TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VOOR DE GEMEENTE OUDER-AMSTELHOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGENAlgemeenHoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden niet alleen voor dit ene hoofdstuk maar voor de hele Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Het grootste deel van hoofdstuk 1 heeft betrekking op vergunningen en ontheffingen. Er zijn regels opgenomen die zich richten tot de bevoegde bestuursorganen en regels die zich richten tot de burgers. Het gaat om: Begripsbepalingen, (procedurele) regels voor het indienen en behandelen van een aanvraag, beslistermijnen, algemene weigeringsgronden, een bevoegdheid om voorschriften en beperkingen op te leggen, algemene gronden om te wijzigen of in te trekken, de niet-overdraagbaarheid van een vergunning of ontheffing en een algemene verplichting om mededelingen aan het bevoegde gezag schriftelijk te doen. Artikel 1.1 BegripsbepalingenIn dit artikel wordt een aantal begrippen gedefinieerd dat in deze verordening wordt gehanteerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt. Weg: deze definitie bevat een omschrijving van wat onder weg moet worden verstaan en valt uiteen in een aantal delen. In alle onderdelen gaat het om wegen en plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Het eerste liggende streepje betreft de weg in de zin van de Wegenverkeerswet, namelijk de feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande wegen met toebehoren, aangevuld met voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en parkeergebouwen. Het tweede liggende streepje betreft diverse plaatsen, zoals parken en pleinen, maar ook ijsvlakten en aanlegplaatsen. De zinsnede “al dan niet met enige beperking” geeft aan dat ook als er voorwaarden zijn gesteld voor de toegankelijkheid (bijvoorbeeld het betalen van entreegeld) er nog steeds sprake is van een weg, zolang de plek voor publiek toegankelijk is. Het derde en vierde liggende streepje betreffen gedeelten van gebouwen die tot de openbare ruimte horen. Door deze onderdelen zijn de verschillende bepalingen van deze verordening onder andere ook van toepassing in galerijen van flatgebouwen en portieken van woningen. In een aantal bepalingen van deze verordening wordt de term “op of aan de weg” gebruikt. Als dat het geval is, geldt de betreffende bepaling ook op plaatsen die strikt genomen geen weg zijn, maar zich wel in de nabijheid daarvan bevinden. Een bepaling kan dan ook gelden op een privé-terrein, omdat er een duidelijke relatie is met of een uitstraling naar de weg; Openbaar water: een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus synoniem aan "feitelijk voor het publiek toegankelijk”; Bebouwde kom: de reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom; Rechthebbende: hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht; e. Zaak: dit is een ruime definitie die aansluit bij het begrip zoals dat in het privaatrecht wordt gehanteerd. Dat betekent dat alle mogelijke voorwerpen onder het begrip zaak kunnen vallen. De term “zaak” wordt bijvoorbeeld gehanteerd wanneer het niet goed mogelijk is om een concrete opsomming te geven; Bouwwerk: deze omschrijving is ontleend aan artikel 1.1, eerste lid, van de Bouwverordening voor de gemeente Ouder-Amstel; Gebouw: deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet; Voertuigen: de verwijzing naar artikel 1, onder a en al, van het RVV 1990 voorkomt verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen. In artikel 1, onder a. worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers. In artikel 1, onder al, worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. De APV zondert van deze voertuigen uit: a. treinen en trams en b. kruiwagens, kinderwagens e.d. kleine voertuigen; Vee: voor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de Meststoffenwet. In Bijlage A van deze wet worden als diersoorten genoemd: rundvee, varkens, kippen, kalkoenen, schapen, vossen, nertsen, geiten, eenden, konijnen en parelhoenders; Woonwagen: de definitie spreekt voor zich; Vaartuigen: als voorbeelden van hier bedoelde vaartuigen kunnen worden genoemd: pleziervaartuigen, woonboten, baggerwerktuigen, bokken, kranen en zeilplanken; Woonschepen: hier worden ook woonarken en woonboten onder verstaan; Handelsreclame: in het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.. Artikel 1.2 Beslistermijn In deze verordening is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt gesteld. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. Hiervoor kan door het bestuursorgaan de beslistermijn worden verlengd. Artikel 1.3Indiening aanvraagIn de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Artikel 1.4 Schriftelijke mededelingDit artikel regelt dat de burgers verplicht zijn om van een voornemen, een activiteit of een handeling schriftelijk mededeling te doen. De zinsnede “krachtens deze verordening” verwijst naar de situatie waarin niet de APV zelf, maar een voorschrift bij een besluit op grond van de APV een meldingsplicht bevat. Artikel 1.5 Voorschriften en beperkingenNiet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In de in deze verordening opgenomen algemene strafbepaling in Hoofdstuk 6 wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften. Artikel 1.6 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Artikel 1.7 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingDe in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Artikel 1.8 Algemene weigeringsgronden In dit artikel zijn de algemene weigeringsgronden opgenomen. In bepaalde artikelen in deze verordening zijn meer specifieke weigeringsgronden opgenomen. HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDEAFDELING 1 BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDENArtikel 2.1 Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomstenDit artikel strekt tot bescherming van de openbare orde en verbiedt ordeverstoringen, zowel individueel als collectief, op of aan de weg en in voor het publiek toegankelijke