← Nederland

Nota Bodembeheer Regio Amstelland en Meerlanden 2019 (Diemen)

In het kort

Deze Nota Bodembeheer regelt hoe om te gaan met grond en baggerspecie in de Regio Amstelland en Meerlanden, met als doel de bodemkwaliteit te beschermen en tegelijkertijd maatschappelijk gebruik mogelijk te maken. Het document biedt richtlijnen voor het hergebruik van grond en baggerspecie, rekening houdend met de lokale situatie.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Nota Bodembeheer Regio Amstelland en Meerlanden 2019Beleidskader voor grond- en baggerverzet Geldend voor de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Puder-Amstel en uithoorn Voorwoord De overheid streeft naar een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit en ruimte voor maatschappelijk gebruik. Het doel van het Nederlandse bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit vormen een schakel in het duurzaam bodembeheer. Het besluit bevat gebruiksregels en -normen met een directe relatie tussen de chemische bodemkwaliteit en het gebruik van de bodem, gebaseerd op een risicobenadering. In situaties met een gering risico gelden daarom beperkte regels en minder strenge normen dan in situaties met meer risico’s. Deze herziene Nota bodembeheer motiveert de keuze voor gebiedsspecifiek beleid en lokaal maatwerk. Aangegeven wordt waar en waarom het mogelijk is regels aan te scherpen om de bodem in bepaalde situaties nog meer te beschermen, of regels juist te versoepelen in deelgebieden waar het verruimen van normen verantwoord is. De Nota bodembeheer is in opdracht van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn (samen de Regio Amstelland en Meerlanden) opgesteld door de Omgevingsdienst Noordzeekanaal-gebied en is bedoeld als handvat voor aannemers, adviesbureaus, gemeenten, projectontwikkelaars, grondeigenaren/gebruikers en voor iedereen die iets te maken heeft met (her)gebruik van grond en/of baggerspecie, graafwerkzaamheden en bodemonderzoek in deze regio. De Nota treedt in werking na separate vaststelling door de gemeenteraad van respectievelijk de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn. Deze Nota bestaat uit drie delen. De hoofdstukken 2 t/m 4 behandelen de beleidskeuzes en de gevolgen voor de toepassing van grond en baggerspecie met de toetsingskaders en beleidsregels voor iedereen die te maken heeft met grondverzet. Daarna volgt een deel met achtergrondinformatie in de hoofdstukken 5 t/m 9. Hierin wordt niet alleen ingegaan op de totstandkoming van de bodemfunctiekaart en de bodemkwaliteitskaart, maar wordt ook duidelijkheid geschapen over procedures die niet direct met toepassing van grond te maken hebben. Het derde deel bestaat uit een apart document met bijlagen. De bijlagen bevatten kaartmateriaal, statistische kentallen en extra informatie over asbestonderzoek en het toepassen van baggerspecie. Deze herziene Nota bodembeheer vervangt de Nota bodembeheer Regio Amstelland en Meerlanden van 12 november 2012 en de herziene versie van 14 maart 2013. Samenvatting Deze Nota bodembeheer Regio Amstelland en Meerlanden is een herziening en vervanging van de eerdere Nota van 12 november 2012 en de herziene versie van 14 maart 2013. De bijbehorende bodemkwaliteitskaart is geactualiseerd en de Nota bevat enkele aanscherpingen of juist versoepelingen van het beleid. Daarnaast wordt het beheergebied uitgebreid en worden bodemkwaliteitskaarten van omliggende gemeenten (Haarlemmermeer en Amsterdam) geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van toe te passen grond binnen de regio. Dit bodembeleid biedt met name voordelen voor partijen die betrokken zijn bij ontwikkeling en beheer. De Nota bestaat uit drie delen. Deel 1: Het beleidsmatige deel bestaat uit de hoofdstukken 2 t/m 4. Daarin staan de toetsingskaders en beleidsregels voor iedereen die te maken heeft met grond- en baggerverzet in de regio Amstelland en Meerlanden. Deel 2: Daarna volgt een deel met achtergrondinformatie in de hoofdstukken 5 t/m 8. Daarin wordt dieper ingegaan op de bodemfunctiekaart, de bodemkwaliteitskaart, meldingsprocedures en het opvragen van bodeminformatie. Hoofdstuk 9 beschrijft de rol van het bevoegd gezag inzake toezicht en handhaving. Deel 3: Het derde deel bestaat uit een apart document met bijlagen. De bijlagen bevatten kaartmateriaal, statistische kentallen, extra informatie over asbestonderzoek en het toepassen van baggerspecie. Doel van de NotaDe samenwerkende gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn willen met deze Nota een praktische richtlijn bieden hoe in de regio met grond, vrijkomende grond en baggerspecie moet worden omgesprongen. Het document is primair gericht aan overheden die veel met grond werken, adviesbureaus, aannemers en andere bodemintermediairs. Daarnaast bevat de Nota ook enkele onderwerpen die direct of indirect raken aan het dagelijks leven van bewoners in de steden en op het platteland, zoals mensen die willen (ver)bouwen en daarmee de grond raken, mensen met (moes-)tuinen en gezinnen met jonge kinderen. Stand-still principeDe bodem in de regio wordt zeer intensief gebruikt. Het bodembeleid wil dan ook zoveel mogelijk ruimte geven aan maatschappelijke activiteiten op en in de bodem, zoals gebiedsontwikkeling en woningbouw, bedrijfsactiviteiten, de aanleg van wegen of het uitbaggeren van vaarwegen. Tegelijkertijd is het bodembeleid erop gericht om negatieve effecten op de bodemkwaliteit tegen te gaan, zodat deze ook op zeer lange termijn geschikt blijft om te gebruiken. Het hoofduitgangspunt van de gemeenten in de regio is dan ook dat de kwaliteit van de bodem binnen de regio niet verslechtert. Een uitzondering wordt gemaakt voor enkele gebieden met een industriefunctie, waarbij met gebiedseigen grond de bodem iets mag verslechteren. Op regionaal niveau is er hierdoor geen kwaliteitsvermindering. Generiek en gebiedsspecifiek bodembeleidUit de praktijk blijkt dat er in de regio sprake is van een overschot aan grond. De regio streeft ernaar om alle vrijkomende hergebruiksgrond binnen de regio weer toe te passen. Deze Nota is een vertaling van de bodemwetgeving en het landelijk ‘generiek’ beleid. Het generiek beleid past echter niet altijd op elke lokale situatie. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten daarom de vrijheid om ook gebiedsspecifiek beleid te formuleren. Deze herziene Nota bodembeheer geeft invulling aan de ruimte voor lokaal maatwerk en gebiedsspecifiek beleid. Hierbij wordt sterk rekening gehouden met de lokale situatie. Vooral de maatschappelijke functie van de ontvangende bodem is leidend. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de eis die aan toe te passen grond wordt gesteld. Relatie bodemfunctie en kwaliteitsklasseElders ontgraven herbruikbare grond kan in principe in de regio weer nuttig worden toegepast, bijvoorbeeld om sleuven op te vullen of de bodem op te hogen bij een herontwikkeling. Daarvoor gelden echter regels, om te zorgen dat de grond niet op de verkeerde plek terechtkomt. Dit geldt met name wanneer licht verontreinigde grond op een schone(

  1. re)bodem wordt toegepast. Op ‘gevoelige functies’ (natuur, landbouw, moestuinen, etc) mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de zogeheten Achtergrondwaarde (lees: “schone grond”). Op iets minder gevoelige functies (wonen met tuin, plaatsen waar kinderen spelen, groen met natuurwaarden) mag schone grond of grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast. Hierbij geldt echter een bijzondere eis. Het zware metaal lood is een probleemstof, die diffuus verspreid voorkomt. Op sommige plaatsen is het loodgehalte in de bodem zo hoog dat er risico’s zijn voor jonge kinderen die buiten spelen en grond via vieze vingers binnenkrijgen. De hersenontwikkeling van jonge kinderen is erg gevoelig voor lood. Om het risico voor kleine kinderen tegen te gaan stellen de gemeenten binnen de regio dat het loodgehalte van toe te passen grond op gevoelige bodemfuncties (‘wonen met tuin’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’) maximaal 100 mg/kg mag bedragen. Deze eis is strenger dan het landelijk generieke beleid. Minder kwetsbare functies (zoals infrastructuur, industrie, wonen zonder tuin) mogen in bepaalde zones van de regio ook iets minder schone grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ ontvangen. Echter, wat schoon is moet ook schoon blijven. De hierboven genoemde regels gelden dan ook niet in de gebieden binnen de regio die al schoon zijn (ruim 53% van het grondgebied) zoals het grootste deel van het landelijk gebied, het Amsterdamse Bos en de meeste jonge woonwijken. In deze gebieden mag alleen schone grond worden toegepast. Dit laat zien dat de wettelijke ruimte voor gebiedsspecifiek beleid niet automatisch leidt tot versoepeling van de landelijke regels, maar altijd een afweging blijft en soms zelfs tot strenger beleid kan leiden. Vanwege die ruimte om steeds een afweging te maken tussen lokale normen, gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen blijft het mogelijk om de gemeenten binnen de regio stedelijk te vernieuwen en te ontwikkelen. GrondverzetHet overgrote deel van alle werken in de grond betreft projectmatige ontgravingen, ophogingen, herschikkingen, werk aan kabels & leidingen en baggeren. Een groot deel van deze Nota (hoofdstuk 4) beschrijft de procedure voor het nuttig toepassen van ontgraven grond op een andere locatie in de regio. Hierbij kan in veel gevallen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart, waarbij, na een toets op eventuele verdachte locaties (de zgn. puntbronnencheck) samengevat de volgende stappen worden doorlopen: Aantonen wat de kwaliteitsklasse is van de vrijkomende grond (weergegeven op de ‘ontgravingskaart’, onderdeel van de bodemkwaliteitskaart, waarop de verschillende bodemkwaliteitsklassen bij ontgraven worden aangeduid); Onderzoeken wat de kwaliteitsklasse is van de ontvangende bodem (af te lezen op de bodemkwaliteitskaart waarop de regio is ingedeeld in verschillende kwaliteitsklassen); Bepalen of er een ‘match’ is tussen de vrijkomende grond en de ontvangende bodem. Deze stap bepaalt met behulp van de toepassingskaart en tabellen of de vrijkomende grond voldoet aan de functie en toepassingseisen van de ontvangende bodem. BodemkwaliteitskaartDe bodemkwaliteitskaart biedt een betrouwbaar beeld van de actuele bodemkwaliteit binnen de regio Amstelland en Meerlanden. De kaart is opgebouwd uit 3 deelkaarten waarin verschillende zones met overeenkomstige bodemkwaliteiten zijn weergegeven. De kaart kan in combinatie met de gebruiksregels in deze Nota worden gebruikt om grond zo eenvoudig mogelijk elders toe te passen. Hiermee kan veel geld aan bodemonderzoek worden bespaard. De bodemkwaliteitskaart kan onder bepaalde voorwaarden ook gebruikt worden voor vrijstelling van fysiek bodemonderzoek bij (ver)bouwprojecten in de schone en licht verontreinigde zones. 1Inleiding 1.1Aanleiding De bodem in Nederland wordt intensief gebruikt. Het bodembeleid wil enerzijds ruimte scheppen voor woningbouw, transformatie, aanleg van wegen, onderhoud van vaarwegen, aanleg van parken etc. Anderzijds is het doel van het Nederlandse bodembeleid de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Praktische aanleiding voor de herziening van deze beleidsnota zijn: BodemkwaliteitskaartDe vigerende bodemkwaliteitskaart van de Regio Amstelland en Meerlanden is meer dan 5 jaar oud en moet daarom worden geactualiseerd. Sinds 2012 zijn veel nieuwe bodemgegevens beschikbaar gekomen. Het nieuwe, in voorliggende Nota beschreven gebiedsspecifieke beleidskader is (voor zover van toepassing) deels gebaseerd op de nieuwe bodemkwaliteitskaart. De kaart vormt samen met de bodemfunctieklassenkaart de basis voor het bodembeleid dat de Regio Amstelland en Meerlanden onder het Besluit bodemkwaliteit in de praktijk brengt. Herziening gebiedsspecifiek beleidHet Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit is onder meer gebaseerd op de Wet bodembescherming en stelt milieuhygiënische voorwaarden aan de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Gemeenten hebben de mogelijkheid voor lokale afweging, in dit kader gebiedsspecifiek beleid genoemd, als er behoefte is aan meer ruimte voor lokaal maatwerk. De gemeenten in de Regio Amstelland en Meerlanden hebben de afgelopen vijf jaar al ervaring opgedaan met dit gebiedsspecifiek beleid. AsbestIn deze herziene Nota wordt aandacht besteed aan een uitspraak van de Raad van State uit november 2016 over puin en asbestonderzoek. Wanneer op een locatie puin(resten) worden aangetroffen geldt de locatie als asbestverdacht en moet onderzoek conform de NEN5707 worden uitgevoerd, tenzij kan worden onderbouwd dat er geen sprake is van asbesthoudend puin. Bodem in de OmgevingswetDe nieuwe integrale Omgevingswet treedt naar verwachting in 2021 in werking, waarbij 26 afzonderlijke milieuwetten komen te vervallen. De nieuwe wet bevordert de integrale afweging van ruimtelijke en milieubelangen, omdat binnen één wet de onderlinge samenhang beter tot zijn recht komt. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet worden bodemregels onderdeel gemaakt van de Omgevingswet en komt de aparte Wet bodembescherming te vervallen. Aangezien het Rijk meer bevoegdheden naar gemeenten sluist, zullen die bodemregels tezijnertijd worden opgenomen in het zogeheten Gemeentelijk Omgevingsplan - een instrument onder de Omgevingswet. 1.2Doelstelling en doelgroep Doelstelling NotaHet doel van de Nota bodembeheer is invulling geven aan de beschikbare beleidsruimte voor gebiedsspecifiek en functiegericht bodembeheer. Om optimaal gebruik te kunnen maken van de beleidsvrijheid die het Besluit bodemkwaliteit biedt, is het noodzakelijk om het bodembeleid vast te leggen in een Nota bodembeheer. In voorliggende Nota bodembeheer wordt beschreven waarom en hoe de Regio Amstelland en Meerlanden invulling geeft aan het gebiedsspecifieke beleidskader voor het toepassen van grond en worden de gemaakte keuzes onderbouwd. Door weloverwogen beheer van de bodem zal de bodem niet verder verslechteren en wordt zorgvuldig omgegaan met de functies die bodem heeft. Onder de Omgevingswet zal de Nota onderdeel worden van het Omgevingsplan van de gemeenten. Binnen het Omgevingsplan worden sectorale onderwerpen meer in samenhang beschouwd. Waar wenselijk en mogelijk wordt daar in deze Nota al een voorschot op genomen. Doelstelling bodemkwaliteitskaartDe geactualiseerde bodemkwaliteitskaart geeft een actueel en dekkend beeld van de diffuse bodemkwaliteit op het grondgebied van de Regio Amstelland en Meerlanden. De kaart faciliteert het veelvoorkomende grondverzet bij werkzaamheden door: Gebieden te tonen waar vrij grondverzet (zonder onderzoek) onder bepaalde voorwaarden is toegestaan; Te laten zien waar grond en baggerspecie op en in de bodem kan worden toegepast; Te dienen als bewijsmiddel voor de kwaliteit van vrijkomende grond en de ontvangende bodem; Knelpunten weg te nemen bij grond- en/of baggerverzet; Afzetmogelijkheden van grond te vergroten door acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten, mits deze conform landelijke richtlijnen zijn opgesteld; Voor ARBO een indicatie te zijn van de te verwachten risico’s; Vereenvoudiging van het gebruik op regionaal niveau, omdat de vormgeving van de kaarten binnen de beheerregio op elkaar is afgestemd; Vereenvoudiging van het toezicht. DoelgroepDoelgroepen voor de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart zijn het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming, maatschappelijke organisaties, burgers, marktpartijen en initiatiefnemers (zoals ontwikkelaars, bewoners) binnen het bodemwerkveld. Toetsingskader grondverzet en bodemsaneringTer facilitering van de uitvoeringspraktijk voor bodemonderzoek en grondverzet is er binnen de Regio Amstelland en Meerlanden behoefte aan een uniform toetsingskader voor zowel het bevoegde gezag Besluit bodemkwaliteit (Bbk) als de uitvoerende maatschappelijke partijen. Deze Nota bodembeheer geeft het beleidskader voor de uitvoeringspraktijk binnen de regio. 