Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeenten Bolsward, Gaasterlân-Sleat, Lemsterland, Littenseradiel, Nijefurd en Wûnseradiel Hoofdstuk1Vorm van de te verstrekken voorzieningen 1.1 Verschillende wijzen om voorzieningen te verstrekken Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende: “ Het College van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van individuele voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er de voorziening in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. En met de voorziening die betrokkene in natura krijgt moet het probleem voldoende gecompenseerd zijn. Artikel 6 Wmo bepaalt dat er een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet worden en wel in de vorm van een persoonsgebonden budget. Na een wetswijziging die op 1 januari 2010 is ingegaan, zijn er voor het persoonsgebonden budget als het gaat om hulp bij het huishouden twee mogelijkheden om dit in te vullen. In hoofdstuk 3 zal hierop nader worden ingegaan. Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo: “Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.” In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt – in navolging van de Wvg – de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget genoemd worden. Dat wordt aan de aanvrager uitbetaald. Ook zal soms een financiële tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om een taxi- of een rolstoeltaxikostenvergoeding die op declaratiebasis wordt verstrekt. 1.2 Het persoonsgebonden budget in relatie tot de andere verstrekkingsvormen Artikel 3 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 bepaalt: “Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het College stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen deze voorzieningen nietwordt geboden aan de hand van de in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 neergelegde criteria.” Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. In dit artikel zijn de termen financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget vermeld. Het onderscheid tussen deze begrippen is niet altijd even duidelijk. Daar komt bij dat soms financiële tegemoetkomingen forfaitaire financiële tegemoetkomingen zijn, net weer iets anders. De verschillen tussen deze verstrekkingswijzen kunnen het beste als volgt worden weergegeven. Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele voorziening mee te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de wet gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Een financiële tegemoetkoming kan mede afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de aanvrager. Samen met dit eigen aandeel zal een financiële tegemoetkoming kostendekkend zijn, tenzij er nog een algemeen gebruikelijk deel in het bedrag zit. Dat kan dan, als in deze beleidsregels dit is geregeld, in mindering worden gebracht, ook naast een eigen aandeel. Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de werkelijke kosten en los van het inkomen wordt vastgesteld. Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal niet op het inkomen van de aanvrager worden afgestemd. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding. Ook hier kan eventueel wel rekening worden gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals het tarief van het collectief vervoer. Een persoonsgebonden budget (PGB) is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op dit pgb kan een eigen bijdrage in mindering worden gebracht, tenzij het om een rolstoel gaat. Het verschil tussen een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming is klein. Helder is wel dat bij een bouwkundige woningaanpassing die aan de eigenaar, niet de bewoner, moet worden uitbetaald, niet gesproken kan worden van een persoonsgebonden budget. Op grond van art. 1.2 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 vindt de verstrekking als persoonsgebonden budget niet plaats indien: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager ten gevolge van medische, sociale en/of financiële redenen problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget; de hulp bij het huishouden voor een periode van maximaal 3 maanden noodzakelijk is. Voorbeelden bij punt a zijn: De aanvrager: Is wilsonbekwaam; Heeft geen inzicht in zijn functionele beperkingen; Beschikt over onvoldoende organisatie- en regelvermogen en verantwoordelijksbesef; Beschikt over onvoldoende inzicht door dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen; Heeft eerder blijk gegeven van het niet juist besteden van het persoonsgebonden budget; Heeft grote financiële problemen (schuldproblematiek, verslavingsproblematiek (drugs, alcohol, gokken)) en doet mee aan de WSNP, waarbij sprake is van een curator of een bewindvoerder. Voorzieningen en Hulp bij het Huishouden De aanvrager is hierdoor niet in staat de voorzieningen bij een leverancier uit te kiezen, aan te kopen en zorg te dragen dat de voorziening gedurende de looptijd van het persoonsgebonden budget in goede staat in gebruik kan blijven. Voor de Hulp bij het Huishouden geldt dat de aanvrager niet in staat om een goede leverancier van zorg uit te kiezen en zorg te dragen voor een juiste besteding van het PGB. In een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals collectief vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een naturavoorziening wegvallen. Daarom is in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag als daarmee het resultaat van het compenseren van de beperking wordt bereikt, afgewezen worden. Dit onderdeel zal in het hoofdstuk vervoer nog nader worden uitgewerkt. 1.3 Individuele voorzieningen Artikel 5 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget. De eerste voorwaarde daarbij is dat een persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld. De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte; Het gaat om een voorziening die direct beschikbaar is. 1.4 Omvang van het persoonsgebonden budget De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Artikel 6 lid 1 Wmo zegt daarover: “(….) ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget (…)”. Hierbij dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: Enerzijds het persoonsgebonden budget voor diensten, afkomstig uit de AWBZ, dat in de Wmo per 1 januari 2007 alleen maar betrekking heeft op hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Hulp bij het Huishouden Bij diensten gaat het om de betaling van dienst aan dienstverleners. De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren, afgerond naar decimalen per week. Dit wordt ook in de beschikking aan de cliënten vermeld. Bij de uitbetaling en vaststelling van het PGB-budget gelden de uurtarieven zoals deze zijn vastgelegd in artikel 3 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010. Dit uurtarief zal het tenminste het minimumloonbedrag moeten zijn. De tarieven die gelden voor de verlening van hulp bij het huishouden in Natura staan vermeld in de raamovereenkomst die gesloten is met de zorgaanbieder naar aanleiding van de aanbesteding die in 2009 heeft plaatsgevonden. Indien het recht op een persoonsgebonden budget betrekking heeft op een deel van een jaar dan bestaat er recht op een evenredig deel van het budget. Het PGB-uurtarief voor HH1 en HH2 wordt jaarlijks (aan het begin van het nieuwe kalenderjaar) opnieuw vastgesteld. Per 1 januari 2010 zijn er 2 mogelijkheden: de cliënt gaat een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer met iemand aan. In het eerste geval komt iemand bij je in dienst. Dan ontstaat er weer twee situaties: betrokkene werkt op minder dan 3 dagen of betrokkene werkt op meer dan 3 dagen voor je. Als het 3 of minder dagen zijn mag je bruto uitbetalen en moet iemand zelf zorgen voor afdracht van belasting, voor eventuele verzekering tegen ziekte, enz. Werkt iemand meer dan 3 dagen dan ben je als werkgever ook verantwoordelijk voor de afdracht van belastingen en verplichte premies voor diverse verzekeringen, zoals doorbetaling bij ziekte of werkloosheid. In deze beide situaties moet het minimum (jeugd)loon in ieder geval betaald worden. Ga je een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer aan dan zal het veelal gaan op een zzp-er, een zelfstandige zonder personeel en ben je niet gebonden aan het minimum (jeugd)loon en hoef je geen afdrachten te doen. Budgethouders kunnen gratis gebruik maken van het servicepunt van de Sociale Verzekeringsbank. Dit servicepunt kan alle zaken regelen waar de budgethouder als werkgever voor staat. Meer informatie is te vinden op http://www.svb.nl/internet/nl/regelingen/pgb/index.jsp. Voorzieningen Met betrekking tot de voorzieningen zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. Daarbij moet het bedrag voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en dus de bestaande problemen voldoende te compenseren. De kosten van de voorziening, als de voorziening in natura zou worden verstrekt, zijn daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. De kosten voor onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover deze betrekking hebben op de goedkoopste adequate voorziening, komen op basis van declaratie in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming. Dit geldt ook voor de kosten met betrekking tot het afsluiten van een onderhoudscontract. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura (als koopvoorziening) zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. Is dat niet het geval dan zal beoordeeld moeten worden of niet het volledige bedrag zonder korting vergoed zal moeten worden, omdat anders het te bereiken resultaat onbereikbaar wordt. Voor bepaalde, veel voorkomende en eenvoudige aanpassingen van niet-bouwkundige en niet-woontechnische aard, worden vaste bedragen gehanteerd, omwille van een snelle afhandeling van de aanvraag en voorkomen van bureaucratische rompslomp. Het betreffen de volgende voorzieningen: verhoogd toiletpot 6+ € 263 verhoogd toiletpot 10+ € 265 handgreep 300mm € 54 handgreep 400mm € 55 handgreep 500mm € 57 handgreep 600mm € 59 Toiletbeugel niet opklapbaar 700mm € 109 Toiletbeugel niet opklapbaar 800mm € 110 Toiletbeugel opklapbaar 600mm € 125 Toiletbeugel opklapbaar 700mm € 126 Toiletbeugel opklapbaar met poot 700mm € 144 Toiletbeugel opklapbaar 800mm € 126 Toiletbeugel opklapbaar met poot 800mm € 144 opklapbaar douchestoeltje, inclusief losse steunpoten € 325 losse douchestoel € 132 anti-slip vloer, 5m2 € 350 voorrijkosten Slipsafe € 250 De bedragen zijn inclusief manuren, klein materiaal en BTW. 1.5 Uitbetaling van het persoonsgebonden budget Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven program van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid over de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, waardoor het te bereiken resultaat, het compenseren van problemen, niet bereikt wordt, wat op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een program van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat program van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK of door de gemeente (c.q. uitvoeringsorganisatie), wordt de cliënt daarover in de af te geven beschikking geïnformeerd. Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Om de betaling overzichtelijk te houden zou er voor gekozen kunnen worden dit persoonsgebonden budget per kwartaal of per half jaar beschikbaar te stellen. Daarbij zal er rekening mee moeten worden gehouden dat bij betaling over een lange periode uitsluitend betaling achteraf problemen kan opleveren. Betaling per voorschot, of aan het begin van de periode, ligt dan voor de hand. Hierbij zullen de volgende regels worden gehanteerd bij een budget: tot € 2.637,00 per jaar => 1 x per jaar; van € 2.637,00 – € 5.272,00 per jaar => 2 x per jaar; van € 5.272,00 – € 26.360,00 per jaar => 4 x per jaar; hoger dan € 26.360,00 per jaar => 1 x per maand. De wijze van verantwoording en controle van het persoonsgebonden budget worden vermeld in de paragrafen 1.6 en 1.7. 1.6 Verantwoording De cliënt dient zijn bestedingen wel te verantwoorden. Hiervoor wordt er een onderscheid gemaakt tussen eenmalige voorzieningen en periodieke voorzieningen. De eenmalige voorzieningen zijn de voormalige Wvg-voorzieningen en onder de periodieke voorzieningen worden de voorzieningen verstaan die betrekking hebben op hulp bij het huishouden. De verantwoording heeft als primair doel om vast te kunnen stellen of het budget op de juiste manier is aangewend. Bij eenmalige voorzieningen. Cliënten met een PGB voor (een) eenmalige voorziening(
- en)boven de € 528,00 per kalenderjaar dienen de nota’s in te leveren bij de gemeente. Dit hoeft niet bij de eenmalige voorzieningen onder de € 528,00. Bij periodieke voorzieningen. Algemeen: De hulpverlener dient dit formulier binnen 2 weken na afloop van de betreffende periode bij de cliënt in te leveren. De cliënt dient het verantwoordingsformulier inclusief de bijbehorende stukken binnen 4 weken na afloop van de desbetreffende periode bij de uitvoeringsorganisatie in te leveren. Een cliënt met een PGB voor hulp bij het huishouden (HH) van € 2.637,00 of minder dient één keer per jaar verantwoording af te leggen (door middel van een vastgesteld verantwoordingsformulier). Cliënten met een PGB HH van meer dan € 2.637,00 per jaar dienen dit per kwartaal te doen, door middel van een vastgesteld formulier. Cliënten met een PGB voor huishoudelijke verzorging hoeven over 1,5% van het netto PGB geen verantwoording af te leggen. Hierbij geldt een minimum van € 263,00 per kalenderjaar en een maximum van € 1.318,00 per kalenderjaar. Dit bedrag is bestemd voor kleine uitgaven zoals postzegels, plaatsen van personeelsadvertenties, etc. 1.7 Controle In totaal zal 5% van het aantal cliënten met een PGB voor eenmalige voorzieningen en 5% van het aantal cliënten met een PGB voor periodieke voorzieningen steekproefsgewijs worden gecontroleerd. Bij de controle van de besteding van het PGB beoordeelt de gemeente of de cliënt heeft voldaan aan het programma van eisen. Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening; of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen. Steekproefsgewijs zal het College bepalen bij welke budgethouders deze stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het College overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. 1.8 Terugvordering 1.8.1. Bij eenmalige voorzieningen Indien cliënten met een PGB boven de € 528,00 het PGB niet volledig besteden en het verschil tussen het toegekende PGB en het bestede PGB groter is dan 10%, dan zal de gemeente het niet-bestede PGB boven deze 10% terugvorderen. Verschillen kleiner dan 10% van het toegekende budget worden niet teruggevorderd, omdat enerzijds de kosten hoger liggen dan de baten en anderzijds omdat de cliënt ook kosten heeft moeten maken om een voorziening in eigen beheer aan te schaffen (reiskosten, administratiekosten, etc.). Als een PGB-houder zijn budget echter uitgeeft aan zaken die zijn beperkingen niet of onvoldoende compenseren en om die reden opnieuw bij de gemeente aanklopt, kan er verwacht worden dat het budget teruggevorderd wordt omdat het niet besteed is aan het doel waarvoor het is gegeven. Om aan de compensatieplicht te voldoen, kan er vervolgens een verstrekking in natura plaatsvinden. 1.8.2. Bij periodieke voorzieningen. Als de PGB niet volledig aan de zorg is besteed, dan mag het niet uitgegeven bedrag, met een maximum van 10% van het bruto PGB meenemen naar het volgende kalenderjaar. Dat geld kan in het volgende kalenderjaar aan zorg besteed worden. Dit kan alleen als zowel op 31 december als op 1 januari van het volgende kalenderjaar een PGB is toegekend. Voorbeeld: Mevrouw X heeft gedurende een kalenderjaar een bruto PGB van € 10.000,00 ontvangen. Mevrouw X heeft € 8.000,00 uitgegeven aan zorg. Eigenlijk zou zij € 2.000,00 terug moeten betalen. Het vrij te besteden bedrag is voor mevrouw X € 263,00. Mevrouw X heeft daarom maar € 1.737,00 niet besteed aan zorg. Zij mag 10% van € 10.000,00 (€ 1.000,00) overhevelen naar het volgende kalenderjaar. Het restant van € 737,00 wordt teruggevorderd. 1.8.3. Algemene bepalingen bij de terugvorderingsprocedure bij eenmalige en periodieke voorzieningen Minnelijk traject Wanneer overgegaan dient te worden tot terugvordering, dan dient belanghebbende door middel van een minnelijk traject overtuigd te worden van de onterechte betaling om vervolgens te komen tot een terugbetalingsregeling waarbij, gezien de hoogte van het bedrag, terugbetaling ineens dan wel in een beperkt aantal termijnen plaatsvindt. Kruimelbedrag Wanneer het minnelijk traject geen terugbetaling oplevert, dient naar het bedrag van terugvordering gekeken te worden. Onder een bedrag van € 115,00 wordt niet teruggevorderd. Het bedrag ad € 115,00 sluit aan bij het eigen vastgestelde terugvorderingsbeleid op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Verwijtbaarheid gemeente Wanneer er sprake is van het onterecht verstrekken van een voorziening of een vergoeding als gevolg van een onjuiste beoordeling door de gemeente dient door de gemeente de keuze gemaakt te worden of er afgezien wordt van terugvordering. Had de cliënt dit redelijkerwijs kunnen weten, met andere woorden dat hij wist dat hij het ten onrechte had gekregen, dan dient wel tot terugvordering worden overgegaan. Bijzondere omstandigheden In bepaalde situaties kan van terugvordering worden afgezien. Dit dient individueel beoordeeld te worden. Executoriale titel Een Wmo-terugvorderingsbeschikking levert geen executoriale titel op. Deze titel kan worden verkregen via de civiele rechter. Hiervoor zijn kosten verschuldigd. Daarnaast zijn er ook uitvoeringskosten. De proceskosten dienen verhaald te worden op de cliënt. Dit betekent dat dit in het verzoekschrift opgenomen moet worden. De kosten kunnen worden verhaald wanneer de kantonrechter met het verzoek om deze kosten te verhalen heeft ingestemd. Bij een Rechtbankprocedure dient een gedegen afweging te worden gemaakt of de te maken kosten opwegen tegen het eventueel te behalen resultaat. Wanneer de executoriale titel is verkregen kan de gemeente niet zelf tot beslaglegging overgaan. Bij volharding van niet betalen dient de deurwaarder ingeschakeld te worden. Dit brengt kosten met zich mee. Deze kosten, maar ook rentekosten kunnen verhaald worden op de cliënt. Dit betekent eveneens dat dit in het verzoekschrift opgenomen moet worden. De kosten kunnen worden verhaald wanneer de kantonrechter/rechtbank met het verzoek om deze kosten te verhalen heeft ingestemd. 1.8.4. Specifieke terugvorderingsprocedure bijverhuizing, overlijden en niet-gebruik van een PGB? Hoe te handelen bij overlijden. Werkwijze: Verantwoordingsdocumenten (voor zover deze nog niet zijn ingeleverd) zullen bij de nabestaande(
- n)opgevraagd worden. Er zal berekend worden op welk bedrag cliënt recht had tot datum overlijden. Er zal bekeken worden welk bedrag is verantwoord door cliënt en of dit juist is. Cliënt had zelf de verantwoording m.b.t. budget, m.a.w. hij mocht bepalen wanneer en hoe hij dit zou inzetten, als het maar conform de gestelde eisen was. Hij mocht dus de ene periode meer inzetten dan de andere periode. Is het bedrag onder Ac. hoger dan Ab., dan wordt maximaal het verschil tussen verstrekte PGB en Ac teruggevorderd, rekening houdend met de rekenregels uit de beleidsregels (pag. 8 en 9). Ook wordt het definitieve PGB vastgesteld. Is het bedrag onder Ac. lager dan Ab., dan wordt maximaal het verschil tussen de verstrekte PGB en Ab. teruggevorderd, rekening houdend met de rekenregels uit de beleidsregels (pag. 8 en 19). Ook wordt het definitieve PGB vastgesteld. Definitief PGB wordt aan het CAK doorgeven (ingangsdatum PGB tot datum overlijden). Hoe te handelen bij verhuizing Werkwijze: Verantwoordingsdocumenten (voor zover deze nog niet zijn ingeleverd) zullen worden opgevraagd. Er zal worden berekend op welk bedrag cliënt recht had tot datum verhuizing Er zal worden bekeken welk bedrag is verantwoord door cliënt en of dit juist is. Cliënt had zelf de verantwoording m.b.t. budget, m.a.w. hij mocht zelf bepalen wanneer en hoe hij dit zou inzetten, als het maar conform de gestelde eisen was. Hij mocht dus de ene periode meer inzetten dan de andere periode. Is het bedrag onder Bc. hoger dan Bb., dan wordt maximaal het verschil tussen het verstrekte PGB en Bc. teruggevorderd, rekening houdend met de rekenregels uit de beleidsregels (pag. 8 en 9). Ook wordt het definitieve PGB vastgesteld. Is het bedrag onder Bc. lager dan Bb., dan wordt maximaal het verschil tussen de verstrekte PGB en Bb. teruggevorderd, rekening houdend met de rekenregels uit de beleidsregels (pag. 8 en 9). Ook wordt het definitieve PGB vastgesteld. Einddatum plus nieuw(