gebouwen en vaartuigen. Onder een voor het publiek toegankelijk gebouw wordt elke gebouwde ruimte verstaan die in principe voor iedereen toegankelijk is, zoals een winkel, een postkantoor of een stationshal. Daarnaast vallen onder dit begrip ook gebouwen die met enige beperkingen openstaan. Hierbij valt te denken aan gebouwen die toegankelijk zijn voor personen die in het bezit zijn van een toegangs- of plaatsbewijs (bijvoorbeeld musea, theaters, perrons van metrostations). Het eerste lid verbiedt het onnodig opdringen. Hoewel de intentie onschuldig van aard kan zijn, bijvoorbeeld bij optochten en andere evenementen, kan hierdoor toch de openbare orde en veiligheid in gevaar komen. Verder zijn verboden het lastig vallen van personen en vechten, zowel individueel als collectief. Niet alleen individuele handelingen kunnen de orde en veiligheid bedreigen, maar ook het in en vanuit een groep lastig vallen van anderen. In het tweede lid wordt het begrip “zaak” gebruikt. Met deze aan het privaatrecht ontleende term wordt elke stoffelijk voorwerp bedoeld, ongeacht de vorm, dat naar rellen e.d. wordt meegebracht om de orde te verstoren, zoals stenen, stokken en vloeistoffen. Het verbod richt zich niet alleen op meegenomen voorwerpen maar ook op bijvoorbeeld stenen die ter plaatse zijn opgeraapt om mee te gooien. In het derde lid is voor gevallen van (dreigende) wanordelijkheden de plicht opgenomen zich te verwijderen als een politieambtenaar daartoe een bevel geeft. De politie heeft op grond van de Politiewet tot taak zo nodig met onmiddellijke maatregelen het leven in de openbare ruimte in ordelijke banen te leiden en direct te zorgen voor de veiligheid van personen of zaken. Die taak houdt ook de bevoegdheid in om in concrete gevallen de daarvoor benodigde bevelen te geven. Artikel 2.1 is een nadere concretisering daarvan op lokaal niveau. De bevoegdheid is in dit geval aan een bepaald doel gebonden. Het geen gehoor geven aan het bevel is strafbaar ingevolge artikel 184 Wetboek van Strafrecht. De politieambtenaar verricht de beoordeling die nodig is voor toepassing van de strafbepaling; de rechterlijke toetsing vindt plaats als vervolging wordt ingesteld. Samenscholingen of samenkomsten kunnen (mede) het karakter hebben van een betoging. Regeling daarvan behoort niet tot de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever. In het vierde lid zijn daarom uitgezonderd de samenkomsten waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is. De burgmeester moet eventuele maatregelen op die wet baseren. De wet kent aan de burgemeester onder andere bevoegdheden toe om bij ongeregeldheden maatregelen te treffen en bevat dienaangaande strafbepalingen. Artikel 2.2 Messen en steekwapensOp grond van deze bepaling kan de burgemeester wegen aanwijzen, waarop het voorhanden hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, verboden is. De Wet wapens en munitie is gericht op de bescherming van de persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit tegen wapengeweld, terwijl artikel 2.2 ziet op de bescherming van de openbare orde en de aantasting daarvan. Vanuit dat motief mag men in een aangewezen gebied geen enkel mes of ander voorwerp dat als steekwapen kan worden gebruikt, bij zich hebben. Het verbod geldt niet voor messen en andere zaken waarvan het dragen al door de Wet wapens en munitie verboden is, en evenmin voor voorwerpen die als zodanig zijn ingepakt dat zij niet direct als steekwapen gebruikt kunnen worden. AFDELING 2 BETOGINGArtikel 2.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsenDit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM). In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid "openbare plaats" gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist. BetogingWanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep er op uit is een mening uit te dragen. De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied. Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn. De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen "menigte" nodig. Acht personen wordt al voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken. Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is "betoging" omschreven als "het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied". Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen. Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM. Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen. AFDELING 3 VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKENArtikel 2.4 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingenFolderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er "geen gebruik van enige betekenis" overblijft. Artikel 2.4 heeft betrekking op het grondrecht de vrijheid van meningsuiting. DaklozenkrantDe verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2.
- Als verkoop plaatsvindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkrantverkopers zijn. AFDELING 4 VERTONINGEN E.D. OP DE WEGArtikel 2.5 StraatartiestHet optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is de straatmuzikant onder artikel 2.5 gebracht. Hetzelfde geldt voor straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2.
- AFDELING 5 BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEGArtikel 2.6 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg Eerste lidDe vergunningplicht. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Tweede lidHierin is opgenomen wanneer de vergunningplicht niet geldt. Tweede lid, onder c. standplaatsenHier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop artikel 5.16 van toepassing is. Tweede lid, onder d. evenementenIndien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van artikel 2.16, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel 2.
- Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd. Tweede lid, onder e. terrassen horecabedrijfHet in dit artikel bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester vergunning is verleend op grond van artikel 2.