1.3Bevoegd gezag Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel zijn het bevoegd gezag voor toepassingen van grond en bagger op of in de bodem. Deze Nota gaat dan ook alleen over de landbodem in de regio (grond en grondwater). Voor waterbodembeheer is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag (natte bodem onder oppervlaktewater). Voor nadere informatie over bevoegde gezagen bij baggerwerkzaamheden wordt verwezen naar Bijlage 7. 1.4Vaststelling, geldigheidsduur en reikwijdte Bestuurlijke vaststellingHet beleid in deze Nota bodembeheer heeft betrekking op het grondgebied van de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel. De Nota, met bijbehorende bodemkwaliteitskaart, treden in werking nadat deze door de gemeenteraad van voorgenoemde gemeenten zijn vastgesteld, de termijn van terinzagelegging van de Algemene Wet Bestuursrecht is verstreken, en deze op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt (gepubliceerd): De Nota bodembeheer wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van 10 jaar. Daarna wordt bekeken of de Nota wordt aangepast; De bodemkwaliteitskaart wordt in principe elke 5 jaar opnieuw vastgesteld; Tussentijdse herziening van de Nota, of de bodemkwaliteitskaart, kan eerder nodig zijn als wetswijzigingen, actuele ontwikkelingen of voortschrijdend inzicht daartoe aanleiding geven. Met de invoering van de Omgevingswet wordt de landelijke regelgeving ingrijpend gewijzigd. Dit betekent onder meer dat de Nota bodembeheer onderdeel gaat worden van het Omgevingsplan van de betrokken gemeenten. Die integratie kan aanleiding geven om de Nota wat eerder te herzien. Om praktische redenen is de gemeenteraden voorgesteld de (toekomstige) vaststelling van beperkte aanpassingen met een uitvoerend karakter (bijvoorbeeld het tussentijds actualiseren van de bodemkwaliteitskaart als onderdeel van de Nota bodembeheer, uitbreiding van het beheergebied, acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten of het toevoegen van data van nieuwe parameters) te delegeren naar het college van burgemeester en wethouders. Deze herziene Nota bodembeheer, met de nieuwe bodemkwaliteitskaart, vervangt de Nota bodembeheer Regio Amstelland-Meerlanden van 12 november 2012 en de herziene versie van 14 maart 2013. Met de bestuurlijke vaststelling van deze nieuwe Nota komt de eerdere Nota uit 2012/2013 te vervallen. Uitbreiding beheergebiedGelijktijdig met de vaststelling van de bodemkwaliteitskaart en deze Nota bodembeheer, stemmen de betreffende gemeenteraden ook in met het streven naar regionale samenwerking met de gemeente Amsterdam en Haarlemmermeer. Die samenwerking kan uitmonden in een gezamenlijk beheergebied, wat de mogelijkheden voor actief bodembeheer (stand-still beginsel op gebiedsniveau) aanzienlijk vergroot. De betreffende gemeenteraden accepteren daartoe ook de bodemkwaliteitskaarten van de gemeente Amsterdam en Haarlemmermeer als bewijsmiddel voor de kwaliteit van grond die in deze gemeenten wordt ontgraven en in de regio Amstelland en Meerlanden wordt toegepast. 1.5Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid De verantwoordelijkheid voor het naleven van de wet- en regelgeving bij het werken in/met, ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie ligt bij de initiatiefnemer van deze handelingen. De initiatiefnemer is verplicht om de voorgenomen handeling te melden. Via een privaatrechtelijke machtiging kan deze verplichting ook bij de aannemer of andere betrokkenen worden gelegd. Er bestaan uitzonderingen op de meldingsplicht (zie par. 7.2). De wetgever gaat uit van ketenaansprakelijkheid: alle betrokken partijen zijn mede verantwoordelijk en dienen te werken volgens de wet- en regelgeving en het beleid in deze Nota. De bodemkwaliteitskaart en deze Nota bodembeheer zijn zeer zorgvuldig opgesteld. Echter, de bodemkwaliteitskaart doet alleen uitspraken over de te verwachten algemene kwaliteit binnen een zone. Binnen een zone van herkomst is het dus denkbaar dat de kwaliteit van een individuele partij ontgraven grond afwijkt van het gemiddelde in die zone. De gemeenten in de regio Amstelland en Meerlanden zijn niet aansprakelijk voor schade als gevolg van die mogelijke afwijking tussen de algemene en de individuele kwaliteit. Als men vooraf meer zekerheid wil over de bodemkwaliteit van de te ontgraven grond, staat het de initiatiefnemer vrij om zelf een bodemonderzoek te laten doen. De verantwoordelijkheid voor het toepassen van grond/baggerspecie blijft altijd bij degene die de grond/baggerspecie toepast. Diezelfde eindverantwoordelijkheid geldt ook als men gebruik maakt van de vrijstelling voor het doen van fysiek bodemonderzoek (zie par. 3.6). 1.6Afbakening Deze Nota bodembeheer is een leidraad voor de uitvoeringspraktijk. Daarin wordt beschreven hoe de gemeenten binnen de regio Amstelland en Meerlanden de bodemregelgeving vertalen naar regionale regels en beleid. Ook is beschreven wanneer gebruik kan worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem. Verder kan de kwaliteit voldoende indicatie zijn voor ARBO-gerelateerde risico’s. Opgemerkt dient nog te worden dat de Nota zich alleen richt op de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Of de grond civieltechnisch, fysisch, landbouwkundig of qua natuurwaarde geschikt is voor de beoogde toepassing blijft in deze Nota buiten beschouwing. Een uitzondering kan hierbij gelden voor grondtoepassingen in gebieden met ecologische en cultuurhistorische waarden, waarbij eisen aan de grondsoort kunnen worden gesteld. De Nota is niet van toepassing op de volgende situaties: Toepassen van schone grond, zoals bedoeld in art. 4.2.2. lid 4 en 5 van de Regeling bodemkwaliteit. Deze grond is overal toepasbaar; Grootschalige bodemtoepassingen. Hiervoor is het landelijke kader van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing; de kwaliteit van de leeflaag moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden of de generieke eisen, afhankelijk van de zone waarbinnen de toepassing wordt gerealiseerd; Toepassen van grond of bagger in oppervlaktewater (hiervoor zijn de gemeenten geen bevoegd gezag). Voor de landelijk uniforme regels wordt verwezen naar het Besluit bodemkwaliteit en bijbehorende Regeling en Handreiking [Lit. 1 en 2]. Voor nieuwe bodemverontreinigingen, die zijn ontstaan op of na 1 januari 1987 (1 juli 1993 voor asbest) geldt de zorgplicht (artikel 13 Wbb). Voor het beleid rondom PFAS-verontreinigde grond zijn aparte beleidsregels geformuleerd (zie par 2.8 en Lit. 21, 22, 23, 24). Dit beleid is geen onderdeel van deze Nota vanwege het feit dat wordt verwacht dat het PFAS-beleid nog aan veranderingen onderhevig is. 1.7Uitgangspunten nieuwe Nota Het bodembeleid van de Regio Amstelland en Meerlanden hanteert de volgende uitgangspunten: De kwaliteit van de bodem moet zodanig zijn dat de activiteiten behorend bij de functies wonen, werken, infrastructuur, natuur en landbouw op een verantwoorde wijze uitgeoefend kunnen worden; Milieuhygiënische risico's worden tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht door het stellen van een helder toetsingskader in combinatie met de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven; De kwaliteit van de bodem binnen de regio is voldoende bekend om gebiedsspecifiek beleid te kunnen formuleren; Het beleid maakt het mogelijk om kosteneffectief en duurzaam om te gaan met de bodemkwaliteit en grondverzet; Vanuit de duurzaamheidsgedachte worden hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond optimaal gefaciliteerd; Het is wenselijk procedures en spelregels zoveel mogelijk te vereenvoudigen opdat het bodembeleid uitlegbaar blijft, draagvlak houdt en de regeldruk vermindert; Mocht de Omgevingswet tussentijdse wijzigingen noodzakelijk maken, dan kunnen deze in overleg met de betrokken instanties ambtshalve doorgevoerd worden; Gezien de statistische onderbouwing kan de ontgravingskaart gebruikt worden om af te zien van bodemonderzoek in de schone en licht verontreinigde zones (zone 1,2 en 3). 1.8Draagvlak gemeentelijke spelers Om draagvlak te creëren voor de keuzes in de Nota bodembeheer is overleg gevoerd met de betrokken gemeenten en is de Nota ter commentaar aangeboden aan de volgende belanghebbende partijen: Gemeente Aalsmeer/Amstelveen; Gemeente Uithoorn/Ouder-Amstel; Gemeente Diemen; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, directie Advies en Regulering, team Bodem; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, directie Toezicht en Handhaving, team Bodemtoezicht; Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (Waternet); Hoogheemraadschap van Rijnland. Deze partijen onderschrijven de Nota. Opmerkingen zijn in de Nota verwerkt. DEEL 1 HET GEBIEDSSPECIFIEKE BODEMBELEID IN DE REGIO AMSTELLAND EN MEERLANDEN 2Het bodembeleid in de regio Amstelland en Meerlanden 2.1Keuze voor gebiedsspecifiek beleid Het Besluit bodemkwaliteit biedt gemeenten de ruimte af te wijken van het generieke – landelijke – beleid om gebiedsspecifiek maatwerk te ontwikkelen in situaties die daarom vragen. Het gebiedsspecifiek beleid in de regio Amstelland en Meerlanden gaat uit van het - waar nodig - beschermen van de bodemkwaliteit en het - waar mogelijk - juist verruimen van de gebruiksmogelijkheden. In de beleidsvorming over gebiedsspecifiek maatwerk kwamen de volgende behoeften naar voren: Eenduidig beleid, zo eenvoudig mogelijk, uitlegbaar en werkbaar, met duidelijke spelregels; Het beleid moet waar mogelijk faciliterend zijn voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk; Deregulering en vermindering van de lasten voor bedrijven en burgers; Vrijstelling van fysiek bodemonderzoek waar mogelijk en verantwoord; Mogelijkheden bieden voor hergebruik (zonder onderzoek) van licht verontreinigde grond, waardoor veel geld wordt bespaard op onnodig onderzoek en transport; Vrijkomende, toepasbare grond en baggerspecie moet in principe binnen het beheergebied kunnen worden afgezet. Het gebiedsspecifieke beleid van de regio Amstelland en Meerlanden is op enkele punten strenger dan het generieke beleid, in deze situaties ligt de nadruk op het zorgvuldig omgaan met en het beschermen van de gevoelige bodemfuncties. Strenger – op gevoelige bodemfunctiesOp gevoelige functies (natuur, landbouw, moestuin/volkstuin) is de toepassingseis en de kwaliteit van de aanvulgrond/leeflaag altijd Achtergrondwaarde (AW); Op bodemfuncties met kans op humane blootstelling aan lood in de bodem (‘Wonen met tuin’ en ‘Plaatsen waar kinderen spelen’) mag grond met kwaliteit Wonen worden toegepast, mits het loodgehalte maximaal 100 mg/kg bedraagt;1Deze loodnorm komt voort uit de Toetsingsregel Achtergrondwaarde (Regeling bodemkwaliteit, art 4.2.2.). Volgens die regel behoudt grond de formele kwaliteit van Achtergrondwaarde als hoogstens 2 stoffen verhoogde gehalten laten zien (bij meting van 7-15 stoffen). De verhoging mag in dat geval maximaal 2x de Achtergrondwaarde (voor lood is dat 50 mg/
  2. kg)voor die stof bedragen. Het maximum voor lood is in dit geval dus 2 x 50 = 100 mg/kg grond. Voor asbest geldt een ‘nulnorm’ bij het toepassen van grond op locaties met een gevoelige functie en/of met veel bodemcontact (kinderspeelplaatsen, moes- en volkstuinen): asbest mag analytisch niet aantoonbaar in de grond aanwezig zijn (dit moet met onderzoek zijn aangetoond); Strenger – bodemvreemd materiaalBij toepassen van grond wordt een beperking gesteld aan de hoeveelheid bodemvreemd materiaal en materiaal dat op zichzelf beschouwd niet in aanmerking zou komen als bouwstof. Toe te passen grond/baggerspecie mag niet meer dan 5 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal bevatten voor zover het steenachtig materiaal of hout2Het betreft hier hout in een vorm die niet van nature voorkomt in de bodem. betreft (bakstenen, puin enzovoort). Overige bodemvreemde materialen (dus anders dan steenachtig materiaal of hout), zoals bijvoorbeeld plastic en piepschuim, mag alleen sporadisch voorkomen als dat al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevraagd dat het uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat het wordt toegepast. Hiermee wordt bijmenging bedoeld die voor de ontgraving al in (water)bodem aanwezig was en niet door transport, vermenging, samenvoeging of anderszins aan de grond of baggerspecie is toegevoegd. Dit laatste is uiteraard niet toegestaan. In andere situaties, wanneer sprake is van minder kwetsbare bodemfuncties, maar ook omdat er behoefte bestaat om te vereenvoudigen, kan het gebiedsspecifieke beleid juist verruimen. Ruimer – op minder gevoelige bodemfuncties en ter vermindering regeldrukEen vereenvoudigd vooronderzoek, de zogeheten ‘puntbronnencheck’, bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart, dient alleen om vast te stellen of vrijkomende grond niet afkomstig is uit een gebied met een brongerelateerde verontreiniging; Op de bodemfunctie ‘Wonen zonder tuin’ (bebouwing) in zone 3 en 4 mag grond met kwaliteit Industrie worden opgebracht (landelijk generiek is dat ‘Wonen’); Het baggerbeleid biedt ruimere verspreidingsmogelijkheden; Het wordt op een aantal bedrijfsterreinen toegestaan dat de bodem aangevuld wordt met grond die voldoet aan de functie, maar waarvan de kwaliteit slechter is dan de ontvangende bodem. Deze verslechtering wordt elders gecompenseerd met een verbetering (‘stand still’ op gebiedsniveau). Het betreft bedrijventerreinen in Aalsmeer, Amstelveen en Uithoorn (aangeduid als zone 1A) en het depot van de grondbank Aalsmeer in Kudelstaart (aangeduid als zone 1B) welke grond mogen ontvangen tot maximaal klasse Industrie. Deze gebieden wordt apart weergegeven op de bodemkwaliteitskaart als gebiedsspecifieke zones; Aanvragen Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn in de zones 1 en 2 mogelijk vrijgesteld van fysiek bodemonderzoek, met de bodemkwaliteitskaart en puntbronnencheck. 2.2Voorkomende verontreinigingen (buiten standaardpakket) In de bodem van de regio Amstelland en Meerlanden kunnen stoffen voorkomen die niet in het standaard stoffenpakket zijn opgenomen. Wanneer de bodem verdacht is op het voorkomen van een of meer van deze stoffen betekent dit dat de bodemkwaliteitskaart niet zonder meer bruikbaar is. Er moet dan een (aanvullend) bodemonderzoek worden uitgevoerd gericht op het voorkomen van deze stoffen. Om dit onderzoek voor een specifiek gebied achterwege te kunnen laten kan gebiedsspecifiek beleid een oplossing zijn. Deze stoffen zijn: Asbest PFAS OCB’s AsbestAsbest is een verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen, die zijn opgebouwd uit fijne, microscopisch kleine vezels. Losse asbestvezels zijn met het blote oog niet zichtbaar. Asbest is in het verleden veel gebruikt, bijvoorbeeld in gebouwen en woningen, vanwege de goede eigenschappen. Het is sterk, slijtvast en isolerend en bovendien goedkoop. De grote risico's die asbest oplevert voor de gezondheid werden pas later erkend. Door demping, onzorgvuldige sloop en incidenten (brand, natuurgeweld/storm, explosie, vandalisme) kan asbest op of in de bodem terecht komen. Zie verder par 3.4 en Bijlage 8. PFASPFOS en PFOA behoren tot de groep poly- en perfluor-alkyl-verbindingen (PFAS), organische verbindingen. Zelfs onder extreme condities, zoals hoge temperatuur en de aanwezigheid van agressieve stoffen, zoals basen, zuren en oxiderende stoffen, blijven de verbindingen zeer stabiel. PFOS (perfluoroctaansulfonaat) en PFOA (perfluoroctaanzuur) zijn persistent. Deze stoffen breken niet af in water of bodem, ook niet onder invloed van licht of door bacteriën, alleen bij verbranding onder extreem hoge temperatuur. De eigenschappen van PFOS en PFOA hebben geleid tot specifieke gebruikstoepassingen van PFOS en PFOA, vooral bijvoorbeeld in blusschuim of vuilafstotende coating. PFOS en PFOA zijn milieuvreemde stoffen die, vanwege de diverse toepassingen, op steeds meer plaatsen in de bodem worden aangetroffen. Sinds eind 2015 wordt Perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) en later ook Perfluoroctaanzuur (PFOA), eerst in het oostelijk deel van de Haarlemmermeer en vervolgens de wijdere omgeving in de regio, vaak in relatief lage gehalten diffuus in de bodem aangetroffen, ook op plekken waar geen directe relatie met een calamiteit of vanuit een andere bronlocatie herleidbaar was. De stoffen worden in de regio Amstelland en Meerlanden verhoogd aangetroffen ter plaatse van bronlocaties en zijn daarnaast diffuus vrijwel overal aanwezig. Als gevolg van het ontbreken van landelijke normen voor hergebruik van deze stoffen zijn door diverse regionale bevoegde gezagen lokale beleidsregels opgesteld voor grond en bagger. Dit bleek onvoldoende om stagnatie in grondverzet door deze stoffen te voorkomen. Zie verder par. 2.8. Organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s)Van nature komen organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’
  3. s)niet in de bodem voor. Ondanks het feit dat het gebruik van veel van deze stoffen reeds jaren verboden is worden ze, vanwege hun persistentie, in de regio Amstelland en Meerlanden nog veel aangetroffen, met name op de glastuinbouw- en akkerbouwgronden. Zie verder par. 2.9. 2.3De bodemfunctiekaart In het Besluit bodemkwaliteit speelt de maatschappelijke functie van de bodem een grote rol. Om dergelijke ‘bodemfunctieklassen’ van deelgebieden vast te leggen is een bodemfunctiekaart opgesteld (zie Bijlage 2). Op de bodemfunctiekaart is het grondgebied van de regio Amstelland en Meerlanden toegedeeld naar de verschillende (generieke) bodemfunctieklassen Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Dat is niet op het niveau van percelen gebeurd (zoals bij bestemmingsplannen), maar op het niveau van een groter gebied of deelzone. Voor die toedeling in klassen is veelal het huidige dominante bodemgebruik in een gebied als maatgevend genomen. In een aantal gebieden wordt echter zowel gewoond als gewerkt, zonder dat een van die functies sterk overheerst. In zulke gevallen was de meest gevoelige bodemfunctieklasse bepalend: in dit geval Wonen. De landbouw- en natuurgebieden (inclusief moes- en volkstuinen) zijn vanwege hun gevoeligheid voor bodemverontreiniging ingedeeld onder de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Zulke gebieden mogen alleen grond ontvangen die voldoet aan de Achtergrondwaarde. Parken, sportparken en recreatiegebieden vallen onder de bodemfunctieklasse Wonen, behalve als ze ecologisch waardevol zijn. Grote infrastructuur, zoals rijkswegen, provinciale- en hoofdverkeerswegen, spoorwegen en rangeerterreinen zijn, inclusief hun bermen, ingedeeld onder de bodemfunctieklasse Industrie. Minder forse infrastructuur kon vanwege het grove detailniveau van de kaart niet worden ingetekend, maar valt eveneens onder de bodemfunctieklasse Industrie. Tabel 2.1 Bodemfuncties en bodemfunctieklassen Bodemfunctie (gebiedsspecifiek) Bodemfunctieklasse (generiek) Natuur Landbouw/Natuur Landbouw Moestuin/volkstuin (inclusief schooltuin) Wonen met tuin/siertuin Wonen Plaatsen waar kinderen spelen Groen met natuurwaarden Ander groen Industrie Bebouwing (zoals wonen zonder tuin) Infrastructuur en industrie Generiek versus gebiedsspecifiekDe bodemfunctiekaart wordt over het algemeen gebruikt in het generieke kader en gaat uit van drie generieke bodemfunctieklassen. Het gebiedsspecifieke kader (zie Tabel 2.1) maakt een scherper onderscheid met zeven bodemfuncties. In de meeste gevallen is het onderscheidend vermogen van de generieke bodemfunctiekaart voldoende om de lokale bodemfunctie te bepalen. Alleen de functie ‘Wonen zonder tuin’ (bebouwing) wordt op de bodemfunctiekaart weergegeven als Wonen, terwijl de specifieke indeling Industrie aangeeft. Voor het toepassen van grond op deze bodemfunctie moet de werkelijke situatie (en de bijpassende toepassingseis) ter plaatse worden vastgesteld. Wijzigingen bodemfunctiekaartDe huidige bodemfunctiekaart van de regio Amstelland en Meerlanden wijkt op een paar punten af van de oudere kaart uit 2012. Alle volkstuinparken, moestuintjes en schooltuinen zijn ingedeeld onder Landbouw/Natuur. Enkele nieuwe en toekomstige woonwijken (zoals de Iepenlaan in de Kwakel, Holland Park en Bergwijk Park in Diemen en de herontwikkeling Legmeer in Amstelveen) en sportparken zijn nu ingedeeld als Wonen. De (nieuwe) bedrijventerreinen (bijvoorbeeld in Uithoorn) zijn nu weergegeven als Industrie. 2.4De bodemkwaliteit binnen de regio Op een bodemkwaliteitskaart staan verschillende zones (gebieden) ingetekend. Een zone staat voor een bepaalde gemiddelde bodemkwaliteit in dat gebied, met een (gemiddeld) gehalte aan gemeten stoffen. Deze zonering van gebieden zegt dus iets over de globale kwaliteit van de lokaal bestaande c.q. ‘ontvangende bodem’ en gaat niet over de kwaliteit op een specifieke locatie (perceel). De bodemkwaliteitskaart is eigenlijk een verzameling van kaarten: De bodemkwaliteitskaart, met de bodemkwaliteitsklassen van de ontvangende bodem (gebaseerd op het gemiddelde gehalte in een zone); De ontgravingskaart, met de bodemkwaliteitsklassen bij ontgraven (gebaseerd op de P80-waarde3De P80-waarde (of 80-percentielwaarde) is de waarde waarbij 80% van de waarnemingen een waarde vertoont die onder die waarde ligt. De P80-waarde geeft een betrouwbaarder beeld van de bodemkwaliteit op een locatie dan alleen het gemiddelde van de waarnemingen. Daardoor treedt bij ontgraven minder snel ongewenste vermenging van schone en minder schone grond op. in een zone) De toepassingskaart, waarop de bodemfunctie en bodemkwaliteit samen de toepassingseis in het gebied bepalen. Tabel 2.2 De bodemkwaliteitszones met aanwezige bodemfuncties en gemiddelde bodemkwaliteit (zie voor meer info par. 6.4 en Bijlage 3 en 5 voor kaarten en statistische kenmerken), toplaag (0-0,5 m-mv), diepe laag (0,5-2,0 m-
  4. mv)en oorspronkelijk maaiveld (> 2,0 m-mv). De herziene bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden onderscheidt 4 zones op basis van de lokale bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis (zones 1 t/m 4), plus nog twee gebiedsspecifieke zones waarbinnen bijzondere eisen gelden (zones 1A en 1B). Bij elke zone horen bijpassende eisen die gelden voor het grondverzet en de kwaliteit van de grond die er mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Binnen een zone liggen soms meerdere bodemfuncties die, afhankelijk van de gevoeligheid voor bodemverontreiniging, elk om een ander beschermingsniveau vragen - en dus een op de bodemfunctie afgestemde toepassingseis hebben (zie voor toepassingseisen par 4.3 en verder). Niet alle gebieden zijn ingedeeld in een zone. Dat komt bijvoorbeeld omdat er te weinig bodeminformatie beschikbaar is, of omdat het een bodemsaneringsgebied betreft waarvoor bijzondere voorwaarden (in een sanering/nazorgplan) gelden. Dit geldt voor enkele gebieden in de Diemerpolder en Diemen (Sniep). Tabel 2.2. laat zien dat meer dan de helft van de regio in de schone zone 1 valt en ruim een vijfde in zone 2 en 3. Dus driekwart van de bodem van de regio Amstelland en Meerlanden is schoon tot licht/matig verontreinigd en geschikt voor hergebruik. 2.5Generiek beleid voor toepassen van grond in zone 1 De bodemkwaliteit in de meeste jonge woonwijken en de landbouwgebieden (waneer deze genoeg gegevens bevatten om te kunnen vaststellen) in de regio voldoet aan de Achtergrondwaarde (AW). Deze grond is in principe geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Daarom was het niet nodig om voor deze gebieden, gedefinieerd als zone 1, gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen voor hergebruik van grond. In deze zone is de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag voor alle bodemfuncties dan ook Achtergrondwaarde, conform het generieke beleid. Er kunnen wel andere, meer algemene gebiedsspecifieke eisen gelden in zone 1, zoals de eisen voor asbest en bodemvreemd materiaal. Zie voor de zonekaart Bijlage 3A. 2.6Het gebiedsspecifieke toetsingskader in zones 2, 3 en 4 Gevoelige functies beschermenGezien de keuze voor gebiedsspecifiek beleid om met name de gevoelige bodemfuncties extra te beschermen volgt hieruit een normering die hier gevolg aan geeft. Wanneer sprake is van woningen met tuinen, waarbij veel bodemcontact kan plaatsvinden, wordt een strengere norm gehanteerd dan bij woningbouwprojecten waarbij sprake is van hoogbouw met appartementen (zonder tuin). Wel kan tussen deze woningen juist weer sprake zijn van plaatsen waar kinderen spelen of buurtmoestuinen (urban farming). Deze verschillende vormen van bodemgebruik vragen om een bijpassende bodemkwaliteit, met eveneens bijpassende beschermingsniveaus gebaseerd op risico’s van bodemcontact (blootstelling). Die factoren bepalen per locatie de vereiste kwaliteit van toe te passen grond. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. LoodMet name het zware metaal lood is een probleemstof, die diffuus verspreid voorkomt. Op sommige plaatsen is het gehalte in de bodem zo hoog dat er risico’s zijn voor jonge kinderen die buiten spelen en grond via vieze vingers binnenkrijgen. De hersenontwikkeling van jonge kinderen is erg gevoelig voor lood [Lit. 10]. De gemeenten binnen de regio Amstelland en Meerlanden willen die risico’s voor kleine kinderen tegengaan en stellen daarom dat het loodgehalte van grond die wordt toegepast op gevoelige bodemfuncties maximaal 100 mg/kg mag bedragen (2x de Achtergrondwaarde). Die eis is van toepassing op locaties met de bodemfunctie ‘Wonen met tuin’ en ‘Plaatsen waar kinderen spelen’. Deze keuze heeft geleid tot de toepassingseisen per bodemfunctie en per bodemkwaliteitszone zoals weergegeven in Tabel 2.3. Tabel 2.3 Toepassingseisen en kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag (bodemkwaliteitsklassen) voor grond en bagger Drie belangrijke hoofdzaken uit Tabel 2.3 zijn: Op de bodemfuncties Natuur, Landbouw en Moestuinen/volkstuinen mag alleen grond worden toegepast van de klasse Achtergrondwaarde (AW); Op de bodemfuncties Wonen met tuin, Plaatsen waar kinderen spelen en Groen met natuurwaarden in de zones 2 t/m 4 mag grond worden toegepast van maximaal klasse Wonen; Op de bodemfuncties Wonen met tuin en Plaatsen waar kinderen spelen mag het gehalte aan lood maximaal 100 mg/kg bedragen. Minder kwetsbare functies (in de laatste kolom van Tabel 2.3) mogen in zone 3 en 4 grond ontvangen van de kwaliteitsklasse Industrie. In de relatief schonere zone 2 vereist de ontvangende bodem echter grond van de klasse Wonen omdat het niet wenselijk is deze kwaliteit te verslechteren, ook vanwege diverse vrijstellingsregelingen in zone 1 en 2 (zie par. 3.6). De gebiedsspecifieke toepassingseis in zone 1A geldt alleen voor gebiedseigen grond. Zie voor de zonekaart Bijlage 3A. AsbestBehalve deze eisen geldt een aparte normering voor asbest (zie par 3.4). Asbest wordt normaliter in grond en bouwstoffen toegestaan tot 100 mg/kg droge stof. Waar echter veelvuldig contact met grond plaatsvindt - door kwetsbare groepen - zoals op kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen, mag asbest analytisch niet aantoonbaar in de grond voorkomen. Dit geldt binnen de gehele regio. 2.7Gebiedsspecifiek beleid in de zones 1A en 1B Enkele deelgebieden in de regio zijn aangewezen als gebieden waar bij het toepassen van grond alleen naar de (toekomstige) functie wordt gekeken en niet naar de kwaliteit van de ontvangende bodem. Hierdoor kan de plaatselijke bodemkwaliteit dus iets verslechteren, waarbij er geen risico is voor het beoogde gebruik. Er is binnen de regio geen kwaliteitsvermindering, omdat de grond binnen de regio blijft. Er vindt hierdoor alleen verslechtering op de toepassingslocatie plaats, die wordt gecompenseerd door een verbetering van de bodemkwaliteit op de ontgravingslocatie. Dit betekent dat er geen grond van buiten de regio mag worden toegepast die niet voldoet aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Het betreft de volgende (toekomstige) bedrijventerreinen: Zone 1A: GreenPark Aalsmeer (bedrijven (logistiek) en sierteelt); Bedrijventerrein Hornmeer (Aalsmeer); Bedrijventerrein De Loeten (Amstelveen); Flora Holland Zuid (Uithoorn); Herontwikkelingsgebied (bedrijven) “Tussen Poelweg en Noorddammerweg” (Uithoorn). Zone 1B: Gronddepot Aalsmeer (Kudelstaart). Op deze deelzones mag grond van binnen de regio worden toegepast tot maximaal kwaliteit Industrie. Dit geldt ook voor industriegrond op basis van PFAS (zie verder par. 2.8). Zie voor de zonekaart Bijlage 3A. 2.8Beleidsregel en landelijk handelingskader PFAS Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben als bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming beleidsregels opgesteld voor bodemsanering van met PFAS verontreinigde bodem [Lit. 21]. Gezien het feit dat de gemeenten binnen de regio Amstelland en Meerlanden bevoegd gezag zijn voor toepassingen van grond en baggerspecie op de landbodem op grond van het Besluit bodemkwaliteit en de zorgplicht (artikel 13 Wet bodembescherming) en het Rijk in haar beleid voor PFAS ruimte biedt voor lokale of regionale invulling, hebben de gemeenten zelf een beleidsregel opgesteld. Deze beleidsregel is mede gebaseerd op het door de provincie Noord-Holland in haar provinciale Beleidsregel vastgestelde achtergrondkwaliteitsniveau en sluit aan bij de uitvoeringspraktijk. Toe te passen partijen grond en baggerspecie in de regio Amstelland en Meerlanden moeten, naast de verwachte PFAS, minimaal op PFOS/PFOA worden onderzocht indien er een reële verdenking bestaat dat er PFAS in kan worden aangetroffen, die kunnen leiden tot een beperking bij het toepassen van de grond of bagger. Van een reële verdenking is in ieder geval sprake indien op een locatie PFOS- en/of PFOA-houdend blusschuim is gebruikt of gewerkt is met PFOS/PFOA, of wanneer het aannemelijk is dat de locatie door verspreiding van PFAS, anders dan de diffuse verspreiding van PFOS en/of PFOA, is belast. Op de website van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied is een kaart opgenomen met informatie over aangetroffen PFOS- en PFOA- gehalten (https://loket.odnzkg.nl/kaarten/pfos-pfoa). Deze kaart kan helpen bij het bepalen of er op een locatie mogelijk sprake is van een reële verdenking. Binnen het werkgebied van de Omgevingsdienst NZKG is met de diverse gemeenten samengewerkt aan de bepaling van regionale Achtergrondconcentratieniveau’s (ACN’
  5. s)en een regionale bodemkwaliteitskaart voor PFOS/PFOA. Het doel van dit project is het knelpunt van stagnatie in grondverzet op te lossen en een mogelijkheid te bieden om af te zien van veldonderzoek en chemische analyses. De bodemkwaliteitskaart zal als appendix aan de aangepaste regionaal afgestemde beleidsregels van de diverse gemeenten worden gekoppeld, waarna deze, na bestuurlijke vaststelling, als bewijsmiddel kan fungeren. De komende tijd zal de dataset met PFOS/PFOA-onderzoeken verder worden uitgebreid om steeds meer inzicht te krijgen in de verspreiding en het voorkomen van deze stoffen binnen de regio en daarbuiten. Voor de werkwijze, lokale normering en hoe om te gaan met toe te passen grond binnen de regio wordt verwezen naar de vigerende Beleidsregels PFAS gemeente Aalsmeer [Lit. 23] en Amstelveen [Lit. 24].4De gemeente Uithoorn heeft ook een beleidsregel vastgesteld, deze is nog niet gepubliceerd en daarom nog niet van kracht, maar vormt wel de basis ter actualisering. Op 8 juli 2019 heeft het Rijk een tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie vastgesteld, welke op 28 november 2019 is geactualiseerd [Lit.22]. Dit landelijk handelingskader geldt als advies ter invulling van de zorgplicht in gemeenten die nog geen eigen beleidsregel hebben vastgesteld. De toepassingsadvieswaarden zullen na meer onderzoek door het RIVM in de loop van 2020 definitief worden vastgesteld en via een wijziging van de Regeling bodemkwaliteit worden opgenomen in bijlage B van deze Regeling. PFAS geldt daarna niet langer als niet-genormeerde stof. Het tijdelijk handelingskader, evenals de Regeling bieden de mogelijkheid om lokaal PFAS-beleid te behouden. 2.9Extra aandacht voor OCB’s in vooronderzoek In de bodem van landbouwpercelen worden nog geregeld organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’
  6. s)aangetroffen. Deze stoffen komen niet voor in het standaard stoffenpakket. Gezien het feit dat deze stoffen zeer lokaal worden aangetroffen (op sommige landbouwpercelen wel, op andere niet) is er geen sprake van een diffuse verontreiniging in het hele landbouwgebied van de regio. Opname in de bodemkwaliteitskaart is om die reden niet goed mogelijk. Wanneer grond wordt ontgraven afkomstig van een landbouwperceel liggend in een vastgestelde BKK-zone en deze partij wordt elders toegepast, kan gebruik worden gemaakt van eventuele vrijstelling voor het doen van onderzoek voor de stoffen die opgenomen zijn in de bodemkwaliteitskaart. In het vooronderzoek moet echter wel aandacht worden besteed aan OCB’s. Wanneer blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat er in het verleden OCB’s op het betreffende perceel zijn toegepast mag een bodemonderzoek achterwege blijven. 3Wanneer moet bodemonderzoek gedaan worden? 3.1Wanneer is bodemonderzoek noodzakelijk? Er kunnen veel verschillende aanleidingen zijn om een bodemonderzoeksrapport op te (laten) stellen en ter toetsing aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb), Besluit bodemkwaliteit (Bbk) of Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) voor te leggen. Mogelijke aanleidingen kunnen zijn: projectmatige ontgraving, funderingsherstel, nieuwbouw, verbouw, functiewijziging, herinrichting van een gebied, overdracht, starten of beëindigen bedrijfsmatige activiteiten, hergebruik/toepassen van grond of bouwstof, etc. In par. 3.5 wordt ingegaan op de toetsing van het bodemonderzoeksrapport door het bevoegd gezag Wabo. Een initiatiefnemer die in de bodem gaat werken dient bekend te zijn met de kwaliteit van de grond, of dient deze aan te tonen met een bodemonderzoek. Het bodemonderzoek wordt afgestemd op de verwachte verontreinigingen en op de voorgenomen bestemming van een locatie. Het bodemonderzoek bestaat meestal uit twee delen: een vooronderzoek (archiefonderzoek) en een verkennend bodemonderzoek (veld- en analytisch-chemisch). Mocht het vooronderzoek een locatie als onverdacht typeren, dan kan een verkennend bodemonderzoek veelal achterwege blijven. In par. 3.6 wordt dieper ingegaan op de voorwaarden voor vrijstelling van verkennend bodemonderzoek. Het zijn vooral de volgende wettelijke kaders die een bodemonderzoek vereisen: Wet bodembescherming; vaststelling van de ernst van een geval van bodemverontreiniging, van de mate van spoedeisendheid om te saneren, en van een ingediend saneringsplan; Besluit uniforme saneringen (BUS): vaststelling van de bodemkwaliteit van grond die wordt ontgraven en teruggeplaatst, of (gedeeltelijk) afgevoerd; Wabo: bodemtoets bij het aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen), zie par. 3.5); Wabo en Besluit houdende algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit): bepaling van de bodemkwaliteit bij het oprichten en inwerking hebben van een inrichting, veranderen van een inrichting of de werking daarvan, en bij beëindiging van de inrichting. Bodemonderzoek is ook verplicht bij het beëindigen van de opslag van vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse opslagtank; Besluit bodemkwaliteit: vaststelling van de bodemkwaliteit waarop (of waarin) grond/baggerspecie wordt toegepast en vaststelling van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond/bagger die wordt toegepast; Wet Ruimtelijke Ordening: beoordeling of de bodem geschikt is voor de gewenste ontwikkeling en om na te gaan of bodemverontreiniging de (financiële) haalbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat; Privaatrecht: aan/verkoop van een terrein, erfpachtuitgifte, ARBO-regelgeving. Wanneer bodemonderzoek (mede) wordt uitgevoerd in het kader van de bevoegdheid van een ander orgaan dan de gemeenten in de regio, dient in dat kader (tevens), naast de geldende wet- en regelgeving, rekening gehouden te worden met werkwijzen en richtlijnen van dat bevoegd gezag. Een voorbeeld is de “Werkwijzer Bodemsanering; Aanpak van bodemsanering in Noord-Holland” voor de bevoegdheden van de provincie Noord-Holland. 3.2Vooronderzoek Voorafgaand aan graafwerkzaamheden in de bodem moet een vooronderzoek (archiefonderzoek) worden uitgevoerd. Daarmee wordt nagegaan of er bodembedreigende activiteiten op of in de onmiddellijke nabijheid van de onderzoekslocatie hebben plaatsgevonden of plaatsvinden die de locatie met een of meer stoffen kunnen hebben verontreinigd. Daarnaast worden gegevens verzameld over de bodemkwaliteit op en in de onmiddellijke nabijheid van de locatie. Het vooronderzoek beantwoordt de vraag of sprake is van een verdachte locatie en, zo ja, doet een aanbeveling over een uit te voeren fysiek bodemonderzoek. Het vooronderzoek moet zijn gebaseerd op de NEN5725 ‘Bodemrichtlijn voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek’ [Lit. 11]. Een locatie is onder meer verdacht wanneer sprake is van (een van) de volgende situatie(s): Uit het vooronderzoek blijkt dat er sprake is (geweest) van bodembedreigende activiteiten; Bij eerder bodemonderzoek zijn matige tot sterke verontreinigingen aangetroffen die niet geheel in kaart zijn gebracht (afgeperkt); Er is op de locatie een puinverharding aanwezig waarvan geen certificaten zijn; De locatie is asbestverdacht; De locatie betreft het erf van een oude (voormalige) boerderij of een oude polderwoning; Er is sprake van een dam of een demping. In het vooronderzoek moet ook specifiek aandacht worden besteed aan asbest. Bij asbestverdachte locaties moet bij het vooronderzoek tevens rekening gehouden worden met de vereisten uit de NEN5707 [Lit. 13]. De puntbronnencheck: beknopt vooronderzoek bij BKK-ontgravingen en -toepassingen5) BKK = BodemkwaliteitskaartEen beknopt vooronderzoek (archiefonderzoek) is noodzakelijk bij het voornemen om grond te ontgraven/toe te passen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Deze ‘puntbronnencheck’ mag eenvoudig van opzet zijn, want de globale bodemkwaliteit van het herkomstgebied (bodemkwaliteitskaart) is immers al bekend. De puntbronnencheck kijkt alleen of er aanvullende gegevens bestaan over een brongerelateerde verontreiniging ter plaatse van de herkomstlocatie. Zo nee, dan is de herkomstlocatie niet ‘verdacht’ en mag worden aangenomen de bewuste partij grond inderdaad overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven in de bodemkwaliteitskaart. Ook de toepassingslocatie moet langs dezelfde redenering op een eventuele brongerelateerde verontreiniging worden onderzocht. De puntbronnencheck bestaat uit 3 onderdelen: Een check in welke BKK-zone het graafwerk en de toepassing van grond plaatsvindt (hierbij moet ook aandacht worden besteed aan het eventueel voorkomen van specifieke stoffen zoals OCB’s (zie ook par. 2.9); Opvragen van Nazca-informatie (via de Rapportagemodule www.odnzkg.nl: via Kaarten naar bodeminformatiekaart) over bodemonderzoeken met conclusies, asbestonderzoeken, historische bedrijfsactiviteiten, ondergrondse tanks; Nagaan van historische dempingen en ophogingen ter plaatse van de herkomst- en toepassingslocatie. Als de puntbronnencheck geen verdenking oplevert mag de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel worden gebruikt en hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. De check kan in een briefrapport worden verantwoord. Leidt de check wel tot een verdenking, bijvoorbeeld vanwege de kans op verhoogd asbest, dan moet eerst een bodem- of asbestonderzoek (NEN5707) worden uitgevoerd. De puntbronnencheck is een verplicht onderdeel van de BKK-melding als men grond wil ontgraven en/of toepassen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. 3.3Verkennend onderzoek (NEN 5740) In de regio Amstelland en Meerlanden wordt een bodemonderzoek uitgevoerd volgens NEN5740-strategieën voor onverdachte locaties en heterogeen verdachte locaties. Het analysepakket bestaat uit het standaardpakket landbodem en grond en grondwater overeenkomstig de NEN5740. PFOS/PFOAHet is niet toegestaan grond waarvoor een reële verdenking bestaat op de aanwezigheid van PFOS/PFOA in de regio toe te passen, behalve als op PFOS/PFOA is onderzocht en de grond aan de toepassingseis voldoet. Van een reële verdenking is in ieder geval sprake, indien op een locatie of in een gebied PFAS-houdend blusschuim is gebruikt, PFAS-houdende producten zijn verwerkt of het aannemelijk is dat door verspreiding door lucht of water dan wel toepassing van grond en bagger een belasting met PFAS is ontstaan. Omdat er verschillende bronnen van PFAS kunnen zijn, is de verdenking ruim geformuleerd. De verdenking omvat ook verspreiding via PFAS-houdende bagger op oevers. Zie par. 2.8 voor een verwijzing naar de beleidsregels en het landelijk handelingskader. Arseen in grondwaterIn de Nederlandse kustprovincies komen gebieden voor waarin als gevolg van natuurlijke (fysische en chemische) processen arseenconcentraties verhoogd in het grondwater voorkomen. Ook in de regio Amstelland en Meerlanden worden in het diepe en ondiepe grondwater regelmatig verhoogde concentraties arseen aangetroffen, die frequent de streefwaarde en plaatselijk zelfs de interventiewaarde overschrijden. Hierbij is het relevant of de verhoogde concentratie arseen in het grondwater een natuurlijke of antropogene herkomst heeft. Ook kan hierdoor de bodem en/of bagger ter plaatse zijn verontreinigd met arseen. Zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een antropogene oorsprong dan is ingrijpen niet nodig. Bij grondverzet van arseenhoudend materiaal, waarbij onder grondwaterniveau wordt gewerkt, dient men ongeacht welke oorsprong, alert te zijn op blootstellingsrisico’s (hogere veiligheidsklasse (zie ARBO-regelgeving)). Geldigheidstermijn bodemonderzoekenDe geldigheidstermijn voor bodemonderzoeken is in principe 5 jaar. Wanneer er sprake is van mobiele stoffen bedraagt de geldigheidstermijn in principe 2 jaar. Het bevoegd gezag staat het indienen van een ouder onderzoek soms wel toe. Voorwaarde is dat men kan aantonen dat er in de tussentijd geen verontreiniging is toegevoegd (bij immobiele stoffen), of bodemrapporten kan overleggen waaruit blijkt dat er sprake is van een stabiele situatie (bij mobiele stoffen). 3.4Asbest in bodem en partijen grond Bodemonderzoek en de bepaling van de kwaliteit van een partij grond moet rekening houden met asbest. Het asbestgehalte in grond mag immers niet boven de landelijke norm van 100 mg/kg droge stof uitkomen. Voor kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen mag asbest zelfs analytisch niet aantoonbaar aanwezig zijn. Asbestonderzoek wordt volgens de volgende NEN-normen uitgevoerd: NEN5740 (bodemonderzoek), [Lit. 12]; NEN5707 (Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond), [Lit. 13]; NEN5896 (Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie of scanning electronenmicroscoop), [Lit. 14]; NEN5897 (Asbest in puin), [Lit. 15]. In deze paragraaf worden voor asbest enkele bijzondere situaties behandeld en hoe men daarin dient te handelen. In aanvulling daarop behandelt Bijlage 8 de volgende situaties: Niet boven de norm verontreinigde asbesthoudende grond (<100 mg/kg gewogen gehalte droge stof); Bodemonderzoek bij asbest op het maaiveld; Onderzoek bij asbest in de bodem; Onvolledig onderzoek; Onverwachts aantreffen asbestverdacht materiaal; Vrijstelling fysiek bodemonderzoek bij asbest in puinhoudende grond. Vooronderzoek en de relatie tussen puin en asbestIn november 2016 stelde de Raad van State dat wanneer op een locatie puin(resten) aanwezig zijn, de locatie als asbestverdacht moet worden beschouwd [Lit. 7]. Vanwege deze uitspraak heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) aandacht gevraagd voor onderzoek op asbest bij partijkeuringen en bodemonderzoek waarbij puin wordt aangetroffen. Daarnaast is in oktober 2017 een update van de NEN5725 – strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek [Lit. 11] verschenen. Daarin staan richtlijnen voor het doen van vooronderzoek naar asbest. Elk vooronderzoek moet voortaan een onderbouwde uitspraak bevatten of een locatie asbestverdacht is of niet. In bijlage A van de norm zijn hiervoor handvatten te vinden. Een locatie kan bijvoorbeeld als asbestverdacht worden beschouwd vanwege: Bedrijfsmatige activiteiten (asbestcementfabrieken, scheepswerven, producenten kolenkachels en elektrische apparaten, stortplaatsen); Gebruik van de bodem (beschoeiing watergangen, sloopresten van kassen); Aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op of in de bodem (halfverhardingslaag van weg, parkeerplaats). Volgens de norm is puin in principe asbestverdacht, tenzij het puin: Asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers/straatstenen, trottoirbanden of historisch puin betreft. Deze puinsoorten worden tot de categorie ‘niet asbest verdacht’ gerekend; Geproduceerd is vóór 1945 of ná 1998; Geproduceerd is onder vastgestelde certificering. Als het vooronderzoek uitwijst dat een locatie asbestverdacht is, dan moet een fysiek bodemonderzoek worden uitgevoerd volgens NEN5707 – inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond [Lit. 13]. Vanaf 1 juli 1993 gold in Nederland een totaalverbod op het gebruik van asbesthoudende materialen. Bouwwerken ouder dan deze datum moeten worden beoordeeld op het gebruik (en de bewerking van) asbesthoudende bouwmaterialen en de mogelijkheid van lokale beïnvloeding van de bodem of de partij grond. In dat vooronderzoek wordt het bouwarchief geraadpleegd, eventuele resultaten van een asbestinventarisatie van het bouwwerk en indien raadpleegbaar het Landelijk Asbest Volg Systeem (LAVS). Enkele partijen in het landelijke bodemwerkveld waren echter kritisch over het uitgangspunt dat de aanwezigheid van puin in de bodem goed kan voorspellen of er ook asbest in de bodem of in een partij grond zal worden aangetroffen. Er zou onvoldoende informatie zijn over deze relatie. In 2017 is daarom een grootschalig landelijk onderzoek gedaan naar de relatie tussen puin in de bodem en de verdenking op asbest [Lit. 20]. Het onderzoek werd begeleid door organisaties uit het werkveld (overheden, waaronder ODNZKG, adviesbureaus, aannemers). In totaal hebben 49 partijen gegevens van asbestonderzoek aangeleverd voor een database van 12.000 records. Met die database deed TNO vervolgens statistisch onderzoek naar de relatie puin en asbest [Lit. 20]. Daaruit bleek het volgende: De database heeft voldoende geografische dekking en is representatief voor Nederland; Er wordt significant meer asbest aangetroffen op puinverdachte locaties dan op onverdachte locaties; De aanwezigheid van asbest is gerelateerd aan bouw- en sloopafval (BSA), gemengd puin, betonpuin en metselpuin; Op locaties met sporen (< 1 gewichtsprocent) van puin in de bodem wordt vaker asbest aangetroffen dan op onverdachte locaties; In landelijk gebied wordt meer asbest aangetroffen dan in stedelijk gebied; De resultaten voor de verdachte puintypen zijn grotendeels in overeenstemming met de NEN5725. Hierin zou alleen metselpuin nog als potentieel verdacht moeten worden toegevoegd. Mogelijk komt er nog een aanvulling op dit TNO-rapport, dat zou kunnen leiden tot gebiedsspecifiek asbestbeleid voor de regio. Onderzoek bij asbest in of op het maaiveldIn de praktijk doen zich regelmatig situaties voor waarin asbesthoudend of asbestverdacht materiaal in of op het maaiveld wordt aangetroffen. Dit leidt dan tot discussie of er alleen sprake is van onderzoek/vrijgave in het kader van het Asbestverwijderingsbesluit of dat ook asbestonderzoek in de grond moet plaatsvinden en op welke wijze. Dergelijke situaties worden in Bijlage 8 beschreven en behandeld. 3.5Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen BouwenHet indienen van een bodemonderzoeksrapport bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is in principe verplicht als er (nagenoeg) voortdurend mensen in het bouwwerk verblijven (bijvoorbeeld een kantoor of woning), en: Het bouwwerk de grond raakt (nieuwbouw op/onder het maaiveld, realiseren van een kelder) of Het gebruik wijzigt naar een gevoeliger gebruik (bijvoorbeeld opslagruimte wordt kinderdagverblijf). Bij een bouwaanvraag kan het gaan om nieuwbouw en bestaande bouw (verbouwing). Als het bouwwerk naar aard en omvang gelijk is aan een vergunningsvrij bouwwerk, dan hoeft er geen bodemonderzoeksrapport te worden ingediend. Een bodemonderzoeksrapport is evenmin vereist als er al voldoende bodemgegevens beschikbaar zijn. Er kan wel een bodemonderzoek nodig zijn voor het bepalen van eisen aan de verwerking van vrijkomende grond. Voor bepaalde situaties bestaat een ontheffingsmogelijkheid voor de bodemonderzoeksplicht op basis van de bodemkwaliteitskaart. De voorwaarden staan beschreven in par. 3.6. Op basis van het bodemonderzoekrapport (of andere gegevens) bij de vergunningaanvraag stelt het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning of er een redelijk vermoeden bestaat van ernstige bodemverontreiniging. Mocht dat het geval zijn, dan treedt de omgevingsvergunning pas in werking (volgens artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) nadat: Het bevoegd gezag Wbb in een beschikking vaststelt dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvoor spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden; of Het bevoegd gezag Wbb in een beschikking akkoord gaat met een saneringsplan en het desbetreffende besluit in werking is getreden; of Een geldige (complete) BUS-melding is ingediend bij de Omgevingsdienst NZKG, die voldoet aan het Besluit uniforme saneringen en de termijn waarna men mag starten is verstreken. 3.6Uitzonderingen op de bodemonderzoeksplicht Ontgraven en toepassen van grond op basis van de bodemkwaliteitskaartIn sommige gevallen kan de bodemkwaliteitskaart dienen als wettelijk bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven en toegepast en is het niet nodig een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring uit te voeren. Dergelijk grondverzet (zonder bodemonderzoek) is alleen mogelijk wanneer de puntbronnencheck geen aanleiding heeft gegeven de locatie van herkomst en/of de locatie van toepassing als ‘verdacht’ te bestempelen. Soms wijst de puntbronnencheck uit dat aanvullend bodemonderzoek nodig is naar verdachte stoffen die geen onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Binnen de BKK-zones 1, 2 en 3 gelden de volgende uitzonderingen op de onderzoeksplicht: BKK-zone 1Zone 1-grond mag altijd zonder bodemonderzoek, op basis van de bodemkwaliteitskaart worden ontgraven en toegepast, mits het een nuttige toepassing betreft. Voor toepassen is altijd een melding Besluit bodemkwaliteit vereist, ongeacht de hoeveelheid (zie Tabel 7.1 Meldingsplicht Bbk, par 7.2). BKK-zone 2 en 3Het ontgraven van grond in zone 2 en 3 kan plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart. In principe is een melding op grond van artikel 28 Wbb vereist indien meer dan 50 m3 wordt ontgraven, tenzij tevens sprake is van een melding Besluit bodemkwaliteit voor het toepassen van die gehele hoeveelheid grond binnen de regio. In dat laatste geval kan de melding artikel 28 Wbb achterwege blijven. Zie ook par 7.4 Melden. De vrijstelling voor het uitvoeren van een partijkeuring bij het toepassen van grond afkomstig uit zone 2 en 3 geldt alleen wanneer de 80-percentielwaarden van de zone van herkomst (ontgraving) voldoen aan de toepassingseisen voor de betreffende bodemfunctie in de zone van toepassing. Of dit het geval is, is af te lezen in de toepassingsmatrix (zie par. 4.5), groen vakje. De toepassing moet gemeld worden op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Geen vrijstelling in BKK-zone 4De bodemkwaliteitszone 4 bevatten gemiddelde gehalten die boven de Generieke Maximale Waarden voor de klasse Industrie liggen. Derhalve is het niet toegestaan om grond vanuit deze zones zonder onderzoek te ontgraven en elders toe te passen. Zie verder par. 4.5 over de toepassingsmogelijkheden van grond uit deze zones. BKK-zone 1A en 1BBinnen de zones 1A en 1B gelden gebiedsspecifieke regels. Zone 1A (betreffende enkele (deels nog te ontwikkelen) bedrijventerreinen in Aalsmeer, Amstelveen en Uithoorn) mag op basis van de bodemkwaliteitskaart grond ontvangen tot maximaal klasse industrie (zone 1, 2 en 3), er wordt alleen getoetst op de (toekomstige) bodemfunctie Industrie. Binnen zone 1A mag vrij met grond geschoven worden. Bij ontgraven en elders toepassen van grond afkomstig uit zone 1A moet worden voldaan aan de toepassingseisen in de zone van toepassing. Zone 1B (Grondbank Aalsmeer, te Kudelstaart) mag grond tot en met klasse industrie (ook op basis van de bodemkwaliteitskaart) ontvangen, conform de binnen de inrichting geldende BRL 9335-1. Binnen zone 1B mag vrij met grond worden geschoven, wanneer er voornemens zijn de grond elders toe te passen is een partijkeuring noodzakelijk. Zie voor mogelijkheden de toepassingsmatrix (par. 4.5, Tabel 4.3). Hoofdstuk 4 gaat uitgebreid in op het toepassen van grond. Ontheffing bodemonderzoeksplicht bij een aanvraag Omgevingsvergunning (activiteit bouwen)Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet in de meeste gevallen een bodemonderzoek worden ingediend op grond van artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. Er is een aantal algemene uitzonderingen op deze onderzoeksplicht, die reeds in par 3.5 zijn beschreven. Daarnaast kan de gemeente op grond van artikel 2.1.5. 3e lid van de Bouwverordening besluiten af te wijken van de verplichting tot het indienen van een verkennend onderzoek in het kader van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht art. 6.2.c. in het geval er voldoende bruikbare informatie beschikbaar is om de bodemtoets uit te voeren. De regio Amstelland en Meerlanden besluit de bodemkwaliteitskaart te beschouwen als een van de beoordelingsinstrumenten voor het uitvoeren van de bodemtoets. Deze ontheffing van de bodemonderzoeksplicht geldt alleen als aan alle drie de volgende voorwaarden wordt voldaan: Uit de puntbronnencheck blijkt dat de onderzoekslocatie niet verdacht is op een bodemverontreiniging (ook niet asbestverdacht); De locatie valt binnen zone 1 of 2 van de bodemkwaliteitskaart; Er worden met het plaatsen van het bouwwerk geen sanerende maatregelen doorsneden. Omdat met een ontheffing een bodemonderzoek achterwege blijft, moet men tijdens graafwerkzaamheden wel bedacht zijn op bodemvreemd materiaal of onverwachte verontreinigingen. Mocht men daarop stuiten, dan moet dit worden gemeld bij de Omgevingsdienst. De werkzaamheden mogen in dat geval niet worden voortgezet zonder voorafgaand bodemonderzoek. Daarnaast moet de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) op de hoogte worden gesteld en wordt, afhankelijk van de ernst van de situatie, het veiligheidsregime van de werkzaamheden aangepast. 3.7Bodemonderzoek bij werken in de openbare weg Bij herprofileringen, werk aan kabels en leidingen en andere werkzaamheden aan de openbare weg komen vaak zand en funderingsmateriaal vrij. Het funderingsmateriaal kan bestaan uit allerlei soorten steenachtig materiaal, van puinhoudende grond tot hoogovenslakken. In Aalsmeer en Amstelveen liggen een aantal wegen op historische veenkaden, uit onderzoek blijkt dat deze wegen verontreinigd zijn. Ook wegen in de Bovenlanden (niet-ontveende gebieden) zijn vermoedelijk verontreinigd. In feite wijken zowel de opbouw als de samenstelling van het wegprofiel dermate af van de omgeving dat de bodemkwaliteitskaart niet representatief is voor de openbare weg. Bij graafwerk in de openbare weg is een indicatief bodemonderzoek noodzakelijk (behalve als er al een representatief bodemonderzoek aanwezig is). Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van asbest (bijv. bij aantreffen van puin). 3.8Welk soort onderzoek is noodzakelijk in welke situatie Omdat het in sommige gevallen niet altijd duidelijk is wanneer de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de bodem of dat er een bodemonderzoek (NEN5740) of partijkeuring moet worden uitgevoerd, zijn de meest voorkomende scenario’s wat betreft graafwerk en toepassen van grond op een rijtje gezet in Tabel 3.1. Tabel 3.1 Scenario’s (graafwerk of toepassen) waarbij de bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt of een bodemonderzoek (NEN5740) of partijkeuring moet worden uitgevoerd Scenario Gebruik BKK mogelijk (met puntbronnencheck) NEN5740-onderzoek vereist Partijkeuring vereist (protocol 1001, art. 4.3.3. Regeling bodemkwaliteit) Omgevingsvergunning: Aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen Ja, in zone 1 of 2 Ja, indien geen vrijstelling - Graafwerkzaamheden: Graafwerk in zone 1, 2 of 3 Ja Nee - Graafwerk in zone 4 Nee Ja - Graafwerk in niet-gezoneerde gebieden (grijze vlakken) Nee Ja (check tevens evt saneringsplan) - Graafwerk in de openbare weg Nee Ja - Toepassen: Toepassen grond uit zones 1, 2, 3, 1A of 1B binnen de regio Amstelland en Meerlanden; Toepassing is toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix Ja Nee Nee Toepassen grond uit zones 1, 2, 3, 1A of 1B binnen de regio Amstelland en Meerlanden; Toepassing is niet toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix Nee Nee Ja Toepassen grond uit zone 4 Nee Ja (voor graafwerk) Ja (daarna toets op toepasbaarheid)** Toepassen grond uit een gebied met te weinig gegevens (grijze vlakken ) Nee Ja (voor graafwerk) Ja (daarna toets op toepasbaarheid)** De ontvangende bodem valt niet in een vastgestelde BKK-zone (grijze vlakken) Nee Ja (check tevens evt saneringsplan) - Toepassen grond van buiten de regio AADUO (Haarlemmermeer of Amsterdam*); Toepassing is toegestaan volgens toepassingseis Ja, indien toepassing is toegestaan met BKK van Haarlemmermeer of Amsterdam - Nee Toepassen grond van buiten de regio Amstelland en Meerlanden (Haarlemmermeer of Amsterdam*); Toepassing is niet toegestaan volgens toepassingseis Nee - Ja (daarna toets op toepasbaarheid)** Toepassen grond van buiten de regio Amstelland en Meerlanden (niet zijnde Haarlemmermeer of Amsterdam) Nee - Ja (daarna toets op toepasbaarheid)** * indien vastgesteld en geaccepteerd door Amstelland en Meerlanden; ** zie voor de toepassingseisen Tabel 2.3. In Tabel 3.2 staan diverse scenario’s beschreven welk onderzoek moet worden uitgevoerd indien er een onverwachte situatie optreedt en de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden. Tabel 3.2 Scenario’s waarin een onverwachte situatie optreedt waarbij de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden en een bodemonderzoek (NEN5740) of partijkeuring moet worden uitgevoerd Scenario Gebruik BKK mogelijk (met puntbronnencheck) NEN5740-onderzoek vereist Partijkeuring vereist (protocol 1001, art. 4.3.3. Regeling bodemkwaliteit) Er is een verkennend onderzoek uitgevoerd op de ontgravingslocatie (NEN5740) en de uitkomst komt niet overeen met de BKK-klasse Ja, indien uitkomst valt binnen de statistische variatie van de betreffende zone en ligt beneden de interventiewaarde - - Er is een partijkeuring uitgevoerd op de ontgravings-locatie en de uitkomst komt niet overeen met de BKK-klasse Nee - Partijkeuring is leidend Uit vooronderzoek/puntbronnencheck op de ontgravingslocatie blijkt dat sprake is van een verdachte locatie (betr. voornemen om de ontgraven grond elders toe te passen) Nee - Ja, verdachte stoffen meenemen (daarna toets op toepasbaarheid) Tijdens graafwerk wordt een onverwachte verontreiniging aangetroffen (bijv asbest, minerale olie) Deels (onverdachte deel) Ja, op verdachte deel Nee 3.9Arbeidsomstandigheden Een andere reden voor bodemonderzoek is om te waarborgen dat werkzaamheden in de bodem veilig worden uitgevoerd, met passende veiligheidsmaatregelen. Soms is bodemonderzoek volgens de sectorale milieuwetgeving niet eens vereist, maar is het toch wenselijk om eventuele ARBO risico’s te bepalen. Voor het bepalen van bodemgerelateerde ARBO risico’s moet vanaf 2019 gebruik worden gemaakt van de CROW-400 Werken in en met verontreinigde bodem, die verontreinigingen toetst aan de zogeheten SRC-Arbo (Serious Risk Concentration). Daarbij accepteert CROW 400 ook publiekrechtelijke bodemkwaliteitskaarten om de noodzaak van veiligheidsmaatregelen te bepalen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de statistische P80-waarde6Gekozen waarde in een dataset, zodanig dat 80% van de data kleiner of eraan gelijk is en 20% groter of eraan gelijk. van bodemkwaliteitskaartzones. De P80-waarde van de bodemkwaliteitskaart is opgenomen in de tabellen in Bijlage 5. Voorafgaand aan gebruik van de bodemkwaliteitskaart in dit kader is het uitvoeren van de puntbronnencheck noodzakelijk (zie par. 3.2). 3.10Niet genormeerde stoffen Voor stoffen die in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit [Lit. 2] zijn opgenomen zijn normen vastgesteld waarmee beoordeeld kan worden of een bepaald gehalte hoger is dan normaal en of dat consequenties heeft. Dat geldt in ieder geval voor alle stoffen die in een standaard onderzoek worden meegenomen. Toch is het aantal stoffen waar geen normen voor zijn vele malen groter. En ook deze niet genormeerde stoffen zullen in de bodem voorkomen, vaak in combinatie met wel genormeerde stoffen. Niet genormeerde stoffen worden zelden in een onderzoek meegenomen en daarom weten we ook weinig over het voorkomen ervan. Dat is niet altijd erg omdat stoffen vaak in combinatie voorkomen en het standaard onderzoekspakket de meest voorkomende en risicovolle stoffen bevat. Als de bodem met het standaardpakket is onderzocht en niet of nauwelijks verontreinigd blijkt te zijn, mag in de meeste gevallen worden aangenomen dat er ook geen andere risicovolle verontreinigingen aanwezig zijn. Er zijn echter uitzonderingen. BronlocatiesBij een vooronderzoek op een bedrijfslocatie moet bekeken worden met welke stoffen is gewerkt en of die mogelijk in de bodem terecht zijn gekomen. De bodem zal op deze stoffen moeten worden onderzocht. Als de stoffen worden aangetroffen zal de aard en omvang van de verontreiniging moeten worden onderzocht en moet een risico-inschatting worden gemaakt op basis van de wel bekende gegevens. Dat is onderdeel van het nader onderzoek. Uiteindelijk bepaalt het bevoegd gezag (de Omgevingsdienst NZKG) of de verontreiniging gesaneerd moet worden. Zo nodig wordt het RIVM voor advies ingeschakeld. 4Toepassen van grond en bagger Een partij grond of baggerspecie mag volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit alleen worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Anders wordt de toepassing gezien als storten van afval en gelden strengere regels op grond van de afvalstoffenwetgeving (Wet Milieubeheer). In het Besluit staat aangegeven (artikel 35) welke toepassingen als ‘nuttig’ worden aangemerkt (zie ook de Nota van Toelichting Bbk). 4.1Milieuhygiënische kwaliteitsverklaring Toepassen van schone grond met een erkende kwaliteitsverklaringGrond die voldoet aan de Achtergrondwaarde (volgens art 4.2.2, lid 4 en 5 van de Regeling bodemkwaliteit) wordt aangeduid met de term “schone grond”. Deze kan altijd worden toegepast, mits er sprake is van een nuttige toepassing (art. 5, lid 1 Besluit bodemkwaliteit) en deze toepassing wordt gemeld. Het kwaliteitsbewijs van de schone grond is een erkende kwaliteitsverklaring conform het Besluit bodemkwaliteit. Een bodemkwaliteitskaart geldt niet als een bewijsmiddel om een partij grond het predicaat “schone grond”, zoals bedoeld in de Regeling, te geven. Toepassen van licht verontreinigde grond met een erkende kwaliteitsverklaringEen toe te passen partij licht verontreinigde grond kan voorzien zijn van een erkende kwaliteitsverklaring conform het Besluit bodemkwaliteit, zoals een partijkeuring of een fabrikant-eigenverklaring. In dat geval gaat deze milieuhygiënische kwaliteitsverklaring boven de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, omdat deze een meer nauwkeurige uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond. Toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als kwaliteitsverklaringDe bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden kan als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt bij toepassen van grond in het eigen beheergebied. Voor toepassing van grond uit de regio in een ander beheergebied moet de kaart van de regio Amstelland en Meerlanden door het betreffende bevoegd gezag erkend zijn als bewijsmiddel of moet een andere erkende milieuhygiënische verklaring worden gebruikt. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt als milieuhygiënische verklaring als de volgens de kaart vastgestelde kwaliteit in de herkomstzone voldoet aan de toepassingseis in de toepassingszone. In de regio Amstelland en Meerlanden geldt de P80 als de gehanteerde kwaliteit van de zone van herkomst (Ontgravingskaart, Bijlage 3C) die is getoetst aan de toepassingseis in de zone van toepassing (Toepassingskaart, Bijlage 3D). De gestelde toepassingseis per zone en bodemfunctie kan afgelezen worden in de toepassingsmatrix (zie Tabel 4.3). Grond afkomstig vanuit de niet-ingedeelde gebieden (waar te weinig gegevens zijn) mag nooit zonder partijkeuring worden hergebruikt. Grond afkomstig van zone 1 mag overal binnen de de regio Amstelland en Meerlanden zonder bodemonderzoek worden toegepast, mits het vooronderzoek geen aanleiding geeft de herkomst- en toepassingslocatie als ‘verdacht’ aan te merken. Bodemkwaliteitskaarten van andere gemeentenDe gemeenten binnen de regio Amstelland en Meerlanden erkennen de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam en Haarlemmermeer als bewijsmiddel. Dit betekent dat grond vanuit Amsterdam en vanuit Haarlemmermeer op basis van de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam en van Haarlemmermeer in de regio Amstelland en Meerlanden mag worden aangewend wanneer aan de toepassingseis wordt voldaan. 4.2Toetsingsregels en omrekening naar standaardbodem Toetsingsregel AchtergrondwaardenVanwege statistische keuzes bij het afleiden van de Achtergrondwaarden is er bij onbelaste bodems toch altijd een kleine kans (5%) dat de Achtergrondwaarden worden overschreden. Deze kans neemt toe naarmate er meer stoffen worden geanalyseerd. Om te voorkomen dat onbelaste bodems ten onrechte worden gekarakteriseerd als bodem die niet voldoet aan de Achtergrondwaarden, wordt een toetsingsregel (overschrijdingsregel) toegepast. Deze toetsingsregel is terug te vinden in de Regeling bodemkwaliteit (art. 4.2.2, 4e, 5e en 8e lid) en luidt als volgt: De kwaliteit van grond en baggerspecie overschrijdt niet de Achtergrondwaarden als bij meting van ten minste X stoffen* in de grond of baggerspecie de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de Achtergrondwaarden (zie Tabel 4.1). De verhoging mag per stof maximaal 2x de Achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de Generieke Maximale Waarden voor de klasse Wonen van de betreffende stof. Alleen voor Nikkel hoeft bij deze toetsingsregel niet aan de Generieke Maximale Waarde voor de klasse Wonen maar uitsluitend aan 2x de Achtergrondwaarde getoetst te worden. Tabel 4.1 X- en Y-waarden bij de toetsingsregel van de Achtergrondwaarden en van de bodemkwaliteitsklasse Wonen X* 2 7 16 27 37 Y 1 2 3 4 5 *Het aantal toetsbare gemeten stoffen (bijv. de meting van som PAK 10 wordt als één meting geteld) De toetsingsregel geldt zowel voor de toetsing van de kwaliteit van een toe te passen partij grond of bagger-specie als ook voor de ontvangende bodem (zie art. 4.10.2 van de Regeling bodemkwaliteit). Toetsingsregel WonenUitgangspunt bij de indeling in kwaliteitsklassen van de ontvangende bodem, is dat de rekenkundige gemiddelden van de gemeten stoffen moeten voldoen aan de Maximale Waarden die horen bij de klassegrenzen van de klassen Wonen en Industrie. Hierop is één uitzondering, namelijk voor het indelen van een bodemkwaliteitszone of een toepassingslocatie in de bodemkwaliteitsklasse Wonen. Hiervoor geldt een bijzondere toetsingsregel. Hiermee wordt voorkomen dat een gebied of zone op basis van de overschrijding van één parameter wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge eisen gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarde Industrie, waardoor de kwaliteit van het gebied verslechtert. Deze toetsingsregel is opgenomen in artikel 4.10.2 van de Regeling bodemkwaliteit en luidt als volgt: De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de Maximale Waarden voor de kwaliteitsklasse Wonen wanneer bij meting van ten minste X stoffen maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de Maximale Waarden voor de kwaliteitsklasse Wonen (zie tabel 4.1 voor de X- en Y-waarden). De verhoging mag per stof ten hoogste de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse Wonen vermeerderd met de Achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de Maximale Waarden voor de kwaliteitsklasse Industrie. Deze toetsingsregel geldt alleen voor de indeling van de ontvangende bodem in een kwaliteitsklasse. Voor de indeling van een partij toe te passen grond of baggerspecie geldt deze toetsingsregel niet! Omrekening naar standaardbodem De gehalten en toepassingseisen welke genoemd worden in deze Nota en de bodemkwaliteitskaart zijn omgerekend naar standaardbodem. Om te bepalen of een geplande toepassing is toegestaan dient omrekening naar standaardbodem plaats te vinden. De berekeningswijze staat beschreven in Bijlage G behorende bij artikel 4.2.1 van de Regeling Bodemkwaliteit [Lit. 2]. 4.3Toepassen van grond afkomstig vanuit het beheergebied Bij toepassen van grond afkomstig vanuit het beheergebied (Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel, Uithoorn, Amsterdam en Haarlemmermeer) op een ontvangende bodem in de regio Amstelland en Meerlanden zijn er twee mogelijkheden: De toe te passen grond is onderzocht d.m.v. een partijkeuring, of er wordt gebruik gemaakt van de bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente (Haarlemmermeer of Amsterdam) of de toe te passen grond is voorzien van een andere erkende milieuhygiënische verklaring conform het Bbk. In deze gevallen moet de uitkomst getoetst worden aan de lokale normen bij toepassing in een zone in Amstelland en Meerlanden. Bij toepassing binnen een saneringslocatie kunnen afwijkende eisen in het (goedgekeurde) saneringsplan zijn vastgelegd; De grond wordt toegepast met de bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden als bewijsmiddel. In dit geval moet getoetst worden aan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3). De toets aan de lokale of generieke normen is al in de matrix verwerkt. De eisen en voorwaarden hierbij worden in de paragrafen 4.4. en 4.5 uitgewerkt. 4.4Ontgraven en toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart Amstelland en Meerlanden Het al dan niet mogen verrichten van grondverzet van een niet-verdachte locatie in de regio Amstelland en Meerlanden met de bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden als bewijsmiddel is afhankelijk van de volgende voorwaarden: Grondverzet zonder partijkeuring is toegestaan als de classificatie van de bodemkwaliteitszone van herkomst voldoet aan de toepassingseis in de zone van toepassing; Als sprake is van een partijkeuring op de te ontgraven locatie, dat volgens de criteria in het Besluit bodemkwaliteit als bewijsmiddel mag dienen, dan kan geen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, maar moet gebruik worden gemaakt van de onderzoeksresultaten; Als een partij gemengd wordt ontgraven uit verschillende lagen is dat alleen toegestaan als de ontgravingskwaliteit vergelijkbaar is. De partij dient te worden ontgraven uit één laag waarop de ontgravingskaart van toepassing is. Als de partij afkomstig is uit meerdere (diepere) lagen van de ontgravingskaart dient het grondverzet op deze laaggrenzen te worden afgestemd. Op de toepassingskaart (Bijlage 3D) is af te lezen welke kwaliteit grond op welke deelzone mag worden toegepast. Deze kaart is het gevolg van het toetsen van de resultaten van de ontgravingskaart aan de toepassingseisen of kwaliteitseisen aanvulgrond/leeflaag op basis van de bodemfunctie. Zie ook Tabel 4.2. Tabel 4.2 De bodemkwaliteitszones met functie, kwaliteit en toepassingseis, te gebruiken bij de dubbele toets in het generieke beleidskader. Wanneer er geen gegevens bekend zijn, moet eerst NEN-onderzoek of partijkeuring worden uitgevoerd. * Van zone 1B zijn te weinig waarnemingen bekend om de BKK-zone vast te stellen. **Onderzoek van de ontvangende bodem is niet verplicht bij toepassen van grond op rijkswegen/spoorwegen. Per zone gelden de volgende regels voor het ontgraven en toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart (na puntbronnencheck en melden): Zone 1In zone 1 is het generieke beleidskader van toepassing7Generiek beleid in zone 1 betreft het toepassingsbeleid. Voor asbest en het percentage bodemvreemd materiaal gelden de gebiedsspecifieke eisen voor het hele beheergebied.. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit alle lagen van zone 1 mag in het hele beheergebied vrij worden toegepast. Echter, bij toepassing in de sterk verontreinigde zone 4 kan sprake zijn van een saneringshandeling. In dat geval is een melding conform de Wet bodembescherming noodzakelijk. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen zone 1 moet voldoen aan de Achtergrondwaarde. Grond vanuit zone 1 mag vrij worden toegepast. Grond van buiten deze zone mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de Achtergrondwaarde. Zone 2In zone 2 is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit alle lagen van zone 2 is vrij toe te passen in de zones 2 t/m 4 en in zone 1A en 1B met de bodemfuncties: wonen met tuin plaatsen waar kinderen spelen groen met natuurwaarden ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen zone 2 moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond afkomstig uit de landbouwgebieden van zone 2 mag binnen de deelgebieden waaruit de grond afkomstig is vrij worden hergebruikt op de bodemfunctie ‘landbouw’ (alle lagen). Grond uit andere deelzones van de regio, of van buiten de regio Amstelland en Meerlanden, mag worden toegepast in zone 2 mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Zone 3In zone 3 is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit alle lagen van zone 3 is vrij toe te passen in de zones 3 en 4 en in zone 1A en 1B met de bodemfuncties: ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Echter, de 95-percentielwaarden van de toplaag en de diepe laag van zone 3 overschrijdt voor een aantal stoffen de Interventiewaarde, waardoor de kans bestaat dat toch sterk verontreinigde grond wordt toegepast. Voor lood kan dat bijvoorbeeld een humaan risico opleveren bij de bodemfuncties ‘Wonen met tuin’, ‘Plaatsen waar kinderen spelen’, ‘Moestuin/volkstuin’ en ‘Landbouw’. Grond uit deze twee lagen van zone 3 moet daarom altijd eerst een partijkeuring ondergaan en getoetst worden aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen voor de betreffende bodemfunctie op de toepassingslocatie als sprake is van een van deze bodemfuncties. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen zone 3 moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond vanuit andere deelzones van de regio Amstelland en Meerlanden, of van buiten de regio, mag worden toegepast in zone 3 mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Zone 4In zone 4 is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit zone 4 mag niet zonder onderzoek elders worden toegepast. Als een partijkeuring uitwijst dat de grond toch voldoet aan de gebiedsspecifieke norm van de toepassingslocatie, of aan het generieke toetsingskader in een toepassingsgebied met generiek beleid, dan is toepassing alsnog toegestaan. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen zone 4 moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Grond vanuit andere deelzones van de regio Amstelland en Meerlanden, of van buiten de regio, mag worden toegepast in zone 4 mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Toepassen van grond binnen deze sterk verontreinigde zone wordt gezien als een ‘saneringshandeling’ die getoetst moet worden aan de Wet bodembescherming. Een saneringsplan of BUS-melding kan noodzakelijk zijn. Zone 1AIn zone 1A is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. De ontvangende bodem voldoet aan de Achtergrondwaarde, maar door het toestaan van toepassingen tot en met kwaliteit Industrie, zal de bodem hier verslechteren, waardoor de ontgravingskwaliteit verandert (er moet uitgegaan worden van kwaliteit Industrie). Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit alle lagen van zone 1A is vrij toe te passen in de zones 3 en 4 en in zone 1A en 1B met de bodemfuncties: ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen zone 1A moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1, 2 en 3 mag hier vrij worden toegepast. Binnen zone 1A mag vrij met grond worden geschoven. Grond vanuit andere deelzones van de regio Amstelland en Meerlanden mag worden toegepast in zone 1A mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. De gebiedsspecifieke toepassingseis in zone 1A geldt alleen voor gebiedseigen grond (van binnen het beheergebied) om het standstill-principe te waarborgen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Zone 1BIn zone 1B is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. De ontvangende bodem voldoet aan de Achtergrondwaarde, maar er zijn te weinig waarnemingen om de zone vast te stellen. Er gelden echter bijzondere regels omdat sprake is van een gronddepot. Partijen tot en met kwaliteit industrie mogen hier worden toegepast. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Opgeslagen partijen grond afkomstig vanuit zone 1B zijn vrij toe te passen in de zones 3 en 4 en in zone 1A en 1B met de bodemfuncties: - ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Wanneer opgeslagen grond een partijkeuring ondergaat bij verlaten van het depot, mag deze grond overeenkomstig de uitslag van de keuring elders worden toegepast. Indien partijen grond op basis van de BKK gescheiden opgeslagen liggen, kan toepassing elders op basis van deze BKK-klasse mogelijk zijn. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen de zone 1B moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1, 2 en 3 mag hier vrij worden toegepast. Binnen zone 1B mag vrij met grond worden geschoven. Grond vanuit andere deelzones van de regio Amstelland en Meerlanden, of van buiten de regio, mag worden toegepast in zone 1B mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. 4.5Toepassingsmatrix bodemkwaliteitskaart Amstelland en Meerlanden Om te beoordelen of grondverzet mogelijk is tussen niet-verdachte herkomst- en toepassingslocaties binnen de regio kan de toepassingsmatrix worden geraadpleegd (Tabel 4.3). In deze tabel laat de verticale en horizontale balk zien welke grondstromen tussen (en binnen) bodemkwaliteitszones denkbaar zijn. In de vakjes van de tabel staat aangegeven of een bepaalde grondstroom is toegestaan (groen vakje) en eventueel onder welke voorwaarden. Daarbij is getoetst of de ontgravingskwaliteit (P80) voldoet aan de toepassingseis (per functie) van de ontvangende bodem. Als toepassing van een zekere stroom niet wordt toegestaan zonder voorafgaande partijkeuring is het vakje geel, oranje of rood gekleurd. Dan is het is aan de initiatiefnemer van het grondverzet om in te schatten of het doen van een partijkeuring voldoende kans oplevert dat de partij alsnog mag worden toegepast. Hierbij is het vanzelfsprekend dat deze kans groter is wanneer de P75 voldoet dan wanneer slechts de P25 voldoet8De genoemde percentielwaarden (P25, P50, P75) zijn geen normen waaraan getoetst moet worden. Ze geven slechts een indicatie welk deel van de totale dataset aan metingen binnen de zone voldoet aan de toepassingseis van de betreffende bodemfunctie. Als slechts een kwart van de gemeten waarden (P25) voldoet aan de toepassingseis is de kans klein dat na een partijkeuring een partij alsnog mag worden toegepast en kan men zich de kosten dus beter besparen.. Tabel 4.3 Toepassingsmatrix bodemkwaliteitskaart De toepassingsmatrix is alléén bruikbaar wanneer grond vanuit een bodemkwaliteitskaartzone wordt toegepast in een andere bodemkwaliteitskaartzone (of binnen een zone wordt verplaatst). Wanneer sprake is van niet-gezoneerd gebied, wanneer toepassing zonder onderzoek niet is toegestaan en/of wanneer de partij grond een partijkeuring heeft ondergaan of voorzien is van een andere erkende milieuhygiënische verklaring, moet de uitkomst van deze partijkeuring of verklaring getoetst worden aan de lokale of generieke normen (Tabel 2.3.). 4.6Toepassen van grond afkomstig van buiten de regio Voor geplande toepassingen van grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied van de regio Amstelland en Meerlanden en de gemeenten waarvan de BKK door de gemeenten binnen de regio is geaccepteerd als bewijsmiddel geldt dat de kwaliteit van de grond moet zijn aangetoond middels een erkende milieuhygiënische verklaring, zoals een partijkeuring of productcertificaat. Toe te passen grond moet voldoen aan de toepassingseisen die gelden voor de betreffende bodemfunctie in de zone van toepassing (zie Tabel 2.3). Toepassen grond van buiten de regio, maar van binnen het beheergebiedVoor geplande toepassingen van grond van buiten de gemeentegrenzen van de regio Amstelland en Meerlanden, maar van binnen het beheergebied (Amsterdam, Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn) mag de bodemkwaliteitskaart van de betreffende gemeente worden gebruikt, mits deze wederzijds als bewijsmiddel wordt geaccepteerd. Komt de grond van een depot, dan is de bodemkwaliteitskaart op die locatie niet van toepassing en moet een andere erkende kwaliteitsverklaring kunnen worden overlegd9De grond in het depot kan wel afkomstig zijn van een vastgestelde bodemkwaliteitskaartzone en met dit kwaliteitskenmerk zijn opgeslagen. Met dit bewijsmiddel kan de grond mogelijk wel elders worden toegepast.. Bij het toepassen van grond in zone 2 t/m 4 en in zone 1A en 1B geldt altijd het gebiedsspecifieke toetsingskader. In die zones wordt de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag bepaald door de lokale bodemfunctie (toepassingseis in zone 1 is altijd Achtergrondwaarde), zie Tabel 2.3. Toepassen grond van buiten het beheergebiedVoor geplande toepassingen van grond afkomstig van buiten het beheergebied moet de kwaliteit van de toe te passen grond zijn onderzocht (partijkeuring of certificaat). Voor toepassing van die grond in zone 2 t/m 4 geldt altijd het gebiedsspecifieke toetsingskader. In die zones wordt de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/ leeflaag bepaald door de lokale bodemfunctie (toepassingseis in zone 1 is altijd Achtergrondwaarde), zie Tabel 2.3. Het gebiedsspecifieke beleid in zone 1A (bedrijventerreinen), waarbij alleen op de bodemfunctie hoeft te worden getoetst, geldt alleen voor grond van binnen het beheergebied. Wanneer grond van buiten het beheergebied wordt toegepast moet een dubbele toets volgens het Bbk worden gedaan (bodemfunctie en kwaliteit ontvangende bodem), waarbij de strengste geldt als toepassingseis (zie ook Tabel 4.4). Voor toepassen van grond afkomstig van buiten het beheergebied binnen zone 1B (Grondbank Aalsmeer) gelden de toepassingseisen volgens de acceptatieregels van het depot conform de BRL9335-1. 4.7Niet-gezoneerde gebieden Gebieden met te weinig gegevensSommige gebieden in de regio Amstelland en Meerlanden vallen buiten de werking van de bodemkwaliteitskaart. In de bodemkwaliteitskaart zijn deze “niet-gezoneerde” gebieden grijs gekleurd. Dit zijn in de meeste gevallen landbouwgebieden waarvan te weinig gegevens (bodemonderzoeken) voorhanden zijn om deze gebieden in te delen in een bodemkwaliteitszone. Binnen niet-gezoneerde gebieden mag er zonder onderzoek in principe alleen grond worden toegepast die voldoet aan de Achtergrondwaarde. Omdat de bodemfunctie in de meeste niet-gezoneerde gebieden Landbouw/natuur is en er sowieso weinig grondverzet plaatsvindt, heeft dit geen grote gevolgen. Wanneer er geen sprake is van de functie Landbouw/natuur en het toepassen van grond met kwaliteit Achtergrondwaarde niet de voorkeur heeft, moet de toepassingseis worden bepaald op basis van een partijkeuring van de toe te passen partij (wanneer de grond niet afkomstig is uit een gezoneerde bodemkwaliteitszone) én een bodemonderzoek op de toepassingslocatie (ontvangende bodem). Vervolgens wordt de uitkomst getoetst aan de generieke toepassingseisen (dubbele toets, zie Tabel 4.4). Hierbij wordt een uitzondering gemaakt voor de bodemfunctie ‘Wonen met tuin’ en ‘Plaatsen waar kinderen spelen’. Wanneer de ontvangende bodem op deze functies in de klasse Wonen valt, mag kwaliteitsklasse Wonen worden toegepast, maar deze grond mag niet meer dan 100 mg/kg aan lood bevatten. Tabel 4.4 Bepaling toepassingseis generiek kader (dubbele toets (functie en kwaliteit), strengste geldt als toepassingseis) Wanneer de ontvangende bodem wél gezoneerd is, wordt de uitkomst van de partijkeuring getoetst aan de toepassingseis van de toepassingszone volgens Tabel 2.3. Gesaneerde gebiedenDe grotere saneringslocaties of gesaneerde gebieden zijn ook niet gezoneerd. Het betreft gebieden met ofwel een leeflaag (met zorgmaatregelen) ofwel met specifieke voorwaarden wat betreft ontgraven en toepassen (beschreven in het saneringsplan of de BUS-melding). Ontgraven en/of toepassen van grond op deze saneringslocaties vallen onder de Wet bodembescherming en moeten zijn beschreven in het (raam)saneringsplan of moeten passen binnen de BUS-melding of de nazorgbeschikking. Bij het doorbreken van een leeflaag moet deze na de werkzaamheden hersteld worden volgens het saneringsplan of BUS-melding. Indien de kwaliteit van de leeflaag hierin niet beschreven staat moet de leeflaag voldoen aan de (generieke) toepassingseis op de plaats van handeling. Hierbij wordt een uitzondering gemaakt voor de bodemfunctie ‘Wonen met tuin’ en ‘Plaatsen waar kinderen spelen’. Wanneer de ontvangende bodem op deze functies in de klasse Wonen valt, mag kwaliteitsklasse Wonen worden toegepast, maar deze grond mag niet meer dan 100 mg/kg aan lood bevatten. Openbare wegGrond afkomstig uit de openbare weg of andere infrastructuur mag niet zonder partijkeuring elders worden toegepast, ook niet in een andere openbare weg. Het materiaal (profielzand en funderingsmateriaal) mag wel zonder tussentijdse bewerking onder dezelfde condities op of nabij de plaats van vrijkomen (binnen hetzelfde werk) opnieuw worden toegepast, of worden teruggestort in de sleuf/wegcunet waar het uit komt. Ook grond die toegepast is als fundering (straatzand) is uitgezonderd van hergebruik op basis van de bodemkwaliteitskaart. Voor het hergebruiken van straatzand zal eerst een indicatief onderzoek moeten worden uitgevoerd. Als na dit onderzoek echter blijkt dat de grond toch voldoet aan de toepassingseis op de toepassingslocatie is toepassing toegestaan. Hier wordt uitgegaan van hetzelfde bodemgebruik. Indien straatzand voor andere bodemfuncties wordt aangewend is een partijkeuring noodzakelijk. 4.8Toepassen van baggerspecie op de landbodem Bevoegd gezagDe gemeente, het waterschap, Rijkswaterstaat, het Hoogheemraadschap en – in specifieke gevallen - ook particulieren hebben allen een baggeropgave. Wie deze onderhoudsverplichting heeft, en voor welke watergangen, is vastgelegd in de Legger Oppervlaktewater. De Legger markeert ook de grenzen waar de bevoegdheid van de gemeente ligt en waar die van de waterkwaliteitsbeheerder. Voor de toepassing van baggerspecie op de landbodem binnen de regio Amstelland en Meerlanden zijn de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn bevoegd gezag. Voor de toepassing van baggerspecie in oppervlaktewater is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag (ingevolge de Waterwet). In de regio is dit het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Hergebruik van bagger: generiek kaderAnders dan eerdere regelgeving geeft het Besluit bodemkwaliteit meer ruimte om rekening te houden met een ‘gebiedsopgave’. Daarmee wordt bedoeld: ‘voor welke opgave staat het gebied met betrekking tot grond- en baggerverzet?’ Regelmatig baggeren is noodzakelijk om het watersysteem goed te laten functioneren. Deze onderhoudsinspanning levert een jaarlijks terugkerend baggerverzet op, dat bij voorkeur een nuttige bestemming krijgt binnen het gebied. Het Besluit bodemkwaliteit stelt als voorwaarde dat de baggerspecie het herstellen of verbeteren van het aangrenzende perceel tot doel heeft en de initiatiefnemer moet die nuttige toepassing kunnen verantwoorden. Baggerspecie (ook wel aangeduid als slib) kan worden beschouwd als een waardevolle grondstof. Het opbrengen van bagger op één perceel, met als doel het perceel op te hogen, wordt gezien als doelmatig (nuttige toepassing). Het is wenselijk zoveel mogelijk gebiedseigen bagger toe te passen. Als bagger wordt gebruikt bij de aanleg van nieuwe kades of het creëren van nieuwe landbodem, is geen sprake van ‘verspreiden’ en gelden de algemene regels van het Besluit bodemkwaliteit. Volgens het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit mag bagger verspreid worden over aangrenzende percelen en in weilanddepots op aan de watergang grenzende percelen. Voorwaarde is dat de kwaliteit van de baggerspecie eerst wordt vastgesteld. Hiervoor geldt een specifieke toetsing, gebaseerd op de zogeheten msPAF-toets, die rekening houdt met milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. Zie voor de normen tabel 1, Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit, [Lit.2]. Volgens de toets mag de bagger pas worden verspreid als de uitkomst ‘verspreidbaar’ luidt, of dat de bagger dermate onverdacht is dat een onderzoek niet noodzakelijk is. Het is tevens toegestaan bagger toe te passen als zijnde ‘grond’ (met bijbehorend toetsingskader). Een weilanddepot wordt gezien als een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie ter ontwatering en rijping op een perceel grenzend aan de watergang waaruit de specie komt. Na rijping kan het materiaal, afhankelijk van de kwaliteit en functie, in aanmerking komen voor toepassing als verspreidbare bagger op het betreffende perceel of als nuttige en functionele toepassing elders. Verschil tussen ‘verspreiden’ en ‘toepassen’ van baggerspecieVoor het verwerken van toepasbare baggerspecie biedt het Besluit bodemkwaliteit twee toetsingskaders: Verspreiden: In oppervlaktewater; Over het aan de watergang grenzende perceel (op de kant of in een weilanddepot). Hierbij is er sprake van acceptatieplicht op basis van msPAF-toets, er hoeft niet aan de kwaliteit van de ontvangende bodem te worden getoetst en er is geen gebiedsspecifiek beleid mogelijk. Toepassen: Als Grootschalige Bodem Toepassing (GBT); In oppervlaktewater; Op landbodem; generiek (dubbele toets), gebiedsspecifiek (lokale norm) of middels de BKK. Omdat uniform beleid in het gehele beheergebied (Amstelland en Meerlanden, Haarlemmermeer en Amsterdam) het uitgangspunt is, wordt met het baggerbeleid in deze Nota aangesloten op het beleid geldend in Haarlemmermeer en Amsterdam. Apart beleid voor het Westeinderplassengebied, zoals dit in de vorige Nota was opgenomen, is hiermee niet meer nodig, het nieuwe beleid voorziet in de behoefte. Dit beleid luidt als volgt: Verspreiden op aangrenzende percelen (op de kant) en in weilanddepots in de regio Amstelland en MeerlandenHet regiobeleid voor het verspreiden van bagger op landbodem heeft twee uitgangspunten: In principe dient het aan de plaats van baggerhandeling direct aangrenzende perceel de bagger te ontvangen (aansluiting op de wettelijke ontvangstplicht na uitvoeren van de msPAF-toets); Verslechtering van de kwaliteit van de ontvangende bodem (ingedeeld in een bodemkwaliteitsklasse conform het Besluit bodemkwaliteit) moet voorkomen, dan wel zoveel mogelijk beperkt worden. Begrip ‘aangrenzend perceel’ en ‘watergang’Het landelijke Besluit bodemkwaliteit is bewust minder sturend en kaderstellend opgesteld, om ruimte te maken voor decentralisatie van beleid en regelgeving. Gemeenten en waterschappen kunnen regels voor baggeractiviteiten zo beter toesnijden op het eigen beheergebied. In het Besluit bodemkwaliteit worden de begrippen ‘aangrenzend perceel’ en ‘watergang’ bijvoorbeeld alleen summier toegelicht, zonder een maximale afstand te noemen. De regio Amstelland en Meerlanden maakt deze begrippen als volgt concreet: Aangrenzend perceel: Perceel met minimaal één zijde grenzend aan een watergang waar zich de baggerhandeling voordoet (met toepassing van art 60, lid 2 Besluit bodemkwaliteit). Percelen die door een weg, pad, smalle grondstrook of ander werk van de watergang zijn gescheiden, worden toch als ‘aan de watergang grenzend’ beschouwd; Watergang: Een fysiek afgebakende watergang (met dammen, stuwen, gemalen enzovoort), dan wel uitmondend in een ander type watergang (vaart, boezem, wetering, kanalen, plassen enzovoort). Een bij elkaar horend stelsel van gelijke watergangen, direct grenzend aan de baggerlocatie, wordt ook als ‘aangrenzende watergang’ beschouwd, zoals een stelsel van sloten binnen hetzelfde peilgebied. 0-1 kilometer vanaf de baggerhandeling: eisen aan het verspreiden van baggerspecieBij het verspreiden van bagger op de kant, en het inrichten van een weilanddepot, op het direct aangrenzende perceel geldt de wettelijke ontvangstplicht; Daarbuiten (maar nog wel grenzend aan de watergang) geldt een overgangszone van hemelsbreed 1 km vanaf de feitelijke plaats van baggerhandeling, gemeten vanaf het uiteinde van het baggertracé. In die overgangszone geldt geen wettelijke ontvangstplicht, maar kan bagger wel worden verspreid. Er hoeft niet getoetst te worden op de kwaliteit van de ontvangende bodem. 1-5 kilometer vanaf de baggerhandeling: gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van baggerspecieBagger mag ook worden toegepast, op de kant of in een weilanddepot, op elders aan de watergang grenzende percelen, waarbij bagger direct grenzend aan dat perceel dezelfde of een lagere bodemkwaliteitsklasse heeft (Industrie/Wonen/Achtergrondwaarde). Er moet echter sprake zijn van ‘verspreidbare bagger’ (msPAF-toets), de ontvangende bodem mag niet verslechteren en er geldt geen ontvangstplicht. Er hoeft dus niet op functie getoetst te worden, echter wel op de kwaliteit van de ontvangende bodem); Om transport en verspreiding van bagger in een te groot gebied te voorkomen, wordt binnen de regio een uiterste grens van 5 kilometer vanaf de baggerlocatie gehanteerd, zelfs als er nog steeds sprake is van ‘een aan de watergang grenzend perceel of tijdelijk weilanddepot’. De meting geldt hemelsbreed van de feitelijke plaats van baggerhandeling, gemeten vanaf het uiteinde van het baggertracé. Weilanddepots: gebiedsspecifieke eisenVoor weilanddepots worden drie aanvullende eisen gehanteerd: De vulhoogte met natte bagger bedraagt maximaal 1,00 meter. Diepere depots hebben risico’s en nadelen (verzakking, lange rijpingstijd enzovoort); Een weilanddepot mag na indrogen niet opnieuw worden gevuld; Een weilanddepot mag binnen vijf jaar niet op dezelfde plaats worden aangelegd. Dit om het risico op accumulatie van verontreiniging op één plaats te voorkomen. Toepassen (gerijpte) baggerspecie op landbodemGerijpte baggerspecie wordt in de regio beschouwd als grond, waarvoor de regels van het Besluit bodemkwaliteit gelden. Hergebruik van gerijpte baggerspecie is dan ook onderhevig aan hetzelfde gebiedsspecifiek beleid als voor de toepassing van grond. Van gerijpte baggerspecie moet echter eerst de kwaliteit worden bepaald. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan het vooronderzoek (puntbronnencheck) en aspecten zoals overstorten en asbestbeschoeiingen op de plaats van herkomst. Dit om te voorkomen dat verschillende kwaliteiten gerijpte baggerspecie worden gemengd. De regio Amstelland en Meerlanden streeft ernaar om de eigen baggerspecie zo veel mogelijk binnen de regio toe te passen, bij voorkeur in het gebied waar de ontgraving heeft plaatsgevonden. Dit om extra milieubelasting door transport te voorkomen. Het is echter denkbaar dat het vrijkomen en weer toepassen van baggerspecie qua tijdsbestek niet direct op elkaar aansluit. Is directe toepassing niet mogelijk, dan wordt de eerste voorkeur gegeven aan tijdelijke opslag op een depot binnen het werk, als tweede voorkeur opslag op een doorgangsdepot binnen het gebied en als laatste voorkeur opslag elders. Niet toepasbare baggerspecie moet, met de vereiste transportdocumenten, naar een erkende afvalverwerker worden afgevoerd. 4.9Bijzondere situaties en afwijkingen Ondanks het feit dat een partij grond qua milieuhygiënische kwaliteit volgens de toepassingsmatrix zou mogen worden hergebruikt in dezelfde of in een andere zone, kan het zijn dat de partij om andere redenen niet mag worden toegepast. Er is een kans dat de partij afwijkt van de te verwachten kwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart. Een zintuigelijke waarneming kan deze afwijkingen aan het licht brengen. Te denken valt aan: Verdenking van aanwezigheid van asbest (zie par. 3.4); Bijmenging van bodemvreemd materiaal (puin, slakken, sintels etc); Geur, wat kan duiden op aanwezigheid van minerale olie, oplosmiddelen etc; Aanwezigheid van zichtbare (olie)verontreinigingen. WegbermenVoor bermen en taluds bij rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen zijn uitzonderingen opgenomen voor de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie. Hiervoor geldt dat alleen hoeft te worden getoetst aan de Generieke Maximale Waarden voor de klasse Industrie. Er geldt geen toets aan de ontvangende bodemkwaliteit. Deze uitzondering is gemaakt omdat de milieubelasting van het verkeer (nog steeds) een bron vormt van verontreiniging van de berm. De uitzondering is daarom begrensd tot een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of ballastbed of tot maximaal het einde van het talud. De lengte van het talud is hierbij variabel en geldt vanaf de rand van de verharding tot het maaiveld of tot de sloot of afscheiding. In de hele berm en in de kern van de snelweg mag grond met kwaliteit Industrie worden toegepast. De grond mag vanzelfsprekend ook van buiten het beheergebied afkomstig zijn. De uitzondering geldt niet voor grond waarop de beleidsregel PFOS en PFOA van toepassing is en voor de kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie bij gemeentelijke wegen en polderwegen. Grond afkomstig van de wegen/wegbermen van polderwegen en andere gemeentelijke wegen mag zonder partijkeuring niet elders worden toegepast, ook niet in een andere openbare weg. Het materiaal (profielzand en funderingsmateriaal) mag wel zonder tussentijdse bewerking onder dezelfde condities op of nabij de plaats van vrijkomen (binnen hetzelfde werk) opnieuw worden toegepast, of worden teruggestort in de sleuf/wegcunet waar het uit komt. Grondgebruik dat geen bodem isEr komen situaties voor waarbij sprake is van grondtoepassingen die wel over een aanzienlijk oppervlak een aan bodem gelijkende functie hebben, maar formeel geen bodem zijn in de zin van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Deze wetgeving is dan formeel niet van toepassing. Kenmerk is dat er geen contactmogelijkheid is met de onderliggende of naastliggende bodem. Voorbeelden waarbij dit van toepassing is: Daktuin parkeergarage, groene daken etc; Met grond gevulde kelderruimte; Stortplaats; Langdurig aanwezig depot; Grond met 50% of meer bijmenging van bodemvreemd materiaal (=afval). In dergelijke situaties is weliswaar sprake van grond (en eventueel bouwstoffen), maar er is sprake van een werk of een stort. Afhankelijk van de situatie is dan mogelijk het Bouwbesluit, de Wet milieubeheer of Wabo van toepassing. Er zal dan naar deze regelgeving gehandeld moeten worden. Indien geen sprake is van bodem, maar wel van een met bodem vergelijkbare situatie, moet wel rekening gehouden worden met criteria voor humane en eventueel ecologische blootstelling uit de Wet Bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Met onder vergelijkbare omstandigheden wordt bedoeld dat de (voor algemeen of particulier gebruik bedoelde) grond gebruikt wordt alsof het bodem betreft, bijvoorbeeld voor: Het planten en bewerken van gewassen; Kinderspeelplaats; Recreatieterrein. Indien sprake is van een milieu-inrichting met specifieke vergunningvoorschriften zijn die natuurlijk leidend. Wel kan ook daarbij rekening gehouden worden met elementen uit de Wet Bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Soms is het niet duidelijk of er sprake is van bodem of van een werk. Wanneer een werk zich in de bodem bevindt en geen afgesloten geheel vormt, zodat de grond in of op het werk is verbonden met grond en/of grondwater in de directe omgeving, wordt gesteld dat voor die grond sprake is van bodem. De Wet bodembescherming is dan van toepassing. Voorbeelden van dergelijke situaties in de bodem zijn: Een (voormalige) fundering of gewelf; Een (voormalige) laag of plaat; Een (voormalige) kelder of bak; Een (voormalig) civieltechnisch kunstwerk. Bij beëindiging van de functie van een dergelijk bouw- of kunstwerk wordt soms bekeken of er een mogelijkheid is tot vullen of dempen met grond of bouwstoffen. In het geval er contact met de bodem is zal beoordeling op grond van het Besluit bodemkwaliteit plaats moeten vinden. Ook werken van voor 1987 die uit grond bestaan en zich op de (oorspronkelijke) bodem bevinden, destijds wel als werk zijn aangelegd, maar inmiddels als onderdeel van de omgeving kunnen worden beschouwd, worden als bodem gezien, zoals bijvoorbeeld een open geluids- of grondwal of een depot. Ontgraven van grond op groeiplaatsen Japanse DuizendknoopDe Japanse Duizendknoop is een uitheemse plantensoort die een groot negatief effect heeft op de biodiversiteit. Bovendien kan de soort aanzienlijke economische schade veroorzaken, bijvoorbeeld doordat de stabiliteit van dijken wordt verminderd of door schade aan verhardingen, bouwwerken, rioleringen of funderingen door de enorme groeikracht van de wortelstokken. De Japanse duizendknoop kan zich heel snel verspreiden wanneer grond met wortelresten wordt ontgraven en elders toegepast. Verspreiding kan ook optreden doordat wortelresten aan materieel blijven zitten. Grondverzet is een van de belangrijkste oorzaken van verspreiding. Sommige gemeenten (bijvoorbeeld Amstelveen) maken ter bestrijding va

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.