- e)bedrag(
- en)wordt doorgeven aan CAK. CAK betaalt namelijk bij verhuizing de eigen bijdrage vanaf moment verhuizing aan de nieuwe gemeente door. Hoe te handelen bij gedeeltelijk niet inzetten van PGB gedurende een bepaalde periode Door omstandigheden (ziekte, geen zorgpersoneel beschikbaar, etc.) kan het voorkomen dat gedurende een bepaalde tijd geen zorg wordt ingekocht. Wanneer dit aan het begin van de “PGB-periode” is kan ervoor gekozen worden om de ingangsdatum te verplaatsen naar de daadwerkelijke datum van inzet. Wanneer tijdens de “PGB-periode” gedurende bepaalde tijd geen PGB ingezet wordt is het uiteraard niet mogelijk om de einddatum of ingangsdatum aan te passen. 1. Ingangsdatum is anders dan op de beschikking: Cliënt kiest ervoor om met ingang van een bepaalde datum een PGB aan te vragen, omdat hij/zij huishoudelijke hulp nodig heeft. Wanneer de PGB wordt toegekend en het is niet mogelijk dat de PGB gelijk ingezet wordt, dan is dat in principe een risico voor de cliënt. Hij kiest er immers voor om de PGB per een bepaalde datum aan te vragen. Cliënt moet echter wel een eigen bijdrage betalen over de periode dat de PGB niet is ingezet. Wij kunnen echter bij een eventuele terugvordering wel rekening houden met de verschuldigde eigen bijdrage. Voor de cliënt maakt het dan ook niets uit of wij de ingangsdatum wel of niet verschuiven. Voor de gemeente maakt het wel uit, omdat bij verschuiving van de ingangsdatum er extra administratieve rompslomp is, namelijk: aanpassing beschikking, aanpassing bedrag PGB, correctie CAK etc. 2. Gedurende de PGB-periode gedeeltelijk geen gebruik maken van PGB: Wanneer cliënt gedurende de periode van de PGB een bepaalde periode geen gebruik van kan maken (bijv. door opname ziekenhuis, vakantie, etc.), dan dient de volgende werkwijze toegepast worden. Werkwijze: Verantwoordingsdocumenten (voor zover deze nog niet zijn ingeleverd) zullen worden opgevraagd. Er zal worden berekend op welk bedrag cliënt recht had gedurende de PGB-periode. Er zal worden bekeken welk bedrag is verantwoord door cliënt en of dit juist is. Cliënt had zelf de verantwoording m.b.t. budget, m.a.w. hij mocht zelf bepalen wanneer en hoe hij dit zou inzetten, als het maar conform de gestelde eisen was. Hij mocht dus de ene periode meer inzetten dan de andere periode. Is het bedrag onder C2c. hoger dan C2b, dan zal maximaal het verschil tussen verstrekte PGB en C2c worden terugggevorderd, rekening houdend met de rekenregels uit de beleidsregels (pag. 8 en 9). Ook zal het definitieve PGB worden vastgesteld. Is het bedrag onder C2c. lager dan C2b, dan wordt maximaal het verschil tussen verstrekte PGB en C2b. teruggevorderd, rekening houdend met de rekenregels uit de beleidsregels (pag. 8 en 9). Ook zal het definitieve PGB worden vastgesteld. Nieuw(
- e)bedrag(
- en)zullen worden doorgeven aan het CAK. 1.9 Verplichtingen PGB-houder. Algemeen. Iedere PGB-houder dient aan de volgende verplichtingen te voldoen: De PGB-houder mag het PGB alleen gebruiken voor de voorziening waarvoor het is bedoeld; De PGB-houder mag alleen een kwalitatief verantwoorde voorziening inkopen; De PGB-houder moet wijzigingen in zijn omstandigheden direct melden aan de gemeente. Hulp in het huishouden. Cliënten met een PGB voor hulp bij het huishouden dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen: De PGB-houder moet zorg dragen voor een schriftelijke overeenkomst met de Zorgverlener (door beiden ondertekend); De PGB-houder moet met de zorgverlener afspreken dat deze een declaratie bij de PGB-houder indient binnen twee weken na de maand waarin de zorg is verleend op straffe van niet betaling; De PGB-houder dient binnen vier weken na de maand waarin de zorg is verleend, het verantwoordingsformulier aan de uitvoeringsinstantie op te sturen. De PGB-houder moet met de zorgverlener overeenkomen dat op de door of namens de zorgverlener ondertekende declaratie het aantal betaalde uren, het uurtarief, het BSN-nummer en de naam en het adres van de zorgverlener staan vermeld; De PGB-houder moet de overeenkomsten, de declaraties, de betaalbewijzen en de nota’s gedurende zeven jaar bewaren en als daarom wordt gevraagd, opsturen naar de gemeente; Eenmalige voorzieningen. Cliënten met een PGB voor hulpmiddelen dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen: De aangeschafte voorziening dient te voldoen aan het programma van eisen (rov-formulier); De cliënt dient de nota van de gevraagde voorziening binnen 6 maanden na verstrekking van het PGB bij de gemeente in te leveren; Bij de voorziening is het verplicht om een onderhouds- en servicecontract af te sluiten voor de gebruiksduurperiode van het hulpmiddel; In geval van een elektrische rolstoel of een scootmobiel is het verplicht om minimaal een aansprakelijkheidsverzekering (WA) af te sluiten gedurende de gebruiksduur van het hulpmiddel; Cliënt dient bij aanschaf van een luxer hulpmiddel dan het geïndiceerde de meerkosten van onderhoud en reparatie zelf te betalen (meerkosten is verschil tussen onderhoud- en reparatiekosten van het geïndiceerde hulpmiddel én luxere hulpmiddel); De voorziening dient te voldoen aan de vigerende NEN-EN / ISO / CE / EMC-normen; De voorziening dient aangeschaft te worden bij een erkende leverancier ofindien de voorziening tweedehands op de particuliere markt wordt aangeschaft dient deze gecontroleerd c.q. gekeurd te worden op mankementen en staat van onderhoud door een erkend leverancier; Het hulpmiddel dient binnen een maand na beëindiging gebruik (wanneer het hulpmiddel binnen de normale gebruiksduur niet langer wordt gebruikt) teruggegeven te worden aan de gemeente c.q. gecontracteerde leverancier (bij huren hulpmiddelen), omdat zij dan het eigendom terugkrijgt. Het restwaardebedrag dient betaald te worden, wanneer de cliënt het hulpmiddel wenst te houden. Het hulpmiddel dient binnen een maand na verhuizing naar een instelling waar de hulpmiddelen onder de AWBZ vallen (bijvoorbeeld een verpleeghuis) teruggegeven te worden aan de gemeente c.q. gecontracteerde leverancier (bij huren hulpmiddelen), omdat zij dan het eigendom terugkrijgt. Het restwaardebedrag dient betaalt te worden, wanneer de instelling de voorziening wil overnemen. Bij verhuizing naar een andere gemeente kan de cliënt de voorziening behouden en gaat het eigendom niet over naar de gemeente waaruit de cliënt vertrekt. Hoofdstuk2Woonvoorzieningen Artikel 4 Wmo spreekt van: “a. een huishouden te voeren”, onder welke regel in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 zowel wordt verstaan de woonvoorziening als de hulp bij het huishouden. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de woonvoorzieningen. 2.1 Aan te passen woonruimten De volgende woonruimten of gedeelte(
- n)van een woongebouw kunnen worden aangepast: een woning; een woonwagen; een woonschip; gemeenschappelijke ruimte. Ad a. Woning: Onder woning wordt verstaan een zelfstandige woning, een aangewezen wooneenheid of woonwagen. Een zelfstandige woning is een woning, voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Met eigen toegang wordt bedoeld, dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren, waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn. Ad b. Woonwagen: Onder een woonwagen wordt verstaan een wagen, die voortdurend of nagenoeg voortdurend als woning wordt gebruikt of daartoe is bestemd. De woonwagen moet staan op een erkende standplaats, dat wil zeggen op een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn, die op het openbare leidingnet van de openbare nutsbedrijven zijn aangesloten. Ad c. Woonschip: Onder een woonschip wordt verstaan een schip, uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebruikt of tot woning bestemd, dat zich moet bevinden op een door de gemeente aangewezen ligplaats. Ad d. Gemeenschappelijke ruimte: Onder gemeenschappelijke ruimte wordt verstaan een gedeelte of gedeelten van een woongebouw, niet behorend tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de gehandicapte vanaf de toegang van het woongebouw te bereiken en andere gemeenschappelijke ruimten die onder het gehuurde vallen en/of waarvan de gehandicapte gebruik moet kunnen maken. 2.2 Soorten woningaanpassingen De woningaanpassingen kunnen worden onderscheiden in: bouwkundige aard (bijvoorbeeld: realiseren aanbouw met slaapkamer en natte cel, rolstoelberging, vergroten douche, vergroten toilet, verbreden deuren). Bouwkundige voorzieningen worden altijd als financiële tegemoetkoming in eigendom of als pgb verstrekt; woontechnische aard (bijvoorbeeld, traplift, verhoogde toiletpot, aangepaste keukens e.d.). Woontechnische voorzieningen kunnen als financiële tegemoetkoming en/of PGB worden verstrekt. Bij verstrekking als financiële tegemoetkoming wordt de voorziening eigendom van de eigenaar van de woning. De voorziening kan bij het einde van het gebruik weer in eigendom terugkomen bij de gemeente/ISDzwf (retentierecht). niet bouw(kundige)- of woontechnische aard (roerende woonvoorzieningen). Het betreft hier bijvoorbeeld: 1. woningsanering in verband met CARA; 2. hulpmiddelen bij het baden, douchen, wassen (bijvoorbeeld: douchestoel, wegklapbare armsteunen en handgrepen). Deze voorzieningen kunnen zowel als persoonsgebonden budget of in natura verstrekt worden. De verstrekking kan in eigendom of in bruikleen plaatsvinden. De hulpmiddelen moeten langdurig (over het algemeen meer dan 6 maanden) nodig zijn. Gaat het om een termijn van minder dan 6 maanden dan worden zij verstrekt vanuit de Thuiszorg (hulpmiddelencentrum). 2.3 Uitsluitingen Voor alles zal bepaald moeten worden of één van de uitsluitingen van artikel 17 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 van toepassing is: De tekst van artikel 17 luidt: De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op: het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; het treffen van voorzieningen in woongebouwen, die specifiek gericht zijn op mensen met aantoonbare beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat reeds voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimten of dat voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand mogelijk. Beoordeeld kan worden in hoeverre losse voorzieningen tijdelijk kunnen worden verstrekt, bijvoorbeeld indien een aanvrager tijdelijk in een vakantiewoning zit in afwachting van een andere woning. 2.4 Vormen van woonvoorzieningen Artikel 12 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken, namelijk als: algemene woonvoorziening; woonvoorziening in natura; persoonsgebonden budget; financiële tegemoetkoming. 2.5 Algemene woonvoorzieningen Artikel 13 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan de criteria “aantoonbare beperkingen” en een aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening in aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel en adequaat op kan lossen. De algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 bedoeld voor situaties betreffende oplossingen die van korte duur zijn, direct beschikbaar zijn, lichte, niet complexe zorg/voorzieningen of betrekking hebben op incidentele (zorg)behoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Gaat het om een algemene voorziening, dan zal geen aanvraag worden ingediend. Een melding bij het loket is voldoende. Na een beperkte toets zal geregeld worden dat de algemene woonvoorziening wordt gerealiseerd. Momenteel kent de gemeente nog geen algemene woonvoorzieningen. Deze kunnen in de toekomst worden ontwikkeld, zodat deze vorm van verstrekking reeds in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 is opgenomen. Zolang er geen algemene voorziening is gerealiseerd, dit niet de oplossing is voor het woonprobleem, of als de aanvrager die niet wenst, zal de aanvrager een aanvraag voor een woonvoorziening moeten indienen. In dat geval komen de onder b, c en d van artikel 12 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 genoemde verstrekkingsmogelijkheden in aanmerking. Onder deze verstrekkingsmogelijkheden kunnen de volgende concrete voorzieningen vallen: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een niet-bouwkundige of niet-woontechnische woonvoorziening; een uitraasruimte. 2.6 Primaat verhuizing Artikel 15 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. Artikel 4.7 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 regelt dat het primaat van verhuizing niet speelt bij een woningaanpassing, waarbij de kosten lager zullen zijn dan een bedrag van € 7.178,00, ook al zou verhuizing een goedkopere en even adequate oplossing zijn. In de Wvg-jurisprudentie was het hanteren van het primaat van de verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep. Onder de Wmo wordt ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt ter compensatie van woonproblemen. Het verschil tussen Wvg en Wmo betekent dat veel meer beoordeeld moet worden of in deze concrete situatie van deze persoon gevraagd mag worden te verhuizen. Want bij het hanteren van het primaat van de verhuizing gaat het om een financiële afweging van de kant van de gemeente. In feite gaat het bij het hanteren van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate oplossing. Aan de andere kant van de afweging zal rekening gehouden moeten worden met de individuele behoeften en wensen van de aanvrager. Zonder een afgewogen beoordeling van het één tegenover het ander zal een besluit snel als onzorgvuldig beoordeeld worden! Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting voldaan. Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. - De snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd. De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit de Wvg-/Wmo jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. - Rekening houden met sociale factoren. Sociale omstandigheden waarmee het College rekening houdt zijn bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de gehandicapte kan een rol spelen in het afwegingsproces, met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden moeten in het indicatie-onderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), kunnen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan hebben. Met de wetswijziging per 1 januari 2010 heeft in artikel 4 Wmo een kleine toevoeging plaatsgevonden. Na “en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen” wordt ingevoegd: “waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie”. Dit bij amendement in de wetswijziging ingebrachte onderdeel is bedoeld om een normale “wooncarrière” mogelijk te maken, ook als er wordt verhuisd van een adequate naar een minder- of inadequate woning. Hierbij gelden uiteraard wel voorwaarden: deze wijziging kan geen vrijbrief zijn zomaar naar elke zeer ongeschikte woning te verhuizen. Er mag verwacht worden dat voordat tot koop of huur overgegaan wordt, overleg met de gemeente wordt gevoerd. - Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de gehandicapte. Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het gebied van de woonlasten en de financiële middelen van de aanvrager, maakt het College een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen. - Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte. Het College maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: * Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; * Welke kosten gaan gepaard met verhuizing? de kosten van het verhuizen; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de woning; een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen. - De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing. Er kan ook rekening gehouden worden met het feit dat een aan te passen koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om voor hergebruik in aanmerking te komen. * De gemeente kan een bijdrage verstrekken voor de verhuizing en herinrichting. * Een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor eigen woningen. * De gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te krijgen. * Het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte. Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele belanghebbende aangepast worden. Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten dan aanpassingenaan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging dan ook een rol van belang. Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizing aanpassen. Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het College of er van uit kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren. Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een verhuiskostenvergoeding zal veelal in de vorm van een gemaximeerde financiële tegemoetkoming worden toegekend. Dit is in vier situaties mogelijk aan de orde: De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden aangepast; Voor het vrijmaken van een ingrijpend aangepaste woning door een persoon die in een aangepaste woning woont. Een ingrijpend aangepaste woning is een woning die tenminste voor € 7.178,00 op grond van de RGSHG, Wvg of Wmo is aangepast. Kleine woningaanpassingen in de nieuw te betrekken woning kunnen wel plaatsvinden, voor zo ver deze kosten, tezamen met de verhuiskostenvergoeding, het goedkoopst zijn. De verhuiskostenvergoeding wordt uitbetaald na inlevering van nota’s tot maximaal € 2.393,00. Alleen kosten die direct betrekking hebben op de verhuizing komen in aanmerking voor vergoeding. Te denken valt aan de kosten van huur voor een verhuisauto, verf, behang, vloerbedekking, oversluitkosten voor telefoon en nutsvoorzieningen. Uitgegaan wordt van “de goedkoopst-adequate voorziening”. Om laatstgenoemde vast te kunnen stellen, wordt de Nibud Prijzengids gehanteerd. Kosten voor aanschaf van inrichtingselementen, zoals meubels, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Lemsterland: In het geval de bewoner verhuist om daarmee de woning vrij te maken voor een gehandicaptebedraagt de verhuiskostenvergoeding maximaal € 3.638,00. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren (levensloop). Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen wordt geen tegemoetkoming verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals in artikel 19, aanhef en onder g en h van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 wordt bepaald. Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan worden verstrekt wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate wijze kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning (ADL = Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen) en evenmin in situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het College of na overleg met het College gebeurt, is er aanspraak op een tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten. Omdat de doelgroep van de Wmo groter is dan uitsluitend de personen die ten gevolge van een handicap problemen hebben met het normale gebruik van de woning is het de vraag welke psychosociale redenen aanleiding zouden kunnen zijn voor het toekennen van een verhuiskostenvergoeding. Psychosociale problemen, die verder zullen moeten gaan dan een burenruzie, zullen geobjectiveerd moeten worden door een arts, een psychiater of een gedragsdeskundige zoals een psycholoog of (ortho)pedagoog. Hierbij zal advies gevraagd worden aan onafhankelijke beoordelaars, niet aan de behandelende deskundigen. Het College verstrekt in beginsel geen tegemoetkoming in de kosten voor verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan, is dat reden voor afwijzing. 2.7 Primaat losse woonunit Is het primaat van verhuizing niet van toepassing, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit (artikel 16): “Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingenbehoefte hebben aan een dergelijke woning, zal het College een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan.” Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het program van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Ook bij het toekennen van een losse woonunit staat het resultaat centraal, dat wil zeggen dat beoordeeld zal moeten worden of de losse unit de problemen met bij het normale gebruik van de woning voldoende oplost. De weerstand tegen losse woonunits kan groot zijn. Ook op dit punt zal weer een zorgvuldige afweging gemaakt moeten worden. Maar anders dan bij het primaat van de verhuizing zal het in deze situatie minder snel voorkomen dat afgezien zal moeten worden van het plaatsen van een losse unit. In principe zal de oplossing immers gelijk kunnen zijn aan een aanbouw. Het verschil zal primair gelegen zijn in het gegeven dat de woning niet blijvend van een aanbouw voorzien zal zijn. Maar om voor een bepaalde aanvrager het resultaat te bereiken dat zijn woonprobleem opgelost is, hoeft die oplossing niet langer te bestaan dan de band tussen de woning en de gehandicapte bestaat. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. 2.8 Overige (bouwkundige/niet-bouwkundige) voorzieningen De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Soms zullen deze voorzieningen vergoed worden vanuit de Zorgverzekeringswet, soms zal men de therapeutische effecten ook kunnen bereiken door de therapie elders te ontvangen. Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. De uitraasruimte zal later besproken worden. Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Daarbij is uitgangspunt dat het resultaat – als dat binnen redelijke grenzen mogelijk is – bij voorkeur zelf bereikt moet kunnen worden. Als iemand in staat is een maaltijd klaar te maken voor zichzelf en het gezin en dat naar verwachting nog jaren kan doen, zal een aangepaste keuken de voorkeur verdienen boven maaltijdvoorziening. Dit kan anders zijn als het gaat om een alleenstaande oudere die geen plezier meer heeft in het koken: dan kan maaltijdvoorziening juiste een heel goede oplossing zijn. Hetzelfde geldt voor de lichaamsreiniging. Uitgangspunt is dat men zichzelf kan douchen. Maar wie terminaal is zal wellicht voor korte tijd op bed gewassen worden. Verder wordt – conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de eerdere WVG en de huidige Wmo beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. 2.9 Begrenzingen woonvoorzieningen 2.9.1 Hoofdverblijf Artikel 18 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 bepaalt in lid 1: “Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.” Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkenezijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in degemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven Ook kan het gaan om het feitelijke woonadres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. De woningaanpassing behoort verzorgd te worden door de gemeente waarheen verhuisd zal gaan worden. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Artikel 18 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel: “In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het College in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning vast te leggen maximumbedrag. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan: het middels een woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Deze afwijking is overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 opgenomen, aangezien met invoering van de Wmo niet is beoogd het regime van de Wvg-woonvoorzieningen uit te breiden of te beperken. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend in artikel 18 lid 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk worden opgevat: het gaat niet om gebruiken, maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, hetgeen niet past bij een bovenwettelijke taak. De tegemoetkoming in de kosten is begrensd tot € 2.393,00. Gekozen is voor een beperkte benadering, om te voorkomen dat in deze – bovenwettelijke – situatie meer gedaan zou moeten worden dan in situaties waarin wel sprake is van een compensatieplicht. Bovendien kan er van uitgegaan worden dat ouders als zij gaan verhuizen van een voor hun kind in het verleden geschikt gemaakte woning, rekening houden met het kunnen bezoeken van hun kind, ook in de nieuwe woning. 2.9.2 Aanpassingen van woonwagens en woonschepen De woonvoorziening is inclusief eventuele aanpassingen aan de stand- of ligplaats van woonwagen of woonschip. Hierbij is vereist dat: de woonwagen op het moment van indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening, binnen de gemeente op een erkende standplaats staat of zal worden geplaatst; het woonschip moet zijn gelegen op een door de gemeente aangewezen ligplaats; de hoofdbewoner in het bezit is van een bewonersvergunning als bedoeld in de Woningwet; de stand- of ligplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt; de technische levensduur nog minimaal 5 jaar is. Als de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip minder is dan vijf jaar of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet op zijn minst nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, bedragen de voor een tegemoetkoming in aanmerking komende aanpassingskosten maximaal € 958,00. Een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget in de aanpassingskosten van een binnenschip wordt slechts verleend, indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit (Stb. 1987, 466), van een binnenschip, dat: in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de maatregel teboekgestelde schepen 1992; en bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens meetbrief bedoeld in het metingsbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef bedoelde verblijfsruimte. 2.9.3 Overige beperkingen woonvoorzieningen Als het gaat om woonvoorzieningen is er nog een aantal begrenzingen, zoals in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 vastgelegd in artikel 19: De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de huidige woning ten gevolge van aantoonbare beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar aantoonbare beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het College; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend voor zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft; de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ- instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg; in de verlaten woonruimte geen problemen bestonden met het normale gebruik van de woning; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. Lemsterland: Hier luidt artikel 19 lid d als volgt: de woonvoorziening, zijnde een verhuiskostenvergoeding, aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak en er in de te verlaten woning geen sprake is van ergonomische beperkingen. De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en/of geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan worden verstaan het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. Onder b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder
- of)niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is onder punt c vastgelegd. De voorzieningen beperken zich tot het toegankelijk maken van het hoofdverblijf; andere voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. De keuze voor de limitatieve lijst moet natuurlijk wel te motiveren zijn. En in uitzonderlijke situaties kan altijd gebruik gemaakt worden van de hardheidsclausule. Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot afwijzing. Uiteraard moet hier zorgvuldig onderzoek plaatsvinden en een gedegen afweging ten grondslag liggen aan een besluit. Lemsterland: Op grond van een motie van de NCPN is het artikel 19 lid d in Lemsterland iets afwijkend. In de praktijk zijn er geen verschillen, omdat gezien de toelichting die hierboven staat, op dezelfde wijze gewerkt wordt. De laatste punten, onder e tot en met i, ten slotte, zijn bij de verhuiskostenvergoeding (zie paragraaf 2.6) al besproken. 2.10 Overige woonvoorzieningen 2.10.1 Uitbreiding van ruimten Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Het gaat dan om het maximaal te realiseren aantal vierkante meters, bestaand en uitbreiding tezamen genomen. Het betreft dus niet uitsluitend de uitbreiding. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden: Soort vertrek Bestaand Uitbreiding woonkamer 30 6 keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 10 4 2 persoonsslaapkamer 18 4 toiletruimte 2 1 badkamer -wastafelruimte 2 1 -doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 berging 6 4 Het aantal m2 verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20 m2. Het aantal m2 verharding ten behoeve van de aanleg van een nieuw terras dan wel aanpassing van een bestaand terras direct bij een woonruimte dat ten hoogste voor de financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 6 m2. 2.10.2 Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld gaat het hier niet om inrichtingselementen. De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vaste voorziening. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen die in een slooppand wonen. Ook de kosten van onderhoud en reparatie van trapliften, tilliften etc. komen in aanmerking voor een financiële vergoeding. Deze zijn beschreven in hoofdstuk 1 voor een pgb-verstrekking. Deze gelden ook voor de naturaverstrekking. 2.10.3 Woningsanering in verband met CARA Financiële tegemoetkoming voor woningsanering Men kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA of COPD) noodzakelijk zijn. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het College kan hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkene(
- n)zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten. In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien: de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de aanvrager jonger is dan vier jaar. Geen vergoeding wordt verstrekt indien: het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert; indien een artikel is afgeschreven (in de regel na 8 jaar); bij verhuizing, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. Forfaitaire tegemoetkoming De forfaitaire tegemoetkoming bedraagt € 317,00 (peil 2010) die in beginsel slechts éénmaal per woning kan worden toegekend. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. 2.10.4 Verwijderen voorzieningen In gevallen waar het economisch verantwoord is om voorzieningen zoals: traplift, in hoogte verstelbare keuken, plafondlift etc. te verwijderen, economisch in de zin van hergebruik tegenover nieuw te plaatsen, kunnen de werkelijke kosten van het verwijderen voor vergoeding aan de eigenaar in aanmerking gebracht worden. Voor trapliften die als voorziening in natura in bruikleen zijn verstrekt geldt dat de verwijderingskosten worden vergoed. Dit geldt ook voor de voorzieningen die volgens gestelde voorwaarden bij verlening van een PGB of financiële tegemoetkoming weer terugkomen. Als de cliënt binnen de normale gebruiksduur naar een andere gemeente verhuist, vervalt het eigendom aan de gemeente/ISDzwf. 2.10.5 Kosten tijdelijke huisvesting Een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting kan worden verleend die door de gehandicapte moet worden gemaakt i.v.m. het aanpassen van zijn huidige woonruimte of de door de gehandicapte nog te betrekken woonruimte, alleen voor de periode dat de woonruimte ten gevolge van het verrichten van de woningaanpassing niet bewoond kan worden waardoor de gehandicapte voor dubbele woonlasten komt te staan. Een tegemoetkoming in de kosten in verband met tijdelijke huisvesting wordt alleen verleend als de gehandicapte redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten zou hebben. De maximale termijn dat een tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt bedraagt 6 maanden. In de hierboven bedoelde gevallen kan alleen een tegemoetkoming in de kosten worden verleend als deze kosten gemaakt werden i.v.m. het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte of het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte, of het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. De hoogte van de financiële tegemoetkoming bedraagt maximaal: € 479,00 per maand voor het tijdelijk betrekken of langer moeten aanhouden van een zelfstandige woonruimte en € 240,00 per maand voor het tijdelijk betrekken of langer moeten aanhouden van een niet-zelfstandige woonruimte. 2.10.6 Gederfde huurinkomsten In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor meer dan € 7.178,00 is aangepast, kunnen burgemeester en wethouders een financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal 6 maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt. De hoogte van de financiële tegemoetkoming bedraagt maximaal € 958,00 per maand. 2.10.7 De uitraasruimte De uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de wet zelf, maar is onder de Wmo omschreven in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010. Artikel 14, aanhef en onder d luidt dan ook: “De in artikel 12 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit: (……) d. een uitraasruimte.” Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Dat het uitsluitend om de persoon zelf gaat vloeit voort uit de algemene beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. 2.11 Procedure bij bouwkundige aanpassing Procedure aanvraag woningaanpassing Vaststellen programma van eisen Nadat de aanvraag is ingediend en is vastgesteld wat de beperkingen zijn en welke belemmeringen daarvan het gevolg zijn die opgelost moeten worden, wordt een indicatie gesteld, waarbij een functionaris met ergonomische, sociale en bouwtechnische deskundigheid een programma van eisen voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. De woningeigenaar vraagt op basis van dat programma van eisen minimaal 3 offertes bij een aannemer op. Dit kan pas na de bouwvergunning. Het College beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt. De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming of als basis geldt voor het vaststellen van de financiële tegemoetkoming. Het College geeft toestemming Het College geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing, op voorwaarde dat niet reeds zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget betrekking heeft. De eigenaar voert uit De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen. Het College controleert Het College verleent slechts een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing indien de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats. De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren. Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de woningeigenaar. Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 12 maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de woning, verklaart degene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald (de woningeigenaar) aan het College dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding). Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en betalingswijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden. Indien het gaat om duurdere woningaanpassingen kan gewerkt worden met het verstrekken van voorschotten. 2.12 Voorwaarden voor verstrekking pgb en uitbetaling financiële tegemoetkoming Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het College; Aan door het College aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing; Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de financiële tegemoetkoming of het pgb verklaart de gerechtigde van de financiële tegemoetkoming aan het College dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid comform het programma van eisen (PvE); De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming of definitieve vaststelling van het pgb; De gereedmelding, gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd. Naast deze voorwaarden gelden ook algemene voorwaarden bij verstrekking van een pgb, zie hiervoor hoofdstuk 1. 2.13 Kosten van woningaanpassingen De volgende kosten in het kader van een woningaanpassing kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van (het persoonsgebonden budget
- of)de financiële tegemoetkoming: De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening, bij een traplift is dit inclusief kosten onderhoud en reparatie; De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1997 en/of DNR 2005 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen. De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; De leges voorzover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens de tabel vermeld onder 2.4; De door het College (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening; Indien de gemeente ook de administratiekosten van de verhuurder wil vergoeden kan het volgende opgenomen worden: De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de kosten onder 1 tot en met 11 meer dan € 1.000,00 bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van € 350,00. 2.14 Opstalverzekering Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. 2.15 Vormen van verstrekking Een woningaanpassing van bouwkundige aard wordt in beginsel verleend in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Zoals in hoofdstuk 1 al is aangegeven verschilt deze vorm van verstrekking nauwelijks met die van een persoonsgebonden budget. Bij een herplaatsbare losse woonunit wordt de voorziening in natura (in bruikleen) of door middel van een persoonsgebonden budget verstrekt. Voor de overige woonvoorzieningen is de vorm van verstrekking in natura of als financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget mogelijk. Ongeacht de vorm van verstrekking geldt er geen eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten indien de aanpassingen gelden voor een minderjarig kind. 2.16 Standaardbedragen persoonsgebonden budget voor bepaalde woonvoorzieningen van niet-bouwkundige aard Een aantal kleine woningaanpassingen komt veelvuldig voor. Deze voorzieningen kunnen met een verkorte procedure en met een minimum aan bewijsstukken (zoals offerte) worden aangevraagd. Tevens geldt op grond van artikel 2.7 lid 3 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 bij woonvoorzieningen onder € 1.437,00 geen eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten. Voor bepaalde woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of -woontechnische aard hanteert het College standaardbedragen. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 1. Hoofdstuk3Het voeren van een huishouden, onderdeel hulp bij het huishouden 3.1 Inleiding De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over “een huishouden te voeren” Om een huishouden te voeren is het nodig om een geschikte woning te hebben en om die woning voor bewoning geschikt te houden. Wie niet in staat is dit zelf te doen of niet in staat is dit probleem zelf op te lossen of geen mogelijkheid heeft dat huisgenoten dit oplossen zal in aanmerking kunnen komen voor hulp bij het huishouden. Hulp bij het huishouden wordt in de Wmo “huishoudelijke verzorging” genoemd en omschreven in artikel 1, lid 1 onder h als: “het ondersteunen bij of overnemen van activiteiten op het gebied van de verzorging van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort”. De hulp bij het huishouden zal als resultaat hebben dat een aanvrager beschikt over een schoon huis dat leefbaar is voor hem en zijn gezinsgenoten. Bij alle activiteiten wordt uitgegaan van de dagelijkse gang van zaken, gebruikmakend van algemeen gebruikelijke hulpmiddelen (zoals schoonmaakmiddelen, een (af)wasmachine of een droger) op een gemiddeld via een systeem van normtijden vastgesteld niveau. Bij dit hoofdstuk is één bijlage opgenomen, namelijk de “Handreiking normering hulp bij het huishouden”. Ten aanzien van het criterium gebruikelijke zorg maken de volgende documenten (vastgesteld door het College) integraal onderdeel uit van deze beleidsregels: Protocol Gebruikelijke zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Indicatie-advisering Hulp bij het Huishouden van het CIZ. In het document worden drie categorieën benoemd. Categorie C valt bij de 8 gemeenten niet onder de hulp bij het huishouden. Hiervoor zijn aparte afspraken gemaakt met zorgaanbieders. Categorie C van dit protocol is daarom niet van toepassing. 3.2 Mogelijke voorzieningen Artikel 7 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 geeft een drietal mogelijk te verstrekken voorzieningen aan: een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden. 3.2.1 Algemene hulp bij het huishouden Uit artikel 8 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het huishouden ligt het primaat, als deze vorm van hulp binnen de gemeente bestaat en deze algemene voorziening voor een snelle en eenvoudige dienstverlening kan zorgen, zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht kan worden aan een wijksteunpunt dat eenvoudige werkzaamheden kan bieden. Deze hulp bij het huishouden kan worden ingezet als het gaat om een voorziening die: in tijd een korte duur heeft; betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; ingezet kan worden ten behoeve een incidentele zorgbehoefte; direct beschikbaar is en; in omvang beperkt is. Wat betreft het eerste aspect zal beoordeeld moeten worden of het gaat om een kortdurende voorziening van maximaal drie maanden. Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om lichte, niet complexe zorg. Tot slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele zorgbehoefte, zoals een periode na een ziekenhuisopname. Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven door de behandelend arts van het ziekenhuis. De duur is beperkt, evenals de omvang. Een uitgebreide aanvraagprocedure zou in die situatie leiden tot een te lange periode dat men op hulp moet wachten. Met de vorm algemene hulp bij het huishouden kan dit snel en adequaat opgelost worden. Men meldt zich met de verwijsbrief bij het loket. Daar wordt gecontroleerd of de verwijzing er is, of die duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden en wordt nagegaan of er geen huisgenoot is die een en ander over kan nemen. Heeft die controle plaatsgevonden en komt men voor deze hulp in aanmerking, dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. Hierbij is geen sprake van een keuze voor een persoonsgebonden budget. Dit is overigens geen beperking ten opzichte van de situatie onder de AWBZ: ook onder de AWBZ werd bij een vraag die naar verwachting niet langer zou duren dan drie maanden, geen mogelijkheid voor een persoonsgebonden budget geboden. Om te realiseren dat er weinig administratieve rompslomp is worden er geen eigen bijdragen gevraagd. Er vindt derhalve een eenvoudige toets plaats naar de noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en gerealiseerd, hetgeen in een brief wordt bevestigd. Mocht men aan het loket aangeven niet met deze vorm van hulp in te kunnen stemmen, dan wordt een normale procedure opgestart met een aanvraagformulier en het gebruikelijke onderzoek. Te meer daar er geen eigen bijdrage wordt gevraagd, zal deze vorm van hulp altijd uitsluitend voor een kortdurende periode worden toegekend. 3.2.2 Hulp bij het huishouden in natura of door middel van een persoonsgebonden budget Artikel 8 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 bepaalt dat indien de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing biedt, men in aanmerking kan komen voor hulp bij het huishouden in natura of een persoonsgebonden budget, te besteden aan hulp bij het huishouden. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen of van problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg. Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen. Die aantoonbare beperkingen kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van antirevaliderende hulp. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de hulpvrager. Is er sprake van aantoonbare beperkingen dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden. 3.3 Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden Artikel 9 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 bepaalt dat, “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde ten aanzien van de functie HV in de AWBZ tot de invoering van de Wmo. De opsomming van gebruikelijke zorg is, ook op onderdelen, niet in alle gevallen volledig. Voor de nadere definiëring en normering van gebruikelijke zorg wordt dan ook verwezen naar de documenten “Protocol Gebruikelijke zorg” en “Indicatie-advisering Hulp bij het Huishouden” van het CIZ. Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen, maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. In het “Protocol Gebruikelijke Zorg” wordt coulance betracht met betrekking tot ouderen. Als binnen een leefeenheid degene die het huishouden voert uitvalt en de andere partner is weliswaar gezond, maar ouder dan 75 jaar, kan deze leeftijd aanleiding zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. Het “Protocol Gebruikelijke Zorg” geeft aan dat wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, er in die periode feitelijk sprake is van een éénpersoonshuishouden, waardoor geen gebruikelijke zorg kan worden geleverd. Er kan eveneens van de algemene toekenningsregels afgeweken worden, wanneer geconstateerd wordt dat er sprake is van (dreigende) overbelasting. Meer informatie hierover is te vinden in het protocol “Gebruikelijke Zorg”. In het indicatie-advies dient dan duidelijk vermeld te staan waarom cliënt wel in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd! Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien met dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Voor AWBZ-instellingen geldt dat hulp bij het huishouden in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. Het kan echter zijn dat een echtpaar is opgenomen in een AWBZ-instelling, waarbij slechts één van de partners een indicatie voor verblijf heeft. Wanneer deze partner komt te overlijden heeft de overblijvende partner geen indicatie voor verblijf. Op basis van dit gegeven kan de overgebleven partner hulp bij het huishouden in het kader van de Wmo aanvragen. Bij een eventuele toekenning dient een zeer goede motivering aanwezig te zijn. Voor particuliere huizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. Als er geen gebruikelijke zorg mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het gaat om een alleenstaande, of omdat de huisgenoten daar zelf ook niet toe in staat zijn vanwege lichamelijke problemen, moet bepaald worden hoeveel hulp er noodzakelijk is om de taken over te nemen of te ondersteunen die niet verricht kunnen worden. Ook hierbij is van belang dat het in de Wmo gaat om het resultaat: er moet een schoon huis zijn, er moet een maaltijd zijn, de was moet gedaan worden, etc. Onder de AWBZ is hierbij altijd gewerkt met normtijden. Deze normtijden zijn bij overgang van de AWBZ naar de Wmo ook overgegaan naar de Wmo. De in de bijlage aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten (zie bijlage). 3.4 Voorliggende voorzieningen Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Dit zijn voorzieningen die op basis van andere wettelijke regelingen een oplossing voor het probleem kunnen bieden (artikel 2 Wmo). Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd – maar bij uitzondering – van deze regels worden afgeweken. Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in de bijlage kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten; enz. De voorliggende voorziening moet ter plaatse wel beschikbaar zijn. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Om dit vast te kunnen stellen moet rekening worden gehouden met de sociale kaart zoals die ter plekke bestaat. Relevant is niet of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen zoals dat geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten – indien daartoe is besloten – de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die deze eigen bijdragen int. Gaat het om een persoonsgebonden budget, dan kan, indien aan het gestelde in artikel 5 is of kan worden voldaan en er geen overwegende bezwaren bestaan het persoonsgebonden budget bij beschikking worden toegekend en kan ingevolge lid 4 van artikel 5 tot uitbetaling worden overgegaan. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van toepassing. De verdere uitwerking van het persoonsgebonden budget staat beschreven in hoofdstuk 1. Hoofdstuk4Lokaal verplaatsen per vervoermiddel 4.1 Inleiding Op grond van de Wmo en artikel 21 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010 heeft de gemeente een plicht om de belemmeringen in de mobiliteit bij het zich lokaal verplaatsen te compenseren. Deze compensatie kan plaatsvinden door het treffen van een vervoersvoorziening Mobiliteit kan gedefinieerd worden als de mogelijkheid om zich te verplaatsen om de woning als ook langere afstanden daarbuiten. Als iemand door een handicap in zijn mobiliteit beperkt is, kan de situatie ontstaan, dat men niet meer in staat is om op een gewenst niveau (= de verplaatsingsbehoefte) deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Het gaat daarbij om de mogelijkheden tot het doen van alledaagse zaken (boodschappen, kinderen van school halen) tot het bezoeken van familie, deelname aan sociaal-culturele activiteiten (vereniging, theater, soos) en medisch vervoer (vervoer ten behoeve van (para)-medisch consult, behandeling of therapie). Om een goede inschatting te krijgen van de verplaatsingsbehoefte is het vaststellen van het verplaatsingsgedrag noodzakelijk. Waarom, waarheen, frequentie en manier (van verplaatsen) zijn steekwoorden voor het inzicht in - en de vaststelling van - het verplaatsingsgedrag. Met het treffen van een vervoersvoorziening wordt beoogd de bewegingsvrijheid van de gehandicapte op een zodanige wijze te compenseren, dat die de bewegingsvrijheid van een niet-gehandicapte benadert. Isolement van de gehandicapte moet voorkomen worden. Dit betekent niet, dat elke wens gehonoreerd kan worden. Om te voldoen aan de compensatieplicht zal ook elke keer de afweging moeten plaatsvinden tussen de verplaatsingsbehoefte en de goedkoopst, adequate vervoersvoorziening. 4.2 Compensatieplichtgebied Zoals in Paragraaf 4.1 is vermeld heeft de gemeente compensatieplicht voor vervoersvoorzieningen. In dat kader dient zij een adequate oplossing te verstrekken. Deze oplossing beperkt zich in principe tot het vervoer in de naaste omgeving; in het kader van het leven van alle dag (sociaal vervoer). Dit kan het beste beschreven worden in te bereiken bestemmingen wat dan het Compensatieplichtgebied wordt genoemd. Dit gebied bevat winkels van de grotere winkelketens (V&D, C&A, HEMA etc.); een sporthal of een zwembad waar ook gehandicaptensport plaatsvindt; een ziekenhuis; een station van NS met dienstverlening om buiten de regio te reizen. De gemeente heeft dus een compensatieplicht in een gebied dat tenminste genoemde voorzieningen kent. Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de Wmo en fungeert dan ook als kader voor de Wmo-compensatieplicht. 4.2.1 Jurisprudentie Wvg Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep 12 en 29 maart 2002 (reg.nr. 00/5131 Wvg R011 93 en 01/1171 Wvg R011 93) worden de begrippen zorgplichtgebied en zorgplicht verder ingevuld. Door de Raad wordt hierbij nader ingegaan op tot dan voorkomende substantiële verschillen in vervoersmogelijkheden voor bepaalde groepen gehandicapten; de reikwijdte in kilometers waaraan een adequate vervoersvoorzieningen moet voldoen, en het begrip “zorgplichtgebied”. Deze jurisprudentie is weer verwoord in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2010. Zorgplicht is nu compensatieplicht. Onderstaand is een samenvatting van enkele belangrijke CRvB-uitspraken. In de uitspraak van 12 maart 2002 wordt door de Raad gesteld dat substantiële verschillen in vervoersmogelijkheden voor bepaalde groepen gehandicapten zorgvuldig moeten worden gemotiveerd. De Raad voegt hieraan toe dat het aantal kilometers dat degenen die op een rolstoeltaxi zijn aangewezen kunnen afleggen geen motivering kan vormen voor het aantal kilometers voor diegenen die zijn aangewezen op een auto. Daar voegt de Raad aan toe dat het bovendien gaat om het totaal aantal af te leggen kilometers van de verschillende voorzieningen bij elkaar opgeteld, als daar sprake van is. De Raad stelt vast dat het totaal aantal kilometers en het totaal aantal verplaatsingen waarbij nog van een adequate voorziening gesproken kan worden afhankelijk is van de plaatselijke situatie (gemeentelijk grondgebied, regio en bereikbaarheid winkels en contacten). Daaruit volgt voor de Raad dat een vervoersvoorziening die in aflegbare afstand een aantal kilometers in de bandbreedte van 1500 tot 2000 kilometers mogelijk maakt in beginsel voldoet aan de eis van adequaatheid in het kader van de Wvg. Waarbij de Raad opmerkt dat de regel ten aanzien van gehandicapten met een zeer beperkte loopafstand ook blijft gelden, maar dat voorzieningen wel tezamen beoordeeld mogen worden. Ook mag rekening gehouden worden met eventuele afwijkende vervoersbehoeften van (bepaalde groepen) van gehandicapten. Aan de andere kant kan een gehandicapte met verifieerbare gegevens een aanvraag indienen voor een meer omvangrijke voorziening op basis van relevant te achten grotere vervoersbehoefte (Uitspraak CRvB 6 mei 2009 (LJN: BI/6866)). In de uitspraak van 29 maart 2002 stelt de Raad dat de zorgplicht niet beperkt wordt tot het binnen de gemeentegrenzen gelegen gebied, maar zich uitstrekt over de directe woon- en leefomgeving. De uitspraak maakt duidelijk dat niet zonder meer gesteld kan worden dat de gemeentelijke zorgplicht zich beperkt tot het gemeentelijk gebied, omdat in dat gebied alle voorzieningen aanwezig zijn. Het gaat om de directe woon- en leefomgeving en voor een gehandicapte die aan de grens van een gemeente woont kan die directe woon- en leefomgeving over de gemeentegrens heenlopen. Dat kan, maar hoeft niet. Of het zo is zal vastgesteld moeten worden aan de hand van een overzicht van de contacten die een gehandicapte heeft. Deze uitspraak heeft belangrijke gevolgen voor gemeenten met een collectief vervoersysteem. Een systeem dat gaat tot de gemeentegrenzen kan, ook al zijn alle noodzakelijke voorzieningen binnen de gemeente bereikbaar, in omstandigheden onvoldoende zijn om vervoer in de directe woon- en leefomgeving mogelijk te maken. Het systeem moet dan uitgebreid worden of er moet anderszins een voorziening getroffen worden. De CRvB geeft overigens geen antwoord hoe ver rekening gehouden moet worden met mogelijkheden buiten de gemeentegrenzen. Het antwoord op deze vraag zal elders gezocht moeten worden. Het Wvg-Protocol zoals overeengekomen door de minister van Sociale Zaken, de gebruikersorganisaties en de VNG zegt hier wel iets over (in het Wvg-protocol is vastgelegd wat onder ‘verantwoorde voorzieningen’ verstaan moet worden. Het gaat erom dat mensen met een handicap volwaardig aan het maatschappelijk leven moeten kunnen deelnemen. De Wvg moet hen daarbij helpen). In dat protocol wordt gesproken van “vervoer van ongeveer 25 kilometer vanaf het vertrekadres”. Met vertrekadres wordt het woonadres van de gehandicapte bedoeld. Met andere woorden, een gehandicapte zou, uitgaande van zijn huisadres, 25 kilometer rond zijn woning moeten kunnen reizen. Binnen deze 25 kilometergrens dienen natuurlijk wel alle voorzieningen voor het leven van alle dag aanwezig te zijn. Voor vervoer buiten het compensatieplichtgebied kan de gehandicapte gebruik maken van het Vervoersysteem dat door het Rijk is ingesteld: Valys. Voorzieningen die worden aangevraagd om zich binnen en buiten het compensatieplichtgebied te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht. Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een Wmo-vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, kan niet zonder meer worden afgewezen. Er dient onderzocht te worden of de gevraagde vervoersvoorziening als onderdeel van het maatschappelijk leven van de aanvrager dient te worden aangemerkt (CRvB 06-11-2009, LJN: BK4200). 4.2.2 Consequenties voor de gemeente Bovenstaande betekent dat bij de vervoersindicatie in samenhang gekeken dient te worden naar gebruik van een al dan niet eigen auto en (mogelijk) gebruik van andere verplaatsingsmiddelen, waaronder de taxi. Binnen deze samenhang dient uitgegaan te worden van de goedkoopst adequate oplossing. Dit kan betekenen dat dit gerealiseerd kan (moet) worden middels een combinatie van verplaatsingsmiddelen (b.v. een scootmobiel of een (driewiel)fiets) aangevuld met kilometervergoe-ding voor gebruik (eigen) auto of taxi. Indien de uitspraak van 29 maart 2002 in het voorgaande betrokken wordt, betekent dit ook, dat bij sociale contacten de gemeentegrens niet meer de grens van het gemeentelijk zorgplichtgebied is, maar dat het zorgplichtgebied bepaald wordt door een afstand van 25 kilometer (straal van 25 kilometer) gerekend vanuit de eigen woonplaats. Bij de vervoersindicatie dient in voorkomende gevallen hier melding van gemaakt te worden. Doorwerking CRvB-uitspraken bij de vervoersindicatiestelling. Voor het vaststellen van de vervoersbehoefte en -frequentie alsmede het hiervoor benodigd vervoermiddel dient de indiceerder bij de indicatiestelling antwoord te geven op de navolgende vragen: aantal en soort van de binnen de straal van 25 kilometer gelegen activiteiten/sociale contacten/medisch vervoer; afstand in kilometers van woonadres tot, en bezoekfrequentie van, de binnen en buiten de gemeentegrens gelegen activiteiten/sociale contacten/medisch vervoer; wordt gebruik gemaakt van een (eigen) auto en zo ja, voor welke activiteiten/sociale contacten/medisch vervoer is dat en in welke frequentie; bij welke activiteiten/sociale contacten/medisch vervoer kan gebruik gemaakt worden of wordt gebruik gemaakt van een ander verplaatsingsmiddel dan de (eigen) auto of taxi. Welk middel is dat of zou dat kunnen zijn; is, rekening houdend met het (mogelijk) gebruik van de, al dan niet aanwezige, andere verplaatsingsmiddelen, incl. gebruik (eigen) auto, een taxikostentegemoetkoming geïndiceerd; indien een taxikostentegemoetkoming is geïndiceerd, voor welke activiteiten/sociale contacten/medisch vervoer geldt de indicatie en in welke frequentie; indien aan dezelfde activiteiten/sociale contacten/medisch vervoer met verschillende verplaatsingsmiddelen deelgenomen kan worden, dient de verhouding aangegeven te worden. Omdat het om de tegemoetkoming van de meerkosten gaat wordt een bedrag, afgeleid van de kosten openbaar vervoer, op de te verstrekken vergoeding in mindering gebracht. Dit geldt zowel gebruikers van de eigen auto als van de (rolstoel) taxi. Omgerekend per kilometer wordt uitgaan van € 0,09 wat in mindering wordt gebracht op het uit te betalen bedrag. 4.2.3 Samenvatting compensatieplicht ten aanzien van vervoersvoorzieningen Samenvattend betekent dit, voor wat de gemeentelijke compensatieplicht ten aanzien van gehandicapten met betrekking tot het vervoer betreft, het volgende: het gaat, in principe, uitsluitend om met vervoer in de directe woonomgeving van de gehandicapte: een tegemoetkoming in de vervoerskosten is bedoeld om in de directe woon- en leefomgeving in voldoende mate zijn sociale kontakten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag en dat bezoek aan elders wonende familieleden, vrienden en kennissen, behoudens uitzonderingsgevallen, buiten beschouwing dient te worden gelaten. (CrvB, 30-07-1996, reg. no.: 95/4648 Wvg). het gaat om een tegemoetkoming waarbij van belang is dat men nog in aanvaardbare mate deel kan nemen aan het leven van alle dag waardoor de cliënt niet in een sociaal isolement raakt (LJN: BH4270, Centrale Raad van Beroep, 08/2273 WVG). op het uitgangspunt dat het gaat om de verplaatsingen direct rond de woning en niet om verder gelegen kontakten hoeft slechts uitzondering te worden gemaakt in de situatie van dreigende vereenzaming: Dit laatste zal slechts dan anders zijn indien de gemeente gezien de haar ter beschikking staande gegevens in redelijkheid moet concluderen dat er in casu dusdanig wezenlijke, uitsluitend door persoonlijk bezoek te handhaven, boven- regionale kontakten zijn, dat betrokkene bij het wegvallen daarvan in een sociaal isolement zou geraken.(CRvB, 05-11-1996, reg. no.: 95/8744 Wvg). Meer uitspraken CRvB: 30-07-1996, reg.nr. 95/4648 WVG, 21-01-1997, reg.nr. 96/513 WVG, 29-07- 1997, reg.nr. 97/2184 WVG, 28-04-1999, reg.nr. 98/643 WVG en 21-11-1997, reg.nr. 96/6014 WVG gemeenten hebben bewust een grote beleidsvrijheid gekregen om, aansluitend bij de lokale situatie, ook nieuw beleid in de vorm van collectief vervoer te kunnen kiezen: Hierbij dient te worden bedacht dat de wetgever bij die opdracht aan de gemeenten bewust beleidsruimte heeft verleend. Het is derhalve aan de gemeenten om, binnen voormeld globaal wettelijk kader en met in acht neming van de aanwezige middelen en plaatselijke omstandigheden, naar eigen beleidsinzicht aan die opdracht gestalte te geven. Daarbij staat het die organen vrij om afstand te nemen van de destijds ter verbetering van levensom-standigheden, ontstane beleidspraktijk ingevolge art. 57, 2e lid (oud) van de AAW, waarbij vrij besteedbare vervoersvergoedingen, in feite bij wijze van individuele inkomensondersteunende voorziening, in zwang zijn geraakt. (CRvB, 05-11-1996, reg. no.: 95/8744 Wvg). gemeenten mogen, mits een bepaalde vervoersvorm medisch mogelijk is, aan individuele wensen voorbij gaan, mits maar op een nog aanvaardbare mate aan het leven van alle dag kan worden deelgenomen. 4.3 Soorten vervoer 4.3.1 Vervoer in verband met werk Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Ook de leefkilometers vallen hier onder. Deze regelingen worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor de vervoerskosten op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. Het is artikel 2 Wmo dat bepaalt dat dit niet onder de Wmo valt. 4.3.2 Vervoer in verband met vrijwilligerswerk Onder de Wvg werd dit vervoer niet meegerekend onder de zorgplicht, terwijl dit onder de compensatieplicht van