- Zo’n terras maakt blijkens de definitie in artikel 2.18 deel uit van dat bedrijf. Daarom is hier een afbakeningsbepaling opgenomen. Vierde lidHierin zijn de weigeringsgronden opgenomen. Vijfde lidHet college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt. Artikel 2.7 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegAan dit artikel ligt als motief ten grondslag, de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Artikel 2.8 Maken, veranderen van een uitwegArtikel 2.8 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen creëert. Lid 2 noemt de belangen die hierbij een rol kunnen spelen. Als de gemeente tevens eigenaar is van de weg, moet uiteraard ook privaatrechtelijk toestemming worden gegeven. Als een derde eigenaar is van de grond, kan het college de aanvrager van de vergunning er op wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming nodig heeft. AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEGArtikel 2.9 WinkelwagentjesDeze bepaling bestrijdt het "zwerfkarrenprobleem" door winkelbedrijven te verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Artikel 2.10Hinderlijke beplanting of voorwerpIndien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Artikel 2.11 Openen straatkolken e.d.Deze bepaling spreekt voor zich. Artikel 2.12 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Dit artikel geeft een afstandsvereiste voor het aanbrengen van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen. Artikel 2.13Verbod om de weg te gebruiken als slaapplaatsDit artikel is opgenomen om op te kunnen treden tegen personen die overnachten in een auto en dergelijke. Dit is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid ongewenst. Een ontheffing zou verleend moeten kunnen worden bijvoorbeeld op het moment dat een woonhuis van iemand volledig is afgebrand en er op korte termijn geen andere mogelijkheden tot overnachting voorhanden zijn. Artikel 2.14 Veiligheid op het ijsDit artikel spreekt voor zich. AFDELING 7 EVENEMENTENArtikel 2.15 BegripsbepalingGekozen is voor een negatieve omschrijving van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (“elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt vervolgens in lid 1 een aantal evenementen opgesomd welke niet onder de werking van de bepaling valt. in de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt; daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten; de Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime; dansen in een Drank- en Horecawet inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een andere meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijvoorbeeld het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt; betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom; hieronder zijn tenslotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2.5 (straatartiest) en 2.27 (speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om dubbele regelgeving te voorkomen. In lid 2 wordt aangegeven wat mede onder een evenement wordt verstaan. Optochten, feest, muziek en wedstrijd e.d. zijn niet meer als uitzondering opgenomen. Optochten, braderie, feest en wedstrijd op of aan de weg vallen nu onder de reikwijdte van het evenementenbegrip. Artikel 2.16 EvenementEerste lidEvenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeente. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt. Gekozen is voor een vergunningstelsel omdat in dat kader het noodzakelijke vooroverleg, de benodigde advisering van betrokken diensten, de onderlinge afstemming van wensen en voorschriften en mogelijke belangen van derden het best gestalte kunnen krijgen. Door aan de vergunning voorschriften te verbinden, kunnen al deze belangen worden meegewogen. Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1.8 genoemde criteria. Tweede lidHet artikel legt de vergunningplicht voor evenementen vast, evenals de termijn die voor het indien van een aanvraag in acht moet worden genomen. Juist omdat voor evenementen ter voorbereiding vaak een periode van advisering en overleg nodig is tussen ambtelijke diensten en de organisator is voor het indien van een aanvraag een termijn van tenminste acht weken voor de aanvang vastgesteld. Dient de organisator de aanvraag te laat in dan loopt hij het risico dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Derde lidDe burgemeester kan voor eenvoudige evenementen van de gestelde termijn afwijken. Ook kan hij voor grote evenementen een afzonderlijke termijn vast stellen. Dat is van belang voor (periodieke) grootschalige evenementen, zoals bijvoorbeeld Cirque du Soleil. Vierde lidDe burgemeester kan bij besluit evenementen aanwijzen, waarvoor geen vergunning is vereist. Hiertoe zal beleid worden ontwikkeld dat vooral ziet op kleine evenementen. De organisator stelt de burgemeester tenminste drie weken voorafgaand aan het evenement in kennis van het evenement. De gemeente heeft er belang bij om tijdig op de hoogte te zijn van een initiatief dat zich afspeelt in de buitenlucht. Hiervoor kan volstaan worden met een melding. Het blijft verboden om zonder melding zo’n evenement te houden. De gemeente kan optreden als zonder melding een dergelijk evenement wordt georganiseerd. Drank- en HorecawetDe Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is als: a. er een besloten feest wordt gehouden, waar b. geen entree wordt gevraagd en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er moet dan wel voldaan worden aan alle drie vereisten, Wanneer er sprake is van het vragen en betalen van een vaste bijdrage impliceert dit dat er sprake is van het anders dan om niet verstrekken van alcoholische drank. In laatstgenoemde geval dient eveneens een ontheffing te worden aangevraagd op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Vijfde lidDe burgemeester kan voorschriften stellen aan een evenement als bedoeld in lid
- Zesde lidEr kan aanleiding zijn om het organiseren van als bedoeld in het vierde lid te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt of in het geval van werkzaamheden in de openbare ruimte. Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf